Page 1

• Stofomslag HHC

30-09-2008

15:46

Pagina 1

Zeven scholen onderweg naar Het Hogeland College

naar één school hhc

naar één school 1868 - 2008


• HHC 0 voorwerk.qxp

30-09-2008

14:28

Pagina 1

na a r é é n s c h o o l Zeven scholen onderweg naar Het Hogeland College 1868 - 2008


• HHC 0 voorwerk.qxp

30-09-2008

14:28

Pagina 2

naar één school


• HHC 0 voorwerk.qxp

30-09-2008

14:28

Pagina 3

Martin Hillenga

Zeven scholen onderweg naar Het Hogeland College 1868 - 2008

wa r f f u m

uithuizen

wehe-den hoorn

2008


• HHC 0 voorwerk.qxp

30-09-2008

14:28

Pagina 4

I N H O U D S O P G AV E

5

Woord vooraf

77

7 7 8 10 11 13 17 18 19

Hoofdstuk 1 Naar school vóór 1857 Köster Van lettergreep naar gebed Schoolgebouwen Onderwijswetten Schoolopzieners Schaapvent en lutje meid Franse scholen en ‘élèves’ Nut

79 81 82 84 90 94 96

21

BEELD: GEBOUWEN

103 115

31 32 32 36 36 40 41 42 44 46 46

Hoofdstuk 2 ‘Door wetten gezond’, 1857-1920 Lager onderwijs Meer uitgebreid Hogere Burgerschool Warffum: eene nijvere kleine plaats Vreemde heren Leerlingen Meisjes en vrouwen Landbouwschool Wat werden ze? De periode Smit

115 116 117 118 120 122 123 124 125 129 133

59 59 60 61 63 64 67

BEELD: PERSONEEL

Foto vorige pagina’s: Leerlingen van de lts in Wehe-den Hoorn verwisselen in de garderobe van de school hun dagelijkse kledij voor overalls, jaren ’50.

Hoofdstuk 5 Mammoet en manoeuvreren, 1968-1992 Mammoet Samenhang De oude dingen omver Van ulo naar mavo: voortgezette opmars Lager beroepsonderwijs Scheidslijnen Jansen spreekt Geruchten Proefproject Plattelandsplicht BEELD: LEERLINGEN 2008

149 151 152 153 155 157

165 168

Gebruikte literatuur Illustratieverantwoording / colofon

BEELD: IN SCHOOL Hoofdstuk 3 Minne jaren, 1920-1945 Wet de Visser ‘Onze mensen’ Vijfjarig, maar geen A ‘Dat is nait aans’ Oorlogsjaren

BEELD: ACTIVITEITEN

Hoofdstuk 6 Eén, 1992-2008 ‘Ach jongens …’ Ondertussen… Van start Onderwijsvernieuwing Van binnenuit Toekomst en terugblik

149 49

Hoofdstuk 4 ‘Kinder nait noar boer’, 1945-1968 Geest van de moderne tijd Vormingswerk Wederopbouw onder bedreigd bestaan Ambachtsschoulen Meisjes Boerderij Mulo’s en hbs: naoorlogse explosie


• HHC 0 voorwerk.qxp

30-09-2008

14:28

Pagina 5

Woord vooraf

De dijk van de Noordpolder, de grens tussen land en wad in het uiterste noorden van de provincie, leidt kennelijk tot vruchtbare gedachten. Met het uitzicht over de even vruchtbare landerijen onder ogen, kwamen in de zomer van 1836 de landbouwer Geert Reinders en de artsen Rembertus Westerhoff en Emo Wichers – allen oud-leerlingen van de predikant Jacobus Albertus Uilkens uit Eenrum – al wandelend over de dijk tot de aanzet voor oprichting van een genootschap dat de landbouw, destijds de voornaamste bron van bestaan in Groningen, naar een hoger plan moest tillen. Zij constateerden dat er veel verbeteringen hun intrede hadden gedaan, maar dat de vooruitgang nog te veel werd geremd door ‘gehechtheid aan het oude en de afkeer van het nieuwe’. Het door hen verwezenlijkte Genootschap ter Bevordering der Nijverheid zou later uitgroeien tot de Groninger Maatschappij van Landbouw. Onderwijs en voorlichting namen binnen de doelstellingen van die organisatie(s) een prominente plaats in. Het fundament voor het boek dat voor u ligt, werd 170 jaar later op nagenoeg dezelfde plek maar onder andere omstandigheden gelegd. In het Zielhoes in Noordpolderzijl spraken (oud-)directieleden van Het Hogeland College op een stormachtige winterdag in 2006 voor het eerst over een gedenkboek waarin de geschiedenis van alle in 1993 in het HHC opgegane scholen beschreven zou worden. Hier kwamen ook de historische lijnen geschetst in de inleiding bijeen: enkele aanwezigen hadden in het verleden nauwe banden met de scholen van de ‘Groninger Mij’, terwijl anderen die hadden met de Rijks-hbs in Warffum, tot stand gekomen door inspanning van Geert Reinders, één van de wandelaars van 1836. De besproken publicatie zou dan ook moeten verschijnen in 2008, het jaar waarin zowel het 140-jarig bestaan van deze school in Warffum zou worden gevierd, als het 15-jarig jubileum van Het Hogeland College. Met dit voornemen, en een ieder een taak in de realisatie daarvan, vertrok iedereen huiswaarts. Harry van der Laan overigens pas nadat zijn in de sloot gewaaide auto op het droge was gelicht… Achteraf gezien een eerste obstakel in het moeizame proces dat het maken van een boek doorgaans is. De werkcommissie, tevens redactie, van deze publicatie in wording werd sindsdien gevormd door Anja Boersema, Harry van der Laan, Karel Vlak en Jan de Weerdt. De eerste faciliteerde ruimhartig de bijeenkomsten in het voormalige café De Landbouw in Usquert, de heren Van der Laan en De Weerdt deelden in hun grote kennis van de afzonderlijke scholen en Karel Vlak schreef, op basis van eerdere ervaringen, een eerste synopsis. Besloten werd om een externe auteur, Martin Hillenga, aan te trekken om deze opzet uit te laten werken tot een boek. Voor het eerst is nu de geschiedenis van de zeven gefuseerde scholen en hun voorgangers in samenhang beschreven, terwijl voordien slechts over een enkele school – vooral over ‘Warffum’, dat al een aantal al indrukwekkende gedenkboeken kende – was gepubliceerd. Juist die samenhang, ook binnen een breder

5


• HHC 0 voorwerk.qxp

30-09-2008

14:28

Pagina 6

historisch kader, is voor dit boek het uitgangspunt geweest, waarbij vooral het accent moest liggen op de niet eerder beschreven scholen. Daarnaast is getracht om, onder andere door een ruime illustratie, de lezer ook genoeg momenten van ‘petit histoire’ en herkenning te bieden. Hopelijk zijn we in die opzet geslaagd. Van harte danken we de mensen die zich lieten interviewen, informatie of foto’s verstrekten of die op elke andere wijze aan de totstandkoming van dit boek hebben bijgedragen. In het bijzonder zijn te noemen mevrouw S. Huisman, die het schoolarchief letterlijk toegankelijk maakte, en de heren IJ. Botke en H. van der Veen, die een eerste versie van de tekst becommentarieerden. Dank gaat ook uit naar Gert Jan Slagter, voor het denken over en het realiseren van de aantrekkelijke vorm van presentatie. Drukker Sikkema nam, zoals altijd tot tevredenheid stemmend, de laatste fase van de productie voor zijn rekening. Mede in de hoop dat een beter zicht op de wordingsgeschiedenis van Het Hogeland College zowel mag bijdragen aan ‘gehechtheid aan het oude’ als een waardering van ‘het nieuwe’, wensen we u bovenal veel lees- of bladergenoegen. Mevrouw L.G. de Haan, rector

6


• HHC Hoofdstuk 1.qxp

30-09-2008

14:46

1

Pagina 7

Naar school vóór 1857

‘Wie smaken wil opregte vreugd, Vereenigd met verstand en deugd, Moet zich als kind ter school begeven, En steeds naar meerder kennis streven; Op zon- en feestdag gaan ter kerk, En rusten van zijn daag’lijksch werk; Want om te leeren deugd en pligt, Is hier de kerk en school gesticht.’

Het tiende couplet van het Leenster volkslied maakt van de zegeningen van goed onderwijs geen geheim. Het werd dan ook geschreven door een onderwijzer: Jakob Pieters Beukema (1782-1859), ter gelegenheid van diens vijftigjarig jubileum als schoolmeester van Leens in 1854. Beukema’s loopbaan viel samen met een tijd, waarin het onderwijs volop in verandering was. Zijn eigen schooljaren aan het einde van de achttiende eeuw zullen niet te vergelijken zijn geweest met die van zijn leerlingen. Köster

De kerk van Usquert met de losstaande toren, waarin aan het eind van de achttiende eeuw de school was ondergebracht.

Onderwijs en kerk waren in de zeventiende en achttiende eeuw onlosmakelijk met elkaar verbonden. De school was vooral bedoeld om er kinderen op te voeden tot deugdzame christenen. De collatoren die de predikant benoemden, in de Groninger Ommelanden waren dit vaak de jonkers, waren ook verantwoordelijk voor de aanstelling van de onderwijzer. De schoolmeester vervulde in de kerk meestal tal van nevenfuncties. Zo trad hij vaak op als koster, voorzanger, organist en klokkenluider. Over de meester werd dan ook vaak gesproken als ‘köster’. Voordat een schoolmeester werd aangesteld, werd een aantal kandidaten uitgenodigd om proeflessen te geven. Behalve zijn didactische kwaliteiten, werden bij deze gelegenheid ook zijn kennis van de Bijbel en zijn zangkunsten gewogen. Over dat laatste deed het gerucht van het ‘stokjezingen’ de ronde: door middel van een in de grond gestoken stokje werd aangegeven tot waar de stem van een kandidaat hoorbaar was. Wie het hardste een Psalm kon zingen, werd aangenomen.1 In 1952 werd in Eenrum, op grond van gesprekken met oude dorpsbewoners, daarover nog het volgende verteld: ‘Het ambt van onderwijzer was een functie van ondergeschikt belang, waarnaast hij dikwijls het beroep van organist of voorzanger in de kerk uitoefende, dat van meer belang was dan de meestersfunctie. Het verhaal, dat volgens het systeem stokjezingen de meester verkozen werd, was niet geheel uit de lucht gegrepen.

naar school vóór 1857

7


• HHC Hoofdstuk 1.qxp

30-09-2008

14:46

Pagina 8

Plm. 1895 beluisterde een inwoner bij Eenrum het verhaal van een 65-jarige man, dat het voorzanger zijn in de kerk belangrijker was dan de meestersbaan en dat daarom diegene voor deze functie verkozen werd, die het hardste kon zingen.’2 Een aardig overzicht van het werk en de (bij)verdiensten van schoolmeesters in de provincie Groningen, geeft onder andere een – weinig bekende – enquête uit het einde van de achttiende eeuw.3 Hieruit blijkt bijvoorbeeld dat de meester van Warffum, de 53-jarige Jan Swaagman, zich liet bijstaan door een ‘bediende’. De enquêteurs stelden ook vast dat hoewel zestig kinderen de school bezochten, dit ook ‘100 kon zijn, zoo er genoeg onderstand was voor minvermogenden’. De diaconie van Warffum droeg slechts een halve gulden per jaar bij in de schoolkosten van arme kinderen. Opmerkelijk is de nevenverdienste van de schoolmeester van Usquert. De 50-jarige Henricus van Zalen genoot naast vrije woning ook de inkomsten van 8 gulden ‘van een duivenvlugt’. Zijn collega S. Benninge van Ulrum ontving naast inwoning in de kosterij ook een 14 gulden per jaar voor het onderhoud van het uurwerk van de kerk. Het bestaan als onderwijzer was geen vetpot. Hij was naast een vast, vaak bescheiden, traktement afhankelijk van zijn neveninkomsten en van de door de leerlingen meegebrachte schoolgelden. Veel meesters waren daarom gedwongen om het beroep tot op hoge leeftijd uit te oefenen. Zo was Jan Obbens vanaf 1778 schoolmeester en organist – vanaf 1800 tevens voorlezer – in Uithuizen. Hij bekleedde deze functies tot zijn dood in 1809, op 73- of 74-jarige leeftijd.4 Na de dood van een onderwijzer bleef diens weduwe soms schoolhouden om in ieder geval een inkomen te behouden Zij stelde dan tegen betaling een waarnemer aan, en behield zelf de hoofdmoot van de inkomsten. Dit was onder andere het geval in 1730 in Warffum waar Aeltien Jacobs, de weduwe van meester Warmolt Waslander, op deze wijze enkele jaren in haar onderhoud voorzag. Uiteindelijk trouwde ze in 1733 met Fokke Jans Swaagman, afkomstig uit Sappemeer. Hij zette de school voort.5 Voor deze tijd niet ongebruikelijk ging het beroep vaak over van vader op zoon. Voornoemde Fokke Jans Swaagman werd bijvoorbeeld in de jaren 1760 opgevolgd door diens zoon Johannes Fokkes, die tot zijn dood in 1811 in Warffum voor de klas zou staan.6 Van lettergreep naar gebed De schoolmeesters gaven les vanachter hun lessenaar, hoog boven de leerlingen verheven. Die zaten allen bijeen in één ruimte; een indeling in klassen bestond nog niet. Meester liet de kinderen beurtelings bij zich komen. Zij mochten dan de les opzeggen. Vanzelfsprekend kwam dit de concentratie van medeleerlingen niet ten goede. Als meester de kinderen die om hem heen stonden het een of ander uitlegde, moesten de anderen hun lessen leren. Dat deden ze min of meer hardop. Vooral leren lezen was op deze manier een erg moeilijke bezigheid waarmee ontzettend veel tijd werd verspild. Bovendien was de leermethode zeer inefficiënt. Met behulp van het ‘Hanenboek’, zo genoemd naar de haan die op de omslag stond, leerden de kinderen eerst het alfabet, dan de lettergrepen ba- be-

8

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 1.qxp

30-09-2008

14:46

Pagina 9

Het op school geleerde schoonschrijven kon in de achttiende en negentiende eeuw door kinderen in klinkende munt worden omgezet door het schrijven van een nieuwjaarswens aan verwanten en of kennissen. De versierde randen van deze heilwensen waren veelal voorbedrukt.

bi- bo- bu, ab- eb- ib- ob- ub, ca- co- ci- co- cu en wat daarvan gecombineerd kon worden. Denkend aan zijn eigen schooljaren schreef de schoolmeester van Wehe in 1844: ‘ten tijde toen dit martelboek gebruikt werd, werden de kinderen als bij de haren naar de school gesleept, schrikten voor het brutale aangezigts hunne meesters, en namen met bevende handen het zwarte muggenboekje op, zoo noemden wij negenjarige knaapjes het ding reeds, als ons de oogen vol tranen stonden en alles door elkaar liep, alsof het zwarte muggen waren.’7 Als ze enige leesvaardigheid hadden, waren de kleintjes toe aan het Onze Vader, de Tien Geboden en de Psalmen. De weg van lettergreep naar gebed was echter

naar school vóór 1857

9


• HHC Hoofdstuk 1.qxp

30-09-2008

14:46

Pagina 10

een lange; menigeen kreeg het lezen nooit helemaal onder de knie. Veel later werd begonnen met schrijven, rekenen kwam er helemaal bekaaid af. Het zangonderricht nam daarentegen een prominente plaats in de lessen in. Schoolgebouwen Aan de huisvesting van de school werden geen hoge eisen gesteld. Vaak betrof het een kamer in de kosterij, de woning van de schoolmeester. Het schoolvertrek was doorgaans te klein en bedompt, zeker als ’s winters wanneer het schoolbezoek toenam en er bovendien gestookt moest worden. De Warffumer school was bijvoorbeeld een vrijwel vierkante ruimte van circa 6,5 bij 5 meter en tweeënhalve meter hoog. Daarin kregen rond 1785 zo’n veertig kinderen les. Iedere ruimte waarover de kerk kon beschikken werd eigenlijk wel geschikt geacht voor het geven van onderwijs. De jeugd van Uithuizermeeden volgde haar lessen in een gebouwtje op het kerkhof, tussen kosterij en toren. In Usquert diende tot omstreeks 1780 de kerktoren als dorpsschool. ‘Een klein, akelig hol, voor gevangenis regt geschikt’ typeerde meester Nicolaas van Zalen deze ruimte.8 De dorpsschool van Rottum was gevestigd in een gebouwtje ‘vastgeplakt’ aan de overblijfselen van het oude middeleeuwse klooster. Deze ruimte werd aan het begin van de negentiende eeuw omschreven als ‘een vertrekje, geropt en morsig, tevens tot stookplaats dienende.’9 Als er nieuwbouw werd gepleegd, pakte dat niet altijd gunstig uit. Warfhuizen was bijvoorbeeld in 1793 in de gelukkige omstandigheid dat de oude school werd vervangen door een nieuwe. De plaats hiervan was echter buitengewoon slecht gekozen: als het regende stroomde het water de wierde af de school in, waardoor de vloer soms ‘zeer waterachtig’ was. De laatste constatering is echter uit 1828, zodat geconstateerd kan worden dat het euvel decennia lang voor lief werd genomen.10 Een beeldend verslag van de toestand in een dorpsschooltje omstreeks 1800 gaf Jan Gerrits Rijkens, van 1803 tot 1857 schoolhoofd in Wehe. Rijkens was hulponderwijzer onder een 84-jarige meester in Termunten, toen hij in december 1802 het bericht ontving dat hij in Wehe kon worden aangesteld. De reis daar naartoe aanvaardde hij – ‘te voet, in eene bittere koude en sneeuwjagt’ – eind januari 1803: ‘Toren en Kerk waren mijne bakens, denkende, dat ik toch ligtelijk in die nabijheid mijne toekomstige bestemming zoude vinden.’ Aangekomen in Wehe, verrichtte Rijkens eerst op zondag zijn taak als voorzanger tijdens de kerkdienst. Op de volgende dag begonnen zijn eerste lessen: ‘Het was eenen strengen winter! ’s Maandags telde ik 37 leerlingen; de jongens elk met eenen turf onder den arm gewapend. Er werd een vuurtje van aangelegd onvoldoende om ons allen te kunnen verwarmen. Ik opende de school met onderhoudende gesprekken, en zochte hen door eene vriendelijke omgang op een standpunt te brengen, dat ik met een goed gevolg zoude kunnen onderwijzen. Het schoolgebouw was, om de waarheid te zeggen, een ellendig hok; Laag onder verdieping, gebroken glazen in lood, met 50 leerlingen eivol, met spaarzaam licht bedeeld. De ingang zoo klein, als ik ooit had gezien, juist voor kinderen, zoo die niet al te groot waren, geschikt om in de school te geraken, rook had men op zijnen tijd, met één woord, een geheel doelloos gebouw.’

10

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 1.qxp

30-09-2008

14:46

Pagina 11

˘ Voor- en achterzijde van de grafsteen van Jan Gerrits Rijkens op het kerkhof van Middelbert, onder de rook van de stad Groningen. De hoofdonderwijzer van Wehe werd hier begraven omdat hij de laatste jaren van zijn leven woonachtig was bij zijn dochter, die gehuwd was met het hoofd der school van Middelbert.

˚ Jan Gerrits Rijkens (1784-1862), van 1803 tot 1857 hoofdonderwijzer in Wehe. Rijkens heeft veel voor het onderwijs betekend. Zijn ontwerp voor een geschieden aardrijkskundige leerboek voor de hoogste klassen van het lager onderwijs (1817) werd door de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen bekroond, evenals het ontwerp van een wereldkaart voor het lager onderwijs (1830). Daarnaast verschenen veel – historische – artikelen van zijn hand in de Almanak ter bevordering van kennis en goede smaak, (‘Leenster almanak’) die werd uitgegeven door het Departement Leens van ’t Nut.

Rijkens gaf deze indrukken van zijn beginjaren tijdens een toespraak ter gelegenheid van zijn vijftigjarig jubileum in 1853. Ondertussen was er binnen de school veel veranderd. ‘Ja, Mijne Vrienden. Ik herhaal het nog eens, voor vijftig jaren of nu, O! welk een verschil, welk eenen vooruitgang in ’t onderwijs, in kunsten en wetenschappen’, concludeerde de meester dan ook.11

Onderwijswetten De Bataafs-Franse tijd (1795-1813) was voor het lager onderwijs een belangrijke periode. Al in het laatste kwart van de achttiende eeuw ijverden schoolvernieuwers onder invloed van Verlichte ideeën voor een hervorming van het onderwijssysteem. De ontoereikende opleiding van veel meesters, hun vele bijbaantjes, de mechanische en geestdodende leerwijze, de ongeschikte en veelal verouderde schoolboeken die gebruikt werden, de bedompte schoollokalen en het ontbreken van toezicht op het onderwijs waren de voorstanders van een onderwijshervorming een doorn in het oog. De kritische geluiden bleven niet zonder weerklank. De overheid ging begin negentiende eeuw het onderwijs als haar taak beschouwen. Kort achter elkaar – in 1801, 1803 en 1806 – kwamen drie schoolwetten tot stand. Een van de belangrijkste veranderingen die de wetten bewerkstelligden was dat de openbare scholen voortaan vanuit publieke middelen werden betaald.

naar school vóór 1857

11


• HHC Hoofdstuk 1.qxp

12

30-09-2008

14:46

Pagina 12

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 1.qxp

30-09-2008

14:46

¯ Hoewel de band tussen kerk en onderwijs sinds de Bataafs-Franse tijd officieel was verbroken, bleven veel lagere scholen gedurende de negentiende eeuw onder de hoede staan van de Hervormde Kerk, zoals ook blijkt uit deze gedenkplaat van de school in Warffum uit 1863. Het schoolgebouw daar zat bovendien onder één dak met de kosterij.

Pagina 13

Daarmee verdween officieel de eeuwenoude band van de scholen met de kerk. In plaats van leerstellig godsdienstonderwijs, werd voortaan algemeen christelijk en zedenkundig onderricht gegeven. Volgens de schoolwet van 1806 moest het onderwijs zo ingericht worden, dat ‘onder het aanleren van gepaste en nuttige kundigheden, de verstandelijke vermogens der kinderen ontwikkeld en zij zelve opgeleid worden tot alle maatschappelijke en christelijke deugden.’ De kerkelijke functionarissen hadden geen functie meer als toezichthouders op het onderwijs. In hun plaats stelde de overheid schoolopzieners aan, die zorg zouden dragen voor de invoering en naleving van de schoolwet. De schoolmeesters dienden bovendien naast de onderwijzersakte een aanvullende opleiding te hebben genoten en zodoende een ‘rang’ hebben behaald. Deze varieerde van de vierde tot de eerste rang. Voor de vierde en laagste rang gold dat de meester ‘tamelijk bedreven’ diende te zijn in lezen, schrijven en rekenen en enige aanleg moest hebben voor het lesgeven. Onderwijzers van de eerste rang dienden kennis te hebben in vorengenoemde vakken, en daarenboven nog in de Nederlandse taal, geschiedenis, aardrijks-, wis- en natuurkunde. Ook moesten zij didactisch zeer bekwaam zijn en ‘uitmunten in beschaafdheid en verstand.’ De scholen werden ingedeeld in drie klassen; hoe hoger de klasse, des te hoger diende de rang van de onderwijzer te zijn. Binnen de schoolmuren had de schoolwet van 1806 ook de nodige gevolgen: er werden onder andere nieuwe lesboekjes ingevoerd en het was gedaan met het individuele onderwijs, waarbij de leerlingen één voor één bij de katheder van de meester werden geroepen. Deze gaf voortaan klassikaal les. Om dit te kunnen bewerkstelligen, werd de leerlingengroep in drie klassen verdeeld. Vanaf het schoolbord – en niet vanaf een verheven lessenaar – werden ze voortaan door de meester onderwezen. Schoolopzieners Om toezicht te houden op de naleving van de nieuwe voorschriften in het onderwijs, werden schoolopzieners aangesteld. Groningen was daartoe opgedeeld in zes districten, die elk een opziener hadden. Zij waren aanwezig bij de vergaderingen van onderwijzersgezelschappen en bezochten met regelmaat de hun toegewezen scholen. De schoolopzieners werden op hun beurt weer vanuit ‘Den Haag’ gecontroleerd. Met deze taak was vanaf 1832 de hoofdinspecteur van het onderwijs in Nederland belast. Tot 1849 werd deze functie bekleed door mr. Henricus Wijnbeek, die in 1836 een inspectiereis door Groningen maakte.12 Wijnbeek toonde zich in de inleiding op zijn verslag enigszins teleurgesteld over zijn bevindingen. Van de onderwijsvernieuwing in Groningen had hij zich meer voorgesteld. Zijn hoge verwachtingen waren gebaseerd op een rapport van twee Franse rapporteurs, die in 1811 ook de Groninger scholen hadden bezocht en daar met het lagere schoolwezen ‘hoog ingenomen’ waren geweest. ‘Die meerdere voortreffelijkheid is mij bij mijn schoolbezoek in deze provincie niet in 't oog loopend gebleken’, concludeerde Wijnbeek echter. Hij weet dit vooral aan de snelle vooruitgang van de andere provincies op dit terrein. Wijnbeek kon tot zijn genoegen constateren dat er ‘in de laatste jaren veel verbeterd [was]: de oude spelmethode is slechts nog in weinige scholen in zwang.’ Wel vond hij dat de leestoon en de uitspraak in de meeste scholen veel

naar school vóór 1857

13


• HHC Hoofdstuk 1.qxp

30-09-2008

14:46

Pagina 14

te wensen over liet. Vooral de uitspraak was in de ogen van de inspecteur ‘menigmaal onverdragelijk, òf door het verkeerd plaatsen van den klemtoon, òf door eene overdrevene nabootsing van de Hollandsche uitspraak. B.v., meest overal hoorde ik het woord natuurlijk zoo uitspreken, dat de meeste nadruk gehoord werd op de derde lettergreep lijk en de ij daarvan klonk als aai.’ Het feit dat de meeste kinderen buiten de school gewend waren Gronings te spreken zal hieraan hebben bijgedragen. Bij de aardrijkskundelessen viel hem op dat de kaart van Groningen hiervoor het uitgangspunt was. Bezwaarlijk vond hij dat niet: ‘De woonplaats der scholieren behoort bij het onderwijs der aardrijkskunde het aanvangspunt te zijn. Alsdan heeft de onderwijzer slechts den kring verder en verder uit te breiden, naar gelang van de behoeften zijner leerlingen.’ Over die behoefte maakte Wijnbeek zich zelf niet veel illusies: ‘Ten platten lande werd dan ook die kring veelal niet buiten de provincie uitgestrekt.’ Opvallend positief is het verslag over het zangonderricht. ‘Van het gezang wordt veel werk gemaakt’ schreef Wijnbeek. Hij vond de lessen ‘eene aangename verpoozing en ontspanning’ tussen de andere vakken. Maar een kritische kanttekening bleef tot slot niet achterwege: ‘Doch er zijn vele dorpsscholen, waar het zingen bestaat in een vervaarlijk psalmgezang.’ De verslagen per school geven een goede indruk van de toestand van de schoolgebouwen, de lesmethoden en soms ook de kwalificaties van de onderwijzers. Voor de grotere plaatsen in ons gebied vallen die positief uit: ‘Te Warffum waren de wanden der fraaije, langwerpige, door glazen deuren in twee vertrekken verdeelde schoolzaal insgelijks rondom van zwarte borden voorzien. Op het eene bord stonden voor de eerstbeginnenden de twee-en drieklanken. De kinderen daartegenover zittende moesten woorden vinden, waarin

LESSEN OP BORGWEER Jan Gerrits Rijkens arriveerde in 1803

‘Naar mate het getal leerlingen aangroeid-

kamer het aanzien kreeg van eene gemeubi-

als onderwijzer in Wehe. Behalve aan

de, naar mate werd ook mijne werkkring

leerde kamer. Ik was vervolgens in de gele-

de lagere school aldaar, gaf hij op de

grooter, zoo dat er zeer weinige oogenblik-

genheid mij het noodige te kunnen aan-

borg Borgweer ook les aan de kinde-

ken voor mij zelven overbleven. De Heer

schaffen, benevens een fraai kabinetorgel.

ren van de adellijke familie Tjarda van

L.T. van Starkenborg, Heer van Wehe, ver-

Ik had groote reden tot dankbaarheid

Starkenborgh. Dit geslacht was colla-

zocht mij, dagelijks aan het huis Borgweer

jegens Hem, die al onze lotgevallen regelt

tor in Wehe-den Hoorn, dus ook ver-

te willen komen, om zijne twee kinderen

en bestuurd. Ik had mij hetzelve niet toege-

antwoordelijk voor de aanstelling van

Edzard Tjarda van Starkenborg en Freule

dacht. Ik was steeds arbeidszaam, en nam

de schoolmeester. De omstandigheden

Anna Wilhelmina te willen onderwijzen,

mijne pligten zoo goed waar, als mijne

op de borg waren anders dan in het

ook in de muzijk. Ik had aan dat huis groo-

zwakke krachten het toelieten; doch kwam

‘ellendig hok’, zoals Rijkens de dorps-

te verpligting, en mogte dit aanzoek niet

in vele zaken te kort. Als men zijne tekort-

school typeerde. Over zijn huisleraar-

van de hand wijzen, hoedanig ook mijne

komingen gevoelt Mijne Vrienden en dezel-

schap vertelde hij later:

uren waren bezet. Mevrouw Van Wehe,

ve tracht te verbeteren, die kan gezegd wor-

Douariére Starkenborg vereerde mij ver-

den, dat hij naar volmaking streeft.’

schillende huismeubelen zoo dat mijn woon-

14

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 1.qxp

30-09-2008

14:46

Pagina 15

˙ Gezicht op Eenrum, omstreeks 1940. Links op de voorgrond staat de in 1849 door de Hervormde Kerk gebouwde openbare lagere school. Het gebouw is tegenwoordig in gebruik als dorpshuis.

˚ Plattegrond van een schoollokaal in Eenrum, circa 1820. De tekenaar beeldde ook de opstaande wanden af. Daarop is te zien dat de nadruk in deze tijd was komen te liggen op het klassikale en aanschouwelijke onderwijs: een van de muren is bijna geheel gevuld met schoolborden. In de andere buitenmuur zitten ramen om voldoende daglicht in de klas binnen te laten. Het lokaaltje werd in 1822 gebouwd naast de bestaande school en was bedoeld voor de jongste leerlingen.

die klanken voorkomen en dezelve op hunne lei schrijven. Elders stonden planten geteekend, welke door leerlingen eener hoogere klasse moesten nageteekend worden. Op vier andere borden stonden geschilderd: hier de aardbol met de evennachtslinie, daar dezelfde bol met denzelfden cirkel, doch tevens met de keerkringen en de poolcirkels, verder wederom dezelfde bol, maar met den meridiaan en de paralellen en eindelijk de aardbol met de verdeeling in klimaten. Er waren ook op een bord voor het aardrijkskundig onderwijs van Warffum de omstreken geschilderd en hierover werd gepast ondervraagd en geantwoord.’ De school van Eenrum, waar op dat moment meester Harmannus Blaauwpot – later burgermeester van Eenrum – stond, was twee jaar voor het bezoek van Wijnbeek juist hersteld en vergroot.13 Hierover is dan ook geen wanklank te lezen. Met name de lesmethode wist de inspecteur te bekoren: ‘De aanschouwelijke leerwijze, welke in de scholen dezer provincie is aangenomen, vond ik in dit district nog meer algemeen dan in de overige aangewend. Zoo vond ik te Eenrum, waar het lokaal groot genoeg was voor meer dan 200 leerlingen en waar er 115 bijeen waren, de wanden van alle zijden behangen met zwarte borden, op welke het eene of andere geteekend of geschreven stond. Zoo zag ik met krijt geteekend een hoed en daarnaast geschreven: ‘Waar is dat voorwerp van gemaakt?’. ‘Wie maken het?’. ‘Welke gedaante heeft het?’. De kinderen der benedenste klasse moesten die vragen beantwoorden. Op een ander bord, ten behoeve eener volgende klasse, stond geschreven het woord geheugen en daaronder waren opgegeven de bijzonderheden, welke de natuur iedere maand pleegt op te leveren. Op een derde bord stond het woord Junij (het was juist in die maand), en daaronder vermeld al hetgeen er in die maand op het land verrigt wordt. Zoodanige opgaven werden iedere maand voortgezet.’

naar school vóór 1857

15


• HHC Hoofdstuk 1.qxp

30-09-2008

14:46

Pagina 16

Tekeningen voor een nieuw schoolgebouw in Uithuizen, 1822. De school bood ruimte aan, zo is op één van de schetsen vermeld, driehonderd leerlingen. Opvallend is het rijtje toiletten (‘privees’) buiten de school (zie pijl).

¯

16

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 1.qxp

30-09-2008

14:46

Pagina 17

In Uithuizen kon het schoolgebouw ook de toets der kritiek doorstaan, in tegenstelling tot de persoon van de onderwijzer: ‘Uithuizen. In laatstgenoemde gemeente was het schoollokaal groot en fraai. Het was afgedeeld door glazen deuren in twee zalen en bezet met ruim 180 kinderen. Doch met dit wel ingerigte lokaal contrasteerde ongelukkigerwijze het onderwijs van H. L. Wessels. De man was wel niet onkundig, doch verwaand. Hij is een volgeling van den te Ulrum als predikant afgezetten de Cock, hield zich bezig met het schrijven van blaauwboekjes, waarin hij zelfs den verdienstelijken leeraar zijner gemeente, den Heer Brouwer, als een onregtzinnige ten toon stelt. Of het aan zijne overdrevene gevoelens te wijten zij zoude ik niet durven beslissen. Maar dit moet ik bekennen, dat ik nergens onverstandiger heb hooren lezen, dan in deze school, op geen een schei- of leesteeken werd acht gegeven. Alles werd achtereenweg gelezen, zoo werktuigelijk mogelijk, terwijl de onderwijzer voor teregtwijzing doof was, of liever, dezelve versmaadde. Het overige onderwijs beantwoordde aan het beschrevene.’ Schaapvent en lutje meid In de negentiende eeuw was het schoolverzuim groot. Kinderenhanden konden bij de drukste perioden op het land niet worden gemist. De hoofdonderwijzer van Ulrum schreef hierover in 1828: ‘In januarij dezes jaars had ik het grootste getal leerlingen: 82 jongens en 40 meisjes … Dit getal bleef tot de maand april, zoodat er toen van tijd tot tijd eenigen terugbleven, welke op het land, of in huis door eenigen arbeid werden bezig gehouden, de eene moest op kleine broeders of zusters passen, omdat de moeder de te velde staande aardappelen van onkruid moesten zuiveren, een ander moest dat werk mede doen. Voorts moesten de korenaren opgezameld worden, zodat het getal kinderen midden in de zomer tot op de helft werd verminderd: dit getal vermeerderd niet, voordat in de herfst de aardappelen zijn opgedolven.’14

B E K L E M D H A RT Een van de slechtste scholen die inspec-

‘Met een beklemd hart bezocht ik de school

bij het lezen op de rustteekens, gaf eenig

teur van onderwijs H. Wijnbeek in 1836

te Schouwerzijl; in een nog bekrompener

onderwijs in het rekenen en in het schrij-

in de provincie Groningen aantrof, was

mede zeer bedompt vertrek, waar het 45tal

ven. Daarentegen was het gezang, hetwelk

die te Schouwerzijl. Na het bezoek aan

kinderen, die er van de 60 aanwezig

in de meeste door mij bezochte scholen van

het schooltje bekroop de Haagse ambte-

waren, niet dan ternaauwernood plaats

dit district bestaat in een jammerlijk

naar zowaar een gevoel van medelijden

vonden, trof ik aan eenen verarmden mees-

schreeuwen, hier zacht en welluidend. Deze

met de ongelukkige meester aldaar.

ter, vermagerd en met schamele kleederen.

ongelukkige heet O. Jelters. Te Warfhuizen

Wijnbeek noemt deze in zijn rapport

Zijn geheele inkomen bedroeg niet veel

was het wel niet zoo slecht met het onder-

‘O. Jelters’, maar het betreft hier Onne

meer dan fl 100,- in ’t jaar. Het is geenszins

wijs gesteld als te Schouwerzijl; op hetzelve

Jans Jeltes (1805-1883), wiens vader als

te verwonderen, dat hij den lust voor zijn

was nogtans niet veel roem te dragen, even-

onderwijzer te Zuurdijk stond. Wijn-

beroep had verloren. Hij volgde nog de

min als op het schoolvertrek, hetwelk alsme-

beeks relaas:

oude spelmethode, leerde geen acht geven

de donker en bekrompen was.’

naar school vóór 1857

17


• HHC Hoofdstuk 1.qxp

30-09-2008

14:46

Pagina 18

Om deze reden werden op heel wat plaatsen winterscholen gesticht, waar les werd gegeven van 1 november tot Pasen, dus buiten het oogstseizoen om. Aan het schoolverzuim was niet veel te doen. Soms trachtten gemeenten dit wel. In 1839 trad bijvoorbeeld in de gemeente Warffum een nieuw schoolreglement in werking. Dat verplichtte ouders en voogden van kinderen van vijf tot twaalf jaar schoolgeld te betalen. De schoolgeldplicht was echter geen leerplicht. In 1853 achtte het gemeentebestuur het ‘hoogst noodzakelijk’ dat het schoolgaan van kinderen van behoeftigen werd bevorderd. In de drie wintermaanden werd aan hen op school dan ook tweemaal daags een ‘goede boterham’ verstrekt.15 Voor veel jongens uit arbeidersgezinnen was de schooltijd in hun twaalfde levensjaar voorbij. Ze gingen het huis uit om bij de boer te werken als ‘schaapvent’ of ‘lutje knecht’. Zodra ze wat sterker werden, kregen ze daar ook zwaarder werk. Meisjes werden aan het werk gezet als ‘lutje meid’, een niet gemakkelijke betrekking. De dag begon voor hen ’s morgens om vijf uur als de schapen moesten worden gemolken. Daarna werd de haard geschuurd, waarna deze werd ontstoken. Vervolgens konden de kinderen van de boer gewekt. Na het ontbijt wachtte het huishoudelijk werk. Als het middageten was gedaan, moesten de schapen opnieuw worden gemolken en de haard geschuurd. Wat er nog restte van de middag, werd gevuld met brei- en naaiwerk, of werken in de moestuin. Na het avondeten moesten de schapen voor de derde maal worden gemolken. Franse scholen en ‘élèves’ Verder leren was dus voor weinigen weggelegd. Voor wie wel aanvullend onderwijs wilde genieten – vooral in de moderne talen – , bestonden er de ‘Franse scholen’. Onder deze naam gingen heel wat verschillende particuliere opleidingen schuil. Op de ‘echte’ Franse scholen werd in de Franse taal les gegeven. Op de ‘Franse en Duitse school’ was de voertaal Nederlands. Op beide schooltypen werden ook andere vakken gegeven, bijvoorbeeld rekenen en boekhouden. Het aanbod was echter sterk afhankelijk van de capaciteiten van de schoolhouder.16 Franse scholen waren in de provincie Groningen doorgaans in de wat grotere plaatsen te vinden, zoals in de Stad, Appingedam, Hoogezand en Veendam. Ook in – of all places – Warfhuizen was in de negentiende eeuw, waarschijnlijk kortstondig, een school voor moderne talen gevestigd. Deze werd in 1836 bezocht door onderwijsinspecteur Wijnbeek: ‘Eindelijk werd door mij in dit district bezocht eene Fransche, Engelsche en Hoogduitsche school te Warffhuizen. Er waren niet meer dan 10 kinderen. Het Engelsch en Hoogduitsch was van geringe beteekenis. Het Fransch werd niet zeer bevallig uitgesproken. Doch de uitspraak dier taal in deze provincie is meestal gebrekkig; de Groningsche tongval schijnt hinderlijk te zijn aan de zuiverheid derzelve.’ De meeste kinderen leerden hun vaardigheden echter in de praktijk. Boerenzoons gingen soms een tijdlang in de leer of kost bij een familielid of een gerespecteerde landbouwer om daar voorbereid te worden op een zelfstandig

18

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 1.qxp

30-09-2008

14:46

Pagina 19

bestaan. Daarbij hoorde vaak ook enig onderricht in rekenen en andere vakken. Zij werden wel aangeduid als ‘élèves’. Hoe wijdverbreid dit gebruik was, is niet bekend. Voorbeelden van élèves zijn Bronno Luies Dijkhuis en Geert Reinders. Dijkhuis woonde vijf jaar in bij zijn zwager Marten Aedsges Teenstra in diens boerderij te Zuurdijk. Later had Dijkhuis zelf een boerderij, Onrust bij Hornhuizen, en werd een van de voornaamste landbouwers in de Marne.17 Geert Reinders was in de jaren 1805-1806 als leerling in de kost bij Douwe Martens Teenstra, een zoon van Marten Aedsges, op het Ruigezand. Reinders, een kleinzoon van de gelijknamige uitvinder van een vaccin tegen de veepest, zou later landbouwer worden op de boerderij Groot Zeewijk in de Noordpolder bij Warffum. Als lid van de Tweede Kamer zou hij in de jaren 1860 bovendien een belangrijke bijdrage leveren aan de oprichting van de Warffumer Rijks hbs.18 Nut

Jacobus Albertus Uilkens (1772-1825). Het portret is opgenomen als illustratie bij het eerste deel van Uilkens’ boek De volmaaktheden van den Schepper (1801).

Daarnaast had de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (in de volksmond: ’t Nut) grote invloed op de ontwikkeling en vorming van de plattelandsbevolking. Leidende figuur in het in 1800 opgerichte departement de Marne (later: Eenrum) van het Nut was Jacobus Albertus Uilkens, sinds 1799 hervormd predikant in Eenrum.19 Uilkens gaf al vanaf zijn aantreden op de zondagavond lessen in natuurkunde. ‘Met nuttig gevolg houd ik, namelijk, mijn gemeente des zondags avonds een uur bezig met de beschouwingen der Natuur’, schreef Uilkens hierover in 1801 in het voorwoord van zijn boek De volmaaktheden van den Schepper. Dit onderricht werd aan het begin van de negentiende eeuw vervangen door iedere veertien dagen gegeven lessen in proefondervindelijke natuurkunde. Deze bijeenkomsten vonden plaats naast de gewoonlijke maandelijkse Nutsavonden. Leden waren vooral grote boeren en dorpsonderwijzers; de laatsten werd een honorair lidmaatschap aangeboden, zodat ze de bijeenkomsten kosteloos konden bijwonen.

Vogelvlucht van Eenrum, met in het midden van de opname de kerk waar Uilkens van 1799 tot 1815 op de kansel stond. Achter op de originele foto staat: ‘Geschonken door twee Duitse ballonvaarders, die opstegen in Munster en landden op de landerijen van P. van Hoorn, 1928.’

naar school vóór 1857

19


• HHC Hoofdstuk 1.qxp

30-09-2008

14:46

Pagina 20

Voor boeren en boerenzoons organiseerde Uilkens, zoals het in 1811 in een advertentie in de Ommelander Courant heette, ‘natuurkundige les en onderlinge huishoudkundige oefening’. Zijn toehoorders bracht hij hierin op de hoogte van de meest recente landbouwkundige ontwikkelingen, waarover in Duitse en Franse periodieken artikelen waren verschenen. Uilkens werd in 1815 aangesteld als hoogleraar Landhuishoudkunde aan de Groninger academie. Bij zijn overlijden tien jaar later, maakte collega-hoogleraar Sibrandus Stratingh in diens gedachtenisrede gewag van Uilkens’ lessen in Eenrum: ‘Wat wonder! dat hij zijne vrienden, zijne naburen en dus zijne landlieden tot zich trok, die, als verbaasd over de kracht zijner wetenschap en de heerlijke verschijnsels, die hij hun aanbood, met ijver zijne lessen aanbood.’20 De aanstelling van Uilkens in 1815 als hoogleraar en zijn vertrek naar Groningen betekenden geen einde aan zijn bemoeienissen met De Marne. In datzelfde jaar werd hij door baron G.W. van Imhoff, de gouverneur van de provincie Groningen, geïnstalleerd als lid van de Provinciale Commissie van Onderwijs. Commissies als deze waren in het leven geroepen met een tweeledige taak: de leden hielden toezicht op het onderwijs en de verbetering daarvan, daarnaast namen ze de onderwijzers examen af. Als inspecteur kreeg Uilkens de dorpen van het kanton Onderdendam, waar ook Eenrum tot behoorde, toegewezen. Als commissielid nam hij examens af in alle vakken, waaronder ‘opleiding tot christelijke deugdbetrachting’ en de theorie van straffen en belonen. Dat laatste onderwerp had bijzondere aandacht: het gebruik van de plak, een houten spaan waarmee leerlingen in geval van overtreding door de onderwijzer werden geslagen, werd door de commissie uitgebannen. Met twee medeleden ontwierp Uilkens een diploma, waarmee ijverige leerlingen juist werden beloond.21

n ot e n 1 Hofstee, Het Oldambt, 196. 2 Honderd jaar plattelandsleven, 512. 3 P.Th.F.M. Boekholt, De onderwijsenquête van 1799. Overzicht van de toestand van scholen en onderwijs in Nederland (Paterswolde 2006). 4 Bottema, Naar school, 180. 5 Idem, 99, 188. 6 Idem, 188. 7 J.G. Rijkens, ‘Formula’. 8 Bottema, Naar school, 25. 9 Idem, 25. 10 Idem, 30. 11 Jonker, ‘Jan G. Rijkens’. 12 Nationaal Archief, Archief van Binnenlandse Zaken, Vde Afdeling, 4-3-1837 no. 79. 13 Duinkerken, Eenrum, 157. 14 Groninger Archieven, Schoolmeesterrapporten 1828 in typoscript: Ulrum. 15 Duinkerken e.a., De historie, 140. 16 Boekholt en De Booy, Geschiedenis van de school, 49-50. 17 Botke, Boer en heer, 108-109. 18 Idem, 227-229. 19 Over Uilkens: IJ. Botke, Jacobus Albertus Uilkens 1772-1825. Predikant te Lellens en Eenrum. Hoogleraar in de Landhuishoudkunde te Groningen (Groningen 1984). 20 S. Stratingh Ezn., Redevoering. 21 Botke, Jacobus Albertus Uilkens, 33-34.

20

het hogeland college


• HHC Fotokatern A

30-09-2008

14:34

Pagina 21

gebouwen

Het nieuwe gebouw van lhno ‘De Wieken’ in Wehe-den Hoorn, omstreeks 1975.

Herinneringen aan de schooltijd zijn onlosmakelijk verbonden met de locatie waar die werd doorgebracht: het schoolgebouw. Zowel de gebouwen zelf, als meer onbewuste indrukken blijven in het geheugen: de geur van schoonmaak en vloerwas op de eerste dag na de zomervakantie, het geluid van de schoolbel, het gedrang op gangen of trappen.Vanzelfsprekend heeft geen generatie dezelfde herinneringen. Verbouwingen veranderen met regelmaat het aanzien van binnen- of buitenkant van de school. Ingrijpender zijn nog de nieuwbouw en verhuizingen. Van de zeven scholen die opgingen in het Hogeland College, is het gebouw van de voormalige lts van Wehe-den Hoorn nog het enige dat in gebruik is sinds de oprichting daarvan.


• HHC Fotokatern A

30-09-2008

14:34

Pagina 22

Gezicht op de kerk van Eenrum, omstreeks 1905, met rechts de lagere school en mulo. Hoewel de school openbaar was, bestond er tot ver in de negentiende eeuw een nauwe band met de hervormde kerk. Het pand, dat in 1915 nog met een verdieping werd verhoogd, was tot 1961 in gebruik als school.

Het gebouw van de mulo aan de J.J. Willingestraat in Eenrum, 1961.

Lokaal 6 in de Eenrumer mavo, waar Nederlands werd gegeven. Aan de linkerzijde is de helft van de uitleenbibliotheek met Nederlandse boeken zichtbaar. De foto werd gemaakt in 1981.

22

het hogeland college


• HHC Fotokatern A

30-09-2008

14:34

Pagina 23

˚ Het gebouw van de lts in Wehe-den Hoorn, medio jaren ’50. In 1993 werden hierin ook de lhno en de mavo van Eenrum ondergebracht.

¯ Het sportveld bij de technische school aan de Mernaweg.

gebouwen

23


• HHC Fotokatern A

30-09-2008

14:34

Pagina 24

Het sportveld van de hbs in Warffum, gefotografeerd tijdens een sportdag in 1961. Het gymnastiekgebouw op de foto links kwam tot stand in 1925. In de jaren daarvoor werd er, bij gebrek aan een geschikt onderkomen, aan de school geen lichamelijke opvoeding gegeven. Directeur Van Zijl merkte daarover eens op, dat in deze periode het hbs-diploma vanwege het ontbreken van een cijfer voor dit vak, officieel niet verstrekt had mogen worden.

24

het hogeland college


• HHC Fotokatern A

30-09-2008

14:34

Pagina 25

¯ Het hbs-gebouw, medio jaren zestig. Het onderkomen was in de laatste jaren van het gebruik als school zwaar verouderd. Bij de laatste grootschalige verbouwing, begin jaren vijftig, was onder andere de ouderwetse verwarming niet aangepakt: conciërge Venhuizen stond gedurende het najaar en de winter voor de moeilijke taak 22 cokeskachels brandend te houden…

˙ De nieuwbouw van de hbs aan de A.G. Bellstraat, gefotografeerd in 1967, het jaar van de ingebruikneming. Het beeld van J. Sterenberg, voorstellend een vlucht uitvliegende vogels, is nog niet geplaatst. De sokkel daarvoor is wel al opgericht.

gebouwen

25


• HHC Fotokatern A

30-09-2008

14:34

Pagina 26

˚ De lts aan de Havendwarsweg in Uithuizen, begin jaren ’60. In het gebouw zijn tegenwoordig appartementen en een gezondheids- en zorgcentrum gevestigd. Ten behoeve van de nieuwbouw van appartementen wordt de rechtervleugel van de voormalige school afgebroken.

¯ De fietsenstalling van het nieuwe gebouw van lhno ‘De Wieken’ werd in het openingsjaar 1972 al getroffen door de zware storm van 13 november.

26

het hogeland college


• HHC Fotokatern A

30-09-2008

14:34

˚ Uitnodiging voor de opening van het nieuwe gebouw van de mavo in Uithuizen. Tijdens de openingsplechtigheid ontstond enige ‘beroering’ toen bekend werd dat er van gemeentewege geen alcoholische dranken werden geschonken, omdat de meeste genodigden met de auto arriveerden. Burgemeester Brinkman verzekerde de aanwezigen echter dat hiermee geen precedent werd geschapen.

Pagina 27

˚ Het gebouw van de Alberda-school in Uithuizen, 1975.

˙ De lhno in Warffum kon in 1983 een nieuwe dependance op het Op Roakeldaisterrein in gebruik nemen. De opening werd verricht door inspectrice Jongsma; zij gebruikte daarvoor een sleutel, opgeploegd door R. Veltman. Dit ritueel hield verband met de nieuwe naam van de school: ‘De Valge’, een Groningse aanduiding voor bouwland.

gebouwen

˙ De voor de opening door conciërge Geert Coopman vervaardigde sleutel.

27


• HHC Fotokatern A

30-09-2008

14:34

Pagina 28

In de nieuwe dependance van de lhno in Warffum was onder andere de afdeling Verkooppraktijk ondergebracht. Deze werd geoutilleerd door Albert Heijn in Zaandam. De school had in deze tijd zelfs modernere kassa’s dan de supermarkt in het dorp.

Uitbreiding van de administratie in het schoolgebouw in Warffum. Conciërge Geert Coopman verrichtte sloopwerkzaamheden in de krokusvakantie van 1992.

28

het hogeland college


• HHC Fotokatern A

30-09-2008

14:34

Pagina 29

˘ Het praktijkgebouw aan de Bekemalaan in Warffum in aanbouw, 1994. De eerste paal werd op 9 februari van dat jaar geslagen door wethouders Jan Dobma van de gemeente Eemsmond en Remt Meijer van de gemeente De Marne, in een wat verder verleden allebei nog leerling van de hbs in Warffum. Op de middelste foto rechts neemt rector Jan Millekamp, tweede van links, een kijkje op de bouwplaats.

k

¯ Uitnodiging voor de opening van het praktijkgebouw, 1995. Omdat de staatssecretaris verhinderd was, werd de openingshandeling uiteindelijk verricht door gedeputeerde Rita Jansen.

gebouwen

29


• HHC Fotokatern A

30-09-2008

14:34

Pagina 30

De school in Wehe-den Hoorn was vanaf de opening in 1954 in het bezit van een eigen kantine, een luxe die sommige andere scholen – zoals de mulo in Uithuizen en de hbs in Warffum, waar kinderen uit de buitendorpen ’s middags aten bij kostgezinnen – niet hadden.

30

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:48

2

Pagina 31

‘Door wetten gezond’, 1857-1920

‘De maatschappij wordt door de wetten gezond. De vrijheid schiet wort’len, de welvaart vermeert, De kunst tot vooruitgang wordt beter geleerd. (…) De landbouw, nog eens, neemt een hoogere vlucht, Onze akkers met beter gewassen bevrucht, Ons veeras veredeld, de bodem verrijkt, ’k Voorspel, dat dan Hunsingo ’t Oosten gelijkt; Een Eden in stoffelijke welvaart en bloei’ 1

Bovenstaande woorden die Hendrik Willems Wierda, landbouwer in Winsum en lid van Provinciale Staten, in 1869 schreef, ademen de geest van de tweede helft van de negentiende eeuw. Allereerst is de figuur van Wierda zelf exemplarisch voor deze tijd, die in Groningen bekend staat als de ‘champagnejaren’, een periode waarin het een aantal ‘dikke’ boeren voor de wind ging en zij ook steeds meer politieke macht wisten te verwerven. Als liberale ondernemer-landbouwer-bestuurder geloofde Wierda in vooruitgang van de maatschappij (‘door wetten gezond’), als de mensen daarvoor maar de mogelijkheden werden geboden. Met ‘vooruitgang’ bedoelde hij voornamelijk materiële welvaart. Het was geen streven, of zelfs vanzelfsprekendheid, dat deze zich uit diende te strekken over alle lagen van de bevolking. De negentiendeeeuwse samenleving was een standenmaatschappij, en op deze wijze was ook het onderwijs ingericht. Twee onderwijswetten zijn voor deze periode van belang: de Wet op het lager onderwijs van 1857 en die op het middelbaar onderwijs van 1863. Basis voor de wetgeving was de veranderende vraag die de maatschappij, en dan vooral de economie, stelde aan het onderwijs. Omdat handel, nijverheid en industrie steeds belangrijker werden, lag enerzijds, wat het nieuwe schooltype mulo (1857) betrof, de nadruk op het onderwijs in moderne talen en rekenen/wiskunde. Anderzijds stonden op de nieuwe hbs (1863) de vakken wis-, schei- en natuurkunde centraal. Het bieden van scholing aan brede bevolkingslagen was vooralsnog geen kwestie voor de wetgever, evenmin als het creëren van doorstroommogelijkheden tussen de verschillende schooltypen. Dat werd gezien als een gegeven of een individuele verantwoordelijkheid, waarin voor de staat geen rol was weggelegd.

‘ d o o r w e t t e n g e z o n d ’, 1 8 5 7 - 1 9 2 0

31


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:48

Pagina 32

Lager onderwijs De Wet op het lager onderwijs van 1857 regelde zowel de inhoud als de organisatie van het onderwijs. Naast de bestaande vakken op de lagere school – lezen, schrijven, Nederlandse taal en rekenen – werden geschiedenis, aardrijkskunde, kennis der natuur, ‘vormleer’ (meetkunde) en zingen onderwezen. Daarnaast mochten nog zonder verplichting worden gegeven: moderne talen, wiskunde (algebra en meetkunde), tekenen, landbouwkunde, gymnastiek en handwerken voor meisjes. Scholen die één of meer van deze laatste vakken aanboden, werden gerekend tot meer uitgebreid lager onderwijs. Dit schooltype overlapte, omdat hier ook moderne talen werden onderwezen, deels de Franse school. Ook kwamen er in 1857 verbeteringen in de opleiding en werkomstandigheden van onderwijzers. Van de oude rangen bleven die van hoofd- en hulponderwijzer over. Verder mochten onder toezicht kwekelingen lesgeven. Voor de onderwijzers werden minimumsalarissen vastgesteld, evenals een pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar. Door de invoering van het vak handwerken deden voor het eerst vrouwen officieel hun intrede voor de klas. Het onderwijzend personeel werd voortaan opgeleid aan kweekscholen, of volgde ‘normaallessen’ aan een aantal ‘voortreffelijke scholen’ om lesbevoegd te worden. Hulponderwijzers moesten een examen afleggen in alle lagere schoolvakken; de hoofdonderwijzers eveneens, maar hun kennis werd uitgebreider en grondiger getoetst. Niet alleen gedegen vakkennis was een voorwaarde, maar ook aan pedagogische vaardigheden werden eisen gesteld. Een punt dat de wet van 1857 liet liggen, was de bevordering van het schoolbezoek. Pas een volgende Wet op het lager onderwijs, die van 1878, stelde dit aan de orde – door kinderen van met armenzorg bedeelde ouders te verplichten lager onderwijs te volgen - maar van een algemene leerplicht was hierin nog geen sprake. In 1874 was weliswaar het ‘Kinderwetje’ van Van Houten aangenomen, waarmee kinderarbeid werd verboden, maar de inzet van kinderen bij landbouwwerkzaamheden was hiervan nadrukkelijk uitgesloten. In 1952 spraken de dames van de Vereniging van Huisvrouwen van Eenrum, Pieterburen en Westernieland een hoogbejaarde vrouw. Haar relaas zal geen uitzondering zijn geweest: ‘Niet alleen de man maar ook de vrouw werkte zowel ’s winters als ’s zomers veel op de boerderij. In het gezin moest het meisje van 8 jaar reeds algemeen op de broertjes en zusjes passen. Van het schoolgaan kwam uiterst weinig. Een nu 101-jarige vertelt hoe zij slechts een aantal jaren naar school is geweest en door de grote tussenpozen, niet verder kwam dan streepjes maken.’2 Pas in 1900 werd leerplicht voor kinderen van zeven tot dertien jaar ingevoerd. De wet stond maximaal zes vrije weken per jaar toe, ‘ten behoeve van landbouw, tuinbouw, boschbouw, veehouderij of veenderij.’ Deze vrije periode heette in de volksmond ‘landbouwverlof’, of meer prozaïsch ‘eerdappelkrabersvekansie’. Meer uitgebreid Het meer uitgebreid lager onderwijs heeft zoals hierboven al is genoemd zijn oorsprong in de Wet op het lager onderwijs van 1857. Deze wettelijke basis heeft het maar korte tijd gehad; in een volgende wet van 1878 werd dit type onderwijs

32

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:48

Pagina 33

Willem Carel Antoon Alberda van Ekenstein (1825-1903), schoolopziener, lid van de Groninger gemeenteraad en inspecteur van de jacht en visserij in de provincie. Alberda bewoonde het landgoed Ekenstein bij Tjamsweer dat hij in 1870 liet verbouwen tot het huidige gotische kasteeltje.

niet meer genoemd. Deels ervoor in de plaats kwam het herhalingsonderwijs. Daar werd niet alleen het op de lagere school geleerde herhaald – soms in de avonduren – , maar dit werd ook aangevuld met lessen in de vakken die in 1857 aan het mulo waren toevertrouwd. Ondanks dat bleef de term mulo in het spraakgebruik sindsdien gehandhaafd voor alle extra onderwijs in het verlengde van de lagere school. Twee van de scholen die zijn opgegaan in het huidige Hogeland College, hebben hun oorsprong in het meer uitgebreid lager onderwijs: de voormalige mavo’s van Eenrum en Uithuizen. Doorgaans wordt als startjaar van de ulo in Eenrum 1878 genomen, hoewel voordien aan de lagere scholen van Eenrum en Pieterburen ook al uitgebreid lager onderwijs werd gegeven. In 1878 begonnen de

Gedenksteen afkomstig uit de openbare lagere school en mulo aan de Schoolstraat in Uithuizen. De steen verhuisde in 1964 mee, toen de school naar nieuwbouw aan de J. Cohenstraat vertrok. De naam van schoolopziener Alberda werd toen aan de mulo verbonden.

‘ d o o r w e t t e n g e z o n d ’, 1 8 5 7 - 1 9 2 0

33


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:48

Pagina 34

De openbare lagere school aan de Hereweg in Eenrum, gebouwd in 1874. Een ansichtkaart van omstreeks 1910.

De openbare lagere school en mulo van Eenrum, in 1915 uitgebreid met een bovenverdieping. De drie jongens zijn, van links naar rechts: J. Faber, Bart Vennema en Japie Benninga..

gesprekken tussen de gemeente en R. Bos ‘betreffende de oprichting eener school voor uitgebreid lager onderwijs te Eenrum.’ Het initiatief bleek een valse start: de gemeente en Bos konden het over de honorering van de laatste niet eens worden. Op 12 april 1879 stond op de agenda voor de raadsvergadering ‘het verzoek van den heer Bos houdende verzoek zoodanige wijziging in zijne betrekking te maken, dat hij billijke redenen vinde om zijn tegenwoordige betrekking te continueren.’ Het agendapunt bleef echter buiten behandeling, op verzoek van Bos. Die besloot kennelijk zijn heil elders te zoeken, want in diezelfde vergadering viel wel het besluit om sollicitanten voor de functie op te roepen. Uitkomst daarvan was de aanstelling op 9 mei 1879 van Hoiko Rietmeijer, tot dan toe hulponderwijzer te Deventer, als hoofd van de school voor uitgebreid lager onderwijs. De lessen werden gegeven in de in 1874 tot stand gekomen nieuwe lagere school aan de Hereweg.3

34

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:48

‘Men vertrouwt dat deze niet geringe geldelijke opoffering der gemeente veel zal bijdragen tot meerdere ontwikkeling der alhier zoo talrijke jeugd’. (Gemeenteverslag Uithuizen, 1865).

Pagina 35

In Uithuizen werd de aanzet tot het uitgebreid lager onderwijs onbedoeld gegeven door een toevallige passant. In 1862 vestigde zich de schoolhouder Wiard Heikes Ellerbroek in het dorp. Ellerbroek, afkomstig uit de omgeving van Hannover, verdiende de kost met het geven van particuliere lessen, waaronder vanzelfsprekend Duits. Waarschijnlijk belandde hij via Loppersum in Uithuizen. Lang hield hij het daar niet vol: in 1864 vertrok hij met onbekende bestemming. Blijkbaar werd na zijn vertrek toch een gemis aan onderwijs na de lagere school gevoeld. De hervormde predikant van Uithuizen M.J. Adriani stelde dat jaar voor ‘om pogingen te doen, ten einde eene inrichting van uitgebreid lager onderwijs in deze gemeente tot stand te brengen.’ Het voorstel leidde tot de oprichting van een commissie, onder voorzitterschap van Adriani, die de zaak – nader gemotiveerd – onder de aandacht van het gemeentebestuur zou brengen. De gemeenteraad van Uithuizen boog zich op 1 februari 1865 over het advies van Adriani en consorten. Op onverdeelde steun kon het daar niet rekenen. Uiteraard speelden de extra kosten van het onderwijs daarbij een grote rol. Toch werd het advies – met één stem tegen – aangehouden. Opnieuw zou een commissie, bestaande uit de heren A. Nanninga (oud-wethouder), B.W. Siemens (medicinae doctor) en R. Dojes (wethouder), de kwestie onderzoeken. Hun rapportage was enkele maanden later gereed. Ook zij waren heel voorzichtig. Er werd geadviseerd ‘te wachten tot tijd en wijle dat er eene lijst worde aangeboden van een aantal belanghebbenden, welke hunne kinderen of pupillen gedurende vier achtereenvolgende jaren het bedoelde middelbaar onderwijs willen doen genieten.’ Blijkbaar viel dit onderzoek gunstig uit. Tijdens een raadsvergadering in februari 1866 werd een besluit van Gedeputeerde Staten voorgelezen met daarin de toestemming om ‘aan de openbare School alhier ook meer uitgebreid lager onderwijs te doen onderwijzen. ’ Op nieuwjaarsdag 1867 gingen de lessen van start. Deze werden gegeven door de heren Engel Roelfs Zuidema, hoofd van de oude kerspelschool aan de Hoofdstraat, en Egbertus Bernard Mulder, als hoofd verbonden aan de – eveneens in 1867 – gestichte school aan de Spuitstraat. Zuidema werd in 1867 het eerste hoofd van de mulo; in 1872 werd hij opgevolgd door collega Mulder. Het meer uitgebreid lager onderwijs bestond uit lessen Frans, Duits, wiskunde (algebra en meetkunde) en tekenen. In de lessentabel werd rekening gehouden met de herkomst van de kinderen; om de school te kunnen bereiken, moesten immers dikwijls aanzienlijke afstanden te voet worden afgelegd. De Franse les was daarom gesplitst in twee lestijden: ’s morgens van 11 tot 12 voor leerlingen uit het buitengebied, en ’s middags van 5 tot 6 voor kinderen uit de dorpskern. Ook op zaterdag werd schoolgegaan: de lessen vonden van 9 tot 11 uur ’s ochtends plaats. Waarschijnlijk werd alle onderwijs in beide schoolgebouwen gegeven. Pas in 1885 werd alle lager onderwijs, inclusief mulo, geconcentreerd in een nieuw onderkomen aan de Schoolstraat. De gedenkplaat uit dit gebouw is tegenwoordig te vinden in de hal van de vestiging Uithuizen van Het Hogeland College. De mulo kwam in 1896 op eigen benen te staan, toen aan de Stationsstraat een eigen gebouw met onderwijzerswoning werd gebouwd. Aan deze situatie kwam tien jaar later een eind, toen de gemeente het gebouw aan de Stationsstraat verkocht en de mulo weer haar intrek nam in het gebouw aan de Schoolstraat.

‘ d o o r w e t t e n g e z o n d ’, 1 8 5 7 - 1 9 2 0

35


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:48

Pagina 36

Hogere Burgerschool Vóór 1863 was er in Nederland met betrekking tot het middelbaar onderwijs niets van overheidswege geregeld, al waren verscheidene pogingen daartoe gedaan. Tussen het lager en hoger onderwijs – waartoe de Latijnse scholen, gymnasia en universiteiten behoorden – werd alles vrij overgelaten aan het particulier initiatief. Het hoger onderwijs leidde echter voornamelijk op voor de geleerde stand. De in de tweede helft van de negentiende eeuw snel veranderende maatschappij begon echter andere eisen te stellen. Door de voortschrijdende industrialisatie was er grote behoefte ontstaan aan natuurwetenschappers en mensen die thuis waren in de moderne talen en economische vakken. Minister Jan Rudolf Thorbecke gaf daarom in 1862 aanzet tot de regulering van het middelbaar onderwijs. Op 2 mei 1863 werd de Wet op het middelbaar onderwijs aangenomen. Deze wet voorzag in landbouwscholen, de polytechnische school voor ingenieurs in Delft en de vorming van een nieuw schooltype, dat zowel industrie, handel als ambtenarij zou moeten dienen: de hogere burgerschool (hbs). De hbs kende twee vormen: een met een cursusduur van vijf jaar, en een met een driejarige duur. Het Rijk zou een actieve rol gaan spelen in het van de grond tillen van het nieuwe schooltype. Thorbecke was voornemens om vijf hbs’en met een vijfjarige, en tien scholen met een driejarige cursus te stichten ‘op de meest gelegene punten’. Achterliggende gedachte was de verwachting dat als de gemeenten deze onderwijsvorm eenmaal hadden leren kennen, ze vanzelf over zouden gaan tot het stichten van gemeentelijke hbs’en. Het aantal beoogde rijksscholen werd echter al snel overschreden: in 1870 waren dat er al zeventien. Overal in het land was de animo om een hbs te stichten groot. Zo ook in de provincie Groningen. Al in juni 1863 ontving het Ministerie van Binnenlandse Zaken een brief van Gedeputeerde Staten van Groningen, ‘houdende het verzoek dat in de gemeenten Groningen en Winschoten eene der op te rigten Rijks hoogere burgerscholen te mogen vestigen.’4 Het verzoek werd ten dele gehonoreerd. De Rijks hbs in de stad Groningen was de eerste waaromtrent het besluit tot oprichting viel; de school werd in 1864 geopend. Winschoten moest daarentegen tot 1879 wachten. Warffum: eene nijvere kleine plaats

Geert Reinders (1790-1869), geschilderd door een anonieme kunstenaar.

36

Opmerkelijk is, dat vanuit Warffum – niet bepaald één van ‘meest gelegene punten’ die Thorbecke op het oog had – pogingen werden ondernomen om een hbs binnen de gemeentegrenzen te krijgen. Drijvende kracht achter deze actie was wethouder Cornelis Reinders (1820-1878), landbouwer op Groot Zeewijk in de Noordpolder. Reinders had daarbij steun van zijn vader Geert (1790-1869), lid van de Tweede Kamer en vriend en volgeling van Thorbecke. Wethouder Reinders bracht zijn voorstel tot oprichting van een hbs met driejarige cursus in Warffum voor het eerst ter sprake in de gemeenteraad op 12 januari 1865. Aanvankelijk leken de raadsleden geen groot voorstander van het plan; na een levendige discussie staakten de stemmen. De volgende middag bracht Reinders zijn voorstel opnieuw ter tafel. Dit maal werd het aangenomen en ging een voorstel richting Den Haag.

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:48

Pagina 37

Een antwoord was er binnen een week, zij het teleurstellend. De minister liet weten ‘dat hij niet genegen is het verzoek in te willigen’. Op dat moment kwam het kamerlid Reinders in actie. Deze had blijkbaar al eerder met de eerste minister van gedachten gewisseld over een school in Noord-Groningen. Onder de aanhef ‘Oud vriend!’ schreef hij op 11 januari 1865 aan Reinders: ‘Gaarne kom ik tegemoet aan het verlangen van gemeenten als de uwe, die wenschen wat nuttig is. Doch ik mag niet uit het oog verliezen dat Warffum, – hoewel het eene nijvere kleine plaats is – wegens haar gering bevolkingscijfer minder dan vele andere gemeenten in aanmerking komt voor eene der Rijksscholen. (…) Eene andere vraag zou het worden, wanneer het gemeentebestuur van Warffum zelf eene hoogere burgerschool wilde oprigten; dan zal ik gaarne de mogelijkheid van een Rijkssubsidie in overweging nemen.’5

De boerderij Groot Zeewijk in de Noordpolder bij Warffum. Geert Reinders (17901869), die als Kamerlid een belangrijke rol speelde bij de oprichting van de Warffumer Rijks hbs, kocht de boerderij in 1815, vier jaar na het bedijken van de polder.

Geleidelijk kwam Thorbecke terug op zijn weigering. Waarschijnlijk was Reinders sr. hierop van grote invloed. De minister had al vaker op diens oordeel gevaren, zoals bij de benoeming van burgemeesters, en het is ook niet overdreven om te stellen dat de relatie Groningen-Den Haag nooit beter is geweest dan in deze periode.6 In een volgend schrijven opperde Thorbecke al de mogelijkheid dat het gemeentebestuur van Warffum contact zou zoeken met de omliggende gemeenten om een gemeenschappelijke school te stichten. In Warffum zag men hierin

‘ d o o r w e t t e n g e z o n d ’, 1 8 5 7 - 1 9 2 0

37


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

38

30-09-2008

14:48

Pagina 38

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:48

Pagina 39

¯ Gedenkblad vervaardigd voor P.F.L. Plaat, burgemeester van Warffum en Usquert, ter gelegenheid van diens 25-jarig jubileum ambtsjubileum in 1877. Linksboven is het gebouw van de hbs afgebeeld. De prent werd getekend door K. Bes, als tekenleraar aan deze school werkzaam. Het schoolgebouw heeft hier nog geen verdieping. De voorgevel wordt, helaas niet goed zichtbaar, bekroond met een beeld van Pallas Athena, de Griekse godin van onder andere de wijsheid en de kunst.

˘ De hbs omstreeks 1903. De kaart werd uitgegeven door J. Kat, de boekhandel waar de meeste hbs-leerlingen ook hun lesboeken en schrijfbenodigdheden kochten.

weinig heil: over de plaats van vestiging zouden ze het onderling nooit eens kunnen worden. De minister reageerde daarop met de mededeling dat hij niet ongenegen was om het oorspronkelijke verzoek in te willigen, indien er een uitgewerkt plan op tafel zou liggen. B en W lieten dit vervolgens opstellen; in de raadsvergadering van 16 oktober 1865 werd het goedgekeurd en aansluitend opgezonden naar Den Haag. Op voorhand werd al een stuk bouwgrond aangekocht. Na maanden van stilte kwam er op 8 februari 1866 het bericht dat bij Koninklijk Besluit van die datum was bepaald dat Warffum werd vergund een driejarige hbs op te richten, op voorwaarden nog door de minister te stellen. Thorbecke schreef van te voren in zijn memorie van toelichting aan koning Willem III: ‘De provincie Groningen telt dusverre nog slechts eene hoogere burgerschool, die in de hoofdplaats. Toch is degelijk middelbaar onderwijs voor de zonen der welvarende Groningsche landbouwers elders in die provincie behoefte. Warffum, het middelpunt eener bevolking van omstreeks 8000 zielen binnen eenen omtrek van twee uren gaans, schijnt zich voor eene Rijksschool aan te bevelen; later wellicht ook met landbouwonderwijs in verband te brengen.’7 Na correspondentie over de inrichting van de lessen en de uitvoering van het gebouw, kon in de zomer van 1867 de eerste steen worden gelegd. De eer hiervan werd gegund aan het kamerlid Reinders. Op 2 oktober 1868 kon de school worden geopend. De inspecteur voor het middelbaar onderwijs had een bescheiden evenement voor ogen, een ‘kort hartelijk woord’ gericht tot de leerlingen was in zijn ogen afdoende, maar minister Thorbecker dacht aan een grootser evenement. Hij droeg de Warffumer raad op een openingsfeest te organiseren. Dit vond plaats op 2 oktober: de directeur en docenten dineerden, de lagere schoolkinderen vierden feest en aan het einde van de dag was er een – bescheiden – vuurwerk voor de Warffumer bevolking. Op dinsdag 6 oktober begonnen de eerste lessen voor de 32 leerlingen die zich hadden ingeschreven.

‘ d o o r w e t t e n g e z o n d ’, 1 8 5 7 - 1 9 2 0

39


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:48

Pagina 40

Vreemde heren

‘… wij zullen nog lang zuchten onder de dwaasheid van Thorbecke, die daar een school stichtte.’ (Brief van onderwijsinspecteur dr. Steyn Parvé aan R. Rijkens, naar aanleiding van een moeilijk vervulbare vacature in Warffum).

40

De nieuwe school moest natuurlijk worden bemand. Bij invoering van de wet in 1863 was bepaald aan welke voorwaarden de docenten aan de hbs moesten voldoen. Allereerst waren dit kandidaten, doctorandi en doctoren in de wis- en natuurkunde. Zij mochten vakken onderwijzen die verwant waren aan hun studie. Naast wis-, natuur- en scheikunde waren dat kosmografie en plant- en dierkunde. Kandidaten mochten overigens alleen doceren aan een driejarige hbs. Die beperking gold niet voor iemand met een graad in de letteren; zij mochten Nederlands, aardrijkskunde en geschiedenis geven. Tot het doceren van staatswetenschappen waren juristen bevoegd. In 1864 werd daarnaast een systeem van middelbare onderwijsakten ingevoerd. Hierin kwam ook het onderscheid tussen beide hbs-typen tot uitdrukking: een akte B kon alleen worden gehaald door diegenen die reeds een akte A bezaten. Lesgeven op een vijfjarige hbs kon alleen met een akte B. Als eerste docenten aan hbs van Warffum werden benoemd G. Reinders (natuur- en scheikunde, plant- en dierkunde), P.G. Luitjes (Nederlands en Hoogduits) en W.J. van Goor (Frans en Wiskunde). Zij waren aanwezig op de eerste lerarenvergadering op 5 oktober 1868. Later dat jaar volgden nog F.F. Milatz (gymnastiek en schoonschrijven) en J. Molenaar (handtekenen). In 1869 werd mr. W. Janssonius, kantonrechter in Onderdendam, aangesteld als docent staathuishoudkunde. Eerste directeur werd R. Rijkens, afkomstig uit een bekend Groninger onderwijzersgeslacht. Om (snel) veel leraren voor de hbs te kunnen werven, werden deze door Thorbecke rijkelijk beloond. Dat blijkt ook wel uit de salarissen van het Warffumer docentencorps. Rector Rijkens verdiende per jaar 2500 gulden. De eerste lichting docenten ontvingen ieder 1800 gulden. Ter vergelijking: de veldwachter van Warffum moest het doen met 300 gulden per jaar, de gemeentesecretaris met 325. Toch was het verloop onder de docenten groot. Rijkens becijferde in 1893, bij het vijfentwintigjarig bestaan van de school, dat er 43 leraren aan de hbs verbonden waren geweest. Daarvan hadden 33 Warffum verlaten. Veel van hen vertrokken om elders een baan te aanvaarden, doorgaans aan een vijfjarige hbs.8 Een toeloop van ‘vreemde heren’ in een klein dorp als Warffum, bleef natuurlijk niet onbesproken. De roddel kwam op hoger niveau, toen de burgemeester van Warffum in 1871 een brief van Thorbecke zelf ontving naar aanleiding van ‘ongunstige berigten’ die de minister van ‘achtingswaardige personen’ had ontvangen. De minister schreef onder andere: ‘Van den heer Luitjes werd gezegd dat hij geen orde noch tucht in de lessen wist te houden en met de leerlingen krakeelde.’ Om te vervolgen: ‘Daarbij heette huisselijk leven allerongelukkigst [te zijn] en hij vrouw en dochter te mishandelen totdat straatrumoer daaraan een einde maakte.’ Over Van Goor had de minister vernomen dat deze ‘een ongeoorloofd verkeer met zijne dienstmaagd en ook met andere vrouwen hield’. Makkink kwam er relatief gunstig vanaf met de kwalificatie ‘een bemoeial …, die altijd zijn tijd vergat.’ Ter vergoelijking: Thorbecke had ook vernomen dat hij ‘een goed docent [werd] genoemd, een goedhartig en bekwaam mensch.’ Alle betrokken docenten weerspraken echter de aantijgingen, en overlegden de minister goede getuigschriften. Thorbecke wist het dan ook niet meer, en

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:48

Pagina 41

verzocht de burgemeester een onderzoek in te stellen: ‘Voor den naam en de werking der school die ik ijverig bevorderd heb, is het van hoog belang, dat de waarheid aan het licht kome.’ Of dat laatste ooit is gebeurd, is onduidelijk. In het gemeentearchief is niets (meer) van een rapportage te vinden.9 Leerlingen Bij aanvang van het eerste schooljaar, meldden zich 32 leerlingen aan: 26 voor de eerste klas, en zes voor de tweede. Slechts zeven jongens kwamen uit Warffum, de rest uit omringende gemeenten. Vanwege de grote afstand naar de school – tot wel drie uur lopen – gingen sommige leerlingen in Warffum in de kost. Een oud-leerling deed over het reizen in de eerste jaren van het bestaan van de school zijn relaas in het Gedenkboek van 1948: ‘Nagenoeg alle leerlingen die niet in Warffum woonden, of er een kosthuis hadden, moesten loopen. In dit verband wil ik nu nog een eeresaluut brengen aan de jongens uit Pieterburen, die dag in, dag uit, weer of geen weer, hun plusminus 10 km langen weg naar school heen en terug te voet moesten afleggen en niet tegenstaande dit tijdverlies, ook nog presteerden tot de beste leerlingen te behooren. Slechts bij noodweer werden zij per rijtuig naar Den Andel gebracht; daar hield de grintweg op en leidde een voetpad, verderop verbreed tot een wagenpad en voor ’t laatste gedeelte tot een zandweg, verder naar Warffum. Eerst in 1903 werd daarin verbetering gebracht door het aanleggen van een grintweg. Van Usquert werden de leerlingen, bij slecht weer, dikwijls gebracht met den z.g. “mosterdwagen” van den heer Dusseldorp. Van Stitswerd kwam er een te paard. Na de opening van de spoorlijn, werd door de leerlingen uit Baflo en uit het Oosten meer en meer gebruik gemaakt van den trein.’10

De vrouwelijke leerlingen van de hbs in 1893-1894. Van links naar rechts, staand: Marje Boykema, Janneke Sijpkens, Ca Doornbosch, Tietje Prakken, Riekje van Braambeek, Frouwke van Dam en Heiline Doornbos. Zittend: Harmanne Postema, Trui Bruins, Aleide Dijkema, Aagtje Doornbos, Bertha Ellens, Imke Werkma en Jeanette Abbring.

‘ d o o r w e t t e n g e z o n d ’, 1 8 5 7 - 1 9 2 0

41


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:48

Pagina 42

De brief van minister Thorbecke aan directeur Rijkens van de hbs in Warffum, waarin hij aangeeft geen bezwaren te hebben tegen toelating tot de school van meisjes.

‘Bij het gaan van school naar huis kregen de meisjes van de directeur een voorsprong, omdat ze door de jongens werden geplaagd. Later werd door de jongens

gewacht. Waarschijnlijk is

Het leerlingental ontwikkelde zich in de eerste jaren grillig, vooral in negatieve zin. In 1873 meldden zich nog maar zeventien leerlingen aan. Directeur Rijkens weet dit aan de slechte vooropleiding aan de lagere scholen, en beijverde zich vervolgens voor de verbetering daarvan. Ook genoten de toelatingseisen tot de hbs gaandeweg meer bekendheid, zodat de scholen hun pupillen hierop konden voorbereiden. Na verloop van tijd trok het aantal leerlingen dan ook weer aan.

dit de directeur niet ter ore

Meisjes en vrouwen

gekomen.’

jaren 1890).

In de eerste versies van de Wet op het middelbaar onderwijs werd over meisjes niet gerept. Toen daar kritiek op kwam, werd het wetsontwerp zodanig gewijzigd dat het ook mogelijk werd om voor meisjes middelbare scholen te stichten. In 1867 kwam in Haarlem de eerste middelbare meisjesschool (mms) tot stand. In Groningen kon men vanaf 1872 in de Stad terecht voor dit type onderwijs.

42

het hogeland college

opgemerkt dat de meisjes toch op hen hadden

(Herinneringen dames Boykema en Doornbosch Clevering, leerlingen aan de hbs in de


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:48

Pagina 43

De hbs was aanvankelijk alleen voorbehouden aan jongens. Het eerste meisje dat in 1870, als toehoorster en bovendien clandestien, het onderwijs aan de hbs bijwoonde, was Aletta Jacobs aan de Rijks hbs van Sappemeer. Deze school geniet ook de faam in 1871 de eerste officieel ingeschreven vrouwelijke hbs-leerling (in de persoon van Frederika Jacobs, de zus van Aletta)) te hebben toegelaten. Minister Thorbecke verleende hiervoor persoonlijk toestemming. Minder bekend is dat de hbs van Warffum in hetzelfde jaar, zelfs op dezelfde dag, ook drie meisjes toeliet: Luuktje de Cock Rouaan, Gesina Lichtenvoort en Henriëtte Reinders. Ook voor hun inschrijving was ministeriële toestemming voorafgegaan. Tot 1906 zou dit voor toelating van meisjes aan een Rijks hbs verplicht zijn. Naar verhouding bezochten in Warffum veel meisjes de hbs; in de eerste vijfentwintig jaar van het bestaan van de school bestond zo’n 20 procent van de leerlingenpopulatie uit vrouwen.11

Twee pagina’s uit het verslag van de hbs over 1912, waarin enkele opmerkingen over de schoolverlaters.

De eerste docente deed in 1902 haar intrede op de school: Wabina (roepnaam Wabien) Andreae, dochter van de kantonrechter en schoolopziener Sicco Leendert Andreae uit Zuidhorn, werd dat jaar aangesteld om de lessen staathuishoudkunde te verzorgen. Hetzelfde vak zou ze geven aan de hbs’en van Groningen, Meppel en Heerenveen. Na haar huwelijk in 1906 met Lambertus Helprig Mansholt trok ze zich terug uit het onderwijs en wijdde ze zich aan het gezinsleven op de boerderij Torum in de Westpolder. Wel gaf ze thuis les aan haar eigen kinderen, onder wie Sicco Leendert, die later minister van landbouw en eurocommissaris zou worden. Zelf was ze voor de SDAP ook actief in de politiek, op gemeentelijk en provinciaal niveau.12

‘ d o o r w e t t e n g e z o n d ’, 1 8 5 7 - 1 9 2 0

43


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:49

Pagina 44

Gezicht op Warffum, omstreeks de vorige eeuwwisseling. Vanaf de kerktoren toonde directeur Rijkens van de hbs voor landbouwers in de omgeving zijn weersvoorspellingen, door middel van het ophangen van cilinders en kubussen.

Na het vertrek van mevrouw Andreae, was er korte tijd een vervangster – mejuffrouw Valche, voor de vakken geschiedenis en aardrijkskunde aan de school verbonden. Daarna zou het tot 1921 duren voordat een lerares, in dit geval mevrouw Bruggemeyer voor Frans, voor langere tijd aan de school was verbonden. Een reden voor het ontbreken van vrouwen in het docentencorps, of het feit dat ze slechts heel kort aan de school waren verbonden, is te vinden in het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Daarin was bepaald dat een vrouwelijk ambtenaar die trouwde, de dag na haar huwelijk ontslag kreeg. Met de bepaling werd, om praktische redenen, wel eens de hand gelicht, maar formeel bleef deze van kracht tot 1955. Landbouwschool Kortstondig was aan de Warffumer hbs een gemeentelijke landbouwschool verbonden. Het initiatief hiervoor kwam – eveneens – van wethouder Reinders. Al in 1865, bij het concretiseren voor de plannen voor de hbs, opperde hij de gymnastieklessen te vervangen door landbouwonderwijs. Door Thorbecke werd hij er echter fijntjes op gewezen dat gymnastiek een wettelijk verplicht vak was. In 1869 waagde Reinders een nieuwe poging, nu om tot stichting van een zelfstandige school te komen. In dat jaar werd met dit doel subsidie aangevraagd bij het ministerie. Omdat het college van Gedeputeerde Staten zich bereid verklaarde mee te betalen, werd deze ook verleend. In 1870 kon de school, gehuisvest in het hbs-gebouw, daarom van start gaan. Als directeur van deze eerste landbouwschool van Nederland werd Rijpke Rijkens benoemd; daarnaast werden twee docenten aangesteld om landbouwvakken te geven. De overige vakken werden verzorgd door leraren van de hbs. Onder de docenten zijn klinkende namen te vinden: de viroloog Martinus Willem Beijerinck, J. Ritzema Bos en dr. Otto Pitsch. Pitsch, die aanvankelijk de enige in Nederland was met de bevoegdheid om landbouwonderwijs op dit niveau te geven, had gestudeerd aan de landbouwacademie in Poppelsdorf en zijn doctorstitel behaald aan de universiteit van Heidelberg. Voordat hij in 1870 in Nederland belandde, was hij werkzaam geweest als inspecteur op een OostPruisisch landgoed en daarna als Wanderlehrer in de Rijnprovincie.13

44

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:49

Pagina 45

PLOEGJ ES Als herinnering aan de tijd van de

waarna een rondleiding door het gebouw,

tehuis. Toen enkele leerlingen van de hbs

landbouwschool, bewaart Het Hoge-

de bakermat van het Nederlands landbouw-

daar lucht van kregen, verschaften die zich

land College nog twee smeedijzeren

onderwijs, volgde.

onder valse voorwendselen – het verkrijgen

modelploegjes, in 1874 vervaardigd

De Wageningse studenten hadden echter

van ‘bepaalde inlichtingen’ – toegang tot

door de Warffumer smid H.J. Eigen-

een dubbele agenda: zij verrichtten een

de gemeenteontvanger, en namen en pas-

berg. De objecten waren in 1956 het

voorverkenning om, als inzet van een wed-

sant beide voorwerpen mee om de inbraak

doelwit van inbrekers.

denschap, de ploegjes uit 1874 te kunnen

te wreken. Deze actie bleef niet onweer-

ontvreemden. Deze zouden volgens hen in

sproken.

Op 4 februari van dat jaar arriveerde een

Wageningen beter op hun plaats zijn.

glanzende auto met een standaard van het

’s Nachts keerden ze daarom terug, ver-

De krant vermeldde de afloop van het

Wageningse studentencorps Ceres bij het

schaften zich een toegang tot de school,

schaakspel: ‘Het Wagenings Studentencorps

gemeentehuis van Warffum. De inzittenden,

door over het besneeuwde dak te klimmen

heeft zijn autostandaard en corpsvlag op de

leden van de senaat van het corps, werden

om zo de binnenplaats te bereiken, en door-

Warffumer H.B.S.’ers heroverd. Zaterdag-

officieel door burgemeester Molly Geertse-

zochten daar alle lokalen. Op één na, en

avond hebben enkele leden van “Ceres” zich

ma ontvangen. Bij die gelegenheid memo-

daar stonden juist de modellen … Met lege

toegang verschaft tot het gebouw en, bij-

reerde de burgervader de historische band

handen vertrokken ze daarom de volgende

gelicht door “dievenlantaarns” de school

tussen Warffum en Wageningen. Een vol-

dag weer huiswaarts.

doorzocht. De opzet is echter slechts ten dele gelukt, daar de studenten er niet in

gend doel van bezoek van de studenten was de hbs. Aan de school werd een tegel met

Echter: ze vergaten bij hun vertrek de

zijn geslaagd de fel begeerde ploegjes te

het corpsdevies ‘Durf te leven’ aangeboden,

corpsvlag en autostandaard op het gemeen-

vinden.’

Twee ploegjes uit de collectie van de voormalige gemeentelijke landbouwschool in Warffum, vervaardigd door de smid Eigenberg. De modellen staan tegenwoordig op de kamer van de rector van het HHC.

‘ d o o r w e t t e n g e z o n d ’, 1 8 5 7 - 1 9 2 0

45


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:49

Pagina 46

De opleiding in Warffum werd door een gebrek aan leerlingen echter geen succes. Het grootste aantal bedroeg dertien en daarvan volgden maar zeven volledig onderwijs. Het cursusjaar 1874-1875 begon met slechts zes leerlingen … Toen Ritzema Bos en Pitsch in 1874 de school verlieten voor een betrekking aan de door de rijks-hbs van Wageningen opgerichte landbouwschool, viel het doek voor de Warffumer opleiding definitief. Voor de Warffumers moet het verlies van de school een bittere pil zijn geweest, in het bijzonder voor wethouder Reinders. Die stuurde zijn zoon dan ook niet naar Wageningen om een lanbouwkundige opleiding te genieten, maar naar het Duitse Halle. De opleiding in Wageningen maakte wel furore, niet in de laatste plaats door de inzet van de uit Warffum afkomstige docenten: van gemeentelijke landbouwschool werd ze een Rijks Landbouw Hogeschool en kreeg in 1968 de status van universiteit, sinds 1998 onder de naam Wageningen Universiteit en Researchcentrum (Wageningen UR). In 2006 luidde een kop in het weekblad van de Wageningse universiteit nog veelzeggend ‘Het had ook Warffum UR kunnen zijn’.14 Wat werden ze?

‘… geen bevoegde leraar wil daar heen om zich bloot te stellen aan de hatelijkheden van D. en aan de domme praatjes der Warffumer boeren.’ (De onderwijsinspecteur mengt zich met onverbloemde taal in een conflict tussen twee leraren van de hbs, 1881).

In 1893, bij het vijfentwintigjarig bestaan van de hbs, stelde directeur Rijkens een gedenkboek samen. Dit bestaat voor een groot deel uit een lijst van leerlingen. Minutieus ging hij na wat er van zijn pupillen in hun werkzame leven was geworden. Het overzicht geeft ook een goede indruk van het karakter van de school. Zonder twijfel kan worden gesteld dat de Warffumer hbs vooral een boerenschool was. Van de 152 leerlingen (125 jongens en 27 meisjes) die van 1863 tot en met 1880 de school bezochten, vonden er 37 emplooi in de landbouw. Daarnaast belandden er negentien in de handel, waren er zeventien werkzaam in het onderwijs (exclusief zeven meisjes die een onderwijsakte haalden, maar waarvan niet kan worden vastgesteld of ze ook als lerares werkzaam waren) en bekleedden even zoveel oud-leerlingen administratieve functies. Zes werkten in de nijverheid. De school bracht verder voort: zes militairen, vijf landmeters, drie veeartsen, drie logementhouders en twee advocaten. Eén oud-leerling studeerde anno 1893 nog steeds, één had geen betrekking en van vijf was het Rijkens niet bekend wat zij deden. Wat opvalt is dat twee oud-leerlingen al rentenierden. Tijdens hun schooljaren waren drie jongens overleden. Daarnaast waren er vijf leerlingen in 1893 niet meer in leven.15 De periode Smit In 1898 vertrok directeur Rijkens, na dertig jaar aan de hbs van Warffum verbonden te zijn geweest, naar Den Helder. Daar zou hij aan het hoofd komen te staan van een nieuw op te richten hogere burgerschool. Het vertrek van Rijkens viel in een periode dat er in de bloeitijd van de school al kleine scheuren waren ontstaan. De achteruitgang versnelde zich tijdens het directeurschap van Rijkens’ opvolger Jan Martinus Smit in de periode 1898-1917. Smit was al vanaf 1891 als leraar plant- en dierkunde en later ook natuur- en scheikunde aan de hbs verbonden. Volgens oud-leerling R. Clevering wekte de komst van Smit in Warffum de nodige beroering:

46

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:49

Pagina 47

‘Toen hij in Warffum als leraar benoemd zou worden, was de roep die aan hem vooraf ging, niet bepaald gunstig. Hij zou een rooie socialist zijn, wat in die dagen zoiets betekende als thans een anarchist. Aan de H.B.S. in Apeldoorn, waar hij leraar was, werd hij ontslagen omdat hij niet eerbiedig genoeg tegen Koning Willem III was opgetreden. Nadien was hij een tijdlang in Amerika geweest en vandaar teruggekeerd en toen had hij de benoeming gekregen aan de burgerschool in Warffum. Een soort avontuur; aldus de geruchten.’16

Jan Martinus Smit, directeur van de hbs van Warffum van 1898 tot 1917, gefotografeerd omstreeks 1915. De school beleefde onder het bestuur van Smit een periode van neergang.

Een deel van de geruchten stoelde op waarheid. In zijn vorige standplaats had Smit een naam als propagandist voor geboortebeperking, om zo het lot van vrouwen uit de ‘mindere klassen’ te kunnen helpen verlichten. Veel sympathie had de Apeldoornse burgerij niet voor dit standpunt, evenmin voor Smits actiebereidheid voor invoering van het algemeen kiesrecht. In het kader hiervan vervulde hij het redacteurschap van enkele socialistische periodieken. Zijn uitvallen naar de koning waren wat de schoolleiding betrof de druppel die de emmer deed overlopen. Smit werd als docent geschorst. Na enige tijd in het Westen en in Amerika te hebben doorgebracht, volgde in 1891 – een jaar na de dood van Willem III – de aanstelling in Warffum.17 Als docent lijkt Smit geliefd en bekwaam te zijn geweest. Vooral de uitstapjes en het buitenonderwijs vielen bij de leerlingen in de smaak. Een van hen herinnerde zich: ‘In 1893 gingen we eens met onze derde klas onder leiding van de heer Smit naar de kwelder achter “Groot Zeewijk”, waar een bruinvis was gestrand, die al een heel eind op weg was om tot stof weder te keren. Met ons vieren, derde-klassers, werden we aan ’t werk gezet, om met onze zakmessen de geurige bestanddelen van het skelet te verwijderen.’ Het skelet van het dier was nog tot ver in de twintigste eeuw aanwezig in de school. Het docentencorps zal minder goede herinneringen aan Smit hebben gehad. De lerarenvergaderingen verliepen in een sfeer van animositeit. De leraar Frans en Engels Caspersz lag, niet als enige, geregeld overhoop met de directeur. Als de laatste eens op diens grieven reageerde, gebeurde dat ‘in heftige gemoedsbeweging, zich uitende in toorn van stem en gebaar, ten gevolge waarvan de heer Caspersz de vergadering verlaat, en de directeur zegt dat hij zal doen wat de wet zegt te moeten doen.’18 Behalve onrust onder het personeel, was de terugloop van het aantal leerlingen zorgelijk. Het leerlingental daalde van zo’n zeventig in de jaren 1890 naar slechts 26 in het jaar 1914… Een aantal redenen is voor de teruggang aan te voeren. Ten eerste deed de opening van de spoorweg Groningen-Roodeschool in 1893 de Warffumer hbs weinigs goeds. Leerlingen weken nu sneller uit naar scholen in Groningen. Concurrentie was daar vooral van de vijfjarige hbs. De driejarige school verloor aan populariteit, vooral omdat deze dikwijls slecht aansloot op de vijfjarige hbs. Het missen van deze aansluiting was zelfs een bewuste – en niet onbetwiste - keuze van directeur Smit. Die betuigde bij herhaling dat de driejarige hbs een zelfstandige, afgesloten opleiding vormde, waarvan het onderwijs niet gelijkstond met de eerste drie klassen van een vijfjarige hbs. De Warffumer school leidde hiervoor in Smits ogen dan ook niet op.19

‘ d o o r w e t t e n g e z o n d ’, 1 8 5 7 - 1 9 2 0

47


• HHC Hoofdstuk 2.qxp

30-09-2008

14:49

Pagina 48

Ten slotte baarde het grote verloop onder de docenten zorgen. Enerzijds gaf de werksfeer daar wellicht aanleiding toe, maar dit is nu nog moeilijk te reconstrueren. De Commissie van Toezicht van de hbs wijst in het jaarverslag van 1917 een andere reden aan: ‘Er blijft een neiging van het personeel bestaan om te solliciteeren naar grootere plaatsen; temeer daar Warffum, door ligging in de buurt van Groningen en het feit, dat er 2100 inwoners zijn, geen winkelbestand bezit, zoodat alle inkopen in Groningen moeten worden gedaan. De kosten van levensmiddelen, dienstboden en huur zijn op zijn minst zo hoog als te Groningen.’ 20 Smit vertrok in 1917 uit Warffum. Met de komst van een nieuwe directeur zou de hbs een andere weg inslaan.

n ot e n 1 Wierda, Vijftig jaren II, 139. 2 Honderd jaar plattelandsleven, 527. 3 Duister, ‘Het onderwijs’, 121-122; Groninger Archieven, Gemeenteverslagen Eenrum, 1878-1880. 4 Nationaal Archief, Tweede Afdeling, Archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, vijfde Afdeling Onderwijs 1846-1876, inv.nr. 738. 5 Bakema, Honderd jaar, 13. 6 IJ. Botke, ‘Hoofd en dienaar der gemeente. Een eeuw burgemeesters op het Groninger platteland 1811-1911. Een verkenning’, Historisch Jaarboek Groningen (2008). 7 Bakema, Honderd jaar, 14-16. 8 Rijkens, 24-31. 9 Jeroen Hillenga, ‘Het leraren-corps op de Rijks-HBS’, Ommelander courant. 10 Gedenkboek 1948, 74. 11 Rijkens, 34-63. 12 Albert F. Mellink, ‘Mansholt, Wabina’, BWSA 1 (1986) 3-4. 13 ‘Prof.Dr. Otto Pitsch’, Landbouwkundig Tijdschrift 30 (1918) 255-259; H.A.M. Snelders, ‘Beijerinck, Martinus Willem (1851-1931)’, in Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985). 14 Resource. Weekblad voor Wageningen UR, 7 september 2006. 15 Rijkens, 24-61. 16 Gedenkboek 1948. 17 Elze Luikens, ‘Smit, Jan Martinus’, BWSA 8 (2001), 252-254. 18 Bakema, 49-50. 19 Klok, 5 x 25,44-45. 20 Bakema, Honderd jaar, 54.

48

D o o r w e t t e n g e z o n d, 1 8 5 7 - 1 9 2 0


• HHC Fotokatern B

30-09-2008

14:42

Pagina 49

in school

De lesuren in Warffum werden in de naoorlogse jaren bepaald door dit vernuftige bord, dat diende om het lesrooster – en de wijzigingen daarin – inzichtelijk te maken. Niemand weet echter nog hoe het roosterbord, vervaardigd door technisch onderwijsassistent Luit Smit, precies werkte … Tegenwoordig ligt het in het schoolarchief aan de A.G. Bellstraat.

Het schoolleven bestaat uit meer dan de hele dag luisterend in de banken zitten. Dit gold zeker in letterlijke zin voor de leerlingen in het beroepsonderwijs, die hun dagen vaak goeddeels doorbrachten in praktijkruimtes of, zoals de leerlingen van de huishoudscholen, in de schooltuin. De school was en is ook het domein van feestelijke ouderavonden, activiteiten van schoolverenigingen, talentenjachten en daarnaast álles wat onder een brede noemer ‘jeugdcultuur’ kan heten. Potentiële nostalgie.


• HHC Fotokatern B

30-09-2008

14:42

Pagina 50

˚ Het naailokaal in de huishoudschool van Wehe-den Hoorn. Voorste rij (op de vloer): Rika Kuizenga, onbekend. Tweede rij, zittend: onbekend, Anneke Bosma, Ria Reitsma, Aafke Postema, juf Scholma-Schelhaas, Annie Fielstra, Antje Ammeraal. Derde rij: Ida Veenstra, Jantje Huizinga, Geertje Cats, Gerie Cleveringa, onbekend, Jaapje Rozema, de heer Hoving, Harmke Voos, Ida Veenstra, Trientje Dinkla, juf Grommers-Vink (directrice), Bertha Koning. Vierde rij (rechts): Jannie Veenstra, Dirkje Wieringa, Hillie Koning. De foto werd genomen in 1958 of 1959.

¯ Kookles in de huishoudschool aan de Mernaweg. Op de foto Annie Fielstra.

50

het hogeland college


• HHC Fotokatern B

30-09-2008

14:42

Pagina 51

˘ Opname in het timmerlokaal van de ambachtsschool te Wehe-den Hoorn tijdens een les banktimmeren, eind jaren vijftig. ˙ Machinale houtbewerking: opname in het timmerlokaal van de ambachtsschool te Wehe-den Hoorn, 1959. Op de foto Harm K. Waninge.

˚ Uitnodiging voor een ouderavond, 1963. Ouders hadden daar de gelegenheid leerkrachten te spreken, daarnaast stonden ‘huishoudelijke allerlei’ door directrice Mellema en een openbare gymnastiekles door mevrouw De Groot-Huizinga op het programma. De avond werd besloten met de causerie ‘Grunneger Humor’ van B. Zoutman. ˙ Opvoering van een musical door leerlingen van de huishoudschool in Wehe-den Hoorn, 1958 of 1959. De uitvoering, in het kader van een feestelijke ouderavond, vond plaats in de kantine van de ambachtsschool.

¯ Foto genomen in de tuin van de huishoudschool aan de Mernaweg in Weheden Hoorn, eind jaren vijftig. Voorste rij: Hillie Koning, Bertha Koning, Ida Veenstra, Aafke Postema. Tweede rij: Jannie Veenstra, Gerie Cleveringa, Ria Reitsma, Jaapje Rozema. Derde rij: Geertje Cats, juf Scholma-Schelhaas (handwerken), Annie Fielstra, Jantje Huizinga.

in school

51


• HHC Fotokatern B

30-09-2008

14:42

Pagina 52

‘The times they are a changing’, ook in de wijze waarop leerlingen worden geworven. Vergelijk het wervingsmateriaal van de huishoudschool in Warffum met dat van het HHC van ruim een halve eeuw later … Het eerste richt zich bovendien nog op de ouders, het laatste op de kinderen zelf.

52

het hogeland college


• HHC Fotokatern B

30-09-2008

14:42

Pagina 53

Ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de school voerden (oud)leerlingen van de hbs van Warffum in 1968 het stuk ‘De Parvenu’ van Molière op. Regisseur was tekenleraar Aizo Betten. De prachtige decors werden ook door hem ontworpen.

in school

53


• HHC Fotokatern B

30-09-2008

14:42

Pagina 54

Ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de technische school in Uithuizen werd een openbare les gegeven.

Een jaarlijks ritueel: het maken van een klassenfoto. Deze leerlingen van de lts in Wehe-den Hoorn poseerden in 1971 tegen de achtergrond van het schoolgebouw.

54

het hogeland college


• HHC Fotokatern B

30-09-2008

14:42

Pagina 55

¯˚ Informatica, in de beginjaren nog ‘computerkunde’ genoemd, neemt vanaf halverwege de jaren tachtig een steeds belangrijkere plaats in binnen de lessen. De pagina over de computerlessen voor brugklassen is afkomstig uit een schoolgids van de Scholengemeenschap Noord West-Groningen van omstreeks 1991, de foto werd gemaakt in het computerlokaal van de vestiging Wehe-den Hoorn.

in school

˙ In 1949 verscheen in Warffum de eerste aflevering van de schoolkrant De Gong. Volgens het redactioneel schrijven hierin, had de krant als hoofddoel ‘de problemen die anders op het schoolplein worden besproken, nu in een bredere lichtkring te plaatsen, zodat een ieder kennis kan nemen van de stromingen die zich voordoen in onze schoolgemeenschap.’ Van het periodiek verschenen veertig jaargangen.

55


• HHC Fotokatern B

30-09-2008

14:42

Pagina 56

˚ Schoolagenda’s waren in de jaren zestig vergeleken met nu relatief saai. Een persoonlijk accent kon er aan worden verleend door ze zelf te ‘customizen’. Lineke de Haan, leerlinge van de hbs, bewaarde haar agenda’s uit de jaren 1965-1968.

¯ De tijdgeest spat af van deze pagina in een aflevering van De Gong uit 1969.

56

het hogeland college


• HHC Fotokatern B

30-09-2008

14:42

Pagina 57

¯ Eén van de eerste talentenjachten, waarschijnlijk de eerste in 1984, van de Scholengemeenschap Noord West-Groningen. Deze deelnemers vormden een gelegenheidsorkest, maar speelden daarnaast in verschillende plaatselijke muziekkorpsen. De dirigent is Herman Dijo, leraar muziek. Links op de foto: Irene Baars en Tonnis van der Laan (Orpheus).

˙ Als de ene aanpak niet werkt, dan maar een andere… Een deels ludieke benadering van de coördinator in Wehe-den Hoorn.

in school

57


• HHC Fotokatern B

30-09-2008

14:42

Pagina 58

˚ Diplomering 1986. Het einde van de middelbare schooltijd: de uitreiking van diploma’s in het gebouw van de lhno in Warffum, 1986. ˙ Examenstunt in Warffum, 2007.

58

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 3.qxp

30-09-2008

14:50

3

Pagina 59

Minne jaren, 1920-1945

‘Ik had ettelijke voetbalvriendjes bij roomsen en openbaren – vergeef me de uitdrukking – want gereformeerden voetbalden vrijwel niet. Natuurlijk hadden we soms als de wind in de verkeerde hoek zat of in ’t voorjaar als het bloed sneller stroomde wel eens veldslagen maar daar liep letterlijk en figuurlijk weinig bloed uit. Verder scholden we elkaar soms uit voor Openbaren, Biebeltjes, Roomse poepen en Koksen – de laatste term werd niet door maar tegen ons gebruikt . De scheldwoorden getuigden van weinig creatief vermogen.’ 1

Berend de Groot, die in de jaren twintig en dertig in Uithuizen opgroeide, bracht in zijn herinneringen de kerkelijke verdeeldheid van de dorpsgemeenschap, en niet louter in die van zijn woonplaats, treffend onder woorden. Iedere kerkelijke gezindte of politieke richting had zijn eigen plaatsen waar men gelijkgestemden ontmoette, of dat nu de muziekvereniging, voetbal- of toneelclubclub was. Deze verscheidenheid had, zoals De Groot schetst, daarnaast ook zijn weerslag op het onderwijs. Wet de Visser In 1920 werd een nieuwe Wet op het lager onderwijs aangenomen, naar de initiatiefnemer minister De Visser ook wel de ‘Wet de Visser’ genoemd. Een belangrijke bepaling daarin was dat openbaar en bijzonder onderwijs (d.w.z. onderwijs vanuit een levensbeschouwing, in Noord-Groningen doorgaans gereformeerd) financieel gelijk werden gesteld. Al vanaf het midden van de negentiende eeuw was hiervoor uit kerkelijke kringen intensief geijverd. Deze inspanningen worden wel getypeerd als de ‘schoolstrijd’. Pas in 1917 werd een compromis tussen voor- en tegenstanders bereikt: in ruil voor de invoering van het algemeen mannenkiesrecht (vrouwenkiesrecht kwam twee jaar later), zou het bijzonder onderwijs grondwettelijk worden gelijkgesteld aan het openbare. Een tweede gevolg van de wet van 1920 was dat de ulo-scholen weer terugkwamen. Het uitgebreid lager onderwijs was weliswaar in de wet van 1878 geschrapt, maar in de praktijk was het – net als de naam – blijven voortbestaan. De Wet de Visser bracht dit onderwijs formeel terug, nu als afzonderlijk schooltype, gescheiden van de lagere school. Deze scheiding was in de praktijk kunstmatig, want de hoofden van lagere scholen mochten tegelijkertijd hoofd en van de mulo zijn en de lessen mochten ook in hetzelfde gebouw worden geven. Dat gebeurde dan ook: in Eenrum en Uithuizen bleven de scholen zitten waar ze zaten.

minne jaren, 1920 - 1945

59


• HHC Hoofdstuk 3.qxp

30-09-2008

14:50

Pagina 60

‘Onze mensen’ ‘Het woord oecumene bestond in ’t Gronings niet, hervormd en gereformeerd waren twee planeten die niet wisten dat ze tot één zonnestelsel behoorden. En je kon niet zo gemakkelijk uit de optocht wegglippen. Een dorpsgemeenschap kent een machtig stuk sociale controle.’2 De scheiding tussen hervormd en gereformeerd, waarover – wederom – Berend de Groot hier spreekt, werd na 1920 op het gebied van het onderwijs alleen maar groter. De openbare scholen werden toch als het domein van de Hervormde Kerk beschouwd, waar ‘algemeen-christelijk onderwijs’ werd gegeven. Nu de gereformeerden in 1920 met de Wet op het lager onderwijs meer financiële armslag kregen, schoten overal de scholen ‘met den Bijbel’ als paddenstoelen uit de grond. Voor de openbare scholen had dit grote gevolgen: zij zagen hun leerlingenaantallen snel teruglopen. Gecombineerd met de economische crisis van de jaren twintig en dertig maakten ze daarom een moeilijke tijd door. Een school als de mulo te Eenrum kwam de tegenslagen niet te boven; deze sloot in 1936 haar deuren. In Uithuizen raakte de mulo in de tweede helft van de jaren twintig in de problemen. Omdat er in 1928 te weinig leerlingen waren, moest er dat jaar één van de drie leerkrachten van de school – tijdelijk – op wachtgeld worden gezet.3 Met argusogen werd dan ook naar de concurrerende bijzondere scholen gekeken. Dat wantrouwen strekte zich zelfs uit tot randverschijnselen. Enigszins zuur werd opgemerkt ‘dat de leermiddelen van de Openbare school ook gekocht worden bij rechts, doch dat onze mensen niet leveren aan de scholen van rechts.’4 De gevoelens van achterstelling lagen echter meer gefundeerd dan dit. Toen er in 1931 gesproken werd over de gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs, merkte het hoofd der school op: ‘dit ziet men hier ook bij ons dat het openbaar onderwijs achterstaat bij het bijzonder wat betreft het verven der scholen en bij het benoemen van personeel. Wil men bij een bijzondere school verven dan vraagt men bij het gemeentebestuur en het wordt in één jaar klaar, maar bij deze school wordt er tien jaar over gedaan.’5

De lagere school aan de Schoolstraat in Uithuizen, gebouwd in 1885, op een ansichtkaart uit het midden van de jaren twintig.

60

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 3.qxp

30-09-2008

14:50

Pagina 61

‘ STO E T H A S P E L S E N V E R R E K K E L I N G E N ’ In 1933 moest in Uithuizen als gevolg

daarom ontslagen. De grieven zijn ver-

lopen te bevorderen. De jongens gebruiken

van een bezuinigingsmaatregel één

woord in een brief naar de onderwijs-

de in de klas aanwezige inhoudsmaten om

van de drie leerkrachten van de mulo

inspectie:

in te wateren. P. schijnt dit te weten. Wanneer hij langs deze maten loopt, knijpt hij

weg. Volgens de gemeente de laatst aangestelde, maar algemeen was de

‘In het lokaal vinden vaak vechtpartijen

de neus dicht. Bij het bespreken van het

opvatting dat dit de heer Pelicaan

tussen de jongens plaats. De meisjes wor-

geboortecijfer in Nederland deelde P. aan

moest zijn. Pelicaan, leraar en waar-

den dan erg van streek, P. gaat dan staan

de kinderen mee dat de wetenschap al wel

nemend hoofd van de mulo, had op

en zegt “Toe maar jongens, toon maar eens

zoover is gevorderd, dat niet zooveel kinde-

zowel op school als in zijn persoonlijk

wie de baas is”. Of de jongens worden uit

ren geboren behoeven te worden, als nu

leven laakbaar gedrag vertoond.

de klas gestuurd, om in de gang uit te vech-

worden. Voortdurend hangt in het lokaal

Beroering wekten onder andere de

ten, waardoor de ene terugkomt en de

een ondragelijke lucht, hetgeen veroorzaakt

borden die hij op zondag – zichtbaar

andere wegloopt, wat meerdere malen

wordt door de winden, welke de leerlingen

voor de kerkgangers – achter de

gebeurt. Als voorbehoedsmiddel is voorge-

afscheiden. In een lollige bui zegt P. “dat is

ramen van zijn woning hing. Deze

komen dat P. de deur met een eind touw

gezond jong”. Scheldwoorden als beesten,

droegen opschriften als ‘De dominee

aan een bank had vastgemaakt, teneinde

hengsten, gorilla’s, stoethaspels en verrekke-

heeft géén gelijk’. In 1934 werd hij

het vasthouden der jongens bij het weg-

lingen zijn hem niet vreemd.’

Vijfjarig, maar geen A

Gedenksteen in 1918 aangebracht in het gebouw van de hbs, ter gelegenheid van de overgang naar de vijfjarige cursus in dat jaar. De steen werd in 1967 verhuisd naar de hal van het nieuwe onderkomen van de school aan de A.G. Bellstraat.

Voor de hbs in Warffum brak in 1917 met de komst van een nieuwe directeur, Elias Maurits van der Zijl, een nieuw tijdperk aan. Eén van zijn eerste inspanningen was het bewerkstelligen van de omzetting van de driejarige opleiding naar een vijfjarige. Behalve het tegengaan van het al sinds lange tijd teruglopende aantal leerlingen was daar met ingang van dat jaar nog een aanleiding toe: wettelijk werd dat jaar geregeld dat leerlingen met het diploma van een vijfjarige hbs toegang kregen tot de faculteiten wis- en natuurkunde en geneeskunde. De driejarige opleiding verloor daarmee nog eens extra aan glans. Om het opzetten van een vijfjarige cursus te bevorderen, werd in Warffum een hbs-vereniging opgericht. Deze moest de benodigde financiële middelen genereren Ook de gemeente Warffum deed een toezegging; de omringende gemeenten Baflo, Eenrum, Kantens, Uithuizen en Usquert verklaarden zich bereid een jaarlijkse bijdrage te leveren indien de omzetting doorgang kon vinden. Met ingang van het cursusjaar 1918-1919 was deze een feit. Eén leerling van het eerste groepje dat na de derde klas doorging naar de vierde, P.W. Bakker Arkema, zette zijn herinneringen aan deze tijd een halve eeuw later op papier: ‘In de jaren van de Eerste Wereldoorlog toen het aantal leerlingen nauwelijks twee à drie maal zo veel was als het aantal docenten, was de toestand precair. Zelfs als derde klasser was er de spanning: blijft de school, blijft ze niet? Gaan we straks naar Groningen? Dat idee had wel wat aantrekkelijks maar we zouden de vertrouwde sfeer missen. Wel, de school bleef, enkele klasgenoten gingen naar de landbouwschool of een H.B.S. in Groningen, maar wij kwamen met ons vieren in de vierde klas als de trotse voorlopers en wegbereiders van de honderden die later zouden volgen.

minne jaren, 1920 - 1945

61


• HHC Hoofdstuk 3.qxp

30-09-2008

14:50

Pagina 62

Om de hbs te mogen volgen, moest eerst een toelatingsexamen worden afgelegd. Akke van Dijk uit Roodeschool legde deze beproeving – met goed resultaat – af in 1933. De door hem bewaarde paperassen geven een goede indruk van de destijds getoetste leerstof.

Maar dat wisten we toen nog niet en ik geloof bepaald niet, dat het ons indertijd ook maar enigermate interesseerde. Het was, toen de school een vijfjarige H.B.S. werd, alsof het een statussymbool werd voor de Warffumers. Dit gevoel kreeg ook ons te pakken en het werd nog ietsje uitgesprokener toen wij met z’n vieren zonder moeite in de vijfde klas arriveerden. We voelden ons niet gering, en ik moet erkennen, we gedroegen ons bij voorkomende gelegenheden navenant.’6 De invoering van de vijfjarige cursus had meteen haar weerslag op het aantal leerlingen dat de school in Warffum bezocht. Dat steeg in 1918 van 32, tot 50, daarna liepen de cijfers op van 74 in 1919 tot 144 in 1923. De daling die zich na het laatste jaar weer inzette, is waarschijnlijk te wijten aan een landelijke trend van algehele achteruitgang van de inschrijvingen.

62

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 3.qxp

30-09-2008

14:50

Pagina 63

De gelden die door de hbs vereniging voor de omzetting waren ingezameld, werden – evenals de bijdrage van de gemeente Warffum – gebruikt voor vergroting van het schoolgebouw. Dit werd vergroot met vier lokalen, een kaartenkamer, een werkruimte voor de amanuensis en een kleedkamer voor de meisjesleerlingen. Uitbreiding was later opnieuw noodzakelijk: in 1921 kwamen er weer enkele leslokalen bij, waarvoor onder andere de gymnastiekzaal moest worden opgeofferd. Pas in 1925 werd een nieuw gymlokaal, naast het sportveld van de school, opgetrokken. Tot die tijd werden de lessen lichamelijke opvoeding indien mogelijk buiten gegeven. In de jaren dertig verkeerde de school opnieuw in zwaar weer. Een dieptepunt was het jaar 1937, toen slechts zeventig leerlingen de hbs bezochten. Een oplossing werd gezocht in de oprichting van een voorbereidende klas. Deze ‘centrale brugklas’ zou het leerlingen van de lagere school gemakkelijker moeten maken om de stap naar de hbs met succes te zetten. Om de organisatie van de voorbereidende klas op zich te nemen, en deze ook te bekostigen, werd de vereniging ‘De Hoogelandsche H.B.S.’ opgericht. In overleg met de hoofden van de lagere scholen in de omgeving werd besloten dat de cursus jaarlijks op 1 mei zou beginnen. Toegang hadden kinderen die zeven jaar lager onderwijs hadden genoten en waarvoor het schoolhoofd een verklaring van geschiktheid had afgegeven. Een toelatingsexamen hoefde dan niet te worden afgelegd. In de cursus, die twee tot drie maanden zou duren, werd niet alleen aanvullend onderwijs gegeven maar konden de leerlingen ook wennen aan het systeem lesuren met vakleraren. Een andere poging om de hbs eind jaren dertig een steviger basis te geven mislukte. In 1938 nam de Commissie van Toezicht het initiatief om aan de school een A-afdeling te verbinden. De hbs-A, met een literair-economische lessentabel in tegenstelling tot de sterk mathematisch gerichte hbs-B, zou nieuwe groepen leerlingen naar Warffum kunnen trekken. Het Rijk wees de plannen vanwege financiële bezwaren echter af. ‘Dat is nait aans’ ‘As ie arm ben’n, dan ken ie joe nait veroorloven om zeuns leer’n te loat’n. Dat is nait aans. Dat ken ik wel doun - Eerstens heb wie moar ain, en doarbie, wie kent ook oetstokk’n. Mor as ie aarm ben’n, den ken en mag ie joe zuks nait veroorloov’n’. De Warffumer slager en journalist Benjamin Heiman Broekema laat in zijn roman Ofdankt (1930) op deze manier een boer aan het woord die zijn oude arbeider verwijt dat deze zijn zoons heeft laten studeren. Broekema zelf liep ook de hbs mis - ondanks het feit dat hij op de lagere school een uitstekende leerling was - omdat zijn ouders het niet konden ‘oetstokk’n’. Zijn vader verdiende de kost als veehandelaar, in zijn werk belemmerd door zijn astmatische gesteldheid. ‘Als vader goed geweest was, dan hadden we je misschien wel door kunnen laten leren’, kreeg de jonge Benjamin van zijn moeder te horen, althans volgens zijn latere biograaf.7 De keuze voor voortgezet onderwijs was in deze tijd dan voor veel kinderen nog sociaal en economisch bepaald. Dit zou het ook tot na de oorlogsjaren blijven. Na het voltooien van de lagere school leerden de meesten in de praktijk

minne jaren, 1920 - 1945

63


• HHC Hoofdstuk 3.qxp

30-09-2008

14:50

‘Nadat de koffie is aangebracht en men zich daarvan heeft bediend en de sigaren zijn geoffreerd, geeft de Voorzitter het woord aan de spreekster! “Liefde en wijsheid in de opvoeding” was de titel van haar voordracht ’. (Verslag van de laatste ouderavond van de

Pagina 64

een vak, eventueel aangevuld met herhalings- of avondonderwijs. Voor slechts weinigen.was de directe weg naar de mulo en – zeker – de hbs weggelegd. De mulo werd pas vanaf de jaren twintig voorzichtig het onderwijstype voor kinderen van arbeiders en (kleine) middenstanders. De landelijke cijfers illustreren dit: van alle Nederlandse jongens die de lagere school verlieten, ging in 1936 19 procent naar de mulo. Aan het einde van de jaren zestig was dit gestegen tot maar liefst bijna 50 procent.8 Tussen mulo en hbs bestond niet als vanzelfsprekend een goede mogelijkheid tot doorstroming. In het verleden keken beide schooltypen menigmaal argwanend naar elkaar. De hbs werd voor kinderen uit lagere milieus al gauw te hoog gegrepen gevonden. Het hoofd van de mulo in Uithuizen, A. Hartlief, merkte bijvoorbeeld in 1921 over de hbs op: ‘het legt een aureool om de menschen.’ Volgens hem hadden veel ouders (te) hooggespannen verwachtingen van de hogere burgerschool. Ze zouden geloven dat men ‘in andere kringen komt die men meer en hoger schat.’9 Volgens de burgemeester van Uithuizen was het, datzelfde jaar, ‘op de openbare school een mode-gril (…) naar de school te Warffum te gaan. Daardoor zal de openbare kopschool te weinig leerlingen tellen om zelfstandig te zijn.’10 Hoofd der school Hartlief drukte de ouders in 1927 nog eens op het hart ‘degenen die dit onderwijs (H.B.S.) niet met goed gevolg kunnen volgen er niet heen te sturen, dat bespaart de gemeente onaardig kosten en u zelf veel ellende.’11 Omgekeerd waren de lagere scholen en de mulo’s ook een bron van zorg voor de hbs. Over de kwaliteit van het lager onderwijs, en dus de aansluiting daarvan op de vervolgopleiding, werd regelmatig geklaagd. De mulo’s zouden zich bovendien te veel profileren als een vorm van eindonderwijs. Daarover in het volgende hoofdstuk meer.

Uithuizer mulo voor het uitbreken van de oorlog, 20 maart 1940).

Oorlogsjaren De politieke spanningen in de jaren dertig deden zich ook op de scholen voelen. Al in 1934 kwam het in Warffum tot het verbod om op school insignes van bepaalde politieke partijen te dragen. De beperkende maatregel was vooral tegen de Nationaal Socialistische Beweging en andere fascistische partijen gericht. De oorlogsdreiging werd wel erg reëel, toen de scholen aan het eind van de jaren dertig geconfronteerd werden met oefeningen in geval zich een luchtaanval voordeed. Indien zich vijandelijke vliegtuigen in het luchtruim boven Warffum mochten vertonen, dan moesten de leraren de leerlingen naar de Juffer Marthastraat geleiden. Daar kon door de kinderen geschuild worden in droge sloten langs de weg. De docenten werden geacht terug te keren naar het schoolgebouw om dit te bewaken en om ingeval van brand door afgeworpen bommen de schade zo veel mogelijk te beperken.12 Toen het Nederlandse leger in augustus 1939 werd gemobiliseerd, ontkwamen daar de leerkrachten ook niet aan. In Warffum werd de wiskundeleraar Pot opgeroepen, in Uithuizen was onderwijzer P. Niemeyer tot in het voorjaar van 1940 onder de wapenen. Bovendien was de laatste school vier dagen gesloten in verband met keuringen voor de militaire dienst.13 Eén incident zorgde in Warffum in het vroege voorjaar 1940 voor veel beroering. Tijdens de godsdienstles tekende de predikant, ds. Postema die op dat moment nog geen jaar in functie was, zonder directe aanleiding daartoe een

64

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 3.qxp

30-09-2008

14:50

Pagina 65

kaart van Nederland en Duitsland op het bord. Daarbij liet hij de grens weg. Leerlinge Margreet Westerhuis over het voorval: ‘… en hij vertelde ons dat het eigenlijk heel normaal zou zijn wanneer Nederland bij Duitsland gevoegd zou worden, omdat de Rijn het Duitse water naar de Noordzee vervoerde, terwijl ook historisch gezien de volken van beide landen bij elkaar hoorden.’14 De leerlingen verlieten na deze ontboezeming de klas en beklaagden zich vervolgens bij directeur Van der Zijl. Met de godsdienstlessen was het daarna afgelopen. Toen de oorlog op 10 mei 1940 daadwerkelijk een feit was, was het schoolleven kortstondig ontregeld. Maar al in de tweede helft van die maand werden de lessen weer hervat. Al spoedig lieten zich de beperkende maatregelen die de bezetter oplegde voelen. De schoolbibliotheken kregen instructies van het door de Duitsers gecontroleerde Ministerie van Onderwijs, over welke boeken verwijderd dienden te worden, en welke aangepast moesten worden. Uitgangspunt daarbij was het nationaalsocialistische gedachtegoed: werken van joodse schrijvers waren voortaan taboe, evenals geschriften die afbreuk deden aan het ‘Groot Duitse Rijk’. De censuur strekte zich ook uit tot op andere terreinen. Voor bijeenkomsten als vergaderingen en opvoeringen moest bijvoorbeeld een ontheffing worden gevraagd. Zo verleende in het najaar van 1941 de procureur-generaal in Leeuwarden aan de Uithuizer mulo toestemming om een ouderavond te houden. Voorwaarde was wel dat er ‘geen onderwerpen van politieke aard ter sprake worden gebracht.’15 Meest ingrijpend waren wel de anti-joodse maatregelen die de bezetter doorvoerde. Een gebeurtenis die in Warffum al in het eerste oorlogsjaar grote indruk maakte, was het vertrek van directeur Van der Zijl. Deze was van joodse afkomst. Hoewel zelf niet belijdend – hij liet zich bij zijn komst in Warffum in het Bevolkingsregister inschrijven met het predicaat – en gehuwd met een Nederlandshervormde vrouw, vreesde Van der Zijl de maatregelen van de bezetter om hem

H E R I N N E R I N G E N VA N N OA C H B E N N I N G A Noach Benninga (1909-1993), zoon van

‘In Eenrum ging ik acht jaar naar de lagere

Piet Wiersema, de zoon van een huisschil-

een joodse winkelier uit Eenrum,

school. Na overleg met de hoofdonderwijzer

der, en de kleine roodharige Alexander

doorliep van 1922-1927 de hbs in

werd besloten dat ik naar de HBS zou

Hulst, die later hoogleraar in de theologie

Warffum. Daarna studeerde hij schei-

gaan. Meester Wieringa was niet erg

in Utrecht zou worden. We hadden allen

kunde. De oorlogsjaren overleefde hij

enthousiast. Hij vond mij maar een heel

een “huis”. Ik was met een stuk of vijf ande-

door in juli 1940 via Engeland naar

matige leerling. Ten slotte zei hij: “bij mij

re jongens bij postbode Van der Bank.

Nederlands-Indië te vluchten, waar hij

heeft hij een goede ondergrond gekregen,

Daar bracht ik in de morgen mijn boter-

in 1942 in een Jappenkamp belandde.

misschien houdt hij het de eerste jaren wel

hammen heen en tussen de middag at ik ze

Na korte tijd na de oorlog weer in

vol, maar is hij eigenlijk geen HBS-materi-

daar samen met de anderen in de voor-

Eenrum te hebben gewoond, emi-

aal.” (…) Maar ik deed toelatingsexamen

kamer op. Vrouw Van der Bank zorgde voor

greerde Benninga naar Amerika waar

voor de HBS in Warffum en ik slaagde.

warme melk en in de winter voor de kachel.

hij carrière maakte als chemicus. Op

We gingen op de fiets naar school, een

En dat kostte fl. 1,- per week.’

latere leeftijd zette hij zijn herinne-

afstand van ongeveer 10 km. Halverwege,

ringen aan zijn jeugd op papier:

in Baflo, pikte ik een paar klasgenoten op:

minne jaren, 1920 - 1945

65


• HHC Hoofdstuk 3.qxp

30-09-2008

14:50

Pagina 66

uit zijn functie te ontheffen. Hij besloot daarom zelf het initiatief te houden door naar Amsterdam te verhuizen en eervol ontslag te nemen. In het mededelingenschrift in de lerarenkamer schreef Van der Zijl: ‘Ondergeteekende heeft met ingang van 25 Sept. één maand ziekteverlof. De heer Meidersma is gedurende dien tijd waarnemend directeur. V.d. Z.’16 Met een handdruk nam de directeur daarop persoonlijk afscheid van zijn leraren en leerlingen. De hoop van Van der Zijl om in Amsterdam de oorlog onopgemerkt en ongedeerd door te komen, werd niet bewaarheid. In 1942 werd hij opgepakt en overgebracht naar het doorgangskamp Westerbork. Op 5 oktober van dat jaar werd hij in het Poolse Auschwitz vergast. In september 1941 kwamen de eerste maatregelen tegen joodse leerlingen. Kinderen met drie joodse grootouders mochten na 1 september van dat jaar niet meer op school worden toegelaten. Dit lot trof onder andere Corrie (Kaatje) Benninga uit Warffum. Zij was op dat moment leerling van de tweede klas van de hbs. Met haar moeder en broertje Philip werd ze op 28 september 1942 in Auschwitz omgebracht. Haar vader, veehandelaar Noach Benninga, werd een maand later in het kamp Mauthausen doodgeschoten. Gaandeweg de oorlog werd het schoolleven als gevolg van gebrek aan allerlei zaken ernstig bemoeilijkt. Leerlingen hebben moeite om op de fiets naar school te komen; luchtbanden zijn bijna niet te verkrijgen en op de vervangende massieve ‘kussie-’ of ‘kusjonbanden’ is de rit geen pretje. Hetzelfde probleem hebben uiteraard de leraren. Vooral de hbs, waarvan nogal wat docenten in Groningen woonden, werd hierdoor getroffen. Het openbaar vervoer tussen Uithuizen en Groningen bestond sinds de herfst van ’44, toen er geen treinen meer reden, uit een boerenwagen die drie maal per week heen en weer reed tussen Groningen en Uithuizen. Omdat er voor de laatste oorlogswinter ook te weinig brandstof voorradig was, werd de hbs feitelijk per 1 november 1944 gesloten. De leerlingen kwamen er twee maal per week een middag op school om hun werk in te leveren; iedere leraar gaf tien minuten les. Uitzondering was de eindexamenklas. De leerlingen daarvan kregen wat extra les in de met moeite verwarmde kleine bibliotheek, soms ook bij de ouders van één van de kinderen die een verwarmde kamer ter beschikking stelden.

n ot e n 1 De Groot, Retour Uithuizen, 86. 2 Idem, 20. 3 Jans, Alberda-school, 26. 4 Idem, 26. 5 Idem, 26. 6 Bakema, Honderd jaar, 61-62. 7 Broekema, Benjamin, 32. 8 Boekholt en De Booy, Geschiedenis van de school, 266. 9 Jans, Alberda-school, 25. 10 Idem, 25. 11 Idem, 26. 12 Bakema, 78-79. 13 Jans, Alberda-school, 30. 14 Klok, 5 x 25, 80. 15 Jans, Alberda-school, 30. 16 Klok, 5 x 25, 82.

66

het hogeland college


• HHC Fotokatern C

30-09-2008

14:56

Pagina 67

personeel

P.R. Bos

Geen oud-docent geniet waarschijnlijk zoveel faam als Pieter Roelf Bos (1847-1902), van 1871 tot 1875 als docent aardrijkskunde verbonden aan de hbs in Warffum. Hij stelde vanaf 1877 de eerste uitgaven van een atlas samen, die vele jaren later nog steeds zijn naam draagt. De 53e editie van de Bosatlas verscheen in 2007.


• HHC Fotokatern C

30-09-2008

14:56

Pagina 68

Aan de hbs van Warffum waren enkele docenten verbonden die bovenregionale bekendheid genoten. Jan Gerrit Jordens was van 1907-1917 als tekenleraar aan de school werkzaam. Later behoorde hij tot de oprichters van De Ploeg. Ook schreef hij enige boeken over de vernieuwing van het tekenonderwijs. Op de foto staat Jordens (links) in het gezelschap van zijn twee zoontjes voor zijn woning aan de Torenweg; rechts staan een schoonzus en zwager met dochter. Tijdens zijn verblijf in Warffum was Jordens ook directeur van de plaatselijke Avondtekenschool voor ambachtslieden.

68

het hogeland college


• HHC Fotokatern C

30-09-2008

14:56

Pagina 69

˘ ‘Zelfportret’ (1923) en ‘Rode maan boven Warffum’ (circa 1940), geschilderd door Ekke Abel Kleima (1899-1958). Kleima, van 1930 tot 1957 docent wis- en natuurkunde, mechanica en boekhouden aan de Warffumer, was als schilder autodidact. Vanaf 1925 was hij lid van de kunstenaarsgroep De Ploeg. Op de hbs ijverde hij sterk voor culturele vorming.

¯ Jilling van Dijk, directeur (vanaf 1968 rector) van de school in Warffum van 1958-1983. De foto werd in 1967 gemaakt in Van Dijks kamer in de nieuwbouw aan de A.G. Bellstraat. In de kast staan de ploegjes die ooit voor de gemeentelijke landbouwschool werden vervaardigd.

personeel

69


• HHC Fotokatern C

30-09-2008

14:56

Pagina 70

˘ Leraressen van de huishoudschool van Wehe-den Hoorn tijdens een schoolreis in 1958 of 1959. Links juf Scholma-Schelhaas (nuttige handwerken), rechts de directrice juf Laar-Zandt.

¯ Juf Zandt, directrice van de landbouwhuishoudschool van Wehe-den Hoorn, trouwde in 1959 met de heer Laar. Het bruidspaar poseerde met alle leerlingen voor de foto.

¯ Directeur Jan de Weerdt poseert met drie van zijn voorgangsters voor het gebouw van de lhno aan de Rijkensstraat in Warffum. De foto werd gemaakt ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan in 1979. Van links naar rechts: J. Terpstra, D. Sipkema, E. Koops-Hazenberg en J.H. de Weerdt. Mevrouw M. Dijkema-van der Veen was na J. Terpstra directrice. Zij was verhinderd te komen.

70

het hogeland college


• HHC Fotokatern C

30-09-2008

14:56

Pagina 71

Klasje van de mulo van Eenrum in 1948, het jaar van de (weder)oprichting van de school. In het midden meneer Schilz, met op schoot Koosje Weerman. Verder staan op de foto: Diet Boot, Sietje Kuizinga, Gerdie Heddema, Jans Huizinga, Dries Mulder, Hilbrand Bosma, Menno Bulthuis, Klaas Schutter, Hendrik Zijlstra, Jan Schipper en Jan Aldershof.

personeel

71


• HHC Fotokatern C

30-09-2008

14:56

Pagina 72

Het onderwijzend personeel van de Warffumer hbs in het schooljaar 1966-67, een tijdperk waarin docenten nog een stropdas droegen. Zittend, van links naar rechts: J. de Boer, G.J. ter Hoor,mevr. Tichelaar (administratie), mej. C.T.A. de Jongh, mej. F. Spandaw, mevr. F.T. Akkerman en F.A. Alblas. Staand: K.W. van Dijken, K. Bakema, W.J. van Neck, J.S. Meinardi, J. van Dijk (directeur), S. Boonstra, H.C. Terhaer, G. Pentenga en G. Klok.

72

het hogeland college


• HHC Fotokatern C

30-09-2008

14:56

Pagina 73

¯ Jan de Boer, omstreeks 1969. De Boer was werkzaam in Warffum van 1956 tot 1994, eerst als leraar Frans, later als plaatsvervangend rector.

˙ De heren B. Knollema en H.J.F. Jansen van de Uithuizer lts op een receptie in 1988. Jansen was van 1951-1979 directeur van de school. Ook was hij vele jaren voorzitter van de landelijke vereniging van directeuren in het beroepsonderwijs.

¯ Het personeel van de technische school van Uithuizen had jaarlijks – vergezeld van de echtgenotes – het ‘lts-diner’.

personeel

73


• HHC Fotokatern C

30-09-2008

14:56

Pagina 74

De heer Goris, als leraar ‘machineschrijven’ werkzaam op verscheidene Noord-Groninger scholen; hij bezocht die alle met een aanhangwagen met typemachines.

¯ Het personeel van de Alberda-mavo in het schooljaar 1979-1980. Van boven naar beneden en van links naar rechts: H. Tuinman, M. Demmer, G. Kemkers, A. Jans (directeur), J. van der Meij, J. van der Veen, H.S. Bronts en D. Jorritsma.

74

het hogeland college


• HHC Fotokatern C

30-09-2008

14:56

Pagina 75

Het echtpaar IJzenbrandt – rechts op de foto, links mevrouw Pol – maakte de mavo in Uithuizen van 1964 (de opening van het nieuwe gebouw aan de J. Cohenstraat) tot 1981 schoon. In december 1980 werd het paar feestelijk uitgeluid.

personeel

75


• HHC Fotokatern C

30-09-2008

14:56

Pagina 76

Een feestelijke avond van Advendo in hotel Spoorzicht in Warffum, 1964. Van links naar rechts Aizo Betten, conciërge Alje Maring en amanuensis Luitje Smit. Betten, vanaf 1962 tekenleraar aan de school vertelde bij zijn pensionering in 1998 over zijn aanstelling: ‘Op de Rijks Hogere Burgerschool zat men

76

te springen om een tekenleraar. Directeur Van Dijk heeft toen Minerva gebeld met de vraag Hebben jullie nog iemand? Dat ben ik toen geworden. In 1962 ben ik in Warffum begonnen. Toen wist ik absoluut niet waar het lag en ben dan ook in Winsum uit de trein gestapt. Gelukkig was er telefoon.’

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:35

4

Pagina 77

‘Kinder nait noar boer’, 1945-1968

‘Na een korte stilte voor den gevallen oud-leerling D. Wierenga, sprak den heer Zanstra, directeur der HBS, een woord tot ons. Spr. deelde in onze uitgelaten stemming, na 5 jaar onder druk te zijn geweest; zeide dat wij onze beste krachten aan de school, en daarmee aan de opbouw van Nederland zouden moeten geven. Na een samenzang van vaderlandse liederen werden buiten op het sportterrein de papieren van de Ned. Kultuurkamer enz., herinnering aan de overheersing, plechtig verbrand.’ 1

Het graf van Dirk Wierenga op de begraafplaats van Westernieland.

Bovenstaande woorden, afkomstig uit het notulenboek van de Warffumer schoolvereniging Advendo, geven de naoorlogse stemming goed weer: na kort stilstaan bij de gevolgen van de bezetting, was het vooral tijd voor werken aan de toekomst. Dat stilstaan was in eerste plaats bij de gevallenen. Eén van de (oud-)leerlingen van de hbs, Dirk Eliza Wierenga uit Westernieland, eindigde zijn leven op 20 mei 1944 voor een vuurpeloton op de Waalsdorper vlakte bij Den Haag. Als vijfdeklasser dook hij onder om aan de Arbeidsdienst te ontkomen. In deze periode kwam hij in aanraking met de illegaliteit: Wierenga nam actief deel aan het helpen onderduiken van joden en de distributie van bonkaarten. Eind 1943 viel de verzetsgroep waarvan hij deel uitmaakte in Enkhuizen door verraad in handen van de Duitsers. Bij de herbegrafenis van Wierenga in Westernieland waren namens de hbs directeur Zanstra en leraar Nederlands en geschiedenis Mensonides aanwezig. Anderzijds zag de school zich ook geconfronteerd met collaborerend gedrag. Bij Koninklijk Besluit van 8 juni 1945 was bepaald dat aan alle leerlingen die op 1 september 1944 leerling waren van de vijfde klas, of die tot 1 april 1945 tot die klas werden toegelaten, zonder eindexamen af te hoeven leggen het diploma kon worden uitgereikt. Een uitzondering werd gemaakt voor hen die ‘op grond van hun gedragingen tijdens de bezetting daarvoor niet in aanmerking behoren te komen’. Directeur en leraren besloten op grond van deze bepaling één leerling zijn papier te onthouden, omdat deze vrijwillig voor de Duitse Organisation Todt had gewerkt.2 De dagelijkse ongemakken als gevolg van de oorlogsomstandigheden lieten zich in de komende jaren op alle scholen nog volop voelen. De mulo in Uithuizen had na de bevrijding grote moeite om personeel te vinden; pas in november ’45 konden weer vier leraren worden aangetrokken.3 Evacués zorgden nog voor overvolle klaslokalen. En die vertrekken waren lastig warm te stoken, omdat de distributie voor brandstoffen ook na de oorlog gehandhaafd bleef. In de strenge winter van 1946-1947 slonk de voorraad kolen in de hbs zienderogen; halverwege janua-

‘ k i n d e r n a i t n o a r b o e r ’, 1 9 4 5 - 1 9 6 8

77


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:35

Pagina 78

Vrijgeleide van de Binnenlandse Strijdkrachten uitgereikt aan J.J. van Wieringen uit Uithuizermeeden om in Warffum de hbs te kunnen bezoeken, april 1945.

ri was er nog maar voor drie weken brandstof. Tegen leerlingen die aan de kachels ‘prutsten’ worden strenge maatregelen genomen, de school werd op de vrijdagen gesloten en het gymnastieklokaal werd helemaal niet meer verwarmd.4 Ook het vervoer naar school verliep lange tijd problematisch. In Warffum was dat in 1948 pas weer op orde. Op de jaarlijkse algemene vergadering van de Vereniging ‘de Hoogelandsche HBS’ werd geconcludeerd ‘dat de leerlingen bijna geen gebruik meer maken van de bus, nu de banden geen probleem meer zijn; de leerlingen gaan nu liever per fiets naar school. De bus heeft ons goede diensten bewezen de afgelopen jaren, en zal voorloopig wel blijven rijden, omdat ook andere passagiers er nu gebruik van maken.’

In verband met de oorlogsomstandigheden, vond de viering van het 75-jarig bestaan van de hbs in 1943 geen doorgang. Het tachtigjarig jubileum in 1948 werd daarentegen groots aangepakt. De reünisten werden op het station van Warffum feestelijk ontvangen.

78

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:35

Pagina 79

Het versierde gebouw van de hbs bij het jubileum in 1948. Tot de decoratie behoren onder andere borden met de wapens van Warffum en omringende gemeenten waarvandaan leerlingen afkomstig waren.

Geest van de moderne tijd In 1949 verscheen aan de Warffumer hbs een nieuwe schoolkrant, De Gong. De uitgave bevatte een bijdrage van directeur Zanstra, die besloot met de woorden: ‘meisjes en jongens, wat jullie ons te zeggen hebben, wat ligt er in het diepst van jullie hart besloten. Wij hopen dat jullie veel zult schrijven en dat wij ons kunnen verkwikken aan de frisheid van de jeugd.’6 Die laatste opmerking is niet zonder diepere betekenis, want juist hierover bestonden in deze tijd de nodige zorgen. De tijdens de bezetting door jongeren opgedane ervaringen en daarna de snel veranderende samenleving van na de oorlog, deden van velerlei zijde de bezorgdheid om de jeugd toenemen. Deze bezorgdheid vond een treffende onderstreping in het in 1952 verschenen rapport – opgesteld in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen – met de veelzeggende titel Maatschappelijke verwildering der jeugd. De onderzoekers maakten zich hierin zorgen over het verdwijnen van de traditionele jeugdbeweging, en het eindigen van het tijdperk waarin kinderen min of meer rustig in het voetspoor van hun ouders traden. De onderzoekers schuwden in hun rapportage geen typeringen in rake bewoordingen van de ‘massajeugd’, die haar tijd verbracht met slenteren op straat, die overmatig aandacht voor uiterlijkheden had en die in toenemende mate bioscopen en dancings bezocht: ‘De verwilderde jeugd leeft in een wereld die verregaand gestalteloos genoemd mag worden. De gestalteloosheid van zijn wereld uit zich in het onvermogen zelf gestalte te zijn: het uiterlijk is filmconfectie of volstrekt verwaarloosd; houding

‘ k i n d e r n a i t n o a r b o e r ’, 1 9 4 5 - 1 9 6 8

79


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:35

Pagina 80

en beweging vertonen geen uit het innerlijk komend gericht zijn: men leunt, hangt, slentert enzovoort; er is vaak een ongedurige bewegingsoverdaad zonder doel. Ook de stem en de articulatie geven de personale uitdrukking van de holle leegte: men loeit, men brult, men kletst als een eindeloos geleuter, men gilt en giert, men jengelt en zeurt. (…) Men beweegt niet, men wordt bewogen. Men wordt bewogen in het collectief van de voetbalclub, van de troep schafters die een prop papier heen en weer schoppen, van de rondslenterende schooljeugd die uit “sjansen” is, van de mensenstroom die een stadion in of uit stroomt, die naar fabriek of kantoor gaat, van de troep die marcheert met de gemechaniseerde voorbeeldigheid van een leger, men wiebelt en springt in een boogy-woogy, rumba, samba, maar men kent niet meer de openspringende persoonlijke vreugdesprong of - dans.’7 Wie denkt dat deze ontwikkeling alleen werd gesignaleerd bij de Randstedelijke – of zelfs enkel maar de stedelijke – jeugd, heeft het mis. Ook op de Hogelandster scholen wordt in de jaren veertig en vijftig met regelmaat gesproken over het ‘jeugdprobleem’. Aan de mulo in Uithuizen hield in 1947 Jan Boer8, directeur van de Rijkskweekschool in Meppel, op de jaarlijkse ouderavond een toespraak over het thema ‘Opvoedingsproblemen na de oorlog’. Hierin schuwde hij ferme taal niet: ‘Menschen zijn door de oorlog erg veranderd. Het symbool van de ouders was steeds hard werken en zuinig zijn. Leugen, bedrog en diefstal is de erfenis voor de jeugd van de Mof’.9 In Warffum gaf directeur Zanstra van de hbs het jaar daarop een lezing over ‘Bevordering der zelfwerkzaamheid van de leerlingen bij het onderwijs’. Daarin stelde hij: ‘Door invloeden van de tegenwoordige maatschappij wordt er een wereld geschapen van de massamensch. Ook de jeugd ondervindt die invloed. Bij de jeugd is er weinig liefde voor het werk, weinig activiteit en zelfstandigheid.’10 Wederom in Uithuizen sprak J. de Boer in 1956 op een ouderavond over ‘conflicten van de hedendaagse jeugd’: ‘er komt steeds meer ontspanning voor de

Programmaboekje voor de kerstuitvoering van Advendo in 1956, met op de achterzijde de tekst van het Advendo-lied. De Warffumer scholierenvereniging – Advendo staat voor Aangenaam Door Vriendschap en Nuttig Door Oefening – werd opgericht in 1918. Gedurende korte periodes was ze opgeheven: van 1924/25 tot 1926, en tussen 1934 en 1936.

80

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:35

Pagina 81

jeugd, op zich niet verkeerd, maar de ouders moeten er voor waken dat het werk er niet onder lijdt… Vele ouders hebben niets meer over hun kinderen te zeggen.’ Het hoofd van de mulo, J. Wolthuis, sloot zich volmondig bij de spreker aan: ‘in de derde klas heerst de geest van de moderne tijd: hard werken is er niet bij, wel veel ziekteverzuim en te veel zakgeld.’11 Tal van oplossingen werden aangedragen om van de jeugd – in de woorden van Zanstra – ‘zelfdenkende wezens’ te maken. Allereerst werd in het onderwijs een taak gezien. De Warffumer directeur meende dat ‘waar te helpen valt, geholpen moet worden om de leerlingen over een bepaald punt heen te helpen’. Hij zag daarbij een rol weggelegd voor het Dalton-onderwijs: hierbij kregen ‘leerlingen een taak op om dieper op de leerstof in te gaan.’ Invoering van dit onderwijstype zou echter nog een halve eeuw op zich laten wachten. De hele discussie over het ‘jeugdprobleem’ doet achteraf bekeken nogal overtrokken aan. Dit ook in de wetenschap, dat deze iedere generatie weer aanwakkert. Het is wellicht goed om zich te realiseren dat de bediscussieerde ‘verwilderde jeugd’ van de jaren veertig en vijftig de huidige zeventig-plussers zijn… Vormingswerk Uitnodiging voor een ouderavond in de mulo van Uithuizen, 1947.

Eén van de zaken die door de scholen in de jaren vijftig werd aangegrepen om de leerlingen weer een kader buiten – of beter gezegd in het verlengde – van de school te bieden, was het vormingswerk. Op het Hogeland was men hiervoor aangewezen op de volkshogeschool ’t Oldörp van de doopsgezinde predikant Menno J. Gaaikema in Uithuizen.12 ’t Oldörp was pas vanaf 1954 officieel een volkshogeschool, maar de werkzaamheden waren er in 1936 al begonnen. Dat jaar kwam op initiatief van Gaaikema een groep mensen bijeen om te spreken over de oprichting van een Gemeenschapshuis. Dit zou een tweeledig doel moeten hebben: de verschillende bevolkingsgroepen op het platteland (arbeiders, boeren en intellectuelen) dichter bijeen brengen, en iets doen aan de situatie van het snel groeiend aantal jonge werklozen. De gesprekken resulteerden in de oprichting van de Stichting Gemeenschapshuis. Een stuk grond werd aangekocht waarop door jonge werklozen een onderkomen werd gebouwd. Van hieruit werden cursussen en activiteiten georganiseerd om de doelstellingen van de Stichting te verwezenlijken. Het uitbreken van de oorlog dreigde al gauw een einde te maken aan het werk van het Gemeenschapshuis, maar dankzij steun van de provincie en de Groninger Maatschappij van Landbouw kon dit vooralsnog toch doorgang blijven vinden. Pas toen de bezetter in 1943 het gebouw vorderde, staakten de activiteiten. Na de oorlog veranderde het karakter van het werk van ’t Oldörp. Meer nadruk kwam te liggen op activiteiten voor scholieren en, vanaf 1949, de contacten met het Duitse Oost-Friesland, waar ’t Oldörp zich eerst voornamelijk op Groningse bevolkingsgroepen richtte. Hiermee heeft Gaaikema, in een tijd dat anti-Duitse gevoelens – begrijpelijkerwijs – nog aan de orde van de dag waren, baanbrekend werk verricht. In 1954 kwam uit de contacten de Stichting DuitsNederlandse Volkshogeschool tot stand. Voor gemeenschappelijke activiteiten kon er aan de andere zijde van de grens gebruik worden gemaakt van het De Pottere-Haus in Aurich, hiervoor ter beschikking gesteld door de Ostfriesische

‘ k i n d e r n a i t n o a r b o e r ’, 1 9 4 5 - 1 9 6 8

81


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:35

Pagina 82

Een bezoek van leerlingen van de lts van Uithuizen aan Aurich, eind jaren zestig. De Uithuizer jongens worden op de foto vergezeld door de leraren Ludema en Foekens, de vrouwen zijn leerkrachten aan de Berufsschule.

Landschaft, het cultuurparlement van Oost-Friesland. In deze tijd werd ook de band gelegd tussen de scholen in Uithuizen en die in het Duitse Westrauderfehn. Nog steeds vinden er uitwisselingen plaats tussen de partnerscholen. Een medestander vond Gaaikema vooral in directeur Zanstra van de hbs in Warffum. Die was omstreeks 1950 al betrokken bij de uitwisseling van docenten, die vooraf ging aan de bezoeken van scholieren over en weer om ‘wederzijds begrip’ te kweken. Vaak hield Zanstra lezingen voor de volkshogeschool, die bezocht werden door de hoogste klas van de hbs. In 1957 overleed de directeur, juist op weg naar Oost-Friesland.13 Wederopbouw onder bedreigd bestaan Hoe zag nu de wereld van de opgroeiende jeugd in de jaren veertig en vijftig eruit? Niet alles stond in de eerste decennia na de bevrijding in het teken van vooruitgang. Uit deze periode dateren tal van rapporten, die trachtten de verslechterende leefsituatie op het Hogeland in kaart te brengen, en uiteraard op grond daarvan oplossingen aan te dragen. Het bekendst is wel Bedreigd bestaan, een nota uit 1959. De titel vat de problematiek bondig samen. Na de eerste voorspoedige jaren van Wederopbouw zag de provincie Groningen, en misschien juist wel het noordelijk deel daarvan, zich met nieuwe problemen geconfronteerd. Meest zorgwekkend was wel de ‘leegloop’: het wegtrekken van – een deel van – de bevolking. Niet het inwonertal als zodanig daalde, maar de groei van Groningen bleef ver achter bij die van de meeste overige provincies. Ter illustratie: de bevolking nam hier tussen 1947 en 1958 toe met 4,8 procent, in Drenthe was dat met een percentage van 13,2 bijna het drievoudige. Alleen Friesland deed het landelijk gezien met 3,3 procent nog slechter. Oorzaak van de tegenvallende groei was het agrarische karakter van Groningen. Terwijl de landbouw vroeger de spreekwoordelijke kurk was waar de provincie op dreef, bood deze nu qua werkgelegenheid nog maar weinig toekomstperspectieven. De provincie lag ook nog eens aan de rand van Nederland

82

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:35

Pagina 83

en was infrastructureel slecht ontsloten. De hier aanwezige industrie was traditioneel, en bovendien veelal gericht op de verwerking van landbouwproducten. Jonge mensen en goedopgeleiden trokken daarom eerder weg. Beide categorieën gingen ook steeds meer samenvallen. In een onderzoek gehouden door het Ministerie van Landbouw en Visserij, sprak de onderzoeker N.H.H. Addens met tal van Hogelandsters. Hieruit worden de redenen voor vertrek wel erg duidelijk. Over de gevolgen van de leegloop van de kleinere dorpen kreeg Addens te horen: ‘De rederijkerskamer moet met kunst- en vliegwerk op de been worden gehouden, omdat er geen meisjes meer zijn. Met de tennisclub is het al soortgelijk: vroeger waren er op de vastgestelde speeltijden altijd omstreeks 20 spelers; nu krijgt men, met telefonische afspraak, nog hoogstens 4 of 5 bij elkaar. Het aantal jongeren is te klein geworden op het dorp voor een zelfstandig verenigingsleven.’ Bovenstaande is duidelijk opgetekend uit de mond van een (gezeten) boer; tennisclub en rederijkersvereniging waren niet het domein van de arbeidersjeugd. Juist uit die laatste kringen vertrokken de meeste jongeren naar elders, zoals de Noordoostpolder. Een – anonieme – inwoner van Usquert weet de reden voor de grootschalige migratie te geven: ‘De crisis van de 30-er jaren beheerst hier eigenlijk nog de situatie. Toen waren er van de ongeveer 250 arbeiders meer dan 150 werkloos. De ouders die deze ellende hebben meegemaakt, zeggen allemaal: “kinder nait noar boer”. Nu men na de oorlog steeds meer machines op de boerderijen ziet verschijnen, is het vertrouwen in de toekomst van het landarbeidersberoep volkomen weg. Er zijn in Usquert al 100 landarbeiders minder dan voor de oorlog en dat gaat zo door. Alleen de jongens, die helemaal niet kunnen leren en die nergens anders terecht kunnen, komen nog bij de boer terecht.’14 Het beroep van landarbeider was dus duidelijk aan devaluatie onderhevig. Dat kwam niet alleen door de genoemde opmars van landbouwmachines, die veel handenarbeid overbodig maakte, maar ook door meer sociaal bepaalde factoren. Een Hogelandster boer vertelde hierover aan Addens: ‘Alle landarbeiderszoons, die kunnen, gaan leren: ulo, kweekschool, lts, enkelen naar de lagere tuinbouwschool. De ouders praten hun kinderen van de boerderij af; zij slaan hun eigen beroep laag aan. Toch zouden veel landarbeiders niet graag fabrieksarbeider zijn. Maar hun dochters verkiezen een fabrieksarbeider boven een landarbeider als man. Het dienstmeisje zegt: mijn verloofde is “maar landarbeider”. Als er straks, wanneer zij willen trouwen, geen goede woning in het dorp beschikbaar is, dan is de jongeman, die een uitstekend vakman is, zo maar landarbeider af.’15 Geen wonder dat het onderwijs bijzondere aandacht kreeg: vier van de scholen die later zouden opgaan in het Hogeland College kwamen in de naoorlogse jaren tot stand.

‘ k i n d e r n a i t n o a r b o e r ’, 1 9 4 5 - 1 9 6 8

83


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:35

Pagina 84

Ambachtsschoulen Nu de toekomst voor kinderen nadrukkelijk in een andere richting dan de landbouw gezocht diende te worden, bogen enkele gemeenten en belangenorganisaties zich het hoofd over het bieden van andersoortig onderwijs. Door het stichten van ambachtsscholen zouden niet alleen jongeren voor de streek behouden blijven, maar werden de vestigingscondities voor (nieuwe) industrie ook gunstiger, omdat er dan immers geschoold personeel voorhanden was. Dergelijke scholen bevonden zich tot dan toe niet op het Groninger Hogeland; ze waren wel te vinden in stedelijke kernen in de provincie als de Stad, Veendam en Winschoten. Daarbuiten werden al vanaf het einde van de negentiende eeuw, bijvoorbeeld in Warffum, wel ambulante avond- en winteropleidingen in verschillende technische vakken verzorgd. Het ambachtsonderwijs werd pas vanaf 1921 wettelijk erkend, toen de Wet op het Nijverheidsonderwijs

Vanuit de Bond van Verenigingen voor Christelijk Nijverheidsonderwijs werd in 1949 een poging ondernomen om de lagere technische school in oprichting een christelijke signatuur te geven. Burgemeester Brinkman van Uithuizen wimpelde, hoewel zelf van antirevolutionaire huize – de poging af.

84

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

Brochure verstuurd aan potentiële leerlingen van de nieuwe school, 1951.

15:35

Pagina 85

in werking trad. Deze had als beginsel dat op de scholen, als voortzetting van het algemeen vormend onderwijs, praktisch en theoretisch onderwijs zou worden gegeven ‘in overeenstemming met de eisen, welke in het maatschappelijk leven worden gesteld’. Omdat die eisen snel konden veranderen, gaf de wet beperkte richtlijnen voor de inhoud van het onderwijs. Scholen hadden een grote vrijheid om zelf het aanbod te bepalen. Door de overheid werd benadrukt dat het nijverheidsonderwijs ook na de Wet van 1921 voornamelijk een zaak van particulier initiatief diende te blijven; door het Rijk werd tot maximaal zeventig procent van de kosten van de opleidingen gefinancierd. Een andere belangrijke inbreng van particulieren was het zogenaamde leerlingenstelsel. Binnen dit systeem genoten de kinderen een deel van hun opleiding binnen het bedrijfsleven.16 De opleidingsduur was sinds 1935 bepaald op twee jaar; binnen de school werd alleen gedifferentieerd naar beroepsrichting, en niet naar niveau. De keuze voor de school, betekende daarmee meteen al de keus voor een specifiek beroep. Op indirecte wijze lag in de richtingkeuze toch een aanduiding van niveau verscholen: sommige afdelingen deden een zwaarder beroep op het leer- en abstractievermogen van de leerlingen dan andere. Metselaar en schilder golden bijvoorbeeld als de ‘eenvoudige beroepen’, tegenover de opleidingen in de sector metaalbewerking, die doorgaans een hoger abstractieniveau vereisten.

‘ k i n d e r n a i t n o a r b o e r ’, 1 9 4 5 - 1 9 6 8

85


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

Pagina 86

Medio jaren vijftig werd op de ambachtsscholen een voorbereidende klasse ingevoerd, waarmee de vakopleiding van een vooropleiding werd voorzien. Tevens kon op deze wijze de uiteindelijke beroepskeuze nog een jaar worden uitgesteld.

˙ De lagere technische school aan de Havendwarsweg in Uithuizen, afgebeeld op een ansichtkaart uit ongeveer 1958. Het schoolgebouw dateert van 1954. Voordien werd op verschillende locaties verspreid over heel Uithuizen les gegeven. ˘ Uitnodiging voor de opening van het nieuwe gebouw van de technische school van Uithuizen.

86

Het spits voor een ambachtsschool op het Hogeland werd afgebeten in de gemeente Uithuizen. Daar was in 1946 al een Avondtekenschool actief, geleid door de gemeentearchitect H.F. de Boer en architect J.J. Smith. Deze opleiding ging in 1949 op in de dat jaar opgerichte Stichting ter Bevordering van het Ambachtsonderwijs voor Uithuizen en Omstreken, die een wintercursus van zes maanden gaf in de vakken metaalbewerking en houtbewerking. De opleidingen duurden in totaal drie jaar, waarna een getuigschrift werd verstrekt. Na vijf jaar kon een eindgetuigschrift worden behaald. Doel van het onderwijs was, volgens het in 1949 opgestelde leerplan, ‘Op de grondslag en met voortzetting van het algemeen vormend onderwijs aan a.s. en jeugdige vaklieden die theoretische kennis bij te brengen, welke nodig is voor een goede uitoefening van hun vak.’17 Naast deze avondopleiding, werd in 1951 – door dezelfde Stichting – een dagschool voor technisch onderwijs opgericht. Eerste directeur werd H.J.F. Jansen, die tot 1979 in deze functie aan de school verbonden zou blijven. Dezelfde vakken werden onderwezen als in het avondonderwijs, maar nu met een cursusduur van twee jaren. Een vast onderkomen had de school in die eerste jaren nog niet: in 1953 werden lessen gegeven op maar liefst zes locaties verspreid over Uithuizen! Het snel groeiend aantal leerlingen rechtvaardigde echter een eigen, ruim gebouw. De eerste steen daarvoor werd gelegd op 8 juni 1953 door mr. A. Brinkman, burgemeester van Uithuizen en voorzitter van het schoolbestuur. Na oplevering van het nieuwe gebouw in 1954 had de school diverse primeurs in huis: vanaf 1 april van dat jaar werd begonnen met een kopklas metselen – de eerste in het Noorden – en op 1 augustus 1955 startte de afdeling landbouwtractor-monteurs, als eerste in Nederland. Bovendien werd vanaf toen de tweejarige cursus omgezet in een driejarige. In de tweede helft van het

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

˚ Een excursie van leerlingen van de lts in Uithuizen naar machinefabriek Helpman in Appelscha, schooljaar 1962-1963. In de deuropening van de bus staan de leraren Freij en Lenting. ˘ Aflevering van het tijdschrift Ahoi, ‘Blad voor de technische school te Uithuizen’, juni 1956. Het blad was een landelijke uitgave, alleen het titelblad werd waarschijnlijk aangepast aan de afzonderlijke scholen. De inhoud bestaat uit varia binnen het interessegebied van jongens in de jaren vijftig: van het bouwen van een aquarium, wat te maken met meccano tot de rubriek ‘Postzegels kijken’.

Pagina 87

decennium kwam nog de langverwachte afdeling Schilderen van de grond, en werd het lessenpakket uitgebreid met vakken als godsdienst, maatschappijleer en culturele vorming (modelbouw, omgangsvormen, muziek en toneel). Het schoolgebouw volgde de groei van het onderwijsaanbod. In mei 1955 werd een stelloods in gebruik genomen waarin leerlingen buiten werkten, maar toch beschermd tegen eventueel slecht weer. De loods, de tweede in Nederland, was vervaardigd van ‘het nieuwste snufje, een Engels procédé, dat “perspex” heet, en waar je door heen kunt kijken, maar ook met een balk tegen kunt stoten.’18 In 1957 werd de westvleugel verhoogd met een verdieping met vier lokalen en naast de school werd bovendien een houten noodgebouw geplaatst. Trots kon Brinkman in 1961, bij het tienjarig bestaan van de lts, de balans opmaken. Van 64 leerlingen in 1951 was de school gegroeid naar 270. In het aanvangsjaar waren er naast de directeur drie leraren werkzaam, een decennium later zestien. Het onderwijsaanbod was sterk verbreed en de cursusduur was verlengd van twee tot vier jaar, althans voor de meeste leerlingen. Het bracht de burgemeester in zijn feestrede van ’61 – zoals dat hoort – naast euforie ook tot het plaatsen van kritische kanttekeningen: ‘Wij hebben de stichting van onze school altijd gezien als allereerst in het belang van de opbouw van onze streek, als het leggen van een basis voor enige industrialisatie. Deze blijft echter, als gevolg van de door onze Regering ten aanzien van het platteland gevolgde politiek, uit. Het is onze vúrige wens, dat dit nog eens anders zal worden, voor het te laat is en onze jeugd is verdwenen, zodat de arbeidskrachten, die de landbouw afstoot, zullen worden opgevangen in geëigende industrie in eigen streek, ten aanzien waarvan dan niet meer zal behoeven te worden gesproken van “Bedreigd Bestaan” maar van “Beveiligd en Bloeiend Bestaan” Wellicht zal de “Eemshaven” óók hiervoor uitkomst geven! God zegene alle pogingen tot verheffing van ons Hogeland !!’

‘ k i n d e r n a i t n o a r b o e r ’, 1 9 4 5 - 1 9 6 8

87


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

Pagina 88

Het slaan van de eerste paal voor de lagere technische school aan de Mernaweg in Wehe-den Hoorn, 1953.

Een tweede lagere technische school op het Noord-Groninger platteland, die van Wehe-den Hoorn, kwam tot stand in 1954. Bevoegd gezag was hier de gemeente. Aan de school was als eerste directeur verbonden H. Dijkstra; deze gaf tevens de lessen vaktekenen en –theorie. De leerlingen konden na het eerste algemene jaar, een keuze maken tussen de afdelingen hout- en metaalbewerking. Evenals in Uithuizen werden er in Wehe-den Hoorn ook (avond)cursussen gegeven, die een directe relatie hadden met het agrarisch karakter van de streek. In 1954-55 werd een cursus Tractor-Motortechniek gegeven; deze werd na een jaar gestaakt, waarna de leerlingen werd geadviseerd zich in te schrijven voor de

88

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

Fotoserie gemaakt in de lts van Wehe-den Hoorn, jaren vijftig.

Pagina 89

Technische Landbouwcursus, die in samenwerking met de Groninger Maatschappij van Landbouw vanuit de school in Wehe-den Hoorn werd gegeven. Met ingang van het schooljaar 1958-1959 werd aan de lts nog een ‘kopklasse’ landbouwwerktuigherstellen verbonden. Dat beide scholen in een behoefte voorzagen, mag duidelijk zijn. Naar schatting was zo’n negentig procent van de leerlingen in de jaren vijftig afkomstig uit de kringen van landarbeiders.19

‘ k i n d e r n a i t n o a r b o e r ’, 1 9 4 5 - 1 9 6 8

89


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

Pagina 90

Meisjes Meest opmerkelijke ontwikkeling van na de oorlog is wel de toenemende deelname van meisjes aan het voortgezet onderwijs. ‘Doorleren’ was voordien voor hen geen vanzelfsprekendheid. De hbs liet dan wel sinds 1871 meisjes toe, maar een dergelijke opleiding was toch vooral voorbehouden aan boerendochters. Toen in 1954 een gezelschap van boerinnen uit Leens gevraagd werd naar de belangrijkste veranderingen in het leven van vrouwen op het platteland, antwoordden ze – daarbij waarschijnlijk geïnspireerd door de ervaringen van hun moeders en grootmoeders: ‘Van 1850-1890 bezocht men slechts de Lagere School. Wanneer deze doorlopen was, gingen sommige boerendochters naar kostscholen, niet alleen in Groningen,

‘ WAT M O E T O N Z E D O C H T E R G A A N D O E N ? ’

90

Als iets de Hogelandster landbouw-

naaien en verstellen van kleiding, verzor-

Is dit onderwijs duur zult U vragen. Komt

huishoudscholen niet ontzegd kan

ging van bloemen en planten in huis en

U eens spreken met de directrice. Zij ver-

worden, is het wel een gevoel voor

tuin en kinderverzorging.

schaft U gaarne inlichtingen, en is daartoe

‘marketing’. Iedere school zette zoge-

Maar dit is ook nog niet alles. Ook aan de

noemde ‘propagandistes’ in om zoveel

algemene ontwikkeling wordt aandacht

des Dinsdags van 31/2 - 41/2 uur en

mogelijk leerlingen binnen te halen,

besteed. De meisjes leren hoe zij haar brie-

des Vrijdags van 31/2 - 41/2 uur

en met regelmaat werden open avon-

ven moeten schrijven, hoe zij moeten

den gehouden om ouders met het

omgaan met geld, zij leren er lezen, reken

steeds aanwezig aan de Landbouwhuis-

onderwijs kennis te laten maken. Ook

enz., maar ook kennis van de eigen omge-

houdschool van de Groninger Maatschappij

werden aan de krant – in overleg met

ving en het eigen land wordt er bijgebracht.

van Landbouw te Den Hoorn.

het bureau van de Groninger Mij –

Er is in de landbouwhuishoudschool altijd

kant-en-klare artikelen aangeleverd.

een opgewekte sfeer. U hoort de meisjes zin-

Maar behalve voor de jongeren heeft de

Onderstaand bericht verscheen in de

gen. Ze doen aan gymnastiek en vieren

landbouwhuishoudschool ook een opleiding

Noorder Nieuwsbode van 13 april

gezamenlijk de hoogtijdagen.

voor het oudere meisje, dat thuis reeds mee-

1951, onder de veelzeggende titel ‘Hoe

De tweejarige primaire dagopleiding is ide-

helpt. Ook zij zal het prettig vinden haar

vormen we onze meisjes tot goede

aal voor het plattelandsmeisje. Zij ontvangt

huishoudelijke kennis te verrijken en samen

huisvrouwen?’:

goed onderwijs in doelmatig ingerichte

met haar vriendinnen een landbouwhuis-

leslokalen van speciaal daartoe opgeleide

houdcursus te volgen van twee dagen in de

Nu binnenkort weer talrijke leerlingen de

leerkrachten.

week. Op deze landbouwhuishoudcursus

lagere school zullen verlaten, rijst bij vele

Ouders, kunt U zich een mooiere opleiding

wordt onderwijs gegeven in naaien en ver-

ouders de vraag: Wat moet onze dochter

voor Uw dochter bedenken? Zij heeft er haar

der in de huishoudelijke vakken als koken,

gaan doen?

hele leven plezier van. Na zes jaren lagere

wassen, verzorging van de woning, bloemen

Is het uw ideaal een goede huisvrouw van

school te hebben gevolgd, kan zij reeds naar

en planten in huis en tuin en voorts in kin-

haar te maken, die zich op het platteland

de landbouwhuishoudschool, waar zij na

derverzorging en opvoeding.

op haar plaats gevoelt, stuur haar dan

twee jaar werken een getuigschrift kan ver-

Ieder meisje, dat niet meer leerplichtig is,

naar een landbouwhuishoudschool. Zo’n

werven. Als zij dan later een eigen huishou-

kan deze cursus volgen. Niet alleen kunnen

school bevindt zich in de buurt, namelijk in

ding heeft, staan haar handen niet verkeerd.

zij na twee jaren een diploma behalen,

Den Hoorn bij Wehe.

Dan kan zij huis en huisraad onderhouden,

maar zij zijn dan in staat een huishouding

De meisjes leren daar: koken, behandeling

koken, wassen, naaien, strijken en weet zij

te leiden op de goedkoopste en minst tijdro-

van de was, verzorging van de woning,

iets van de opvoeding van de kinderen.

vende manier.

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

De landbouwhuishoudschool aan de Mernaweg in Wehe-den Hoorn, tijdens de verbouwing en de opening in 1949.

Pagina 91

doch ook elders in de provincie. Vermoedelijk heeft aan de weg tussen Leens en Ulrum een dergelijke school gestaan. Op deze kostscholen kreeg men naailessen en deed wat algemene kennis op. Deze lessen werden langzamerhand wat uitgebreid met talen; de emancipatie van de vrouw zal ongetwijfeld op de boerendochters haar invloed hebben gehad, zodat er een drang naar ontwikkeling bestond.’20 Enkele boerinnen uit Pieterburen, Eenrum en Westernieland waren in hun antwoord nog uitgesprokener: ‘Voor de boerendochter lag er tot plm. 1915 eigenlijk maar één weg open en dat was zich te bekwamen in de huishouding. Na haar periode in de stad kwam ze weer thuis en hoewel de tijd goed gevuld werd en de handen nooit ledig mochten staan (karnen, huiswerk, naaien, handwerken, dikwijls melken) was het toch min of meer “het zitten wachten op een man”’21 Juist in deze laatste tijd, het eerste kwart van de twintigste eeuw, werd door de Groninger Maatschappij van landbouw het onderwijs aan plattelandsmeisjes ter hand genomen. Dit vanuit de visie dat de vrouw een waardevolle bijdrage leverde aan het boerenbedrijf. Ook het feit dat het voeren van een modern huishouden,

‘ k i n d e r n a i t n o a r b o e r ’, 1 9 4 5 - 1 9 6 8

91


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

Pagina 92

˙ Om steun te krijgen voor de oprichting van een landbouwhuishoudschool in Warffum, schreef de Groninger Maatschappij van Landbouw tal van maatschappelijke en belangenorganisaties in Noord-Groningen aan. Niet alle aangeschrevenen toonden zich even enthousiast: organisaties op gereformeerde grondslag zullen liever de totstandkoming van een bijzondere school hebben gezien, anderzijds werd de voorgenomen oprichting ook als een concurrent van reeds bestaande lokale initiatieven gezien.

met aandacht voor hygiëne en een gezonde voedselbereiding, sterk in de belangstelling stond, bracht de Mij er toe zich te richten op het onderwijzen van deze vaardigheden. In 1909 werd getracht een zelfstandige school te stichten in de stad Groningen voor meisjes ‘wier toekomst naar het platteland heenwijst’, maar deze poging mislukte. Vooralsnog werden er, doorgaans ’s avonds, onder auspiciën van de Maatschappij landhuishoudkundige cursussen gegeven op wisselende locaties in de provincie. Tot oprichting van landbouwhuishoudscholen, waar ook dagonderwijs kon worden gevolgd, kwam het pas in 1926 en 1941 in respectievelijk Appingedam en Zuidhorn. Tot oprichting van een derde school, voorgenomen in de gemeente Leens, kwam het door het uitbreken van de oorlog niet. De plannen daarvoor waren wel al in een vergevorderd stadium. Een pand, een voormalig stationsgebouw aan de lijn Winsum-Zoutkamp, was al aangekocht. De keuze voor vestiging viel na de bevrijding op Wehe-den Hoorn. De Groninger Maatschappij bezat in het dorp al een pand, aan de Mernaweg, waar in samenwerking met de Vereniging tot Bevordering voor Nijverheidsonderwijs op het platteland te Groningen cursussen werden gegeven. Pas op 1 oktober 1949 kon het gebouw worden bestemd voor de voorgenomen functie. Na een grondige verbouwing beschikte het over een naai- en een praktijklokaal. Aanvankelijk werd hier alleen een driejarige cursus gegeven, voor twee dagen per week. Deze opleiding was dus alleen toegankelijk voor niet-leerplichtige meisjes. Toch was de animo groot: er waren meer aanmeldingen (in dit eerste jaar 26, waarvan er weer 2 afvielen) dan er leerlinges geplaatst konden worden. Als tijdelijk directrice werd mejuffrouw J. Hoogeveen benoemd, in het jaar erop reeds opgevolgd door mejuffrouw A. Ahrens. Vanaf 1 mei 1950 werd voor leerplichtigen ook een primaire cursus aangeboden, die aansloot op de lagere school. Na deze twee jaar kon een opleiding tot Assistent worden gevolgd. Daarnaast bleven uiteraard de goedbezochte avondcursussen bestaan.

92

het hogeland college

˙ Advertentie uit de Hogelandster van 14 april 1951.


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

Pagina 93

¯ Het gebouw van de Grietje Reindersstichting aan de Spoorstraat in Warffum. Van 1954 tot 1968 was hier de landbouwhuishoudschool gevestigd. ˙ Wervingsadvertentie uit de Ommelander courant van 4 juni 1954.

De landbouwhuishoudschool van Wehe-den Hoorn kende in de komende decennia geen spectaculaire groei in leerlingenaantallen. Nimmer steeg het aantal boven de zestig; aan het eind van de jaren vijftig zette zich zelfs een sterke daling in. In een vergadering van de Commissie van Beheer in 1959 werd hiervoor een mogelijke verklaring aangedragen: ‘Verschillende ouders zenden hun kind liever naar de Mulo, omdat zij menen, dat zij zelfs slechts met 1 of 2 jaren onderwijs, een betere kans hebben voor een betrekking op kantoor of in een winkel.’22 De zorgen over de huisvesting zijn een terugkerend thema in de vergaderingen van het bestuur. In 1962 wordt het plan geopperd om het oude gebouw af te breken, en op het vrijgekomen terrein een nieuwe houten school te bouwen. Het voornemen stuitte echter op bezwaren van de schoonheidscommissie.23 Pas in 1968 werd een besluit inzake nieuwbouw genomen. Zorgen om de ontwikkeling van het leerlingental stonden een eerdere beslissing in de weg. Het bestuur van de school tekende hierbij met nadruk aan, dat het handelde ‘ter wille van de streek’ om deze tak van onderwijs hier te behouden.24 De komst van een landbouwhuishoudschool in Warffum, was het directe resultaat van een poging om een dergelijke school in Uithuizen te stichten. Tijdens het vooronderzoek dat daarvoor in 1947-1948 door de Groninger Maatschappij werd gehouden, bleek dat er voldoende animo en leerlingenpotentieel hiervoor aanwezig was. Uiteindelijk verdween Uithuizen daardoor zelfs uit beeld. De vestiging paste in de afspraken die in deze tijd met de Christelijke Boeren- en Tuindersbond waren gemaakt over de vestiging en verdeling van landbouwhuishoudscholen over de provincie.25 In Warffum werden al sinds 1917 handwerk- en kookcursussen gegeven. Deze opleidingen werden georganiseerd door het Fonds Jaco. Die stichting was in 1917 opgericht door veearts Kornelis Jacobus Laméris, met als doelstelling het bewerkstelligen van ‘beschaving en ontwikkeling van de volksklassen in Warffum, leidende tot een blijmoedige, gezonde en ruime wereldbeschouwing.’ In

‘ k i n d e r n a i t n o a r b o e r ’, 1 9 4 5 - 1 9 6 8

93


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

‘Als wij, als bestuur, nu, na het verstrijken van deze 10jarige periode, de stand van zaken overzien, dan zal het u niet verwonderen dat wij

Pagina 94

afwachting van de totstandkoming van een landbouwhuishoudschool, begon het Fonds Jaco in 1949 met een landbouwhuishoudcursus voor leerplichtigen. Het initiatief en de locatie werden in 1954 overgenomen door de nieuwe school. Deze zou ‘voorlopig’ worden gehuisvest in het dorpshuis dat van de Grietje Reindersstichting werd gehuurd. De school zou hier echter tot 1969 onderdak vinden. Op jaarbasis werd aanvullende accommodatie gehuurd, bijvoorbeeld het gymnastieklokaal van de hbs. Twee jaar na de opening werd de accommodatie nog uitgebreid met twee vrijstaande houten noodlokalen. Als eerste directrice werd in 1954 mevrouw J.K. Terpstra aangesteld; zij gaf tevens de huishoudvakken en gymnastiek.

met een glimlach nog wel

tistiek zondermeer gedecre-

Beide landbouwhuishoudscholen hadden als bevoegd gezag de Groninger Maatschappij van Landbouw, de initiator voor de oprichting. Vanuit het bestuur hiervan was de secretaris belast met het toezicht op het reilen en zeilen van de school. Van 1948-1966 was dit mr. J.A. Buurma, daarna van 1966-1984 mr. A.F. Stroink. Als staffunctionaris met de bijzondere taak – onder andere – het onderhouden van contacten met de directies van de huishoudscholen fungeerde in de jaren 1965-1979 mejuffrouw M.B. Slim.26 Zowel de school in Wehe-den Hoorn als Warffum hadden een Commissie van Beheer. Hierin waren de betreffende gemeenten vertegenwoordigd, evenals vertegenwoordigers van lokale belangenorganisaties als ouders van leerlingen.

teerd werd dat wij in ons

Boerderij

rayon op nooit meer dan

In het stichten van scholen voor een andere vorm van nijverheidsonderwijs, nu voor jongens (in concreto: lagere landbouwscholen), was de Groninger Maatschappij voor Landbouw in de jaren vijftig op het Hogeland minder succesvol. Pogingen werden ondernomen om dergelijke opleidingen van de grond te krijgen in Leens en Uithuizen, maar deze bleven zonder succes. Ondanks dat de plannen voor de laatste vestiging al in een vergevorderd stadium verkeerden: aan het Ministerie van Onderwijs werd een bouwtekening – van de verbouwing van de Nutskleuterschool aan de Hoofdstraat – al overlegd.27 De lts van Uithuizen bewoog zich in deze tijd ook op dit gebied. Ze begon in 1955 met een afdeling landbouwtractormonteurs en gaf in 1957 een parttime opleiding tot landbouwmecanicien; deze werd echter geen succes en duurde maar één jaar. Enkele jaren later startte aan de school een gedurfde opleiding, die daarmee een landelijke primeur was, door mr. A. Brinkman met de volgende woorden geïntroduceerd:

eens terugdenken aan de zogeheten bouwbespreking in Den Haag op 21-04-’50, waar op grond van de sta-

120 leerlingen hoefden te rekenen!! Hoewel we toen al in ons bezit hadden de handtekeningen van de ouders van 126 toekomstige leerlingen! Een mooi staaltje van het regeren met het domme potlood! ’ (Burgemeester Brinkman in zijn rede bij het tienjarig bestaan van de lts in Uithuizen).

‘Een school moet zich dienstbaar maken aan de streek waarin hij staat, voor ons is dat industrie of ligt ’t in de agrarische sector. Wij, ’t bestuur van de Technische School, hebben toen besloten een landbouw-afdeling op ons rooster te plaatsen.’28 Het ministerie voor Onderwijs en Wetenschappen had in 1964 voor het experiment voor vier jaar het alleenrecht aan Uithuizen verleend. De leerlingen volgden in het kader van deze opleiding eerst een algemeen jaar, en werden in de twee daarop volgende jaren vertrouwd gemaakt met alle landbouwwerkzaamheden.

94

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

Pagina 95

Drukproef voor een obligatie, in 1964 uitgegeven om de opleiding tot landbouwtechnicus aan de lts van Uithuizen te financieren.

‘ k i n d e r n a i t n o a r b o e r ’, 1 9 4 5 - 1 9 6 8

95


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

Pagina 96

G E VA A R L I J K K WA RT I E RTJ E Wehe-den Hoorn wás al een dubbel-

‘Mevrouw Torrenga vraagt, hoe de middag-

eens gaan spreken met de directeur en zien

dorp, maar mevrouw Torrenga, lid van

pauze wordt doorgebracht, daar zij wel eens

of aan iedere groep een bepaald deel van

de Commissie van Beheer van de land-

klachten van de ouders heeft gehoord over

het dorp kan worden aangewezen, waar zij

bouwhuishoudschool, pleitte eind

het contact met de jongens van de ambachts-

moeten blijven.’

jaren vijftig voor een nog verdergaan-

school. De meisjes gaan volgens mejuffrouw

de opdeling. Uit de notulen van de

Zandt na het eten nog een kwartiertje naar

De klacht sorteerde kennelijk weinig succes.

bestuursvergadering van 9 december

buiten. Zij treffen dan de leerlingen van de

Begin jaren zestig was het verkeer tussen de

1959:

ambachtsschool. Het is niet zo gemakkelijk

huishoudende en ambachtelijke seksen nog

de middagpauze te veranderen. Zij zal echter

onderwerp van gesprek aan de Mernaweg.

Om praktijkervaring op te kunnen doen, werd door de school een boerderij geëxploiteerd. Aanvankelijk was getracht deze te kopen, maar ondanks dat hiervoor door het landbouwbedrijfsleven 60.000 gulden bijeen was gebracht, ketste de aankoop van een bedrijf dat men op het oog had op het laatst af. Daarna kon deze boerderij, de 12 hectare grote Maarlandhoeve aan de Havenweg, wel gehuurd worden van de nieuwe eigenaar.29 Verschillende landbouwers uit de omgeving stelden voor de bedrijfsvoering tal van (verouderde) werktuigen ter beschikking. De leerlingen verzorgden op de boerderij ook een kleine veestapel: zeven runderen werden er gehouden, evenals zes schapen, vier varkens en een paard. Het draaiende houden van het bedrijf vergde het nodige van de cursisten. Zij offerden een goed deel van hun vakantie op voor de oogstwerkzaamheden, evenals de zondag, omdat dan bij toerbeurt voor de beesten moest worden gezorgd. Gevolg was wel, dat door de opbrengsten van alle inspanningen de school zichzelf kon bedruipen. Met de opleiding trachtte het schoolbestuur het imago van landarbeiders en landarbeid te verbeteren. Directeur Jansen over de positie van het beroep: ‘Jongens kregen weinig animo voor de landbouw. Het landarbeidersvak is verguisd. Wat nodig is om de zaak op een hoger plan te brengen is een gedegen vakopleiding, zoals een timmerman die krijgt. Vandaar ook de praktijklessen die de jongens krijgen. Niet in de eerste plaats om de handvaardigheid, maar om de leerlingen een kapstok te geven, waaraan ze de theorie op kunnen hangen.’30 Ongetwijfeld tot verrassing van sommigen, volgden niet alleen kinderen uit arbeidersgezinnen de cursus; ook een boeren-, dominees- en een bakkerszoon meldden zich aan. Van de eerste lichting leerlingen meldden zich twee aan voor het toelatingsexamen voor de middelbare landbouwschool. Daarvoor slaagden ze ruim.31 Mulo’s en hbs: naoorlogse explosie Tot nu toe is goeddeels voorbijgegaan aan de al voor de oorlog bestaande scholen: de mulo’s van Eenrum en Uithuizen, en de Warffumer hbs. Beide onderwijsvormen profiteerden in de eerste naoorlogse jaren van wat wel de ‘explosie van het voortgezet onderwijs’ wordt genoemd. Strikt genomen vallen de mulo’s, als vormen van lager onderwijs, uiteraard niet binnen deze kwalificatie, maar gevoelsmatig gold dit schooltype als een vorm van eindonderwijs, en zo presenteerden de

96

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

Pagina 97

scholen zich doorgaans ook. De populariteit van de mulo in de provincie Groningen is daarnaast nog eens extra opvallend, zoals blijkt uit onderstaande tabel, die een overzicht geeft van welk type onderwijs Noord-Groninger kinderen in de leeftijd van 12 tot 20 jaar in 1953 volgden:

Leerlingen bij de voornaamste takken van voortgezet onderwijs in Noord-Groningen* versus Nederland in 1953 (in percentages van het aantal 12-20-jarigen) Gebied

ULO Dag-v.h.m.b.o.

lager nijverheidsonderwijs

land- en tuinbouwonderwijs

M

V

Totaal

M

V

M

Noord-Groningen

15,6

16,2

15,9

6,1

4,5

5,3

12,5

9,6

25,7

Nederland

11,3

11,3

11,3

8,7

5,2

7,0

19,7

10,2

49,6

Totaal

V

Totaal

* Gemeenten: Baflo, Eenrum, Kloosterburen, Leens, Middelstum, Stedum, Uithuizen, Uithuizermeeden, Ulrum, Usquert, Warffum. Bron: J.G. Lulofs, De ontwikkeling van de bevolking, de beroepsbevolking, de werkgelegenheid en de werkloosheid in het gewest Uithuizen.

De Alberda-school aan de J. Cohenstraat in Uithuizen, gefotografeerd aan het eind van de jaren zestig. Het gebouw werd in 1964 in gebruik genomen. Architect was de rijksbouwmeester J.J.M. Vegter.

Voor het succes van de mulo is een aantal verklarende factoren aan te voeren. Eén daarvan is al genoemd: veel scholen presenteerden het mulo als eindonderwijs. Een tweede mogelijke reden is de grote afstand van veel kleine dorpen in Noord-Groningen tot Warffum en de Stad, waar de hbs kon worden gevolgd. Van oudsher had het gebied daarom al een fijnmazig net van muloscholen; een groot aantal daarvan was bovendien, gezien de signatuur van de

‘ k i n d e r n a i t n o a r b o e r ’, 1 9 4 5 - 1 9 6 8

97


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

Pagina 98

streek, op bijzondere leest geschoeid. Ten derde was de leerplicht inmiddels verhoogd tot het vijftiende jaar, waardoor eerder voor een langere opleiding werd gekozen, en deze ook niet voortijdig werd verlaten. Een laatste reden, die in het bijzonder opgeld doet voor de naoorlogse periode, is dat traditioneel bepaalde motieven voor de keuze van een vervolgopleiding nu onder druk kwamen te staan. Anders gezegd: de ouders maakten nu een andere keuze voor hun kinderen, dan een generatie daarvoor. Sociologen van de Rijksuniversiteit Groningen die in de jaren vijftig studie verrichten naar kleine dorpen in Noord-Groningen – als voorbereiding voor het rapport Bedreigd bestaan – schreven daarover:

‘Helaas waren er in 1965 bij de eerste ouderavond in de nieuwe school weinig ouders aanwezig. Er was een reden: een belangrijke voetbalwedstrijd op t.v. Daar kon je toen nog wel voor thuis blijven. ’ (Gedenkboek Alberda-school, 1981).

98

‘Vroeger nam men, zeker in arbeiderskringen, en in het bijzonder in de traditionele sfeer van het kleine dorp, veelal genoegen met lager onderwijs voor de kinderen. Tegenwoordig is een algemene interesse ontwaakt voor de U.L.O., de technische scholen, het landbouwhuishoudonderwijs voor de meisjes, enz. Ten dele gaat het hierbij om verschuivingen in de groepsnormen (volgens welke in de dorpsopvattingen voortgezet onderwijs steeds meer als “normaal” wordt aanvaard). Vroeger was het in het landarbeidersgezin regel, dat de kinderen, gewaardeerd als toekomstige bron van inkomsten voor de ouders, zo jong mogelijk moesten gaan verdienen. Tegenwoordig, bij de gestegen welvaart, doet zich de mogelijkheid voor zich meer aan de opvoeding van de kinderen ten koste te leggen. Het gaat echter niet alleen om de economische mogelijkheid van de ouders om offers te brengen voor voortgezet onderwijs, maar ook de innerlijke bereidheid daartoe over te gaan.’32 De mulo van Eenrum, opgeheven in 1936, maakte in deze gunstige tijd een nieuwe start. In 1947 werd hiertoe vanuit de oudercommissie van de lagere school het initiatief genomen. Aan de wettelijk eis van een minimum van 31 leerlingen zou, zo bleek uit een gehouden vooronderzoek, gemakkelijk worden voldaan. Uit Eenrum zelf werden 28 leerlingen verwacht, uit Pieterburen dertien en uit Warfhuizen twee. Onder hen waren acht kinderen, die toen nog de mulo in Ulrum bezochten. De school kon uiteindelijk, in het gebouw van de OLS, van start gaan op 1 april 1948 met 49 leerlingen. Dit aantal groeide snel, in 1951 bezochten 94 kinderen de school. Deze waren bovendien afkomstig uit een groter gebied, dat zich uitstrekte tot Baflo, Kloosterburen en Wehe-den Hoorn. De toeloop ging eerst ten koste van de kleuterschool, die ook in het gebouw was gehuisvest. Daarna moest ruimte worden gehuurd in het voormalig stationsgebouw aan de J.J. Willingestraat. Een tijdelijke teruggang in het leerlingental, midden jaren vijftig, verminderde de noodzaak om uit te zien naar nieuwe huisvesting. Dit was enkele jaren later weer aan de orde: in 1961 werd een nieuw scholencomplex gebouwd. Dit werd in 1963 vergroot met een extra lokaal.33 In Uithuizen werd in 1948 al besloten de mulo los te maken van de lagere school. De laatste zou een nieuw gebouw krijgen. In 1949 werd hiervoor de eerste steen gelegd, en een jaar later kon de verhuizing naar de nieuwe school – de Engersmaschool – plaatsvinden. De mulo bleef gevestigd aan de Schoolstraat. De splitsing had ook organisatorische gevolgen: eerste directeur van de nu zelfstandige mulo werd M. Wolthuis, al sinds 1932 aan de school verbonden. Het aantal leerlingen in Uithuizen laat in de naoorlogse jaren ook een opwaartse ontwikkeling zien: dit groeide van 143 in 1945 tot 225 in 1960.

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

Pagina 99

De ulo van Eenrum, eind jaren vijftig. Het gebouw was tot 1961 in gebruik en werd twee jaar daarna afgebroken.

Het gebouw van de lagere en muloschool aan de J.J. Willingeweg in Eenrum, begin jaren zestig.

Opvallend daarbij is de relatieve toename van het aantal meisjes; in 1948 was de verhouding jongens-meisjes gelijk, daarna volgden er doorgaans – een enkel uitzonderingsjaar daargelaten – meer meisjes de school. In 1962 werd de aanbesteding van een nieuw schoolgebouw bekend gemaakt. De nieuwbouw werd in 1964 geopend. Daarmee was meteen het gemis aan een overblijflokaal in de oude school voorbij: ‘De leerlingen werden in de pauze gezien bij de automatiek en zelfs waren er enkele leerlingen die gingen biljarten’.34 Tussen de mulo’s en de hbs bestond een zekere mate van animositeit. Vanuit Warffum werd de schoolhoofden in de omgeving wel eens verweten, dat zij hun leerlingen niet opleidden voor de hbs, maar deze taak aan het mulo overlieten.

‘ k i n d e r n a i t n o a r b o e r ’, 1 9 4 5 - 1 9 6 8

99


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

Pagina 100

De laatste schooldag in het oude hbs-gebouw, 1967.

En – zoals al opgemerkt – : de stap van mulo naar hbs werd nog slechts door weinigen gezet. Omdat de hbs vanaf eind jaren veertig te kampen had met een sterke teruggang in het aantal leerlingen, bezon directeur Zanstra zich op een aantal maatregelen om de school te laten overleven. Allereerst werd in 1948 aan de hbs een A-afdeling verbonden. Invoering van deze literair-economische stroom, naast de sterk mathematische B-afdeling, zou leerlingen aan de school moeten binden, die anders op grond van hun capaciteiten waren uitgeweken naar andere opleidingen, of naar een hbs in de Stad.35 Ook de instelling van een ‘zaterdagmorgenschool’ met ingang van 1951 hoorde tot de pogingen van de hbs om meer leerlingen naar de school te trekken. Op deze cursus, gegeven voor leerlingen van het lager onderwijs, werd twee

100

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

Pagina 101

uur Nederlands, twee uur rekenen en een uur Frans gegeven. De bijscholing was er op gericht om de overstap naar de hbs – waarvoor nog een toelatingsexamen moest worden afgelegd – te vergemakkelijken. Tot overmatig enthousiasme leidde het initiatief niet bij de geraadpleegde lagere schoolhoofden; de hbs trad hiermee te nadrukkelijk in hun verantwoordelijkheden.36 Tot 1968 zou de zaterdagmorgenschool echter aan de hbs verbonden zijn. Inspanningen als de genoemde, leidden in de loop van de jaren vijftig tot een snelle stijging van het aantal leerlingen: in 1952 waren dat er 114, in 1960 was dit gestegen tot 270. Daarnaast speelden ook andere factoren een rol. In deze tijd waren de busverbindingen tussen Warffum en het ‘buitengebied’ optimaal. Tussen Zoutkamp en Roodeschool was een goede busverbinding, met zijaansluitingen naar andere dorpen. Ook maakten leerlingen, waarschijnlijk als gevolg van de welvaartsstijging in deze jaren, eerder gebruik van de trein om de school te bezoeken. Ook maatschappelijke veranderingen zullen, net als bij keus voor mulo of nijverheidsonderwijs door arbeiderskinderen, een rol hebben gespeeld. Kinderen van land- en andere arbeiders deden in deze tijd ook, zij het schoorvoetend, hun intrede op de hbs. Daarnaast deed zich een beweging uit omgekeerde richting voor. Een oudere Hogelandster boer verwoordde dit in 1961 als volgt: De centrale hal – ‘Times square’ – in het hbs-gebouw na de verbouwing van 1952.

‘Vroeger verlieten de boerenzoons, die boer zouden worden, na 3 jaar de hbs, nu lopen zij de 5-jarige af; zij kunnen dan alle kanten uit. Hieruit blijkt al de veranderende opvatting van de ouders: als de jongen liever iets anders wil, laat hem zijn gang gaan. Zij willen hem niet meer, zoals dat vroeger vrij algemeen voorkwam, min of meer dwingen om boer te worden.’37 Zoals zo vaak, had de medaille in dit geval ook een keerzijde. De stijging van het aantal leerlingen bracht medio jaren vijftig, door een gebrek aan ruimte en aan docenten, het onderwijs in gevaar. De lerarenvergadering boog zich daarom in 1956 over een ‘numerus clausus’, een beperking aan het aantal scholieren dat het toelatingsexamen zou mogen afleggen. Dit voorstel werd echter verworpen. In plaats daarvan werd wel de mogelijkheid verkend, om tussen het derde en vierde leerjaar een drempel op te werpen. De wens werd uitgesproken dat de wet zodanig zou veranderen, ‘dat men een leerling wel een diploma kon uitreiken, dat hij drie klassen met vrucht gevolgd had, zonder dat deze leerling het volstrekte recht had daarmee toegang te krijgen tot een vierde klas.’ Tot een wetsverandering kwam het niet, maar de indringende boodschap aan ouders dat weliswaar een diploma voor drie jaar was verleend, maar dat dit niet betekende dat gerekend hoefde te worden op een succesvol vervolg van de opleiding, werd zonder twijfel meer dan eens afgegeven. De snelle groei van de school gecombineerd met de verouderde huisvesting, leidden in de naoorlogse periode in Warffum tot bouwactiviteiten. In 1952 werd het gebouw aan de Oosterstraat ingrijpend verbouwd – eindelijk, want in de oorlog bestonden hiertoe al plannen. Hierbij verdween onder andere de directeurswoning boven de school. Ook werden er lokalen bijgebouwd en kwamen er toiletten met waterspoeling. In 1959 werd de hbs nog uitgebreid met een ‘noodschool’ aan de Dr. R. Rijkensstraat. Ten slotte werd in 1963 bekend dat de school in zijn geheel zou verhuizen. De eerste van 450 palen werd in 1965 in de grond geslagen voor nieuwbouw aan de A.G. Bellstraat. Na 99 jaar werd de

‘ k i n d e r n a i t n o a r b o e r ’, 1 9 4 5 - 1 9 6 8

101


• HHC Hoofdstuk 4.qxp

30-09-2008

15:36

Pagina 102

Oosterstraat verlaten: in 1967 werd het nieuwe schoolgebouw aan de A.G. Bellstraat in gebruik genomen. Dit zou ook het toneel worden van de grootste veranderingen in het voortgezet onderwijs sinds de negentiende eeuw.

n ot e n 1 Groninger Archieven, HBS Warffum, toegang 682, inv.nr. 123, notulen april 1945. 2 Mensonides en Polman, 102-103. 3 Jans, Alberda-school, 30. 4 Bakema, 85. 5 Groninger Archieven, HBS Warffum, toegang 682, inv.nr. 128, notulen 12 mei 1948. 6 Bakema, 93. 7 Maatschappelijke verwildering der jeugd : rapport betreffende het onderzoek naar de geestesgesteldheid van de massajeugd (’s-Gravenhage 1952). 8 De in Rottum geboren Jan Boer (1899-1983) is bij een groter publiek beter bekend als Gronings dichter. In het onderwijs doorliep hij een loopbaan van meester aan de lagere school in Ekamp tot gemeentelijk inspecteur van onderwijs in de stad Groningen. 9 Jans, Alberda-school, 29. 10 Groninger Archieven, HBS Warffum, toegang 682, inv.nr. 128, notulen 12 mei 1948. 11 Jans, Alberda-school, 32. 12 Het volgende op basis van: Groninger Archieven, Stichting Volkshogeschool ’t Oldörp, toegang 448, inv.nrs. 35 en 36, jaarverslagen 1946-1953 resp. 1954-1959. 13 Bakema, 96. 14 Addens, 47. 15 Addens, 50. 16 Boekholt, 274-277. 17 Archief HHC, Doos 80: Lesroosters, bestuursvergaderingen, brieven LTS-LHNO Uithuizen. 18 ‘Officiele ingebruikneming stelloods Technische School Uithuizen’, Ommelander Courant 6 mei 1955. 19 Lulofs, 14. 20 Honderd jaar plattelandsleven, 477-478. 21 Honderd jaar, 514. 22 Groninger Archieven, Groninger Maatschappij van Landbouw, toegang 947, inv.nr. 438: Stukken betreffende de afdeling huishoud- en nijverheidsonderwijs, Verslag Commissie van Beheer landbouwhuishoudschool Wehe-den Hoorn, 29 mei 1959. 23 Idem, Verslag Commissie van Beheer landbouwhuishoudschool Wehe-den Hoorn, 20 maart 1962. 24 Groninger Archieven, Groninger Maatschappij van Landbouw, toegang 947, inv.nr. 428: Stukken betreffende de afdeling huishoud- en nijverheidsonderwijs, map nieuwbouw Wehe-den Hoorn. 25 Stroink, Groninger Maatschappij, 80. 26 Stroink, Groninger Maatschappij, 314. 27 Groninger Archieven, Groninger Maatschappij van Landbouw, toegang 405, inv.nrs. 5.976 (Leens) en 5.977 (Uithuizen). 28 ‘Landbouw Technische School uniek voor Nederland’, Ommelander Courant, 30 september 1965. 29 A. Bolt, Maarlandhoeve te Uithuizen (1996). 30 ‘Opleiding landbouwtechnicus: een primeur voor Nederland’, Trouw, 23 september 1965. 31 Idem; ‘Landbouw Technische School uniek voor Nederland’, Ommelander Courant, 30 september 1965; ‘Landbouwtechnische opleiding’, Groninger Landbouwblad, 1 oktober 1965. 32 De kleine dorpen. Onderzoek naar de levensomstandigheden der bevolking in 22 kleine dorpen van NoordGroningen (Groningen 1959) 22. 33 Duister, ‘Het onderwijs’, 122-123. 34 Jans, Alberda-school, 31-34, 39. 35 Klok, 5 x 25, 95. 36 Idem, 97. 37 Addens, 18-19.

102

het hogeland college


• HHC Fotokatern D

30-09-2008

15:04

Pagina 103

activiteiten

Een spontane actie van leerlingen van de mavo in Eenrum om een reuzensneeuwpop te maken in december 1981. Er werd enthousiast aan gewerkt. De foto haalde de Hogelandster.

Er op uit! Tegenwoordig zijn activiteiten buiten de school of buiten schooluren gewoon geworden, maar toen docent plant- en dierkunde Smit van de Warffumer hbs in de jaren 1890 met zijn leerlingen de kwelders opging, was dit nog een ‘novum’. Inmiddels wordt dit soort activiteiten volop ontplooid. Het Hogeland College kent bijvoorbeeld, naast incidentele activiteiten, de Landenweek, Creatieve Werkweek en de Anders-dan-anders-dagen. Dit uiteraard naast het vaste, meer recreatieve uitje: het schoolreisje.


• HHC Fotokatern D

30-09-2008

15:04

Pagina 104

Schoolreisje van de mulo in Eenrum naar Epe, 1949.

¯ Programma voor een schoolreisje van de hbs te Warffum in 1965. Met het onvermijdelijke zinnetje ‘versnaperingen meebrengen!’

˙ Reisje met de trein door leerlingen van de huishoudschool van Wehe-den Hoorn, 1958 of 1959.

104

het hogeland college


• HHC Fotokatern D

30-09-2008

15:04

Pagina 105

Schoolreis van de Alberda-mavo naar Tecklenburg, mei 1971. De twee begeleiders op de foto zijn leden van de oudercommissie: rechts de heer Siertsema en links de heer Munting. De gehurkte man is zeer waarschijnlijk de buschauffeur. De jongens op de Sommerrodelbahn zijn Dick Blink en Johannes ten Boer. Op de opname rechtsonder staan, voor, van links naar rechts: Gerrie Ros, Ans Bisschop, Geesje Muntenga, Hanna Riksten en Regina Ennema. Achter: Anneke Wiersma en Erna Buiter.

activiteiten

105


• HHC Fotokatern D

30-09-2008

15:04

Pagina 106

Vanuit de lts in Uithuizen werden vaak excursies ondernomen naar fabrieken of plaatsen die in verband stonden met de opleiding. Een technisch hoogstandje als de waterwerken die de Lauwerszee moesten afsluiten, werd in 1968 bezocht.

106

het hogeland college


• HHC Fotokatern D

30-09-2008

15:04

Pagina 107

Schoolreis in 2002 van leerlingen uit Uithuizen naar Berlijn. Onderweg werd ook een bezoek gebracht aan het Filmpark Babelsberg.

activiteiten

107


• HHC Fotokatern D

30-09-2008

15:04

Pagina 108

˚ De jongens van de lts van Uithuizen maakten in 1961 een reisje naar Paterswolde, begeleid door de leraar Foekens en de heer Beukema van de administratie (rechts). Let op de jeugdige roker in het midden!

˘ Reisje naar Sauerland van leerlingen van de Scholengemeenschap Noord-West Groningen, 1988. Op het programma stond onder andere een bezoek aan de Opelfabriek in Bochum. De bus werd traditiegetrouw bestuurd door Geert Coopman.

108

het hogeland college


• HHC Fotokatern D

30-09-2008

15:04

Pagina 109

Van 1981 tot en met 1990 werden vanuit de school in Warffum jaarlijks voetreizen door BelgiĂŤ en Frankrijk georganiseerd. Daarbij stond vaak Straatsburg op het programma, om de reiskosten deels gesubsidieerd te kunnen krijgen door het Europees Parlement te bezoeken. Deelnemers waren de leerlingen uit de examenklassen; de reizen werden aanvankelijk gemaakt in oktober, later na de schriftelijke examens, in afwachting van de einduitslag. Op de foto rechts staan beide organisatoren van het evenement , docente lichamelijke opvoeding Janneke Mol en plaatsvervangend rector Jan de Boer. De opnamen werden gemaakt tijdens de laatste tocht.

activiteiten

109


• HHC Fotokatern D

30-09-2008

15:04

Pagina 110

˚ Twee maal, in 1992 en 1993, werd vanuit Warffum een skireis naar het Oostenrijkse Villach georganiseerd. Deelnemers waren leerlingen uit de havo 4- en atheneum 5klassen.

110

het hogeland college

˙ De vestiging van het HHC in Uithuizen organiseerde in juni 2008 naar aanleiding van de Olympische Spelen in Beijing de ‘Highland Olympics’. Het evenement werd geopend met een optocht door het dorp.


• HHC Fotokatern D

30-09-2008

15:04

Pagina 111

¯ Houthakken in het Boukemabos in Uithuizen in het kader van de maatschappelijke stage, 6 maart 2008. Na een les over natuurbeheer- en behoud staken leerlingen van de projectklas van Uithuizen de handen uit de mouwen.

˘ De projectweek voor de leerlingen van het HHC in Uithuizen stond in 2008 in het teken van ‘Onder water’. De leerlingen van klas 1a voeren onder andere naar de Engelsmanplaat waar allerlei onderzoekjes werden gedaan.

activiteiten

111


• HHC Fotokatern D

30-09-2008

˚ Muziekavond in de vestiging Warffum, 2007.

112

15:04

Pagina 112

˙ Survivaltocht in het kader van de Anders-dan-anders-dagen voor de leerlingen van het vmbo in Uithuizen. Zij liepen in februari 2008 met gemiddeld zo’n 20 kilo bagage op de rug van Termunterzijl naar Nieuwe Statenzijl. Volgens begeleidster Pieternel Wierenga: ‘Het is een tocht voor bikkels, niet voor zemels’.

het hogeland college


• HHC Fotokatern D

30-09-2008

15:04

Pagina 113

Leerlingen TReC helpen en wandelen tijdens de Tocht om de Noord in september 2008.

activiteiten

113


• HHC Fotokatern D

114

30-09-2008

15:04

Pagina 114

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

5

Pagina 115

Mammoet en manoeuvreren, 1968-1992

Wie tegenwoordig de vestiging van het Hogeland College aan de A.G. Bellstraat in Warffum binnenloopt, ziet binnen – meteen links van de ingang – een wandsculptuur van een mammoet, met daaronder de tekst ‘1968 – Honderd jaar Hogelandse hbs’. In één zin worden hier zowel een glansrijk jubileum als de ondergang van een schooltype gememoreerd.

De Mammoetwet van 1968, want daar duidt het bovenstaande op, betekende een ingrijpende verandering van het onderwijssysteem, zoals dat voor een belangrijk deel al sinds de tweede helft van de negentiende eeuw functioneerde.1 De Wet op het voortgezet onderwijs, zoals de officiële benaming luidt, kent een lange voorgeschiedenis. Daaraan zal hier kort aandacht worden geschonken, voordat de gevolgen ervan voor de scholen op het Hogeland aan de orde komen. Mammoet De aanloop naar de wet begon al in 1903. In dat jaar werd door Abraham Kuyper, de toenmalige ARP-minister van Binnenlandse Zaken een ‘Ineenschakelingscommissie’ opgericht, met de opdracht om te onderzoeken welke mogelijkheden er waren om het onderwijs zoals dat in 1857 bij wet was geregeld te herzien. Het beter op elkaar aan laten sluiten van de verschillende schooltypen was daarbij het belangrijkste doel. Hoewel de commissie zeven jaar later een indrukwekkend rapport van bijna tweeduizend bladzijden wist te produceren, verdwenen

De sculptuur in de hal van het schoolgebouw aan de A.G. Bellstraat, aangebracht ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de school. Veelzeggend verwerkte de kunstenaar een mammoet in zijn werk.

mammoet en manoeuvreren, 1968- 1992

115


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

Pagina 116

de voorstellen om verschillende redenen – politieke onenigheid, de beslechting van de schoolstrijd, daarna in de jaren dertig economische crisis en oorlogsdreiging – telkenmale in de kast. Direct na de Tweede Wereldoorlog kwam onderwijsvernieuwing opnieuw in de belangstelling te staan. De minster van Onderwijs F.J.Th. Rutten (KVP) publiceerde in 1951 het zogenoemde Onderwijsplan-Rutten: hierin werd voor het eerst de term ‘voortgezet onderwijs’ geïntroduceerd. Ruttens ideeën werden, na een kabinetswisseling het jaar erop, overgenomen door diens partijgenoot en opvolger J.M.L.Th. Cals. In 1958 diende hij een wetsontwerp voor het voortgezet onderwijs in. De Tweede Kamer keurde dit pas in 1962-1963 goed. Dit ging niet zonder slag of stoot: de Kamer debatteerde in de aanloop naar de aanname maar liefst achttien dagen, er werden honderd amendementen (aanpassingen) ingediend en de verdedigingsrede van Cals duurde zeven uur… De bijnaam van de wet is dan ook afkomstig uit de mond van één van de tegenstanders; het ARPkamerlid A.B. Roosjen schijnt op de plannen van Cals gereageerd te hebben met de woorden ‘Laat die mammouth maar in het sprookjesleven voortbestaan.’ De tekst van de ‘Wet tot regeling van het voortgezet onderwijs’ werd op 26 februari 1963 in het Staatsblad gepubliceerd. De inwerkingtreding zou tot 1 augustus 1968 duren. Tot die tijd hadden scholen de ruimte om zich voor te bereiden op de nieuwe onderwijsvormen en om hiermee te experimenteren. Samenhang Wat waren nu de belangrijkste veranderingen die met de Mammoetwet werden doorgevoerd? Allereerst veranderde de structuur van het voorgezet onderwijs. Vanaf 1968 werden hierbinnen vier vormen onderscheiden: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), algemeen vormend onderwijs (avo), beroepsonderwijs (bo) en ten slotte alle overige typen, zoals het vormingswerk voor werkende jongeren. Door deze nieuwe opzet zou er meer samenhang tussen de verschillende schooltypen moeten ontstaan. Ten tweede verwachtte men een betere doorstroming tussen de onderwijsvormen te kunnen bewerkstelligen. Leerlingen zouden daardoor meer kansen krijgen onderwijs te volgen dat bij hun aanleg en capaciteiten paste. Ten derde werd er, om voor het bovenstaande een goede keuze te kunnen maken, een algemeen brugjaar ingevoerd. Deze brugklas diende zowel als oriëntatiejaar op het reilen en zeilen in het voortgezet onderwijs, als voor de bepaling van het niveau van de leerling, waarna voor deze de meest geschikte vorm van onderwijs kon worden gekozen. Ten vierde werden er door de wet enkele nieuwe vakken ingevoerd. In de brugklas kwam studieles op het rooster te staan. Daarnaast werd handvaardigheid voor alle scholen in het voortgezet onderwijs verplicht. Ook werd het (nieuwe) vak maatschappijleer geïntroduceerd. Ten slotte veranderde de manier van examinering. Leerlingen hoefden niet meer alle dezelfde examenvakken te volgen, maar stelden in de bovenbouw hun eigen pakket samen. Het aantal werd wel vastgesteld: voor het vwo zeven vakken, voor het havo en mavo zes. Ook de wijze van toetsing veranderde: intern werden verspreid over het jaar schoolonderzoeken gehouden, waarna het examenjaar werd besloten met een centraal schriftelijk eindexamen.

116

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

Pagina 117

De oude dingen omver In Warffum is de creatieve werkweek een begrip. De eerste editie, waar deze foto’s werden gemaakt, vond plaats in februari 1971. Tijdens de werkweek, een idee van conrector Jan de Boer, kunnen leerlingen zich uiten in drie creatieve vakken – gegeven door vakdocenten – te kiezen uit een totaalaanbod van circa twintig. In 1972 werd het evenement vastgelegd in de week voor de kerstvakantie. Tevens werd besloten om, gezien de financiële en organisatorische belasting, om de werkweek niet vaker dan eens in de twee jaar te organiseren.

‘Langzaam kruipt de Mammoet in de richting van Warffum, haar forse gestalte werpt ook hier de oude dingen omver’, schreef K. Bakema in het gedenkboek dat ter gelegenheid van het hondjarig bestaan van de Rijks hbs in 1968 verscheen.2 De school had zich echter terdege voorbereid op de komende veranderingen. Directeur Van Dijk had van te voren een uitvoerig plan samengesteld om voor de hbs en omringende uloscholen een gemeenschappelijk brugjaar in te voeren, om zo het verplaatsen van leerlingen tussen de scholen te vergemakkelijken. De nieuwe tabel van lesuren werd al in 1966 bij Koninklijk Besluit goedgekeurd, en twee jaar voordat dit een wettelijke verplichting werd, kregen de leerlingen van de eerste klas al twee studie-uren per week; tijdens die lessen kregen zwakke pupillen extra begeleiding, terwijl de overige leerlingen gelegenheid hadden taken voor de overige vakken te maken.

mammoet en manoeuvreren, 1968- 1992

117


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

Pagina 118

Op 1 augustus 1968 was het einde een feit. De ‘oude’ hbs had opgehouden te bestaan. De Mammoetwet maakte van Warffum een zesjarig Rijksatheneum, dat voorbereidde op wetenschappelijk onderwijs. Daaraan gekoppeld werd een ‘havotop’, een havo-bovenbouw met een vierde en vijfde klas. Het nieuw gecreëerde havo (hoger algemeen voortgezet onderwijs) werd een brede algemene opleiding en tevens de basis voor toetreding tot het hoger beroepsonderwijs. Bij aanvang waren er niet voldoende leerlingen voor een volledige afdeling havo; daarvoor waren er 400 nodig, terwijl er in Warffum aan het begin van het schooljaar 19681969 maar 244 stonden ingeschreven. In de praktijk betekende dit, dat gedurende de eerste jaren na invoering van het nieuwe systeem er na het brugjaar niet meteen gekozen kon worden tussen havo of atheneum. De leerlingen werden in het tweede jaar wel naar niveau ingedeeld: in klas 2A werden de leerlingen geplaatst in wie atheneumkandidaten werden gezien, klas 2C was bestemd voor de toekomstige havo-leerlingen. Klas 2B was ten slotte gereserveerd voor diegenen bij wie nog twijfel over de te volgen richting bestond. Aan deze constructie kwam in 1971 een einde, toen de school een volledige havo-afdeling kreeg.3 De overgang van hbs naar atheneum, bracht in deze tijd ook een discussie over een naamsverandering voor de school op gang. Docent Engels Willem-Jan van Neck opperde het voorstel de school te noemen naar de vermaarde vijftiende-eeuwse humanist (wetenschapper) Rudolf Agricola, geboren in Baflo. Pas anderhalf jaar later komt het voorstel aan de orde in een lerarenvergadering, evenals het inmiddels ook aangedragen – minder bloemrijke - alternatief ‘Hogelandster Rijksscholengemeenschap’. Bij stemming blijkt er een voorkeur voor de eerste naam te zijn. Uiteindelijk wordt de naam Rudolf Agricola College voorgelegd aan het bevoegd gezag, het departement in Den Haag. Daar kraakten de ambtenaren drie jaar lang hun hersenen over het voorstel. De uitkomst was ten slotte negatief: een persoonsnaam werd niet gewenst geacht, zeker niet als er geen direct verband was tussen deze en de school. De suggestie ‘Rijksscholengemeenschap Het Hogeland’, vervolgens aan de hand gedaan door Geert Klok, voldeed wel aan de Haagse criteria. Vanaf 1976 werd dit de naam van de school. Van ulo naar mavo: voortgezette opmars Doorstroming naar het havo was mogelijk vanuit het mavo, het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs. Naar dit schooltype werden in 1968 de ulo-scholen omgezet. Deze werden vanaf nu niet langer tot het lager onderwijs gerekend, zoals dat in 1920 in de Wet op het lager onderwijs was geregeld. Het karakter van dit onderwijs veranderde wel grondig: het ulo was vooral gericht op de directe voorbereiding op administratieve en economische beroepen, het mavo was vooral de weg naar middelbare beroepsopleidingen in deze sectoren. Het ulo kon zich in de jaren na de oorlog al in een zekere mate van populariteit verheugen. Op een bestuursvergadering van de hbs in Warffum werd in 1948 opgemerkt dat deze school bijna geen leerlingen meer trok uit Zoutkamp, Leens en Ulrum. ‘Zijn de U.L.O. scholen hiervan mede de oorzaak?’ vroeg men zich af. De notulist vervolgde met: ‘ Dr. Zanstra zegt, dat het een verkeerd standpunt is van sommige U.L.O. scholen, om de leerlingen, die geschikt zijn voor middelb. onderwijs, op hun eigen school te houden, om op deze manier hun eigen school te dienen en niet het belang van de leerlingen voor te staan, wat toch eigenlijk hoofdzaak is’.4

118

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

Pagina 119

Directeur A. Jans met het personeel van de Alberda-mavo, 1971.

˙ Omslag van de schoolgids van de Eenrumer mavo, 1971-1972. ˘ Pagina uit de schoolkrant van Eenrum, 1972. De redactie van het magazine werd gedaan door Ate Oosting in samenwerking met leerlingen.

Na invoering van de Mammoetwet, laten de mavo’s overal een continuering in de groei van het aantal leerlingen zien. De Alberda-mavo bijvoorbeeld had in 1968 144 leerlingen; dit aantal groeide van 170 in 1970 via 202 in 1972 naar een recordhoogte van 224 in 1974!5 Ook aan de mavo in Eenrum zette de bloeitijd, die zich in de tweede helft van de jaren vijftig al had ingezet, door. In 1969 telde de school 143 leerlingen; dat jaar werden er om iedereen te kunnen huisvesten drie extra noodlokalen bij het gebouw aan de J.J. Willingestraat geplaatst. Bovendien verhuisde in 1971 de lagere school naar een eigen, nieuw gebouwd scholencomplex, zodat er voor de mavo vier extra lokalen ter beschikking kwamen.6 De populariteit van de mavo-scholen in Noord-Groningen laat zich aflezen aan de vergelijking met het landelijke gemiddelde: hier lag dit in de periode 1968 tot circa 1980 acht procent hoger. Waarschijnlijk kozen ouders er voor om

mammoet en manoeuvreren, 1968- 1992

119


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

Pagina 120

hun kinderen zo dicht mogelijk bij huis naar een vervolgopleiding te sturen, in plaats van naar een school in het vanuit sommige plaatsen als verafgelegen beschouwde Warffum. Zij werden daarin, aldus conrector Klok van deze school ‘gesteund door mavo-scholen die de waarde van een havo-opleiding openlijk in twijfel trekken’. Deelname aan het havo daar scoorde in dit tijdvak zo’n zeven procent onder het nationaal gemiddelde.7 Lager beroepsonderwijs

Op 11 maart 1972 was het zover: na jaren de aandacht te hebben gevestigd op de slechte staat van de huisvesting, kon door burgemeester Ausma van de gemeente Leens de eerste paal worden geslagen voor nieuwbouw van de lhno.

De Mammoetwet maakte een einde aan de hoeveelheid wetjes en maatregelen met betrekking tot het beroepsonderwijs, tot dan toe de meest versplinterde vorm van onderwijs. Het beroepsonderwijs werd vanaf nu onderverdeeld in een lager, middelbaar en hoger niveau. Het lager beroepsonderwijs (vanaf 1968 een nieuw schooltype) werd ook wel ‘voorbereidend beroepsonderwijs’ genoemd, om aan te geven dat leerlingen eigenlijk een vervolgopleiding dienden te volgen. Tot het lbo gingen de (landbouw)huishoudscholen behoren, nu onder de naam lager huishoud- en nijverheidsonderwijs (lhno) en de lagere technische scholen (lts), waar eerder in het spraakgebruik ook nog wel van ambachtsschool werd gerept. Door verlenging van de leerplicht in 1969 en wederom in 1974, werden deze opleidingen bovendien respectievelijk drie-, vervolgens vierjarig. Het onderwijs aan zowel lts als lhno omvatte voortaan meer algemeen vormende vakken. Het laatste schooltype bood nu een minder breed pakket aan huishoudelijke vakken dan het vroegere huishoudonderwijs. In principe werd de lhno nu ook voor jongens toegankelijk, net zoals de lts dit voor meisjes werd, maar in de praktijk kwam dit nog maar zelden – het eerste decennium eigenlijk nooit – voor. In Warffum bezochten pas in de jaren tachtig de eerste jongens de huishoudschool. Hoogtepunten voor beide huishoudscholen waren in de eerste jaren van deze periode de nieuwe gebouwen die in gebruik konden worden genomen. Al jaren werd geklaagd over de staat van onderhoud of het gebrek aan ruimte in de onderkomens; met de eisen die als gevolg van de WVO aan het onderwijs werden gesteld, was de noodzaak tot herhuisvesting alleen maar urgenter geworden. Als eerste verhuisde de Warffumer school in 1969 naar de voormalige dependance

120

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

De opening van het nieuwe gebouw van de lhno in Wehe-den Hoorn door mevrouw Toxopeus-Ufkes, echtgenote van de Groninger Commissaris der Koningin. Zij werd bij de plechtigheid vergezeld door mevrouw Halsema-van Wezel, directrice van de school.

Pagina 121

van de hbs aan de Rijkensstraat. De huishoudschool in Wehe-den Hoorn kreeg in 1968 – mondeling – toestemming van de afdeling Bouwzaken van het Ministerie van Onderwijs om een nieuw pand te laten verrijzen. Om snel te kunnen bouwen, werd het ontwerp van een andere school gekopieerd, namelijk dat van de huishoudschool van Oldehove. De nieuwbouw kon in januari 1972 door de leerlingen in gebruik worden genomen. De officiële opening vond plaats op 3 mei 1972 door mevrouw Toxopeus-Ufkes, de echtgenote van de Commissaris der Koningin van Groningen. In de bijeenkomst vooraf, gehouden in hotel Mercurius in Leens, ging ze in op het belang van huishoudonderwijs. Dat achtte ze van evenveel belang als academisch, hoger of middelbaar beroepsonderwijs. Daarna werd de nieuwe naam van de school, ‘De Wieken’, onthuld. Deze was met smeedijzeren letters – een geschenk van de tegenover de nieuwbouw gelegen lts - aangebracht op de gevel van de school. De daadwerkelijke openingshandeling ging met – zo berichtte het Landbouwblad – ‘enige moeilijkheden’ gepaard: de sleutel, verstopt in een kunsteend, bleek lastig vindbaar.8

mammoet en manoeuvreren, 1968- 1992

121


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

Pagina 122

De tekst van het lied gezongen bij de opening van De Wieken. Alle directrices van de school passeren hierin de revue.

Scheidslijnen De woorden van mevrouw Toxopeus tijdens de opening van de nieuwe school waren niet zonder betekenis. Keerzijde van de Mammoetwet was, dat de beoogde doelstellingen gelijke kansen voor iedereen en meer doorstromingsmogelijkheden voor leerlingen in de praktijk niet tot uiting kwamen. Het lager beroepsonderwijs kwam feitelijk buiten het gemeenschappelijke brugjaar van de overige schooltypen te staan. De lts’en en lhno’s raakten daardoor leerlingen kwijt aan de mavo’s. Vooral – ouders van - meisjes maakten eerder een keuze voor een theoretische leerweg in het mavo, dan voor een praktische leerweg in het lhno. Het imago van het lager beroepsonderwijs kwam hiermee allengs in het geding. Ook voor andere de andere scholen in het gebied speelde imago een rol. De tegenvallende deelname aan het havo in Warffum is mogelijk niet alleen te wijten aan de wervende rol of eenzijdige voorlichting van de mavo-scholen: aan de Warffumer RSG kleefde nog lange tijd het beeld van ‘boerenschool’. Sociale scheidslijnen, zoals die een generatie eerder nog breed werden gesignaleerd, hadden blijkbaar langere tijd nodig om te verdwijnen.

122

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

Pagina 123

Datzelfde geldt voor de benadering van het nieuwe onderwijs vanuit de ervaringen met de oude schooltypen van voor 1968. De doorstromingsmogelijkheden werden niet altijd onderkend, en de gevolgde opleiding – die gericht was op vervolgonderwijs – werd nog al te vaak als eindstation gezien. Pas het ontstaan van grotere en bredere scholengemeenschappen zou aan deze situatie een einde maken. Jansen spreekt Van een scherpe blik op wat de uitwerkingen van de Mammoetwet zouden zijn voor zowel het beroepsonderwijs, als voor kleinere scholen, geeft de inleiding die H.J.F. Jansen, directeur van de lts van Uithuizen, in 1969 hield tijdens de algemene bestuursvergadering van zijn school. De toespraak had de veelzeggende titel ‘Het onderwijs gaat naar grotere eenheden’.9 Jansen oordeelde meteen negatief over de doelstellingen en uitwerking van de Mammoetwet: ‘De W.V.O. heeft een stroomversnelling en daarmee een nog grotere verdeeldheid in het onderwijs teweeg gebracht. De opzet van de W.V.O. was een grotere verbinding te verkrijgen tussen de verschillende vormen van onderwijs, doch zo het zich nu laat aanzien is er geen enkele sprake van binding doch men gaat elkaar – als in het bedrijfsleven – beconcurreren. Ten gevolge hiervan is bij het beroepsonderwijs een duidelijke achteruitgang te bespeuren, hetwelk voor het bedrijfsleven, als de image voor ons onderwijs zich niet verbetert, uiteindelijk catastrofale gevolgen kan hebben.’ Het veranderde karakter van het beroepsonderwijs maakte volgens Jansen een andere organisatie van scholen noodzakelijk. Enerzijds werden inzicht in hoe en waarom op een bepaalde manier gewerkt moest worden en de ontwikkeling van het denkvermogen (de aanpak en oplossing van problemen) nu belangrijker geacht dan het leren van een directe praktische uitvoering. Anderzijds werd de beroepskeuze van de leerlingen uitgesteld naar een later moment dan voorheen, omdat de eerste leerjaren een meer algemeen vormend karakter kregen. Jansen pleitte daarom voor het geven van een kernpakket aan de leerlingen, die daar om heen naar eigen keuze randvakken zou moeten volgen. Het klassensysteem zou daarmee doorbroken worden.

Vier oudgedienden van de lts van Uithuizen tijdens hun 25-jarig jubileum. Van links naar rechts: Joh. Beukema, D. Freij, B. Knollema en H.H. Foekens.

mammoet en manoeuvreren, 1968- 1992

123


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

‘Vroeger gaf ik de kinderen

Pagina 124

Deze vernieuwing zou het best functioneren binnen een grotere school: ‘Door het 3e-graads onderwijs hier ter plaatse bij elkaar te brengen zal men plusminus 70 procent van de leerlingen met een meer gelijk I.Q. van deze nieuwe en betere vorm van onderwijs kunnen laten profiteren’. Het bestuur van de lts stelde daarom bij de gemeenteraad van Uithuizen voor om tot een samenwerking of samengaan met de Alberda-mavo te komen. Het was bereid de technische school in te brengen in een scholengemeenschap, ‘in welke vorm dan ook’. Een uitgebreid plan, al tot stand gekomen in 1965, zou aan het voorstel worden toegevoegd. Maar de tijd zou nog niet rijp blijken te zijn voor een fusie.

die er uit waren gestuurd Geruchten

altijd klusjes.’ Bijsterveld weet zich nog goed te herinneren dat hij een jongen

‘De depressie in de aanmelding van nieuwe leerlingen in 1974 heeft geruchten opgeworpen omtrent opheffing der school, geruchten, welke helaas niet van waarheid ontbloot zijn. In overleg met de Inspektie is echter besloten de opheffing te koppelen aan al dan niet slagen van de vorming van een scholengemeenschap.’10

opdracht gaf de heg te

den Hoorn).

Deze sombere woorden zijn te lezen in het jaarverslag over 1974 van de lts van Wehe-den Hoorn. Wie de verslagen van de jaren ervoor doorneemt, krijgt inzicht in de problemen waarmee te school te kampen had. Allereerst is dat uiteraard het dalende aantal leerlingen. Waren er in 1968 nog 157 jongens aan de school ingeschreven, in 1970 was dit al gedaald tot 121; via 123 inschrijvingen in 1972 werd in 1974 een dramatisch dieptepunt van 90 leerlingen bereikt. De invoering van het vierjarige lbo gaf verdere problemen. Vanaf 1972 waren leerlingen verplicht een vierjarige cursus te doorlopen. Achterliggende gedachte was dat tot aan het einde van het tweede leerjaar de doorstroming naar verschillende vormen van het lbo mogelijk moest zijn en de keuze voor een vakrichting zo naar een hogere leeftijd werd verschoven. In Wehe-den Hoorn werd vanaf dat jaar eerst een brugjaar gegeven, waarop een tweede algemeen jaar met een kleine vakkenkeuzemogelijkheid volgde. De derde klas bestond uit een afdeling metaaltechniek en een afdeling bouwtechniek (zonder schilderen). Pas daarna hoefden de leerlingen een keuze te maken tussen metaalbewerken of timmeren. Door deze uitsplitsing naar afdelingen pas na het derde jaar plaats te laten vinden, hoopte men zoveel mogelijk jongens zo lang mogelijk aan de school te binden, voordat ze vertrokken om elders een andere opleiding dan die in Wehe-den Hoorn werd aangeboden te volgen. Ondanks de vernieuwing, trok het aantal aanmeldingen in 1972 niet aan. De tegenvaller werd geweten aan de start van een mavo-3 afdeling in Eenrum. De schoolleiding zag echter nog wel wat licht: ‘Te verwachten is, dat de toekomst enig herstel zal laten zien, omdat na enige jaren de juiste waarde van het Mavo-3 diploma zal zijn onderkend’. Maar twee jaar later werd de klacht, zij het in andere bewoordingen, herhaald: ‘Nog steeds heerst er tussen de verschillende vormen van Voortgezet Onderwijs in onze omgeving een concurrentiestrijd en alle pogingen hieraan een eind te maken door een beter gefundeerd toelatingsbeleid falen tot dusver’. Verdere problemen werden dat jaar nog veroorzaakt door het verloop in het personeelsbestand: ‘Een nadeel voor de goede voortgang betreffende het onder-

124

het hogeland college

snoeien. ‘Toen ik op een gegeven moment poolshoogte kwam nemen, was de hele heg verdwenen. Hij had hem tot de grond toe afgeknipt.’ (Krantenbericht bij het afscheid van Willem Bijsterveld, van 1959-1997 conciërge in Wehe-


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

Pagina 125

wijs is in 1974 veroorzaakt door het wegvloeien van de helft van het vaste onderwijzend personeel naar andere scholen’. De vorming van een scholengemeenschap, waarvan in de inleidende alinea sprake is, leek in deze situatie inderdaad de enige uitweg. Proefproject Bezuinigingmaatregelen, de concurrentie tussen scholen en de dreigende daling van leerlingenaantallen, leidden in de tweede helft van de jaren zeventig voor veel scholen tot problemen. RSG Het Hogeland werd in 1976-1977 in zijn voortbestaan zelfs ernstig bedreigd. Oorzaak was de ’10%-maatregel’, een bezuinigingsmaatregel van het Ministerie van Onderwijs waarvan de naam al aangeeft welke kostenreductie door het departement werd beoogd. Rector Van Dijk zette alles in het werk om staatssecretaris Klaas de Jong Ozn. op andere gedachten te brengen, maar zonder resultaat. Zelfs een steunbetuiging van de andere 53 rijksscholen, die zich bereid toonden om één leraarles per school aan Warffum – de kleinste rijksschool – af te staan, kon het Ministerie niet vermurwen. Het Hogeland weet tenslotte de klap intern op te vangen door aanpassingen aan de lessentabel en groepsgrootte; door een stijging van het aantal leerlingen in de daarop volgende jaren, blijken de gevolgen van de maatregel uiteindelijk mee te vallen.11 In dat zelfde jaar vonden de lts en huishoudschool van Wehe-den Hoorn en de Eenrumer mavo elkaar. Samen gingen ze verder als Scholengemeenschap Noord-West Groningen. Directeur werd B.R. van Dijk van de mavo; mevrouw Halsema-van Wezel en de heer Hazelhof, de voormalige hoofden van huishoudschool en lts, werden adjuncten. De coöperatie was eerst administratief, maar vanaf 1977 werd een gemeenschappelijk brugjaar gegeven. Op 20 april van dat jaar kwam minister van Onderwijs Van Kemenade naar Eenrum om de scholengemeenschap officieel te openen. Van Dijk lichtte ter gelegenheid daarvan de achtergronden van de fusie toe: ‘Een jaar of negen geleden is het project van de lbo-mavo-scholengemeenschappen al begonnen. In feite is het een facet van het middenschoolproject, dat tot

Het bezoek van minister van Onderwijs J.A. van Kemenade aan Eenrum ter gelegenheid van de opening van de Scholengemeenschap Noord-West-Groningen op 20 april 1977. Van links naar rechts: dhr. Megens (inspecteur voortgezet onderwijs), B.R. van Dijk, (directeur van de SG), dhr. Van Kemenade en M.F. Zuiderveen (voorzitter en burgemeester van Eenrum).

mammoet en manoeuvreren, 1968- 1992

125


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

Pagina 126

HBS-EXAMEN Met de invoering van de Mammoet-

‘Na de centrale schriftelijke examens was er

meegedeeld. De leerlingen wachten in de

wet, verdween ook de oude wijze van

het mondeling. Op deze examendag was

kantine in spanning op de binnenkomst van

examineren van de hbs. Het eindexa-

nog niemand op de hoogte van de resulta-

directeur Van Dijk. Die noemde de namen

men havo en vwo zou voortaan via

ten van de eerdere toetsing. De kandidaten

van de gezakten op. Uit het feit dat je

schoolonderzoeken en een centraal

werden voor en na hun opkomst verzorgd

naam niet werd genoemd, was dan te con-

schriftelijk gehouden worden. De hui-

door vierdeklassers in de oude bibliotheek

cluderen dat je geslaagd was. Alle geslaag-

dige rector van de school Lineke de

van de school. De examens werden afgeno-

den maakten traditiegetrouw op een boe-

Haan deed in 1969 nog examen in

men door de eigen docenten, in het bijzijn

renkar getrokken door een tractor een

oude stijl:

van rijksgecommitteerden. De uitslag, een

rondgang langs alle ouders. Deze tocht

combinatie van de schriftelijke en monde-

duurde tot ver in de volgende ochtend.’

linge toetsing, werd na afloop niet officieel

doel heeft de keuze van de leerling voor een bepaald schooltype en een bepaalde opleiding uit te stellen. Wij stellen de keuze voorlopig met één jaar uit, maar op de lange duur willen wij een langere brugperiode. Persoonlijk ben ik bezield door de gedachte het kind niet na de basisschool in een hokje te stoppen waar ie niet meer uit kan. Om dat ik er persoonlijk zo bij betrokken ben, ben ik zelf ook niet aanwezig geweest bij de besprekingen over het vormen van deze scholengemeenschap, om de zaak niet te beïnvloeden. De grote meerderheid van de betrokkenen was er voor.’12 Naast het reguliere brugjaar, kwamen er in Eenrum nog twee brugklassen: de eerste voor leerlingen die normaal individueel voortgezet onderwijs zouden volgen en die apart onderwijs en extra begeleiding nodig hadden, ten tweede een ‘topklas’ voor leerlingen met een havo-/mavo-advies. Gestreefd werd naar een eigen havo-afdeling, ‘desnoods als dependance van de rijksscholengemeenschap in Warffum’.13 Een verdergaande poging om te komen tot vorming van een grote openbare scholengemeenschap – of althans tot een vorm van intensieve onderlinge samenwerking – in de regio Eenrum-Warffum-Uithuizen, werd eind jaren zeventig op gang gebracht door de provincie Groningen en het Ministerie van Onderwijs. Dit ‘Proefproject Voortgezet Onderwijs Noord-Groningen’ zou een landelijk voorbeeld voor onderwijshervormingen moeten zijn.14 Het project zorgde soms voor de nodige vraagtekens – letterlijk, zoals uit het gedenkboek uit 1978 van de Alberda-mavo, geschreven door directeur A. Jans, blijkt: ‘Zal in het kader van het “Proefproject Voortgezet Onderwijs Noord-Groningen” opgezette plan tot vorming van een scholengemeenschap gestalte krijgen? Moeten we naar grotere eenheden? Moeten we al het nieuwe dat op ons af komt invoeren? Of moeten we ons houden bij het oude dat zijn nut bewezen heeft? Is de jeugd gebaat bij grootschaligheid!? Of is het juist de geborgenheid van de kleinschaligheid die de leerling nodig heeft? Gaat de ontwikkeling door dat de theoreticus hoger wordt aangeslagen dan de vakman? Of komen we terug van de

126

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

Pagina 127

wegwerpmaatschappij en krijgt de kleine zelfstandige vakman weer een kans? Of moet straks ieder theoreticus een vakman zijn? Zullen we eindelijk in staat zijn de indeling in rangen en standen, het elitaire gedoe, te doorbreken?’15 Het project is geen doorslaand succes. Niet bij alle betrokken partijen vallen de voorstellen en de gevolgde werkwijze even goed. De plannen van het secretariaat vallen vooral slecht bij bestuur en docenten van Het Hogeland. Het proefproject wordt door hen ervaren als een ‘overval’; men is van mening dat de andere bij het overleg betrokken scholen te nadrukkelijk hun voorwaarden stellen. De situatie verslechterde nog eens, toen het Ministerie zich – naast de rector – als onderhandelingspartner aan tafel voegde. Een hoge ambtenaar van de afdeling waaronder het rijksonderwijs viel, mr. D.G. Jansen, reisde een aantal malen naar het Noorden om alle Warffumer betrokkenen te overtuigen van het ‘gelijk van het proefproject’. Al in de eerste bespreking met de schoolleiding legde hij zijn agenda op tafel: het departement was de school in Warffum liever kwijt dan rijk. De notulist, leraar geschiedenis en economie Walter Dresscher, tekende uit de mond van Jansen een weinig verhuld dreigement op. Mocht de schoolleiding niet willen meewerken aan de proef, dan zouden volgens de ambtenaar: ‘de gemeenten in het gebied een gezamenlijk schoolbestuur op kunnen richten en met het verzoek komen de R.S.G. aan dit bestuur over te dragen, en in zulke omstandigheden zou dit moeilijk geweigerd kunnen worden’. Jansen herhaalde deze bewoordingen in volgende besprekingen niet, zich mogelijk realiserend dat hij ze ook niet waar kon maken, maar de toon was gezet. In volgende overlegrondes bleven de standpunten uiteen lopen. Uiteindelijk neemt de RSG zelf het initiatief: ze doet een twintigtal voorstellen als aanzet tot de vorming van een nieuwe scholengemeenschap. De zelfstandigheid wordt

De schoolagenda van Lineke de Haan uit Den Andel, 1968.

mammoet en manoeuvreren, 1968- 1992

127


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

Pagina 128

De laatste pagina in het notulenschriftje van de oudercommissie van de zelfstandige Alberda mavo in Uithuizen. De school ging daarna op in de Scholengemeenschap Noord-Groningen.

hierin behouden, maar een verregaande, contractueel vastgelegde samenwerking wordt wel nagestreefd. Het proefproject eindigt ten slotte met het benadrukken van de goodwill van de RSG, zonder dat er concrete stappen worden gezet of afspraken gemaakt: ‘Het bestuur van de R.S.G. streeft op langere termijn naar de vorming van (eerder genoemde) brede scholengemeenschap, maar denkt voor de korte termijn met directie, personeel en ouders aan een gemeenschap van scholen, omdat dat het beste aansluit bij de huidige situatie. (…) De R.S.G. heeft aangegeven de onderwijskundige organisatorische samenwerking met bovengenoemde scholengemeenschap-in-wording contractueel te willen vastleggen’.16 Zonder de Warffumer RSG gingen de besprekingen dus verder. Directeur J.H. de Weerdt van de lhno in Warffum gaf in een interview in 1983 duidelijk aan wat zijn motieven waren: ‘Samenwerking tussen verschillende schooltypen is een noodzaak. De kleine scholen kunnen niet zelfstandig blijven. We zijn bezig met samenwerkingsvorm

128

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

Pagina 129

tussen onze school, die 85 leerlingen telt, en de LTS te Uithuizen en de scholengemeenschap in Eenrum. Dat is een resultaat van het proefprojekt. Het is de bedoeling dat we in administratief opzicht in augustus al samen gaan. Een jaar later zal de samenwerking dan ook binnen het lessenpakket gestalte krijgen.’17 De Weerdt had bij zijn medewerking aan de voorgenomen fusie ook duidelijk de belangen van de streek voor ogen: ‘Je moet dan ook voorkomen dat leerlingen voor de meeste dingen alleen maar in de stad Groningen terecht kunnen. Ga je als kleine scholen op het platteland samenwerken dan kun je meer mogelijkheden bieden aan de scholieren in de regio. Dat is de enige manier om ze hier te houden en een verdere leegloop van het platteland te voorkomen.’18 De door De Weerdt geschetste scholengemeenschap kwam vooralsnog niet tot stand. De lhno te Warffum fuseerde onverwacht met de Scholengemeenschap Noord West-Groningen te Eenrum. De lts in Uithuizen zou later – in 1987 – met de Alberda-mavo samengaan onder de naam Scholengemeenschap NoordGroningen. Plattelandsplicht Streekbelangen hadden de Groninger Maatschappij voor Landbouw er ooit toe gebracht om de landbouwhuishoudscholen op te richten, en een generatie later – toen de leerlingenaantallen terug begonnen te lopen – in stand te houden, en zelfs te investeren in nieuwbouw. De aanstaande opname in het groter verband van een scholengemeenschap bracht secretaris A.F. Stroink in bijlage in 1982 tot de volgende bespiegeling: ‘Vraag is, of de Gron. Mij. Verder betrokken moet worden bij de nieuwe scholengemeenschap “van Zoutkamp tot Oudeschip”. Ondergetekende is van mening van niet. De Gron. Mij. heeft zijn maatschappelijke/plattelandsplicht gedaan t.a.v. het huishoudonderwijs in dit gebied. Als het straks gaat naar een scholengemeenschap van mavo – technisch onderwijs – huishoudonderwijs, dan is de betrokkenheid van een landbouworganisatie daarmee nihil. … Een bijkomend gevolg van het niet deelnemen van de Gron. Mij in de te vormen scholengemeenschap is, dat de betrokken gemeenten een gemeenschappelijke regeling kunnen aangaan, waarin ook de Rijksscholengemeenschap te Warffum t.z.t. kan deelnemen. De huidige gemeenschappelijke regeling Leens-Eenrum-Gron. Mij. is en blijft een unicum; omdat het ministerie van Onderwijs er geen raad mee weet. Formeel valt deze regeling noch onder het openbaar onderwijs (gemeenten), noch onder het algemeen bijzonder (Gron. Mij). Treedt de Gron. Mij. dus terug en doet ook de Stichting, die het bevoegd gezag voert over de technische school te Uithuizen niet meer mee, dan is de weg open voor een gemeenschappelijke regeling van de gemeenten Leens, Eenrum, Uithuizen en m.i. ook Warffum.’19 De rol van de Maatschappij in het beroepsonderwijs was vooralsnog echter nog niet uitgespeeld. Dat zou pas gebeuren in de volgende, finale fusieronde.

mammoet en manoeuvreren, 1968- 1992

129


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

Pagina 130

I N T E R V I E W J A N D E W E E R DT ‘Na de eerste week wilde ik er kruipend wel weer weg’. Zo herinnert Jan de Weerdt zich zijn start aan de huishoudschool in Warffum. Het was echter het begin van een langdurige loopbaan in het onderwijs: vanaf 1970 was hij directeur van de Warffumer school, daarna – vanaf 1983 – algemeen directeur van de Scholengemeenschap Noord-West Groningen. Na de fusie in 1993 tot Het Hogeland College was hij – tot zijn pensionering in 2000 – aan deze school verbonden als conrector. Zuurdijk Voor De Weerdt leek eerst een andere carrière weggelegd. Na de ulo te hebben doorlopen, ging hij naar de mts (toen nog uts geheten) aan de Leliestraat in Groningen. Een merkwaardig conflict met een docent maakte daar een einde aan de technische aspiraties: De Weerdt was een schrift vergeten, en weigerde vervolgens dit ‘even’ op de fiets uit Zuidhorn te halen. Een medeleerling die zijn spullen eveneens niet bij zich had, hoefde deze echter niet op te halen: de vader van deze jongen had een eigen zaak en voorzag de leerkrachten met regelmaat van relatiegeschenken … De zaak werd door de directeur van de school naar het zich liet aanzien eerst in de minne geschikt, maar bij het uitdelen van de rapporten bleek de jeugdige De Weerdt dat de betreffende docent van al zijn cijfers één punt had afgetrokken ... Een ‘gevoel van onrechtvaardigheid’ deed hem besluiten terug te keren naar het ulo. Nu met Frans in de eindlijst, zodat daarna de kweekschool kon worden gevolgd. Eerste standplaats na de onderwijzersopleiding was de lagere school van het Drentse Nieuw-Schoonebeek. Na daar vier maanden te hebben gestaan, kwam de oproep voor militaire dienst. Door bemiddeling van burgemeester Ausma van Leens, bleef een waardevolle bijdrage aan ’s lands defensie beperkt tot een duur van tien dagen. Aan De Weerdt werd in mei 1966 een eerste volwaardige betrekking aangeboden aan de openbare lagere school van Zuurdijk, een éénmansschooltje met ruim twintig leerlingen. Deze zaten alle in één lokaal, en het verspreiden van de aandacht over leerlingen van ver uiteen lopende leeftijden, van zes tot twaalf jaar, was soms een hele toer. Als het nodig was, sprong echtgenote Annie bij. Aan zijn tijd in Zuurdijk bewaart hij nog goede herinneringen. Wat De Weerdt vooral nog goed bijstaat, is de onderlinge harmonie, ondanks de verschillende kerkelijke achtergronden van de leerlingen. Hoe klein het schooltje dan ook was, er waren vier of vijf geloofsrichtingen vertegenwoordigd. Ook de Jehova's getuigen onder hen namen deel aan bijvoorbeeld de gemeenschappelijke kerstviering. Het bepaalde De Weerdts standpunt ten aanzien van het bijzonder onderwijs en het uitsluiten van kinderen van activiteiten om geloofsredenen. Naar Warffum De dreigende opheffing van de school in Zuurdijk met ingang van januari 1971 bracht De Weerdt ertoe om te zien naar een andere standplaats. Naar verluidt – bij monde van de Eva Hazenberg – zou in Warffum de functie van directeur vrijkomen; in deze periode deden bij de huishoudscholen de eerste mannen hun intrede in die positie, waar deze voorheen aan vrouwen voorbehouden leek. Aanvankelijk werd De Weerdt alleen aangenomen als leraar AVO, maar al gauw volgde het beoogde directeurschap.

130

het hogeland college


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

Pagina 131

De omschakeling vanuit Zuurdijk was aanvankelijk groot. ‘De leerlingen daar hadden een grote mate van zelfwerkzaamheid. Als de inspecteur langs kwam, kon je gerust een half uur de klas uit om koffie te drinken. Bij terugkeer was iedereen nog ordelijk aan het werk.’ Dat was in Warffum anders. Maar na die eerste week heeft De Weerdt er geen soortgelijke problemen meer ervaren. Ook de positie van leraar in de dorpsgemeenschap was in Zuurdijk anders. ‘Oudere mensen tikten daar bij het passeren van de meester nog tegen de pet. Ook werd ik regelmatig gevraagd om brieven te schrijven, of de tankinhoud voor een oliekachel uit te rekenen, als de kamer voor een zieke extra verwarmd moest worden.’ Muite van ’t doodschoppen… Met voldoening kijkt De Weerdt terug op wat hij voor sommige leerlingen heeft kunnen betekenen. Vooral als het ‘vechten voor een vervolgopleiding’ voor getalenteerde leerlingen betrof. Eén geval is hem in het bijzonder bijgebleven: een leerlinge uit een klein dorp ten westen van Warffum kreeg van huis uit niet de gelegenheid door te leren, ondanks de aanwezige aanleg en ambitie. Op een avond ging De Weerdt daarom op huisbezoek. Hij trof er de man des huizes, in een ‘bloedhete kamer met een goed opgestookte kolenkachel’. De televisie ging niet uit voor het bezoek. De vader bleek niet erg genegen zijn dochter te laten doorleren: ‘Dat kost allenneg nog mor geld’. Een handgebaar verwees naar achterin het vertrek: ‘Doar zitten nog twij jongen, dij binnen de muite van ’t doodschoppen nog nait weerd.’ Pas toen De Weerdt de vader voorhield dat de ouders er financieel uiteindelijk óók nog wat aan over zouden houden, was de kogel door de kerk. ‘As dat zo is, den mag ’t wel.’ Het leverde hem een dankbriefje van een dankbare pupil op. Nog steeds ontvangt hij met kerst kaarten van leerlingen van een generatie geleden. Cursuswerk Trots is De Weerdt ook op het cursussen gegeven vanuit de Warffumer lhno. Deze hadden ook het nodige succes: ze trokken zelfs meer leerlingen dan de dagschool. Het aanbod was divers en vernieuwend: van vegetarische maaltijdbereiding tot informatica tot kookcursussen voor alleenstaande, oudere mannen. Veel kooklessen werden gegeven door mevrouw Lebbink-Wolbers, echtgenote van de adjunct-directeur van Rixona. Voor de activiteiten werd samengewerkt met tal van andere instanties. Met een verzorgingshuis in Grootegast werden bejaardenhelpsters bijgeschoold. Ook werd met de Stichting Maatschappelijke Dienstverlening Noord-Groningen samengewerkt. Met sommige cursussen was Warffum trendsetter voor andere scholen van de Groninger Maatschappij van Landbouw. Ook op andere terreinen van het maatschappelijk leven in de regio vervulden de school en het personeel een nuttige rol. Voor het internationaal dansfestival Op Roakeldais, waarvoor de Weerdt al sinds jaar en dag actief is als bestuurslid, werden de lunchpakketten bijvoorbeeld verzorgd door leerlinges van de huishoudschool. Dependance In het laatste zelfstandige jaar van de school, voor de fusie met Eenrum/Wehe in 1983, kon op het terrein van Op Roakeldais nog een nieuwe dependance van de

mammoet en manoeuvreren, 1968- 1992

131


• HHC Hoofdstuk 5.qxp

30-09-2008

15:06

Pagina 132

huishoudschool worden geopend. Aan de school waren in deze tijd ook twee nieuwe opleidingen verbonden: kantoor- en verkooppraktijk. Voor het laatste vak was in de nieuwbouw een supermarkt ingericht. De spullen hiervoor werden geleverd door Albert Heijn. ‘We hadden op school zelfs modernere kassa’s dan de winkel in het dorp’, weet De Weerdt nog.

n ot e n 1 Het volgende op basis van: Boekholt en De Booy, Geschiedenis van de school; Elias, Van Mammoet tot wet. 2 Bakema, Honderd jaar, 107. 3 Klok, 115-116. 4 Groninger Archieven, Archief HBS Warffum, toegang 682, inv.nr. 128, Archief Vereeniging ‘de Hoogelandsche HBS’, daar 12 mei 1948. 5 Alberda-school, 39. 6 Duister, ‘Het onderwijs’, 125. 7 Klok, 5 x 25, 130. 8 Groninger Landbouwblad, 22 mei 1972. 9 Archief HHC, LTS Uithuizen, brochures etc., doos 77. 10 Archief HHC doos 45 11 Klok, 128. 12 T. van der Werf, ‘Van Kemenade komt scholengemeenschap in Eenrum openen’, Nieuwsblad van het Noorden, 29 maart 1977. 13 Ibidem. 14 R. de Koff, Een voorbeeld van regionale voorzieningenplanning: het Proefproject Ontwikkelingsplan Voortgezet Onderwijs Noord-Groningen (’s-Gravenhage 1983). 15 Jans, Alberda-school, 37. 16 Klok, 5 x 25, 128-129. 17 Ommelander Courant, 7 maart 1983. 18 Idem. 19 Bijlage bij agenda vergadering Dagelijks Bestuur, 1 feb. 1982.

132

het hogeland college


• HHC Fotokatern E

30-09-2008

15:22

Pagina 133

leerlingen 2008

In het lustrumjaar 2008 maakten leerlingen van alle drie vestigingen van Het Hogeland College foto’s van hun schooldag. Uithuizen: Djamilah Wiltjer en Náhani Wiltjer Warffum: Agnes Bruinsma en Charlotte Henstra Wehe-den Hoorn: Marjolein Boersma, Hèlene van Dijk, Christiaan Kleiweg en Danielle van der Ploeg.


• HHC Fotokatern E

134

30-09-2008

15:22

Pagina 134

het hogeland college


• HHC Fotokatern E

30-09-2008

15:22

Pagina 135

leerlingen 2008

135


• HHC Fotokatern E

136

30-09-2008

15:22

Pagina 136

het hogeland college


• HHC Fotokatern E

30-09-2008

15:23

Pagina 137

leerlingen 2008

137


• HHC Fotokatern E

138

30-09-2008

15:23

Pagina 138

het hogeland college


• HHC Fotokatern E

30-09-2008

15:23

Pagina 139

leerlingen 2008

139


• HHC Fotokatern E

140

30-09-2008

15:23

Pagina 140

het hogeland college


• HHC Fotokatern E

30-09-2008

15:23

Pagina 141

leerlingen 2008

141


• HHC Fotokatern E

142

30-09-2008

15:24

Pagina 142

het hogeland college


• HHC Fotokatern E

30-09-2008

15:24

Pagina 143

leerlingen 2008

143


• HHC Fotokatern E

144

30-09-2008

15:24

Pagina 144

het hogeland college


• HHC Fotokatern E

30-09-2008

15:25

Pagina 145

leerlingen 2008

145


• HHC Fotokatern E

146

30-09-2008

15:25

Pagina 146

het hogeland college


• HHC Fotokatern E

30-09-2008

15:26

Pagina 147

leerlingen 2008

147


• HHC Fotokatern E

148

30-09-2008

15:26

Pagina 148

het hogeland college


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

15:29

6

Pagina 149

Eén, 1992-2008

Sinds 1 augustus 1992 is er één Hogeland College. De bestuurlijke fusie tussen de scholen in Warffum, Uithuizen en Eenrum / Wehe-den Hoorn was een jaar daarvoor al gerealiseerd. Inmiddels zijn al meerdere generaties leerlingen vertrouwd met die ene school, alsof het nooit anders is geweest. De weg er naar toe was echter grillig, met momenten waarop de uitkomst uiterst onzeker was.

‘Ach jongens …’ Het huidige Hogeland College is het resultaat van een aantal ontwikkelingen op onderwijskundig, organisatorisch en politiek vlak, die zich kort na elkaar – of soms zelfs tezelfdertijd – voltrokken in de periode vanaf 1986.1 Allereerst en aanvankelijk alleen voor Warffum van belang werd in 1986 de opheffing van de rijksscholen aangekondigd: deze zouden na 1 augustus 1988 moeten worden overgedragen aan de gemeenten van vestiging. De hele operatie zou binnen zeven jaar, dus uiterlijk in 1995, moeten zijn voltooid. De verzamelde rectoren van de 54 rijksscholen, bijeen in een zaal op het Centraal Station in Utrecht, kregen deze boodschap te horen van staatssecretaris Ginjaar-Maas van Onderwijs. De rectoren, die kort van tevoren al over het besluit waren ingeseind en een vooroverleg hadden gehad op het station in Amersfoort, reageerden amper op de aankondiging van de staatssecretaris. Ze lieten het bij een korte reactie van afkeuring. Binnen een kwartier werd de zaal door een ieder weer verlaten. ‘Ach jongens, doe nou niet zo vervelend’ was de reactie van een verbolgen Ginjaar-Maas. Achter het besluit tot opheffing ging een aantal overwegingen schuil. Enerzijds de opvatting van de toenmalige minister van Onderwijs Deetman dat zijn ministerie geen goed schoolbestuurder was: de afstand tussen departement en onderwijs was wel heel groot, terwijl de minster op zijn beurt bij elk probleem in een rijksschool daarop aangesproken kon worden. Anderzijds pleitte de Vereniging van Nederlandse Gemeenten voor overdracht, omdat het voor de gemeenten bij de bepaling van hun onderwijsbeleid wel erg lastig was om rekening te moeten houden met een (rijks)school, waarover ze niets hadden te zeggen. Het besluit van de staatssecretaris bleek onwrikbaar. Veel schooldirecties legden zich er daarom snel bij neer en gingen het gesprek aan met de gemeentebesturen over hoe de overdracht te regelen. In Warffum liep dat anders. De gemeente van vestiging was te klein om de school te kunnen besturen en administratief

één, 1992-2008

149


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

15:29

Rector Jan Millekamp, gefotografeerd in december 1990 toen het convenant tussen de scholen in Warffum, Uithuizen en Wehe-den Hoorn / Eenrum om tot samenwerking te komen werd ondertekend.

Pagina 150

beheren. Rector Millekamp ging daarom op zoek naar andere oplossingen. Eerst werd vanuit Warffum geijverd voor een openbaar bestuur voor een groep voormalige rijksscholen, maar deze opzet – een ‘sui generis’-constructie – had geen succes. Daarna werd besloten het proces van overdracht juist te versnellen, om zo te voorkomen dat het ministerie de zaken buiten de school om – en dan uiteraard op een minder gewenste wijze – zou regelen. Een bijkomende reden was dat het departement voorbeeldscholen financieel erg ter wille was, om anderen over de streep te kunnen trekken. Uitgangspunt van de koerswijziging was om de school een taak te geven als school voor voortgezet onderwijs voor heel Noord-Groningen, waarin al dit onderwijs in Noord-Groningen onder één bestuur was gebracht en waarmee het voortbestaan van de diverse opleidingen regionaal zou zijn gewaarborgd. Daartoe werd een stichting opgericht, de Stichting Bevordering Voortgezet Onderwijs Noord-Groningen, die een ‘Gemeenschappelijke Regeling’ aanging met de gemeente Eemsmond. Het stichtingsbestuur, aangevuld met een gemeentelijke vertegenwoordiger, zou het nieuwe schoolbestuur worden. De leden hiervan werden aangetrokken uit het hele voedingsgebied van de school. Deze unieke constructie trad in werking op 1 januari 1991, nadat eerst stevig was onderhandeld over de overdracht van de gebouwen. Het bestuur, onder voorzitterschap van mr. G.A.F.P. Giunta d’Albani, sloot een ‘managementcontract’ met rector Millekamp, waarbij deze ruime bevoegdheden kreeg met betrekking tot de leiding van de school. Omdat Warffum met ingang van dat moment ‘rijksschoolaf’ was, diende ook de naam te veranderen. RSG Het Hogeland werd Het Hogeland College. Het door tekenleraar Gerard Oostra getekende oude logo, waarin de skyline van Warffum een prominente plaats innam, maakte plaats voor een nieuw van de hand van diens collega Aizo Betten.

Personeel van de Scholengemeenschap Noord-Groningen, 1990-1991. Achter: G. Boswijk (schei- en natuurkunde), D. Jorritsma (aardrijkskunde en geschiedenis), E. Jongsma (conciërge), J. Bakker, G. Kemkers (Engels), H. Foekens, H. Tuinman (economie en Nederlands), J. Kuiper, (lichamelijke opvoeding), A. Wouters (Engels en Duits), F. Oosterhuis. Midden: J. van der Meij (Duits en handvaardigheid), I. Swarte (Frans), J. Bonnema (conciërge), Joh. Beukema (administratie), J. Kok (directie), J. van der Veen (wiskunde en decaan), A. Jans (directie). Voor: G. Hageman (natuur- en scheikunde), W. Slob (lichamelijke opvoeding en wiskunde), J. Ludema, R. Wolthuis, D. Smedes.

150

het hogeland college


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

15:29

Pagina 151

Het personeel van de SG Noord-WestGroningen in 1991-1992, het laatste jaar als zelfstandige school. Staand: T. Veenstra (economie), J.G. Nijzink (wiskunde), H. Schoenmaker (Engels), H. Bos (geschiedenis), J.S. Kloosterman (Nederlands), P.A. Jansen (aardrijkskunde), A. Oosting (Frans), H. van der Laan (adjunct directeur), E. Moens (administratie). Zittend: G. Coopman (conciërge), B. Bloemhof (Nederlands), H. van der Spek (biologie), J.H. de Weerdt (directeur), (onbekend), A.H. Jonkman (wis-en natuurkunde), J. Scholtens (bouwtechniek), C.E.B. Consten (Duits). Op de foto ontbreken een aantal docenten.

Ondertussen…

Het oude logo van RSG Het Hogeland van de hand van Gerard Oostra en het nieuwe beeldmerk van Het Hogeland College ontworpen door Aizo Betten. Beiden waren als tekenleraar aan de school in Warffum verbonden.

Een stapje terug in de tijd. Tijdens het proces van overdracht werden de betrokkenen geconfronteerd met een nieuwe complicatie: de scholengemeenschap Noord-West Groningen raakte in 1989 in de problemen door een snelle terugloop van het leerlingenaantal. Het noodgedwongen afstoten van een afdeling lag op de loer indien niet snel een oplossing werd gevonden. De scholengemeenschap Noord-Groningen in Uithuizen kampte met dezelfde problematiek. Op verzoek van de staatssecretaris stelde Millekamp daarom een onderzoek in, om te kijken welke mogelijkheden er bestonden om het voorgezet onderwijs in het noorden van Groningen op een zo breed mogelijk niveau te kunnen handhaven. Omdat instandhouding van de zelfstandige scholen geen perspectief op de lange termijn bood, stelde Millekamp een bestuurlijke fusie voor, in de toekomst te volgen door een intensiever samenwerkingsverband of zelfs een fusie. Grootste bedreiging voor deze optie was de factor tijd. Op de aan de staatssecretaris – inmiddels was dit J. Wallage geworden, oud-wethouder van Groningen – voorgelegde plannen, kwam in februari 1990 een negatieve reactie. De eis van het ministerie was een volledige fusie per 1 augustus ’91 of sluiting van de Eenrumer school. Het provinciebestuur deed, omdat de termijn voor de te realiseren fusie volstrekt te kort was, nog een poging om Wallage te vermurwen. Zonder succes. ‘Het is onthutsend dat er op deze manier is gereageerd’, liet rector Millekamp het verzameld personeel, medezeggenschapsraad en andere belanghebbenden weten. ‘Opnieuw is het niet gelukt om het scholenbestand voor voortgezet onderwijs in Noord-Groningen een structuur te geven, die afbraak van het onderwijsvoorzieningenpakket tegengaat.’ Uiteindelijk rolde het kwartje zoals directeur De Weerdt in 1990 voorzag: ‘Ik ben er nog steeds van overtuigd dat de fusieplannen gewoon door zullen gaan. (…) In de politiek gebeurt het wel vaker dat standpunten radicaal wijzigen.

één, 1992-2008

151


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

15:29

Pagina 152

H E T E I N D E VA N R E N S U M A Parallel aan de fusie die leidde tot de

gen trok om zelfstandig te kunnen bestaan;

‘In Uithuizen kunnen zowel de leerlingen

oprichting van Het Hogeland College,

de opheffingsnorm lag op 240 leerlingen,

van de mavo als van de lhno-afdeling wor-

verliep de ondergang van het christe-

terwijl er ‘op Mij’ maar 190 Rensuma

den ingepast (…). In overleg met Rensuma

lijk voortgezet onderwijs in Uithuizer-

bezochten.

zullen we een speciale commissie instellen die er voor moet zorgen dat er een overstap

meeden, vanouds een concurrent van enkele scholen die tot het HHC gingen

In Delfzijl was men echter van mening dat

zonder nadelige gevolgen voor de leerlingen

behoren. De christelijke scholenge-

het aanhouden van een nevenvestiging te

gewaarborgd is. Wie dat op prijs stelt wil-

meenschap Rensuma sloot na afloop

hoge kosten met zich mee zou brengen. Het

len wij de helpende hand bieden.’

van het schooljaar 1991-1992.

sluiten van de school voor mavo en lhno betekende dat zo’n 140 leerlingen – vijftig

Op het HHC waren op de ochtend na

De Meister school zag zich genoodzaakt tot

kinderen zouden de school na het examen

bekendwording van het bericht al talrijke

opheffing nadat fusiebesprekingen met het

verlaten – en 35 medewerkers naar een

telefoontjes ontvangen van verontruste

Fivelcollege in Delfzijl na tweeënhalf jaar

nieuw onderkomen moesten omzien.

ouders die informatie wilden over de moge-

op niets waren uitgelopen. Aanleiding voor

Het Hogeland College bood meteen na

lijkheden van een overgang. Van de docen-

de gesprekken was het feit dat de school in

bekendwording van het bericht de helpende

ten waagde uiteindelijk slechts een enkeling

Uithuizermeeden al jaren te weinig leerlin-

hand. Rector Millekamp verklaarde:

de overstap.

De soep wordt niet zo heet gegeten als ie wordt opgediend. Het kan nooit de bedoeling zijn dat het ministerie hier een bepaalde vorm van voortgezet onderwijs laat verdwijnen. Ik zie de brief van Wallage als een eerste stap op weg naar de fusie.’ Een oplossing werd gevonden in het voornemen van de regering om scholen toe te staan om nevenvestigingen te hebben. Op deze wijze zou Warffum de hoofdvestiging worden met filialen voor mavo en lbo in Uithuizen en Wehe-den Hoorn. Dit alles onder één bestuur en directie. Na hernieuwd en intensief lobbyen stemde de staatssecretaris in. Bij ondertekening van de overdracht van de school aan het nieuwe bestuur werd ook de wil om tot fusie te komen vastgelegd. Consequentie van het scenario van de nevenvestigingen was wel dat de schoolgebouwen in Eenrum op termijn zouden moeten sluiten en het onderwijs van daar naar Wehe-den Hoorn moest worden verplaatst. Eenrum lag volgens de wettelijke eisen te dicht bij de hoofdvestiging Warffum. Een lobby, ondernomen vanuit de handelsvereniging / middenstand van Eenrum, kon deze voor het dorp pijnlijke verplaatsing niet keren. Infomap voor ouders van (en) nieuwe leerlingen op de Open Avond, circa 1990. Het ontwerp van de omslag is van de hand van de bekende Eenrumer J. Woldring.

Van start

152

het hogeland college

De bestuurlijke fusie werd een feit met ingang van het schooljaar 1991-1992. Dat jaar werd ook gebruikt door een stuurgroep om het fusieproces te begeleiden. Onder andere de overdracht van de gebouwen en het regelen van personeelszaken waren hete hangijzers. Met ingang van 1 augustus 1992 was de eenwording een feit. Rector van de grote scholengemeenschap werd Jan Millekamp, als plaatsvervangend rector fungeerde Jan de Boer, tevens afdelingsconrector van Warffum. De laatste functie


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

Geert Klok, plaatsvervangend rector van 1994 tot 2000. Na de bestuurlijke fusie tussen het primair en het voortgezet onderwijs tot Schoolbestuur Lauwers en Eems rector van 2000-2003 als opvolger van Jan Millekamp.

15:29

Pagina 153

werd in de nevenvestigingen vanaf toen vervuld door de voormalige directeuren van de scholen in Eenrum/Wehe-den Hoorn en Uithuizen. De hoofdvestiging Warffum bleef onderwijs geven voor vwo en havo, de nevenvestigingen in Uithuizen en Eenrum / Wehe-den Hoorn mavo en vbo. Een eerste grote verandering was de sluiting van de locatie in Eenrum. De leerlingen daar moesten vanaf het najaar van 1993 naar Wehe-den Hoorn reizen, waar de mavo werd ondergebracht in het gerenoveerde gebouw van de lts. Een andere grote verandering betekende in 1994 de opening van een nieuw praktijkgebouw met acht lokalen aan de Bekemalaan in Warffum achter de hoofdvestiging van het HHC. De nieuwbouw maakte het mogelijk om in Eenrum / Wehe-den Hoorn en Uithuizen gebouwen af te stoten om het theoretisch onderwijs daar op één locatie te concentreren. Het gebouw van de lhno in Wehe-den Hoorn werd daarom opgegeven evenals het onderkomen van de voormalige lts aan de Havendwarsweg in Uithuizen. Leerlingen van de nevenvestigingen zouden voortaan voor de lessen per bus naar Warffum worden vervoerd. Grote verbouwingen volgden elkaar vanaf de tweede helft van de jaren negentig op. In Warffum kwam in 1997 een nieuwe bibliotheek tot stand, feestelijk geopend door Commissaris der Koningin Hans Alders. De schoolbibliotheek werd daarmee tevens bibliotheek voor Warffum en omstreken. Uitbreiding was daarnaast vooral noodzaak in Uithuizen. In 1999 werden daar aan de westkant van het gebouw nieuwe lokalen in gebruik genomen: : bovenverdieping een computerlokaal en benedenverdieping een gloednieuw natuur-scheikundelokaal. Op 1 maart 2002 werd door locoburgemeester Rein Eisinga een nieuwe uitbreiding, nu aan de oostzijde, geopend. De aanbouw bood plaats aan vier theorielokalen, een docentenkamer en een uitbreiding van de kantine. Omdat de school toen over voldoende ruimte beschikte, kon de huur van lokalen in het gebouw van de voormalige lts aan de Havendwarsweg worden opgezegd. Die kwamen vrij voor onderwijs aan leerlingen van de asielzoekerscentra Uithuizen en Winsum. Onderwijs aan deze kinderen vond in de periode 2000-2006 binnen het HHC plaats in zogenaamde Internationale Schakel Klassen. Onderwijsvernieuwing Eind jaren negentig voltrokken zich de eerste grote onderwijsvernieuwingen van na de Mammoetwet in het voortgezet onderwijs. In het schooljaar 1998-1999 werd de bovenbouw van het havo (klassen 4 en 5) en vwo vernieuwd (klassen 4 tot en met 6) tot de ‘tweede fase’. Belangrijkste verandering hierin was dat de vrije pakketkeuze vervangen werd door zogenaamde profielen, samenhangende onderwijsprogramma’s. Leerlingen moesten voortaan kiezen tussen de profielen Cultuur en maatschappij. Economie en maatschappij, Natuur en gezondheid en Natuur en techniek. Deze profielen corresponderen met de globale sectoren in het scala van werkzaamheden en opleidingen waarin de huidige samenleving is verdeeld. De inhoud van het onderwijs in de tweede fase, gecombineerd met zelfstandiger werken, zou havoen vwo-leerlingen beter moeten voorbereiden op een vervolgopleiding als hogeschool of universiteit. De invoering van de tweede fase ging gepaard met een nieuwe opzet van het onderwijs, het ‘studiehuis’, hoewel hieronder geen wettelijke fundering lag. Binnen het studiehuis werd beoogd leerlingen, zoals eerder genoemd, zelfstandiger

één, 1992-2008

153


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

15:29

Pagina 154

te laten studeren en werken. In de praktijk betekent dit dat ze in toenemende mate hun eigen studie zouden moeten plannen, en meer zelfstandig en in groepsverband opdrachten uitvoeren. Even ingrijpend waren de veranderingen waarmee de vestigingen in Weheden Hoorn en Uithuizen te maken kregen. Per 1 augustus 1999 werden vbo, mavo en sommige vormen van (voortgezet) speciaal onderwijs samengevoegd tot het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). Hiermee werd een betere aansluiting op het middelbaar beroepsonderwijs beoogd. Een andere motivatie was het terugdringen van het hoge percentage schoolverlaters in het mbo. Het vmbo zou net als alle soorten voortgezet onderwijs, beginnen met een tweejarige onderbouw met een breed vakkenpakket. Aan het einde van de tweede klas moeten de leerlingen een leerweg en een sector kiezen. Conrectoren Harry van der Laan en Jan de Weerdt, van respectievelijk de vestigingen Uithuizen en Wehe-den Hoorn, legden deze veranderingen – die elk andere doorstroommogelijkheden naar het mbo boden – in de aanloop naar invoering uit aan een journalist: T-shirt ontworpen door de eindexamenleerlingen van het atheneum, 2001.

‘Het vmbo kent vier leerwegen. Er komt een theoretische leerweg, te vergelijken met het huidige MAVO-D onderwijs. Tevens komen er twee beroepsgerichte leerwegen waarbinnen de leerlingen veel praktijk en stage-uren zullen krijgen. Deze leerwegen zijn dan ook vooral geschikt voor leerlingen die liever met hun handen werken en dus vooral praktisch zijn ingesteld. Daarnaast is er nog de gemengde leerweg, eigenlijk een soort mix-vorm van het huidige MAVO en VBO.

Dalton-dag in Uithuizen, 2004. Links rector Lineke de Haan, rechts conrector en directeur van de vestiging Harry van der Laan.

154

het hogeland college


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

15:29

Pagina 155

Leerlingen aan het werk in het nieuwe praktijkgebouw in Warffum, december 2003.

De theoretische leerweg en de gemengde leerweg kunnen alleen worden aangeboden op scholen die zowel een MAVO- als VBO-afdeling in huis hebben, zoals Het Hogeland College.’2 Naast deze leerwegen kreeg het vmbo vier sectoren met vaste vakkenpakketten: Techniek, Zorg en welzijn, Economie en Landbouw. Van binnenuit Sinds 1999 wordt aan de vmbo-afdelingen van het Hogeland College Daltononderwijs gegeven. De principes hiervoor zijn ontwikkeld door de Amerikaanse pedagoge en onderwijzeres Helen Parkhurst, toen zij begin twintigste eeuw les gaf op

één, 1992-2008

155


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

15:29

Pagina 156

een school in Dalton in de staat Massachusetts. Belangrijke elementen in het Daltononderwijs zijn zelfstandig (leren) werken, vrijheid binnen verantwoordelijkheid en samenwerking met klasgenoten. Conrector Van der Laan motiveerde de meerwaarde vlak voor de invoering als volgt: ‘Voor de ene leerling kan je gerust een planning maken van een half jaar. Ze doorlopen dat traject zonder enig probleem, maar sommige leerlingen hebben meer begeleiding nodig. Die geven we ook en daar biedt het Dalton-principe ook de ruimte voor.’ Van Dalton wordt verwacht dat kinderen een actieve leerhouding en daarnaast veel sociale vaardigheden verwerven, die hen in hun verdere leven bij studie en werk ook van pas zullen komen. Een hernieuwde oriëntatie op het organiseren van de praktijklessen, waar sinds 2000 aan werd gewerkt, leidde in de zomer van 2003 tot verbouwing en herinrichting van het praktijkgebouw aan de Bekemalaan in Warffum. De lesmodules zijn afgesteld op de ruimte: leerlingen van het vmbo zitten er sindsdien niet meer in een klaslokaal, maar in een nagebootste bedrijfsruimte als een kapof schoonheidsalon, een garage of een timmerwerkplaats. Rector De Haan gaf als motivatie voor de operatie:

Werkstuk van leerlingen, gemaakt als Daltonopdracht ‘samenwerking’, boven de trap in de vestiging van het HHC in Uithuizen.

156

‘Wanneer een leerling veertien jaar is, moet hij of zij al kiezen welke kant het opgaat. Je kan dan kiezen uit techniek of verzorging. Maar kinderen van veertien hebben geen enkele notie van wat ze nu eigenlijk kiezen. Wij stellen die keuze nu uit en proberen hun lesprogramma zo lang mogelijk zo breed mogelijk te houden. Daardoor kun je ze breder opleiden en kun je ze veel meer van het beroepsonderwijs laten zien.’3 Voor leerlingen die meer uitgedaagd worden door theorie- dan praktijkvakken en die willen doorstromen naar de havo in plaats van naar het mbo is TL-plus opgezet. In de onderbouw volgen deze kinderen in een aparte klas onderwijs dat bestaat uit het gewone TL-programma met ‘extra’s’. Hiertoe behoren onder andere extra leerstof, verdiepingsstof uit TL-havo-methodes en toetsing op havo-niveau. Een mentor begeleidt de klas om regelmatig de voortgang vast te kunnen stellen. Ook de bovenbouw heeft een aparte TL-plus klas. Het programma bestaat daar ondermeer uit extra leerstof met een hoger denkniveau in de vorm van meer uitgebreide daltontaken, extra grammatica bij de talen en aanvullende onderzoeksvaardigheden bij de exacte vakken, minder datonuren met in plaats daarvan meer huiswerk en het uitvoeren van projecten op woensdagmiddag. In de laatste klas kunnen de TL-plus leerlingen examen doen in zeven of acht vakken. Ook binnen het havo en vwo deden zich de laatste jaren vernieuwingen voor. In de onderbouw havo/vwo werden vakoverstijgende projecten geïntroduceerd. Een nieuw vak als CKV (Culturele en Kunstzinnige Vorming) deed zijn intrede en het vwo plus met Latijn en masterclasses kwam tot stand. Aan kinderen die buiten het reguliere onderwijsaanbod dreigen te vallen, biedt het HHC bovendien programma’s gericht op extra begeleiding en zorg. Leerlingen die in principe het vmbo wel aankunnen maar die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen gebruik maken van het Leerweg Ondersteunend Onderwijs. Aanmelding hiervoor geschiedt vanuit het basisonderwijs; de leerkracht van groep 8 bespreekt van tevoren een LWOO-traject met de ouders. Het

het hogeland college


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

15:29

Pagina 157

bieden van een heldere structuur en een vertrouwde omgeving is daarbij uitgangspunt. Voor hen is de eerste twee jaren een aparte projectklas ingericht; de leerlingen krijgen les in een kleine groep, veelal van een ‘eigen meester’ in hun eigen lokaal. Indien nodig wordt extra hulp voor vakken geboden. Het gegeven onderwijs is bovendien wat praktischer van aard dan op het reguliere vmbo en gericht op toepassing buiten de klas. Een maatschappelijke stage maakt daarom deel uit van het programma. Voor leerlingen waarvan gedragsproblemen het leren in de weg staan is in samenwerking met de Groene School een zogenaamde Reboundvoorziening ontwikkeld. Op de Welkomstboerderij Onstaheerd in Sauwerd werken de kinderen in de buitenlucht en krijgen ze individuele onderwijsbegeleiding. Een aparte pedagogische begeleider levert extra onderwijs en emotionele zorg. Om er voor te zorgen dat de leerlingen met een diploma de opleiding verlaten, gaan ze aan het einde van het traject terug naar een gewone school. Slechts een beperkt aantal leerlingen van het HHC, jaarlijks ongeveer vijf, maakt gebruik van deze voorziening. Toekomst en terugblik Hoeveel er inmiddels ook vernieuwd is, Het Hogeland College staat in het jaar van zijn 140-jarig jubileum voor een aantal grote veranderingen. Het hoofdgebouw in Warffum zal nadat het veertig jaar dienst heeft gedaan, worden afgebroken en vervangen door nieuwbouw; het praktijkgebouw zal geschikt worden gemaakt voor havo- en vwo-onderwijs. De vestiging in Uithuizen wordt uitgebreid, zodat het praktijkonderwijs daar geconcentreerd kan worden. In Wehe-den Hoorn begonnen vorig schooljaar de eerste 22 leerlingen aan een nieuwe studierichting Toerisme, Recreatie en Cultuur. In de eerste twee leerjaren wordt er, naast de lessen in de algemeen vormende basisvakken, gewerkt met de

B E L L E N .CO M Midden jaren tachtig deed het compu-

Hogeland College” te Warffum in 1998. Na

Als dertienjarige richtte Woldring daarom

teronderwijs, hoogdravend als ‘infor-

een simpele internetpagina over mezelf

het bedrijf Bencom op. Om praktische rede-

matica’ betiteld, zijn intrede op alle

maakte ik een website, waarop de tarieven

nen stond dit op naam van zijn ouders: de

middelbare scholen. Het schoollokaal

van de telefoonaanbieders zo overzichtelijk

Kamer van Koophandel accepteerde geen

was voor de generatie van toen in veel

mogelijk op een rijtje gezet werden. Opzet:

inschrijvingen van kinderen … Meer verge-

gevallen de eerste plaats waar ze met

orde scheppen in de wildgroei van beltarie-

lijkingssites volgden na bellen.com. Op zijn

een pc in aanraking kwam. Een vol-

ven. Motto: waarom zou u duur bellen als

achttiende werd Woldring zelf directeur

gende generatie leerlingen was sneller

het goedkoper kan! Na het lezen van het

van het nog steeds groeiende bedrijf.

vertrouwd met het medium. Eén leer-

boek “HTML in 20 stappen” ontwierp ik de

Na Het Hogeland College ging Woldring in

ling van Het Hogeland College, Ben

site zelf. De gehele herfstvakantie spendeer-

Groningen studeren: eerst International

Woldring uit Usquert, maakte hier-

de ik aan het invoeren van de tarieven

economics & business, daarna volgde na

mee zelfs (inter)nationaal faam. Op

naar alle landen van de wereld, wat mijn

twee jaar een verrassende overstap naar

zijn website vertelt hij hierover:

topografische kennis tenminste opfriste! Na

Kunstgeschiedenis. Door het Amerikaanse

een optreden in Vara’s Kassa! in november

zakenblad Business Week werd hij in 2006

‘Het begon allemaal n.a.v. een schoolop-

1998 kwam ik in contact met veel directeu-

uitgeroepen tot Europees Ondernemer van

dracht in de tweede brugklas van “Het

ren van telefoonbedrijven.’

het jaar onder de 25.

één, 1992-2008

157


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

15:29

Pagina 158

thema’s Eigen omgeving, Nederland, en Europa en Wereld. Het onderwijs wordt gegeven in een speciaal daarvoor geschikt gemaakte leeromgeving in het vernieuwde schoolgebouw. De opleiding blijft niet beperkt tot binnen de muren van het lokaal: excursies en leren op locatie maken deel uit van het programma. Deskundigen en ondernemers uit de vakgebieden leveren hieraan een bijdrage. Lessen op locatie (de zogeheten LOL-dagen) werden gehouden in de stad-Groninger A-kerk; om betrokkenheid te kweken met monumenten, sloot de opleiding een convenant met de Stichting Oude Groninger Kerken. Na het tweede leerjaar kunnen leerlingen die kiezen voor een beroepsgerichte opleiding door naar de bovenbouw van deze afdeling. Ook doorstroming naar de derde klas Techniek en Zorg & Welzijn Breed is mogelijk. Voor leerlingen die vanaf het derde jaar de theoretische leerweg gaan volgen, wordt TReC geïntegreerd in het lesprogramma; doorstromen naar de havo blijft hierdoor mogelijk. Wat kan na deze laatste gerealiseerde verandering – en wat er in de toekomst nog in het verschiet ligt – de uitkomst zijn van twee eeuwen onderwijs op het Hogeland? Het besef dat, gezien bijvoorbeeld de ontwikkelingsgang van het lager onderwijs gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw, nieuw beleid ruim de tijd nodig heeft om in de praktijk effect te sorteren? Dat sommige opleidingen hun tijd te ver vooruit waren, zoals de landbouwschool die verbonden was aan de Warffumer hbs? Dat het onderwijs een lange weg heeft afgelegd om voor brede bevolkingslagen, ja voor iedereen toegankelijk te worden? Of misschien wel dat imago’s van scholen en schooltypen daarin een belangrijke rol spelen, zoals als blijkt uit de concurrentie tussen mulo/mavo en hbs/havo. Duidelijk is wel dat scholen een product zijn van hun tijd en omgeving. En die zijn – haast overbodig op te merken – onderhevig aan verandering, soms in een hoog tempo. Niet voor niets bestaat niet één van de schooltypen meer, die in de negentiende eeuw op het Hogeland tot stand kwamen. Ook scholen van recenter datum zijn weer verdwenen, zoals de huishoudscholen/lhno’s en lts’en. En dit nadat het onderwijs binnen beide opleidingen in korte tijd al snel van karakter was veranderd: door van bovenop opgelegd beleid, maatschappelijke veranderingen (het doorbreken van het traditionele rollenpatroon) en andere eisen die de regio stelde: de lts’en zagen zich al gauw geconfronteerd met een achterblijvende industrialisering van het Noorden. In dit verband is het wellicht passend het verhaal te eindigen met de visie op verandering van de huidige rector van Het Hogeland College, Lineke de Haan: ‘Ooit, in 1868, is vanuit deze omgeving de roep gekomen om een school dichtbij huis, voor álle leerlingen in de regio. Die vraag is er nog steeds en die vraag bedienen wij. We vragen daarom aan ouders en leerlingen wat zij willen en of deze vraag nog steeds spoort met onze onderwijsvisie en ons aanbod. Nog niet zolang geleden hebben we dat opnieuw gedaan en daar kwam niét uit: scenario 4, alles op z’n kop. Maar wél: een intellectuele, creatieve en ondernemende school. Dat zoeken ze bij ons en dat willen we graag bieden. (…) Onze visie op veranderen is overigens dat je sommige dingen verandert omdat het moet vanwege externe regels, andere verander je omdat de omgeving het vraagt, maar we veranderen nooit om het veranderen zelf. Wij zijn een school die vindt dat behoud van het goede een goed ding is. Bij alles is ons uitgangspunt dat we zeker willen weten dat een verandering de leerlingen iets oplevert.’4

158

het hogeland college


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

15:29

Pagina 159

I N T E R V I E W H A R RY VA N D E R L A A N Aan het Gronings van Harry van der Laan is te horen dat zijn ‘roots’ niet liggen op het Hogeland, de streek waar hij zijn werkzame leven doorbracht en hij nu nog steeds woonachtig is. Begonnen als onderwijzer aan de lagere school van Zoutkamp, maakte hij in 1972 de overstap naar de mavo in Eenrum. Eerst was hij daar werkzaam als leraar, later – nadat de school was opgegaan in de SG Noord-West Groningen, ook als brugklascoördinator, coördinator onderbouw en adjunct-directeur. Na de totstandkoming van het HHC werkte Van der Laan als conrector op alle drie vestigingen, het laatst – van 1997 tot 2004 – als directeur/conrector van Uithuizen. Mooi beroep Van der Laan, opgegroeid in het Oost-Groningse Meeden, ging in 1958 met het mulo-B diploma op zak naar de Rijkskweekschool voor Onderwijzers en Onderwijzeressen in Winschoten. ‘Als mij gevraagd wordt waarom ben je schoolmeester geworden, antwoord ik steeds met: vanwege de vele vakanties. In werkelijkheid liggen er een aantal redenen aan ten grondslag: een mooi beroep, aan de jeugd kennis over te dragen, er waren veel vacatures, het betekende een vaste baan bij een overheid, een goede maatschappelijke positie en jawel veel vakantie. Motieven die voor menige leerling (nu student) golden in de jaren vijftig. Geen decaan kwam er aan te pas; het decanaat verscheen met de invoering van de Mammoetwet. Wel vroeg mijn leraar natuur- en scheikunde mij of de hbs niet iets voor mij was in plaats van de Kweekschool.’ Naar de Marne ‘In oktober 1963 begon ik als onderwijzer in klas 3 en 4 van de openbare lagere Wilhelminaschool in Zoutkamp, daardoor vrijgesteld van militaire dienst. (De Kweekschoolexamens voor de hoofdakte waren toen altijd in september.) De aankomst van de Gadobus bij de remise naast de school bepaalde ’s morgens wanneer de school inging. Het was een fijne tijd.’ In 1972 kwam de overstap naar de mavo te Eenrum op uitnodiging van de toenmalige directeur B.R. van Dijk. ‘Een groot aantal leerlingen uit Zoutkamp kwam ik er weer tegen. Met speciale interesse heb ik hun schoolloopbaan gevolgd. Als vakleerkracht – ik gaf Nederlands – had je je leerlingen hooguit vier of vijf uurtjes per week: je kreeg eigenlijk geen goed beeld van hun totale (intellectuele) ontwikkeling zoals je dat op de lagere school wel had. Leerlingenbesprekingen en rapportvergaderingen zijn daarom onmisbaar.’ Ouderbezoeken en klassenavonden Bijzondere herinneringen bewaart Van der Laan aan de ouderbezoeken en klassenavonden. ‘Ouders van nieuwe brugklasleerlingen werden, meestal in de maand november, thuisbezocht. Het waren soms ware zoektochten en ontdekkingsreizen, TomTom was nog niet geboren. Vooral de “bloemenbuurt” in Winsum was lastig, maar ook de verafgelegen boerderijen in de polders of aan het Reitdiep waren menigmaal “onvindbaar”. En in november kon het mistig zijn! Niet alle wegen waren voorzien van witte strepen… Maar de hartelijkheid van de ouders maakte veel goed.

één, 1992-2008

159


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

15:29

Pagina 160

Als klassenleraar werd je geacht een klassenavond te organiseren voor de leerlingen. Nou, dat organiseren konden de leerlingen toen ook al wel zelf. Voor de leerlingen was het meestal een waar feest. Zo ook ene klas 1a. De kinderen hadden zelf ‘alles’ geregeld en een programma was er ook met onder andere een liveoptreden van een drummende leerling. Een ‘professioneel’ drumstel werd alvast in de klas opgesteld. Al gauw was de drummer aan de beurt, maar er was geen einde aan het nummer…, wel was er een pauze om de welbekende cola en sinas en een versnapering te nemen … en voort ging het kennelijk nieuwe, met veel decibels gepaard gaande nummer… Ik moet zeggen dat ik niet muzikaal ben, verschillende drumnummers moeilijk kan onderscheiden. Maar de medeleerlingen vonden het geweldig. Voor de overige programmaonderdelen was weinig tijd over.’ Studie ‘Studiedagen voor leraren raakten ook in zwang in de jaren ’80. Je kon dan geïnspireerd weer verder met nieuwe kennis en inzichten, maar een enkele keer ging het mis….. Zo was er in de SG Noord-West Groningen in mei een studiebijeenkomst onder leiding van het CPS (het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum), als altijd prima voorbereid. Maar de “baas” was bezig met de lessenverdeling en het lesrooster voor het komende cursusjaar. Al in de morgenpauze “brak hij in” op de studiedag. Hij sprak met enige collega’s over andere klassen en lessen die ze zouden krijgen, anders dan verwacht. Zo ook over veranderingen in lokaties. Nu hebben dergelijke verschuivingen ook consequenties voor anderen… waar (nog) niet mee gesproken was. De studiedag was naar de knoppen. In discussiegroepen, zo mooi voorbereid, ging het over welke klassen en lessen je zou krijgen en op welke locatie. En wie wilde wat eventueel ruilen.’ Zelf belandde Van der Laan begin jaren ’80 weer in de collegebanken: ‘In 1988 ben ik afgestudeerd in de Pedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen met de aantekening Interdisciplinaire Onderwijskunde. Een academische studie uit hobby begonnen, naast altijd een volledige baan en met een gezin. Ik heb er veel profijt van gehad. Wel was er altijd de spanning tussen theorie en praktijk.’ Drive ‘Waar deed je het allemaal voor, wat hield de drive waarmee je ooit was begonnen gaande? De blijde gezichten bij de overgang en de diploma-uitreikingen. De reacties van oud-leerlingen die je tegenkomt op een reünie, of zomaar op straat (soms zeer onverwacht zoals eens in Bern), in een Super of aan de andere kant van een loket, of waar dan ook. Herinneringen aan hun schooltijd, wat de school voor hen heeft betekend voor hun verdere studie en carrière, wat ze geworden zijn. Als leraar en conrector heb je een bijdrage proberen te leveren aan hun ontwikkeling en vorming. Je hebt kennis en inzichten overgedragen en vaardigheden aangeleerd waarop ze verder konden bouwen en waarmee ze hun eigen kansen creëren om verder te komen in de maatschappij.’ Terugkijkend op alle organisatorische en onderwijskundige veranderingen, soms met het karakter van de spreekwoordelijke aardverschuivingen, blijft Van der Laan overwegend positief over de ontwikkelingen in de laatste decennia: ‘De onderwijsontwikkelingen, de fusies en de schoolinterne veranderingen zijn vanuit onderwijskundig oogpunt boeiende processen voor mij geweest. Er is in de achter ons liggende jaren geweldig veel veranderd in het onderwijs, in de

160

het hogeland college


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

15:29

Pagina 161

“scholen” van het HHC. Ik noem wat steekwoorden: computer en internet, Dalton, TReC, de Projectklas, de plus- en masterklassen, en de unieke inrichting van de “praktijkopleiding” van het vmbo, maar ook een terugtredende overheid: eigen budget en financieel beleid, eigen onderwijs en personeelsbeleid,eigen medezeggenschapsraad. Gelukkig bleef er “van hoog tot laag” ook aandacht voor culturele, sociale en sportactiviteiten. Het werken in teamverbanden heeft erg veel mogelijk gemaakt!’

I NTERVI EW JAN MI LLEKAMP ‘Als er op de school iets niet is, maak je dat’. Zo luidde in 1992 de kop boven een interview met Jan Millekamp in de Ommelander Courant. De uitspraak typeert de loopbaan en werkwijze van de architect én eerste rector van Het Hogeland College. Toen Millekamp in 1983 als opvolger van Jilling van Dijk rector werd van Rijksscholengemeenschap Het Hogeland, was hij waarschijnlijk de jongste die deze functie op een rijksschool bekleedde. Geboren in 1947 in Schoonebeek, volgde hij de mulo en aansluitend de kweekschool in Emmen. Een stage vanuit de laatste opleiding voerde hem naar Rotterdam. Daar werd hij op 23-jarige leeftijd hoofd van een Montessorischool. Naast zijn werk in het onderwijs studeerde hij aan de Technische Universiteit van Delft Wiskunde en Theoretische Natuurkunde. En passant haalde hij nog de MO-B akte, die het mogelijk maakte om les te geven in voortgezet en volwassenenonderwijs. Zelfkazende boeren Tijdens een verjaardag van zijn zus in Beilen viel Millekamps oog op een advertentie in de krant, waarin om een nieuwe rector voor de school in Warffum werd gevraagd. Samen met zoontje Geert volgde meteen een rit noordwaarts. De indrukken waren dusdanig dat terug in Pernis besloten werd meteen nog een – handgeschreven – brief op de post te doen. De haast was niet overbodig: de sluitingstermijn voor de vacature was reeds de volgende dag … Na de sollicitatieprocedure van het Ministerie van Onderwijs – dat, in de woorden van Millekamp op zoek was naar ‘zelfkazende boeren’, dat wil zeggen lieden die zich zelfstandig weten te redden – te hebben doorstaan, kon hij met ingang van het schooljaar 1983-1984 in Warffum aan de slag. Huishoudelijk De school in Warffum was op dat moment sterk in beweging: de leerlingen namen snel in aantal toe, net als het aantal bezuinigingsmaatregelen. Samen met de conrectoren Jan de Boer en Geert Klok – de laatste was in 1982 als tweede conrector aangesteld – worden organisatorische wijzigingen doorgevoerd. Zo werd het schoolwerkplan uitgewerkt tot een volledig overzicht van de werkwijze van de school, met als een van de onderdelen een stroomlijning in de berekening van rapport- en eindcijfers. Daarnaast werden onder andere een nieuw Huishoudelijk Reglement en, als gevolg van nieuwe wetgeving, een Medezeggenschapsraad ingesteld.

één, 1992-2008

161


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

15:29

Pagina 162

De computer deed in deze jaren ook zijn intrede in de school: de administratie werd geautomatiseerd en de nodige investeringen werden gedaan om informatica in de derde klas tot een verplicht vak te maken. Onderkant vloer In 1986 deelde de staatssecretaris van Onderwijs in een zaal op Utrecht CS aan alle rectoren van de rijksscholen mee dat zij voornemens was deze instellingen af te stoten naar de gemeenten waarin ze gevestigd waren. ’s Avonds terug in Warffum leek het Millekamp wijsheid om meteen B & W van de ontwikkelingen op de hoogte te stellen. Aan een groepje op het station aanwezige oude mannen vroeg de rector waar de burgemeester op dat moment te vinden was. Millekamp werd verwezen naar café Spoorzicht, alwaar het college een borrel had. Op de onverhoopte mededeling ‘Jullie krijgen de school’, antwoordde één van de wethouders, de PvdA’er Doeko Bosscher, met de haast legendarische woorden ‘Dat kan niet. Nu niet, en nooit niet. Verzin maar wat.’ Het laatste deel van dit advies leidde uiteindelijk tot de vorming van het HHC. Millekamp speelde niet alleen een voorname rol in het behoud van de Warffumer scholengemeenschap, maar ook in het fusietraject met de scholen in Eenrum/Wehe-den Hoorn en Uithuizen. Hij ervoer het proces naar eigen zeggen als ‘de meest geruisloze fusie ooit’. Pragmatisme voerde bij Millekamp de overhand in de besprekingen: ‘De werkgelegenheidsperspectieven binnen nieuwe te vormen school moest passen bij die in oude. Zodra die gewaarborgd waren, was er een basis voor de verdere stappen.’ Tevens respecteerde hij – ook na de fusie in 1992 – de verschillende culturen op de afzonderlijke scholen: ‘Die zijn historisch gegroeid, en laten zich niet met een grote witkwast wegwerken.’ In de onderhandelingen met het Rijk over de overdracht van de school wist Millekamp nog een curieus resultaat te behalen. Het schoolgebouw werd eerst op rijkskosten opgeknapt, en vervolgens overgedragen aan het nieuwe bestuur. ‘Exclusief de onderkant van de vloer, omdat er problemen waren met betonrot en deze een risico zou kunnen vormen.’ Lauwers en Eems Millekamp was rector tot 2000. Dat jaar maakte hij plaats voor Geert Klok. De band met de school was daarmee niet verbroken, integendeel. Millekamp trad aan als eerste directeur-bestuurder van het op 1 januari 2000 opgerichte Schoolbestuur voor primair en voortgezet onderwijs tussen Lauwers en Eems. Onder het bestuur vallen Het Hogeland College en 22 basisscholen in de gemeenten Delfzijl, De Marne, Eemsmond en Winsum. De instelling van dit bestuur is enerzijds gebaseerd op het ‘ideële motief om voor de schooldirecties optimale mogelijkheden te scheppen om de primaire taak van de scholen, namelijk het verzorgen van kwalitatief goed onderwijs, centraal te kunnen blijven stellen.’ Daarbij laat het zich wel leiden door ‘praktische, pragmatische overwegingen die te maken hebben met het landelijke proces van verzelfstandiging van het primair en voortgezet onderwijs en daarbij de in dit verband bijzondere plattelandssituatie in ons deel van de provincie.’

162

het hogeland college


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

15:29

Pagina 163

I NTERVI EW LI N EKE DE HA AN Lineke de Haan is sinds 2003 rector van Het Hogeland College, als opvolger van Geert Klok. Daarvoor was ze al drie jaar aan de school verbonden als plaatsvervangend rector. Hoewel ze haar onderwijservaring vooral opdeed in het Westen van het land – ze was van 1975 tot 2000 werkzaam in Rotterdam, het laatst als plaatsvervangend rector van het Libanon Lyceum in Kralingen, Rotterdam – was Warffum haar bij aantreden niet onbekend. Culturele school Van 1964 tot 1969 bezocht De Haan, opgegroeid in Den Andel, de hbs in Warffum. Als voorbereiding volgde ze in het laatste jaar van de lagere school de zaterdagmorgenschool. De keuze voor de hbs was gezien haar achtergrond geen vanzelfsprekendheid. In deze ‘overgangstijd’ deden echter steeds meer kinderen afkomstig uit arbeidersgezinnen hun intrede op de hogere burgerschool. De Haans jongere broer ging acht jaar later zonder al te veel bijgedachten rechtstreeks naar het atheneum; de Mammoetwet van ’68 had in dit opzicht al zijn vruchten afgeworpen. De huidige rector bewaart goede herinneringen aan haar schooltijd. ‘De hbs was een erg culturele school, waar regelmatig schoolconcerten en toneelopvoeringen werden georganiseerd en bezocht.’ In het jubileumjaar 1968 speelde ze, naast Jaap Nienhuis – tegenwoordig bekend als weerman van TV-Noord, – een dienstmeisje in het toneelstuk De Parvenu van Molière, onder regie van tekenleraar Aizo Betten. Tegelijkertijd blijkt uit de door haar bewaarde agenda’s het bestaan van een eigen, deels buitenschoolse jeugdcultuur in die jaren; ze zijn voorzien van namen van destijds populaire bands als C + B (Cuby & The Blizzards), The Ro-D-ys en… de Blue Diamonds. Rotterdam. En terug Na haar eindexamen volgde De Haan de lerarenopleiding Nederlands en Geschiedenis in Groningen. In 1975 begon een loopbaan aan de Scholengemeenschap Hugo de Groot in Rotterdam, eerst als lerares Nederlands, later ook als mentor en coördinator. Aan het Libanon Lyceum begon ze in 1991 als plaatsvervangend rector. De vacature in Noord-Groningen kwam ‘privé op een goed moment’. ‘Het Noorden was al enige tijd weer gaan trekken – dat uitgerekend Warffum vrijkwam, was louter toeval.’ Als voorbereiding op het rectoraat werkte ze de eerste drie jaar als plaatsvervangend rector onder Geert Klok, haar oud-docent Nederlands. Springplank en omgeving De Haan voelt zich rector van één school, niet in de laatste plaats omdat ze geen ‘roots’ heeft in het bestuur van een van de gefuseerde scholen. Volgens haar heeft deze cultuuromslag zich inmiddels over de hele breedte van de school voltrokken: mensen, zowel binnen als buiten de school, spreken van Het Hogeland College, zij het vaak nog wel in combinatie met vermelding van de locatie. De afzonderlijke vestigingen krijgen onder haar rectoraat ook een steviger eigen gezicht: Wehe-den Hoorn heeft extra glans gekregen door de nieuwe opleiding TReC, Uithuizen wordt door de uitbreiding met praktijkfaciliteiten een ‘stevig, modern en ondernemend vmbo’ en Warffum is uitgebreid met vwo plus, dat een

één, 1992-2008

163


• HHC hoofdstuk 6.qxp

30-09-2008

15:29

Pagina 164

aantrekkelijk alternatief biedt voor het gymnasium. Bovendien vindt daar binnenkort nieuwbouw plaats: ‘Als leerling ben ik begonnen in de oude hbs aan de Oosterstraat, daarna heb ik in ’67 de overgang meegemaakt naar de nieuwe school aan de A.G. Bellstraat en tot slot ben ik als rector verantwoordelijk voor de afbraak daarvan.’ Op de rol van de school en het aangeboden onderwijs heeft De Haan een duidelijke visie: ‘Leidend beginsel van Het Hogeland College is het bedienen van de vraag naar onderwijs. Dat is niet anders dan in de tijd van de oprichting van de hbs. Kinderen moeten van school meenemen dat ze iets geleerd hebben, zowel op het gebied van kennis en vaardigheden als op dat van persoonsvorming. School is een springplank om verder mee te komen. Met de invoering van de TL-plus, waardoor leerlingen van vmbo 4 naar de havo kunnen, en vervolgens eventueel naar het vwo, is de mogelijkheid van totale doorstroming zoals ooit bedoeld met de invoering van de Mammoetwet op deze school reëel mogelijk.’ Daarnaast speelt er nog een belang: dat van het gebied waarin de school is gevestigd. ‘Naast een algemeen vormend, heeft een school een maatschappelijk doel. Als instelling is ze van groot belang voor de leefbaarheid van het gebied, het platteland. Wij “vermarkten” geen trends, maar bieden dingen die passen bij de omgeving, opleidingen waarmee de kinderen ook in het gebied iets kunnen.’

n ot e n 1 Het volgende gebaseerd op Klok, 5 x 25, 138-140 en mondelinge informatie van betrokkenen. 2 ‘Hogeland College werkt aan toekomstig vmbo’, De Hogeland-ster 11 november 1998. 3 ‘Leerlingen HHC vergeten pauzes in praktijkgebouw’, Ommelander Courant 6 november 2003. 4 ‘Vijf argumenten om niet te veranderen’, Onderbouw Magazine november 2006, 37.

164

het hogeland college


• HHC Nawerk.qxp

30-09-2008

16:10

Pagina 165

Geraadpleegde literatuur

N.H.H. Addens, Over de beroepskeuze van agrarische jongeren in de provincies Friesland en Groningen (’s-Gravenhage 1961). K. Bakema, Honderd jaar Hogelandse Hogereburgerschool : RHBS Warffum 1868-1968 (Uithuizen 1968). Bedreigd bestaan. De sociale, economische en culturele situatie in Noord-Groningen (Groningen 1959). C.A. van der Berg, De joodse gemeenschappen in Noordwest-Groningen : Winsum Eenrum Leens, Ulrum Warffum, 1751-1947. Waarin opgenomen: De Benninga’s : de herinneringen aan zijn jeugd in Eenrum door Noach Benninga (Groningen 2000). P.Th.F.M. Boekholt, De onderwijsenquête van 1799 : overzicht van de toestand van scholen en onderwijs in Nederland (Paterswolde 2006). P.Th.F.M. Boekholt en E.P. de Booy, Geschiedenis van de school in Nederland vanaf de middeleeuwen tot aan de huidige tijd (Assen en Maastricht 1987). P.Th.F.M. Boekholt en J. van der Kooi (red.), Spiegel van Groningen : over de schoolmeesterrapporten van 1828. Groninger Historische Reeks 13 (Assen 1996). A. Bolt, Geschiedenis van Uithuizen : van de Middeleeuwen tot en met 31 december 1978 (Uithuizen 1982). A. Bolt, Maarlandhoeve te Uithuizen (1996). IJ. Botke, Jacobus Albertus Uilkens 1772-1825. Predikant te Lellens en Eenrum. Hoogleraar in de Landhuishoudkunde te Groningen (Groningen 1984). IJ. Botke, Boer en heer. ‘De Groninger boer’ 1760-1960. Groninger Historische Reeks 23 (Assen 2002). J. Bottema, Naar school in de Ommelanden : scholen, schoolmeesters en hun onderwijs in de Groninger Ommelanden, ca. 1500-1795 (Groningen en Bedum 1999). B.H. Broekema, Ofdankt. Dramoatische schets in ain bedrief (Groningen 1930). De kleine dorpen. Onderzoek naar de levensomstandigheden der bevolking in 22 kleine dorpen van Noord-Groningen (Groningen 1959)

165


• HHC Nawerk.qxp

30-09-2008

16:10

Pagina 166

W. Duinkerken, De gemeente Eenrum. Historie van drie dorpen (Veenwouden 1982). W. Duinkerken e.a., De historie van Warffum, Breede en Rottumeroog (Hoogezand 1989). A. Duister, ‘Het onderwijs’, in: D.M.J. Molenaar (red.), Eenrum (Eenrum 1999). B. de Groot, Retour Uithuizen (Groningen 1982). J. Hillenga, ‘Het leraren-corps op de Rijks-HBS’, Ommelander courant. E.W. Hofstee, Het Oldambt. Een sociografie. I: Vormende krachten (Groningen 1937). Honderd jaar plattelandsleven in Groningen (Groningen 1952). A. Jans, Alberda-school Uithuizen 1867-1982 (Uithuizen 1982). A. Jonker, ‘Jan G. Rijkens 1784- 1862. Een persoonlijk document’, De School Anno. Periodiek van de Vereniging Vrienden van het Nationaal Onderwijsmuseum 6 (1988) nr. 1. G. Klok, 5 x 25 : van HBS tot HHC Warffum 1868-1993. Gedenkboek ter gelegenheid van het honderdvijfentwintigjarig bestaan van het Hogeland College in Warffum (Warffum 1993). R. de Koff, Een voorbeeld van regionale voorzieningenplanning: het Proefproject Ontwikkelingsplan Voortgezet Onderwijs Noord-Groningen (’s-Gravenhage 1983). Elze Luikens, ‘Smit, Jan Martinus’, Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland 8 (Amsterdam 2000), 252-254. J.G. Lulofs, De ontwikkeling van de bevolking, de beroepsbevolking, de werkgelegenheid en de werkloosheid in het gewest Uithuizen (Groningen 1953). Maatschappelijke verwildering der jeugd : rapport betreffende het onderzoek naar de geestesgesteldheid van de massajeugd (’s-Gravenhage 1952). Albert F. Mellink, ‘Mansholt, Wabina’, Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland 1 (Amsterdam 1986) 3-4. S.S. Mensonides en M. Polman, Gedenkboek R.H.B.S. Warffum (Groningen 1948). J.G. Rijkens, ‘Formula ter ondertekening der Nederlantschen confessie der Heidelbergischem Catechisimi, gevellet voor de kosteren und schollmeisteren und op nie angenamen und ondertekent in classe Loppersumana, anno 1613, 15 sept.’, Almanak ter bevordering van kennis en goeden smaak, departement Leens der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (1844). R. Rijkens, Gedenkboek ter herinnering aan het vijfentwintig bestaan der Rijks Hoogere Burgerschool te Warfum : 1868-1893 (Winsum 1893).

166


• HHC Nawerk.qxp

30-09-2008

16:10

Pagina 167

S. Stratingh, Redevoering ter plegtige nagedachtenis van wijlen den hoogleeraar J.A. Uilkens, lid van verdiensten en bestuurder van het Natuur- en Scheikundig Genootschap te Groningen : uitgesproken bij de opening der lessen van voornoemd Genootschap, op den 28 september 1825 (Groningen 1825). A.F. Stroink, Groninger Maatschappij van Landbouw: 1937-1987. Kroniek over 50 jaar (S.l. [Groningen] 1987).

167


• HHC Nawerk.qxp

30-09-2008

16:10

Pagina 168

Colofon Uitgave: Het Hogeland College Tekst en beeldredactie: Martin Hillenga Redactie: Anja Boersema, Harry van der Laan, Karel Vlak en Jan de Weerdt Vormgeving: Gert Jan Slagter Druk: Drukkerij Sikkema, Warffum Illustratieverantwoording Voor de illustratie van dit boek werd voornamelijk gebruik gemaakt van het schoolarchief en van particuliere verzamelingen. Daarnaast zijn de volgende beelden afkomstig uit de collectie van het RHC Groninger Archieven: 7, 9, 11 (links), 12, 15, 16, 19 (rechts), 21, 22 (boven), 33 (boven), 34, 37, 60, 86 (links), 88, 91, 93 (links), 97, 99 De omslagfoto werd verzorgd door Hans Sas, Warfhuizen. De foto op pagina 45 werd gemaakt door John Stoel, Haren. Deze uitgave werd mede mogelijk gemaakt door bijdragen van: Ballast Nedam Bouwborg Installatiebedrijf Groenewoud Huis van de Groninger Cultuur SW bv Meesters in Totaalonderhoud

Lustrumboek 2008: 140 jaar!  
Lustrumboek 2008: 140 jaar!  
Advertisement