Wijkend water

Page 1

METFOTO S VAN SIMON SWITZAR |


VOORWOORD Het is een voortreffelijk idee geweest van het bestuur van de Schokkervereniging het boek dat nu voor u ligt te laten herdrukken. Ik ben ervan overtuigd dat de auteur van dit werk alle vrede zou kunnen hebben met de huidige toestand van „zijn” eiland. Schokland bevindt zich op een zo markante wijze in het landschap van de Noordoostpolder dat het nog duidelijk als het vroegere eiland is te herkennen. Het doet mij veel plezier dat er nazaten zijn van de vroe¬ gere bewoners van Schokland die ervoor ijveren de histone van het eiland en daarmee van de gedeeltelijk ingepolderde Zuiderzee, op deze manier levend te houden. De sfeertekening die Thomas geeft van Schokland, van de zeilvaart en van de visserij is nog steeds het lezen waard. Net zo goed als de geschiedenis van de inpoldering voor Nederland in het buiteland zeer interessant is, is de ge¬ schiedenis van de Zuiderzee van voor de inpoldering minstens even boeiend. Ik wens de herdruk van dit boek even veel positieve reakties toe als het oorspronkelijke werk heeft opgeleverd. J.C.J. Lammers Commissaris der Koningin in de provincie Flevoland.


Voor dag en dauw uit de Volendammer haven vertrokken, vaart de V.D. de opkomende zon tegemoet.

162


Wijkend Water Het oude land in den greep van bet nieuwe door

FRED THOMAS

Foto’s van

SIMON SWITZAR Jr.

4e DRUK (Fotografische herdruk naar de 2e druk, 1941)


INHOUD

Biz.

Mijn schip-kameraad.

5

Aan boord van de V.D. 162.

27

Het duizendjarig eiland.

41

De rots in de branding der eeuwen ....

62

Gebakken haring op het Kerkhof.

74

,,Wel Schokland, ghij bedroefde kust” .

91

Druiven van Ens en de wijn van Capri .

114

Heksensabbath der Zuiderzee.

135

De oude Schokker schuit en het jonge Schokker meisje.

152

Pleidooi voor Kampen.

169

Een droom op Kraggenburg.

181

Van eerste liefde en een zomersch stadje .

200

Blokzijl’s vergane schippersglorie

215

....

Kuinre als fata morgana.

228


MIJN SCHIP-KAMERAAD

W

eer zit ik, na jaren, op de schoeiing van

basalt aan den voet van het Roode Klif en kijk in den zomeravond uit over het water. De zon is ondergegaan, een lage, dunne wolk kwam haar tegemoet en schoof voor den grooten, roestrooden bal als een gordijn, dat wordt dichtgetrokken voor een venster, waarachter de lamp reeds brandt. Nu is er hoog in de lucht nog wat vlokkige rozigheid, de hemel verkleurt van wazige tinten tot dieper blauw van den avond en daaronder is het water, heel den dag kruimig en blond van zon en windbewogen dartelheid, verstild. Maar na de blakte van den eersten schemer komt er weer een vleugje met grauwe vegen van kleine, driftige rimpelgolfjes, als een adem, die een blinkenden spiegel beslaat. Nu zal het kustlicht van Stavoren spoedig aanspringen en op de hcofden het rood en groen van de haven. Nog aarzelt de dag met afscheid nemen, het water houdt hem vast; alleen het land, de kust van Stavoren met Oostwaarts de flauwe welving der kliffen tot ginds, waar bij Lemmer de nieuwe dijk naar buiten schiet, donkert snel. De avond is wonderlijk stil, het water, in beweging gekomen, spoelt pal onder mijn

5


voeten in een kier van het basalt en maakt een loom, smakkend geluid. De wind wakkert aan en strijkt langs mijn slapen; een dorre halm, dien Ik van de schoeiing pluk en tusschen mijn tanden vermaal, wappert zachtjes als de vleugel van een schip. Kijk, daar is een donker zeil over den horizon ge~ kropen; een visscherman, die de haven zoekt. Ik tuur naar het scheepje dat, wegdrijvend voor de lichte bries, snel de kust nadert. Reeds lean men het goed onderscheiden: de vlijtig ploegende steven, een breede, stompe neus, waarlangs de boeggolf driftig verglijdt, donker getaande zeilen, die zwellen en neigen in den goedigen avondwind. Een klein, maar forsch gebouwd vaartuig met iets weerbarstigs in zijn wezen, maar toch zoo ree en willig in het draven over het tegenstribbelend water, een schip, dat ik herkennen zou uit duizenden en waaraan ik mijn hart heb verpand van het eerste oogenblik, dat ik zijn bestaan kwam te weten. Hoe brengt deze oude visschermansschuit de dagen en nachten in herinnering, dat ik rondzwierf over zee met mijn eigen Staversche jol, afkomstig uit hetzelfde nest, dat thans het scheepje, daar onder den wal, zich haast om op te zoeken en die de laatste jaren van zijn bestaan met mij heeft rondgeploeterd van kust tot kust. Kleine, bazige ,,Halve Maen”, trouwe kameraad, nu ik hier voor de Friesche kust een van jouw stervend soort verschijnen zie, komt weer dat oude, bijna vergeten geluksgevoel in mij terug, heug ik mij dien gulden tijd, toen wij samen het avontuur hebben gezocht bij nacht en ontij, hunker ik er naar om weer met jou alleen te zijn op het wijde water, de vertrouwde druk van den

6


helmstok in mijn zij en te luisteren naar het gerucht van wind en golven, de zachte muziek in het want. Was dit alles niet heerlijk? De stormige vaart op een grauwe, deinende zee met leigrijze buien, als jij, mijn brave schuit, er zoo recht pleizier in had je schrap te zetten tegen de brekers, die je opving en bonzend terugwierp met je breede borst, het schuim druipend van de plecht. De zee kreeg op jou geen vat en al had je soms nukken en werd er van jou ooit te veel gevergd, nooit heb je me in den steek gelaten. Maar ook in rustige uren kreeg ik je lief, als we zachtjes dobberden in de blakte voor zonsondergang, tot een vleugje wind weer het zeil deed dragen en in het vallend duister voor mij uit het rutselen van het water groeide tot nijver gerucht van klotsende golfjes tegen den boeg. En ’s nachts bij den gang door een kil-glimmende, donkere zee, het silhouet van den voorsteven rijzend en dalend, was het ruischende water onder langs boord als de ademtocht van het schip. Op dezen avond, aan den voet van het klif, met den blik op het water, dat jouw zee was, waar je heel lang geleden jong en ondernemend voor het eerst je dikken, breeden neus in de zilte golven duwde, waar je een lange reeks van jaren, een menschenleeftijd en meer, hebt rondgeboldcrd, grauw en bonkig visschersschip, tot je na het zware werk had uitgediend en naar elders werd verkocht, nu zie ik heel je zwerversbestaan, hier aan de Friesche kust, en verderop bij Urk en Schokland, op het Kerkhof, in het gat van Ens en bij den gouden bodem langs den Overijselschen wal. Dat werd jouw water en jouw land, daar was je vertrouwd. De

7


menschen, die met je voeren, die je het brood hielp winnen, waren stugge, zwijgzame lieden, die hun netten schoten, als de haring kwam of ansjovis werd gemeld. Ginds op den Stavoorder werfgrond der Strikwerda’s ben je geboren, een Octoberdag van het laatst der tachtiger jaren. In de schuur, een schemerige ruimte met sterke lucht van pik en verschgeschaafd hout, werd dat najaar de kiel van een nieuwe visschersjol opgezet, een forsche balk van Rijnlandsch eiken, onwrikbaar in zijn klampen. Zwijgzaam smurkend hun stompje pijp werkten Srikwerda en de oude, gebogen knecht Idse tusschen de stapelhouten. Met krachtige slagen van hun dissels hakten zij de kiel glad. Na den zomer met veel werk aan visschersschepen van Stavoren, Laaxum en Hindeloopcn, lag de oude werfgrond weer verlaten, vereenzaamd als gansch het herfstig Stavoren, dat in den killen nevel, den vlagenden regen nog dieper scheen weg te duiken achter den dijk. Door het eenige, groen uitgeslagen venster van de schuur ving de blik een glirnp van den valen rug der zee en dichterbij zag men de haven met korte maststompen en traag waaiende vleugels. Voor den winter had Strikwerda een nieuw schip op de stapels gezet, dat in het volgend seizoen zeker een kooper zou vinden. Want de schepen, die de Strikwerda’s bouwden, van vader op zoon, hadden een goeden roep aan den waterkant. Zij behoorden tot het scheepsras, dat na de lang teruggeweken dagen van het rijke weeuwtje en de gouden stoepen, nog den naam der oude veste hoog houdt: de Stavoorder jollen. En het nieuwe schip, waarvan thans de kiel hoog en hecht op de stapels

8


De vaderlandsche kust der Staversche jollen. Het haventje van Laaxum bij het Roode Klif,


Het einde van ,,De Halve Maen' : op het schepenkerkhof te Monnikendam.


rustte, zou als de anderen groeien volgens ongeschreven wet tot een kloeke schuit, vol in haar spanten en breed van borst. Beproefd in ervaring van jaren en jaren, vervolmaakt door schier instinctieve vakvaardigheid van opvolgende bouwersgeslachten, was de Stavoorder jol geworden tot een gansch eigenaardig scheepsmodel, zeewaardiger dan de zwaarste hotter langs heel de Zuiderzee. Een droog visschersschip, zonder zwaarden, met korten mast, het meest gelijkend op een klomp en evenals deze half gedekt. De zijden loopen hoog op en vallen boven iets naar binnen. De achtersteven vormt een spiegel. Het schip is open en ruim om het vischtuig te bewerken. Deze jollen waren van oudsher het meest gewilde schip van den kleinen visscherman aan den Frieschen wal, die er de zware deining bij elk weer mee trotseerde om zijn netten te schieten voor wintersche haring en zomersche ansjovis. Rustig vorderde het werk den langen winter door. De hamerklop, het knetteren in het pikhok van het spaandersvuur onder den walmenden teerpot, de stage bedrijvigheid met dissel en moskuil, vulden de uren in de werkschuur. Op het roestig pannendak treuzelde dagenlang de regen uit een lucht, zwaar van wolken. Soms jceg de storm grommend over de werf door den kalen bezem van den vlierstruik, dreunde van ver de zee, witkokend als dikke melk langs het havenhoofd. Binnen groeide het schip. De voorsteven was opgebouwd en geschoord, met grenen nagels op de kiel gezet en vastgedeudeld. Lang werkte de baas met mallen en schammels, zijn geoefend oog mat de ronding,

9


zijn hand verdiepte vormgevend de holte van het hout. Op zijn gevoel strcokte hij den scheepsvorm, verdeelend den druk, wetend, waar en hoe het schip straks in zee de golven zou opvangen, het brekend water van zich werpen. Binnen de welving van mallen en schammels werden de huidplanken aangebracht en gevoegd volgens de lijn van het schip, van de kiel tot het boeisel, naar voren vast in den Steven, achter uitloopend langs den spiegel. Gezaagd en geschaafd uit het beste kromhout werden de spanten verwerkt: diep in den platten buik van het schip de liggers, omhoog langs de welvende huid de krommers. Deugdelijke makelij, arbeid van rustige menschen, die alles zijn tijd gaven en wier vakmanschap, de overgedragen ervaring en kennis, door elk volgend geslacht opnieuw werd beproefd en verdiept. Op een voorjaarsmorgen, met blauwe lucht en al warme zon van Maart liep het schip van de helling, de versch geteerde romp gleed in het donker water bij de werf, dat traag uitvloeide. Eigenlijk keek niemand er naar, behalve Strikwerda en zijn knecht. Toen zij de nieuwe jol verhaald hadden, stopten zij een pijp. Hij heeft het tij mee, zei de oude, doelend op den ebstroom, die buiten langs de hoofden trok. Reeds een maand later vond het schip een kooper. Een visscher uit Gaasterland bracht de jol naar Laaxum, klein havengat bij het Roode Klif. Op het voorboeisel schilderde hij een H en een L, beginletters van Hemelum, de Friesche gemeente Elemelumer Oldephaert en Noordwolde. Het werd de H.L. 37 en het schip vischte nog op Meiharing, de schipper schoot de beug dicht onder den wal, bij het Vrouwenzand. 10


Een wakker schip, de H.L. 37, handzaam bij het rauwste weer. Twee visschers, vader en zoon, verdienden ermee een stuk brood. In hun staande netten vingen zij de haring en ansjovis al naar de wisseling van teelt op teelt, schietend onder de kust, ver weg of dicht bij huis. Zij kenden goede en slechte jaren, maar al dien tijd deed de jol haar plicht, ploeterend bij alle gesteldheid van zee en wind, voor geen vliegenden storm beducht. In het kleine nest, dat Laaxum heet, was haar thuis. Daar lagen een dozijn en meer Staversche jollen: kleine, maar forsch geboetseerde klompen, vol in hun spanten, stokoud en verweerd. Schouder aan schouder wiegden zij daar op het even bewogen water, de stompe neuzen tegen den kant. Aan den groenen oever, pal langs den smallen havenbak, weinig meer dan een vluchtgat binnen paalwerk en basalt, waren de zwartberookte taanketels, van elken schipper een, keurig in het gelid ten halve in den grond gegraven. Op het veld daarachter staken de roopstokken voor het drogen der netten en eindelijk stonden er drie saamgezette palen met een groote weegschaal: de afslag voor t verhandelen van de aangevoerde vangst. Alles heel eenvoudige zaken, noodig voor het bedrijf, hier sinds jaar en dag door bruine, vereelte visschershanden uitgeoefend in de volkomen vrijheid van een bestaan, aan geen menschenbemoeii’ng gebonden, onzeker weliswaar, maar met een goede kans voor wie in instinctieve vaardigheid het vak verstond. Stille getuigen van visschermansrijkdom, de vreugde om de ruime vangst, als de netten uit het rauwe, wintersche water werden binnengepalmd, de mazen vol glanzende 11


haring. En de teelt nog nauwlijks over, alweer de zomersche legioenen der dartele „ansoopies” in zee, bij millioenen, die zich in ongetelde massa’s zoo maar vastzwommen in het zorgzaam uitgespannen want: donkere, ragfijne sluiers, zooals het aan boord kwam, sluiers glimmend en glinsterend als met zilverloover bestoken. Zeker, ook dagen en nachten, dat zij het leven niet zagen, schrale tijden van nutteloos waken en wachten bij het want, harde ervaring van het ongewisse. Maar brood gaf zij, de kleine visscherij, het zoete brood, dat uit zout water wordt gewonnen. De oude schipper stierf. Zijn zoon vischte nog een of twee seizoenen met een vreemden knecht, die het schip niet kende. Het had toen al jaren dienst gedaan en was maar zelden aan de werf gezien. Voor de schoonmaak werd de jol in de haven zelf gekrengd. Maar nu kreeg de boot vaak averij en terug op de helling wees de werfbaas op zwakke plekken, die dringend voorziening behoefden. Juist na een beste ansjovisteelt was de jonge schipper bereid zijn jol van de hand te doen, een redelijk bod als deel op den prijs van een nieuwe schuit. Als pleizierschip verzeilde de H.L. 37 naar Rotterdam, later naar Aalsmeer. Het schip kreeg verschillende eigenaars en telkens een anderen naam, ofschoon het geen goed gebruik is een vaartuig te herdoopen. In een haventje van den Westeinder heb ik toen op een zomerschen avond het bejaarde en wat norsche scheepje zien hggen in die omgeving, waar het zoo heel niet thuis hoorde; precies een oude, gestrande visscherman, wat verkommerd en met vale plekken op zijn kaken. Het lag Ach daar te schuren aan de schoeiing, loom domme12


lend met telkens het knerpend aantrekken van de meerlijn als een schorre zucht. Ik ben op de schoeiing gaan zitten, mijn voeten laag boven het water en heb langzaam het schip naar mij toegehaald. Het had iets, dat mij aanstond in de lijn van den forschen Steven, in de welving van den romp met het warme bruin van een verschen lik teer, het slanke mastje, de takelage wel wat vermagerd, maar toch nog stevig en gezond. Ik streek met mijn hand langs de huid van het schip, klopte er eens op; het gaf een vol, krachtig geluid. Opstaande, keek ik naar den helmstok en naar het roer, dat zwart van glimmend teer even in het water bewoog en in zijn hengsels knarste. Een zuchtje wind van over den plas speelde met den tip van het vaantje. Ik zag, dat het goor en rafelig was, maar toch met iets dartels in het fladderen, iets als een uitdaging, een heimelijk verlokken tegelijk. Een week later was de jol van mij. Op een werf aan den overkant van t Y kreeg het schip, hulpeloos hoog op de houten klossen, zijn laatste, groote beurt. Geregeld kwam ik er naar kijken, de eerste keer samen met den hellingbaas, die er hoofdschuddend omheenliep en af en toe zijn mes trillend in het hout joeg. Dan wist ik, dat er rotte plekken waren. Ook binnen in het schip: oogenschijnlijk gave ribben tot roggebrood vergaan, tongen van spanten losgewerkt. De hellingbaas tastte en klopte: lappen en breeuwen, dit nieuw, dat nieuw en noemde een hoog bedrag. Maar dan zou hij ook gaaf en gezond zijn, mijn nieuwe kameraad, kon hij zich weer behoorlijk vertoonen in de buurt, waar hij vandaan kwam en waar hij nu met mij een nieuw leven, zijn 13


tweede jeugd, dacht ik, zou kunnen beginnen. Dus sloeg ik toe. Dat werd een tijd! Mijn vrije avonden, als het maar even licht bleef, liet ik mij zakken, van de reraming der Oranjesluizen, op de plecht van mijn schip, waar nu op het voorboeisel zijn nieuwe naam prijkte, in avontuurlijke fantasie gekozen: ,,De Halve Maen”. Dan zwierven wij over het buiten-Y, rondden den hoek, om achter den vuurtoren ergens te schuilen, onbespied in de ruischige rust van de biezen langs het buitenland van Ydoorn. Het week-end gingen wij verder, den Gooischen wal langs. tot Huizen en Spakenburg, of Noordwaarts naar "Volendam en Marken, tenzij wij de stilte wenschten, die nergens beter werd gevonden dan in het nog ongerepte buitenland bij den havenmond van Edam. Maar het groote avontuur werden de verre tochten, in vacantie jaar op jaar, dat je het schip de ruimte gaf, wind in de zeilen, neus in de zeeen en vooruit nou maar: eens zien waar we komen zullen, vandaag of morgen, of anders de volgende week. Het zullen mijn beste dagen blijven. Zoo heerlijk ziltig verwaaid dat je werd, wat slonzig ook en ongegeneerd, maar elken dag opnieuw het pleizier van de vaart met dit mansche scheepje, dat draafde en steigerde over een zee vol wilde bruiskoppen, die zoomaar pardoes naar binnen plensden, stuivende tot over het roer, maar waar je in je glimmend oliegoed glad maling aan had. Toch kon het ook wel eens spannen: zoo’n uitschieter met felle vlagen en grimmige brekers, waar ,,De Halve Maen” zich koppig schrap tegen zette. Dan kreunde de mast en was er dat gonzen en grommen in het want, het zware

H


Keesie, laat naar bed en al weer vroeg de kooi uit, heeft zich een makkelijk plaatsje gezocht.


Uitzicht vanaf den vuurtoren op den Urker berg, Op den voorgrond een nieuwe buurt en rechts de moderne school; op den achtergrond de oude kerk met de begraafplaats, waar de dooden rusten, zooals op alle eilanden, op de vei 1i g ste plaats.


stooten op de golven, onheilspellend onder leigrauwe buien en het valsche licht op het water. Een diep genot dit optornen en wilde ploegen, door een deining, die fel en verbeten aanstormde in den harden wind, telkens en telkens rauwig uithalend met kermend gerucht. Vertrouwen hebben in je schuit, ondanks den onbestendigen aard, die elk schip nu eenmaal eigen is, de nukken, die het vertoonen kon, juist op zijn ongelegenst. Ook ,,De Halve Maen” had zijn booze uren, maar nooit als het er om ging in een kwade benauwdheid de zwaarste proef te doorstaan. Wat een spanning om bij stormig weer, werkend aan het roer en met de riffe zeilen, worstelend in stroom en nijdige zeeen de schuit langs het havenhoofd te kloppen. Een laatste, steigerende sprong en dan het wegglijden in de luwte, het vredig uitdobberen in blak binnenwater. Heel de Zuiderzee hebben wij verkend, in alle havens waren wij thuis, tot door de geulen der Wadden, in den trek van den stroom, vond mijn schip zijn weg, alleen maar voor de pret om met zijn korte kiel het zand van den Noordvaarder te schuren, het blinkend zand op zoo n langen zomerdag met niets dan zon en ziltigen wind en het ebwater, dat terugweek, de boot op haar kiel, voorzichtig geschoord, achterlatend om straks uit den stroom weer op te zetten en ons te halen. Met avond in zoo n dorp of stadje passagieren, verwaaid en doorzond, in je plunje-van-het-water, om ergens in een winkel-etalage verbaasd naar je eigen roestigen kop te kijken en, je ruige, gebleekte pruik. Eten en slapen in de schuit, die ook zelf wat dommelde tegen den walkant op het water, donker en blak met geligen weerschijn van

15


een lantaarn. ’s Morgens, als de sterren nog maar nauwelijks waren verbleekt, weer naar buiten, de fletse zee op, die pas kleur en beweging kreeg, als de zon zich van den ochtendnevel had bevrijd: een trage slaapster, die na lang aarzelen het dek van zich schudt en dan ook meteen klaarwakker is. Pluk den dag op zee, de morgen is het mooiste: alles vrij en frisch, de boot schiet monter door de golven, die dartel zijn en al het vermoeide van den avond zijn vergeten. De vroege zon heeft haar eigen licht, dat zij niet uitschudt met voile handen, maar zoowat speels rondstrooit, hier iets op een breker, daar wat op zoo’n soepel wegdeinend golfje, wonderlijk transparant-groen en ook iets op het schip: wat goudvernis over het tanig zeil en hier en daar van die vroolijke glanzingen op den mast en achter langs het roer, waaraan een occarino schijnt te hangen, welke het wegspoelend kielwater met gragen mond en rappen vingertop bespeelt. Later op den dag kon die zee zoo hel en hoogblond worden en soms verrassend van kleur verschieten, als er wolken mee in’t spel waren. De hitte van den middag hing dan als een looden damp over het schip, dat uit alle naden rook naar versch pek. Ook de avond had zijn eigen bekoring, de zee zoo blak, een wijde cirkel, de mast van het scheepje in het midden. Een triomfantelijke zonsondergang kon een feest zijn zonder einde, maar het wilde ook wel anders, als er broei zat in de lauwe lucht en het roerlooze water, waarin je, kijkend over¬ board, jezelf als in een spiegel zag, te zinnen scheen op boos avontuur. Het was dan zoo stil, dat je met het roer wrikte, of den boom te water stootte om geluid 16


te hooren, beweging te zien. Ik herinner mij deze avonden heel sterk. Toch was je nooit eenzaam op zoo’n schip. Je had altijd aanspraak. Niet volgens het begrip van menschen, die geen uur zonder gezelschap kunnen en onophoudelijk moeten praten; immers het schip was je aanspraak, daar kon je lange gesprekken mee voeren, gesprekken zonder een enkel woord, maar waarbij je elkaar wel drommels goed verstond. Zooiets gebeurt niet dadelijk, je praat niet met het eerste het beste schip, dat onder je voeten komt. Dat gaat pas later, heel geleidelijk, wanneer je de schuit leert kennen en weet wat je eraan hebt. Van ,,De Halve Maen” wist ik het gauw en het schip van zijn kant had ook mij maar al te spoedig door. Ik hield van mijn schip om zijn trouw onder alle omstandigheden, ik was er zoo’n beetje romantisch verliefd op, een liefde, die blind maakt en die mij de oude, verpekelde schuit deed zien als in een aureool: beter, mooier dan welk vaartuig ook in de omgeving, volmaakter dan het meest luxueuse jacht. Ik kon er met pleizier uren naar kijken; wanneer ik er op voer, verloor het zijn afmetingen, voelde ik mij er, zelfs na dagen en nachten, ruim en welbehuisd. En eenmaal heb ik bij gunstige gelegenheid een motorboot gehuurd, om, terwijl mijn schip voor alle zeilen voer, er op een afstand langs te draaien, om goed te weten hoe het liep in zee en zich van ver vertoonde. Van den anderen kant moet ik bekennen, dat die liefde veel degelijkheid miste. Ik had een Bohemien-manier van met mijn schip om te gaan, wat eenerzijds voortkwam uit gebrek aan bedrevenheid in vele kleine, nuttige zaken,

17 Wijkend Water.

2


die ook een leekenhand met hamer, teer en verfpot uitstekend af kan doen, maar zich bovendien in onverschilligheid uitte, waar het de geregelde verzorging betrof, die een schip en zijn tuigage nu eenmaal vereischen. En daar ik in die dagen niet over ruime middelen beschikte, om de slijtage en het verval, die hier noodzakelijkerwijs uit moesten voortkomen, door den vakman te doen verhelpen, bracht ik mijn schip eerder op het kerkhof dan noodig was geweest. Het gekke daarbij was, dat ik van een ander niet velen kon wat ik zelf eigenlijk stelselmatig deed. Een vriend aan boord, die onhandig manoeuvreerde, kon ik uitkafferen, zooals slechts op een zeilschip wordt gescholden. En wee den argeloozen gast, die in mijn boot van het plechtje sprong, het liefst was ik hem naar de keel gevlogen. Het einde van ,,De Halve Maen” voltrok zich snel. Na een weinig voorspoedige zomersche vaart om den voortdurenden tegenwind te Stavoren achtergelaten, vond ik bij mijn terugkomst het schip, dat al geruimen tijd lekte, volledig gezonken. Opgetakeld, puilden de matrassen als krengen uit het roefje, de buikdenning was er uitgedreven, zoo goed als alles wat niet deugdelijk zat vastgesjord. Toch kreeg ik de jol weer zoover, dat zij tot Enkhuizen kwam. Hier herhaalde zich het drama. Opnieuw achtergelaten vanwege de ongunst van het weer, dat nu om de zeer slechte gesteldheid van het schip wel moest worden ontzien, zonk ,,De Halve Maen” in de Enkhuizer haven en werd door havenmeester Poorta officieel tot wrak verklaard. Waarop zijn baas, door goede vrienden gewaarschuwd, ijlings derwaarts toog, de schande afkocht en nog eenmaal met

18


vele behulpzame handen zijn ouden kameraad boven water hielp; thans tot nader order onder de hoede van een bejaard Enkhuizer visscherman. Op een Decemberdag maakte ,,De Halve Maen haar laatste vaart, tegelijk het meest hachelijk avontuur, dat zij ooit beleefde. Onder stralende winterzon vertrok het schip om van Enkhuizen naar de Oranjesluizen te zeilen. Maar nauwelijks buiten het Krabbersgat of de Noord-Oostenwind wakkerde aan, de lucht viel dicht, er kwam regen, later hagel en sneeuw. Het werd bitter koud. De wind, al feller, legde het schip op zijn zijde, de golven liepen hooger en hooger, zij braken over loefboord heen. Erger was, dat de schuit hevig bleek te lekken. Door de naden der hoogste huidplanken aan lij spoot het water met kracht naar binnen, ook lager vloeide en sijpelde het staag; bij stampen en stooten van het schip was het een klotsen en spoelen van belang onder de buikdenning. Dat ging zoo niet goed, maar of alles samenspande: het hoosvat bleek klem geslagen, ergens onder de wrangen. En wat een poover beetje kracht heb je dan in vrieskoude handen, die in het water ploeteren: het hoosvat bleef onwrikbaar. Terwijl het water hooger en hooger kwam, was het eindelijk het eenige onroerend goed aan boord. Verder dreef alles rond of spoelde los. Alleen het hoosvat was niet te verroeren. De vaart werd hachelijk nu. ,,De Halve Maen begon van al dat binnenkomend water zwaarmoedig te worden. Aan boord was alles doordrenkt: het water spoelde over de voeten, spatzeeen, regen, een klamme sneeuw verhoogden de ellende. Vocht brandde in de oogen,

19


proefde ziltig op den mond. Er was keuze tusschen zeil of gang minderen. De fok lag neer, het zwichtend grootzeil zakte al lager. Wei kwam de kust voorbij het Hoornsche Hop weer in zicht, vaag boven de grauwe, verlaten zee, maar de afstand bleef te groot voor hulp of veiligheid in noodgeval. Doorzeilen dus naar de Edammerhaven, juist voorzichtig genoeg om de boot niet onder te varen en voldoende snel om het schip nog drijvende binnen te brengen. Het lukte! Vanzelfsprekend, anders zouden deze regels waarschijnlijk niet meer geschreven zijn. Maar het was een barre ervaring, al school er navrante bekoring in om eens voor enkele uren in zijn leven er ernstig rekening mee te moeten houden, dat het de laatsten konden zijn. Zelden ook heb ik zoo’n opluchting, zoo’n ontspanning gevoeld als op het oogenblik, dat ,,De Halve Maen” op een laatste, toornig-sissende zee langs het havenhoofd schoor en amechtig wegdreef in de richting van de sluis. Wat is na zoo’n ramven tocht de eerste de beste kleine herberg wellcom. Vooral, als er een knaap van een ouderwetsche kachel staat te snorren en de kof fie dampt. Het cafe lag een eind van de haven en ik had waarlijk geen moed meer om in dit ontij terug te gaan om te zien of ,,De Halve Maen” er wel behoorlijk bijlag, het schip leeg te hoozen en te voorzien van wat noodig was. Ik liet mijn makker achter, om maar zoo gauw mogelijk met het Noordhollandsche trammetje, dat veilig en waterdicht voertuig, naar huis te komen. Ik zou dan wel gauw eens terugkeeren. Dien nacht echter zette een felle vorstperiode in; de zee vroor dicht. De cafehouder, wien ik gevraagd had op mijn schuit. te letten, schreef mij bij

20


het invallen van den dooi, na vele weken, dat het er met de jol treurig voorstond. Hij beloofde mij het schip, zoo dit nog doenlijk was, naar Monnikendam te brengen. Daar op de werf moest ik maar verder zien. Aan den wal bij Van Goor te Monnikendam, waar ,,De Halve Maen” overigens geen onbekende was, vond ik weinig meer dan een jammerlijk wrak. Eerlijk gezegd, de schuit lag al op het kerkhof. Zij was verhaald naast het rif van een hotter en half onder water gezonken. De baas, die het druk had, haalde zijn schouders op, wanneer ik voorzichtig de mogelijkheid aanroerde van herstel. En ikzelf zag het ook: mijn boot was op. Achter in den spiegel waren gaten gevallen, die mijn vuist niet dekken kon. Alleen, als de heele zaak in het ijzer werd gezet, kon de schuit misschien nog mee, maar daar viel voor mij niet aan te denken. Er bleef dus niet anders over dan te berusten en van mijn trouwen makker afscheid te nemen. Het was juist een voorjaarsdag met jacht in de wolken en schuim op de golven; een overmoedige wind deed het rafelig vleugeltje, hoog op den top, wat armelijk fladderen, de vallen, nog vast aan de nagelbank, sloegen traag tegen den mast. Ik zat erbij met een stuk in mijn keel en schaamde mezelf, dat ik wel huilen kon van spijt en wroeging. Dit was dus het einde. Uit het avontuur, voorbij de mooie ervaring. Ik wist, dat niemand het zag, hoe ik half over de plecht gebogen mijn hoofd tegen de scheepshuid drukte om afscheid te nemen van dat oogenschijnlijk levenlooze stuk hout, dat voor mij nochtans een ziel bezat, een eigen persoonlijkheid, die mij niet dan goeds had betoond. Nu geneer ik mij er 21


niet meer voor om dit te bekennen. Men mag het weten, dat het afscheid mij bitter zwaar is gevallen. Nog heb ik het plan gekoesterd om den boeg los te laten zagen en hem als souvenir thuis boven den schoorsteen te spijkeren. Maar afgezien van het feit, dat het wellicht wat monsterlijk van aanblik was geweest, zou ik toch het gevoel hebben gehad, waarmee men kijkt naar een hond, die jarenlang in huis heeft rondgedarteld en na zijn dood werd opgezet. Trouwens, ,,De Halve Maen” heeft ook niet lang op het kerkhof gelegen. Het bleef laat guur dat voorjaar en op een morgen was het wrak verhaald en na enkele dagen tot brandhout verhakt. Kort daarop stapte ik te Monnikendam uit en aan de werf kon men mij slechts vertellen, dat het schip was verdwenen en wellicht reeds lang in armelui’s kachels verstookt. Even stokte mijn nadere vraag. Ik keek voor mij uit, over het rimpelend water van het Monnikendammer gat, naar de verre zeilen van kruisende botters en geloofde tenslotte, dat het beter was zoo. Hoe kan het anders, dat ik dezen zomeravond — het is nu bijkans donker, de deining loopt zwart tegen het basalt — aan dit alles terugdenk, Ach, die kleine Staversche jol, zoo juist daar in zee, die heeft het op haar geweten. De schuit ligt nu allang gehoorzaam in het hoekje van de haven, verdiende rust voor zoo’n zwoeger, die wie weet waar heeft rondgedalfd, zoo’n langen dag. Of heeft de schipper een nachtschot gedaan, na uren van spleten en azen, de beug in zee, in de hoop, dat er dikke aal mag aanbijten, de eenige troost voor den visscherman, nu de dijk er ligt? Maar ik zit hier nog altijd en kijk naar de sterren en ik herinner mij zooveel van

22


dit oude leven in vrijheid, van de havens en de kusten en de eilanden. Ik heug mij bijzonder mijn laatste vaart naar dien stillen uithoek van de oude Zuiderzee, waar mijn jol mij zoo vaak had gebracht en ik noem bij mijzelf de namen, die eens voor mij het avontuur beteekenden: LIrk, de Nagel, Ens, Kuinre, Vollenhove, de Voorst. Voorbij dit alles. Mijn schip ligt niet meer zeilree en het water wijkt. Het wijkt van de kusten en uit de havens, het wijkt van de gronden, waar mijn dreg in greep. Daarom had die laatste tocht voor mij zoo’n bekoring. Terwijl de dijk van den Noord-Oostpolder zich sluiten ging, van Lemmer tot Urk, van Urk onder Schokland om, dicht langs den Overijselschen wal tot Kadoelen, voer ik met een Volendammer hotter nog een keer over dit water, dat door moddermolens, sleepbooten, kranen en bakken werd ingesnoerd en afgesloten voor altijd. Voor de laatste maal vielen wij havens binnen, die dood en droog zouden loopen, tuurden wij uit naar kusten, die ophielden te bestaan, verkenden wij het oude land, dat in den greep van het nieuwe moest vergaan. Mijn afscheidsbezoek aan Urk, aan Schokland, aan den Overijselschen en Frieschen wal, bracht ik met den hotter V.D. 162, de grootste kwak van de Volendammer vloot. Het was op het eind van Maart, dus onmiddellijk voor het aalseizoen, dat op het IJselmeer na de lange, wintersche werkloosheid wat ouderwetsche bedrijvigheid brengt. Die V.D. 162 was geen onbekende voor mij. A1 jaren geleden, in de Januaridagen van 1930, toen de zee nog open was en de visscherij haar gouden tijd beleefde, toog ik met diezelfde ,,162” ter visch23


vangst aan den wonderkuil. Sindsdien veranderde veel. Toen haalde onze schipper, Teun Tol, met zijn maat van de V.D. 64, Evert Bootsman, het kuilnet vol zilveren haring, blank gebuikte bot, schol, garnalen en glinsterende spiering. In een week besomden wij voor meer dan vierhonderd gulden. Nu draagt onze trouwe 162 boven het deurtje van het logies enkele letters, de initialen der Zuiderzeewet-Inspectie: controle der waardevermindering, het brandmerk op de gedoemde. Maar veel mocht er veranderd zijn, het bleef de oude V.D. 162, die onder mijn voeten leefde. Hoog tegen een zonnigen voorjaarshemel zag ik weer den vleugel strak in den wind; de roestroode zeilen spanden en bolden zich. Tevreden en behaaglijk vleide het schip zijn wang in de golven, een pittig zeetje, dat brak en buisde over den boeg. Het was het oude geluksgevoel, dat ik onderging, staande aan het roer, in de ooren het gerucht van den wind en het water, het kraken der schooten, het trillen van het zwaardval. Zoo heb ik het oude land verkend, zijn contouren zien opdoemen en verglijden, zoo ben ik het genaderd over het woelig water, om in de havens te spreken met de menschen en de dingen aan te zien, om nog eenmaal te ondergaan de sfeer van het oude leven, dat wijken moest voor het nieuwe en onbestemde. En al was er de weemoed van het afscheid, van het laatst vaarwel aan zoo menig oord, dat eens voor mijn verbeelding had geglansd in het licht en de hevige verlokking van het avontuur, sterker bleef de vreugde om het herbeleven, nog eenmaal, van een vaart door het gat van Ens, van een 24


maanlicht-wandeling op Schokland, van het weerzien van zoo menig plekje, dat op dit samentreffen scheen te hebben gewacht, alvorens het capituleerde voor de zich snel voltrekkende verandering. Opnieuw werden dit onvergetelijke dagen. Voor alien, die meevoeren, voor mij in het bijzonder. Want heimelijk beleefde ik iets, waarvan ik geen mijner metgezellen deelgenoot kon maken. Wanneer ik aan het roer stond of, wat ik graag doe, voor op de plecht lag om over boord naar den bottersteven tekijken, die door het water sneed, zag ik telkens, in den ochtendnevel zoo goed als ’s middags onder stralende voorjaarszon en ook wel 's avonds in den schemer of ’s nachts bij lichte maan, een klein, kloek vaartuig voor ons uit gaan. Niemand aan boord wist dit en ik behoefde er ook geen van mijn maats op te wijzen; zij zouden het immers niet hebben begrepen. Toch wees dit kleine scheepje ons den weg, jagend voor den hotter uit, als wilde het gebaren: hier moet je zijn of daar. Dan zei ik tot den schipper: laten wij het eens in deze richting zoeken of dien koers voorleggen. Ik wist, dat het goed zou zijn. Steeds weer zag ik op dien tocht het kleine, geheimzinnige schip voor mij opdoemen. Soms ook voer het naast ons, een enkele maal zoo dichtbij, dat ik onwillekeurig mijn hand uitstak om af te houden. Ik meende, dat er niemand aan het roer zat; toch liep het scheepje scherp bij den wind en ging pal achter ons onberispelijk overstag. Geen oogenblik heb ik getwijfeld: het was mijn eigen schip, dat ons vergezelde. Ik herkende het van het eerste oogenblik aan den vorm van den romp, aan den stand van den mast. Ik zag ook de lappen in het groot25


zeil, waar dit ooit was hersteld. Zoo mocht ik dan den laatsten tocht naar het water en de contreien, waar wij samen, mijn schuit en ik, zooveel jaren hadden rondgezwalkt, niet zonder hem maken, zonder het kloeke scheepje, dat er mijn trouwe gezel was geweest. Naast ons lag het in de haven, soms meende ik, ontwakend tusschen twee droomen, 's nachts het lichte aanstooten en schuren te hooren van zijn romp tegen het berghout van den hotter. In den ochtend voer het mee uit, lang voor ons buiten de haven, ik zag de zeilen, als door onzichtbare hand bewogen, omhoog gaan; ’s avonds liep het met ons binnen, nu eens voor ons dan weer op korten afstand terug. Als ik straks weer naar Stavoren ga, waar ik slaap vannacht, mooie wandeling door luwen zomernacht over het Roode Klif, de havenlichten in zicht, weet ik, dat op mijn hotelkamer de tafel wacht met een bundel papier en mijn vulpen ernaast. Mijn nieuwe boek zal ik inleiden, nog voor een vluchtige rust in den morgen, en ik doe het met deze herinnering. Over het wijkend water, waar ik van vertellen zal, glijden twee schaduwen: groot en forsch de zeilen der V.D. 162, maar daarnaast het silhouet, laag en gedrongen, van een Staversche job van ,,De Halve Maen”.

26


A AN BOORD VAN DE V.D. 162

O

p het havenhoofd in de blakte van den avond staat mijn kleine Volendammer vriend, vuisten in zijn wijde pijbroek en kijkt naar zee. Vijftien jaar is Kees en dan is een Volendammer al een heele man. Dan heeft ie de wereld door en het dorp in zijn diepen broekzak. Het zwarte petje hangt achteloos over zijn blonde kruin en vooruit springt wild en warrig haar, laag geplant boven zijn voorhoofd, waarin Kees al zorgelijke rimpels drukken kan. In het kleine, door zon en wind verweerde gezicht met den platten neus, borstelige wenkbrauwen en ernstigen mond teekent al dat naar binnen gegroeide, stuursch geslotene, het echtc zeevolk eigen. De kleine, diepliggende oogen zijn groen, maar een groen, zoo ijl en transparant als de zee wel kleuren wil op een zomeravond. Die kijkers alleen verraden iets van hemzelf. Meestal hebben zij, half toegenepen, iets droomerigs in het wegstaren naar de verte, een enkele maal schiet er een glans in op als de schijn van een draailicht op zee, dat over den horizon flapt. Dan heeft Kees een goeie gedachte en als die ook los komen wil, knijpt hij zijn kijkers kneuterig dicht en zijn schorrige stem doet een grappig verhaal, zoo wat ouwe-mannetjesachtig verteld met een erg levenswijzen 27


humor. Het moet hem al zeer naar den zin gaan om lang in zoo’n stemming te blijven; hij zwijgt liever met dien wat stroef-droeven trek om den kleinen mond, wellce mij altijd weer bij hem opvalt. Hoog op zijn beenen staat Kees. Boven zijn weeksche trui en opengevallen karwats glimmen de gouden knoopen op het zwart-wit gestikte befje, dat nauw om den hals sluit. Maar net op de heupen hangt zijn ruige pijbroek, aangesjord op den rug met een groen koordje. De groote zilveren klapstukken blinken uitdagend. Het magere bovenlijf in de strakke, donkere trui buigt bij het middel even naar voren, veerend op het breed-uitloopend, glanzend ruige laken, dat sierlijk wegplooit langs de beenen. Het is een roerlooze Maartsche avond, dicht tegen April, met een ijl, stil licht, dat zich niet haasten wil, ofschoon de lage zon al achter Edam is weggezakt, de schemer tusschen de huizen van het dorp tegen den dijk opkruipt. Eloog in de lucht drijven nog rosse en paarse kleuren, een klare, windlooze atmosfeer, in de haven het gelid der schepen verdubbeld, kiel op kiel, de spiegeling der masten borend omlaag in peilloos-heldere diepte. Gerucht van stemmen, geschuifel van muilen en klompgeklos komen vanover de botters naar ons toe. Ergens klinkt een lach en onder de palen van de remming plassen eenden, die uit zee zijn aangezwommen. Kees schopt een steentje naar de eenden, de puule, die verschriktbrutaal terugsnateren, om dan met booze moppergeluidjes weer schielijk weg te roeien. Samen gaan we de haven om, Kees met groote stappen, zijn klompen klossend op het zwart-geolied hout van het

28


plankier. Hij fluit tusschen zijn tanden, want hij heeft nu werkelijk goeien zin. Morgenochtend immers of eigenlijk vannacht nog zullen wij uitvaren met de 162, den hotter van Oom Teun. Niet om te visschen, maar louter voor de pret. Zoo van eiland tot eiland, van haven tot haven en maar passagieren. Dat lijkt Kees best. Te lang heeft ie de wintermaanden, zoo van November af, al weer bij moeder thuis gezeten. Want hij werkt bij een toeker en dat duurt zoolang de aal zich vangen laat, van het luwen der dagen tot November toe. Harde maanden voor den jongen, zoo zwaar, dat zij een fiksche wintervacantie eigenlijk wel noodig maken, om weer wat bij te komen. Kees stamt uit een oud visschersgeslacht, een echt groerikousennest, met in zijn bloed de drift, de zilte passie voor het handwerk der vaderen. De zee, de hotter, het vischtuig, daarvoor is hij immers geboren, daar is hij naartoe gegroeid, al in zijn eerste broek, bij ’t pril verkennen van het leven, van zijn wereldje rondom. Zijn eerste, echte speelgoed: een opgetuigde klomp met mastje en zwaarden, de eerste kwajongensstreek bestraft met kopje-onder in de haven. En bij het klepperend rossen en ravotten door steegjes en sloppen van het buurtje, het plots verstillen der tierige uitgelatenheid, omhoog geklauterd de dijktrap op, om uit te turen over zee, heel ernstig ineens. Ouder wordend van jaar tot jaar de hunkering om weg te zijn uit school, mee in vaders bedrijf, het leven in vrijheid en ’t ruig avontuur. In zijn verbeelding al zelf een visscherman, acht gevend op teekenen van weer en wind, meelevend den wisselgang van teelt op teelt, de 29


vreugde om een prijzige vangst, teleurstelling van magere tijen. Vooraan bij het binnenvallen der botters, vaders schip al van heel ver in zicht en als eerste aan boord: ,,Wel, e je nog wet vonge?” Tot eindelijk, na al eens wat zeeziek probeeren te zomer in vacantietijd, als knechie aan boord. Dat was een dag in zijn leven! Zoo mooi had ie de wereld nog niet gezien! Voorjaarsweertje en heel het dorp glansde en blonk. De zee was blauw onder zonnigen hemel. Van alle masten ontplooiden zich fonkelnieuwe vlaggen, versch met ,,bolus” besmeerde zeilen van het warmste roestrood waren aangeslagen en op de frisch geteerde scheepsrompen speelden vlammen boven het driftig kabbelend water. Mannen liepen af en aan, dragend emmers vol aardappelen en brood, potten boter en kaas. Anderen torsten zeilen, netten en goudgeel oliegoed. Bij den timmerman onder aan den dijk vloog rusteloos de schaaf door het blanke hout om haken en boomen nog tijdig af te leveren. En overal opgewekte gezichten, montere stemmen, drukte en vertier. Nu was hij niet meer bij de kleine jongens, die broekewijd van hotter op hotter sprongen of vader hielpen met dragen van t gerij, benijdend nu hem en de andere maats, die voor het eerst te visschen gingen. Dien avond, als jongste knecht vroeg te kooi, had hij afscheid ge~ nomen van moeder thuis als een man, in de donkere haven over de schepen zijn weg gevonden naar den hotter, wat geredderd in het vooronder en bij het lampje half laag was ie te kooi gekropen, ver naar achteren onder de zware deken. Slapen kon hij niet, zooals thuis in zijn bed op zolder, waar nu de rustiae adem ging

30


van zijn broertjes. Hij luisterde naar het murmelen van het havenwater, buiten tegen den scheepswand, de vage geruchten uit het dorp, wachtend, tot te middernacht schippers en knechts de schepen op kwamen met bonzend springen van plecht op plecht en even later het rommelen van een motor, geroep van stemmen, het ratelen van schooten en vallen, die door de blokken liepen. Het water buiten kreeg nu het hoogste woord, rumoerig gorgelend en plassend en eenmaal in zee telkens boosaardig botsend en bonkend, als felle brekers tegen boord rolden. Als vader hem riep en hij huiverig in zijn klompen schoot, zag hij den nieuwen dageraad, een grauwen schemer en de zee zoo vaal, dat hij schuw en verdrietig werd. Opeens was hij bang geweest van het nieuwe leven. Onwennig nam hij plaats aan den spleetbak, waar hij nu verder staan zou, bij dag en nacht, uren achtereen, Zuid Wester diep in zijn gezicht, karwats hoog om den hals geknoopt, voeten breeduit geplant, te azen en spleten en spleten en azen, rusteloos zijn handen, ruw en gehavend van schubben en hoeken, zout en zand. Een korte, droomlooze slaap in de kooi, als lood de lichamen der visschers om en om onder de eene paardedeken, even de handen warmen om een kom koffie, schrokkig het brood met kaas naar binnen geslokt. En dan weer staan en werken op den slingerenden hotter, rap de dozzige lijn ontwarrend, ordelijk onder het zand, de haken op een rij aan de spleet. Het azen vervolgens: elke beweging een spiering aan een hoek, tot de lijn gereed om uit te schieten, de schipper den eersten joonstok te water tjoemt met den beewensch:

31


,,Dat God m zegen. En dat het Zijn barmhartige wil mag zijn”. Perwijl de beug in zee loopt, al die aallijnen op elkaar gestoken tot een eind van kilometers lang, worden weer nieuwe lijnen gespleet en geaasd, klaar om te schieten, als straks de uitstaande beug is binnengehaald, wanneer de vangst goed is aan bijna elk dwarslijntje of steltje een kloddervette aal aan den hoek gebeten. Een ruk van den aantrekkenden hotter en met de binnenloopende lijn komt de buit aan boord, de felle roofdierbekken der aal vaak nog slokkig om het aas. Soms maakt de aal, aan de lijn uit zee omhoog schietend, een ijl, fluitend geluid, voor de visschers een onfeilbaar teeken van ruimenden wind. Zwaar werk op zoo’n toek. Bij regen en wind, in de brandende zon, door huiverkille nachten en soms al barre kou van het laat seizoen. En dan kan de hotter tekeer gaan van jewelste, dat je haast van de voeten gaat en je maag zoo krampig drukt tegen de bakken. Pijn wringt in schouders en rug, je beenen trillen van overspanning of verliezen alle gevoel. In zulke uren krijgt Kees er wel eens glad genog van, zou ie temet willen afstappen, liever het walletje met ’n luizig baantje op fabriek of zakkenzolder dan dit rauwig ploeteren, de dagen en nachten maar door. En toch kan ie het niet laten: het is z’n bestemming, hij heeft nooit anders ge~ weten en gewild. Met trots praat Kees van een Donderdag voor Pinksteren met vliegend weer, toen geen hotter zich buiten waagde, geen Marker of Bunschoter, geen Urker en ook geen Volendammer. Alleen zijn schipper deed een

32


het eiland Urk van 1794 (zie het onderschrift van de illustratie op de volgende paginal.


K.L.M.-luchtfoto van Een vergelijking met hoogste deel van het drooggelegd, valt nog staart, waar

hct eiland Urk voor de drooglcggingswerkzaamheden er begonnen. vorenstaande kaart van 1794 (collectie H. Putter) laat zien, dat het eiland thans vrijwel is volgebouwd. Het verdronken land, inmiddels duidelijk te herkennen. Geheel op den achtergrond de zandige Urker voor de afsluiting der zee de robben zich plachten te zonnen.


prachtig schot, hoog langs den Frieschen wal en bracht den kapitalen buit — bijna duizend pond aal — recht in den wind naar Volendam. Dien dag zou hij niet licht vergeten. Een storm, dat er woei en een zee, dat er ging! En buisen, dat die hotter deed; hoog plensden de brekende golven over de plecht. Doornat tot hun hemd werden ze; zelfs het oliegoed bood geen beschutting meer. En er moest gepompt worden, wilde het schip van al dat binnenkomende water niet zwaarmoedig worden. Maar zij bleken de eenigen, die nog dienzelfden avond de prijzige vangst te Volendam losten. Dat is voor den jongen de weelde van visscherman-zijn: de ongebondenheid van dit leven, het avontuur van de vangst, de weerkeerende vreugde om de verdienste, het moeizaam gewonnen loon van den arbeid: zijn deel, harde, blinkende guldens, die de schipper hem betaalt uit het zwarte, breed-puilende zakje, als hij hem zoekt Zaterdagsmiddags op den dijk, waar Kees al weer op zijn best spanseert in zijn nieuwe blempie en Zondagsche pijbroek. Wat mocht hij zich beter wenschen dan dit bestaan, het puur geluk der alledaagsche dingen, de eenvoudige vreugde der goed-willenden in het leven, dat God voor hen heeft beschikt. Hier in het eigen Volendam, besloten wereldje, zooals het reilt en zeilt en groeit en tiert op en aan den dijk, het dorp met zijn bonte huisjes en zwiepende bruggen, zijn kleuren, zijn teer- en vischlucht, de bries van over het water, de forsch gelijnde schepen in de havenkom, welker vleugels wenken en wuiven hoog boven de rood-genokte daakjes. ,,Deir laat Oom Teun z’n hotter,” zegt Kees, als we

33 Wijkend Water. 3


terug zijn op den dijk. De 162 is al verhaald, klaar om zoo het havengat uit te schieten. Frisch gekalefaterd, de zeilen aangeslagen en een nieuwe vlag in top. Maar eerst gaan we buurten bij Teun thuis in het wat achteraffe straatje met eender gelid der houten bovenpuien, telkens twee ramen en een deur. Buiten op de stoep een klompennerinkje met alle maten voorradig en binnen om de kachel en bij tafel al de kousevoeten, die in die ’usters passen, op het wiegekind na, dat elk jaar weer zijn plaatsje ruimen moet. Een groot en gestadig groeiend gezin in dat popperig-kleine woninkje met vader en moeders plaats, juist als overal in het dorp, ter weerskanten van de tafel, geschoven onder het raam, de deuren der bedsteden en het keukentje achter, de wanden — ’t schot — overladen met schilderijtjes en vrome prenten, portretten van ouders, verwanten en bekenden. Daar ben je nu dadelijk thuis, bij Teun, en bij zijn vrouw, die wat bleekjes-zwak zich maar geeft aan al die kinderen, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, het al moederlijk-bezorgde oudste meisje en Bruin, de stamhouder, met zijn goedig jongensgezicht en schrandere kijkers, die nu ook gauw vaders groote knecht moet zijn, mee helpen het brood verdienen voor al die kleine, ravottende bengels, zwarte duveltjes, stuk voor stuk, in hun truien en glimmend-fluweelen broekeruimte. Teun zelf, bijna veertiger, heeft nog een jongen snuit, frisch en doorzond en daar kleurt nu zijn grijze haar erg ouwelijk bij. Hij is een van het geslacht Volendammers, dat het zwaarst door de afsluiting der Zuiderzee en haar gevolgen getroffen is. Die nog de goede jaren heeft gekend, schipper van een der grootste botters der vloot, 34


de stoere kwak, welke zomer en winter, jaar na jaar wonderkuil, dwars- en kwakkuil al naar de teelt door zee haalde: mooie vangsten en rijke verdienste in rusteloos bedrijf. Maar die nu inteert, steeds magerder de jaren, sinds de dijk zich sloot, s zomers nog visschend met den kuil op aal, ontoereikend echter de winst om ook den langen, leegen winter door te komen, de Zuiderzeesteun niet voldoende om zijn gezin van tien, elf, straks twaalf personen te geven wat het noodig heeft. Daarvan heeft Teun nu die duifgrijze kuif, is hij zorgelijk-verouderd in zijn doen, zijn denken en spreken vol van alles wat hem benart. Daar kan hij uren over praten, van den rijkdom van vroeger, de armoe van nu, in een extatisch-verontwaardigd heenblikken over zijn gasten weg. Toch een geestige kerel bij al zijn zwartgalligheid met die typische visschermanswijsheid, link als de beste, hartelijk gunnig ook voor z’n vrinden. Een uurtje boomen met Teun, knus bijeen in het lamplicht op tafel, met een versch bakkie koffie, hartelijk angepresenteerd en drie, vier maal volgeschonken door de vrouw met telkens twee koekjes uit de trommel naar Volendammer wijs. Terwijl de jongens in hun blauwe onderbroekjes op kousevoeten overal in huis zijn weggekropen, in hun slaapla onder de bedstee of laddertje op naar zolder, de zusjes, preutsch gichelend in hun streepte onderrokjes, ook ergens achter een deur. Nog eenigen tijd hun verstikte lachen in het donkcr onder de dekens en Teuns vermanende stem als de weerlag door ’t huis, tot eindelijk alles slaapt en ook wij ons zullen ,,zakke lete”, met Teun door het duister dorpje, den dijk op en in de haven joempen van hotter op hotter,

35


tot waar het schijnsel valt uit een vooronder: de 162, nu ons verblijf voor dagen en nachten. De V.D. 162, een Volendammer kwalc, het zwaarste bottermodel, dat de oude Zuiderzee bevoer, is ruim behuisd. Men kan er makkelijk staan onder de zoldering van het vooronder, dat knusse wereldje van den visscher op zee met alles wat hij noodig heeft aan bescheiden comfort. Waar hij eet op het vloertje voor de kachel, waar alles hangt, ligt of in kastjes is geborgen wat hij noodig heeft op de vaart en waar hij slaapt met zijn knechts in de ruime, diepe kooi, geheel vooruit in den neus van het schip, bereikbaar langs twee poorten aan weerskanten van het schoorsteentje. Gezellig halfduister, waar meestal een lichtje brandt, vaag herkenbaar de netten, het touwwerk en oliegoed, terzij langs de wanden opgetast. En met een eigen geurtje van taan en teer en brandend talhout. Teun is onmiddellijk neergehurkt bij het roestige, kierige kacheltje om het vuurtje aan te blazen tot gnuivende behagelijkheid. De koffieketel erboven: nog een bakkie, voor we slapen gaan. Maar om aan slapen toe te komen, hebben wij toch een beter recept. Uit ons deel in het scheepsproviand komt de rhum te voorschijn: een flinke scheut in elke dampende kom, die je met duim en vinger geheven houdt of warmpjes in bei je holle handen. Lui achterover, je voeten in den hittekring van de kachel, sigaren- en sigarettenrook vredig wolkend onder het zoldertje, zoo kun je het lang uithouden. Teun weet nochtans beter: de kooi in, mannen. Het is morgen vroeg dag. We moeten de zon voor zijn op zee. Zelf gaat ie nog voor een paar uur huistoe, achter de vrouw. om 36


straks in den prillen ochtend met Evert, z’n maat van de 64, terug te komen. Want een knecht zal er niet zijn aan boord — Keesie maar zooveel als koksmaatje — en Evert Bootsman, evenals Teun dwarskuulder op aal en dus voor het seizoen op 1 April toch niets omhanden, was graag van de partij. Zoo lig ik dus weer in de kooi van de V.D. 162, precies als jaren geleden, voor het eerst ter visscherij met ditzelfde schip, toen de zee nog open was en de kuulevolte heel den rijkdom borg der kostelijke visch, die er eens zoo welig tierde. Ik snuif weer dat pittige bottergeurtje, onderscheid vaag de zware ribben van het schip achter mijn hoofd omhoog. Warm-wegend de vijfvoudig dikke deken over mijn schouders en als ik mij beweeg: de kousevoeten van Kees, die mijn tegenligger is, ergens in mijn lendenen. Even nog onwennig, maar niet lang. Opeens zak je weg in een vage doezel, zoo prettig veilig besloten in dien grooten, schuttenden romp van het vaartuig. Ik heb altijd graag in scheepskooien geslapen, vooral op een kleine boot, waar je het water, pal naast je hoofd, achter het wandje kunt hooren en zijn stemming beluisteren. Want nu eens doet het vredig zijn verhaaltje, babbelend of wat luidop betoogend, een andere maal boosaardig brieschend, aangezet en opgehitst door een kwaden wind, bonzend als met vuisten op den scheepswand, soms zulke oplawaaien verkoopend, dat alles trilt en kraakt en je denkt, dat nu temet de zaak uiteen zal barsten. En zoo’n levend bed is ook iets wonderlijks. Natuurlijk, je moet er tegen kunnen, maar dan is het ook recht genoegelijk je zoo maar te laten schommelwiegen, willoos meegevend elke 37


beweging, die het schip maakt, een vredig deinen, oogen dicht en zonder gedachten, alleen maar wachtend op die onzichtbare hand, die je heel, heel langzaam naar boven drukt en dan domp... omlaag, weer het onwezenlijk zweven in hooger regionen en hopla... daar zakt ie weer. Het is heusch geen onprettige sensatie, tenminste zoolang het niet al te bar wordt, waarbij je geen houding meer vinden kunt, die rust geeft zonder gevaar, dat je hoofd tegen het schotje slaat of dat je met dekens en al nu eens naar boven glijdt en dan weer — daar gaat ie! — naar het voeteneind. Is de kooi dan nog smal ook, voor een persoon, dan loop je nog het gevaar om zoo maar pardoes, in je lichten slaap, uit bed te worden gegooid, tenzij er een schuif is, die voor het kooigat sluit. Funest is tenslotte het kijken, uit je kooi in het deinend logies. Z,elfs de meest zeevaste maag is op den duur niet bestand tegen het zien van zoo’n enkel gebruiksvoorwerp, een oliejas, een lamp, het klokje aan het schot, dat dreinig volhardt in steeds eenzelfde beweging, treiterig langzaam en verveeld. Daarnaar te kijken en je kunt het niet laten, maakt je zoo melig en zoo wee, dat je er uitvliegt tenslotte, naar boven, naar dek om frissche lucht te happen, den wind te voelen, het buiswater ziltig op je tong. Maar vannacht heb ik daar geen last van. De 162 ligt zelf zoo vreedzaam te dommelen in de havenblakte, heel even rutselt het water tusschen de schepen, een vogelgeluidje in den nacht, alleen de lijn om den bolder kraakt lijzig met heel lange tusschenpoozen, waar je al wachtende op in slaap valt. Veel later, vaag tusschen twee droomen, hoor ik den schipper en zijn maat aan 38


boord komen, rumoerig hun bedrijvigheid, het ratelend hijschen der zeilen, het wrikken van het roer, de loop van de vierende schoot door de blokken. Het schip komt tot leven, stootend afgehouden van zijn buren glijdt het de haven uit, de zee tegemoet. Nu zijn we klaarwakker in kooi, te lui nog om naar buiten te kruipen, maar volop bewust van de vaart in den jongen dag, die al met bleek licht door het deurtje van het vooronder naar binnen schijnt, terwijl hier het lampje nog zwakjes brandt. Tot Teun daar pal voor ons bed aan het scharrelen gaat bij het kacheltje, dat hij wakker port en er den ketel met koffie boven plaatst, die nu gauw pittig te dampen staat. De geur van het ,,varsche bakkie haalt ons uit bed. En meteen onze kop het vooronder uit, naar buiten. Daar staat Evert aan het roer, pijp in den mond, recht tevreden in den frisschen, zonnigen ochtend. Hij glundert, als hij wijst over zee: kon t mooier, zu k weertje toch! Ook wij kijken, oogen-knipperend van behagen, in een hooge, tintelende lucht, de wijde cirkel van het water rondom, spoelende golven doorschijnend goudgeel en groen vol schittering van zon. Boven ons de vertrouwde wand van het zeil, breed gezwollen in den wakkerenden wind en vooruit het stoere bruisen langs boord; een kwiek gevoel, een wonderlijken overmoed bevangt je, zoo’n vreugde in het vooruitzicht der komende dagen, een gretig genieten van al dat licht en die ruimte en de speelsche bries, de vaart in het schip, die je voelt als het weerzien van goede, oude dingen. En de verschijning van Teun, die ons buiten de koffie komt brengen, herinnert daarbij aan het beste

39


leven van alien dag op zoo n hotter, dat nu weer beginnen gaat. Want niet alleen waait de wind alle zorg en muizenis weg uit je hoofd en krijg je n anderen, frisschen kijk op het leven, maar met die zeelucht hap je zoo’n ouderwetschen eetlust binnen, zoo’n echten bandrekelhonger en niet minder een gezegenden slaap, die grondig verkwikt. Straks zullen wij samenzitten rond het snorrend kacheltje in het vooronder, waar de schipper ons het roggebrood zal toeschuiven over den vloer, de boter en de kaas, waar je in bijten zult met een pleizier, dat aan geen stadsch ontbijt te pas komt: Teun, Evert, kleine Kees en wij, in den vertrouwden kring bijeen, gehurkt naar visschermanswijs en met een rustig gesprek zonder veel woorden. Stuk huiselijke gezelligheid, midden op zee of ergens in een vreemde haven, vredig zonder veel omslag. De ruimte buiten, de veiligheid van het vooronder, het wisselend avontuur van de vaart, weer weet ik hoe dit leven zichzelf genoeg is, hoe men, verzadigd van zon en wind, van golfgestuif en het blinken der horizonten, de eenvoudige dingen aanvaarden kan als het meest volkomen geluk.

40


HET DU1ZENDJARIG EILAND

I

s het nog het oude Urk, dat zich dezen zonnigen voorjaarsmorgen uit den ijlen nevel tusschen water en lucht losmaakt? Het baken van ,,’t Droog dwars, doemt recht voor ons uit het zoo vertrouwd profiel van die wonderlijke leemrots uit zee op, de Urker berg met zijn blanken vuurtoren, het kerkje, de boomenkluft van de begraafplaats. Staande op de plecht van den hotter tuur ik er naar in blij herkennen, maar spoedig ook in aandacht en met spanning. Want al naar wij nader komen, wijzigt zich het beeld en wordt het mij vreemd te moede. Ten Noorden van het land en Zuid-Oostelijk trekt een lange, grauwe streep dwars door de zonnige zee. Er bankt rook van baggermolens en sleepbooten. En terwijl wij elkaar den dijk, de kranen en schepen wijzen, word ik mij bewust: het is het oude Urk niet meer, waar wij voet aan wal zullen zetten. Daar is het eiland. Ik zie weer de grillig gestapelde huisjes, de torens van kerken en raadhuis, tot hier nog alles juist als voorheen: Urk, zooals ik het jaren ge~ leden voor het eerst als een fata morgana zag opdoemen achter een wilde zee, onwezenlijk glanzend in het licht van de zon, dat plots, tusschen werkende buien door,

41


neerschoot over het eiland. Maar het vertrouwde beeld, zooals dit nog vaak bij wisselende gesteldheid van weer en wind, van zee en lucht, voor den boeg van mijn schip zou verschijnen, blijkt niet meer gaaf: silhouetten van kranen en moddermolens, een werkhaven en daarachter donkere massa s: opslag van materiaal. En eindelijk een basaltgrauwe pier met nuchteren, groenen lichtopstand, de nieuwe havenmond, die het oude, vertrouwde gat met zijn houten remming verving. Wei reiken er nog de masten met donkere netten omhoog, de oude werven vol schepen en bedrijf, maar de groote baggermolen, vlak onder de kust, die er ligt te rammelen en te ronken en ginds de rookpluimen van het al verre, verre eind van den langen, strakken dijk, dat is het andere, het vreemde Urk, dat groeit en groeit, elken dag weer, tot het oude Urk heeft opgehouden te bestaan. Vlak voor den wind glijdt de 162 op de haven aan. Het boegwater ruischt, al naar het meeloopen der golven, met langzame ademstooten. Beurtelings tuur ik naar het oude en nieuwe Urk, naar den berg met zijn klippen en branding, dien ik, zwervende op het water, zoo vaak heb begroet, dan weer naar de kranen, de stapels basalt, het geklopte puin en rijshout, de keten rechts aan de haven, vanwaar de greep van het nieuwe land verder en verder reikt om zich van horizont tot horizont te sluiten. Zoo varen wij binnen en aan den wal. Onze Volendammer vrienden maken toilet voor het passagieren op Urk. Met blempie en blauwbaai, de beste broek met klapstukken aan, het haar ,,op de tis gezet”, gaan zij meteen van boord. En ik met hen, nieuwsgierig hoe het leven zal zijn veranderd in de

42


bochtige, klimmende straatjes, hoog op de kaap, bij het kerkhof of in de oude buurtjes aan haar voet. Zal met het uiterlijk aanzien van het eiland ook de levensatmosfeer zijn gewijzigd? Doet de nieuwe tijd, de moderne geest zich reeds gelden daar, waar tot voor enkele jaren nog gaaf de oude zeden en gebruiken bleven bewaard? De Volendammer komt graag op Urk. Hij is er welkom. Beide visschersgemeenschappen kunnen het goed samen vinden. Heel wat beter dan met Marken. Wat dat betreft gaat het spreekwoord ,,Een goede buur is beter dan een verre vriend volstrekt niet op. ,,Kijk, vertelt onze schipper, ,,Volendammers met Amsterdammers of met Urkers, dat zijn als broers. Maar neem nou zoo’n dwarse Edammer, dat is als de Satan. En een Purmerender precies zoo. Op Marken zijn ze vasthoudend en gierig en dat is nou ook weer niets voor Volendam.” Ook in de spreektaal komt die animositeit tot uiting. Zegt een Volendammer van iemand, die krokodillentranen stort: ,,hij ’uilt als een Marker”, op het groene eiland schimpt een schipper op zijn knecht en zegt: , Je benne zoo langzaom als een Volendammer”. Terwijl een Urker, als hij het op zijn heupen krijgt, ook al den pienteren Marker weinig goeds gunt, ,,dien gierigen neet, die met zijn hemd uit zijn broek loopt en kousen tot over zijn knieen draagt”. Maar Urk en Volendam, dat gaat goed. Heel wat beter althans dan voorheen, toen er wel eens ruzie was, wanneer de Volendammers met hun sterken wonderkuil de staande netten der Urkers stuk trokken. Dan vielen er in hartig Flevisch krachtige woorden, zelfs

43


kwam het tot vechtpartijen. Maar dit alles is lang vergeten en vergeven; thans bindt hen de gemeenschappelijke zorg, die over hen is gekomen, sinds de dijk er ligt. Ook het verschil in den geloove is geen beletsel meer voor een goede vriendschap tusschen den Protestanten Urker en Katholiek Volendam. Daartoe heeft de radio veel bijgedragen. Het beluisteren, over en weer, van elkanders programma’s heeft tot beter begrip geleid. Altijd weer als ik op Urk kom, is onwillekeurig mijn eerste gang naar den berg, naar den vuurtoren, om er tot in de nok van het eiland te klimmen. Daarboven, van den omgang, gaat onbelemmerd de blik over dorp en havens, het wijde hooiland daarachter en rondom de zee, nu eens stormig en grauw, eenzaam in regen en mist, dan weer vol lenteschittering, azuren ijlte met wazige einders, waarin het silhouet van den Enkhuizer toren en de blauwe lijn der Friesche kliffen zich verliezen, zoodat het eiland, daar beneden, schijnt te zweven in oneindigheid van water en lucht, geheel alleen en van de wereld verlaten, ware daar niet in het Oosten dat smalle reepje land, eenmaal in teruggeweken dagen Urk’s trouwe lotgenoot in de historie: het armelijk Schokland. Hier op den Urker berg is het hart van de oude Zuiderzee, die eeuwenlang om het eiland heeft gespoeld, haar golven lekkend, een driftige branding brekend op die weerbarstige leemklont, waartegen en waarachter zich het dorp en het lage deel van het eiland tegen den Westerstorm en zijn geweld beveiligd wisten. Maar thans is het beeld veranderd. Niet langer die

44


volkomen sfeer van zee-omslotenheid, wind-bewogen water in wijde rubbeling aan alle kanten, het dorp, zijn saamgeldonterde huisjes aan mime havenbassins, weggedoken in de luwte van den berg, maar naar het Noorden en naar het Zuid-Oosten machtige dijklichamen, die oogenschijnlijk langzaam, maar toch heel snel voortschuiven, kraan-silhouetten, rook en bedrijvigheid van schepen aan den kop. Dwars door zee gaat hun loop, het eiland in het midden als een reusachtige spin, die dikke draden spuit door de oneindigheid van water en lucht om zich vast te hechten naar alle zijden aan de verre kust. Onwennig volgt de blik die strakke, donkere lijnen, die zich reeds naar de nevelige einders buigen. Zij zijn de onmiskenbare teekenen, dat alles hier verandert, dat zich een wijziging voltrekt, het nieuwe er zal zijn nog voor de verbeelding zich heeft aangepast. Want nog moet men zijn fantasie geweld aandoen om al dat water daar van het Noorden tot Zuid-Oosten in land te zien verkeeren. En trouwens, de geest is onwillig. Liever nog wend je het hoofd af, de blik naar het Westen, om geen dijken meer te zien en weer te gelooven, dat het eiland daar achter je nog heelemaal het oude, onberoerde Urk is van voorheen. Het oude Urk van voorheen. Een duizendjarige historie, die ten einde neigt. Want rustig te midden der woelige golven, zooals de wapenleus van het eiland luidt, heeft ook Urk door de eeuwen heen zijn historie geschreven, een geschiedenis, welke zich verliest in lang teruggeweken tijden. En al liet die rust in vroege Middeleeuwen wel eens wat te wenschen, al waren ook de golven zoo woelig bij spring- en stormvloed, dat zij

45


menfgmaal zijn bestaan bedreigden met een ondergang, zooals het lot werd der buurtschappen als Nagel en Espelberg, waarmee het oude Urich vreedzaam samenleefde in het hart van het Flevo Meer, het eilandvolk bleef zichzelf gelijk, leidde zijn sober bestaan van ge~ slacht op geslacht, generatie na generatie, eeuw na eeuw, levend temidden en van de zee, het wijde water rondom, waarmee het vergroeid was zoo innig als wellicht nergens in ons land menschen met wind en golven vertrouwd zijn geraakt. De geschiedenis van Urk en zijn schamel kluitje land gaat terug tot in de vroegste middeleeuwen. Hoe de situatie in den Romeinschen tijd is geweest, dus ten dage van het ietwat geheimzinnige Flevo Meer, valt slechts bij benadering te reconstrueeren. Men neemt thans aan, dat de boorden van dit meer niet zoo heel veel in ligging en loop verschilden van de oevers der latere Zuiderzee als langen tijd verondersteld werd. A1 het eenmaal gecultiveerde en later verdronken land, dat men nu bij drooglegging der voormalige Zuiderzee weer denkt te herwinnen, heeft waarschijnlijk slechts bestaan uit een reeks kleine eilanden van Gaasterland Zuidwaarts tot langs Urk. Dit laatste eiland zou niet zoozeer Oostelijk, maar vooral in Zuid-Westelijke richting aan de groote stormvloeden terrein hebben verloren, o.a. het kerkdorp Espel of Espelberg. Noordwaarts, dus tusschen Urk en het Friesche vasteland, verslond het water de vermoedelijk slechts door smalle geulen onderling gescheiden landstrooken, waarop Nagel heeft gelegen en niet ver van Stavoren de plaats Ruthne. Het zijn deze kerkdorpen, waarvan de vroegste

46


oorkonden gewagen, nederzettingen, die met den veengrond, waarop zij waren gebouwd, bij de groote stormvloeden werden weggeslagen en verdelgd. Urk heeft zich dank zij een gunstiger bodemgesteldheid weten te handhaven; Schokland, waarvan de condities al even slecht waren als die van Espel en Nagel, is door wind en water genadiger bejegend dan deze, al bleef het de eeuwen door tusschen de elementen en het smalle reepje land een spel van kat en muis. Urk vindt men het eerst vermeld in de negende eeuw, wanneer de Utrechtsche St. Maartenskerk een tiende van den zeevond op Uaroth verwerft. In 966 schonk Keizer Otto I de helft van ,,Urch in pago Salo” (Urk behoorde tot de Gouw Salland) aan het Benedictynerklooster ,,St. Pantaleon" te Keulen en twee jaar later de andere helft aan Wichman, Graaf van Zutphen, van wien het bezit overging op de door hem gestichte abdy van Elten. Kerkelijk was Urk georienteerd op Stavoren; op de lijst van kapellen, behoorende tot het vermaarde Benedictynerklooster ,,St. Odulphus” aldaar, komt Urk voor, evenals trouwens het naburig Espelberg en Nagel en ook Emmelwerth, het Noorden van het latere Schokland. De geschiedenis van Urk en die van Emmelwerth, ook wel bekend als Emelswaarde en ten slotte Emmeloord, zijn eeuwenlang nauw verbonden geweest. Beide plaatsen werden na 1280, toen Floris V het bezit verwierf, tot Holland gerekend en door de Graven van dit gewest beleend. Telkens gingen zij in andere handen over. Als Heeren van Urk en Emmeloord ontmoet men in 1362 Zweder van Voerst uit het Huis van Voorst en 47


Keppel, die de eilanden benutte als steunpunten voor zijn zeerooverijen op de Zuiderzee. In 1397 regeerde Dirk van Zwieten, tijdens wiens bestuur Albrecht van Beieren, in zijn kwaliteit van Graaf van Holland, een sterkte op het eiland Urk bouwde, teneinde het te beveiligen tegen overlast in den strijd tusschen Hollanders en Friezen. In HI2 werd Herman van Kuinre met de Heerlijkheid Urk en Emmeloord beleend, nadat Otto van Asperen, Heer van Voorst, van zijn rechten afstand had gedaan, Herman van Kuinre verleende in HI5, in zijn kwaliteit van „Heer van Orck ende van Emelweerde”, aan de ingezetenen een recht, waarvan de authentieke tekst zeer interessant is. Hij overleedin H38, waarna zijn leengoederen, onder welke de ,,FIeerlicheit hoge ende lage van Oirck ende van Emelwairde”, overging op zijn dochter Alyt. Deze huwde met Willem van Alendorp en deed in H76 afstand van de heerlijkheid ten gunste van Evert Zoudenbalch (Schouwenbalck), proost van Maastricht. Deze moest echter om het bezit een procedure voeren met den Enkhuizer burgemeester Gerrit Entsz., die — ,,onder ’t dexel van zekere brieven, by hem subreptivelycke vercreghen”, naar echter later werd verklaard — sinds 1470 rechten op de heerlijk¬ heid uitoefende, hem door Karel den Stouten wegens verleende diensten geschonken. Het proces werd gevoerd tot in hoogste instantie voor den Grooten Raad van Mechelen en uiteindelijk door Gerrit Entsz. verloren. Evert Zoudenbalch regeerde over Urk en Emmeloord tot 1495, in welk jaar hij afstand deed van zijn rechten ten gunste van zijn neef en naamgenoot. Het aanzienlijk Utrechtsch geslacht Zoudenbalch bleef tot 1616

48


Hoog op den Urker berg heeft de wind vrij spel. Daar hangen de levenden hun wasch te drogen, daar sluimeren de dooden en bij storm is het of om de oude kerk en in de kale bezems der boomen van de begraafplaats geheimzinnige stemmen worden vernomen boven het bruisen der golven uit.

De oude en nieuwe havens van Urk met naar het Zuid-Oosten de in aanbouw zijnde dijk van den Noord-Oost Polder.


Eilander kinderen in kleederdracht, een beeld, dat op lirk reeds tot het verleden behoort.

Tusschen de mannen in hun oude Geuzendracht staat het moderne Urkertje, dat met het verleden gebroken heeft.


in het bezit der Heerlijkheid; dan trad de familie Van de Werve in de rechten, welke zij op haar beurt in 1660 aan de Burgemeesters van Amsterdam verkocht. Veel is van het lirk dier dagen niet bekend. De bewoners leefden van scheepvaart en visscherij, maar hielden zich ook met landbouw en veeteelt bezig, waarvan zij de producten, hoofdzakelijk boter, te Kampen ter markt brachten. Uit die eerste acten blijkt trouwens, dat het eiland nog vrij groot was. Geteisterd door stormvloeden, geplaagd en gebrandschat in roerige dagen, nu eens zelf kapersnest, dan weer versterkt om in wijde omgeving de rust ter zee te verzekeren, werd de bevolking geleidelijk verarmd. In de zestiende eeuw verkeerde de Heerlijkheid al volop in staat van verval en wanneer Amsterdam de eilanden van Jonker johan van de Werve, de laatste Heer van Urk en Emmeloord, kocht, had dit bezit voor de stad slechts waarde om zijn nut voor de scheepvaart over de Zuiderzee. Want reeds in 1617 had Amsterdam op Urk een vuurbaak opgericht, geplaatst op het hoogste punt van het eiland, op den berg in het Zuid-VyTsten, welke 1 September van dat jaar voor het eerst brandde, terwijl er later nog andere maatregelen werden getroffen in het belang van de scheepvaart, zooals het aanwijzen van een commissie van vier personen, die tot taak kreeg aan ,,verlegene zeeluiden” bijstand te verleenen. In het begin der zeventiende eeuw ging de bevolking van Urk in groote meerderheid tot den Gereformeerden Godsdienst over. De eerste predikant werd Petrus Salebien, die in 1628 zijn bediening aanvaardde. Tot omstreeks 1750 woonden er op het eiland ook nog Katho-

49 Wijkend Water.

4


lieken, wier aantal gestadig afnam, daar zij zich elders vestigden, bij voorkeur op het naburig Emmeloord, waar de Roomsche bevolking in de uitoefening van haar Godsdienst een zekere mate van vrijheid had verworven. Het Urk, dat de machtige Burgemeesters van Amster¬ dam als Ambachtsheeren huldigde, was een bescheiden visscherseiland, dat in 1632 in het geheel 47 huizen telde, voor een groot deel uit steen opgetrokken, welk aantal meer dan honderd jaar later tot 63 was vermeerderd, bewoond door ongeveer 400 personen. Visscherij op Noord- en Zuiderzee vormde het hoofdmiddel van bestaan. De vloot telde 46 zeilen. Bot, kabeljauw, schelvisch, tarbot, tong en schol werden te Amsterdam en elders ter markt gebracht. Men vond op het eiland een zeilmakerij en taanderij. Voorts voorzag een kleine veestapel in de behoefte aan zuivel. Nog altijd had Urk zwaar te lijden van het water, dat ,,geweldiglyk klotste tegen ’t eiland”. Het onderhoud der weringen zoowel op Urk als Emmeloord kostte de stad veel geld. Tweemaal, in 1710 en 1752, werd aan Amsterdam octrooi verleend tot het houden van een loterij, om de schade, door stormen aangericht, te dekken. Vooral in eerstgenoemd jaar had het noodweer zooveel onheil op het eiland gesticht, dat men ernstig overwoog de plaats te ontruimen. De loterij, die voor noodzakelijk herstel werd uitgeschreven, liep tot een bedrag van zes ton! Het Gerecht op Urk werd gevormd door den Schout, die ook de functie van Secretaris waarnam en vijf Burgemeesters, tevens Schepenen, waarvan er om50


streeks Paschen het eene jaar twee, het andere jaar drie aftraden. De nieuwe keuze werd aan de Ambachtsheeren ter bevestiging voorgelegd. Een goede beschrijving van het eiland geeft de kaart van Urk uit het jaar 1791, welke in dit boek is afgedrukt. Volgens deze kaart mat het eiland ongeveer 1H1 roeden in omtrek, waarvan een lengte van ongeveer 747 Roeden aan Noord-, West- en Zuidzijde tegen afslijting was beschermd, in het bijzonder het gedeelte aan den voet van het hoogste punt van het eiland, waarop zich de vuurbaak verhief. Hier was bovendien een versterking aangebracht, bestaande uit kistpaalwerk, met puin gevuld en aan den buitenkant voorzien van een glooii'ng van zware steenen. Met het onderhoud van deze wering was het Collegie der Pilotagie belast; de verdere bescherming van het eiland, gevormd door een enkele rij paalwerk, werd door de Stad Amsterdam bekostigd. Om het geweld van storm en ijsgang te breken waren verder 52 paalhoofden aangelegd en ter bescherming van de reede, Oostelijk in de luwte van het eiland, een wierhoofd aan het Zuid-Oosteinde. Het eiland bestond voor twee derden uit gras- en hooiland, voldoende voor het vereischte aantal koeien. Het overige derde deel was voor de helft zand, voor de andere helft verdronken land. Op het hoogste, Zuid-Westelijke gedeelte van het eiland verhief zich de kerk, in 1786 gebouwd, nadat reeds zeventig jaar tevoren de groote stormschade aan het eiland den bouw van een nieuw Godshuis noodig had gemaakt. Verder telde men een honderdtal huizen, een predikantswoning, een houten loods, als school in 51


gebruik en een kolenloods behoorende bij de steenen vuurbaak, waarop van zonsondergang tot zonsopgang een kolenvuur werd gestookt, behalve in den wintertijd, wanneer het ijs de Zuiderzee bedekte. Urk telde in 1791 ongeveer 520 bewoners, waarvan het mannelijk deel van 18 tot 60 jaar, HO personen, met visscherij in het onderhoud der bevolking voorzag. De Urker visschersvloot bestond uit 60 groote en kleine vaartuigen, waarvoor geen haven was, maar welke, zooals de kaart ook laat zien, ter reede op stroom lagen. Met vletten beoaven de visschers zich aan boord. Verder vonden vrouwen en jongens nog een geregelde bijverdienste in het heien van palen en andere werkzaamheden aan de weringen, welke op kosten der Stad Amsterdam v/erden uitqevoerd. In het begin der vorige eeuw vindt men de eerste verschijnselen van vreemdelingenverkeer naar het eiland Urk. De negende iaargang van ,,De Vriend des Vaderlands”, een tijdschrift ,,toegewijd aan den roem en de welvaart van Nederland en in het bijzonder aan de hulpbehoeftigen in hetzelve”, bevat het relaas van een reisje naar Urk, medegedeeld door A. }. van der Aa, waarbij de redactie in een noot opmerkt, dat zoo men mocht ontwaren, dat dit stukje aan de lezers welkom is, het van tijd tot tijd door soortgelijke zal worden ge~ volad, Blijkbaar was dit dus iets nieuws. Genoemde A. }. van der Aa blijkt een gezellig verteller. In de eerste dagen van October 1834 las hij te Amsterdam in de stads-courant, dat de Harlinger Stoomboot op den 5den dier maand een tochtje naar Urk zou maken. ,,Op vriendelijke uitnoodiging van een’ mij dierbaren 52


bloedverwant, wiens heuschheid mij ten alien tijde de hoogste verplichting oplegt”, besloot v. d. Aa aan dat tochtje deel te nemen. Bij het voor den tijd van het jaar mooist denkbare weertje vertrok men van de Nieuwe Stadsherberg over het open Y naar de Zuider¬ zee. De zeelucht gaf blijkbaar eetlust, want, vertelt van der Aa, ,,daar begon de een en de andere der togtgenooten aan het onderhoud van het stoffelyk hulsel zyns eigen iks te denken”. De hofmeester had echter maar proviand voor dertig monden aan boord, terwijl zeventig menschen het reisje meemaakten. De goede stemming scheen dit overigens niet te deren. ,,Immers deze omstandigheid,” zoo vervolgt het verhaal, ,,gaf aanleiding tot menig kluchtig tooneel, dat nu en dan eene afwisseling gaf aan het zielstreelende genot, hetwelk wy smaakten, in het gezigt van de nu en dan zich op eenen afstand van ons vertoonende, maar door middel van kunstglazen, nader onder ons oog gebrachte Westfriesche steden of van de ons, van tyd tot tyd, met voile zeilen voorby stevenende koopvaardyschepen, die ons tegelykertyd de beide hoofdbronnen van Neerlands volksbestaan, koophandel en zeevaart, en den roem door onze voorvaderen op het bruisende element behaald, voor den geest riepen.” Om half twee — en niet zooals men in de courant aangekondigd had, te twaalf uren, merkt Van der Aa misprijzend op — bereikte men Urk, waar het schip voor de westpunt, het hoogste gedeelte van het eiland, ten anker ging. Want wel had Urk sinds 1819 een haven, maar deze was uitsluitend toegankelijk voor de visschersschepen met hun geringen diepgang. Men werd

53


dus met schuiten van boord gehaald en op het eiland vond men de geheele bevolking uitgestroomd, ,,hetwelk een niet onaardig gezigt opleverde, althans daar zy in hun Zondagspak uitgedost, er alien gezond en welgedaan uitzagen.” Aan wal gestapt vond men een plaats, waar eenige huizen en hutten zoo door elkander stonden, dat een der reisgenooten uitriep:, ,Het is of de huizen hier nedergeregend zyn!” De kerk beschrijft v. d. Aa als een net, voor de behoefte der gemeente voldoende gebouw, maar den predikant, den Weleerw. Heer P. J. ter Plegt, beklaagt hij, want hij betwijfelt sterk of deze wel dikwijls door de bezoeken zijner ringbroeders overvallen wordt. Hij wenscht hem dan ook een spoedige verwisseling van standplaats toe, opdat hij meer in de gelegenheid zal zijn om in den kring zijner ambtsbroeders voedsel voor verstand en hart op te doen. Urk telde bij het bezoek van v. d. Aa meer dan 700 bewoners, die doorgaans zeer ingetogen leefden en alleen in den Kermistijd, welke vanouds op Pinksteren viel, of bij buitengewone gebeurtenissen de herberg bezochten. Maar dan waren zij ook, volgens de getuigenis van een Urker zelf, als uitgelaten van vreugde. Het geheele eiland vormde als het ware een groot grasveld, ook wat men zou kunnen noemen de bebouwde kom. Voor een deel diende dit grasland tot gemeene weide, voor het overige als hooiland. De veestapel bestond uit drie paarden, drie en negentig runderen en ongeveer vijftig varkens. Van het recht, dat elk huisgezin twee koeien mocht houden, werd dus bij lange na geen gebruik gemaakt. 54


Het schijnt, vertelt v. d. Aa nog, dat de Urkers in de onrustige laatste jaren der achttiende eeuw zich wijselijk zeer weinig met de staatkunde hebben bemoeid. Want toen men in ieder dorp en gehucht een genootschap van wapenoefening stichtte, was er op Urk slechts een enkele persoon, die zich daartoe had laten inschrijven of wellicht zichzelf had ingeschreven. Vandaar, zegt v. d. Aa, dat een niet zeer talrijk genootschap wel eens bij het ,,Genootschap van Urk” vergeleken wordt. Eenmaal op Urk zocht het grootste deel van het reisgezelschap als rechtgeaarde Hollanders het eerst de herberg op, welke v, d. Aa prijst als goed, zindelijk en niet duur. Men voorzag zich van brood en beschuit, terwijl anderen springlevende tarbot kochten, de eenige visch, die op dat oogenblik op het eiland was te krijgen. Te half drie werden de passagiers gewaarschuwd, dat men aan boord moest terugkeeren. De terugreis was wel zeer idyllisch. Ieder zorgde zoo’n beetje voor zijn eigen middagmaal, dat ,,met door de buitenlucht gewette tanden maagwaarts gezonden werd. Men at aan dek en, bij gebrek aan voldoende messen en vorken, ietwat primitief. De sobere, doch vroolijke maaltijd werd echter bevochtigd met menig glas Bordeauxwijn, terwijl na afloop thee werd ge~ schonken. En v. d. Aa besluit: ,,Zoo zagen wy onder een gezellig onderhoud, doorzult met aangename boert, al zachtjes aan, een der heerlykste avonden, die men zoude kunnen verlangen. op ons halfrond nederdalen; onder welks genot wy te negen uren voor Neerlands groote koopstad aankwamen, na den dag in de vrije

55


natuur, bij de reinste genoegens, in ongedwongen vrolykheid te hebben doorgebragt.” Een interessante beschrijving van het eiland Urk verscheen in 1857 van de hand van F. Allan. Deze verwerpt de eertijds veel verspreide meening als zou de berg van Urk een rots zijn, maar herinnert aan de recente nasporingen van den hoogleeraar P. Harting, die daarbij vaststelde, dat het hoogere gedeelte van den Urker bodem van diluvialen, het lagere van alluvialen oorsprong is. Vroeger, zoo vermeldt hij, werd er op het strand wel barnsteen gevonden, dat waarschijnlijk uit zee aanspoelde. Allan spreekt ook de bewering tegen als zou het putwater op Urk in gemeenschap staan met den IJssel bij Kampen. De blik op Urk’s hoogste en bewoonde gedeelte biedt een echt voorvaderlijk tafereel, schrijft Allan. De meeste gebouwen toch stonden, zooals ook v. d. Aa opmerkte, bijna zonder eenige orde door elkander als in den tijd, toen het verre voorgeslacht zijn hutten plaatste op natuurlijke hoogten, terpen of wieren. Overal tusschen de huizen groeide gras, zoodat het dorpje meer het voorkomen had van een weide, waarin men, zonder zich aan eenigen regel te storen, hier en daar een woning had gebouwd. Overal tusschen de huizen liep het vee te grazen, even vrij en frank als de heilige runderen in de straten eener BritschIndische stad. Bovendien waren de dieren zoo mak, dat zij ieder naar een eigen naam luisterden. De in 1819 aangelegde en sedert vergroote en verbeterde haven bood ruime ligplaats aan de met 380 koppen bemande vloot van ongeveer 130 vaartuigen. Bovendien was Urk 56


Gemoedelijk straatbeeld op Urk, waar de groote confectiebedrijven nog geen filialen hebben gesticht, al is de oude veste, wat dat betreft, reeds voor een groot deel in hun naam veroverd.

De

fijne

wasch

hangt uit. Drie ,,’ulletjes”, behoorende meisjes, die nog niet ,,in politick” gaan.

aan

drie

Urker


Het gezelligste uur op het oude Urk: de boot komt aan in den avond van Pinkster-Zaterdag. Geen Urker jongen of meisje aan den vasten wal zou met Pinkster-hoogtij op het eiland willen ontbreken. (Foto A. Gorter).


een druk bezochte vlucht- en aanloophaven. Sedert 15 November 1837 was ook de oude vuurbaak op den berg door een voor dien tijd modern kunstlicht vervangen, een catadioptriek licht van de vierde grootte. Ten dage van Allan’s bezoek telde Urk reeds twee kerken. Naast de Hervormde kerk, in 1786 voor rekening der stad Amsterdam gebouwd, had thans ook de Afgescheidene Gemeente een eenvoudig steenen gebouw in de nabijheid der haven. De eerste leeraar bij deze gemeente was P. Schaap, die in 1836 van Workum op Urk kwam. Geen van beide kerkgebouwen was een orgel rijk. In 1857 telde Urk ongeveer 1300 zielen; in twee eeuwen tijds was de bevolking achtvoudig toegenomen: een stevig gebouwd menschenras, breed van schouders en heupen, meestal blond en met blauwe oogen, de huidskleur buitengewoon blank, vooral bij de vrouwen. Allan prijst de Urkers als koene zeelieden, ondernemend van aard en vertelt, dat zij in den zomer, wanneer de vischvangst schraal is, met hun betrekkelijk kleine schepen tot naar de Oostzee varen om er langs de kust ankers te visschen, welke door grootere schepen verspeeld werden. Hij beschrijft hen verder als beschaafd en weetgierig. Vooral ’s winters lezen zij veel, met bijzondere belangstelling voor historische onderwerpen en voor lectuur van godsdienstige en zedelijke strekking. Geen huisgezin op Urk, waar men geen goede boeken vindt. Verder onderscheiden de Urkers zich, naar men Allan verhaalde, door twee zeer prijzenswaardige hoedanigheden: gastvrijheid en eerlijkheid. De kleeding der Urkers beschrijft Allan als volgt: ,,De 57


mannen dragen een ruim blaauw karsaayen wambuis of jekker, benevens een zwarte of gryze broek van dezelfde stof, waarop vanvoren aan een band, evenals by de Vollendammer visscherlieden, twee zilveren gewerkte knoopen of muntstukken bevestigd zyn, ter grootte doorgaans van eenen Ryksdaalder. Hun gewoon hoofddeksel is een blaauwwollen slaapmuts, welke soms ook van bont vervaardigd is; overigens dragen zy lage schoenen en om den hals eenen rood geruiten puntdoek. Der vrouwen kleeding, welke hoofdzakelyk uit eenen borstrok en rok bestaat, die van dezelfde stof gemaakt zyn, is vooral door een zwart keursof ryglyf, waaraan eenen kraplap (borstlap) verbonden is, van die der gewone Hollandsche dragt onderscheiden. Ook haar hoofddeksel is alleen hier inheemsch. Het bestaat uit een eigenaardige muts, terwyl het haar met twee groote, zilveren spelden, met groote, ronde koppen, opgestoken is. Het gewone Noord-Hollandsche ooryzer behoort hier niet tot der vrouwen sieraden.” Allan gewaagt tenslotte van de groote gastvrijheid der Urkers, voor wie het, afgescheiden als zij leven van de wereld en hare begeerlijkheid, een bijzondere vreugde is den vreemdeling in hun gastvrije woningen te ontvangen. Zoo vertelt hij van het festijn op Urk, wanneer jaarlijks de hannekemaaiers overkwamen, die vrachtvrij van de Overijselsche kust werden afgehaald. Bij de aankomst der grasmaaiers was heel Urk op de been en zoolang de bovenlanders, zooals men ze noemde, op het eiland bleven, om den hooioogst te helpen inzamelen, waarvoor zij een daggeld van FI. 1,25 ontvingen, heerschte er een feestelijke stemming. Bij de 58


hannekemaaiers stond Urk dan ook hoog aangeschreven: er te mogen werken, elken zomer weer, was een voorrecht, dat van vader op zoon overging! Een merkwaardig relaas van een bezoek aan Urk bevat de jaargang 1875 van het Duitsche tijdschrift Globus. De schrijver heeft op het eiland een kerkdienst meegemaakt. Hij luisterde er naar het Bijbelverhaal van den Verloren Zoon: ,,Daor was er en zieker man, die twie zuuns ’adde. De jungste van die beie junges zei tuugen zien toate: Toate, geef mie mien part van t geld en good, dat men toekomt. Jen zien toate gaf em zien part. Toen ging ie eene, ien zammelte alles by enkanjes; ien toe ging ie op raeze nao en vremd laand; ien toe brogt ie daor alles deur wat ie adde.” Het Urker volk in de kerk bood overigens dezen schrijver een wonderlijk schouwspel. De meeste moeders hadden hun zuigelingen en kleuters bij zich, waarvan er sommigen in omslagdoeken lagen te slapen. Maar ook mannen zag men languit liggende in de banken, in diepe rust gedompeld. Toch stoorde het den dienst niet; de aandacht van het wakend deel der gemeente had er in het minst niet van te lijden. Ook de Duitsche schrijver toont alle bewondering voor de karaktereigenschappen van de Urkers, vooral hun moed en onverschrokkenheid ter zee. Hij herinnert in zijn verhaal aan een dappere redding, met groot levensgevaar, van twaalf opvarenden van het Stoomschip ,,Urania” uit Hamburg, dat op het Norderneyer Rif in den zwaren storm was gestrand. Aan levenskracht heeft het de Urker gemeenschap niet ontbroken. In 1875 telde het eiland MOO bewoners, de 59


vloot 150 schepen; in 1909, dus in minder dan 35 jaar, was het aantal Urkers al weer bijna verdubbeld: 2700 zielen, waarvan 700 koppen aan boord van 228 schepen, die van Februari tot Augustus op de Zuiderzee, in den winter voor een groot deel ook op de Noordzee vischten. Dit laatste in tegenstelling met de meeste andere Zuiderzeevisschers, die zich vroeger buitengaats waagden, zooals de Volendammers, maar na enkele ernstige stormrampen op het eind der vorige eeuw hier verder van terugschrokken en uitsluitend binnen bleven. Urk heeft zijn Noordzeevloot ook tijdig gemoderniseerd. Gestadig groeide, reeds lang voor de afsluiting der Zuiderzee een feit was, het aantal zware metorbotters in de haven van het eiland, die elken Zondagnacht om de Noord of over het Y en door het Noordzeekanaal naar buiten gaan om zooveel mogelijk op Zaterdag weer thuis in de haven te zijn. Wanneer dan ook in Mei 1932 de voltooiing van den afsluitdijk een einde maakt aan het bestaan der Zuider¬ zee, behoeft dit Urk oogenschijnlijk het minst te treffen. Het zou zijn visscherij goeddeels behouden, het kon ook visschershaven blijven, al werd dan het verlies der oude Zuiderzeevisscherij, welke het bedrijf op de Noordzee aanvulde en eigenlijk het jaar voor den visscherman goed moest maken, hier niet minder een ramp. Nergens echter hebben zorg en onzekerheid, verwarring en ontwrichting, welke in de jaren na de afsluiting wel het deel moesten worden van het Zuiderzeevolk, dit zoo in zijn wezen geraakt als juist hier. Sneller dan waar ook langs onze binnenzee zijn op Urk beproefde tradities uiteengerukt, werd die hechte eiland-gemeen60


schap van 3500 zielen doorbroken en verbrokkeld. In enkele jaren vergaat, wat eeuwenlang heeft stand gehouden. En zoo is het t oude Urk niet meer, dat ik van mijn standplaats, hoog op den toren, overzie, waar ik later op den dag weer oudergewoonte rondzwerf door straten, stegen en slopjes. A1 ligt het er nu zoo vredig als voorheen in het koesterend voorjaarszonnetje, musschen tjilpend op de lage daken, aan twijgen der knoestige wilgen de knoppen al zwellend, er is iets verdrietigs in heel de atmosfeer, iets treurigs, dat niet wijken wil noch voor het speelsche briesje, dat frissche geuren aandraagt, noch voor het vergezicht, dat telkens opengaat, achter en tusschen de huizen, op den waterspiegel, die overal rondom blijmoedig te blinken ligt. Want de middagstilte wordt verstoord door het ronken van den baggermolen, die onder de kust het keileem graaft voor den nieuwen dijk en het is of dit gerucht, brutaal en doordringend, al het overige het zwijgen oplegt. Ook den kinderzang, waarnaar ik heb staan luisteren, dezen middag, buiten bij de meisjesschool Wilhelmina. Hooge, schrille stemmetjes zongen, vers na vers, het oude Christelijke gezang ,,Daar ruischt langs de wolken”. Het klonk zoo vreemd weemoedig, een heel oud geluid, iets van voorheen, dat ik vergeten moest zijn.

61


DE ROTS IN DE BRANDING DER EEUWEN

E

r zijn, geloof ik, geen slimmere menschen in Nederland dan de ingenieurs van de Zuiderzeewerken. Het groote nieuws, dat ik op Urk hooren moet, is dat zij prompt den ,,ommele bommele steen hebben weggebaggerd, dien braven, trouwen ,,ommele bommele”, waar sinds menschenheugenis de kleine Urkertjes vandaan kwamen. De ooievaar immers placht Urk niet te bezoeken; nieuwe eilandertjes, daar zorgde de ,,ommele bommele” voor, de groote zv/erfsteen in zee, pal aan den voet van den Urker berg, waar zich met Westenwind geheimzinnige brandingrafels vertoonden. Bij storm en ontij dorsten de Urker kinderen, wanneer zij over den berg moesten, daar eigenlijk niet goed voorbij, uit angst voor kollen en zelfs wanneer de zon hoog aan den hemel stond, de blanke cirkel der zee zoo vredig om het eiland, keken zij toch met gepasten eerbied naar de plek, waar de ,,ommele bommele” altoos met een lichte beweging ook in het blakste water, als de rugvin van een groote visch, zijn aanwezigheid verried. Nu echter had die ronkende baggermolen in zijn gretig happen naar kostelijk keileem den ,,ommele bommele” van zijn plaats gehaald en spoorloos doen verdwijnen,

62


En dat was nou weer heel slim bekeken van de heeren ingenieurs en de door hen geinstrueerde molenbazen. Want als je een zee drooglegt en aan het duizendjarig bestaan van een eiland een einde maakt, wanneer je de menschen dwingt naar andere levensvoorwaarden om te zien, terwijl ze toch al een lastig geval vormen, een schadepost op de begrooting, dan is het de beste oplossing, dat zoo'n soort maar heelemaal ophoudt te be¬ staan. En de ingenieurs, die alles vooruit weten en berekenen, zagen daartoe een even doeltreffend als voor de buitenwereld onopvallend middel in het doen wegbaggeren van den ,,ommele bommele”. Want nu konden er op lirk geen echte Urker kindertjes meer geboren worden en wat de ooievaar, wiens monopolie hiermee hersteld werd, voortaan brengen zou, werd van dat soort van den vastewal, dat elk apartigheidje miste. En misschien was dat maar goed ook. De historie van het oude Urk neigt immers ten einde en in het nieuwe, welks geschiedenis begint, is voor het menschenslag, dat door de eeuwen heen op Urk geboren placht te worden, toch niet langer plaats. Urk aan den vastewal, men kan het zich nauwelijks realiseeren. Nergens toch binnen onze grenzen, tenzij misschien op het naburig Schokland, was de zeeomslotenheid zoo volkomen als hier op die eenzame leemklont, welke zich in het hart der oude Zuiderzee verhief, dien wonderlijken hobbel midden in het water, naar alle zijden door riffen en steenklippen omringd, welke de ontoegankelijkheid van dit eeuwenoud visschersnest, eens zelfs berucht om zijn kapers en jutters, nog vergrootten. En men moet zelf dagen achtereen

63


op het eiland zijn geweest, wanneer zoo’n overmachtige storm draafde en roste over zee, de zwalpende, schuimende golven rusteloos voortjoeg tegen de schoeiing, op het basalt, om er de ware atmosfeer te kennen, eenzaam en norsch, met iets verbetens in zijn wezen als van een besprongen dier, dat zich verzet. Welk een wonderlijk volk, dat hier in dit isolement zijn kracht vond en zijn zelfverzekerdheid. Wie doorgrondde ooit ,,de Gothische starheid en Gothische verzwegenheid” van dit menschenslag, zooals het wellicht eenig in ons land in zijn volkomen afgeslotenheid door de eeuwen heen zichzelf was gebleven. Kijk ze nog aan, die Urker mannen en jongkerels met hun stugge braniekuiven, de karapoes brutaal achteruitgeschoven tot op het linkeroor, het glimmen der gouden knoopen boven het rood gestreepte baadje, zwarte kousen om de gespierde beenen. Zeevolk zonder weerga, geboren en getogen in den eeuwig zilten wind, hoog om dien steilen rots. Was het niet meer dan verzinsel voor kleine kinderen, dat het Urker volksgeloof zijn herkomst verwees naar dat steenrif, ergens onder zijn kust in zee? Een sterke clan-geest verbond er de menschen -— Urk vrijt Urk — en geen vreemde zou er zich mengen in wat het eiland aanging. Sterk en vervuld ook in het geloof, in een volkomen zielsgerustheid. Zoo leefde dit volk, de tijden door, temidden der zee en van die zee, gelijk gerichte gemeenschap in haar eenheid van religie, bedrijf en zeden, onveranderd zichzelf gebleven naar buiten en ook van binnen. Urker leven: hoe vaak heb ik er deel aan gehad, nu al weer lang geleden, toen alles nog nagenoeg gaaf

64


..Ansjovis doppen”, een werk, dat in de gulden dagen van voorheen, bij het drukst van den ansjovis-teelt, tal van eilander vrouwen en meisjes een aardige bijverdienste gaf. (Foto A. Gorter).

In het maanlicht sluimeren de lirker botters, die dappere dravers, zoo ree en willig in de vaart, op het roerlooze havenwater.


,,Haring moet plat liggen blijven in de pan, dan is ie goed vet en wordt ie als biefstuk” luidt Evert’s keukenwijsheid. Kees tracht hem de kunst af te kijken.

Beneden: ,,Dat laat zich raden zeggen ze op den hotter, wanneer de kost smaakt. Hct menu vermeldt ditmaal geen ,,zootje", wel ziet men de gaotepetiel met aardappelen en het kommetje doop. Hct vischgerecht bestaat uit Evert's kostelijk bereide gebakken haring.


was. Onvergetelijk immers, zoo’n Pinkster-Zaterdag op het eiland, als de booten van den vastewal het jongvolk thuis brachten, meisjes uit hun dienst, kerels van de schepen. De gansche vloot thuis, van Noord- en Zuiderzee, wuivende sluiers der netten hoog van de masten. En dan het feestelijk vertier der vroolijke paren in de smalle, hellende straatjes, omhoog tegen den Llrker berg, waar de vuurtoren staat en de dooden rusten, zooals op alle eilanden op de beste en veiligste plaats. De wandeling „om Top” (verbastering van t Hop, oude benaming van het water, Noord-Oostelijk van Urk), zoo kuierenderwijs heel het groene buitenland om tot bij ,,de Staart”, de zandrug in zee, waar ’s zomers de zeehonden zich vreedzaam lagen te zonnen. De statige kerkgang der hoogtijdagen, het eendrachtig opgaan van een gansche gemeenschap, terwijl de arbeid rust naar’s Heeren gebod. Ook de ruige pret, het wilde uitvieren van het jonge bloed met Breerosche boertigheid, gepekeld en driest. Is het nog altijd populaire ,,Overal en overal, waar de meisjes zijn” niet van de toffe jongens van Urk afkomstig? Het wist van razen en rauschen, dat jonge Urker bloed, uitbundig en tierig uitgelaten, zooals het later verstillen kon tot ernst en zwaar op de handsche bedachtzaamheid, het een noch het ander begrijpelijk voor wie het eiland vreemd is. Want op hetzelfde kluitje grond, waar een fanfarecorps en een zangvereeniging bloeiden, ontbrandde eenmaal een felle strijd, toen het plan om in de kerk een orgel te plaatsen op heftigen tegenstand stuitte bij velen, die zich bezwaard achtten en wier standpunt zelfs in een vlugschrift werd vastgelegd:

65 Wijkend Water. 5


,,Waarschuwing tegen het gebruik van muziek bij den Godsdienst”. De schrijver, H. Snoek genaamd, keert zich hierin met kracht tegen ,,het plaatsen van een instrument in de kerk om den zang te besturen”. Hij tracht aan te toonen, dat in den hemel geen muziek is en stelt het orgel in kwaden reuk door als uitvinder zekeren Jubal aan te wijzen, afstammeling van Kai'n. Het vlugschrift komt tot de conclusie, dat „de geheele wereld vol muziek is, de Gereformeerde kerken herschapen worden in concertzalen en de wereld, spelende met muziek, te gronde gaat . Welke buitenstaander heeft ook maar bij benadering begrip van de zieledeining, welke een meeningsstrijd als deze op het steil dogmatische lirk heeft verwekt, waar de kennis van de Schrift grooter is wellicht dan waar ook in ons land: de Bijbel op zijn standaard, eerbiedwaardig familiestuk met zilverbeslag en sloten, de eereplaats in huis. Dit oude Urk heeft afgedaan, zijn ethno-centrisch leven loopt ten einde, de gesloten eiland-gemeenschap is voor altijd gebroken. Urk wordt modern, een proces, dat zich steeds sneller voltrekt. De sfeer van het eens zoo mooie, ruige, kantige visschersnest verdwijnt; in oude buurten verrijzen moderne huizen met verdiepingen, erkers en balkons tusschen de groen geschilderde houten gevels en uitgebouwd zoo’n echt Urker fort. Geheel nieuwe wijken zijn uitgelegd, karakterloos, zonder een poging om zich bij het bestaande althans in uiterlijk aan te passen. Confectie verovert het eiland. Bank na bank, klas na klas van de groote scholen, zoodat er geen jongen, geen meisje meer is in Urker dracht! En zelfs de jongedochters, die elders juist het langst vasthouden

66


aan eigen costuum, omdat zij weten, dat het haar flatteert, gaan de een na de ander in burger, ,,in poli¬ tick”, zooals ze dat noemen, kleeden zich met ,,Parijsche” jurken, zijden kousen, dragen gepermanent haar. Zelfs de kinderen van Mariap, de dichteres van Urk, zijn de kleeding van het eiland ontrouw geworden. En toch is de pientere, guile Mariap als geen ander verknocht aan de Urker tradities, heeft deze visschersvrouw het echte eilander leven in tal van verzen bezongen. Welk een rijk stuk volkseigen schoonheid gaat met het Urker vrouwencostuum verloren, dat eenmaal door Theo Molkenboer geprezen werd als het beste voorbeeld van een aesthetisch geheel in onze nationale vrouwendracht. Wat mogen ze gezien worden op haar Zondags, de Urker meisjes, wanneer zij, prontig voor het spiegeltje thuis aan het schot, groot toilet hebben gemaakt. Over de zwarte ondermuts, die strak om het hoofd sluit, is het oorijzer geslagen, dat op beide wangen in twee kleine krullen en gouden of zilveren spelden eindigt, waardoor aan weerskanten een guitig kuiltje in Urker meisjeswangen wordt gedrukt. Het oorijzer legt tevens de ,,’ulle” vast met haar neteldoekschen bol en fijn geplooiden kanten rand. Boven het lijfgoed draagt de Urkerin allereerst een gestreepten onderborstrok met zwart zijden of tibet mouwen, welke boven de ellebogen eindigen en dus de armen onbedekt laten. Over den onderborstrok wordt, zooals de naam al vermoeden doet, een bovenborstrok getrokken, welke weer bedekt wordt door het ,,krepleppie”, de kraplap, welke zoowel van voren als achter tot het midden reikt. In

67


het patroon van het gebloemde ,,krepleppie” schuilt de persoonlijke smaak van het meisje, tegenwoordig meer door haar keuze uit voorradige winkelstof dan, zooals vroeger algemeen de gewoonte was, uit hetgeen zij zelf met kunstvaardige hand, soms naar motieven van oude merklappen, er zorgvuldig op borduurde: fraaie figuren in warme kleuren, zooals brandende harten met naamletters en jaarcijfers. Het ,,krepleppie” zegt trouwens ook in welke levensomstandigheden de draagster verkeert, of zij in rouw is gedompeld dan wel, of zij de bruid zal zijn. Over de kraplap wordt tenslotte een gefranjed paars of grijs omslagdoekje nuffig toegeslagen, precies zooveel, dat aan den hals een stuk van het gebloemde of geborduurde ,,krepleppie” zichtbaar blijft, evenals natuurlijk de granaten halsketting met het fraaie slot. De tijd, dat een Urkerin zeven rokken droeg, is voorbij. Wanneer zij dan al breed om de heupen schijnt, dan is dat het gevolg van de heupwrong: rollen of kussentjes, waarop de rokken worden gedragen. Zoo krijgen de toch al stevig gebouwde vrouwen iets statigs en massief. De rokken zijn voetvrij; de groote boezelaar, die hen bedekt, is meestal donker van kleur. En eindelijk steken de zwart gekousde voeten in bevallige muiltjes, die zoo vriendelijk klepperen kunnen in de stille straatjes. Ook de nationale vrouwendracht is overigens aan modewisseling onderhevig, al blijft zij natuurlijk in groote trekken zichzelf gelijk. Zoo werd het haar voor enkele jaren met een soort rechte ponnie, ,,’t uppie” genaamd, voor onder de hul uit gedragen of wel gordijn-

68


vormig gescheiden dicht over de oogen. Later kwam een kuif in zwang. De Urker draagt over zijn rood en wit ,,streepte baatje een baatje van bombazijn met twee flappen of een zwart ,,tabeh~rukkie”, een nauw sluitend jasje met een dubbele rij knoopen en kleine revers aan den hals, dat soms ook van fijn zwart laken is gemaakt, alles degelijke oud-vaderlandsche stoffen, die nog slechts bij enkele, oude, gerenommeerde adressen verkrijgbaar zijn. Dit geldt ook voor de echte Urker ,,karrepoes”, die vooral bij de jongeren het ouderwetsche, ronde hoedje heeft verdrongen. Want de echte Urker karpoets wordt met de hand gemaakt, een vak, dat nog slechts een man uitoefent: de hoogbejaarde Albert Woord, die daar sinds menschenheugenis aan de haven voor zijn venster zit, met het zicht op schepen en menschen, en karpoetsen maakt. Hij is de laatste, die dit vak, eens een bloeiende huisnijverheid, verstaat en zijn afzetgebied bepaalt zich tot Urk en Volendam, naar welk laatstgenoemde dorp de export de laatste jaren echter stiL staat. Want op Volendam verdringt het zwarte zomerpetje steeds meer het ouderwetsche ,,ruige mussie”, dat sluikharig en met groene lintjes versierd hooger en zwaarder is dan de meer kolbakvormige Urker karpoets, welke kort krullend haar heeft en zwarte lintjes draagt. Dat ,,ruige mussie” en die karpoets, welke Albert vervaardigt, zijn intusschen niets meer of minder dan ons nationale hoofddeksel bij uitstek, de oer-Hollandsche zeemansmuts, waarop Huyghens in zijn „Scheepspraet” doelt:

69


,, k Heb te langh om Noord en Zuyen By den Baes te Roer estaan k Heb te veul gesnor van buyen Over deze muts sien gaen!” Vijftig jaar hebben Albert’s vaardige vingers, knippend en stikkend met schaar, naald en palmplaat, het onafscheidelijke kommetje pruimsap op tafel, uit mooi, zwart lamsvel, met goudgeel zeemleer in zijn fatsoen versterkt, de lirker karpoetsen, de Volendammer ,,mussies” gemaakt. Bijna al dien tijd heeft Albert’s vrouw haar echtgenoot trouw ter zijde gestaan, tot zij daar, bij mijn laatste bezoek, ziek en verlamd op den dood te wachten ligt, de oude Woord nu alleen aan zijn dagelijkschen arbeid, wat stiller dan voorheen, maar toch blijmoedig nog in volkomen overgave van zijn diep geloovige ziel. Een knap Urker visschersdeerntje met kuiltjes in haar blanke wangen en bleu lachende oogen onder haar hub gaat door het huis en staat haar grootvader troostend terzijde, die gretig mijn compliment bevestigt over zoo’n lief maadje. Ook na den dood van zijn vrouw werkt Albert voort, zoolang het hem gegeven is, rusteloos bedrijvig zijn oude handen. En jonge Urkers komen bij hem en zoeken en keuren de hoofddeksels, waarmee zij straks zullen flaneeren, de karpoets zwierig achteruit op hun blonde of rossige kruin, de braniekuif vrij. Waarmee zij aan de haven staan en uitzien over zee, die prachtige, jonge kerels, hoekig en stuursch in hun bewegingen, met hun doorzonde, wilde koppen, waarin soms verrassend donkere oogen gloeien. Zoo moet er het zeevolk zijn

70


Hiernaast: Zooals Durgerdam in Elsje Bording, wier verzen door toedoen van Ds. Heynes werden uitgegeven, bezit Urk in Mariap zijn dichtende visschersvrouw, die vooral de zoo ingrijpende veranderingen, welke zich de laatste jaren in het eilander leven voltrekken, heeft bezongen. Bij al de verzen, die zij schrijft en gcregeld publiceert in plaatselijke couranten, is Mariap een goede huismoeder in haar groote visschersgezin.

Beneden: Albert Woord, de laatste karpoetsenmaker van Nederland, aan den arbeid.


De Urkerhaven in voorjaarslicht.


geweest, dat deelnam aan den slag op de Zuiderzee, dat den Engelschman aan boord vloog, zulke trekken boetseeren alleen de wind en het water bij geslachten, eeuw na eeuw levend in volkomen afgeslotenheid van een eiland. En onder die muts is ook hun plaats aan t roer, aan de netten in hun dagelijkschen strijd om het bestaan, het barnen der gevaren met den inzet van al de kracht hunner spierige lijven, heel den ernst en toewijding van visscherman-zijn. En men behoeft de reisverhalen van Amundsen of Nansen niet te lezen voor een stuk barre Poolromantiek, die hier op Urk telkenmale weer harde werkelijkheid werd in de ,,bloedreizen” met de ijsvlet over de toegevroren Zuiderzee, wintersche verlatenheid van soms huizenhoog gekruide ijsbergen, van vlakten, nu eens puntig en hard, vol scherp opstaande schotsen, dan weer broos en kreunend-dun, vol onverwachtsche sleuven en wakken. Dan sleepten die Urker kerels de slee-schuit door de ijswoestijn naar Kampen of Enkhuizen, baarlijke Poolduivels gelijk, met hun binnenstebuitengekeerde karpoetsen, zware jassen, laarzen met punten en sporen, pikhaken en lantaarns. Uren en uren vaak duurden deze ,,bloedreizen , zelfs voor de meest geharden een martelende beproeving. Eentonig klonk de tempo-gevende roep ,,eeeen — 6666! tweeee — 6666!”, de onderling bemoedigende strijdkreet ,,trekke — leeeeuwe! door die doodsche verstarring, de volkomen stilte der onafzienbare ijszee. Herhaaldelijk zakte een looper weg door den plots dunnen ijsvloer, schoof de vlet in groote, donkere wakken, voortgeroeid naar een volgend ijsveld, soms

71


ook schoot zij vast, onwrikbaar, in brokkelende, stapelende schotsen, die met pieken en bijlen moesten worden versplinterd. Onverschrokken, telkens weer, iederen winter opnieuw, heeft de ijsvlet haar ,,bloedreizen” gemaakt, om post te halen, onmisbaren leeftocht voor het eiland, dat ingesloten lag in pakijs, mist en verraderlijk water, een schier onwerkelijke noodzaak in ons hyper-gecultiveerde landje. Romantiek der ontbering, van bitter-harde prestatie, ver binnen de eigen veilige grenzen, pal naast de deur! Reeds eenige jaren verlost de K.L.M. het ijsomsloten Urk uit zijn isolement, maar de barre winter van 40 heeft nog meerdere malen de Urker ijsloopers in actie gebracht, sleepend in urenlange marschen, t trekzeel stijf, ruggen gekromd, de vlet over het ijs. Straks, als de polder voltooid is, zal men er op de gebaande wegen zich nauwelijks kunnen voorstellen, hoe eens een Poolwoestijn Urk in wintertijd omringde en kerels als duivels te alien tijd gereed stonden om den barren, levensgevaarlijken tocht naar den vastewal te ondernemen. Boven op den Urker berg staat sinds eenigen tijd een loods, die het opschrift draagt ,,Museum van Urker Weeding” en de toevoeging: „Een attractie. In Urker costuum op de foto . Dit Urker museum grenst dicht aan het kerkhof met de bezems der storm-gestriemde boomen, het oude bedehuis en den vuurtoren. De plaats, welke men -ervoor gekozen heeft, is teekenend voor heden en toekomst van het eeuwenoude Urk. Daar op den berg immers vond men van ouds de uitersten van 72


het Urker bestaan. Beneden in zee de ,,ommele bommele”, boven vuurtoren, kerk en begraafplaats. Zij vormden de polen van Urker visschersleven: de ,,ommele bommele ”, waar zoo n jonggeboren Urkertje recht uit het water het leven in kroop en enkele tientallen meters hooger het kerkhof, waar eenmaal zijn stof bij dat der vaderen zou worden vergaard. Daartusschen vuurbaak en kerk: licht in het duister van aardsch be¬ staan, op de baan door zee en den weg door het leven. Juist op deze plek hebben ondernemende lieden hun museum gesticht. Vreemdelingen komen er thans om ,,Urk” te bekijken, om zich te laten kieken als ,,Urkers , terwijl de Riekelts en Auke’s in hun sluike C. &. A. tje, de Luutjes en Marretjes, naar de laatste mode gekapt, lachend toezien bij die zotte maskerade... Als het laatste gat in den meerdijk is gedicht, de gemalen in werking komen en het water wijkt, zal Urk nog slechts een kaap zijn in de strakke kust. Een ander Urk zal verrijzen aan de haven, die misschien nog haar Noordzee-visschers behoudt. En met de slinkende kern van het oude menschenslag blijft ook wellicht een vleugje van de vroegere sfeer ergens in een vergeten buurt. Maar op den berg zal het museum staan, vergroot en flink bezocht: verstoven herinnering aan een rijk stuk volkseigen schoonheid, aan onvervangbare nationale waarden, die in wel korten tijd voor immer verloren zijn gegaan.

73


GEBAKKEN HARING OP HET KERKHOF

N

ergens eet je nou fijner dan bij Teun op den hotter. Dat doet m de zeelucht, de bedrijvigheid aan boord, dat komt van de ruimte om je heen, het water en de wijde lucht daarboven, dat komt evengoed van het knusse samenzijn in het schemerig vooronder. Ken der groote geneugten van dit leven in vrijheid is de eetlust, dien je krijgt, zoo’n zilten, gretigen honger, waar je aan wal geen begrip van hebt. Een gezond jeukerig gevoel in je maag, waarbij het sober, maar degelijk menu, dat je te wachten staat, al uren tevoren culinaire visioenen wekt van deugdzame smakelijkheid. Ik geloof, dat zelfs de grootste lekkerbek aan wal daar werkelijk geen weet van heeft. Hij mag zich te goed doen aan wat in overvloed, met fijnproeverskennis en goeden smaak, wordt voorgezet, maar hij mist dat wondere gevoel, van binnen en ergens hoog in de keel, waardoor zoo’n maaltijd werkelijk een festijn wordt. Daarvoor is het noodig, dat je eens frisch doorspuit, zon en zeelucht, maar ook wind en regen flink op je in laat werken, om al wat aan stadsche dompigheid en sleur, benauwd en verveeld, nog in en aan je hangen bleef, grondig op te ruimen. Zoo uitgewaaid en doorgeblazen, met pure hoogtezon, word je

74


een ander mensch met weer gezonden trek in goede, eenvoudige dingen, die bij het leven hooren en het veraangenamen. Als je dat geprobeerd hebt, moet je eens proeven, hoe ’s ochtends vroeg, zoo uit kooi in den frisschen ochtend aan dek gekropen, neus in den wind, kop in emmer water, buiten boord geschept, hoe dan na het sober toilet zoo’n malsche snee goudbruin roggebrood smaakt met een lik boter, desnoods een plak kaas. Hoe fijn daarbij de koffie geurt, het versche bakkie, pittig en warm, dat zoo behagelijk naar binnen vloeit. Een deugdzaam ontbijt, waar je van opstaat met lust en energie en pret in den jongen dag en het nieuw avontuur. Roggebrood, wittebrood, dat bol heet op z’n Volendams en kaas, een gezellige, eigele Edammer, die nergens zoo lekker hartig is als op een hotter, je snijdt maar af en je bedient jezelf maar, zooveel je blieft. En krijg je bij de vaart, zoo tusschen het werk aan boord, weer eetlust, je weet waar bol en boter staan, je pakt een mes uit het spantje en rustig op den vloer voor het kacheltje ga je maar je gang en schenkt er je kom vol dampende koffie, die heel den dag te vuur staat. Maar het hoogtepunt van dit goede, varende leven is het visschersdiner, zoo ’s avonds in het vooronder met het bovendeurtje open. Daar heb je eerst aan boord de voorbereidingen van gevolgd, evenzoovele goede beloften aan je eetlust, die met de uren grooter wordt. Het is een gezonde interesse, welke je betoont voor het werk van den kok, die niets te verbergen heeft, terwijl je het geheim van zijn kunst toch niet afkijken kunt. Want Evert, die aan boord kookt, is een meester

75


in zijn vak. Ze kunnen trouwens allemaal goed koken op de botters; de visch in het bijzonder eet je nooit zoo smakelijk bereid als bij den visscherman in zijn dagelijksch bedrijf. Evert echter spant de kroon, hij heeft er een kneuterig pleizier in om een maaltje te bereiden naar den aard en de gulden dagen, die wij op de V.D. 162 doorbrengen, worden nog eens in’t bijzonder doorstraald van Everts edele kookkunst. Nu is de grootste lekkernij, die men op een Volendammer hotter lean opgediend krijgen, het zootje. Een Volendammer zootje — zoetje, zeggen ze op het dorp — is de visschermansdelicatesse bij uitstek, waar je echter ook als buitenstaander, zelfs met de beste dinerervaring, eenvoudig verliefd op wordt. Ik heb het zootje nog gekend in den besten tijd, voor de afsluiting der Zuiderzee, toen de visscherij er nog alle ingredienten voor leverde. Sedert heeft dit kostelijk gerecht wel iets aan weelde ingeboet, maar het is nog altijd wel zoo smakelijk en goed, dat op zijn reputatie niets valt af te dingen. De vermaardheid van het Volendammer zootje blijft overigens beperkt tot den kring der visschers zelf en daarbuiten de betrekkelijk weinigen, die ooit, voor pleizier ter visscherij, er aan boord mee kennis maakten. Maar deze laatsten zijn dan ook geestdriftig geworden en prijzen opgetogen den botterkost, dien zij kregen voorgezet. Het Volendammer zootje zou dan ook een internationale reputatie verdienen, zooals bouillabaisse van Marseille of Napolitaansche vischgerechten, ware het niet, dat de atmosfeer van het vooronder, de wijze van opdienen en van eten, mee het geheim van de kwali76


teit bepaalden. Het recept? Men neme het vooronder van een hotter in de schemerige gezelligheid der brandende olielamp, den gloed uit de kieren van het kleine, knutterende kacheltje, de cocktail van goede, pittige scheepsluchtjes. Het vloertje, in het midden voor de stookplaats, wordt netjes aangeredderd, want dat is zooveel als de tafel, waarvan gegeten wordt. De minste zorg baart het servies, dat voor een zootje slechts uit twee deelen bestaat. Het voornaamste daarvan is een groot, plat vergiet, oorspronkelijk van aardewerk, tegenwoordig meesttijds geemailleerd. Dit platte, ronde vergiet is de ..gaotepetiel” (gatenplateel), die niet alleen op de botters, maar ook bij de visschers thuis het meest gebruikte eetgerei vormt. Behalve de ..gaotepetiel” is voor het zootje nog een kommetje noodig, waarin straks de saus of doop wordt gemengd. Het Volendammer zootje bestaat uit aardappelen en visch, die gelijkelijk worden gekookt. Voor de afsluiting der Zuiderzee was het vischbestanddeel uiteraard meer gevarieerd; botjes en scholletjes zijn thans nagenoeg verdwenen, alleen buitengaats, op de Volendammer Noordzeebotters, komen zij, als bijvangst der garnalen, nog wel in de pan. Wat echter bleef, was de aal en deze geeft aan het zootje zijn bijzonder aroom. Maar de aal wordt alleen des zomers gevangen, zoodat het zootje aan boord geen echte winterkost meer is. Men moet er ook geen groote, dikke exemplaren voor hebben, maar liefst de jonge, ondermaatsche visch —- ,,lange dunne” zeggen ze op Volendam — die toch niet mag worden aangevoerd en voor dit gebruik het smakelijkst is. De aal wordt in stukken van ongeveer een decimeter

77


lengte gesneden en onder in dezelfde pan als de aardappelen meegekookt. Wanneer alles gaar is en de aardappelen zijn afgegoten, worden deze op de ,,gaotepetiel” uitgestort en gelijkelijk verdeeld. Daaroverheen wordt in een wijden cirkel de aal geschud — vroeger de botjes en scholletjes rondom gegarneerd — en eindelijk komt in het midden het kommetje doop, dat eenvoudig in de aardappelen wordt vastgedrukt. Ook de juiste samenstelling van de doop is het geheim der botterlui. Zij bestaat uit beste boerenboter, welke in een pannetje tot smelten wordt gebracht. Verder voegt men in de juiste verhouding azijn toe — ,,eek” zeggen de visschers — en dan een flinken scheut peper. De ,.butter en eek” wordt op het kacheltje warm gehouden om er telkens het kommetje doop mee bij te vullen. Is het zootje klaar, val dan maar aan! Tast maar toe, menschen, zooals je daar op het vloertje van het voor^ onder in een kring om den eenen grooten schotel zit, de visschers gehurkt, makkelijk doorgezwikt op hun hielen, een houding, die gasten aan boord heusch niet in twee, drie dagen aanleeren, zoodat ze zich voorloopig in min comfortabele bochten moeten wringen, om mee te kunnen aanzitten. Het toetasten bij het eten van een zootje gebeurde vroeger in den meest letterlijken zin des woords: met de vingers. Tegenwoordig nemen ook de visschers al een vork ter hand en voor hun nog wat onwennige gasten staan zelfs borden klaar, waarop zij hun portie krijgen toebedeeld. Maar dat is niet echt; het zootje moet men met zijn alien eten uit den eenen schotel, dapper toegrijpend met de vingers of desnoods 78


dan de vork hanteerend. Men pakt een aardappel en sopt hem in het kommetje doop, niet te diep; net even onder is de juiste manier. De visch laat zich het best met de hand verorberen; graten deponeert men eenvoudig voor zi'ch op het vloertje, waar het later wel wordt weggeveegd. Zoo eet ieder zijn eigen schotelsector leeg, een geanimeerde maaltijd zonder veel omslag, maar het eene gerecht zoo voedzaam en smakelijk, dat je na het beste diner niet zoo’n behagelijk en welvoldaan gevoel over je hebt als op het oogenblik, dat alien gedaan melden en zich eens prettig achterover laten zakken, den brand steken in pijp of sigaar, vriendelijk met de oogen knipperen. Dan is er de juiste gesteldheid voor napraten, gezellig en vertrouwd in den kleinen kring, terwijl de koffie pruttelt op het kacheltje, tabaksrook wolkt onder den zolder en je omhoog door het open bovendeurtje een glimp vangt van de onwezenlijk verre wereld daarbuiten, die zich bepaalt tot masttoppen en vlaggen van schepen in de haven, soms tegen een brokje oneindigheid van den fonkelenden sterrenhemel. After-dinner-stemming op Teun z’n hotter, kneuterig knus en tevreden, het schip soms even wiegelend met zoete klopjes van een slaperig lekkend golfje. Zoo veilig besloten, huiselijk en warm, met toch de nachtelijk barre zee, donker en wijd, pal naast je. Dat is het uur, waarin de gesprekken, traag vloeiend, onwillekeurig de ruimte zoeken, het geheimzinnige, onbestemde tusschen wilde luchten met blauwen maneglans en het kil glimmende water, dat eindeloos spoelt langs kusten en havens, nu en gisteren en lang geleden reeds. De visschers ver-

79


tellen en hun verhalen bewegen zich in ongeziene verten, om terug te keeren met relaas van ervaringen en belevenis, teekenen van onheil, dood en verderf, welke hen zelf nog _ altijd weer doen grillen en huiveren: onbestemdheid van leven op zee, bij duister en ontij, verlatenheid van sluimerende kust met wazige weerschijn der verre stad, glimmende daken van dorpen aan den dijk, de felle schicht van een draailicht. En als hun verhalen stokken, is daarbuiten weer het water, mompelend in den nacht; straks in kooi trek je het dek hooger over je hoofd, om niet de fluisterstem te hooren van zoo’n golfje, dat langs den scheepswand speurt. Hoe is het mogelijk, dat den volgenden ochtend, als het weer dag is en licht, van dat alles nog iets in je hersens nasmeult, een kwade, onrustige droom, want opeens zijn al die histories verbleekt, zoodra maar de zon, hoog aan den hemel, de frissche bries je suffige bol onderhanden nemen en de zee buiten de haven monter en onbevangen speelt en dartelt zonder een zweem van duister allure. Dan lach je en je rekt je eens uit, meteen weer vol lust in de vaart op het water, dat nu weer vrij en frank op je te wachten ligt. Zoo ook den morgen, dat wij Urk verlaten, op weg naar Schokland. Er staat een blow wind: hoog boven ons de zwellende, zwichtende zeilen, een roestroode wand, waarop het zonlicht ketst en telkens flarden van fonkelwit schuim, omhoog gespoten voor langs den steven, zich hechten om langzaam weg te druipen. Wat een drift en een jacht in het schip. De wind maakt een hoog geluid in het want. Rondom is de zee vol

80


Visschende Zuiderzeebotter; een stuk ongeevenaarde. door en door vaderlandschc schoonheid, dat welhaast tot het vcrleden behoort.

Beneden: En zoo groeide het nieuwe: sparren met vlaggen in zee uitgezet geven het beloop aan van de geul, die in den weeken bodem ter plaatse moet worden gebaggerd, om straks het lichaam van den dijk op den vasten ondergrond te laten rusten.


Als een vrcemdsoortig insect vertoont zich Schokland, uit de lucht gezien (foto K.L.M.). De kop met de grijpklauwen is de haven van Emmeloord: even voorbij de ,,wespentaille” herkent men met boomenkluftje van Middelbuurt. Nog Zuidelijker buigt de Oostkust opnieuw zee in: hier verhief zich Zuiderbuurt of Zuidert. Op den achtergrond het Kampereiland met den Ketelmond en de donkere rand der biesvelden.

Golven bespoelen het basalt, zangerig klotsen en rutselen van het water, soms ook het fel en verbcten grommen en druischen der hoog-loopcnde brekers: hooglied der zee rondom Schokland, dat straks voor altijd verstomt.


koppen en brekers, waarover de V.D. 162 zich bruisend een weg baant, druipnat de plecht van het overkomend water, dat bij elken grimmigen stoot van den boeg als een fontein omhoog spuit, een waaier van fijne druppels, waarin de ochtendzon de kleuren van het spectrum toovert. Een wilde zee tusschen Urk en Schokland! Het deed mij aan het oude rijmpje denken: ,,De dominee van Urk, die zou op Schokland preken, Doch t razen van de zee deed hem zijn tekst vergeten”. Arme Urker dominee. Ik kan het mij zoo voorstellen. Ik zie hem op de dansende schuit, wit om den neus en rillerig in zijn kerkezwart, beducht uitziende over zee, zich krampachtig verzettend tegen het weee gevoel, dat langzaam uit zijn maag omhoog kruipt en zich niet wegslikken laat. En die koude wind, die hem doorhuivert, terwijl hij weet, dat een stap in het schuttend vooronder hem reddeloos verslaat in den walm van raapolie en vochtig talhout, dat nauwelijks vlam vatten wil. Hij deint en wipt maar mee, willoos, het hoofd in zijn handen steunend en zonder een gedachte. Weg het stichtelijk woord, waar de Enser gemeente op wacht, weg tekst en uitleg en voedzame bemoediging. Verwaaid met den wind, verstoven in het golfgedruisch... Op de Schokker plank wachten de ouderlingen. Het klokje van Middelbuurt klept. Daar komt de schuit voor de palen. Stevige Enser knuisten hijschen den voorganger van boord. Hij wankelt, onzeker op de beenen. Over de smalle plank gaat hij met aarzelende passen op de buurt af, het kerkje 81 Wijkend Water. 6


binnen, maar als hij, bleekjes bestorven op de kaken, de haren plakkerig over het hoofd, van den lagen kansel rondblikt, wiegen en deinen de hullemutsen der vrouwen als schuimkoppen op zee, het donker der mannendracht dreigend-diep daartusschen. En op dit oogenblik faalt de Urker dominee, ontbreekt hem het woord, zoo rijpelijk overdacht, om de gemeente te stichten. Het razen van de zee deed hem zijn tekst vergeten. Zeeziekte? Daar hebben we aan boord van de V.D. 162 geen last van. Laat de schuit maar te keer gaan, stampen en springen, pardoes haar neus in zoo’n knaap van een breker duwen, dat het buiswater tot over het roer vliegt, wij lusten zoo’n zeetje, wij worden niet zeeziek. Want daar weten l eun en Evert een prompt middel tegen. Weest gerust, geen stukje ranzig spek of een slokje uit de olielamp; dat zijn maar laffe aardigheden om den worstelende met de kwaal meteen voor lijk te slaan. Neen, maar wel: kop in den wind en voeten warm en dan eens lekker hartig bikken, een smeui'g vischje, zoodat je meteen goed doorspuit ook. En Evert heeft daarvoor het noodige ingeslagen: versch gevangen Waddenharing, mee van de eerste van het seizoen. Die gaat hij nou klaar maken voor de lunch, keurig bereiden naar den aard en bakken op het kacheltje, een heelen schotel vol. Gebakken bokking heb je in kwaliteiten, het ligt aan de soort en hoe je ze opdient. Evert weet dat alles precies. Zoo denken ze in de stad, dat haring moet opkrullen in de pan, maar dat is nou glad mis. Haring moet juist liggen blijven, doceert Evert, plat op hun buik, die vischjes, dan worden ze goed en smaken als 82


biefstuk. Maar Noordzee-haring, waar de huisvrouw het thans mee stellen moet, is meestal schraal, ook de Schotsche, die wel veel traan, maar geen vet bevat. En dan komen vanzelf de herinneringen aan die goede, oude Zuiderzee-haring, die ze vingen op den drempel van ’t Noord en zoo uit den kuul, gevild en schoongemaakt, op het vuur werd gezet. Die droop nou letterlijk van,’t zoete ruggevet; breeduit dreef ze in de pan zonder maar even op te krullen. En zooals dat smaakte! Het echte zat er in, weet je! Gelukkig treffen we het ook met onze harinkjes, die Evert trouwens op de juiste wijze behandelt. Handig reinigt hij de zilverig blauwe vischjes, splijt ze open en breed uit, nog even het mes er doorheen, het ,,beentje” aan vijven en dan glijden ze in de goudgele olie, waaraan Evert een scheutje melk heeft toegevoegd. Daar liggen ze nu vredig te knutteren en te sudderen in de pan op het tierig brandend kacheltje. Dat is nou echt pleizierig om naar te kijken, zoo op je dooie gemak, en den pittigen geur te snuiven, een hartig bakluchtje, dat den eetlust prikkelt. Laat het buiten maar rumoeren van water en wind, soms bij een heftigen ruk van de zee de olie sissend de pan uitglippen; niets verstoort ons voorgenieten, ’t likkebaarden om het malsche bruin, dat om en om aan de vischjes wordt getooverd. En als we eindelijk, gulzig, het warmc, zachte vleesch van Everts ..epreuve d'artiste” op de tong voelen smelten, dan heugen wij ons niet, dat wij ooit in het best gerenommeerd restaurant zoo van visch hebben gesmuld. Het is zooals de botterlui zeggen: daar kun je het leven op houden. voedsel en medicijn tegelijk. Het smeert je van

83


binnen, het geeft je een groote beurt, waar een mensch kiplekker van wordt. Wie praat er dan nog van zeeziek? De zee tusschen Urk en Schokland, dat is het Kerkhof. En op het Kerkhof hebben wij onze harinkjes gegeten. Den naam Kerkhof zal men op geen kaarten vinden; het heet er officieel ,,De Nagel”. Maar beide aanduidingen herinneren aan de Middeleeuwsche nederzetting, waar de kronieken van gewagen en die door den stormvloed werd weggevaagd. Recent historisch onderzoek heeft, zooals reeds opgemerkt, dit Nagel veel Noordelijker verwezen dan de volksoverlevering het aanneemt. Maar alle visschers, die ik sprak, getuigden van bezorgdheid, wanneer zij ter plaatse het net door zee moesten halen, vrees voor het verspelen van hun want tusschen bouwvallen of grafzerken, die hier den bodem der zee zouden bedekken. Nooit echter heb ik een visscherman ontmoet, die dit op ervaring grondde; veeleer is het de volksverbeelding, welke van geslacht op geslacht voedsel gaf aan die verhalen over een doodenstad, diep onder de golven. Een duister oord, dat Nagel! Rijk en weelderig in lang teruggeweken dagen, in overmoed het machtig Staveren gelijk. De visscherman, dobberend aan den reep, in den lauv/en zomernacht, als hoog de sterren trilden aan den hemel met ijle spiegeling in het water, tuurde in gepeinzen over boord, waar onder het duister der blakke zee, den trek van den vloedstroom langs het schip, het geheim lag bewaard van wat er restte aan fundamenten, verweerde grafsteenen en plavuizen, van kerk en kapel, van huizen en putten. En voor zijn verbeelding herrees

84


Zon, wind en ruimte

...en eetlust! Zoo eet men 's zomers op den hotter een ..Volendammer zootje".


Avondschemer over Schokland.


de verzonken stad met haar schatten, die zij had vergaard. Rijkdommen, die wellicht nog in den bodem der zee rustten, urnen vol blinkend goud, munten in rijke verscheidenheid, begraven lang voor het water kwam, zooals ook haar dooden achterbleven, toen de vloed spoelde over de zerken. De rijkdommen van Nagele, dooden diep in zee, hun schimmen, die wellicht, door onzalige hebzucht gedreven, keerden naar de plek, waar zij in leven hun aardsch bezit verzamelden, om er te waken bij de schatten, die sedert geen menschenhand meer had beroerd. Dan huiverde zoo’n visscherman, schrok hij op, als plots de wiekslag van een verdwaalden vogel suisde door het duister, in de lantaarn voorop de vlam onrustig flakkerde of het schip de dreglijn kreunend strak trok. Nagele, het Kerkhof, de donkere zee en als dan de nacht zoo stil was... Tijdens ons haringfestijn is de zee steeds roeriger ge~ worden. Je voelt het aan den Steiger van den hotter, je hoort het aan de kracht, waarmee het water tegen het schip oploopt. Stijve bries! En jawel, hoor, buiten is de zon verdwenen, schuil ineens achter een kwade lucht. Grauwe golven spoelen langs boord. Schuim druipt van de plecht met gore flarden. De brekers stuiven. Er werken buien rondom, loodgrijze wollo banken, maar in kieren, die zich verbreeden, gloort nog het blauw van den hemel. Opeens krijgt de zon weer kans, felle glanzen schieten over het water, een wilde woestenij nu van valsch klarend groen, geel doorschoten, met blinkende rollers, heinde en ver. Zoo is het mooi! Wat een drift in wolken en zee en dat draven van dien hotter. En de zon, die nu weer

85


ruimte heeft en alles in fellen gloed zet. Het is een feest, alsof er louter vlaggen waaien en wimpels wuiven van t zuiverste goud. Dat mag ook niet anders, want daar ligt Schokland voor den boeg. En Schokland weerzien is altijd voor mij een bijzonder oogenblik geweest. Ik klim op de plecht om beter te zien. Flang zegt de botterneus juist op dat oogenblik. Een waterzuil schiet omhoog, waaiert uit over mijn hoofd. Achter me lachen ze; ik ben braaf nat. Maar wat deert het, daar voor me uit ligt mijn eiland en ik wil er naar kijken. Er nog eens heel goed naar kijken, want naar menschelijke berekening is dit de laatste maal, dat ik het nader over zee. Toch heug ik mij den eersten keer nog als de dag van gisteren. Het is al weer tal van jaren geleden, maar ik weet nog, hoe het een mooie Augustusavond was na een heel warmen dag. „De Halve Maen”, nog in haar glorie, koerste ergens bij den Ketel. Het open, houten scheepje had als een kom te vuur gestaan, uren achtereen, de naden wijkend van de hitte, het pek kleverig en zacht. Wij waren gestoofd „au bain Marie”, lusteloos in de schaduw van het slappe zeil, uit pure verveling slierend over boord onze bloote beenen in het water of starend in loome bedwelming over de blauwe, licht gerimpelde zee met dansende zonneschitters en effen grijze plekken, die wezen op weinig wind. Van Elburg Noordwaarts, een langen middag onderweg, dreven wij nog, nu de avond viel, dwars van den Ketel, met als eenig gezelschap een klipperschip, dat zich nauwelijks verroerde. Wij zagen den schipper aan het roer; twee maal stopte hij een versche pijp. En de vrouw schilde aardappelen en later kwam zij weer aan dek

86


om de dampende pan af te gieten. Pas toen het schippersgezin gegeten had, gaf ons zeil een rukje, veegde een tochtje over het water. En alsof een speeldoos was aangezet, kwam daar zoo’n dartel muziekje van voor den boeg. dat opeens weer stemming bracht aan boord. Alles veerde op. Nog even zagen wij de klipper, naarstig opeens onder zwellende zeilen. Het groote schip klotste monter voort en ging na enkele minuten gehoorzaam door den wind. Maar dan was de aandacht vooruit, want een van ons had gezegd: nu zijn we nog voor donker op Schokland! Mij deed dit iets. Schokland, dat was een ontdekking, daar viel iets te veroveren, avontuur van ongeziene en onbekende dingen, heimelijke verwachting, die nu vervuld ging worden. Zelf nam ik het roer en richtte scherp den steven. Er was iets, dat mij naar dit eiland trok. Vreugde en weemoed tegelijk. Heerlijk nu, dat zachte zingen langs het schip, de schoot, die zich spande, de druk van het roer. Aan boord had er een zijn harmonica op de borst gezet en, zoekend de melodie, dreven doezele klanken den avond in. Recht voor ons uit groeide het silhouet van een vuurtoren, een huisje aan zijn voet. De laag staande zon was een bonk vuur in de lantaarn, die rijzig op zijn spillebeenen, de vlaggestok als een arm, groetend geheven, ons scheen welkom te heeten, vertrouwelijk in een gastvrij oord. Men zou menschen verwachten op een kade. licht uit vensters en open deuren, een kroeg met zeurige orgelmuziek. Eilanders, mannen en vrouwen, die hun avondwandeling maakten langs het water en straks, als wij met riffe zeilen voor den wal zouden komen, een oogenblik hun rustigen gang onderbraken

87


om naar ons te kijken. Een hand, die behulpzaam de toegeworpen vanglijn greep en vastzette, zoo’n gast, die hurkend op de kade, een praatje begon. Schokland, een eiland, het avontuur! Een late meeuw krijschte boven ons schip, melancholiek geluid, met de klots van de zee het eenig welkom bij t naderen van het land. Dat was maar een glooi'ing van basalt, waar golven kruivend op braken. Daar bovenuit een terp, weer basalt, rondom een schoeiing van palen. De vuurtoren stond er met een huisje, deur vernageld, de vensters met luiken gedicht. Wij gingen van boord op een smallen steiger. Niets was er te zien, slechts hooi- en rietland en langs het water een dijkje van basalt met op de kruin een pad, dat van den vuur¬ toren Noordwaarts voerde, het lange, lage eiland langs. Men kon den vuurtoren beklimmen en boven den om9an9 genieten van het uitzicht wijd in het rond. Daar zagen wij de zon ondergaan achter Urk, de lucht vol kleine, violette avondwolken, een rosse gloed beneden ons over het eiland, dat op het water scheen te drijven. Er ging een heel merkwaardige bekoring uit van dat landje, dat toch niet meer was dan riet en gras, basalt en palen in den blinkenden greep van de zee. Geheimzinnig leven woonde daar in die eenzaamheid. Er was iets, dat rook naar de eerste dingen. Oord van volkomen vrede, dat zich had losgemaakt van een ijdele wereld, paradijselijke rust, die niet meer werd gestoord, waar de natuur haar stem verhief en zij alleen: de branding in het Westen, de wind, die streek door het bruine riet. Wij zwommen in het lauwe water, dat wonderlijk klaar

88


was en verbaasden ons, dat geen wier-omrankt, lieftallig zeemeerminnetje kwam opgedoken, om met ons te spelemeien, dartel van levenslust. Traag viel de schemer. De maan kwam op, een groote, gele maan. die glinsterde wijd rondom op duister-bekropen water. Nu was er de vreemde ontroering van het late uur, het luisteren naar een ver gerucht en de verlatenheid, die stem kreeg in den loomen klop der golven aan de palen: aangevreten, half verteerde palen, gedrochtelijk hun silhouetten in den maneglans. Lang zaten wij aan den voet van den vuurtoren, waar het licht was aangesprongen. Niemand sprak een woord. Alleen de harmonica speelde, ik weet niet meer wat, maar het was juist goed. Aan den nachtelijken hemel schoten sterren. Ver weg in het Overijselsche pinkten havenvuurtjes. Dwaallichten gleden over zee. En er was een sterke reuk van vochtig riet, die zich mengde met wierig-zilten geur van het water. Zoo was die eerste avond op Schokland. Vergeten doe ik hem niet licht. Want dat uur ben ik verliefd geworden op dat landje, groeide een sterke genegenheid, welke een nadere kennis van zijn sfeer, van heden en verleden, steeds meer heeft versterkt. Nog vele malen sedertdien ben ik er terug geweest, gedreven door iets van heimwee, dat wel het sterkst in het voorjaar wordt, als thuis op de gracht op zoo’n zonnigen lentemorgen de meeuwen aan t baltzen gaan en hun ,,kliauw kliauw mij toch al ’n beetje dol maakt, dol van verlangen naar iets wat achter den blauwen horizont ligt, iets, dat vaag blijft en nooit echt wordt, tenzij misschien op Schok¬ land, op wat ik heimelijk ben gaan noemen: mijn eiland.

89


Nu ligt daar Schokland weer voor mij en ik moet aan dien zomeravond denken op ,,De Halve Maen”. De V.D. 162, zooals ook eerder, brengt mij naar het eiland. Ditmaal voor het laatst. Het is de oude sirenenzang, die mij lokt, onweerstaanbaar. A1 weet ik, dat ik beter door had kunnen varen, toen en nu opnieuw, omdat het afscheid eenmaal komen moest, terwijl toch elk jaar de meeuwen zullen roepen in de lente en mijn smal, groen Nirwana dan niet meer zal bestaan.

90


„WEL SCHOKLAND, GHI] BEDROEFDE KUST

"

W

eer sta ik, dezen zonnigen voorjaarsmiddag, hoog op den vuurtoren van de Kerk en tuur uit over een blauwe, even gerimpelde zee naar de kust van Overijsel, de torens van Kampen, den Ketelmond, het silhouet van Urk, flauw zichtbaar in het Westen. Of Noordwaarts de blik over het lange, smalle eiland: Schokland met zijn terpen, dichtbij Zuidert, ginds de Middelbuurt en heel ver weg Emmeloord. En rondom het water, blinkend water overal, met zonneschittering en windvegen. Hoe vaak heb ik hier gestaan en van dit uitzicht genoten. Onvergetelijke dagen komen in herinnering. Nu sta ik hier voor het laatst: kijk nog eens goed. Wanneer ik ooit op deze plek terugkom, zal dit alles veranderd zijn. Geen water meer, geen schepen en geen eiland. Want ver binnen den Noord-Oostpolder komt Schokland te liggen. Die Zuidpunt van Schokland was een der beste plekjes van Nederland. Althans voor wie van ruimte hield, van eenzaamheid, van zee en van schepen. Daarboven van dien vuurtoren, had men een uitzicht zoo vol afwisseling, dat de uren er niet telden. Wat een vertier op

91


mooie zomerdagen van zeilende tjalken, pramen en klippers, op weg naar of komende van den Ketel, van visschende botters uit bijkans alle havens der Zuider¬ zee, die langs het Kamperzand of op den ,,gouden bodem” bij Kraggenburg hun geluk beproefden. Nu staan overal rondom de roode en witte vlaggen, die het beloop aangeven van den dijk, welke van Urk beneden Schokland om reiken zal tot Kadoelen aan de Overijselsche kust. En het zijn slechts baggermolens, bakken, onderlossers en sleepbooten, die zich vertoonen en met hun gerucht de stilte verstoren. Maar het vreemdst van al voor den vertrouwden blik is het stuk dijk, dat reeds gereed kwam, op luttel afstand van Schoklands Zuidpunt, midden in zee. Aan den Oostelijken kop van dien dijk draaien rusteloos de kranen, werken zuigers en grijpers. Als hun taak beeindigd is, zal het water, met Schokland ingesloten, zakken en wijken, tot rondom de donkergrijze modder van het nieuwe land zichtbaar wordt. Dan houdt Schokland op als eiland te bestaan. Zijn contouren verdwijnen van de kaart en een stuk bewogen, typisch Nederlandsche geschiedenis wordt voor altijd afgesloten. Zoo vind ik al mijn eiland niet meer gaaf. Daar aan de Zuidpunt, onder den vuurtoren van de Kerk, is veel veranderd. De oude lichtwachterswoning op de terp blijkt afgebroken. Langs de loopbrug naar de peilschaal staan woonketen voor een aantal rietwerkers, die bij de kleine aanlegplaats, waar vroeger zoo menigmaal mijn schip heeft gemeerd, de zware zinkstukken vlechten, bestemd voor den nieuwen dijk. Groote voorraden teen en kraggen, rondom opgeslagen, hebben het beeld vol-

92


komen gewijzigd. Maar Noordwaarts, op Ens en Emmeloord, is alles nog bij ’t oude, behoudens dan de bijkans leege haven van Emmeloord, waar het zoo ge~ zellig kon zijn met tjalken en visschersschepen. Alleen zijn is echter het laatste, waarover ik mi) op Schokland zou beklagen. Het is een geheimzinnige aantrekkingskracht geweest, die mij telkens weer den weg heeft gewezen naar dit eiland. En iedere keer opnieuw bleef de illusie volkomen. Misschien wel, omdat ik mij verdiept heb in de heel merkwaardige historie van het landje, bekruipt mij er altoos die vreemde, weemoedige ontroering, waarmee men een grond betreedt, ten nauwste verbonden met lief en leed van lang verdwenen geslachten. En het is de herinnering hieraan, die voor mij dit armzalig strookje riet en gras heeft gehuld in een waas van romantiek. Ik zou misschien voor dit alles niet zoo dapper durven uitkomen, wanneer ik met deze persoonlijke gevoelens alleen stond. Er zijn echter ook anderen, die ooit door ,,Schokland~koorts” werden aangetast. Dit getuigde nog de bioloog dr. }. H. Schuurmans Stekhoven, die voor enkele jaren een studie-excursie naar het eiland maakte. Schokland, zoo schreef hij, heeft met Amerika gemeen, dat het telkens opnieuw herontdekt wordt. Wie een studiereis naar Amerika maakt en daar zij het slechts korten tijd — rondzwierf, voelt zich min of meer geroepen, om, zoodra hij in het oude vaderland is teruggekeerd, over de nieuwe wereld een boek of althans een kranten- of tijdschriftartikel te schrijven. En met Schokland is het niet anders gesteld; alleen is het aantal studiereizen naar het kleine eilandje in onze voormalige

93


Zuiderzee minder talrijk geweest dan naar het veel grooter Amerika. Over beide hangt een geheimzinnig waas: zoowel over het groote werelddeel, waar ,,the biggest of the world” als het meest karakteristieke geldt, als over Schokland, dat tot ,,the smallest of the world” dient gerekend te worden. Het gulden boek van Schok¬ land zou, indien het bestond, een heele reeks jaartallen vermelden, waarin belangstellende onderzoekers dit geheimzinnige eiland met een bezoek vereerden. En alle beschrijvers van Schokland hebben met bezoekers van de Nieuwe Wereld gemeen, dat zij voor hun eilandje, dat min of 'meer aan den anderen oever van de Lethe, de rivier der vergetelheid, ligt, van enthousiasme blaken. Dr. Schuurmans zelf maakt daarop geen uitzondering. Ook hij getuigt geestdriftig: ,,Aan alle kanten omringd door water en slechts door weinigen bewoond, is toch dit land niet eenzaam. Er ligt iets verhevens over, iets van Gods own country, waar de geest heerscht over de wateren”. Zoo bestaat er een heimelijke zielsverwantschap tusschen al die ontdekkers van Schokland, ofschoon ze tegelijk elkaars concurrenten zijn. Want omdat zii bij hun bezoek aan het eiland of zelfs bij herhaald verblijf meestal alleen zijn, zet zich de gedachte bij hen vast, dat zij ieder voor zich toch eigenlijk de uitverkoren Schokland-kenners zijn, die meer dan wie ook het fijnc van het eiland weten en het zoo’n beetje als hun geestelijk eigendom beschouwen. Mij is het niet anders gegaan. Ook ik heb hartstochtelijk gevrijd met die eeuwig jonge bruid, die Schokland heet, haar vurig begeerd

94


om de verlokkende soepelheid van haar gestalte, zooals zij pralend en druivenfrisch in den zomerschen dageraad met dat teere groen en tonig bruin van haar gewaad mij tegemoet kwam. Ik heb de lange middagen gekend, een heldere bedwelming in haar armen, gebed in een zee van blinkend parelmoer als in een wereldwijde schelp. Dan neuriede zij zachtkens dat ruischelend melodietje, zoo zoetjes en simpel weg, van een dartelen wind, die door de rietpollen strijkt en stoeit met het kruivende water, die het speels doet klauteren tusschen de palen, verglijden op basalt met monter gerucht. Tot de avond kwam, de schemer over zee en het groot verlangen. Dan verinnigde haar stem tot vleiend gefluister, wist ik, dat zij zacht kon zijn en duldend, maar ook onstuimig en fel, ongenaa'kbaar soms, vreemd en onbegrepen. Want hoe nabij wij elkaar zijn geweest, zij verborg een geheim, dat ik vergeefs bleef raden, dat zij mij nimmer heeft geopenbaard, ook niet in die nachten, dat ik haar stem hoorde en scherp luisterde, gejaagd en geprikkeld door dat sterk parfum, iets van haar wezen, zilt van de zee en sterk-kruidig de geur van den rusch. Hoe kon het anders, maar ik heb langen tijd geloofd, dat zij van mij alleen was. Ik bleef van haar trouw overtuigd. Later bereiken je geruchten, bewijzen, dat er ook anderen zijn. Je komt ook zoo kort, zeg je tot je zelf en je blijft ook zoo lang weer weg. Toch werp je die gedachten ver van je af, tot er een dag komt, dat je met eigen oogen ziet en alle twijfel wegvalt. En dat overkomt mij nu juist bij dit laatste afscheid, het afscheid voor altijd, waarvan ik mij, naast heimelijk verdriet, toch ook veel schoons heb voorgesteld. Want als ik te

95


Emmeloord voet aan wal zet, vertelt men mij terloops: ,,Er zit al weken lang ’n schrijver op Middelbuurt. Hij werkt aan een boek over Schokland”. Dat geeft mij een schok. Een ander op mijn eiland! Ik ben er stil van. Mijn reisgezellen begrijpen dat zoo niet. Ik probeer het hun uit te leggen. Als je nou lang bent weg geweest en je ziet, dat een ander met je meisje vrijt, zeg ik. Maar daar lachen ze om en maken ongepaste grapjes. En toch is die vergelijking heel duidelijk en juist. Ik praat nog niet eens van dat afscheid voor altijd, wat de zaak gecompliceerd kon maken. Want als men z’n liefje toch voorgoed gedag zegt, wat geeft het dan, dat ze een ander vrijt, zou men kunnen opwerpen. Doch dat is het hem nou juist. Waarom moet, op het laatste oogenblik nog, een vreemde snoeshaan onder mijn Schokker duiven schieten. En dat zoo bevoorrecht: weken lang! Nu zal die ander in morgen na morgen en avond na avond het geheim ontraadselen, dat mij was voorbehouden. Want hij zal de laatste zijn. Dien middag wandel ik naar Middelbuurt, boosaardig gestemd. Ik verwacht op het smalle pad dien vreemde te ontmoeten om tegenover elkaar te staan als eenmaal Tell en Gessler op den bergpas. Een van beiden, die wijken moet. Rechts het drassig riet en links de majem. Zien wie hier de oudste rechten heeft. Maar ik kom niemand tegen. Daar ligt Ens tusschen zijn palen, het kerkje met aangebouwde pastorie, het erf met de boomen. Ik loop om het woonhuis heen. Hier zit hij dus, die indringer, in wat sinds jaar en dag mijn uitgesproken interessesfeer is. Dan ga ik binnen, als gewoonlijk. Ik ben hier immers kind in huis. En in de

96


De Zuidpunt van Schokland, door de visschers nog altijd „de Kerk genaamd, naar de bouwval van een middeleeuwsch kerkgebouw, dat zich tot in het begin der vorige eeuw ter plaatse verhief. (De lichtwachterswoning is voor enkele jaren afgebroken).

Vanaf den vuurtoren op de Zuidpunt van Schokland overziet men het geheele eiland. Duidelijk onderscheid men het vooruitspringende punt van de kust, waar zich eenmaal de Zuiderbuurt verhief en op den achtergrond het boomengroepje van Ens of Middelbuurt.


Boven: Emmeloord in het uiterste Noorden van Schokland, waar de scheepvaart een ruime vluchthaven vond. Beneden: Het eenzame pad, dat van de Zuidpunt langs de Oostkust van het eiland leidde naar Middelbuurt.


kamer, waar hij woont en werkt, zie ik hem: een jonge, blonde kerel, prettig sportief, frisch doorwaaid en al geschroeid van voorjaarszon. Hij staat op van zijn werktafel. Ik stel mij voor, wat overbodig moest zijn. Aar van de Werfhorst heet hij en dit wordt zijn tweede boek. Over Schokland? Neen, over de Ommelandvaart. Alleen zijn held, Volcmar, is op Ens geboren. Meer niet. Het klaart wat op bij mij, maar ik zit nog stilletjes te boudeeren, als hij thee schenkt; gastheer in mijn huis, denk ik gramstorig. Na twintig minuten weet ik genoeg van hem en hij van mij. Ik kan niet kwaad meer zijn, hoogstens nog jaloersch. Zoo n broodschrijver, of misschien niet eens, heeft het toch maar beter dan een altijd jachtige journalist. Dat zit maar weken, maanden misschien, op dit eiland en hij heeft dat deksels goed bekeken. Hij logeert hier bij den kantonnier, die op Middelbuurt woont: zijn ruime kamer ziet uit op het gat van Ens, water en lucht, een paar schepen en heel vaag de torens van Kampen, de goede, oude stad, waarover hij schrijft. En wat een rust. Niets, dat hem afleidt. De wereld schijnt heel ver. Zet de radio af en het leven is aan geen tijd meer gebonden. Louter inspiratie: hij behoeft slechts van zijn tafel op te zien en daar is alles, waarover hij schrijven moet, het wisselend aspect van zee en lucht, een zeil tegen den horizon, de verre kust. Zoo goed als voor honderden jaren, konden er nu de koggen drijven, ter Ommelandvaart, wachtend op gunstigen wind. Hoe benijd ik dit leven! ’s Morgens wekt hem de zon, die boven de kust uitrijst en pal het zicht heeft in zijn kamer en dan maakt hij zijn ochtendwandeling het

97 Wljkend Water.

7


eiland om, een flinke tippel, altoos over basalt en langs de zee, die daar maar spoelt al naar de wind het wil en langs het riet, waar diezelfde bries ook al het hoogste woord bij heeft. Dat lij'kt vervelend op den duur, maar toch is het altijd nieuw. Daar komen frissche gedachten je zoomaar aangewaaid, het juiste beeld, een zin, dien je noodig hebt, de passage, die gisteren niet vlotten wou. Je krijgt een drift om te werken, boordevol op eens van allerlei moois, dat je kwijt moet en dat nu regel na regel, gretig neergeschreven, wordt vastgelegd op het papier. Zoo n dag met afwisseling der maaltijden, een kop koffie, een kop thee en eens een oogenblik stoel achteruit, beenen over elkaar en een pijp stoppen, is veel te gauw voorbij. Dan moet je haast maken voor de avondkuier, weer het eiland om en kijken naar de zon, die al maar dichter naar Urk toe haar bedje schuift en er eindelijk lekker in onder duikt. Dan komt de avond met boek, pijp en een kop thee. De luiken voor de vensters zijn dicht. Soms rukt de wind er aan, kletteren hagel en regen. Dan hoor je honderd geluiden om het huis, in de boomen op het erf, van het water daarbuiten, Daar kun je naar luisteren in bed, een wonderlijke muziek, onheilspellend vaak, vol dreiging. De lust bekruipt je om er uit te gaan en te zien in het wisselend licht van de maan, hoe de wolken jagen, hoe het strooft* stormwilde nacht en de zee, die raast en buldert, wit van schuim als kokende melk. Een ander Schokland, in zulke uren, niet vredig meer, vol melancholieke rust, doch bar en woest, vreemd en hallucineerend, een baaierd vol boos gerucht. Wij scheiden als goede vrienden. Tot’s avonds; buurten

98


op den hotter. Ik wandel het eiland verder af, naar het uiterste Zuiden, vanouds de Kerk genaamd, waar de lichttoren staat, dien ik opklim, om als zoo vaak, over het eiland uit te zien en over de zee rondom. Wie de atmosfeer van Schokland wil waardeeren, dient met zijn historie vertrouwd te zijn. Als men weet, wat zich door de eeuwen heen heeft afgespeeld op dit armelijk reepje grond, hoe de menschen er hebben geleefd, wat hun zorgen en hun nooden waren, bekijkt men er alles met andere oogen. Er is nooit een epos gewijd aan de geschiedenis van Schokland. En toch, als er een plek in Nederland is, die verdient in een heldendicht te worden bezongen, dan wel dit armzalig, door paalrijen in den bodem der Zuiderzee vastgepende lapje grond. Want waar zal een dichter schooner stof vinden dan in de tragische heroiek van dit eenzaam eilandvolk, dat in diep gewortelde gehechtheid aan zijn armoedige aarde, een strijd van eeuwen heeft gestreden tegen de altoos dreigende zee. Een strijd, die noodgedwongen moest worden opgegeven, maar die tenslotte toch gewonnen is. Want de weinige, nog levende Schokkers zullen vanuit hun ballingschap het eens overmachtige water voorgoed van hun eiland zien wijken. Zij overleven hun grond, ook al dringt het tot die laatsten van dit volk, stokoude menschen thans, niet meer door. De oudste historie van het eiland verliest zich in den nevel van t verleden. De naam Schokland dateert trouwens pas uit de achttiende eeuw; hij is mij verklaard als afgeleid van schokken: plakken koemest, welke in gedroogden toestand door de arme bevolking van het eiland als brandstof werden gebezigd. Voordien is er

99


uitsluitend sprake van het Noordelijk deel: Emmeloord en het Zuiden, Ens genaamd, die elk een eigen rol in de geschiedenis hebben gespeeld. Emmeloord wordt het eerst genoemd. Het komt als Emmelwerth voor op de lijst van kapellen, behoorende tot het Benedictijnerklooster St. Odulphus te Stavoren, dateerend van omstreeks 1200, welke ook Nagele en Urch vermeldt. Ook in een brief van 1245 wordt van deze drie kerken gerept. In 1383 kwam de parochie Emmeloord onder den Bisschop van Utrecht, die op zijn beurt de rechten op Koudum in Gaasterland aan het St. Odulphusklooster afstond. Jaarlijks, op St. Bonifaciusdag, betaalden de ,,bueren van Emelweert” aan den rentmeester te Vollenhove hun bijdrage aan 'het Bisdom. De geschiedenis van Emmeloord loopt dan eeuwenlang parallel met die van Urk. De Heeren van Kuinre vestigden tijdens hun bewind een Munt op Emmeloord, waaraan in latere stukken nog vaak wordt herinnerd met de vermelding ,,dair die munte plach te staen”. De munten der Kuindersche Heeren verheugden zich overigens niet in al te beste reputatie. De geldstukken, welke de Moneta di Cunra verlieten, geleken bedriegelijk veel op Engelsche sterlingen en op Vlaamsche en Brabantsche muntstukken. Met Urk verwisselde Emmeloord, als leen der Graven van Holland, voortdurend van heer, tot in 1660 de Amsterdamsche Burgemeesters er als Ambachtsheeren optraden. In tegenstelling tot Emmeloord was het Zuidelijke Ens van den beginne af op Overijsel georienteerd, in het bijzonder op Kampen. In de bloeiperiode der Hanzestad zien wij tal van Ensers, die er het burgerrecht

100


verkregen. Zij voeren op de koggen ter Ommelandvaart, beproefde zeelieden dat zij waren. Zij kwamen als scheepsheeren tot macht en aanzien. De oudste kronieken spreken van Enesc en Enedsae, later verbasterd tot Ens. Nes is nog de benaming voor landtong; Enedsae wordt als End-zee genoegzaam verklaard. Een vrome legende verhaalt hoe drie zusters de kerken stichtten van Yselmuiden, Ens en Nagele, alien gelegen in een rechte lijn. Het is een feit, dat de kerk van Yselmuiden een Roomsche kerk, dateerend uit de He eeuw, die bij de Reformatie overging, in haar bouwstijl overeenkomst vertoont met de vroegere Middeleeuwsche kerk van Ens, die op de Zuidpunt van het eiland stond en waarvan afbeeldingen bewaard zijn gebleven. (De fundamenten van deze oude kerk zijn in den zomer van 1940 blootgelegd bij opgravingen, ten behoeve van de anthropologische wetenschap onder leiding van dr. A. de Froe op de Zuidpunt van Schokland verricht). Terwijl uiteindelijk Emmeloord aan Amsterdam kwam, dat als leenman der Staten van Holland het bezit verwierf, bleef Ens in later eeuwen tot Overijsel behooren, schatplichtig aan de Staten van dat gewest. Het bewind op Emmeloord werd uitgeoefend door een Schout, den Ambachtsheer vertegenwoordigend en vijf Burgemeesters, waarvan er het eene jaar drie, het andere twee aftraden. Het hoog gerecht berustte bij den Ambachts¬ heer, in de persoon van een der Amsterdamsche Burgemeesters, dien Schout en Burgemeesters over crimineele zaken moesten raadplegen. Ens werd bestuurd als Overijselsch platteland: het had een Schout en tevens Burge¬ meesters, die voor onbepaalden tijd op hun post bleven

101


om dan anderen in hun plaats te benoemen. Een volslagen Aristocratie dus, machtiger dan de ambtgenooten op Emmeloord, die tenslotte aan den Schout onderworpen waren. De Burgemeesters van Ens matigden zich meer gezag aan dan de Drost van Yselmuiden, op zijn beurt vertegenwoordigd door den Schout, meende te mogen toestaan. En daar men zich niet hield aan de reglementen en plakkaten, voorgeschreven aan de ingezetenen der Provincie, stelden de Ridderschap en Steden in 1756 eenige verordeningen vast, welke aan het gezag van Drost en Schout meer kracht moesten bijzetten. De grens tusschen beide deelen van het tweeheerig Schokland werd gevormd door een dijkje, dwars door het eiland, de landscheiding genaamd, nog geen drie minuten gaans. Noordelijk regeerden de Edel Mogende, ten Zuiden daarvan de Edel Groot Mogende Heeren en ook de rechten der bevolking waren verschillend, het geheel typeerend voor het bonte samenstel onzer toenmalige staatsinrichting. Daarbij botsten ook de belangen. Amsterdam had zich door aankoop in het bezit gesteld van Urk en Emmeloord, omdat het de eilanden van groot nut achtte voor zijn scheepvaart op de Zuiderzee. De stad trachtte echter vergeefs ook Ens te verkrijgen. Het gevolg was, dat het Noorden van Schok¬ land beter werd onderhouden dan het Zuiden, wat herhaaldelijk tot ernstige geschillen aanleiding gaf. De oude toestand op Schokland eindigde met de Staatsregeling van 1798. In het kader der Bataafsche republiek werd het eiland in zijn geheel ingedeeld bij het Departement van den Ouden IJsel. In 1801 herstelde men de 102


oude Provincie-grenzen en keerde nog eenmaal de tweeheerigheid terug, Emmeloord behoorende tot Hol¬ land en Ens tot Overijsel. Dit duurde tot 1806, want het Koninkrijk Holland hereenigde beide deelen andermaal, met E. P. Seidel als eerste maire, ressorteerende onder Overijsel, waartoe het eiland, na tijdens de inlijving bij Frankrijk nog tot het Departement der Monden van den IJsel te hebben behoord, in 18H definitief zou terugkeeren. Tot de ontruiming in 1859 vormde Schokland een afzonderlijke gemeente, nadien werd het bij Kampen ingelijfd. dat zich vroeger, in verband met de armoe der Schokker bevolking, daartegen had verzet, maar nu geen bezwaar meer maakte. Ook in godsdienstig opzicht is Schokland sterk verdeeld geweest. Op Ens kreeg de Reformatie overwicht, terwijl Emmeloord aan Rome trouw bleef. Nu waren de bewoners onderling verdraagzaam genoeg en bovendien door de gesteldheid van het eiland niet in staat zich al te zeer met elkaars zaken in te laten, doch de Overheid achtte het nu eenmaal haar plicht zich ook het geweten van haar onderdanen aan te trekken. Emmeloord moest hier langen tijd de last van ondervinden; pas in de tweede helft der achttiende eeuw verleende men de Katholieke bevolking vrijheid van Godsdienst. In 1572 landden de Watergeuzen op Emmeloord en plunderden er de kerk. Twaalf jaar later was er een predikant, Gerryt Reiniers, behoorende tot de Classis Kampen. Op Ens schijnt de Reformatie onmiddellijk vasten voet te hebben gekregen in tegenstelling tot Emmeloord, waar in 1620 al geen predikant meer was. 103


De Staten van Overijsel besloten daarop, na overleg met de Staten van Holland en de Staten-Generaal, krachtig in te grijpen. Zij lieten ,,den altaer in de kercke te Emmelort afbreecken ende den pape vertrecken”. Ens en Emmeloord kregen nu een gemeenschappelijken predikant. De eerste was Lambertus Hiddingius. Ondanks dat bleven Katholieke priesters op Emmel¬ oord heimelijk de zielzorg uitoefenen, waarbij zij steun vonden bij Jonker van der Werve, den ,,paepschen heer tot Emmeloort”. De Overijselsche synode uitte hierover haar verontwaardiging, maar pas wanneer Amsterdam in 1660 op Emmeloord de baas werd, volgden de maatregelen, die men reeds langs gewenscht had. Den Katholieken priester werd verder verblijf op het eiland ontzegd en de Katholieke Schout ontslagen. Maar negen jaar later bleek er opnieuw een Roomsch priester te doopen en huwelijken in te zegenen, terwijl ook de schoolmeester tot het Katholieke geloof behoorde. Toch deed de predikant van Ens zijn uiterste best om de Emmeloorders tot andere gedachten te brengen. Om de veertien dagen preekte hij er in de Gereformeerde kerk, een bovenvertrek in het huis van den... Roomschen schoolmeester. Zijn gehoor bepaalde zich echter tot den koster en diens vrouw, de eenige Protestanten. De overige Emmeloorders ,,bleven hartnekkig en onversettelyk, wel dervende rond uyt sich laten hooren, dat hy met syn preken daar niet behoefde te komen en evenwel bereyd syn jaarlykse wedde, zynde hondert en dertig guldens, aan hem op te brengen”. Tot openlijk verzet kwam het in 1682. Op Emmeloord had men weliswaar geen eigen priester meer, doch op 104


*

*m

Boven: Aan den voet van den Zuidelijken vuurtoren op Schokland vervaardigen rietwerkers tijdelijk de zinkstukkcn voor den dijk van den Noord-Oostpolder. Beneden:

De Zuidelijke tcrp van Schokland, „de Kerk”. Naast den de verlaten en inmiddels afgebroken lichtwachterswoning.

vuurtoren


De ,,Westwall van Schokland, waarop reeds eeuwenlang, telkens en telkens weer, de zee bij Westerstormen haar offensieve kracht heeft beproefd.

Ens op Schokland: het Protestantsche kerkje met zijn geestig klokketorentje en aangebouwde pastorie vormt de laatste herinnering aan de oude Middelbuurt.

|


geregelde tijden lcwam een zielzorger van den vasten wal naar het eiland. Dit ging goed, zoolang de schout ter plaatse zelf Roomsch was. Thans echter had Amsterdam een Gereformeerden Schout te Emmeloord henoemd en deze wilde den priester bij zijn komst op het eiland aanhouden. Dit werd het anders lijdzame volkje te bar. Met geweld ontzette men den priester en de schout raakte op zijn beurt in het nauw. Maar nu zond Amsterdam dertig soldaten en met hun hulp werd de orde krachtig hersteld. Een der burgemeesters, die aan het verzet had deelgenomen, Klaas Dubbeltsz., werd verbannen. Er kwam ook een nieuwe schoolmeester op Emmeloord, Paulus Kiev, door Amsterdam aangesteld ,,tot voorstant der ware Gereformeerde religie”. Met de Paapsche stoutigheden op Emmeloord was het nu wel gedaan. In 1691 bracht ds. Abraham Riet op de provinciale synode te Zwolle gunstige rapporten uit. Aanvankelijk had men op Emmeloord den Protestantschen schoolmeester geboycot, maar daar was men geleidelijk van teruggekomen. Berent Hofstede, in dat jaar schoolmeester, onderwees nu’s winters wel tachtig kinderen. Daarvoor kreeg hij jaarlijks ,,hondert silveren ducatons, doch onder conditie, dat hy in de school niet alleene de turf voor de kinderen soude beschaffen, maer oock besorgen, dat deselve met boecken, papier, pennen en inckt en al 'tgeen welck om lesen en schryven te leeren ervordert wordt, sonder der selver beswaer en op syne kosten souden worden voorsien”. Voor het uiterlijk had de Reformatie op Emmeloord het pleit gewonnen. In 1691 zegende Abraham Riet 105


een huwelijk van twee Emmeloorders in de Protestantsche kerk in: ,,de eerste mael, dat ymant daer is getrouwt, streckende tot mortificatie der paperie en haer dit grottlyks spytende”. Vijf jaar later werd het eerste kind op Emmeloord Protestantsch gedoopt, ,,’twelk”, vermeldt het Hervormd Doop- en Doodboek op Ens, ,,de Heer en Mr. Jacob Hinlopen, Ambachtsheer van Urk en Emmeloord, wel scherpelyk heeft in last gegeven, en dat in presentie van den Schout...” Op 24 Juni 1700 leest men, dat gedoopt werd ,,Tyman, zoon van Andries Berends en Marretje Herrms, zynde papisten op Emmeloord”. In 1701, wanneer een Katholiek paartje door den Enser dominee in den echt werd vereenigd, zat de kerk vol Emmeloorders, ,,onder welke een goet getal neerstig toeluysterden”. Dergelijke voorbeelden vindt men tot omstreeks 1735. Toch blijkt uit een Katholiek Doop-, Huwelijks- en Doodboek, dat zelfs in die moeilijke periode Roomsche priesters in het geheim op het eiland kwamen, om er te doopen, te vormen en huwelijken in te zegenen. Om¬ streeks het midden der achttiende eeuw werden de verhoudingen minder scherp. De Katholieken herkregen een goed deel van hun vrijheid. Een kerk bezaten zij echter niet meer. Het oude Roomsche bedehuis van Emmeloord was na de Reformatie een verlaten, vervallen gebouw geworden, staande afzijds van de woonbuurt op een verhooging van koemest. De dominee van Ens gebruikte die kerk niet: daar zijn gehoor langen tijd slechts uit twee personen bestond, hield hij dienst in een bovenvertrek van de schoolmeesterswoning. De oude kerk van Emmeloord brandde in 1728 af. Burge106


meesters van Amsterdam verschaften toen de middelen voor den bouw van een Protestantsch kerkgebouw, dat ,,onder groten toevloedt van vreemdelingen” in gebruik werd genomen. Bij een zwaren brand, welke in 1749 een groot deel van Emmeloord in asch legde, ging ook deze nieuwe kerk weer verloren. En daar men het nut van een Protestantsch bedehuis op Emmeloord niet meer inzag, bleef een nieuwe herbouw achterwege. Eenige jaren later bouwden de Katholieken weer een Roomsche kerk, die bij den storm van 1825 zwaar gehavend, tot 1842 in gebruik bleef. Op de plaats van dit gebouw werd in dat jaar van Rijkswege een nieuwe kerk opgetrokken, die tot de ontruiming van het eiland heeft dienst gedaan. De afbraak werd in dat jaar benut voor den bouw van een Katholieke kerk te Ommen, welke bijna tachtig jaar in gebruik is geweest en thans als vereenigingsgebouw wordt benut. Te Ommen bevindt zich o.m. een doopvont, dat tusschen Urk en Schokland werd opgevischt en te Emmeloord in gebruik was. De kerk van Ens stond op de Zuidpunt. Het was het oude, middeleeuwsche Godshuis, dat volgens het vroom verhaal met de kerken van Yselmuiden en Nagel door drie gezusters werd gesticht. Tot het begin der achttiende eeuw heeft dit kerkgebouw, dat na de Reformatie aan de Protestanten was gekomen, dienst gedaan. In het jaar 1717 kwam de nieuwe kerk van Ens, thans in de woonbuurt zelf gelegen, gereed. Daar gingen de Ensers ter kerke tot 1833; toen was het verval al weer zoo groot, dat een nieuw kerkje met aangebouwde pastorie noodig bleek. Dit werd het kerkje van Ens, dat zich nog heden ten dage op Middelbuurt verheft. 107


Ook de rui'ne van de middeleeuwsche kerk op Schoklands Zuidpunt heeft lang bestaan. Pal ernaast verhief zich de vuurbaak en tegen het oude gebouw was de lichtwachterswoning gebouwd. Het schip van de verlaten kerk werd als begraafplaats benut. Tot de ontruiming van het eiland zijn de resten als zoodanig in gebruik gebleven. Nog altijd noemen de visschers de Zuidpunt naar dit oude gebouw „de Kerk”; fundamenten van meterdikke muren steken nog in den bodem der terp, waarop de vuurtoren staat. Hoe verschillend het lot voor Emmeloord en Ens ook mocht zijn, een en dezelfde strijd heeft er de eeuwen door het leven der menschen beheerscht: het rusteloos verweer tegen de zee, de nimmer wijkende bedreiging van het water. „Wel Schokland, ghij bedroefde kust, ghij deed er menig herte lijden”, zou een variant op het liedje der IJslandvaarders kunnen luiden. Voortdurend toch melden de kronieken stormen, springvloeden en overstroomingen, welke het nauwelijks beschermde eiland teisterden. En bij elken nieuwen stormvloed zagen de Schokkers hun eiland met groote brokken afslaan en wegspoelen, terwijl de overheid zich van het armlastige landje niet bijster veel aantrok, zoodat zijn bescherming onvoldoende bleef. De bodemgesteldheid was ver van gunstig. Een bovenlaag van zeeklei ter dikte van 1 tot 1.50 Meter bedekt een veenlaag van 2 tot 7 Meter diepte, welke op haar beurt op zand rust. Dit veen nu, de ,,losse en spongieuse derry”, zooals een zeventiende eeuwsch rapport zegt, bleek de zwakke stee van het lage, smalle eiland. Een resolutie van de Ridderschap en Steden van Overijsel, 108


gedateerd 8 April 1691, spreekt van den „periculeusen toestand van het eylant Ens , welks behoud nochtans van nut was, ,,wesende de eenigste haven en plaatse van retraicte by voorval van storm voor alle schepen, de Zuiderzee bevarende”. Om een beeld te geven, hoe dreigend de situatie was, had men het heele eiland nauwkeurig onderzocht. Daarbij werd vastgesteld, dat dicht langs de Westkust de zee bij gemiddelden waterstand 12 tot 17 voet diep was. Het gevolg werd, dat ,,by stercke winden en bewegingen van de zee, daer door de dergachtige gront van het landt, vermits die vehemente persinghe, dringende door de voorschr. diepte wordt uytgelockt, gelyck dan binnen onse heugenis daer het landt seer is afgenomen en dergen soo groot als boere schuiren opgeworpen en iterative intreckingen van den dyck syn vernootsaect, waardoor hetselve soodanig is vercleint, dat het op de periculeuste plaats alleen tusschen 70 en 80 roeden in de breette con haelen, alwaer oock haer in ’t vaste landt eenige opborrelende gaten vertonen, die aenwysen dat de per¬ singhe van de zee daer onder hollicheden comt te maecken, die vreese van een nieuwe scheuringe moet doen apprehendeeren, twelck gebeurende, dat God verhoede, soo sal geen middel wesen, om dit eylandt te behouden.” Geadviseerd werd ,,het maecken van een generael suffisant paelwerck op de periculeuste plaats, om daardoor de persinge van de zee te steuyten en te beletten”. In deze resolutie werd reeds opgemerkt, dat het behoud van het eiland ,,considerabele summen” vorderde. Om het geld voor het hoognoodige onderhoud der weringen 109


te dekken, troffen de betrokken gewesten onderling een regeling. Ook de schepen, die van de veilige ree, welke het eiland bood, profiteerden, werden belast. Amster¬ dam hief ankergeld van schepen, die onder Emmeloord de luwte zochten; ter reede van Ens inde men het Enser geld. De bescherming van het eiland bleef echter onvoldoende en ondoeltreffend. Een groot deel van Emmeloord was zelfs geheel onverdedigd. De weringen bestonden uit zoogenaamd kist-paalwerk; een dubbele rij palen, de tusschenruimte opgevuld met bladriet en steenslag, welk systeem taaier bleek dan de lage steenen dijken, welke later werden aangelegd, maar bij een flinken storm weer grootendeels vernield. Zoo was Schokland in den loop der tijden steeds meer afgebrokkeld en aangevreten. Verschillende malen rees het plan het eiland geheel of gedeeltelijk prijs te geven, in de verwachting, dat toch vandaag of morgen de zee met een stoot het armzalig overblijfsel zou wegspoelen. En in den winter van 1824— 1 825 scheen het inderdaad of het water als een kat, die lang genoeg met haar prooi heeft gespeeld, heel Schokland verzwelgen zou. Na een voorspel in October werd het stormgeweld van Februari d.o.v. catastrophaal voor het arme landje. Ontzettende verwoestingen richtte het geweld der golven aan, zoowel aan oeverwerk als op de buurten, waar een groot aantal huizen volkomen werd vernield en dertien bewoners den dood vonden. Maar toen de storm luwde en het opgewaaide water week, overleefde het eiland de ramp. Weer herstelde men de weringen, werd de strijd hervat en thans, na nogmaals honderd jaar van rusteloos offensief der stage Westenwinden, 1 10


het woelen en wroeten der zee, vaak ook haar beuken en rammen, als het brandde op de palen, is het pleit beslecht. Vergeefs heeft het water zijn prooi besprongen; Schokland is in den ongelijken strijd de sterkste gebleken. Nog korten tijd en de aftocht van het water begint. De eeuwige vijand van Schokland, verslagen en ontwapend, trekt zich terug. Ivlaar dan is ook Schoklands lot beslist. Zoolang het een taak had te vervullen in de botsing der elementen, kon het zich handhaven en duizend moeilijkheden telkens opnieuw te boven komen. Morgen is dat voorbij. Vreemd en onwerkelijk zal het oude eiland in den jongen polder liggen, zijn haven droog, de reede dood, het palenfront wanstaltig en somber, de wand van een geschonden graf. En dan voltrekt zich de ondergang: het evenwicht der natuur is verstoord en langzaam zal de Schokker grond inklinken, verzakken en eindelijk geheel verdwijnen, ondergaan in den polder rondom. Wat de zee niet vermocht, doet straks het land. Of zal in donkeren, stormigen nacht met heesche stem der schuimende golven een bakknecht der Zuiderzeewerken, die den slaap niet vatten kan, oververmoeid van jachtend werken, dag aan dag, om den dijk te dichten, aan dek geklommen, plots de oogen verbijsterd sperren, bewegingloos van schrik... Want ziet hij daar geen schim, die langzaam verglijdt langs bakken en onderlossers, baggermolens en sleepbooten, rijdende op hun ankers in’t woelige water? Koerst daar een reuzenschip voorbij, spookachtig groot en onafzienbaar lang, geruischloos voortgestuwd door zee? Het schip voert een licht en nog een: maar dat zijn toch de vuurtoren

111


van de Kerk, het licht van Emmeloord? En midscheeps dat grillig dekhuis, die hooge campagne; zijn oogen bedriegen hem niet: het zijn de boomen van Ens, de huizen aan de haven. Een scheepsbel luidt en zelfs dien klank kent hij: heeft hij niet pas met enkele kornuiten, schaftende op het eiland, uit louter nieuwsgierigheid de klok geluid van Middelbuurt, die tachtig jaar gezwegen had/ Het is geen schip, dat daar gaat, het is het eiland: Schokland vaart hem voorbij. Daar breekt de lucht, het schijnsel der maan, die even zichtbaar wordt, op brekers en koppen van melkwit schuim, de donkere kolken phosphoriseerend als vuurde de zee. En duidelijk nu het eiland-schip, langgerekt als een aak, een samorees, golven lekkend de randgeert. Er zijn menschen aan boord, het wemelt van volk. De knecht ziet vaag hun gestalten: eender zijn zij gekleed, een donkere dracht. lirkers? Scherper tuurt de man, bonzend het bloed in zijn polsen, bewegingloos in nijpenden angst. Want dit zijn geen menschen, die leven als hij: dooden zijn opgestaan uit hun graven, diep in die terpen, die men afgraven zou, later, als het water geweken was. Dooden, want hij staart in holle ooggaten, ontvleeschde klauwen zijn hun handen. Zij dragen schoppen, zij spreiden zeilen uit, haastig afgeslagen van hun schepen, waarvan hij masten ziet, over het eiland heen. Nu weet de knecht: de Schokkers zelf, geslachten van eeuwen her, lang gestorven eilanders, die sluimerden in hun terpen, voeren hun grond, hun eiland weg, vrijwillig in ballingschap. Voor hen is geen plaats in het nieuwe land, waar straks de machine hun asch zal ver-

112


De middeleeuwsche kerk op Schoklands Zuidpunt, naar ecn teekening van A. ]. Reyers. De resten van deze kerk zijn in den zomer van 1940 door studenten van de Amsterdamsche Universiteit onder leiding van dr A. de Froe blootgelegd.

Het opgravingswerk, gefotografeerd vanaf den vuurtcren: het voetstuk van den zwaren Romaanschen toren met zijn nauwen toegang (zie bovenstaande tee¬ kening), de laag-liggende vloer van het portaal en aan weerskanten gemetselde zitbanken in de 1.50 Meter dikke muren. Op den voorgrond het schip van de kerk, ten opzichte waarvan de toren asymetrisch gelegen is. Rechts de doopkapel. (Foto dr A. de Froe).

Het koor der oude kerk op Schoklands Zuidpunt. Duidelijk herkent men nog enkele dcr blootgelegde graven. Ook nadat het gebouw tot een mine was vervallen, bleef men er de dooden van Ens ter aarde bestcllcn, het laatst in het jaar der ontruiming van het eiland, 1859.


Schokland op zijn smalst! Zonder moeite kijkt men vanuit het de „wespentaille” van het eiland heen naar de schepen, die varen: een sleepboot met onderlosser, op weg naar het werk polderdijk. Aan den horizon kan men vaag het eiland Urk

gat van Ens over aan de Westkust aan den nieuwen onderscheiden.

Als een zeebenting ligt de Middelbuurt binnen haar hooge wering van palissaden.


strooien, waar hun schim niet rusten kan, als die stem zwijgt van het water, dat breekt op de palen: eeuwige melodie, hun wiegelied eens, hun doodenzang voor altijd. De knecht op den wippenden bak siddert over zijn leden, een droombeeld moet dit zijn, verbijsterende' ervaring, die niets met werkelijkheid uitstaande heeft. Dan schreeuwt hij, een schorre kreet, verloren in den wind, die giert om het schip. Maar een van zijn kameraden, onrustig woelend in zijn kooi, heeft hem gehoord. Men gaat aan dek en haalt den knecht omlaag in het logies. De man rilt van koorts. Hij ijlt. Den volgenden morgen brengt een boot hem naar den vasten wal, doodziek. ’s Nachts, met bonzende slapen, de vuisten gekrampt, slaat hij de lakens van het bed; zijn oogen staren in het duister: „Daar drijft het eiland,” steurt hij, ,,het drijft het sluitgat uit.” ,,Maar het sluitgat is al dicht,” kalmeert de verpleegster, die hem terug in de kussens drukt. ,,En het eiland ligt er nog," voegt zij er aan toe. ,,Het eiland misschien,” fluistert de man, terwijl hij de oogen sluit, ,,maar het is nu dood. Het is nu pas recht dood. De geest is geweken, dien nacht. Ik weet het, want ik heb het gezien.”

113 Wijkend Water. 8


DRU1VEN VAN ENS EN DE WIJN VAN CAPRI

W

anneer de oude Gerrit Smit van Diene, die nog op Schokland het levenslicht zag, maar na de ontruiming van het eiland te Volendam leefde en stierf, met zijn hotter in den Schokker koers kwam en Emmeloord binnenliep, zou hij zijn geboortegrond niet verlaten zonder er wat aarde te rapen en in zijn grooten, rooden zakdoek met zich mee te nemen. Toch was Gerrit Smit maar een heel eenvoudig man, oud en betijd, die het hoofd koel hield en voor wien het leven niet altijd makkelijk was geweest. Doch ook hij was een Schokker en voor hem bleef, ook in ballingschap, dat armetierig lapje grond, ver voor de Overijselsche kust, dierbaar en heilig. Daar hadden zijn vaderen eeuwenlang hun kommervol leven geleid, daar waren hun graven naamloos verzonken in den grond, die eens ook werd beroerd door zijn eerste wankele schreden, terwijl er zijn blik van toen af nimmer het zicht van de zee verloor. Er is wellicht geen plek in Nederland, welker bewoners de eeuwen door zoo hebben gevochten om zijn behoud als het oude Schokland, waar elk stormtij opnieuw een strijd op leven en dood is gestreden met de kracht der elementen, het woeden van den wind en van de zee, die in haar barre meedoogenloosheid de menschen 114


voortdurend nabij bleef. En toch hoe arm was er het leven, hoe poover het bestaan dier menschen op dat smalle reepje drassig doorsijpeld land, waar de zee, bij de minste opwaaiing van het water, vrij toegang had. Weelde heeft er op Schokland nooit gewoond. Misschien in vroegste tijden, toen er nog sprake was van landbouw en veeteelt op landerijen, die later geleidelijk afkalfden of bij flinken storm in den vloed verdwenen. Vrachtvaart aanvankelijk en later in hoofdzaak visscherij gaven de bevolking een sober bestaan. Zooals nauwlijks te verwonderen valt, waren de Schokkers het beste zeevolk van ons land, bekwaam in den strijd met wind en golven, gehard door ontbering. Tal van Ensers voeren ter Ommelandvaart; op de groote Hollandsche vloten der zeventiende en achttiende eeuw wierf men bij voorkeur de eilander mannen. Als vrachtschippers voeren zij met hun kagen, waarvan er in den besten tijd een vijftig op het eiland zijn geweest, door heel het land en ook buitengaats, tot Hamburg toe. Maar in de achttiende eeuw bleek de eilander vloot al tot acht schepen geslonken. Wei was de visscherij daarnaast als middel van bestaan opgekomen, maar zij kon in die dagen maar nauwlijks voorzien in de toch geringe behoeften der menschen. Omstreeks 1800 telde men op Emmeloord en Ens tezamen een tachtigtal visschersschuiten. In de negentiende eeuw nam de armoe op Schokland steeds meer toe. Het beste blijkt dit uit den teruggang van de toch al beperkten veestapel. In 1824 hield men ruim 50 koeien op het eiland, welk aantal in 1849 nog slechts 5 bedroeg. Wei vermeerderde daarnaast het 115


aantal schapen, in laatstgenoemd jaar nog 120. Het beschikbare grasland vormde een gemeene weide, waar ieder zijn dieren mocht laten grazen tegen betaling van grondbelasting, berekend naar het aantal en soort. Ook de visscherij beleefde uitzonderlijk slechte tijden; de eilander vloot telde in 1847 nog maar 57 zeilen, waarbij geen der schepen het onbelast bezit van den schipper was. Herhaaldelijk moest de publieke liefdadigheid in deze jaren den grootsten nood op Schokland lenigen, men trachtte gezinnen van het eiland naar elders over te brengen om daar een bestaan te vinden, doch men moest de menschen dwingen. Niemand werd bereid gevonden zijn geboortegrond, hoe armzalig die ook mocht zijn, te verlaten. Een laatste poging om wat welvaart te brengen werd de oprichting in 1837 van calicotweverijen op Emmeloord en later ook op Ens. Het mocht echter niet baten; vooral in eerstgenoemde buurt werd groote armoe geleden. Kort voor de ontruiming van het eiland werden op Emmeloord 350 van de 400 bewoners ’s winters bedeeld. En toch was de Schokker aan zijn grond, die hem niet voeden kon, waar hij bittere armoe leed en zelfs gedurig aan lijfsgevaar blootstond, hartstochtelijk gehecht. Alle pogingen om de menschen vrijwillig naar elders over te brengen, mislukten. Daarvoor was, zooals de burgemeester van het eiland in 1843 verklaarde, ,,de onverstandige gehegtheid aan dit armoedig landje” te groot. Anders dan die burgemeester zag het de professor in Nederlandsche letterkunde en vaderlandsche geschiedenis aan het Deventer Athenaeum Mr. Gregorius Mees, die in de Overijselsche Almanak voor Oudheid

116


en Letteren van 1847 van zijn bezoek aan het eiland verhaalt. ..Gezegende trek in’s menschen hart”, schreef hij, ,,die den Schokker aan zijn onland, evenzeer als de Zwitser aan zijne bekoorlijke dalen verbindt en hem het leven draaglijk maakt te midden van golfgestuif en gierende stormen.” Wat Mees over Schokland vertelt geeft een uitstekend beeld van de omstandigheden, waaronder het eilandvolk van Emmeloord en Ens omstreeks het midden der vorige eeuw heeft geleefd. Verplaats U, zegt Mees, op een stormachtigen winteravond even buiten Kampen en richt den blik noordwestwaarts. Ver in zee ziet men een flikkerend lichtje, dat zich uit het midden der baren verheft. Het staat slechts op korten afstand, geen anderhalf uur van Kampereiland, maar somber en eenzaam ligt het daar, van spattende golven omgeven en als een goede windvlaag of een jachtsneeuw U naar binnen drijft, gevoelt gij medelijden met al wat in dat onherbergzaam oord leeft, een dubbel rantsoen van de bulderende Aeolusgaven ontvangt en van het klotsende element van Neptunus gebeukt en geteisterd, op het punt schijnt van er in begraven te worden. Maar niet bij nacht en wintertij voer Mees naar Schokland. Op een midzomerdag bij onbewolkten hemel stond hij bij den Schokker beurtman aan boord en keek naar het eiland: een lange streep, waarop zich drie kleine groepjes even boven water verhieven, die heel langzaam dicht saamgedrongen woningen werden, terwijl zich links en rechts niets anders vertoonde dan palen. Denk die palen weg, zegt Mees, en er is geen Schokland meer. De bescherming van het eiland tegen 117


de zee bleek op drieerlei wijze ingericht: een zwaar cistpaalwerk aan de Westzijde, welke om de Zuidpunt heenliep en overging in het Oostelijk oeverwerk, bestaande uit een gesloten rij van zware eiken palen, van achteren met een gording verbonden en door ankers en ankerpalen gesteund. De derde zeewering begon ten Noorden van Emmeloord, boog daar naar het Westen om en sloot Zuidelijk aan op het genoemde kistpaalwerk. De Westelijke wering was de voornaamste, maar bleek zoo laag, dat zij bij stevigen Westenwind de voile zee niet brak, zoodat het achterliggende land onmiddellijk onderliep en de golven den binnenkant van de Oostelijke palenrij beukten en havenden. Het gevolg was dan ook, dat op enkele bunders na, die aan Noord- en Zuidpunt hooger waren gelegen, het geheele eiland zelfs bij zomerweer uit niets dan drassigen, ondergeloopen en moerassigen grond bestond en men slechts op enkele plaatsen van Oost naar West droogvoets kon passeeren. „Land en geen land , schrijft Mees, Lucanus citeerend, ,,droog, als de zee laag en water, als de zee hoog is”. En zelfs deze omschrijving achtte hij nog te gunstig voor een zoogenaamden bodem, die meer voor eenden en ganzen dan voor menschen bewoonbaar was. Maar van dit standpunt kon Mees de Schokkers niet overtuigen, die, zooals hij verklaart, in hun onkunde en achterdocht meenden, dat het Gouvernement, vanwege de kosten en moeite, welke het onderhoud vroeg, het eiland niet langer in stand wilde houden, maar liever langzaam liet verdwijnen om zoo de bevolking te dwingen zich elders te vestigen. 118


Mees begon zijn wandeling op de Zuidpunt van het eiland, waar zich bij zijn bezoek nog altijd de ru'ine verhief van de oude middeleeuwsche kerk, welker zware muren toonden, dat zij groot en met zorg werd gebouwd. De ligging van de kerk bewees, dat Schokland in dien vroegsten tijd ook Zuidwaarts meer uitgebreidheid had gehad, daar het anders dwaas zou zijn geweest een kerk te bouwen aan den rand van het eiland op vrij grooten afstand van de woonbuurt. Tot in de zeventiende eeuw bezat de kerk een toren, welke als baken diende voor de scheepvaart op de Zuiderzee. Bovendien werd in 1618 bij de kerk een vuurbaak geplaatst, waarop met groote kosten een steenkolenvuur werd onderhouden. In 1845 verving men het oude kolenvuur door een catadioptriek lamplicht. De lichtwachter had zijn eenzame woning tegen den muur der kerk geleund. Mees kuierde dan Noordwaarts en volgde daarbij den eenigen weg, welke het toenmalig Schokland rijk was: de kistdam. Aan den binnenkant van de Oostelijke palenrij lag, met klossen op de steunankers bevestigd, een lange, smalle loopplank en deze vormde de eenige verbinding van Zuid naar Noord tusschen de buurten van het eiland. Een leuning om zich vast te houden was er niet; ruimte om elkaar te passeeren evenmin. Wanneer twee eilanders elkaar ontmoetten, legden zij de handen op elkaars schouders en draaiden zoo om elkander heen. Ofwel de mindere week voor den meerdere zijwaarts op de palen en Mees gaf de kleine Schokkertjes een pluim door te vermelden, dat zij dit met vaardigheid en beleefdheid deden, ook al waren zij 119


zwaar beladen. Die wandeling over de plank was overigens geen senicure. „Zie recht voor U uit als de koorddanser op het kruis”, schrijft Mees, „een beweging naar links doet U tusschen de palen, op de steenen of in de modder vallen, een rechtsche afwijking zou U het genot van een zeebad bezorgen . De Schokkers echter waren op hun plank goed vertrouwd. Zelfs bij stormweer, als de branding het eiland overspoelde, passeerden zij van buurt tot buurt, terwijl de golven over de palen sloegen. Na enkele minuten gaans kwam Mees aan de Zuiderbuurt, kortweg Zuidert geheeten. Veertien armzalige huisjes stonden er, dicht bij elkander gekropen als een hoopje verkleumde kiekens. Twee der huizen waren onbewoond en stonden op instorten, in de overige woonden 11 Hervormde en 5 Katholieke gezinnen. Het buurtje was gebouwd op een werf van vasten grond en omringd door een heining van paalwerk. De plank verder volgende, bereikte Mees de voornaamste buurt van het eiland, Ens of Middelbuurt genaamd, terwijl eerder ook van Molenbuurt gesproken werd in verband met een korenmolen, die er vroeger was geweest. Ens was de zetel der regeering. Men telde er 38 huizen, bewoond door 45 gezinnen, waarvan er 27 tot de Gereformeerde, 16 tot de Roomsche en 2 tot de Afgescheiden Kerk behoorden. Het mooiste huis werd bewoond door den heer C. T. Seidel, opzichter van ’s lands werken, die het grootste inkomen had van heel het eiland en wel f 840.— ’s jaars, meer dan het salaris van burgemeester G. J. Gillot, die, ofschoon hij ook de kwaliteiten van secretaris en opzichter van den vuurtoren vervulde,

120


met kosten van bestuur en al zich met f 650.'— moest vergenoegen. Verder huisde er de veldwachter, wat Mees voor Schokland een zeer ongepast begrip vond, terwijl de beide assessoren en de vijf gemeenteraadsleden in de verschillende buurten van het eiland woonachtig waren. Op Ens was ook de geneesheer van het eiland gevestigd, dr. C. L. Meyer, die voor f 800.^ ’s jaars en vrije woning geen gemakkelijke taak had. Want als zijn hulp op Emmeloord of Zuidert noodig was, reed er geen dokterskoetsje voor, maar wachtte de lange wandeling over de smalle plank, een tocht, die ’s win¬ ters, bij storm en ontij, zelfs levensgevaarlijk werd. Kwam het water zoo hoog, dat Emmeloord onbereikbaar werd, dan verleende er de vroedvrouw hulp aan patienten. Te Ens verhief zich voorts het Protestante kerkje met de woning van den predikant Max, bij het bezoek van Mees pas twaalf jaar tevoren opgetrokken. Het kerkje en de pastorie van Ens werden later, bij de ontruiming van het eiland, intact gelaten en vormen vandaag een laatste herinnering aan de oude woonbuurt. Hoe armer de bewoners, hoe grooter de behoefte aan onderwijs, luidt een merkwaardige wijsheid uit de pen van M ees. Ook de beide Mogendheden, Heeren van Schokland, schrijft hij, waren van deze waarheid overtuigd. In 1693 vond men althans Antony Colijn als schoolmeester op Ens en het jaar daarop Claas Cock in deze functie op Emmeloord werkzaam. Beide scholen bleven in den loop der tijden bestaan. De Gereformeerde schoolmeester te Ens had ’s zomers ongeveer dertig, in 121


den winter een vijftigtal kinderen op school. Hiermede bleek de lijst van instellingen en autoriteiten op Ens uitgeput. Het is maar gelukkig, zegt Mees, dat Rijksen Gemeenteontvanger in Kampen wonen, want zij zouden op Schokland niet tot de geliefde ambtenaren behooren. Trouwens, maar enkele ingezetenen waren in staat hun geringe bijdrage in de schatkist te storten. Van de meesten kon men wel vorderen, maar niet ontvangen, omdat de Keizer zijn recht verliest, waar niets is. Tot de productieve gemeenten behoorde het eiland zeker niet. Tegenover het bescheiden bedrag aan personeel, patent, enz. stond een jaarlijksche uitgave voor het onderhoud der zeeweringen, welke 25 tot 35 duizend gulden beliep. Van Ens naar Emmeloord, de Noordelijke woonbuurt, was nog geen half uur gaans. Zoo goed als Ens bleek ook Emmeloord door een heining van paalwerk omgeven. Zou men de Middelbuurt het Schokker Haagje mogen noemen, het Noorden hier was het Amsterdam van het eiland. Aan de ruime haven, in 1838 door het Rijk aangelegd. waar 300 schepen ligplaats konden vinden, stonden de 62 huizen der buurt, waarin ongeveer twee derde der gansche eilandbevolking woonde. Op twee na waren alle gezinnen Roomsch-Katholiek. De voornaamste autoriteit was de pastoor, dien Mees schetst als een zeer vriendelijk en verdraagzaam man. Hij genoot een tractement van f 800.— en vrije woning, welk begrip vrij men echter niet te letterlijk moest nemen, daar de regen door de ramen kletterde en het water van boven langs den schoorsteen droop. Verder woonde er de meester, die’s zomers 55 en in den winter

122


70 kinderen in zijn school kreeg. Van welstand was op het eiland geen sprake meer. Vroeger zou dat beter zijn geweest, want volgens over¬ levering kon slechts een enkele eilander uit armoe niet slachten. De gezamenlijke bewoners kochten dan onderling een vet varken en joegen dit onder groot rumoer bij dien arme in huis. Aan landbouw viel trouwens niet meer te denken, de veeteelt had nauwlijks nog beteekenis. Er was arbeid aan de zeeweringen, doch alleen in zomertijd. Verder waren er de weefgetouwen, waar 12 jongens en 29 meisjes tusschen de 8 en 20 jaar aan werkten. De hoogste individueele weekproductie was zes stuks calicot wat drie gulden opbracht en dertig cent extra voor den betrokkene op de spaarbank. Wie minder dan twee stukjes afleverde, behoorde tot de leerlingen. Zelden echter waren de jeugdige Schokkers vrij van boeten voor te laat komen enz., waardoor hun soms 20 tot 50 cent op hun loon werd gekort. Hoe lang die jeugdige arbeidskrachten per dag moesten werken, vermeldt Mees niet. Wei constateerde hij, dat de meisjes er geen nadeelige gevolgen van ondervonden en er zelfs blozend en frisch uitzagen. Zij leerden echter niets van het huishouden, van naaien, verstellen, enz. Op het gestel der jongens was de uitwerking geheel omgekeerd-. Zij werden bleek en mager, ongeschikt om de zee te bouwen. En juist de zee was, bij gebrek aan land, het element, waarmee de Schokker het meest vertrouwd moest zijn. Maar ook de vischvangst bleek een sobere brood¬ winning. Van de 62 vaartuigen, op Schokland thuisbehoorend, werden er 57 toe gebezigd. Een goede 123


Schokker schuit met toebehooren kostte f 1600.— tot / 2200. —. Een knecht spaarde zoolang, tot hij een paar honderd gulden bij elkaar had en trachtte dan bij een hellingbaas een schip te krijgen. Het ontbrekende geld en alle bijkomende kosten, zooals smeedwerk, zeilen, netten, enz. moest hij jaarlijks in termijnen, zoogenaamde payementen afdoen, waartoe de schuldeischers, zoogoed als dat tot in onze dagen op Urk gebruikelijk was, omstreeks de hoogtijdagen — Kerstmis, Paschen en Pinksteren — op het eiland kwamen om te innen wat hun toekwam. Was de visscherij wat gunstig, dan kon zoo’n schipper zijn schuit vrij varen, liep het echter tegen en bleven de vangsten slecht, zooals dat bij Mees’ bezoek al jaren achtereen het geval was, dan was er van afbetalen geen sprake, bleef de schuldenlast drukken en verarmde het gezin. Ondanks tegenslag en ontbering nam echter het aantal huwelijken toe, groeide de bevolking en ging het sterftecijfer achteruit. De gezondheidstoestand was zelfs over het algemeen gunstig te noemen. Toch leefde de Schok¬ ker uiterst sober. Het voornaamste voedsel was roggebrood, in plaats van boter een enkele maal met Friesche kaas besmeerd, of wel met zure melk, die men liet hotten en met zout vermengde. Zelfs aardappelen waren luxe geworden. Visch was het hoofdgerecht, ’s winters vooral gebakken haring. Wat wortelen en kool, een appel en peer en de Schokker keuken was hiermee compleet. Vleesch of vet kwam vrijwel nooit ter tafel; versche bladgroente evenmin. De woningen bleken al even nederig. Met hun groene, houten topgevels stonden zij naar het Oosten gekeerd op de buurtwerven,

124


met aarde en koemest opgehoogd, welke terpen, ongeveer 30 Meter breed, slechts 2 Meter boven dagelijksch water reikten. Uiterlijk, inrichting en kleur der huizen vertoonde veel overeenkomst met visscherswoningen van Urk, Volendam en Marken. De vloer was van klei, de wanden uit hout opgetrokken, waar de wind doorheen loeide of de zon op brandde. De vuurhaard zonder schoorsteen, waarbij de rook naar de vliering werd geleid om netten te drogen en te conserveeren, was een systeem, dat voor kort ook in de z.g. rookhuizen op Marken nog toepassing vond. Het interieur was al even primitief. Alleen in de woningen der gegoeden vond men nog herinneringen aan beter dagen: kasten met dikke paneelen en snijwerk, pronkbedden met veelkleurige kussens, een wieg met gedraaide houten pooten, waarin de jonggeborene sluimerde met het kindermutsje van rood of blauw damast, rijk met goud- en zilverdraad bewerkt. De Schokkers waren hoogblond, breed gebouwd en eenigszins gedrongen van gestalte, de vrouwen met neiging tot dikte. Zij hadden een helder verstand, waren kalm van aard, eerder vreesachtig dan dapper. Hevige twisten of vechtpartijen kwamen niet voor; levend in zoo beperkte ruimte overheerschte het gevoel elkaar maar al te dikwijls noodig te hebben. Van rang of stand had men geen begrip; alien op het eiland waren gelijk, zooals dit trouwens in de echte visschersgemeenschappen, zooals b.v. Volendam, nog altijd het geval is. De Schokker beurtman vertelde aan Mees, hoe zelfs de stelende eilander lankmoedig en bescheiden bleef. Liet men op Urk een schuit eenige dagen alleen liggen, 125


dan kon men, aldus die zegsman, er zeker van zijn, dat haken, boomen. puts, kortom alles wat tilbaar was, verdween, terwijl men op Schokland alleen het brood miste en dan nog maar de helft. Want eerlijk deelen ze altijd alles, voegde de schipper er aan toe. De kleederdracht van Schokland was ten tijde van Mees al aan het ontaarden. Nog maar weinig vrouwen droegen het oorspronkelijk costuum, bestaande uit een vest van damast, middel genaamd, van voren toegeregen met geel koord. Daaronder een roode baaien borstrok met losse mouwen van rood laken, op den naad met een geborduurde streep van gele ziide. Verder een muts van rood baai en daarover een blauwe mats met geel gestreepten platten bodem. Meer algemeen was de nauw sluitende hul geworden, die over de zwarte ondermuts met gouden spelden werd vastaestoken aan de gouden knopjes van het zilveren oorijzer. Verder droegen dan de vrouwen en meisjes over den katocnen borstrok de bonte kraplap, waar aan den hals het omboordseltje of kantje van het hemd uitstak, voorts een zwart greinen, nauw sluitend jak, van boven vierkant uitgesneden en met lint omboord, onder de borst toegehaakt en boven met een blauw lint vastgestrikt. Rok en voorschoot waren van geplooide, zwart wollen stof met een bont „stikkie”, zooals dat op Volendam nog wordt gedragen. Eindeliik werd om den hals een rood geruit katoenen doekje losjes toegeknoopt. De mannenkleeding bestond uit een blauwbaaien buis met beenen knoopen, wijde bombazijnen broek, die iets korter werd gedragen dan de Volendammer, maar langer weer dan die op Urk. Voorts een roode halsdoek, heel

126


losjes geknoopt met neerhangende punt op den rug. Het hoofd werd gedekt met den karpoets, s Zondags nog wel met een hoogen hoed. Het beeld, dat Mees geeft van den toestand op het eiland in den winter, is al zeer onverkwikkelijk. Bij stevigen wind schudde de grond zoo hevig, dat spiegels en schilderijen soms vrij hard tegen den wand sloegen. En zelfs als de wind maar even opstak, stonden de klokken stil en kwam alles, wat aan de wanden hing, in beweging. En wanneer bij storm de zee tegen de westelijke palen bulderde, dan dreunde, kraakte en wrong alles op het eiland. De wind gierde door de huizen, die op hun grondvesten beefden. De eenige gemeenschap tusschen de buurten, de plank, stond onder water; het eiland werd drie eiianden, elk van vijf minuten en minder in omtrek. Onherbergzamer oord dan het oude Schokland was stellig nooit in Nederland gevonden. En toch bleek den Schokker als geen ander de liefde tot zijn grond aangeboren. Zooals de Groenlander naar zijn ijsschotsen, zegt Mees, zoo reikhalsde de Schokker naar zijn palen. En hij vertelt van een meisje, dat in Holland een zeer goeden dienst kon krijgen, doch niet besluiten kon haar eiland te verlaten; zelfs waren twee kinderen, wier vader uit broodsgebrek te Kampen werk had moeten zoeken, zoo aan hun geboorteplaats gehecht, dat zij aan den vastewal wegkwijnden en stierven. Maar de grootste merkwaardigheid, welke Mees van het onzalig oord mededeelt, is wel het wonderlijke feit, dat terwijl er ongeveer niets gedijen wilde, de burgemeester te Ens een wijngaard bezat, die rijpe druiven

127


voortbracht. Zou men zich niet bij dit bericht op Anacapri wanen, waar onder geurende bloesems der pergola de roode wijn van het eiland als vurig bloed brandt in de glazen? Druiven van Schokland en de gedachte aan Capri! En toch, ik heb beide eilanden bezocht en mij verzadigd aan hun sfeer, maar ik weet niet wat ik eerder zal vergeten: het oogenblik, dat uit een blauwe Thyrreensche zee de Faraglioni voor mij oprezen of het weerzien van de Schokker palen, hun somber, gehavend gelid als spookgestalten in het avondlicht. Levensoverdaad van Capri, zonnegloed en duizend kleuren, lustslot van Tiberius, waar wijn vloeide en knapen dansten en de verlatenheid van Schokland, zijn weemoed om vergeefschen strijd van menschen om hun naakten grond. Grooter tegenstelling is nauwlijks denkbaar. Maar als ik kiezen moet, dan gaat mijn voorkeur uit naar die verloren kust, ginds in de oude Zuider¬ zee, waar altijd nog de branding breekt, de wind klaagt in het riet. De laatste, wien een bezoek aan het bewoonde Schok¬ land naar de pen deed grijpen, is J. Zeehuisen, die in de Nederlandsche Volks-Almanak voor 1859 vertelt, hoe hij op 2 September van dat jaar met de marktschuit van Genemuiden naar Schokland overgevaren, er den toestand van het eiland en de menschen had gevonden. En alsof het een tocht betrof naar een onderkomen kannibalenstam, roept hij bij voorbaat de clementie van zijn lezers in, van wie vele ,,welligt huiverig zijn om een kijkje te nemen op het arme Schokland, vooral als wij niet alleen het eiland in den ganschen omvang willen beschouwen, maar ook de 128


Harmen Smit, de ,,grand old man’ van de Zuiderzee, op ochtendwandeling over het eiland.


De V.D.

162 in de ruime haven van Emmeloord. in het uiterste Noorden van Schokland.


woningen binnengaan, den diep vervallen toestand der opgezetenen van nabij gadeslaan en ons eenigszins vertrouwelijk met dat volkje trachten te maken”. Bij het bezoek van Zeehuisen stond het al vast, dat de Regee¬ ring het eiland zou evacueeren, ofschoon omtrent de toekomst der menschen nog niets was bepaald. De schrijver ging te Emmeloord aan wal en onmiddellijk trof hem de achteruitgang en diepe armoe, waarvan het merkteeken was gegroefd in de gezichten der menschen, en die ook bleken uit den vervallen staat der huizen, welker daken en wanden nog bij den storm, die op 25 Juli van dat jaar het eiland teisterde, zoo gehavend waren, dat men ze — zelfs voor het gevoel van dien tijd! — onbewoonbaar moest noemen. Ook schuiten en vischwant zagen er vervallen uit; het bedrijf ging trouwens met den dag achteruit: de vangsten waren slecht, terwijl bovendien de aal al jaren achtereen door ziekte was aangetast en, nauwelijks aan boord, reeds dood bleek te zijn. De gemoedsgesteldheid op Emmeloord was dan ook zeer gedrukt. Uit alles bleek de ellende, waaronder de bevolking gebukt ging. Maar eerbiedwekkend, zegt Zeehuisen, was de stille berusting in haar lot, de kinderlijke onderworpenheid en vooral ook de eerlijke openhartigheid der Schokkers, welke men anders zoo weinig bij eilanders aantreft. Zeehuisen ontmoette op Emmel¬ oord pastoor H. }. F. ter Schouw, aan wiens volhardende ijver het te danken was, dat het Gouvernement uiteindelijk tot ingrijpende maatregelen besloot, zij het dan dat men ontvolking van het eiland als de eenige oplossing beschouwde. Voorts den hoofdonderwijzer 129 Wijkend Water.

9


Legerbeeke, sinds 26 jaar op Schokland werkzaam, die zich het lot der eilanders sterk aantrok en door wiens toedoen later ook de Schokker buurt te Brunnepe bij Kampen zou worden gebouwd. De calicotweverij te Emmeloord stond in 1858 al weer stil. Gelukkig, zegt Zeehuisen, want zij bracht wellicht veel geld op het eiland, maar deed het kapitaal der zedelijkheid niet toenemen. Alleen de haven was doelmatig en goed onderhouden, zeer nuttig voor de Friesche vaart en voor de visschersschuiten, maar zij slibde sterk aan. Een armzalig schouwspel bood het kerkhof. Het lag geheel open, zoodat niemand een rustplaats der dooden vermoedde, Schelpen in den bodem duidden de graven aan. Langs de plank wandelde ook Zeehuisen naar Ens. De toestand van het land beschrijft hij als allerellendigst. Waar voor enkele jaren nog werd geweid, stonden thans aalkubben onder water. De Middelbuurt maakte een gunstiger indruk dan Emmeloord. Hier scheen nog eenige welvaart te heerschen, zoo goed als er ook een opmerkelijk verschil was in spraak en gewoonten en zelfs in kleeding. De invloed der ambtenaren, die er behoorlijk gehuisvest waren, deed zich daarbij gelden. Ook de vele schepen op de reede boden een welvarend aspect. Op Ens nam Zeehuisen zijn intrek bij den bekenden kastelein en winkelier Jacob Kale, waar men, zooals hij schrijft, nog dat oude deftige, zoowel bij de personen als den inboedel, aantrof; .Jaopik” was dan ook niet verlegen wat hem bij de ontvolking te doen stond. Met den waardigen, ruim zeventigjarigen burgemeester 130


G. J. Gillot ging onze zegsman over de gladde, pas geteerde plank naar de Zuidpunt van het eiland, waarbij zij de verlaten woonwerf van Zuiderbuurt passeerden, welke in 1854 reeds ontruimd en afgebroken werd. Het was al de derde of vierde maal dien dag, dat de burgervader, ditmaal vergezeld van den geneesheer, de plank afliep. Want er waren vijf lijken aangespoeld, slachtoffers van een scheepsramp vlak onder de kust. Een praam met talhout, komende van Kampen, was in zee gekapseisd en alle opvarenden, de schipper Roelof Smit uit Meppel, zijn vrouw en drie zoons hadden daarbij het leven gelaten. Op het kerkhof aan de Zuid¬ punt (in den zomer van 1940 onder leiding van dr. A. de Froe door medische studenten van de Amsterdamsche Universiteit uitgegraven) werd hun stoffelijk overschot gekist en aan den schoot der aarde toevertrouwd. Ds. Geerling uit Ens leidde de sobere plechtigheid, welke op Zeehuisen, die er bij tegenwoordig was, diepen indruk maakte. Doch ras verliet hij dit treurtooneel en begaf zich naar het ,,heerlijke kunstlicht”, dat bij het kerkhof voor de scheepvaart was aangebracht. Onmiddellijk ernaast stond de woning van den lichtopsteker, wiens dochter elken avond en elken morgen den ijzeren wenteltrap beklom om het vuur te ontsteken en te dooven. Op zijn gang van Ens naar de Zuidpunt kreeg Zee¬ huisen nog gelegenheid zich te verbazen over de melksters van het eiland, die niet alleen zeer behendig bleken in het melken van koeien en schapen, maar bovendien een stoutmoedigheid aan den dag legden, welke men op het vasteland niet aantrof. Immers zij waadden vijf 131


en meer palmen diep door het water, om het op de hoogte loopend schaap te melken en zij waren daar zoo aan gewoon, dat zelfs de koudste temperatuur hen niet deerde. Overigens stond het vee er treurig bij; de storm van 25 Juli en de hooge waterstand, welke er het gevolg van was geweest, hadden het zomersche gras volkomen bedorven. Zeehuisen kwam, na alles wat hij gezien had, tot de conclusie, dat Scholdands bevolking, zoowel stoffelijk als zedelijk, zoo achteruit was gegaan, dat zij zonder vandaar te vertrekken niet te redden zou zijn. Inderdaad zijn de dagen van het bewoonde Schokland dan geteld. Nog datzelfde najaar aanvaardt de Tweede Kamer der Staten-Generaal het regeeringsvoorstel tot ontvolking van het eiland en afkoop van het particulier grondbezit tot een bedrag van f 144.000. Het officieele einde volgt op 10 Juli 1859; burgemeester Gillot wordt eervol van zijn post ontheven en Schokland bij de gemeente Kampen gevoegd; de bevolking heeft reeds voor 1 Juli het eiland verlaten. Een regeling tot schadeloosstelling is daarbij getroffen, terwijl alle behoeftige Schokkers, die nog op het eiland zijn geboren, tot hun dood toe op een wekeliiksche uitkeering —- het z.g. Schokker geld — mogen rekenen. Het protestante bevolkingsdeel vestigt zich op Urk en te Kampen, de Katholieken trekken deels naar Volendam, waarmee zij. door huwelijken van Schokkers met Volendammer meisjes reeds nauw verbonden waren, en verder naar Vollenhove en Kampen. Bij de ontruiming telde het eiland nog ongeveer 650 zielen, waarvan 450 te Emmeloord. 132


Op het Schokland van heden herinnert nog veel aan den vroegeren toestand. De vier terpen of werven zijn er nog, Nu de lichtwachterswoning op de Kerk is afgebroken, kan men in den bodem der terp de zware fundamenten herkennen van het oude middeleeuwsche Godshuis, dat zich hier verhief (zomer 1940 geheel blootgelegd). Noordwaarts langs riet- en grasveld en blinkende lagunen achter de Westerwering, den lagen dijk volgend, wijst al spoedig een verheffing van den bodem, in zee vooruitspringend, de plek, waar eens de huisjes van Zuidert bijeen stonden. Dan nadert men Ens, als een benting besloten binnen een sterke heining van paalwerk. Het voormalige Protestante kerkje van Ens staat er nog en heft zijn geestig klokketorentje tusschen de kruinen der olmen. Het is een heel merkwaardig plekje, dit beschut en schaduwrijk erf op het smalle, vlakke eiland. De eenige familie, die de Middelbuurt bewoont, het gezin van den kantonnier van Rijkswaterstaat Schuurman, huist in de vroegere pastorie. Wanneer zij het eiland voor altijd verlaat, heeft zij er l21/2 jaar gewoond en ook juist nog op de oude buurt koperen bruiloft gevierd. Vijf jongens zijn er opgegroeid, de laatste Schokkertjes: Henk en Jan, groote en kleine Theunis en Stoffeltje. Als mijn jol voor de palen kwam, begroetten zij juichend ,,’t olde skuutien” en waren niet weg te slaan van boord. Ook te Emmeloord in het uiterste Noorden groeien wat boomen. Hier wonen nog twee families, welker huizen uitzien op de mooie vluchthaven, waar heel wat tjalken en botters ligplaats kunnen vinden. Het zijn de gezinnen van den havenmeester Spit en van Harmen Smit, be133


heerder van het P.T.T.-kantoor en den vroeger niet onbelangrijken afslag. Harmen Smit, zelf uit een oud Schokker geslacht op het eiland geboren, is een der prominente figuren der oude Zuiderzee, bij alien, die er voeren en ooit de Schokker haven aandeden, bekend en gewaardeerd. Er staan dus nog drie woningen en een verlaten kerk op het eiland, maar er zijn gelijktijdig ook twee winkels en een hotel. Winkels op Emmeloord en Ens, gedreven door juffrouw Spit en juffrouw Schuurman: knusse bedrijfjes zonder uitstalkast, want ieder weet sinds jaar en dag wat er te krijgen is. Schippers en visschers halen er brood, kruideniers- en grutterswaren, schapenof geitemelk en ook de specialiteit van het eiland: de echte Schokker moppen, een smakelijk, bros gebak, weliswaar uit een Kamper oven afkomstig, maar vanouds hier op het eiland verkrijgbaar. En de oude kerk van Ens fungeert als hotel, waarvoor de naam ,,Grand Hotel Schokland” al te uitbundig ware, gezien de wel primitieve, zelfs naargeestige behuizing, welke de tijdelijk op het eiland verblijvende rietsnijders en polderjongens er vinden.

134


HEKSENSABBATH DER ZUIDERZEE

H

et schemert over Schokland. De laatste avond op het eiland. Ik zit op de remming langs de haven van Emmeloord tevreden mijn rug te schurken tegen een meerpaal. Mijn voeten bungelen boven het blakke havenwater. Ik ruik de teerlucht van het hout en ginds zie ik den hotter, waar op de plecht de blauwe rook uit het schoorsteentje kringelt. Ons avondpotje staat te vuur en dat smoken boven t schip doet zoo huiselijk-gezellig aan. Het is zoo n avond om kneuterig blij te zijn, zooals men zich voelt tusschen oude, vertrouwde dingen, die je eens aankijkt en waarvan je het bijzijn geniet. Maar het is ook zoo’n avond, die je iets brengen moet, de vervulling van een belofte van heel lang geleden. A1 was het alleen maar de rust, het verstillen van binnen, zoo klaar en zuiver als de lucht nu is en zoo sterk en helder nog dat licht, dat in het Westen achter huizen en boomen staat. Een gouden glans ligt over het eiland. De zee blinkt. Toch kruipt al de schemer over het water en heel ver in het Overijselsche springt een vuurtje aan. Straks komt de avondwind en hoor ik de golven, die nu maar traagjes sijpelen tusschen de steenen. Dan zingt ook weer het riet. Heel lang kun je het land nog zien, een donkere

135


Streep aan den horizon. Een dwaallichtje schuift over zee. Zwak hoor je het boem-boem van een motor. Een man loopt de remming op. Aan zijn licht strompelenden gang herken ik hem. Wanneer men zijn hart heeft verpand aan het zilte water, pas recht tot zichzelf komt bij het spoelen der golven, den geur van de zee, als men zoo jaren achtereen avontuur heeft gezocht langs het naadje der kust, weggezworven bij tij en ontij naar stille uithoeken van ons landje, heeft men vaak menschen ontmoet, die men zich heugen blijft om hun bijzondere gesteldheid. Menschen voor wie men een voorkeur heeft, waartoe men zich getrokken voelt, omdat men in hun blik en in hun gedachten en in de deining van hun ziel de rust ontmoet, het boventijdsche zoogoed als bijwijlen het steigerend geweld der eeuwig levende zee. Menschen, waarvan ik geloof, dat straits, met het wijkend water van onze binnenkust, ook hun slag gedoemd is te verdwijnen. Harmen Smit op Schokland is een van hen. Allen, die de oude Zuiderzee bevaren hebben, visschers uit elke haven, schippers van heinde en ver, kennen hem. Van de meesten was hij een vriend en raadsman, de strenge, dogmatische Calvinist, van de Katholieke Volendammers en Vollenhovers zoo goed als van de broeders in den geloove van Spakenburg of Urk. Harmen Smit, de groote man van Schokland, de ,,grand old man der Zuiderzee, ken ik nu al jaren. Een opmerkelijk mensch met den ernst van zijn vervulden geest, gewonnen in een leven van eenzaamheid, daar op Schokland. Want wie zoo de jaren door, van jongs af aan, winter en zomer, seizoen na seizoen, in nauw

136


contact is geweest met de lcracht der elementen, wie nachten van stormgeweld heeft doorleefd vol fel gerucht van branding, wie de klare zomeravonden zag dalen, de sterren trillen aan den nachtblauwen hemel, wordt zich diep bewust van zijn hoorigheid aan God en verwerft een wijsheid, die niet uit boeken te leeren valt. Wat overigens niet wil zeggen, dat Harmen Smit een onbelezen man is. Tijdens avondlange gesprekken, die ik ooit met hem voerde, bij het warme lamplicht van zijn kamer, terwijl buiten zoo’n banjerende wind den regen tegen de luiken sloeg, — hetgeen wel de huiselijkheid verhoogde van een kop geurige thee, een koekje uit Moeder Smits antieke trommel en blauwe tabaksrook over tafel — gesprekken met Smit, die telkens keerden tot diepere dingen van het leven, bewees een tekst, een passage uit Kuypers werken, dat de oude heer, daar tegenover mij, hierin geen onbekende was. Vertelt ook v. d. Ven niet van den eenvoudigen biezenbaas Johannes Eenkhoorn, als opzichter der gemeentelijke biesvelden van Kampen de eenzame beheerder der onmetelijke, eeuwig doorruischte biesvelden van Ramspol, hoe deze man naast de Schrift de wijsgeerige werken las van Swedenborg en Kant, als hij in lichte midzomersche nachten waakte in zijn keet op erf 19. Nu, dezen laatsten avond op het eiland, is Harmen Smit de remming opgeloopen om wat te buurten bij ons op den hotter. Hij blijft naast mij staan en wij praten nog eens. Over zijn leven, hier op Schokland, het leven, dat ook voor Smit ten einde loopt. Dit grijpt den ouden man meer aan dan hij wel weten wil. Want 137


Smit heeft de eenzaamheid op Schokland leeren verdragen en lief gekregen, al is het ook hem ooit zwaar gevallen. Het veiligste is, zegt Smit, om zoo weinig mogelijk je post op het eiland te verlaten. Hoe minder contact met den vastewal, hoe beter. En dan is het de Godsdienstzin, waar hij kracht uit put: Als de storm zich verheft of het kruiend ijs je gevangen houdt, dan kun je niet als een stadsmensch het gevaar ontwijken, dan voel je steeds de dreiging, dan word je klein. Ook met ziekte of levensgevaar, waarvoor geen hulp gereed staat: bidden is het eenige, wat je kunt doen. Ook Schokland zelf is het, waar Harmen Smit van houdt. Van vader op zoon heeft zijn geslacht er geleefd, vergroeid met het eenzame landje in den greep van het wijde water rondom, met de vroegere woonterpen, waar telkens bij graafwerk het gebeente bloot.komt der oude Schokkers, die hier geboren werden en stierven, het kerkje van Middelbuurt, welks klok, nu verstomd, eens zijn voorgeslacht opriep om te luisteren naar het Woord, waar hun zang op stormige avonden zich mengde met ’t gerucht van den wind en de zee. Hier ben ik gesteld voor mijn medemenschen, zegt Smit. Ook bij het ge~ ringste werk weet ik een plicht te vervullen, steun, hulp of wat ook te moeten verleenen. In mijn geloof, dat ieder mensch een plaats wordt aangewezen, ben ik telkens weer versterkt. Ik zal mijn taak hier tot het einde toe vervullen en wanneer men mij straks dwingt mijn eiland te verlaten, zal ik gewillig gaan. Smit heeft een hooge opvatting van zijn plicht. Altijd staat zijn huis op het eenzame eiland open, bij nacht en ontij, voor wie in eenig opzicht hulp noodig heeft. En

138


de schippers, op stormige Zondagen in Emmeloords haven binnen gevlucht of onder Ens op stroom, bewaren de heugenis aan stichtelijke samenkomsten, die Harmen in den ochtend van den dag des Heeren in zijn woning belegt, waar soms vijftig en meer personen zich vereenigden om te luisteren naar het lezen van een preek en psalmen te zingen bij den klank van het harmonium. Daarbij is Harmen Smit een prettig causeur. Hij heeft die zilte wijsgeerigheid van de zee, een van nature ruimen blik, peinzend soms en zich bezinnend, maar frank en vrij, het rechte woord steeds bij de hand, leutig en opgeruimd, ernstig ook als het zijn pas heeft. Dan blinken zijn oogen in dien forschen, scherp geteekenden Van Deyssel-kop, dan is het een lust te luisteren naar zijn verhalen, het relaas van voorvallen en gebeurtenissen, die hij beleefde de jaren zoo door. Want al is het leven op Schokland aan afwisseling arm, op Emmeloord aan de haven is altoos vertier en blijft men zelden alleen. Zoo zit Smit vol herinneringen en hij weet er smakelijk van te vertellen. Daar is zijn verhaal van een bezoek, dat wijlen Minister Ruys de Beerenbrouck met enkele leden van zijn kabinet aan Schokland bracht. ,,Hier moest ik nou eens een tijd kunnen blijven om volkomen tot rust te komen,” had de Minister tot Smit gezegd en schertsende voegde hij er aan toe: ,,En dan moest jij mijn baantje maar overnemen en ik het jouwe.” ,,Wel, antwoordde Smit, ,,ze hebben me al eens ge¬ zegd, dat ik precies zoo’n kop heb als Colijn en kijk, nou biedt de Premier me zoowaar al een Ministerplaats aan.” Niet alien hebben het leven op Schokland zoo aange-

139


kund als Harmen Smit. Daar was, voor jaren, die lichtwachter van den Zuidelijken vuurtoren, dien men weg moest halen tenslotte, omdat hij teekenen gaf van krankzinnigheid, gevolg van de verlatenheid, waarin hij leefde. Ik heb het huis gekend, waar hij woonde; het werd pas onlangs afgebroken. Het stond daar heel alleen aan den voet van den Zuidelijken lichttoren op de smalle terp, die eigenlijk een kerkhof is. Aan drie kanten zee; slechts naar het Noorden de smalle slibberplaat van het eiland, gras en riet en blinkende lagunen, het dijkje van basalt de eenige verbinding met Ens, een klein half uur ver. Een huis met zware muren, luiken en grendels voor de vensters. ’s Zomers kon het daar heerlijk zijn, ook de korte, lichte nachten, met de stem van den wind, de zee en het riet en vroeg al vogels hoog om het dak. Maar als de herfst kwam en de vroege schemer, kregen die stemmen een anderen lclank; het rauw geluid van den storm, het gieren en grommen om de woning, het bulderen in den schoorsteen, daartusschendoor het spatten en bruisen van het water, dat hooger en hooger kwam. Daarnaar te luisteren, uren en uren, dagen en nachten, zonder ontkomen, tot zelfs in den korten, roezigen slaap, werd een kwelling, een rafelend teisteren van zelfs de meest geharde natuur. Schier erger nog de klamme wand van den mist. Want den storm kon men opzoeken en ontmoeten, naar buiten in den donkeren nacht, kop gebogen en schouders vooruit. Maar de mist was als een grijze stolp over het huis, een geheimzinnige, nijpende greep, die den adem benam. Dan werd de stilte een beproeving, het wachten op den MO


loomen galm van de mistbel in zee, het eentonig geluid van het vallcn der uitgebrande kolen door het rooster op de vuurplaat. Uren stond die lichtwachter op zijn toren, waar de lamp achter de ringen der lenzen zijn vertrouwde kameraad was geworden, die hij verzorgde en koesterde, jachtig en aldoor gehaast, om bij het rusteloos poetsen van het koper, driftig bij de geringste smet, de gedachten en het piekeren te vergeten. Het raderwerk smerend, overdadig, terwijl zijn eigen potje te verkoken stond, onaangeroerd. op het vuur. En s nachts opeens de onrust, telkens wakker uit den slaap, droomend benauwd van een mankement en dat het licht niet brandde. Naar buiten, in het donkere gat van regen en wind, naar boven geklommen om zich te overtuigen, en dan, gekalmeerd voor het oogenblik, weer huiverend en klappertandend weg te duiken onder de dekens. Het sloopte hem, dit leven. Als steeds weer opnieuw die kermende wind in aarde-donkere nachten maar spookte om het huis, de tochtstroom door een kier het olielicht deed flakkeren, dan lag hij te luisteren met ingehouden adem en aldoor in spanning. Eens bleek de dcur nict goed gesloten, drukte de wind hem uit het slot, met een slag tegen het schot. Overeind in bed, de lamp uitgeblazen, hoorde hij slechts het gieren en rammelen en ldetteren als een wilde jacht door het huis, gerinkel van hrekend vaatwerk en wapperend geweld aan alle kanten. Hij was het huis uitgevlucht ineens in panischen angst. En buiten voor het beuken der zee, die op de terp stond, golven, die over de wering slierden, het schuim bij vlokken in zijn haren, kroop hij de HI


ijzeren wenteltrap op, zich stootend aan leuning en treden, nu eens neergedrukt, hijgend naar adem, dan als met duizend vangarmen weggesleurd, krampachtig zich vastklemmend aan alles wat houvast bood. Boven, op den toren, lag hij languit op den omgang, de armen om de lantaarn als een toeverlaat. In dien nacht sloeg de zee een bres in de terp, sleurdc het zware basalt als kiezel uit zijn voegen, wroette en spoelde de naakte aarde weg. En bij het dagen, in het koude, grijze licht, zag hij van den toren verbijsterd in het donker gat, een rauwe wonde in den wal van scherp gehouwen steen. En uit dien doorsijpelden krater priemde bleek gebeente, waren bruine schedels bloot gewoeld, knekels en bekkenelen. Half vergane planken, druipend van vocht, geel de versche breuk in het gore hout, staken omhoog. Dien middag kwamen er menschen van Middelbuurt, schippers en visschers van de schepen, die ter reede van Ens waren gevlucht. Bij hun komst daalde een man bleek en verwilderd van den toren. Men herkende den lichtwachter. Zijn groot-open oogen waren rood beloopen. Hij klappertandde alsof hij koorts had en neep de handen samen onder zijn kin. ,,Het was bruin vannacht, ’ zei een der schippers, die hem kende. De lichtwachter knikte slechts. Hij mompelde een groet en ging in zijn woning. De anderen bleven buiten en namen de schade op. Zij hidden de schedels in hun hand en spraken er over. Dan dekten zij alles met rulle aarde en stapelden er de los gewerkte steenen boven op. Later kwamen dijkwerkers op het eiland. Zij herstelden de schoei'ing. De lichtwachter bracht hun koffie, maar M2


een praatje stootte af op zijn dwalenden blik, de oogen onrustig verwaakt. Niet lang daarna was er spraak op de schepen, in roef en vooronder op zee, gezelzend op stroom of in de havens. Men vertelde elkaar van den lichtwachter op de Kerk, die ’s nachts waakte en overdag zijn luiken sloot. Als de schemer viel, klom hij zijn toren op, daar liep hij over den omgang — er waren er die een schaduw hadden gezien, spookachtig rond de lantaarn — of hij stond daar, uren achtereen, het hoofd tegen het glas gedrukt, waarachter het licht leefde tusschen de lenzen. Pas als de morgen klaarde over zee, het vuur was gedoofd, strompelde hij de draaitrap af, ging zijn huis binnen en dan scheen het dat hij sliep. Een schipper had hem gesproken. Hij was op Middelbuurt om proviand. Daar had hij gezegd, onverwachts in vertrouwelijkheid tot de mannen, die zich verbaasden over zijn stem, zoo hoi die klonk ineens, dat hij niet wennen kon, daar ginds, dat hij er woonde op de knekels — heel de terp vol — maar dat hij nog volhouden wilde, een paar maanden, een jaar nog misschien, tot zich iets beters voordeed. Want het was je broodje, nietwaar. En waar moest je anders heen. Nog even wachten dus, op overplaatsing. Niet alle lichten waren zoo eenzaam... Zoo bleef het. De lente kwam; het zomerde over het eiland. Op Middelbuurt vertelde men, dat nu de licht¬ wachter van de Kerk het beter maakte. ’s Nachts sliep hij weer. En tegen het nieuwe jaar zou hij vertrekken, naar den vastewal. Men hoorde niets meer van hem, tot de herfst kwam en dat tjalkschip verging, de luiken doorgeslagen, dicht bij Schokland. De schipper ver-

143


dronk, zijn vrouw, twee kinderen en de knecht. In duister en ontij, bij vliegend weer, voltrok zich de ramp, in het zicht van de kust, zonder dat iemand redding kon brengen. Een man, de knecht, naar later bleek, had op het laatste oogenblik nog kans gezien zich aan den mast van het zinkende schip vast te klemmen. De mast bleef gedeeltelijk boven water en de knecht had zich aan een der vallen vastgebonden. Lang riep hij om hulp, maar het geloei van den wind overstemde zijn rauw geluid. En in den langen, kouden nacht, half in het water, overspoeld door zware brekers, verspeelde hij zijn krachten, bezweek hij en verdronk, hangende aan het touw, dat om zijn middel was gesjord. De storm hield dagen aan, zoodat aan bergen van het wrak geen denken was. Niemand wist ook van het lijk, dat aan den mast hing. T. ot op een nacht de lijn was losgewerkt en door het blok liep. De golven spoelden het doode lichaam naar de kust, verder en verder, over de palen tot op het land, dat door den Westerstorm hoog was ondergeloopen. Het lijk dreef hier tot dicht bij de terp van den Zuidelijken vuurtoren, tot op enkele meters; toen liep de uitvierende lijn met haar takeling vast en trok aan. Meteen verhief zich de doode rechtstandig uit zee, het hoofd achterover, de armen krampachtig gestrekt. Telkens zakte het lichaam weg, maar de uitrollende deining tilde het weer omhoog, rechtop waggelend met wilde gebaren. En in het valsch klarend licht van de maan, tusschen de werkende buien door, danste het lijk daar in de zeeen, telkens druipend ge~ heven en dan weer verzinkend in den vloed. Het was dien nacht, dat de eenzame man van de Kerk

144


ZUIDER

ZEE

Schokland voor omstreeks honderd jaar met de drie buurten Emmeloord, Ens en Zuidert. Daaronder het model van de Oostelijke en Westelijke z.g. kistdammen, welke het eiland beschermden. Op de eerste (fig. B) ziet men de loopplank, welke de eenige verbinding tusschen de buurten vormde.

Kustbeeld aan den kop van Schokland. Overal ziet men de sporen van ononderbroken strijd met het water.


Een pond Schokker moppen! De Iaatste eilandbevolking van Schokland omvat drie gezinnen. Twee te Emmeloord en een op Ens. Toch zijn op beide buurten twee florissante winkeltjes. De klandizie komt echter van het water: schippers en visschers betrekken er brood, kruidenierswaren, tabak schapenmelk en als de lamp niet al te scheef hangt, een feestelijke portie echte Schokker moppen.


weer als van ouds den slaap niet vatten kon, onrustig woelend in zijn verslonsde bed, luisterend naar het geraas der zee, het huilen van den wind. Dat hij eindelijk in zijn jekker schoot, naar buiten ging, omhoog, den toren op. Tot hij halverwege, door de spijlen, uitkeek over het kokend water en den doode zag... Iwee dagen later bracht een hotter een somberen last naar Kampen. Achter, bij de bun, in zeilen gewikkeld de lijken van den knecht en ook van den schipper, dat eerder was aangespoeld. En in het vooronder een uitzinnig starende man, die telkens in angstpsychose wegkroop, handen voor de oogen. Het huis op de Kerk bleef leeg sindsdien. De bewoner van Middelbuurt kreeg het licht onder zijn hoede. En is dit alles wat men weet van duister en ontij op de Kerk, die Zuidpunt van Schokland, waar het toch ’s zomers zoo vredig kan zijn onder den blauwen hemel? Want van zijn ervaringen sprak de lichtwachter nooit; dat van de blootgewoelde knekels en van den doode, die uit de grondzeeen sprang, werd immers door anderen vastgesteld. Gaat niet het verhaal, onder visschers, van den heksensabbath op de Kerk, Walpurgisnachten der Zuiderzee, waar alle kollen, witte wijven en zeespoken uit wijden omtrek, de negen booze dochters van Molkwerum, dat heksenhol, de ontrouwe vrijsters verzwolgen in zee, tezamen komen, waar Joost zelf haar ten dans voert rond den motketel? Er zijn immers schippers, die dat hebben gezien, die het helsche vuur zagen laaien, de schrille melodie van den stormwind hoorden, die de haren der grijnzende kollen, jagende op hun bezemsteel, deed wapperen als een scherenden vogel,

145 Wijkend Water.

10


hoog om het lokkende licht van den toren. En gloeiende oogen van groote, zwarte katten, die lenig sprongen over de palen, waanzinnig krollend. Van alle zijden doemden zij op, geheimzinnige gestalten, jachtig tezamen om den helschen gloed, fel gestookt onder den donkeren heksenketel. Zij huiverden onder hun oliegoed, de mannen, zoo ijselijk en luguber, dit duivelsch festijn, zij doken weg achter de randgeert, het hoofd afgewend, de klamme schrik op het lijf. Dat vuur en die woeste klanken, gedrochten en duistere schimmen, zoo bar en gruwzaam zagen zij het nooit. Ging daar de Barneman niet met zijn lichtje, joeg daar het spookschip door de lucht, het St. Elmsvuur gloeiende aan de toppen? Neen, die Zuidpunt van Schokland was een onzalig oord, in zulke wilde nachten; dan deed men beter maar verre te blijven. Doch ook als de maan langs den hemel dreef, de zilverblanke zee verstild, was het er soms niet pluis. Wanneer je zoo eenzaam zwierf over de lage kade, luisterend naar het zwakke murmelen der golfjes, die spoelden tusschen basalt of knaagden aan de wering, dansten daar plots de lichtjes der gestorvenen over het eiland. Er waren er, die zweefden en deinden, nu hier dan daar, als gingen zij vertrouwde wegen, anderen echter, rossig flakkerend, dreven rusteloos rond: drenkeldooden, aangespoeld op vreemde kust en hier begraven. De rustige lichtjes waren het talrijkst, men kon er soms honderden tellen en het was dan of men ook zwakke stemmen hoorde, eentonig als het prevelen van gebeden. Schuw keek zoo n visscher om zich heen. Hij verhaastte zijn stap. Ginds glommen de roode en

146


groene havenvuren van Emmeloord. Daar was hij beter mee vertrouwd. Daar lag zijn schip. En al sneller loopende, eindelijk in een draf, zonder om te zien, bereikte hij de haven, buiten adem. Zijn maat in het vooronder schrok op, grilde niet minder bij het verhaal: Dwalen er lichtjes tusschen de buurten? Dan krijgen we ander weer. Dan kan het bar zijn morgen. Want als de Schokkers waken... Kijk ’ns buiten, maat, staat er geen kring om de maan? Wat is een goed glas rum bevorderlijk voor de fantasie. Daar zitten we nou aan boord van de V.D. 162, in de haven van Emmeloord en stoken het vuurtje onzer verbeelding, luisterend naar al die verhalen, terwijl dat kostelijk Boekaniersdrankje gloeit in de glazen als heel oud goud. Het is weer een van die fijne botter-avonden, gezellig bijeen onder het lage roef-zoldertje, terwijl je den rook wel snijden kunt. Toch staan de gezichten strak, de aandacht gretig-gespannen, een beetje schichtig ook, want al die visschershistories doen het ’m nou veel beter dan als je ze hooren zou, 's morgens nuchter uit je kooi. Je proeft daar nu iets van dat geheimvol leven, dingen, die alleen gebeuren op zoo’n verloren, nachtelijke zee, aan een verlaten kust of in een slapend oud waterstadje, waar het carillon maar elk kwartier luidop zijn lesje zegt en een slaapkamerraam verlicht bleef van een vroeg-wijzen H.B.S.-’er, die boven zijn leeftijd leest. Het einde is, dat we allemaal stiekum griezelen, een beetje beducht geworden en blij, dat die groote kooi nou voor ons alien is. Alleen heb ik mijzelf iets beloofd, 147


dat ik houden wil, mijzelf vermannend en alles bezwerend wat daar maar kris kras door mijn hoofd spookt. Het is immers mijn laatste avond op Schokland en nou wou ik afscheid nemen van mijn eiland, heel op mijn eentje er op uit, nog eens van Noord naar Zuid en van Zuid naar Noord. Daar kan ik nou niet van terug, om de anderen niet, die er van weten en oogjes knippen naar mekaar en ook niet om mezelf. Want ik heb er mij veel van voorgesteld. Dus kruip ik als eerste overeind, schiet mijn zeilkiel om mijn trui en zeg ze gedag allemaal met een verdrietigen blik op het linker kooigat, waarachter het nou wel goed zou zijn, behagelijk en zoo veilig. Ik maak mijn laatsten gang over het eiland en doe mijn best om mij dat goed in te denken. Want altijd nog kan ik maar niet gelooven, dat het oude, weemoedige sprookje, waar ik zoo gretig van heb genoten, nu werkelijk uit is. Maar in elk geval zal ik mij die laatste wandeling door den Schokker nacht goed heugen. Want wat mij nimmer overkomen is, een heel nieuw gevoel: ik ben bang voor mijn eiland. En al leid ik mijn gedachten af, lachend om eigen onnoozelheid, ik betrap mezelf telkens weer op schrikkig omzien, een schuwen blik naar links of rechts. Want iedere keer als zoo’n golfje, dat lekt aan het basalt, iets verder uitloopt over de schoei'fng, klinkt het een oogenblik als voorzichtige voetstappen, die mij volgen op mijn eenzaam pad. Dan denk ik aan schimmen van lang gestorven Schokkers, aan die rondwarende drenkeldooden, waarvan de visschers vertelden. Aan voorteekenen en het tweede gezicht.

148


Toch is het een wonderlijke ervaring, deze tocht door den eilander nacht, zoo hoog en zoo ruim en vol oorspronkelijk gerucht. Er staat wind en de maan is ijl gesluierd, zoodat een vreemd, bleek licht over het water valt. Over de smalle kade loop ik, luisterend naar de stem van de zee: in het Westen krachtig en ononderbroken -— de eeuwige branding van Schokland -— aan lager wal, pal bij, niet meer dan een zwak murmelen, de kabbeling van een golfje, dat breekt op het basalt. Sterk geurt de pas gemaaide rusch, de boomen van Middelbuurt zuchten, als de wind door hun kruinen strijkt. Buiten tegen de palen klopt het water. Bijwijlen blijf ik staan om rond te zien. In het Oosten blinken de lichtjes van Overijsel; over het eiland heen schittert het vuur van LIrk. En overal klotst de zee. Dan krimpt er iets in je bij de gedachte, dat het voorbij zal zijn, dat je het nooit meer zoo zult zien. En je huivert ondanks warmte van trui en zeilkiel, je huivert van weemoed. Dien nacht, doodmoe te kooi gekropen, tusschen mijn slapende makkers in, droom ik van Schokland. Voor den eersten keer van mijn leven. Het moet jaren later zijn, want het nieuwe land rondom is wijd en zijd bewoond. Ook op het vroegere eiland, tusschen Ens en Oude Kerk, staan huizen met fonkelroode daken. Ik >ie hofsteden, gedeeltelijk uit gebruikt materiaal opge.irokken. Er is ook een oud heerenhuis van hout, gesloten luiken voor de hooge vensters. Dat huis heb ik meer gezien, zeg ik tegen mijzelf. En ik weet opeens weer, dat er zoo n verlaten huis stond op den Haarlemmerweg naar Sloterdijk, waarvoor ik als kleine jongen een heiligen eerbied had, omdat men mij verteld

149


had, dat het er spookte. Het is al jaren afgebroken, maar nou zie ik het hier opeens op Schokland. Er zijn ook winkels, het is er druk van menschen. Koeien grazen op een land, waar groote, gele bloemen bloeien. Ik loop er alleen. Niemand ken ik. Niemand schijnt mij ook op te merken. Ik ben diep verdrietig. Ik ga een smallen weg; mannen komen mij tegemoet. Steeds meer men¬ schen, een dichte menigte. Voorop loopen ingenieurs, aannemers, molenbazen. Polderjongens volgen met spaden en houweelen. Maar ik moet den anderen kant op en worstel mij door hen heen. Zij stooten mij met ellebogen en vuisten. Ik kom niet meer vooruit; die stroom is te sterk. Maar mee wil ik ook niet; ik zet mijn schouders vooruit, mijn vuisten voor mijn borst...— ,,Je ligt niet thuis in je eigen bed,” zegt iemand aan mijn oor. En: ,,Houd je voeten bij je, roept er een van den overkant. Klaarwakker ineens, kijk ik omhoog naar het zoldertje van de kooi. Het is al dag. Mijn buurman en mijn tegenligger protesteeren, dat ik zoo te keer ga. Nou ja, ik droom. ,,Kom er maar uit, zegt T. eun, die al door het vooronder scharrelt, „de koffie is bruin. We zullen n bakkie doen.” Een half uur later staan de zeilen bij. Ik heb nog inderhaast wat schapenmelk ingeslagen en een grooten zak Schokker moppen gekocht. Dat hoort nu eenmaal zoo. Dan glijdt de V.D. 162 de haven van Emmeloord uit. Harmen Smit leunt voor zijn huis en wuift ons na. Ik klim op de plecht en kijk naar het eiland. Er staat een gul windje en de schipper heeft beloofd, dat hij nog eenmaal Schokland rond zal zeilen. Door het gat van 150


Ens, de Kerk om en dan de Westkust langs om boven Emmeloord terug, koers te zetten naar den Ketel. En al zullen wij later op onzen tocht Schokland nog wel zien, dit is dan werkelijk toch het afscheid. Neem dus alles nog goed in je op, dat het nooit uit je herinnering gaat. Kijk, hoe de ochtendzon het doet glanzen, het vertrouwd profiel, die lange, lage strekking, nauwlijks boven het water: droomeiland, zoo smal, dat men er overheen kan kijken, de schepen ziet varen aan den anderen kant. Als we de laatste maal door den wind zijn gegaan, draai ik mij nog een keer om. Schokland ligt nu achter mij. Veroordeeld om te sterven, als het water wijkt. Ge~ doemd om onder te gaan en te verdwijnen voorgoed. Ik wuif, ofschoon niemand op het eiland mij meer kan zien. Doch dat is ook juist niet noodig. Dan kijk ik recht vooruit: aan den zonnigen einder staan scherp omlijnd de torens van Kampen.

151


DE OUDE SCHOKKER SCHU1T EN HET JONGE SCHOKKER MEISJE

M

idden in oorlogstijd ontmantelt Nederland een vesting, sloopt men een verdedigingswerk, dat den stormloop van eeuwen heeft weerstaan van den meest geduchten vijand, die ooit ons grondgebied besprong. Een Maginotlinie, een Westwall in ons land, lang voor die begrippen in de krijgswetenschap en de benauwde belangstelling der volkeren ingang kregen. Een front met permanente bezetting, zoo weerbaar en onverzettelijk, zoo offervaardig en in haar behoeften beperkt, dat zij, ofschoon van den beginne af karig, zoo niet gebrekkig van afweermiddelen voorzien, ,,plus royaliste que le roi” nog de vesting houden zou, toen hoogerhand het opgaf. De Hollandsche ,,Westwall”, welke men sloopt, is het eiland Schokland en de overmachtige vijand, die er vaak met groote offers werd afgeweerd, het water, de zee. Eeuwenlang zijn het de Schokkers geweest, de kleine gemeenschappen van Emmeloord en Ens, die er de wacht hebben gehouden, verdedigend de veilige ree voor vrachtvaart en visscherij, beschermend het wijde achterland van Overijsel tegen de niets ontziende

152


,.Dan was er de vreemde ontroering van het late uur, het luisteren naar een ver gerucht en de verlatenheid, die stem kreeg in den loomen klop van het water aan de palen”_Avond aan de kust van Schokland met op den achtergrond een stuk van den polderdijk, waarbinnen het eiland, met het water rondom, wordt ingesloten.


Als 11-jarige jongen verliet Louw Botter, bij de ontruiming van zijn eiland in 1859, Emmeloord. Te Kampen een der laatste geboren Schokkers, overleed hij aldaar in Juni 1940.


kracht der Wcsterstormen. Armzalig en primitief hebben zij geleefd, steeds het gevaar voor oogen. Bij elken nieuwen aanval van het water verloren zij terrein, zagen zij hun grond bij groote stukken in den vloed verdwijnen. Bereikte het geweld van wind en water zijn schrikkelijke hoogtepunten, dan borg na den strijd het Schokker volk zijn dooden. Maar gehandhaafd heeft het zich, de eeuwen door, vrijwel aangewezen op eigen kracht en ontoereikende middelen en als in 1859 de regeering het wenschelijk achtte om, vanwege het ge¬ vaar, de armoe en de kosten van onderhoud het eiland te ontruimen, was dit het zwaarste offer, ooit in zijn lange, benauwde historie van het Schokker volk gevraagd. Maar zelfs de ontruimde vesting bleef haar roeping getrouw. Schokland handhaafde zich op zijn post. Alle verwachtingen, dat eens de zee het verzwelgen zou, werden beschaamd. Te sterk leefde het verleden in de sfeer van dit arme landje. In weerwil van den bloei der zilvergrijze mattenbiezen, het welig opgeschoten, blank omwaasde gras, ondanks de wijde blijheid, den zonnelach van het zomertij, hing altoos iets van somber verzet over die groene verlatenheid, beluisterde men in den zeewind, die breed en bol ruischte door de kruinen der olmen van Ens, stemmen en klanken uit lang voorbije dagen. En in den winter, als de storm joeg, de woeste golven spleten op het basalt en het schuim, blank trillend, droop van de oude, verweerde schoeii’ng, wanneer de zee beukte en dreunde als een verre donder en schuwe vogels scheerden langs grauwe rietstoppels, herleefde Schokland in oude, knoestige weerbaarheid, 153


vocht het zijn strijd van eeuwen en eeuwen met de kokende, kolkende zee. Ver in het rond golfde het inktzwarte water met felwitte brekers en naar het Noorden en Zuiden, zoover het oog reikte, lag Schokland in den blanken greep der branding als een burcht, belegerd en besprongen door een machtig aanrukkend heir. Dan werd de strijd, als zoovele malen, opnieuw hier aangebonden. Dan waarde de geest der Schokker geslachten over het smalle, weerlooze eiland, dan werd het als vroeger een bittere kamp, van Emmeloord tot de Kerk, front van kilometers lengte, tegen de samenspannende elementen, den bulderenden storm en de razende zee. Dan hoorden als voorheen die vechters en werkers, diep in hun eenzame terpen, het eeuwenoud alarm, den roep tot bescherming van have en goed. Zoo volharddde Schokland nog tachtig jaren. Thans, nu de dijk van den polder al den druk van het water bij Westelijken wind breekt en weert, loopt zijn taak ten einde. Dijkwerkers zijn gekomen en begonnen het eiland te ontmantelen. De Schokker weringen, de ,,Westwall” in het bijzonder, zoo deugdeliik en sterk uit graniet en uit basalt, worden gesloopt. Want het materiaal dier enorme steenglooi'ingen, meer dan twintig duizend ton, kan elders opnieuw worden gebezigd, ter versterking der in aanbouw zijnde dijken van den Noord-Oostpolder. En ontdaan van zijn schoeiing, blijft van Schok¬ land slechts de slappe, weeke bodem over, klei op veen, waarvan men aanneemt, dat hij straks, als rondom het water is verdwenen, geheel en al in den nieuwen polder verzinken zal.

154


xn de goede stad Kampen zijn tal van herinneringen aan het eiland, dat straks verdwijnen gaat, aan Schokland en zijn bewogen historic. De naamlijsten der godsdienstige vereenigingen van de O.L. Vrouwe- of Buitenkerk dragen veel namen van oude Schokker geslachten: Diender en Toeter, Klappe, Goosen en Bien, oorspronkelijk scheld- of bijnamen, zooals visschers die elkaar geven, maar later als officieele familienamen bij den Burgerlijken Stand ingeschreven. De ouders of grootouders dezer menschen kwamen van Emmeloord, het Katholieke Noorden van Schokland. In de visschershaven te Brunnepe hebben enkelen hunner nog zoo’n oude Schokker schuit met den zwaren, scherp overvallenden boegbalk. En het is nog niet lang geleden, dat de K.P. 1, een voormalige hotter van Schokland, meer dan 125 jaar geleden gebouwd — het oudste schip der Zuiderzee! — uit Kampen is verdwenen, na door verschillende generaties der Schokker familie Diender te zijn gebruikt, thans verkocht naar den slooper. Enkele oude huisjes van de Schokkerbuurt te Brun¬ nepe, destijds met gebruik van oud materiaal van Schok¬ land, door toedoen van den laatsten onderwijzer van Emmeloord, Legerbeeke, hier gebouwd, zijn nog door kinderen en kleinkinderen der in 1859 naar hier vertrokken Schokkers bewoond. Lang bleef het ter plaatse een stukje Schokland, zag men op zomeravonden visschers en hun vrouwen, nog in de kleederdracht van het eiland, buiten voor hun huizen zitten. En voor de Kamper jeugd is iedere visscher in dracht, waar hij ook vandaan komt, nog altijd een ,,Schokker”, dien zij plagen met het deuntje: 155


,,Schokker, Schokker, ga naar boord, Je hebt je vaar en moer vermoord!” Een sterk en weerbaar ras waren die oude Schokkers. Van eeuw tot eeuw heeft zeegeruisch hun in de ooren geklonken. Zij werden geboren, als het water wies, kloppend aan de wering. Zij stierven met het uitgaand tij en het laatste, dat zij herkenden, was de zilte adem der zee. Zij, die het geboorterecht bezitten, zijn bijkans uitgestorven, maar het Schokker bloed stroomt, jong en krachtig, nog in hun geslachten, die wonen om de Zuiderzee. In Kampen, te Vollenhove, op Urk en ook te Volendam kent men hun kinderen en kleinkinderen. Zij hebben den helderen blik, de scherpe gelaatstrekken, soms ook de bruine huidskleur van het vroegere eilandvolk, de vrouwen en meisjes de blanke huid en gevulden hals, het struische van schouders en heupen, eens de schoonheid van het Schokker zwakke geslacht, de eilander deerntjes, waar de roep van uitging, dat zij zoo zacht en innemend waren. Er leven nog echte Schokkers. Veteranen zijn het, stok-oude menschen thans. Als de Westenwind het water van den Kamper Burgel doet klotsen tegen den walkant, wanneer hij rommelt in de oude, hooge schoorsteenen, wordt in het Proveniershuis de een en negentigjarige Louwe Botter onrustig. Bij nacht en ontij verlaat hij zijn bed, schuifelt op zijn pantoffels door de slaapzaal en tot de zuster, die er waakt, zegt hij: ,,De lucht staat droevig. Laat me eruit. Mijn schuit ligt los!” Louwe Botter te Kampen is thans wel de oudste en een der laatste nog levende Schokkers. Hij is stil en in zich-

156


zelf gekeerd en zit maar rustig te wachten op zijn dood. Doch als de Westenwind opsteekt, begint het trage bloed in zijn polsen te kloppen. Dan vlamt het schier uitgebluschte leven in instinctmatige weerbaarheid op: Het stormt! De branding staat op het eiland! Schokker, wees op je hoede! Als elfjarige jongen heeft Louwe Botter Emmeloord verlaten. Zijn ouders trokken naar Kampen en daar is hij, als de meeste oud-Schokkers en zelfs nog kinderen van het verdreven eiland-volk, die dus in ballingschap werden geboren, de eigen Schokker dracht trouw ge~ bleven. Hij draagt die nog steeds, het buis en de wijde broek: forsche, robuuste kerel met een karakteristieken kop, ondanks zijn hoogen ouderdom. Rustig slijt Botter zijn laatste dagen daar aan den Kamper Burgel. Wij hebben weinig last met hem, zegt Zuster Veldhuis, die den ouden visscher nu al meer dan tien jaar verzorgt en zeer aan hem gehecht is. Alleen als het hard waait, wordt iets van vroeger in hem wakker. Of als men van Schokland praat. Nooit heeft de oude kunnen denken, dat hij zijn eiland overleven zou, wanneer althans nog die luttel tijd hem wordt geschonken, tot straks de Noord-Oostpolder droog valt. (Het heeft niet mogen zijn: Juni 1940 meldde men mij zijn dood). Ook onze Volendammer vrienden maken indruk op Botter. Hij gaat met ze buiten, samen op de kiek. Ik heb ook Keesie laten poseeren met den veteraan, verleden en toekomst der Zuiderzee, wonderlijk dien ouden, glimlachenden man en den ernstigen jongen naast elkaar. Bij het zien der Volendammers fleurt Botter op. Zijn waterig-blauwe visschermansoogen, 147


waarmee hij een leven lang heeft uitgetuurd, bij dag en nacht over zee, krijgen glans. Hij voelt het voorjaarszonnetje, de zoele lucht. Ineens is hij weer bij zijn vak, blij te lcunnen praten met menschen van zijn stiel: ,,Vange ze al ’erringk?” vraagt hij. Dat de eens zoo begeerde voorjaarsharing nu al jaren den neus stoot tegen den afsluitdijk, zoo goed als de bot en de garn en de zilveren ,,ansopies” is niet meer tot hem doorgedrongen. Hij weet ook van geen tijd, geen maand, geen dag meer af, maar hij speurt de teekenen in de natuur en zijn visschermansintu'itie zegt hem: Nou moet de haring er weer zijn. Terwijl ik dit schrijf, bereikt mij het bericht, dat ’t ..cleen hoopke der laatste, nog levende Schokkers wederom met een verminderd is. Vier en negentig jaar is zij geworden, de weduwe Antonia Tuyp-Bien, op Volendam de oudste van het dorp, maar bovendien de laatste ingezetene, die nog op Schokland werd geboren. Juist den dag voor haar Hen verjaardag, in het jaar 1859, werd het Koninklijk Besluit afgekondigd, waarbij de Schokker bevolking werd aangezegd haar eiland te verlaten. Veertien lentes telde zij toen, een jong, prontig ding: het was een stok-oude vrouw, zooals ik haar leerde kennen, in het huisje van haar schoonzoon aan den Volendammer dijk, dien braver. ,.Muuw”, zelf al een man op leeftijd met zijn trouwhartigen aartsvaderkop. Ik heb vaak met Teuntje Bien over Schokland gepraat. Want het merkwaardige was, dat al woonde zij nu tachtig jaar op Volendam, het eiland toch altiid haar thuis was gebleven. ..Skokkeland”, hoe bitter arm er haar jeugd ook was geweest, behield haar liefde en 158


voorkeur. ,,Skokkeland”, daar kon ze uren van vertellen, terwijl haar oude oogen verhelderden en haar nauwlijks verstaanbare stem een warmen klank kreeg. Want tot op hoogen ouderdom herinnerde zich Teuntje van de Bek zooals ze op Volendam bekend was, hoe zij op Emmeloord woonde met hun groot gezin in het heel kleine, schamele huisje. Hoe zij des Zondags wandelde naar Middelbuurt over den eenigen weg van het eiland, de smalle plank, de ,,jukken”, zeiden de Schokkers. En vooral hoe arm zij het hadden. Teuntje wist nog, dat ze bijna uitsluitend leefden van roggebrood, besmeerd met ottekaas: gestremde melk met zout. Op een nacht was er een schip vergaan op de Schokker kust en de lading, bestaande uit gort, spoelde aan. Weken lang hebben de Schokkers niet anders dan gort gegeten, ofschoon de poes er op zat en de lucht haast niet te harden viel. En dan de stormen en overstroomingen, de overlast van het water! Bij flinken wind uit Westelijke richting spoelde de zee al door de buurten. Nog heugde Teuntje zich die vreeselijke nachten met dat grommen en kermen van den storm, de donkere stem van de branding, die op de palen brak, het ruischen der golven, dat steeds nader kwam. Dan klemden de kinderen zich angstig aan elkaar vast of gluurden door een kier van de bedsteegordijnen naar wat vader deed bij het walmend kolderlampje. Tot het water uit smalle reten in den houten muur, door de kier van de deur begon binnen te sijpelen, plassen op den vloer, die glinsterden in het zwakke licht. Steeds meer water drong het huisje in. Het rees zoo snel, dat vader haast moest maken.

159


Wadend tot zijn enkels, zijn knieen, door het water, hielp hij eerst moeder met het heele kleine broertje, dat jammerlijk huilde, naar zolder, waar de netten hingen. Jongens en meisjes kregen hun overkleeren, de jongsten een deken om de schouders en vader droeg hen beurt om beurt naar de ladder. Eens kwam het water zoo snel omhoog, dat een van de broertjes verdronk, pal naast hen in het donker, want het lampje was plots uitgedoofd. Te laat vond vader het ventje in de verwarring van dat aardeduister en de huilende kinderen rondom; heel dien vreeselijk langen nacht had het kleine, natte lijkje tusschen hen in op zolder gelegen. Niet begrijpend waren de zusjes er dicht tegenaan gekropen en hadden het goed toegestopt, opdat het toch weer warm mocht worden. Ondanks al die ontbering en ellende heerschte er groote verslagenheid op Schokland, toen burgemeester Gillot dien zomer van 1859 bij zijn eilanders rondging met de mededeeling, dat het eiland op last van het Gouvernement zou worden ontruimd. Men kreeg rustig den tijd om op te breken. Geleidelijk vertrokken de gezinnen naar hun verschillende bestemmingen; de Schokker gemeenschap viel uiteen. Teuntje Bien wist nog goed hoe ze van Emmeloord naar Volendam was gekomen. De schipper Roelofs, ,,zoo’n gnappe man en erg deftig”, bracht het gezin en zijn schamel bezit voor tien gulden over. Te Volendam is Teuntje Bien vier en negentig jaar geworden. Tot haar dood ontving zij haar ,,Schok" ker geld”, zes gulden per week, trouw uitgekeerd. Toen de felle Oostenwind van dien barren winter van ’40 over de blank gestolde zee blies om het lage huisje van de ,,Muuw", is Teuntje overleden. Het was de 160


Bij den ouden vischafslag van Emmeloord dooden LIrkers en Volendaimners, in afwachting van een ..gelegenheidje”. om uit te zeilen, den tijd met spel.

Schier legendarische verschijning: het oudstc visscherssehip der Zuiderzee, de K.P. 1. voormalige Schokker schuit. zooals zij zich daar, norsch en grauw, verweerd en verpekeld. ligt te schuren aan de palen van de Middelbuurt.


Teuntje Bien was H jaar, toen zij Schokland voor altijd verliet en met haar familie naar Volendam ging om zich daar te vestigen. Zij werd 94 jaar en was ter plaatse de laatste, die nog op het eiland werd geboren.


wind, die van Schokland kwam, een laatste groet aan het wijkend leven, dat er eenmaal was ontkiemd. A1 zijn nu de laatste Schokkers bijkans uitgestorven, toch is, tachtig jaar na de ontruiming, de oude eilander gemeenschap nog kenbaar gebleven. Want ook het nageslacht van hen, die in dat jaar 1859 in ballingschap gingen en werden verstrooid, na eeuwenlang het eender gevaar te hebben geducht, dezelfde zwarigheid gedragen, bleef zich verbonden voelen. Onder die kinderen en kleinkinderen, hoe hun wegen ook uiteen gingen, leeft een stille, maar sterke clan-geest, welke de nazaten van het oude eilandvolk tot elkaar getrokken houdt. Of ze Klappe heeten, Kale of Diender te Kampen, Corjanus of Ouderling te Vollenhove, Kluessien, Bien of Kwakman op Volendam, alien nog zuiver van Schokker bloed, zij zijn trotsch op hun afkomst en met elkander behielden zij een zwak voor dat kleine lapje grond, eenzaam te midden der golven, waar hun voorouders werden geboren, leefden en stierven en nog sluimeren in de terpen, die eens de buurten van het eiland droegen. De oudste bewoners van Schokland droegen zoowel Friesche als Saksische voornamen. De eilanders, die zich ten dage der Ommelandvaart te Kampen vestigden en wier namen in het Burgerboek der Hanzestad werden opgeteekend, heetten Nanne en Bole, zoo goed als Oetbert, Tydeman en Volcmar. In de latere doopboeken van het eiland ontmoet men de namen Albert en Reyer, Bruin, Louw en Dubbelt. Vrij algemeene meisjesnamen waren Aaltje en Grietje, Jannetje en Merrike. Verschilden Emmeloord en Ens in godsdienst, historie, 161 Wijkend Water.

11


in kleeding en gewoonten, er was ook een opmerkelijk onderscheid in dialect, dat in het Noorden van het eiland meer op Holland was georienteerd, hetgeen historisch verklaarbaar is, terwijl het Zuiden in dit opzicht meer aansloot bij Overijsel. Mees, wiens belangstelling bij zijn bezoek aan het nog bewoonde Schokland ook naar het taaleigen der menschen uitging, geeft enkele typisch Schokker woorden en uitdrukkingen. Een papieren zak heette: brief, een slaapmuts: poeskop, vrouwenrok: schort, azijn: eek, broekzak: diezek enz. Tegen zijnsgelijken zeide men je, een meerdere sprak men aan met jie. Een broer noemde zijn zuster: tutte, de zuster den broer: beupe, grootvader was beppe, grootmoeder: besje, vader: tate, moeder: memme, tante: meute. A1 deze uitdrukkingen waren meer bijzonder op Ens in gebruik. Te Emmeloord sprak men niet van beupe voor broer, doch van beude, niet van besje voor grootmoeder, doch van bette. Het Enser dialect vertoonde sterke overeenkomst met dat van Urk. Dr. G. G. Kloeke, schrijvende over de tongvallen op de eilanden der Zuiderzee, geeft het volgende door hem opgeteekende Enser rijmpje: M n lieve kiend, (H) oe is de wiend? Zuud-oost m’n kiend,

Jan Klaan z’n skuutjien Laat met z’n snuutjien De greune wal al uut.

Wat beteekent: ,,Mijn lieve kind, hoe is de wind? Zuidoost mijn kind. Jan Klein zijn schuitje ligt met zijn snuitje (steven) al buiten den groenen wal” (van het Kampereiland). Aan de hand van dit versje toont dr. Kloeke de nauwe verwantschap aan met het Urksch.

162


Ook daar zegt men kiend en twientig en heeft men dezelfde uu-uitspraak. Alleen zouden de Urkers zeggen kleen en gruun. Trouwens de vraag wordt gesteld of de Ensers geen halve Urkers waren; zij vormden ongeveer een derde der bevolking van Schokland en voor zoover zij Protestant waren slechts een vijfde. Dat deze kleine groep haar bloed wel mengen moest met t naburig, in geloof overeenstemmend Urk ligt voor de hand. Daarnaast is het ook mogelijk, dat de Katholieke minderheid van Urk, die na de Reformatie overbleef en omstreeks het midden der achttiende eeuw het eiland had verlaten, zich ten deele op Ens heeft nedergezet, waar men eveneens kon profiteeren van de Roomsche bediening op Emmeloord. De Emmeloorders waren veel talrijker en konden beter zichzelf blijven. De Volendammer meisjes, die met Schokker jongens trouwden, gingen makkelijk in de gemeenschap op, welke naar het schijnt ook Roomsche ,,refugie’s” nit Huizen heeft aangetrokken, die mede hun invloed hebben gehad op het dialect, dat nochtans een groote zelfstandigheid handhaafde. Dit laatste was trouwens ook in ander opzicht het geval en leidde er toe, dat juist de Emmeloorders, ook na de ontruiming van het eiland, zichzelf als de eenige echte Schokkers beschouwden. De Emmeloorders spraken van keind en tweintig, de ui-klank was er zuiver Hollandsch. Ook de letter n aan het slot der woorden kreeg men nauwlijks te hooren, terwijl dit op Ens wel zeer duidelijk het geval was. Verder werd water: waoter, meester: maaster, gestolen: esteulen, gegeven: egeuven, onderscheid: onderschaid. In het weglaten van de h-klank voor een

163


woord bleken de Emmeloorders consequenter dan de Ensers, die er mee omsprongen, zooals v. d. Ven dat beluisterde bij de ,,hechte Enkhuuzers ”, die immers ook met hun ,,hooren ooren” naar het vroolijk babbelend klokkespel van den Drommedaris. Met de Schokkerbevolking is ook de eilandervloot in ballingschap gegaan en zoo goed als er nog enkele echte Schokkers leven, zijn ook een paar schuiten, die nog op het eiland thuis hoorden, aan den slooper ontsnapt. Legendarisch oude schepen werden het, onverwoestbaar gebouwd en wel trouw in den dienst van den visscherman, familiebezit, van vader op zoon. Die laatste Schokker schuiten hooren thuis in de haven van Brunnepe. Zij dragen de initialen van Kampen. De meest roemruchte onder die schepen was de Kp. 1, veruit het oudste vaartuig der Zuiderzee. Deze Kp. 1 maakte nog den storm van 1825 op Schokland mede en bood een schuilplaats aan enkele eilander gezinnen en aan den pastoor van Emmeloord, voor wie het op de schepen veiliger was dan in huis, waar de vloed alles dreigde neer te halen. Vele malen op mijn tochten in dezen uithoek van de zee' heb ik de Kp. 1 ontmoet, vaak op Schokland zelf. Het gaf mij altijd zoo’n roesje van ontroering, als ik die oude schuit daar zag, norsch en verpekeld, verweerd van zwaren arbeid, een taai bestaan zonder rust. Op deze vaart met de V.D. 162 heb ik echter de Kp. 1 tot mijn groote teleurstelling gemist. In de haven van Emmeloord, ter reede van Ens aan de Schokker palen, bij Kraggenburg, op den IJsel, nergens dook het schip op. En nu wij in de haven van Brunnepe liggen, waar

164


de schuit toch thuis was, blijkt zij ook hier niet te zijn. Dat maakt mij ongerust. Niemand weet op mijn vraag naar het schip een afdoend antwoord te geven. De schuit ligt te Grafhorst, zegt er een. Waarschijnlijk is ze gesloopt, meent een ander. Dat laatste kan toch niet waar zijn, denk ik. Zou er dan niemand zijn geweest in heel Kampen, die zich het lot van dit bijzondere schip heeft aangetrokken, kwam er niemand op de gedachte, dat wanneer men ooit een Zuiderzeemuseum zou widen stichten, waar ook een origineel der verschillende visschersschepen in bijbehoorende havenkom een plaats diende te krijgen, deze historische schuit, tot op den huidigen dag als door een wonder bewaard, toch niet mocht worden gemist? Op zichzelf is zoo’n Schokker-schuit reeds merkwaardig. Zij wordt beschouwd als het oudste type van visschersvaartuig op de Zuiderzee, al bezigt men haar ook wel voor kustvisscherij de Noordzee op. De officieele naam is bonze, wat feitelijk hetzelfde beteekent als hotter of schokker, alles aanduidingen voor een vaartuig, dat bonst, stoot of schokt. Want bot beteekent stoot; ergens bot vangen wil ook zeggen: ergens een tegenvaller, een botje of stootje incasseeren. De Schokker schuiten staan bekend als ,,waakzame” schepen. Zij hebben een zwaren, overhangenden balksteven en een smallen, z.g. valschen voorsteven ertegen aan; in de opening tusschen beide wordt de dreg gevaren. De schepen zijn gebouwd met een plat vlak van geringe breedte; de zijzwaarden zijn lang en smal. Er kunnen drie zeilen worden gevoerd: bezaan met korte, kromme gaffel, de breede visschermansfok en de

165


kluiverfok. Dwarsscheeps onder den helmstok aan den binnenrand van het schip hebben de Schokker schuiten een versiering van driehoeken, ,,de Prins” genaamd, geschilderd in de oude Prinsenkleuren: oranje, blanje, bleu. Een dergelijke opsmuk, gevarieerd met rood, wit en blauw, komt ook wel op andere bottertypen voor, hetzij boven den ingang van t vooronder ofwel in de roef zelf, zooals op onze V.D. 162 het geval is. Een belangwekkende afbeelding van de Schokker schuit komt voor op de uit 1805 dateerende baar van het Schippersgilde, welke in de kerk te Workum nog altijd in gebruik is. Op deze baar zijn alle scheepssoorten, die op de Zuiderzee voorkwamen, uitgeschilderd, welke afbeeldingen oorspronkelijk van 1600 zouden dateeren. Een Volendammer hotter in de haven van Brunnepe is na de afsluiting der Zuiderzee een zeldzaamheid geworden. Het trekt dan ook de belangstelling van al wat ter plaatse van Schokker afkomst is. Visschers komen buurten en navraag houden naar kennissen en verwanten, ginds in het dorpje aan den dijk. En om heelemaal in de sfeer te blijven heeft Evert voor de lunch een Schokker Troetje op het menu gezet. Een eilander specialiteit, die waar nakomelingen van Schokkers wonen, nog in eere bleef. Gezien de leefwijze op het oude Schokland, zal wel niemand van dit recept een culinair wonder verwachten. Het is dan ook sober, degelijk en voedzaam: eenvoudige meelspijs met stroop vermengd. Maar veel zeelucht als aperitief maakt het deugdzaam en smakelijk. ’s Middags ga ik op zoek naar de Schokkersbuurt.

166


Ergens achteraf in Brunnepe ligt het straatje met de rij lage, onaanzienlijke huisjes, waar zich na de ontruiming een aantal eilander gezinnen vestigde. Enkele woningen zijn verlaten; glurend door een kier der gesloten luiken zie ik de wonderlijke inrichting: twee bedsteepoorten aan weerszijden van den schoorsteen, precies het vooronder van een hotter. Mijn bedoeling echter is meer te weten over het lot van de Kp. 1, waarvan de laatste eigenaar hier in het straatje woont. Ik heb al bittere verwijten klaar voor dien man, dat hij zoo n trouwe schuit na 125 jaar dienst zoo maar aan den kant kon zetten. Dat ik er 6ok nog wel voor over had gehad, wat die slooper er voor gaf; een onbillijke overweging, want dat kon die visscher weer niet weten. In elk geval sta ik met veel opgekropte verontwaardiging en lichtelijk boosaardig gestemd voor de deur van het oudSchokker visschersgezin Diender. En kijk, daar is de dochter des huizes, die mij ontvangt. Gastvrij met een onbevangenheid en een gratie, waar m’n heele gemoedsgesteldheid jammerlijk bij mislukt. Een visschersmeisje ontmoet ik daar en zuiver nog een Schokkerkind, zoowel van vaders als moeders zijde: groot en slank en blond en blozend. Wat gaat er boven zoo’n dochter der zee, struisch en frisch en kerngezond, die van Piver of Coty nog nooit heeft gehoord, maar van de zon en het water, de doorstaande bries iets geurigs erfde, dat niet in fleschjes verkrijgbaar is. Zij is vriendelijk genoeg voor haar onverwachtschen gast, wiens nieuwsgierigheid naar oude Schokker hullemutsen, jurkjes en jakjes ze wat vreemd vindt voor zoo’n jongen man, maar op wiens verzoek ze toch dade167


lijk bereidwillig de relieken van het verleden uit het mooie, oude kabinet te voorschijn haalt: een smal oorijzer van zilver, dat onder de hullemuts werd gedragen, kindermutsjes en jurkjes van gebloemd sits en met gouden zilverdraad bewerkt, rood en blauw gekleurd damast. Schatten allemaal, waarvoor het meisje, met een spotziek glimmertje in haar oogen, volkomen onverschilligheid veinst, om ze nochtans weer met groote zorgvuldigheid keurig weg te bergen. Waarop het mijn beurt wordt om op te merken, dat die befaamde Schokker zuinigheid er toch maar volop inzit. Daar komt ze heftig tegenop, al vindt ze het stiekum wel aardig, dat haar jonge gast nadrukkelijk verzekert, dat zij volkomen voldoet aan de beschrijving en aan zijn particuliere voorstelling, hoe de echte eilander deerntjes er ooit hebben uitgezien. Het is een genoegelijk uurtje geworden, dien middag in dat huisje van de Schokkersbuurt. We drinken samen thee, bekijken de mooie tegeltjes van de schouw en dan komt, al pratende, toch die teere kwestie — haar vaders oude hotter — ter sprake. Waar is de Kp. 1? Gesloopt meneer, zegt ze met dien zangerigen tongval van het Overijselsch kustgebied en lacht uitdagend om mijn verontwaardiging, die nu toch loskomt, omdat het schip — oude, wrakke schuit, smaalt ze — niet gespaard bleef of tijdig door Kampen of welke instantie dan ook werd aangekocht. En misschien heeft ze gelijk, denk ik tenslotte. Waarom zal men zich druk maken om een half vergane schuit, als nog zoo’n dartel visscherskind de levende herinnering vormt van hoe het op Schokland moet zijn geweest, te Emmeloord op vrijersvoeten.

168


PLEIDOOI VOOR KAMPEN

V

oor Kampen heb ik altijd een zwak gehad. Ik herinner mij hoe ik reeds als heel kleine jongen er enkele malen het weekend doorbracht bij familie en dien breeden, snellen IJsel zoo prachtig vond, dat ik lang kon blijven kijken van de brug in het kolken van den vlietenden stroom langs de pijlers. En elke terugreis weer was ik obstinaat, eindeloos boudeerend, omdat ik per se niet terug wou naar Amster¬ dam. Want ik vond die machtige rivier zooveel mooier dan zoo’n dooie gracht, thuis voor ons huis en ik verbeeldde mij, dat ik het nimmer moe zou worden om langs dien IJsel en over de brug te loopen, welke met haar romantische torens altijd opnieuw sterken indruk op mij maakte. Later, als H.B.S.’er, bracht ik enkele groote vacantie-weken in de stad door, zeilde op de rivier, zwom achter de kribben en ik heug mij, dat er zoo’n rustig plekje was, pal tegenover de stad, waar de IJsel zich vertakt in het Ganzediep; de Zuidelijkste punt dus van het Kampereiland. Op dat plekje, strook oeverzand tusschen rietkragen, zat je pal aan het water; met over de rivier zoo prachtig het zicht op de stad, wanneer tegen wijkend avondlicht haar torens en toppen zich donker en scherp omlijnd afteekenden. En ofschoon

169


men op dien leeftijd voor zulke emoties nog niet zoo open staat, weet ik toch, dat die schemeruurtjes vis a vis met Kampen mij heimelijk wat deden, zoo goed als telkens de terugvaart met de vlet over de donkere rivier in den trek van den stroom. Sedert ben ik Kampen weer met andere oogen gaan zien. Uit die oude voorliefde groeide, door beter begrip van karakter en schoonheid, een groote genegenheid, zoowel voor de stad als haar wijde omgeving; dat wondere delta-land tusschen IJsel, Zwartewater en Zwolsche Diep. Het is een lichte. frissche stad, altoos wat waaierig en heerlijk schoon gewapperd. Zij heeft een eigen atmosfeer, gedrenkt door het machtige water, waaraan of meer nog waarlangs zij is uitgegroeid en waarin zij zich eens heeft gespiegeld met trotsch gebaar van twintig rondeelen en elf poorten. Dit IJselfront is verdwenen en daarmee de schoonheid, die het ooit bezat; wat de vorige eeuw er voor in de plaats bracht, laat zich makkelijk denken. Maar toch, het karakterlooze van de details heeft niets kunnen afdoen aan het majesteitelijke der ligging aan de rivier, wanneer men de stad van zee uit nadert, haar torens al ver in zicht. De goede indruk, die Kampen zoo maakt, wordt bij het betreden der stad bevestigd. De Hanseatische glorie is nog altijd niet vergaan. lets van het bruisende leven der machtige koopstad van dertiende en veertiende eeuw, de ondernemingsgeest en energie, welke haar grootburgers bezielde, bleef vaardig in de provincieplaats van vandaag, waar zooveel nog herinnert aan den glans van het verleden, maar tevens een pittig vertier, iets ruims en monters den gang van zaken bepalen. De statige

170


kerken, de poorten, het prachtige raadhuis, de speeltoren, dat alles stamt nog uit Kampen’s besten tijd en geeft de stad allure; in de Oudestraat rijen zich de winkelzaken, oude en moderne, naast elkaar en die merkwaardige lange straat wandelt men voor zijn genoegen een paar maal op en af. Bijzondere sfeer heeft ook de Burgwal, met dat statige van kleinsteedsche burgerwoningen en het breede en opene tusschen zijn dubbel gelid van huizen, een hoog, klaar licht boven water en walkant. Haar roemrucht verleden ten spijt is Kampen geen zeestad meer; zij heeft reeds lang de bakens verzet, toen het getij onherroepelijk bleek verloopen. Nog voor de Hollandsche en West-Friesche watersteden het hoogtepunt hunner bloei bereikten, was het met Kampen’s glorie al gedaan. Het verzanden van de IJselmonden, ondanks alle pogingen om dit euvel te verhelpen, verhaastte het proces. Koggen en gaffelschoeners konden niet langer tot voor de stad den stroom opzeilen. De handel liep terug. In 1527 stond Kampen zelfs haar trotsche privilege, dat zij alleen gerechtigd was de vaarwaters in Zuiderzee en zeegaten af te bakenen en daarvoor een recht van de schepen te heffen, af aan Amsterdam, dat snel in aanzien toenam. Amsterdam zou echter van dit z.g. paalkistrecht niet lang plezier hebben; nog geen vijftig jaar later kwam het in handen van Enkhuizen, welke stad haar kans benutte, toen Amsterdam, als laatste bolwerk van Spanje in het Noorden, door Sonoy en zijn Watergeuzen werd geblokkeerd en onmachtig was zijn rechten te handhaven. In 1534 verloor Kampen ook zijn eens zoo vermaarde steun-

171


punten ter Oostlandvaart en van zijn handel gedurende meer dan tweehonderd jaar: de vitten of factorijen van Skanor en Falsterbo op Schonen. Van dien tijd heeft Kampen de zee den rug toegewend en alles verhoopt van het land, dat weliswaar de macht en rijkdom van voorheen niet terug kon geven, maar toch de stad een rustige welvaart zou schenken, die meer bestendig bleek te zijn. En als Kampen vandaag opnieuw den blik naar het Noord-Westen wendt, over zijn delta naar zee, dan is het alleen om zijn belangen veilig te stellen in het nieuwe land, dat er in wording is. Daarbij heeft de stad een mooi succes behaald. Aanvankelijk toch was de Noord-Oostpolder zoo geprojecteerd, dat Schokland er de uiterste Zuidpunt van zou vormen en dus het breede water tusschen Ens en Kampereiland bleef bestaan. Kampen heeft gedaan gekregen, dat het beloop van den polderdijk gewijzigd is en wel aldus, dat deze het meest vooruitgeschoven punt van Kampereiland, de Ramspol, zeer dicht nadert. Over de smalle waterstrook, die ter plaatse overblijft, wordt in de toekomst een brug gebouwd: een primaire weg zal Kampen via het Kampereiland en over de Ramspol verbinden met den polder, die zich voor een groot deel op de IJselstad gaat orienteeren, zoo goed als heel de Noord-Oostpolder wel als territoriale buit Overijsel ten deel zal vallen. Kampen, thans reeds een echte boerenstad — zij houdt er een eigen landbouwkundige op na — zal als agrarisch centrum eerlang dus nog in beteekenis winnen. En het is niet de eerste maal in haar geschiedenis, dat de stad een brug slaat naar haar toekomst. Het spreekt voor

172


de durf en de kracht van de Kamper burgerij, dat zij het in 1448 bestond een brug te bouwen over den IJsel. Een oeververbinding van dergelijke afmetingen was voor dien tijd iets ongekends en wekte bovendien veel afgunst en verzet. Deze eerste IJselbrug was van hout en heeft tot 1872 dienst gedaan. In dat jaar besloot Kampen voor eigen rekening een nieuwe ijzeren brug te bouwen, terwijl tal van grootere Nederlandsche riviersteden pas veel later een vaste brug kregen en dan nog op kosten van den Staat. Ook de huidige IJselbrug te Kampen heeft zijn langsten tijd bestaan; zij zal vernieuwd worden om de stad nog beter met haar nieuwe achter- of juister: voorland te verbinden. Het is merkwaardig, dat juist van zoo n pittige stad als deze, bewoond door een burgerij, welke, steeds bij de pinken, met gezond verstand en inzicht en groote volharding haar zaken heeft behartigd, zulke zotte verhalen de ronde doen, die de Kampenaren tot de Schildburgers van Nederland hebben gemaakt, op wier rekening de meest zoutelooze dwaasheden zijn gezet. Nu is het een feit, dat er althans tot voor kort wel opmerkelijke situaties waren. Het eenige, wat een Nederlandsch schoolkind uit zijn Aardrijkskundeles over Kampen onthield, was, dat de menschen er geen belasting betaalden. Min¬ der bekend, doch zeker zoo ongewoon was voorts de omstandigheid, dat er in Kampen drie burgemeesters woonden, die van de stad zelf en voorts twee anderen, die samen vijf dorpsgemeenten beheerden, terwijl ook de secretaries dier vijf dorpen er waren gevestigd. Het ambtelijk leven der wijde omgeving speelde zich dus te Kampen af. Dan kent men er het instituut der groot173


burgers, een soort oer-Kampers, ingezetenen met bijzondere voorrechten en eindelijk de aanwezigheid van boerderijen midden in de stad, dat wil zeggen voor het uiterlijk normale woonhuizen langs straat of gracht, die bij nadere kennismaking gedeeltelijk als koestal blijken ingericht, van waaruit de mest heel gemoedelijk door de stad naar buiten wordt gekruid. Dat alles zou de reputatie der plaats nog niet behoeven te schaden, wanneer al die pikante bijzonderheden tenslotte niet het merg waren, waarmee een soepje wordt getrokken, dat de Kamper uien als smaakgevend bestanddeel kent. Nu is een goeie uiensoep heusch zoo’n kwaad gerecht niet en we hebben nog altijd niet begrepen, waarom een ondernemende Kamper kok nooit een goed recept bedacht heeft, dat als ,,Kamper uien¬ soep” een eereplaats veroverde onder de culinaire snufjes, zoo naar den trant der Marseillaansche bouilla¬ baisse. Wellicht zullen de Kampenaren tegenwerpen, dat zij in dit opzicht al genoeg met hun steur te stellen hebben, dat tenslotte nog een edel dier is, terwijl deze associatie bovendien historischen achtergrond heeft. Want in de zestiende eeuw heeft Kampen zelfs een steur-oorlog gevoerd tegen zijn Hollandsche overburen. Deze hadden reeds het grootste deel van Kampen’s scheepvaart en handel aan zich getrokken en trachtten toen bovendien, zelfs met unfaire middelen, den kostelijken steur voor den neus der Kampenaren weg te visschen. En daartegen heeft Kampen zich met alle kracht verzet. De steur is een trekvisch. die van Maart tot Mei uit de zeeen en binnenzeeen de rivieren opzwemt om kuit

174


te schieten. Een volwassen steur kan een lengte van twee meter bereiken en een gewicht van 100 tot 200 kilo. Eeuwenlang werd de steur, een zeer gewild vischgerecht, soms in groote hoeveelheden in den IJsel, zijn mondingen en de zee daarbuiten gevangen. Van ouds had Kampen met Vollenhove het uitsluitend recht om op de rivier en de zee daarbuiten ,,tot op een diepte van 3Va el waters” steur te visschen. De tanende macht van Kampen en de opkomst der Hollandsche watersteden maakten de \Vestelijke visschers driester. Zij drongen voortdurend het Kamper vischdomein binnen en haalden er de buit weg. Op Kampen’s klachten betoogden de Hollanders, dat heel de Zuiderzee vrij vischwater was en ook het Kamperzand daartoe behoorde. Aan dezen strijd ging gepaard een heftig meeningsverschil over een kwestie, waarbij belanghebbenden ook vandaag scherp tegenover elkander staan: de pufvisscherij. Want de Kampenaren verweten den Hollanders, dat zij bovendien nog netten gebruikten met zoo smalle mazen, ,,dat sy al dat gruys ende saet van vis wegnamen, vangende dagelix vele mennigten van jonge viskens, die tot geen nut van menschen en quamen, waar oock vele jonge steurs jaerlix mit onder was, die haer anders nergens to nutte en quaemen dan haer verkens daermede te mesten ende haer enden daermede te voeren”. Men ziet: er is niets nieuws onder de zon! De steur-oorlog tusschen Kampen en Holland heeft lang de gemoederen verontrust. Ook nadat het geschil voor den Geheimen Raad te Brussel was gebracht en Kampen in 1559 uiteindelijk in het gelijk werd gesteld. 175


Bij deze gelegenheid vervaardigde Jasper Adriaensz. een kaart, welke nog in het Kamper archief berust en waarop de regeling, die tot stand kwam, staat aangegeven. Kampen behield daarbij het alleenrecht om op steur te visschen in de IJselmonden en binnen zijn ,,Vryheit op 3V2 elle”. In zee werden vier bakens geplaatst: het Zuidelijkste stond even buiten den huidigen Ketelmond, het tweede hoogerop aan den uitersten rand van het Kamperzand, op eenigen afstand ZuidWestelijk van de Voorst, het derde dwars van de Voorst en het vierde ter hoogte van het destijds nog bestaande „Huis van de Cuinre”. Het tweede baken heette officieel het ,,Steurbaken : Zuidelijk daarvan lag het vischdomein der Kampenaren; achter de denkbeeldige lijn, die van hier naar het baken voor Kuinre liep, bevond zich de voor vreemde visschers verboden zone, welke aan Vollenhove was toegewezen. De Kampenaren zijn dus de steurvisschers bij uitnemendheid gebleven en zij hebben van dit monopolie dankbaar gebruik gemaakt, 00k waar het gold met deze kostelijke visch in den vorm van geschenken of gastmalen hooge heeren te paaien, teneinde bij het zaken doen ,,gladdigheyt te causeeren . Deze omstandigheid en de herinnering aan den steur-oorlog zullen de Kampenaren wel aan hun bijnaam hebben geholpen. Op merkwaardige wijze getuigt dit een pamflettenstrijd, in 1648 gevoerd tusschen Remonstranten en ContraRemonstranten te Kampen. De Remonstrantsche predikant Paschier de Fyne viel zijn tegenpartij met een hekeldicht aan, getiteld: „Het Camper steurtjen, van harde eieren, sterke boter en bittere mosterd”. Het 176


De IJssel voor Kampen.

Een stukje Schokland bleef tot in onze dagen de Schokkersbuurt te Brunnepe bij Kampen, die na de ontruiming van het eiland werd gebouwd en sedert door Schokkers en hun nakomelingen bleef bewoond.


De geheimzinnige, eeuwig ruischende biezenwereld langs de kust van Kampereiland, waar een zilte zee traag verliep in het moeras, borrelend tusschen de rietpollen en bevorderend, door wisseling van het tij, een weligen wasdora der zilvergrijze mattenbiezen (Foto Folkloristisch Archief D. J. v. d. Yen, Oosterbeek).


antwoord volgde prompt in den vorm van een pamflet, dat den titel droeg: ,,Sout tot het ongesouten Campersteurtjen, alzoo bereydt toegesonden den souteloozen koopman, om ’t selve, aldus smaeckelyck gemaeckt synde, te proeven ende wel te herkouwen”. Maar Paschier de Fyne wenschte het laatste woord en publiceerde een nieuw hekelschrift: ,,Een frisschen dronck op het gesouten Camper steurtjen, geschoncken voor de predicanten tot Campen, om het gesouten Camper steurtjen te beter te verswelgen”. Maar de grootste en voor de Kampenaren bedenkelijke vermaardheid bezit de steur, dien men een bel om bond. Utrechts Bisschop zou de stad bezoeken en te zijner eer werd een gastmaal aangericht, waarop natuurlijk steur het hoofdgerecht zou vormen. Nu had een Kamper visscher juist een prachtexemplaar gevangen, zoo zeldzaam van afmeting en dikte, dat het een buitenkans mocht heeten juist aan den vooravond van dit hooge feest. Maar voor de kok het edel dier gekeeld en bewerkt had, kwam een jobstijding; het bisschoppelijk bezoek was uitgesteld. Ergernis en spijt in de Kamper keulcen! Maar de kok wist raad: men zou den steur weer laten zwemmen, tot hij noodig was en om dan precies te weten, waar het dier zich bevond, zou men hem een bel aanbinden. Zoo geschiedde. Met een bel om den nek glipte de steur weer den IJsel in, maar tot verbazing van alle brave grootburgers heeft men nooit meer van hem gehoord. En tot in onze dagen komt het voor, dat Kampenaren in het late uur van brug of IJselkade turen over de rivier, scherp luisterend of zij uit den stroom den zilveren belleklank niet hooren.

177 Wijkend Water.

12


A1 jaren wordt er geen steur meer voor Kampen gevangen. En in de stad is een burger opgestaan, die het verhaal van de bel onder water radicaal in den ban heeft gedaan. Want ook die steurenhistorie is zoo’n naargeestige Kamper ui. Aan den heer J. Id. Kok komt de eer toe een ernstige poging te hebben gewaagd om zijn stad te zuiveren van haar verdrietige reputatie, die elken echten Kampenaar aan het hart knaagt. De Kamper uien, zoo heeft hij voor eenigen tijd in een geestig boekje bewezen, zijn in zijn stad niet inheemsch; zij worden geimporteerd, zij het dan door een Kampenaar zelf, waardoor toch eigenlijk weer iets van het uienluchtje hangen blijft. Want, zou een booze tong mogen beweren, het kan toch alleen maar een Kampe¬ naar zijn, die zijn stad zooiets aandoet en er schort toch wel iets aan de burgerij, die het eens heeft geslikt. Maar tenslotte heeft de heer Kok gelijk, als hij zich afvraagt, hoe het mogelijk is, dat een stad als Kampen kon worden aangewreven een burgerij te hebben gehad, welke in staat werd geacht zoo onnoozel, zoo wanhopend idioot-achtig te handelen als de Kamper-uien den volke willen doen gelooven. De heer Kok nu heeft vastgesteld, dat Kampen bij de spraakmakende gemeente als dwaze-dingen-doendestad is ingevoerd door een eerzaam Kampenaar, de schilder-dichter Jan Jacob Fels, die in 1883 op 67-jarigen leeftijd overleed. Deze veelzijdig begaafde man deed in 1844 bij den boekhandel van zijn broer een bundeltje verschijnen, ,,Kamper Stukjes, berijmd door een Kam¬ penaar , dat reeds een jaar later een tweeden druk beleefde en gevolgd werd door een nieuwe serie van

178


zulke ,,Stukjes”. Het waren grappige, op Kampen toepasselijk gemaakte verhaaltjes, die, naar gebleken is, zi]’n ontleend aan het oud-Duitsche Lalebuch of Narrenboek, waarin zotte gebeurtenissen zijn beschreven, die zich ooit zouden hebben afgespeeld in zekere stad Laleburg in Misnopotamia, achter Utopia gelegen. In latere herdrukken van dit volksboek zijn de namen Laleburg en Laleburgers veranderd in Schilda en Schildburgers. De ..Kamper Stukjes” gingen er blijkbaar grif in, niet alleen in de stad zelve, maar zij vonden ook verder hun weg in het land. Er volgden nog verschillende, telkens uitgebreide herdrukken; in een daarvan is ook sprake van den Kamper molen: Voorzichtigheid is hier de zaak Ligt sloeg een enkle wiekslag raak Dit is de Kamper molen, Heeren! En ’t is gevaarlijk in zijn trek Elk die hij raakt wordt stapelgek Wilt gij hier tot dien prijs passeeren? Deze Kamper molen werd min of meer symbolisch. De algemeene uitdrukking ,,Hij heeft een klap van den molen beet” luidt althans te Kampen: ,,ij ef een klap van t Kaamper meulentien ehad . De Kamper stukjes zijn later door den volksmond omgezet in de befaamde Kamper uien. Er is dan ook alle reden voor de Kampenaren om over de werkzaamheid van hun vroegeren medeburger Jan Jacob Fels mistroostig gestemd te zijn. Onbedoeld heeft

179


deze zijn stad aan een zotte reputatie geholpen, die lang niet makkelijk valt uit te roeien. Want al heeft de heer Kok met zijn boekje daartoe een serieuze poging ge~ daan, in zijn conclusie betwijfelt hij of dit geschrift er in zal slagen het onrechtvaardig stempel van dwaasheid van zijn goede stad weg te nemen. Daarom heb ik uit sympathie voor Kampen en uit dankbaarheid voor de mooie dagen, die ik er ooit heb beleefd, hiermee getracht hem een handje te helpen.

180


EEN DROOM OP KRAGGENBURG

W

ordt Urk vastewal, verdwijnt Schokland, even ingrijpend zijn de wijzigingen, die zich voltrekken langs de kust van Overijsel. En juist die Overijselsche wak welke straks voor het grootste deel binnen den polder valt, was wel het mooiste en merkwaardigste kustgebied van heel de Zuiderzee. De IJseldelta, geheimzinnige, eeuwig ruischende biezenwereld, de Voorst, die als een trotsche kaap in zee vooruit sprong, de atmosfeer van Genemuiden, van Vollenhove, van Blokzijl, de norsche waterburcht Kraggenburg, de barre wijdheid, ruimte en rust bij Kuinre buitendijks, het is een verloren wereld, welker schoonheid, nauwlijks ontdekt, reeds goeddeels is vergaan. Slechts een smalle waterstrook zal in de toekomst de kust van Kampereiland van het nieuwe land scheiden en daar, waar die kust het verst in zee vooruit drong, het schiereiland Ramspol, zal een brug het oude en het nieuwe wingewest der fiere stad Kampen verbinden. Niet langer rijst en daalt er een zilte zee, traag verloopend in ’t moeras, borrelend tusschen de rietpollen en bevorderend, door de wisseling van het tij, een weligen wasdom der zilvergrijze biezenvelden. Hier

181


ieefde het land zoo goed als het water, dat bij storm en springvloed overmachtig voorwaarts drong, doch elk seizoen terrein verloor, gestadig terugdeinzend voor de taaie kracht, het uithoudingsvermogen der aangeplante bies. Want lang voor Minister Lely, dank zij een gunstige oorlogsconjunctuur, zijn plannen tot drooglegging der Zuiderzee wist door te zetten, was Kampen, dat, zooals men weer ziet, achter zijn reputatie van grappige domheid, steeds voortvarend en bij de pinken bleef, al lang daarmee bezig. Elk jaar opnieuw groeide het Kamper grondbezit ten koste van de zee met tientallen Hectaren, vermeerderden het revenu, dat Kampen daaruit trok. Het was de befaamde bisschop Jan van Arkel, die haar zes honderd jaar geleden daartoe het recht verleende, toen hij, als heer van Sticht en Oversticht, bij charter van 1363 aan de ,,goeden luden van Campen” de Kampereilanden schonk met daarbij het aanwasrecht van dien grond. Het bezit der IJseldelta werd pas heel geleidelijk voor Kampen van beteekenis. Zoolang zij als zeestad andere belangen had, kwam de exploitatie van dit land pas op de tweede plaats en liet men zich niet veel gelegen liggen aan die barre en vrijwel onbewoonde streek. Later echter zou de boerenstad, die Kampen allengs werd, meer werk maken van haar eilanden, waar zich, waarschijnlijk sedert het midden der vijftiende eeuw, een vaste bevolking had neergezet. De oudst bekende kaart van deze streek, naar aanleiding van het steurconflict vervaardigd, toont het delta-geoied van den IJsel door een tiental uitmondingen van de rivier in 182


negen vrij gelijkmatig gevormde eilanden verdeeld. De Zuidelijkste dezer eilanden, ter linker IJseloever, werd het eerste ingedijkt; daardoor kwam Kampen veiliger te liggen voor het zeewater, dat bij Noord-Wester stormen de stad in den rug placht te bedreigen en trouwens tot aan de afsluiting der Zuiderzee nog menigmaal de stad te na kwam, zoodat in Broeder- en Cellebroederspoorten de vloeddeuren werden gesloten. Op den huidigen dag omsluit de IJseldelta nog slechts drie eilanden. Geheel Oostelijk tusschen de Goot en het Ganzendiep ligt de Mandjeswaard, het Binneneiland, veruit het grootste, wordt begrensd door Ganzendiep, IJsel en Rechterdiep en eindelijk strekt zich Noordelijk van den Ketelmond, tusschen Rechter¬ diep en zee, de Kattenwaard uit. Dit alles is grootendeels jong land, gegroeid door aanslibbing en indijking, door het afdammen van waterarmen en slenken, het dichtgroeien en opdrogen van poelen en moerasgrond. Er zijn gedeelten, waar de natuur, geholpen en geleid door menschenhand, den bodem elke tien jaar met twintig centimeter omhoog bracht! Die geleidelijke groei komt ook tot uiting in het aanzicht van het land met zijn grilligen loop van sloten, dammen en wegen. De groote bondgenoot van den mensch bij het veroveren van al dat land is van ouds het riet geweest. Langs de oevers der rivierarmen, aan de kust der Zuiderzee, meer binnenwaarts in kolken en kreeken, overal strekken zich de onmetelijke velden uit van bies en zegge, van riet en rusch, golvend in den wind, ruischend als de branding, vol sterke, kruidige geuren. Verlaten oord, vol geheimzinnig leven, waar slechts de ingewijde den

183


weg weet in dat doolhof van smalle waterwegen, verraderlijk drijfveen en weeke kardoezen. Daar huizen in gulden vrijheid tallooze vogelsoorten, daar is het domein van den schuwen roerdomp, daar woont de zeldzame baardmees in groote kolonies bijeen. Zij verheffen er in het seizoen hun stem, ver van menschengerucht, onbenaderd en onbespied. Zij leiden er hun bestaan, elk naar zijn aard en niets, dat ingrijpt in hun leven, door geen andere wet bepaald dan die van de natuur. Alleen in den tijd van het uitzetten en oogsten van den rusch verscheen de mensch. Dan gleden punters en platboomde pramen die ruischende eenzaamheid binnen, plasten er riemen en stieten de boomen de modder omhoog. Gestoord in hun rust, verschrikt en gejaagd, vlogen de vogels op uit het riet, de lucht vol driftig geluid. Maar ook het biezenvolk paste er bij de natuur. Het waren zwijgende, naar binnen gegroeide menschen, die het moeizaam bedrijf, dit hard en rauw bestaan had gekweekt. Ploeterend in modder en drab van killen en kreken, met oliebroeken en glimmende laarzen, werden zij zelf tot waterdieren, zooals zij daar zwoegden bij het poten, wadend in het brakke nat, wegzakkend en vastzuigend in slik en prut, om de jonge bies te planten, knuisten en armen diep in het water. In stage regelmaat van arbeid, ononderbroken de uren rond, doortrokken van reuk van het moeras, doorwaaid van zilten wind, hoorden zij bij die wereld, vertrouwd met alles wat er leeft. En als hun handen rustten na den arbeidsdag, ging hun blik over zee met de hooge lucht daarboven, naar de zon, die achter 184


Schokland dook, ijle windveren, rossig getint en het zeil van een visschersschip, kantig silhouet ergens op het water. Een oogenblik stonden zij stil als schollevaars op een fuikstok, onbewegelijk. Dan duwden zij de schuit terug, weg in een donkere laan van fluisterend bies. Het gorgelde zacht voor den boeg van de praam. Een verdwaalde golf uit zee lekte er langs boord. Diep uit het rietbosch, al schemerdonker tusschen de Stengels, klonken duizend vogelgeluidjes, lokkend en koozend, rellend en lachend, soms juichend hoog boven alles uit. En de mannen, huistoe in den avond, stemde dit vertrouwde koor wel rustig in ’t besef der hun toegewezen taak temidden dezer wijde, geheimzinnig levende wereld, die ook de hunne was. Het uitzetten der jonge bies geschiedde in het late voorjaar, den mooisten tijd, dien men zich daartoe denken kan. Aan den uitersten zoom der rietvelden, daar, waar het deinen der zee verliep in dien levenden, donkeren wand, werden nieuwe bedden aangeplant, waartoe men de potelingen van meer achterwaarts gelegen ruschkampen had aangevoerd. Midden zomer volgde het oogsten van de oudere bies, die minstens twee jaar tevoren werd uitgezet. Weer stonden de mannen in het brakke water, nu om binnen te halen wat zij zelf eens hadden gepoot. Hun scherpe sikkels joegen door dikke Stengels: met bundels tegelijk viel het riet hun in de armen. Tot schoven saamgebonden bleef de rusch op het water drijven, tot de garven werden verzameld op de biezenbok. Was dit platte vaartuigje hoog met biezen opgetast, dan werd bij gunstigen wind het sprietzeiltje gezet en gleden de bok-

185


ken met hun last, in juisten koers geboomd of geduwd, naar het haventje van den Ramspol, waar wagens nereed stonden om er den last over te nemen en het achterland in te voeren. Op den pas gemaaiden weidegrond van het Kampereiland waren perceelen bestemd voor het drogen van het riet. De schoven werden losoemaakt en de rusch met zoogenaamde krabbestokken over het grasland uitgespreid, zoodat het in de zomerzon door en door drogen kon. Had de bies aldus haar mooie, bruingele kleur gekregen, dan werd zii opmeuw tot schoven gebonden, welke men vier aan vier tezamen zette in afwachting van het transport naar de oude centra der biezenmatterij: Genemuiden, Grafhor.st, Wilsum en Blokzijl. Dit biezenvolk, eenvoudige, stoere werkers op hun barre posten tusschen water en riet, vormde de eerste drooaleaaers der Zuiderzee. Want naarmate hun ploeterende knuisten den uitersten rietzoom voorwaarts brachten, elk jaar verder in zee, groeide en slibde achter hen het oudere biesveld dicht tot dit, ingepolderd, in vruchtbaar grasland werd herschapen. Alleen tusschen de jaren 1926 en 1936 kon Kampen aldus drie m'euwe polders met een oppervlakte van ongeveer 250 H.A. aan zijn eilandelijk bezit toevoegen. Telkens als ik den IJsel op- of afvaar en ook nu weer aan boord van onze 162 kijk ik met plezier naar de kust van Kampereiland. Het ligt daar altijd zoo weelderig en mooi, dat wijde land met die oude boerenhoeven, hoog op hun belten, kunstmatige verhevenheden, die twee tot drie meter uit den bodem oprijzen 186


en zoo beschutting boden, als de zee bij stormvloed de lage dijken overstroomend, het land binnendrong. Want ook hier was tot voor kort het water oppermachtig; de bewoners, ofschoon beter behuisd dan hun overburen, de Schokkers, waren niet minder vertrouwd met den vloed. Tusschen zee en IJselarmen leefde men hier geisoleerd: elk der meer dan honderd erven een af~ gesloten gemeenschap en ook die gansche eilandwereld een samenleving op zichzelf, economisch gericht op Kampen, de groote pachtheer van alien, maar overigens volkomen zichzelf. Lommerrijke wegen verbinden de erven onderling; daarlangs rijden nog ouderwetsche tentwagens, op Zondag een gansche stoet, die van heinde en ver de menschen in hun kerkezwart brengt naar die wonderlijke eilander kerk, zelf net een flinke boerderij, waarop een klokketorentje is gezet. Ook de kerk staat op een belt, vormt trouwens met het domineeshuis, de openbare school en de woning van den meester, alles onder hetzelfde, aaneengebouwde dak, een schilderachtig geheel, Dit uitverkoren land moet men gaan zien, als er de velden bloeien, grazige weiden wit en geel van bloesem, het glanzend-bonte vee wijd en ver, zooals het praalt in dat hooge, vochtig-getemperde licht, blinkend water rondom in den wind, die veegt door het riet, de zon, die als warme adem strijkt over je handen. Dan loop je maar in den jongen dag en t waait er zoo fijn om je slapen. De groote, blanke vlerk van een tjalkschip glijdt ver achter een rietzoom statig op de rivier; de fluit van een stoombootje, wat schorrig in den vroegen morgen, haalt uit voor een groet. Verder hoor je slechts

187


vogels, leeuweriken hoog in de lucht, een kievit, koket gekuifd, en meeuwen, die krollen als katten, die teemen en dreinen van louter lentechagrijn om opeens, den snavel wijd gespalkt, het uit te juichen, terwijl ze wegzwikken, de zon in den rug, naar het wijde water. Want ver achter het bies, langs dien donkeren, grilligen rand, spoelt de zee en haar aanwezigheid is het, die heel dit opene deltaland adeldom verleent, die er de atmosfeer bepaalt, de verre horizonten nog wijder trekt. Wei begrijp ik het verdriet van een ds. van Schaick, die hier van kind af heeft gezworven en later telkens weer getrokken werd naar dit buitenland, waarvan hij, natuurkenner bij uitstek, de geheimen wist, waar hij zwierf door de velden en het kustmoeras, zijn punter stuurde door killen en kreken of driest buitenom den Ramspol rondde. Die er woonde, dagen en nachten achtereen, bij zijn vogels, bij roerdompen en kiekendieven, de baardmeezen vooral, waar hij zoo trotsch op was. Hij had een recht verworven op dit land en op dit water, op die ruimte rondom; dit alles was in zekeren zin van hem. Ik voor mij, ik zal de laatste zijn, die meewarig glimlacht, als hij van zijn afscheid vertelt. Dat bitter-zwaar afscheid, een avond van Mei, als hij, op de belt van erf 14, de zon zag ondergaan achter Schokland, voor het laatst zijn punter roeide langs den rietzoom van het Rechterdiep en het water spoelen liet door zijn vingers. Toen hij de zee vaarwel zei, het riet, de lage dijken, zijn duizenden gevederde vrienden, trouwe gezellen in maanlichte nachten, en zonnige, wind-doorspoelde dagen, om dan voorgoed ,,zijn” Kampereiland — het gedoemde — den rug toe te wen188


den. Wanneer je dit alles van hem leest, kun je slechts tot de conclusie komen, dat het heel wat lichter moet zijn in de wereld, vandaag den dag vooral, als je van dat soort dingen geen last hebt. Afscheid van het Kampereiland. Inderdaad, want er blijft niets heel aan de kust van Overijseh dien grilligen uithoek der oude Zuiderzee. Groote veranderingen zijn op til in heel het deltaland van den IJsel, waar zich het aspect volkomen wijzigen gaat. Zoo worden Ganzendiep en Rechterdiep, waar zij van den IJsel scheiden, afgedamd ter wille van den nieuwen verkeersweg naar den Noord-Oostpolder. In de toekomst zal er dus geen IJselwater meer door die monden stroomen. En ook de Goot, de afsplitsing van het Ganzendiep, wordt een doode arm. Het Rechterdiep verdwijnt geheel, met modder volgespoten en wel zoover, dat de oude oeverlijn van het biesland aan den mond verloren gaat voor een nieuwe kust, recht toe recht aan. welke den Ramspol geheel in het land doet opgaan. Als de IJsel zich beneden Kampen niet meer vertakt, zal als onvermijdelijk gevolg de hoofdstroom verbreed moeten worden. Maar ook dan nog kan het Keteldiep alleen het water niet verwerken. Daartoe zal men een nieuwen riviermond graven, die even voorbij het oude Rechterdiep dwars door de Kattenwaard naar zee loopt. De eigenlijke IJseldelta heeft dan opgehouden te bestaan. Geen ponten zijn meer noodig om Ganzenen Rechterdiep te passeeren. Het Kampereiland wordt, zooals dat heet, uit zijn isolement verlost, de nieuwe, groote weg gaat er pal doorheen. En met het einde van zijn vrij eilandbestaan zal ook wat er nog aan karakte189


ristieks tot heden toe gebleven was, spoedig zijn bijgeslepen en weggeeffend. In die smalle watersleuf tusschen oud en nieuw land zal ook het Zwarte water zijn einde nemen. De trotsche monding van het Zwolschediep verliest zich ergens in den polder, middendoor gesneden door den dijk, die bij Kadoelen de oude kustlijn raakt. Geen wijde zee meer als achtergrond van het wonder vergezicht, dat eertijds een tocht van Kampen over Grafhorst naar Genemuiden altijd weer zoo’n bekoring gaf. Grafhorst, het dorp der kleine, zwijgende kustvisschers, zijn vloot van punters aan him ranke palen haast Venetiaansch gemeerd. Bescheiden ploeteraars, die Grafhorster visschertjes, brakwatervolk, dat met die lichte schuitjes speurt en aast in Ganzendiep en Goot en buitenom in alle hoeken en gaten der drassig-open kust. Daar staan de kubben en fuiken om buit van vette aal, daar zwemt van ouds de spiering zoo gretig in den stroom. Moeizaam bescharrelen zij hun kostje, deze menschen, vaardig en loos in hun vak, maar beperkt tot kleine bedriifies, bescheiden visscherijtje daar tusschen het riet. Ook zij zijn vertrouwd in ’t biezenwoud, weten er weg en steg in dat doolhof van duizend waterpaden, al leeft ook voor hen dat mysterie dier ondoorgrondelijke wereld met haar fluisterend gerucht en kruidige dam¬ pen, de eeuwige schemer tusschen bevende, zwiepende stengels, waar de blik geen toegang heeft. Geheimen van het riet, van kustmoeras en brakke stroomen, eindeloos vertakt? Als de late avond valt in het zomertij en schimmige nevelslierten drijven en glijden door smalle, bochtige waterlanen. kan daar

190


plots zoo’n wuivend-wit fantoom verrijzen, groot en dreigend, dat den eenzamen visscherman wenkt, hem langzaam volgt op zijn vaart. Dan klemt de man zijn vuisten vaster om den vaarboom en drijft zijn punter met haastige stooten voort, weg uit dien donkeren tuin naar open water. Of in den angstigen wind, die schichtig blaast met suizelend, fluitend gerucht door meedeinende toppen van het biesbosch, met ver boven zee de duistere spanning van naderend onweer, telkens een felle schijn, die vlamt langs den einder en duizend kleine vogels angstig doet zwermen uit het riet. Dan sluipt daar een vage gestalte langs het water, verdoken in het riet of hoog soms op den dijk. En als de lucht is dichtgevlerkt, vaal het land en grauw de stroom, verheft hij zich in voile lengte, een vlam, die laait en flakkert en uitgroeit tot menschelijke gestalte in phosphoriseerenden gloed: de vurige man van de Geute. Doodsangst nijpt den visscher in den strot. Waanzinnig rukt hij aan de riemen, dat de dollen kraken. Daar rolt en kraakt de donder. De golven van de Goot loopen driftig hoog. Weer flitst een felle zigzaglijn diagonaal den hemel langs, verblindend licht, het stormig water aan alle zijden. De vurige man is verdwenen; slechts twee oogen gloeien als karbonkels op den wai. Zij bewegen en verschieten, een oogenblik scherp en roerloos, dan vaagt een nieuwe schicht hen weg. Daar is de bocht van het water. Ginds ligt het dorp met schijnsel van lantaarns, een venster, dat verlicht is. Nog enkele minuten en de punter scheert langs de palen. De eerste druppels van de zware bui slaan neer. Van schuit tot schuit springt de visscher met zekerheid van jaren. Maar 191


pal aan den kant slaat een schrik hem terug. Weer vlammen twee vurige oogen aan; hij hoort een heesch geluid. De man wankelt in de smalle boot, valt vooruit. Onder zijn grijpend-gespreide armen vliegt krijschend een zwarte schim. Een felle klauw slaat in zijn vleesch. Weer snerpt een gil. Plonsen en plassen in het water. In het licht van den wallantaarn kruipt de visscher op het droge. In het schijnsel ziet hij de druipende kop van een kat. Het dier klaagt jammerlijk. Vloekend schopt de man naar den wijd gesperden bek. De kat bijt en blaast, verdwijnt met een sprong in het duister. Maar niet altijd zijn diet katten, die daar spoken. De vurige man van de Geute is al oud. Het kustvolk weet er van, al spreekt men weinig over zulke dingen. Hier in dit eenzame oord aan die stille, vergeten zee kan veel ge~ beuren, waar men nimmer het rechte van hoort. Daarom zwijgt men tegen vreemden, die de.streek niet kennen, de nachten doorruischt van den zang van het riet, het loome klotsen van het water; wind, die gromt om de huizen, het verre dreunen van de zee. Maar als men zelf dit alles heeft ervaren en mee weet te praten, krijgt men het vertrouwen der menschen, dringt men in hun leven, dat stug en taai als het riet wortelt in het waterland. Ik denk dan aan dien nacht op Kraggenburg, verlaten lichtwachterspost aan het eind van het Zwolschediep. De vroegere woning van den baakmeester, laag en praalloos bouwsel als een fort den ingang van het vaarwater bewakend, zes kilometer uit de kust, midden in zee: het eenzaamste huis, dat ik ken. De zware muren zijn grauw, luiken dicht voor de vensters. Spookachtig doet het aan, dit huis, verloren als een leege burcht, 192


Kraggenburg, de eenzame, norsche waterburcht, ver uit de kust aan den mond van het Zwolsche diep. die straks, als de pol¬ der droog valt, midden in het nieuwe land komt te liggen.

Het Genemuider Veerhuis aan het Zwarte water (Foto Panorama).


Vollenhover visschersschepcn, zoogenaamde bonzen, van hetzelfde type, maar lichtcr dan de Schokker schuiten.


waar uilen en ratten wonen en spinrag hangt geweven, vale sluier der vergetelheid. In dit huis hebben menschen geleefd: eenvoudige kerels, vertrouwd met de natuur, geen hypochonders, maar rustig en sterk van geest. Tot ook zij die worsteling doorstonden, van dag tot dag in t bar seizoen, alleen in de verlatenheid, die langzaam aanvreet, ziekelijk droefgeestig maakt, verwilderen doet zooals een dier dat, menschen ontwend, schuw en kwaadaardig wordt. Er is een kleine vluchthaven bij Kraggenburg en daar heb ik een nacht gelegen, schuilend met mijn jol voor den kwaden wind, die uitliep op storm. In het veiligste hoekje van het havengat lag ,,De Halve Maen” weggekropen, maar juist beschut voor den Noord-Wester, de branding, die brulde als een bezetene. Golven zoo hoog als de zee maar op kon woelen, smakten op de schoeiing, hoog tegen het basalt van de borstwering, waarachter somberder dan ooit het huis van Kraggen¬ burg bonkig stond in den wind, telkens bestoven met water, druipend van Harden rillend schuim. ’s Nachts nam de storm in hevigheid toe. In het roefje van de jol hoorde je hem loeien. Onrustig als een beest in angst lag de schuit te rukken aan de lijnen. De vallen sloegen driltig aan den mast. Nog laat ging ik naar buiten en van boord, klauterend op de gladde flank van Kraggenburg, zoekend de luwte van de woning en staande tusschen huis en borst¬ wering zag ik de razende zee, wit van schuim. Een lage, v/ilde lucht, maar geen regen. Telkens schoven wolken vaneen en lichtte de maan in den baaierd. Ook de vuurtoren brandde, kleine lantaarn op het dak, onwezenlijk

193 Wijkend Water.

13


zijn rustig leven van lenzen en ringen binnen het glas. Grootsch was het schouwspel, om nooit te vergeten. Heel lang bleef ik kijken, om het beeld zoo sterk mogelijk op mij te laten inwerken. Eindelijk, tijd en uur vergeten, ging ik terug naar boord en kroop op mijn matras. Sneller dan ik dacht kwam de slaap, half in mijn droom hoorde ik nog het rollen van de brekers. Veel later werd ik wakker. Ik schoof het dekluik terug. Het was nog nacht. De storm scheen geluwd, de zee raasde als tevoren. Terug in het kussen, sloot ik de oogen. Plotseling hoorde ik roepen, een keer en nog eenmaal. ,,Is daar iemand?” werd gevraagd. Ik stak mijn hoofd door het luik. Op de schoeii'ng bij mijn boot stond een man, groot en mager, met wapperend, grijs haar. Hij wenkte, toen hij mij zag. ,,Wat is er?” schreeuwde ik terug. ,,Kom mee en help me.” „Is er dan wat?” De man gaf geen antwoord meer. Hij draaide zich om en hep de schoeii'ng af. Nu zag ik, dat een groote tjalk de vluchthaven was binnengeloopen. Hoe is dat mogelijk, dacht ik, bij dit weer. De schuit had me kunnen verpletteren. Ik schoot mijn zeilkiel aan en klom van boord. Over den smallen basaltwal boven het woelige water liep ik naar de tjalk. „Vertrouwen” heette zij en de naam van den schipper stond er onder: Folkert Groen, Zwartsluis. De plank was uitgelegd. Aarzelend boog ik in de roef. Het grijze hoofd van den schipper kwam mij tegemoet. ,,Pas op, de trap is steil.” Beneden brandde een olielamp. Zij wierp een gelig licht

194


in de kleine, kale ruimte, nauwelijks gemeubeld. Aan het schot een spreuk. Op den schoorsteen het portret van een vrouw. ,,Kun je roeien?” Ik knikte. ,,Durf je ook? Nu dadelijk?” ,,Bij dit weer...,” aarzelde ik. De schipper keek mij aan. Hij had doffe oogen in zijn mager, bleek gezicht. ..Natuurlijk, je bent bang,” zei de man, half afgewend. ,,Waarom moet ik roeien en waarheen? En nu, bij nacht? Hoor 'ns hoe die zee te keer gaat. Dat kun je toch geen bangheid noemen.” ,,Wil je hier blijven?” ,,Als ik daar iemand van dienst mee kan zijn?” De schipper zweeg. Hij legde zijn hand op mijn schouder en fluisterde. ,,Er is een ongeluk gebeurd. Ik moet weg om hulp te halen. Een dokter uit Genemuiden. Maar er moet ook iemand hier zijn en oppassen. De jongen is er heel slecht aan toe.” Nu keerde ik mij om en keek in de kooi, achter in het schip. Er lag een jongen, even oud waarschijnlijk als ik. Zijn hoofd was omzwachteld; een laken, ruw aan repen gescheurd, opzij een groote, roode plek. De oogen waren gesloten. Hit den mond, half open gevallen, sijpelde een dun straaltje bloed. Ik huiverde. De schipper nam een grooten, rooden zakdoek van tafel en wischte voorzichtig het bloed van de wang. ,,Vannacht is het gebeurd,” vertelde hij zacht. ,,Hij heeft den boom tegen het hoofd gekregen. Het was zulk weer. Wij konden het nauwelijks kroppen.

195


Nog begrijp ik niet hoe ik binnen ben gekomen. De jongen lag aan dek. Ik kon het roer niet in den steek laten.” Waarschijnlijk was ik bleek geworden. De schipper zag mij aan. ,,Wil je nou hier blijven? Wees flink. Er moet hulp komen en ik kan toch dien jongen zoo niet alleen laten. Het is een eind roeien met de boot, maar ik hoop weer gauw terug te zijn. Daar staat water, als hij drinken wil.” Nog eenmaal boog de man zich in de kooi. Dan schoot hij zijn jekker aan. ,,Ik reken op je,” zei hij nog, zich omwendend op het trapje. Buiten hoorde ik hem in de boot klimmen, de vanglijn losmaken. Met een riem stiet hij af. In de kooi kreunde de gewonde. Weer borrelde er bloed uit zijn mond. Ik nam een stoel en ging aan tafel zitten. Het bonsde in mijn slapen. Aldoor keek ik naar den jongen, zijn bleeke hoofd op het kussen, ernaast op de sloop een donkere vlek, die langzaam grooter werd. De deurtjes van de roef waren dichtgeklapt. Van heel ver kwam gerucht van wind en zee. Binnen tikte een wekker. Uit de lamp steeg een dun sliertje walm. Heel lang moest het geduurd hebben. De jongen lag maar onbewegelijk. Telkens dacht ik: nu gaat hij sterven. Eigenlijk kon ik voor hem bidden, als ik maar woorden vond. De wekker tikte, een bikkelhard geluid, natrillend in het uurwerk. Als de schipper nu maar kwam. Of dat het dag werd tenminste. De schuiven voor de vensters waren dicht. Ik dorst niet opstaan om ze te openen. Daar verroerde zich de jongen. Hij wendde langzaam

196


het hoofd naar mij toe. Bloedige blaasjes stonden op zijn lippen. Nu zal het gebeuren, wist ik opeens. De jongen gaat nu sterven. Hij is even oud als ik. Wat moet ik doen? lets tegen hem zeggen? Ik kan geen woord over mijn lippen krijgen; alleen mijn tanden klappen op elkaar. Hij slaat zijn oogen op. Wie moet hij denken dat ik ben. Wij kijken elkaar aan. Of neen, toch niet. Noemt men dat het breken van het licht? Opeens een snerpend, rellend geluid. Ik kreeg een schok, een angstkramp door mijn lichaam. Waar kwam dat licht vandaan? Wie had de roefdeur opengezet, dat plots de zon naar binnen scheen? Maar dat was toch het zoldertje van mijn eigen kombof. Dat was mijn wekker, die afliep: zes uur. Dus een droom. Een ontzettende droom. Geen nacht en geen stervende! Duizelend sprong ik overeind, stak mijn hoofd door het open luik. Het haventje van Kraggenburg. Geen tjalk. Geen vreemde schipper. Alleen mijn job veilig in haar hoekje. Ook geen wind meer en geen zeegedruisch. Blakjes het water van het Zwolschediep. Een vleiend briesje. En aan den schoongewaaiden hemel de zon! Toch wou ik weg. Zoo gauw mogelijk. Ergens menschen zien, die spraken en lachten. Niet langer alleen. De stroom schoot vonken. Het boeggolfje zong. Van den oever kwamen vogelgeluidjes. Daar in de bocht van het Zwarte water lag het veerhuis. Dieper in het land het torentje van Genemuiden. Bij den steiger van de pont schoof mijn boot langs den wal. Een kleine jongen aan den kant greep het lijntje. Op de bank voor het veerhuis, vredig blank tusschen hooge boomen, ging ik zitten. Het was nog vroeg. Straks

197


zou daar binnen wel thee of koffie te krijgen zijn. Ik wou nu niet aan boord ontbijten. Eerst die weee smaak uit mijn mond. Over den weg naar Genemuiden kwam een oude man gekuierd. Hij schoof naast mij op de bank en zei iets over het weer. Samen zagen wij naar het water. Opeens vroeg ik: ,,Ken je schipper Folkert Groen?” De oude man keek mij aan, een vleugje verbazing in zijn waterige oogjes. Hij knikte bevestigend. Verschrikt sprong ik op. Het beefde in mijn knieen. ,,En zijn schip, de ,,Vertrouwen”?” ,,Dat is verkocht naar Rotterdam. Voor ligschuit geloof ik.” Ik ging weer zitten. Er viel een lange stilte. Dan zei de man: ,,Waarom vraag je dat zoo?” Ik aarzelde. ,,Omdat ik hem ken,” antwoordde ik onzeker. De oude schudde het hoofd. ,,Je moet je vergissen,” zei hij, ,,beslist, je vergist je. Schipper Folkert Groen is al jaren dood. Verdronken bij storm, daarginds bij Kraggenburg.” ,,Maar de jongen...,” fluisterde ik. Weer keek de oude man mij verwonderd aan. ,,Dien vonden ze immers nog aan boord, in de kooi. Ook dood. Zijn hersens ingeslagen. Een ongeluk waarschijnlijk. Het was zwaar weer; juist zoo’n vuile wind als vannacht.” Straks komt Kraggenburg midden in den polder te liggen. Men wil het bewaren als monument, herinne-

198


ring aan voorheen. Ooit zal ik dus dit waterfort terugzien, zonderling verdwaald in de landouwen. Ik zal er langs gaan, vreemd te moede. Want onwaarschijnlijk ver lijkt dan de tijd wel teruggeweken, dat ik er eens bij nacht en ontij dit avontuur beleefde, waarvan de heugenis mij altijd bij zal blijven.

199


VAN EERSTE LIEFDE EN EEN ZOMERSCH STADJE

I

k heb eens van een meisje gehouden, ergens in een kleine stad, waar ik mocht logeeren. Zij woonde in zoo’n mooi, oud huis met breeden, marmeren gang, die in een diepen tuin uitliep. Daar schaduwden zware boomen. Het rook er sterk naar rozen en jasmijn. Struiken en heesters waren hoog opgeschoten, de takken moest je wegbuigen om langs het pad naar een prieel te komen, heel achteraan, gebouwd tegen den brokkeligen muur, groen overwoekerd. In dien muur was een poortje met roestig slot, dat uitgang gaf naar een slop, een achterom langs weer andere tuinmuren, even verweerd, waar goudenregen, weelderig uitgebot, in trossen over neerhing. Het was een kortstondige verliefdheid; een groote vacantie heeft zij geduurd. Maar als opgeschoten er kon je het wel hevig te pakken hebben. Het kwam ook zoo vanzelfsprekend, begrijpend zonder woorden. Alleen maar een lichte verwondering om dat eerste hevig ontroerd-zijn. Ik geloof ook, dat ik links en onbeholpen was, heel groen nog, maar ook het meisje was erg jong. Zij speelde piano voor me in de tuinkamer, etudes, en ik meen nog, dat ze er bij telde.

200


De bochtige binnenhaven in het oude Vollenhove, eenmaal de slotgracht van het kasteel der Utrechtsche bisschoppen.


De sombere, 15e eeuwsche Bovenkerk te Vollenhove, waar de predikant vanaf zijn kansel de schepen kon zien varen op de nabije zee.


Maar in een van haar boeken stond een stuk, dat we, zonder het te zeggen, allebei erg mooi vonden, de melodie en de woorden, Schubert’s Serenade: Leise flehen meine Lieder Durch die Nacht zu dir In den stillen Hain hernieder Liebchen komm zu mir. Zij speelde en ik stond dicht naast haar, neuriede wat mee, omdat ik heelemaal geen zangstem had en eigenlijk ook de woorden toch wat raar vond om luidop aan te heffen. Dat waren avonden na lange, warme dagen. Door de open tuindeur kwam de geur van den grond, het sterk aroom der bloesems, de schemerdonkere kamer binnen. De ouderwetsche piano had kaarsen, waar wij er een van aanstaken. Het licht viel op haar slanke vingertjes, die naar de toetsen tastten. Een enkele maal ging dat mis, verbeterde ik haar aanslag. Toen waren op eenmaal onze handen naast elkaar op het klavier; wij keken er allebei naar en even bleef het stil. Ik voelde mijn hart heftig kloppen. Nu moest er iets gebeuren, meende ik. En naar haar toegebogen fluisterde ik wat mij ineens wel zot te binnen kwam: ,,Lieve, kleine vrouwenhand.” Meteen trok ik terug: het was te dol. En met een andere stem: ,,Speel nog eens die marsch, je weet wel.” ,,Waar is ie dan?” reageerde ze haastig en bladerde in haar muziek. Half langs haar heen zag ik, dat ze bloosde. Weer, in mijn hevig willen helpen, was mijn hand bij de hare. Nu keek ze me aan, heel even. ,,Malle jongen,” zei ze alleen. De idylle brak jammerlijk af op

201


dit oogenblik. De dienstbode kwam binnen met thee. Het meisje sloeg hard de piano dicht, praatte luidruchtig. Eindelijk vroeg ze: ,,Zullen we nog naar buiten gaan?” Ze holde vooruit, maar achter in den tuin liepen wij stijfjes naast elkaar. In het prieeltje gingen wij bij elkander zitten, heel braaf vertelde ik, pocherig overdreven, heldendaden uit de Idas. Het was nu donker geworden, de atmosfeer scheen van fluweel. Het ruischte in de boomen boven ons; tusschen de kruinen door zag je een stuk van den hemel, waaraan sterren trilden. „Heb je ooit een ster zien verschieten?” onderbrak ze mijn opgewonden verhaal, ,,ik kijk daar altijd naar. Dat moet je ook doen en als je het ziet, moet je aan mij denken. Doe je het heusch?” Toen had ik moed en schoof dicht naast haar. De eerste keer ging mis, stuntelig ergens op haar wang, de tweede maal was beter: vluchtige jongenskus op haar warmen mond, zonder dat ze afweerde. Tot uit het huis haar naam geroepen werd en ik wegsloop, beetje schuldbewust als een booze verleider. Het poortje achter in den tuin deed ze voor me open. Ze had den sleutel bij zich, het kleine nest. We hebben heel wat afgetorteld, dien vacantietijd. Tot ik terug moest naar Amsterdam. Mijn familie in het stadje verhuisde later en ik heb het meisje nooit meer gezien. Een keer nog heeft ze een brief van mij beantwoord. Ze schreef over school: „We hebben zoo’n naar mensch voor Fransch tegenwoordig. En maken jullie nog veel keet?” En aan het slot: ,,Veel liefs van je vriendin...” Dat laatste blies het vuurtje nog even

202


krachtig aan, en een paar weken lang kon het ijl parfum van haar correspondentiekaartje zoo n klein, prettig verdrietje bij mij opwekken, terwijl ik terugdacht aan die herdersuurtjes met het lieve kind. Ik vertel niet welk stadje dat nu wel geweest is. Misschien woont het meisje er nog, is ze verloofd, getrouwd. Ik wil alleen maar bekennen, dat ik een zwak heb behouden voor zekere kleine zomersche stadjes met achterommetjes langs brokkelige tuinmuren, waar je 's avonds het loover hoort ruischen en de jasmijn zoo kruidig riekt. Dat ik daar graag wandel in het late uur, een tikje sentimenteel. En als ik werkelijk aan de lucht een ster zie verschieten, dan houd ik mijn belofte en denk aan dat kind in den donkeren tuin, het meisje, waarvan ik het gezicht al lang ben vergeten, alleen nog vaag de herinnering aan de sensatie van dien eersten kus. Zoo n stadje is ook Vollenhove. Ik ben er vaak ge¬ weest. Met ,,De Halve Maen” op mijn tochten, een keer nog met flinke averij. Wij hadden den mast uitgezeild bij zwaar weer en urenlang liggen wippen voor de dreg. Een Vollenhover, die ons passeerde, nam ons op sleeptouw naar de haven. De Raad der Ouden, die in elk visschersnest zich de belangen van onverwachtsche gasten aantrekt, was ook hier aanwezig en zeer actief. We moesten naar een scheepstimmerman om de schade te herstellen. Men had er twee in ’t stadje, hoorden wij van de aartsvaders, die op den havenkant onzen rampspoed bespraken. Ook de visschers, die bij ons lagen, bemoeiden zich ermee. Er kwam zelfs ruzie van. De eene helft onzer adviseurs

203


bezwoer ons den oudsten timmerman te nemen, indien wij ons schip en ons heil liefhadden, de anderen gingen daar heftig tegenin en schilderden ons duizend risico’s, als wij het niet met den jongste probeerden. Daar wij niemand tegen ons in wilden nemen, werd het een moeilijk geval. Maar het einde was volkomen dwaas, want toen wij tenslotte den jongste kozen, was heel het visscherscorps verzoend en schold ons eendrachtig voor gek. Ik heb er Vollenhove nooit kwaad op aangekeken. Het is daar veel te aardig voor — typisch Oostelijk waterstadje, zooals ook Harderwijk en Elburg en eenigermate Hattem een heel andere sfeer bezitten dan al de oude havensteden in het Hollandsche. Het is er wat ruig en brokkelig, donkerder en gedempt van toon, een beetje drukkend ook, lang niet zoo ijl en open als ginds aan den overkant. Dat komt bij Vollenhove ook door de ligging op een klein plateau, de smalle hoogvlakte, waarop Stad en Ambt zich verheffen uit het wijde, lage land rondom. Van welken kant men de plaats ook nadert, langs de kust van Blokzijl, uit het Oosten of het Zuiden, overal merkt men den plotselingen over¬ gang, loo maar pardoes uit de vlakte omhoog, terwijl het heele aspect zich wijzigt. Geen weilanden meer en geen slooten, geen blinkende meren, geen rietveld en moeras. Het landschap is volkomen veranderd: akkers en houtwallen, hooggaand geboomte, een bodem van zand en klei, met grint en zwerfsteen vermengd. Ook de huizenbouw wordt anders. Dit diluviale land, voortzetting van den hoogen grond van Steenwijkerwold en Paasloo, was een krachtig bolwerk tegen de zee, waar-

204


aan de wijde omgeving haar behoud te danken heeft. Ambt Vollenhove — St. Jansklooster — bestaat van het land, het leven der stad, afzonderlijke gemeente, is van ouds gericht naar zee. Dit Vollenhove heeft allure, het ernstig gebaar van een veste, welker bewogen historie ver terugtrekt het verleden in. Zij heeft ook dat vrije en franke, aan oude havenplaatsen eigen, tierend in den adem der wereldzee, die onbelemmerd spoelde tot haar kaden. Hoe ongunstig wellicht de levenskans van een stadje als Vollenhove ooit is geweest, het lag aan de open zee, het Had een haven en schepen en zoo Icon het niet vergaan. Twee maal per etmaal joeg de wereldzee frisch levensbloed in zijn aderen en de wierigzilte geuren, die straten en huizen doortrokken, duldden geen mufheid en aeen bederf. Vollenhove leefde aan en van de zee, het zond zijn groote visschersvloot, waar honderden handen werk vonden. naar buiten en in de ruime haven was altoos bedrijvigheid en vertier. Vollenhove is dan ook het mooist aan den waterkant. Nergens wellicht is het havenfront zoo interessant als hier. De diep verzonken binnenhaven, vroeger slotgracht der middeleeuwsche sterkte van lltrechts bisschoppen, eindigend in een knus, schaduwrijk werfje, de ietwat sombere, vijftiende-eeuwsche Bovenkerk, waarvan de zware, hecht geplante muren, pal aan zee, al zoo lang de ongebroken kracht van den storm weerstaan, de gedrongen klokketoren, het sierlijke stadhuis met zijn zuilengalerij, dat alles schept een sfeer, die uitzonderlijk mag heeten. En de altijd nog talrijke vloot van welgebouwde bonzen, die zoowel de diepe, boch-

205


tige binnensleuf als het moderne havenbassin daar buiten tot ligplaats heeft, vormt er het levend element, brengend dag aan dag bedrijf aan de kaden, den afslag, op de werf en in de smokende rookerijen. Duizend jaar geleden werd, voor zoover bekend, Vollenhove s naam de eerste maal genoemd en wel in 943 bij een schenking door Keizer Otto; er is dan sprake van het bosch Fulnaho. De opkomst en de groote tifd der zeeplaats „Vullenho” beginnen in de twaalfde eeuw. Het wereldlijk gezag der Utrechtsche bisschopoen strekte zich in die dagen uit tot Oversticht en Drenthe en het was te Vollenhove, gunstig gelegen tusschen land en zee, dat de toenmalige kerkvorst, God fried van Reenen (1156—1178) een sterkte deed bouwen, den wijden omtrek beheerschend, tevens het meest vooruitgeschoven bolwerk in den strijd met de Stellingwerver Friezen. Dit kasteel bleef eeuwenlang het middelpunt van rusteloos oorlogsgeweld. Eerst de Stellingwervers, later de Hertogen van Gelre, richtten onophoudelijk hun aanvallen op dit vitale punt van Utrechts macht. Verwoed werd er gevochten. Tusschen de oorlogen door was het slot op gezette tiiden residence der bisschoppen. Van hieruit bestuurde men ook de omgeving, werd rechtspraak uitgeoefend; de rentmeester zetelde er. Verder lag er een sterke bezetting. Dit alles bevorderde opkomst en groei van de plaats. In 1354 verleende de bekende bisschop Ian van Arkel, die zeer veel voor dit deel van Overijsel heeft gedaan — Genemuiden eert hem in haar wapen als de uitvinder van het mattersraam — aan de ,,ghoede lude die woenaftig syn voer onsen huse tot Vollenho, 206


dat geheiten is opten Camp het stadsrecht en wel ,,ewelic durende alse anders onse steden hebben die in onsen lande van Sallandt geleghen siin”. De jonge stad kreeg voorts tal van privileges, herhaaldelijk bevestigd en telkens uitgebreid. Zij mocht een weekmarkt houden, later ook een jaarmarkt op St. Gereon en Victorsdag. Drie en een halve eeuw bleef Vollenhove zetel van de macht der bisschoppen in Oversticht. In de jaren 1520 tot 1527 deed Hertog Karel van Gelre een beslissenden aanval op het wereldlijk bezit van Utrecht. De eerste poging over zee mislukte. Maar twee jaar later rukten de Gelderschen onder Maarten van Rossum onweerstaanbaar op, veroverden Hasselt en Genemuiden en versloegen het grootendeels uit V ollenhovers bestaande bisschoppelijke leger, welks aanvoerder Jan van Ysselmuiden sneuvelde. Vollenhove werd bezet en ook Kuinre en Steenwijk vielen in Geldersche handen. 1 oen echter greep de Keizer in. Een expeditiecorps onder leiding van Schenk van I outenburg bevrijdde in naam van Karel V het Oversticht uit handen der Gelderschen. Maar de bisschop, Hendrik van Beieren, zag geen heil meer in wereldlijke macht, die telkens met zware offers gehandhaafd of herwonnen moest worden. Hij droeg het hoog bestuur over beide Stichten aan Karel V over, die den Thiiringschen edelman Schenk van Toutenburg benoemde tot eersten stadhouder van Overijsel, Drenthe, Friesland en Groningen. Ook Schenk en zijn opvolgers, van wie Aremberg, die in den slag bij Heiligerlee tegen Adolf van Nassau sneuvelde en later Rennenberg de bekendste zijn, woon-

207


den te Vollenhove, waar hun het oud-bisschoppelijk kasteel tot verblijf diende. Schenk bouwde bovendien aan de landzij der stad een eigen slot, de Toutenburg genaamd, dat de oude sterkte aan den zeekant geruimen tijd heeft overleefd. Als zetel van de bisschoppen, later van de stadhouders, trok Vollenhove tal van aanzienlijke families, die er zich blijvend vestigden. Zij bouwden er hun huizingen, door groote tuinen omringd, de havezaten of riddergoederen, waar zij van geslacht op geslacht woonden. Zoo kreeg de kleine residentie een voorname sfeer vol statigheid en zwier, die den zeventienden-eeuwschen dichter-predikant te Zwolle, Johannes van Vollenhove, een lofzang in de pen gaf, waarin de stad verheerlijkt wordt^als Justprieel”, een „kandelaer van ’s hemels gaven” en „pronkjuweel van ’t land”. Omtrent vijftien havezaten zijn er in den besten tijd geweest; van de meesten kent men alleen nog de namen: Benthuis en Nyerwal, Cannevelt, Lindenhorst, de Haere, Westerholt, Rollecate, Rhemershuisen, Haegerdorp, Bonkerhave en Tweenyenhuisen. Vandaag bestaan nog de Oldruitenborg, waarvan het park ook de rui'ne van I outenburg omvat, de Oldehof aan den weg naar Genemuiden en het huis Plattenborg, dat tot zetel van het Waterschap Vollenhove dient. De luister der havezaten is verdwenen. Maar nog in de achttiende eeuw moet er de sfeer wel statig en charmant zijn geweest in en rond de kleine stad. Een feestelijk gezelschapsleven, ’s winters in de zalen, bij kaarslicht en clavecimbel-klanken en in den zomer buiten in de tuinen en parken, waar de opgesmukte petit-maitres,

208


Het oude kanon aan de haven van Blokzijl is als het symbool der roemruchte historie van het stadje, de dappere veste, waar in 1672 de victorie begon.


De laatste biezenmatter van Blokzijl, de bussels drogende rusch voor zijn woning


die vosten in de stad ter Latijnsche school, met hoofsch gebaar hun prille jonkvrouwen door de laantjes leidden. De lieve meisjes in haar keursiijfjes en capuchons en wijd-plooiende rokjes voerden luchtige ge~ sprekjes met al die brave knapen, zoo ridderlijk en galant. En ook toen hing geur van jasmijn bedwelmend zwaar onder het loover, ook toen bloeiden rozen zoo rood en ook toen tuitte zich zoo’n klein, bloedwarm mondje voor een eersten kus, in den lauwen avond, van een jonkman, nog wat stuntelig, maar wel driest en ondernemend na het kruidig likeurtje, opgediend in het salet. En door het poortje achter in den tuin ontsnapte ongezien de amoureuze petit-maitre, een blosje van opwinding onder het poeder op zijn snuitje, zijn batisten halsdoekje en beste wandelpruik verfomfaaid. Het meest vermaarde Vollenhoofsch geslacht is de familie Sloet, welke omstreeks 1300 zich hier vestigde en waarvan verschillende takken met havezaten in en rond de stad werden beleend. Nog twee lamilies Sloet bewonen de oude riddergoederen: Sloet van Marxveld en een afstammelinge van den tak Oldruitenborg, gehuwd met den heer A. F. Stroink. Vooral het huis Oldruitenborg heeft nog de oude glorie bewaard. Het werd in het begin der vorige eeuw herbouwd met de steenen van den ouden Toutenburg, welke vrijwel werd gesloopt. Wat overbleef, de ruine van den Toutenburg, die in het park Oldruitenborg ligt, is de meest romantische plek rond heel de Zuiderzee. Zij ligt op een eilandje midden in het water van de vroegere slotgracht. verscholen in dichte bosschages, tusschen struikgewas en onder hooge boomen. Ook de buitenoever van de 209 Wijkend Water.

14


oude gracht is zoo dicht en weelderig begroeid, dat het geheel een bijna tropische atmosfeer wekt. Roerloos droomt het donker water in vergetelheid en rust. Een oude man zet den bezoeker met het platboomde pontje over naar het eiland, waar in een wildernis van stammen en woekerend gewas, twee afgeknotte torenstompen zich verheffen, meterdik de muren met nissen en smalle schietsleuven. En hier zou men het oude, maar altoos nieuw verhaal nogmaals kunnen vertellen als het sprookje van de schoone slaapster in haar betooverd slot, gewekt door den kus van haar ridder, vele eeuwen geleden op een plek als deze en op een zomeravond, dat rozen bloeiden en jasmijn en de jonkman voor het groote oogenblik van zijn leven het hinderlijk vizier lichtte: ,,Komm mit nach meinem Schlosse, wir wollen selig sein”. De bisschoppen, de stadhouders, de havezaten, hun luister en macht vergingen. Trouw aan Vollenhove bleef slechts de zee, grillige, maar welgezinde heerscher, die het stadje zijn brood gaf. Meer dan honderd zeilen voerden de initialen V.N., door de Volendammers plaagziek verklaard als ,,Vlooiennesten”, ofschoon hun eigen kwakken en spekbakken in het zomertij ook lang niet vrij zijn van zoo'n springertje. En die flinke vloot gaf werk aan honderden visschershanden en deze op hun beurt aan tal van nevenbedrijven. Zoo leefde het grootste deel der bevolking van het water, behoorlijk in vette, kariger in magere jaren. En nog, nu de dagen der stad aan het open water zijn geteld, varen de Vollenhovers uit ter vischvangst, op zomersche aal, op snoelo baars. Een eigen slag, deze menschen, in de groote

210


visschermanssamenleving der oude Zuiderzee. Zwijgzaam en ondoorgrondelijk. Veel Schokker bloed en Schokker namen — Ouderling, Corjanus, de Boer, Kwakman — en dus veel familierelaties te Volendam en Kampen. Met onze Volendammer vrinden zijn we er dus thuis, gul ontvangen bij Abe de Boer in zijn huisje: hij nog in Schokker costuum, al werd hij zelf niet meer op het eiland geboren en zijn vrouw in Volen¬ dammer dracht. Geboren Schokkers zijn er te Vollenhove nog enkele, stokoude menschen thans; herinneringen aan het eiland echter des te meer. Zoo is in de parochiekerk nog een Mariabeeld aanwezig, O.L. Vrouw van Schokland genaamd, en wordt er jaarlijks in de nachtmis het traditioneele Kerstlied van Schok¬ land gezongen: ,,Ziet het wonder hoog verheven”, waarvan de simpele melodie en woorden bij overlevering zijn opgeteekend. Over het verleden kan men mijmeren, in de Bisschopsstraat. voor het mooie geveltje der vroegere Latijnsche school, op het pleintje voor ’t stadhuis. Of onder eeuwenoude boomen der havezate Oldruitenborg, geheimzinnig roerloos het donker spiegelend water der Toutenburgsche slotgracht. Aan heden en toekomst moet men denk.en bij de havens en aan het nauwe poortje, waar de Vollenhover visschcrs naar buiten glippen, altijd nog, zoolang er visch is in zee. Want ingesloten wordt Vollenhove, binnen den polder, aan een smallen boezem, die reiken zal tot Blokzijl. Geen wijdspoelend water meer, waar de predikant in de Bovenkerk, staande op den kansel, door de vensters het zicht op had. Geen zee meer voor Vollenhove; een stad, die men den adem ont213


neemt, de eerste groote visschersgemeenschap verloren in het land. Dc loop der historie heeft Vollenhove veel ontnomen, maar het zwaarst van al zal de zeeroof zijn, die onze tijd aan de oude stad bedrijft. Ook de Voorst, de Kaap van Vollenhove, gaat haar karakter volkomen verliezen. Een smalle strook water blijft aan haar voet, waar eenmaal de blik onbelemmerd de zee rondom kon afspeuren. Als men de kaart bekijkt, is het net of de kop van Overijsel een langen neus trekt tegen de zee. Die neus is de Voorst, als een wig vooruit schietend uit den Overstichtschen wal, die Zuidwaarts vooral, bij de uitmonding van het Zwarte water, tot een diepe baai is teruggeweken: de mond van de Kop, waaruit het Zwolschediep als een tong naar buiten steekt. Die lange-neus-trekkerij heeft zin, want de Voorst was eeuwenlang een geweldige golfbreker. natuurlijke ram van k.eileem, zand en rolsteen tegen den alles verslindenden vloed, die het water in zijn stormloop krachtig heeft gestuit. De Voorst is de Westelijke uitlooper van het hooge land van Vollenhove en zet zich nog ten deele onder water voort, vormend de met keien en klippen bezette bank ,,Het Gesteente”, die den lager wal bij Westerstorm zeer gevaarlijk maakt. Het nut van de Voorst werd al spoedig begrepen; reeds heel vroeg zijn maatregelen genomen om de kaap zoo sterk mogelijk. te houden, bestand tegen het geweld der rusteloos iagende zee. Maar keer op keer vernielden stroom en golven de paalweringen, die men, om de branding te breken, voor het smalle strand aan den voet van de kaap in zee had vastgeheid. Het onderhoud dier weringen vroeg iaar-

212


lijks groote sommen en de bestrijding dezer kosteri vormde telkens weer een bron van heftig dispuut tusschen ingelanden van de Voorst en de Ridderschap en Steden van Overijsel, die, aangesproken voor hun deel, meestal ongenegen waren de gevraagde ,,goede subsidie” te verleenen. In de eerste jaren dezer eeuw heeft Waterstaat de Voorst onderhanden genomen, evenals trouwens in Friesland het Roode Klif. Daarbij is, hoe kon het anders, grondig afgerekena met de romantiek. Vroeger toch was de landpunt van de Voorst een trotsche kaap, welker grillige leemwand tot zes meter hoog steil uit den vloed ornhoog rees, een echte rots, fel en weerbarstig in de branding der Zuiderzee. Maar sedertdien glooit er de kust heel nuchter en ordentelijk met een grasmat en beschoeii'ng van basalt in het water af, waar bovendien een vijftal stugge golfbrekers het laatste greintje fantasie voorkomen. Hoe het ooit geweest is, lean men nog zien bij het Oude Mirdumer Klif aan den Gaasterlandschen wal, dat juist op tijd als natuurmonument uit den greep van Waterstaat gered werd. Ondanks dat bleef het mooi op de Voorst. Ik heb er vaak gezeten op de glooii'ng, ’s morgens en 's avonds, bij elke weersgesteldheid. Ik heb er de zilverige zee zoo vredig zien schitteren, wijd en ver het zicht naar de kust, Noordwaarts met een flauwe bocht langs Blokzijl en Kuinre en heel ver de Lemmer, naar het Zuiden, achter Kraggenburg, het Kampereiland. En recht vooruit mijn brave Schokland in heel zijn lengte. Dat kon, tegen den gloed van de ondergaande zon, soms gitzwart staan uitgeetst: de huisjes van Emmeloord, het boomen-

213


kluftje van Ens en het ragge piekje van den Zuidelijken vuurtoren. Ik heb er de VoIIenhover vloot zien huistoe varen, onvergetelijk schouwspel, de silhouetten der eender gebouwde scheepjes kantig in het late licht. Ik heb er ook den schemer zien dalen, den avondwind hooren ruischen door het golvende roggeveld, achter mij op den top van het klif. Om terugkeerend, de rijzende maan recht in het gezicht te kijken, de maan, die een oogje toekneep met n zotten, nog wat bleeken paljassenkop en er een vreemde pret in had dat zoetjes droomend Vollenhove, torentje boven looverprieel, zoo onwezenlijk te belichten, dat het brave stedeke betooverd scheen. Begoocheld door een melancholie, die aanstekelijk werd. Heusch, het is niet de luwe lentenacht, die katten zoo doet krijschen, het is de maan, die bezeten verdoolde, die ze maar aankijkt en stilletjes dol zit te maken. Er zijn menschen en dingen, waar de maan nooit vat op heeft. Bijvoorbeeld molenbazen en baggermachines. Die werken maar dag en nacht door, die laten zich niet afleiden, die komen van niets onder den indruk. En daarom winnen zij het. In zee buiten de Voorst hebben ze het al grondig bedorven. Daar ligt nu de bouwput voor het gemaal, daar groeien de nieuwe dijken. Ik ga liever niet meer naar de Voorst. Aan mijn laatste bezoek bewaar ik een goede herinnering; die moet voor het leven zijn. Als ik later den naam uitspreek, zal het beeld voor mijn geest staan, een blijde ontroering: het teer coloriet der oude zee, de verre kust bij heldere lucht, de havens, die ik ken en zoo’n eenzaam scheepje, dat zijn weg zoekt. 214


BLOKZIJL’s VERGANE SCHIPPERSGLORIE

I

n een tijdschrift heb ik eens een reproductie gezien van een schilderstuk, vervaardigd in opdracbt van een reeder te Liibeck. Het stelde zijn beide zoontjes voor, jongens van dertien, veertien jaar en men had hen geportretteerd, speelgoedscheepje in de hand, met de haven van hun stad als achtergrond. Deze afbeelding heeft mij sterk getroffen. De smalle, al sterke gezichten der beide broertjes, hun groote, droomerig-blauwe oogen, de kleine, wilskrachtige mond, heel het Noordsche in hun wezen dat uit hun uiterlijk sprak, getuigde van ongebroken kracht in die jonge afstammelingen der roemruchte Hanseaten, vormde een harmonische eenheid met kielen en masten van schepen achter hen, de verre torens der stad, die blonken in het licht. Bij mijn laatste bezoek aan Blokzijl is dit portret voor mijn oogen levend geworden. Aan de breede havenkolk, bij het oud kanon, zie ik een jongen van een jaar of veertien, een scheepje, uit een klomp geknutseld, in zijn hand. Hij heeft het doen zeilen in de haven en nou staat hij er mee op den walkant, starend in de richting der zee, zich op iets te bezinnen. Een flinke, blonde knaap, z’n blauwe oogen peinzend, de smalle 215


stugge mond gesloten. Slank in zijn donkere trui, een ouwelijk lange broek flappend in den wind om zijn stevige jongensbeenen. Hij staat daar aan het water en achter hem, als een kleurig scherm, is het stadje uitgehangen: Blokzijl met trotsche geveltjes, gekruld en sierlijk gekuifd, de roodgenokte daken, het torentje met de blanke lantaarn er hoog bovenuit. Pal langs zijn hoofd een paar masten met vleugels, katrollen en touwen, een bruine lap zeil, breede scheepsneuzen boven het water met wervelingen van zonnegekabbel. Hier en daar het groen van boomen, weerspiegeld in de haven, ribbelend in den wind en donker-blak daarbuiten met vegen blauw en wit van lucht en drijvende wolken. Ik zou hem willen schilderen. als ik dat kon. Zoo onbewust-trots en lenig-sterk is de houding van dien jongen, het scheepje voor zijn borst een symbool. Kleine schipper al, met drift en ernst bij zijn spel, het mooie schuitjevaren, voile illusie van zelf navigeeren, knuist om het roer. En Blokzijl rondom, met zijn kanon en breede havenkolk, eenmaal stad der schipperij, roemrijk gelauwerd in de historie, voerend fier zijn eigen vlag en zelfbewust getuigend: ..Blokzijl heeft meer schepen in getal Dan Overijsel heel en al”, zooals het eenmaal in gulden letters op de Waag van het stadje stond te lezen. Een eigen vlag heeft Blokzijl: vier horizontale banen, blauw, wit, geel en zwart. Die wapperde eenmaal van

216


De havenkolk van Blokzijl met haar uitgang naar zee.


,,De Halve Maen” vanuit de Zuiderzee de Linde opgevaren, ter ontdekking van Kuinre.

Kuundersche visschers bij het tanen van hun netten.


meer dan honderd schepen in zijn haven, al waren de schippers van destijds blijkbaar niet doordrongen van het eervolle dezer onderscheiding, door Prins Maurits aan de veste verleend. De burpemeesters echter wel en zij vaardigden op 19 Mei 1593 de volpende verordeninp uit: ,,Alzoo Zyne Excellence believet heeft, die van Blokzyl te verleenen en te geven een wapen op haare schepen te voeren, daarop haare opperigte gilden octroyeeren, welke bestaat in blauw - wit - geel en zwarte couleuren. en daar veele schipperen door moedwille ofte dartelheid tot kleyn agtinge derzelve zyne Excell, punsten andere oneypentlyke v/aapenen. op haare scheepenen wel vermetelyken tot veragtinge van haar zelf waapen zyn voerende, zoo is ’t dat die aanwezende Gedemiteerden, representeerende de Burpemeesteren van Blokzyl daarop tsaemen hebben geresolveert en verordent, statueren. verklaren en gebieden by dezen, dat de schipperen van Blokzyl zonder uvtneemen eeniper persoonen van stonden aan zoodanipe, vreemde, onevpene vleupelen van hare scheepen, met ter daad zullen afdoen en van nu voortaan in haare vleupelen stellen blauw - wit - geel en swart, en anders peen couleuren, van oranjen, nop root of groen, by verbeurte niet alleen van derzelver vleupelen, dan meede dat ze voor peene vrachten mede zullen mogen speulen, en of zy zulks zolden willen attenteeren, worden alle andere schipperen belast en geauthoriseerd de steenen voor haare voeten op te neemen, en die vreemde vleugelen tot haaren wille daarmede te mogen doen van die masten haalen”. Daar konden de schippers het mee doen en van dien 217


dag af zullen zij wel trouw den vierkleurigen wimpel geheschen hebben. Nu zijn er nauwlijks masten meer in Blokzijl, waar zich de vlag aan kan ontplooien, maar de kleine jongen, daar voor mij aan de haven, heeft wel zijn scheepje opgetuigd met een vleugeltje, keurig in blauw, wit, geel en zwart. Dat doet mij plezier, zoo’n flinke zoon van zijn stad, zoo’n fiere, kleine Blokzijler. Hij is uitgepeinsd nu, zet het schel op een fluiten en loopt langzaam den wallekant langs. De oud-Hollandsche geveltjes aan Bier- en Noorderkaai kijken tevreden op hem neer: goed zoo, jongen, houd jij er den moed maar in, hier in ons dommelend stedeke. Kijk maar naar zee en slenter langs het water, laat je scheepje varen, zwichtend voor de bries. Wij hebben mooie herinnering aan dat alles. En we hopen op jou en je slag, dat er eenmaal weer wat welvaart komt, wat luister en vertier. Want Blokzijl staat er anders voor dan Vollenhove. Als de zee straks verdwiint van zijn kust, heeft het niet zooveel te verliezen, misschien nog alles te winnen. De gouden tijd der schipperij is lang voorbij en het visschen op de Zuiderzee heeft van hieruit nooit veel beteekenis gehad. Bovendien blijft de mogelijkheid van scheepvaart, doorverbinding van het achterland via het te vormen binnenwater langs de Voorst. Alleen sferisch zal Blokzijl achteruit gaan. Het is nog zoo’n echt Hollandsch waterstadje, een beetje verdwaald, daar aan de ku st van Oversticht. Miniatuur van een groote stad, zooals die naar den eisch der zeventiende eeuw moest zijn: boomen tusschen rijweg en water, een smal grachtje, montere geveltjes en blauwe stoepen, een

218


pleintje, smalJe stegen en slopjes achterom. En vrijwel gaaf bewaard met nauwe, bochtige straatjes, die open wieken in ruimte vol tintelend licht, een doorkijk tusschen bruin en rood van oude baksteenmuren, afgesloten door het groen der velden, een flits van de glinsterende zee. Nooit zal Blokzijl, aan zee ontstaan en groot geworden, een landstadje kunnen zijn. Wanneer het nieuwe welvaart wint, gaat dit ten koste van zijn karakter. Maar wee Blokzijl, als die hoog gespannen verwachting eens onbeantwoord blijft. Dan wordt dat goede stadje een jammerlijk geval. De stichter van Blokzijl was Jan de Ligne, Graaf van Aremberg, die een kanaal deed graven, dat het water der veenderijen van Giethoorn verbond met de zee. Aan de uitmonding dezer vaart werd een schutsluis of zijl gebouwd en een ruime haven aangelegd. Spoedig verrezen bij de sluis herbergen, pakhuizen en woningen, een buurtschap, die geleidelijk in beteekenis won. De tachtigjarige oorlog vergrootte het aanzien der plaats. Tijdens het beleg van Steenwijk door de Spanjaarden in 1580 en ’81, landde Sonoy met troepen uit Holland op de Overijselsche kust om de stad te ontzetten. Hij wierp schansen op te Kuinre en Zwartsluis en versterkte de nederzetting aan het zijl tot een geduchte forteresse, omringd door een aarden hoofdwal met zes vooruitspringende bastions. Van Maurits ontving de jonge plaats verschillende voorrechten. Zij mocht een wapen voeren, een eigen vlag ontplooien en ten behoeve van haar nering een waag bouwen. In de zeventiende eeuw kwam Blokzijl tot grooten bloei. Zijn schepen voeren naar Oost en West en zelfs 219


een reederij ter walvischvaart werd er gevestigd. Nog herinnert ,,Het Traannest”, de naam van een stuk land dicht bij het stadje, aan de traankokerij, welke er vroeger heeft gestaan. En naar den trant dier dagen bezong een lofdichter de voorspoed van de haven: ,,Blockziel, Uw naam die wordt verhaalt geheel Europa door”. In dezen tijd werd ook de kerlc gebouwd, de eerste in den lande voor den Protestantschen eeredienst gesticht. Elet groote jaar in de historie van Blokzijl is 1672. Toen begon in de oude forteresse een victorie, die minder bekend en gevierd dan de Alkmaarsche van een eeuw tevoren, toch van verstrekkende beteekenis werd. Het was in het rampjaar onzer geschiedenis. Engeland, Frankrijk, Munster en Keulen belaagden van alle zijden onze Republiek en het Zuiden en Oosten des lands werden door vijandelijke legers overstroomd. Juist in die dagen, toen het land als reddeloos, de regee¬ ring als radeloos en het volk als redeloos wordt beschreven, toen Keulsche en Munstersche troepen een deel van Gelderland, Overijsel en Drenthe hadden bezet en Rabenhaupt in Groningen werd belegerd, weerklonk in de kleine veste Blokzijl het Wilhelmus, ten teeken, dat de vijand was gestuit en tot den terugtocht ged won gen. De Munstersche troepen, die Overijsel waren binnengevallen, hadden met weinig tegenstand te kampen. Deventer, waar een sterlce bezetting was samengetrokken, gaf zich na twee dagen beleg over, Zwolle viel door verraad in ’s vijands handen, Kampen capituleerde zonder slag of stoot en de Friesche regimenten, die den Katerschans bezetten, trokken op Wolvega

220


terug. Zwartsluis, Vollenhove, Steenwijk en Kuinre kregen Munstersche bezetting, Blokzijk waar de verdedigingswcrken door een al te zuinigen koopmansgeest waren verwaarloosd en dat over soldaten noch oorlogstuig beschikte, kon al evenmin den vijand buiten houden. Twee honderd man onder den overste-wachtmeester Twikkelo werden er gelegerd. Maar Blokzijl gaf den moed niet op. In het geheim zochten de burgers verbinding met de Friesche krijgsmacht te Wolvega, om gezamenlijk de stad van de Munsterschen te bevrijden. Twikkelo, die lont rook, liet niets onbeproefd om zijn positie te handhaven. Hij eischte van de burgerij den eed van trouw, wat algemeen geweigerd werd en liet eenmaal zelfs valsch alarm slaan. Intusschen werd de aanslag met groote voorzichtigheid bcraamd. In den nacht van 22 Augustus landde ecn legertje Friesche vrijwilligers aan de kust onder Blankenham en rukte op naar Blokzijl. Twikkelo, door verspieders van hun komst verwittigd, trok hen teqemoet, maar werd verslagen. Hij week terug naar Blokzijl en gal order, dat de stad in staat van verdediging werd gebracht. De burgerij trotseerde zijn bevelen, opende de Kuinderpoort en liet de Friezen binnen. In het handgemeen, dat ontstond, liet ook Twikkelo het leven. Nog wijst men in de Kuinrestraat de plek aan, waar hij sneuvelde. Hij werd begraven voor het portaal van de kerk. De IVIunstersche soldaten vluchtten in ver~ warring. Twee luitenants en zeventig man werden gevangen genomen. Blokzijl was vrij! Het" dapper optreden der Blokzijlers bracht groote vreugde in het land. De v/anhopige bevolking kreeg

221


weer moed en de oorlogskansen keerden. Vijf dagen na de bevrijding van Blokzijl zag Groningen zijn belegeraars aftrekken. Vier maanden later werd Coevorden bij verrassing uit handen der Munsterschen bevrijd. 766 was in 1672 bij Blokzijl de victorie begonnen. De kleine forteresse herstelde de eer van den Overijselschen naam, welke door lafhartige overgave van tal van aanzienlijke en welversterkte steden maar al te zeer geleden had. Op 19 October van hetzelfde jaar verleende Stadhouder Willem III aan Blokzijl het stadsrecht. Nog in de vorige eeuw heeft Blokzijl zijn oude welvaart en bedrijvigheid kunnen handhaven als de groote exporthaven van de mattenindustrie in Noord-Westelijk Overijsel. In dit biezenland bij uitstek werd het matten vlechten van ouds als huisnijverheid beoefend. De uitvinder van het mattersraam zou de bekende Utrechtsche bisschop Jan van Arkel ziin geweest, die veel voor de welvaart dezer streek heeft gedaan. Pas na 1700 echter schijnt de mattenindustrie beteekenis te krijgen; na veel wisselvalligheid beleefde zij haar gouden tijd in de jaren omstreeks 1870. In het begin der twintigste eeuw nam het matten vlechten als huisnijverheid geleidelijk af. In de verschillende plaatsen werden industrieen gevestigd. Moderne weefgetouwen verdrongen de oude mattersramen. Een merkwaardig. maar overigcns armeb'ik en zorgvol bedrijf liep ten einde. Ook met de welvaart der mattenschippers was het toen gedaan. Deze kwamen in de gouden jaren tegen Kerstmis te Blokzijl. De ruime haven lag dan tjokvol met kleurige tjalken en stoere Overijselsche pramen. een

222


Schokker bloed: Abe de Boer te Vo!lenhove, die, ofschoon zelf niet meer op bet eiland geboren, de kleederdracht van Schokland trouw bleef.


"'o'*

Oude hoogwater-kanonnen op den dijk bij Blankenham.

Zuiderzee-silhouetten.


bosch van masten, katrollen en vallen met hoog boven de huizen van het stadje de wuivende vleugeis, velen in de kleuren van Blokzijl. Het was een prachtig gezicht al die forsche schepen met hun zeilen uitgehangen of opgerold, het coloriet van boeisel en roer, de goudgele masten blinkend geharpuisd. Op waschdag werden reusachtige guirlandes uitgespannen van schip naar schip, wuivend in den wind het hagelblanke lijfgoed met telkens felle tikkels van rood en paars in alle schakeering daartusschen. Van Kerstmis tot Vrouwendag bleef het stadje vol vertier. De schippers handelden met de matters, kochten bij honderdduizenden meters de biezenmatten op om ze te verladen in de ruimen van hun schepen. Op de kaden fangs de haven zag men hen, toezicht houdend bij den aanvoer der mattenrollen, koopwaar, die zij op hun beurt zouden verhandelen, in het groot bij hun vaste afnemers, dan wel in kleine partijen, huis aan huis, in de dorpen van hun streek den boer op. Koffiehuizen en cafe’s zaten dag aan dag vol. Hr werden zaken gedaan in die kleine, rookerige ruimten met zand op den vloer en glimmend mahoniehouten tafeltjes, waarop het goud van versch getapt bier en het zilver der druipend volgeschonken borrels den weerglans vormden van cijters en getallen, die in beduimeld bankpapier uit zware portefeuilles werden neergeteld. En des Zonaagsmorgens was er de statige opgang naar het Huis des Heeren, al die schippers met hun vrouwen en kinderen in stemmig kerkezwart, het goud van een ketting of snoer gelijkelijk op de borst van kleine zelfstanaigen als de grooten onder hen, grand-seigneurs,

223


trots op hun in vrijheid en door eigen kracht verworven bezit. Schippers uit den gouden tijd van het bedrijf. Reeders en kooplui tegelijk. Hun forsche handen, rustig bij den tekst in het bijbelboek, konden als een schroef den helmstok omklemmen van hun schip, het dwingend in den koers door stormige nachten. Diezelfde handen hadden ooit zonder aarzeling het bedongen kapitaal voor een groote transactie neergelegd, het blauwgrijs bankpapier uit de zeildoeksche portefeuille, puilend dik. Zij zaten daar als patriarchen in hun kerkbank, geheven de in weer en wind geteekende hoofden, den vollen ringbaard om de kin. De zekerheid was hun deel en het vertrouwen. Op het boeisel van hun schip stond hun overtuiging: ,,Eben Haezer”: lot hiertoe heeft de Heer geholpen. En hun zonen, de groote en kleine schippersjongens naast hen, droomden alweer hun eigen gedachten, door het woord van den voorganger heen. Zij tuurden naar het scheepje, dat daar hing en nog altijd hangt boven de hoofden der gemeente en soms, als er zon door de vensters valt, in gloed wordt gezet, drijvend in een wolk van stofgoud. Ook hen zou de Heere helpen, Na Vrouwendag voeren de schippers uit, tjalken en pramen gekalefaterd en frisch in de verf, de ruimen vol biezenmatten, in groote rollen opgetast. Allen koersten naar den overkant, naar de Hollandsche havens, elk met zijn bestemming. De een had in de groote steden zijn vaste afnemers, die elk jaar groote partijen kochten, anderen, de kleineren in het bedrijf, zorgden er voor, dat zij in schoonmaaktijd hun zomer-ligplaats hadden 224


bereikt, vanwaar zij de omgeving afgingen, om bij vaste klanten of soms op goed geluk aan de huizen van stadje of dorp of op de boerderijen in het land hun matten te verkoopen. En intusschen rijpte langs de kust van Oversticht weer de nieuwe oogst, begon van juli tot Augustus de biezencampagne, werden stadjes en dorpen bedolven onder versch gesneden en aangevoerde partijen, in bussels waaiervormig uitgezet of gespreid op straat langs de huizen, buiten op het gras, om te drogen en bruin en geel te worden in de zomerzon. Half September kwamen de mattersramen van zolder, vereenigden zich de gezinnen aan den stagen arbeid den winter door, werd er gevlochten van s morgens vroeg tot s avonds laat, zoodat langzaam aan weer nieuwe voorraden groeiden, om straks de ruimen der thuisvarende schippers te vullen. Met de ouderwetsche matterij is het sinds lang gedaan. Blokzijl telt thans eenige industrie, machinale weverij en ververij, welke het werk der kwijnende huisnijverheid heeft overgenomen. Ook het bedrijf der mattenschippers, dat eens zoo n fleur gaf aan het wintersche stadje, heeft uitgediend. Leeg ligt de wijde havenkolk; een enkel schip ergens verloren aan de kade. Voor enkele jaren heb ik nog den laatsten biezenmatter van Blokzijl ontmoet. Hij woonde in de Kerkstraat, de oude heer Van Urk Dam, achter het mooiste der vier aardige geveltjes, welke de Vereeniging ,,Hendrick de Keyser” er voor verdwijnen heeft behoed. In de pui van het huisje is een steen gemetseld met als inschrift de wijze levensles:

225 Wijkend Water.

15


,,Haet en nit sol wel Verdvinen dat elck Hem moidt met het sine”. Ofschoon dus mijn bemoeizucht bij voorbaat veroordeeld was, ben ik toch brutaalweg bij den ouden Van Urk Dam binnengestapt. Want tegen zijn huisje zag ik de bussels drogend bies in het zonnetje en op mijn navraag vertelde men mij, dat er inderdaad nog een mattenvlechter woonde, de laatste van het stadje. En bij Van Urk binnen zag ik daar een der laatste exemplaren van het primitieve mattersraam, waar eeuwen lang in deze omgeving de matjes op werden gevlochten. Zoo’n raam bestaat uit twee opstaande stijlen van ongeveer twae meter lengte, onder verbonden en rustend op een voetstuk, dat ongeveer anderhalve meter breed is. Ter halve lengte verbindt een dwarsligger de stijlen, die zijn voorzien van pinnen, om er de schering op te spannen. Onder in het voetstuk steekt de rolboom, waarover de mat wordt opgerold. De verticale schering bestaat uit zoogenaamd mattengaren, waartusschen en waarlangs van links naar rechts de bies wordt gevlochten. Zoo’n ouderwetsch mattersraam is vandaag al een museumstuk geworden. Men kan het zien in plaatselijke oudheidkamers en ook in het Nederlandsch Openluchtmuseum te Arnhem. Het is Blokzijl den laatsten tijd steeds slechter gegaan. Zalcen en ondernemingen, die er gevestigd waren, zijn verdwenen. Vooral het sluiten van den houthandel der firma Loos, voor een aantal jaren, heeft het stadje een zwaren slag toegebracht. Het dommelt sindsdien aan

226


zijn leege haven met s zomers eenig toeristenverkeer, dat wat vertier brengt. Doch anders is het alleen maar zoo’n kleine schippersjongen, die langs de huizen slentert of aan den wallekant zijn schuitje varen laat. En die’s Zondags in den dienst, zooals die schippersjongens van voorheen, naar het scheepje kijkt, dat in de kerk hangt en voor zijn turenden blik zacht begint te wiegen op de kalme deining van het psalmgezang. De jongen droomt, zooals het stadje droomt in al de schoonheid, die bleef van zijn vroegere glorie: over de toekomst en wat zij brengen zal.

227


KUINRE ALS FATA MORGANA

E

enmaal in mijn leven heb ik een fata morgana gezien, althans iets, dat ik sedert bij mijzelf voor een luchtspiegeling heb gehouden. Het was op een van mijn laatste kruistochten met ,,de Halve Maen . We hadden s avonds laat Emmeloord verlaten met bestemming Vollenhove. Den volgenden dag wilden wij de havens van Blokzijl en Kuinre, die wij nog nooit hadden bezocht, verkennen. De omstandigheden waren voor dien oversteek niet bijster gunstig. Heel den dag hadden er kleine, glinsterende belletjes op het water gedreven. ,,Dat beteekent Oostenwind voorloopig,” zeiden de visschers. ,,Kijk maar, Karskedorus drijft over zee. Wij hadden maling aan Karskedorus en ook aan den ietwat kwaadaardigen zonsondergang, die den Westerhemel in brand zette. Maar toen wij ver buiten Emmeloord zaten, wakkerde de wind en het loome smakken van het water langs boord ging over in de diepe bas der aanzuigende golven. Het weer werd onrustig met vlagen. Even zagen wij de maan, maar met het vallend duister trok de hemel dicht. Wij kruisten met groote slagen op de schemerdonkere zee, die mat glansde. Het late licht viel klam op mast en zeilen. Zwaar stootte het schip op de korte golven.

228


Wij vorderden slecht. De vuurtjes aan den Oostwal bleken moeilijk te bezeilen, zoo recht in den wind. Daarbij moesten wij op onze hoede blijven, telkens peilend de wisselende diepte, om in dien verraderlijken uithoek der Zuiderzee voldoende water onder ons schip te houden. Omstreeks middernacht begon de wind te weifelen. De zee slechtte af. Er kwam mist opzetten, waarin een voor een de kustlichtjes onderdoken. Wij dreven in oeverloos grauw, waarin elke orientatie onmogelijk was en ook het primitief kompasje nauwlijks hulp meer bood. Eindelijk haalden wij de slappe zeilen neer en gooiden ons dregje uit. De stormlantaarn ging den mast in; om beurten zouden wij met den misthoorn waken, om aanvaring te voorkomen. Ik had de tweede wacht; om half drie werd ik gewekt. Er was niets bijzonders geweest, vertelde mijn voorganger, die zich slaperig in het roef je zakken liet. Alleen een keer heel in de verte de motor van een schip. Het begon te dagen, toen ik mijn wacht betrok. Ik meende ook, dat de nevel dunner werd. Met een deken om mij heen zat ik weggedoken achter in het schip, hoofd en arm op de roerbank. Natuurlijk moest ik zoo indommelen, om pas na eenigen tijd, koud en stijf, weer wakker te schieten. Daar stond de zon al hoog aan een hemel vol rossig getinte, keurig uitgekamde wolkjes. Rondom een rustige, blauwe zee, hier en daar dieper van kleur door een lokkend windje. En recht vooruit ijle nevelslierten, die snel verwaaiden en een kuststrook zichtbaar gaven, waar achter spoelende golven uit het groene land een onbekende stad verrees. Met een slapend been en onwillige spieren strompelde

229


ik overeind en klom op het plechtje. Het was een verrassend schouwspel: die frissche ochtendzee op den voorgrond, het malsche land daarachter, van het grazigste groen, en verdoken binnen wallen en onder hooge boomen die vreemde stad met torenspitsen en vlammend dakerood, een enkelen schoorsteen, die rookte, maar verder niets, dat zich vertoonde of bewoog. Geen menschen op den wab geen havenhoofd, geen schepen. Als een betooverd oord, zoo hel van kleur en toon, zoo blinkend in t vernis gezet, vertoonde zich de kust met die onvermoede veste, een begoocheling, waarvan elk oogenblik de ban kon breken. Ik riep mijn tochtgenooten. Zij kropen aan dek, kwamen naast mij staan en wreven hun oogen uit. De kaart werd erbij gehaald en de Zuiderzeesilhouetten van Schilperoort. Vollenhove was het niet. Ook Lemmer kenden wij te goed. Blokzijl bleek het evenmin. Dus... zei er een. Dus... aarzelde de ander. Dus... Kuinre, besloot ik. Waarop wij het er alien over eens werden, dat het toch Kuinre niet wezen kon, omdat dit volgens onze gemeenschappelijke Aardrijkskundige notie een dorp moest zijn, een gat. En daar voor ons over het water lag kennelijk een ordentelijke plaats, een stad van respectabelen om~ vang met torens en wallen en mooie, oude boomen. Weer besnuffelden wij de kaart, bestudeerden de silhouettenlijn der Friesch-Overijselsche kust, waar wij, naar onze vaste overtuiging, toch niet onder vandaan waren gekomen. Alles wees op Kuinre. En de bijzonderheden luidden: Ondiepe kust. Koers van inzeilen

230


N.N.O. Groen en wit licht op het Westerhoofd. Vaardiepte 1.60 M. Verbinding met Overijsel en Friesland. Wij haalden ons dregje op en heschen de zeilen. Eerbiedig afstand nemend van den wal voeren wij in Westelijke richting op zoek naar de haven. Pas na ge~ ruimen tijd ontdekten wij een hoofd en een lichtopstand. Wij draaiden het havengat binnen en zeilden langzaam een smallen waterloop op, die zich eindeloos in het groene land verloor. Langs het water was een voetpad en een van ons nam een lijntje en hielp den wind een handje, terwijl wij langzaam voortzeulden, vol grootsche verwachting over de wonderstad, die nu aan het eind van dezen buitenmond ging opdoemen. Het land aan weerskanten was wijd en eenzaam. Het „kiew kiew van een paar watervogels klonk verloren in de stilte. Verder roerde zich niets. Nu herinnerden wij ons meer van Kuinre. Dat lag immers aan de samenvloeiing van twee echte rivieren: de Linde en de Kuinder of Tjonger, die tenslotte na hun vereeniging onder den naam van Linde naar zee stroomden. De waterloop, die wij thans opvoeren, was dus de Linde in haar voile glorie. Erg majesteitelijk was zij niet, ofschoon toch van het landschap in zijn geheel een eigenaardige bekoring uitging: een ruimtewerking en een volkomen rust, die sterken indruk maakten. Langzaam naderden wij de bewoonde wereld. Heel op het eind van ons vaarwater doemde Kuinre op. Weer zagen wij wallen en boomen, daken en torens, zooals wij die ook uit zee hadden gezien. Maar de gezichtshoek was toch anders en het aspect al niet meer zoo grootsch. Er was een soort aanlegsteiger met een paar 231


visschersscheepjes. Daarachter verrees een ophaalbrug. Nog altijd waren er geen menschen. Alles scheen te slapen. Tusschen de Kuindersche visschersbootjes, waarvan cr een gekrengd was om de kiel te teren, meerden wij ,,De Halve Maen” en togen er op uit om Kuinre te ontdekken. Zoo trok een gezelschap vreemde vogels in truien en zeilkielen, met blauwe broeken en veelkleurige pullovers het ochtendstille Kuinre binnen, geheimzinnige ontscheping, die de plaats dagenlang in beroering zou houden. Zij hadden zonder meer de veste kunnen bezetten, deze vreemdelingen, want een kleine jongen, het eerste levend wezen, waarmee men contact kreeg, vertelde opgetogen, dat de veldwachter al drie maanden zijn pensioen had en men voorloopig geen nieuwen ,,kozak” verwachtte. Dat was natuurlijk een groote, strategische fout, die de jonge inboorling maakte, maar het vreemde gezelschap had op dat oogenblik niets kwaads in zin en wensdhte zich slechts van verschen zuivel en warm, knappend brood te voorzien. Voorloopig ontdekte men een lange, smalle straat met zeer vele winkels, wat weer het vermoeden van een groote plaats met een flink aantal inwoners scheen te bevestigen. Maar ook dit bleek slechts schijn. Een verder onderzoek toonde aan, dat deze eene winkelrijke straat heel Kuinre was met nog hier en daar een buurtje achteraf. De hooge wal was de zeedijk en terwijl het koepeltje van het raadhuis zich ongeveer in het midden van de straat verfiief, rees het kerktorentje aan het uiterste einde op, wat de bedriegelijkheid van het aspect

232


Wijkend Water.


Waar de tweelingsriviertjes Linde en Kuinder of Tjonger zich vereenigen, om onder eerstgenoemden naam door het buitendijksche land naar zee te stroomen, ligt het kleine, bijkans vergeten, maar nochtans voor zijn levensrechten zoo wakker strijdende Kuinre.

Lemster aken in den avondschemer, opwerkende naar den havenmond.

mm


nog vergrootte. Heel Kuinre was slechts een coulisse, naar zee gewend, toonend haar grootste lengte, maar verzwijgend de breedte, die niet bestond. Het steedsche aanzien, zoo van ver over het water, slonk bij het betreden tot dat van een nederig straatdorp, welks ontwakende bewoners verbaasd hun gordijnen wegschoven of in de deur kwamen staan om te zien wat daar voor raar volk de ochtendrust kwam storen. De bemanning van ,,De Halve Maen had de zaak gauw bekeken. Met versch proviand trok zij zich terug naar de haven, om rustig te ontbijten, de scheepsinventaris te luchten en te voorzien van al wat noodig was, in de verwachting van’s middags weer zoo gauw mogelijk het ruime sop te kiezen. Maar een paar Kuindersche visschers kwamen vertellen wat trouwens de lucht al duidelijk zei: dat de mooie ochtend slechts schijn was geweest en ons aanstaand vertrek geen pretje zou worden. En inderdaad, nog voor den middag was de wind volkomen gedraaid. Een felle Zuid-Wester blies uit zee over het wijde, kale buitenland. De regen gudste bij stroomen neer. Het werd koud en naargeestig aan ons steigertje. Niemand had nog lust om uit te varen bij dit weer, die verre havenmond recht in wind en zee. Dus redderden wij het vooronder, dekten onze spullen zoo goed mogelijk tegen den regen af en namen haastig de wijk naar Kuinre. Een van ons had daar ’s morgens een hotel annex scheersalon ontdekt, waar men hem van zijn zeebaard had ontdaan, inclusief friction tegen den prijs van tien cent. Dit was zoo fantastisch billijk, dat wij algemeen besloten ons in dat hotel te vestigen, voorloopig voor

233


den komenden nacht in afwachting van wat het weer verder doen zou. Zoo maakten wij ons joyeuse entree in dat onvergetelijk Kuundersch hotelletje, niet vermoedende, dat wij een week lang hier huizen zouden, aanvankelijk verteerd door verveling en boosaardige baldadigheid. Het was een bescheiden kleinsteedsch hotel¬ letje, keurig netjes, maar niet zoozeer berekend op onze invasie. Deze had al dadelijk de overhaaste vlucht tengevolge van een permanenten pensiongast, een jeugdig onderwijzer, die les gaf aan de kinderen van het naburig Blankenham en te Kuinre in den kost lag, zooals dat heet. Hij bewoonde de beste kamer van het huis, voor op de eerste etage en moest die hals over kop ontruimen voor een zoo illuster gezelschap, dat daar om onderdak vroeg. Het hotel was door onze komst op slag vol. Zoo zaten wij een uur later achter de koffie en keken boven uit de ramen in de straat van Kuinre. Tusschen de huizen aan den overkant ving de blik een glimp van de Linde, die achter de erven stroomc'e en verderop lag het wijde land van Noord-Westelijk Overijsel, anders zonnig in zomersche weelde, maar nu verlaten en triest onder jagende regenlucht. De weg naar Oldemarkt liep er eenzaam door de velden, om het uur een boerekar. Het was een verdrietig geval, vooral omdat met korte opklaringen het slechte weer aanhield en de volgende morgen al even mistroostig bleek. Zoodra het maar even droog werd, wandelden wij het plaatsje door, waar onze aanwezigheia — min of meer als seizoengasten — een heele sensatie was. Het duurde niet lang of wij waren van al het wel en wee van Kuinre op de hoogte. Wij maakten onze opwachting bij burgemeester Bartjes op

234


het ouderwetsche raadhuisje. En ter verrijking van mijn historische kennis ging ik op bezoek bij den bejaarden secretaris, den heer Fledderus, die mij zeer hartelijk ontving, blij om iemand te ontmoeten, die belang stelde in zijn snuffelen in de plaatselijke historie van de streek. De heer Fledderus was een zeer vriendelijk en gastvrij man, bij wien ik veel nuttigs heb opgestoken. Ik denk daar met dankbaarheid aan terug. De jonge onderwijzer, die omwille onzer komst nu ergens onder de pannen sliep, bleek een wonderlijke verschijning, precies een filmster, slank en vluchtig, met glimmend pommade-haar en een klein, zwart snorretje, zonderling verdwaald daar tusschen Blankenham en Kuinre. Hij was vol ijver, zoowel waar het gold Karst en Gait of hoe die Blankenhammer knapen heeten mochten, de eerste schoolwijsheid in te prenten dan wel om in zijn vrijen tijd de Kuundersche schoonen eenig begrip van lichaamscultuur bij te brengen. Op een avond noodigde hij ons uit om zijn damessportclub in actie te zien en met onverholen verbazing volgden wij de vrije oefeningen en balspelen van een twintigtal boeredochters, waarbij onze vriend, fluitje in den mond, als een zonderling-geconfijte faun tusschen de struische elven heen en weer sprong, Het eenig publiek werd ge~ vormd door een oud mannetje, dat er hoofdschuddend naar stond te kijken. ,,Ze bint gek,” zei hij hartgrondig en spoog een straaltje pruimsap in de richting van zijn sportieve plaatsgenooten. Met den dag werd Kuinre sympathieker. Het had toch onmiskenbaar charme, zooals het daar met zijn torentjes,

235


zijn dakerood en zomersche boomen oprees uit het vlakke land rondom. En ofschoon niet rijk aan historische herinneringen, leefde toch tusschen die lage, dorpsche huisjes iets van het bewogen verleden van de streek, waarin ook Kuinre zijn rol heeft gespeeld. Eerst een kasteel en later een schans vormden den inzet van menigen strijd. Dat kasteel, een langwerpig, rechthoekig gebouw, beschermd door hoektorens, wordt voor het eerst in de 12e eeuw vermeld en is langen tijd een echt roofslot geweest, waar de machtigste van zijn geslacht, de buitgierige Hendrik van Kuinre, bijgenaamd ,,de Kraanvogel”, een uitgangspunt had voor zijn strooptochten in de omgeving. Die Kuindersche Heeren waren niet mis. In hun besten tijd regeerden zij tot op Urk en Noordelijk Schokland. Zij sloegen hun eigen geld: te Emmeloord was de Munt gevestigd, de vermaarde, misschien ooit beruchte „Moneta de Cunra”. In de verzamelingen der penningkundigen zijn die Kuinresche munten nog te vinden. De zelfstandige historie van Kuinre nam een einde in H07, in welk jaar de toenmalige Heeren hun bezit aan den bisschop van Utrecht, Frederik van Blankenheim, verkochten, die het als Heer van Oversticht aan dit gewest hechtte. Langer dan vijf eeuwen is Kuinre sedertdien Overijselsch gebleven, tot in onze dagen het opzienbarend verzet van het plaatsje ontstond, dat het bijkans vergeten Kuinre plots in het middelpunt der belangstelling zette. Want — ongekend in de recente vaderlandsche geschiedenis! — het kleine Kuinre rebelleerde tegen de machtige Heeren te Zwolle. De kreet 236


,,Los van Overijsel” vloog langs de nederige huisjes. Het was of Herman de Kraanvogel in voile wapenrusting uit zijn graf in zee was opgerezen en als weleer zijn dappere Kuunderschen voorging in den strijd. Misschien was zijn geest gevaren in dien wakkeren smid, die de volksbeweging tot het afschudden van het Overijselsch juk leidde, die wellicht, als hij zijn voorhamer zwaaide, iets van de kracht en de vechtlust van dien lang gestorven Heer van Kuinre in zijn gespierde armen voelde. ,,Los van Overijsel! Liever bij Friesland!” was de leus en ik moet bekennen, dat die Kuundersche separatisten niet zoo heel erg ongelijk hadden. Want niet alleen behoort het grensplaatsje Kuinre, in het alleruiterste hoekje van Oversticht, ethnografisch veeleer tot Fries¬ land, maar het werd bovendien door Zwolle wel stiefmoederlijk behandeld, vooral waar het gold de aspecten voor de toekomst, het verdeelen van den economischen buit, dien men in Overijsel van den Noord-Oostpolder verwacht. Vandaar dat men te Kuinre zijn belangen liever aan Friesland toevertrouwde en aanhechting vroeg bij deze provincie. De actie is natuurlijk zonder resultaat verloopen. Kuinre blijft bij Overijsel, maar misschien zal men te Zwolle van nu af toch wat meer met zijn belangen rekening houden. Intusschen ben ik op de historie vooruit geloopen. De Bisschop van Utrecht dan nam Kuinre in bezit, vergrootte en versterkte het kasteel, een nuttig bolwerk tegen zijn vijanden, in het bijzonder de Stellingwerver Friezen. Er zetelde een Slotvoogd of Kastelein, waaraan nog heden ten dage de Kasteleinsdijk herinnert. Kort

237


na 1531 is het ,,Huis van de Cuinre” verlaten en afgebroken, doch tijdens den tachtigjarigen oorlog werd de plek, waar het slot had gestaan, opnieuw versterkt. Kuinre koos in den strijd de Staatsche zijde en Grovestins wierp er een schans op, die tijdens het beleg van Steenwijk door Rennenberg in 1 580 een geduchten aanval der Koningsgezinden kreeg te doorstaan. Kuinre werd hierbij geplunderd. Later verzwaarde men de schans, waarbinnen trouwens ook het kerkgebouw stond, zoodat Kuinre in 1629 officieel tot de versterkte plaatsen werd gerekend. In 1672 drongen de Munstersche soldaten Kuinre binnen en staken de lcerk in brand; sedertdien bezigde men tot omstreeks 1721 het terrein binnen de schans tot begraafplaats. Ook Kuinre heeft in den loop der eeuwen geducht van het water te lijden gehad. Reeds in 1560 onderscheidde men de Nye Stadt en het Oude Cuynre, dat door de zee verzwolgen was. Sedert won de vloed voortdurend ter¬ rein en nog de storm van 1825 drong de kust ter plaatse een eindweegs achteruit. Te voren reeds waren de overblijfselen van schans, kerkru'fne en begraafplaats in zee verdwenen, een enkele maal nog werden zij bij lagen waterstand gezien; straks, als het water ook bij Kuinre wijkt, zullen wellicht de resten droogvallen en weer te herkennen zijn. (April 1941 is dit geschied). Toen wij Kuinre uit en te na bekeken hadden, verkenden wij ook de omgeving. Wij wandelden langs de hooge zeewering, welker bermen met zomersche bloesemweelde overtogen waren, naar Blankenham, het dorpje halverwege Blokzijl, dat daar zoo schilderachtig gelegen is aan zijn blinkend wiel of binnendijksch meertje en 238


waar aan den dijk de oude hoogwater-kanonnen staan, die, als de vloed bij Noordwesterstorm onrustbarend rees, werden afgeschoten ter waarschuwing van de bewoners in het lage achterland. Wij zwierven ook door het wijde buitenland van Kuinre, dat wel nergens in Nederland geevenaard wordt in zijn ruimte en rust, zoo grootsch en zoo volkomen. Neen, wij hebben toch geen spijt gehad van den tijd, dien wij in Kuinre doorbrachten, dagen, die wij eens verloren dachten, maar welke tenslotte de rijke ervaring brachten van de sfeer in dien verloren uithoek der oude Zuiderzee, waar kleinsteedsche intimiteit zich paart aan de majesteit van het landschap. Op den avond voor ons vertrek trok de Harmonie van Kuinre door het plaatsje; zij bracht ons onder groote belangstelling voor het hotel een serenade, heimelijk staaltje van service, want onze hospes bleek een der meest toonaangevende instrumenten van het corps te bespelen. Den volgenden morgen voor dag en dauw vertrok ,,De Halve Maen” naar Lemmer.

Amsterdam, Mei 1940

239


NASCHRIFT Er is even over gedacht ,,Wijkend Water” te herdrukken in de tegenwoordig gebruikte spelling, maar de grote betrokkenheid van de schrijver bij zijn onderwerp, die zich uitte in de taal en stijl van zijn tijd, deed ons daarvan afzien. Bezorgd als Fred Thomas was over wat er zou gebeuren als met het terugwijken van het water ook de levendigheid op en rond dat water zou verdwijnen, beschreef hij dat wat hij zag en beleefde met een zekere mate van melancholie. Maar wat gebeurde? Voormalige vissersplaatsen werden druk bezochte toeristische centra en oude, dromerige stadjes ,,thuishavens” voor watersporters. Met de aangelegde randmeren hebben zij de recreanten veel te bieden. Op de Zuiderzee, die Ijsselmeer werd, liep de beroepsvisserij weliswaar sterk terug, maar Urk groeide uit tot een belangrijke plaats voor de Noordzeevisserij en plaatsen waar zich in het verleden de van hun eiland verdreven Schokkers vestigden, zoals Kampen, Vollenhove en Volendam, bewaarden toch heel wat van de historic, evenals Schokland zelf. Wat Fred Thomas, in zijn bewogenheid met het lot dat de Zuiderzee te wachten stond, schreef over haar kusten en eilanden, over haar vissende bevolking en boeiende ver¬ leden, maakt zijn ,,Wijkend Water” nog steeds zeer lezenswaard De Schokker Vereniging De Stichting Urker Uitgaven Schokland, September 1990



i