Issuu on Google+


3


Als een specht op het boekenrek. Wie was deze jongeman genaamd Meïr? Ik bekeek hem in de spiegel en zag iemand die ik mezelf mag noemen. Veel had ik niet te zeggen, veel was er niet gebeurd. Ik was niet zo mooi maar ook niet zo lelijk. Daardoor keek niemand om, maar hadden ze ook geen medelijden met mij. Schoonheid is ook zo relatief. Er moet er maar ééntje zijn die me mooi genoeg vind, en dat is genoeg. God, die het ware, het goede én het schone is. God die ons heeft geschapen naar zijn evenbeeld. Droeg hij dan alle gezichten van alle mensen in zich? Zat dit gezicht –het mijne- dan ook op het zijne? Ben ik Gods masker? Ik zal niet zo schoon zijn als God, toch moet ik mijn hoofd torsen. Als ik zelf God was geweest, had ik dan enkel mezelf kunnen scheppen? Zou ik? Ik moet toch meer inspiratie hebben dan dat? Ik heb geen rib om iets uit te scheppen. Mijn rib heb ik zelf nodig. Ik zal ook niet de rib van een ander nemen, want de ander zal hem ook nodig hebben. Wat ik nodig heb is stof. Stof om iets uit te maken, stof waarin dat iets, later kan wederkeren. Stof alleen is niet genoeg, het moet gebonden worden tot materie, en die materie zal ik een naam geven. Ik weet nog niet welke. Ik zit aan het bureau in mijn kamer. De kaars brandt want het is donker genoeg. Samen met mij leven hier vele boeken. De meeste boeken huizen in de bibliotheek, maar de belangrijkste boeken hou ik liever dichter bij mij. Vraag mij iets en mijn vingertip raakt de juiste boekenrug, streelt het juiste blad, zelfs de juiste passage. De boeken die ik graag heb ken ik goed genoeg. Het zijn als het ware mijn minnaressen. Rest mij de vraag of een boek vrouwelijk of mannelijk is. Voor mij zullen het vrouwen zijn, met zachte ruggen van leder. Ze zullen me wel influisteren wat ik wil weten. Ik zal ze vragen wat ik nodig heb om God te worden, mijn eigen God. Een schepper op zich. Mijn hand vliegt als een specht naar het boekenrek. Als een ijsvogel door het water klieft, zo kies ik mijn boek. Als ik het lees word ik een uil. Mijn ogen worden groter en rood van de lamp. Het juiste boek. Het gebiedt me klei te gaan schrapen uit de oevers van de rivier. 4


5


Niemand die me buiten zal zien. Ik heb een kaftan meegenomen die wat te groot is voor mij, alsook een spade. Bij de rivier aangekomen voel ik op de tast de zachtste klei. Ik knoop de kaftan toe bij de mouwen en laat de blokken klei erin glijden. Als ik klaar ben stap ik met natte voeten naar huis. Over mijn schouders draag ik mijn eigen gewicht in vochtige klei. Dit zal mijn golem worden. Ik werkte één lange nacht aan het beeld. Die nacht duurde maanden, de tel raakte kwijt. Ik begon met het hoofd, uiteraard was er ook een romp en ledematen. Toen ik hem vingernagels gaf, gaf ik hem een geslacht. Ik kneedde hem naar mijn evenbeeld, wat kon ik anders doen? Het was een man. Ik duwde kleine rimpeltjes in zijn huid; op de gewrichten van zijn vingers als hij zijn handen strekte, rond zijn ogen als de zon scheen, en een plooi op zijn buik als hij voorover boog. Hij was klaar. Ik las hardop uit het boek en spak op deze manier het leven in de klei. Ik kuste hem tot leven, mijn speeksel op zijn lippen en hij begon licht te ademen, nog slapende. Het kussen was niet aangenaam, het zand van de rivier waaruit ik de klei had gewonnen knarste tussen mijn tanden. Maar de golem leefde, en dat was het belangrijkste. Ik maakte de ogen donkerder en de huid bleker. Toch zag je niet de blauwe schijn van aders onder het vel. De golem bevatte geen bloed, geen leven. Het was een lege pop met als enige leven, mijn spreekwoordelijke hand erin. Hij zou doen wat ik wilde en ik zou wat hij doet voelen doorheen mijn vingertoppen. En nu ben ik één. Ik ben de golem en de golem ben ik. We zullen door dezelfde mond spreken en dezelfde voeten bewandelen. Wat zal ik doen? Op dit nachtelijke uur raak ik snel opgehitst. Ik heb bloed voor twee.

6


7


De golem ligt in mijn bed en ademt als een slaper. Ik weet dat hij zal ontwaken als ik hem op de schouder tik. Laat me hem nog bekijken terwijl hij daar naakt op mijn lakens ligt. De klei begint al te drogen en wordt lichter. Hij lijkt zelfs te krimpen. Uit mijn kast kies ik de kleren die ooit groot genoeg voor mij waren, ze zullen hem wel passen. Hij heeft al een lichaam, kleren, maar nog geen geest. Ik vraag me af welke geest ik in hem heb gekust. Aangezien hij zal denken wat ik denk, kan ik hem alles laten doen wat ik wil. Zoals ik al vertelde; wat hij zal doen zal ik voelen. Niet echt ‘voelen’ natuurlijk, maar ik zal het wel voelen tintelen in mijn vingertoppen. Alle angsten kan ik overwinnen, alle verlangens kan ik opzoeken, ik zal de euforie kunnen voelen. En als iemand hem –de golem- breekt, zal het gedaan zijn, maar ik zal de pijn niet voelen. Opeens voel ik me machtiger dan ik me ooit al heb gevoeld. Het lijkt niet meer menselijk. Misschien is het de duivel die in mij is geschoten. Zou het gebeurd zijn toen ik in het dorp boter ging halen voor mijn moeder? Misschien zat de duivel in de struiken toen ik passeerde. Voor zover ik het me kan herinneren is er toen niemand op mijn rug gesprongen. Kan het zijn dat ik het niet heb gevoeld? Waar zat ik met mijn gedachten? Misschien is het wel gebeurd maar wil de duivel zich nu pas kenbaar maken. Ik zal nu gaan slapen. Niet in mijn bed want daar ligt de golem te slapen. Ik slaap op de stoel aan mijn bureau. Morgen zullen we beiden ontwaken.

De zoon Ik was al vroeg wakker. Het was mistig aan het raam van mijn kamer. Ik hield de gordijnen gesloten en stak de kaars aan. De kleren lagen klaar op het nachtkastje, ik besloot dat het tijd was om hem te wekken. Zijn borstkas ging traag omhoog als hij ademde. De lucht uit zijn mond rook naar de koude van de rivier. Ik zou beter wat rozenblaadjes onder zijn tong leggen, om de mensen die hij zou ontmoeten niet in verwarring te brengen. Ze zouden zeggen dat hij lekker rook. «Wat een knappe man. Waar zou hij vandaan komen? Niemand heeft hem ooit gezien en op een ochtend was hij hier.» Zijn wang was lauw, maar niet zo hard als ik had verwacht. Hij opende zijn ogen en wachtte tot ik hem beveelde zijn kleren aan te doen. Ik had die ochtend een zoon gekregen. Iets helemaal van mij. 8


9


Ik zou hem niet moeten delen met een moeder, er was geen vrouw aan te pas gekomen. Of wel? Als mijn boeken mijn minnaressen waren zou het ook kunnen dat één van hen de moeder is. Toen de golem was aangekleed wiegde ik hem in mijn armen. «Ik zal u vertellen wat te doen, mijn zoon. Je zult niets voelen maar dat zal je niet deren. Je zult niets weten, niets leren. Ik heb genoeg kennis om u te voeden.» Ik zette hem recht tegen de muur van dan de kamer en fatsoeneerde zijn haar. «Je bent mooier dan mij, weet je dat wel? Ik weet niet of dat je geluk zal brengen. Ik ben maar een simpele ziel, ik heb nooit geluk gehad, maar ook nooit ongeluk. Niets spannends is mij ooit overkomen. Hoe dat zou komen? Mijn ouders hebben me goed opgevoed, ik was hun enige zoon. Ze hebben mij verteld dat mijn moeder soms de hele nacht door zat te bidden om een kind. Ze was al oud toen ze van mij beviel. Een wonder noemden ze het. Ze hebben zo lang op me gewacht, en dat heeft een indruk op me gemaakt.» Ik drukte mijn wijsvinger onder zijn neus, ik was een klein deukje vergeten. Daar, net boven zijn lip. Ik haalde enkele rozenblaadjes van uit mijn nachtkastje en legde ze onder zijn tong. «Ik ben ook een wachter. Ik wacht om naar het dorp te gaan tot mijn moeder het mij vraagt. Arme vrouw, ze wordt elke dag twee dagen ouder. Ze kan niet zo goed meer stappen. Ik wacht om naar de sjoel te gaan tot mijn vader zijn boek uitheeft. Arme man, hij kan niet zo goed meer lezen en de rabbijn wil zijn boek terug. En ik, arme ik. Ik had al getrouwd kunnen zijn. Ik ben al 25 jaar, dat maakt van mij ook een oude man. Gelukkig heb ik u nu, mijn zoon.» Ik nam een spiegeltje en liet de golem zijn gezicht zien. «Kijk, je had de zoon kunnen zijn van mij en een mooie vrouw, maar ik wacht er nog steeds op. Is God dan zo slecht dat Hij het mij niet gunt? Wat Hij wil, zal gebeuren. Het heeft dus geen zin dat ik in het dorp loop te pronken, het heeft geen zin dat ik naar de stad reis om een vrouw te gaan zoeken. Als er eentje zou omkijken, heeft dat niet te maken met mij, maar met het plan dat Hij voor me heeft. Het lijkt dat Hij me vergeten is.» Ik legde het spiegeltje terug weg. De golem kijkt maar zwijgt. Ik neem aan dat hij me begrijpt. «Misschien moet je me even helpen. Ik denk dat God me vergeten is omdat ik te goed ben. Ik ben geen zondaar, en ik denk dat Hij vooral de zondaars in het oog houdt. Laten we Hem herinneren dat ik hier ben, en dat ik wacht op een teken van Hem.» 10


11


Aan het ochtendlicht wist ik dat mijn moeder spoedig zou opstaan. Nu de golem leefde wilde ik hem snel uit mijn kamer. Mijn moeder is iemand die niet snel van gewoonte verandert. In al die jaren blijft ze me ’s ochtends wekken, straks staat ze aan mijn deur, ze komt zelfs binnen. Tot nu toe kon ik de golem verstoppen in mijn kleerkast, maar nu hij ademde, zouden de kastdeuren lichtjes open en toe gaan, als longen. Hij moest hier weg. «Lieve zoon, ik zal u buiten brengen. Wandel naar het dorp en verstop u in de struiken, verstop u in de bomen, laat u niet horen! Ik zal u zeggen wat te doen. Vergeet niet dat we God zullen aanroepen. Ik heb een plan, ik zal u beladen met zonden, en Hij zal u aanspreken. Als Hij je vraagt wie je bent en waar je vandaan komt, wijs dan naar mij. Als Hij me ziet denk ik dat Hij zich zijn belofte wel zal herinneren. Wie goed leeft moet beloond worden. Ík was mijn handen in onschuld, ík heb niets misdaan, maar we hebben wel Zijn aandacht getrokken.» Ik stapte naar het raam, de golem volgde me. Ik vertelde hem waar het dorp lag, hoewel het leek alsof hij het wel wist. Hij opende het raam en wandelde weg. In de verte kraakte het bed van mijn moeder. Ik hoorde hoe ze haar voeten op de grond zette. Ik sloot het raam en ging terug in mijn bed liggen. Ze klopte, wachtte, opende de deur. «Meïr, je bent al wakker!» «Ja moeder.» «Je kunt je klaarmaken en komen eten, ik wacht op je.» «Ja, dat weet ik.» Ze verdween weer. Ik bleef nog even liggen. Na een tijdje leek het alsof ik bladeren aan mijn vingertoppen voelde. De golem verstopte zich in de struiken. Hij luisterde dus toch wel naar mij. Als de tijd rijp was, zou ik hem uit de struiken roepen en kon hij op het toneel verschijnen. ’s Middags had moeder heel wat taartjes klaargezet op tafel. Ze wilde me voederen, lokte me met rozijnen en kaneel. Ik word een klein hondje. Ze neemt me als het ware op haar schoot. «Eet maar goed jongen, het zal je goed doen.» Ik vraag haar; «Moeder, vertel mij eens welke mensen in het dorp het goedst zijn?» «Dat zijn de mensen die tegen zichzelf zeggen dat ze niet moeten doen wat aanvaardbaar is, maar wat goed is.» «Hoe zal ik hen herkennen?» «Ik denk dat ze met het hoofd rechtop lopen. Niemand die hun ooit iets kwalijk zal nemen.» «De slager?» 12


13


14


«De slager is een goed man.» «Zal ik straks voor u vlees gaan halen in het dorp?» «Ja, dat is goed.»

Een mes dat aan twee kanten snijdt Ik zal mijn aandacht op de slager richten. Wat maakt deze man een goed man? Hij is vriendelijk, dat lijkt me normaal. Hij heeft een zaak, dus kan hij het zich niet permitteren om onvriendelijk te zijn. Slechte woorden gaan snel in het dorp. Als hij iemand opzettelijk een taai stuk vlees zou geven, zou het binnen een week al bekend zijn tot over de heuvels. Hij kent zijn vak, de slagerij is al generaties lang in handen van dezelfde familie. Maakt dat hem dan wel een goed mens? Misschien is hij een hypocriet. Ik weet dat hij rijk is, en dat heeft hij te denken aan al zijn klanten. Als er een andere slager in het dorp was geweest zou hij maar half zo rijk geweest zijn. In onze schuur staat een oude merrie. Mijn ouders –die het gewoon zijn te wachten- wachten nu al maanden tot ze haar hoofd zal neerleggen en niet meer zal opstaan. Wanneer zij zal sterven? Als God het wilt. Ik denk dat God haar ook is vergeten. Het dier heeft in haar leven hard gewerkt en toch laten de vliegen haar niet met rust. Wankel verjaagt ze de insecten met haar zware hoofd. Is dat wat God voor haar heeft voorzien? Als ze zou sterven zou het beter zijn. Ik besluit vlees te gaan halen in het dorp. Ik besluit ook vlees te brengen. Ik knoop een halster rond het hoofd van de merrie en wandel met haar naar de slager. Op weg langs het veld lacht een groep jongens me uit, ik lach met hen mee. «Ga je met die schriele merrie op vakantie aan de zee? Het zal haar goed doen!» «Ze zal de zee niet halen.» antwoord ik hen. «Ik ga haar verkopen, met dat geld kan ík naar de zee.» «Laat me niet lachten. Pas op vrienden, nu is Meïr helemaal gek geworden!» «Meïr, ga je dan een meisje meenemen naar zee?» vroeg de snuggerste van de jongens me. «Als God het wilt.» zei ik. «Maar Meïr, zeg me eens wat jij wilt?» «Misschien Chava, de dienster van Bernstein?» grapte de andere. «Chava? Zij is toch veel te oud voor hem.» «Dat zou ik niet zeggen. Kijk naar hem, hij is ouder dan de merrie. Hij is traag, hij zou al zeven kinderen moeten hebben.» 15


16


En dan lachten ze. «Lachen jullie maar, ik hoop dat jullie tong eraf valt als ik aan zee zit.» Ik had deze jongens niet nodig. Soms is het fijn om met hen te lachen, maar in feite zijn ze één voor één schlemielen. Ik laat ze achter in hun lachbui en stap naar het dorp. Ik voel in mijn handen het touw van het halster, in mijn vingertoppen het geruis van bladeren. De golem zit nog steeds tussen de struiken te wachten. Ik zal hem het woord laten voeren bij de slager. Iedereen in het dorp kent mij, ik zal mijn handen niet vuil maken. Ik stap de hoek om, de lachende jongens verdwijnen achter de hoge berm. Als het stil is roep ik de golem. Ik zie hem al snel van in de verte naar me toe stappen. «Ik zal denken en jij zult handelen.» Ik gaf hem het touw van het halster en klom op de berm. Boven was het nog vochtig van de nacht. Ik ging op mijn rug liggen, niemand kon me zien. Vanaf dan was ik twee. Ik voelde het touw nog steeds in mijn handen, maar ook het gras waar ik in lag. Ik zag de golem wandelen door de ogen die ik zelf had ingekleurd. Vanaf dan werden we allebei ‘ik’. Ik wandelde over de weg met het paard. Niemand herkende me. De mensen in het veld stopten met wieden en keken om. Het paard herkenden ze ook niet, aangezien er wel meer paarden waren, zeker bruine paarden. Van mij was er maar één. Ik werd ‘een jongen uit een ander dorp’. De slager was achteraan zijn huis aan het werk. Ik hoorde hem snijden en kappen. Ik stapte met het paard tot aan de deur. «Meneer, ik zou mijn paard graag laten slachten.» Hij legde de messen en bijlen opzij en kwam dichterbij. Hij glimlachte, maar de glimlach was een masker. Hij geloofde me niet. «Ik denk niet dat ik dat kan doen.» «Wat gaat u mij nu zeggen? Dat het paard te oud is en dat u er geen goed stuk vlees meer kunt uithalen? U moet weten dat er wel íets goed in haar zit, een goed hart.» «Ik denk dat we elkaar verkeerd begrijpen. U bent niet van hier?» «Inderdaad.» 17


«Ik ben een koosjere slager en daarom kan ik dat paard niet slachten en verkopen.» Ik werd als het ware een marter. Ik kroop via zijn broekspijp naar zijn schouder en legde me in zijn nek. Zo zacht dat ik was, het deed hem een heel plezier. «Maar nu is het ziek, ik wil niet dat het nog langer afziet en wil het daarom laten afmaken. Ik ben op doorreis. Straks koop ik een ander paard en vertrek ik weer. Mijn merrie wil ik hier achterlaten, ze is te verzwakt om de reis aan te kunnen.» Hij legde zijn slachtmes opzij. Als het over zaken ging, wist ik dat hij zijn oren spitste. Deze man is enkel slager omdat zijn vader, grootvader en overgrootvader dat waren. Hij verdient goed zijn brood. Omdat dit een Joods dorp is, wordt hier koosjer gegeten. Ik ken de kleine kantjes van de slager goed genoeg. Ik zie hem zondigen, hij werkt op sjabbat om de dag erna meer te kunnen verkopen. Een heel klein beetje, maar toch… Hij doet het heel stiekem, maar ik zie het wel. Als ik nog een beetje zachter in zijn nek aai, is hij in staat zijn geloof te verliezen. En dan, zal hij een grove fout maken. «Verkoop het vlees maar.» «Niemand zal het kopen.» «Laat dat geen probleem zijn, meng het met ander vlees.» Ik zag hem twijfelen. Wat kon het kwaad? «Zeg dat het een nieuwe delicatesse is. Ze hebben nog nooit paardenvlees gegeten, ze zullen niet weten wat het is. Het wordt uw specialiteit, zo lekker, en ze zullen van ver komen om dat vlees te proeven. Geloof me maar, dit is wat men eet in de stad, in Londen en Parijs. Een groot succes!» Het paard stond aan de deur lusteloos in te dommelen. «Ik laat ze bij u achter.» Hij stapte met me mee naar de merrie. «Doe het snel, ik wil niet dat ze nog langer afziet. Ik kan het niet zien.» Ik klopte haar op de nek en groette de slager. Ik keek niet om maar hoorde hoe hij het paard voorzichtig binnenleidde. Hij had eerst goed rondgekeken, niemand had hem gezien. En ik, als golem, wandelde terug naar het veld. Daar vond de metamorfose plaats. Ik kroop op de berm, ik lag er. Ik ging liggen, ik stond op. Vanaf dat moment was ik weer Meïr, niet de golem. Ik wachtte een hele tijd en wandelde daarna terug naar het dorp, ik had mijn moeder immers beloofd om vlees te gaan halen. Ik ging binnen in de slagerij, maar langs de winkel en niet langs de achterkant. De slager verscheen, vriendelijk als anders. 18


19


Ik vroeg hem hetzelfde als elke keer. «Binnenkort hebben we thuis iets te vieren, heb je geen speciaal vlees voor op onze feesttafel?» Hij woog mijn vlees, pakte het in. «Als je nog een tijdje wacht heb ik wel iets nieuws voor je. Ik moet het recept nog wat verbeteren maar het staat bijna op punt. Als ik je nog eens zie, geef ik het je mee, dan kan je al eens proeven.» Hij legde het pakje vlees in mijn handen en nam lachend de munten over. Lachend, net iets te gretig. «Ik kom wel terug, ik zie u binnenkort.» Ik groette hem, de zonde zou snel volgen. En wat er toen gebeurde? Het was een rustige dag. In de beslotenheid van zijn slachtkamer doodde hij het paard. Hij liet het helemaal leegbloeden volgens de regels. Daarna begon hij het grote dier in stukken te snijden en verborg alle overschot. Het paard was verdwenen, het was enkel vlees dat overbleef. Het smaakte goed, anders. Hij bereidde het vlees zodat het er uitzag als het andere vlees, bedacht een naam voor zijn delicatesse en stalde het uit in de winkel. Thuis vertelde ik dat het paard weg was. «Het is er niet meer, misschien is ze weggelopen om ergens te sterven?» Mijn vader ging niet akkoord. «Oude paarden sterven in hun stal, ’s nachts.» «Misschien is ze gestolen?» Wederom ging mijn vader niet akkoord. «Wie een oude merrie steelt moet anderhalve nebisj zijn.» «Ja, dat is waar, » zei mijn moeder «misschien hebben kwajongens de stal opengezet en haar weggejaagd. Ze kan nog terugkomen.» Mijn vader woog de veronderstelling af. «Ik zal in het dorp eens vragen of iemand haar gezien heeft.» Enkele dagen later ging ik wederom naar de slager. Zoals gezegd, ik kreeg de delicatesse aangeboden. «Zoals belooft, neem maar mee om te proeven, je moet niet betalen. Ons geheim.» Ons geheim? Ik denk dat hij iedereen een klein stukje meegaf om te proeven. Ze zouden niets kopen dat ze niet kennen. Maar dit, dit was een specialiteit vanuit de stad, Parijs en Londen. 20


21


Dat eten ze daar! «Het dorp is klaar voor iets nieuws.» Hij knipoogde. Ons geheim. En zo at het hele dorp verboden vlees. Niemand die het wist. Die avond paste ik voor de delicatesse. Mijn ouders kregen het wel binnen. Ik bleef naar hen kijken terwijl ze aten, verwachtte dat ze opeens zouden sterven, maar dat gebeurde niet. Ze werden niet gestraft, niemand riep hen tot de orde. Ik zou nochtans verwachten dat God hier zou verschijnen en Zijn wet zou laten gelden. Maar, dat gebeurde niet. Blijkbaar was er nog meer nodig om Zijn aandacht te trekken. Daarom stelde ik mijn vraag voor de tweede maal. «Moeder, vertel mij eens welke mensen in het dorp het goedst zijn?» «Dat zijn de mensen die tegen zichzelf zeggen dat ze niet moeten doen wat aanvaardbaar is, maar wat goed is.» «Hoe zal ik hen herkennen?» «Ik denk dat ze met het hoofd rechtop lopen. Niemand die hun ooit iets kwaad zal nemen.» «Chava, de huishoudster van Eli Bernstein?» «Ja, zij is een goede vrouw.» «Zou u het goed vinden als ik met haar trouw.» «Maar Meïr… dat zal niet gebeuren.» Een vrouw als Chava zal nooit trouwen. Wie kan nu het huishouden van een groot gezin in goede banen leiden als ze zelf een gezin heeft. Chava kon goed koken, poetste met het grootste gemak en als ze boodschappen deed kon ze de meest zeldzame specerijen en nieuwigheden op de kop tikken. Iedereen had haar graag, zowel de mannen, vrouwen en kinderen. Wat zou ik haar graag verleiden. Dat ze nooit zal huwen is een groot geheim dat niet wordt doorverteld, maar iedereen weet het wel.

Een theelepel zaad De maagd voederde haar kanaries. Sommige vogels van hier zijn mooier, maar de hare zingen dichter. Ze gaf hen een theelepel zangzaad. Ik weet dat, want in de winkel vraagt ze altijd haar speciale kanariemengeling. Zij heeft de enige kanaries in wijde omtrek en bestelt elke maand haar zakje kanariezaad. 22


23


24


«Daar zingen ze beter van!» weet ze de verkoper te vertellen. Als ze verlegen lacht is de man al gelukkig, ook al vertelt ze hem elke keer hetzelfde. Chava heeft twee kanaries in de keuken, in een mooi kooitje dat ze met haar eigen geld heeft betaald. Het zijn twee vogeltjes, maar geen koppel. Het zijn twee mannetjes want ze zingen elk om het mooist. Zij is het enige vrouwtje dat naar hen luistert. De maagd is al 30 jaar en werk al zeer lang bij dezelfde familie. Ze ziet er jonger uit want ze zit vaak binnen. Haar huid is bleek en gaaf, ongetekend door weer en wind. Zo een schone vrouw, daar is niets op aan te merken. Het feit dat ze haar werk als huismeid al zo vele jaren zonder klagen volbrengt, maakt haar zo zuiver. Deze vrouw zal niets misdoen, deze vrouw zal hier sterven en elke dag zal dezelfde zijn. Toch moet er een diep verdriet in haar woelen. Ten eerste de schande van ongehuwd te zijn en ten tweede –daar uitvloeiend- de schande van kinderloos te zijn. Een vrouw zonder kinderen is als een dode vrouw. Één man in huis, ze plooit zijn lakens, wast zijn ondergoed. Er moet toch iets zijn dat ze zichzelf gunt? Een klein stukje van hem; zijn oorschelpen, knieën, sleutelbeenderen? Ik ben de golem en weet waar ik naartoe moet. Ik kruip in een kast in de keuken en vraag haar wat ze van Eli Bernstein, de heer des huizes vind. Ze negeert mijn vraag en begint deeg te kneden. Ik vraag het opnieuw en zeg erna «Liegen is een zonde!» Ik wil het zo graag weten. Wat gaat er om in de gedachten van een toegewijde huismeid? Alleen als ze ingaat op mijn vraag, kan ik die beantwoorden. Ik wil de woorden van haar aflikken. «Uw verlangen is geen zonde. Vertel mij wat u denkt, en ik jaag de demonen uit u weg.» Wat zou het kwaad kunnen te weten waar zij vaak aan denkt? Ik smeekte verder: «Vertel het me, ik ben eenzaam. Gun me toch dat verhaaltje, vertel me wat je denkt dat er kan gebeuren.» Ze is zo verlegen, koppig en nogmaals verlegen. Ze vraagt me niet eens wie ik ben. «Ons geheim.» Soms beeldt ze zich in dat de heer de keuken binnenkomt als ze brood aan het kneden is. Hij heeft harige armen, gestroomlijnd. Hij legt zijn handen ergens, rondom haar. Ze stopt met kneden en voelt zijn donkere baard in haar nek. Stilaan begin hij haar te pellen, als een ui. Blaadje per blaadje pulkt hij de onderrokken van haar af. Als een ui, en zij laat tranen van geluk. Hij lijkt zelfs vier armen te hebben. 25


Als hij tenslotte zijn lege hemd op haar deeg gooit, stroomt haar bloed naar haar hoofd. Dat hoofd duwt hij licht opzij, zo rood als het is. En dan gebeuren er dingen die ze nooit zo scherp had kunnen bedenken. En zo is het, ze moet maar en stuk van die armen zien en daar voelt zij hem al kneden, haar huid als deeg. Maar uiteraard heeft ze dit nooit iemand verteld. Tot nu… Ik kruip uit de kast. Zo stil dat ze het niet hoort. Wat doe ik? Ze heeft een deegrol vast, ik laat hem uit haar handen glijden. Ook ik duw mijn mond in haar nek. Chava denkt «ik laat me dit overkomen» en beslist nooit om te kijken. Ik pel haar als een ui en bij elk vallend blad wordt ze roder. Ik leg mijn hand op haar mond, stevig. Daardoor zal ze niet kunnen omkijken en zal ze ook geen geluid maken. De kanaries wippen al weer rond van stok naar stok, ze schenken geen aandacht aan wat er gebeurd. Ze zingen zacht, maar de meid hoort de vogels niet meer. Ik heb zin om te roepen, Gods naam. Waarom ziet hij niet wat er gebeurt? Hij zou ervoor kunnen zorgen dat Eli Bernstein de keuken binnenkomt en dat de meid haar ogen dan opendoet en recht in zijn gezicht kijkt. Dan zal ze zich omdraaien en me van haar afgooien als een dolle vaars. Ze zal slaag krijgen van de heer en zal vernederd worden door het ganse dorp. Wie laat zich nu verleiden door een vreemdeling die uit een keukenkast komt gekropen? Zonde o zonde. Ze zal nooit meer werk vinden als dit ooit uitkomt. Ik laat de rokken weer over haar heen glijden, ze durft zich niet te verroeren. Ze fatsoeneert haar kapsel in stilzwijgendheid. Ik draai me om en verdwijn, ze zal nooit weten dat ik het was. Als ze de man des huizes later die dag zal zien, zal Chava amper durven te kijken. «Ons geheim.» En ze zal hopen op een vervolg. Na enkele maanden zal ze zelf proberen hem te verleiden en zal het duidelijk zijn dat ze fout is. Weeral zonde o zonde. Dan zal hij haar in het gezicht slaan, zo zal het altijd eindigen. Ik wandel weer naar de berm en laat de golem achter. Ik, terug Meïr, sta op, wandel naar huis. Door het raam van mijn kamer klim ik naar binnen en wacht tot mijn moeder op de deur klopt. Het eten is klaar. 26


27


28


Wederom pas ik voor de delicatesse, blijkbaar wordt zij goed bevonden. En dit, terwijl paardenvlees eten niet koosjer is. «Moeder, vertel mij eens welke mensen in het dorp het goedst zijn?» «Je hebt me die vraag al eens gesteld. Waarom?» «Ik zou willen weten of je krijgt wat je verdient. De goedste persoon in het dorp zou toch het goedste leven moeten leiden? Vertel me dan wie het beste verdient? Wie het beste weet wat goed is.» «De rabbijn waarschijnlijk. Hij kent alle wetten en weet daardoor wat slecht is, wat goed is. Hij zal altijd voor het goede kiezen. Trouwens, als je vragen hebt, kan je die beter aan hem gaan stellen. In elk geval is hij de wijste van het dorp.» «Zal ik doen moeder, zal ik doen.»

Het bloedende boek Ik was terug de golem en kroop van de boekenkast onder de lessenaar, keek op tussen zijn voeten en vroeg hem «O rabbijn, ik zie dat u ongelukkig bent, vertel mij wat op uw lever ligt!» Hij had het boek nog niet geopend. «Ik ben zeker niet ongelukkig.» «Kom rabbijn, u zit hier binnen tussen de oude boeken terwijl er zoveel leukere dingen zijn om te doen.» «Vergist u zich niet, dit is mijn roeping.» Hij sloeg het boek open bij het leeslint en keek naar de letters. Ik schuurde langs zijn benen als een hongerige kat. «Rabbijn, ik wed dat u een ongelukkig man bent. Er moet iets zijn waar u spijt van heeft, iets dat u verlangt, iets dat u verkeerd hebt gedaan.» Hij luisterde maar zweeg. «Altijd alle wetten nageleefd? Heeft u niet ooit één steek laten vallen?» «Ik ben gelukkig getrouwd, heb twee goede dochters en ben rabbijn in dit mooie dorp. Wat zou er nog meer kunnen zijn voor mij? Alles wat ik ooit verlangde heb ik gekregen.» «En rabbijn, net omdat u zo gelukkig bent heeft u zo veel te verliezen. Als u schone vrouw komt te sterven, één dochter wordt ziek en één andere dochter huwt een slechte man. Uw synagoge wordt platgebrand alsook uw boeken. Ik wed dat u –alles verloren- ook uw geloof zal verliezen.» 29


30


«Het zij zo, maar u moet niet praten over de toekomst.» «Als u toch zo zeker bent dat u nooit iets heeft misdaan zal ik u iets tonen.» In de hoek van de synagoge stond het boek. Het lag ingewikkeld in dik fluweel, al wat afgesleten door de ouderdom. Ik liep naar het boek en gooide het op de grond. «En nu?» vroeg ik. Hij sloot het boek, stond op en duwde de stoel onder de lessenaar. «Misschien moet u dat boek maar met rust laten.» zei hij. Ik trok het fluweel opzij en opende het kaft, mijn vingers op het papier. O Heiligschennis! «Bent u Joods?» riep hij uit. Ik wist wel dat dit boek al generaties lang deel uitmaakte van het erfgoed van het dorp. Al jaren is hij gespaard gebleven van de pogroms en nu dit. Deze man met zijn vingers op de zwart geïnkte letters. Ik las er de namen van mensen die hier woonden en hadden gewoond. «Misschien moet u nu stoppen!» Maar ik zette één vinger aan de rand van het blad en scheurde het uit het boek. Het boek begon te bloeden, alsof de mensen wiens naam er geschreven stonden, stierven. «Wat doet u nu?» Ik zette de tweede vinger op het papier. «En u zegt dat u nog nooit heeft gezondigd. Ik geloof u niet. U zult zondigen vandaag, misschien heeft u bij het vallen van de nacht een moord op uw geweten.» Ik scheurde een tweede blad uit het boek. Omdat de rabbijn besefte dat woorden met niet tegenhielden probeerde hij me van het boek weg te duwen. Ik was sterker dan hem. De kracht van zijn geest kan niet op tegen de kracht van mijn spieren. Hij had de kracht van een kip. Ik hielde hem met één arm bij me weg en scheurde nog en blad uit het boek. Mijn knieën al in het bloed, het boek weende. Ik lachte. Hup, twee bladzijdes ineens. De rabbijn begon me te stampen, één voet kon ik nog in bedwang houden. Uiteindelijk deed hij wat hij moest doen. Hij greep een kandelaar en sloeg ermee tegen mijn nek. Zweet, zweet, de rabbijn daverde. Had hij iemand vermoord? Ik scheurde nog een blad en hij sloeg opnieuw, zo hard dat mijn hoofd eraf vloog. Het ketste weg en bleef liggen in een hoek. «O rabbijn!» riep ik. «U die nooit zondigt, u heeft mij vermoord. En hoe, omwille van een boek, papier?» 31


32


Naar waar leidt de navel? En toen was het gedaan. Ik stierf met een glimlach op mijn gezicht. De arme rabbijn kon geen kant meer op, hij was een moordenaar geworden. Hij riep zijn vrouw. Zij kwam eerst traag aangelopen, dan sneller, en aanschouwde daar het tafereel. Ze knielde bij het boek, ze knielde bij het hoofd. Ze zei dat er iets niet klopte. Hij had het niet eens gemerkt. «Het is geen mens!» zei ze. Ze toonde de afgebroken nek. Geen rood geen bloed geen vlees. «Waar komt hij vandaan?» vroeg ze de rabbijn. Hij wist het niet. Is dit nu de wijste man uit het dorp? En wat deed zij? Ze kleedde me uit en zag dat ik compleet was, op één detail na. Ik had geen navel. «Wie geen navel heeft, heeft geen moeder. Het is inderdaad geen mens, maar een golem.» Ze keek dichter en dichter. Onder de neus zag ze een deukje. Iedereen heeft zo een deukje, maar hier stond er een vingerafdruk in. De enige plek waar mijn klei niet mat was gewreven. Een kleine vergetelheid. «Wat we zullen doen, is iemand zoeken wiens vinger in de afdruk past.» zei de vrouw. Tegen de avond bedacht ze een plan. «We wrijven wat inkt op de pen en laten iedereen uit het dorp zijn naam schrijven. Ze zullen zwarte vingers krijgen en ik zal ze een doek aanreiken. Als ze hun vingers afvegen zie ik hun vingerafdrukken en kunnen we zien welke past onder de neus van de golem.» En zo geschiedde het. De rabbijn en zijn vrouw vertrokken op een ochtend met een boek en de pen op pad. Aan elk huis stopen ze en vroegen iedereen om hun naam in het boek te schrijven. Ze vertelden dat het belangrijk was dat iedereen zijn naam opschreef, en die van zijn kinderen, omdat het boek met alle namen was vernietigd. Mensen namen de zwarte pen in hun hand, voelden de inkt en veegden hun hand af aan de doek die de vrouw bij had. Ze had niet één doek mee, maar velen, doeken zoveel als er mensen in het dorp waren. Bij elk huis dat ze voorbij liepen schreef ze een nummer op de doek en stopte ze in haar zakken, zodat ze later wist welke naam bij welke vingerafdruk hoorde. En zo gingen ze het hele dorp rond. Alsook klopten ze aan de deur waar ik woonde. Mijn vader deed open, tekende. 33


«En uw zoon?» Ze riepen me. Mijn vader veegde net zijn hand af aan de aangereikte doek. «Pas op, de pen loopt.» «Geef mij anders die doek, » zei ik «dan wikkel ik die rond de pen.» Vrouw keek naar rabbijn, rabbijn keek terug. Mijn hand wachtte, open. Ze gaf me het doek. Ik zette mijn naam in het boek en mijn vingers bleven schoon. Toen ze ons huis voorbij wandelden gaf de vrouw onze doek twee nummers en stopte hem bij de anderen in de zak. Toen ze uiteindelijk thuiskwamen legde de vrouw alle doeken open, van nummer tot nummer. Daarnaast lag het boek, waar de rabbijn alle namen afriep. Ze keek naar de vingerafdrukken en de afdruk in de klei. Hij las de lijst zeven keren af, maar geen enkele afdruk leek overeen te komen. De doek met twee nummers trok haar aandacht. «Meïr, het moet Meïr geweest zijn. Hij is de enige die zijn vinger niet heeft gezwart.» «Dat is waar, maar kan het geen toeval zijn? Misschien was het iemand van buiten het dorp.» Van buiten het dorp? De vrouw begon te denken en te denken. Had ze de laatste tijd nog een vreemdeling gezien? In een flits herinnerde ze zich een jongeman met een oud paard. Hij liep in de richting van het dorp. Zou hij het geweest kunnen zijn? Ze kende de jongens uit het dorp die altijd rondhangen in het veld. Niemand beter dan zij zullen zien wie het dorp nadert en het dorp verlaat. Het was al donker aan het worden, ze kwam de jongens tegen toen ze naar huis gingen. «Jongens, hebben jullie tegenwoordig een vreemdeling met een paard gezien?» De ene luisterde niet, de andere lachte, de andere antwoordde. «Een vreemdeling niet. Meïr wel. We hebben er nog mee gelachen. We vroegen ons af of hij met het paard naar de zee ging.» De eerste jongen viel binnen in het gesprek. «Meïr? Zijn vader heeft ons een tijdje geleden gevraagd om uit te kijken naar zijn paard. Hij zei dat het misschien gestolen was, of weggelopen.» «En hoe zag dat paard eruit?» vroeg de vrouw. «Bruin en oud.» Meer moest ze niet weten. Toen ze thuiskwam was haar man een boek aan het lezen. Met pijn in het hart verbrak ze zijn stille concentratie. 34


35


«Het zal toch Meïr geweest zijn.» Ze ging naar de kelder en haalde daar het hoofd van de golem. De klei was nog steeds lauw maar de ogen bleven gesloten, alsof de golem niet dood was maar enkel in een diepe slaap. Ze keek onder de neus, zou het dan toch de vingerafdruk van Meïr geweest zijn? Ze wikkelde het hoofd in een doek en samen met de rabbijn ging ze op weg naar mijn huis. Mijn vader opende de deur. Ik was in mijn kamer aan het lezen, mijn moeder leidde de bezoekers erheen. Ik had de kaarsen al aangestoken, was aan het lezen. Met tegenzin legde ik het boek opzij. De vrouw haalde het ingepakte hoofd tevoorschijn. «Meïr, weet je wat dit is?» vroeg ze me. «Een kleien hoofd.» zei ik. «Het hoofd van de golem!» sprak de rabbijn. «Hij slaapt, maar we zouden graag willen dat je ons je wijsvinger toont.» «En als ik dat niet doe?» «Dan doe je dat niet maar dan weten we genoeg.» antwoordde de rabbijn me. Ik strekte mijn arm uit maar merkte opeens de kaars op mijn bureau op. In een vloeiende beweging gooide ik ze op de grond, waar het vuur vlijtig heen en weer begon te graaien. De vrouw stampte met haar voeten, de rabbijn keek ernaar. «Weten jullie nu genoeg?» riep ik. De vlammen groeiden en de vrouw probeerde om ze hun lucht te ontnemen met de doek van het hoofd, maar het werkte niet. «GOD!» riep ik. «Nu is het tijd om te kijken. Ik heb me altijd goed gedragen en kreeg daar niet het goede voor. Nu ik Uw aandacht heb, wil ik U vragen om die verwachtingen in te lossen. Redt mij. Schenk mij een goede vrouw en mooie kinderen. Ik heb dit nog te goed van U!» De vrouw gooide het hoofd van de golem op de grond waar het in vele stukken brak. Ze liep samen met de rabbijn de kamer uit, het huis uit. Mijn vader, mijn moeder waren verward, ze roken de brand maar werden tegengehouden. «Laat hem!» riepen ze naar mijn ouders. «De duivel is in hem geschoten.» Het vuur werd warm en ik ging op mijn bed staan. In de vage verte zag ik mijn bureau in lichterlaaie staan. Mijn boeken, mijn trouwe minnaressen, ze werden helemaal zwart verteerd. Het gebroken hoofd van de golem was al verdwenen in rook, vlammen en as.

36


37


Ook de poten van mijn bed begonnen al zwart te zien. Vanaf hier was er geen ontsnappen meer mogelijk. De deur was te ver, het raam was gesprongen in scherpe randen. Als ik daar door sprong verloor ik waarschijnlijk ook mijn hoofd. «GOD, hoort U me niet? Ik vraag U om mijn contract met u na te komen. Ik heb U gehoorzaamd en daarom vraag ik U het beste van alles. Laat dit toch niet overschaduwen door die kleine zondes dat ik de voorbije weken heb gepleegd.» En toen stond ik tegen de muur. Het bed zag oranje van de vlammen. «God, ik eis een verklaring, waarom hoor ik U niet? Ik denk dat ik weet waarom, U bestaat niet eens! Als dat zo is ben ik blij dat ik gezondigd heb, zodat iedereen weet dat het toegelaten is. En ja, als ik hier uit raak zal ik iedereen zeggen dat ze niet meer koosjer moeten eten. Zal ik zeggen dat ze elke vrouw onder hun rokken mogen tasten –en zullen de gevallen vrouwen dat gretig toelaten- en zal ik zeggen dat ze uw boeken moeten verbranden!» De kamer vulde zich met rook, en ik begon moeilijk te ademen. Ik hoorde vele geluiden in de verte maar het knisperen van het hout was luider. Hoewel mijn ogen traanden leek het alsof er zich een schim aftekende in de rook. Ik veegde het zout uit mijn ogen en keek beter. Had God mij gehoord, stuurde hij iemand om me te redden? Ik opende mijn armen en sloot mijn ogen. Wat ik voelde was onaangenaam. Het was koud en nat, maar niet zo nat dat het het vuur doofde. Het vuur leek zelfs aan te wakkeren. Er werd in mijn oor gefluisterd. «Ik heb je horen roepen mijn zoon.» hoorde ik. God? Was het God? «Weet je nog wat je je afvroeg toen je de golem wakker had gekust? Je was euforisch en vroeg je af of ‘de duivel niet in je was geschoten.’ Welja. Ik ben niet God maar de duivel. Ik heb wel naar je geluisterd, en heb gezegd dat je de golem moest maken. Gods woord is hierin niet gesproken. Je krijgt niet altijd wat je wilt, ook niet van mij.» De schim liet me achter. Ik liet me op mijn knieën vallen, recht in de vlammen. Ik voelde mijn botten verschroeien. Dat zal mijn straf geweest zijn? Niet gered door God, Hij zal zich alleen bezighouden met zij die écht goed zijn. Hij zal geweten hebben dat dit zo moest eindigen. En nu, ben ik zeker niet de goedste van het dorp. Wat zie ik voordat ik sterf? Ik zie het lichaam van de golem in de kelder van de rabbijn. Het verdwijnt, verschroeid tot as maar zonder vuur. Als de vrouw de kelder opent zal het tochten, verdwijnt de as in alle hoeken en kieren zodat niemand de golem ooit nog zal terug zal vinden. 38


39



De Hand van Meïr