Issuu on Google+

UITBREIDING MOGELIJKHEDEN EUTHANASIE NAAR MINDERJARIGEN: FEITEN EN MENINGEN … In de verenigde senaatscommissies wordt druk gedebatteerd over aanpassingen aan de wet van 28 mei 2002, beter bekend als de ‘euthanasiewet’. Er werden een twintigtal wijzigingsvoorstellen ingediend. De meest in het oog springende wijzigingen situeren zich op het vlak van euthanasie voor minderjarigen. In de praktijk wordt er af en toe al euthanasie op kinderen en jongeren toegepast, maar wettelijk is daar geen kader voor. De vraag in de senaatscommissies is dan ook of er een wettelijke regeling moet komen – of dat het verbod van kracht moet blijven. Het huidige debat werd opgestart in oktober 2010, maar de gesprekken kwamen pas echt in februari van 2013 op gang. De voorstellen komen voornamelijk van mensen als Alexander De Croo, Bart Tommelein, Nele Lijnen en Martine Taelman. In dit artikel staan we in de eerste plaats stil bij de verschillende meningen die de parlementariërs hebben over de uitbreiding van de euthanasie-wet naar minderjarigen. De meeste zaken worden vermeld zonder commentaar, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat we – wanneer we vanuit Bijbels perspectief vertrekken – alle meningen kunnen delen. Ze worden dus in de eerste meegedeeld – aan u de beoordeling … In de commissie zijn heel wat personen gehoord die in het dagelijks leven beroepsmatig te maken hebben met minderjarigen. Zo is er Bruno Vanobbergen, kinderrechtencommissaris. Zijn uitgangspunt is dat het onderscheid tussen kinderen of jongeren enerzijds en volwassen anderzijds vaak minder groot is dan algemeen wordt verondersteld – ook wat euthanasie en levensbeëindiging betreft. Hij stelt dat kinderen vanaf twaalf jaar vaak al in staat zijn om een gefundeerde beslissingen te nemen (‘oordeel des onderscheids’), maar dat leeftijd niet altijd doorslaggevend moet zijn. In de huidige wetgeving is het voor jongeren onder de 18 jaar niet mogelijk euthanasie te vragen. Het aantal overlijdens van kinderen die op de afdeling ‘Intensieve Zorgen’ belanden is zo’n 4 procent, aldus kinderarts Dominique Biarent. Dat percentage ligt hoger bij volwassenen. In het algemeen kan gesteld worden dat de toename van de medische kennis zorgt voor een dalend sterftecijfer. Of men al dan niet in leven probeert te houden, heeft te maken met de aard van de ziekte, de kansen op genezing en de organen die aangetast zijn. Belangrijk bij het al dan niet behandelen is de kans om redelijk comfortabel leven. Kunnen kinderen omgaan met begrippen zoals dood en sterven ? Volgens de kinderarts kunnen kinderen tot de leeftijd van een jaar of 7, 8 het definitieve karakter van doodgaan niet inschatten. Bij de overlijdens op de afdeling intensieve zorgen, is er in driekwart van de gevallen sprake van een beslissingsproces, bijvoorbeeld over het al dan niet voortzetten van de behandeling (wat wettelijk gezien niets met euthanasie te maken heeft). Professor Van Geet, lid van het Raadgevend comité voor bio-ethiek en van de ethische commissie van de KU-Leuven stelt in haar praktijk vast dat het aantal kinderen met chronische zieken stijgt. Immers, door de verbetering van de gezondheidszorg blijven meer kinderen met ernstige aandoeningen in leven. In ons land ligt het sterftecijfer van kinderen onder de vijf jaar op 0,5 procent. In sommige Afrikaanse landen ligt dat percentage rond de 20. Jaarlijks komen tussen de 100 en 150 kinderen in een palliatieve fase: zij zijn het ‘doelpubliek’ van de verruiming van de euthanasiewetgeving. Kunnen minderjarigen zelf beslissen ? Euthanasie draait om autonome beslssingen, terwijl jongeren afhankelijk en beïnvloedbaar zijn. Momenteel zijn er officieel geen gevallen van euthanasie bij minderjarigen – het is immers wettelijk verboden – maar er zijn ook gevallen bekend van 18- of 19-jarigen. Dat doet de vraag stellen of er wel een behoefte is aan een verlaging van de leeftijdsgrens. Jean-Jacques De Gucht (Open VLD) maakt in het debat een duidelijk verschil tussen oordeelsbekwamen en oordeelsonbekwamen. Een absolute voor de beslissing rond euthanasie moet volgens hem de mogelijkheid tot het beoordelen van de situatie te zijn. Verder is zijn conclusie dat vrijheid om te beslissen over het eigen levenseinde een


basisvoorwaarde is in een maatschappij waar vrijheid belangrijk is. De hele discussie heeft uiteindelijk ook een symboolwaarde. Elke Sleurs vindt dat het consensusmodel belangrijk is. Maar wat moet er gebeuren als de artsen niet tot een overeenstemming komen ? Dan zal de wil van het kind primeren, al is niet duidelijk hoe de artsen daar mee omgaan. De vraag voor euthanasie – en op zich is die vrij frequent - komt in de meeste gevallen van de ouders; Zij willen immers niet dat hun kind lijdt. Als de ouders uitleg krijgen over de mogelijkheden om het lijden van de kinderen te verminderen of volledig te laten verdwijnen, vervalt in de meeste gevallen ook de vraag om euthanasie. Maar als een jongere zelf om euthanasie vraagt, moet er wettelijk dan onderscheid gemaakt worden tussen bijvoorbeeld een zeventienjarige en een achttienjarige. Het is een vraag die de commissie bezighoudt. Herman Nys, gehoord in de commissie die zich met euthanasie bezighoudt, maar tegelijk ook voorzitter van de abortuscommissie, vertelde dat ‘zijn’ commissie elk jaar geconfronteerd wordt met een of twee gevallen van abortus bij tien- of elfjarige moeders. Moeten dan de ouders bij de beslissing betrokken worden ? Wettelijk is het niet verplicht, maar ook niet verboden. In de praktijk is dat overleg er overigens meestal wel. Maar de vraag stelt zich dus in hoeverre ouders een doorslaggevende stem moeten hebben wanneer een kind om euthanasie vraagt. Nys pleit ervoor dat minderjarigheid een reden is voor bijkomende bescherming, zowel op het vlak van de materiële voorwaarden(fysiek lijden) als inzake de procedurele voorwaarden (specifieke deskundigheid van de artsen die de wilsbekwaamheid, de gezondheidstoestand en de ondraaglijkheid van het lijden moeten beoordelen en in de controle en evaluatiecommissie). Wat betreft de inbreng van de ouders, vreest Herman Nys eerder voor de druk van ouders op de minderjarigen om euthanasie te laten uitvoeren dan andersom. De vraag om voortijdige levensbeëindiging komt vaak voor in het geval van ongeneeslijke kanker, en in ons land gaat het om ongeveer driehonderd nieuwe gevallen per jaar. In minstens de helft daarvan gaat het om patiëntjes met leukemie of hersentumor. De resultaten van de behandeling zijn nu veel beter dan vroeger: ongeveer vier op vijf van hen zullen genzen; De andere 20 procent, per jaar dus vijftig minderjarigen halen het niet. Prof. Peter Deconinck, voorzitter van de Reflectiegroep Bio-ethiek is van mening dat – als de wet toestaat euthanasie toe te passen op meerderjarigen die er zelf om verzoeken – de wet euthanasie ook mogelijk moet maken voor minderjarige patiënten die in een uitzichtloze situatie beland zijn, zinloos blijven lijden zonder enig uitzicht op verbetering, en die er zelf om verzoeken. Als de wet betreffende de rechten van de patiënt oordeelsbekwame minderjarigen het recht geeft zekere behandelingen te weigeren (ook als door die weigering hun nog te verwachten levensduur verkort, is het volgens Deconinck ook niet logisch hen de mogelijkheid van euthanasie te ontzeggen. Maar ook hij erkent dat de hamvraag is wanneer de minderjarige tot voldoende maturiteit gekomen is om een zelfstandig oordeel te kunnen formuleren, om voldoende inzicht te hebben in de gevolgen, om te begrijpen dat het leven dan definitief eindigt … Hoe dan ook, ieder kind evolueert anders en komt op zijn manier tot inzicht en maturiteit, niet alleen afhankelijk van zijn leeftijd, maar ook als resultaat van zijn opvoeding en ervaring. Hiermee zijn we bij een belangrijk knelpunt gekomen waarvoor de voorstanders van een wetswijziging geplaatst zien, namelijk hoever het beslissingsrecht van een mens gaat. De tegenstand tegen euthanasie vanuit christelijke kringen is in de eerste plaats gebaseerd op het uitgangspunt dat het God is die over leven en dood beslist, niet de mens. Wie niet vanuit het Bijbelse denkkader vertrekt, zal op andere gronden moeten oordelen. Dat is dan het zelfbeschikkingsrecht van de mens. Maar wanneer kan iemand zelf dergelijke beslissingen nemen. Er is een zekere consensus over het feit dat de leeftijd op zich niets zegt, maar wanneer men een wet opstelt, moeten er op z’n minst verifieerbare criteria zijn. En hoe beoordeel je het al dan niet beschikken over een goed oordeelsvermogen. Het is duidelijk dat wanneer men mogelijkheden tot euthanasie wil voorzien (of dat nu voor volwassenen is of voor minderjarigen) er altijd de mogelijkheid tot willekeur en ondoordachte beslissingen bestaat.


Terug naar Peter Deconinck: hij benadrukt het belang van een goede palliatieve zorg, niet alleen op medisch vlak, maar ook door het aanbieden van sociale contacten en aangepaste activiteiten: door het zo aantrekkelijk mogelijk maken van de laatste weken of maanden van het leven kunnen deze nog zinvol zijn. ‘Maar als een minderjarige ten slotte zegt dta het genoeg geweest is, moet mijns inziens op dit verzoek kunnen worden ingegaan. Palliatieve zorg vereist ook ondersteuning van de familieleden, met inachtneming en respect voor de levensbeschouwing van elkeen’, aldus de professor. Freya Piryns (Groen) was van mening dat palliatieve zorg en euthanasie niet noodzakelijk elkaars tegengestelde zijn. Beide moeten volgens haar mogelijk zijn. De beslissingen bij het levenseinde moeten vooral door de patiĂŤnten zelf kunnen worden genomen, in overleg met hun artsen. Het kan niet zijn dat anderen over een van de twee mogelijkheden een waardeoordeel vellen. Ook is zij er meer en meer van overtuigd dat het willekeurig opleggen van een leeftijdsgrens niet de juist weg is. Wat betreft de inbreng van de ouders is zij van mening dat zij niet volledig buiten spel gezet mogen worden, en ze hoopt op een tussenoplossing, waarbij de mogelijkheid bestaat dat beslissingen ook in samenspraak tussen ouders en minderjarige kunnen worden genomen. (wordt vervolgd)


Uitbreiding Euthanasiewet: feiten en meningen