Page 1

Emile& Ferdinand Magazine van

2018/2 | N°10 Gratis magazine

Afgiftekantoor: 3000 Leuven Masspost | P919288

3

Reflectie

Justitie

Persmagistraat van de zetel: verleden, heden en misschien toekomst? Nico Snelders

7

Portret

Een passie voor kunst en recht Interview met Flip Petillion

14 ➼

Zijn er nog juridische boeken nodig? Het dilemma van de rechtspracticus bij wetgevende wervelvinden Reflectie door Hugo Lamon

11

 Partner

Uniek publicatieproject Distributierecht Interview met Frank Wijckmans, Filip Tuytschaever en Sarah Jaques

Maak kans op een uitnodiging voor de pan-Europese conferentie!

17

 Nova et vetera

Privacyrecht, waar komt het vandaan? Willem Debeuckelaere


EDITORIAAL

Veel

leesplezier!

Beste auteurs, beste klanten, Beste LEZERS, Voor u ligt het tweede nummer van de derde jaargang van Emile & Ferdinand, met als rode draad: oud en nieuw, verleden en toekomst,.... Communicatie door justitie naar de buitenwereld is een algemeen maatschappelijk belangrijk onderwerp. De informatie die doorstroomt en de manier waarop de media naar een ruimer publiek berichten over justitie heeft een grote impact op het begrip en het vertrouwen van de burger in justitie. Wie kan dit beter toelichten dan Nico Snelders, reeds in 1999 aangeduid als persmagistraat,…

COLOFON Hoofdredacteur Herman Verleyen Redactieteam Herman Verleyen, Bert Van Vaerenbergh, met medewerking van Anne-Laure Bastin Lay-out Julie-Cerise Moers (Cerise.be) © Larcier Group Verantwoordelijke uitgever Paul-Etienne Pimont ELS Belgium NV Hoogstraat 139, Loft 6 - 1000 Brussel Publiciteitsregie The Future is Now bvba Laurence Thomsin 0032 471 63 67 01 info@the-future-is-now.net Berichten die bestemd zijn voor de redactie kunnen worden verzonden via e-mail: emileenferdinand@larciergroup.com

2|Emile & Ferdinand|Nr.10|2018

Flip Petillion is een toonaangevende specialist in intellectuele rechten met heel wat publicaties op zijn naam. Hij heeft een bijzondere interesse voor kunst en is zelf een verdienstelijke creatieveling. We nodigden mr. Petillion uit voor een interview over een van zijn passies. Begin dit jaar verscheen “Distributieovereenkomsten EU-België-Nederland”. Het boek kadert in een uniek pan-Europees publicatieproject in meer dan 17 Europese lidstaten. We vroegen de trekkers van dit titanenwerk om toelichting. Maak kans op een uitnodiging voor een academisch event waarop deze prestatie wordt gevierd.

Larcier Group geeft al 180 jaar boeken uit. Vorig jaar beantwoordde Christoph Malliet, bibliothecaris van de Rechtsfaculteit van de KU Leuven, reeds onze vraag hoe lang er nog (gedrukte) boeken in de juridische bibliotheek zullen staan in het licht van de steeds verder schrijdende digitalisering. Nu buigt mr. Hugo Lamon zich over de vraag of de legislatieve lawine sowieso nog ruimte én tijd laat aan het juridisch boek. Onnodig te zeggen dat de Algemene Verordening Gegevensbescherming (GDPR/ AVG), die van toepassing wordt. Helemaal nieuw is de AVG natuurlijk niet. Veel van haar basisprincipes en -concepten vinden we reeds terug in de actuele Belgische Privacywet. Voor een goed begrip kan een terugblik nuttig zijn. Willem Debeuckelaere, Voorzitter van de CPBL, licht ook een aantal nieuwe concepten toe.

Veel leesplezier!

De redactie van Emile & Ferdinand

Dit magazine is ook van u! Aarzel niet om ons artikels over te maken. Ook uw suggesties of opmerkingen op gepubliceerde bijdragen zijn welkom! Stuur ons uw berichten op: emileenferdinand@larciergroup.com


JUSTITIE

Persmagistraat van de zetel: verleden, heden en misschien toekomst?

Communicatie door justitie naar de buitenwereld is een algemeen maatschappelijk belangrijk onderwerp. Het gaat niet alleen om een dialoog tussen gerechtsjournalisten en hiertoe aangeduide magistraten, maar ook tussen justitie en burgers. De informatie die doorstroomt en de manier waarop de media naar een ruimer publiek berichten over justitie heeft immers een grote impact op het begrip en het vertrouwen van de burger in justitie. In den beginne was er niets‌ In den beginne betekent, m.b.t. het perswoordvoerderschap van de zetelende magistratuur, voor mij persoonlijk 1999, want toen werd ik door mijn toenmalige eerste voorzitter van het hof van beroep van Antwerpen aangeduid als persmagistraat. En voor mij lag een onbeschreven wit blad‌

Nico Snelders Ere-kamervoorzitter en persverantwoordelijke hof van beroep Antwerpen

Anders dan voor de woordvoering van het openbaar ministerie, waar een en ander in 1998 was opgenomen in de wet (artikel 57 § 3 wetboek van strafvordering) en in de gezamenlijke omzendbrief 7/99 van de minister van Justitie en het College van Procureurs-Generaal d.d. 30 april 1999 waarbij het wettelijk kader en de aard, de inhoud en de vorm van die

informatieverstrekking werd vastgelegd voor de perswoordvoerder van het parket. Een woordvoering die sedertdien, weliswaar ook met vallen en opstaan, heel wat progressie heeft gemaakt, maar waarover ik het hier niet zal hebben. Voor de persmagistraat van de zetel was er destijds niets tenzij de intentieverklaring tussen de actoren van Justitie, ondertekend op 29 februari 1996. Door de toenmalige Minister van Justitie De Clerck werd het verbeteren van de communicatie en de beeldvorming over Justitie prioritair gesteld en een werkgroep belast met de communicatie en de beeldvorming van Justitie kwam tot een consensus-tekst waarbij de functie van persrechter in het leven werd geroepen, naast de persmagistraat van het parket en woordvoerder van de advocatuur.

...

2018|Nr.10|Emile & Ferdinand|3


JUSTITIE

... Deze tekst werd medegedeeld aan de korpsoversten van de Hoven van Beroep begin augustus 1996 met de vraag om “vrijwilligers” te zoeken teneinde met ingang van september 1996 “het initiatief concreet op te starten” en de functie van persrechter op “een vrijwillige en geleidelijke manier” in te voeren. Let wel, dat was geen wettelijk kader en de functie van de persrechter en inhoud ervan werden nauwelijks omschreven. Wel was er een nobele doelstelling: ook de zetel moest modern en helder gaan communiceren, justitie moest een glazen huis worden en door meer informatieverstrekking moest het vertrouwen in en de kennis over justitie bij de burger vergroot worden. Op 11 januari 2001 werd er weliswaar door de Vaste vergadering van korpschefs een reeks aanbevelingen opgesteld in verband met mededelingen aan de media maar daarin werd voor de mededelingen in strafzaken die “hangend of actueel zijn” bevestigd dat die taak in essentie toebehoorde aan het Openbaar Ministerie (onder verwijzing naar hoger vermelde gemeenschappelijke omzendbrief 7/99). Nochtans stond in diezelfde nota dat de voorzitters van de rechtbanken een eigen systeem van communicatie met de media via persrechters ‘mochten’ uitwerken. Verder werd het principe van de vrije meningsuiting van de rechter aanvaard doch slechts “in het licht van de plichten van zijn functie, meer bepaald zijn plicht tot terughoudendheid” en ook werd gesteld dat de individuele magistraat die uitgenodigd werd voor een interview of om te communiceren met de media dit slechts kon doen met uitdrukkelijke toelating van zijn hiërarchische chef, op last van een eventuele tuchtsanctie. Dat kwam er in feite in de praktijk op neer

4|Emile & Ferdinand|Nr.10|2018

dat, alleszins vanuit de zetel, er quasi niet gesproken werd… Nochtans werden her en der, en dan nog voornamelijk in Vlaanderen, initiatieven genomen. Zo ook dus aan het hof van beroep in Antwerpen waar door mezelf en samen met mijn collega persmagistraat François Peeters, o.m. ook in samenwerking met de media, de tekst “Algemene richtlijn inzake gerecht en media voor het ressort Antwerpen – Limburg” werd opgesteld welke in november 2001 in het ganse ressort van het hof van beroep van Antwerpen werd ingevoerd. Het betrof voor het eerst een duidelijke, hanteerbare en werkbare omschrijving van de opdracht en werking van de persrechter en bevatte concrete richtlijnen voor de werking van de audiovisuele media in de gerechtsgebouwen en de zittingszalen. Op 10 juli 2003 vaardigde de Raad van Europa, het Comité van Ministers de Recommendation Rec(2003)13 uit m.b.t. het verstrekken van informatie door de media in strafzaken en na opname van die aanbevelingen werd onze eerdere tekst eind 2003 geactualiseerd en kreeg hij de kortere naam “Gerecht en Pers”. Deze tekst werd de basistekst in de ressorten Antwerpen en Gent. Deze tekst werd door een nationale werkgroep verder uitgewerkt tot de tekst ‘Gedragsnormen voor de relatie tussen Gerecht en de Pers’ welke in maart 2005 in principe in gans België geïmplementeerd werd. Ik zeg ‘in principe’ want meteen was deze tekst de meest niet gekende tekst zowel bij de media als bij de zetel. Binnen de Hoge Raad voor de Justitie werd door een werkgroep, door mij

voorgezeten, op 20 december 2011 een colloquium gehouden voor en door perswoordvoerders van parket en zetel en met vertegenwoordigers van de media en de balie waarbij de actuele situatie en de problemen op het terrein werden besproken en wat resulteerde in de oprichting van een netwerk van perswoordvoerders (in concreto werd een e-groep opgericht). Ook in het kader van het Europees Netwerk van Hoge Raden voor de Magistratuur (ENCJ) werd door een Project Team, waaraan ik mee werkte, een rapport genaamd “Justice, society and the media” in juni 2012 uitgebracht waarin diverse items behandeld werden zoals : persrichtlijnen, woordvoerders, audiovisuele opnames in gerechtsgebouwen en zittingen, het gebruik van sociale media, publicatie van rechterlijke uitspraken op internet, en pro actieve mediabenadering (http://www.hrj.be/sites/default/ files/press_publications/o0036e.pdf ). Uit dit project bleek dat België op het gebied van woordvoering van de zetel achterop hinkte t.o.v. de ons omringende Europese landen. In mei 2014 werd door mijn toedoen, omdat het netwerk van perswoordvoerders wat in het slop was geraakt, de feitelijke (nationale) ‘Vereniging van Persmagistraten’ opgericht waarbinnen o.m. regelmatige bijeenkomsten van alle perswoordvoerders (zetel en parket) georganiseerd worden, met het oog op uitwisseling van good practises, alsook bijeenkomsten met vertegenwoordigers van de media. Tevens werd in samenspraak met het IGO vanaf 2015 de opleiding van de (nieuwe) persmagistraten verbeterd en aangepast aan de dagdagelijkse praktijknoden. Deze vereniging heeft op vandaag bijna 90 leden, voorna-


JUSTITIE

…  Door de General Data Protection Regulation

melijk en bijna uitsluitend uit Vlaanderen en Brussel. Het was meteen ook de aanzet om de hoger vermelde tekst ‘Gedragsnormen voor de relatie tussen Gerecht en de Pers’ te actualiseren. Binnen een daartoe opgerichte werkgroep van magistraten van zetel en parket werd een nieuwe tekst voorbereid met de bedoeling dat deze ook nationaal zou kunnen dienen als basistekst. Hieruit ontstond een geactualiseerde tekst “Persprotocol 2015” die voorlopig alleen in het ressort van het hof van beroep Antwerpen officieel aangenomen werd door zowel zetel als parket (maar andere entiteiten in Vlaanderen namen deze tekst ook officieus aan). In 2017 werd door het college van de hoven en rechtbanken een werkgroep opgericht om te proberen, op basis van de voorgaande tekst, een nationale tekst voor de zetel op te stellen doch tot op heden is daar geen concreet resultaat geboekt. Overigens is het een uitdrukkelijke wens van de media dat een nationale regeling zowel voor zetel als voor parket zou gelden. In het “Persprotocol 2015” is er ook sprake van de persdienst zijnde een operationele dienst per parket of zetel die ondersteunend is bij de communicatie met de media. Deze persdienst treedt op als eerste aanspreekpunt voor de media en geeft basisinformatie (bv. datum van zittingen, uitspraken, kopie van vonnissen/ arresten, kopie van de rollen…). Voor diepgaandere informatie (bv. interviews, nadere uitleg m.b.t. procedure, juridische duiding, …) verwijst de persdienst door naar de persmagistraat. Het hof van beroep van Antwerpen bv. heeft sedert 2015 zo’n persdienst

zullen geen vonnissen/arresten/rollen meer kunnen meegedeeld worden aan journalisten tenzij deze volledige geanonimiseerd worden. En hiervoor is, vooralsnog bij gebreke aan een geautomatiseerd computerprogramma, geen voldoende personeel.

die geleid wordt door een griffier (Tom Hoorens). De persdienst werkt met (inmiddels 49) geaccrediteerde journalisten, die zich er o.m. toe verbonden hebben de deontologische code van de Raad voor de journalistiek na te leven (en dit bv. m.b.t. anonimisering.) Dat houdt in dat quasi dagelijks kopieën van arresten, alsmede de rollen niet geanonimiseerd (behoudens in de wettelijke gevallen), aan die geaccrediteerde journalisten digitaal worden bezorgd. In 2017 bv. werden aldus 332 arresten afgeleverd en 233 mails met specifieke vragen behandeld door de persdienst. Het werk van de twee persmagistraten van het hof wordt hierdoor aanzienlijk verlicht. Maar lang niet in alle gerechtelijke entiteiten zijn er persdiensten, voornamelijk omdat er een structureel personeelstekort is op de griffies. Daardoor komt ook de dienstverlening t.a.v. de media in het gedrang. Immers met ingang van 25 mei 2018 zal de General Data Protection Regulation in onze nationale wetgeving ingevoerd worden. Hierbij wordt de verstrekking van niet geanonimiseerde data aan derden verboden (tenzij er wettelijke afwijkingen zouden worden toegestaan). Dit betekent o.m. dat geen vonnissen/arresten/ rollen meer zullen kunnen meegedeeld worden aan journalisten tenzij deze volledige geanonimiseerd worden. En hiervoor is, vooralsnog bij gebreke aan een geautomatiseerd computerprogramma, geen voldoende personeel. Het is een

onmogelijke taak voor de persmagistraat om zelf op aanvraag van journalisten telkens die anonimisering handmatig te gaan uitvoeren. Hetzelfde geldt voor het gebruik van sociale media (Facebook, Twitter) in de contacten met de media. Als er geen ondersteunend personeel is om dat regelmatig op te volgen lijkt de stap daartoe quasi onmogelijk. Ook de proactieve rol die een persmagistraat kan spelen naar de media toe is daardoor quasi onmogelijk. Met proactieve rol wordt bedoeld het vanuit justitie aan journalisten meedelen van belangwekkende vonnissen/arresten, zowel penaal als civiel, met een korte synthese en toelichting van het belang van de uitspraak. Qua nationale woordvoering staan we nog nergens nu de fundamentele vragen: namens wie die woordvoering zou moeten gebeuren, op welke wijze dergelijke woordvoering inhoudelijk moet worden ingevuld, welke ondersteuning daarvoor dient te worden voorzien en tot slot wie dat zou moeten doen, nog niet gesteld laat staan beantwoord zijn. Een initiatief zou kunnen uitgaan van het college van de hoven en rechtbanken maar dat heeft voorlopig nog andere katten te geselen. De conclusie is dus ambigue. In vergelijking met de situatie eind jaren ’90 is er wel degelijk een en ander ten goede

...

2018|Nr.10|Emile & Ferdinand|5


JUSTITIE

... veranderd en is de relatie tussen gerecht en media aanzienlijk verbeterd. Helaas is dit, en nog steeds tot op heden, de verdienste en het initiatief geweest van individuele persmagistraten (‘the coalition of the willing’). Desondanks lopen we achter op de ons omringende Europese landen. Nog steeds is de persmagistraat van de zetel een vrijwilliger van wie verwacht wordt met de juiste spirit, maar nog steeds zonder legale basis en met weinig omkadering en ondersteuning, de media ten dienste te staan om aldus via de media het vertrouwen van het publiek in de rechtspraak en ruimer in justitie te vergroten.

Het colloquium start met een plenaire sessie, waarbij de hoofdredactie de positie van de hedendaagse justitie onder de loep neemt: • Communicatie door justitie naar buitenwereld, pers en publiek (Nico Snelders) • De positie van justitie in de 21e eeuw (Hans Van Bossuyt) • Slotbeschouwing (Flip Petillion)

Communicatie door justitie naar buitenwereld, pers en publiek is ook een algemeen maatschappelijk belangrijk onderwerp. Dit item zal door de heer Snelders ook behandeld worden op het Colloquium QUO VADIS JUSTITIA?, dat wordt georganiseerd ter gelegenheid van de vijftiende verjaardag van het tijdschrift Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent (RABG).

Nadien volgen drie maal twee parallelle sessies over actuele onderwerpen uit verschillende rechtstakken. Hierin leiden de experts die de voorbije 15 jaar vakkundig rechtspraak selecteerden en van duiding voorzagen, u door de juridische actualiteit. Komen aan bod: • “Bemiddeling en consensuele geschillenbeslechting in strafzaken” of “Potpourri van de civiele rechtspleging” • “Deontologie van de (advocaat)-bemiddelaar” of “Fiscale bemiddeling” • “Het nieuwe Wetboek van vennootschappen” of “Zwarte gaten in de sociale cassatierechtspraak” Alle deelnemers aan het Colloquium “15 jaar RABG - Quo Vadis Justitia?” ontvangen gratis het feestnummer van RABG, waarin elke deelredactie terugblikt op het meest markante arrest van de voorbije 15 jaar!

Bijzondere deelnamevoorwaarden voor huidige en nieuwe abonnees op RABG. Meer informatie en inschrijvingen: https://www.larciergroup.com/ nl/opleidingen.html RABG: 20 nummers per jaar Het tijdschrift Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent ontsluit voor de praktijkjurist tweemaal per maand vernieuwende en interessante rechtspraak en wetgeving in themanummers, waarbij alle rechtstakken beurtelings aan bod komen.

6|Emile & Ferdinand|Nr.10|2018


PORTRET

Flip Petillion, een passie voor kunst en recht

Flip Petillion is een toonaangevende specialist in intellectuele rechten met heel wat publicaties op zijn naam. Hij heeft een bijzondere interesse voor kunst en is zelf een verdienstelijke creatieveling. We nodigden mr. Petillion uit voor een interview over een van zijn passies. Emile & Ferdinand: Vanwaar uw interesse in kunst?

“

Flip Petillion: De vraag naar mijn interesse en verdienste streelt het ego maar doet de waarheid geweld aan. Als ik niet lijd aan procrastinatie, dan toch zeker mijn vrije tijd. Dat komt de kwaliteit van het werk dat ik nog steeds plan te produceren niet ten goede door het inherent gebrek aan oefening. De vraag toont wel de twee kanten van kunst: activiteit en beleving. Het is een zegen om zich met beide zinvol te kunnen ophouden. Kunstbeleving overheerste de eerste vijftig jaar van mijn leven en ik heb geen concreet zicht op de planning van de volgende vijftig jaar. Met de huidige stand van de medische wetenschap, kan het elke dag nog langer worden. Er is dus een kans dat de opgedane ervaring nog nuttig kan zijn. Zolang het maar prettig blijft.

Flip Petillion Advocaat, Arbiter, Plaatsvervangend Raadsheer en Auteur

Met kunst ben ik opgegroeid en het blijft een belangrijke vezel in mijn privĂŠ en professionele leven. Thuis spreken we vaak over kunst. De vertrouwdheid met de streek van de school van Latem speelt zeker een belangrijke rol. Het is een voorrecht om kunstenaars en kunstliefhebbers te leren kennen. Op mijn vele professionele reizen kocht ik kunst, waar ik ook kwam. Mettertijd heb ik me geconcentreerd op de kunstbeleving. Het eigendomsconcept heeft in onze tijden op vele vlakken een nieuwe invulling gekregen. Ervaring is belangrijker geworden dan bezit of eigendom.

...

2018|Nr.10|Emile & Ferdinand|7


PORTRET

...

Bietenoogst - Emile Claus - 1890 - Museum van Deinze en de Leiestreek

Zijn er kunstenaars die op u indruk maken?

De lijst is lang maar ik vermeld graag George Minne (1866-1941) en Emile Claus (1849-1924). Claus is technische perfectie. Hij experimenteerde met nieuwe stijlen en werd meester in het luminisme. Hij was de lievelingsschilder van koningin Elisabeth, reden waarom op het koninklijk paleis een schat aan Claus werken hangt. Het koningshuis heeft vaak een rol gespeeld in het succes van levende kunstenaars. Smaken van koninginnen verschillen maar dankzij hen genieten heel wat kunstenaars internationale uitstraling. Niet zo gekend hier is August Herbin (1882-1960). Kubistisch schilder. Geometrische abstractie kan zeer rustgevend zijn. Maar laat ik ook Michel Legrand (1932) vermelden (ik ben een grote fan en zat toevallig naast hem op een diner in Parijs vorig jaar, en dan kan je dag echt niet meer stuk), David Bowie (1947-2016), Domenico Scarlatti (1685-1757), J.S. Bach (1685-1750) en Brian May (1947), om ze in een doelbewuste wanorde op te sommen. Mijn broer Piet (1945) is beeldend kunstenaar. Hij heeft me altijd gestimuleerd om met kunst bezig te blijven; mijn keyboard heeft onvoldoende toetsen om kunstminnend Zuid-West-Vlaanderen die hem kent op te lijsten. Hyperexpressionisme lijkt me dominant in Piet’s werk. Wat hij presteert brengt ons weer tot de kern van wat kunst is.

8|Emile & Ferdinand|Nr.10|2018

En wat is kunst voor u dan?

Beroepshalve poog ik het discussieonderwerp altijd zo precies mogelijk te omschrijven. Alleen is dat met kunst iets te hoog gegrepen. Tal van filosofen hebben dat voor mij geprobeerd. Niet alleen worstelden ze zelf zichtbaar met de oefening. Bovendien raakten ze het door de tijd heen niet eens. Ik veroorloof me de oefening niet af te werken en dit niet-juridische onderwerp wars van regels en conventies te benaderen. Kunst biedt een vorm die er van nature niet is. Kunst overstijgt het banale, brengt iets onder het daglicht en verbergt tegelijkertijd iets anders. Kunst is fundamenteel kunstmatig want door de mens gemaakt, minstens ontworpen, niet noodzakelijk uitgewerkt want mogelijk puur conceptueel. Voor sommigen daarom een onnodige luxe, een ver-van-mijn-bed-show. Kunst is nochtans levensnoodzakelijk want therapeutisch en helend, in de eerste plaats voor de kunstenaar. Voor velen, zoals ook voor mijn broer Piet, is het een unieke manier om uitdrukking te geven aan eigen ervaringen; een nooit afgewerkte zoektocht. Een permanente oefening. Dat is ook zo voor de belever van het kunstwerk. Voor hem klinkt een geluid als muziek in de oren, is een smaak een streling voor de tong, een beeld een


PORTRET

lust voor het oog. Kunst beurt op, ontroert, doet nadenken. Kunst doet leven. Het summum is misschien wel de kunstbeleving waarbij verschillende zintuigen worden aangesproken. Wellicht is het daarom ook dat culinaire realisaties vandaag zo veel bewondering opwekken. We ervaren ze eerst met onze ogen, maar al gauw komen onze geur- en smaakzin om de hoek kijken. We kunnen de bereiding ook betasten en zo mogelijk zelfs horen. En de totale cocktail leidt tot de ware vervoering. De superlatieven vliegen ons al een decennium om de oren, in boeken en prestatiegerichte TV-formats. Maar is het kunst? Voor velen wel en dat mag het voor mijn part dan ook zijn. Kunst is een belangrijke vorm van intersubjectiviteit. De maker deelt zijn subjectieve ervaringen in een welbepaalde vorm met een ander, vandaag vaak ongekend door de kunstenaar op het moment van de creatie. In deze tijden heeft de kunstenaar niet noodzakelijk behoefte aan een opdrachtgever of mecenas. De interconnectie tussen kunstenaar en belever kan totaal zijn en de belever in extase brengen, maar de communicatie kan op een totaal desaster uitdraaien, in het bijzonder wanneer een zelfverklaarde – en vaak even fel gecontesteerde en immer vermoeiende – kunstkenner zich mengt in de discussie. Kunst moet het trouwens vaak hebben van de eerste indruk. Hoe meer uitleg er immers nodig is, hoe groter het risico dat de kunstenaar faalt in zijn opzet. Als de derde kunstkenner een elitaire centrale rol speelt, is het hek van de dam en komt de commerciële waarde snel ter sprake. Kunst is geslaagd als de eerste indruk ook de tweede is, en de derde, en ook alle daaropvolgende belevingen. En helemaal magisch wordt het als de tweede indruk beter is dan de eerste en de derde opnieuw anders, en alle daaropvolgende evenzo. Om daarin te slagen is de kunstenaar gedoemd altruïstisch te zijn. Hij streeft naar erkenning, minstens waardering. Eerzuchtig is hij de belever een wezenlijke plaats verplicht want ondanks zijn talent overleeft hij pas dankzij de appreciatie van de ander. Kunst is tijdsgebonden. De tolerantie die kunst vraagt en krijgt, of niet, is fel gekleurd door de periode en stijlstroming. De Westerse kunst alleen al biedt een dermate rijke diversiteit dat enige studie vereist is om je weg te kennen, zeker in jongere en vaak minder vertrouwde stromingen zoals optical art, neo-expressionisme, grafittikunst, kinetische kunst, neo pop art, super flat art, hedendaags realisme, post minimalisme en neo conceptualisme. Nieuwe kunstvormen op basis van persoonlijke voorkeuren afwijzen is menselijk en begrijpelijk maar leidt vaak sneller tot de uitsluiting van de belever dan van de kunstenaar. Het is wellicht moeilijk om het in te beelden in 2018 maar meer dan een eeuw geleden werden nieuwe stro-

Dromen Delen - Piet Petillion - 2017 - Privé-collectie

mingen zoals het impressionisme, pointillisme en luminisme niet meteen aanvaard toen ze het licht zagen. Kunst is altijd al onderhevig geweest aan grillen van opdrachtgevers en appreciaties van publiek of gecertifieerde alleswetende kunstpausen. Het vergt discipline om zeker die laatste simpelweg te negeren bij het aanschouwen van kunst. Komt er namaak ter sprake dan kan het helemaal grotesk worden. Wat men eerst bloedmooi vindt wordt, door een plots besef dat men mogelijk bedrogen wordt, ordinair en waardeloos. Waar heeft kunst specifiek indruk gemaakt?

De nieuwste generatie adolescenten heeft een onnoembaar groter aantal middelen om kunst te ontdekken en tot zich te laten komen. Ik heb ze nog letterlijk moeten opzoeken. Hier is een shortlist van interessante publieke plaatsen die ik heb bezocht. In de Lakenhalle van mijn geboortestad Ieper was ooit het Provinciaal museum voor moderne kunst gevestigd waar ik als tiener verschillende keren alleen rondging. Gelukkig, want de collectie verhuisde in 1986 naar Oostende waar ze nu nog gehuisvest is; in een oud warenhuis. In 1996 was er in hetzelf-

...

2018|Nr.10|Emile & Ferdinand|9


PORTRET

daarom niet minder waardevol, zijn het dozijn veilinghuizen dat ons land rijk is. Wat zijn uw persoonlijke plannen?

“ “

Ik hoop dat al dat moois me mag blijven inspireren en effectief aanzetten om zelf weer ’s creatiever te worden. Portretschilderijen fascineren me en dat blijft wellicht mijn focus. Kan u toch iets over uw professionele relatie met de kunstwereld onthullen?

...

Meisje met de parel – Johannes Vermeer - circa 1665 Mauritshuis, Den Haag

de museum in Oostende gedurende een luttele twee maanden een prachtige tentoonstelling met werken van Permeke, Ensor, Magritte, Delvaux en Spilliaert. Daarvan was je uit je sokken geblazen. Recenter, in de lente van 2009, slaagde men erin om tal van werken van Emile Claus tijdelijk samen te brengen in het Museum voor Schone Kunsten in Gent onder de titel ‘Emile Claus en het landleven’ waarbij ook tijdgenoten van de meester van het luminisme een plaatsje kregen. Uitgeverij Larcier heeft toen een geleid bezoek georganiseerd voor haar auteurs. Uitzonderlijk veel meer waard dan royalties. Bij een bezoek aan Washington D.C. moet je de collectie van de National Gallery of Art een kijkje gunnen. Je ziet er een mooi overzicht van beeldende kunst van de middeleeuwen tot moderne en hedendaagse kunst. Je wandelt er onmogelijk onverschillig door. Ik trok bij vele bezoeken aan D.C. tijd uit om er een uur of twee rond te wandelen. Dichter bij huis is het Mauritshuis in Den Haag. Je vindt er een collectie wereldberoemde iconische schilderijen van Hollandse en Vlaamse meesters uit de Gouden Eeuw: Vermeer, Rembrandt, Steen en Rubens, waaronder Vermeer’s Meisje met de parel en Het puttertje van Fabritius. Ga naar Tefaf in Maastricht. Een kunstbeurs. Een goede manier om de kunstbusiness aan te voelen. De prijzen van sommige werken, de meeste eigenlijk, gaan over de toonbank voor minimum vijf of zes cijfers, of nog veel meer. Bescheidener, maar

10|Emile & Ferdinand|Nr.10|2018

Ik heb verschillende kunstenaars geadviseerd. Beeldende en uitvoerende (en in de entertainment wereld heel veel creatievelingen; zelfs een oscarwinnaar). Privécollecties (zoals die van de Saxo Bank) helpen je nederig te blijven en te relativeren. Een New Yorker deed me kennis maken met de verzekering van de authenticiteit, de oorsprong en de vermogensrechtelijke status van werken (nuttig, zo bleek recent in eigen land). Die sector zou dezelfde prerogatieven moeten krijgen en delen als de banken. De informatie die verzekeraars verzamelen over de handel en wandel van kunst, kan een interessante meerwaarde opleveren over financiële transacties. Heel speciaal was mijn kennismaking met technologie die deze wandel en handel helpt traceren. Dit is onmiskenbaar de toekomst, voor de kunstwereld op zich, en bij uitbreiding ook in de strijd tegen witwaspraktijken en de financiering van, jawel, oorlogen. Er is de primaire en de secundaire markt. In de eerste kan de technologie op kunstwerken aangebracht worden vanaf de beslissing van de kunstenaar om het werk publiek te maken. In de secundaire markt (de markt van reeds verhandelde kunstwerken) is een voorafgaand onderzoek van de authenticiteit, oorsprong en status vereist met klassieke methoden. Het is een technologie die snel indruk maakt maar een gecoördineerde internationale actie van beleidsmensen laat op zich wachten. Kunst is nochtans niet gebaat met uitstelgedrag.

Flip Petillion is editor van het recent verschenen werk “Handhaving van intellectuele rechten in België / Respect des droit intellectuels en Belgique: 10 jaar implementatie van de Europese richtlijn 2004/48 / 10 ans après la transposition de la directive européenne 2004/48” Larcier • 2017 • 336 p.


PARTNER

Uniek publicatieproject Distributierecht Frank Wijckmans Advocaat, gespecialiseerd in het Europees en Belgisch mededingingsrecht, en stichtend vennoot van het advocatenkantoor contrast. Hij is tevens professor aan de Brussels School of Competition.

Begin dit jaar verscheen “Distributieovereenkomsten EU-België-Nederland”. Het boek kadert in een panEuropees publicatieproject. Samen met lokale publicaties in meer dan 17 Europese lidstaten vormt dit werk het Belgische en Nederlandse luik. Een dergelijk pan-Europees publicatieproject is uniek. Om deze prestatie te vieren gaat op 3 mei een academisch event door. De lezers van Emile & Ferdinand hebben weer een voetje voor, want zij maken kans op een uitnodiging, aangeboden door het kantoor contrast.

Filip Tuytschaever Advocaat, gespecialiseerd in het Europees en Belgisch mededingingsrecht, en stichtend vennoot van het advocatenkantoor contrast. Hij is tevens professor mededingingsrecht aan de Faculteit Recht en Criminologie van de Vrije Universiteit Brussel.

Sarah Jaques Advocaat, gespecialiseerd in het Europees en Belgisch mededingingsrecht, en medewerkster van het advocatenkantoor contrast.

Emile & Ferdinand: De derde editie van "Distributieovereenkomsten" die zopas werd uitgegeven bij Larcier lijkt een mooi vervolg op de eerdere edities. Is het echter meer dan een gewone actualisatie?

Filip Tuytschaever: Dat is zeker het geval. Deze nieuwe editie wordt gekenmerkt door een geheel nieuwe aanpak. Vooreerst hebben we de toelichting bij de Europese spelregels nog beter gesystematiseerd en bijvoorbeeld een apart hoofdstuk toegevoegd met een zeer toegankelijke leidraad die de lezer zeer vlot door het complexe mededingingsland-

schap laat fietsen. Die leidraad neemt de vorm aan van ‘flow charts’ die als een checklist kunnen worden gehanteerd. Daarnaast is de nieuwe editie doorspekt met praktische voorbeelden. Een deel ervan komt uit de rechtspraak en een zeer belangrijk deel komt uit onze eigen praktijk. Je kan je niet voorstellen met welke praktische vragen ondernemingen worden geconfronteerd. Deze vragen dwingen ons iedere keer om de toepasselijke mededingingsregels tot op het bot te analyseren en met pragmatische oplossingen voor de dag te komen. Onze jarenlange praktijk op dit vlak hebben we ten volle meegepikt in deze editie.

...

2018|Nr.10|Emile & Ferdinand|11


PARTNER

... Geheel nieuw is de toevoeging van een Belgisch en een Nederlands handelsrechtelijk luik. De hoofdzakelijk dwingende spelregels van het distributierecht in België en Nederland worden op een praktische wijze toegelicht. contrast nam daarbij het Belgische luik voor zijn rekening. Voor het Nederlandse luik hebben we beroep kunnen doen op de specialisten van het Nederlandse kantoor Banning. Door deze samenwerking hebben we ervoor gezorgd dat niet alleen de specifieke aspecten van het Belgische mededingingsrecht in het boek verwerkt zijn, maar ook de Nederlandse mededingingsrechtelijke praktijk behoorlijk wat aandacht krijgt. Je voelt het reeds aan. Anders dan de vorige edities, mikken we met deze editie niet enkel op de Belgische, maar ook op de Nederlandse markt. Tevens willen we hét boek over distributierecht zijn dat iedere practicus graag op zijn bureau heeft liggen. Dat is op zich reeds zeer mooi, maar we begrijpen dat er met deze uitgave veel meer aan de hand is. Kunt u even toelichten?

Frank Wijckmans: Inderdaad. Deze publicatie bij Larcier vormt een onderdeel van een veel ruimer project! Het startpunt is de derde editie van “Vertical Agreements in EU Competition Law” dat we zopas hebben gepubliceerd bij Oxford University Press. In sommige kringen wordt naar dit boek soms verwezen als de ‘bijbel’ voor ‘Verticals’. Dat lijkt ons wat overdreven, maar het is wel een compliment. Van deze Engelstalige publicatie hebben we een verkorte ‘master’ versie gemaakt.

12|Emile & Ferdinand|Nr.10|2018

“Vertical Agreements in EU Competition Law” ( Oxford University Press), de 'moeder' van “Distributieovereenkomsten EU-België-Nederland”

Die master versie hebben we bezorgd aan mededingingsrechtelijke specialisten doorheen Europa om na te gaan of zij interesse hadden om op die basis een lokale publicatie te verzorgen. Hierop hebben we ronduit fantastische reacties gekregen. Ere wie ere toekomt, het waren onze Bulgaarse collega’s die als eerste op de kar zijn gesprongen. Dit heeft ons gestimuleerd om het project iets meer vorm en inhoud te geven. Concreet hebben we die master versie tot het fundament gemaakt van een publicatie die ook aandacht besteedt aan het lokale mededingings- en distributierecht. Het is evident dat die lokale publicaties worden verzorgd op basis van een vast stramien en in de lokale taal. Onze gloednieuwe publicatie bij Larcier heeft dus niet enkel een Engelstalige ‘moeder’ bij Oxford University Press, maar tevens broertjes en zusjes in volgende landen: België, Bulgarije, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Kroatië, Litouwen, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slovakije, Spanje, Tsjechië en Zweden. Sommige hiervan zijn al klaar. Andere zijn in de laatste fase. Nog meer landen zitten daarenboven in de pijplijn. Onze stiekeme hoop is om tegen medio 2019 de kaap van de 24 EU-lidstaten te ronden.

Dit is dus echt een pan-Europees project. Ik begrijp Sarah dat u de coördinator van dit project was. Hoe krijgt u zoiets voor elkaar?

Sarah Jaques: Veel goede wil, hard werk en een grote dosis teamspirit. We hebben beroep kunnen doen op een ronduit fantastische groep buitenlandse specialisten. Met behulp van systemen van tussentijdse schriftelijke rapportering en maandelijkse telefonische conferenties hebben we de vinger aan de pols kunnen houden en de vooruitgang actief kunnen monitoren. Eens zulke processen op poten staan is het prettig om te zien dat geen enkel team wilde achter blijven. Een beetje ondeugend kunnen we stellen dat het maandelijkse moment van ‘triomf’ (we hebben echt wel veel vooruitgang geboekt) of ‘shame’ (we hinken wat achterop) aanzet tot activiteit. De groepsleden hebben elkaar dus vooruit gestuwd. Dergelijke publicatieprojecten komen bovenop het normale dossierwerk en doen dus pijn. Het is dan ook zaak om de spirit erin te houden en dat is wonderwel gelukt. Collectief zuchten en lachen maakt de dingen draaglijk. Het eindresultaat mag er zijn. Tegen be-


PARTNER

Maak kans op een vrijkaart voor de pan-Europese conferentie OP 3 MEI 2018 gin 2019 verwachten we publicaties in 18 lidstaten. We voorzien een ‘second wave’ in de loop van 2019 met een reeks bijkomende landen.   Dit is Europa op zijn best. Samenwerking van Noord tot Zuid en van Oost naar West. We denken ook dat dit project uniek is. We kennen in de juridische wereld niets vergelijkbaars en durven te stellen dat zeker in het mededingingsrecht een dergelijk pan-Europees publicatieproject in de lokale taal nog nooit op poten is gezet.   Zulke prestatie verdient om gevierd te worden. Hebben jullie plannen op dat vlak?

Frank Wijckmans: Evident. Op 3 mei 2018 organiseren we als groep auteurs een academisch event in het ING gebouw te Brussel. Ieder auteursteam vaardigt een spreker af zodat dit event ook die pan-Europese toets krijgt. De conferentie is opgebouwd rond 4 thema’s: • selectieve distributie, • prijszetting in distributierelaties, • e-commerce, • en de verschillen tussen de nationale distributierechtelijke regels. Elk thema wordt toevertrouwd aan een panel. Het panel behandelt zijn thema aan de hand van vragen die de deelnemers van tevoren via een specifieke website hebben overgemaakt. Op deze wijze bepalen de deelnemers welke invalshoeken aan bod komen. Als openingsspreker heeft Minister Koen Geens toegezegd en als keynote speaker zal Luc Peeperkorn, Principal Expert in Antitrust Policy, European Commission (DG Competition), zijn inzichten meegeven over de toekomst van de mededingingsrechtelijke regels inzake online en offline distributie.

Exclusief voor de lezers van Emile & Ferdinand voorzien we graag 10 vrijkaarten. Het volstaat een mail te sturen naar europeandistributionlawday@contrast-law.be met het antwoord op de volgende vraag: hoeveel bladzijden telt de nieuwe derde editie van ‘Distributieovereenkomsten’ die onlangs bij Larcier werd gepubliceerd? De eerste 10 inzendingen ontvangen een uitnodiging voor de conferentie.

Het geheel wordt passend afgerond met een receptie die wordt aangeboden met de ondersteuning van Larcier Group. Kunnen de lezers van Emile & Ferdinand aan dit internationaal evenement deelnemen?

Filip Tuytschaever: Deelname aan deze conferentie is gratis, doch enkel op uitnodiging. We verwachten deelnemers uit binnen- en buitenland en rekenen op een mooi gevulde zaal. Hebben de auteurs in de andere landen gelijkaardige plannen om dit project te vieren in hun land?

Frank Wijckmans: We weten dat in een aantal landen nationale evenementen zullen worden georganiseerd. Ook buiten België heeft het project immers intussen veel weerklank. We stellen vast dat in sommige landen de lokale mededingingsautoriteiten zich zelfs achter het initiatief scharen om de lokale publicatie te ‘vieren’ met een passend academisch initiatief. Dit mag niet verrassen. In een aantal van de kleinere lidstaten zijn er immers bijzonder weinig mededingingsrechtelijke boeken in de lokale taal op de markt. In die landen is deze publicatie en dit project dan ook een opzienbarende gebeurtenis. Het is dan ook zeer logisch dat de publicatie daar zeer warm wordt onthaald.

Europese prestatie? Misschien kunnen jullie al een tipje van de sluier lichten?

Filip Tuytschaever: We spelen met een aantal ideeën. In ieder geval zullen we moeten nadenken over een nieuwe editie van zodra de Europese groepsvrijstellingen aflopen in 20222023. Dat is echter nog veraf. Op kortere termijn willen we met onze medeauteurs nagaan hoe we deze pan-Europese aanpak projectmatig kunnen verderzetten. Dankzij de zogeheten convergentieregel beheersen de Europese spelregels immers de verticale overeenkomsten (distributie- en leveringsovereenkomsten) die doorheen Europa worden gesloten. Zij lenen zich dus uitstekend tot een grensoverschrijdende aanpak en samenwerking tussen advocaten uit de diverse lidstaten. Nu de samenwerking rond dit publicatieproject zo vlot is verlopen zou het al te gek zijn om hierop niet verder te bouwen. Concrete plannen kunnen we nog niet uit de doeken doen, maar dat er plannen zijn kunnen we wel bevestigen. We houden jullie op de hoogte!

Larcier • 2018 • 662 p.

We mogen aannemen dat het hier allemaal niet stopt. Willen jullie voortbouwen op deze unieke pan-

2018|Nr.10|Emile & Ferdinand|13


REFLECTIE

Zijn er nog juridische boeken nodig? Het dilemma van de rechtspracticus bij wetgevende wervelvinden

Hugo Lamon Hugo LAMON is advocaat en bestuurder van de Orde van Vlaamse Balies*

*Hugo Lamon schreef deze bijdrage op persoonlijke titel

14|Emile & Ferdinand|Nr.10|2018

De merken van Larcier Group: Bruylant en Larcier bieden al respectievelijk 180 en 179 jaar boeken aan. Vorig jaar beantwoordde Christoph Malliet, bibliothecaris van de Rechtsfaculteit van de KU Leuven in ons tijdschrift reeds de vraag hoe lang er nog (gedrukte) boeken in de juridische bibliotheek zullen staan in het licht van de steeds verder schrijdende digitalisering. Nu buigt mr. Hugo Lamon zich over de vraag of de legislatieve lawine sowieso nog ruimte ĂŠn tijd laat aan het juridisch boek. Paradoxaal genoeg is er misschien meer dan ooit nood aan monografieĂŤn die het overzicht garanderen...


REFLECTIE

Af en toe wil ik wel eens verpozen in mijn juridische bibliotheek. Niet dat het onmiddellijk nuttig is, maar het overkomt me wel eens om een passage te lezen uit de monumentale “Traité élémentaire de droit civil belge” van Henri De Page. De hele reeks beslaat tien delen van elk meer dan 1000 bladzijden, verschenen tussen 1933 en 1950. Boek III (les obligations) kan ook nu nog soms verhelderende inzichten bieden, al durft De Page voor de hedendaagse lezer wel wat langdradig te zijn. Soms, maar dat is zeldzamer, durf ik ook nog eens te bladeren in de 32-delige reeks die François Laurent tussen 1869 en 1879 onder de titel “principes de droit civil” bij Bruylant liet publiceren. Na een overlijden in een familie met geen enkele geïnteresseerde jurist als erfgenaam vond een van hen het misschien een idee om mij de reeks cadeau te doen. Ik koester intussen die reeks, met inbegrip van de verdwaalde notities die ooit als bladwijzer hebben gediend (ook het juridisch advies uit 1932 van bijna een halve bladzijde). Het was toen nog mogelijk om exhaustief het ganse burgerlijk recht te behandelen. Dat het daarbij om “principes” ging betekende niet dat het niet alomvattend was. Met puntige zin voor detail legde Laurent uit dat de burgerlijke maatschappij bedreigd was door de miskenning van de principes van de Code Napoleon. Toch zou het nog lang duren voor de wetgever echt ingrijpend aan die Napoleontische inzichten ging sleutelen. Of neem de vierdelige reeks “Encyclopédie du droit commercial belge” van Gustave Beltjens (eveneens bij Bruylant, 1899), waar de beginselen van het handelsrecht werden uiteengezet (ook die kreeg ik cadeau en kreeg een plaatsje in mijn bibliotheek). Het heeft hier meer dan 200 jaar geduurd om de zo mooi en bij wijlen lyrisch door Beltjens omschreven handelaar uit het recht te verjagen en hem te vervangen door “de ondernemer”. Maar toegegeven, wie nu Beltjens leest wordt wat meewarig bij de problemen die er toen waren in het handelsrecht (zoals de vraag of het kweken van konijnen “dans le but d’en retirer des avantages pécuniaires” al dan niet als een daad van koophandel moest worden beschouwd, net als de vraag of de rechtbank van koophandel bevoegd was voor een vordering tegen een antiquair waarbij de teruggave werd gevorderd van “un meuble ancien”, enz. …), maar het blijft ook nu nog aangename lectuur. U heeft inmiddels al begrepen dat oude boeken mij al snel kunnen bekoren. En ik geef toe: de bibliofiel in mij kan genieten om oude juridische literatuur te mogen vastnemen. Het plezier om te bladeren in een uitgave van 1650 van de “CORPVS IVRIS CIVILIS QVO IVS VNIVERSVM IVSTINIANEVM COMPREJHENDITVR” is moeilijk redelijk te vatten. Het zal de hedendaagse jurist niet onmiddellijk iets bruikbaars bijbrengen. Toch biedt het de mogelijkheid om het recht even los te zien van tijd en ruimte. Het geeft ook aan dat recht iets universeels heeft.

Het overkomt de jurist ook wanneer hij nu communiceert met een soortgenoot aan de andere kant van de wereld. Los van rechtstelsels en concrete wetten, blijft er toch altijd zoiets als de juridische attitude. Recht is immers meer dan een vak of een kunde. Wanneer ik dan verder door mijn bibliotheek wandel (ja, ik ben ouderwets, ik ben verknocht aan papieren boeken, huiver van e-books en erger mij aan het lezen van lange teksten op een computerscherm of een iPhone) valt mijn blik onwillekeurig op alle publicaties die inmiddels op korte tijd tot de rechtsgeschiedenis zijn gaan behoren. De boeken die ik de laatste tien jaar kocht hebben duidelijk een beangstigend korte vervaldatum. Er zijn bijna geen De Page’s of Laurents meer, die zoals wijn vroeger beter werden met de tijd (dat is trouwens vaak ook al lang niet meer het geval voor wijnen). De juridische uitgevers lijken nu in ratrace te zijn betrokken om voor elke nieuwe wet de allereerste commentaar af te leveren. Snelheid is nu het ordewoord geworden. De wetgever lijkt daarbij soms aandelen te hebben in de uitgeverijen, gelet op de snelheid waarmee juridische regels nu met de regelmaat van een klok overhoop gegooid worden. De Potpourri-wetten van de minister van justitie zijn daar een sprekend voorbeeld van. De naam alleen al zegt het mooi: wetten over van alles en nog wat, waarbij Potpourri V al herziet wat Potpourri I heeft bedacht. De eerste gedrukte commentaren zijn al gedateerd en hebben soms nog enkel een rechtshistorische betekenis nog voor ze goed en wel te koop zijn. Wie het in snel evoluerende rechtstakken het nog aandurft een oudmodisch “boek” te raadplegen, moet dus eerst via een zoekmachine kijken of intussen de wet niet dermate is gewijzigd dat het boek niet langer een heilzame leidraad kan zijn. Overigens

...

2018|Nr.10|Emile & Ferdinand|15


REFLECTIE

 Is er bij dit alles nog een

valt het op dat er steeds minder uit boeken wordt geciteerd, maar des te gretiger uit allerhande tijdschriften waarvan het aantal exponentieel is toegenomen (wat echter geen garantie blijkt voor kwaliteit). En het is iedereen al opgevallen dat zelfs in wetenschappelijke bijdragen steeds vaker internetadressen een plaatsje krijgen (volledigheidshalve voorzien van de datum van de raadpleging, want je weet maar nooit).

Is er bij dit alles nog een toekomst voor het juridisch boek? Het valt te hopen van wel, want de dag dat de juridische monografie verdwijnt is het ook gedaan met het recht zelf. Als de academici (toch de belangrijkste “producenten” van rechtsleer) er niet meer in slagen om een duurzaam helikopterzicht aan te bieden, aangevuld met juridische doordenkers (die de tijd kunnen doorstaan) en daarbij duurzame inzichten kunnen aanreiken voor de rechtspracticus, is er sprake van onherroepelijke rechtsvervuiling waarbij de essentiële taak van het recht – de ordening van de samenleving – fundamenteel wordt miskend. De wetgever heeft grote ambities. Een grondige (soms copernicaanse) hervorming van allerhande domeinen staat op stapel.

toekomst voor het juridisch boek? Het valt te hopen van wel, want de dag dat de juridische monografie verdwijnt is het ook gedaan met het recht zelf.

Zal er nu binnenkort een nieuw groot alomvattend boek over vennootschappen, het burgerlijk recht, het strafrecht of strafprocesrecht verschijnen dat binnen 5 jaar nog praktisch bruikbaar is, over 10 jaar nog nuttig kan zijn en over 50 jaar nog interessante inzichten kan opleveren? Voorwaar een interessante uitdaging voor al wie zich geroepen voelt die rechtsleer te gaan produceren of voor de uitgevers die met hun publicaties het recht toegankelijk willen maken. En zullen de rechtspractici nog tijd hebben om dat allemaal te lezen? En vooral, zullen ze bij al die juridische wervelwinden nog moed en zin hebben om al die boeken te lezen?

Ontdek onze nieuwe website ! www.larciergroup.com/nl

Ons volledig aanbod in één enkele site voor een gemakkelijke opzoeking

@

Bestel in slechts twee stappen

Abonneer u op onze nieuwsbrieven om op de hoogte te blijven van alle nieuwigheden en promoties

16|Emile & Ferdinand|Nr.10|2018

Abonneer u online op uw favoriete tijdschrift

Vind de opleiding die u past in één muisklik

Bestel online: de verzendingskosten zijn gratis voor de Benelux


NOVA ET VETERA

PRIVACYRECHT,

waar komt het vandaan?

Onnodig te zeggen dat de Algemene Verordening Gegevensbescherming (GDPR/AVG), die van toepassing wordt op 25 mei onze omgang met persoonlijke gegevens op scherp stelt. Helemaal nieuw is de AVG natuurlijk niet. Veel van haar basisprincipes en -concepten vinden we reeds terug in de actuele Belgische Privacywet. Voor een goed begrip kan een terugblik nuttig zijn. Willem Debeuckelaere, Voorzitter van de Commissie Bescherming Persoonlijke Levenssfeer licht ook een aantal nieuwe concepten toe.

Willem Debeuckelaere Willem Debeuckelaere is voorzitter van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en voorzitter van de Vlaamse toezichtscommissie en ondervoorzitter van de Europese WP29. Hij stelde al verschillende edities van het ThemaWetboek Privacywetgeving samen

Privacyrecht – en later de bescherming van persoonsgegevens – is geboren en gedijt uit “vrees, schrik en onmacht”. Al komt daar ook meer en meer het aspect “macht” en “economische waardering van informatie, persoonsgegevens” bij kijken. Recht dat maar moeilijk meteen inpasbaar is in het klassieke recht zoals wij het leerden van Dekkers of Ganshof van der Meersch. Privacy, zoals andere nieuwe emancipatierechten en –verplichtingen, laat zich

niet gemakkelijk catalogeren. Het is bij uitstek transversaal en zowel een uitdrukking van het personenrecht als van bestuursrecht, publiek recht. Zoals mensenrechten dat ook zijn, al staan ze ten dienste van de burger. Maar ook de economische gevolgen zijn niet te onderschatten. Het is een holistisch rechtsfenomeen geworden waar slechts weinige rechtstakken aan ontsnappen. En dat maakt het werken en denken met begrippen zoals privacy,

...

2018|Nr.10|Emile & Ferdinand|17


NOVA ET VETERA

...

persoonsgegevens, bescherming van de persoonlijke levenssfeer zo boeiend en uitdagend. Maar vergis u niet, het gaat in essentie om macht. Brute macht en gewin. Als kennis macht is dan is de macht over die kennis de meest absolute heerschappij.

 M  et de opkomende technologieën was

het societyleven niet meer eigendom van de society. En juristen proberen dan een nieuw concept uit dat een dam tegen die nieuwe bedreiging moet kunnen opwerpen: Privacy werd in een academisch artikel van de Harvard Law review in 1890 als juridisch afweermiddel bedacht en uitgevonden.

“PRIVACY” ALS UITVINDING: 1890 Warren & Brandeis, de founding fathers van het begrip privacy, voelden zich bedreigd. Bevreesd, onzeker hoe ze konden omgaan, hoe ze zich konden verweren tegen een nieuwe indringer in hun goed afgesloten gezapig leventje van de burgerij van Boston, einde negentiende eeuw. Ver weg van de blikken en de kennis van het gewone volk of de nieuwsgierigheid van de “anderen”. Zij werden geconfronteerd met een nieuwe mix van opkomende technologieën: de rotatiepers, de fotografie, twee nieuwe technologieën die de massakrant, de “tabloid” mogelijk maakten. Een massacommunicatiemedium die informatie en kennis (al was het dan vooral het doen en laten van de sexy society figuren van Boston) op een snelle en massale manier ter beschikking stelde en enkel nog onder de controle van de krantenredactie stond. Plots was het societyleven niet meer eigendom van de society. En juristen proberen dan een construct uit, een nieuw concept dat een dam tegen die nieuwe bedreiging moet kunnen opwerpen: Privacy werd in een academisch artikel van de Harvard Law review

18|Emile & Ferdinand|Nr.10|2018

in 1890 als juridisch afweermiddel bedacht en uitgevonden.

MAAR NIETS NIEUW IS TOTAAL NIEUW Wie de monumentale vijfdelige encyclopedische historiografie van “La vie privée” of het werk van Elias ziet, weet dat het niet wachten was op nieuwe technologieën om het ontstaan van privacy of vroegere vormen ervan te onderkennen. Vierde eeuw voor Christus, eiland Kos. Niet alleen een belangrijke stap in de zorg, geneeskunde, maar ook voor de omgang met de informatie van de patiënt of zorgbehoevende en de geneesheer: de eed van Hippocrates. Alle informatie die u mij toevertrouwt, het meest intieme, ligt veilig en geheim in mijn handen. Wat u mij als arts toevertrouwt, zal door het beroepsgeheim beschermd zijn en blijven. Dat deontologische engagement is door de eeuwen heen danig door elkaar geschud en bijgesteld, maar staat vandaag nog als een huis van vertrouwen.

Uiteraard een schoolvoorbeeld voor de stelling dat het privacyrecht niet zo compleet nieuw is. Er is ook nog zoiets als de onschendbaarheid van de woning, het briefgeheim (of nu communicatiegeheim). Juridische begrippen die 1890 ver vooraf gaan.

ARTIKEL 8 VAN HET EVRM 1950 Filosofie bedrijven, schrijven na Auschwitz … kan het nog? Ook juristen werden geconfronteerd met de gruwel van het fascisme en het stalinisme. 1948, Universele verklaring van de rechten van de mens: de eerste verdragsrechtelijke erkenning van het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Maar enkel en alleen een “proclamatie”, niet afdwingbaar door hard recht. In het naoorlogse historische kantelmoment kiest Europa voor een effectief afdwingbaar “verdrag”: 1950, het EVRM, met daarin artikel 8: Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven.


NOVA ET VETERA

1. E  enieder heeft recht op eerbiediging van zijn privĂŠleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. G  een inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Een monument op zich. Reeds deel van het juridisch werelderfgoed. En tot op vandaag een harde referentietekst. De rechtspraak die zich uit het EVRM en het artikel 8 in het bijzonder heeft ontwikkeld is op zich de culturele politieke geschiedenis van de emancipatie van de Europese burger in de tweede helft van de twintigste eeuw. Bakens voor een effectieve bescherming tegen een te opdringerige overheid en gulzige com-

mercie en ook burgers. De rechtspraak van Straatsburg is tot op vandaag een belangrijke bron en seingever voor zowel de wetgever als de rechtspraktijk.

CONVENTIE 108: 28 JANUARI 1981: DE REFERENTIETEKST BIJ UITSTEK VOOR DE PERSOONSGEGEVENSBESCHERMING Het is nog maar eens schrik en vrees voor de onbekende gevolgen van die toch zo mooie en onstuitbare informaticatechnologie, de cybernetica, de informatica, de ICT. Wanneer in de jaren zestig, zeventig, het duidelijk wordt dat deze technologische informatierevolutie niet alleen onbegrensde voordelen biedt is er ook meteen de angst en de vrees dat die technologie meesterschap en macht zal verschuiven of zelfs volledig zal veranderen. De ambtenaar verliest het auteurschap over het dossier, de burger over zijn portefeuille, de rekenberoeper over de safe, de politicus over de lijsten, de journalist over zijn fiches‌ wie beheert, wie beheerst? Het is die angstige vraag-

stelling die de Raad van Europa ertoe brengt een eerste set van aanbevelingen uit te geven (1976) en een grootscheepse bevraging opzet in de lidstaten over de vraag hoe de voordelen van de informatica kunnen verzoend worden met de rechten van de burger in een democratische maatschappij. De bevindingen van de parlementaire verslaggever Bayerl (1979) werden omgezet door de Raad van Europa in het verdrag van 28 januari 1981 tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, gemeenzaam de conventie 108 genoemd. Een mijlpaal. Met dit verdrag werd een concreet en handzaam instrument aangereikt om privacybescherming voor de gewone burger effectief en hanteerbaar uit te werken. Het toch vrij theoretische en brede begrip privacy werd geconcretiseerd in de bescherming van de persoonsgegevens. Tot op vandaag is een tekst van 1981 de moederkoek van alle data protection wetgeving. Wanneer het concept bescherming van de persoonlij-

...

2018|Nr.10|Emile & Ferdinand|19


NOVA ET VETERA

...

ke levenssfeer en privacy het algemene kader aanreikt dan heeft dit verdrag een paradigma gegeven om dit op het vlak van de persoonsgegevens werkbaar te maken. Het belang van dit verdrag kan dan ook niet genoeg onderstreept worden. Ook op vandaag, met de Algemene Verordening Gegevensbescherming voor ogen, zijn en blijven de basisprincipes van dit verdrag de fundamenten van het Europese en ook meer en meer van de internationale wet- en regelgeving alsook van de praktijk! Je leest er voor het eerst dat persoonsgegevens op een eerlijke en wettige wijze moeten worden verkregen en verwerkt, voor duidelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden, toereikend, ter zake dienend en niet overmatig, nauwkeurig, bijgewerkt en beperkt bijgehouden in functie van het vooropgestelde doel. Maar ook het begrip “ge-

20|Emile & Ferdinand|Nr.10|2018

voelige gegevens“, beveiligingsvereisten, het grensoverschrijdend verkeer en vooral de concrete rechten van de burger op informatie, transparantie, recht op verbetering, recht op verwijdering lezen op vandaag, 37 jaar later nog steeds als brandend actueel. Zonder dit verdrag, met de daarin aangereikte principes, rechten, verplichtingen en middelen had de Europese gegevensbescherming er wellicht nooit zo scherp en helder kunnen uitzien. Na de creatie van het rechtsbegrip privacy in de VS mag dit verdrag toch wel als de Magna Charta van de privacybescherming worden beschouwd. Hiermee wordt voor het eerst een concrete set aangereikt om de burger effectief weerbaar te maken. Wat daarna volgt is eigenlijk parafrasering en actualisering.

BELGIË: DE JAREN 80 Het rijksregister wordt opgericht. Een databank voor ambtenaren. Er is nood aan een eerste instrument met het oog op overzicht, controle, bijsturing: de raadgevende commissie “Holsters” krijgt de bevoegdheid om aanbevelingen, klachtenbehandeling en adviezen te verlenen. Vanuit de Liga voor Mensenrechten, de advocatuur, De Wakkere Burger worden vragen gesteld over het uitblijven van het uitwerken van het verdrag 108. De overeenkomst van Schengen (1985) voorziet niet alleen in de afschaffing van fysieke landsgrenzen maar ook in het uitwisselen van persoonsgegevens tussen de verschillende lidstaten. Maar dan wel onder de controle en de sturing van een deugdelijke privacywetgeving en commissie… België is initiatiefnemer


NOVA ET VETERA

 …Toen de aftrap voor een nieuwe

maar moet vaststellen niet aan die vereiste te kunnen voldoen. Op 15 januari 1990 wordt de wet op de kruispuntenbank sociale zekerheid afgekondigd. Een ontzettend belangrijke gegevensverwerking op grote schaal van tal van gevoelige gegevens. Met zorg voor de bescherming van de persoonsgegevens. Hier wordt een controlecommissie opgezet om de bescherming van persoonsgegevens te effectueren voor elke gegevensstroom. En helemaal achteraan, in de overgangsbepalingen, wordt de Privacycommissie opgericht.

DE COMMISSIE VOOR DE BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER: WET VAN 8 DECEMBER 1992 Kind van de raadgevende commissie, Schengen, Kruispuntenbank sociale zekerheid: in 1995 kan uiteindelijk de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de Privacycommissie, aan het werk gaan. En 1995 komt de richtlijn 95/46, privacyrichtlijn, van de EU de wet van 1992 bijsturen. In 2003 wordt de commissie ook nog intern hervormd. In de aanloop van de hervorming van de richtlijn en het maken van de Algemene Verordening Gegevensbescherming heeft de Belgische Privacycommissie een niet onbelangrijke rol gespeeld, al was het maar om de Belgische vertegenwoordigers in de Raad bij te staan. Het is hier niet de plaats om het bilan

verordening werd gegeven was dat vooral de inzet van de internationale spelers die doorwoog. Die wilden af van de verschillende nationale privacycommissies en zochten soelaas bij één autoriteit. Eén uniek loket. Of en hoe de business erin geslaagd is de hervorming naar haar hand te zetten zal de toekomst moeten uitwijzen.

op te maken van deze commissie, haar werking, falen en slagen. Ik beperk me tot de vaststelling dat de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer op vandaag door het brede publiek, beleidsmakers, politici, media goed en wel gekend zijn en dat de Privacycommissie toch de maatschappelijke rol speelt die van haar kan verwacht worden.

DE EUROPESE WET EN REGELGEVING: VAN DE RICHTLIJN 95/46 NAAR DE ALGEMENE VERORDENING GEGEVENSBESCHERMING (GDPR/AVG) Voor de Europese Unie is uiteraard de totstandkoming van de richtlijn van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die ge-

gevens van essentieel belang. Daarmee werd ook het zwaartepunt verlegd van de raad van Europa naar de Europese Unie. Dit werd nog versterkt door de richtlijn 2002/58 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector van de elektronische communicatie: de concretisering naar het internet. Heel snel werden deze beide richtlijnen de nieuwe standaard voor uiteraard de Europese landen maar eigenlijk ook voor daarbuiten. Toetssteen was eigenlijk altijd de “directive”. Door een aantal praetoriaanse invullingen van de Europese privacycommissies in het kader van de WP29, de verzamelde Europese privacycommissies, werd deze vuurtorenfunctie nog versterkt.

...

Maar het instrument had een grondige hervorming nodig: uiteindelijk was het

2018|Nr.10|Emile & Ferdinand|21


NOVA ET VETERA

 Zoals het er nu naar uitziet zal België in elk

... geconcipieerd voor de wereld van de mainframes en niet van de netwerken, laat staan de cloud. Ook de scoop was zeer plaatselijk terwijl ondertussen internet en sociale netwerken de informatieverwerking opengebroken hadden naar een globaal platform. Met een stevige upgrade van de richtlijn kon het wel maar er waren ook nog andere kapers op de kust: toen de aftrap voor een nieuwe verordening werd gegeven was dat vooral de inzet van de internationale spelers die doorwoog. Die wilden af van de verschillende nationale privacycommissies en zochten soelaas bij één autoriteit. Eén uniek loket. Hoe de business erin is geslaagd, al dan niet ten dele of voor het geheel, de hervorming naar haar hand te zetten zal de toekomst moeten uitwijzen. Er zijn een aantal elementen die niet ten voordele van de burger en diens bescherming zijn: het unieke loket is een rode loper voor de multinationals, niet voor de rechtzoekende. Het behouden van een nationale invulling ten koste van

22|Emile & Ferdinand|Nr.10|2018

geval op het Europese forum al een unieke plaats innemen door niet één maar wel drie federale autoriteiten uit te sturen. Een algemene, eentje voor de politie en ook nog eentje voor de veiligheidsdiensten… Het wordt drummen om dat ene zitje in het toekomstige comité te bemannen.

een communautaire is zeker geen goede zaak voor de rechten van die consument, burger. Ook niet dat empowerment zeer facultatief wordt. Een aantal interessante nieuwe instrumenten van de GDPR/AVG zijn hoopgevend: lees in artikel 25 over privacy by design en by default. De wijze waarop dit kan worden waargemaakt zal op zich reeds de lakmoesproef zijn voor de nieuwe regelgeving. Zullen providers van internetdiensten bijvoorbeeld hun diensten aanbieden met een fatsoenlijke degelijke privacybescherming of blijft het knutselen?

NIEUWE CONCEPTEN: VERANTWOORDINGSPLICHT EN RISK BASED APPROACH Interessant zijn ook twee nieuwe concepten die, al reeds aanwezig in de vroegere regelgeving, nu zeer prominent worden uitgewerkt: de verantwoordingsplicht enerzijds en de risicogebaseerde aanpak anderzijds. De Europese wetgever ging er vanuit dat de principes het werk waren van de wetgever. Hoe dit dan in elke

onderneming, administratie, sector, omgeving of context, moet worden uitgewerkt is de zaak van diegenen die daar aanwezig zijn en met die persoonsgegevens werken. Dit kan de wetgever niet allemaal bemeesteren. De bakens worden uitgezet. Het is aan eenieder om het in de werkelijkheid ook waar te maken. Dit is de accountability of verantwoordingsplicht. Wat dan ook meteen een tweede element aangeeft: het komt er niet alleen op aan om het te doen, maar ook om het te bewijzen, te demonstreren, dat de door de wetgever gegeven opdracht effectief is uitgevoerd. Maar het is wel iets meer dan alleen maar deze twee begrippen: prominent is ook de figuur van de functionaris voor de gegevensbescherming, de DPIA, of, het langste woord, de gegevensbeschermingseffectbeoordeling.

NIEUWE BELGISCHE WETGEVING: ORGANIEKE WET, KADERWET, REGIONAAL… Het is dezer dagen en weken en maanden koortsachtig nagaan, zoeken, dis-


NOVA ET VETERA

cussiëren over de nieuwe Belgische wetgeving die vorm en inhoud moet geven aan zowel de verordening als de richtlijn die de strafrechtsketen beheerst (de Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen). Maar ook de regionale decreetgever zal zich niet onbetuigd kunnen laten, want een niet gering aantal bevoegdheden ressorteren onder de bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten.

Ook daarover zal duidelijkheid moeten gegeven worden. Zoals het er nu naar uitziet zal België in elk geval op het Europese forum al een unieke plaats innemen door niet één maar wel drie federale autoriteiten uit te sturen. Een algemene, eentje voor de politie en ook nog eentje voor de veiligheidsdiensten… Het wordt drummen om dat ene zitje in het toekomstige comité te bemannen. Alvast een interessante oefening voor de uitgever van boeken: we zullen ons best doen om dat op tijd en stond aan u, geïnteresseerde lezer en gebruiker, mee te geven.

Willem Debeuckelaere stelt samen met prof. Gert Vermeulen de nieuwe editie van het ThemaWetboek Privacywetgeving samen. Larcier - september 2018 – circa 800 p.

Onze gespecialiseerde ervaring ten dienste van uw groei Strategie ■ Branding ■ Content Marketing ■ Website Design ■ Business Development ■ Cliëntenbeheer

Contacteer ons vandaag nog: ben.houdmont@knowtogrow.be +32 495 58 76 47 ADV_148,5x210_KTG_V2.indd 1

Voor meer informatie en onze blog vol praktische tips en ervaringen www.knowtogrow.be 7/08/17 14:25 2018|Nr.10|Emile & Ferdinand |23


SAVE THE DATES

➔ ONTBIJTSEMINARIE KRITISCHE BESPREKING BELANGRIJKSTE BESLISSINGEN VLABEL 17 april 2018 - 3Square, Zwijnaarde of 3 mei 2018 Congrescentrum Lamot, Mechelen (ook via livestream!) Tim Melis en Nathalie Labeeuw

➔ COLLOQUIUM DOUANESTRAFRECHT ANNO 2018 (OOK VIA LIVESTREAM!) 19 april 2018 - Havenhuis, Antwerpen Filip Van Volsem, Eric Van Dooren, Luc E. Van De VeldePoelman, Dirk Schoeters en Erik Gevers

➔ MASTERCLASS RABG: INSOLVENTIERECHT

24 april 2018 - 3Square, Zwijnaarde Pieter Van Aerschot en Dave Pardo

➔ COLLOQUIUM 15 JAAR RABG - QUO VADIS JUSTITIA? 26 april 2018 - 3Square, Zwijnaarde Hans Van Bossuyt, Nico Snelders, Flip Petillion, Michel Rozie, Bruno Maes, Steven Brouwers, Toon Sas, Elke Janssens en Willy van Eeckhoutte

➔ ONTBIJTSEMINAR OMGEVINGSRECHT (OTR)

8 mei 2018 - Crowne Plaza, Antwerpen Els Empereur en Gregory Verhelst

➔ BERICHT AAN HET NOTARIAAT: STUDIENAMIDDAG: TOPICS EN ACTUALIA GIFTENRECHT

17 mei 2018 - Communicatieloft, Gent Bart Van den Bergh

➔ BERICHT AAN HET NOTARIAAT: STUDIENAMIDDAG: DE POSITIONERING ALS BEMIDDELAAR IN EEN EOT IN 7 STAPPEN

29 mei 2018 - Hotel Beveren, Beveren-Waas Vincent Lesseliers

➔ BERICHT AAN HET NOTARIAAT: STUDIENAMIDDAG: HET NIEUWE HUWELIJKSVERMOGENSRECHT 2018 19 juni 2018 - Crowne Plaza, Antwerpen (ook via livestream!) of 21 juni 2018 - 3Square, Zwijnaarde Hélène Casman

➔ STUDIEAVOND HET ARREST ALTUN. DOORBRAAK VAN DE EUROPESE FRAUDE- EN MISBRUIKDOCTRINE IN HET SOCIAAL RECHT?

22 mei 2018 - STAM - Stadsmuseum, Gent Jeroen Lorré

➔ STUDIENAMIDDAG BUSINESS DEVELOPMENT EN KLANTENMANAGEMENT IN ADVOCATENKANTOREN

24 mei 2018 - Crowne Plaza, Antwerpen Anne-Laure Losseau, Ben Houdmont en Dany Daelemans

➔ STUDIENAMIDDAG NAAR EEN REGIONAAL WONINGHUURRECHT: WAT VERANDERT ER IN VLAANDEREN, BRUSSEL EN WALLONIË?

31 mei 2018 - Huis van de Automobiel, Brussel Katrien Kempe en Valerie Dhooghe

INFORMATIE EN INSCHRIJVINGEN: Larcier Opleiding opleiding@larciergroup.com Online inschrijvingen via www.larciergroup.com/nl/opleidingen.html

> SURF NAAR WWW.LARCIERGROUP.COM/NL om de interviews met onze

Follow us on

auteurs en redactieleden te ontdekken, en kom er alles te weten over de komende events en onze nieuwe publicaties

GAZLARNL10 ISBN : 978-1-1008-9080-7

24|Emile & Ferdinand|Nr.10|2018

Bent u nog niet geabonneerd op Emile & Ferdinand? Abonneer u gratis op emileenferdinand@larciergroup.com

Emile & Ferdinand 2018/2 (N°10)  
Emile & Ferdinand 2018/2 (N°10)  
Advertisement