Urk opperdan

Page 1

V '
URK OPPERDAN 'La C $ U Li
MiilwiSffifil
p..'

URK OPPERDAN

een vissersoord in werk en woord Onder redaktie van Tromp de Vries

Deel XVI in de serie „Urker Uitgaven” 1990

© 1990 Stichting Urker Uitgaven Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middelvan druk, fotocopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

ISBN 90-71521-07-9

Opperdan

Opperdan! Een woord dat aktie, vastbeslotenheid beduidt. Opperdan! Het komt er krachtig en weloverwogen uit.

Opperdan! Het brengt beweging in de Urker vissersvloot. Opperdan! Een woord en teken van belang voor elke boot.

Opperdan! Het hield in dagen van verdriet de moed erin. Opperdan! Na tegenslagen gaf het nieuwe hoop en zin.

Opperdan! ’t Sein wordt gegeven om de vaart weer aan te gaan. Opperdan! De vrouwen weten: 't manvolk komt er haast weer aan.

Opperdan! Na dagen zwoegen naar de markt en het gezin. Opperdan! Een doel voor ogen tegen tij en stormen in.

Opperdan! 't Was in’t verleden al een hoopverwekkend woord. Opperdan! Het zet het heden moedig in de toekomst voort!

5

Voor de meeste Nederlanders een onbekend woord, maar op Urk wordt het veel gebruikt. De nadruk valt op de derde lettergreep. Wanneer bij het varen of vissen het zeilschip aan lager wal dreigde te geraken en het hogerop gezocht moest worden, werd gezegd: We gaan opperdan.

Dat gebeurde ook als tegen wind en stroom moest worden opgetornd, en zo kreeg het ook de betekenis van: vooruit, op weg naar een bepaald doel. Werd op het eiland vernomen dat de schuiten op de thuisweg waren, danzeimen: Zekomen opperdan; d.w.z. hierheen. Dat dit ook in gezegden als: Kom maar opperdan met je geld. Opperdan is ontstaan uit „opwaard aan'’, in de betekenis van opwaarts; naar boven. Vroeger werden ook de woorden uitwerdan (uitwaardaan) en inwerdan (inwaardaan) gebruikt bij het naar buiten gaan van de schepen, zee-op, en bij het weer binnenkomen. We kozen dit woord opperdan als titel voor dit boek omdat het past bij Urk en de visserij. Het heeft ook iets van beweging en aktie in zich, van doelbewust optreden en voortvarendheid, eigenschappen die kenmerkend zijnvoor de vissersbevolking.

De ondertitel „Een vissersoord in werk en woord" spreekt eigenlijk voor zichzelf. Werk en woord hebben namelijk bijzonder veel met elkaar te maken. Het werk komt aan het woord in wat vissers vertellen. En waar maat en rijm grote zowel als kleine gebeurtenissen in de bewogen geschiedenis van het eiland en zijn bewoners heb¬ ben gemarkeerd, wordt ook daaraan aandacht besteed. De afsluitdijk, de oorlogstijd, het weer, barre winters, rampen op zee, tragiek en humor, en niet te vergeten de kerk, dat alles komt, met nog andere onderwerpen, aan de orde.

De inhoudsopgave weet er meer van. Wij wensen de lezers veel genoegen met dit boek.

Opperdan
6

Opperdan met Klaas Hoekstra

Voorwoord

Het woord opperdan werd vroeger meer gebruikt dan nu. Dat is ook wel begrijpelijk als men bedenkt dat het te maken had met het varen voor de zeilen. Als men aan lager wal was gekomen, hetzij door het vissen of door het draaien van de wind, dan moest men weer opperdan zien te komen. Bij slecht weer sprak men ook vaak: wij moeten zien om een opper te vinden, d.w.z. een goede schuilplaats voor het afwachten van de storm. Het woord opperdan werd op Urk ook wel gebruikt in de zin van vooruit komen. lets bereiken in het leven. Je best doen en dan het genoegen smaken, iets bereikt te hebben. Het tegenovergestelde van opperdan is aan lager wal raken. Als je voor de zeilen bezig was om opperdan te komen en het roer brak of er raakte een zwaard onklaar, dan kwam je in de problemen en raakte je, als je geen goede dreg of anker had, aan lager wal.

Bij het overdenken van wat nu een leuk verhaal voor het boek "Opperdan” kon zijn, kwam mij het volgende voorval uit mijn jeugdjaren in gedachten.

Zonder zeil gaat het niet zo best De teerling was geworpen. Op Urk was bijna iedereen in mineurstemming, want de Afsluitdijk was gesloten. De ansjovis en zuiderzeeharing kwamen niet meer in de Zuiderzee, die inmiddels in Ijsselmeer was veranderd, om kuit te schieten. De scheepjes waarmee op ansjovis en haring werd gevist, lagen doelloos in de haven. Sommigen waren helemaal afgetuigd, maar er waren er ook die nog gedeeltelijk onder zeil waren. De UK 13, eigenaar Jacob Wakker, was er eenvan. Met alleennog de fok aan het fokkestag, lag zij werkeloos in de haven. Op die dag echter niet voor lang. Er kwam nl. een groepje schooljongens varierend van 7 tot 9 jaar aangeslenterd. Het was woensdagmiddag en er was geen school. Een van die jongens was Klaas Wakker, zijn vader heette Ja-

7

cob Wakker en omhet nog duidelijkerte maken, ”TijmenWakker”, onze Zuid-Afrikaanse dominee, is een broer van Klaas en ook een zoon van Jacob Wakker. Klaas Wakker opperde het idee, om met de UK 13, een klein blazer model, wat te gaanvaren. Wij stapten met z'n vieren aan boord, hesen de fok en gingen voor de wind de westhaven uit, oostwaarts. Het duurde niet al te lang of we moesten een keus maken, de oosthaven in, of de nieuwe haven, of de havenmond uit naar buiten. Klaas Wakker, hij was de oudste van ons vieren, stond aan het roer. Hij was zo wijs om niet te kiezen voor de havenmond uit naar buiten, maar voor de nieuwe haven als einddoel. Er was een mooie bries, en het duurde dan ook niet lang ofwij naderden de wal. De fok moest neer en met alle middelen moest getracht worden om een te harde aanraking met de wal, te voorkomen. Gelukkig voor ons liep daar toevallig Auke Kaptein (een broer van Klaas en Kees Kaptein, de vissorteerders en IJsselmeervissers UK 262). Deze was een aantal jaren ouder dan wij en had ook reeds vaar-ervaring. Hij sprang aan boord en hielp ons het schip te keren. Wonder boven wonder waren er geen brokken. Ja, daar lagen wij dan. Helemaal aan lager wal in de nieuwe haven. Hoe moesten wij weer opperdan naar de westhaven komen? Een stukje trekken langs de wal zou wel gaan, maar tegen de wind in de oversteek maken met een flinke bries uit het noordwesten naar de westhaven was voor ons, schooljongens zonder enige zeilervaring, toch een te zware opgave. Terwijl wij zo aan het overleggen waren bood Auke Kaptein aan om samen met ons de UK 13 naar de westhaven terug te zeilen. Hij verdeelde de taken, twee man bij de fok en twee man bij de zwaarden. Laverende tegen de wind in moesten wij dan zien de westhavendam te bereiken. De wind was ruim uit het noordwesten, zodat de eerste slag over bakboord ons tot aan de vlettenhaven in het zuiden van de nieuwe haven bracht. Het door de wind gaan vlotte niet zo erg, omdat de vaart met alleen de fok op, niet voldoende was. Wij zakten dan ook een eind achteruit, en bij de slag over stuurboord kwamen wij weer precies terecht op de plaats waar wij begonnen waren. Deze manoeuvre hebben wij vier keer herhaald, maar het resultaat was steeds hetzelfde. Wij kwamen steeds weer terecht op de plaats waar wij begonnen waren.

8

Tenslotte besloten wij, anders zat er niet op, om de UK 13 in de nieuwe haven te laten liggen tot zich een gunstiger tijdstip aanbood hem weer op zijn oude vertrouwde plaatsje in de westhaven af te meren. Niet lang daarna heeft Klaas Wakker zijn vader het blazertje weer op zijn oude plaatsje teruggebracht en tevens, om herhaling te voorkomen, de fok afgeslagen en thuis opgeborgen.

Uit dit verhaal is ook een zekere lering te trekken, nl. dit: als je iets begint met te weinig middelen, loop je de kans om in plaats van opperdan, aan lager wal te raken. Omgekeerd kan het ook voorkomen dat men te snel op eenbepaald doel afgaat en dat men zich door het succes laat verleiden, en zichzelf voorbijloopt met alle gevolgen van dien.

Opperdan gaan is een goede zaak. Urk is ondanks alle sombere voorspellingen doorgegaan, en heeft wat opgebouwd dat alle respekt afdwingt. Oppassen is nu echter de boodschap. Laten wij zorgen dat wij niet te veel zeil gaan voeren, anders kapseist het schip of breekt de mast en zijn wij in de grootste problemen. Voor opperdan dienen wij met beleid te werk te gaan. Niet te veel zeil, maar ook niet te weinig. Dan zal het waarachtig wel gaan.

Een ongelijk span

Dit is een gezegde dat op vele situaties in het leven toepasbaar is. Denk maar eens aan het meest voor de hand liggende voorbeeld, een span paarden. Voor het gezicht, maar ook voor een zo goed mogelijk resultaat, is het nodig dat het span zo gelijkwaardig mogelijk is. Evenzo was het vroeger voor de zeilen, maar ook nu nog met motorvissersschepen nodig, dat een span vissersschepen er zo gelijkwaardig mogelijk uit ziet. Bij het spanvissen, ofdat nu was op ansjovis, op bot, op snoekbaars, op haring of andere vissoorten, werd dan ook altijd getracht gelijkwaardige schepen aan elkaar te koppelen. Soort bij soort, zou men zeggen.

In 1948 liet mijn vader een nieuw IJsselmeerkottertje, de UK 66, bouwen. Tezelfdertijd liet Jan Korf (Jan van Louwe) ook een IJsselmeerkottertje bouwen, de UK 168. Deze beide kottertjes waren naar dezelfde tekening, maar op verschillende werven gebouwd. Na het palingseizoen, vissen met de kuil,

9

Een mooie box schol in het Ketelhol.

1

werden de snoekbaarssleepnetten aan boord gebracht en werd samen met de UK 168 op snoekbaars gevist. Een uitermate gelijk span en de samenwerking was ook goed te noemen. Vanwege het feit dat de UK 168 liever voor de kust van IJmuiden viste en de UK 66 liever op snoekbaars wilde blijven vissen viel het span uit elkaar, en de UK 66 moest een andere spanmaat zoeken. Het was reeds halverwege het snoekbaarsseizoen en de meeste schepen van eenzelfde mo¬ del en grootte als de UK 66 waren reeds voorzien van een spanmaat.

De UK 23 van Gerrit Wakker (Gerrit van Marijtje van Gerrit Bakker en Hendrik van Hessel Wakker) een hotter, had ook geen spanmaat. Nood breekt wet, zo ook in dit geval. Overeenstemming was snel bereikt. De UK 66 nam alle netten aan boord en tijdens het vissen ook een bemanningslid van de UK 23, Hendrik de Vries (een zoonvan Jelle van schipper Riekelt). Op de UK 23 waren tijdens het vissen Gerrit Wakker en Tiemen Hakvoort van Albert van Tiemen, getrouwd met Heiltje, een dochter van Jawik (Nentjes) van Peter. Met wat aanpassingen en het afstemmen van het aantal zeilen dat gevoerdwerd, werd een redelijk evenwicht bereikt. De vangsten waren boven verwachting. Het ongelijke span ging goed van start. Wij waren zeer tevreden. De winter kwam en ijsvorming was oorzaak van een tijdelijke onderbreking van de snoekbaarsvisserij. Wij begonnen in het najaarvan 1949 en zetten na de winter-onderbreking in het voorjaar van 1950 de visserij voort. Het seizoen begon naar z’n eind te lopen. Wij waren in die tijd een beetje aan het zoeken en uitproberen in de geulen en aan de oplopende kanten van de geulen, want daar wilde de snoekbaars graag zijn, vooral als het IJsselmeerwater nog aan de koude kant was. Op een avond gingen wij naar zee om te vissen. Er was eenfikse bries en de wind woei uit het zuidwesten. Een gunstige wind om voor de zeilen de LemstervaartvanafEnkhuizen richting Gaasterland af te vissen. Bij het berekenen van de koers zouden wij dan langs de oostkant van het Vrouwenzand de geul die naar het haventje van Laaxum loopt, af kunnen vis¬ sen. Het was ons reeds eerder gebleken dat deze geul vooral als het water koud was, uitermate geliefd was bij de snoek¬ baars.

De UK 23 lag aan de westkant van de beug en de UK 66 aan de

11

oostkant. Het was dus noodzaak goed uit te kijken, en met de zeilen wat te manoeuvreren door de schoten wat aan te trekken en te laten vieren, om zo goed mogelijk in de geul te blijven.

Met een fikse bries was er echter een probleem. De UK 23 met zijn grote zeil, en de vorm van de hotter, trok de UK 66 iets mee west over, dus naar de kant van het Vrouwenzand. Om de minuut of 7 8 peilden wij met een lange boom de diepte en wij bemerkten dat wij keurig in de geul zaten. Hoe precies de positie van de UK 23 in de geul was konden wij niet bekijken, want er was altijd een afstand van zo ongeveer 300 a 400 me¬ ter tussen de beide schepen. De afstand om met elkaar te kunnen kommuniceren was iets te groot. Overdag werd met gebaren duidelijk gemaakt dat er gehaald moest worden enin de nacht gebeurde dat met lichtsignalen. Wat wij enigszins vreesden gebeurde ook. De UK 23 had ons iets te veelwest over getrokken en was precies op de oostkant van het Vrouwenzand terecht gekomen. De UK 66 had ruim voldoende, onder de kiel. Direct werd de motor gestart en wij trokken aan de netten oost over, en naar wij meenden ook de UK 23 weer in dieper water.

Toen wij echter goed keken bleek dat de afstand tussen de UK 23 en de UK 66 steeds groter werd, waardoor wij het vermoeden kregen dat de netten op een of andere manier gebroken of losgeraakt waren. Snel werden nu de netten door de UK 66 ingehaald. De kurken en het lood met netten en snoekbaars zijn, denk ik, nog nooit zo snel binnengehaald als die keer. Toen het laatste eindje binnenboord viel, bleek dat de netten niet stuk waren, maar dat op een of andere manier de netten van de UK 23 losgeraakt waren. Snel werd koers gezet naar de UK 23, die inmiddels weer midden in de geul lag. Na hem gepaaid te hebben, vernamen wij dat de houten hotter een aantal malen hard had gestoten en nu water maakte. De knecht, Tiemen Hakvoort, kon het op z’n eentje niet klaren. Wij manoeuvreerden zo dicht mogelijk naast de UK 23 en met een gro¬ te sprang, want er stond nogal een fikse wind en zee, sprongen twee man over op de plecht van de UK 23. Het waren twee jonge knapen, Hendrik de Vries en mijn broer Willem Hoekstra. In korte tijd had men de zaak in de hand, en met scheppen en pompen kon men het water de baas blijven.

12

De dikke sleepkabel (die tevens als ankertouw werd gebruikt) werd voor de dag gehaald en aan de UK 23 vastgemaakt, en er werd koers gezet naar Urk. De UK 66 was een ijzeren kottertje dat sneller voer dan de UK 23, een houten hotter. Op deze manier, doordat de motorvan de UK 23 ookvoile kracht meedraaide, werd de afstand vanaf het Vrouwenzand, dicht bij Laaxum, naar Urk, sneller volbracht. In de vroege ochtend werd de UK 23 zo dicht mogelijk tegen de werf van Hakvoort afgemeerd, zodat hi]' niet kon zinken. Toen het werfpersoneel aanwezig was is de botter direct drooggezet. Na het droogzetten bleek dat de schroefaskoker stuk was. De reparatie nam nogal wat tijd in beslag en het snoekbaarsseizoen liep op z'n eind, zodat die laatste rampreis tevens de laatste snoekbaarssleepreis was van de UK 23 en UK 66. Het ongelijk span dat zo goed begon, eindigde toch nog in mineur en op een onverwachte manier.

Naschrift

Urk is sinds beide voorvallen, jaren geleden, opperdan gegaan. De Noordzeevloot is aanmerkelijk uitgebreid. De mineurstemming, na de afsluiting van de Zuiderzee, is langzamerhand veranderd in eenjuichstemming. Kort geleden werd nog gesproken over het wonder van Urk. Een eilandje midden in de Zuiderzee, dat na de afsluiting gedoemd was om langzaam te sterven, bloeide op. De uitdaging om er toch nog iets van te maken werd aanvaard, en mondde uit in een opbloei van de visserij.

Urk groeide. De bevolking van ruim 3.000 zielen in 1932 nam toe tot ruim 13.000 in 1990. De visaanvoer nam geweldig toe, met daarbij de visverwerking. Veel arbeidsplaatsen in de visverwerking zijn gekreeerd. Er wordt een goede boterham in de visserij en in de visverwerking verdiend. Alleszins reden om dankbaar te zijn. Toch zijn er zorgen. De vrije visserij van jaren geledenbestaat niet meer. Veranderingen op het terrein van de politiek hebben hun intrede gedaan. Nederland is lid van de EEG. Dit betekent dat beslissingen op economisch gebied, de landbouw en de visserij betreffend, niet meer door Nederland alleen, maar door de gezamenlijke lidstaten van de EEG genomen worden.

Den Haag bepaalt niet meer hoe een visserijbeleid gevoerd

13

gaat worden. Nee, dit wordt door de EEG-ministerraad besloten. De gevolgen van deze beslissingen zijn duidelijk voelbaar. Ik ben het met de critici eens: de besluiten zijn niet altijd duidelijk. En naar mijn mening zijn zij ook niet altijd zo geweest dat Nederland zijn gerechtvaardigd deel heeft gekregen. Er zijn bij de onderhandelingen vaak politieke beslissin¬ gen genomen die voor Nederland ongunstig waren. Daar is op dit ogenblik weinig aan te veranderen. Een ding daar zullen wij nu naar moeten streven. Gelijke monniken, gelijke kappen. Als er in Nederland streng gecontroleerd moet worden, oke. Maar dan ook in de andere EEG-landen. Niet de eigen vissers streng en de andere EEG-vissers maar zo-zo. Nee, danvoor iedereen en allemaalhetzelfde beleid. Als dat gebeurt, dan ben ik niet bang voor de Nederlandse visserij. Dan mag er nu een stilstand en misschien wel een kleine achteruitgang zijn. Dan gaan wij straks, net als 58 jaar geleden, langzaam weer opperdan.

K. Hoekstra
14
Urker schuiten voorRotterdam.

Een kleine jongen droomde

(gezongen op de reciteervereniging Dindua)

Een kleine jongen droomde van varen met een hotter op zee, En als hij dan de hotter aan zag komen, dan zei hij zacht: Daar vaar ik ook mee mee.

Toen hij van school af was gegaan, toen ging hij mee aan boord als derdeman, Hij waste daar de potten en de pannen en zorgde goed voor olie in de kan.

En was er vis gevangen, dan hielp hij mee, net als een grote vent. Hij sjouwde met de kisten en de manden, al had hij van de gulden maar drie cent.

Toen hij drie jaar gevaren had, had hij het al gebracht tot eerste knecht, Hij dacht nu ook al aan een Urker meisje als hij de kor herstelde op de plecht.

En was de schuit in voile zee, dan waren zijn gedachten er niet bij: Hij zag zichzelf dan met zijn meisje lopen, samen op Top, zo stevig zij aan zij.

De oorlog kwam in Holland: Er werden mijnen in de zee gelegd.... Het vissen werd hierdoor nu zo gevaarlijk, en elkeen dacht: het varen wordt nu slecht.

Hij voer toen als de schipper het zeegat uit met een bemande schuit. Een mijnenveld.... de hotter vloog aan splinters, een ogenblik.de zee die nam zijn buit....

15

Het eiland was verslagen, men leefde mee, een ieder was bedroefd. De zee die geeft, maar komt ook offers vragen; het bittre lot der vissers wordt geproefd.

16
Model Noordzeebotter van J. Loosman Lzn.

Over verdrinken gesproken

Klaas Post

Op 24 augustus 1908 ben ik geboren. Hoewel ik erbij was, kan ik daar niets over zeggen. Wei weet ik dat ik flink groeide. Als grote jongen kwam ik vaak bij mijn bessien Klaosien van Tiemen. Ze kon goed vertellen. Zo hoorde ik, hoe het gegaan was met mijn beabe Klaos van Jaawk Boos. Hij had samen met zijn broer Wiecherd een grote blazer. In het voorjaar visten ze op haring en 's zomers voeren ze met potten en pannen. Ze kwamen daarbij zelfs in Rotterdam en op Norderney. Toen ze een keer op weg naar dat eiland waren, begon het heel hard te stormen. Boven de Amelandse gronden brak het roer. Zij dreven op de kust aan, strandden en de blazer sloeg aan stukken. De mannen brachten er wel het leven af, maar waren er niet best aan toe. Mijn beabe kwam ziek thuis, bleef sukkelen en stierf op 38-jarige leeftijd. Dat betekende armoede in het gezin. Hoewel mijn grootouders van Schokker afkomst waren, kwamen ze niet in aanmerking voor Schokkergeld, omdat ze al op Urk geboren waren. Mijn moeder was pas 14jaar, haar broer Jacob 16 enTijmen Wakker 10 jaar. (Tijmen Wakker (Maroetie) uit Zuid-Afrika is naar hem genoemd.)

Ze begonnen een groentenwinkeltje, maar die waren er al genoeg op het eiland. Mijn moeder reed met een kruiwagen kool door de buurt: vijf voor een dubbeltje. Nu kwam er ook wel eens een schuit met alle soorten kool uit Broekerhaven op Urk, maar daar waren de plaatselijke groenteboeren het niet mee eens. Toen er op een keer weer zo'n schuit kwam, riep een groenteman tegen de belangstellenden. „Mensen, koop die groente niet. Die is gegroeid op het Broekerhavens kerkhof. Daarom is de kool zo goedkoop". Nou, en toen wou er geen mens die kool hebben. Maarja, kinderen worden groot en mijn moeder ging dienen bij een boer in Andijk. Ze mocht elke maand even naar huis en kreeg dan een halve varkenskop en een grote kaas mee. En daar kon mijn bessien dan de Heere zo hartelijk voor danken.

17

Moeders broer Jacob kreeg een huur bij Teunis van Jaawk boos en trouwde met zus van Nanne de Slachter. Tijmen ging ook varen op de UK 246. In het laatst van april gingen ze haringnetten schieten. Het was vroeg in de morgen en stormachtig weer. Tijmen zat nog brood te eten bij zijn moeder. Hij kreeg net zijn eerste snee brood, toen Jacob hem ophaalde om eruit te gaan, omdat de wind wat was afgenomen. Het was nog wel vlagerig, maar de buren waren er ook al uit. „De tweede boterham eet ik straks wel op’’, zei hij tegen zijn moe¬ der, maar dat „straks” is nooit gekomen. Ze zeilden de haven uit met het rif in de geifof, met halve zeilen dus. Maar net buiten de haven, zo ongeveer bij de Makjan nu, kwam er weer een bui aanzetten. Het „gauw de fok heerhalen" kwam te laat; de noordenwind was vlugger en de schuit ging om. Daar zaten ze toen met z’n drieen op de omgekeerde schuit. De wind wakkerde nog aan tot zware storm. Er rolde een hoge zee aan en die nam Tijmen mee. Ze riepen nog tegen’m dat-ie de vlet moest pakken, die met een lang touw achter de schuit aansleepte. En werkelijk, hij kreeg het touw nog te pakken, maar toen schoot de vlet vooruit en Tijmen eronder. Hij kwam niet meer boven. Nauwelijks 15 jaar oud lag hij al op de bodem van de zee. Wat moeten die twee op de omgekeerde schuit toen niet gedacht en doorgemaakt hebben. Maar toen kwam er hulp opdagen, tenminste dat dachten ze. De UK 88 van Riekelt van Klaas van Leendert was een groot schip met een nieuwe vlet en flinke mensen aan boord: Jan van Jenne en Pieter Schraal. Die gingen in de vlet en lieten die op het wrak aandrijven, maar het touw was net te kort. Riekelt kon het laatste eind niet meer houden en het glipte uit zijn handen. Hij was toen alleen aan boord en verdaagde toen in Kampen.

De twee mensen in de vlet werden gered en kwamen behouden op Urk. Maar nog zaten er dus twee op de omgeslagen schuit. Zij smeekten de Heere om hulp: Red toch onze arme zielen. En weer kwam er hulp en wel van een kleine hotter, de HK 48. Schipper Petersen deed net als de UK 88 gedaan had en slaagde erin de uitgeputte mannen te redden. Hij bracht ze in Harderwijk.

Dat maakte mijn Bessien mee. Ze verloor twee meisjes van 1 en 5 jaar en haar jongen. En toch kon ze op haar sterfbed nog

18

zeggen. Romeinen 8 tot het einde. Tijmen verdronk op 1 april 1909, in de maand dat prinses Juliana geboren werd. Over verdrinken gesproken. Mijn broer Jelle voer bij mijn oom Auke Koffeman op de UK 65. Die hotter vervoerde in het voorjaar haring van Urk naar Harderwijk. Albert, zijn zoon was ook aan boord. Op 1 april 1929 kwam Albert mijn broer Jelle halen, omdat er een vracht haring die op Urk verkocht was naar Har¬ derwijk moest om daar gerookt te worden. Albert kwam er lachende bij ons in, maar mijn moeder was niet zo vrolijk. Ze zei tegen hem: „weet je wel dat hetvandaagtwintigjaar geleden is, dat mijn broer Tijmen in de Zuiderzee verdronk?" En wie kon weten, dat Albert diezelfde dag hetzelfde lot zou treffen? Ze gingen om een uur oftwee met een flinke bries de havenuit en voor de wind op Harderwijk aan. Ze moesten het zeil wat laten zakken. En toen gebeurde het. Albert sloeg overboord. Mijn broer zag hem nog even boven komen en gooide hem nog een touw toe, maar het was al te laat, hij ging onder de hotter door en kwam niet meer boven. En de hotter, zwaar beladen met kisten haring, moest zonder Albert op de haven aan. De nacht werd in Harderwijk doorgebracht. ’s Morgens gin¬ gen ze met een hele ploeg Urkers vissen om het stoffelijk overschot van Albert. Zelf voer ik toen op de UK 57 van Frans Kra¬ mer. We hadden de vis in IJmuiden gelost en ik had koffie gekookt en zei dat ik wel op de vis zou passen in de afslag als zij koffie dronken. Toen zag ik een paar mannen praten en naar mij kijken. Toen ik naar hen toe liep zwegen ze. Even later zeiden ze dat er een ongeluk was gebeurd en dat de UK 35 een man had verloren. Wat jammer, dacht ik, want die mensen kende ik goed. Maar toen besefte ik dat het de UK 35 niet kon zijn, daar die geen vrachten haring vervoerde, maar de UK 65 wel. Toen Frans, te¬ gen wie ik niets gezegd had, later aan boord kwam, vroeg hij hoe oud mijn broer Jelle was. Ik zei: 20 jaar, net zo oud als Al¬ bert. En toen zei hij, dat er bij Aukien een overboord gevallen en verdronken was, maar hij wist niet wie. Dat was een vreselijke onzekerheid voor mij. De schipper zei toen, dat ik de mo¬ tor maar vast moest laten draaien en dat we er langs gingen varen om mee te vissen om het lijk. Toen wij op de plek kwamen, waren al heel wat met de kuil of de kor aan het vissen. Twee dagen visten we met een boot voor niets en toen gingen we moedeloos op huis aan. Albert

19

was mijnneef en vriend, een knappe, grote jongenvoor zijnjaren. Na drie weken is zijn lichaam toch gevonden en op Urk begraven. Mijn oom Tijmen was na drie weken ook gevonden door de UK 91 van Frans van Willem de Gooier. Met zijn broer Jacob voer ik met zijn veertiende jaar op de log¬ ger en toen hij 55 was op de UK 53. En toen moest ik hem op de Noordzee achterlaten. Hij raakte overboord en verdronk voor onze ogen. En dat zijn dingen die je nooit meer vergeet.

20

Een ramp op zee bracht rouw op het land

Hoe menig' Urker vond zijn graf toch in de schoot der golven, wanneer zijn schuit met man en muis voor altijd werd bedolven.

En als de jobsboo't had gemeld, dan kwam er diepe rouw die veel verdonkerd’ aan de dracht en't meest wel bij de vrouw.

Dan kwam het kantwerk van de hul er niet meer aan te pas, en werd het witte achterstuk bedekt met zwarte das.

De gouden spelden, haken, slot.... 't werd alles afgelegd en onopvallend zilverwerk aan hals en hul gehecht.

Voor gladde zij kwam dof tebee, bedekt werd het damast; de lichte kraplap, ’t bonte schort verdween in lade en kast.

Tenslotte zette d’ Urker vrouw dan nog een rouwhoed op met brede, zwartomboorde rand en gelig strooien kop.

Bij mannen viel de rouw niet op: zij gingen reeds in 't zwart; het sieraad slechts werd afgelegd, het leed bleef in het hart.

Een Urker gaf de doden eer door lang en zwaar te rouwen, maar, mits verzorgd, misstond het geen der vele weduwvrouwen.

22

Rampen op zee

Rampen op zee spraken wel bijzonder tot de verbeelding en brachten menigmaal de pennen van poeten in beweging. Enige voorbeelden: Op 4 en 5 maart 1651 vergingen 6 Maassluizer schepen, waarbij tussen de 60 en 70 vissers verdronken! Als de weduwen klagen:

Wie zal de kost nu voor ons winnen, nu wij leven zonder man?

dan wordt haar toegevoegd:

Denkt dat de Heer uw man verheven Veel liever heeft gehad als gij, Want hij nu in een beter leven Gevoerd zal worden; zijt dan blij. Beveelt uw God en Heer de zake, Die zal het wel ten beste maken.

In 1766 verongelukte door een aanvaring een beurtschip, dat onderweg was van Amsterdam naar Hasselt. Bijna 60 personen verloren daarbij het leven. De dichter eindigt aldus.

Bewaar, o Heer, ons Nederland Voor brand en watervloeden. En toon vooral uw goede hand In zulke tegenspoeden. Leer ons op U betrouwen, Zo zijn wij vast behouwen.

Een Terschellinger predikant, die het vergaan van een loodsboot beschreef, begon in 1869 aldus zijn gedicht:

Ziet gij daar ginds die vissersvloot, Een dubbel honderd mastental,

23

Van hier, van Urk en Vollendam Wei vrolijk zeewaarts spoen, Om voor een schamel stuksken brood Met zweet doorweekt en bovendien Met kleverig pekelschuim bespat, Uw tafel wel te doen?

Het gedicht werd uitgegeven ten voordele van de omgekomen bemanning. Op Urk trokken vooral de rampen van 1868 en 1883 diepe voren in de kleine dorpsgemeenschap.

1868 Een vreeselijke zeeramp. Ingezonden (De Bazuin van 22 mei 1868) Weent met de weenenden, weent met ons die bitterlijk weenen. De geweldige storm, die woedde uit het W.N.W. in den nacht van maandag op Dingsdag den 28 April j.l., was voor ons arm eiland en gemeente van ontzettende gevolgen. Een zeeramp trof ons, die zijn weerga hier niet heeft en daarom de grijsheid niet heugt. In Junij 1833 verloor ons eiland 7 schuiten en 6 menschen. In de laatste 5 jaren verongelukten er verscheidene van onze visschers, bij de zee in 1864 zelfs 8 menschen en 2 schuiten en vele anderen bekwamen meerdere ofmindere schade: een stoffelijk verlies, dat voor ons eiland groot is, temeer omdat er niet gedeeld wordt in eenige assu¬ rance, hoe ook genaamd. Doch, ware het dit nog alleen, dan was het goed verlies; maar al kan het onze pen ook bijna niet ter neer schrijven, nu zijn er niet minder dan 26 personen, bra¬ ve huisvaders en nijvere jongelingen bij die zoo bittere ramp omgekomen, welke, naveel inspanning vanhet zoo dreigende gevaar van alle kanten, roepende nog met opgeheven handen, vastklemmende aan stutters, boomen en andere drijvende voorwerpen, hun dood in de woedende golven vonden. Zij waren in een den tijd van weinige uren uit hun arbeid in de ontzachelijke eeuwigheid. Welk een gedachte! Welk een ramp! "Gaat het ulieden niet aan? Schouwt het aan en ziet of er een smart is gelijk onze smart, die ons aangedaan is, daarmede de Heere ons bedroefd heeft. Ach wat maken het onze zonden ons bitter; deze bitterheid raakt diep tot onze harten. De verongelukten zijn: Gerret Koffeman, 64 jaren, lid onzer ge¬ meente, die omkwam met zijn zoon Jacob Koffeman, 32 jaren, ook behoorende tot de gemeente en zijn breeder Albert Koffe-

24

man, lid der Herv. gemeente.

Hendrik Brands, 52 jaren, lid onzer gemeente, verongelukt met zijn zoon Johannes Brands, 22 jaren en zijn knecht Gerret van den Berg, behoorende bij de Herv. gemeente. Nog een zoon van hem, Willems Brands, kwam om bij een anderen schipper.

Johannes Kamper, 52 jaren, lid der gemeente, die omkwam met zijn beide zonen Anthonie Kamper, 22 jaren en Klaas Kamper, 16 jaren.

Jacob Kramer, 46 jaren, lid onzer gemeente kwam om met zijn zoon Jan Kramer, ruim 13 jaren en zijn knecht Maarten Post, lid der Herv. gemeente.

Lubbert de Vries, 34 jaren, lid der gemeente, die verongelukte met zijn knecht Hendrik van Slooten, lid onzer gemeente en zijn zoon Symen van Slooten, 12 jaren.

Jelle J. Molenaar, 28 jaren, die omkwam met zijnknecht JanD. Korf, 23 jaren enAlbert P. Kramer, 13 jaren, behoorende bij onze gemeente.

Hendrik Pasterkamp, 39 jaren, behorende tot onze gemeente, verongelukte met zijn zoon Lubbert Pasterkamp, ruim 12 ja¬ ren en zijn knecht Hendrik Pasterkamp, 24 jaren.

Jan Baarsen, lid der Herv. gemeente kwam om met zijn zoon Klaas Baarsen en W. Brands, zoon van den verongelukten H. Brands. Dezen zijn met hunne schuiten bij het naarbinnen komen uit de Noordzee, tusschen de eilanden Vlieland en Terschelling, totaal verbrijzeld.

Jacob Timmerman, 67 jaren, lid onzer gemeente, is met een stortzee uit zijn schuit geslagen en verdronken; zijn schuit mocht met zijn zoon en zwager Gode zij dank! gelukkig bin¬ nen komen.

Luut Kamper, behoorende bij onze gemeente, 26 jaren, is bij zijn broeder uit de schuit geslagen en omgekomen. Zijn bree¬ der mocht het gelukken met den knecht behouden binnen te komen.

Is de ramp van Genemuiden door den verwoestende vlam, die als vuurarm zich wijd en breed uitbreidde, groot verlies van goed: hier geldt het bloed 26 menschen en goed beide. Mocht dan veler deelneming door daden blijken om nog een traan te droogen.

In die zeeramp roept de stem des Heerentot ons arm eiland en gemeente want Zijn naam ziet het wezen Hoorden wij de

25

roede en wie ze besteld heeft! Ach! leerden de inwoners vragen: "Heeft de Heere ook een twist met ons?” en elkander opwekken: laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken en laat ons wederkeeren tot den Heere.

De stormwind giert door het want. Om steun voor de nabestaanden te verkrijgen schreef ook K. Koffeman, onderwijzer op Urk, twee keer een gedicht, toen in 1868 zoveel vissers van het eiland het leven verloren. Het eerste bevat niet minder dan 50, het tweede zelfs 55 strofen. Er waren voorheen oude vissers die ze uit het hoofd wisten voor te dragen.

't Was op een maandag in april Dat onze vloot ging varen; Het was nog in den morgen vroeg, Men dacht aan geen bezwaren.

Koffeman schildert het verdrinken van de vissers aldus:

Men zag vaders met hun zonen Zo nog in hun bezigheid, Door de woede van de golven Weggerukt naar de Eeuwigheid.

O, dat roepen en dat kermen, Zonder hulp te kunnen bien, Neen, hij zal het nooit vergeten Die dit schouwspel heeft gezien.

Men zag hen nog op stukken hout Uit't water zich verheffen, Of men ook in dit doodsgevaar Een helper aan mocht treffen.

Dan vraagt de dichter zich af:

Wie zal nu de tijding brengen Aan hen die dit lot genaakt, Daar het op dit kleine eiland Dertien weduwvrouwen maakt?

26

Hij eindigt met een oproep om milddadig te zijn:

Mocht deez' ramp het medelijden

Der gegoeden in ons land Voor de weduw gaande maken, Tonen dit met milde hand.

Het tweede gedicht (door Koffeman een eenvoudige herinnering genoemd) is meer een jaaroverzicht en een preek. We citeren er uit:

Laat ons eens zien, wat weg de Heere Dit jaar met ons gehouden heeft. De reden zijn zo menigvuldig, Dat’t stof tot overdenken geeft.

Op 26 februari werd een visser van het roer geslagen en verdronk. Dan volgen de verschrikkelijke aprildagen met 26 doden.

Die dagen, toen de maar kwam klinken: "Daar zijn er zesentwintig weg, Ik heb er zelf van zien verzinken, ’t Is droeve waarheid wat ik zeg. ”

Ge herinnert u die droeve dagen, Toen men hier zag geklaag, geween, Elk was zo treurig en verslagen, Zodat men zelfs niet wist waarheen.

Koffeman vraagt naar de oorzaken van dit alles:

Waardoor geraakten wij in rouwe?

Door’t tarten der Voorzienigheid? Door onkund' onzers vissers wellicht? Neen! ’t Was bepaald van eeuwigheid!

En leidde deze beproeving tot betering van leven?

Hier geen vernederen, daar geen bukken, Geen luisteren naar des Heeren Woord.

27

Hoe zwaar ook’s Heeren hand moog’ drukken, Men gaat toch in de zonde voort....

Er volgde een hete, droge, zorgvolle zomer. De gevangen vis ging spoedig tot bederf over. Het weiland verdorde. Drinkwater moest met schuiten uit de IJssel gehaald worden. Daarbij kwam een jongeman om het leven. Schaarste en koorts teisterden de eilanders. Er werd een bidstond gehouden.

En God, de hoorder van’t gebed, Heeft hen, die op Zijn gunst vertrouwden, Aanschouwd, verhoord, en ons gered.

O, hoe beschamend voor degenen, Die menigmaal hebben gezegd (En dat met morrend murmureren): "Neen, ’t komt nu nimmermeer terecht..."

Het sluit af met een gebed: Schenk ons vergeving onzer zonden, Leer ons betrachten Uw geboon, Wil ook genezen onze wonden Door’t dierbaar bloed van Uwen Zoon.

Leer ons dien dierbren Jezus minnen, Te zoeken als het hoogste goed; Opdat wij mogen Hem behoren, Met de gekochten door Zijn bloed.

C. de Vries (1867-1949) scheef over ongevallen op zee het volgende:

„Als schooljongen ging ik in de vakantie eens „voor plezier” mee uit kuilen. Op enigen afstand ten zuiden van ons zag ik een andere schuit, die door een „dweer” overvallen werd en omsloeg. De schipper verdronk. Den naam van den man, Jan van Dirkien, vergeet ik nooit. Een anderen keer zag ik bij een jagenden storm en hoog wa¬ ter, zodat de palen van den havenmond slechts enkele duimen

28

boven stonden, een schuit, al op en neer geworpen, den havenmond naderen. Zij werd met den boeg op een paalkop gesmakt, stuitte toen terug en begon weg te zinken. Met grote moeite werden de opvarenden gered en de schuit in een hoek naast den raond gesleept.

In het jaar 1881 werd een jonge schipper, die met zijn voor het eerst gebruikte nieuwe schuit op de „Terschellinger visgronden” was, overvallen door een storm, die zijn vaartuig omhoog en omlaag wierp, het toen dwars op een golf zette en het daarna op zijn ene zijde wierp. De drie opvarenden hadden zich vast kunnen houden en vochten nu, geklampt aan de bo¬ ven liggende zijde van de schuit, met de kracht der wanhoop tegen de over hen heen rollende „zeeen".

Van een andere schuit had men het vreselijk gebeuren gezien. In plaats van alleen op eigen behoud bedacht te zijn, trotseerde men daar de elementen, om, zo mogelijk, de schipbreukelingen te redden. Zo goed als het kon, stuurde men de eigen schuit zo dicht bij het omgeslagen vaartuig, dat een lijn kon worden uitgeworpen; maar helaas!. die miste, en de reddende schuit schoot als een pijl voorbij. Nog eens dezelfde poging! Toen wist de schipper het touwte grijpen. Hij sloeg meteen een bocht om zijn lijf en moest die gesloten houden, door zijn vingers in een lus te steken. Het afhangende einde van het touw kon door den knecht worden gegrepen en meteen werden de twee mannen door de voorbijvliegende schuit van het wrak getrokken en meegesleurd. Bij rukken werd de lijn binnengehaald, en schipper en knecht waren voor't ogenblik gered. Toen men nog eens omzwaaide, om, als het kon ook den derde man te redden, was van den ongelukkige niets meer te bespeuren. Men vreesde, dat het naar voren gedraaide zwaard hem in de golven had geslagen. Enhij had, dachten de schipper en de knecht, nog wel de „beste” plaats gehad.

Een paar dagen later hoorde ik den geredden schipperhet verhaal van zijn wedervaren aan zijn moeder vertellen. Hij besloot met de woorden:

„De Heer wou mij wel hard kastijden, Maar stortte mij niet in den dood, Verzachtte vaderlijk mijn lijden En redde mij uit alien nood".

29

het vissersdorp.

Bij alle gebreken, die dit vissersvolk mogen aankleven, vinden zulke woorden weerklank in de harten. ”

1883

Na de ramp in 1883 werd een "gebed voor de Urker vissers" vele malen in de kerk gezongen op de wijs van ”Uren, dagen, maanden, jaren”. We geven hier het eerste couplet:

Schenk, o Heere, Uwen zegen Aan de Urker vissersvloot, Blijf hun bij op al hun wegen, Help hen in gevaar en nood. Ach, wanneer de golven woeden, Om hun schepen henenslaan, Wil ze dan, o Heer, behoeden, Hoor hun bee goedgunstig aan.

As de dea it skip berint, Dan is der gjin untkommen. O wetter. O wif elemint! De se hat jown, hat nommen.

Dit staat te lezen op een heel eenvoudig, van bazalt-stenen opgebouwd monument op de dijkkruin bij Moddergat, in het noordoosten van Friesland. Van die plek staken in 1883 22 schepen in zee, bemand met 109 vissers, maar bij de storm van 6 maart vergingen 17 schepen en verdronken 83 mannen. Het was een ware ramp voor de kleine gemeenschap van Paesens en Moddergat. Eenzelfde ramp trofhet eiland Urk, waar 8 schuiten vergingen en 28 oude en jonge vissers in de golven omkwamen. Er waren in een slag 17 weduwen en 52 wezen. Ook 1868 was al zo’n rampjaar geweest. Toen "bleven” in een dag 26 vissers en bleven er 13 weduwen in kommervolle omstandigheden achter. Er is berekend, dat tussen 1865 en 1904 niet minder dan 210 Urkers in de golven omkwamen. Meestal werden de lijken nimmer gevonden. "Als men zijn dierbaren omgekomen wist in de golven, dan was het steeds het verlangen, en het gebed ook, dat de lijken mochten worden gevonden en op het eigen kerkhof mochten kunnen begraven worden. Dit gebeurde niet

31

altoos, ja, zelfs weinig. In april 1899 werd het lijk van Jacob Kamper op Urk gebracht. Toen kwam in herinnering, dat ook zijn beide grootvaders, zijn vader, zijn broers en bijna al zijn ooms en neven in zee waren omgekomen als hij, en dat niet een van die alien op Urk had kunnen worden begraven. ” (C. de Vries).

Voor een bevolking van nog geen twee duizend zielen waren het slagen die hard aankwamen. Eerst was er vaak een martelende onzekerheid na de storm. Dan begonnen schaars de berichten binnen te komen. Als de dominee zich met een ouderling op straat begaf, viel er een stilte op straat en werd hij angstig nagestaard. Hij was steeds de Jobsboo, die de "tinge” kwam brengen; zijn moeilijkste ogenblikken. Wat waren de gevolgen voor de getroffen gezinnen? Dadelijk werden de ramen met lakens gesloten, en ze bleven dat maanden, soms zelfs meer dan een jaar.De zwarte rouwkleren werden aangetrokken, en er waren vrouwen die door een aaneenschakeling van ongevallen in de familie nooit meer uit de rouw kwamen; er waren gezinnen die onafgebroken onder een zware druk leefden. Mannen die ternauwernood ontkomen waren wilden soms niet meer naar de Noordzee; ze beperkten zich dan tot de toch ook niet ongevaarlijke Zuiderzee, of werden "landman", dat was dan meestal een combinatie van veehouder, bakker en kruidenier. Maar de jongens en de moedigen bleven de Noordzee bevaren. Ook de Volendammers bevisten in de vorige eeuw nog de Noordzee. Ook zij leden verliezen. Toen omstreeks de eeuwwisseling hun "voorman”, bij Terschelling "bleef”, verdwenen zij van de Noordzee en beperkten zich tot de binnenzee. Dat is, op een enkele uitzondering na, een halve eeuw zo gebleven. Momenteel is er weer een aantal Volendammer schepen dat "buiten” vist.

Midden vorige eeuw had de Christelijk Afgescheiden Gereformeerde Kerk een predikant die Urker van geboorte was. Hij kende de noden van het vissersvolk door en door. Op zijn voorstel besloot de kerkeraad om jaarlijks een biddag en een dankdag voor de visserij te houden. Door de Hervormde Gemeente werd de viering op de duur ook meegemaakt en sindsdien is de viering een vaste traditie op het eiland, waaraan niemand

32

zich licht onttrekt. Het kwam niet zo vaakvoor dat op de Dankdag, eind december, niet aan op zee gebleven herinnerd moest worden. Bij begrafenissen van verdronken en gevonden vissers liep haast de hele bevolking mee naar het kerkhof. Bij het zoeken naar verongelukte schepen deed ook de hele vissersvloot mee. In elk kerkgebouw op Urk hangt een schip.

Op het vinden van een lijk door vreemdelingen werd een pre¬ mie gesteld. Geen Urker vrouw verzuimde in het roodbaaien hemd de initialen van de man en de zoon aan te brengen; ook in de kousen gebeurde dit wel. Was een lichaam gevonden, dan ging een familielid op reis om het te indentificeren. Als bijzonderheid wordt vaakverteld, dat de neus van de drenkeling begon te bloeden zodra de broer of vader zich over hem heen boog. Algemeen wordt ook aangenomen dat een naar de bodem gezonken verdronkene bij een onweersbui gaat drijven.

C. de Vries vermeldde het volgende:

„Gelijk in andere vissersplaatsen viel ook op Urk in dagen van storm, als men de vloot „buiten” wist, een beklemmende angst op de harten. Waar zou de slag vallen? Wie zouden in rouw worden gedompeld? Lang duurde de martelende onzekerheid, doordat Urk geen andere verbinding met den „wal" had dan het scheepsverkeer. Kwamen er mensen uit den „zeeslag" thuis en wisten ze iets van onheilen, dan hadden zij het ook moeilijk. Hun eerste gang was dan naar de woning van hun dominee.... En even later zag men dan denpredikant, gewoonlijk vergezeld van een ouderling, de pastorie verlaten. Waar zouden ze binnengaan? Soms was toch de mare reeds tot de in rouw gedompelde familie doorgedrongen en vonden de ambtelijke boodschappers de gordijnen daar reeds neergelaten. Dat verlichtte althans enigszins huntaak. Maar het kon ook zijn, dat het plotseling bezoek uitbarstingen van smart veroorzaakt, waarbij wel een stenen hart breken moest. Toch hadden de rouwboden bij het vervullen van hun moeilijke opdracht steeds een groten steun in de diep gewortelde volksovertuiging: Niets bij geval; God doet het al. En wie zal tegen God opstaan en zeggen: Wat doet Gij?”

33

„Ds. Lieftinck vond bij zijnbezoek aanUrk in 1874 ineen verlaten hoek van het kerkhof een zerk op het graf van iemand, die „met 25 anderentussen Vlieland en Terschelling verdronken" was.

Van 1865 tot 1904 kwamen niet minder dan 210 Urkers in de golven om.

Inderdaad, door den visserman wordt de vis te duur betaald! Gelukkig behoefde er bij zeerampen over het meeleven van mensen buiten Urk nooit te worden geklaagd. Toen na de ramp van 1883 op Urk de „ Veieeniging tot ondersteuning van behoeftige weduwen en kinderen van in zee verongelukte visschers der gemeente Urk" was opgericht, bracht weldadig Nederland een kapitaal bijeen van niet minder dan 58000 gul¬ den alleen voor Urk, terwijl het andere door den storm getroffen plaatsen toch niet vergat. Uit het toen gestichte fonds werden de in 1883 getroffenen geregeld gesteund, terwijl la¬ tere slachtoffers nog een uitkering voor eens ontvingen. De heer E.J. Hakvoort was tot zijn dood de verdienstelijke penningmeester van het fonds.”

Ook in deze eeuw is heel wat gerijmd en gedicht over en bij ongelukken op zee. Tussen de beide wereldoorlogen was het Mariap van Urk, kleindochter van de al meer genoemde meester Klaas Koffeman, die de erenaam "dorpsdichteres” verwierf. Van haar is o.m. het gedicht op het vergaan van de Scheveningen 68 in de pieren van de thuishaven. We laten het hier volgen:

Als de S.O.S. berichten Suizend door den aether gaan; Als op aller aangezichten Zenuwen der „spanning” staan;

Als de stormwind fluitend, rukkend Aan het touw van elken mast, ’t Netwerk scheurt in duizend stukken, Wordt het bang den varensgast.

34

Als men denkt, reeds in de pieren (’t Zoar der Behoudenis)

Even nog den schoot te vieren.... Dan een ramp en.... droefenis.

Scheveningen 68.... Radio wordt aangezet....

En een vreugdeschok doorhuivert ons dan.... negen man gered.

Ach, helaas.... vier blijven achter.... Jan den Heier, Wout Verbaan, De matrozen Vink en Kuiper, Zijn bij deze ramp vergaan.

Zouden nu de visschersvrouwen Van een eiland in de zee, Niet in uwe smarte rouwen, Starend op uw diepgaand wee?

Wout de Jong, las ’k in de kranten, Jongetje van elf jaar! Tranen mij in d’ oogen sprongen.... Ach, zoo jong reeds in gevaar?

Kunnen wij die vrouwen troosten? Ieder voelt, dat kan ik niet! Staam'lend kunnen wij u spreken Van een zalig ver verschiet.

In de Stad der Paarlen Poorten, In het Nieuw Jeruzalem, Waar de tranen uwer oogen Worden afgewischt door Hem,

Die uw leed wil helpen dragen En uw Heelmeester wil zijn; In die Stad, vol Hemelvreugde, Daar, daar zal geen zee meer zijn.

35

Kopstukken van de Cooperatie. Visseis aan de arbeid.

Bij rampen verschenen er niet alleen verslagen in de couranten, maar ook gedichten. Er zou een bundel van zijn samen te stellen. Uit "DeNoordoostpolder” van 1 maart 1967 nemen we het gedicht over dat GeMaVa wijdde aan de U.K. 223.

De stormwind gierde door het want, zij was belust een graf te graven voor’t vissersscheepje, dat bemand, koers zette naar het veilig strand, om rust te vinden in de haven van't moederland.

De schipper stond strak aan het stuur, hij zag, ver weg in zijn gedachten, zijn thuis, voorbij de watermuur, waar, bij de krachten der natuur, de huisgenoten biddend wachtten van uur tot uur.

De golven beukten met haar kracht, hoog opgezweept tot reuzenbergen, de kotter, speelbal van hun macht, hij werd tot slot een prooi geacht die, dood-vermoeid na al dit tergen zijn einde wacht.

Hij ging ten onder in de strijd, gehavend en kapot geslagen, vijf schippers werd een graf bereid, hun haven werd de eeuwigheid, waar angst en pijn voorgoed wordt weggedragen en niemand tranen schreit.

We sluiten dit hoofdstuk af met een gedicht van Hendrik Kra¬ mer (1937-1976):

BIJ HET VISSERSMONUMENT

Nog een blik achterom, Is daar nog een stip?

37

Is het ijdele hoop, Of is het een schip?

De vrouw schudt het hoofd nu Ze gaat maar naar huis, En weet in haar hart, "Hij komt nooit meer thuis".

Want het scheepje zo klein De wind woei zo hard, De hoop is verdwenen, Wat blijft is de smart.

Te vaak hebben vrouwen Hier wachtend gestaan, Na de storm en ’t gerucht: 'Een schip is vergaan’.

Hun vraag aan de vissers, Die kwamen van zee: "Heb je hem nog gezien?" Beantwoord met: 'Nee'.

De vrees werd dan zeker Hun hart riep tot God, Vertwijfeld onzeker, "Bespaar mij dit lot”.

Daarom staan wij nu hier Een ogenblik stil envragen: "O Vader Was dit nu Uw wil?”

Wil Gij ons dan leren: In dagen van rouw Blijft Uw nabijheid, Uw liefde en trouw!

"Belboei", april 1974.

38

Klaas van Urk

(geboren te Urk 7-10-1869 overleden te West-Terschelling 31-3-1935)

In het jaar 1897 kwam het gezin van Klaas van Urk (man, vrouw en 1 kind) van het (toen nog) eiland URK naar Terschelling, omdat ze vanwege hun beroep (visser) dichter bij de visgronden waren ten Noorden van Terschelling. Met nog drie gezinnen vestigden zij zich op het eiland, wat voor de pas geinstitueerde Gereformeerde Kerk een goede steun betekende. A1 spoedig bleek dat de vissersvrouwen het moeilijk hadden en heimwee kregen naar hun eigen eiland. Ze voelden zich "vreemde" tussen de Terschellingers, vooral als de mannen de hele week op zee waren. Als de botters weer binnen waren, werd in huis geklaagd, ze voelden zich eenzaam en verlangden naar Urk terug. De mannen bezweken tenslotte en besloten weer naar Urk terug te keren. Maar Klaas van Urk was uit ander hout gesneden. Zijn vrouw had het nu dubbel moeilijk, daar de intieme Urker vriendinnen vertrokken. Haar man zag verder en hield stand. ”Het zal wel wennen”, zei hij. Hij was van mening, dat hij op Terschelling moest blijven; dat hij naast zijn beroep, daar nog eentaak had, waaraan hij zich niet mocht onttrekken. In dat geloof hield hij moedig stand, ondanks de vele zorgen en moeilijkheden. Hun huisje bijvoorbeeld, was veel te klein geworden voor het inmiddels uit 7 personen bestaande gezin. Was dit voor Moeder van Urk een zware opgave, zij sloeg zich er moedig doorheen, gesteund door haar man, die licht zag in de toekomst. Zware slagen troffen ook het gezin toen twee jonge kinderen op zeer tragische wijze uit het leven werden weggerukt. De wijze waarop dit diepe leed werd gedragen, maakte een grote indruk op de bewoners van het dorp. Vader en Moeder van Urk sterkten zich in de Heere, hun God, en zij wisten en geloofden dat de beloften Gods vast en zeker waren. Zo ging ook hun leven verder. De taak en opdracht die Van Urk meende op Terschelling te

39

hebben, werd hem weldra meer duidelijk. Het reddingswerk kreeg zijn voile belangstelling en de liefde van zijn hart. Hij wist uit eigen ervaring hoe gevaarlijk de z.g. "Noordergronden” boven Terschelling waren, waarin reeds menig zeeman zijn graf had gevonden. Als kundig visserman wist hij de klippen te omzeilen met z'n hotter, en hij wist de weg tussen de banken door als zeer weinigen. Als dan bij "vliegende storm" de noodseinen werden opgevangen door de kustwacht "Brandaris", moest de reddingsboot uitvaren. Klaas van Urk ging dan mee als z.g. "opstapper”. Dat hij goed bekend was in de beruchte Noordergronden, ontging ook niet aan Rederij Doeksen. Wanneer het dan ook voorkwam dat een sleepboot van deze Rederij in actie moest komen, om een of ander schip uit zijn benarde positie te verlossen, schroomde men niet, om Klaas vanUrktevragen, of hij mee wilde om de juiste koers aan te geven. Als er dan sukses was geboekt en het zware karwei ”geklaard” was, volgde uit waardering ook de beloning, die vaak zeer welkom was en een mooie aanvulling bij het soms sobere bestaan van een visserman. Naarmate zulke karweitjes meer voorkwamen, vooral in herft en voorjaar, werd er veelvuldig een beroep gedaan op Van Urk, tot hem werd voorgesteld zijn hotter aan de kant te doen en als vaste loods in dienst te komen van de Rederij. Dit aanbod werd gaarne aanvaard. Aan het wisselvallige be¬ roep van visser kwam een einde. Het gezin Van Urk kreeg een heel ander leven.

Wanneer de reddingsboot op een ontvangen S.O.S.-bericht naar "buiten” moest, kwam schipper Cupido aan de deur. Ook werd er 's nachts even op de ramen getikt en dan was het antwoord: "Ik kom en ga met je mee". Weldra stoomde de Bran¬ daris de haven uit. Gekomen bij het "Stortemelk” met zijn onberekenbare brekers, gaf Cupido het roer in handen van Klaas van Urk. Menige reddingstocht werd op deze manier tot een goed einde gebracht, waardoor vele mensenlevens werden gered.

Maar waren ze de gevaarlijke zone gepasseerd, dan nam Cu¬ pido het roer weer in handen. Bijna plechtig voer hij de Bran¬ daris de haven binnen, terwijl de dorpsbewoners brandden van nieuwsgierigheid op de kade. Als de motor zweeg, spoedde hij zich naar de loopplank. Hij schilderde de gevaarlijke bre-

40

kers, liet ze rollen door middel van overvloedig gebaar en mimiek, het dreigende gevaar werd voelbaar. Klaas van Urk verdween met stille trom. De nauwe straatjes van West slokten hem op. Thuis gekomen was in de regel zijn sombere commentaar: "Daar zijn we weer, 't is goed gegaan”. Maar ’s avonds werd er gedankt voor het feit dat alien behouden aan land gekomen waren. Daar ging kracht van uit en het gaf rust en vertrouwen.

Naast deze werkzaamheden was er ook het kerkelijke werk dat voor een zeer belangrijk deel op zijn schouders rustte. Het gezin was reeds verhuisd naar een betere woning naast de Gereformeerde Kerk. Van Urk fungeerde als koster, zorgde dat alles keurig werd onderhouden, hanteerde vlijtig de verfkwast; zowel in huis als in de kerk, die hij als zijn eigen beschouwde. Als diaken voerde hij tevens het beheer over de fi¬ nancier wat met de grootste zorg werd verricht. In de lange vakature van 21 jaar werd menige preek door hem gelezen. Het werk in en voor Gods Koninkrijk ging hem zeer ter harte, daar deed hij alles voor. Hij had er ook de tijd voor, want het reddings- en bergingswerk concentreerde zich vooral in de periode Oktober Maart. Zodra de Oktobermaand was aangebroken werden laarzen en oliegoed klaar gezet, om als de nood aan de man kwam, op het eerste sein klaar te zijn. Zulke oproepen kwamen altijd onverwachts en vaak midden in de nacht.

Men beschikte toen nog niet over de moderne communicatiemiddelen van heden ten dage. Er werd gewerkt met vlaggeseinen en vuurpijlen. De schepen raakten soms geheel onver¬ wachts in een storm. Wie zich bij windkracht 10-12 dan boven Terschelling bevond, moest ter plaatse wel goed bekend zijn om niet in de beruchte Noordergronden te verzeilen. Vandaar dat er menige tocht met de Brandaris of met een der sleepboten werd gemaakt.

Als opstapper op de reddingsboot werdje beloond met / 5,00, ongeacht de duur van de tocht, die ook wel eens meer dan 24 uur achtereenvergde. Bovendienwistje niet ofje weerlevend terug zou keren. Was dat niet het geval, dan werd het achtergebleven gezin verzorgd door de Redding Maatschappij. Werd een reddingstocht met sukses bekroond, dan werd er soms een medaille of een getuigschrift uitgereikt. Waren de

41

mensen van het gestrande schip gehaald, dan kwam de sleepboot er aan te pas, om te proberen "de buit” binnen te halen en het schip uit zijn benarde positie te verlossen. Dan had Doeksen Klaas van Urk nodig voor advies en tevens ging hij mee als loods.

Aan zulke sleeptochten werd meestal goed verdiend, ook wel eens grof. Maar men maakte ook vaak vergeefse tochten. Het contract, om het schip vlot te trekken, luidt meestal "No cure, no pay” en werd aan boord van het gestrande schip opgemaakt in het bijzijn van een paar leden van de bemanning die aan boord waren gebleven. Meermalen was Van Urk bij het opmaken van zo’n contract aanwezig, zodat hij wist wat er op papier kwam. Volgens hem werd dan wel eens misbruik gemaakt van de benarde situatie.

Vandaar dat hij ook wel eens bezwaar maakte tegen een en ander, omdat het niet overeen kwam met zijn geweten. Hij wilde n.l. niet alleen Christen zijn in woorden, maar ook in daden. Bovendien kwam vaak de zondag in gedrang en dat was voor hem de dag des Heeren. Dat bezwaar gold echter niet als er mensen in nood waren. Wat het bergingswerk betrofkreeg hij het daardermate moeilijk mee, dat hij zijn ontslag vroeg en dat ook kreeg, want men had begrip en respect voor zijn beginsel. Maar toch werd nog vaak zijn advies gevraagd bij moeilijke situaties.

Het reddingswerk bleef echter zijn grote liefde en belangstelling houden en als de Brandaris uit moest varen, was Van Urk ook aan boord.

Bij de vele zware tochten met de kleine reddingsboot was schipper Cupido door de hoog oprijzende grondzeeen zodanig verblind geraakt, dat hij moest bedanken. Tevens was de vaste machinist Swart vanwege de spanningen op zulke tochten, overspannen geraakt en kon ook niet meer mee. Dat was in 1921. Dat betekende twee open plaatsen en zeer belangrijke. Uit slechts twee sollicitanten voor schipper werd een zekere visser benoemd. Voor machinist waren geen liefhebbers. Van Urk had niet gesolliciteerd.

Dan gebeurt het, dat er in Oktober 1921, bij een zware Noordwesterstorm noodseinen worden opgevangen van een schip in de buurt van Vlieland. De Brandaris moet er op af. Zoals altijd zijn er ook nu veel mensen op de kade want het is in de morgen. De nieuwe schipper doet zijn best om een paar op-

42

De oude „Brandaris

Logger waar de gebroeders de Boer op voeren (1924).

stappers mee te krijgen. Klaas van Urk wordt ook gevraagd. Deze is wel bereid, als altijd, maar hij zegt er bij: "Dan wil ik graag het roer straks even van je overnemen, zoals we dat voorheen ook deden. ” Maar daar wil de nieuwe schipper niets van weten. Hij zegt: "Ik ben nu schipper enkan het alleen wel af! ” "Dan blijf ik maar liever aan wal", is het besluit van Van Urk, maar hij voegt er aan toe: "Kijk goed uit, en wees voorzichtig, er zijn mensenlevens mee gemoeid".

De schipper gaat verder vragen, maar heeft weinig sukses. Een oude zeerot biedt zich aan onder voorwaarde dat Klaas van Urk ook meegaat. Dat gaat niet door. Een vriend van de tijdelijke benoemde machinist meldt zich. Deze man is onbekend op dit terrein. Met slechts vier man aan boord vaart de Brandaris naar het in nood verkerende schip. Er heerst grote spanning aan de haven. "Daar gaat onze Brandaris”, zegt de oude zeerot tegen Van Urk, "we zien ze nooit meer terug". "Laten we maar hopen dat het goed afloopt, want ze moeten naar een zeer gevaarlijk punt”, is het antwoord van Klaas van Urk. Ieder denkt er het zijne van en naarmate de dag verstrijkt neemt ook de spanning toe. Men is slechts aangewezen op de berichten van de vuurtoren. Thans kan men in de huiskamer via de visserijband horen waar de reddingsboot zich bevindt. Er is zelfs een gesprek over en weer mogelijk. Vanaf de toren ziet men de Brandaris langszij het schip dat in gevaar verkeert. Maar de bemanning wil het schip niet verlaten, daar de storm af zal nemen. ”De reddingsboot komt te¬ rug” , wordt er gemeld. Men wacht verder met grote spanning af. Dan komt er een volgende melding: "Sinds een uur is de Brandaris niet meer waar te nemen". Men vreest een ramp. De ongerustheid neemt toe. De volgende dag wordt een reddingsboei opgevist met de letters: "Brandaris”. Wat gevreesd werd is werkelijkheid geworden. De Brandaris is vergaan. Niemand kan het navertellen. Er wordt gegist naar de oorzaak. Ingewijden zeggen: ”Het was onverantwoord”. Anderen noemen de naam van Klaas van Urk. Die was altijd mee en nu juist niet! Ja, inderdaad, Van Urk had 85 tochten meegemaakt en dit was de 86ste tocht van de Brandaris. Zelf was hij er ook erg van onder de indruk. Hij bood het bestuur aan, de plaats aan te wijzen waar de reddingsboot ten onder

44

was gegaan. "Dan kan zij nog geborgen worden", zei hij, ”en dan ben ik weer bereid er op te stappen”. Dat aanbod werd niet aanvaard, men oordeelde dat het beter was er niet meer op terug te komen. De boot werd als "niet zeewaardig" verklaard, er moest een nieuwe, een betere voor in de plaats komen. Die kwam er ook, dank zij een milde gift van een onbekende gever. Tijdens de bouw van de nieuwe boot werd naarstig omgezien naar een nieuwe bemanning. Er werd een oproep geplaatst in de Harlinger Courant, maar er waren niet veel gegadigden. Ook Klaas van Urk liet niets van zich horen. Maar dan komt er een deputatie van het Reddingswezen bij Van Urk op bezoek en vraagt waarom hij niet heeft gesolliciteerd. "Ik heb er nooit om gevraagd mee te mogen gaan, maar als er geklopt werd, was ik steeds bereid. Dat geldt vandaag nog", luidt het antwoord, "maar ik ga niet met mensen weg, die niet voor hun taak berekend zijn". Zonder meer te vragen wordt er gezegd: "Wij komen namens het hoofdbestuur, en als U wilt, bent U benoemd tot schipper van de nieuwe Brandaris". ”Deze benoeming neem ik aan”, is het sobere ant¬ woord.

Vanzelfsprekend werd er nog wel even over gesproken, maar het zoeken naar de verdere bemanning werd geheel in handen gelegd van de nieuwe schipper. Men had wat geleerd, o.a. dat men op een reddingsboot mensen moet hebben, waarop men voor de voile 100 % kan rekenen, en die, als het er op aan komt, hun plaats op de boot waar kunnen maken. Tevens moet de liefde tot de medemens, die inlevensgevaarverkeert, zo groot zijn, dat men zijn eigen leven in de waagschaal wil zetten. De verdienste moet op het tweede plan staan. Tijdens de afbouw van de nieuwe boot werd aan Van Urk opgedragen zonodig adviezen te geven, die konden dienen tot meerdere zeewaardigheid. En daar werd een dankbaar gebruik van gemaakt.

In 1922 kwam de nieuwe Brandaris in de haven van Terschelling. Van toen af zag men Klaas van Urk, getooid met z’n bolhoed, elke morgen met zijn mannen bezig om alles na te zien, om te zorgen dat men op het eerste sein uit kon varen. Vele en zware tochten werden gemaakt, maar ook werden vele mensenlevens gered. Het zou te ver voeren om hier uit te wijden over de gemaakte tochten. Het zou ook niet in de lijn

45

van Van Urk liggen, om dat alles op te sommen. Om "opstappers" hoefde hij nooit lang te zoeken, die waren er meestal wel en vaak dezelfde. Ze hadden vertrouwen in hem, vanwege zijn enorme zelfbeheersing, ook in benarde momenten. Dan straalde er rust van hem uit, die de handen sterk maakten, en bij onverwachte bewegingen, vast en zeker.

Hij wist op Wie hij bouwde en stond niet in eigen kracht. Dat beleefde hij ook aan boord van de Brandaris in de grootste en zwaarste stormen.

Het gebeurde meermalen, dat hij een van z’n eigen zoons meenam. Toen het bestuur eens aan de jongen vroeg of hij bang was onderweg, zei deze: "Waar moet ik bang voor zijn, mijn vader staat aan het roer, en die vertrouwt op zijn Hemelse Vader".

De bemanning werd een keer officieel gehuldigd na een zware tocht. Dit gebeurde ten aanhoren van vele vooraanstaande personen. Met name werd de schipper geroemd en geprezen om de heldhaftige pogingen die met sukses bekroond waren.

Men kreeg een medaille aangeboden. Van Urk moest nu wel iets zeggen, hoewelhij het niet gaarne deed. Maar hij zei: "De lof en de dank die hier aan ons wordt toegezwaaid komt in de eerste plaats toe aan onze God en Vader, die ons kracht heeft gegeven om dit alles te kunnen doen en ons aller leven heeft gespaard, zodat we alien behouden werden. VergeetU echter niet, dat deze handen menigmaal achter het roer gevouwen worden om kracht van Boven, want in eigen kracht gaat het niet”.

Men was onder de indruk van deze getuigenis waarin opnieuw tot uiting kwam, zijn oprecht Christen willen zijn. De kleinheid van hemzelf, waarin hij groot was in zijn God en daardoor in staat tot grote daden. De ware liefde tot God dreef hem tot naastenliefde, waardoor hij dan ook door zeer velen gezien en geacht werd. Deze man was inderdaad ’’Schipper naast God” niet hij stond op de eerste plaats, maar ’t was bij hem ”Gode alleen de eer! ’’ Hij ondervond ook veel steun van zijn vrouw, die nooit liet merken dat ze ook wel eens angstig was, als hij zo lang weg bleef. Hij wist dat ook thuis de handen werden gevouwen om kracht en bewaring te vragen voor hen die zich in gevaar bevonden.

46

Naast het reddingswerk, gaf hij zich geheel en al voor de zwakke en kleine kerkgemeenschap, waarin hij als het ware de leiding had, met name tijdens de 21-jarige vakature. De predikanten van "elders” vonden bij de familie Van Urk een gastvrij tehuis van zaterdag tot maandag. Vanzelfsprekend werd er ook vaak een poging gedaan om de gastheer aan't praten te krijgen, maar men werd niet veel gewaar. Wei kwam steeds tot uiting, dat hij het reddingswerk zag als een taak en roeping. Toen hem eens werd gevraagd hoe hij er toch toe was gekomen om op een reddingsboot te stappen, zei hij dan ook: ”Dat is met een paar woorden gezegd, want daar ben ik zeer duidelijk door God op geplaatst.”

Zo zag deze man zijn taak en zo beleefde hij die. Zo zag hij ook zijn plaats en taak in de kerk en al wat daarmee samenhing. Daarvoor moest hij naar Terschelling, daar was hij van overtuigd. "De mens overdenkt zijn weg, maar de Heere bestuurt zijn gang”. Deze woorden kregen gestalte in Klaas van Urk. Zo ging het leven rustig voort tot 1930. Toen moest hij op medisch advies zijn werk bij het Reddingswezen neerleggen. Dit viel hem erg zwaar. Hij werd gepensioneerd. Tijdens zijn periode mocht hij meehelpen aan de redding van ongeveer 289 mensenlevens.

Toen bleef alleen nog over het werk van het kleine kerkje, dat hem zeer lief was en waaraan hij zich tot aan zijn dood toe heeft gegeven. Niet lang heeft hij van het pensioen mogen genieten. In het voorjaar van 1935 werd hij op een zondagmorgen plotseling van zijn aardse post ontheven en door zijn Hemelse Vader thuisgehaald. Hij was ruim 66 jaar oud geworden. Hij had lang genoeg geleefd, en mocht nu ingaan in de vreugde des Heeren, als de "getrouwe dienstknecht”, zoals hij ook bij zijn graf werd getypeerd.

47
eiland Uik.

Rein Bos en het reddingswerk

Hoekstra:

Kun je iets vertellen over het reddingswerk, en hoeveel tochten je hebt gemaakt?

Bos:

Daar zou ik heel wat over kunnen vertellen, maar mijn hele dossier met foto's incluis, is in 1973 met de brand verloren gegaan, met alle reacties van mensen, welke we van het wa¬ ter haalden, dit was erg jammer. Van wat nu in mijn gedachten komt, wil ik wel proberen iets te vertellen. We zijn begonnen met mijn zonen, Piet en Albert, later mijn schoonzoon Age, Jan de Boer, Lucas Hoekman, Cees Bakker en ik onder Commando van wijlen Hessel Snoek in 1966. Na enkele jaren werd Hessel Snoek ziek, en is hij overleden. Men vroeg mij van het bestuur of ik schipper wilde worden, eerst op de Zeemanshoop, en later, in 1971, hebben we toen de nieuwe Hessel Snoek uitgehaald. Ik kon dit vanwege mijn drukke werkzaamheden erhaast niet meer bij hebben, temeer daar er uit de bemanning best een goede schipper was te zoeken. Maar het bestuur van de K.N.Z.R.M. stelde het wel op zo’n hoge prijs wanneer ik de leiding wilde nemen van station Urk, dat ik tenslotte door de knieen ging, en deze functie met pijn aannam. Vandaar dat ik dit tot 1976 heb gedaan. Je was blij dat het vrijdagavond was, en je je gedachten ook eens op wat anders kon concentreren. Tot er een weekend kwam waarin we van vrijdagsavonds tot maandagsmorgens 20 uur in de weer waren met jachten, en toen was er voor mij de lol af. Verder was het een mooi, dankbaar en bevredigend werken enkele dingen zijn mij bij gebleven. Ik zal ze noemen.

Op 12 april 1969, toen de UK 204 met man en muis op het Ijs¬ selmeer verging, maakten we die dag 3 tochten naar het m.s. Cornelia, dat geladen met 700 tonkunstmest op wegwas naar Friesland. De schipper durfde niet meer door te varen, en lag

49

achter 2 ankers in het n.w. van Urk. 's Morgens wij er naar toe, de wind was aangewakkerd tot kracht 8. Ze wilden er nog niet af, de lading zat goed onder de kleden en de zeeen liepen over de luiken. Maar schipper Vermeulen vroeg wel of we goed op hen wilden letten. Om een uur's middags was de wind tot stormkracht 10 toegenomen, en ging hij noodsignalen afsteken, wat ik bij me thuis kon waarnemen. Wij er naar toe, en toen vroeg de schipper of we zijnvrouw wilden meenemen. Toen we omongeveer 3uurterug waren, was de wind toegenomen tot orkaankracht, en zijn we direct weer uitgevaren om schipper Vermeulen en zijn zoon te halen, die er toen ook graag afwilden. De lucht zat aan het water vast, en precies op dit tijdstip moet op ongeveer 2 km. afstand van ons vandaan, de ramp met de UK 204 zich hebben voltrokken. Zeer tragisch dat we door het slechte zicht van dat moment hier niets van hebben ontdekt. De volgende morgen in het krieken van de dag zijn we gevaren om schipper Vermeulen met zijn zoon weer op de Cornelia te brengen, welke nog steeds goed en wel achter zijn ankers lag, en de storm was geluwd.

Een ander geval. We werden op een zondag in februari gebeld door de brugwachter van de Ketelbrug, dat er bewesten de brug een kano met 2 inzittenden was gekapseisd, het was’s middags 2 uur. Op 100 meter afstand van de kano liet de een los en verdronk voor onze ogen, terwijl we de andere zo stijf als een plank uit het water haalden. Na 4 dagen in het ziekenhuis gelegen te hebben was hij er weer klaar voor. Het is altijd tragisch als er iemand voor je ogen verdrinkt, terwijl de red¬ ding zo nabij is.

Een andere keer, op een maandag, het was 1 november, toen er een orkaan over Nederland raasde, werden we door Scheveningen Radio gebeld's morgens om 6 uur, dat er een tanker in moeilijkheden verkeerde. Buiten de haven kregen wij con¬ tact via de marifoon met hem en het bleek de "Annie” van Hoekman te zijn. De schipper was even tevoren aan een hartaanval overleden, en zijn lijk lag door het stuurhuis te rollen. Na 2 van onze mensen overgezet en verbinding gemaakt te hebben, brachten we stuurman en tanker binnen.

50

En dan de jachtjes. zo weet ik nog een geval dat er met slecht weer een Duits jacht op de Vormt liep, met aan boord 3 mannen en 3 vrouwen. De mannen sprongen eerst en lieten de vrouwen voor wat ze waren. Tenslotte moesten de vrouwen ook de sprong wagen, en sprong er een mis. Terwijl mijn mensen met de andere twee bezig waren, zag ik dit, sprong van mijn stuurstand, en had haar nog net aan haar haren te pakken.

Zo weet ik ook nog dat er een mevrouw uit Zoetermeer een reactie schreef met de volgende inhoud: Onze zeilen waren gescheurd, en op het laatste moment liet de motor het afweten.

Ik moet er niet aan denken wat er met ons en onze kinderen was gebeurd, als we te pletter waren geslagen tegen de dijk. Ik begrijp nog niet waar de reddingboot zo gauw vandaan kwam.

Zo zou ik nog wel door kunnen gaan, doch helaas mijn gegevens zijn verloren gegaan. We hebben in totaal 130 tochten gemaakt, waarmee we 330 mensen van het water haalden.

Westhaven met werf, afslag en zouterij. Foto: Coll. G. Wakker.

Wachten op werk op de Westhaven.

Uit het leven van Jan de Boer Mz (Grote

Jan, geboren 1910)

Door’s Heeren goedheid ben ik, nu ik dit op mijn 76-ste levensjaar schrijf, nog goed gezond, en als je dan terug kijkt op wat achter je ligt, dan is je leven eigenlijk maar een handbreed. We hebben heel wat meegemaakt en daar is voor dit boek een keus uitgemaakt.

Naar de logger

In 1924 werd ik reepschieter op de VL 213. Mijn broer Steven werd jongste en Kleine Jan afhouder. De Zuiderzeevisser bij wie ik toen voer, raadde het mij af naar de logger te gaan, omdat het zo'n ruw levenwas. Maarje ging er ooknietuit weelde heen, het was bittere noodzaak. Hij hield me voor wat een troep het in zo’n logger was. Het was zowat halfaugustus dat we 's maandags met de boot naar Enkhuizen gingen envandaar met de trein naarVlaardingen. Ook het volk van de VL 6 was erbij, voor dezelfde reden. Het was inderdaad een toestand op de logger waar wij kwamen. Als we reisgeld hadden gehad, waren we meteen teruggegaan. En toen werd er geroepen dat we monsteren moesten en van het geld stuurden we naar moeder. We lagen twee dagen binnen om het schip zeilklaar te maken. De kleinste jongens moesten het logies schoonmaken. De steenkool moest in een gat onder de laningen en in elke kooi kwam een bos stro en na wat bijvegen was de zaak klaar en konden we er met elf man in. 's Woensdagsmiddags werden we naar zee gesleept en buiten de Waterweg losgegooid. De zeilen werden opgezet en daar gingen we. De eerste dagen hadden we mooi weer, maar daarna werd het heel slecht. Eerst scheurde de fok en later het zeil. De logger kwam dwars op de zee te liggen en er vloog veel water over en ook in het schip. Er moest rechtdoor gepompt worden. Entoenwaaide het achterzeil ook nog weg. Wij lagen doodzeeziek in de kooi en

53

mochten niet boven komen. Dat was met dat weer niet vertrouwd. Ze zagen het boven ook niet meer zitten. Onze schipper was ook nog jong en had geen ervaring genoeg voor zo’n situatie. De stuurman durfde niet boven komen. De twee oudsten kwamen in het logies en vreesden dat het mis zou gaan en ze hadden moeder beloofd op ons te passen. Toen raadde er een aan ons naar bovente brengen en in de sloep te leggen, daar was meer hoop voor ons als het verkeerd zou gaan dan in „dat gat", d.w.z. het logies. We brachten twee dagen in die sloep door. Trek in eten had¬ den we niet en eten werd er ook niet gekookt. Die zondagavond nam de windwat afen op maandagwerden de zeilen zo goed en kwaad dat ging gerepareerd. Toen gingenwe naarIJmuiden om ander zeil en’s woensdag weer naar zee. Op zondagmiddag waren we op de visgronden maar de vleet werd toen niet in zee gezet. Dat gebeurde op maandagmiddag. Er waren ook andere loggers in de buurt. Ons eerste schot was 25 tonnenharing. Als de vleet geschotenwas moest ik rijst koken en een tachtigtal haringen schoonmaken en bakken. Je kreeg als eten rijst met bruin bier en stroop door elkaar en kon zoveel haringen eten als je wilde. Onze reis duurde zes weken en toen hadden we 23 last haring gevangen. We konden voor drie dagen naar Urk en moesten toen weer naar zee. De tweede reis was wat beter en duurde vijf weken en toen hadden we 24 last haring. We gingen naar binnen omdat het carbid op was en we in het donker de vleet niet konden inhalen, maarik had gezien dat de stuurman twee bussen carbid overboord had gegooid. Hij vond dat de reis lang genoeg geduurd had. Het lossen in Vlaardingen duurde twee-en-een-halve dag. Dan moest alles van boord af en op de schuur gebracht en het hele schip schoongemaakt. En dan deelde je het eten dat overgebleven was en kreeg ieder zijn deel naar de rang die hij had. De schipper kreeg een dubbele portie, de stuurman anderhalve, de matrozen een en de jongens een halve portie van de bonen, grauwe en groene erwten, rijst, gort, kaaks, zeebeschuit en spek.

Er was toen ook nog een half vaatje stroop over en dat was voor de stuurman. Ik moest het voor hem dragen en hij liep tien stappen voor me uit, omdat de mensen op de brug die we over moesten niet mochten weten dat die stroop voor hem

54

was. Maar net over de brug gleed het vaatje van mijn schouder. Het was helemaal kapot en de stroop liet over de straat. Ik riep maar: „Stuurman, stuurman", maar hij liep vlug door en die lui daar maar lachen.

Aan boord dachten ze dat ik het met opzet gedaan had en de stuurman was woedend dat zijn goede naam nu beklad was. De afrekening met de reder viel niet tegen. Met ons drieen beurde we nog 220 gulden toe, na de 100 gulden voorschotten. We gaven hem een hand en reisden af naar Urk. Een volgend jaar is die logger vergaan. De schipper dreef een nacht op een gaffel rond, met een gebroken been. Hij werd door een Duitse logger gered.

Na wat scharrelen op de Zuiderzee verhuurden we ons in 1925 weer voor de logger, met vier broers en een Urker bemanning, bij het kantoor van Van den Toorn N.V. te Vlaardingen. Willem en Kleine Jan gingen varen op de VL 71, Steven op de VL 153, een fiets of drifter, en ik op de VL 166. De 153 deed reisje van een week en ving dat jaar veel haring. Wij hadden de hele week door een harde wind. Het was zondagavond dat ik aan het roer stond en de oude schipper bij me kwam staan. Ik vroeg hem of de wereld hier niet ophield en of het met de wind zo bleef. Hij zei: „Laat de logger maar bij de wind lopen, jongen. Dan blijven wij maar zolang steken”. Hij liet de zeilen bergen. Toen het volk weer beneden was, zei de schipper dat hij zou loden hoe diep het daarwas. Jurie van den Berg (van Brechtje) was ook boven gebleven en de schipper zei tegen hem: „Gooi het lood maar voor de kop weg, zo ver als je kunt". Dat gebeurde en de loodlijn ging je lopen heen. Wij trokken hem met z’n tweeen weer op. Ik weet niet ofhet lood de grand nog geraakt heeft, maar de schipper zei: „Er staat 85 vaam water onder ons”. Dat was wel genoeg om staande te verdrinken. Maandagmiddag werd de vleet voor het eerst geschoten en 's nacht om half een begon het halen al en dat duurde tot ongeveer vier uur. We vingen weinig die nacht, drie of vier kantjes iele haring. We gingen weer zuidover zeilen en probeerden het weer eens. Die reis waren we zes weken op zee en vingen zes last haring. We deden dat jaar vijf reizen en besomden die teelt 26000 gul¬ den. En de laatste reis verspeelden we de vleet nog. Het

55

stormde die middag. Ik zou na het eten de pannen boven schoonmaken, toen er een grote zee overkwam, die me greep zodat ik buiten boord was en er weer van achteren inkwam en tegen de reddingsloep terecht kwam. Een matroos die voorop de trap stond te kijken, zag het gebeuren envertelde me dat ik buiten het schip geweest was. Ik had alleen mijnbeenwat bezeerd. Maar de logger was los van de vleet. We moesten een mast overeind zetten en zeilen bijzetten en we slingerden zo erg dat het niet mooi meer was. We hebben twee dagen liggen steken. En toen zochten we nog twee dagen om de vleet, maar die was niet meer te vinden. Dat zou een schadepost voor de reder zijn. Maar toen we binnen waren, kwam de reder al naar de kant lopen en die zei meteen: „Welkom binnen, schipper en bemanning. En geluk met je vleet. Die ligt buiten jouw toedoen al op zolder”. De schipper geloofde het eerst niet, maar het was waar. Een Scheveninger had de vleet gevonden en in Vlaardingen laten brengen. Twee dagen gingen voorbij met afsnijden, schoonmaken en afrekenen. Half december gingen mijn broers en ik weer naar huis. In Enkhuizen troffen we de boot niet, maar de UK 12, nu Maarten Post, die zou nog proberen op Urk te komen. Het vroor namelijk streng, maar we konden er nog net doorkomen met de houten hotter met een motor van 45 pk. Er kwamen nog meer botters. Ze konden door het ijs de haven niet inkomen en zaten vast: de UK 69, 163, 58 en nog meer. Met mankracht werden ze met een staaldraadlijn de ha¬ ven ingetrokken. We waren voor de zondag thuis.

Een tijd later ben ik weer op een logger gaan varen. Het was de KW 36, schipper Kees van der Plas, met tien Urkers en twee man uit Leiden. Het duurde vier dagen voor we op de visserij waren, maar veel vingen we niet. Als we de vleet in zee hadden staan kregen we rijst met zoete melk en als we's nachts haalden met halve vleet koffie en kaak. De reis duurde 6 weken en we kwamen binnen met 5 last haring. De schipper kreeg de schuld. De tweede reis gingen we naar binnen omdat de matrozen de vleet niet meer wilden schieten. Voor drie Urkers kwamen toen Katwijkers aan boord en een ervan was een kwaaie, een vechter. Hij wilde de baas over de jongens spelen. Op een keer toen ik haring schoon maakte om te bakken gaf hij me twee

56

klappen op m’n hoofd, omdat ik er de reepschieter mee hielp. Ieder moest, zei hij, zijn eigen werk maar opknappen. Maar ik ging gewoon doormet het helpen schoonmakenvan de haring en toen kwam die Jan op me aanvliegen en greep me beet en dat werd vechten.

Ik was 17 en merkte direkt al dat ik sterker was enbangwas ik ook niet. De reepschieter vloog naar voren en riep dat de Jannen aan het vechten waren. Mijn broer Steven was het eerst aan dek en die gooide de vechtersbaas tegen de kraaiekop op en daar bleef hij liggen. Ze gaven hem wat water voor de schrik. Hij was ziedend dat een mindere met hem durfde vech¬ ten. Daar moest de schipper werk van maken. We werden geroepen. De reepschieter bevestigde mijn verhaal en we kregen geen ongelijk. We moesten elkaar wel de hand geven en ons werd op straffe van twee dagen in het droge ruim zitten verboden nog eens te vechten, het was wie het was. In vier weken vingen we maar vier last en dat werd mopperen en meestal is dan de schipper het mikpunt. Op een avond dat ik aan het stuur stond, kwam hij boven en klaagde mij, de jongste, zo'n beetje zijn nood. We kunnen ze wel vangen, meende hij, maar het is voile maan en dan moet je een drijfvleet hebben. Ik vroeg of we die dan niet konden maken. Ja, dat kon wel, maar dan moest je wel mooiweerhouden, anders ging de vleet om de reep zitten, en dan moet je naar huis om die er weer afte draaien. Nou, we praatten nog zowat en toen liet de schipper mij het volk boven roepen: we zouden die nacht een schot wagen. Nou, we maakten een drijfvleet, zetten die in zee en gingen eten en slapen. 's Morgens waren we er vroeg weer uit en toen we haalden zat de vleet vol haring. Met dat schot zaten we meteenvol. Er was teveelharingomte kaken, ze moest gesteurd worden. We hadden 25 last haring en gingen naar binnen en kwamen op zaterdag in de voormiddag aan. We wilden op huis aan, maar de walschipper wilde iedereen slechts een rijksdaalder geven en wij wilden er nog een bij want anders konden we niet terug komen, en dat gebeurde. Zo waren wij zondags thuis en gingen dinsdags weer weg. Maar voor we naar zee gingen wilden we eerst geld zien. De walschipper wilde het niet geven en een paar gingen er weg. Met vijf man gingen we naar de reder in Katwijk en die wilde ook dat we eerst naar zee gingen. Toen kregen we een voor-

57

schot en niet meer en toen wilden wij ook niet meer mee. Er bleven maar drie Urkers op die logger. We gingen op Urk aan en in Enkhuizen troffen we vier oude Urkers die een plaatsje op een logger gingen zoeken omdat op de Zuiderzee geen droog brood te verdienen viel; mijn vader was er ook bij. Die vond geen logger en kwam ook weer op Urk aan en we probeerden met haringvissen op de Zuiderzee aan de kost te komen, al was het pas eind September. En het viel gelukkig niet tegen.

Een stranding 1928

Het was 1928 geworden. We waren aan het netten op haring en verdienden er de kost mee. Op een morgen dat we de ha¬ ven wilden verlaten kwam de UK 45 van Jacob van Dokkum er net in, en omdat hij zo vroeg thuis kwam van de Noordzee, gin¬ gen we naar hem toe om te vragen of er wat was. Hij zei ons dat er bij Terschelling een hotter in de gronden zat maar dat hij niet wist van wie. Hij wilde het zeker niet zeggen, maar la¬ ter hoorden we dat het de UK 169 was, de hotter van Jan van den Berg, Klein-Jan. De drie opvarenden waren verdronken. Een is er later op het strand gevonden en toen heeft de UK 45 het stoffelijk overschot gehaald. Het was Pinstermaandag dat het op Urk begraven werd. We visten op haring tot de prijs emit was en dat jaar was er geen ansjovis. Toen hoorden we dat er bij Kromhout in Am¬ sterdam een ijzeren hotter te koop lag. Vader kocht dat schip, maar daar moest nog heel wat aan gebeuren. Bij Spiekman in Kampen moest er een nieuw dek in gemaakt worden en toen het oude dek emit gesloopt werd kwam er heel wat kijken. Ik heb er wel vijf weken werk aan gehad eer ik al het roest emit en de hotter schoon had. De steenkool moest ik er met hamer en beitel uithakken, zo’n harde korst was dat en zo vast zat die erin.

Afijn, we waren veertien dagen voor de Kerst op die werf pas klaar, er leek daar geen eind aan te komen. De 26-PK motor die in de hotter stond was te licht voor dat schip en toen we op Urk lagen begon het te vriezen. We konden niet weg en de winter duurde tot april ’29. Als nummer kregen we UK 169 en we noemden het schip ‘Het Noorderlicht’. Eerst half april konden we onze eerste reis maken. Die week besomden we 150 gulden en bleven toen de za-

58

terdag'en zondag in IJmuiden liggen. Vader, die ook aanboord was, ging alleen naar Urk. Toen de zondag om was gingen we vroeg naar zee met z’n drieen, Willem, Steven en ik, Grote Jan. Wat het vissen daar betrofwarenwe welonkundig. We waren alle drie nog jong en hadden ook nog niet zelfstandig gevist. We korden van Zandvoort tot Katwijk en er viel die dag schol en bot genoeg te vangen. Maar toen het donker werd wakkerde de wind aan uit het zuidwesten en kwam er regen. Voordat het weer te slecht werd gingen onze buren al op IJmuiden aan, maar wij visten nog zolang door. Toen we eindelijk gehaald hadden en ook op de haven aan wilden, kregen we de motor defect. Wat was het geval? De knalpot was van de motor geknapt en achterin op de platen gevallen. De motor draaide nog en de vlam kwam eruit. We hadden toen nog carbid-verlichting en die viel ook uit. Omdat we bang waren op het strand te komen, gooiden we het anker uit, maakten wat licht en gingen bij de motor kijken. We zagen toen wel dat er niet aan te beginnen was, die konden we zelf onmogelijk maken. Intussen was de wind het noorden ingedraaid en toegenomen tot stormkracht. Ons anker ging slippen en we gooiden er een tweede bij, maar dat hield ook niet en we zaten al vlak bij het strand. De hotter stootte tegen de grond en daarmee verspeelden wij het roer. Achterstevoor gingen we het strand op. Je moet dat, zo jong als je bent, meegemaakt hebben om te weten wat voor indruk dat op je maakt in een vliegende noorderstorm in de donkere nacht, en met golven zo hoog als een huis die maar op je aan komen rollen. We kwamen nog tamelijk goed terecht op het strand. Het was ons geluk dat de hotter van ijzer was. We zaten ergens tussen Zandvoort en Noordwijk in. Willem en Steven klommen eruit en gingen lopende op Zandvoort aan om bericht naar IJmui¬ den te sturen. Het bleek drie en een halfuur lopen te zijn enterug dus ook. Ik moest op de hotter blijven om wacht te houden aan boord. Toen het dag werd kreeg ik bezoek van een strandjutter. Het was laag water geworden en de hotter stond helemaal droog en ik ging het strand op om met de man te praten. Hij vroeg naar de opvarenden en ik zei dat die naar Zandvoort waren om te bellen en er verderniemand aan boord was. „Dan heb ik een goeie vondst gedaan”, zei die jutter, „ik ga erin en dan is het schip van mij. ’’ Hij ging direct aan boord en ik klom

60

ook weer in de hotter en ik zei: „En nu is hij weer van mij.” „Ik was het eerst aan boord", zei die kerel, „zo meteen komen mijn collega’s bij me aan boord.”

Toen wilde hij voorin in het logies gaan, maar dat wilde ik niet toelaten. Toen wilde hij bij de motor kijken, maar dat mocht hij ook niet van me. Maar toen trok hij zijn mes en bedreigde me ermee, waarop ik een stuk ijzer in mijn hand nam. Toen durfde hij toch niet te steken en deed wat vriendelijker, maar hij bleef die dag wel zo lang bij me tot Willem en Steven terug waren. Die vroegen, wat die kerel aan boord moest doen en ik vertelde wat er voorgevallen was, en dat hij zei dat de hotter van hem was, omdat hij die onbeheerd gevonden had op het strand. We vroegen hem ofhij er met uit moest, omdat het wa¬ ter begon te komen, het kon nu nog met droge voeten. Hij zei, dat hij bleef om op zijn collega’s te wachten, en wij dat hij er nu nog goedschiks uit kon en het anders kwaadschiks zou worden. En weer zei hij dat hij aan boord bleef. Toen was bij Willem de maat vol. Hij greep de vent beet en gafhem er zo van langs dat hij in het water sprong. „We komen terug”, riephijophet strand. „Kommaargerust", riep Willem, „we lustenje”. De volgende dag kwamen er vier van die kerels kijken envroe¬ gen of ze aan boord mochten, maar wij wilden geen pottekijkers hebben en negeerden ze verder, en toen gingen ze weg. 's Middags kwamen vader en nog twee Urkers bij ons, dat wa¬ ren Geert Koffeman en Jelle Baarssen. Ze kregen koffie en gebakken vis en gingen toen weer op IJmuiden aan. Datwas wel vijfuur lopen langs het strand. Er stond toen een grote boot op het strand en een aannemer was bezig die eraf te halen. Die man uit Maassluis wilde de hotter ookwelvan het strand trekken voor 750 gulden.

Toen kwamen er op zondagmorgentwee jongens om het zand uit het bun te scheppen, maar wij wilden niet dat er op zondag gewerkt werd, ze mochten welbij ons blijven wachten. Ze bleven zo lang, tot ze er van het hoge water niet meer uitkonden. Nu hadden wij de vorige dag al twee ankers in zee gezet met lange lijnen eraan en ook de motor weer provisorisch klaargemaakt om die zo mogelijk bij hoog water te gebruiken. En het water kwam die zondagmorgen zo hoog dat we de motor lieten draaien en de ankers op de lier zetten. Wij gingen proberen de hotter van het strand te krijgen en.... de Heere liet het

61

ons gelukken. En toen lagen we weer buiten het strand, maar zonder roer. We konden er ook niet blijven liggen als het water ging zakken. Nu was er een harde westenwind, dat we zetten het zeil op en de fok erbij, en moestentoende ankers kappen. We dedennog een paar stoten met het schip en weg ging Rosa.

We hadden twee manden achter het schip om daar zo wat mee te sturen en als we over de andere kant wilden gaan zeilen, zetten wij de motor in de achteruit en dan ging de hotter voor de wind om en zo deden we telkens weer. Dat we kwamen voor de zeilen voor de pier, maartoenviel de motoruit: de krukmetalen waren emit gelopen. We deden wat we deden, we kregen'm niet meer aan het lopen. We konden ook geen anker uitgooien, want dat hadden we niet meer, dat we zaten goed in de war. Hoe moest dat aflopenmet onze koers recht op de pieren aan.

„Nu verdagen we op de pier", zeidenwe. „Hadden we hem nu maar op het strand laten staan”. „Zullen we er nog wel afkomen met die harde wind?” Zo ging alles door je heen. We gooiden de fok neer en zetten een sjouw op. Entoen kwam de loodsboot de pieren uit, en we waren al blij dat er hulp kwam, maar hij stoomde gewoon voorbij, alsof er niets met ons aan de hand was. Hoe moest dat met ons aflopen?

Toen we de pier dicht waren genaderd zag ik er een hotteruitkomen. Dat kon ik zien, omdat ik op de giek was gaan staan en zo over de pier kon kijken. Het was de UK 85, en de schipper een oom van ons, Maarten Meun. Die had een touw klaar en kon net tussen ons en de pier door en trok ons rond en toen waren we binnen de pieren. Er viel een pak van ons hart. Het was een dankgebed waard om er Hem in te kennen die zoveel goeds aan ons gedaan had. Het was zes uur in de namiddag toen wij bij die andere hotter lagen. Ze waren naar de kerk en vader ook. Toen hij ons zag liggen, toen hij uit de kerk kwam, was hij werkelijk blij voor dat wonder. Die twee mensen bleven die dag bij ons aan boord en gingen's maandags weer naar hun werk. Onze oom sleepte ons naar Urk en daar kwamen we’s maandagsavonds om zeven uur aan. De volgende dag gingen we bij Albert Roos op de werf. De averij viel gelukkig mee. We kochten van Geert Koffeman een roer en dat paste precies en Van Veen (Zwager)

62

maakte een nieuwe helmstok. Dat we waren die week al weer klaar om te varen en voeren de week daarop weer naar IJmuiden. Maar ik ging niet mee, omdat ik mij verhuurd had bij de schipper van de UK 16.

1951

Dat het leven van een visserman vol gevaren is, is ons meermalen gebleken. Ook in 1951 maakten we een stranding mee. We deden toen mee aan de snurrevaadvisserij, het snorren. Dan ging je ’s zondagsnachts om 12 uur naar boord en laadde ijs, zo’n tachtig zak, en ging dan varen. Meestal over Wieringen en dan was je al vroeg buiten, zo om een uur of zes's mor¬ gens. Die week vingen wij een mooi schip vis. 's Woensdags gingen we ermee naar Scheveningen om de vis de volgende morgen te verkopen, maar we troffen het niet, er kwamen teveel schepen aan de markt en de vis was toen erg goedkoop. We besomden maar 900 gulden en besloten nog een dag te vissen, maar dat liep anders af dan we gedacht hadden. Het kompas wees niet goed over de noordelijke kant, zonder dat we het gemerkt hadden. Toen de tijd erop zat en we met de vis naar IJmuiden zouden en onze koers genomen hadden gingen we opperdan. We moesten er ongeveer acht uur over stomen. Toen ik een paar uur gestuurd had nam een knecht het roer over en die gaf het na een paar uur ook weer over aan zijn buurman. Toen we zowat zes uur gestoomd hadden, ging ik naar boven om te zien hoe het er bijstond, en dacht: stoot de kotter daarniet tegenwat aan. Maar de knecht in de stuurkast had niets gemerkt en praatte dat uit m'n hoofd. Het was aardedonker van de mist. Maartoen zag ik dat we stillagen en zei: „We zitten aan de grond", maar de knecht beweerde dat ik nog sliep. We zetten de motor stil en ja, we zaten vast. De anderen beneden hadden niets gemerkt, het was windstil en net hoog water. Maar we wisten niet waar we waren gestrand.

Toen het dag werd gingen er twee kijken. Ze gisten Kijkduin en Kamperduin, maar daar was de vaartijd te kort voor geweest.

We konden onze oren niet geloven toen ze terug kwamen en zeiden dat we op het Texelse strand stonden. Maar hoe was dat mogelijk met de gevolgde koers? We begrepen het niet, maar we stonden bij eb wel droog op het strand en dat op za-

63

terdagmorgen. Geen blij vooruitzicht!

Nu begon om zes uur's morgens de vloed weer op te komen en om half twaalf zou het hoog water zijn en dan moesten we maar proberen er op eigen kracht af te komen. Er ging een man van boord om een huis te zoeken en vandaar Visser, de werfbaas in Den Helder te bellen, dat die een schip moest sturen voor hulp.

Intussen liep het water hoog op en lietenwe de motor draaien en die liep met aanmaken ook de verkeerde kant nog op. Dat is net goed, zei ik tegen de monteur, dan doet-ie meer kracht op achteruit-draaien, en dat was ook zo.

Het lukte ons het schip van het strand te krijgen, zonder dat we hulp nodig hadden. Toen we langs de kust voeren, zagen we ook dat het kompas niet goed was, het stuurde te oostelijk op, en zo was het ook over de noordelijke kant. En we ontdekten de oorzaak. Toen we in Scheveningen vis hadden gelost, was er op de stuurhut, bij het kompas, een stuk ijzer gelegd. De man die naar Den Helder belde, kon niet meer aan boord komen en moest met de boot overvaren naar Den Helder. Wij losten er de vis en waren op zaterdagavond nog thuis met een ervaring wijzer.

Jan de Boer aan de helmstok.

64

Hoe grote Jan door de oorlog kwam

In de wintervan 1939-1940 lagenwe stil in de Urker haven. De winter was streng en duurde weltot halfmaart. De dijkvan de toekomstige Noordoostpolder was nog niet gesloten. Er was lang ijs in het Ijsselmeer en dat dreef maar over en weer met de wind mee, dat het duurde een hele tijd eer er bij Urk open water was. Mijn oom Kees lag klaar met zijn schip om turf te halen, helemaal uit het veenland achter Klazienaveen, maar hij had geen knecht, en toen ging ik maar met hem mee. Het was vrijdag 15 maart dat we de haven van Urk verlieten, maartoen we om de kop van de dijk waren, na een goed half uur varen, kwamen we in het ijs terecht. Nu was die boot nogal scherp van kop, zodat hij telkens vastliep. Oom Kees wou naarUrkterug, maar ik niet. Ik stelde voor de boot te draaien om achterstevoor het ijs in te gaan en dat ging goed. We waren er toen zo door en hebben er verder geen last meer van gehad. Met donker waren we inMeppel en maakten daar voor de nacht vast. Oom moest een kaart naar huis sturen en ik vertelde dat ik jarig was, 30 jaar die dag, en toen zijn we even de wal op geweest. Ik was nog nooit in Meppel geweest en moest er toch even rondkijken, maar we waren gauw uitgelopen. Zaterdagmorgen vertrokken we al vroeg op Hoogeveen aan, door een lang, smal kanaal. Je moest er langzaam varen, en voer er een voor je, dan moest je daar achter blijven tot je de kans kreeg er voorbij te gaan. Er waren toen nog zeilschepen die getrokken moesten worden door een paard of door de mensen zelf. Om goed vijfuur waren we 's avonds in Nieuw-Amsterdam en hielden daar de zondag. Toen we naar de kant voerenvoor een ligplaats, kwam er een kinderwagen naar ons toe rijden, een kind erin, en zo het water in. Ik pikte de wagen heel en goed aan boord, de baby was niet eens nat geworden. Toen de moeder uit de winkel naar buiten kwam, waar ze de wagen had la-

65

ten staan, niet denkend aan de wind die de wagen in beweging kon brengen, kwam ze huilend naar de kant rennen. We riepen dat haar kind veilig op het dek stond en dat ze in het vervolg beter moest opletten.

De moeder kon die twee zwarte Urkers wel zoenen, we moesten er zondags beslist op bezoekkomen. Oom wilde eerst niet, maar ik beloofde het en we gingen. Negen jaar later, toen we, weer met z’n tweeen, bij een boer overnachtten, vertelde de boerin ons, dat twee Urkers in Nieuw-Amsterdam eens het zoontje van haar dochter gered hadden, een enigst kind, en toen konden wij vertellen dat wij die Urkers geweest waren.

De turfreis duurde veertien dagen, heen en terug. We kwamen zaterdagavond in Meppel en toen was het te laat om nog door te gaan. We hebben toen de Paaszondag in Meppel doorgebracht en bleven ook de Paasmaandag liggen. Wat de verbindingen betreft kon je toen niet op Urk komen, en dan bleef je aan boord, daar had je het toen niet over, je vermaakte je wel met lezen oflopen. Bij het laden van de turfwaren er twee vrouwen en twee meiden aan boord om de turf goed te stouwen, turfnaast turf, en drie manreden met kruiwagens de turf in het schip. Het lossen op Urk duurde langer. Het was mobilisatie in ons land en ik had geen werk. De jongens waren in dienst. Toen brak op 10 mei 1940 de oorlog uit. Toen moesten op Urk alle botters de haven uit en naar Am¬ sterdam. Wij moesten de hotter in de Coenhaven brengen en dan ankeren, zodat er geen vliegtuigen op het water konden landen. Met de Urker boot konden we weer terug en die zat die nacht vol met Urkers en ook soldaten. De lucht was vol vliegtuigen en de Duitsers schoten op al wat voer. We waren blij dat we thuis waren. Nederland capituleerde na een paar dagen en toen konden we de schepen weer terughalen en de achttiende mei konden we op het Ijsselmeer weer beginnen te vissen met twee dagen aal kuilen, om zo je brood te verdienen. Na zes weken werd het weer verboden door de inspecteur van de visserijen, omdat de motoren teveel paardekrachten hadden.

Toen gingen er weer veel botters naar de Noordzee. Met een vergunning van de Duitsers mocht dan daags gevist worden en bij de wal, drie mijl uit de kust. Er waren schepen met Duit¬ sers aan boord bij om acht te geven dat er niemand vandoor

66

ging naar Engeland. Je mocht om 9 uur naar zee en moest om vijf uur 's middags weer binnen zijn en daar moest je je op het kantoor van de Duitsers afmelden. Wie te laat kwam, kreeg er van langs. Dat heb ik een keer meegemaakt met Jan Keuter van de UK 21. Die ging niet in de houding staan en hield zijn pet op. Toen kwam er zo’n lange Duitser achter de balie vandaan en gaf Keuter twee flinke slagen op zijn hoofd, zodat deze erg schrok enriep: „Ikben ookeengermaan”. We warenallemaal geschrokken. Buiten zei Keuter: „Gaat het hier zo toe in IJmuiden, danhebben ze mij hier de eerste enook de laatste week gezien”. Hij ging op het Ijsselmeer vissen. (Dat was in 1943) Toen we in 1940 niet meer met de kuil op aal mochten vissen, kwamen we bij het grondboren bij opzichter Vrij. Daar verdiende ik 26 gulden per week en de huur voor de hotter bedroeg 50 gulden per week. De smeerolie was voor onze rekening, maar de gasolie voor Vrij. Onze eerste boring was bezuiden Marken, die moest 40 meter diep worden. Je stond dan met z’n vieren op een bord van een meter bij een meter. De boorbuis moest er met de hand wor¬ den ingepulst door stukken op elkaar te schroeven en weer op te halen. En dan moest een man die stukken vasthouden en dan stond je op 25 cm. voor je deel en dat viel eerst niet mee. Toen die boring in de namiddag klaar was zijn we in de Markerhaven gaan liggen tot de volgende dag. Toen moesten we op het Enkhuizerzand boren. Dat was andere grond, daar ging je puls zo in, maar je moest je dood trekken omhem er weeruit te krijgen. Eerst beviel dat boren me niets. We waren met z’n vieren: Willem en ik, Grubbelt Brands en Jacob de Vries (de Witte). We deden het tot 1941. Toen werd op 10 maart de hot¬ ter door de Duitse weermacht gevorderd, met nog zo'n twintig andere botters. We moesten ze naar Rotterdam brengen en in de Schiehaven afleveren. We kwamen er 15 maart, op mijn verjaardag aan, dat was zaterdag, en mochten niet van het schip af. Die zondag hebben we op een grote boot die daar lag, vol Duitsers, gegeten.

Alleen Klaas Hakvoort van de UK 36 wilde daar niets van weten. Die zei: „Dan maar geen eten vandaag”. 's Maandags leverdenwe de schepen af, met de motor aan, en toen konden we eraf stappen en naar huis gaan, zonder schip.

67

De Duitsers hebben ze tot na de oorlog in gebruik gehouden. Wij hebben ons schip in September 1945 teruggekregen en toen heeft het in Amsterdam een half jaar voor de werf gelegen om het weer klaar te maken voor de visserij. De Duitsers hadden er een andere motor ingezet, een drie cilinder 50 pk en daar waren we niet op vooruitgegaan, de Kromhoutmotor had meer kracht. De reparatie koste 16000 gulden en van de wederopbouw in Rotterdam kregen we 7000 gulden vergoed, zodat we met een schuld van 9 mille weer konden beginnen. We gingen in 1946 op de Noordzee vissen. Maar zover was het in ’41 nog niet. Toen de hotter gevorderd was, moesten we een ander schip hebben om mee te boren voor Vrij. We huurden een zeilbotter met een kleine motor erin en daar zou ik voor zorgen. Riekelt Visser kwam erbij als kok en de Witte werd boormeester, Grubbelt moest bij een andere boorder aan boord. Toen ik de eerste dag de motor wilde laten draaien, moest hij een halfuurvoorgewarmd worden. En als ik dan eindelijk dacht dat ie liep, dan was ie al weer uit. Toen ging Riekelt het proberen en hij bleef na een uur opwarmen doordraaien, maar dan moest de blaaslamp het wel warm houden.

De eerste dag ging opzichter Vrij mee en die vond dat het veel te lang duurde voor we op het werk waren. Riekelt zei, dat hij niet wist of het vlugger kon, hij had geen verstand van de mo¬ tor, daar ging zijn broer Jurie altijd over. De tweede dag moesten we buiten de dijk bij Wieringen een diepboring doen. Je moest van de Duitsers een ausweis heb¬ ben, anders mocht je niet buiten de Wieringer haven. Wij lagen met twee schepen in de sluis van Wieringen. Toen we geschut waren, gingen wij de haven uit en Vrij ging met zijn schip de haven in. Dat was de UK 73, een bottertje van Klaas Romkes en zijn knecht Albert Hakvoort. Wij lagen buiten Wie¬ ringen te wachten op ze, want ze moesten de boorplek aanwijzen, maar ze kwamen niet. We wisten niet dat ze alle drie ingerekend waren, omdat ze geen ausweis hadden. We gin¬ gen terug en zagen de Duitsers bij hen aan boord en gingen naast ze liggen. Toen stapten de Duitsers meteen bij ons aan boord en vroegen ook ons om ausweis of persoonbewijs. Drie van de vier hadden het niet bij zich en moesten direct mee, maar ik had het bij me en kon aan boord blijven. Ik stapte dadelijk over op het schip van Romkes en ging in het logies kij-

68

ken. Het eten stond nog op het vuur. Romkes had een radio aan boord om naar de Engelse zender te luister, en het eten afgezet. De Duitsers kwamen niet beneden en ik vroeg ze of ik de wal op mocht gaan, en dat mocht, maar dan moest ik me elk uur melden. Ik wilde weten waar de bemanning zat. Nou die zat bij de politie met twee Duitsers erbij. Telefoneren kon je niet en toen is er een telegam naar Urk gestuurd om de persoonsbewijzen en die zijn de andere dag gebracht door een Duitser en toen zijn de mannen weer losgelaten. A1 was het storm weer, Romkes ging met Vrij dadelijk weer naar Urk en wij volgden de volgende dag, zonder een boring te hebben gedaan.

Toen moesten we op de Urker dijk boren, maar dat viel niet mee. Je zakte in de grond weg, zo week was die, het ging niet. Toen moesten we op de zuidpunt van Schokland boren in de oude kerk, het zou verzakken als het droog kwam te liggen, maar nu, na veertig jaar, ligt het nog hoog en droog. Toen we klaar waren en in de Schokkerhaven lagen, konden we niet wegkomen, omdat het water gezakt was en de botter vast zat. De volgende dag, met westenwind, kwam er weer water en konden we weg. Toen wilde Riekelt niet langer bij het boren blijven en ging hij op aalvissen. Wij gingentoenmet z’n drieen bij Auke van Slooten aan boord om te boren in de Noordoostpolder bij Kuinre. Dat duurde drie maanden. En toen zou ik mijn leven nog verspeeld hebben. Er was bij de Kuinder een geul gebaggerd en die lag droog. We moesten wat boodschappen doen en liepen over de droge geul. Mijn kameraads liepen met z’n drieeen voorop. Ze zakten er niet door, en ik, die er achter liep, zakte tot mijn armen in de modder weg. Ze konden mij er gezamenlijk maar net uittrekken. Ik zag er uit als een beest, en zij maar lachen. Toen we weer op Urk waren, zei Vrij, dat hij wat inkrimpen wilde wat het werk betrof. En toen zei ik: „Nou, dan ben ik al ingekrompen, ik groet je”, en ik ging weg. Toen heb ik samen met mijn broer, Kleine Jan, een kleine bot¬ ter gekocht en daar gingen we mee vissen op het Ijsselmeer en verdienden goed ons brood. De tweede week visten we bij het Enkhuizer zand. We lagen aan de kuil, het bottertje slingerde wat en toen brak onverwachts de mast af. De hele boel lag buiten boord en we hadden een hoop werk om de zaak

69

weer binnen te krijgen. Het was nog een geluk dat we een goeie wind hadden, zodat we zonder hulp van anderen in de haven konden komen. Van een oude Urker kochten We voor 100 gulden een tweedehands mast en gingen weer vissen. Maar de tweede dag brak de mast er al weer af en lag met zeilen en al overboord.

En weer konden we het zelfredden en in de haven komen, omdat er een fordmotor in het scheepje stond. Een nieuwe mast kostte ons 250 gulden. Het kuilen was in de oorlog (we schrijven nu over 1941) helemaal geen pretje met al die Waffenboten en Duitsers op het water. Alles moest in het donker gebeuren, er mocht’s nachts geen licht te zien zijn. Nu was er een grote vloot zeilers op het Ijsselmeer bezig maar nergens was licht. Wilde je's nachts naar een haven, dan moest dat op goed geluk, anders moest je het daglicht afwachten. Je mocht trouwens niet voor vijf uur’s morgens naar binnen. Weer of geen weer, je bleef buiten. Zo waren we eens aan het vissen bij Enkhuizen toen er zo’n harde wind kwam dat ik naar de haven wilde. Mijn broer zei, dat het niet meer kon en we visten door. Maar dat hebben we geweten die nacht. Het ging zo stormen dat er van vissen geen sprake meer kon zijn. We dreven met het zeil op het boord en moesten aan een stuk door met een emmer scheppen om er het water uit te houden, zoveel water kwam er binnen, zodat we blij waren toen het dag werd en we het overleefd hadden met dat oude ding. Oom Geert verbaasde zich toenwe zaterdags in de haven kwamen en vroeg waar we met dat noodweer geweest waren en of we ook aal had¬ den. Nu, dat hadden we: ongeveer 300 pond. Hij zei, dat we dan wel binnen de lijn gevist moeten hebben. De prijs was aan de afslag toen een gulden per pond.

Toen verkochten we dat bottertje aan Willem Kramer voor 2600 gulden en hij ging varen onder UK 84. Wij kochten voor 2800 gulden een Wieringer aak of bolle, ook een oud beestje en lek als een mand. Je bleefpompen om hem boven water te houden. Na een week of vijf konden we er niet langer mee va¬ ren, het was winter geworden.

We zetten de bolle op de werf voor reparatie: een nieuwe plecht, een nieuwe mastbank, random helemaal nieuw en nieuwe zwaarden, nieuwe leggen onder de mast en een nieuw mastspoor. Maar het vlak was oud gebleven, zodat de

70

Westhaven eindjaren '30.

Vaarwel, mijn Zuiderzee.... " Foto: Coll. G. Wakker.

bolle bij het vissen nog even lek was als in het begin. Die hellingbeurt kostte 2600 gulden, maar we vingen toen wel meer aal. Die losten we meestal op zee aan Bunschoters voor een rijksdaalder het pond, maar je moest dan wel goed uitkijken dat de Duitsers het niet zagen, anders was je er wel bij. Ze namen je dan mee naar Enkhuizen, pakten je visboekje afen gaven je als straf veertien dagen stilliggen. We visten een keer binnen de lijn bij Enkhuizen met eenharde zuidwesten bries, met nog een Urker, toen er onverwachts een politieboot bij ons kwam in de nacht. Onze kuil en paling werd in beslag genomen, die waren we kwijt, en later kwam er nog een bekeuring van duizend gulden bij. Het was een duur trekje geweest. In de winter van 1943 visten we met de sleepnetten op snoekbaars samen met de UK 164, Willem van Hessel de Vries. In de nacht van zaterdag op zondag werd ik op een keer wakker omdat ik veel geloop op straat hoorde en ging buiten kijken. Het waren tot mijn verbazing allemaal Duitsers. Ze rammelden aan de deuren om huiszoeking te doen; een razzia om jongens op te pakken. Dat ik riep m’n broers allemaal wakker; alle zes waren we thuis, en er waren er drie bij die naar Duitsland moesten als ze gepakt werden. Twee broers werden verstopt onder de vloer en Kees bracht ik naar het schip, verborg hem onder de kooi en gooide er netten bovenop. Daar heeft hij wel acht uur gelegen, eer ik er hem vandaan kon halen. In de tussentijd waren de Duitsers bij ons in huis gekomen. Moeder was in huis, maar vader was om een emmer water bij de pomp. Er was toen nog geen waterleiding. De Duitsers doorzochten het hele huis, maar moeder was erg zenuwachtig en liep maar van de kamer naar de keuken, en dat was nu net niet goed. Maarten en Toon werden gevonden en moesten wel onder de vloer vandaan komen omdat de Duitsers twee schoten onder de vloer afvuurden. Ze werden meegenomen naar Amersfoort naar een kamp. Vader kwam net thuis toen ze meegenomen werden en ging met die Duitsers op de vuist, maar hij was er niet tegen opgewassen. Twee Urker politieagenten, die erbij waren, moesten vader bewaken tot de Duitsers met de jon¬ gens weg waren. Als hij niet op leeftijd geweest was, hadden ze hem ook meegenomen, omdat hij verzet pleegde. De Duit¬ sers namen toen ongeveer 25 jongens van Urk mee en brach-

72

ten die met Waffenboten naar Amsterdam. Drie weken hebben ze in Amersfoort gezeten en toen werden er tien jongens losgelaten, omdat ze op het Ijsselmeervistenvoor de voedselvoorziening.

Daar is wat voor gedaan om ze weer los te krijgen. Maarten en Toon waren er ook bij. Die andere jongens zijn naar Duitsland gebracht om te werken, een paar zijn er niet teruggekomen. Toen de anderen na de oorlog wel terugkeerden was er feest op Urk.

We sleepten dus snoekbaars, wij (de UK 297) en de UK 164. Op een keer lagen we wegens windstilte in Workum. We besloten te kijken of we voor thuis ook wat aardappelen konden kopen, want als je geen bonnen had, konje die thuis niet krijgen, en met bonkaarten was het nog mondjesmaat. We gingen het aan een heel aantal boeren vragen, maar de meesten durfden niet aan burgers te verkopen, bang dat ze waren dat ze ervoor gepakt zoudenworden. We hadden alwel drie ofvier uur gelopen, toen we een boer troffen die wel wilde verkopen. We kochten elk 60 zak aardappels, twee wagens vol en elk voor 600 gulden. We moesten eerst betalen, de man nam geen risico, werden we gepakt, dan was dat voor onze eigen verantwoording. We zeiden waar we lagen met de schepen en de aardappelen zouden met donker afgeleverd worden.

We gingen terug lopen, weer een uur of drie ,vier. Willem van de UK 164 kon niet meer en dragen ging ook niet, daar was hij veel te zwaar voor. We namen hem om de beurt tussen ons in. Aan boord was zijn reactie: Dat doe ik nooit weer. Dan maar geen aardappels. We wachtten twee uur, toen hoorden we ze aankomen, twee paardenvoor twee wagens aardappelen. We laadden ze dadelijk en de brengers vertrokken meteen en wij gingen ook direct weg uit Workum. We hielden op Stavoren aan. Op het water was het aardedonker. In de buurt van Sta¬ voren werd er een grote schijnwerper op ons gericht door een Waffenboot, maar gelukkig ging deze door. Nu mocht je niet voor zessen’s morgens in de Urker haven komen en wij waren er om half zes. Ik wilde wachten, maar broer Jan was niet zo bang. Maar nauwelijks binnenwerd erweer een schijnwerperop ons gezet en geroepen waar we aan moesten leggen, opzij van de Waffen¬ boot. Maar dat deed ik niet. Als ik dat doe, dacht ik, danben ik

73

mijn aardappels kwijt. We meerden in de haven vlakbij een Duitse douaneboot en toen kwam er een Duitser bij ons aan boord en zocht of er ook vlees of spek in het schip was; van de aardappels nam hi]' geen notitie. Dat komt wel, zei hij, maar wij deden net of we hem niet verstonden. We haalden snel een kar en kregen ieder een kar vol aardappels in huis. Toen diezelfde Duitser weer aan boord kwam lag daar nog maar een klein hoopje. Hij zei, dat de aardappelen naar de pastorie gebracht moesten worden voor de daar gelegerde Duitsers. We zeiden, dat we die alvoor de pastorie gelost hadden en dat er nog wel wat over was. Toen kwam hij met een emmer die volgedaan moest worden, ging ermee naar zijn boot, en kwam niet terug. Dat liep dus voor ons goed af, wij hielden onze aardappels. Met onze maats liep het heel anders af. Die kwamen na ons in de haven en die moesten bij de Waffenboot langszij. Hun persoonsbewijs werd afgenomen en ze moesten de aardappelen in de boot overladen. Die waren ze kwijt. Ze moesten zich melden in de pastorie bij de commandant. Die wilde weten wat ze met die aardappelen van plan waren. Het hielp niet dat ze zeiden dat het voor eigen gebruik was, en niet voor de zwarte handel. Ze moesten zich voor straf elke dag melden, een week lang. De vrouw van Willem heeft toen de persoonsbewijzen opgehaald. Wij ruilden in die tijd veel aal en snoekbaars voor rogge en tarwe, en ook vis voor steenkool van stoomboten. We kochten ook wel eens een geslacht schaap of een stuk spek, vlees was toen erg duur. Je moest wel uitkijken dat je niet gepakt werd door de controleurs. Als de SS-ers je pakten was je bokkie, dan ging je naar een strafkamp. Op een keer gingen we met de bolle naar Genemuiden om te zien of we daar wat tarwe konden kopen. Nu, dat lukte: we kochten twee zak tarwe en een zak rogge, maar daarmee had¬ den we ze nog niet thuis. We waren ter hoogte van Schokkerhaven toen er een Waffenboot de Ketel uitkwam en die koerste recht op ons aan. Wat zouden we met de tarwe doen? Overboord zetten was het laatste waar we aan dachten. We zetten de zakken op het achterdek en zeiden: „Als ze ons moeten hebben, dan laten we het zeil op het boord zakken en dan kunnen ze niet zien dat we het graan overboord gooien". En zo wachtten we af. We voerenvlaklangs de dijk, en dat kon omdat de wind noordoost was.

74

De Waffenboot was al vlak bij ons en we lieten het zeil al zakken en zouden net beginnen te lossen, toen die boot z’n koers veranderde. Ze stonden wel met de verrekijker naar ons te kijken, maarwij hielden onze tarwe aan boord. In de Urker haven legden wij bij de UK 255 aan.

Broer Willem zei: „Jullie hebben toch geen smokkelwaar aan boord? Er is een razzia op de schepen. Ze doorzoeken alles, want er moeten twee Engelse piloten opgepikt zijn, ze heb¬ ben bij ons ook alles overhoop gehaald”. Nou, toen brachten we de tarwe bij Willem aan boord. We hadden het net gedaan, toen de Duitsers bij ons kwamen zoeken. We waren ze te vlug af geweest. Toen het wat rustiger geworden was, brachten we de tarwe thuis, we konden weer wat tarwebrood bakken. De rogge brachten we bij Piet Keuter, we woonden naast zijn bakkerij, en daar hielden we toen wat roggebrood aan over. Ik maalde de tarwe in een zelfgemaakte molen en dat gaf heel wat lawaai. Toen Schraal, de cafehouder het een keer hoorde en zag zei hij: „En dan vragen de mensen nog waar al die sto¬ ring op de radio vandaan komt. Wat een tijd, mensen, wat een toestanden beleven we. ” En zo was het.

We visten veel in de buurt van Medenblik en kwamen daar dan ook vaak in de haven. Dan losten we er onze aal en ruilden ook vis voor brood, boter ofkaas, en ook wel eens suiker en namaakkoffie. We lagen er ook wel als het slecht weer was. Een keer gingen we met twee bollen er met slecht weer tussenuit en visten langs de dijk bij Andijk binnen de lijn. We hadden al een goeie trek gedaan enflink aal gevangen. We lagen net aan het net voor de tweede trek, toen Kleine Jan de politieboot zag. Ik zei: „Daar is niets aan te doen en je weet, dat kostje de kuil en een bekeuring”. En zo ging dat ook: aal en kuil werden in beslag genomen. Het avontuur kostte ons duizend gulden en onze buurman maakte een goeie nacht. Aan het eind van hetjaar 1943 sleepten we snoekbaars met de UK 164. Bij de Kreilvandaan naar Kornwerderzand en toenwe de netten zouden halen kwam er veel wind en kostte het veel moeite de zaak binnen boord te krijgen, maar het lukte. Mijn broers, Willem, UK 225 en Louwe, UK 35, moesten ze evenwel losgooien en in Kornwerderzand wachtten op beter weer om de netten weer te halen. Wij zeilden met kleine gei en rifzeil in

75

de wind op en hadden het zwaar die nacht. We durfden de ha¬ ven van Breezand niet in te gaan, omdat daar een Duitse bezetting lag en gingen door naar de haven van de Zeug aan de dijk bij Wieringen, maar die was moeilijk te vinden in het donker. Toen we een klein lichtje zagen, dachten we dat het de haven was, maar het was een tjalk die vast zat op de dijk en er niet af kon komen. Dat die moesten we helpen en proberen van de dijk te trekken. Hij had een Kromhout-motor en ik zei hem de motor andersom te laten lopen, maar hij had er geen verstand van hoe dat gebeuren moest. We legden ons bij hem aan boord. Ik liet toen de motor andersom draaien: volaan op vooruit en dan ging je achteruit. En ja, de tjalk ging van de dijk af en de schipper was blij. Hij had ook het vrachtje wel. De tjalk was half gevuld met koeien en voor de rest met mensen. Die koeien kwamen uit Makkum in Friesland en die moest de schipper in het donker lossen in de Zeug en vandaar gingen ze dan zwart weg naar de slager. En dat mochten de Duitsers niet weten. Die mensen waren in Friesland om eten geweest en moesten weer lopende terug naar Amsterdam, Haarlem en IJmuiden. De tjalk moest dadelijk gelost worden en dan meteen weer weg. De mensen wisten niet direct waar ze in nacht en regen heen moesten en zaten op een hoop bij elkaar. Mannen, vrouwen en meisjes. Wij en de UK 164 hebben toen zolang ieder vier vrouwen in het logies genomen en te eten gegeven. We bakten een grote pan met ondermaatse baars en zetten een grote kan namaakkoffie om die aan de kleumende mensen op de wal te geven en wat waren die er dankbaar voor. Eerst om vier uur in de middag gingen we naar Medenblik om de snoekbaars te verkopen. We losten 1200 pond en kregen er 5 gulden per pond voor, dat was voor elk schip 3000 gulden.

En toen was de week vol en gingen we weer op Urk aan. En zo verstreken de weken met wisselend resultaat. Was er teveel wind dan konden we met die oude schepen niet varen en toen het die winter vroor moesten we wachten tot het ijs weerweg was uit zee. Intussen was het 1944 geworden enje zag aan alles dat het met de oorlog op een eind aanging. Er werden bij razzia’s veel mensen opgepakt en als je geen ausweis had werd je weggevoerd naar Duitsland om te werken. De vissers die op de Noordzee gevist hadden kwamen daar toen ookvoor

76

in aanmerking. Na achten mocht je niet meer op straat zijn en als je het toch deed en de luchtwacht trofje aan, dan moest je mee en kreeg je straf. De IJsselmeervissers mochten tot 12 uur in de avond op straat. Op een zondagavond ging ik even over twaalf de deur uit om naar boord tegaan, toen ik door een zekere Brouwer van de luchtwacht werd aangehouden en mee moest. Dat wilde ik natuurlijk niet, ik moest naar het schip om te vissen, en had geen zin om op het bureau de hele nacht op de commandant te wachten, want die lag wel lekker te slapen. Dat ik gafdie man een duw en ging naar boord. Maar hij maakte er rapport van en toen ik weer op Urk was, toen moest ik me melden in de pastorie. Als straf moest ik hout hakken voor de kachel. In de tuin waren Hessel Snoek en Jacob Bakker ook aan het zagen en hakken. Nu was er maar een zaag en een bijl en dus deden we beurt om beurt. Na een uur klom ik over het hek en ging weg en heb er verder ook niets van gehoord. Boven zee vlogen veel Engelse vliegtuigen en die beschoten ook schepen die er voeren, en op het land was aan alles gebrek. De palen, die Urk beschut hadden toen het nog een eiland was, werden op het laatst ook omgehakt om op het vuur het eten te koken. En toen de polder begon droog te vallen, haalden ze de takken weg die onder de glooiingen lagen van de dijken, om maar wat brandhout te hebben. Overdag visten we toen nog wat op aal, maar waren's nachts in de haven. Toen mochten we ook na acht uur niet meer op straat. Op een keer had ik van een vriend een boek geleend en dat bracht ik net voor acht uur terug. En toen vond ik bij die vriend thuis het meisje dat mijn vrouw geworden is. Zij was er op visite en moest ook op huis aan. Het was erg donker op straat, want alle ramen moesten verduisterd zijn. Ze vond goed dat ik haar naar huis bracht, en de kennismaking werd vrienschap en dat bleef zo. We kenden elkaar net twee dagen toen alle mannen van vijftien tot tachtig jaar zich moesten melden in de Wilhelminaschool en op het plein. Urk liept vol SS-ers en Waffensoldaten. Alles werd doorzocht. Er was geen verstoppen meer bij. Ieder die lopen kon en man was, moest zich melden. Er werden er wel honderd die geen ausweis hadden vastgehouden en op transport gesteld naar Duitsland. Daar waren ook twee dominees en een dokter bij.

77

Botters in de sluis van Kornwerderzand.

De IJsselmeervissers kregen nog zolang vrij. Ik had bij dat melden dus net verkering. Ik was vrij en ging naar de meid, en toen gingen we getweeen naar vader en moeder, om die kennis te laten maken met mijn aanwinst. Wij liepen in de Meester Jansmastraat, toen een Duitser achter ons een geweerschot loste. We schrokken zo, dat we ieder een kant uitvlogen en van schrik hebben we elkaar die avond niet weer gezien.

Tegen het eind van het jaar '44 moest iedereen zich melden om aan de IJssellinie te werken: loopgraven maken om de geallieerden te keren. Wij gingen toen zaterdags met veel schepen weg naar Medenblik en bleven daar de zondag over. En die week blevenwij ervissen op snoekbaars. Zo moestje doen om uit de Duitse handen te blijven. En het werd alsmaar erger. Naarmate ze meer teruggeslagen werden, werden ze ook strenger. Toen werd het 1945.

Mijn aanstaande vrouw en ik hadden niet zo lang verkering. Zij bezat een huis in Tuindorp en om dat niet kwijt te raken, bij de vordering van huizen door de Duitsers, trouwden we maar. Het was winter en er kwamen heel wat zorgen om de hoek kijken. Hoe kwam je aan brandhout? Hoe konje nog wat voedsel op de kop tikken? Je ruilde wat vis tegen steenkool, als je bij een sleepboot er de kans voor kreeg. Veel Urkers waren voor de voedselvoorziening gaan varen. Ze voeren met aardappelen naar het Gooi en Amsterdam. En dat zouden wij toen ook gaan doen. Maar daar moest je eerst papieren uit Huizen in het Gooivoor halen enwij gingen ervissend naartoe. Met zestig pond aal kwamen we in de haven. Toen kwamen en zestien Duitsers in schiethouding en in de ganzenpas achter elkaar op ons aan. We vroegen ons af wat ons te wachten stond. Toen ze bij ons waren, schreeuwden ze dat we aan de wal moesten. Acht man kwam aan boord en acht man bleef schietklaar op de kade. Alles werd doorzocht en onze ausweisen werden meegenomen. Die konden we's avonds om zes uur weer terughalen, zodat het goed afliep. De paling verruilden we voor brandhout, een pak thee, wat koffie en tabaksblaadjes, een doos zeep, eenpaarklompen, eenpaar repen chocola. Een paar zak aardappelen die we aan boord hadden, verdeelden we onder de mensen op de wal en wat waren die blij dat ze een maaltje eten kregen!

79

Er was toen een Genemuider visser die duizend gulen voor vijftig pond aal maakte, maar hij wist niet dat die biljetten al ingeleverd en waardeloos waren.

Om zes uur's avonds kregen we onze ausweis weer terug en verlieten de haven. Omdat het stil weer was visten we die nacht niet. Toen het dag werd kwamen er twee Engelse vliegtuigen over. Ze beschoten een Rijn-aak die daar lag, zodat de stukken erafvlogen. Er kwamwat wind envoorhet windjebereikten we de Urkerhaven. Hetvaren envissenwas te gevaarlijk geworden en we stopten er zolang mee. Je kon van al die vliegtuigen in de lucht niet meer op het water verkeren. De oorlog liep ook op het einde.

Toen de Duitsers gecapituleerd waren, gingen we veertien dagen later weer vissen op aal en verdienden goed. Aan de afslag kregen we een gulden voor een pond paling en iederloste er weer gewoon of er geen zwarte handel bestaan had. Op Urk zelf was het met de bevrijding een toestand. Als ze dachten dat je wel eens met een Duitser praatte, hielden ze je alvoor een NSB-er en werd je opgehaald en naar een kamp gebracht bij Emmeloord en de Urker oppassers waren strenge lui die erop lossloegen. Ik ben een keer op bezoek geweest in zo’n kamp bij Urker vrienden en zag wel hoe ze gedrild werden. Ik gaf ze stiekem wat sjektabak en vloei, want volgens de voorschriften mocht het niet. Ook de meiden die met Duitsers omgingen werden opgehaald, en kaalgeknipt met veel volk erbij, bij het raadhuis. Toen de revolver van een politieman afging, verloor daar twee man het leven bij en toen was de lol er wel af met de jeugd. Het was na de bevrijding niet meteen weer zo dat alles volop te krijgen was. Alles was nog op de bon en het heeft lang geduurd voor we daarvan verlost waren. De Urkers gingen om hun schepen zoeken overal waar maar een haven was. Vanuit Delfzijl ook langs de Duitse kust als dat werd toegestaan. Er kwamen toen ook al gauw botters terug en die konden dan spoedig weer gaan vissen op de Noordzee.

Er was veel vis te vangen en veelsoortig ook, zodat er verdiend kon worden. Er was een commissie gevormd die om schepen zocht. Ze vonden onze hotter in Zierikzee waar hij als veerboot werd gebruikt, door de BS van het leger, tussen Zie¬ rikzee en Wemeldinge. Wij gingen er heen, een hele reis. In

80

Rotterdam moesten we een nacht overblijven envandaar konden we met een Waffenboot naar Zierikzee, eentocht van acht uur. Toen we Zierikzee naderden, op een boot afgeladen met mensen, kwam net onze hotter de haven uit, op weg naar de andere kant. Toen we in het vallende donker de boot verlieten, stonden er vier BS-ers de passagiers te controleren op persoonsbewijs. Wie het niet had werd apart gezet en meegenomen naar het bureau. Nu had ik het wel bij me, maar vader niet, en ik wachtte dus en liep mee naar het bureau. De com¬ mandant zei tegen me: „U kunt wel gaan, bij u is het in orde”. Toen zei ik: „Ik ga met vader mee, waar je hem brengt, daar blijfikookvannacht". „Nu,teken dan dit papier, danishijvoor jouw rekening", was het antwoord en dat was goed. Het lukte ons nog om onderdakvoor de nacht te vinden, in een kamer waarvan de ramen dichtgespijkerd waren. Zo was het na de oorlog, en in Zierikzee leek wel alles kapot geschoten. ’s Morgens gingenwe naar de havenvan de BS. De commandant heette Roest enwe legden de zaakuit; we kwamen om de hot¬ ter die door de Duitsers gevorderd was. De commandant vroeg om bewijs dat het schip van ons was en dat hadden we niet; we hadden de meetbrieftoen aan de Duitsers moeten afgeven en hadden geen reserve. Toen vroeg de man om kenmerken van het schip, zodat hij het kon controleren als het’s middags in de haven kwam. En ik noemde veel dingen op, maar we konden de hotter niet meekrijgen; ze hadden het schip nog voor de dienst nodig. We gingen daarom weer met de volgende boot naar Rotterdam en over Enkhuizen naarUrk. Maar mocht die commandant dan ons schip in zijn dienst gebruiken zonder dat er vergoeding voor werd betaald? Ik ben er in Den Haag voor bij de hoogste instantie geweest. De meneer die ik sprak, vroeg hoeveel vergoeding de Duitse weermacht per week betaalde. Ik deelde mee dat die zes gul¬ den per dag betaalde en het schip alwel honderd dagen in gebruik had gehad. De man beloofde de zaak te onderzoeken en bericht te sturen en gaf 500 gulden voorschot en daarmee kwam ik thuis. Later kregen we bericht dat we het schip kon¬ den halen, en toen ging ik weer, enweer met zo’n omstandige reis, naar Zierikzee. Maar het ging niet zo vlot. Roest zei, dat ik het schip wel kon krijgen, maar dat de motor die er door de Duitsers ingeplaatst was, oorlogsbuit was. Een driecilinder van 50 PK die wilden ze

81

emit halen. Het werd een heel heen en weer gepraat. Die mo¬ tor zou nog wel van een ander kunnen zijn en wat hadden wij aan een hotter zonder motor, enzovoort. We maakten een overeenkomst, dat als de eigenaar van de motor er om komen zou, wij die dan zouden afgeven. Kwam er geen eigenaar om, dan kon ik hem kopen voor 2500 gulden. Wilden wij niet kopen, dan konden wij hem huren voor twee gulden vijftig per week met een looptijd van een jaar en zes weken. Het kwam zwart op wit te staan. Toen kon ik het schip meenemen. Twee jongens wilden wel met me mee, voor 35 gulden elk, om het schip naar Rotterdam te brengen. We meerden in de Parkhaven. Ik had er al over naar Urk gebeld en vader en Kleine Jan waren er al.

We bleven de hele nacht in Rotterdam en voeren toen in anderhalve dag naar Urk. De week daarop brachten we de botter naar Amsterdam, naar een werf van De Vries Lens voor een opknapbeurt. Het achterdek lag te laag en moest omhoog gebracht, het visbun ging emit, dat werd nu een visruim, en het logies moest vernieuwd worden. Dat duurde van 15 Septem¬ ber 1945 tot half januari 1946. Intussen werd mijn zoon Mein¬ dert geboren en moest je het geld inleveren: een tientje de man, en dus kregen wij drie tientjes. De afhandeling van een en ander heeft heel wat voeten in de aarde gehad. Het was half februari toen we konden vissen.

82

De orkaan van februari 1953

Met de Kerstdagen zijn de vissers thuis. Zo ook in 1952. We waren thuis tot na Nieuwjaar en onze schepen lagen in Breskens, omdat we visten in het zuidelijke deel van de Noordzee. Met de bus, die de vissers samen huurden, gingen we dus na de jaarwisseling weer op Breskens aan, een rit van wel zeven uur eer je aan boord was. Dan ging je proviand halen, brood en vlees, wat ijs laden en dan naar zee als het winterweer het toe liet.

Wij hadden voor het nieuwe jaar een andere knecht aan boord gekregen, Freek Romkes, vrijgezel. We visten een week en bleven de zondag over in Breskens om dan de volgende zondag thuis te zijn.

Op 30 januari waren we aan de markt met haring die we in Breskens verkochten. Na de schepen, als gewoonlijk, goedte hebben afgemeerd gingen we met een bus met volk met de veerpont over naar Vlissingen en dan verder richting Urk. Het was meestal al een of twee uur's nachts als je thuis was.

Die vrijdagavond dat we uit Breskens vertrokken was het nog mooi weer, maar's zaterdagsavonds was er een harde bries. Het was springtij die dag en dan bleef in Breskens het water met laag water op de kant staan. In de nacht van zaterdag op zondag brak er een storm los die uitgroeide tot orkaankracht. Alles liep daar toen onder water, dijken braken door, en in dat hele gebied verdronken er toen wel negentienhonderd men¬ sem

Die zaterdagavond vroeg mijn vrouw: „Jan, ligt de kotter wel goed vast?” Ik antwoordde dat die goed lag en er een wacht de oppas had. En wat wou je meer? Wij sliepen goed die nacht en zonder zorgen, zonder te weten dat er in Zeeland zoveel mensen in nood verkeerden. Die zondagmorgen zat ik in de kerk enwist nogvanniets, toen de koster me waarschuwde dat er mensen waren die me moesten spreken. Ze vertelden me buiten dat onze kotter in Breskens op de wal op de dakpannen stond.

83

Het schip was door de storm losgebroken en door het hoge water op de dakpannen gezet. De mannen keken me aan voor een reactie. Ik nam het nogal kalm op en zei: „Nou, mensen, dan staat-ie wel erg hoog en daar veranderen we nu niets aan, laten we eerst maar een kop koffie drinken en dan na het eten met de bus, die op Urk staat, zien of we in Breskens kunnen komen. ” Er werden wat schippers gewaarschuwd en we konden om twee uur vertrekken. Om half drie waren we buiten Urk en reden richting Breda. Toen we bij hotel ’Nachtegaal’ een kop koffie wilden drinken konden we er niet in, zo waren ze daar aan het dansen. Toen we zeiden dat er in Zeeland zoveel mensen verdronken maakte dat geen indruk en ging alles gewoon door. En wij reden zonder koffie verder.

Toen we in de buurt van Kruiningen kwamen kregen we wa¬ ter en konden niet verder rijden. Op het erf van een boer gingen we de bus keren. Die reed even achteruit, tegen het water aan. Ik moest er even uit en liep in het pikkedonker tot bij de achterwielen. Toen kwam er iemand bij me langs om achter de bus te komen en ik zag hem zo in de diepte verdwijnen, in een diepe sloot. Toen hij weer bovenkwam trokken we hem, drijfnat vanzelf, op de kant. Het was Tjalling Hoekstra die bij Hendrik Brands op de UK 11 voer. Hij moest van Jan en alleman wat droge kleren hebben om aan te trekken. We moesten over Antwerpen rijden om in Breskens te geraken, en daar waren we 's morgens om drie uur; het was nog donker en alles zag er even triest uit. We gingen op zoek naar ons schip. We liepen naar de kop van de haven waar een fabriek stond en een opslagplaats van dakpannen was envan rioolbuizen, wel anderhalve meter hoog. En daar zagen we het schip boven op de dakpannen staan. We moesten er eerst nog om lachen dat-ie er zo mooi recht bovenop stond. We gingen in het schip en maakten de kachel aan, kookten koffie, namen wat brood en wachtten op het aanbreken van de dag. De andere Urkers hadden meer geluk met hun schepen envoeren naarVlissingenomte helpenredden wat ernog te redden was, heel Zeeland door.

Toen het dag werd en we verder om ons heenkeken, bleken er nog twee kotters op de wal te staan en een sleepboot stond ervoor. Het waren Wieringers: de WR 67 en de WR 7, de eerste van ijzer, de tweede van hout.

Pag. 85: UK 169 bovenop de pannen, februaristorm 1953.

(miiiiinniiiii. ‘AO.*.'.*. .*•.M.MI.H 1m1111111:1

De laatste was in het midden gebroken, maar die ijzeren kotter had geen averij. De mensen waren aan boord toen het gebeurde, maar toen het gebeurde viel er niets aan te doen om het te keren. Met dat weer en dat hoge waterwaren hun schepen in de haven niet van de kant te houden.

’s Morgens kwamen de schippers bij ons: Jan Koster en Sijmen Thijssen. Hoe moest het nu met de schepen? Hoe waren ze weer in het water tekrijgen? Ja, dat was niet niks. Daarmoest een grote bok bij komen om ze weerinhet water te tillen, maar waar haalde je die vandaan?

Nu wist ik twee van die drijvende hijsbokken te liggen. Die zaterdagavond had ik juist in de krant gelezen dat ze een oude onderzeeboot gelicht hadden en in de haven van Terneuzen lagen. We moesten er dus vlug bij zijn om de eersten te zijn. Met de auto van JanRasmus gingenwe er meteen naar toe, en toen wij er waren kwamen de schipper en het volk daar net aan boord. De schipper kende ik goed, ik had al een paar keer met hem in de trein gereisd. De bokken waren van Van der Tak uit Rotterdam.

We vertelden de zaak van de kotters en de sleepboot. De schipper belde meteen het kantoor en besprak de zaak, dat hij vier schepen in Breskens van de wal wilde lichten en dat ze daar dinsdag gingen kijken wat dat moest kosten.

Onze kotter stond wel 25 meter van de waterkant af en daar kon de drijvende bok net bij komen om te lichten. De andere schepen stonden dichter bij de kant. Dinsdag werd de zaak bekeken en berekend. Er moest met twee hijsbokken gelicht worden. Voor vier schepen zou dat 3500 gulden per schip kos¬ ten.

De verzekering betaalde mij later 2500 gulden, zodat ik zelf 1000 gulden moest bijbetalen, en dat kon met 100 gulden in de maand.

Toen het weer goed was kwamen die hijsbokken op vrijdagmiddag met hoogwater. Ze lichtten ons het eerst van de wal, zodat we met een goed kwartier weer in het water lagen. We lieten de motor draaien en zijn naar Urk gevaren, waar we op zaterdagmorgen om negen uur in de haven waren. Het was me de week wel geweest.

86

Wat Klaas Post vertelde

Twee tal haring

't Was half november 1928. Ik had "behouden teelt" van de logger, was 20 jaar, had niets te doen en geen cent op zak. Mijn vriend Hessel Snoek had een jol en zei: "Klaas, wij moesten ieder maar drie repen haringnetten gaan schieten, dat is elk 12 netten. Als we wat grote spieringen vangen, hebben we tenminste een zootje om te bakken. Zit er wat haring in dan verkopen we die voor zakgeld. Hij was nog niet uitgepraat of ik ging al op huis aan en de zolder op. ”Wat moet dat?” riep moeder en ik zei: ”Och mens, dat zie je morgen wel! ” Ik gooide netten en stengen buiten, waar de ankers al lagen. Mijn broer Jelle haalde de handkar van Freek van Leendert Brou¬ wer. Die was groenteboer, maar had ook wel eens haring in zijn wagen, omdat hij op Top bij het haringzegenen was als daar "haring aan de wal” was. Freek wou wel met ons meedoen, hij had ook wat netten, maar dat ging niet. Gerrit, de broer van Hessel, had de jol al klaargemaakt, en wij begonnen op de haven de netten aan te steken. Erliep volk op de haven dat even meehielp, en zo waren we nog vlug klaar. Wij wachtten niet tot de andere dag, maar gingen meteen schieten. Er was een goede wind, windkracht drie, en net bui¬ ten de Rotholm, waar het wat dieper werd, schoten we vlot onze netjes. Om tien uur's avonds waren we weer in de ha¬ ven, maar de andere morgen om acht uur gingen we al weer halen. In de eerste reep zat wat spiering, maar ook wel zestig haringen. Dat ging dus goed, en het bleef ook zo. We hadden in totaal twee tal, dat is vierhonderd stuks haring gevangen, de die brachten tien gulden op. Voor onszelf hadden we ieder een lekkere zooi spiering om te bakken. We verdeelden het geld. De jol twee, en wij elk vier gulden. Mijn vader was nog niet binnen met de logger, en het was dus geen vetpot thuis. Mijn moeder wist, toen ze daar met dat geld in handen stond, niet of ze nu lachen of huilen moest. Ze kon de centen goed gebruiken. Ze wist nog niet welk een strenge winter er voor de deur stond.

87

Een boot op ijzers

Ik wou zo graag op een Urker hotter varen. Dan was je tenminste om de veertien dagen wel een zondag op Urk. Dan was daar de vertrouwde kerkgang, en als het mooi weer was ging je om Top en zat dan met een ploegje jongens aan het dijkje. De meeste jongens konden mooi mondorgel spelen enwe kenden veel liederen van Johan de Heer. Dat klonk zo mooi over het water, als de zon aan het ondergaan was. Dan liep Urk soms leeg. Helaas, mijn vader en ik waren loggerlui, die voor Vlaardingen voeren, en dan hielden de Urker botterschippers je voor "ongedoopten". Gelukkig had ik een tante die een broer had die een grote hotter bezat met 26 pk erin. De hotter was breed gebouwd enwerd ”de ouwe Zwolle” genoemd. En op die hotter kreeg ik met de kerstdagen mijn huur. Ik was de koning te rijk.

Met nieuwjaar zouden we varen. Maar het begon te vriezen, en hoe! We voeren nog wel, maar kwamen niet verder dan Enkhuizen. De zee vroor snel dicht. Alleen vijf sterke botters met vijftig paardekrachten kwamen nog op het nippertje buitengaats. De winter van '29 was begonnen! Een winter als de beruchte van 1890. Het bleefmaarvriezen enwe hadden niets omhanden. Toen gingen we met vrienden een boot met ijzers eronder optuigen met zeil en fok om er wat mee te spelevaren. Aan een grote tocht dachten we nog niet. Maar wat gebeurde? Net voor Biddag, de tweede woensdag in februari, namen drie Urkers in Enkhuizen de stap op en gin¬ gen aan de wandel richting Urk. Bij Urk lag nog een strook open water en toen werden die mannen met de ijsvlet opgehaald en op Urk ook ingehaald. En toen werd er al gauw een weg van Urk naar Enkhuizen en omgekeerd opengesteld. Over een brede scheur werden planken gelegd. Met vijf uur lopen was het traject afgelegd, als je tenminste niet ten val kwam. En toen kwam onze boot van pas. Wij wisten niet meer hoe centen emit zagen en wij besloten te proberen wat met onze boot te verdienen door boodschappen voor de winkeliers te halen.

Een mooie week

Kees van Piet Brouwer had wel eens een uurtje met onze ijs-

88

boot gezeild. Hij was winkelier. Voor hem haalden wij tien zakken suiker en bij Kroeb in Enkhuizen haalden we voor "Bartje” lever- en paardeworst. Zo kwamen we in het vervoer over de ijsvloer van de Zuiderzee. Nu lag er ook een hotter van een oom van me in Enkhuizen en van hem kreeg ik de sleutel van het vooronder, zodat we in de kooi konden slapen als het te laat werd om de oversteek nog te wagen. We maakten dan de kachel aan en kookten eten. Ik denk nog aan de eerste terugtocht. We vertrokken om vijf uur in de morgen. Het was wel mooi weer, maar we hadden recht in de wind. We waren met zes man en deden zes uur over de tocht met een beladen boot. We verdienden 125 gul¬ den en deelden dat onder elkaar. We maakten daarna nog twee reizen naar Enkhuizen en terug, en twee naar Kampen, maar die vielen ons lang niet mee. En ook nog twee tochten naar de Lemmer om aardappelen te halen voor hongerend Urk. De laatste reis viel op 5 maart 1929. We verdienden er ieder tien gulden en een zak aardappelen mee. Maar toen er daarna een auto door het ijs zakte was het gebeurd. Een week lang heerste de mist. En eindelijk was de strenge winter toen voorbij. De week daarop kon er weer gevaren worden, een week voor Pasen! Ik kon mee met de UK 163 van J. Korf, dat ik was de koning te rijk. Wat varen op de Noordzee was wist ik wel van de logger, maar dit andere werk op de hotter moest iknog leren... We stoomden buiten het Diepe Gat en visten tot donderdag en toen tuften we naar ”de stad", dat is Amsterdam, en besomden daar tweehonderd gulden. Er werd 150 gulden verrekend en ik kreeg 24 gulden op mijn deel. Een mooie week! En, met Goede Vrijdag thuis! 's Avonds zat ik in de kerk: ”Jezus, Uw verzoenend sterven blijft het rustpunt van ons hart". Wat was dat mooi!

Drie jaren varen

Ik had het op "de ouwe Zwolle” best naar mijn zin. Wij visten bij Scheveningen en verdienden die zomervan 1929 goed. Een zondag op Urk en een in Scheveningen. Met de schipper ging in twee keer mee naar de kerk. Daar preekte Ds. Van der Meulen, later doctor. Hij is ook nog op Urk beroepen geweest. Met Kerst kwam ik toen op de hotter van Frans Kramer. Een hotter met 35 pk Nuk-motor. Dus 10 pk meer. Dat was ook een goed

89

huur en we maakten weer een mooie zomer met ansjovis vissen.

We kuilden samen met de UK 72 van Kees Bakker, ook met 35 pk motor. Toen maakten we een week van 10.000 gulden op het span vaartuigen.

De olie was toen nog 2 centen de liter. Maar het bleef zo niet. A1 gauw was er geen ansjovis meer te vangen, de "teelt” had zeven weken geduurd. Toen hebben we drie weken op de werf gestaan voor een goede beurt, en daarna was het weer varen en vissen. Weer voor Scheveningen en tot aan de Kerstdagen.

Toen kwamikop de UK 12 van MaartenvanJelle van Maarten, een hotter met 50 pk. Met de UK 107 was die in de Urkerhaven de hoogste in kracht. Ik voer dus samen met Jacob en Luppien. We gingen kuilen om haring, eerst in de Noord- en later in de Zuiderzee, ook om haring, soms wel vlak buiten de Urker haven. Dat was mooi werk. Dan haalden we buiten de haven de kuil binnenboord en schepten die dan in de haven leeg. In mei gingen we weer kuilen om ansjovis, maar de prijs lag niet hoger dan drie cent per kilo. En toen weer naar Scheve¬ ningen. Dat was leuk: elke morgen aan de afslag en elke mid¬ dag weer naar zee.

Toen had ik drie jaar op Urker botters gevaren. Het beviel mij goed en ik dacht: als wij zelf nu eens een grote hotter zouden hebben met vader.

Maar er was een maar bij. Mijn vader was maar een ’’halve” Zuiderzeevisser. Hij had al twee keer aangevraagd, maar het verzoek was elke keer afgewezen. De Rijksdienst zag er geen heil meer in. Ze hadden alwelmensen geholpen, maar met oude schepen. Vader had zes jongens, en die moesten toch zeker varen. De Zuiderzee werd droog gemaakt en dus bleef er niets anders over dan de Noordzee. En toen sprak ik die controleur.

Een eigen hotter De controleur aan wie ik onze moeilijkhedenvoorlegde zei, dat mijn vader maar eens bij hem komen moest. Er was volgens hem wel een weg voor ons om aan een hele nieuwe hotter te komen. De regering wilde dat wel. En er waren nog twee schippers die voor een nieuw schip in aanmerking wilden ko¬ men.

90

Mijn vader zag erg tegen een beslissing op, maar mijn moeder zei: ”Je hebt toch vijf grote jongens", en toen ging vader met zijn trouwboekje op die meneer aan, en daarna samen met de andere schippers naar de burgemeester. We zeggen het te¬ gen niemand, voor de hotter in de haven is, zo namen we ons voor, want het kwam voor elkaar. De schepen zijn bij Boot in Alphen gemaakt en kwamen een jaar later in de Urker haven, de UK 53,141 en 143. Ze hadden sterke Industrie-motoren. Dat was in 1932.

Zo voeren we uit met de "Jacoba”, UK 53, schipper Kobus Post, stuurman Meindert Kramer en ik als derdeman, op 22 januari. We voeren op Terschelling en visten, met mooi weer, drie nachten buiten de rug. Toen stoomden we op naar Den Helder om ijs te laden. We hadden toen drie manden schol aan boord in het bun, tarbot, tong en vijftig kabeljauwen, en die handel moest in het ijs.

’s Maandags voeren we weer om 12 uur uit en vingen nog dertig manden vis erbij in het Diepe Gat. Toen voeren we op dinsdag naar Amsterdam en losten daar de vangst. We waren alleen aan de markt en besomden 350 gulden, en toen konden we's woensdags op Urk Biddag houden. Wij hadden nog carbidlicht aan boord en toen voeren we na de Biddag eerst naar IJmuiden om elektrisch licht aan te brengen. We kregen eerst 6 volt en toen dat niet sterk genoeg bleek 24 volt. Toen het jaar om was ging Meindert Kramer voor zichzelf varen en voeren wij met vader en drie broers. Vader hield er na twee jaar mee op en ging weer op het Ijsselmeer vissen, want door de Afsluitdijk was de Zuiderzee intussen het Ijsselmeer geworden. Wij visten toen verder met vier broers op de Noordzee. Het had goed kunnen gaan als de crisis niet gekomen was. We kregen nog 20 en 25 cent voor tong en tarbot. Er was vis genoeg, maar die bracht te weinig op. En toen kwam de oorlog.

Op het Wad Wij mochten in het begin van de oorlog in ploegen van tien schepen voor IJmuiden vissen van Wijk aan Zee tot Petten, binnen de zes mijl. Om acht uur naar zee en om zes uur weer binnen, een tijd voor drie trekken. Een keer in de maand lieten wij ons met een tiental botters

91

naar Urk slepen, dat was om olie te sparen. Dat ging zo door tot einde 1942, want toen werd onze hotter gevorderd en waren wij weer visserman af. Ja, we mochten wel naar Duitsland, werd ons gezegd. Daar was werk genoeg.... Nou, daar waren wij niet om verlegen. Korte tijd later liep ik met Jaawk van Dirk van Marretje langs de haven. Daar lagen twee sleepbootjes van de firma Hoekman, de Albert I en II, met 80 pk motor. We vroegen aan Lucas Hoekman of we die bootjes niet mochten gebruiken om op het Wad te vissen, als we tenminste olie en kuilen konden krijgen. Dat ging toen door. We kregen op het distributiekantoor een toewijzing voor olie enbonnen voor eten. In Den Helder moesten we toen nog van de Wehrmacht een visvergunning hebben. De scheepjes werden bekeken en we kregen een paspoort met de Duitse adelaar erop. Dat kon je overal laten zien. Ik was dus weer visserman. Mijn broers Jurie en Fokke gingen ook mee. We gingen bij Wieringen vissen, maar veel vingen we niet.

Afijn we hadden een visje om te eten en konden wat ruilen voor een pakje sjek. Ook konden we wat olie bijkopen, want de toewijzing was te krap. Om de twee weken gingen we met een boot naar Urk en daar was nog wel eens een vat te koop. Maar ook dat liep weer af. De vorst viel in. We peilden de olietank en hadden nog net genoeg brandstof om op Urk te komen.

Wij dachten daar in drie uur te kunnen zijn, maar hadden niet op ijs gerekend. Na 2V2 uur liepen we vast in het ijs. En dat werd achteruit en vooruit en het werd donker. We konden ons maar moeilijk orienteren, want de torenlichten brandden niet. En toen raakte tot overmaat van ramp de olie op....

In het ijs

Laten we proberen Enkhuizen te bereiken, zei ik, toen we los van het ijs waren. Nu waren we met zes man aan boord en die wilden het nog niet opgeven. Die zeiden: We zijn zo bij de Kamperdijk, maar zien konden we niets. Toen gingen er een paar van boord op het vaste ijs poolshoogte nemen. Ikzeg: Als we een dijk zien, moet dat de Lemsterdijk zijn. De wind draaide wat en ineens konden we vaag de dijk zien. We kwamen weer in het vaste ijs te zitten en toen zei de motor "stop".

92

We dreven weer van het ijs af en gooiden het anker uit. Gelukkig hield het, maar wat verder te doen? We maakten onze twee tanks leeg enkonden nu ongeveervijfliter olie in de dagtank doen. Maar we vergaten lucht te pompen en dus wilde de motor niet draaien. We keken elkaar aan. Wie was de schuldige? Wij dorsten niemand de schuld te geven en de dader bekende niet. Die wist echter wel een oplossing. Als we een cilinder zouden losmaken hadden we maar 40 pk. Enzovoort.

Ik zag het niet zitten en zei: Nou, ik ga in de kooi, als de motor weer draait, dan hoor ik het wel, maar veel moed had ik er niet op. Drie uur hebben ze gemoord en geslingerd, maar hij deed het niet. Nu hadden we een geluk bij een ongeluk. Wij hadden in Wieringen net onze toewijzing steenkolen gehaald, dus konden we nog stoken en haring koken. We troostten ons met de gedachte dat ze ons bij het dagworden wel zouden zien liggen. De wind begon zachtjesaan aan te wakkeren uit het oosten en het werd flink koud. Toen het licht werd konden we de toren zien. We zaten ongeveer vijftig meter van de dijk. Maar er kwam geen levende ziel voorbij en niemand scheen ons te zien. We bleven kijken, de hele dag, als Jan, Piet en Klaas uit het boekje, en zeiden niet al te veel. En toen liet de zon zich net als altijd ten langenleste weer zakken, want die weet de tijd van haar ondergang. De stemming daalde onder het nulpunt en geen mens lustte nog haring. Wat moest dat worden? En sjek hadden we ook al niet meer.

Op het Vrouwenzand

We hadden wel zin in een trekje, maar, zoals gezegd, de sjek was op. Lusteloos stonden we in de stuurhut. Ik ging even naar beneden, rafelde een stukje touw uit, draaide er een sigaret van en kwam rokende boven. Stomme verbazing. Iedereen moest een trekje doen, en even lachten we. Maar o wee, daar kwam een grote ijsschots op ons aandrijven en die nam ons mee. Na een poosje brak de ankerketting en toen had het machtige ijs vrij spel met ons. We dreven de tweede nacht in. Wij seinden niet en hoopten er het beste van. Als we op het Vrouwenzand verdagen, weet ik niet wat er gebeurt, dacht ik, maar ik zei het niet om ze niet ongerust te maken; ze zouden dat toch zelf ook wel weten.

93
De visafslag van Amsterdam.

Na de nacht kwam weer de morgen, maar geen schip was er te zien, hoe we ook keken en tuurden. En niemand had nog behoefte wat te zeggen die maandagmorgen. Ik moest denken aan de vrienden van Job die zeven dagen zwegen, en toen ze eindelijk wat zeiden had Job maar liever gehad dat ze waren blijven zwijgen.

Net voor het weer donker werd voer de Staverse boot een paar honderd meter voor ons over voorbij. Maar die zag ons niet en stoomde door. Wij dreven in de richting van de Friese wal. Toen rafelden we terig touw uit en staken het, toen het helemaal donker geworden was, in brand. En wij maar branden en branden, maar geen schip en geen hulp. Ja, en toen liepen wij vast op het Vrouwenzand. De schots die ons gevangen hield brak stuk en een brok ijs kwam over ons bootje heen. Daar waren we nu nog net om verlegen! Gelukkig brak hij verder en wat er binnenboord kwam gooiden wij aan de andere kant weer overboord. Gelukkig ook bleef het kalm weer en werd het ook niet mistig. We waakten de derde nacht door en hoopten op de morgen en onze redding.

Over de dijk

En ja hoor, ’s morgens zagen we een sleepboot uit de haven van Stavoren komen. Hij kwam ons te hulp. Een man had's avonds een vlam op zee gezien en de plaats doorgegeven aan de havenmeester. We vonden het wel vreemd dat de Staverse boot die ons eerder van zo dichtbij gepasseerd was, niets gemeld had. Hadden ze ons op die boot dan niet opgemerkt? Afijn, we werden op sleeptouw genomen en in Stavoren gebracht. Vier man van ons waren meteen op de sleper overgestapt, maar Jacob en ik bleven aan boord. De havenmeester kon het verhaal van ons ijselijk avontuur nauwelijks geloven. Waar hadden we dan wel van geleefd? "Van het ijs”, zei ik. Nou, we hadden ook weinig meer gehad. Het was oorlog, en het weinige dat we op onze bonnen gekocht hadden was al gauw op geweest, de sjek incluis. Maar hoe kwamen we nu weer op Urk? Zouden ze daar niet erg ongerust zijn? Om de vier uur ging er een bus naar Lemmer. Er zat niets anders op dan daarvandaan langs de dijk lopend op Urk aan te gaan. In Lemmer drcnken we ons eerst moed in met een mok surrogaatkoffie, aten een halve "kalverspoot" en namen toen de

95

stap op. We waren zo dom te vergeten op te bellen, maar dat beseften we pas toen we al een stuk onderweg waren. Wij, dat wil zeggen Jurie, Fokke, Jacob, Teun, Jelle en ik. Om twaalf uur in de nacht waren we er. Mijn vrouw vond het vreemd dat we al op woensdag thuis kwamen. Ze had ons pas aan het eind van de week verwacht. Ongerust was ze dus niet geweest. Eigenlijk maar goed dus, dat we niet gebeld hadden. Ik zei ook alleen maar, dat we zo vroeg waren, omdat onze olie op was. In de eerste de beste winkel hoorde ze toen het verhaal van onze belevenissen beter dan ik zelf had kunnen vertellen. We besloten al gauw de booties naar Urk te halen, de een uit Stavoren, de ander uit Wieringen. Met een bon voor vier liter olie gingen we opperdan. Met de boot naar Enkhuizen en vandaar met de boot naar Stavoren. Het was nog een toer om aan lucht te komen.

We lieten eindelijk een fles zuurstof in de luchtketel lopen, en ja hoor, de motor pakte. Met de Albert I voeren we naar Wie¬ ringen om de Albert II op te halen. We waren uitgekuild en opnieuw visserman af.

Palingroken en snoekbaarsvissen

Met palingroken viel in 1943 welwat te verdienen. Ikwas daar niet zo geschikt voor. Maar ja, wat doe je als je een gezin onderhouden moet in oorlogstijd.

Dat ging dan zo: Je ging naar de haven om bij de vissers aan paling te komen. Als je dan een pond ofvijfentwintig bemachtigd had (clandestien vanwege de controle), dan moest je maar zien dat je ze thuis kreeg en dan was het schoonmaken en roken geblazen.

Een zwager van me, die 'aan de wal' een viswinkel had, was mijn afnemer. Ik verstuurde de aal, goed verpakt, in postpakketten van onder de vijf pond. Dat kon toen nog. Ik wil nu wel verklappen hoe ik de rauwe aal vervoerde. Die deed ik in twee pakjes in een emmer en droeg die, het hengsel om de bovenarm, achter tegen de schouder aan, net of-ie leeg was. En zo lukte het me te smokkelen zonder dat ik aangehouden werd. Maar het palingvissen hield ook weer op en het wachten was op het eind van de oorlog, en dat liet op zich wachten. Toen liep ik P. Bakker tegen't lijf, van de blazer UK 173. Hij zei: Ik heb nog een paar snoekbaarsnetten, als jullie er nu ook wat

96

hebben, dan kunnen we samen doen. Dat ging aan. Helaas, we vingen ze bijna niet, dus het was niet lonend. Nu kon je in die tijd wel wat verdienen in de "voedselvoorziening” om het met een mooi woord te zeggen. Je moest er wel wat durf voor hebben. Je ging dan in Friesland aardappelen kopen om die in Amsterdamte lossen aan de Ruyterkade onder het oog van de Duitse Wehrmacht. Maar daar hadden mijn schipper en ik toch weinig zin in. Nu waren er een paar snoekbaarsslepers die elk met vijf grote netten met twee schepen samen sleepten en aardig vingen. Dat wisten we, omdat we ze in de gaten gehouden hadden als ze in de haven kwamen, want gezegd hadden ze het niet. Als wij nu ook sleepnetten zouden hebben en een maat om mee te vissen, dan leek ons dat wel wat. En dat kwam voor elkaar ook. We vonden iemand die een sleepbeug te koop had met alles er op en er aan. En C. Woord had een mooi schip, de UK 132, en die wilde wel met ons snoekbaarsslepen. De eerste dag vingen we samen ongeveer driehonderd pond snoekbaars en honderd pond rooie baars, voor in totaal driehonderd gulden. Maar erwarenook dagen dat er geen ofte weinig wind was en dan was het weer een stuk minder. Want alles moest "voor de zeilen", omdat er geen olie te krijgen was. Maar in elk geval: We waren weer vissers!

Bevrijding

Na Nieuwjaar 1945 begon het te vriezen en toen was het met de snoekbaars gebeurd. Toen verdiende ik de kost bij Pieter Bakker met palingkuilen. Er schoot ook nog wat over voor een pakje sjek. En de oorlog woedde maar voort. Maar eindelijk kwamen er berichten dat de Duitsers verslagen waren op alle fronten.

En ook dat de Engelsen konvooien beschoten. Maar zouden ook de vissertjes gevaar lopen? Wij lagen in Medemblik en gingen er uit om een paar trekken te doen en dan in Wervershoofte lossen. Maarja, wij raakten tussen de schepenvan een konvooi in en toen kwam er een jager over. Die gierde al schietend met snelle duikvluchten over ons heen, maar raakte ons gelukkig niet. We vluchtten halsoverkop naar de haven. De morgen daarop deden we nog een paar trekken stijf tegen de kant en vingen daar onder de wal wel honderd pond paling

97

en daar gingen we mee op Urk aan. En daar was het al feest. De Waffenboten hadden de haven verlaten en in de nacht van 18 april waren de N.S.B.-ers opgepakt. Even nog spande het toen de boten 's middags weer voor de haven verschenen, maar ook weer vertrokken waren.

Op 5 mei capituleerden de Duitsers en was ons land vrij. Mi¬ nister Gerbrandy kwam voor de radio met woordenvan Jesaja 14. Wij kregen Zweeds wittebrood en een pakje boter. Wat een weelde! Maar het werk moest doorgaan. Een volk dat leeft, bouwt aan zijn toekomst. Wij gingen weer paling kuilen voor de broodnodige voedselvoorziening. In juni kregen we bericht dat onze UK 53 met nog andere schepen in de haven van Delfzijl lag. Met twintig man van Urk zouden we er naar toe. We moesten een vergunning hebben en worden ingeent. En daarna zijn we met een bootje van Hartman naar De Lemmer gevaren, en toen verder met een paar auto’s naar Delfzijl. En ja hoor, daar lag onze hotter, maar we mochten er zomaar niet in. We aten bij de Amerikanen en bij de overste in Appingedam kregen we toen een bewijs van toestemming om met de hotter binnendoor naar Urk te varen. Omdat de UK 62 de¬ fect was, namen we die op sleeptouw, drie dagen lang. ’s Nachts sliepen we bij boeren in het hooi. En op zaterdag, precies om 7 uur in de avond, waren we weer in de Urker haven. De klokken luidden en het klonk ons als muziek in de oren.

Snorren

Nauwelijks hadden we de hotter terug of we gingen klaarmaken voor de visserij. Na veertien dagen voeren we al uit. We hadden gehoord dat er in het Ketelgat geen mijnen waren en daarom voeren we op Wieringen. Het was mooi weer en we stoomden door tot we een visser zagen, en nog wel een bekende. Die had al een paar trekken gedaan voor een mand of vijf schol, een mand tong en wat kabeljauwen en roggen. Een mooie visserij dus, maar de vaste prijs was er af. Die werd nog zo laag dat we zelfs een week hebben stilgelegen. Maar afijn, we waren weer vissers. Er kwam weer een vaste prijs en we konden ook op Urk lossen. Dat in '47 ging het beter. We lieten toen een 120 pk-motor in de botter zetten, want meer pk’s is meer vis. Deense vissers die in IJmuiden kwamen vingen een hoop mooie schol en daar keken we een beetje jaloers naar. Maar

98

die lui keken niet op een dag als ze eenmaal op zee waren. Voor hen was eigenlijk elke dag hetzelfde. En als ze een mooie reis gemaakt hadden, moest eerst dat geld weer op.

Als wij 's maandags buitengaats kwamen, lag de kust van Ameland af vol Denen. Als het in de zomer mooi weer was en het water klaar, dan kwamen wij niet aan onze trekken. Wij moesten het vooral van de tong hebben en dat werd pas in September beter. Toen besloten de Urkers naar Denemarken te gaan om de snurrevaadvisserij te leren. Het leek met die "snorrevaart" in het begin ook erg mooi. Mooi weer en mooie vis. "Dat is de visserij voor de toekomst! ” riepen velen en gingen erop over. Toen kreeg je ’’touwvaarders en snurrevaarders”. Wij lagen met de UK 53 en de UK 203 (de kleine Marie) aan de stad. Wij hadden 300 kilo en vijftig mandjes van alles wat. En toen kwam daar ook de UK 68 met 200 manden grote schol. Zulke schol hadden wij nog nooit gezien, maar hij had ze. De bemanning kwam boven met lange witte laarzen en witte broeken. De manden mooie schol werden op een kar gezet en ze duwden en schreeuwden, en wij stonden erbij en ke¬ ken ernaar. Wij hadden de tijd nog wel om ons beetje te lossen. Ik zeg tegen Dubbele: "Wat denk jij ervan?” En hij zei: "Als het in eigen kracht gaat, dan gaat het mis”. Wij lostenon¬ ze vis voor 300 en hij voor 650 gulden. Maar toen kwam de herfst en daarmee de stormen en het dikke water, en toen was er het mooie welwat af. Maarja, je viste zo langje kon, en als het een paar nachten goedweer was verdienden wij de kost ook, zonder snorren.

Van je bokkie bokkie bee

Toen we de hotter verkocht hadden schaften we een kotter aan met 150 pk. En met meer kracht vang je meer vis. En toen was het voor ons met de bordenkor gebeurd. We visten twee etmalen buitengaats, buiten de rugvin, met een noordenwind van kracht 4 of 5 en een hoge zee en erkwam weinig ofniets in het zakje. Toen besloten we naar Den Helder te gaan, daar te lossen, de werf op te zoeken voor een keuring door de scheepvaartinspectie en dan verder te zien. Daar kwamen de Gerssens van wie wij de kotter gekocht hadden even bij ons aan boord. Ze zagen onze geringe vangst, en zeiden: Hier vissen 100 pk kotters een nacht en komen danbinnenmet 500,600 ki-

99

lo tong met hun bokketuig. Dat was geschikt om bij de wal mee te vissen, want dan kon je binnen je tuig zetten. Er waren ook alwat Urkers bij de walvoorIJmuiden mee bezig en die verdienden met goed weer goed. Toen zei ik tegen Maarten en de jongens: Wij moesten ook maar gaan bokken. Het begon als een lolletje en met wat plagerij onderling, maar het plan rijpte en werd ernst. Maar toen we in de Urker haven kwamen lag daar een onfortuinlijke hotter die de hoorns van de masten had. Dat leek niet zo mooi voor ons, maar ons besluit stond vast, en we zeiden dat aan werfbaas Metz. ”Zien jullie die kotter met averij daar niet?’’ zeihij, ”dat is het risico”. ”Ja”, zeiden we, "dat wel, maar we willen toch bokken”. "Haal'm dan maar voor de kant”, kregen we ten antwoord, "dan kan Jelle aan jullie beginnen". We bestelden twee netten in Breskens en twee maakten we zelf. Nu wisten we niet uit ervaring wat bokken in de praktijk inhield. Afijn, we kre¬ gen raadgevers genoeg. De een wist het nogveel beter dan de ander. Er was toen een versje bekend dat luidde: "van je bokkie bokkie bee”. Nou, de bok zei bij ons niets, maar iedereen zei beee.

De beste stuurlui

Nu was mijn oom garnalenvisser, de UK 25. Ik vroeg hem om ons voor het bokken een jongen van hem mee te geven, maar dat wilde hij niet doen. Toen vroeg ik hem of hij mee wilde gaan buiten de haven om ons het bokken te leren, en dat ging aan. Het was erg mooi weer en hij zei: ”Laat ze maar zakken”. We zetten eerst alles buiten en dat ging goed, wij slingerden niet. We stoomden ermee tot voor de haven en zetten er toen in de haven de strop om, en ook dat ging goed. Dat herhaalden we een paar keer en toen konden we met ons nieuwe tuig varen. We voeren op Tessel en bij de boei van Petten gingen de netten overboord. Wij moesten de zaak toen nog sturen met stuurtouwen. Maar alles ging goed, het was ook bladstil. En we dachten dat we nu echte bokkers waren. Na een trek van anderhalf uur zat er toch niet veel in de netten. Dat was de eerste strop. We gingen wat uit de wal om het opnieuw te proberen. Ik had de wacht. Het windje stakwat op en we begonnen te slingeren. En ik maar sturen en turen. Ja, en daar kwam de eerste giek naar boven en toen naar bene100

den, en zo voort. Ik riep het volk om te halen. We riepen de UK 121 op en vroegen hem of die dat ook wel eens gehad hadden. ”Als je windkracht 3 of 4 hebt, moet je maken dat je binnenkomt" zei die. Het klonk weinig geruststellend voor ons, want zo ver waren wij nog niet. Halen ging nog wel, maar de hele zaakmoest nog binnenboord, en we waren nu niet in de Urker haven. We hielden de kotter recht voor de wind en met veel moren en schreeuwen lag eindelijk de zaak binnen. En de bries nam maar op. "Wat moeten we nu?” zeiik. ”Ja, kijk", was het antwoord, "jij bent schipper, jij moet het weten." Als we duizend kilo tong hadden gevangen, hadden we vier schippers aan boord gehad. En de vangst was matig: eenpaar manden schol en wat tong. We zetten koers naar Terschelling, in de hoop daar nog te kunnen vissen, maar's morgens was er nog een dikke bries. We gingen Stortemelk in, legden de kotter in Har¬ lingen en gingen met de kous op de kop op huis aan.

Varen en vissen

De volgende week voeren we weer. Bij de wal kon ik wel zingen: Dat is twee trekken noord in en dan een trek weerom, en dan in de haven weer, wat ik je brom. We visten de eerste nacht voor vijf manden en stoomden 's morgens oost uit naar ”de Geut”. Daar lag de UK 43 ten anker, en die zei dat daarwel wat te vangen was. Hij was geankerd om het donker af te wachten, want hij viste nog met het bordentuig. Wij gingen er om zes uur aan en visten een uur en toen haalden we twee zware "puisten” binnen. We visten nog een nacht en voeren toen naar IJmuiden met 3200 kilo tong en 50 kisten schol voor samen 5500 pop. En dat was een mooie week voor 150 pk.

Maar toen was er al gauw een met 1000 pk kracht, en het eind was toen nog lang niet in zicht. Want ja, "meer kracht, meer vis’’, maar het eind zal de last wel dragen. Het werd mei 1966. We voeren op het Nieuwe Diep. Wij, dat wil zeggen, Klaas Post, zijn zoon Johannes, en Maarten Post met zijn zoon Riekelt, en dan nog broer Jacob. Wij stoomden het Zuidgat uit om buiten Petten te vissen enhadden daar een mooie visserij tot woensdag toe. Toen gingen we naar binnen, want wij hadden een mijnanker in het ene net en dat was stuk. We maakten 2500 gulden. Niet slecht.

101

Klaas Post op % de markt. Vissers in ruste.

SB*£•

We voeren naar de haringhaven om het net te herstellen en daarna was het weer vissen geblazen, want dat is het lot van de visserman. ”De bal staat op! ” zei Jacob, toen we naar buitengingen. "Die hangt daar omte drogen”, grapjaste ik, enhij lachte. Voor Wijk aan Zee gingen wij eraan en deden met een mooi briesje een trek op acht vaam diepte envingen een mand tong. Wij gingen het dieper proberen en vingen er toen aan elke kant een, maar de wind begon op te steken. We deden toch nog een trek, gingen brood eten en luisterden naar het weerbericht. Dat gaf windkracht 6 a 7 aan en voor nog later Noordwest 8. Weer voor ons om naar binnen te gaan. We vermoedden niet wat ons nog te wachten stond.

Man overboord

Toen we haalden was het nog vrij knap weer. Vlug de vis opgezocht en weggewerkt en dan was het zaak snel de zaak bin¬ nen te krijgen om weg te wezen voor de wind Noordwest werd. Het leek te lukken. We hadden de netten en buizen al binnen. Nu de wekkers nog, een kwartier werk, dachten we. En toen schoot de wind hard in het Noordwest. De kotter wist niet hoe ie'm houden moest. Die slingerde zo hevig, dat hij aan beide kanten water schepte. Ik zag op een gegeven ogenblik de buis weer in zee schieten, en o wee, mijn broer Jacob en mijn zoon stonden aan de verkeerde kant. Ik schreeuwde nog hard, maar het was al te laat. Daar zag ik mijn broer op het net en mijn jongen eronder. Met grote moeite hield ik het touw van de achterste schoen vast. Als ik dat losliet, waren ze allebei weg, dat wist ik. Nog begrijp ik niet waar ik toen de kracht vandaan haalde. Die kwam van Boven! Mijn andere broer Maarten was nog bezig aan de andere kant, want die wekkers moesten nog binnen gehaald en vast gezet worden, anders konden we de schroef niet gebruiken. Toen hij klaar was en het onheil zag, greep hij dadelijk een mes en sneed meteen een gat in de bovenzijde en Klaas Johannes sprang zo in zijn armen. Toen gauw de lier aangezet en de schoen weer tegen het boord getrokken met zes slagen om de rol. Mijnbroer Maarten pakte een haak en probeerde Jacob te pakken, maar toen ineens schepte de kotter weer verschrikkelijk. Van de schrik lieten we even los en toen dreef hij te ver van ons weg. We sloe-

103

gen snel achteruit en waren weer klaar om hemte pakken. Wij zagen hem nog even, net of hij zich van zijn jas wilde ontdoen. En toen zonk hij weg. We lagen 13 rood en 40 groen op 24 meter diep water.

Een uur hebben we nog om hem gevist met de moed der wanhoop. Toen stormde het teveel en moesten we op het Zuidgat aan om binnen te komen. En dat was wat! Hij was bijna 53 jaar, en hoe lang had ik niet met hem gevaren! En nu zonder hem thuis te komen! Ja, dat kan ook. Na veertig jaar samen vissen.

Op maandag werd hij opgevist door de Texel 33, op dezelfde plaats waar hij weggezonken was, en op 11 mei 1966 hebben wij hem begraven. Op 22 mei zou hij jarig geworden zijn.

Het lichaam is een schip, de aarde is de zee, de bijbel het kompas, de hemel is de ree.

Twee rijke ansjovisjaren

Tenslotte willen wij twee bijzondere ansjovisjaren met elkaar vergelijken: de jaren 1890 en 1931. Over het eerste vertelde mijn grootvader, "Jelle van JaawkvanSniek". Hettweedebeleefde ik zelf "Klaos van Kobesien".

Hier volgt dus eerst het veihaal van mijn grootvader uit 1890. Ik voer bij mijn broer Fokke. Hij zei: Broer, we moesten de beug maar klaarmaken voor de schelvisvangst. Nu, dat was mij best. We hadden een maat, Jan Snoek, die ook een grote hotter had, en daar werkten we mee samen. Het was winter, de wind was oost, en we voeren op Terschelling. Bij Ameland gingen we aas voor de schelvisbeug vissen en deden we twee trekjes met de kuil. Toen hadden we genoeg sardien en kleine haring om te azen. We zeilden naar buiten en schoten de beug. Toen die in zee stond gingen we voor anker tot het dag werd. We haalden de beug in, maar veel zat er niet aan. Onze schipper stelde voor naar Norderney te varen omdat het daar de tijd voor de vangst van schelvis en kabeljauw zou zijn. Toen we daar schoten en's morgens weer haalden bleek de 104

vangst heel wat beter te zijn. We hadden ongeveer 200 grote schelvissen en 100 kabeljauwen aan de haken, met nog wat kleine gul. We losten die in Norderney en een koper betaalde ons er 95 gulden voor. Onze kameraad had net zo veel die zaterdag. Maar toen stak de wind op uit het Noordoosten en begon het te vriezen en te stormen. En dat ging zo weken achtereen door. Pas toen eindelijk het weer opknapte konden we weer naar zee. Maar nog niet naar Urk, want de Zuiderzee en de Waddenzee zaten nog vol ijs, en de tijd voor het beugen was inmiddels voorbij. We probeerden nog wel wat aas te vangen, maar die bleek ook al op te zijn. Het was inmiddels maart geworden en we gingen met de kor vissen. Als het mooi weer was kon je nog wel een veertig gul¬ den verdienen. Gelukkig was eindelijk het ijs weg en net voor Pasen waren we thuis. Na zeven weken kon ik mijn vrouw maar 25 gulden geven, maar wat was ze er blij mee. We hielden Pasen en zetten het schip op de helling, want ha¬ ring en ansjovis lieten zich nog niet zien. De andere vis was niet veel waard omdat voor de rooms-katholieken de vastentijd voorbij was en dat deed de vraag naar vis sterk verminderen. Er werd veel naar de lucht gekeken, ook door mij. In begin april heb je de zogenaamde grasluchten en veel regen, maar als aan het eind van de maand de wind dan Noordoost is, met regen, drie dagen lang, dan zijn dat ansjoviswinden. Op 30 april werd de eerste ansjovis bij Bergen op Zoom gevangen en dat was het begin van het gouden ansjovisjaar 1890. De haringnetters vingen de eersten: enige tientallen in de wijde mazen van hun netten. Maar toen trokken de grote botters er met de kuil op uit; een kuil voor twee botters. De hele maand mei bleef de wind oostelijk. 's Avonds was er dan een mooie bries en goed weer voor de schuiten om te trekken van de Lemmer aftot aan Pampus toe, de hele nacht door, ’s Morgens was het danhalen en tellen, want in diejaren werd de ansjovis nog niet gewogen, zoals later het geval was. Vangst en prijzen waren goed. In een nacht vingen we soms 50.000 stuks. We konden vissen tot halfjuni. Toen stak er een flinke storm op en was de ansjovis verdwenen. Ik verdiende in 8 weken wel 1000 gulden en liet meteen een nieuw huis voor ons bouwen. Velen raakten in dat rijke jaar uit de schulden. Tot zover mijn grootvader.

105

En nu dan mijn eigen verhaal uit 1930, 1931. Ik was twintig jaar en voer op de UK 57 bij Frans Kramer. We verdienden ons deel van wat er in 1930 nog te verdienen viel. Met het schip werd per week tussen de 150 en 200 gulden besomd. Ik kreeg 16 cent van de gulden, maar als het hard waaide verdienden we niets en kwamen met de kous op de kop thuis. We vormden een span met de UK 72 van Cornelis Bakker en dat ging heel aardig. De botters waren even groot en we hadden voor die tijd ook de meeste pk’s: een goede Nuk-motor van 35 pk. Na het sardienkuilen gingen we met de 57 naar Urk om schoon te maken en te breeuwen op de werf van de gebroeders Roos.

Inapril 1931 zagen ookwij, net als grootvaderin 1890, eerst de gras- en daarna de ansjovisluchten en was de wind Noordoost. En weer werd de eerste ansoop bij Bergen op Zoom gevangen. Haringvissers troffen zo’n 20 of30 stuks in hun netten aan. Het begin was er. We gingen kuilen. De eerste de beste nacht vingen we 300 kilo die vijftig cent per kilo opbracht, maar ook nog een hoeveelheid haring en paling, zodat we 's morgens voor 300 gulden besomden. Lang niet slecht dus. Toen we op Urk losten, was het daar al erg druk. Er kwamen botters en andere scheepstypen overal vandaan naar Urk als het centrale punt in de Zuiderzee. Zelfs uit Texel en Den Helder kwamen ze naar Urk toe. En elke dag werd er weer meer gevangen. En maar vissenjongens, en maar vissen. Op een dag lagen we in de haven omdat het gewaaid had en geonweerd met flinke buien. Toen het weer de andere dag weer opgeknapt was, vroeg de schipper aan de knechts wat ze ervan dachten. Waar moestenwe gaan vissen? Onder een bakje koffie zei de een dit en de ander dat. Nu was ik de jongste aan boord, en ik herinnerde mij wat mijn bebe me verteld had over 1890. Hij had ook gezegd, dat als het onweert de ansjovis dan zuid-in zwemt, en daarom stelde ik voor dat ook te doen. Dat kunnen we dan door het te proberen aan de weet komen, zei de schipper, en dus werd mijn voorstel aangenomen. We stoomden helemaal bezuiden de vloot en gingen daar vissen. We voeren toen helemaal alleen en de hele zee was voor ons. We haalden toen we twee uur getrokken hadden en hadden ca. 10 manden mooie ansoop, 20 tal haring en 50 kilo knappe paling. De tweede trek leverde weer zoveel

106

op en we haalden voor de Volendammer haven. We losten daar en maakten een mooie prijs. Zo visten we de hele week door en maakten van de Urker vloot toen de hoogste besomming: 5000 gulden op het span.

In het laatst van juni stak een zware storm op en toen was het gebeurd met dat goede ansjovisjaar 1931. In mei van het volgende jaar ging de Afsluitdijk dicht en was het met haring en ansjovis voorgoed voorbij.

Op de logger

Ik was twaalf jaar en mocht van school af. Dat wou ik wel, maar wat nu? Het was na biddag, tijd voor haring. Mijn beabe had wat haringnetten en hij huurde Hein Kramer (van Bubbe) in als helper. Ze waren allebei al om en bij de zeventig en moesten er een derde man bij hebben. Toen zei mijn vader: „Onze Klaas is van school af en hij kan al vlug en goed boeten, neem die maar. ”

Zo kreeg ik een huur en zou zes centen van de gulden verdienen als ik hen goed beviel. Nu het beviel mij niet zo goed. Ik moest alles direkt weten en mijn grootvader die wat driftig was, begon al gauw hard te schreeuwen als ik iets niet meteen begreep. Hein was een lieve oude man en daarom ben ik er die teelt gebleven. Maar op een dag kwam erineens wat anders opdagen. Er kwam bezoek bij ons. De schipper van een grote stoomharinglogger kwam, samen met de boekhouder van een rederij, om nog wat volk aan te nemen voor de haringteelt. Hij moest nog een matroos en een afhouder hebben. Ik was ermee in mijn schik en zag me al varen op het stoomschip de VL 150. Maar ja, mijn vader moest nog ja zeggen en hij moest snel beslissen, want we moesten al op 1 meiuitvaren en op de Zuider¬ zee stond de ansjovisvisserij voor de deur. Wat zou hij doen? Nu bleek er animo genoeg voor die logger en dus besliste mijn vader meteen. Wij moesten naar de „Willem Barends” om te monsteren, 's avonds om zes uur. Dat vond ik leuk. Het hele scheepsvolk was er, allemaal Urkers, op de schipper en de stuurman na en de stokers met de machinist, want daar had het eiland geen opleiding voor. Ik zal de Urkers even opnoemen zoals wij ze kenden. Om met ons zelf te beginnen: Kobesien en Klaos van Kobesien. Pieter

107

de Nijedieper en zijn zoon Knieles, Garrit en Lub van Gerrit van Lubbertjen, Semen van Hinderekien de knipster, Maarten Ruiten, Tunis Wakker, Jan Buter en Riekelt Pasterkamp. Ze moesten allemaal monsteren. Een man las de monsterrol voor; alleen maar wat de schepelingen verplicht waren, alsof de reder niets verplicht was. Het ging zo vlug dat we het nauwelijks horen en niet begrijpen konden. Na allemaalja gezegd te hebbenkregen de matrozen elk 25 en de jongens ieder 15 gulden. Toen konden we naar huis gaan tot 1 mei 1921, en op die datum gingen we naar zee. Het was zaterdag en er woei een harde noordenbries. Bijna iedereen was zeeziek. Het was een raar gezicht grote mannen de inhoud van hun maag buitenboord te zien ledigen. Maar de andere dag was het mooi weer en na drie dagen gingen we vissen. Van de stuurman leerde ik het kompas van buiten. Dat begon als wij jongens de wacht hadden, dan kwam de stuur¬ man ookbij ons enzeihet ons voor: Noorden, noordenten oosten, noord-noord-oost, noordoost ten oosten, noordoost, enzovoort. Toenwe dat vlot kenden moesten we de windstreken in omgekeerde volgorde leren. Noorden, noorden ten westen, noord-noord-west, enzoverder.

We vingen dat jaar 1200 last haring en besomden 50.000 gul¬ den. Toen we het kompas bij wijze van spreken in onze broekzak hadden en wel dromende konden opzeggen, moesten we dat ook doen voor de schipper. En toen vertelde de stuurman ons het volgende over zijn jeugd. Hij was Rooms-Katholiek, maar op zee waren we allemaal gelijk. Als wij onze ogen dicht deden voor het bidden, hield hij ze open en maakte een kruis. Hij moest naar de catechisatie bij de pastoor, net als wij op Urk naar „de lare" gingen. En op zekere dag zei meneer pastoor: „Jan zeg jij het kompas eens op” en Jan dreunde het vlot op van noordtot noord. „Goed”, zei de pastoor, „maar nu ook andersom”. En ook dat ging goed. Maar toen werd Jan wat ondeugend, hoor maar: En toen zei ik: „Meneer pastoor, kent u het Onze Vader uit het hoofd?” „Natuurlijk, jongen zou ik dat niet kennen? Ik zal het je voorzeggen”. En toen zei ik: „En nu andersom, meneer pastoor”. En weet je wat er gebeurde? Ik kreeg een draai om m’n oren! We moesten lachen en ik heb het verhaaltje nooit vergeten.

108

Van den Berg in vier generaties

Het is boeiend te zien hoe zich in opeenvolgende geslachten gelijke trekken openbaren. Tevens kunje dan constateren dat toch geen enkel mens in karakter en daden gelijk is aan een ander. Wanneer ik in deze bijdrage spreek over mijn overgrootvader Sjoerd, mijn grootvader Jan, mijn vader Jurie en mijn broer Jan, kan bij alle vier geconstateerd worden dat de visserij voor hen niet alleen een middel van bestaan was, maar tevens dat ze zo hartstochtelijk betrokken waren bij en opgingen in hun beroep dat van een hobby kan worden gesproken. Hun denken en doen werden vrijwel geheel bepaald door hun beroepsbezigheden. Daardoor komt het dat ze alle vier uitstekende vissers waren, die een verborgen orgaan leken te hebben voor de juiste plaatsen en tijden om een maximale besomming te maken. Armoede hebben ze dan ook nauwelijks gekend. Het is natuurlijk niet zonder risico een karakteristiek te geven van je eigen familieleden. Hen prijzen om wat ze presteerden lijkt al gauw op blufferij; hun minder goede eigenschappen noemen doe je ook niet zo gemakkelijk, gesteld al dat je die ziet. Ik zal in ieder gevalmijn best doen mijn verwanten zo objectief mogelijk te belichten.

Overgrootvader Sjoerd

Zo lang je grootouders nog in leven zijn, zou je ze eigenlijk uitvoerig moeten ondervragen over hun eigen ouders en groot¬ ouders. Zij zouden je een schat van bijzonderheden kunnen vertellen. Helaas ben je dan echter zelf op een leeftijd dat het verleden je weinig interesseert. Wat ik van deze verdere voorouders weet, zijn wat versnipperde herinneringen aan wat mijn grootvader mij ongevraagd heeft verteld. Uit het archief van de burgerlijke stand weet ik dat mijn over¬ grootvader Sjoerd van den Berg geboren werd op 13 december 1805. Hij trouwde in 1834 met Pietertje Woort. Hun dochtertje stierf na enkele weken. Ook Pietertje overleed al spoe-

109

dig. Haar sterfdatum is mij niet bekend. In 1855 hertrouwde Sjoerd met de weduwe Groothuis-Zwaal uit Harlingen. Zij had al twee dochters en een zoon; in het nieuwe huwelijk werden nog twee kinderen geboren; Jan, mijn grootvader, en Jurriaan. De onbekende naam Dedde werd op Urk al gauw veranderd in Diene. Wat was Sjoerd voor een man? Door zijn goede vakmanschap en zijn zuinige aard was hij "een jonge mit een inkelde cint" geworden, zoals een Urker in typisch verkleinende stijl zegt van iemand die zich financieel goed kan redden. Hij viste zowel buiten (d.i. op de Noordzee) als binnen (op de Zuiderzee), al naar het uitkwam. Hij moet een wat stille, in zichzelf gekeerde figuur zijn geweest. In gezelschap wachtte hij maar rustig af tot iemand hem iets vroeg. Hij gaf dan antwoord, maar meer ook niet. Overigens ging hij zijn eigen weg en trok zich niet veel aan van de mening van anderen. Zijn huwelijk met een weduwe met drie kinderen riep bij zijn familie wel bedenkingen op, maar hij zette door. In 1860 verhuisde hij naar Harlingen. De visserij was in die tijd uiteraard nog met zeilschepen, zodat het een grote tijdwinst opleverde als je in de buurt van je visgronden woonde. Hij reisde dus zijn visserij achterna. Hij stierf op 21 december 1876 in Harlingen. Dedde overleed in het gezin van mijn grootouders op 13 maart 1900 te Urk.

Grootvader Jan

Mijn grootvader Jan van den Berg werd geboren op 2 juni 1856. Hij trouwde in 1878 met Neeltje de Vries. In 1895 ver¬ huisde het gezin (zes kinderen plus moeder Dedde) naar Terschelling, waar in 1896 nog een dochter, Hiltje, geboren werd. Ook grootvader reisde dus zijn visserij achterna. Op Terschelling liet hij een nieuw schip bouwen, een blazer. In 1898 ging het gezin terug naar Urk. In de jaren negentigwas de voornaamste visserij het beugvissen op schelvis. In de tweede helft van maart begon de haringvisserij op de Zuiderzee. Haring en ansjovis werden gevangen met staande netten: reepnetten.

In 1915 het grootvader een voor die tijd vrij royaal dubbel woonhuis bouwen op wat nu de Staverse Hoogte heet. Van mijn grootvader kan ik vier opvallende eigenschappen noemen: zijn enorme werkkracht, zijn trots, zijn strikt recht-

110

vaardigheidsgevoel en zijn wat ik maar noemen zal niet altijd vriendelijk voorkomen.

Zelf heb ik hem nauwelijks meer gekend als actief visser: in mijn kindertijd was hij al een man op jaren, maar ik herinner mij zijn energie, die aan het ongelooflijke grensde. Ook toen hij niet meerviste, was hij vanhetvroegste morgenkrieken tot de late avond actief. Hij had een nettentaanderij en een brandstofhandel. Hij verkocht garens en eigengemaakte naalden voor de netten, en "skieltjes”. Grootmoeder hield een winkeltje, en zo werden ze mensen in goeden doen. Grootvader was niet vrij van een zekere trots. Door zijn kinderen liet hij zich geen taote noemen, maar vader. De latere kleinkinderen zeiden niet baebe en bessien, maar grootvader en grootmoeder, nu ja, natuurlijk verurkerst tot groffader en gropmoeder. Mogelijk speelde hier ook wel de gedeeltelijke "vreemde" afkomst van grootvader een rol.

Om een paar centen te verdienen, was ik schillen gaan ophalen en kwam daartoe ook bij mijn grootouders: "He je nog skellen?" Toen was de boot aan. Op hoge benen stapte groot¬ vader naar mijn moeder: "Is dat et vak worje die jonge vor opleien? Lot ik het gien mar zien, oor! ” Hiermee ben ik al terechtgekomen op een van zijn andere genoemde eigenschappen: zijn barse voorkomen. Hij bromde eigenlijk altijd op ons, zijn kleinkinderen. Maar wij wisten wel dat hij het niet zo kwaad meende. Toen ik een keer met kniekousen het grootouderlijk huis bezocht, werd ik direct met boze woorden naar huis teruggejaagd: "Klien j’eerst fessoenlek an vordat j’ ier wier koemen."

Toen hij op zijn sterfbed lag en zijn kinderen random zijn bed stonden, richtte hij zich plotseling half op: "Wat moet jelui allegaor ier? Ae jelui niks te doen? Goon an je wark! ”

Over zijn rechtvaardigheidsgevoel het volgende: Het bekende dorpstype Willem de Boer verscheen op de begrafenis van mijn grootvader, voor zijn doen netjes gekleed en met een bolhoedje op. Ik merkte dat hij huilde. Toen een van mijn broers hem later sprak, zei hij (ik maak van zijn woorden maar gewoon Nederlands): "Je grootvader was een goeie man; hij gaf me altijd veel geld als ik voor hem sjouwde". Ter verduidelijking: grootvader had vaak hulp nodig voor brandstof- en nettenvervoer, in de drukke tijd soms wel tien

111

June van den Berg Jan zn. (1960). Jan van den Berg

tot twaalf mensen. Hij was zeer op de penning, maar het was ons uit de ontboezeming van Willem duidelijk dat hij geen misbruik maakte van de onkunde van deze werkkracht, die zelf niet kon nagaan of hij voldoende werd beloond. De eenvoudige ziel had toch heel goed aangevoeld dat hem recht gedaan werd, dat hij hetzelfde loon kreeg als de anderen en niet met een fooitje werd afgescheept. Wat ik me verder van grootvader herinner, was zijn zin voor traditie. Hoewel gereformeerd, bleef hij een plaats betalen in de hervormde kerk. Hij las graag wat van de geschiedenis. Aan tafel las hij uit een bijbel met gotisch schrift, wat zeer mijn bewondering wekte: zelf kon ik niets van al die kromme letters maken. Grootvader overleed op 26 augustus 1940.

Vader Jurie

Mijn vader Jurie van den Berg werd geboren op 1 oktober 1891. Hij trouwde in 1916 met Lummetje Romkes. In 1921 verving vader zijn zeilschip door een nieuwe motorbotter, de UK 60. In 1932 verlegde hij zijn visserij van de Noordzee naar de Waddenzee. Met moderne Deense methoden werd daar gevist op haring en ansjovis. Daarvoor werden haringkamers en kommen aangeschaft. Van augustus tot oktober werd bij de afsluitdijk gevist met fuiken op schieraal. Om dicht bij die visplaatsente zijn, verhuisde ons gezienmet zeven zoons in 1935 naar Makkum. Opnieuw dus een Van den Berg die zijn visserij achterna reisde. InMakkum werd ons gezinnogmet een zoon, Klaas, uitgebreid. Mijn vader was zo mogelijk nog meer bezeten van de visserij dan mijn grootvader. Als kinderen konden we nauwelijks zeggen dat hij ’’thuis” was. Als hij niet op zee was, draafde hij rusteloos heen en weer. Er was altijd wel wat te doen. De opvoeding van de kinderen liet hij aan moeder over, ook het beheer over de geldzaken. Deze beide terreinen kon hij ook rustig aan haar toevertrouwen. Wat de opvoeding betreft heeft moeder op ons een onvergankelijk stempel gedrukt, en het regelen der financien kon geen boekhouder haar verbeteren. Zin voor traditie had vader heel weinig; daarvoor leefde hij te veel in het heden. Toen ik wat oude spullen wilde meenemen, zoals een petroleumlamp, was hij daarover ten hoogste verbaasd: ”Je binnen net blede dat je van die ouwe rotzooi ofbin-

113

nen, in nou wil jie er wier mie beginnen.” Toen ik in een tijdschrift van 1905 een foto ontdekte waarop ik heel duidelijk mijn grootmoeder herkende en deze aan vader liet zien, wierp hij een vluchtige blik op de afbeelding en zei: ”Dat is m’nmimme”. Direct daarop vroeg hij iets aan mijn moeder over een rekening van de cooperatie en keurde de foto geen blik meer waardig. Die foto behoorde tot een verleden waarmee hij geen enkele gevoelsbinding had; dat was een wereld van armoede, stank en ongedierte en een eindeloos getob. ”As je daornaor terogge willen, ou je jezelf vor de gek". Hij had in zoverre gelijk dat heimwee naar vroeger, elementen van zelfbedrog inhoudt, maar hij zag mijns inziens over het hoofd dat er toch heel wezenlijke waarden verloren zijn gegaan.

De rust die over het eiland lag en de ruimte. Waar zie je nog spelende kinderen? De drempel naar geluksbeleving was la¬ ger doordat de mensen zo weinig gewend waren. In onze tijd van oververzadigdheid, gejaagdheid, vluchtige indrukken en lawaai worden echte gelukservaringen steeds zeldzamer. Er wordt van de daken geschreeuwd dat we moeten genieten van een overmaat aan consumptie. De onstilbare begeerte naar steeds meer op het materiele vlak beheerst het leven en de stille dingen worden verdrongen. Heel wat schoonheid is onherroepelijk verloren gegaan, zoals de in hun eenvoud zo sierlijke zeilschepen.

Vader had onafhankelijke opvattingen. In dat opzicht leek hij op zijn grootvader Sjoerd, die zijn gedrag en denkwijze ook niet door anderen liet bepalen. Vader was bijvoorbeeld van mening dat de plaatselijke biddag naar een zondag diende te worden verplaatst, omdat kerkelijke instanties zijns inziens niet het recht hadden zomaar een hele week in te grijpen in de beroepsarbeid van de vissers. Hij was het ook volstrekt niet eens met de opvattingen dat je 's zaterdags geen netten mocht schieten die je 's maandag ophaalde. "Urkerismen" noemde hij dat.

Vader was intelligent en kom soms driftig uit de hoek komen. Hij had een keurig handschrift en schreef in een uitstekende stijl zonder opvallende fouten, terwijl hij toch op zijn elfde jaar de school al verlaten had. Bij het schrijven van brieven had hij geen hulp van ons nodig. Eenmaal vroeg hij mij naar de schrijfwijze van caoutchouc, maar ik moest het opzoeken...

114

Hij was van een messcherpre zakelijkheid. Als hij elders bij een voorziening in zijn bedrijfgoedkoperterecht kon, kocht hij het niet op Urk. Daarmee verspeelde hij de sympathie van Urker leveranciers, maar dat liet hem vrij onverschillig. Een ingrijpende wending kwam er in zijn leven toen zijn oudste zoon, Jan, verdronk. Dat gaf hem een knak die hij nadien niet meer te boven is gekomen. Meer dan ooit vluchtte hij in activiteit, maar om het zo te zeggen zijn ziel was er niet meer bij. lets inhem was gebroken. Na het overlijden vanmijn moeder in 1966 sloot hij zich meer en meer af, zelfs voor zijn kinderen. Hij overleed op 11 maart 1970 als een zeer eenzaam mens.

Broer Jan

In de tijd van mijn broer Jan van den Berg, geboren 18 december 1916, was de visserij grootschalig geworden. Er werd niet meer gerekend met honderden guldens, maar met duizenden en tienduizenden. De kotter UK 63, waarop Jan schipper was, was een moderne fabriek. De stuurhut was een waar machinepark met de nieuwste elektronische apparatuur. Jan was intelligent en wist al spoedig met het moderne vistuig hoge besommingen te maken. Evenals zijn voorgangers was hij met hart en ziel betrokken bij zijn visssersvak. Maar er waren toch grote verschillen. Jan was een gevoelsmens, soms bij het sentimentele af. Hij bezat niet de scherpe zakelijkheid van vader Jurie. Jan was impulsief en spontaan. Hij was sterk in zijn sympathieen met mensen, in zijn medeleven met alien die, om welke reden dan ook, achtergesteld waren in het leven. Hij was daardoor bij ieder die hem kende erg gezien.

Van zijn impulsieve en spontane inslag kan ik een treffend voorbeeld geven. In de beginjaren vijftig bleven de Urker Noordzeevissers vaak het weekeinde over in Breskens, waar ze zondags naar de kerk gingen. In de kleine gereformeerde kerk moest een nieuw orgeltje komen en de dominee noemde allerlei inzamelingsmogelijkheden: verjaardagsbusjes, verkoop van prentbriefkaarten enzovoort, allemaal stuivers- en dubbeltjeswerk.

Opeens stond Jan op, bracht de verbaasde predikant tot zwijgen en richtte zich tot zijn collega-vissers: "Nou minsen, wij mozzen maar es zorgen dat dat orgeltjen er komt”. Hij pakte

115

zijn pet en ging bij de Urkers rond. Die hadden goed verdiend en gaven flink wat. A1 spoedig had de kleine gemeente haar nieuwe instrument.

Toen Jan op 7 oktober 1954 verdronk, was er een geweldig meeleven vanuit Breskens. En nog steeds zijn ze hem daar niet vergeten.

Op het Urker vissersmonument kan ik zo al acht nazaten ontdekken van overgrootvader Sjoerd van den Berg. Misschien zijn er meer. Ook mijn broer Jurie en zijn twee zoons die op 20 maart 1976 zijnverdronken, staandaarvermeld. "Endaarwas niemand die hen begroef" (Psalm 79).

De vis wordt duur betaald. Die oude zegswijze is maar al te waar. Maar dat hoeft niet het laatste woord te zijn.

Botteis bij de voormalige werfRoos, 1942.

116

Vissen in oorlogstijd

De lOe mei 1940 zal niet licht vergeten worden door wie deze dag heeft meegemaakt. Het lijkt ons het beste de persoonlijke indrukken te laten spreken. Deze lOe mei was een vrijdag. De visserij was tot op die datum nog goed mogelijk, al voer men in de nacht niet graag, met het oog op de mijnen, die nog uit de vorige oorlog niet vergeten waren. Toch zijn drijvende mijnen in deze oorlog niet zo veelvuldig gebruikt als in de oorlog ’14'18.

Velen van de Urker Noordzeevissers waren met de snurrevaad-visserij bezig en heelwat gingen op weg, die 9e mei, van de vangstplaats naar IJmuiden ofeen andere marktplaats. Wij kwamen met onze hotter UK 202 voor IJmuiden aan ongeveer te middernacht, maarmochten niet naarbinnen. We ankerden buiten de lichtboei van IJmuiden en wachten daar de gebeurtenissen af.

Van slapen kwam niet meer. Het was prachtig weer en de gedachten vermenigvuldigden zich toen bij het krieken van de dag de aanval met magnetische mijnen, naar later bleek, begon. Rook steeg langzaam op in de richting van Egmond. Naar we later vernamen was dit een aanval geweest op het vliegveld van Bergen, waardoor bij deze verrassingsaanval bijna alle gestationeerde vliegtuigen werden vemield.

We hadden het anker opgehaald en koersten naar de pieren, want het was ook tijd om de vis in de afslag te zetten. We zagen de vliegtuigen hun bommen, naarwe meenden op de pier, loslaten. Maar het waren magnetische mijnen, die in het vaarwater werden geworpen om de uitvaart der schepen onmogelijk te maken, want het was vanzelf de bedoeling van de Duitsers om zo mogelijk alles in te pikken; hetgeen hun ook voor een groot deel is gelukt. Als de hele vissersvloot die toen op zee was, het consigne gekregen had om naar de overkant te

L.J.
Kramer
117

gaan, wij hadden het die dag zeker gedaan. Maar wij kregen jammer genoeg nooit zulk een opdracht, en voeren dus op de pier aan. Er kwamen vliegtuigen over ons heen, die hun bommen hadden afgeworpen. We zagen ze met parachutes en al in de pier neerploffen. Toen drong het ineens tot ons door, dat het Duitse vliegers waren en dat het oorlog was. Het hakenkruis zei ons genoeg. Op de Noorderpier stond iemand met een vlag te zwaaien. Dit beduidde, dat wij kort bij de noordpier langs moesten, want meer naar de zuidpier waren de mijnen in het water neergekomen. Aan de IJmuider vismarkt begonnen wij met het lossen der vis, hoewel wij op onze vingers konden natellen, dat er van een goede prijs maken voor de vis niets kon komen. En dit werd bewaarheid ook. Tegen een matige prijs konden wij ongeveer / 400 hebben besomd, maar wat wij er na afslag voor ontvingen was slechts een goede / 100. Maar wat moest men anders. Enkelen hebben toen hun vis in een koelhuis opgeslagen en kregenlaterweer een goede prijs, want er werd toen de eerste weken geen vis meer aangevoerd. En dan, het voornaamste was: Hoe komen wij zo vroeg mogelijk thuis? Wij gingen naar de barbier met onze baard van een dag ofvier om ons te laten scheren, want in dergelijke omstandigheden vooral trekt het hart naar huis en wie daar zijn. Onze jongens, wij hadden er vier aan boord, zouden naar de schutsluis gaan en ik zou binnen de sluis aan boord komen. Maar deze afspraak ging niet door. Toen wij naar de sluis gin¬ gen, lag daar geen hotter. Ja, jelui liggen nog bij de afslag, zeiden de anderen, die daar wel lagen, meer wisten dezen er ook niet van. Wij weer naar de vissershaven. Op de kant gekomen werd er door de jongens gezegd: Je moet bij de directeur ko¬ men, de hotter wordt gevorderd voor de marine. Wij dus naar het kantoor van de directeur Rijksvissershaven van IJmuiden. Op kantoor werd het ons gezegd. Men was van plan om de magnetische mijnen te vissen. En daar wilde men houten schepen voor gebruiken. En dusdoende hadden wij maar te kiezen. Wij konden, als we dat wilden, naar huis gaan, maar dan ging er marine-personeel op onze vaartuigen en werden deze klaar gemaakt voor mijnenvegen. Ook andere houten Urker botters waren voor deze taak aangewezen. De UK 96 van R. Hoekstra; de 144 van H. Wakker en de 16 van de gebr. Bakker.

118

We verklaarden ons alien bereid on, als we iets voor het benarde vaderland konden doen, ons beschikbaar te stellen. Maar wij wilden het gezag over onze vaartuigen zelf in handen houden en ook ons personeel bleef dus aan boord. Zelf wilden we daar echterwel eenuitzondering op maken. Omdat we met vier leden van een gezin op de UK 202 aan boord waren, en we wel eens konden aangewezen wordenvoor eengevaarlijke taak, stuurden we twee van onze jongens naar huis met een ander Urker vissersvaartuig. Hoewel we dus twee Kramers naar huis hadden gezonden, kregen we er twee andere Kramers uit IJmuiden voor terug. Een neef van ons, Jelle Kramer, en een Gerrit Kramer eveneens van Urker afkomst. We gingen naar de overkant van de vissershaven. Onze lijnen waar we de snurrevaad mee uitoefenden gingen van boord en werden op een terrein van de marine opgeslagen. Er kwamen die dag enkele vliegtuig-aanvallen en er werden enkele bommen geworpen. Wellagen de botters te schuddeninhet water bij zulk een aanval, maar verder hadden we geen last. Last met onszelfwas er wel: De onzekerheid hoe het met ons arme landje zou gaan en vooral hoe het met onszelf zou gaan. Hoe zal het thuis wezen? Kortom, geen opwekkende gedachten gingen door ons heen. Allerlei geruchten deden de ronde. Er was een sfeer van onrust en verraad. Men hoorde en wist, dat de vijanden ook binnen de veste waren.

Zo kwam zaterdag 11 mei, de verjaardag van mijn vrouw. Bij het krieken van de dageraad werden we al door geschreeuw gewekt. Vlug de kooi uit en op het dek. Een ambtenaar van de havendienst op de kant, die ons vertelde, dat er eenuitgaande boot op een mijnwas gelopen. Vlug de motor op gang en op de pier aan. Net waren we buiten de haven, toen de sloepen van het verongelukte schip ons al tegemoet kwamen. Twee schepen zouden onder dekking van de nacht naar bui¬ ten, naar Engeland. De eerste gelukte het, kwam ook ongedeerd buiten de pieren, maar de tweede was niet zo gelukkig. Het was de "van Renselaar” van de K.N.S.M. Een van de gestrooide magnetische mijnen was onder het schip ontploft en bezuiden het vaarwater van de buitenpier zonk het schip maar kon niet verder dan tot zijn dek toe, toen zat het op de grond.

119

Wij gingen langszij het schip, want sleepboten, die ook in de nabijheid waren, zeiden: De kapitein is nog aan boord, haal jullie er die maar af. Daar wij maar met zijn tweeen aan boord waren, want onze IJmuider bemanning sliep thuis, ging onze Jan op het dek van de boot en naar de brug. Daar lag de kapi¬ tein. Ogenschijnlijk bewusteloos. Het was een man met reeds grijzend haar en naar het scheen een zestig jaar. Er liep een kleurling over het dek met een koffertje onder de arm. Hem werd gevraagd om ook even te helpen de kapitein aan boord van onze hotter te brengen, maar hi] dacht daar zelf niet over en liet de anderen stil hun gang gaan met het zware lichaam van de kapitein. Zijn koffertje leek hem te dierbaar. Toen we de kapitein aan boord hadden, zetten we koers naar binnen, naar de Rode-Kruispost binnen de sluis. Aan de Steiger binnen de sluis werd de man door het personeel van de hulppost van boord gehaald. Later informeerden we nog eens, maar de man had een shock gehad en zijn hart had opgehouden te kloppen, het was niet bestand geweest tegen de emotie van de mijnontploffing. We namen onze plaats weer in naast onze buren en op die middag probeerde ik nog een telegram naar moeder de vrouw te sturen. Op het postkantoor te IJmuiden waren ook veel militairen om een telegram aan te bieden. Ook ons telegram werd aanvaard en door ons betaald, maar het is nooit op zijn bestemming gekomen. Mijn vrouw had niets ontvangen. We zagen ook nog, tijdens een poging om mijnen tot ontploffing te brengen, middels een ijzeren bak op afstand achter ons, een aanval van een Duits vliegtuig op een Engelse torpedojager, de D.77.

Maar de Duitser miste op een haar. De bom viel net naast de bakboordsboeg van het oorlogsschip en het helde vervaarlijk naar stuurboord over en een golf water sloeg over het voorschip. Maar toen zette de jager fullspeed en stoof tussen de pieren door. We hoorden later, dat nog 6 bemanningsleden van de jager overboord waren gespoeld. Maar hoewel we nog tussen de koppen der buitenpieren met de bak achter ons sleepten, werd door ons niets gezien. Een blazer, de Goeree 7, was kort in onze nabijheid om, wanneer dit nodig was, ons bij te staan en we stonden onder het bevel van een marine-officier, die bij de GO 7 aan boord was. De UK 16 werd toen klaar gemaakt om een elektrisch onder stroom staande bak te sle-

120

Vissers van het eiland Urk.

AlbertHakvoort, Freek van Slooten, Jan Roos en niet Urker vissers bij de taanketel.

pen. Want gewoon een ijzeren bak bracht de mijnen niet tot ontploffing, dit was nu al wel gebleken. De methode om de bak onder stroom te zetten had wel resultaat, want binnen de sluizen, waar ook magnetische mijnen waren gestrooid, bracht de UK 16 er nog een tot ontploffing. De eerste oorlogs-zondag brakvoor ons aan. Welk eenverschil met wat we gewoon waren! We deden nog een sleepreis in de pier met onze bak achter ons, maar geen succes, zodat we tegen etenstijd bevel kregen maar te eindigen. Naar de haven dus. We hoorden, dat er’s middags nog een kerkdienst zou zijn in de Gereformeerde kerk, om 5 uur. Reeds om 3 uur ging ik naar het huis van mijn nicht, dat niet zo ver van de kerk stond. Ik zat in de put. Ik was bang. Zulks hadden wij nog nooit meegemaakt, hoewel je als visserman al in vele gevaren had verkeerd, maar dit was iets geheel aparts. Vertrouwen dat we onder alle omstandigheden ons mogen weten in de hoede van onze Vader, Die weet wat goed voor ons is, was er die ogenblikken niet. Ook waar wij kwamen waren ze bang. Vooral een der bewoners was buitengewoon zenuwachtig en gejaagd en daar kon men mij dus ook niet opbeuren. Om kwart voor vijf gingen we kerkwaarts. Niet zoveel mensen kwamen er in die dienst, want het was alles even abnormaal. Maar voor mij werd het een gezegende dienst. Of liever al voor de dienst. Want toen wij de kerk binnen liepen, begon het orgel te spelen, de melodie van het bekende lied: „Houdt Gij mijn handen beide. Met kracht omvat. Geef mij Uw vast geleide, op’t smalle pad..." Dit was, wat wij in onze omstandigheden nodig hadden. Ver¬ trouwen op Een die ons leidde. En reeds onder het spelen van die bekende melodie viel elke last van zorg en ongerustheid van ons af. De dominee sprak over de eerste twee verzen van Psalm 91. Zeer toepasselijk, bovenal voor ons. Na die dienst gingen we weer getroost naar boord. Wij hadden weer teerkost voor de verdere weg. ’s Maandags was er weer wat anders, of liever reeds die zondagavond. Engelse oorlogsvaartuigen lagen aan de toeristensteiger. Een van onze Urker kameraden zei: "Die nemen alle N.S.B.-ers aanboord en buiten de dergen gaan ze over boord. ’’ Het leek mij al wat onwaarschijnlijk, hoewel later bleek, dat er wel van die lieden naar Engeland zijn gebracht. Maar de hoofdzaak van de reis van de jagers was het overbrengen van 122

leden van het Koninklijk gezin die in die nacht naar Engeland zijn gebracht. 's Morgens kregen we de opdracht om binnen de sluizen te gaan. In de sluis aangekomen kwam er een sleepboot langszij, die ons een plaats moest aanwijzen in het Noordzeekanaal, waar we ten anker moesten gaan midden in het kanaal. De reden was dit Noordzeekanaal te versperren voor Duitse watervliegtuigen. Later hoorden we, dat Duitse watervliegtuigen op deze manier een aanval gedaan hadden om de Maasbruggen in handen te krijgen. Behalve de UK 16 gingen ook onze andere Urkers ten anker toen wij op aanwijzing van de sleepboot-kapitein de papierfabriek van Velzen gepasseerd waren. Wij gingen als laatsten ten anker en vele binnenvaartuigen ankerden eveneens midden in het kanaal om op deze wijze vliegtuigen te verhinderen vanaf de binnenkant IJmuiden aan te vallen. De sleepboot ging weer terug en liep binnen de Velserbrug op een magnetische mijn. Slechts enkele opvarenden konden zich door zwemmen redden.

De kapitein, daar we die morgen nog mee hadden gesproken was ook bij de ramp omgekomen. Voor ons was de actie afgelopen. Midden in het Noordzeekanaal ten anker. Daags kwamen verschillende binnenschippers, die daar ookten anker lagen, met hun roeiboot bij ons aan boord om een zootje vis vragen. Nu we konden hun daar nog wel aan helpen, daarwe nog wel schol aan boord hadden. Een van hen vertelde, dat de Duitsers met vliegtuigen een aanval op IJmuidenhadden ged¬ aan, maar ze waren alle neergeschoten. Dit gerucht was vanzelf ook niet waar, maar het ene gerucht ging achter het ande¬ re aan en ze groeiden onder het gaan. Die nacht was voor mij een wonderlijke nacht. Slapen kon ik niet. Zo nu en dan er uit, naar de radio luisteren, naar boven aan dek. Het geloei van de koeien wisselde af met enkele geweerschoten. En de gedachten vermenigvuldigden zich. Wat zal er van ons land worden? Hoe zal het met ons gaan? Onrust van binnen en van buiten. De volgende dag werden enkele schepen bij ons langs gesleept. Enkele kleine Engelse marinescheepjes gingen bij ons langs achter de grote koopvaardijboot aan, die misschien nog naar buiten zou trachten te komen.

Hoge, vreemde rookwolken stegen op ver in het Zuiden. Tot heel hoog in de klare meilucht. Wat zou dat zijn? Achterafwas

123

dat de rook van het gebombardeerde Rotterdam. De marine zou ons verzorgen, zo was ons gezegd, maar geen marinesleepboot werd gezien om ons een vers broodje te brengen, die hadden zeker wel andere zorgen, dan om aan ons te denken.

Tegen de middag was er een zonderling druk verkeer aan de zuidzijde van het kanaal, dat tegen de avond nog toenam. Vele gefortuneerde Joden trachtten nog naar de overkant te komen via IJmuiden. De mogelijkheden waren echter nog maar zeer klein. Een enkele Helderse kotter met Joden is het nog gelukt om over te komen. Ook aan de UK 16 die toen in IJmui¬ den was, zijn nog grote geldelijke bedragen toegezegd, als zij over wilden gaan met hen, maar deze waren daar evenmin toe genegen als anderen.

Toen het donker werd gingen plotseling alle lichten aan de wal aan. En even later kregen we de oplossing. De hopeloze en uitzichtloze strijd was gestaakt. Capitulatie! De overgave was een feit! Toen was er ook voor ons geen enkele reden meer om op onze post te blijven. Ons hart trok naar huis. We zullen het anker ophalen, zeiden we tegen elkander, en voorlopig naar Westzaan gaan. Het anker haalden we op en meerden in het gat van Westzaan. 's Morgens gingen we naar de brugwachter van de Hembrug en vroegen of hij er ons wou doorlaten Deze wou dit wel en zo gingen we door de brug en later de Oranjesluis naar huis. De Urker haven konden we niet binnen. Een groot Duits binnenvaartuig was in de havenmond laten zinken. De haven was leeg, 't welk we reeds voor Am¬ sterdam hadden gezien, toen we vele Urker vaartuigen had¬ den zien liggen. Met de boot, die van Urk ons kwam afhalen gingen we naar de wal en toen naar huis. Op weg naar huis zag ik de eerste Duitse soldaat, die met een geweer op de rug, naar het Westhavenhoofd sjouwde. Thuis hoorden we de loop der gebeurtenissen op Urk. A1 wat daar die gedenkwaardige dagen was gepasseerd. En vooral op die zondag, toen alle vaartuigen naar Amsterdam werden gedirigeerd. Bang als men was, dat de Duitsers met de vaar¬ tuigen over zouden steken naar Noord-Holland. Later bleek, dat dit niet nodig was geweest, maar de verwarring was overal uitermate groot. En zo ging de vissersvloot, die rustig in de haven had kunnen blijven, naar Amsterdam. Enkelen hadden hun vaartuig in de haven laten zinken, anderen op het stran-

124

dje gezet, sommigen zelfs onbemand laten drijven naar de lagerwal. En alles wat los en vastwas op de havenkant was er in gegooid. Maar al die pogingen in opwinding verricht, konden niets verhelpen aan het feit: Nederland was bezet gebied; de vrijheid zou voor vele jaren een begeerlijk goed zijn en vele honderdduizenden was niet veel levenstijd meer beschoren.

Zij zouden ten offervallen aan's vijands wreed geweld. Anderen van onze plaatsgenoten hadden weer elk hun eigen en soms zeer bijzondere ervaringen. De UK 68, die aan de avond voor de 11e mei, zijn vis op een auto had gezet, om deze in Rot¬ terdam op de vismarkt te brengen, 't welk in die tijd wel meer werd gedaan, daar men dan meestal een betere prijs maakte, had wel een zeer bijzondere ervaring. De schipper of knecht ging dan vaak mee met de auto naar de vismarkt. Met het toezicht op de vis van de UK 68 was de knecht Klaas de Boer belast. Met het krieken van de dag in de nabijheid van Rotterdam belandden zij midden in de dalende Duitse parachutisten. En natuurlijk ook in het afweervuur en Hollandse soldaten. Van de vis kwam natuurlijk niets terecht en Klaas bracht er het leven af, wat wel het voornaamste was. We zullen voorts de gebeurtenissen niet op de voet volgen, dit is, wat dit onderwerp betreft niet goed mogelijk. We zullen ons bepalen bij de visserij en dan nog meest van Urk. De UK 202 ging op de werfRoos om de opgelopen schade te laten repareren. Toen de eerste weken van opwinding voorbij waren, wou ieder weer wat doen in het bedrijf. Na drie weken overlegden we met onze maats, die ook in IJmuiden geweest waren tijdens de oorlogsdagen, om onze visserijspullen, die nog in IJmuiden waren, weer te proberen terug te krijgen. Dit lukte wonderwel.

De havenmeester te IJmuiden, die voorheen havenmeester te Urk was geweest, verleende zijn bemiddeling bij de bezettende macht en de Duitse officier was zeer tegemoetkomend en verleende toestemming dat we onze spullen weer aan boord kregen.

De bezetter wou graag ieder weer aan zijn gewone werk hebben, want dit was in zijn belang. Ook was het voor ons het beste, dat we weer aan het vissen gingen, de jongens kwamen later in aanmerking voor uitzending naar Duitsland, alleen als

125

de Vries

ze voor de voedselvoorziening bezig waren volgde geen uitzending.

De vorderingen van schepen, die de bezetter nodig had, was al meteen begonnen. Maar met de botters liep het nog zo’n vaart niet. Sommigen gingen wat op de Zuiderzee, of liever het Ijsselmeer vissen, anderen gingen weer naar de Noordzee. Dit moest alles worden aangevraagd natuurlijk. Maar de meesten onzer vissers voelden er toch meer voor om langs de Noordzeekust te vissen dan op het Ijsselmeer en dus gingen een week of drie na het uitbreken van de oorlog sommigen al weer naar buiten. Het vissen geschiedde dan onder toezicht van een vaartuig, ook vissersvaartuig, waar een Duitser aan boord was. De tijd van naar zee gaan en van binnenkomst werd ook door de Duitsers geregeld. Zij bepaalden ook, wanneer het geenweer was om te vissen. En des nachts mocht er helemaal niet worden gevist, tenzij dan door hen die een nachtvergunning hadden. Maar dezen hadden een Duitse soldaat aan boord, die had te waken, dat men niet naar de overkant ging. Steeds echter werden meer vissersvaartuigen gevorderd en de weinige kotters die de Hollandse vloot toen had, kwamen al spoedig aan de beurt. In de herfst van ’40 kwam het bevel af, dat van Scheveningen uit gevist moest worden. Dus moesten de vissers zich naar die haven verplaatsen. In januari '41 was het prachtig weer, zodat de hele maand kon worden ge¬ vist. Maar wij als Urkers konden toch niet thuiskomen, omreden de boot niet varen kon en er geen wegen door de polder naar Urk waren.

De visserij was toen voor Scheveningen wel goed. Voornamelijk schar bij de wal, maar dit was ook wel goede vis. In het voorjaar van '41 werden wij weer naar IJmuiden verplaatst. sommigen vroegen toen een vergunning aan om ook bij nacht op zee te mogen blijven om te vissen. Men wilde dan wat verder uit de wal en niet binnen de drie-mijls grens blijven. Dit werd al spoedig nootlottig. De UK 83, die ook een visvergunning voor de nacht had aangevraagd en verkregen, liep waarschijnlijk op een mijn.

Naar later bleek ofwerd aangenomen, toen een stoomtrawler iets in zijn net trok en aan land bracht, dat aan de schippervan de UK 83 had toebehoord. Schipper G. Korf en zijn bemanning

127

en de Duitse matroos kwamen om het leven. Eerst had de familie nog de zwakke hoop, dat de 83 naarEngelandwas uitgeweken, maar deze hoop werd door het uitblijven van enig bericht ijdel. Met de nachtvisserij was het toen meteen gedaan. Zij die bleven vissen bepaalden zich tot het vissen op het Ijs¬ selmeer of bij de Noordzeekust. Velen kregen een noodvergunning en beperkten zich tot het Ijsselmeer. Die de kustvisserij bleven beoefenen, zover en gebrekkig als dit mogelijk was, moesten vanuit IJmuiden vissen en lagen aan het eind van de week in het haventje van Beverwijk en gingen dan met de trein en met de boot van Enkhuizen naar huis. Maar er werd niet veel meer gevist. Alle grote schepen zoals loggers en trawlers, waren gevorderd en ook de kotters. In november '42 werden eveneens nog de overgebleven botters en bottertjes, kortom alles wat de bezetter kon gebruiken, weggehaald. Er werd een vergoeding voor uitbetaald door de bezet¬ ter, veelal met het eigen geld van de bezette. Zij die jongens hadden en wier schip was gevorderd, probeerden een scheepje te huren en zo in bedrijf te blijven, teneinde de jon¬ gens uit de handen van de vijand te houden, hetgeen velen gelukte. Allerlei wonderlijke typen van vaartuigen werden voor de visserij gereedgemaakt. Garnalen- en groentenbootjes, die helemaal niet geschikt waren om zich mee op de Noordzee te begeven, werden benut, om maar te kunnen blijven vissen. De gasolie werd ook al spoedig gerantsoeneerd. Omdat er nog wel fijne kolen te krijgen waren om gas uit te winnen, werden er gaspotten op het achterschip ingebouwd en de motoren moesten op gas lopen. Zo het ging, zo ging het, men moest zich in alles behelpen. Alles werd schaars of niet te krijgen en de ruil- en zwarte handel bloeide. Geen maatregelen van de bezetter konden dit verhinderen. De officiele prijzen voor vis waren veel te laag en dit bevorderde de smokkel- en zwarte handel. Aan alles kwam op den duur gebrek en plaatsen zoals Urk, waar de visserij het enige bestaansmiddel was, moesten het van de ruilhandel hebben, want de bonnenverstrekking was tekort om van te leven wat er op te verkrijgen was. En werd er geen vis gevangen, dan was er ook geen ruilhan¬ del, zodat vooral de laatste oorlogswinter op Urk zeer benauwd werd, door het ontbreken van brandstof en voedsel. Voor de brandstof werd een oplossing gevonden, doordat uit

128

de voet der gelegde dijken de rijstakken werden weggehaald aan de binnenkant der dijken. Anderen visten de kolen uit de buitenhaven en nog anderen probeerden op een minder eerlijke wijze aan brandstof te komen. De vindingrijkheid der mensen is groot als er nood is. Na de invasie in Normandie werd het vissen aan de Noordzeekust vrijwel gestaakt. Het kon en mocht niet meer. Het wachten was op de bevrijding. De laatste oorlogswinter staat zeer terecht bekend als de hongerwinter. In de steden stierven de mensen letterlijk van honger; de lijken werden niet meer begraven. Hongertochten naar landelijke gebieden waar voedselwas te verkrijgen, vergden onzegbare moeite. We zullen er niet verder over uitweiden, er is veel over geschreven, maar de ellende van die tijd is letterlijk onbeschrijfelijk. Er was verzet en anderszins was er ook verraad en wat in de mens zat ten opzichte vanKoningin, Vaderland en Godsdienst kwam naar buiten. De lafaards hielden zich achteraf zoals dat gewoonlijk gaat. Razzia’s in de Noordoostpolder, waar veel onderduikers en sterk gezochte lieden een heenkomen hadden gezocht, brachten schrik enontzetting, ook op Urk, en een hondertal personen werd van Urk weggedreven om in's vijands land voor diens al verloren oorlog te werken. Het oude volk was reeds grotendeels uitgeroeid in de meeste bezette landen en vooral uit Nederland brachten slechts weinigen door onderduiken er het leven af.

Maar ook aan de bange winter kwam door Gods gunst een einde. Uit het westen van het land werden grote transporten hongerige kinderen naar het Noorden per scheepsgelegenheid vervoerd, die ook aan Urk een gedeelte van hun droeve last afleverden. De bevrijding kwam voor Urk niet vroeg. Door de ligging kwam het niet vroeg aan de beurt en nog de eerste helft van april ’45 lagen er bewakingsvaartuigen van de Duitse marine op het Ijsselmeer en in de Urker haven, klaar om te schieten. Gelukkig is het zover niet gekomen en op een goede nacht was de bezetting afgetrokken en wij waren vrij. Welke gevoelens toen ons bezielden is bezwaarlijk tot uiting te brengen. Het is getracht door mensen die de taal meester waren, maar nooit is dit geheelonder woordente brengen. Wie echter bewust deze tijd van verschrikking heeft meegemaakt, zalhet met ons mee hebben gevoeld, wat hetwoord „vrij betekende

129

op 5 mei 1945.

Slechts enkelen hadden hun vaartuig op Urk kunnen behouden. Meer dan 80 waren weggehaald en de bedrijfsmiddelen ontbraken bij de meesten. Die hun vaartuig nog hadden, gebruikten het meteen, en vis was ergenoeg zodat de resultaten ook zeer goed waren. Een vergadering werd belegd om te doen wat gedaan kon worden om de vaartuigen zoveel mogelijk op te sporen. Slechts enkele vaartuigen waren echter in het binnenland door de Duitsers gebruikt, de meeste moesten uit Duitsland komen en dat ging over de marine. Een deel kwam niet terug, was door oorlogshandelingen verloren gegaan of werd moedwillig door de vijand bij het terugbrengen naar Nederland vernield of aan de grond gezet op gevaarlijke plaatsen, zodat verschillende vaartuigen toch nog na de oorlog verloren gingen.

Maar in alle geval, er kon weer wat gedaan worden. A1 was dit laatste door gebrek aan materialen uiterst moeilijk. De opbouw kon echter weer beginnen. Iedereen ging weer aan de gang zo goed hij kon. Vele wonden konden nooit meer worden geheeld. Materiele verliezen kon men weer te boven komen. Reeds in ’46 kwamen de eerste nieuwe kotters weer in de vaart. Zij waren gebouwd met materiaal, dat voor de Duitsers was verborgen gehouden. En van toen aan ging het met de visserij steeds in opgaande lijn.

130

Een verloren vloot en een gewonnen welvaart

De oorlogsdagen

Het vissen voor de Nederlandse kust was in September 1939 al gevaarlijk geworden. De betonning van de zeegaten was weggenomen en de kustlichten werden gedoofd. Mijnenvelden moesten worden gemeden. In het voorjaar van 1940 wer¬ den IJmuider trawlers door Duitsers gebombardeerd, maar tot in de meidagen werd er nog gevist. Toen kwam 10 mei. Er waren nog enige Urker botters in zee voor IJmuiden. ’s Mor¬ gens kwamen Duitse vliegtuigen over en wierpen aan para¬ chutes magnetische mijnen tussen de pieren. In de richting van Zandvoort en Egmond zagen de botterlui rook en vlammen: Nederland was in de oorlog betrokken. De marine vorderde meteen vier van de houtenbotters op om te proberen de mijnen onschadelijk te maken. Ze moesten een ijzeren bak trekken om de projectielen tot ontploffing te brengen, maar die explodeerden niet. Wei liep een boot op een mijn en zonk, ’s Maandags voer er nog een sleepboot op zo’n mijn, en eindelijk vloog ook de gesleepte bak de lucht in. Toen werden de botters, samen met andere schepen, gebruikt om het Noordzeekanaal zo te blokkeren, dat er geen vijandelijke watervliegtuigen konden landen als op de Maas voor Rotterdam gebeurd was. Maar spoedig kwam nu de capitulatie en voeren de botters naar Urk, waar alle andere schepen al binnen wa¬ ren. Daar had men ook het een en ander meegemaakt. Op Pinksterzondag moesten op hoog bevel alle schepen de haven verlaten en oversteken naar Noord-Holland, want de vijand was op komst en de vloot mocht hun niet in de handen vallen. Die vloot bestond toen nog uit ca. 170 botters enbottertjes, de meeste nog van hout, maar met een motor; slechts enkele voeren nog met zeilen. Bijna al het manvolk was thuis. Iedereen trok naar de haven om afscheid te nemen. Het werd een emotionele uittocht. Oude scheepjes waarvoor geen bemanning was, liet men buiten de haven drijven. Maar na een paar

131

dagen keerden de botters terug: Nederland had gecapituleerd. Nu blijven boeren ploegen, en vissers willen blijven varen. De havenversperring werd weer verwijderd en de vloot ging vissen op het Ijsselmeer. Noordzeevissers konden een noodvergunning van de bezetters krijgen. In januari 1941 mocht er ook weer vanuit Scheveningen, later vanuit IJmuiden, voor de kust gevist worden.

Moeilijke jaren

Maar het werd steeds moeilijker en op den duur zelfs onmogelijk toen de Noordzeeplaatsen oorlogshavens werden, en de bezettende macht schepen begon te vorderen voor oorlogsdoeleinden. Als er overdag gevist werd, niet ver van de wal, had een van de schepen een Duits soldaat aan boord voor het toezicht. Bij nachtvisserij moest er ook een Duitser in het schip zijn. De mogelijkheden werden ook steeds geringer door gebrek aan gasolie. Eens gingen 13 botters achter een sleepboot van Urk naar IJmuiden, en dat om olie te sparen. Men kon tenslotte nog maar een week per maand vissen en het was door mijnen en oorlogstoestanden heel gevaarlijk geworden. Met de Urker botters gebeurde toch maar een ongeluk. De UK 83 (3 bemanningsleden en een Duitser) keerde niet uit zee te¬ rug. Maar er werd goed verdiend, de vissers kregen extra rantsoenen en werden niet in Duitsland te werk gesteld. Motoren werden omgebouwd, zodat een met steenkolen gestookte gaspot gebruikt kon worden, wat gasolie uitspaarde. Toen bleken de bezetters de grote houten platboomde botters goed te kunnen gebruiken voor bewakingsdiensten op het wad en in de zeegaten en riviermondingen. Soms werden ze er voor verbouwd en van nevelverwekkers voorzien.

Schepenroof

Men begon met het inbeslagnemen van schepen op Texel. In 1941 werd ook de eerste Urker hotter genomen, de UK 17 van Harmen Post. Er zouden er helaas nog zeventig volgen eer het 1945 was. Maar de gedupeerde vissers bleven niet werkeloos wachten. Ze keken overal uit naar scheepjes die geschikt te maken waren voor vissen op het binnenwater, en huurden en kochten de wonderlijkste bootjes, om maar niet werkeloos te raken. Tot Dolle Dinsdag ging dat nog goed; toen werd het moeilijk. Er waren er die hun bootje met gestreken mast ver-

132

borgen in een polderkanaal, anderen probeerden (erwas geen brandstof meer) met een lapje zeil nog wat op het Ijsselmeer te scharrelen met een aalkuil, of kregen een vergunning te varen voor de voedselvoorziening, want de binnenvaart en het vrachtvervoer lagen nagenoeg stil. Er werden wat tochtjes, en niet zonder gevaar, gemaakt tussen Friesland en het Gooi ofAmsterdam. De capitulatie en nu van de bezetters was ophanden. Opnieuw werd en nu door de Duitsers de Urker haven geblokkeerd met het tot zinken brengen van een schip en een kraan. Maar 18 april trokken ze af en was Urk vrij.

Na de bevrijding

Ogenblikkelijk na 5 mei gingen toen de gespaarde binnenscheepjes weer vissen, want er moest voedsel komen: vette IJsselmeerpaling en snoekbaars. Maar wat moesten de bemanningen van de 70 weggevoerde botters? Nog voor de overgave hadden ze al een vergadering gehouden om raad te schaffen. Er werd grote activiteit ontplooid om de schepen, en ook het beurtschip en de vier passagiersboten terug te halen. Een commissie van 9 vissers kreeg van het Militair Gezag ver¬ gunning te gaan zoeken in het land. Een paar botters, die door de geallieerden bij het mijnenvegenwerden gebruikt, werden o.a. bij Dordrecht aangetroffen. Maar de rest zat vermoedelijk in Belgie, Frankrijk en vooral in Duitsland. Het had voeten in de aarde daar te komen. Intussen waren in juni de passagiersboten weer terecht, was de Urker haveningang vrijgemaakt van wrakken en mocht er weer vanuit IJmuiden gevist worden tussen Egmond en Katwijk. Ook kreeg een commissie toestemming naar botters te speuren in Duits¬ land. De leden moesten dan wel in geallieerd uniform zijn. Gemeentebestuur, burgerlijk en militair gezag verleenden medewerking.

Speuren naar schepen

Het waren voor Urk spannende maanden, en enige moedige mannen maakten avontuurlijke reizen. Ze spoorden heel wat schepen op, ook wel afkomstig uit plaatsen als Goeree en Kat¬ wijk. Meestal waren de boten gestrand, half verbrand, meer onder dan boven water, uitgesloopt, leeggeroofd of verbouwd.

133

Maar ze kwamen terug, de een na de ander, op eentiental grote botters na die als verloren moesten worden beschouwd. Men vond de schepen in Embden, Kiel en Lubeck en zoveel andere kleinere plaatsjes aan rivier- en waddenkust. In convooi gingen ze naar Nederland terug, en dat heeft tot in het voorjaar van 1946 geduurd. Soms werden uit zo'n sleep schepen er onderweg nog weer een of twee verloren op het wad. De halers konden er boeiend over verhalen. Toen een schipper zijn hotter tegen een dijk aan terugvond, was de verschansing er af gesloopt. Hij klopte bij een boer aan om onderdak. Aan diens haard warmde hij zich... bij het houtvan zijn ei¬ gen schuit.

Een andere visser moest eerst met etenswaren breeuwgereedschap kopen om de naden van zijn hotter te kunnen dichten. Anderen vonden slechts de onherstelbare resten van wat eens hun dierbaarst bezit was geweest. Toch was Urk, vergeleken met andere plaatsen, de oorlog nog goed doorgekomen.

Gevolgen

Wat in de oorlog gepasseerd was bleef niet zonder grote ge¬ volgen. Het gaf blijkbaar aan de vissers nieuwe impulsen. Gedupeerde schippers gaven onmiddellijk opdrachten voor moderne nieuwbouw. Het werden geen houten botters meer die gemaakt moesten worden, maar ijzeren kotters met sterke motoren. Een enkele visser kwam via het bureau Rechtsherstel in het bezit van een Duits scheepje. De teruggekregen geramponeerde botters werden meteen gemoderniseerd. De ouderwetse visbun werd vervangen door een opslagplaats, een visruim. Het aantal paardekrachten werd opgevoerd. Een vernieuwingsrace, die grote gevolgen voor de kustvissersvloot heeft gehad, was begonnen, en ging door tot aan de oliecrisis in 1974. Het was een opzienbarende ontwikkeling.

Zelden zal in een halve eeuw tijds een bedrijfstak zoveel schommelingen, ups en downs, en sensationele ontwikkelingen hebben doorgemaakt. Van de malaise in de jaren dertig, via de oorlog en een grote opbloei tot de jongste energiecrisis. En er wordt nog gevaren. Ondanks quotering, beperkende maatregelen en hoge bedrijfskosten, vaart in 1990 nog een moderne vloot "op hoop van zegen”.

134

Uit het leven van Meindert de Boer jr. (geboren 24-9-1945)

Belevenissen op een hotter

In het najaar van 1964 viel het besluit dat ik in het komende jaar aan de Visserijschool de cursus voor stuurman zou volgen en daarom probeerde ik voor een maand of zeven een stek op de vloot te vinden. Nu had oom Flerik geen ander volk dan alleen zijn twee eigen zoons en vroeg hij mij of ik zolang bij hem wilde varen en zo kwam ik in 1965 op de UK 215, een van de laatste Urker Noordzeebotters. We maakten er werkelijk van alles mee en dat begon al in de eerste week. De hotter lag in Delfzijl en na „een bloedreis” vanwege de winterse wegen, kwamen we aan boord. Het vroor behoorlijk en er stond een stevige oostenwind, zodat we besloten het eerst nog maar even aan te zien. We scharrelden wat in de netten en luisterden naar het weerbericht en toen dat goed werd gingen we naar zee. We visten om en nabij Borkum, samen met de UK 28 van de gebroeders Korf, ook nog een hotter. Vrijdags gingen we op weg naar het Nieuwe Diep voor een of ander karwei, maar ’s avonds voor het Molengat en na de tweede rode lichtboei viel opeens de motor uit. En wat bleek? De olietanks waren leeg. Omdat er een behoorlijk zeetje in het gat stond en de vloed liep, werden we meteen flink in de richting van het Texelse gat gezet. Nu was, met de motor, ook de stroom uitgevallen, omdat door een defect aan de dynamo’s de accu's leeg waren. Vliegensvlug ging het anker overboord en gelukkig het hield net voor de branding. Maar toen werd het scharrelen om de motor weer aan de gang te krijgen. Er bleek nog een reservetank te zijn met zo’n 200 liter gasolie, maar die moest wel emmer voor emmer overgehaald worden naar de dagtank en dat in het donker in een nauw motorhok. Maar oom Flerik vond er wat op om licht te maken. Hij bond een oude poetslap om de pook, doopte die in de gasolie en stak hem aan. Je kunt wel nagaan wat een rook- en loeftoestand dat gaf, maar we klaarden het en kwamen in Den Helder, en

135

die week had ik nog 120 gulden op mijn part van de besomming. We gingen die dinsdagmorgen van de week daarop weer naar zee en stoomden naar de Pitboei waar een goede visserij geweest was. Weer en weerberichten waren goed. Na het eten gingen we in de kooi. Na een uur oftwee ging oom Freek weer naar boven en zei tegen de wachtsman dat hijzelf nu wel zou vasthouden omdat hij uitgeslapen was. Ik lag in de bovenste kooi in het „vronger” (het vooronder) en na een paar uur vast te hebben geslapen lag ik nog wat te soezen. In mijn onderbewustzijn hoorde ik wel water klotsen, maar dat hoorde ik in feite altijd, omdat ik vlak onder het dek lag en de hotter bij het geringste kouwetje al water overnam. Op een gegeven ogenblik stopte de motor echter en hoorde ik oom schreeuwen: „Kom eruit, we staan vol water!” En ja, toen ik m’n hoofd buiten de kooi stak, zag ik tot mijn schrik dat het water gelijkmet de banken stond en het bij wijze van spreken al zo de onderste kooien in en uit golfde waar Klaas en Jan sliepen. Hun matrassen waren aan de onderkant al nat, maar ze hadden er niets van gemerkt. We trokken onze laarzen aan en gingen aan dek. Toen we het visruim open deden zagen we dat dat al half vol water stond. Jan en ik lieten ons zakken en haalden alle losse planken naar boven die door het water klotsten en Klaas probeerde alvast de lenspomp aan de praat te krijgen, maar, wat je dan in zulke omstandigheden juist zult zien, die weigerde prompt dienst. En wat bleek nou later? Van de week ervoor was wat kleine vis in een mandje blijven staan, omdat die aan iemand beloofd was, maar niet afgehaald. En die vis was in de put verdaagd en verstopte de pomp en door de hoge stand van het water konden we er niet bijkomen. Wat nu te doen?

Intussen wakkerde de bries aan die zou oplopen tot windkracht zeven a acht uit het noordwesten. Eerst probeerden we toen met een emmer het water uit het ruim te hozen, terwijl Geert de hotter voor de wind hield. Het hielp echter niets, integendeel, we zagen het water stijgen. Het zag er niet mooi uit. Oom Freek raakte wat in paniek, ook al omdat de bries opnam. Het was nog een geluk dat de wind noordwest was, zodat we praktisch voor de wind weg konden varen. Na inspectie van het vooronder zagen we dat het water ook daar geste-

136

gen was, want wat was het geval? Het schot tussen visruim en vooronder was van hout. De tafel was er tegen aangebouwd en de mast stond weer dwars door de tafel op het vlak van de hotter. En dat was ons geluk, want toen het water bleef stijgen, begon het schot wel mee te buigen, maar door de tafel en mast bleef het staan. De hotter ging nu steeds zwaarder in het water liggen, dat wat moesten we? Ten einde raad gingen we het water uit het vooronder scheppen. Klaas schepte de emmer vol, Jan gaf ze door en ik stond half op de trap en gooide ze leeg op het dek. En toen kregen we in de gaten dat het water in het vooronder niet meer steeg zolang we schepten, maar zo gauw we rusten rees het weer. Het ruim was intussen tot aan het luik volgelopen.

En zo hebben we van elf uur ’s morgens tot dat we in Den Helder waren onafgebroken geschept en gehoosd en ontelbare emmers gevuld en leeggegooid. Het moeten er duizenden geweest zijn. Afijn, we hebben het gered, maar toen we op de haven aanhielden dachten we nog dat de hotter zou kapseizen, zo scheef ging hij liggen. Daar kwam nog bij dat het behoorlijk vroor en het water dat door de harde wind overkwam onmiddellijk ijs werd. De kachel stond onder water, maar door het scheppen hielden we ons warm en ook lieten we het gasstel branden.

Achteraf beseften we pas in wat een benarde situatie we verkeerd hebben, vooral toen de hotter slagzij maakte. Om ongeveer een uur in de nacht liepen we de haven binnen en meerden af voor de UK 118 van de gebroeders Hakvoort. Toen die onze toestand zagen waarschuwden ze meteen de brandweer, via de marinebrug. Binnen enkele minuten waren ze er met een grote pomp en toen duurde het niet lang ofvoor¬ onder en visruim waren leeggepompt en kon de lekkage gedicht worden. Van de Hoekstra's kregen we warm eten en konden daarna in hun kooien duiken.

De volgende dag werd de hotter op de werf van Klaas Visser drooggezet en toen kwam de aap uit de mouw. De hotter had vroeger een bun gehad dat later met klinknagels was gedicht, maar die begonnen los te laten. Er bleken er een paar weggeschoten.

In plaats dat er meteen een paar nieuwe platen op gelast werden, werden alleen de gaten gedicht en kon het zo wel weer.

137

De UK 97in 1965. en in 1983. « *

Voor groter reparatie was geen geld voorhanden. Ook later kwam het toen nog wel eens voor dat er eenpaar nagels los of uit raakten, maar daar vonden we wel wat op. We haalden bouten aan boord met aan de onderkant een gaatje. Daar haalden we een draad door en vervolgens gingenwe met twee man (een aan bak- en een aan stuurboord) vanaf de kop van de hotter naar achteren. Een man zat dan in het ruim, en dan werd kloppenderwijs de scheepshuid afgetast, tot de bout voor het gaatje kwam, waar zolang een houten prop ingedaan was. Kregen we de bout dan in het gaatje, dan was het zaak vlug de moer vast te draaien en te borgen en dan was de lekkerij weer voorbij. Op het laatst waren we daar heel handig in. En zo maakten we van alles mee. Een ding was er goed en dat was de motor, een Caterpillar van 165 pk. Die draaide altijd. Als hij gestart werd dacht je dat er een varken geslacht werd, zo gilde hij, maar hij bleef ons trouw.

Bokken en brokken

De bokkenvisserij werd op Urk het eerst toegepast door de UK 48 van Riekelt Bakker, in principe hetzelfde systeem als bij garnalenvisserij: aan elke kant van het schip een tuig en net. Deze vismethode werd meteen een succes. Erwerd veel meer dan met borden en trawl gevangen en dus volgden er spoedig meer vissers, zoals de gebroeders Van den Berg, de UK’s 60 en 61. Het duurde niet lang of scheepswerf Metz kreeg het druk met de ijzeren pijpen en schoenen, want op een enkeling na schakelde op den duur de hele vloot over op deze visserij. Ook wij deden mee, maar de eerste week dat wij gingen bokken was niet goed en zat het'min de netten. Ik herinner me dat wij praktisch onbelast visten. Mijn vader vond het helemaal een drama, want je stuurde je te pletter. Je kon het roer namelijk geen moment loslaten want dan lag je binnen de kortste keren in een tegengestelde koers of met de beide tuigen om elkaar heen. Die eerste dagen lagen we bij de UK 35 die's nachts 25 manden tong ving tegen bij ons een stuk of 7 of 8. Afijn, de visnetten moesten veranderd worden en een automatische piloot werd geinstalleerd en dat betekende al een hele verbetering, maarje maakte in die beginperiode wel heel wat mee. En wat is er veel gebeurd op de schepen aan ongelukken en zelfs rampen.

139

We kunnen wel stellen dat de kottertjes van toentertijd helemaal niet geschikt waren voor dit soort visserij. De uitrusting en vooral de stabiliteit van de schepen liet veel te wensen over, maar in de loop van de tijd werd een en ander behoorlijk opgevoerd: een ander soort netten, meer ketting (de wekkers), grotere schepen en vooral meer pk’s. Het is in het begin meermalen gebeurd dat met gewoon vooruitstomen met de tuigen boven water, de hele mikmak dubbel boog. Eerst werden nog hele buizen van 8 a 9 meter gebruikt, maar later bestond het tuig uit drie delen en werd beter staal gebruikt (bv. boorpijpen). Aanvankelijkwaren dan ook 3, 4 of 5 kromme pijpen in een week geen zeldzaamheid. Als je vrijdags binnenkwam, staken die stukken kromme pijp net als voelhorens naar alle kanten de kotter uit en was je de hele zaterdag in de weer om bij Metz of Hoekman alles weer recht te krijgen.

De eerste week dat Lub schipper was, verspeelden we een tuig. We waren aan een wrak vastgelopen met het vistuig aan de stuurboordkant en konden met geen mogelijkheid los komen. Op het laatst deden we de visdraad om de achterste bol¬ der, vierden alle draad en trokken uit alle macht. Maar de vis¬ draad brak, zodat we een nieuw vistuig klaar moesten maken. De week daarop kregenwe een kromme giek en de daarop volgende week werd helemaal een ramp. We hadden de spanrol van onze lier wat laten bijstellen, omdat de riem slipte en toenwe ’s maandagsavonds begonnen te vissen was alles in orde. We waren beoosten Helgoland gestoomd naar boeitje 3; het was heel mooi weer en helemaal blak. Na zo’n veertig minuten getrokkente hebben gingen we halen. Dubbele zette de winch in werking en stond bij de spanrol een sjekkie te roken. De tuigen kwamen boven water en hij zou er de hendel afgooien, maar kon die met geen moge¬ lijkheid in beweging krijgen. Hoe hard hij ook trok, het gaf niets. „Geef me een hamer”, schreeuwde hij nog, maar intussen kwamen de vistuigen „to block” en wat er toen allemaal gebeurde! Het was niet te geloven! Door de kracht waarmee de tuigen in de blokken in de giek kwamen, brak de mast finaal van het dek af in drie stukken. (Het was nog een houten mast). De week ervoor hadden we net een nieuwe losgiek gekregen en doordat de mast naar achteren kwam schoot deze weer tegen de brug en brak ook in twee stukken en maakte

140

een deuk in de brug. De motor viel uit, want doordat de winch met een riem door de motor werd aangedreven en de lier stopte door de enorme druk, stopte ook de motor. Ook het licht viel toen om de een of andere duistere reden uit, zodat het donker werd op het dek. En in dat nachtelijke donker was het aan boord een grote cha¬ os. Jaap en ikwaren naar achter de kombuis gevlogen enJaap daarbij weer tegen Toon opgebotst, zodat deze twee over het dek rolden. Dubbele lag onder de lier en verder was het een bende aan boord. Even was er dan ook paniek, want niemand realiseerde zich in de duisternis goed wat er nu eigenlijk gebeurd was.

Op dat moment passeerde ons dichtbij een Volendammer kotter en we hoorden de bemanning tegen hun schipper schreeuwen: „Een wrak! Een wrak! ” Zo zal het er ook wel uitgezien hebben. Nadat we weer enigszins tot onze positieven gekomen waren en motor en licht weer gestart hadden, werd de hele zaak eens goed bekeken. We konden er zelf weinig aan doen. Een geluk was nog dat de beide gieken niet kromgetrokken waren, zodat de tuigen nog enigermate te hanteren zouden zijn.

Na eerst voor troost maar een bakje gedaan te hebben, werd besloten hulp van een collega in te roepen. Toen riep Lub via de zender zijn zwager Eize Hoekstra van de UK 33 op en die reageerde meteen. Ze konden met een uurtje bij ons zijn. Intussen hoorden we dat Scheveningen radio slecht weer aangaf. Nadat de UK 33 bij ons gekomen was heeft die onze tuigen scheep gezet en dat ging vlot omdat het toen nog goed weer was.

We stoomden naar Helgoland en gingen in de kooi. Het was intussen ook flink gaan stormen. De andere dag druppelde voor het weer de vloot binnen en hadden we natuurlijk veel bekijks. We gingen aan het slopen. De mast moest van boord en tuig en gieken in de zij. De stagen werden afgehaald en de zaak zoveel mogelijk opgeruimd. Ook namen we contact op met Urk voor een nieuwe mast. Donderdagsmiddags vertrokken we toen uit Helgoland met een dikke bries; maar het schip hield zich goed omdat er geen voormast op stond en de zware gieken in de zij lagen. Op Urk werd de kotter van een nieuwe stalen voormast voorzien en na een week repareren konden we weer zee kiezen.

141

Toen het bokken begon waren er eerst veel tegenstanders. Een enkeling wilde er helemaal niet aan beginnen. In het be¬ gin moest er veel geleerd worden en langzaamaan kwam er verbetering in. We kunnen nu wel stellen dat de boomkorvisserij de grote opkomst en bloei van de Urker visserij en vloot tengevolge heeft gehad. Zelfs in die mate, dat de landelijke pers schreef over „Het wonder van Urk”.

Zo zag de tekenaai van „Panorama " het „ Wonder van Urk".

142

Van Vuur en Vuurtjes

In 1617 kreeg Urk een vuurbaak, niet voor de weinige vissertjes (het eiland telde nauwelijks driehonderd bewoners), maar voor de vaart van en naar Amsterdam over de Zuiderzee en de Waddenzee. Die vaart liep dicht langs Urk door het Val, tussen Enkhuizer zand en Urker hard. In 1649 werd de baak honderd voet binnenwaarts verplaatst tot „op de berg". Aanvankelijk werd er alleen in de winternachten gevuurd. Bij de vuurbaak was een kolenloods gebouwd. In 1809 werd een lamplicht gelnstalleerd,.in 1845 een draailicht. In 1863 waren er daarvan nog slechts drie: Schouwen, Terschelling en Urk. Andere kustplaatsen hadden een vast licht.

De namen Van den Berg, Schraal en Loosman zijn met het Ur¬ ker vuur verbonden geweest. Oudere Urkers herinneren zich nog wel Andries Loosman de vuurtorenwachter. Hij was een keurige en ontwikkelde persoonlijkheid die de toren met alle nieuwe en ook oude apparatuur die zich daar toen nog bevond, onberispelijk onderhield. Hij deelde ons in 1951 het een en ander mee over het vuur en de vuurbaak en de latere lichttoren die ervoor in de plaats kwam. Dat laten we hier volgen. Intussen is er in de sindsdien verstreken jaren veel gebeurd en veel veranderd. Maar in de vuurtoren, nog altijd een gids in het donker, wordt nog steeds gelet op de vaart bij Urk. Door het geven van seinen met de misthoorn worden onbevaren bemanningen van allerhande scheepjes in de zomer gewaarschuwd voor de ondiepte van de Vormt met de grote verraderlijke stenen. Maar hier komt Loosman: Volgens opgaaf van mijn grootvader, de heer A. Loosman, stond de vroegere verlichting op een hoogte van ongeveer 3 meter. Op een rooster werd’s avonds eenturfvuur ontstoken. Als dit voldoende brandde, werd het opgestookt met kolen, vandaar dat de man die dit werk verrichtte, de naamvanvuurstoker droeg.

In de bestaande woning was in de westgevel een marmeren steen gemetseld met het inschrift: „Door last van de Ed: Mo:

143

Heeren Staten heeft de burgemeester Gerrit Jacobs Witsen van Amsterdam dit gebouw doen maken Anno 1617 en op den eersten September de eerste vuring gedaan. ”

De eerste lichtwachter was ene Schraal, de grootvader van de tegenwoordige Willem Schraal. Genoemde Schraal is op Urk maar zeer kort lichtwachter geweest, daar hij werd overgeplaatst naar Egmond aan Zee.

Toen is A. Loosman lichtwachter geworden en hij heeft die betrekking ruim 40 jaar bediend.

De verlichting bestond aanvankelijk uit een lamp met patentolie, die men aanstak met zwavelstokken (lucifers kende men nog niet) doormiddel van een koolvuur, later met behulp van een vuursteen.

De lichttoren was toen 8 meter hoog. Later kwam er petroleumverlichting met een lichtsterkte van 1.800 kaarsen. (In 1901 werd de toren 6 meter verhoogd, omdat het licht niet boven de gereformeerde kerk uitkwam). Deze verlichting werd door twee wachters bediend, nl. A. Loosman en zijn zoon Jan Loosman, die in 1863 werd aangesteld. Een jaar of vier later werd A. Loosman gepensioneerd en toen werd Jelle Loosman tweede lichtwachter. Deze nam in 1904 pensioen en toen kwam diens zoon Jan Loosman in zijn plaats. In 1905 ging Jan A. Loosman met pensioen en toen werd Jan Jelle Loosman en A.J. Loosman tweede lichtwachter.

In 1906 werd een misttoren geplaatst van ongeveer 22 meter hoogte. Boven in de nok hing de mistklok die 620 kilo woog en 20 slagen per minuut deed.

In 1914 werd de petroleumverlichting op het proefstation te Scheveningen gebracht om vervangen te worden door een pharoline gasgloeilicht met een lichtsterkte van 40.000 kaars. Voor de tijd van eenjaar werd intussen eenblauwgaslamp opgesteld.

Op 15 mei 1915 ging A. Loosman naar Scheveningen om de nieuwe verlichting te leren kennen en bedienen, omdat die nogal ingewikkeld was. Op 22 mei ging Jan Loosman de werkzaamheden leren. In juli werd toen de nieuwe verlichting op Urk in werking gesteld. In hetzelfde jaar werd ook een misthoorninstallatie aangebracht met twee luchtketels, een Brons-motor en een luchtcompressor die 20 m3 lucht per uur oppomt.

144

In 1924 werd het pharoline gasgloeilicht weervervangen door elektrisch licht met een lichtsterkte van 44.000 kaars. Door deze verandering ging Jan Loosman per 1 augustus 1928 op wachtgeld. De pharolineverlichting bleef als noodverlichting bestaan tot het jaar 1937. Toen is de noodverlichting vervangen door een propaangaslicht, dat veel vlugger in werking kan worden gesteld. De petroleumverlichting gafom de 60 seconden een schittering, de pharoline om de 5 seconden, net als de elektrische. Het karakter van de misthoorn is een stoot van 3 seconden en 27 seconden rust. Intussen is ook dat verleden tijd.

De steen die vroeger in de westgevel stond is in 1922 in de zuidmuur aangebracht. In de toren is nog een steen gemetseld die het volgende opschrift draagt:

Tijdens de Regering van Willem II Koning der Nederlanden Prins van Oranje Nassau Groot-Hertog van Luxemburg enz. enz. is deze toren op last van den Vice Admiraal Julius Constantijn Rijk minister van Marine enz. enz. Bij hernieuwing opgebouwd onder het bestuur van Jonkheer Anthonie Cornelis Twent Kommandeur der Orde van de Nederlandsche Leeuw Inspecteur-Generaal van het Loodswezen enz. Zijnde de eerste steen gelegd den 18 mei 1844. ”

lets meer over de families Loosman en Van den Berg

In 1819 was een Jelle Andries Lootsman diaken. In 1815 werd een Albert Lootsman vermeld op de lidmatenlijst van de kerk. Hij, of een voorvader heeft waarschijnlijk de functie van loods bekleed. In hun jonge jaren verlieten ondernemende jongelui nogal eens het eiland om elders hun geluk te beproeven. Ze vertrokken naar het loodswezen, de logger of de grote vaart. Op een in Delfzijl opgericht monument voor verdronken loodsen, komenUrker namen voor. In 1844 overleedop UrkJan An¬ dries Lootsman. De nakomelingen heten sindsdien Loosman.

Nu stond er in de 18e eeuw bij de vuurtoren een opslagplaats

145

Vissers en vogels, belust op buit.

Urkerhotter en schokker op wegnaar de Noordzee, plm. 1905.

voor de kolen, „het koolenloo(t)s”. Is misschien de man die dit beheerde daarnaar Loo(t)sman genoemd? Ook dat lijkt ons een mogelijkheid. Ook de naam Van den Berg (op Urk destijds uitgesproken als „van de barg”) zou op het eiland zijn ontstaan te danken kunnen hebben aan de hoogte waarop de vuurboet gebouwd was en die „de barg" genoemd werd. In de jaren dertig van de 18e eeuw komen in het doopboek de namen Steven Hendriks en Derk Hendriks voor. Soms is daar „van den Berg” aan toegevoegd, soms ook niet. Op de berg woonde toen nog alleen de vuurtorenwachter, op geruime afstand van het dorp, wegens brandgevaar voor de met stro bedekte woninkjes op de afhelling van die bult. Op 31 december 1761 kocht de toenmalige vuurstoker Dirk Hendriks van de kerkmeesters een graf. Vermoedelijk was Hendrik van den Berg, zijn vader, ook al vuurstoker. (De Van den Berg’s waren een voor die tijd welvarende familie op het eiland). We kunnen een romance vermoeden. Tetia, dochter van ds. Van Diepen, kon uit de nabijgelegen pastorie de vuurboet zien waar Hendrik zijn werk had. We kunnen ons voorstellen, dat als ze een luchtje ging scheppen, ze niet de onderbuurt inging, maar de hoogte opwandelde naar de vuurstoker en met hen een babbeltje maken. Het kwam tot een huwelijk tussen de door Amsterdam aangestelde beambte en de dochter van de Urker dominee. Het is te begrijpen dat mensen op het eiland hun naam ontleenden aan hun beroep: Buysman of Buys, Coffeman, Capiteyn, Lootsman, Visscher... Op Urk wonen nog vele Kapiteins, Koffeman en Viss(ch)ers. De huidige lichtwachter is geen Van den Berg of Loosman. De vuurtoren wordt tegenwoordig bewoond door Koert Bakker en gezin. En nog is het torenlicht, net als het mistsein, onmisbaar.

Urk kreeg in 1819 een haventje, in later jaren vergroot en verdiept. Op de uiteinden van de havendammen werden lichtopstanden geplaatst, ,,de vuurtjes" genoemd. Een plankier leidde er heen. Ging van de vuurtoren al een grote aantrekkingskracht uit voor een avondwandeling, de vuurtjes (en daarbij vooral het rode, dat het verst in zee stak) trokken nog veel meer wandelaars. Vooral verliefde jongeren maakten er graag

147

een kuiertje naar toe en krasten er soms hun naam in het balkwerk. De prozaische moeilijk te bewandelen dam en de ijzeren lampdrager, zoals door Zuiderzeewerken aangebracht, namen heel wat van de oude ramentiek weg. Maar nuttig zijn ze nog altijd: de vuurtoren en de vuurtjes, howel er geen vuur meer aan te pas komt.

De Urker vuurtoren van voor 1890.

148

Als vissers vlaggen

Er is voor vissers in het verleden niet zoveel reden geweest om de vlag uit te steken. En als het al gebeurde was het vaak halfstoks, als er een bemanningslid verdronken was of uit zee een lijk werd opgevist. In 1932, toen de Afsluitdijk gesloten werd, hingen er alom in havens en op schepen vlaggen halfstok, omdat de ondergang van de Zuiderzee-visserij voor de deur stond. Gelukkig overleefde Urk het failliet van de vloot, omdat bijtijds geheel werd overgegaan op de Noordzeevisserij, die toch altijd al het belangrijkst geweest was. Bij allerlei gelegenheden ging de vlag wel in top, zowel in vredes- als in oorlogstijd. Toen op woensdag 17 december 1873 Evert Bakker op het rif van Norderney de bemanning van het gestrande stoomschip „Urania” redde, keerde hij met de driekleur aan de steng op het eiland terug. Maar toen aan het eind van de jaren vijftig de ontwikkeling van de vloot grootse vormen ging aannemen, werd, in navolging van Vlaardingen en Scheveningen, voor het eerst aan een vlaggetjesdag voor Urk gedacht. En, in april 1959 kwam het ervan. Hoewel, het ging toen nog voornamelijk voor de opening van het palingseizoen dat liep van 1 meitot 1 oktober. De IJsselmeervloot woog wat aantalbetreft toen nogtegen de Noordzeevloot op, al waren de IJsselmeerscheepjes lang niet zo groot en zeewaardig. We knipten de volgende zinnen uit het Algemeen Dagblad. De gehele IJsselmeervloot lag daar gepavoiseerd voor de wal. Op elk schip de driekleur van top gehesen en opgetuigd met vlaggelijnen waaraan menig oud jurkje ten offer moet zijn gevallen. Het was een prachtig gezicht al die gepavoiseerde schepen en scheepjes te zien uitvaren. De veerboot Insula, afgestampt vol met iedereen die mee wou, koerste langs en om die lange linie van vissersschepen die na een uurtje varen terugkeerden in de Urker haven. Aan de wal is de viering van die eerste Urker vlaggetjesdag daarna gezellig voortgezet. „Volgend jaar doen wij het weer! ”, zo zeggen alle Urkers!

149

Klokslag elf uur gaf de R.P. 3 het vertreksein. Aan boord van dit politievaartuig bevonden zich alle gemeentelijke autoriteiten. Vanzelfsprekend dat de voorplecht gereserveerd bleef voor burgemeester Schippers met zijn secretaris en zijn wethouders.

Minstens drie Urker schippers deden hun best om achter die R.P. 3 aan het eerste buiten te zijn. Maar die race werd gewonnen door schipper Pasterkamp van de UK 145, het gloednieuwe eerste ijzeren schip dat ooit op een Urker werf werd gebouwd. Heel Urk was uitgelopen om van dat schouwspel te genieten. En om het Urker karakter van deze eerste vlaggetjesdag te verhogen waren er heel wat mannen envrouwen die zich voor deze gelegenheid dan toch maar eens weer in de dracht van het voormalige Zuiderzee-eiland had gestoken. De Urker muziekvereniging Valerius maakte van de visafslag een geimproviseerd concertgebouw waar zij de helft van haar repertoire ten beste gaf. Die andere helft bleef gereserveerd voor de opvarenden van de veerboot Insula die mee ter vlootschouw zou uitvaren. Wei hadden zich woensdagochtend passagiers gemeld die met de Insula naar Enkhuizen wilden oversteken, maar die hadden geld gekregen om hun reis „over land" te kunnen maken want bij zo’n eerste vlootschouw kon die Insula niet worden gemist!

Na 1959 zijn er, hoewel niet jaarlijks, enige fleurige visserijdagen gevolgd, waarop met name de snel in grootte en vermogen toenemende Noordzeevloot zich grandioos kon presenteren. Maar vaak was er door ongevallen en dreigende uitzichtloosheid weinig reden om de vlag uit te steken.

150

Het weer in het woord

Werk en weer hebben voor vissers en boeren veel met elkaar te maken, beide groepen hebben dan ook van oudsher grote belangstelling voor het weerbeeld gehad. Voor de uitoefening van het beroep en het met succes runnen van het bedrijf was het van wezenlijk belang te weten wat voor weer er op handen kon zijn. Wat de goede opmerkers aan regelmaat en voorspelbaarheid meenden te kunnen waarnemen, gaven ze door aan het nageslacht. Dichterlijk aangelegde naturen brachten wat rijm en maat aan in de overgeleverde wijsheid en zo ontstonden honderden weerspreuken.

Toen de almanakken in gebruik kwamen en daarin ook weervoorspellingen werden opgenomen, raadpleegde men die wel gretig, maar wist tevens drommels goed hoe weinig men erop vertrouwen kon en rijmde: Almanak, leugenzak. Mensen ma¬ ken de almanak, maar God maakt het weer. Dus bleef men speuren naar aanwijzingen en tekenen, waaruit conclusies te trekken waren over de te verwachten wind, neerslag en warmtegraad. De overgeleverde weerspreuken zijn te verdelen in algemene, die het jaar door opgaan en bijzondere die betrekking hebben op de seizoenen, omdat weer en jaargetijde nu eenmaal zoveel met elkaar van doen hebben. In die groep spelen de maanden en feestdagen van de kalender een grote rol. Omdat er in de natuur nu eenmaal zoveel raadselachtigs en onverklaarbaars achter de verschijnselen schuil ging, kwa¬ men daar nog tal van mytische elementen bij en tenslotte deed het rijm ook nog wat. En zo ontstond een bont mengelmoes van waarheid en verdichting, maar daardoor niet min¬ der interessant. Veel spreuken hebben weinig om het lijf, omdat ze slechts een konstatering bevatten, al zit er dan wel vaak een waarschuwing in.

Een zwaluw maakt nog geen lente.

151

Sterk werd gelet op zon, maan en sterren, neerslag en wind, om er een conclusie uit te trekken.

De zon op sporen daar is de noordenwind mee geboren. De zon in een nest, morgen is de wind west.

Een grote zon en die verbolgen, daar zal een zware storm op volgen.

Een grote zon en bleek van schijn, dat zal voorwaar veel regen zijn.

Als de zon niet helder duiken wil dan is er verandering van weer op til. Avondrood, dat is mooi weer aan boord, morgenrood, dat is water in de sloot.

- Een kring om de maan die kan vergaan, een kring om de zon, daar huilen vrouw en kinderen om. Een kring om de maan die kondigt regen aan.

Als een knecht gaat voor de heer (d.i. ster voor maan) dan is het zelden goed weer. Mist, vorst in de kist.

Mist, regen dat het pist. Sneeuw op slik geeft binnen drie dagen ijs, 't zij dun of dik. Veel sneeuw, veel donder. Sneeuw uit het zuidwesten, ijs uit het noordoosten. Zuidwestenwind met snee (is sneeuw) noordoostenwind in zee.

Een deel van de tot nog toe genoemde spreuken is ook op Urk wel bekend. We laten hier volgen wat we uit Urker monden, in het Urker dialekt optekenden, al spelen die ook elders.

- De zunne gat waoter haolen (ze schijnt zeer bleek). Mit de nije moon verandert't weer. (nij = nieuw) Een zuienmoon, een vuurebbe op stok. (vuur = voor)

Mieuwen hoog in de locht: vuul wiend. Mieuwen op't laand, sturm op de kaant.

- De locht stat of ie katten spegen wil.

- Blift de rook op't waoter hangen, dan kreeg je wiend as gres.

- De moon zal de bluui wel opvreten. (bluui = onweerslucht) -’t Moontjen op de dik, een vuurvloedjen op't slik.

152

Noorderstof, daor komt (gien), mooi weer (op) of. Noorderstof gift zelden lof. Krimpers binnen stinkers. Mist, vorst in de kist.

Met die laatste spreuk kun je alle kanten uit. Trouwens, uit het bovenstaande blijkt al wel hoe verschillend er kan geciteerd worden, al ofniet met het woordje niet. En als er dan het bijgeloof nog bij komt....

As je’t over kollen eawen, komt er blakte. As katten an paolen krabben, gat't sturmen.

As katten gres eten, komt er regen. Niks verangerlijker as’t weer, zegt de een, Niks verangerlijker as de vrouwen, zegt de ander, geen wonder dus dat er een combinatie kan worden gemaakt.

Inlopende wienden in eutlopende vrouwen moet je allebei in de gaten houwen. Krimpende wienden in eutgoonde vrouwen binnen giene van beien te vertrouwen.

In de diverse gezegden wordt veel met tegenstellingen gewerkt:

Noorderblakte gift zuienwiend. Een stoonde moon is een leggende zieman, een leggende moon is een stoonde zieman. Hagel op de lukken dan gat de haring dukken. Er werd veel met rijm gewerkt, zoals we al zagen. Op Urkkende men

Marker beer (ook wel: Schokker beer) wat waait het weer, wat vliegen de kraaien, wat zal het nog waaien. en elders ook: Schaapjes langs de hemelbaan brengen wind en regen aan.

153

Als de wind komt voor de regen kunnen de zeilen er wel tegen, maar als de regen komt voor de wind, maak dan dat je de zeilen bindt.

Hoe weinig sommige spreuken om het lijf hebben blijkt wel als ze niet aan waarnemingen, maar aan dagen en maanden gekoppeld worden. Wel zat er vaak een raadgeving in. een maandagmaan zal in regen en wind vergaan. Wacht je voor een maandagmaan! Er is geen week zo wonderlijk of de vrijdag is bijzonderlijk. Er is geen zaterdag zo kwaad of de zon schijnt vroeg of laat. Is het in augustus heet, zorg voor een goed winterkleed.

Veel bleef voor de eenvoudige waarnemer onverklaarbaar, maar sterk leefde het besef dat er meer achter de verschijnselen moest zitten. Het regelmatig terugkeren van de seizoenen, het lengen en korten van de dagen, het vloeien en ebben op vaste tijden in verband met de stand van de maan, het optreden van stormwinden en wind. Stilte in bepaalde maanden van het jaar, bracht hem op de gedachte van nog meer ordening, evenredigheid en onderling verband. Verband bijvoorbeeld tussen het gedrag van dieren en het weer en wat daaruit te voorspellen viel; evenredigheid in het aandeel dat regen en wind, hitte en vorst in een jaar of een reeks van jaren wel moesten hebben, zodat er een balans ontstond. Daarom werd er gezegd: Dat zullen we nog wel moeten bezuren. We zullen er ons deel nog wel van krijgen. Er staat ons nog wat te wachten. Dat kon leiden tot het geloof in geluks- en ongeluksdagen en vrees voor bepaalde verschijnselen.

Nu hebben de meteorologische stations de rolvan katten, kollen en sinten in de voorspelling overgenomen en dat betekent een enorme verbetering, maar dat de berichtgeving nog verbeterd zou moeten worden, wie zou dat niet wensen? De vissers moesten behalve met de kalender in het algemeen ook rekening houden met de visvangst in bepaalde perioden, de zgn. „teelt”. Zo kenden de Zuiderzeevissers de haring- en

154

de ansjovisteelt. En ook op de gunstige tijdvoorbot-, schol- en garnalenvisserij moest gelet worden. Daar waren de waarnemingen ook op gericht. Ze spraken bijvoorbeeld over een ansjovislucht en een ansjoviswindje. Speciale aandacht hadden vanzelfsprekend de aparte verschijnselen, zoals zons- en maansverduisteringen, een stralenkrans om de zon, of een bloedrode kleur van de maan, het noorderlicht, het lichten van de zee, het verschijnen van kometen, vallende sterren en het sint-Elmusvuur. Men bracht een en ander al gauw in verband met beschrijvingen van de eindtijd in de Apocalyps. Data invoorjaar en herfst, waarop een of meer keren schepen vergingen, werden niet licht vergeten.

En welke waarde moet je nu aan die weerwijsheid toekennen? Ze is zeker niet waardeloos. De bekende Buys Ballot schreef in de volksalamanak voor 1882 o.m.:

„Reeds de wolken.... hebben.... landbouw en zeeman menig teken geleerd; want men zag immers hoe eigenaardig wolkenvorming storm aankondigde; hoe de regenwolk van verre naderde; hoe de ene luchtstroom boven de ander heengaande, van elders gekomen, vermenging en daarmede veelal re¬ gen gaf; hoe de fijne wolken, die men des zomers boven zich zag, bij voortdurende vermeerdering daalden, kringen om zon en man te voorschijn riepen, eindelijk, dichter bij ons geko¬ men, koude gaven; hoe in de winter de zuidoostelijke stromen bij nog vriezend weder langzaam in lagere streken zich bewogen en weldra dooiweder meebrachten. ”

Maar een andere waarnemer had in 1856 reeds opgemerkt: „Menigmaal hoorde ik het opklaren van een betrokken lucht aan de vraatzucht der lieve maan toeschrijven. „De maan zal het wel opeten", was de gewone uitdrukking. Bleef het duister, niettegenstaande de Almanak voile maan aankondigde, zo werd er verder niet over gesproken; ze had dan zeker geen honger gehad. Prijkte zij daarentegen aan de nachtelijke hemel, zo wekte haar lieflijke glans de aandacht, en de uitkomst der voorspelling werd niet vergeten; het stond vast, de maand had de nevelen verzwolgen." Wie een goed waarnemer is en constant acht geeft op het weer zal daar zeker z'n voordeel mee kunnen doen.

155

Voor de hervorming hadden de heiligendagen veel invloed op de spreuken en ook het rijm speelde erin mee.

Regent het niet op Sinte Margriet dan regent het in zes weken niet. Nooit beklaagde zich een man, dat hi] turfde voor Sint Jan.

Op Urk zei men: Wie turven wil, wie turven kan, die turve vor Sint Jan. - Alderhilligen, de skutjes an de paolen vor een visserman valt er niks maar’t haolen.

Na de reformatie kreeg de Statenvertaling invloed De noordenwind verdrijft de regen (Spr. 25:23).

De vertaling van het Ned. Bijbelgenootschap geeft hier De noordenwind verwekt stortregen.

In hetzelfde hoofdstuk wordt gesproken over wolken en wind waar geen water bij is.

En vaak werd geciteerd Predikers 11:4 Wie op de wind acht geeft, die zal niet zaaien en wie op de wolken ziet, die zal niet maaien.

Om aan te geven dat men ook te bang kan zijn als het op varen en vissen aankomt. Zo vond het weer zijn weerslag in het woord en het Woord soms in de weersbeschouwingen en de les die emit te trekken viel. „Bij het vallenvan den avond, zegt gij: Goed weer, want de lucht ziet rood. En des morgens: Vandaag ruw weer, want de lucht ziet somber rood. Het aanzien van de lucht weet gij te onderscheiden, maar kunt gij het de tekenen der tijden niet? (Matth. 16:2 en 3).

156

Het werk in het woord

Vele vissers, en zeker die van het eiland Urk, waren verbaal begaafd, ook al hadden ze slechts weinige jaren onderwijs genoten. Tegen een bezoek aan eenminister ofzelfs de vorst, zagen ze niet te zeer op. Sommigen wisten hun ervaringen ook schriftelijk onder woorden te brengen. En daarbij vielen dan weer de rijmers op. Ze kunnen rijmen en dichten om je petje voor te lichten werd er wel gespot, maar op het verslag (d.i. de jaarvergadering) van elke vereniging werd graag naar de dichterlijke ontboezemingen geluisterd, hoe primitief ze ook menigmaal wa¬ ren.

In het vooroorlogse tijdperk waren er mensen die hele rijmelarijen konden opzeggen en daarvoor ook gehoorvondentoen er nog weinig vertier was.

Van Maarten Gerrits Timmerman stamt het oudste ons bekende gedicht. Jan van Loo (d.i. Jan Koffeman Idezoon) schreef over hem het volgende: Hij is de oudst bekende Urker dichter, en hi] is de betovergrootvader van Jan van Flerik en van Mariap van Urk. Zijn dichtader is, met een sprong over drie geslachten, weer gaan vloeien bij zijn nakomelingen. Veel is er van zijn dichtkunst niet bewaard gebleven, maar dank zij de goede zorgen van mijn grootvader, meester Klaas Koffeman, ben ik toch in het bezit van een van zijn gedichten. Dit gedicht wordt door C. de Vries in zijn Geschiedenis van Urk op bladz. 298 genoemd. Het werd door Maarten Timmerman voorgedragenin de Hervormde Kerk, na het einde van de middagdienst of catechisatie, op 21 december 1794. De vloot was thuis en er waren dat jaar geen ongevallen op zee voorgekomen. Ds. Schmidt preekte in de morgendienst over de genezing van de geraakte, die door het dak nedergelaten werd aan de voeten van Jezus. Maarten zette zich tussen de morgendienst en de middagkerk tot schrijven en las zijn gedicht na het einde van de dienst voor. Een knap stukje werk voor een eenvoudige

157

timmerman.

Trouwens, bebe Maarten schijnt in zijn dagen een man van betekenis op Urk te zijn geweest. We lezen van hem (bij C. de Vries) dat hij als oud-diaken met Ds. de Haan de beroepsbrief opstelde op 25-9-1810, waarbij eennieuwe predikant naar Urk werd beroepen. Dit wijst er op, dat hij in de Kerk van Urk een der voormannen geweest is.

Zijn gedicht getuigt van een oprecht geloof. De zorgen des levens zijn Maarten niet bespaard gebleven. Zijn oudste dochter, Grietje, stierf op 25-jarige leeftijd. Hendrikjen, Marijtjen, Harmen, Jan en Harmtjen overleden kort na de geboorte. Voeg daarbij de zorgvolle tijd van de Franse bezetting, de armoede en ellende overal in het vaderland en daarna de strubbelingen in de kerk; de komende scheuring; nee, een hard leven is het voor onze oudste Urker dichter geweest. Maar in de stormen vanhet leven heeft ook zijn anker eenvaste grond gevonden in Hem, Die dit levensscheepje bestuurde en in de veilige haven gebracht heeft.

Timmerman's gedicht telde dertig coupletten. We laten het begin en het slot volgen:

Welkomstgroet aan de burgerij van Urk, bij gelegenheid van een Catechisatie, door Maarten Timmerman. Gedaan te Urk, den 21 December 1794.

Zijt gij in welstand afgevaren, Van ons gescheiden menig keer, Hebt gij het hollend woen der baren Zelfs doorgestaan met veel gevaren? Gij dobberdet staag op en neer.

Dan deed de zee en stormwinden U heffen hemelshoogte op. Dan weder, of z'u zou verslinden, En nederstorten; o, ellenden! Ten afgrond van den steilsten top.

Gij werd behoed elk in't bijzonder, Voor veel gevaren, door den Heer; Geen zee, geen stormwind, bliksem, donder,

158

Noch geen gevaar, hoe groot ook weer; Zijn’ sterke Almacht gaan te keer.

Heeft Hij uit nooden en gevaren, Waarin gij zwerfde, trouw gered: Wil nu ook met Gods blijde scharen, Hem dankend, hart en stemmen paren, Die alles paal en perken zet.

’t Zweeg op Jehova’s wil en wenken, Zoowel de stormwind als de zee; Hij ging u ook gezondheid schenken, O, zegen! 'k kan't niet al bedenken, Men mist er zelfs van u niet een.

Zo begint het gedicht. Dan krijgt het steeds meer het karakter van een preek over schuld en boete, verlossing en dankbaarheid, aan de hand van de gehoorde leerrede over de genezing door Jezus van een verlamde knecht (Mattheiis 8 vers 5 tot 13). Wilde hij de predikatie van de dominee aanvullen of verbeteren?

Ga met deez’ toon uw dankstem paren; En volg's geraakten voorbeeld na. Dank Hem, dat Hij u ging bewaren, In nood en dood en veel gevaren U altijd heeft geslagen ga.

Breng Hem uws offers eerstelingen, Van een opregte dankbaarheid, Wil in vereende zamelingen, Van Zijn liefde en trouwe zingen, Looft Zijnen naam in eeuwigheid.

Dient God, bemint dat hoogste Wezen, En laat de zonde, klein en groot; Laat Jezus uwe Leidsman wezen; Dan hebt gij voor geen kwaad te vreezen, Noch zonde, duivel, hel, noch dood.

En als gij door de woeste baren,

159

Van's werelds ongestuime zee, Eens eindelijk zult henen varen, Dan zult gij op de haven staren, Van's hemels kust, die blijde ree.

Daar zullen u de hemellingen, Verzellen in Gods heerlijkheid; En brengen in der Eng'len kringen; Om Hallelujah daar te zingen, Van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Amen.

Het valt op hoe vaak berijmde levenservaringen overgingenin beschouwingen van godsdienstige aard en er lering uit getrokken werd. Zo wordt in een rijm over een strenge winter niet alleen opgewekt tot dankbaarheid maar in het besluit, als toepassing, gewaarschuwd tegen de hoogmoed van het vissersvolk dat zich zo roekeloos op het ijs gewaagd had. We laten het overgeleverde rijm hier in zijn geheel volgen.

Als ik mi] niet vergis

Dit nog een herinnering aan hetjaar '72 is:

In Ameland:

Toen lag in Ameland een aantal vissersschuiten; Wei dertig in getal. Ze moesten blijven buiten. De zee belette't hun om over't Wad te gaan, En door de Oostenwind dorst men er niet op aan.

Op het Wad:

Maar ze hebben het toch gewaagd om over't Wad te komen, Doch lang niet zonder vrees hebben zij't ondernomen. In't eerst ging alles goed, maar door het ebbetij Zo raakten daar van ons nog zeven in de lij; Die liepen aan de grond tot’s avonds zeven uren, En moesten daar die nacht al in het ijs verduren.

In Harlingen:

Tot Donderdags elf uur, toen kwamen z'in Harlingen. Wij waren zeer verblijd: een ieder kon wel zingen.

160

Maar we waren nog niet thuis.

En men ging redeneren: De Harlinger boot, die zou dat ijs niet deren.

Wij namen hem ook aan om ons naar Urk te brengen; Maar wat ons daar ontmoette, dat zijn maar rare dingen. Voor eerst zo moesten wij de vracht vooruit betalen.

Op de Zuiderzee:

Des middags om twee uur begon hij al te dalen. Wij kwamen met de zon ons eiland in 't gezicht; Toen was de zaak gebeurd: de stoompijp die ging dicht. Maar dat kon ons niet baten; Toen hebben wij des nachts het anker vallen laten. De boot begon te kraken, het ijs begon te slaan, En zijn we door de harde wind op Friesland aangegaan. Wij waren goed gezond en lustten graag wat eten. Daar was niet veel aan boord; ik zal het nooit vergeten. Hoe zal dat worden toegedeeld? Elf aardappels voor ieder part, waar zout en vet aan scheelt. De zondag die brak aan, nog hoger klom de nood. Zes maakten een besluit: verlaten nu de boot. Het was toen twaalf uur.

Op Urk:

Men zag hier een bewijs. We spraken tot elkaar: Zo ik mij niet vergis dan zijn er mensen op het ijs. Het is terecht gezien. Ze zijn ook aangekomen, Door veel werks te doen en angstige gedachten de moed bij haar ontnomen.

De mensen liepen toch zo tot hen toe met hopen, Om het wel af te zien, of zij nog konden lopen.

Vraag hier maar niet te veel: ze zijn zeer afgemat, Maar kwamen toch in huis, waar elk de stoel bezat. Maar wat verbaast het meest? Wat gaan ze nu vertellen? Nog vierentachtig man verlieten wij in nood.

Wie moet hier niet ontstellen?

Dat was een tijding toch, die hier de moed deed mindren. De ene sprak: Mijn man! De ander: O, mijn kindren! Wat zal ik zeggen nou? Ze riepen algemeen: Nu moeten zij vergaan van honger en van kou.

161

Maar wees maar hier bedacht, Dat wij beleefden saam een slapeloze nacht. Maar is er nu geen volk, dat vraagt hoe of dit alles kwam? Hier sta ik wat bedeesd, toen ik die zaak vernam. Maar wat ik er van denk, dat wil ik schrijven hier: De een is het tot leed, de ander tot plezier.

Dat was de hoogmoed toch, die hier de zaak deed blijken. Zo was de spraak van hen, ja van ons grootse volk: Wat zullen zij nu kijken! Als wij daar boven Urk met vlaggen van de top daar spoedig komen aan!

O ja, dat was niets waard, die boot die zou dat ijs wel spoedig af gaan slaan. Maar hoogmoedig volk, sta hier een weinig stil, Het was zo niet de weg, ook niet des Heeren wil. Het is niet bij geval in deze weg geschied. O nee, ons vissersvolk, geloof dat nu maar niet. Ja, daar is onze vissersvloot, wel vlug en ook verwant, Maar heeft het leven in het minst niet in de hand. En ja, nu schrijf ik niet alleen van die rare boot Maar heel in't algemeen van onze vissersvloot.

Ik schrijf hier ook nog bij dat ik toen kwam te horen Dat onze slepersvloot ook raakte uitbevroren. Hier hebben wij toch niet de zaken te verbloemen, Maar door de minne vangst dat arme mensen noemen. Die raakten ook in nood, want van haar eigen zelf had het meeste deel geen brood.

Het morgenlicht brak aan, en er zijn aangekomen De mannen van ons land; een ijsschuit meegenomen, Met levensmiddelen ten besten ook voorzien, Om in dat dreigend leed hier hulp te kunnen bien. Maar hoor, mijn lezers, hier, ik schrijf hier met bedaren: De mannen vol van moed, wat opgekweekt, zijn zelf mee uitgevaren: Ja, Klaas van Urk toch en die Meindert Koffeman, Dat zijn nu, zo ik hoor, daar de dappre mannen van. Ik moet, zo sprak de een, ik moet het ondervinden, Zo wij er niet bij zijn, zo kan ons hulpverlenend volk immers de weg niet vinden. Ze zijn ook meegegaan. Tot hun bestek gekomen

162

Daar zijn ze blijven staan, want hoger klom de nood.

Ze dachten: Wat een slag! want weg was nu de boot.

Maar o, wat wonder werk; ze lopen nog wat aan Daar kregen ze een gezicht en zagen dan heel gauw: De mannenvoeten met die der kindren staan.

Zo mag men denken toch: De Heer heeft hen gered, Uit deze bange stond. Dat zich in dankbaarheid vervul uw hart en mond.

Besluit:

Als wij toch deze weg eens recht en gaan beseffen, Hoe dat een tal van negentig man de dood had kunnen treffen. Daar zijn er toen ook nog naar Schokland gegaan, Die de andre dag daar rustig kwamen aan.

Die dit leest, weest wel bedacht, Hier valt niet te rijmen, dat men er om lacht, Als de bazen van het tij staan met tranen in de ogen, Of het er dan mooi staat bij. Maar dit vul ik toch aan in dit mijn klein gedicht, Daar was een diaken bij, die denkt nu om zijn plicht. Die gaat een weinig in die grote nood voorzien Daar hij hun door zijn ambt toch deze hulp kon bien. Hij sprak de vissers aan: Ik gaf u tot gerijf Dat vind ik mij verplicht, een gulden vier of vijf. Maar wees nu hier bedacht, dat als je gelden krijgt, Ik het dan weer verwacht. Dat was een trouwe daad, die hem zijn plicht deed weten. Nu alles van de boot en deze zaak vergeten? Wel neen, dat kan ik niet, Als ik maar hadde gaven, Daar het toch zo zelden is geschied Dat van de hele vissersvloot zo weinig zijn in de haven.

(begonnen door Meindert de Vries, verder gedaan door Jannetje Hoefnagel, van haar overleden moeder Jannetje R. de Vries)

Over wat er in 1872 gebeurde schreefook Albert Asma een ge¬ dicht: Het is kwalitatief beter. En ook hier volgt de toepas¬ sing:

163

Maar nu men is gered, Moet men nu niet bedenken Waarom toch ons de Heer Verlossing wilde schenken? Wie hier niet over denkt En onopmerkzaam is, Moet wachten voor de val Die erger is gewis. Want God bezoekt de mens Niet boven zijn vermogen, A1 is de nood op't hoogst, Dit ziet men voor onz’ ogen. En als nu dit geval Nog tot bekering leidt, Dan zouden d’ Engelen zelf Hierover zijn verblijd.

Dat er in dit soort gedichten zoveel beleerd werd, is te begrijpen, als bedacht wordt, dat het vrijheidsgevoel van de vissers soms de perken te buiten ging, alsofer geen wet en recht voor hen gold. Aan de Noordfriese kust werd dat gevoel aldus vertolkt:

Vrij is de visvangst, vrij is de jacht, vrij is de strandgang, vrij is de nacht, vrij is de zee, de wilde zee, vrij is de ree.

De vrijheid was de visser lief. Hij trotseerde er in het verleden de grootste gevaren voor. Er waren er maar weinigen die, als ze oud mochten worden, niet op een bewogen levensloop terug konden zien. Evert Weerstand, geboren in 1874, wist ervan te vertellen toen hij na zijn zestigste nog dorpsomroeper was.

”Hij was dit ook in de Duitse tijd en moest dus ook omroepen wat het Duitse gezag hem voorschreef. Maar het werd hem toch te gortig in de laatste oorlogswinter toen hem werd opgedragen om te roepen, dat al wie zich niet meldde zou wor¬ den doodgeschoten.... Hij werd dienstweigeraar en riep dit niet om.

Als jongen van 15 jaar maakte hij mee, op de schuit van vader

164

’’Schokker Jan", dat met storm weer het zeil achter de mast wegwaaide. En geen reserve-zeil aan boord. Wat te doen? De brede fok van het stag gesneden en deze fok achter de mast, zo konden ze tenminste voor de wind. Terschelling, daar de koers op aan lag, was echter niet meer te bezeilen. En ook Ameland niet. Dus op het gat tussen Ameland en Schiermonnikoog aan. Waar ze dan ook goed in kwamen, maar doordat met de fok achter de mast de schuit niet voldoende kon gereageerd worden, verdaagden ze tegen de wal van Schiermonnikoog op. Een behulpzame visser uit Wierum heeft hen toen in dezen nood bijgestaan en geholpen om op de rede van Paesens te komen. Daar kon toen weer een zeil worden gekocht en na vele dagen kwamen ze toch weer behouden thuis. Veel collega’s waren op het Vliestrand terecht gekomen en hadden de schuit verspeeld. Anderen hadden ook het leven er bij ingeschoten, zodat ze nog niet eens het slechtst af waren. Nog een andere onfortuinlijke reis was die, toen zij met slecht weer ten anker onder Ameland, waar men met eb droog viel, met opkomend water lek werden. Geen pompen noch scheppen met emmers hielp. Het water wies steeds meer en meer. De hele schuit ging er onder en al wat drijven kon, dreef weg. Tenslotte het water zo hoog, dat alleen de kop van de schuit nog enigszins boven bleef. Evert voer met zijn oudere broer en al een oude man, die voor derdeman aan boord was. Oude Andries zocht enigszins beschutting in de fok. Evert zijn broer kon het net bolwerken met de handen aan het stag. Evert zelf, die de jongste en sterkste was klom het stag in, naar de hommert van de mast. En zo werd die nacht doorgebracht. Toen het voorschip bij vallend water weer droog kwam liet Evert zich weer bij het stag neer glijden. Ook zijn broer had het overleefd, maar oude Andries was met de fok overboord gespoeld en omgekomen. 's Morgens toen het dag werd zijn Evert en zijn broer van het wrak gehaald door Tjalling Hoekstra. Andries werd nooit teruggevonden. ”

Zulke ervaringen noopten tot vertellen „onder 't klapskoel”, tot het verdichten ook. Het meeste ging verloren. Enkele berijmde verslagen van een wonderbare visvangst, een specta-

165

culaire redding of een overwintering in een vreemde haven bleven bewaard. We laten hier wat volgen.

Vier weken van huis

Tussen Nieuwjaar en Biddag van het jaar 1914 viste Hendrik de Vries (Hendrik van Tromp van Grote Riekelt) met zijn zeilbotter voor de Hollandse kust met wisselend resultaat. De knecht Jacob Hoefnagel maakte er een berijmd verslag van. I.

En zoo gingen wij dan mee, Met de UK 114 naar de Noordzee. Was ons eerst 'n beetje ontglipt, We zouden nu maar een stukje naar’t vuurschip. Maar dat duurde ons te lang, En ook voor de bries wat bang, Zoo gingen wij maar aan de kor, Maar vingen toch dien nacht geen lor.

Nu, die nacht liep weer voorbij; Onze buren lagen over de andere zij’, Toen kregen wij beroem, Dat wij waren gegaan. Maar „te laat” kan niet bestaan. Wij gingen dan weer zonder beduiden Naar de pieren van IJmuiden. En wie vonden wij daar? Het was Frederik van Urk, Die ons eerste lokte van Urk.

En daar lagen wij. Nu was Hendrik van heimwee niet vrij, En toen werd hij zoo onwennig, Dat hij werd temet onzinnig. Hij zei tegen zijn volk: „Wat is dat toch naar aan boord, Blijft’t zoo, dan spring ik over boord”. Nu was dat maar een zeggen; Hij ging bij het kacheltje liggen.

Alles zal 'k nu maar niet gaan noemen, Anders zou ’k op mij zelf gaan roemen, 166

Want het was mij wel goed, Ik had nog een beetje moed.

Nu, de eerste besomming die men dee, Was zeven gulden vijftig, Met het pufgeld mee, Toen kweken we zuur, Hoewel de visch was duur.

Wij zijn er toen weer uitgegaan, Maar het werd zoo stil.

Wij kregen vijftien gulden in’t geheel, Dat was de eerste week ons deel. We zeiden toen: „Hoe moet dat gaan? Daar kan geen schipper van bestaan!"

II.

De tweede week ging in met frisschen moed; Je weet wel hoe ’n goeie visscher doet. De eerste streek was ras gedaan, Maar die viel ook niet mee; En dat de eerste, die men dee! Zoo'n slechte vangst had 'k niet verwacht Je kunt wel denken, wat ik dacht.

Toen zeiden we per slot: „Om daarvoor te visschen is al te zot; En dat met zoo’n felle kou; Waren we maar gebleven bij onze vrouw. ”

We gingen't nu ’n beetje dieper wagen, En o, wat wij bij 't halen zagen, Dat viel ons heel wat mee: De scholletjes lagen wat dieper in zee. Toen kregen wij werkelijk moed; Nog een streek, die werd ook goed.

Nu was het weer morgen En er woei een harde wind. Wat nu gedaan?

Naar Scheveningen maar gegaan. En wat konden wij nu hooren?

168

Onze buren hadden het verloren. Wij maakten 25 gulden van dien nacht, We hadden het waarlijk niet gedacht.

's Morgens vroeg weer naar zee, En toen viel het aardig mee; We vingen in twee nachten tien kisten schol, Och, wij waren temet haast dol! Daar zouden wij mee naar de Maas, Maar nu bennen wij geen baas. Want wij werden toen belet: De Maas die was met ijs bezet. En wij deden toen maar wijs: Wij begaven ons niet in het ijs.

Maar wat nu gedaan? Naar Scheveningen dadelijk weer gegaan. Maar toen keken wij toch zuur, Er stond een enkel wit vuur: Dat was een sein van „even wachten", Toch zouden wij het maar betrachten.

Wij gingen er in, terstond, Maar liepen dadelijk aan den grond. Om 12 uur konden wij passeeren, En gingen de haven in laveeren. Zoo ging het mooi: We konden nu nog wat in de kooi. Want het vroor zoo stijf, Je werd koud met goeie kleeren aan je lijf.

De morgen brak weer aan: We zouden nu die vischjes af gaan slaan. We hadden ze vlug op de muur; Een jongen van Jacob Brands zei: „Ze is nogal duur. ” Wij brachten dan ook op, En ze werden afgeslagen.

Het liep ook niet in de war, Men nam eerst onze schar:

169

Drie gulden voor twee hoopjes, Dat voldoet en geeft je moed.

De besomming viel ons ook mee, Zoodat Hendrik zei: „'t Kan wel gebeuren, Dat wij een vijftig gulden beuren”.

Zoo was die week in het geheel, Met het percentengeld er af, Zeker 68 gulden wel ons deel. Wat konden we toen anders zeggen: ’t Is NU wel goed, dat we niet in de Urker haven liggen”

III

De derde week brak aan, We zouden weer naar zee, Maar dat viel ons voorwaar niet mee, De stormbal stond al op, Maar evenwel, we zetten onze zeiltjes op En gingen vlug en welgemoed naar zee, Al gingen onze buren niet met ons mee.

Wij waren aan het visschen, De heele nacht maar door. Zoo gingen wij's morgens weer halen, Het net stond aardig stijf, Maar't was niet van de visschen, 't Waren „dargen”, als 'k mij niet vergis.

Wij moesten vlug aan't scheppen En haastig onze handen reppen, Maar de scholletjes waren al dood; Doch wij zeiden: „Och, dat kan geen nood!”

Het viel ons toch nog mee, Al was’t niet van de visch Het weer bleef goed, Alleen een beetje mist. Zoo gingen wij verder visschen, De tweede nacht er bij.

Toen vingen wij wel niet veel,

170

Maar achteraf beschouwd, Toch wel ons deel. Maar ja, wat nu gedaan? De scholletjes zijn dood, We moesten naar de markt toe gaan.

We zeilden naar IJmuiden En maakten daar geen meer gespuis, Maar joegen dadelijk in de groote sluis; We moesten er echter vlug weer uit, We wisten zelf ook niet, wat dat beduidd'

Toch schrikten we niet af, Maar gingen op het kleine kolkje af. Toen werd het ons gezegd: „Er is nog te veel ijs En ook zoo'n dikke mist."

We gingen prakkizeeren, Om dadelijk terug te keeren, Zoo kwamen wij weer in de haven; Daar kwam Gnodde Om de puf aandraven. We losten zestien kisten in getal! Dat was zeker ook nog meeval.

Toen zei Hendrik: 't Kan mij niet schelen, We zullen't pufgeld maar verdelen. ” Wij waren daar wel mee content En beurden ieder honderd cent.

’s Morgens gingen wij in de afslag weer En zetten daar toen neer: Acht kisten in getal; Voor onze buren was't een groot geval Want zij hadden lang niet zooveel: Toen misgunden zij ons onze deel.

Zoo was dan de derde week ons deel 35 gulden in het geheel;

171

En't was ons zoo lief, We kregen ieder een brief!

IV.

De vierde week trad in, Wij gingen weer aan’t visschen, En och, het weer was goed, Wij vingen vlijtig visschen. Zoo passeerde een nacht of twee En onze vangst viel mee.

Wij waren dan ook blij En zeiden tot elkaar: „Het ijs gaat wel op zij.” Wij gingen prakkizeeren, Wat nu het beste was; Een streekje nog er bij, Kwam ons nog wel van pas. Maar onder die bedrijven, Keek Hendrik op't kompas En zei: „Wij kunnen het wel zeilen”.

We gingen dadelijk voort En liepen ongestoord, En't kwam voortreffelijk uit, We kregen de Pieren recht vooruit.

Zoo gingen we nu op de Stad af En alles liep voorwaar goed af. Een koopman kwam al vlug Een bood ons zestig gulden. We hadden daar niet van terug En wilden maar liever niet verkoopen.

Hendrik en ik gingen naar de Volendammers loopen En vroegen hen naar het ijs. Ze gaven ons goed gerucht; We sprongen haast in de lucht.

Maar’s morgens in de hal, Toen konden we dan hooren,

172

Dat de scholletjes de Joden wel bekoren. Hendrik kwam aan boord en zei: „ 'k Heb zeventig gulden gebeurd. ” Dat was zeker goed; Je kon het zien aan ons gemoed.

En toen er weer op los Om nog een nacht te visschen Dat ging ook naar den zin, A1 was de vangst wat min. Wij gingen langer visschen, En vingen dan dien dag Toch ook nog heel wat visschen.

De laatste nacht brak aan; We zouden nog een streekje doen En naar de wal toe gaan. Maar wat moest er toen nog gebeuren? We moesten ons korretje nog gaan scheuren, Nu waren wij niet op onze stee, En’t viel ons lang niet mee.

Zoo kwamen wij dan binnen, En waren niet van zinnen De visch nog af te slaan, Anders moesten we nog Zoo lang in de afslag staan, Want er lag al een groote hoop, En de visch was maar goedkoop. Zoo zouden we dan maar wachten, Want de loggers lagen met groote vrachten.

De Zondag afgewacht

Om 's Maandags te beginnen Wij wilden toen verkoopen, Maar die koopman liet ons loopen; En toen werden wij het zat En gingen dadelijk naar de stad, Toen duurde ons dat wat te lang, Wij zeilden naar binnen en dachten: „Zot, Onze visch moet zeker eerst verrot. ”

173

Zoo sloegen wij dan ’s Dinsdags af, En dat liep al weer heel goed af. Wij gingen weldra bespeuren, Dat we zestig gulden konden beuren; En daar zeventig gulden bij, Bereken dat maar eens op een lei. 125 gulden in getal; Een reuzeweek, wat een geval.

Wij maakten geen gespuis, Maar gingen vroolijk naar huis. Om Biddag te gaan houen En meteen naar onze vrouwen.

10 Februari 1914.

174
WUSKlttM

Het werk en de kerk

Het gedeelte van Psalm 107 dat gaat over hen die de zee bevaren en daar Gods wonderwerken zien, zowel in het wekken van de stormwind als in het bedaren ervan, wordt er werd op Urk graag gelezen en gezongen. Vooral ook in de kerk. Het luiden van de kerkklokken riep de in de begeerde haven geleide vissers als het ware toe: „Laat zulken eer bewijzen aan 's Heeren gunst en macht en al zijn wond’ren prijzen voor ’t menschelijk geslacht”. De visser bracht niet alleen zijn noden, maar ook zijn dankbaarheid in de kerk. En soms bood iemand het modelvan een schip waarop hij gevaren had aan de kerk aan. En zo kwamen op Urk in de kerkgebouwenheel wat schepen (vooral schuiten en botters) te staan en te hangen. Zo werd het werk wel heel duidelijk in de kerk gebracht, om zo te zeggen: voor Gods aangezicht. En daarmee werd ook de rijke symboliekvanvaren en vissen de kerk ingedragen en de bijbelse beeldspraak versterkt: het anker als teken van hoop, de gelijkenis van het visnet, de haven der behoudenis. Werk en Kerk werden op elkaar betrokken, Werk en Woord eveneens. Het „ora et labora" kreeg zo de voile betekenis en de algemene overtuiging vond uitdrukking in de veel gebruikte spreuk: „Aan des Heeren zegen is het al gelegen”; in de vorige eeuw ook op menige visschuit aangebracht. Dat deed op het eiland ook de behoefte gevoelen naast de zondagen nog een aparte biddag en ook dankdag jaarlijks te houden. Voor Urk een begrip. Tweede woensdag in februari: de vissermannen zijn thuis. De arbeid ligt stil, er zijn twee kerkdiensten. Er wordt gebeden voor de visserij en de arbeid in andere bedrijfstakken. Het is een traditie. Zo is het niet altijd geweest. Er werden in vroeger eeuwen wel biddagen gehouden, maar die werden uitgeschreven (landelijk, regionaal of plaatselijk) als er nood was: honger, oorlog, overstroming, pest. Kortom, als er grote gevaren waren ofdreigden. Werden ze afgewend, dan volgde menigmaal een dankdag. Ook de kerk van Urk kende voor het midden van de vorige eeuw al z’n

175

bede- en dankdagen, maar zonder vaste datum. Een paar voorbeelden.

In de notuelen van januari 1815 staat te lezen: 'Nadat de Avondmaalsplechtigheden en andere bid- en dankdagen bij ons in de beste order gevierd zijn, hebben wij dit jaar op zondagavond den 31 december met een plechtig dankuur gesloten’.

Op 2 december 1832: ’Volgens de begeerte van onzen geliefden vorst hielden wij heden ene plechtige bededag om Gods Zegen over ons en over ons volk en vaderland in de tegenwoordige omstandigheden af te smeken'.

Op 2 mei 1847 'Volgens besluit van onzen koning had heden een bededag plaats in de drukkende tijdsomstandigheden’. Hier betrof het duidelijk landelijk te houden biddagen. Wat Urk zelf betreft, op voorstel van ds. J.H. Schmidt werd in 1798 besloten eens per maand op zondagavond een particulier biduur te houden.

Precies een halve eeuw later stelde ds. Jacob Nentjes aan de kerkeraad van de Chr. Afgescheiden Gereformeerde gemeente voor een jaarlijkse biddag en idem dankdag voor de visserij te houden. Een biddag in het voorjaar, eer de vissers weer uitvaren, een dankdag in het najaar, als de vloot weerin de thuishaven is teruggekeerd om te overwinteren. Het voorstel werd aangenomen en meteen bekend gemaakt. De nood was in die dagen op Urk wel bijzonder groot. Niet alleen de winters waren voor de eilandbewoners vaak bar en boos, ook hete en droge zomers waren een kwelling wegens stagnerende inkomsten en watergebrek.

De zomer van 1849 was weer vol verschrikking, toen de chole¬ ra veel slachtoffers eiste. Daarom werd 10 augustus nog een speciale dankdag gehouden. De voorgenomen kerkbouw ging niet door. Elke woensdag werd het biduur herhaald tot in Sep¬ tember de ziekte geweken was.

De bid- en dankdagen voor de visserij zijntrouw gehouden; op de duur op een vaste datum: de tweede woensdag van februari en de laatste dag van het jaar, en door alle kerken. De bid¬ dag was bedoeld als een dag van inkeer enboete. Het was wel geen complete vastendag, maar men was nog soberder dan anders, en die soberheid kunnen wij ons niet eens meer voor-

176

stellen, verwend door weelde als wij zijn. Maar de kerk deed veel meer dan bidden voor de visserij en haar vele noden, deed meer dan in de prediking troost en bemoediging brengen. Als er scheepsrampen waren (en vaak ging er geen jaar zonder verlies aan leven en goederen voorbij) wachtte de kerkeraad een zware taak. Als er zekerheid was van een verlies kreeg de predikant het eerst bericht. Dan ging hij, vergezeld van een ouderling, „tinge” brengen aan de nabestaanden: een zeer moeilijke gang, die vroeg om trouw voortgezette pastorale zorg. Soms raakte een vrouw in een stormnacht haar man, zonen en bezitting kwijt en wachtte haar bittere armoede. Soms werden velen tegelijk in rouw gedompeld en stond ook de diakonie voor grote problemen. Dan bleek hoe sterk kerk en werk verstrengeld waren. In de kerkdiensten kreeg in rampjaren de rouwdracht de over¬ hand. Voortdurend moest voor hulp aan de slachtoffers gecollecteerd worden, niet alleen in de eigen gemeente, ook aan kerken waar men banden mee had, werd hulp gevraagd. En in het midden van de vorige eeuw begon het adverteren in landelijke dagbladen en kerkelijke periodieken om hulp in gro¬ te nood.

In de kerkelijke stukken is daar wel een en ander over te vinden.

Uit de notulen van de gemeente die uit de Afscheiding van 1836 voortkwamblijkto.m. datin 1847,1848,1850,1853,1855, 1862, 1863, 1864, 1865 hulp geboden moest worden bij verlies van schepen en opvarenden. Dan werd een collecte in de kerk toegestaan voor een nieuwe schuit, ofdoor diakenen een inzameling langs de huizen gehouden. Ook werd er geld op onderpand geleend. Advertenties werden geplaatst in o.m. het Algemeen Handelsblad, de Amsterdamsche Courant en de Bazuin. Als een gevraagde collecte werd afgewezen werd dat de kerkeraad niet in dank afgenomen en leden de onderlinge verhoudingen schade.

De rampen van 1868 en 1883 waren dramatisch van omvang en gevolgen. De storm van 26 april ’68 is nog merkbaar tot in de notulen van vijf jaar later. Vreemd is dat de ramp van 6 maart '83 pas na een halfjaar genoemd wordt, maar toen was een gevormde commissie zeer actief. Van ontvangen giften diende verantwoording te wor-

177

den afgelegd en de besteding van de gelden vroeg veel wijsheid en tact, omdat personen zich al gauw tekort gedaan voelden. Soms trad de kerk op als geldgever bij het verkrijgen van een hotter, of werd een attest verstrekt waarmee een visser zelf kon proberen enig geld te ontvangen bij vrienden en kennissen en relaties „aan de wal".

Intussen werd toch niet alleen naar het eigenleed gekeken. In 1863 was er medeleven (ook financieel) nadat op Urk zelfpas een hartroerend ongeluk had plaats gevonden met Middelharnis toen daar een vissloep was vergaan: 12 mannen verdronken, 9 weduwen, 18 wezen; en met Katwijk voor de bemanning van een bomschuit. In 1898 was er steun voor verongelukte vissers in Pernis.

Al deze rampen en steunaanvragers brachten de diakenen soms danig in verlegenheid. In 1870 bijvoorbeeld meldden zij een tekort door schaarsheid aan middelen. En telkens moest de kerkeraad ervoor waken niet in een geldelijk geschil verward te raken, zoals in 1876 toen de kerk betrokken raakte bij een „sjouw”.

Ook uit anderen hoofde werd duidelijk dat het kerkvolk vissersvolk was. In de vorige eeuw werd in de winter nog de beugvisserij op schelvis beoefend voor de Duitse kust. Dan waren vele weken lang alle vissers afwezig van huis en haard. Daardoor liep soms het geregelde kerkelijke leven in de war. Eind december 1870 (omeenvoorbeeldtenoemen) raakten de beugvissers en haringslepers „uitgevroren”, waardoor de dankdag onzeker werd. Met de biddag was het dat jaar ook al niet goed gegaan. Toen zaten er bij Urk negen schuiten in het ijs en was er zeer weinig volk in de kerk en 's middags zelfs „geen godsdienst”. Die opmerkelijke zaken deden zelfs de vraag opkomen bij de kerkeraad: „Is ons offer den Heere daarin wel welgevallig?" In juni 1881 was de ansjovisdrukte op de Zuiderzee zo groot dat er geen schuit te krijgen was om de Urker afgevaardigden naar de classicale vergadering te brengen. De dominee zou via Kampen en over Amsterdam de reis naar Hoorn moeten maken. Een ander probleem was het onderricht aan de zeevarende jeugd. De vraag was wie tussen de beide kerkdiensten op zondag de vissersjeugd catechetisch onderwijs zou kunnen geven, zonder afbreuk te doen aan de jongelingsvereniging die op de avond vergadering hield. Men werd het er in 1881 niet

178

over eens. Het was al een oude klacht dat de vissersjongens te weinig godsdienstig onderwijs ontvingen. Een andere klacht was, dat de vissers soms vele zondagen achtereen afwezig waren, wat niet alleen voor de gezinnen, maar ook voor kerkewerk zeer hinderlijk en ongewenst was. En telkens weer wa¬ ren er de verdrinkingsgevallen die gezinnen en de kerk onder druk zetten.

Maar het grootste probleem waar de kerkeraad mee worstelde was wel het oefenen vantucht als het ging om arbeid op de zondag of eerlijkheid bij het vinden van strandgoederen. In het midden van de vorige eeuw kwam het nog vaak voor dat vissers, door tegenslag van weer en wind, op de zondagmorgen vroeg, nog vis aan de markt brachten in Amsterdam of el¬ ders, en dan naar Urk zeilden. Daar heeft vooral ds. Nentjes fel tegen geageerd. Maar het was heel moeilijk. Bleef de hele zon¬ dag buiten schot, dan kon ook een groot deel van de zaterdag niet gewerkt worden. Telkens werden „sabbathschenders" vermaand en van het Avondmaal afgehouden en toch moest de kerkeraad met spijt vast stellen en „zuchtende belijden geen weg te zien of te kunnen daarstellen tot verbetering”. Een enkele keer zat de kerkeraad verlegen als het om de zondagsheiliging ging. Dat gebeurde als de gestelde regels massaal werden overtreden, wanneer er bijvoorbeeld schuiten in het ijs zaten. In januari 1891 kwamen meer dan honderd mensen op zondag over het ijs van Schokland naar Urk lopen. Er werd over getwist of dat wel door de beugel kon. In elk geval volgde er na deliberatie geen bestraffing. Ook tegen het bergen en verkopen van goederen buiten de strandvoogd om werd streng opgetreden, hoe onrechtvaardig het soms leek dat mensen die met levensgevaar een voordeeltje bemachtigden, dat gewin in de ambtelijke molens zagen verdwijnen. En ook werd de kerkeraad dan nog gemengd in de twisten die uit een sjouw soms voortkwamen. Werk en Kerk, het gaf spanningen, vaak en veel, maar op den duur werden toch misstanden overwonnen of ingedamd door trouwe prediking en onafgebroken pastorale zorg. Intussen bleef de armoede in brede lagen van het vissersvolk zeer groot. Soms konden de diakenen de Paasrondgang niet houden wegens de geringe verdiensten, zoals in 1887. In 1855

179

was er twee keer per week openbare verdeling van brood, gort, aardappelen en turf en werden er geen briefjes meer door de diakonie afgegeven om iets in een winkel te halen. Ook de doker klopte bij de kerk aan om rekeningetjes betaald te krijgen. Beschamend was, dat als het om hulpverlening ging, de Hervormde en de Afgescheiden gemeente aanvankelijk niet alleen gescheiden, maar ook elkaar bestrijdend adverteerden voor het verkrijgen van giften om althans de grootste nood te lenigen. Dat was o.m. het geval in 1853 en 1867. Bij de ontzettende ramp van 1883 werd er althansd door leden van de beide gemeenten gezamenlijk geopereerd. En nog steeds zijn de Urker kerken nauw bij de visserij en haar problemen betrokken. De schepen in de gebouwen zijn nog altijd een veelzeggend teken.

180

Schip in de kerk.

Een nog levende traditie op Urk

In enige tientallen Nederlandse kerkgebouwen hangen scheepsmodellen; in totaal zo'n zeventig scheepjes. In geen enkele plaats hanger er zoveel als op het voormalige eiland Urk. Geen enkel land evenwel heeft er zoveel als Denemarken (ongeveer duizend); maar ook de andere Scandinavische landen mogen er zijn. Sommige van die zogenaamde kerkscheepjes zijn al enige eeuwen oud, andere dateren uit deze tijd. Het maken en ophangen van scheepsmodellen kwam bij zeevarende volken vrij veel voor. Men zette ze op een kast ofhing ze aan de zoldering van de huiskamer. Ook in gebouwen die wat met de zeevaart of de visserij te maken hadden, waren ze aan te treffen. En van vergaderzaal naar kerkzaal was niet zo’n grote stap. Reeds in de oudheid werden fraaie voorwerpen aan tempels, en later ook aan kerken, geschonken, bijvoorbeeld als dank voor een redding uit grote gevaren of een wonderbaarlijke genezing, een votiefgeschenk dus. Schippersgilden hingen scheepsmodellen in de door en voor hen gestichte kapellen. Ze vielen niet ten offer aan de beeldenstorm en mochten het kerkinterieur blijven verfraaien. Toch raakte na de Reformatie het versieren van kerkgebouwen met scheepjes in verval, tot er een oplevering kwam, het eerst in Denemarken en daarna ook in andere Scandinavische landen. De heer Van der Poel, die over deze materie een gedegen studie schreef, zegt over ons land het volgende: „Gedurende de 19e eeuw scheen ook in ons land de traditie langzam uit te sterven, maar in de 20e eeuw is zij weer springlevend. Ofschoon ook in andere plaatsen recente modellen in de kerken aanwezig zijn, neemt Urk toch wel een zeer bijzondere positie in. Niet alleen omdat alle protestantse kerken op Urk een scheepsmodel bezitten, maar ook omdat de meeste van deze modellen na de Tweede Wereldoorlog geschonken zijn. Men kan daar van een herleefde traditie spreken. Een

181
Scheepsmodellen in het ‘Keikje aan de Zee’.

scheepsmodel is op Urk sinds kort als t ware eenvast inventarisstuk in alle protestantse kerkgebouwen geworden”. Inderdaad: in een Urker kerk hoort een scheepje te zijn, en enig verband met een bepaalde gebeurtenis op zee, zoals vroeger wel het geval was, is er niet meer. Een schip in het interieur van een rooms-katholieke kerk blijkt een uitzondering te zijn. (Volendam). Het aanbieden van een scheepsmodel aan een kerk te onzent gaat niet met een bijzonder ceremonieel gepaard, zoals bijvoorbeeld in Denemarken, waar het een feestelijke aangelegenheid werd. Belangwekkend is uiteraard de vraag waarom personen een scheepje voor het kerkinterieur aanboden. Ging het oorspronkelijk om een gift uit grote dankbaarheid voor redding uit gevaar, of om een wonderbaarlijke gebeurtenis in herinnering te houden, op de duur werd het een traditie een schip in de kerk te hangen. Het scheepsmodel ging behoren tot de aankleding van het interieur. De kerkgangers kregen het gevoel: zo hoort het bij ons. Een nieuw gebouwde kerk werd ”kaal” gevonden als er geen schip in de kerk hing. En dan duurde het niet zo lang of iemand, of een groep, nam het initiatief dat leidde tot het aanbieden van een nieuw schip voor de nieuwe kerk. Waren de nieuwe gebouwen het gevolg van kerksplitsingen of uittredingen, dan kon nog de gedachte meespelen van het-in-geen-enkel-opzicht-voor-elkaaronder-doen.

Bij het geven van een scheepsmodel zal niet gauw met zoveel woorden gezegd worden, dat het gebeurt ,,ter ere Gods . Toch spelen wel degelijk godsdienstige gevoelens mee. Het varen is altijd een gevaarlijk bedrijf geweest. De vissers wisten het : „Wat heden is in stand, ligt morgen in de vloed”, en „Aan's Heren zegen is het al gelegen”. En daarom ook brachten en brengen ze op de zondag de noden van het dagelijkse werk in de kerk. Het schip boven hun hoofden is het symbool van hun arbeid. De steven is gericht naar het Woord. Zo moet het leven daarop afgestemd zijn. Immers: „De mens is als een schip, de wereld is de zee, de Bijbelhet kompas, de hemelis de zee”, zoals wel op de vissersscheepjes geschreven stond.

Nu is er ook een kerk op Urk, waar het schip als het ware van de kansel afvaart. En ook dit laat zich natuurlijk wel vergeestelijken: leven uit het Woord, de wereld in.

183
Bouwer van kerkscheepjes Jan Koffeman. ModelbouweiJelle Loosman Lzn., Enschede.

Zoals gezegd, in elke Urker kerk hangt een schip. Van de modellen die na de oorlog gemaakt en aangeboden zijn is de geschiedenis wel te achterhalen. Bij de scheepjes uit de vorige eeuw is dat al veel moeilijker. Op drie kerkscheepjes gaan we hier nader in.

In de oude Hervormde kerk, „het Kerkje aan de Zee", gebouwd, althans geheel herbouwd in 1786, zijn twee schepen aanwezig. We beschrijven het eerste: Het model van een driemaster, een hangend blokmodel, l.o.a. 84 cm, 36 kanonnen. Aan weerszijden van de groen en rood geschilderde spiegel staat een gouden leeuw. Het schegbeeld stelt ook een leeuw voor. Uit de kajuitpoorten steken de stukken geschut naar buiten. „Het verhaal gaat (we citeren S.J. van der Molen), dat in de Franse tijd Jaap Teunis en zijn maat Arie Jans bij Tessel visten. Zij werden door een Engelse man of war gevangen genomen, waarbij hun vissersschip werd buitgemaakt. Maar het sloeg los en ging verloren. De beide Urkers werden ondervraagd over stromingen en banken, maar zij zwegen. Enkele maanden gingen voorbij tot Arie Jans kans zag over boord te springen en naar de kust te zwemmen. Jaap Teunis werdlater in vrijheid gesteld en naar de wal geroeid. Hij liep naar Nieuwediep, waar toen ook Urkers lagen. In 1811 werd hem de familienaam Woord gegeven „omdat hij zijn woord gehouden had en tegenover de Engelsen zijn land niet verraden had". Jaap Teunis bouwde het model van het schip en gaf het aan de kerk ten geschenke. Maar ja, de naam van het scheepsmodel is: „ 't Schip Spitsber¬ gen”. Het is moeilijk aan te nemen dat het Engelse oorlogsschip zo geheten heeft. Nu zijn er in’t verleden Nederlandse schepen geweest die onder die naam gevaren hebben. In 1639 was Dirk Albertsz. Ra¬ ven van Hoorn commandeur van een Groenlandvaarder onder die naam. Het verging bij Spitsbergen in storm en ijs. Op 24 mei werden de overlevenden van het wrak gehaald door de Harlinger commandeur Gale Hamkes van de walvisvaarder „De Oranjeboom". Ze kwamen in het vaderland terug. Dan rijst de vraag: Kan een opvarende en geredde van het eiland Urk uit dankbaarheid toen een scheepsmodel gemaakt en aangeboden hebben? Maar dan is er een nieuwe moeilijkheid, ,,'t Schip Spitsbergen” was blijkbaar geen oorlogsschip. Nu

185
ModelbouwerKlaas Romkes toont model aan Klaas van Dokkum. ModelbouwerJelle Loosman (van Dientjen).

zegt de Engelsman: „What is in a name?”

En dr. Van der Poel beschrijft op biz. 25 hoe vreemd het met namen kan gaan. Een voorbeeld: „Een modelbouwer deelde mij mee, dat hij een model van eenvissersschip gebouwd had, dat hij van een willekeurig registratienummer had voorzien. Enige tijd later kocht een kerkvoogd dit model voor zijn kerk aan. Op verzoek van deze kerkvoogd werd het registratie¬ nummer nu veranderd in dat van een schip, waarop een familielid van de kerkvoogd gevaren had! ” Zo zou je kunnen veronderstellen, dat bij het verloren gaan van een oud scheepsmodel, de naam, uit gevoel voor de traditie weer op het nieuwe schip werd aangebracht, al was dat dan ook heel anders van model.

In de gereformeerde Bethelkerk hangt een vissersschuit, spantmodel l.o.s. 99 cm, 1860. Het model draagt het registra¬ tienummer UK 34 en stelt een Noordzeeschokker voor (gedekt model). Het is o.m. uitgerust met eenboomkor. Het is gemaakt door Jelle A. Loosman (t 1927) te Urk, (eerst visser en later dorpsomroeper) en door hem op 18-jarige leeftijd aan de kerk geschonken ter gelegenheid van zijn geloofsbelijdenis. Aan de onderzijde van het vooronderluik bevindt zich een briefje, waarop staat: J.A. Loosman in 1860, vernieuwd door G. Ekkelenkamp 1950”. Deze laatste vernieuwde de tuigage en enkele gangen. In 1981, bij de kerkrestauratie, kreeg het schip opnieuw een opknapbeurt, nu uitgevoerd door A. Hakvoort en Jan Koffeman.

De masthoogte van het eiken scheepje is 110 cm, de breedte bij de mast 35 cm, de holte aldaar 14 cm en de totale lengte van fok tot helmstok 146 cm. Het „zeilt" met vol tuig: kluiffok, fok, zeil en bezaan. Ook in de Petrakerk hangt een vissersschip; een hotter, die het registratienummer draagt van Urks laatste zeilbotter, de UK 89, die het eigendom was van Jelle Hakvoort. Het werd tijdens de oorlog gebouwd door de Urker timmerman Jelle Loosman, kleinzoonvan de eerder genoemde dorps¬ omroeper en door hem aan de bouwcommissie verkocht in 1955. Hij had er tussen de 400 en 500 uren aan gespandeerd.

In nog een tiental andere kerkgebouwen op Urk staan of hangen eveneens modellenvan vissersscheepjes envan elk is wel wat te vertellen. Enige zijn gebouwd door de reeds eerder ge¬ noemde Jan Koffeman.

187

In een Urker kerk hoort een scheepje. Zo is het inderdaad. Die scheepjes houden, als beeld van het leven, de vergankelijkheid daarvan in herinnering. Het is een dunne en broze wand die van het doodswater scheidt. Ze houden ook in herinnering hoe mannen daarop hun leven riskeerden en hoevelen er in zee „gebleven” zijn. Geraadpleegd werden een artikel van S.J. van der Molen over een levende zeemanstraditie in „Neerlands Volksleven, 17e jaargang, nr. 4, biz. 294-298, en het boekje van dr. J.M.G. van der Poel: Scheepsmodellen in Nederlandse kerken. Uit het Peperhuis, jaargang 1974, nr. 3, 90 biz. met een uitgebreide literatuuropgave.

188
„De vangst was goed!

Van Vis, Vishandel en Visverwerking Voorheen

Wat L.J. Kramer er over schreef

„Te alien tijde zijn er al mensen geweest, die probeerden de bestaande wetten te ontduiken om zich op een ongeoorloofde manier ten koste van anderen te bevoordelen. Vooral in het verhandelen van kostbare artikelen kwam en komt dit het meest voor. Maar ook met minder kostbare artikelen was in de handel wel wat te doen, de mens is van nature ’’hebberig" aangelegd. En wat men met praten kan verdienen is het eerst meegenomen. Dat deze praktijken al zo oud zijn als het mensdom wordt bewezen door de waarschuwingen aan het volk Israel in dit opzicht gegeven. Reeds in de wetgeving van Mozes staat: Levi¬ ticus 19:35 "Gij zult geen onrecht doen in het gericht, met el, met het gewicht of met de maat. Gij zult een rechte waag (weegschaal) hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, een rechte hin. (inhoudsmaten). En, ommaarniet meerte noemen: Spreuken 20:10. "Tweeerlei weegsteen, tweeerlei efa is den Heere een gruwel, ja die beide.” En ook de verkoper wordt aangemaand een goede, neergedrukte en overlopende maat te geven; dit betrofvooral de meting van het koren. Vis was voorheen, tot het beginvan deze eeuw, in ons land en vele andere een zeer belangrijk voedingsmiddel vooral voor de volksklassen met weinig inkomen. Het was vooral in tijden van misgewas, men denke aan het mislukken van de aardappeloogsten tussen 1840 en '50, als goedkoop en goed voedsel onontbeerlijk. Vlees was duur enhet gebruik beperkte zich als regel tot een of geen keer per week. Vooral bij de grote steden waren er dan ook de visafslagen, waar iedere burger zijn ei¬ gen zootje kon inkopen. Bovendien waren er de viswinkels waar men terecht kon.

189

Reeds in 1594 was er een afslag voor verse vis in Maassluis. Met de gezouten vis, die door rederij-schepen werd aangevoerd, was het niet erg, als de vis niet werd verkocht in een keer. Deze kon worden opgeslagen en vaak waren de reders ook kopers, zoals nu ook nog wel, die hun vis uit de markt namen bij onvoldoende opbrengst. De kleine visserman echter zat juist met ditprobleem. Hij moest zijnvangst kwijt tegen elke prijs, als hij aan de markt kwam. Hoogstens kon hij een dag wachten, maar dan moest het ook weg. Vandaar, dat vissers die ver van een centrale vismarkt hun thuishaven hadden (o.a. in de vorige eeuw de vissers van Groningen en Friesland) hun vis wel vaak op zee reeds verkochten aan Engelse opkopers. Dit ging dan bij het getal. Soms voor het groot-honderd schelvissen is: 104 stuks / 2,50 / 3,00. Terwijl de Urkers, die veel korter bij een centrale markt konden komen, vaak / 15,00 / 20,00 voor het groot-honderd maakten. Op de Zuiderzee verloor langzamerhand Monnickendam haar centrale positie als aanvoerhaven van Zuiderzeeharing. Wel had het vele eeuwen geduurd eer het zover was. Maar meer vrijheid op dit gebied brak zich toch langza¬ merhand baan.

Vele Huizer kooplieden legden zich toen toe, na 1850, op het kopen van haring en vooral ook bot op zee. Ze waren kenbaar aan een grote vlag onder de wimpel. Voor de vissers was het ook echt handig. Het bespaarde hun het naar de markt zeilen, en aan de meeste afslagen werden rechten geheven, die de verkopers op zee dus ook niet hadden. Alleen Kampen had in die tijd een visafslag, waar alleen het geld voor de omroeper moest worden betaald. Het rijke Kampen kon zich de weelde wel permitteren het buiten de retributie van de vissers te kunnen stellen. Bovendien, er waren in die periode slechts weinig visafslagen rond de kom der Zuiderzee.

Het tot stand komen van deze visafslagen heeft prijsstimulerend gewerkt, want de veilplicht kwam er ook bij, zodat alle aangevoerde vis in de bepaalde havens ten verkoop moest worden aangeboden. Voor IJmuiden als marktplaats voor vis opkwam en al gauw met kisten kwam, waarin de vis moest worden uitgestald, aleer deze kon worden verkocht, had men uiteenlopend materiaal waarin de vis moest worden geteld of gewogen. Met dat tellen ging het ook al niet te serieus. Enkele

190

plaatsen ontleenden bij de vissers hun naam aan het 50 kg-gewicht. Dit betekende, dat in die plaatsen moest gerekend met veel nat gewicht. Er kon ook met de weegschalen en de gewichten worden geknoeid. De wet op de ijk en herijk was en is niet overbodig.

Het tellen van haring, onder toezicht van beedigde tellers ging aan de afslagen rond de Zuiderzee altijd heel serieus. Een tal was een tal. Er werd geteld tot 50 worp (4 haringen was een worp) en erwerd niets toegegeven. Anders was het, als er overvloed van haring was en de prijs laag was. Dan werd er vaak gemeten per mand, ook om vlug lossen te bevorderen. A1 spoedig kwamen in deze Gemeente-visafslagen, in navolging van de tuinbouwveilingen, de elektrische mijntoestellen in gebruik. Dit was ook een goede vooruitgang, want het sloot persoonlijke bevoordeling of willekeur van de afslagers geheel uit. In navolging van het gebruik in Engeland, waar houten kisten van ongeveer 30 kg. in gebruik waren, werd ook in IJmuiden eerst van kisten van ongeveer deze inhoud gebruik gemaakt. Later werden dit kisten met dubbele inhoud, bij de kustvisser dan ook eerst genoemd dubbele kisten. Deze kisten moesten een minimuminhoud van 50 kg. hebben, plus het gebruikelijk overwicht, dat voor niet dure platvissoorten meestal 4-5 kg. bedroeg. Voor duurdere soorten, zoals tong werd ook minder overwicht berekend, dat zat in de regel wel goed.

Maar met de massavis was het vaak een grote willekeur. Want de kisten werden in vierkante of langwerpige blokken neergezet en als een blok van 16 kisten vol was, werd er vaak zoveel bovenop gegooid, tot de vis er nog net niet afliep. Maar dan was het ook al ver boven de 54-55 kg. en kon het soms oplopen tot 70 kg. per kist. Met de Deense snurrevaarders is dit vaak het geval geweest als zij hun schar te IJmuiden losten. Men moet de hopen schar op de kisten hebben gezien om het te geloven. Prompt staat er echter in de officiele marktberichten: Schar per 50 kg. zoveel. Met de haring was het idem. De vissers bemerkten dit pas het beste toen zij hun haring in Breskens gingen lossen, waar de haring na lossing in de auto op de weegbrug werd gewogen. Toen zij daarna in IJmuiden kwamen viel het grote verschil in het oog. Er werd in dergelijke havens, waar deze misbruiken van veel overwicht altijd voorkwamen, altijd zo geredeneerd: ”De koopman ziet wel

191
Oude vismarkt in Amsterdam.

wat hij koopt, hij betaalt er ook naar. ” Maar het nadeel is meest voor de aanvoerder, die de dupe van dergelijke praktijken is. Waarom geen vast systeem op dit gebied over het gehele land? In Esbjerg zagen wij een kustvisser zijn vis aan land zetten, maar de weegschaal stond al op de kant. De vis werd meteen gewogen. Uiteenlopende belangen zijn de oorzaken van de misbruiken. Maar zowel de aanvoerder als de koper moet weten waar hij op rekenen kan. Aan een ieder moet recht gedaan en de directeuren van de visafslagen hebben dit voor een groot deel in de hand en er dient tevens geregeld controle te wezen.

Het is niet altoos zo geweest, dat de visser als hij zijn vangst wou verkopen, in de haven waar hij terecht kwam een visafslag vond. Vaak moest aan particulieren, die zich op de vishandel hadden toegelegd, de vis worden verkocht. Op de Noordzee is het ook nog zo geweest, dat handelaars op zee de vis overnamen. Het was aan de ene kant gemakkelijk, anderzijds waren er grote nadelen aan dit systeem verbonden. In het begin van deze eeuw was het op de Zuiderzee ook nog vaak het geval, dat men de z.g. koopschuiten, met de vlag in top als herkenningsteken, als viskoper kon zien rondzeilen. In de laatste wereldoorlog is dit ook nog het geval geweest. Kopers van haring ofbot waren in gewone tijdenop de Zuiderzee een heel gewoon verschijnsel. En hoe korter deze koopschui¬ ten dan bij de wal opereerden, hoe minder gevaar was er, dat zij van de onwetendheid aangaande de aan de wal te maken prijs misbruik maakten.

Regel was echter voorheen, dat't zij te Nieuwediep of in IJmuiden, toen het pas als visserijplaats opkwam, de kopers aan boord kwamen en begonnen te bieden. In Enkhuizen was het ook zo en het Enkhuizer wichtje is nog berucht. Op den duur beviel dit stelsel van vrije verkoop toch niet en vooral in het begin van deze eeuw zijn overalvisafslagen gesticht en la¬ ter is de veilplicht er bij gekomen. Als men nu met vis in een haven komt, Nederlandse haven althans, dan is men verplicht deze te laten veilen. Deze maatregelen zijn alle genomenvoor¬ al in het belangvan de visser, om de misbruiken tegen te gaan en de vrije concurrentie te bevorderen. Van Gemeentewege werd in 1912 te Enkhuizen een afslag gesticht, Harderwijk 1913, Vollenhove 1915, Lemmer 1917. Wieringen kreeg in

193

1912 een cooperatieve visafslag. Urk had reeds in 1905 een Gemeentelijke visafslag gekregen. De visafslagen rond de Zuiderzee bewezen meestal terstond na de oprichting hun nut door de betere prijzen die de vissers voorhun waar ontvingen. De vissers van Urk, en vooral de IJsselmeervissers hebben de laatste tientallenjaren veelte maken gehad met de vis¬ afslag te Enkhuizen. Er waren veel IJsselmeervissers met Urk als thuishaven, die hun paling als regel te Enkhuizen aan de markt brachten. De visgrond voor de paling lag dan zeer kort bij. Over 't algemeen was het in verschillende jaren voordelig om te Enkhuizen te verkopen. Later is dit wel ten gunste van Urk veranderd omdat de prijs van het nest toen begon mee te spreken. De visserij heeft ook altijd te maken gehad met keurmeesters. De waar (vis) is betrekkelijk vlug aan bederfonderhevig. En allerwege zijn er dan ook door de overheid aangestelde mensen, die toezien dat ondeugdelijke waar niet in de handel komt. Uiteraard is dat bij de Urker vissers als regel niet nodig geweest. De vis die werd aangebracht was als regel levend of zeer vers. Ide Snoek, die tot aan zijn pensionering in Amster¬ dam dienst deed als keurmeester van vis, en daarvoor te Lei¬ den, heeft dan ook van zijn plaatsgenoten geen vis behoeven af te keuren als zij hun vangsten voorheen te Amsterdam losten. ”

194

Het prille begin van de visverwerkende industrie

Hebben de bewoners van het eiland Urk zich al vele eeuwen met de visvangst op de Zuiderzee en ook op de Wadden- en Noordzee bezig gehouden, de vishandel en visverwerking heeft nog niet zo'n lange geschiedenis. De vissers brachten hun vangsten in bereikbare plaatsen langs de kust, zoals Am¬ sterdam, Huizen, Monnickendam en Enkhuizen ofverkochten reeds op zee haring en ansjovis aan handelaars die met een schip met de vlag in top zich bij de vissende vloot vertoonden. Urker senioren herinneren zich nog wel de haringrokerij van Lichtendahl die alleen in het seizoen in bedrijf was. Verder waren er langs de haven ansjoviszouterijtjes en/of garnalenkokerijtjes van Gerrit Snoek, Albert Hakvoort, Douwe Gnodde, Jan en Piet Brouwer, Pieter Keuter, Klaas Hessel van Urk, Meindert Kramer en Klaas Hakvoort. Voor de meesten van hen waren het seizoen- en nevenbedrijven, naast alles wat ze daarbij en daarbuiten deden. Haring en ansjovis lieten zich niet altijd in voldoende mate vangen om er lonend mee te kunnen handelen. Tot de grootste en oudste ondernemingen op dit terrein behoorde de firma Bakker en Gerssen. Daarover deelde ons mevrouw Schrijver-Bakker het volgende mee.

In het voorjaar van 1882 kwamen P. de Rook van Lemmer en Jacob ten Napel te Urk overeen, om voor gezamenlijke rekening ansjovis te zouten op voorwaarde dat De Rook zijn zouterij te Lemmer beschikbaar stelde en voor zijn risico netten aan de vissers verstrekte.

Ten Napel zou dan een vierde deel van de nettowinst genieten. Op die wijze is door hen tot 1890 gezouten, het befaamde ansjovisjaar. Van toen aan genoot Ten Napel een derde deel van de winst, maar moest het risico voor het afgeven van netten aan Urker vissers mede voor zijn rekening nemen. Dat betrof wat op Urk geschiedde, maar wat te Lemmer werd afge-

195

nomen hield De Rook voor zijn rekening. De zouterijen die toen op Urk in 1886 en 1891 werden gebouwd, zijn door ieder voor de helft betaald en behoorden dus ook aan ieder voor de helft. Vanaf 1891 tot en met 1905 is er door hen op die wijze gezouten. Van al wat er gezouten is, zo te Workum, Hindeloopen, Lemmer en Urk, daarvan ontving Ten Napel een derde deel. Voor de zouterij die doorDe Rook in 1899 te Hindeloopenis ge¬ bouwd, werd huur berekend, maar de zouterijen te Lemmer zijn zonder vergoeding in gebruik gegeven. De zouterijen op Urk, door beide deelhebbers voor de helft betaald, werden ook door ieder voor de helft onderhouden en zo ging het eveneens met de grondbelasting, de brandverzekering e.d. De ansjovisankers werden door De Rook betaald en zoveelvoi¬ le er afgeleverd werden, zoveel lege werden onder de uitgaven in rekening gebracht. Het afgeven van netten gebeurde tot 1898 gezamenlijk, maar daarna op Urk door Ten Napel alleen.

In 1906 is deze wijze van zouten door beiden geheel veranderd. Van de zouterij op Urk bleven beiden nog de eigenaars maar van de netto verdiensten zou Ten Napel tweederde genieten, en zo ook als er verlies zou optreden. De totale verdienste bedroeg in 1906 op Urk 3800 gulden. Dit volgens notitie van De Rook in november van dat jaar.

Om een indruk te geven van wat er in de ansjoviszouterij omging citeren we uit het verslag van 1909 en 1910 het volgende: Te Urk werden in dat jaar ingezouten 2054654 stuks ansjovis. Er werden 774 V2 ankers mee volgelegd. Aan het Zuiderzeeveem te Amsterdam werden 709 ankers afgeleverd, waarop voor te weinig vis in de ankers er 12 werden toegegeven. Ook waren er nog ankers op Urk in een bak. In totaal kwamen er 761 ankers van 60 pond en 2700 stuks ansjovis per anker. Van de 697 houdbare ankers die aan het veem werden afgele¬ verd werden er reeds 650 verkocht. In de zomer verkocht H. van Gulik te Blokzijl aan F. Klerenhusen te Bremen 25 ankers ansjovis, maar moest die zolang nog bewaren. Dat gebeurde toen te Urk tegen hetzelfde bewaarloon dat het veem vroeg, d.w.z. 7 V2 cent per maand. Aan het Zuiderzeeveem moest 90 cent per jaar liggeld per an¬ ker worden betaald, plus 10 cent voor opslag en afleveren.

196
Lichtendhal en pezsoneel voor de haiinghang. Haringlossen.

Een anker ansjovis bracht op 8 juli 1910 54 gulden op. De prijzen schommelden nogal.

De Rook weet de slechte uitkomst van de zouterij in 1910 hoofdzakelijk aan de grote hoeveelheid ansjovis per anker. Voor de netto 60 pond waren 3182 stuks nodig en de gemiddelde hoeveelheid van de commissie die de prijs bepaalde was 2937, alzo te Urk 245 stuks teveel, dat is naar de gemiddelde prijs per anker / 4,40 teveel. Er waren 40 ankers afgeleverd, waarvan 2 gespoeld op 56 lh en 57 pond en 26 op 58 en 59 pond. Dat was misschien ongelukkig getroffen. Evenwel ging er dit jaar veel vis te Urk in.

In 1912 waren erop Urkll ansjoviszouterijen, 8 taanderijen, 3 scheepswerven, 6 smeden, 5 mast-, pomp- en blokmakers, 1 kuiper en 1 ijsleverancier. In die bedrijvf n werkten toen 175 volwassenen en 16 kinderen, een aantal dat inhet seizoen nog met wel 150 vrouwen en kinderen werd aangevuld. (Drs. J. v. Slooten, biz. 15)

Jacob ten Napel overleed in 1912, De Rook enige jaren later. Ten Napel gaf samen met Ide Koffeman en de steun van anderen de stoot tot de oprichting van een visafslag op Urk. Die kwam er in 1905.

Jacob ten Napel en zijn broer Flip, afkomstig uit Vollenhove, hadden jarenlang de onderhoudswerkzaamheden aan de zeeweringenvan Schokland en Urk. Er werdtelkens voor drie jaar gegund. Het werk werd in de zomermaanden uitgevoerd en zo was er gelegenheid voor de broers om zich in het voorjaar met de haring- en ansjovishandel bezig te houden. Jentje ten Napel trouwde in 1914 met Jaap Bakker en zo kwam deze in het bedrijf. Hij deed samen met Harm Gerssen de onder¬ houdswerkzaamheden op Urk en richtte met hem de vishandel Bakker en Gerssen op. En daarmee komen we op de vismeelfabriek.

De ansjovishandel speelde zich af in de maanden mei, juni en juli. Ookvissers uit Lemmer lostenvaak Runvangst op Urk. De prijzen varieerden wel van 5 tot 10 gulden ofmeer per duizend stuks. Met de kuil gevangen ansjovis was goedkoper dan die uit de staande netten. Er werd ook in span gevist. De bootdienst kwam goed van pas. Ankers, manden en zout werden aangevoerd met de „Minister Havelaar” en gevulde ankers zo ook wel verscheept via Enkhuizen. Een eiken ansjo-

198

visanker koste in 1931 / 1,65. Het eiland-zijn van Urk was een belemmering. In 1879 waren in Monnickendam al visrokerijen en ansjoviszouterijen opgericht. Kort voor 1890 was er ook enige handel op Urk, maar vooral na het rijke ansjovisjaar 1890 bloeiden de zouterijen op.

De bank van de Wed. S. Lakenman en zoon te Enkhuizen was de bekendste bank op Urk. Het faillissement betekende voor velen een hard gelag. De crisistijd bracht in dezen veel narigheid.

De vishandel kende veel ups en downs. Dat ervoeren ook de handelaren op Urk. De firma Bakker en Gerssen oefenden sedert 1917 het bedrijf van aannemers uit en van vishandel, het roken en zouten van vis inbegrepen. Jarenlang was dit bedrijf het grootste op het eiland. De firma had een eigen rokerij en zouterij naast het afslaggebouw. Tevens had de firma een moderne vismeelfabriek in eigendom.

In 1930 zoutte de firmavoor eigen rekening 9000 ankers ansjovis in en in 1931 8000. Maar toen zette een grote achteruitgang in. De ansjovisprijzen kelderden en velen, waaronder genoemde firma, werden ernstig gedupeerd. De opgeslagen vis kon niet worden verkocht en de veem- en andere kosten verteerden niet alleen de winst, maar ook het kapitaal, met als gevolg dat de firma bezittingen moest verkopen om faillissement te voorkomen. Omdat de vishandel in de crisistijd weinig winstgevend was, legde de firma die vishandel en -verwerking tijdelijk stil en hield zich volop bezig met de andere tak van het dubbele be¬ drijf, het aannemen van Rijkswerk aan zeeweringen. De heer Gerssen overleed in 1938 en in dat en het volgende jaar werd geen verse vis aan de afslag gekocht. Toen na de ontbinding van de firma, de heer J. Bakker in 1945 opnieuw een vergunning om vis te kopen en te roken probeerde te krijgen, waren die twee jaren van stilstand hem noodlottig, hoewel er nog wel door de firma gekochte en verwerkte vis was verkocht tot 1941 toe. De bestaande zouterij en rokerij kon hij door het niet verkrijgen van de vergunning niet zelf gebruiken. Hij verhuurde de gebouwen aan anderen, wat niet zoveel opleverde, en mocht hoewel hij meer dan twintig jaar toch wel de grootste koper en verwerker was, slechts toekijken. Ook het koken en pellen van garnalen en het drogen van

199

de doppen is op Urk beoefend. Het verwerken volgde op de ansjovisdrukte en kon aanhouden van juli tot november. De pellonen waren voor veel gezinnen tussen 1918 en 1930, maar ook na de oorlog een welkome aanvulling van de schrale inkomsten.

Over de haringrokerij zou eens een gedegen artikel geschreven moeten worden. Wij moeten het hierbij laten.

Zeker is, dat niemand voor de oorlog ’40-’45 heeft kunnen bevroeden, dat voor Urk nog zo’n betekenisvolle taak en plaats voor de visserij, de vishandel en de visverwerkende industrie was weggelegd.

Bedrijvigheid aan de Westhaven.

200

Rein Bos aan het woord

Opkomst van de visverwerkende industrie

Interview van K. Hoekstra, oud-visserman en v.m. voorzitter van de Ned. Vissersbond met R. Bos, oud-visserman en v.m. directeur "Bos Diepvries".

Hoekstra:

Kun je iets vertellen hoe het in de jaren 63-64 bij je opgekomen is om een visverwerkende industrie te beginnen?

Bos:

Wei dat heeft verschillende redenen gehad. Ik heb er nooit over gedacht om de visserij vaarwel te zeggen, tot er op een bepaald moment iets gebeurde. Dat was op 18 maart 1958 toen mijn oudste zoon een ernstig ongeluk aan boord kreeg en zwaar gewond door een helicopter van boord werd gehaald en naar het ziekenhuis in Leeuwarden werd vervoerd. Een wonder van Boven dat hij ondanks de handicap welke hij hiervan overhield, het leven er heeft afgebracht, dochvoor de visserij enlatervoor de militaire dienst was hij afgeschreven. Doch nu was mijn zorg enkele jaren later om iets te zoeken waar hij in de toekomst ook zijn bestaan in kon vinden. Tot het jaar 1962 kwam, waarin de aanvoer op Urk van Noordzeevis op eenbescheiden manier een aanvang begonte nemen.

Zo waren we op een vrijdagmorgen in IJmuiden aan de markt geweest en ging ik vrijdagsavonds een rondje over de haven maken. Ik belandde in de visafslag, waar thans de Cooperatie is gevestigd, en waar men nog druk aan het verkopen was. Ik ging de prijzen vergelijken met wat we's morgens in IJmui-

201

den gemaakt hadden. Alleen de tongen waar wijlen Juun Schrijver (Sobex) voor zorgde, en de grove zomerschol voor / 0,31 per kg. werden verkocht.

Ik begreep dat het nooit iets zou worden wanneer er plaatselijk geen goede visverwerkende industrie aanwezig zou zijn. Dus begon er zoals men dat noemt: ”Een lichtje bij me te branden”.

We gingen in die tijd meestal vroeg op de haringvangst, zo half of eind augustus. Het gebeurde wel dat we voor slecht weer Grimsby of Lowestoft en later in de tijd wanneer de ha¬ ring zich zuidelijker verplaatste Oostende, Boulogne en Diep¬ pe binnenliepen, zo ook Scheveningen en IJmuiden. Ik zocht altijd de visverwerkende bedrijven op, waar ik als visserman vrij kon binnenlopen. Waar ik ook kwam, op deze plaatsen zag ik altijd hoe het niet moest, doch hoe het welmoest daarkonik me geen voorstelling van maken. Hierover later.

Een andere reden was dat IJmuiden de zaterdagmarkt sloot en dit voor de kottervisserij een gevoelige economische strop betekende, daar het overgrote deel van de kotters juist van deze markt gebruik maakte. Nu lag de weg voor Urk open, doch ik begreep dat hier grote financiele offers, zowel voor de handel als voor de vissers gebracht moesten worden, en dat is gebeurd ook.

Wij vroegen een stuk grond aan en kochten dit, en namen tevens een paar duizend meter in optie, welke we later bebouwden. De architect maakte tekeningen en de aanvraag ging in zee. Na negen maanden stad enland afgereisd te hebben, kregen we als antwoord, dat het wel 8 a 10 jaar zou duren eer we een bouwvergunning zouden krijgen, dus nul op het request. Toen kwam er iets in mijn gedachten.

Na de ramp in Zeeland in 1954 werd ons, wijlen Klaas Kramer, wijlen Hessel Snoek en mijn persoon gevraagd of we een persoonlijk verslag wilden doen bij de Commissaris der Koningin ridder van de Schueren in Zwolle. Wij aanvaardden dit verzoek en beurtelings vertelden wij de Commissaris onze bevinden van de ramp in Zeeland. Deze man werd hier zeer klein onder, en bij het afscheid nemen drukte hij ons stevig de hand en zei: ”Jongens als ik in de toekomst iets voor jullie kan doen,

202

dan kun je op mijn voile steun rekenen".

In de strenge winter van '62-’63, op een maandagmorgen kwam dit in mijn gedachten. Ik belde de Commissaris en vertelde in het kort de story. Hij zei: "Korn direct naar me toe en neem de stukken mee. Ik moet morgen toevallig bij Jantje van Aartsen zijn”. Deze was in die tijd minister van wederopbouw. Dit betekende, dat we dezelfde week nog alle bescheiden thuis hadden welke nodig waren voor de bouw van een vrieshuis.

Hiermee werd in de zomer van 1963 door de aannemers Kra¬ mer en Loosman begonnen. Het was in die tijd ook nog zo, dat men soms maanden moest wachten op levering van bouwmaterialen. We deden dit werk gezamenlijk, mijn broer Jan en ik. Eind 1963 verkocht ik mijn kotter en we gingen in 1964 van start. In 1964 verkocht Jan zijn kotter en runden we samen de zaak, doch dit heeft niet lang geduurd. Jan werd in deze arbeid teleurgesteld en liet in 1965 weer een kotter bouwen. Ik nam toen met mijn kinderen de zaak over.

Hoekstra: Hoe kwam je toen aan afnemers?

Bos:

Daar heb ik nooit iets aan moeten doen, die kwamen zelf naar me toe. In de eerste plaats kwam er een internationaal gezelschap van de Nestle groep van het hoofdkantoor uit Zwitserland en zij vroegen me of ik scholfile voor de markten van Italie, Frankrijk en Belgie wilde maken. Wij zouden dit wel willen, maar zeiden tegen hen dat we wel verstand van vis had¬ den, maar niet van visverwerking. Dit was geenprobleem; we zouden voor 3 maanden een instructrice uit Denemarken krijgen, en ze vroegen ofikzelf een weekje in Frederikshaven (De¬ nemarken) zou willen meelopen, wat ik natuurlijk graag aannam. Zo maakte ik mijn eerste vlucht naar Kopenhagen en van Kopenhagen met een dakota naar Aalborg. Daar werd ik opgewacht door de directeur van de Findus fabriek welke mij naar Frederikshaven bracht.

Zoals ik reeds zei had ik overal rond gekeken en zag hoe het niet moest, doch in Frederikshaven zag ik hoe het wel moest; dat was voor die tijd op een zeer moderne en hygienische leest geschoeid.

203

Toen enkele dagen later de Deense instructrice naar ons toe kwam, kon de start beginnen. Deze mevrouw zou 3 maanden bij ons komen, en heeft inplaats van 3 maanden 3 jaren bij ons gewerkt. Zij heeft ons zeer veel, ja zo niet alles geleerd, waar wij haar alle dagen nog erkentelijk voor zijn.

De eerste tijd was zeer moeilijk door het feit dat de meisjes dit werk moesten leren. Ze stonden de eerste maanden op een weekloon en werden daarna op prestatieloon geplaatst. Nu was er een meisje dat inzag met werken goed te kunnen verdienen, en er niet met de pet naar gooide, maar iedere week haar loon opvoerde. Dit zagen de anderen ook, en toen begon er schot in te komen.

Ongeveer op hetzelfde moment dat we gingen starten met de fileerderij werden we gebeld of we mee wilden inschrijven op de levering van tongen op Amerika. Deze leveringen zouden moeten plaatsvinden in de maanden april tot eind September. Ik schreefdapper mee in, en zat tussen de 3 en 5 dollarcent per pound beneden mijn concurrenten zodat alle orders op ons afkwamen met tongen die nog in zee zwommen, doch daar dacht ik op dat moment niet aan. Ik was in de handel nog te groen; later heb ik het nooit meer aangedurfd, en op deze handel ook nooit meer ingeschreven. Daar we van 1947 tot 1963 ieder jaar hadden deelgenomen aan de z.g. SYLT-visserij bij Denemarken en in de Duitse bocht, wist ik uit ervaring vrijwel zeker wanneer deze visserij begon n.l. eind april tot half juni, 6 of hooguit 7 weken.

Nu kwam de laatste week van april 1965 de Sylt-visserij los en begonnen we volop te vriezen. Een voordeel was dat we een flinke vriescapaciteit hadden met grote opslag. Zo weet ik nog dat er op een maandag eens een aanvoer was van 321.000 kg. tongen. We gingen continu door met vriezen, en buiten de geplaatste orders kwamen er dagelijks nog meer bij. Ik nam dit even door met mijn oudste zoon Piet en oudste dochter Boukje die het kantoor runde. Stemden we hier alle drie mee in, dan gingen de contracten de deur uit. Tevens moesten we ook zorgen dat we al die maanden tot en met September onze leveringsplichten na kwamen, omdat al¬ les contractueel gebeurde. Onze cellen moesten ook stampvol

204

gepakt worden, omdat na half juni, wanneer deze visserij weer afgelopen was, de prijzen gingen stijgen. De Amerikanen gaven er niet om ofje een gulden won ofverloor, contract is contract. Dit lukte allemaal perfect en met een redelijke winstmarge op de enorme hoeveelheid, verdienden we goed. Doch deze winst werd opgeslokt door de opbouw van onze fileerderij.

Wij lieten na een jaar een accountantsrapport maken, de fileerderij had ons al / 500.000.- gekost, wat voor die tijd een kapitaal was.

Toch zagen wij voor de toekomst meer in de fileerderij dan in de andere producten, omdat dit van de massa moest komen, en dit juist het zwakke punt voor Urk en de visserij was. Voor de tongen was direct een goede markt, omdat de tonghandelaren van elders ook hier naar toe kwamen om hun inkopen te doen.

Hoekstra:

Hoe werkte die scholhandel, daar je de ene week een ruime aanvoer had en de andere week b.v. door storm weer een mindere? Dus de ene week met goedkope en de andere week met duurdere vis moest werken?

Bos:

Dat werkte zo: wij en onze afnemers kwamen aan het eind van het jaar bij elkaar. Men vroeg ons wat we dachten van de prijzen voor het volgende jaar, dus moest er een prognose gemaakt worden. Dit moesten deze mensen uiteraard weten om hun verkoopprijzen vast te stellen. Dus als we b.v. een inkoopprijs van / 1,- vaststelden, dan waren er weken dat we voor / 0,70 of / 0,80 inkochten, maar dan in najaar ofwinter ook weer / 1,30 of / 1,50 konden betalen. als wij maar zorgden dat we in het jaargemiddelde bleven, wat ons altijd is gelukt. Dit kwam voor de visserman wel eens vreemd over, maar met een grote groep personeel moet je de zaak aan de praat weten te houden, en net zo goed met goedkope als met duurdere vis kunnen werken.

Dan was er in het begin nog een probleem. Als we 1.000 kisten konden verwerken, en er 4 of 5.000 werden aangeboden, stond je met je rug tegen de muur, en draaiden er duizenden

205

kisten door, wat altijd zeer triest was.

Hoekstra:

Je werkte altijd met gestripte vis. Wat is het verschil tussen dichte vis en gestripte vis?

Bos:

Dat verschil heeft bacteriologische redenen. Ik heb eerst drie dagen meegelopen op een laboratorium in Friesland. Daarna een week op een groot laboratorium in Zwitserland, waar ik goed met mijnneus op de bacterien werd gedrukt. Zo zitten er in dichte vis veel meer bacterien als in ge¬ stripte, mits ze goed gestript zijn. Daar mankeerde in het begin nogal wat aan.

Je weet het zelf dat ik je in die tijd benaderde, of er gezamenlijk iets aan te doen zou zijn. We zijn naarDen Haag getrokken om met de overheid hierover te spreken. We stelden goede en slechte gestripte vis ten toon, en wisten een strippremie van / 4,- per kist uit de bus te halen. Hierna is er heel wat verbeterd met de Deense halvemaanstrip, en was het voor de vissers toentertijd toch een leuk meenemertje, wat enkele jaren heeft geduurd.

Nu zijn er meerdere factoren waar evengoed massa's bacte¬ rien door gekweekt kunnen worden. Neem b.v. het volgende: Een fileerder of fileerster begint met een vuil schort, mes, staal of snijplank. Of zo iemand gaat naar het toilet zonder daarna zijn of haar handen te wassen. Neem een visserman wiens ruim of kisten niet goed schoon zijn. Of wanneer de vis niet goed gestript wordt, zodat het hartje, gal en lever erin blijven zitten. Dankunje zo al miljoenenbacterien kweken. De Deense halvemaanstrip loste al veel problemen op. Waar de stripper met zijn snee eindigt, begint de fileerster, fileerder met haar ofzijn snee, zodat men nooit meer gekwetste filetten heeft.

Hoekstra:

Wanneer ben je gaan uitbreiden; wanneer heb je de fabriek in Staphorst gebouwd, en om welke reden heb je Staphorst gekozen?

206

De na de brand in 1973 weer herrezen fabriek van Bos Diepvries.

Bos:

De eerste uitbreiding vond plaats in 1967. Toen hebben we van onze buurman Ten Napel zijn woonhuis en schuren overgenomen. De schuren hebben we laten ombouwen tot fileerhal, grotere koelcel en kantine. We startten toen met 80 fileerplaatsen en 150 man personeel, zodat we 3.000 kisten konden verwerken. Hierbij kwamen dan ook nog de tongen, waarmee we inmiddels op de markt van Italie voet aan de grond hadden gekregen. De vraag bleef maar doorgaan, en we konden tpnslotte hieraan niet meer voldoen, dus moest er wat gebeuren.

Op Urk hadden we niet meer nodig, omreden er inmiddels enkele fileerderijen waren begonnen. Zij gingen aan ons personeel trekken, omdat dit juist geschoold personeel was. Ook gin¬ gen we de greep op het personeel verliezen, omdat ze om het minste wat er gebeurde opstapten om een deurtje verder te beginnen. Later werd dit allemaal opgelost toen Kramer eerst de UVAA en later Snoek Diepvries overnam, en wij met Kra¬ mer een hele goede samenwerking hadden. Ja, zelfs zo, dat Kramer nog een tijd voor ons heeft gewerkt.

Na hier en daar rondgekeken te hebben, belandden we tenslotte bij B & W in Staphorst. We legden onze plannen voor en het College juichte ze toe. Ze verkochten grond aan ons en gaven hun volledige medewerking. Dit was even voor de brand, welke ons op Urk trof op 12 februari 1973, toen men met de bouw in Staphorst was begonnen.

Hoekstra:

Kun je vertellen wat er na de brand gebeurde, toen lag toch de hele productie stil, en wat de verdere afloop is geweest?

Bos:

Een bittere nacht van tranenvoorhet hele gezin. Het betekende dat we in een nacht van welgesteld, straatarm waren geworden. Onze 2 jongens waren met eigen brandslangen het dak opgerend, maar omdat overal de steekvlammen uitkwamen, door het isolatie-materiaal, schreeuwde ik dat ze eraf moesten komen. De een was er aardig vlug af, maar de andere verdwaalde in de verstikkende rookontwikkeling. Toen hij er halfbedwelmd maar net afwas, stortte het dak in elkaar. Was

208

dit enkele seconden eerder gebeurd, dan had dit onherroepelijk zijn leven gekost. Hierbij werd ik de volgende morgen bepaald en ik werd zo dankbaar dat we nog niet bij een of twee geroosterde lijken van onze jongens zaten, dat alle ellende in een keer van me afviel. Wij hebben de bijbel gelezen, koffie gedronken en er nooit meer over nagedacht.

We werkten inmiddels voor Unilever, welke in 1971 een fusie was aangegaan met de Nestle groep, met hoofdkantoor Ro¬ me. 's Morgens na de brand, terwijl de brandweer nog aan het nablussen was, vonden we drie enveloppen in de brievenbus, een met f 100.000,-, een met / 50.000,- en een met / 25.000,-. Het bestuur van de Visserij-vereniging kwam bij me en deed een voorstel om een week voor ons te vissen. Wat dat betreft is er maar een Urk. Wanneer ik hiermee ingestemd had, dan waren er binnen de 24 uur wel 2 fabrieken op tafel geweest en dan vraagt men ook niet waarom je niet verzekerd was. Doch ik wilde alle consequenties hiervan zelf aanvaarden, en moest alle hulp welke me werd aangeboden, weigeren. Dit was geen arrogantie.

De koek was op, en hoe nu verder. Dezelfde morgen na de brand stapte aannemerLoosman bij ons binnen, terwijl ze nog aan het nablussen waren. Hij zei: "Ik ga beginnen". Ik zei: ”Waar moet je mee beginnen, je moet er goed rekening mee houden dat er geen geld meer is. Hij zei: "Dat kan me niet schelen, ik begin”. Inmiddels had ik Rome gebeld, verteldwat er gebeurd was, en gezegd dat de productie plat lag. De directeur zei dat hij direct naar ons toe zou komen, en hij stapte enkele uren later bij ons binnen. Hij sprak mij moed in, maar voegde ook de daad bij het woord. Hij ging naar (wijlen) Jelle Kramer (directeur van de Amro bank) en tekende voor iederbedrag dat ik nodig had, namens Unilever.

Wat gespaard gebleven was, dat was alleen de koelcel waar nog 3.000 kisten vis in stonden. Deze nam Kramer toen direct van ons over, wat ik zeer waardeerde. Binnen 14 dagen had Loosman met zijn mannen een noodoverkapping gemaakt en draaiden we weer op voile toeren.

209

De nieuwe fabriek werd hier omheen gebouwd. De machines voor Staphorst stonden klaar, welke we voor het grijpen hadden en Staphorst kon wel even wachten.

Zo beschikten we eind '73 over twee nieuwe fabrieken. We stuurden onze eigen instructrices naar Staphorst om daar het personeel te scholen. We zaten binnen een jaar op 100 man sterkte daar en maakten een volledige productie van gepaneerde filetten. We hadden hier heel goed personeel en zeer bekwame leidinggevende mensen, waar ik altijd veel genoegen van heb gehad. We voerden met deze fabriek onze pro¬ ductie met nog eens enkele duizenden kisten per week op.

Hoekstra: Hoe stondhet bedrijfsleven hiertegenover daarUrk inmiddels de grootste visafslag was geworden?

Bos: Over het algemeen zeer positief, ook mede door de economische voordelen welke Urk bood. Langere vistijden, kortere vaartijden ten opzichte van IJmuiden, de hele dag verkoop en gelijk thuis. In die jaren waren de kotters nog niet zo groot als thans, en kwam vrijwel de hele vloot met het schip naar huis. Bovendien waren de prijzen van de vis op Urk, ten opzichte van IJmuiden, goed te noemen. Het gebeurde wel dat de schol / 10,- per kist duurder was als op andere markten, en zo was het ook met de tongen.

Toch waren er enkele mensen, die ondanks al deze gunstige ontwikkelingen niet tevreden waren en de vis wilden afwegen op 42 kg. per kist en de tongen inplaats van 42 op 41 kg. Natuurlijk is het een logische zaak dat een visserman graag wil weten waar hij aan toe is. Doch waar men in IJmuiden nooit over gedacht had, wanneer de kisten van 50 kg. soms een inhoud van 60 a 65 kg. gewicht hadden, dat moest op Urk gebeuren. De ouderen onder ons weten nog wel wat gewichtsverschil tussen een ruim haring er was in bijvoorbeeld IJmuiden of Breskens. Ik was hier persoonlijk op tegen om de volgende redenen:

Ten eerste betaalt men minder voor een kist van 42 kg., dan voor van 43 of 44 kg. Zo ook met de tongen van 42 naar 41 kg. Ten tweede moest dan kist voor kist gewogen worden, wat tijdrovend zou zijn en de verkopen zou kunnen belemmeren, 210

wat in de zomermaanden kwalitatief een achteruitgang zou kunnen betekenen. Ten derde waren de gewichten's zomers goed, maar's win¬ ters met magere stijve schol slecht te noemen. Dus kwam een ieder door het jaar genomen niets te kort en bovendien zouden de weegkosten hier nog bovenop komen. Ik wilde wel hiermee instemmen wanneer alle markten op hetzelfde gewicht gingen afwegen.

Een ander geval uit de jaren 70. Het was een zomer met grote aanvoeren. Ook in Denemarken, waar de schol voor de minimumprijs van / 0,99 te koop was, en ze ons dagelijks voor / 1,15 franco thuis werden aangeboden, maar de prijs hier op Urk op / 1,25 bleef staan. Omdat we de concurrentie in Denemarken in de gaten moesten houden die op dezelfde markt exporteerden als wij, was dit voor ons een volkomen raadsel. Dus moesten wij voor die / 1,25 ook mee. Dit duurde enkele weken toen ik er achter kwam hoe dit werkte. Een P.O. kocht iedere week 2.500 kisten schol. Dit ging natuurlijk allemaal bedektelijk via via, waar dan deze P.O. het kwartje bij paste, en verkocht deze voor / 1,- naar Engeland. Toen op een maandagmorgen de afslag vol vis stond, gingen wij onze maatregelen treffen tegen deze lage praktijken.

Ik liet me die dag niet in de visafslag zien, enliet de wagens uit Denemarken rollen met wat we maar hebben wilden voor / 1,15 franco thuis. Met alle gevolgen van dien, dat hier die dag duizenden kisten doordraaiden. Toen was dit in een keer afgelopen, wat wel jammer was voor de welwillende visser.

Doch voor de rest hebben we nooit problemen gehad met de schippers. Ook ten tijde dat de veilplicht eraf ging, werden er tientallen ladingen per week uit het schip rechtstreeks bij ons aangeleverd, wat altijd is gegaan tot voile tevredenheid van beide partijen. Nu alle lofvoor deze mensen welke ook hun of¬ fers in de beginjaren gebracht hebben om Urk welvarend te maken.

Hoekstra: Je bent ook in het buitenland geweest om daar met een visverwerkende fabriek te beginnen?

211

Bos:

Ja, men vroeg mij in 1974 of ik geen mogelijkheden wist ergens ter wereld een kabeljauwfabriek op te zetten om blocks te maken voor de bereiding van vissticks. Zo togen we op onderzoek uit naar Canada, waar we Nova Scotia, Prins Edward Eiland en New Foundland bezochten. Hier hebben later de UK 41 en 144 nogproefgevist. Wat de mo¬ gelijkheden betrof, niet alleen voor de kabeljauw, maar ook voor de flounders, die lagen hier voor het grijpen. Van de pro¬ vinciate besturen hadden we ook alle medewerking, en wij kregen de indruk dat hier voor zo’n 25 kotters zeer goede mo¬ gelijkheden aanwezig waren. Ook mede doordat de vloot steeds groeide, en de Noordzee hier overbelast zou kunnen raken.

We wilden hier een tweede Urk opzetten en hadden reeds de plaats van vestiging uitgekozen, nl. Isaks Harbour, een mooi klein plaatsje aan een grote baai op Nova Scotia, met genoeg vangstmogelijkheden. Doch hier hadden we buiten de waard nl. de federale regering in Ottowa gerekend, welke zijn fiat moest geven, en het op het allerlaatste moment radicaal liet afweten.

Later zijn we naar Zuid-Afrika getrokken. Wat klimaat betreft zou ik zeggen dat het een van de mooiste landen ter wereld is. Hier zouden we wel kunnen slagen voor de visserij op hake (heek), waar tevens tussen Kaapstad en Mosselbaai ook een goede tongvisserij aanwezig was. We kochten hier gronden voor fabrieks- en woningbouw, welke we later weer verkochten. We hebben 6 keer het land bezocht, doch temeer wij er kwamen, te minder onze interesse begon te worden. Dit kwam uitsluitend door politieke overwegingen. Ook mede door het feit dat we hier een directeur hadden benoemd, die zich zeerbeijverde bij de Zuid-Afrikaanse overheid en voor die functie uiterst geschikt was en die plotseling overleed.

Hoekstra: Had je nog andere functies buiten de visserij en visverwerking?

212

B°s:

Ik ben in totaal 9 jaar kerkeraadslid geweest, en 10 jaar '66-’76 verbonden geweest aan de Reddingmaatschappij.

Bpm Bos. voorzaken in Milaan, heeft even tijd voor ontspanning.

213

Bos’ visie op de visserij

Hoekstra:

Nu zou ik nog willen vragen hoe je op dit moment de visserij ziet: Je hebt in '81 de fabrieken verkocht, je wil de visserij beeindigen en je kottertje te koop aangeboden?

Bos:

Ja de visserij is me altijd lief geweest. Ik ben nu 70 jaar en dan is of komt er een tijd dat je moet stoppen. Vanaf eind '32 tot eind '63 hebben we aan de visserij deelgenomen. In 1968 hebben we weer een kleine kotter aangeschaft waar we in de zomermaanden de snurrevaadvisserij mee uitoefenden, wat ik altijd graag heb mogen doen.

Een ieder heeft natuurlijk zijn eigen mening hierover, doch nu je het mij vraagt, moet ik zeggen dat het er niet rooskleurig voorstaat. Neem b.v. de scholvisserij. Toen een aantal jaren geleden de grove schol werd ontdekt in de zomermaanden, in Skagerak, Monky Bank, Noorse Zone en al die vangstplaatsen meer, was het of het niet op kon. Trekken van 50 en 60 kisten kwamen veelvoudig voor. Voor wat men toen in een week kon vangen, moet nu in de meeste gevallen al een overweekse reis worden gemaakt. Het is uiteraard het mooiste wat bestaat als schipper en bemanning met zo’n schip vis thuis komt. Ik wil hiermee ook niet deze visserij wegcijferen, maar ik vrees dat juist deze visgronden te intensief bevist worden. Immers is het een logische zaak, dat als de moeders dood zijn er geen kinderen geboren kunnen worden. Zo moet er thans met matten en schotten op de steenachtige plaatsen gevist worden om de vangst bevredigend te maken. Wij maakten de laatste jarenin de zomermaanden 4 of 5 reizen naar de Doggerbank, visten bij de Outer Rug, Thailand en meerdere plaatsen. Waar we in de vorige jaren altijd in hoofdzaak schol 1 en 2 vingen, was het de afgelopen zomer 60 % schol 4, 30 % schol 3 en 10 % 1 en 2, wat voor mij een teken aan

215

de wand is dat de grove soorten aan het uitdunnen zijn. Wat de kleine schol betreft, hadden we tot voor 2 jaar terug aan de rug van Terschelling en Ameland de hele zomer een rijke scholvisserij. Doch uitgezonderd in enkele maanden, Sep¬ tember en oktober, als de schol komt trekken, is het op deze visgronden gewoon dood.

Hoekstra: Hoe bekijk je dan de tongvisserij?

Bos:

Wei dat bekijk ik even triest, wanneer we die de revue van pakweg 40 jaren eens laten passeren. Zo weet ik nog dat we eens voor stormweer Den Helder binnenliepen en langs een garnalenvisser afmeerden, welke zijn garnalennetje in de mast had hangen, waar nog massa's pasgeboren tongetjes in zaten gestoken. Op mijn vraag aan die schipper, of er zoveel broed op de kust was, antwoordde hij, dat ze trekken deden van 5 en 6 manden in de zak. Dus wil ik hiermee te kennen geven hoeveel jong broed er in die tijd op de kust aanwezig was. En loop nu eens bij de garnalenvissers langs.

We visten na de oorlog met kottertjes van 100 PK bij Denemarken, benoorden Het Rif en in de Duitse Bocht, en kwamen ook van een overweekse reis thuis met 4 of 5.000 kg. tongen plus de nodige andere vis.

In 1958 visten we 3 etmalen met een kotter van 200 PK voor 6.600 kg. tongen. Wat was er ook van augustus eind november een rijke tongvisserij aan de Rug van Terschelling. Zo herinner ik me nog dat wijlen Jurie van den Berg met de UK 63 in 1969 met een kotter van 500 PK, in September, van 3 etmalen, binnenkwam met 8.800 kg. tongen bezuiden Het Rifvandaan.

De week daarop ging hij naar de Wezer waar hij van eenzelfde tijd met ruim 7.000 kg. thuis kwam. Dat was niet alleen Jurie, maar andere kotters met 4 of 500 PK kwamen ook met 5, 6 en 7.000 kg. Als er nu een kotter met 2 of 3.000 PK binnen komt met 100 of 150 kisten, dan wordt er over geschreeuwd.

Wanneer ik op zee ben en zo de gesprekken eens afluister, en de een 5 kg. meer doorgeeft als de ander, dan vraagt de een

216

keihard aan de ander of hij er de binnenzakken in heeft. Dan wekt het de schijn of er niet een tongetje meer aan het voortplantingsproces mag deelnemen. En waar ben je dan mee bezig?

Een kotterschipper rekent thans per week als hij er maar met een redelijk resultaat die week uit is, maar het gezonde verstand moet ook eens gaan spreken. Er moet ookrekening mee worden gehouden dat er weer een nieuwe generatie achter hem aankomt, welke ook het bestaan in de visserij moet vinden. Het egoisme moet men laten varen, en de binnenzakken voor nu en altijd op de brandstapel gooien. Doch wat vandaag wijsheid in de visserij is is morgen onzin.

Hoekstra:

Wat denk je van de haring en rondvisserij, b.v. kabeljauw, schelvis, wijting enz.?

Bos:

Dat is misschien nog erger. Neem eerst de haringvisserij. De z.g. binnenzee (de zuidelijke Noordzee) had eens de rijkste ha¬ ringvisserij ter wereld van oktober tot december, met een su¬ per kwaliteit. Wat is er thans van overgebleven? De enkele spannen welke nog op haring vissen, hebben bovendien nog moeite om van hun product af te komen, omdat Nederland voor het overgrote deel zijn markt is kwijtgeraakt.

Toen de Denen zich op grote schaal met de industrie-visserij gingen bezighouden op de z.g. zandspiering, werd er tevens op even grote schaal pasgeboren haring, pasgeboren kabel¬ jauw, pasgeboren wijting, ja noem alles maar op, meegevangen.

Terwijl de zandspiering-visserij een zomervisserij is, en de in¬ dustrie-visserij het hele jaar doorgaat, wordt de rondvis radicaal uitgeroeid.

Ik weet best, dat als een Deense schipper schrijverij heeft, dat hij gaat uitzetten, ook als hij in de meeste gevallen niet weet wat het voor schrijverij is. Wanneer zijn net boven komt met jonge rondvis, zijn ze ten dode opgeschreven. Zo wordt door deze visserij met netten van 6 mm. (gordijnen) al het jonge broed uitgemoord, en of hij nu zijn net los zou gooien, of zijn vangst meenemen, dat is precies hetzelfde. Nu

217

het kwaad al die jaren is geschied, wil men maatregelen nemen, doch te laat. Gaat men nu de visgronden bezoeken waar men voor 20 - 30 jaar nog rijke kabeljauw- en schelvisvangsten kon boeken, als de Pit, Clay Diep, Klaver Bank, en noem maar op, men komt op deze plaatsen deze vis niet meer tegen. Het plukje dat zich nog schuil houdt moet men uit de stenen, koraal en wrakken halen. Dankzij de ballennettenvisserij, waar redelijk in de stenen mee gevist kan worden, boekt men dan nog enige resultaten.

Hoekstra: Wat denk je van de sanering?

Bos: Saneren is nooit goed, maar we moeten niet langer buiten de werkelijkheid gaan staan, we kunnen niet langer levenvan de rente. Gaan we het kapitaal aanspreken van de guile Noordzee met al haar rijkdommen, dan moeten we wel zorgen dat het verbeterd wordt, of minstens zo blijft. Instandhoudingsmaatregelen zijn dan ook een onderdeel van het visserijbeleid. Immers zijn beide partijen schuldig aan het huidige beleid, en overheid en bedrijfsleven. De overheid wil 160.000 PK van de zee hebben, en het bedrijfsleven wil tot 90.000 PK gaan. Een ieder is er van overtuigd dat er iets moet gebeuren, maar door wie en wat?

Ik heb nog steeds grote bewondering voor de mensen die een nieuwe kotter in de vaart brengenvan miljoenen guldens. Persoonlijk vrees ik, dat het wel eens op een koude sanering zou kunnen uitlopen.

Neem de vloot Eurokotters welke de laatste jaren in de vaart zijn gebracht met E.G. en overheidssubsidies, en verreweg met kleine kwantums, waar het hele jaar niet op doorgevist kan worden. Deze mensen komen toch met de rug tegen de muur te staan? Het zou mooi zijn als het door kon gaan, ook voor de werven, machinefabrieken, visverwerkende bedrijven, nettenmakers en alles wat met de visserij te makenheeft.

Wat de grote kotters betreft, heeft de overheid tot voor enige tijd terug geen enkele PK-stop ingevoerd, hoewel reeds vele jaren, ook door jou, de waarschuwende vinger is opgestoken.

218

Belangstelling voor de eeiste palingaanvoer in de tweede (reeds verdwenen) visafslag.

En nu schreeuwt men over saneren. Een ieder die toch kans ziet om te overleven, zal toch het laatste aan saneren denken, ook door het belastingstelsel in Nederland.

Hoekstra: Wat zeg je van de verkoop van Nederlandse kotters naar Engeland?

Bos: Deze kotters zijn meest verkocht ter vervanging van nieuwbouw, en nu gaat dit aan twee kanten negatief werken. In de eerste plaats komt men deze kotters op de Noordzee tegen en die zijn inmiddels uitgegroeid tot een flinke vloot. In de tweede plaats komt de handel deze vis tegen op de buitenlandse markten. Bovendien krijgen ze de visserij-technieken op een zilveren schaaltje opgediend.

Hoekstra: Wat denk je van de vervuiling van de Noordzee?

Bos:

De Noordzee is een open riool geworden, en dan wil ik twee feiten noemen.

Ten eerste kwamen we voor enkele jaren nog geen velden dik water tegen. Omdat we met de snurrevaad vissen, en de vis onze lijnen moet zien, gebeurt het nu, dat als we de lijnen uitstomen en er komt zo'n veld van vierkante mijlen stromen, je totaal niets vangt, omdat de vis de lijnen niet meer ziet. Dit is vooral het geval zo’n 20-30 mijlen boven de eilanden.

Ten tweede zijn er visgronden waar tot voor enkele jaren hele goede vangstplaatsen waren, maar waar men nu geen net meer aan de grond kan krijgen vanwege de slappe modderige bodem. Neem b.v. The Kettle Hole, wat was dit toch een hele goede visplaats voor de snurrevaad-visserij, waar men rijke scholvangsten kon doen van een prima kwaliteit. Nu kan men er met deze visserij niet meer vissen, uitgezonderd dan dat er soms nog wel eens enkele boomkotters met hele lichte tuigen, resultaten boeken. Zo is dit voor mij het klaarste bewijs dat de Noordzee ernstig aan het vervuilen is.

220

Hoekstra:

Zou dit ook al invloed kunnen hebben op de kwaliteit van de vis?

Bos: Nog niet, maar ik vrees ten zeerste dat als er iets mee gebeurt, als er vis besmet wordt, al zou het van nog zo’n geringe omvang zijn, dat het dan met de visserij en de handel bekeken is. Daar zorgt dan de radio en t.v. wel voor. Dat hebben we in het verleden toch ook meegemaakt met de haringworm, met alle gevolgen van dien, daar de meeste mensen het haringeten gingen schuwen.

Hoekstra:

Wat is de reden dat de schol ten opzichte van vorige jaren in prijs sterk is gedaald?

Bos: Wel, ik hoor het de heer Tienstra nog zeggen in "De Ark" enkele jaren geleden, dat de schol wel 6, 7 en 8 gulden per kg. zou worden, en de tong 40 of 50 guldenper kg. Maarmenheeft buiten de consument gerekend. Wanneer zo’n pakje vis te duur wordt, gaat de consument over op andere eetgewoontes. Er is immers een keur van andere producten beschikbaar voor lagere prijzen.

Dit jaar wordt er 20 % minder scholfiletten op de markt van Italie verkocht als de laatste jaren, wat tochwel de grootste afnemer is. Bovendien is het zo, dat wanneer er op een bepaald product verlies wordt geleden, dit, zoals het heet uit het pakket gaat. Dit zou natuurlijk helemaal een ramp voor de visserij zijn, omdat toch zeker 60 a 70 % van de file in de supermarkten wordt verkocht.

Hoekstra:

Je bent niet erg optimistisch aangaande de visserij en de han¬ del?

Bos: Nee, dat ben ik niet, ik heb mijn tijd gehad, en natuurlijk hoop

221

ik dat ik mis ben, en er zullen ook zeker mensen zijn met een andere visie. Zo zijn er ook mensen die zeggen dat er geploegd moet worden in de Noordzee, dat zal misschien ook wel zo zijn, docheen ding weetik, dat van 1940 tot 1945 de Noordzee heeft platgelegen en er niet is geploegd. Na 1945 kon het niet schelen waar men viste, maar men kwam op de hele Noordzee een rijke visserij tegen. Verder weten we allemaal dat de grote kotters 150 zeedagen hebben toegewezen gekregen per jaar, dat is 30 weken van 5 dagen. Ook weten we dat er kotters zijn die 3 of 4 miljoen gul¬ den moeten besommen om de zaak normaal draaiende te houden, en dat het wanneer dit niet meer kan, het niet goed zit. Het is thans voor de schippers en bemanningen een paniekerig en zeer zwaar leven. Eerst moet men een schip vis zien te vangen, en wanneer dit is gelukt komen de spanningen met de aanlandingen, waar vernauwde bloedvaten, maagzweren en hartinfarcten mee gekweekt worden.

We hebben de tijd meegemaakt dat er vanuit IJmuiden 200 stoomtrawlers ter visserij voeren. Binnen een tijd van enkele tientallen jaren was het net zo vlug verdwenen als het opgekomen was.

Zo hebben we het hier toch ook al meegemaakt dat hardwerkende, vlijtige mensen het niet meerkonden redden, en al hun spullen, tot de huizen toe, door de banken werden verkocht.

Hoekstra:

Zou je nog plannen weten waardoor het zich in de toekomst weer enigszins zou kunnen herstellen?

Bos:

Wie ben ik om dat te moeten zeggen, maar een ding wil ik wel kwijt. Ik ben er ten stelligste van overtuigd, dat wanneer op internationaal gebied de visserij in de maanden januari en februari voor de hele Noordzee op schol gesloten zou worden, dit veel meer effect zou geven dan alle stilligweken bij elkaar, en wel om de volgende redenen: In deze maanden verplaatst de schol zich naar zuidelijker plaatsen in de Noordzee: De Doggersbank, Witte Bank, Pussel Hole en zuidelijker gebieden om deel te nemen aan het voortplantingsproces. Deze vis is uiterst mager, zit vol kuit en is van zeer slechte kwaliteit. Een andere reden geldt voor wat de tong betreft. Deze trekt

222

bij strenge winters naar diepere plaatsen en putten om te overleven. Deze tongen zijn door de kou verlamd, en wanneer er dan jacht op gemaakt wordt, worden ze massaal opgevangen. Dit zijn nu juist de tongen, wanneer ze overleven, die altijd zorgen voor een goede jaarklasse. Dit hebben we al meerdere jaren meegemaakt, neem b.v. de jaarklassen '47-’63-’79, en zo zou men nog wel meerdere kunnen noemen. Dus zou dit aantwee kanten eenpositieve uitwerking, envoor de schol, en voor de tong, kunnen geven, om de visserij weer wat te doen op leven.

Hoekstra: Ik dank je ten zeerste voor dit interview, en ik hoop dat je samen met je vrouw nog verder een rustige oude dag mag heb¬ ben.

Bos: Ja, ik heb gewoekerd met het talentje dat me geschonken is. Maar van zichzelf kan een mens niets beginnen buiten het gebed: het is bidden en werken. Dan is het enigste wat overblijft: Soli Deo Gloria, waar alles in besloten ligt. Hem alleen de Eer.

Kotter van Rein Bos eindjaren '50. a*

223

Haven van Urk, tek. D. v.d. Wal.

schilderij

Van alles wat

Ze hadden gevist in het slik, Geert en zijn mannen, en dat was zwaar werk: streken van een half uur en geen slaap. 's Zaterdagsavonds lagen ze in een haven, werkelijkbek-af. Ze zakten neer op de laningen in het vooronder rondom de pan met gestoofde schol en verzonken ingebed. Het werd wel een bijzonder lang gebed, want eerst op de vroege zondagmorgen kwam het amen. A1 biddend waren de uitgeputte mannen in slaap gevallen.

Piet lag met schip en bemanning achter het dok. Jan zette de pan op het duveltjen, ze zouden „grauwe jongens” eten. Het kacheltje werd opgestookt en toen de zaak lang genoeg gebeukt had, werd na het gebed de pan in het midden gezet. Het deksel ging er af, maar_van bikken kwam niet. Jan had vergaten erwten in de pan te doen.

Vissers van de oude stempel konden niet zwemmen. Ze wa¬ ren ook buitengewoon zwaar gekleed. Een rood baaien hemd, een romp of „gezondheid", en een onder- en bovenbaadje. Een onder-, tussen- en bovenbroek en drie paar kousen. En als ze weken van huis waren, was vaak van wassen, scheren en verschonen niet al te veel gekomen. Geen wonder, dat ze, op weg naar huis in trein en boot niet nauw hoefden te zitten. de andere reizigers maakten wel ruimte.

Van vissers is trouwens zelden een geur van heiligheid uitgegaan, daar was het bedrijf te ruw voor. En toch, er zijn veel pracht-kerels onder geweest, om maar bij het verleden te blijven. En ook bijzonder beschaafde en hulpvaardige typen. Als je ze ’s zondags keurig gekleed naar de kerk zag schrijden, als ze na de dienst in de zijbanken rustig wachtten, tot de vrouwen het middenschip verlaten hadden, als ze in het zangkoor de psalmen vierstemmig ten gehore brachten, als.... Inderdaad er is veel veranderd, maar of er zoveel is verbeterd?

225

Veel voor de mannen hing afvan hunvrouwen, maar daaris in ..Vrouwen van Urk” al het nodige over gezegd. Mannen lieten godsdienstige „verplichtingen” ook vaak aan de vrouwen over. Sommigen wilden geen belijdend lid van de kerk worden, omdat op de logger of anderszins, de zondagsviering (wel eens) in de knel kwam. Dan stonden de vrouwen bij de doop van hun kinderen alleen voor de preekstoel. Nu maakte het verschil op welke logger men voer, wat de zondagsrust betreft, maar voor velen luisterde het zeer nauw. Zo wilde bijvoorbeeld een man, belijdend lid, niet bij de doop het ja-woord geven, omdat hij op een logger voer, waar hij’s zondags toch drie of vier uur het velletje voor had. Immers de zondag moet een vol etmaal worden gehouden, van twaalf tot twaalf.

Over godsdienstige vraagstukken als het genoemde, kon heel wat afgepraat worden. Bijbelkennis kwam daarbij goed van pas. Die werd dan ook te pas, en ook wel te onpas, gebruikt. De schipper van een klein scheepje werd door een storm overvallen. Een bonk water stortte zich in het open achterdeel. Door de schok viel in het vooronder het duveltje om en ontstond er een begin van brand. Toen de man behouden aanwal gekomen was en verslag deed van het ongeval, riep hij (met de psalmdichter) uit: „Hier scheen ons 't water t’ overstromen, daar werden wij gedreigd met ’t vuur...." En wat daar verder volgt. Het was inderdaad zeer toepasselijk.

226

Een bladzijde uit de Urker Courant van 2 november 1918. Interessant om er eens een bladzijde uit het Urkerland van 70 later naast te leggen.

Plaatselijk Nieuws.

Verminderd cranial. Nadat het aantal Duitsche krijgsgevangenen op ons eiland gedurende enkele weken onveranderd is gebleven, zijn er j.l. Zaterdag een achttal via Enkhuizen afgereisd. Er moeten nu nog 36 geinterneerden in de groote barak gehuisvest wezen.

Aanvoer van steen. - In het laatst der afgeloopen week is een groot klipperschip de oude haven binnengevaren met een la¬ ding van 110.000 stuks metselsteen. Na de lossing op het bouwterrein werd heden (Donderdag) aangevangen met de fundering van hetgebouw voor de centrale.

Aardappelen. Voor de gewone distributie van aardappelen in deze en nog 2 volgende weken werd weder een lading aard¬ appelen aangevoerd.

Er is begin. Voor den aanleg van het net door de gemeente zijn 50 houten palen met de Geusau aangekomen. Tevens zijn een groot aantal iselatoren de witte potjes boven in de palen in ontvangst genomen.

Brandstoffenvoorziening. A1 geruimen tijd heeft de aan¬ voer van brandstoffen stop gestaan. Onlangs hebben de bewoners van Urk zich grootendeels van turf kunnen voorzien, thans wordt een lading steenkolen gelost in de eerste plaats naar de openbare gebouwen, daarna op de bons, waarvan de omroeper reeds kond heeft gedaan. Een tweede schip met kolen kan spoedig verwacht worden.

Kerkedienst. a.s Zondag zal in de Ned. Hervormde Kerk voor degemeente optreden, tevfens Avondmaalsviering, Ds. C. van der Hoeven van Enkhuizen. Voor verder herstel is de plaatselijke predikant, Ds. Snoep, naar de familie aan den vastewal vertrokken (voor 4 weken).

227

Uitvoer van garnalen. De U.K. 174, sch. A. Kaptein, heeft 2 maal een lading kleine garnalen en doppen ingenomen voor vervoer naar Harderwijk. Vele binnenvisschers zijn aan de mosselvangst, waardoor minder garnalen aan den afslag komen.

Rundvleesch. Voor de vleeschvoorziening zijn heden weer 3 stuks hoornvee en een gemest kalf aangebracht. Aan vet levert het slachtvee, dat betere tijden gekend heeft, zeer weinig of niets op, althans bij de distributie van het vleesch.

De ziekten. De Spaansche griep gaat nog met onverminderde kracht onder Urks bewoners. En er doen zich verschillende gevallen voor gepaard met ernstige longontsteking. De meeste lijders zijn de ziekte, zonder eenige complicatie, na enkele dagen weder te boven.

De gevreesde typhus heeft een geregeld afloop. Nieuwe ge¬ vallen zijn niet voorgekomen sints de vorige week. Twee ziekenzalen zijn in de school nog in gebruik. De verpleegsters verlaten voor en na ons het eiland.

228

Voor en op't bouwterrein. De aanvoer van materialen voor den opbouw der groote vischmeelfabriek gaat gestadig zijn gang: o.m. zijn 8 kipkarren en wisselstukken voor het lichte spoor tot zandvervoergereed gemaakt. De muren van 't fabrieksgebouw zijn voor't meerendeel op devereischte groote. Met den schoorsteen is men heden aangevangen. Voor de centrale zijn al eenige zware machineonderdelen geboren. Als het weder, gelijk de laatste dagen, gunstig mag blijven zal het gebouw voor de centrale met recht als een paddestoel uit den grond rijzen. Er wordt met alle kracht aan gewerkt, maar het metselwerk „in” den grond vereist veel steen en tijd. Met de verlichting van het terrein vlotte het niet. De locomobiel kon geen voldoende kracht ontwikkelen. Binnen enkele dagen wordt deze door een grootere vervangen, en men rekent in de nieuwe week bij kunstlicht te kunnen werken.

Visscherij.

URK, 31 Oct. Deze week is hier aangevoerd: 24 Oct.: Door 20 vaartuigen: 50 manden garnalen / 2.50 / 2.80 p. m. 100 pond spiering 6 ct. per pond. 25 Oct.: Door 30 vaartuigen: 70 manden garnalen / 2.00 / 2.65 p. m. 26 Oct.: Door 6 vaartuigen: 12 manden garnalen / 2.50 / 2.85 p. m. 28 Oct.: Door 35 vaartuigen: 151 manden garnalen / 2.10 / 2.95 p. m. 170 pon spiering 7 ct. per pond. 29 Oct.: Door 40 vaartuigen: 120 pond spiering 7 ct. per pond 158 m. garnalen / 1.90 / 3.00 p. m. 30 Oct.: Door 55 vaartuigen: 186 manden garnalen / 2.00 / 2.50 p. m. 1200 pond spiering 8 15 ct. per pond. 140 pond bot f 0.32 per pond.

Ongeveer 35 vaartuigen van hier zijn thans aan het visschen van mosselzaad tusschen Wieringen en de Friesche kust met

229

over het algemeen vrij goede uitkomsten. Verledenweek besomden velen van 100 150 gld. enkelen tot 230 gld. Een klein deel onzer vloot was buiten werkzaam, bij Terschelling of IJmuiden. Besomd werd 80 150, doch door eenigen ook 250 370 gld. per vaartuig.

VOLLENHOVE, 30 Oct. 1918. Verleden week alhier aangevoerd: 5836 Kg. garnalen 16 ct. p. Kg. 1921 Kg. zijdennettebot / 0.80 / 0.91 p. Kg. 3531 Kg. sleepbot / 0.80 a / 0.99 p. Kg. 40 Kg. hoekbot a / 1.00 p. Kg. Ill Kg. blei a 60 ct. p. Kg.

De naderende droogmaking van de Zuiderzee bracht in de Zuiderzeevissersplaatsen de gemoederen in beweging. Eibert den Herder van Harderwijk schreefbrochures. Op Urk maakte Jacob Nentjes het volgende rijm:

Een ABC van protest toen de Afsluitdijk dicht ging.

Ontboezeming van een Urker visser, welke op 28 mei 1932 op non-actief is gesteld en met ingang van diezelfde datum werd bevorderd tot pauper derde klas.

De vissers zullen volledig schadeloos worden gesteld, want aan dit nationale werk mag geen smet kleven (Dr. Lely)

‘De vissersbevolking van de Zuiderzee heeftjarenlang geleefd aan de rand van hetpauperisme'.

A is een Aalmoes waar een pauper om vraagt, want door de minister zijt gij, o visser, tot pauper verlaagd.

B is Bureaucratie, die spreekt uit de wet, want de term ‘onze minister’ is er teveel ingezet.

C is de Commissie, de generate genoemd, nu op non-actief, want de directeur is benoemd.

D is de Dijk, die ons de toekomst benam, toen in mei van dit jaar de Vlieter dicht kwam.

230

E is de Eer, door't ingenieurscorps behaald, maar ’t is de visser die’t gelag hier betaalt.

F zijn de Feiten met de beloften in strijd, hoewel ‘geen smet op dit werk’in 1918 is gezeid.

G is de Gunst, thans per brief af te smeken, wanneer je als pauper de directeur wil gaan spreken.

H zijn de Heren op’t Rokin geinstalleerd, hun salaris is safe, door de dijk niet gekeerd.

1 is de Interest van’t vermorste kapitaal voor die simpele dijk, ik noem het fataal.

J zijn onze Jongens, versta goed wat ik zeg, geen zee en geen polder, hun toekomst is weg.

K is de Kunst om met ‘ambtelijk gegevens’ te beschikken over ’t wel en’t wee onzer levens.

L is het Land, dat men beloofde en niet gaf; beloften van vroeger die rusten in’t graf.

M is de Moeite door Den Herder gedaan, ook de bee ‘maak een brug’ hoorde men immers niet aan.

N is het Neen, het antwoord dat steeds werd gehoord: de pau¬ per zijn zee en zijn werk moest vermoord.

O is de Oorzaak dat men doorging, niet dacht om te staken, men mocht toch met paupers geen rekening maken.

P is Polak en Lingbeek met Verkouteren in’t koor. Ze hebben steeds gewaarschuwd: ‘Ga met het werk toch niet door’.

Q is een letter, daarmee weet ik geen raad, maar ’k ben ook een pauper, het plebs van de straat, maar zat ’k op’t Rokin, ’k zou als burger der staat ook een pauper wel recht doen, naar zuivere maat.

R is Revolutiemaken; het is ons nooit geleerd, het gezag en zijn dragers hebben we altoos geeerd, maar nu wordt het moeilijk, jabijnateveel, wie gilt het niet uit met het mes op zijn keel!

S is de Steunwet, om artikel 13 beroemd; wie heeft er dit ongeluksgetal ooit genoemd?

T is de Toekomst, zo donker en droef, omdat men in de dijk on¬ ze arbeid begroef.

U is ons Urk, waar mijn wieg heeft gestaan; wie in Neerland is met ons lot niet begaan? Geen zee en geen land, geen vis en geen brood, de dijk is geboren, de visserij is gedood.

V is 'k Vind het’t Vreemdste van al hoe’t in Nederland kan, dat het lot van ons alien berust bij een man.

231

W is Weg! De zee die ons steeds gafte eten. Wie zou er een rijker viswater weten?

X is een letter, wat moet ik daarmee? In plaats van die steunwet heb ’k liever de zee.

IJ is ’t Ijsselmeer dat we kregen cadeau: Men ontnam ons de rogge en laat ons het stro.

Z is de Zee die aan ons is ontnomen. Wie durft over schadeloosstelling te bomen?

Dat 's wel gezegd, maar’t was tot paupers gericht. De macht heeft nu het roer; niet het recht en de plicht.

Ik ben een zeemanszoon

Wat zeiden in vroeger jaren de vissers van hun vak, van zichzelf en van hun buren? Welke karaktereigenschappen kunnen wij ze toedichten? Wat was de betekenis van het geloof voor hun arbeid? Waaraan hechtten ze grote waarde?

We beginnen met op te merken dat zeker niet van de vissers gesproken kan worden. Bij alle collectiviteit openbaarde zich toch een krachtig individualisme. Wat hen innerlijk beroerde en bezig hield verwoordden ze soms in de naamgeving van hun schepen, de opschriften op de deurtjes van het vooronder en de kooiplankjes, soms ook op watervaatjes en gereedschapskistjes.

Bij windstil weer vonden ze wel gelegenheid deze opschriften aan te brengen, meestal in rijmvorm, want daar waren ze gevoelig voor. Er is bij de 150 rijmpjes die verzameld werden veel dat traditioneel en ontleend is, maar ook bij overneming van een rijm is er toch sprake van een keuze. Een vissers was (is) gesteld op zijn gezin. Zijn vrouw nam in meer dan een opzicht een grote plaats in zijn leven in. Zij regelde de zaken en vaak ook de betalingen aan de wal. Je kon gelukkig zijn met vissen en verkopen, maar. een zuinige vrouw, daar moest je op hopen. Het kon van de vrouw afhangen of je altijd maar knecht bleef op schipper kon worden. De schepen werden heel vaak naar de echtgenote genoemd: De vrouwHarmpje. De vrouwJannetje, enz. Ook de eerstgeboren zoon was vaak naamgever: De jonge Albert. Dejonge Jacob.

232

De jonge Cornells enz.

Was de schipper in zijn schik met zijn leven, over zijn lot kon hij wel eens morren, vooral als alles tegenliep. Dan zei hij: Benijd geen vissermansleven. Hijgooitaltijdbeneden zeven. 'tIs een op duizend die het rooit en met twee stenen twaalfgooit. In Jezus’ tijd was dat wel anders. Die koos juist de visserman om meete verkeren: maarnu Hijis van hiergegaan en zit op's hemels troon, nu is 't lot van de visserman veel smaad en schimp en hoon. En dat zal wel zo blijven, want, wat ziet men in 't verschiet? Veel moeite, kommer en verdriet. Dan ontwaakte de jaloezie: Mijn buurman ligt te slapen en wachtop 'sHeerenzegen, maarikmoet werken dagen nacht, en alles loopt mij tegen. Ik zegwel: Vissen ismijn vak en varen is mijn leven, maarhadikgeld genoeg, dan was ikthuisgebleven.

En als je dan ook nog met laster, afgunst, haat en nijd van anderen te maken kreeg, en met valse tongen dan was er voor de visserman niet veel aan. Maar hij had zijn trots: Mijn schuitje is goed van houten, ik heb hetlaten verbreeuwen en verbouten.... en zegniet: voorzeilen onbekwaam, wantals een ander begint te reven en te knopen, begintdit schip op'thardst telopen. En wist je het nog niet: Doormijis welniet de eerste vlet, maar toch het eerste ansjovisnet in zee gezet!

Je zou er hoogmoedig van worden, maar denk dan eens aan het wisselvallige lot en beroem u niet te veel op al het aardse goed, wat heden is in stand, ligtmorgen in de vloed, en de visser kan onverwacht nederstorten in de dood, hij wint immers zijn brood in doodgevaar? Daarom: Aan 's Heeren zegen is het al gelegen. Dat wordt in vele toonaarden herhaald in de opschriften. De mens, die zeilt zijn koersen wel, maar God moet hem wezen een metgezel. Bid dus maar: Wees Gij mijn Leidsman overal, o Heer, waar dat ik varen zal. Vrees God, houd Zijn gebod in waarde, want dat betaamt een mens op aarde, vooral het vierde gebod, want Lieve mens vergeet het net, wat de Heer uw God gebiedt: de zevende dagis voorMij. Dan zal ik u onderwijzen, Mij te dienen, Mij te prijzen.

Een visser kent zijn Bijbel, dieis hetkompas, de wereld de zee en de hemel de ree. Hij verwijst in zijn rijmen vaak naar Petrus en de andere vissers aan het meer van Gennesareth, en hoopt

233

evenzo door Jordaan en stromen in Jeruzalem te komen. Geeft de zee uit haar diepte het broze lichaam spijs, Gods Woord maakt uit haar schatten de ziel voor eeuwig wijs, en er is geen beter les en meer van kracht, dan Micha zes en wel vers acht. Alles heeft zijn tijd, en eris ook een tijd van sterven voor iedereen

Zo spreekt de vrome visser en de filosoofvoegt er aan toe: Die hier volmaaktheid zoekt, die tast gelijk de blinden, volmaaktheid is er niet aan deze kant te vinden. Maar er waren er ook die het niet kon schelen: Ik ben visser van Urk, ikheb een ziel van kurk, en, alsmijn vader een boer of landman was, dan zat ik niet op zee, maarin het groene gras. Daar werden de vele vermaningen op los gelaten: Vertrouw op Godin aluwzaken, zegnooit: hoe zalhet gaan?Roem in de veelheid niet, is't weinig, wil niet klagen! Laat uw vangst, 't zij groot ofklein, steeds voor u Gods zegen zijn. En is dat niet het geval, dan stuurt gij wis aan lager wal. Wie niet wilzien en niet wil horen, gaat om zijn eigen schuld verloren. Want, van alles wat er is gehoord, is dit het slot, het laatste woord: Vreest God, houdt zijn gebod in waarde, want dat betaamt een mens op aarde, geen enkele daad, ’t zij goed of slecht, wordt eens zijn loon ofstrafontzegd. De moeiten van het leven komen ruimschoots aan bod. Maar’t was niet alle kommer en kwel, dat blijkt wel uit het volgende:

Vissershumor

Behalve vissers is er ook vissersgein. Beide komen voort uit een speelse geest, beide roepen bij de hoorders en lezers een glimlach op. Zuiderzeevissers in vroeger dagen waren er niet van gespeend. Hun humor bleek uit de namen die zij soms aan hun schuitjes gaven en de rijmpjes die zij erop schilderden. In een almanak uit 1887 trof ik onder Kampen de namen ”Oude Kat” en "Laatste Stuiver” aan, onder Edam (Volendam) de benamingen "Vliegende Visch”, "DeBlos”, "DePlatkop", "De Platgat", "DeKlos”, "DeOlifant”, ”DeKraayer", "DeZeebok”, "DeZeekat”, "DeSpreeuw”, "De Ooyevaar”, "DeTijger", ”De Nachtegaat”, "De Lange Reis", "De Sneltrein”, ”Het Hijpaard", "Rechtuit", "Vooruit”, "De Echo”, "Mooi Hompje”,

234

”Het Vrouwtje", ”De Krentebol”, "De Does”, "Menschenredder”, "Moeder Aafje”, ”Het Onschuldige Kind”, "De Hajas”. Tekenende namen voor botters, spot en zelfspot verradend en een filosoferende instelling van de Volendammer visser. In Urk trof men aan: "Slurf”, ”De Otter”, ”Niet Grooter”, "Knol”, ”Oude Schokker", "Ommeval", "Kazelot”, ’’Bello” en "Eclips”.

Men drukte zich op Urk meestal wat minder speels uit dan in Volendam en hield het meer bij de traditionele namen als ”De Jonge Jan”, ”De Vrouwe Marretje" en "De Drie Gebroeders”, tenminste officieel, de volksmond had erwel andere benamingen voor en dat minder om te loven dan te laken: "DeWiege”, "DeOuwe Lao”, ”De Kopbotter”, "Drie Smokers", "DeWaterfiets” en soms kon dan de spotnaam wel de benaming worden. De ouwe Zwolle.

Humor bleek ook uit de bijnamen die in vissersstreken gegeven werden aan dorpsgenoten. Iemand werd om zijn eigenaardige gang „Voor de wiende" genoemd, een ander „de krabbe”. Soms speelde het uiterlijk een rol bij het bijnamen geven: de skarre, wiedek (wijting), skelepost (pos), geep....

Ook in het dagelijkse spraakgebruikkwamen grappige gezegden voor. We geven er een paar in het Urker dialekt: Ouwe skeuten in jonge vrouwen binnen duur in ’t ongerouwen. Ze komt bij oens om ’r keat te skieten (om haar hart te luchten). Alle vrechies lichten, zeen de skipper, in ij gooide z'n weef overboord. Ze gat je dord’ alf vamen ene mit de zwaarden op zede. (Gezegd van een vrouw, die met dochters op zij ergens op af gaat.

Vissersverzen

In de tijd dat schippers nog rijmpjes op hun schuiten schreven speelde ook de humor een niet geringe rol. We geven een aantal voorbeelden:

U.K. 187 Rondom lelijk is zijn naam, Voor zeilen onbekwaam, Maar als een ander begint te reven en te knopen, Begint dit schip op het hardst te lopen.

235

U.K. 16 Deze schuit die heb ik laten maken, De een mag hem prijzen, de ander taken, En die het niet is al naar de zin, Die blaast hier maar van achteren in.

(Hierbij stond een mannetje getekend dat op zijn achterste wees)

U.K. 3 Het is maar een gis, Of hard of zoetjes zeilen voordeel is.

U.K. Wie niet als vriend hier binnenhuppelt, Wordt er een twee drie weer uit geknuppeld.

M.K. Een visserman heeft altijd wat, Het ene jaar geen zuurkool, Het andere jaar geen vat.

W.R. Al wie mi] ziet en niet mag lijden, Die keert zich om en laat mij glijden, Al is de weg wat scheef en krom, Ik vaar maar voort en zie niet om.

E.H. Dit is mijn kajuit, Wie er niet hoort, die blijft er uit, Mijn vrienden en vriendinnen, Die komen maar naar binnen.

H.K. Van alles gebrek, dat staat zo gek, Men staat althans verlegen, Die hemzelf goed redden kan Dat hou ik voor een zegen.

H.K. De dingen lopen wonderlijk. Het is niet anders. stond erop het bovendeurtje vanhet vooronder en er waren twee krabben bij geschilderd.

Op de schuit van Sjoerd: Dit schip is oud, stom en beroerd, Het is de schuit van ouwe Sjoerd.

236

Op't schot van't huisje UK 130, Sijmen Schenk) De toekomst is voor iedereen een gesloten boek. (er stond een mannetje met boek bij geschilderd)

Op't schot van een schuit (Knieles van Evert) Ziet op Uzelf.

Op een schip uit Lemmer Altijd wat.

Op het schip van Pip (Klaas Bakker) Lang gewacht en stil gewezen, Nooit gedacht en toch gekregen.

Op het schip van Koert van Roel (UK 308) Die hier volmaaktheid zoekt, De tast gelijk de blinden, Volmaaktheid is er niet Aan deze kant te vinden.

Op het schip van Gerrit Westerneng (UK 210) Dum spiro spero.

237

De visserij maakt al heel lang Urk boeiend en belangrijk en haar geschiedenis is dat eveneens. De Stichting Urker Uitgaven heeft daar op ingespeeld. In 1983 verscheen ”Vissers van Urk" en drie jaar later "Redders, Bergers, Bouwers", ennu, in 1990, "Urk Opperdan". Opnieuw een kloek boek, met belangwekkende artikelen en een keur van foto's. Enkele (oud-)vissers leverden zeer interessante bijdragen, getuigend van hun zinvolle arbeid en visie op de toekomst.

Tromp de Vries voegde een aantal hoofdstukken toe over o.m. werk, weer en kerk en redigeerde het geheel.

Jan Post, Lub Post en Albert van Urk hielden zich nauwgezet bezig met de lay-out.

De Stichting dankt alien die gegevens en foto’s ter beschikking stelden en is ervan overtuigd dat ook dit boek vele gelnteresseerde lezers zal vinden.

BESLUIT
238

INHOUD

Pag.

Opperdan (bij de titel) T. deVries 5 Opperdan met Klaas Hoekstra. 7 Een kleine jongen droomde J. tenNapel 15 Over verdrinken gesproken .K. Post 17 Rampen op zee T. de Vries 23 Klaas van Urk (1869-1935) . J. Schaap 39 Rein Bos en het reddingswerk . 49

Uit het leven van Jan de Boer . 53 Hoe grote Jan door de oorlog kwam. J. de Boer 65 De orkaan van februari 1953 J. de Boer 83 Wat Klaas Post vertelde 87 Van den Berg in vier generaties . S. v.d. Berg 109 Vissen in oorlogstijd . L.J. Kramer 117 Een verloren vloot en een gewonnen welvaart T. de Vries 131 Uit het leven van Meindert de Boer. 135 Van vuur en vuurtjes . T. de Vries 143 Als vissers vlaggen. 149 Het weer in het woord. 151 Het werk in het woord. 157 Het werk en de kerk 175 Schip in de kerk 181 Van vis, vishandel en visverwerking voorheen L.J. Kramer 189 Het prille begin van de visverwerkende industrie T. deVries 195 Opkomst van de visverwerkende industrie . R. Bos 201 Bos’ visie op de visserij (interview met K. Hoekstra) 215 Van alles wat. 225 Besluit . 238

239

De Stichting Urker Uitgaven heeft tot doel de uitgave van min of meer belangrijke bijdragen in enigerlei vorm over of in verband met het volksleven, de taal, cultuur en geschiedenis van Urk mogelijk te maken.