Pastoors, predikanten en vuurstokers van het eiland Schokland

Page 1

Pastoors, predikanten en vuurstokers van het eiland Schokland

Bruno Klappe

PASTOORS, PREDIKANTEN EN VUURSTOKERS VAN HET ElLAND SCHOKLAND

Pastoors, predikanten en vuurstokers van het eiland Schokland

Stichting Urker Uitgaven, 1993

Opgedragen aan mijn vaderAb Klappe, die zijn grote belangstelling voor Schokland en de Schokkers op mij wist over te brengen.

ISBN 90-71521-10-9

© 1993 Stichting Urker Uitgaven Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, micro¬ film of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Inhoudsopgave

VOORWOORD 8

DE PASTOORS VAN SCHOKLAND 9

De pastoors van Ens 9 Hendrik, 1329 9

Dire van Ludinckhuijsen, 1427 10 Simon Janszoon, eind 16de eeuw 10 De pastoors van Emmeloord 10 Everard 12 Martinus Puthof, 1383 12

Onbekende priester, 1572 12

Gerrijt Reinierszoon, 1584-1597 12

Andreas Caffeberch, 1598 14 Hillebrandus Futsius, 1664-1666 15 Meiniert Dirksz, 1666?-1671? 17

Comelis Hartman, ....-1676 18

Onbekende priester, 1677 18 Joannes Bruijningh, 1680?-1682 18 Reijnerus Velthuijsen, 1692 28 Lucas Becker, ....-1711 29 Wilhelmus van der Aa, 1711-1716 29 Joannes Sobben, 1721 29

Laurentius Janssing, ....-1726 29 Wilhelmus Entinck, ....-1729 29

Joannes Hermanus Deeters, 1730-1734 30 Bemardus Mulders, 1734-1746 30

Johannes Eylardus Muller, 1746-1752 30

Josephus van Berckel, 1753-1758 31

Gerardus Michael Hamsink, 1761-1762 31 Roerink, ....-1762 31

Amoldus van Boekhold, 1762-1763 31

Thomas Henricus Guijckink, 1763-1766 32

Antonius van den Berg, 1766-1772 32

Nicolaas Maria Pas, 1772-1776 32

Joannes Adolphus Christianus Bloemen, 1776-1779 3 Hendrik van Born, 1779-1789 3

5

Hermanus Willemsen, 1790-1796 33

Bartholomeus Doorenweerd (1796-1808) 33

Henricus Joannes Dijkhuizen, 1808 42

Joannes Jaspar, 1808-1809 43

Bernardus Herfkens, 1810-1813 43 Rudolphus Herfkens, 1813-1818 43

Joannes Willemsen, 1819-1821 44 Joannes Bosch, 1821-1833 44

Nicolaas van Munster, 1833-1837 47

Antonius Bernardus Herman Schaepman, 1837-1838 48

Joannes Bosch, 1838-1842 49

Antonius Mollink (deservitor), 1842 54 Joannes de Swart, 1842-1845 54 Wilhelmus Legebeke, 1845-1846 60

Joannes Georgius Bruns, 1846-1856 62 Hermanus Frederikus Joannes Terschouw, 1856-1859 65 Bronnen en literatuur 73

DE 28 PREDIKANTEN VAN SCHOKLAND 75

Petrus Aemilius, 1598-1601 76 Gellius Sextinus, 1607 77 Nikolaus Joannes Lachtrop, ?-1618 77 Henricus Jodoci, 1618 77 Lambertus Hiddingh, 1619-1624 77 Joannes Custodius (= Costerus), 1624-1626 79 Otto Gerritz Radijs, 1627-1637 79 Jan Jansz van Uytgeest, 1637-1638 80 Wilhelmus Theodori Vinmannus (= Vinnemans), 1638-1647 80

Joannes Grevesteijn, 1647-1649 81

Franciscus Stallijn, 1649-1650 81

Johannes Hermanni Sanders, 1650-1672 81 Petrus Hulzenaer, 1672-1675 82

Joannes Fellinger, 1675-1688 82 Abrahamus Riet, 1688-1720 83

Johannes Carolus van Heijmenberg, 1721-1741 86

Bernardus Gertner, 1741-1763 92 David Nikolaas van Nes, 1763-1775 93 Hermannus Nicolaus Gillot, 1775-1808 100

6

H.J. Andrea, 1810-1811 106

Koert Koert Winkel, 1821-1828 106

Antonie Jakobus Martinus Timmerman, 1828-1832 107

Gerard Guillaume de la Couture, 1833-1840 107

Jurrijanus Maks, 1840-1847 112

Cornelius Ribbius, 1848-1850 117

Jan Cromhout, 1850-1856 119

J.H. Berghese, hulppredikant, 1856-1857 120

Johannes Cornelius Riethagen, 1857-1859 120

Gebruikte literatuur en bronnen 122

DIE VUERBOETE OP HET EYLANDT ENS 125

De eerste vuurbaak (1618-1635) 125

De tweede vuurbaak (1635-1825) 126

De derde vuurbaak (1825-1856) 130

De vierde vuurbaak (1856-1944) 133 Het Enser Geld 134

De vuurstokers op de Zuidpunt van Schokland 135 Gebruikte bronnen en literatuur 148

7

De vier eilanden in de vroegere Zuiderzee bestaan niet meer. Althans: niet meer als eiland. Door toedoen van de mens vloeide het water langs hun kusten weg. De Zuiderzee werd Ijsselmeer door de komst van de Afsluitdijk in 1932. Bij de daarop volgende inpolderingen kwamen Wieringen en Urk grotendeels op het droge te liggen, Marken werd door een dijk aan het vasteland verbonden en Schokland werd geheel opgeslokt door de Noordoostpolder.

“Kleine geschiedenis” noemde dr. P.J. Bouman in “Het verlaten eiland” de ontruiming, op last van hogerhand, van het eiland Schokland in het jaar 1859. De bevolking, voomamelijk bestaande uit vissers, werd verspreid over diverse plaatsen langs of in de Zuiderzee: Kampen, Vollenhove, Volendam, Urk. Een kleiner deel vestigde zich elders in Nederland. Het eiland bleef bestaan en kreeg betekenis als vluchthaven voor door storm overvallen schepen.

Lang bleef Schokland voor het “grote publiek” onbekend, de inpoldering bracht het weer in de schijnwerpers. De museumkerk op de Middelbuurt herbergt o.m. de geschiedenis van het eiland. De Schokkervereniging, opgericht in 1985, legt zich toe op onderzoek en instandhouding daarvan. Bruno Klappe, een van hen en zelf van Schokker komaf, beschrijft in dit boek de pastoors, predikanten en vuurstokers die op het eiland hebben gediend. Van de gebruikte bronnen en literatuur maakt de auteur bij de verschillende onderdelen apart vermelding.

Stichting Urker Uitgaven

8

De pastoors van Schokland

In 1927 deed A.E. Rientjes een eerste poging om te komen tot een opsomming van de pastoors die eens op Emmeloord, het noordelijke deel van het eiland Schokland, hebben gewerkt. Het werd een nogal onvolledig en deels onjuist artikel. In 1941 publiceerde L.J. van der Heijden in “Het Archief voor de Geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht” een artikel genaamd “Uit het katholiek verleden van Schokland”, waarin in chronologische volgorde de pastoors van de parochie van de H. Aartsengel Michael op Schokland werden besproken. Door de hernieuwde belangstelling voor het oude Schokland zijn de laatste jaren zoveel nadere bijzonderheden aan het licht gekomen, dat het zinvol lijkt om opnieuw aandacht schenken aan de Schokker pastoors, die in de meeste gevallen het lang niet gemakkelijk hebben gehad op het afgelegen en in hun ogen vaak primitieve eiland. Hierbij is veelvuldig gebruik gemaakt van het artikel van Van der Heijden, aangevuld met wat ik elders vond in andere publikaties en, vooral, in vele archiefstukken.

De pastoors van Ens

Gegevens over de pastoors van Ens zijn zeer spaarzaam. Slechts een drietal namen zijn bekend: Hendrik, 1329

In 1329 was een zekere Hendrik, rector der scholen te Kampen, cureet van Ens, dat toen dus reeds een parochie was. In 1388 wordt Ens in een briefook als zodanig genoemd. Volgens een oud verhaal zouden de kerken van IJsselmuiden, Ens en Nagele op een lijn hebben gelegen en gesticht zijn door drie zusters. Op ca. 1300 meter ten westen van de huidige kerkru'ine op de Zuidpunt van Schokland zijn spaarzame resten gevonden van het eerste kerkje van Ens. Omstreeks het jaar 1300 moet deze plaats verlaten zijn in verband met het oprukkende zeewater, en werd het kerkje op de Zuidpunt gebouwd, waar waarschijnlijk pastoor Hendrik

9

werkzaam was.

Dire van Ludinckhuijsen, 1427

Dire van Ludinckhuijsen werd in 1427 vermeld als pastoor te Ens, toen de Gelderse hertog tijdens de oorlog tussen Gelre en het Sticht aan hem en de “gemene buren” van Ens een vrijgeleide naar Harderwijk en Elburg toestond.

Simon Janszoon, eind 16de eeuw

In 1572 werd de kerk van Emmeloord door de Watergeuzen geplunderd. Kort daarna ging de pastoor van Ens, Simon Janszoon, over tot het protestantisme. Een deel van de Enser bevolking volgde hem hierin, in tegenstelling tot de Emmeloorders, die katholiek bleven onder de bescherming van hun katholieke heren.

In de zestiende eeuw behoorde het kerkje toe aan het kapittel van Zwolle. In 1598 werd Ens door de Overijsselse Synode onder de classis Kampen ingedeeld. Tweejaar daarvoor werd Ens bij de classis-indeling nog niet vermeld. De eerste predikant van Ens, Petrus Aemilius, werd in 1598 beroepen.

De pastoors van Emmeloord

We vernemen voor het eerst in het jaar 1132 van het bestaan van een kapel op Emmeloord in een oorkonde van de Utrechtse bisschop, waarin de parochiekerk van Stavoren en de aan haar onderhorige kapellen aan de Benedictijnen van het St. Odulphusklooster te Stavoren worden geschonken. In die oorkonde komt Emmeloord voor onder de naam Emelwerth of Emelwart. Paus Innocentius IV bevestigde in 1245 het klooster in zijn bezittingen en goederen, waarbij vermeld werden de kerken op Nagele, Emmelwerd en Urch. Volgens oude overleveringen zou Nagele gelegen hebben tus¬ sen Urk en Schokland, en wel gemeten vanaf Urk op ongeveer eenderde deel van de afstand tussen beide eilanden. Mogelijk maakten de drie plaatsen deel uit van een groot eiland, hoewel deze veronderstelling door sommige wetenschappers als achterhaald van de hand wordt gewezen. Op oude zeekaarten werd deze plek aangeduid als De Nagel, of Het Urker Kerkhof, een plek die door de vissers van de Zui¬ derzee werd gemeden, omdat zij hier vaak hun netten

10

scheurden. Men zei dat hier een verzonken stad lag, waarvan de muren en grafzerken op een diepte van 12 tot 13 voet te vinden waren. Omstreeks 1772 zou de Schokker Jan Bruinsen Visser (1751-1842) op deze plaats een kandelaar opgevist hebben, en ook het Schokker doopvont zou op deze plaats opgevist zijn, door een zekere Cock.

Niet lang na het jaar 1245 is Nagele door stormvloeden weggeslagen, waarbij delen van het latere Schokland niet gespaard zullen zijn. Mogelijk is dat in 1307 of 1308 gebeurd. In deze jaren werden namelijk enkele inwoners van Nagele ingeschreven in de Burgerboeken van Kampen, evenals nogal wat Ensenaren, wellicht op de vlucht voor het oprukkende water.

Over de ondergang van Nagele bestaat een oude legende. Tijdens een ruzie tussen twee mannen in een herberg op Emelerwaard, dat op Nagele gelegen zou hebben, kwam de pastoor tussenbeide en probeerde de vechtenden te scheiden. Een van de vechtenden vloog op de priester af en doorboorde zijn hart met een mes. Voor de pastoor de geest gaf, uitte hij de voorspelling dat Nagele door de zee zou worden verzwolgen, en dat de vissers hun netten stuk zouden scheuren aan de stenen van het verdronken dorp: “Emmelwerth, ik had u zo lief, en vreselijk is de strafdie over u komen zal. Zelfs de doden zullen niet in hungraven blijven rusten, En aan de muren van uw Godshuis zullen de vissers ten eeuwigen dage hun netten scheu¬ ren.” Aldus gebeurde.... Een variant op deze legende werd in Volendam genoteerd. Lang geleden sloop een laaghartige Schokker ‘s nachts naar de haven om een gat te zagen in de hotter van een concur¬ rent. Deze had hem echter gezien, en ging naar het huis van zijn vijand om hem met zijn bijl te lijf te gaan. De onmiddellijk gewaarschuwde pastoor probeerde tussenbeide te komen, maar tevergeefs. Toen hij hen achteruit trok en zich tussen hen plaatste, werd hij door een dodelijke slag getroffen. Neerzinkende in zijn bloed sprak hij een vloek uit over Schokland en zijn bewoners. Niet lang daama, zo werd gezegd, kwam er een hevige storm opzetten, en in doodsangst vluchtten de Schokkers naar het vasteland.

11

Waar de middeleeuwse kerk van Emmeloord heeft gestaan is niet precies bekend. Het schijnt dat de bewoners van Emmel¬ oord eerst meer naar het noord-oosten woonden, en door landafslag gedwongen werden naar het zuiden te verhuizen, naar de plaats van het huidige Oud-Emmeloord.

Terwijl er van Ens slechts een drietal namen van pastoors bewaard gebleven zijn, weten we veel meer van de pastoors die op Emmeloord werkzaam waren. Opvallend is dat voor vrijwel alle Schokker pastoors geldt dat Emmeloord hun eerste standplaats als pastoor is. Meer ervaren pastoors zaten blijkbaar niet te springen om naar Schokland overgeplaatst te worden, dat werd aan jonge kapelaans overgelaten, die blij waren eindelijk bevorderd te worden tot pastoor.

Everard

Pastoor Everard moet kort voor of in het jaar 1383 overleden zijn.

Martinus Puthof, 1383

De kapel te Emmeloord was tot het jaar 1383 eigendom van het klooster van St. Odulphus te Stavoren. In dat jaar werd de Utrechtse bisschop Floris van Wevelinckhoven eigenaar van de Emmeloordse kapel, in ruil voor de Friese parochie Koudum, in de onmiddellijke nabijheid van het klooster gelegen. Pastoor op Emmeloord was toen Martinus Puthof, die de overeenkomst tekende, daar zijn voorganger Everard door de dood verhinderd was deze oorkonde te bezegelen. De Emmeloorders waren schatplichtig aan de Utrechtse bisschop: jaarlijks betaalden zij op de feestdag van Sint-Bonifacius een bepaald bedrag aan de bisschoppelijke rentmeester te Vollenhove.

Onbekende priester, 1572

In 1572 werd de kerk te Emmeloord door de Watergeuzen geplunderd en de niet met name bekende pastoor verdreven. Onder bescherming van de katholieke heer van Urk en Emmeloord, Gerrijt Zoudenbalch, kon het katholieke geloof zich echter handhaven.

Gerrijt Reinierszoon, 1584-1597

Op 3 februari 1584 verscheen de nieuwe “predicant” oftewel

12

pastoor Gerrijt Reinierszoon voor het gerecht van Emmeloord, bestaande uit Luijteijn Tijmenszoon, scholtus op Emmeloord, en de borgemeesteren Jacob Dijrcxzoon, Evert Hillebrants, Evert Albertszoon, Dijrck Janszoon en Jacob Dijrcxzoon. De pastoor toonde het gerecht een brief van de landsheer Gerrijt Zoudenbalch, waarin hij toestemming kreeg om als pastoor op Emmeloord werkzaam te zijn. De brief werd door het gerecht van Emmeloord voor echt verklaard, waarmee Gerrijt Reijnierszoon door de Schokkers als pastoor werd aangenomen. De pastoor leed een zeer sober bestaan. De parochianen konden niets bijdragen en de kerk zelf was arm, zoals blijkt uit de volgende kerk en armenstaat: Kerkegoedt van Emmelort, anno LXXXX1III. Staet ende specificatie van de goederen behorende tot die kerck van Emmeloirt, gescreven vuijt die mont van Laurens Willemsz ende Herman Timansz ende Egbert Hermansz, kerckmeesters over hetjaer 1594. Eerst aen eighen lant, twee stucken lants, die gebruijckt worden bij de schout Jacop Dircksz, Jan Dircksz ende Herman Willemsz, geven t’samen mit seeckere pacht die sij vuijt andere gronden geven. Die kerck heeft noch inkomen, afgetoghen dat gekort wordt voor biergelt: 61 g. D’oncostenjaerlix: 2 g. Die pastoor: 33 g. 10 st. In dese tijt te vorderen: 13 g. 10 st.

Memorie.

Te scriven aen den drost van Vollenhoef, dat die gemeinten van Emmeloort ende Kuijnre ende Blancheim hebben seeckere renten, behoorende tot hun wesen ende armen die niet betaelt ende worden, dan d’selve mochten betaelt worden bij sijn autoriteijt.

Staet van de armengoederen in Emmeloert. Rest op 4jaeren, Claes Man te Kuijnre VI1/2golt g. mair betaelt Vgoltg. Jan Remmersz Blaesvelt Alt Meeus Diegemeinte in Emmeloirtgeven: Jan Jacopsz tot Emmeloirt:

IXgoltg. VII112g. loort IXK.g. IIg. 7 st.

13

De schout Jacop Dircx, de kerkmeesters en de gemeente van Emmeloord schreven op 14 juli 1597 een brief aan landsheer Gerrijt Zoudenbalch waarin zij hem vroegen om “een goeden en bequamen herder, pastoor ende predicant”, omdat hun pastoor Gerrit op “den Pinxteren voer den Maendach” (16 mei 1597) overleden was. Uit deze briefblijkt dat de pastoor niet alleen op Emmeloord werkzaam was, maar tevens “onsen kercke Urck” bediende.

Andreas Caffeberch, 1598

Aan hun verzoek werd spoedig voldaan, want uit een brief van 17 juli 1598 blijkt dat Andreas Caffeberch (Caffeborgh) op dat moment “dienaer onwerdich des Godtlickes wordts op Emmeloort” is. Waarschijnlijk is hij van Duitse afkomst, gezien de mengelmoes van Duitse en Nederlandse woorden in zijn brief. Eerder was hij pastoor te Kamperveen. In hetzelfde jaar werd de eerste predikant op Ens benoemd, en drong men in Overijssel met nog meer kracht aan op de reformatie van Emmeloord en Urk, waar, zo klaagde men, de mis gehouden werd tot nadeel van de Gereformeerde Kerk in dit gewest, “naest aen die plaetsen gelegen”. Het was gebleken dat nogal wat katholieken uit de omliggende gemeenten naar de eilanden trokken om daar de H. Mis bij te wonen. Na overleg met Holland en de Staten-Generaal traden de Staten van Overijssel op “doende den altaer in de kerkcke te Emelort affbreecken ende den pape vertrecken".

Op zondag 21 augustus 1622 deed dominee Hiddingh van Ens zijn intrede op Emmeloord en werd “de waere Godsdienst” daar ingevoerd. Het altaar in de kerk werd afgebroken en de pastoor verjaagd. De Emmeloorders bleven echter trouw aan hun katholieke geloof, zoals bleek uit tal van klachten, uitgebracht op verschillende Overijsselse synodevergaderingen.

In deze tijd werd Schokland veelvuldig door missionarissen bezocht. De Franciscaner pater Antonius Verweij deed in 1636 verslag van zijn missiearbeid vanaf 1617, waarin hij beschreef hoe hij op doorreis van Amsterdam naar Friesland ook Urk, Ens en Emmeloord aandeed, om daar te prediken, te dopen en de H. Sacramenten toe te dienen.

De Jezuieten-missionarissen Adrianus Courten en Nicolaas Borluijt, die resp. van 1619 tot 1632, en van 1627 tot

14

1629 te Zwolle in de statie in de Koestraat werkzaam waren, bezochten de eilanden Schokland en Urk van tijd tot tijd. Zij verklaarden dat hen een grote oogst ten deel zou zijn gevallen, als zij er maar lang genoeg hadden kunnen blijven. In 1633 beklaagde de Overijsselse synode er zich over dat op Emmeloord de priesters voortgingen met huwelijken sluiten en dopen, wat de schuld zou zijn van Jonker van der Werve, de “Paepsche Heer tot Emmeloort”.

Toen in 1660 Emmeloord door Van der Werve aan Amster¬ dam werd verkocht, was daar een katholieke priester en een katholieke schout. De eerste werd van het eiland verwijderd, en de tweede ontslagen.

Hillebrandus Futsius, 1664-1666

Schokland zou echter niet lang zonder pastoor blijven. A1 in 1664 treffen we hier Hillebrandus Futsius aan. Hij was geboren in Monnikendam, en werd in 1662 missionaris in NieuwNederland (New-York). Toen in 1664 Nieuw-Nederland door de Engelsen op de Hollanders werd veroverd, was hij genoodzaakt weer te vertrekken. Kort daarna werd hij pastoor op Emmeloord. Een fraaie kerk zal pastoor Futsius op Emmeloord niet hebben aangetroffen. Uit 1663 dateert de volgende beschrijving van het kerkgebouw: “Binnensdijks is het Landt zeer laegh, en doorgaens al gebroken lant, daer men te voet niet kan doorgaen, dan met een plankje van het eene lant op ‘t ander; alleenlijk is er een Menne-padt, dat van de huizen een groot stuk weeghs na de Kerk loopt, tot aen het Westersche dijkje, daer langs heen men na de Kerk gaet, die vrij hooger staet dan het gemene landt, maer evenwel bij springtijdt of een grooten storm wel vier of vijf voeten in ‘t water komt te staen, die, alsook de huizen dan alleen gezien, en bij het aenhouden van een stormwint meermalen beschadight worden. Dit Kerkje is een oudt en vervallen gebouw, daer in men noch een Paepse dootkist vindt, en staet gegront op een hoop vervuilde koemis, met eenige zooden uit hun landen en slooten te zaamen vermenght, gelijk ze meestal hun huizen en schuuren op dusdanige stoffe zetten. Want als d’Eilanders oordelen dat deze t’zamen-gemenghde en verschei-

15
16
Mariabeeld in de R.K. kerk te Vollenhove, afkomstig uit de kerk op Emmeloord.

de stoffe na ‘t verloop van eenigen tijt dicht genoegh in een gepakt is, daer op gaen ze dan hun huizen en hoischuren bouwen.”

Pastoor Futsius stierfop Schokland, op 5 december 1666.

Meiniert Dirksz, 16667-1671?

Hillebrandus Futsius werd opgevolgd door Meiniert Dirksz. Op de synode van 5 augustus 1666 te Enkhuizen werd door dominee Cornells Transivil geklaagd over de “paepsche stoutigheden” en “de excessive stoutigheden des pausdoms tot Emmeloord”, waar niet alleen een “paep” resideerde, en een “nieuwe plaats tot haer afgodische exercitie" was, maar waar tevens de predikant van Ens, die ook in Emmeloord placht te preken, in zijn dienst belet werd. Telkens als er een “afgodendienst” op Emmeloord werd gehouden, dan trok dat veel “volck van buijten”, van het vasteland.

Klachten gericht aan de stad Amsterdam hadden niet het gewenste gevolg, wat blijkt uit het verslag van de synode van Alkmaar, gehouden in 1668. De pastoor en de katholieke schoolmeester verbleven op dat moment nog steeds op Emmeloord, wat een steeds grotere toestroming van pausgezinden van alle kanten tot gevolg had. De “paepsche stoutig¬ heden" vermeerderden dagelijks, werd gezegd, en men ging zelfs zo ver dat men de predikant, toen hij daar kwam om zijn dienst te houden, de toegang tot de kerk ontzegd heeft. Opnieuw werd door de classis bij de Amsterdamse landsheer aangedrongen op maatregelen tegen het katholicisme op Emmeloord. Geeist werd dat de predikant ongehinderd zijn werk kon doen, dat de pastoor van het eiland verwijderd zou worden en de katholieke onderwijzer door een gereformeerde vervangen zou worden. Ook zou er voor gezorgd moeten wor¬ den, dat de predikant niet alleen door de Ensenaren, maar ook door de Emmeloorders betaald zou worden. Voorheen werd de pastoor deels betaald uit de opbrengst van enkele landerijen op Emmeloord. Toen er niet meer aan de pastoor, maar aan de predikant betaald zou moeten worden, beweerden de Emmeloorders dat er geen geld meer was, omdat de bewuste landerijen weggespoeld zouden zijn. Uit verslagen van de synode van 1669 en 1670 blijkt dat de klachten niet hebben geholpen. In het verslag van de synode die in 1671 te Hoorn gehouden

17

werd, lezen we over de ellendige toestand van het kerkgebouw op Emmeloord. “De kerck aldaar was zonder dack en predickstoel”, vertelde men op het Amsterdamse stadhuis, en werd haast door de zee weggespoeld. Omdat er niet een mens op Emmeloord van de gereformeerde religie was, vond men het verloren moeite en kosten om de kerk te herstellen. In Amsterdam vond men het ook niet nodig iets tegen de katholieke schoolmeester te ondernemen. “Die rouwe eijlanders” zouden toch geen gereformeerde schoolmeester willen hebben, en konden niet gedwongen worden. Meiniert Dirksz bleef waarschijnlijk tot omstreeks 1671 op het eiland. Hij stierf als pastoor van Lutjebroek op 17 februari 1689.

Cornells Hartman, ....-1676

Cornells Hartman, Amsterdammer van geboorte en Oratoriaan, was pastoor op Emmeloord tot 1676. In dat jaar werd hij pastoor te Oegstgeest, en in 1679 te Hoomade, waar hij overleed op 27 mei 1692.

Onbekende priester, 1677

Na het vertrek van pastoor Hartman werd door de Apostolische Vicaris Joannes van Neercassel een niet met name bekende priester naar Schokland gezonden, zoals blijkt uit een brief van hem, gedateerd 6 april 1677, aan de katholieken van Emmeloord, Ens en Urk: “Brenger dezes komt tot U Ed. door mijne bestiering, om U Ed. sielen te bedienen en in den H. tijt van de goede week en paeschen door de H. Sacramenten en Gods woord te verstercken. Ick hope, dat hij U Ed. soo bevallen zal, dat ge U Ed. gelukkig zult achten, hem tot uwer dienst en hulp der zielen te gebruicken. Voorders wensche U Ed. Gods genaedighsten zegen toe en blijve U E. toegeneighsten dienaer Joannes, Bisschop van Castorie en der Vereenigde Nederlanden.” Of deze priester slechts tijdelijk op Schokland verbleef en na de Paasdagen weer is vertrokken, ofwel langer op het eiland is gebleven, is niet duidelijk.

Joannes Bruijningh, 16807-1682

Joannes Bruijningh was geboren in Furstenau in het Lingen-

18

se district te Duitsland. Wanneer hij pastoor op Schokland is geworden, is niet meer te achterhalen. In ieder geval was hij dat al op 17 September 1680, toen de Apostolische Vicaris hem schreef: “Omdat ik een goed vertrouwen heb in uwe herderlijke ijver en zorg voor uw kudde en ik meer wensch deel te nemen in uwe verdienstelijke arbeid, zend ik U mijn zegen, alsook zestien ducatons.” In 1681 zond hij weer een geldbedrag, ditmaal 50 gulden, waarvan 25 voor het lezen van 50 H. Missen voor de ziel van Cornelius Nobelaer, Heer van Cabauw, en de rest zonder enige verplichting. In het jaar daarop zond hij wederom 16 ducatons voor het lezen van 50 H. Missen. Pastoor Bruijningh maakte turbulente tijden mee op het eiland Schokland. De regering van de stad Amsterdam wenste niet langer te tolereren dat de schout en de schoolmeester op Emmeloord rooms waren en dat er een pastoor werkzaam was. De katholieke onderwijzer werd vervangen door een gereformeerde, de pastoor werd gemaand te vertrekken, en de schout Steven Cornelisz werd te kennen gegeven zijn ambt en bescheiden over te dragen aan de nieuw-benoemde schout, Petrus Winsemius uit Blokzijl.

De Emmeloorders, in het bijzonder Louwe Harms, Trijn Harms, Pieter Claesz, Henrick Alberts en Jan Willemse, lieten het er niet bij zitten, en bleven zich verzetten tegen het gezag van de nieuwe schout en zijn schepenen. De eerste drie hadden er daarom geen bezwaar tegen om de verbannen pas¬ toor enige tijd daarna naar Emmeloord over te varen, zodat hij enkele diensten waar kon nemen. Schokland was in rep en roer. Dertien Schokkers zonden namens “de gansche gemeente en borgherije van Emeloort” een briefaan de schout van Emmeloord, waarin geklaagd werd over het gedrag van “Louwe Harms en consorten”, die al een jaar lang de gemeen¬ te in gedurige zorg en bekommernis zouden houden. Louwe Harms, Trijn Harms en Pieter Claesz verklaarden op hun beurt dat de meeste van de dertien Schokkers, die de klaagbrief hadden ondertekend, niet wisten wat zij tekenden, omdat zij niet konden lezen en de brief niet aan hen was voorgelezen. Tijdens de kerstdagen van het jaar 1682 werd het eiland Schokland hevig in beroering gebracht. Schout Winsemius

19

had een plan bedacht om de priester van Emmeloord te arresteren en hem daarna gevankelijk weg te voeren naar de vaste wal. Doch de arrestatie mislukte door de trouw van de parochianen aan hun zielzorger. In de Nieuwe Eeuw van 31 december 1931 lezen we over deze “Amsterdamsche expeditie tegen Schokland

“Evenals de pastoor was er ook nog steeds een Katholieke onderwijzer, die de kindertjes der visschers de elementaire begrippen der algemeene ontwikkeling volgens de leer en inzettingen der Katholieke Kerk bijbracht, en verder den pastoor hand- en spandiensten verleende bij diens kerkelijke en herderlijke werkzaamheden. Eerst moest nu de paepsche “meester” verdwijnen, althans het geven van onderwijs werd hem verboden en dan zou hij vanzelf wel eclipseeren, dachten de onnoozele Amsterdammertjes! Zij zonden alvast uit hun veste een “godzalige Gereformerde schoolmeester”, die de jonge Emeloortjes wel eens andere leeringen zou verkondigen, meer in overeenstemming met de dwangmiddelen der heerschende Kerk. Vervolgens moest de geliefde pastoor de laan uit. Hij werd ingevolge de in geheel Holland vigerende plakkaten gebannen van het eiland met bedreiging van daar ooit weer te komen, of anders met den schout en zijn rakkers kennis te maken en door dezen eenvoudig naar het Amsterdamsche Tuchthuis aan den Heiligeweg te worden getransporteerd, om daar als misdadiger gevangen te zitten als meerdere pastoors en geestelijken voor hem. Voorlopig konden de Emeloordsche parochia¬ nen daar niets tegen doen. Zij zagen hun herder en ziel¬ zorger met tranen in de oogen vertrekken. Wat zij er voor in de plaats kregen, begeerden zij niet, t.w. de Hervormde predikant van het zuidelijk gelegen Ens, die nu het geheele eiland moest bepreeken en de herderlijke bediening in Protestantschen geest voor beide dorpen had waar te nemen. Doch de Emmeloorders waren niet van zins onder zijn gehoor te komen en bleven trouw aan de Kerk hunner vaderen. Als derde obstakel moest nu ook nog de katholieke schout, tot dusverre vertegenwoordiger van het burgerlijk gezag, verdwijnen en ook aan dien braven ambte-

20

naar, Steven Cornelisz geheeten, hadden de eenvoudige eilanders hun hart verpand, zoodat zij zeer verslagen waren, toen voor hem in de plaats werd benoemd Pet¬ rus Winsemius van Blockzijl aan de Overijsselsche Zuiderzeekust. Deze derde maatregel deed bij de Emeloorders de gal overloopen en zij namen zich voor om zich tegen de in hun oog gewelddaden tot het uiterste te verzetten. Al gauw zou het blijken, dat zij de daad bij het woord voegden, consequent bleven in hun verzet uit godsdienstige overtuiging en op grond van hun kerkelijk standpunt, maar tengevolge van de overmacht dit openbaar tumult tenslotte duur moesten betalen.

Toen Petrus Winsemius namelijk zijn lastbriefhad ontvangen van de Amsterdamsche heeren, wachtte hij niet lang om zijn post te bezetten. Hij ging naar het eiland, maar vond daar nog Steven Cornelisz in de uitoefening zijner bediening, zij het dan onwettig. Doch de eilan¬ ders drongen bij schout Steven aan om bij hen te blijven en zijn post niet over te dragen, de ambtelijke stukken onder zich te houden en te weigeren den ketterjager (want dat zou spoedig genoeg blijken!) Petrus Winse¬ mius als zijn opvolger te erkennen. Voorloopig vond de nieuwbenoemde, gezien de dreigende houding der visschers, het niet geraden om in te grijpen of zich met geweld van zijn ambt meester te maken en retireerde naar den vasten wal. In dien tusschentijd namen de eilanders de gelegenheid waar om ook hun verdreven pastoor, Heer Nicolaes Bruijninckx (lees: Joannes Bruijningh), weer in hun midden te halen en uit zijn handen de H.H. Sacramenten te ontvangen, zulks tot groote ergernis van den predikant van het zuiderdeel, die nu wel heelemaal in Ens kon blijven, en nog minder kans kreeg om onder de Emeloorders zieltjes te winnen. Zoo was de situatie toen de niet erkende schout Winse¬ mius van de “alteratie” vernam, die hem tot groote opwinding bracht en tot daden van geweld aanspoorde. Nogmaals sommeerde hij den priester om naar den vasten wal terug te keeren en toen aan die lastgeving geen gevolg werd gegeven, ging hij met een schuit op den eersten Kerstdag van het jaar 1682 naar Schokland, met zich nemende den schipper Thijs Jacobs en

21

een scheepsjongen. In dit geval had hij beter een klein legertje kunnen meebrengen, om het oproerige rijkje in de Zuiderzee te onderwerpen, want hij wist dat de eilanders tot het uiterste zouden gebracht worden, als hij hun priester als gevangene trachtte mee te voeren!

Om een uur des nachts lei de schuit ter bestemder plaatse aan en de schout stapte in gezelschap van den schipper op de eenvoudige woning van den geestelijke aan. Zij hadden den scheepsjongen met opzet achtergelaten om een oogje in ‘t zeil te houden, dat de “vijanden” de schuit niet losmaakten om ze in zee te laten drijven, want dan zouden ze met den gevangen priester niet aan land kunnen komen en dus een “glorierijken intocht” missen.

Bij de woninggekomen, klopte de schout een paar maal flink op de deur, waarna de zuster van de priester het venster omhoog schoofen van daarachter vroeg, wat er aan de hand was en wat men in dit middernachtelijk uur nog zoo laat aan haar woning kwam doen. De schout Petrus Winsemius gafhaar kort en bits ten antwoord, dat hij kwam om haar broer, den priester, te spreken, jegens hem de plakkaten van de Edel Groot Achtbare Heeren ten uitvoer te brengen, en dat zij dus maar spoedig de deur had te ontsluiten. lnplaats van door deze taal uit het veld te zijn geslagen, trachtte de vrouw onmiddellijk vastberaden het venster naar omlaag te schuiven en alzoo den schout te beletten in haar woning binnen te dringen. Deze had echter “ex officio”, gelijk hij in zijn ambtelijk rapport verklaarde, zijn hand tusschen kozijn en raam gezet, waardoor hij de poging der huishoudster verijdelde, maar niettemin eenige lichte kwetsuren opliep. Intusschen dezen toeleg opvattend als tegenstand en verzet, sprong eerst hij en vervolgens de schipper ten vensteren in (door het omhoog geschoven raam) en kwam alzoo in de voorkamer. Maar toen blies de rappe vrouw gauw de kaars uit, zoodat beide vervolgers in het pikkedonker rondscharrelden. De schout wist echter de moedige vrouw de kaars afhandig te maken en met eenige moeite vuur te maken, zoodat hij licht kreeg. Nog een paar andere kaarsen werden gevonden en deze werden eveneens

aangestoken, waardoor het terrein verkend kon worden. De schipper werd nu gelast bij de vrouw te blijven en haar te beletten haar broer op eenigerlei wijze te helpen ontvluchten, waarna de schout op verder onderzoek uittoog, daartoe het ontbloot rapier voor zich uit dragende, bang als hij was voor een onverhoedschen overval in dezepriesterlijke woning. Intusschen was ook de geestelijke door het gestommel wakker geworden, opgestaan en fluks in de kleeren gesprongen. Daarmee nog beezig stapte de schout zijn vertrek binnen, die hem aanzeide zich over te geven, daar hij, schout van Emeloord, krachtens die functie, uit naam en op bevel der Staten, hem moest arresteren. Niet zoodra had de priester dit gehoord, of hij sprong op, vluchtte de kamer uit van het eene vertrek in het andere, op de hielen gevolgd door den schout, tot zelfs door de kerk en het turfhok, daar de vervolgde beter dan zijn vervolger de kronkelingen kende en er zelfs in slaagde te ontkomen. De schippers was door al dit lawaai en geren, de eene kamer uit en de andere in, in den waan gebracht dat de schout in nood verkeerde en dat de geestelijke op onverwachte wijze helpers had gekregen, zoodat hij de vrouw in den steek liet, om den schout desvereischt bij te staan. Maar dit verlaten van zijn post werd hun beiden noodlottig. Immers, zoodra de vrouw zich onbewaakt wist, sprong zij op haar beurt het venster uit en begon luidkeels te schreeuwen van moord, brand, huisbraak, waarop onmiddellijk het geheele gebuurte op de been kwam, om de bedreigden te helpen. En toen de vrouw aan de helpers vertelde dat het om haar broer te doen was, dien de schout, “van de stad” (Amsterdam) kwam gevangennemen, werden de gemoederen tot het uiterste beroerd en opgewonden. Het begon er voor den schout en den schipper dan ook leelijk uit te zien, daar de parochianen naar het rapport van den eerste als dolle stieren en verwoede beren op hen kwamen toerennen, roepende en schreeuwende: Waar is de ketter, de verdoemde hond, de vervolger van ons Katholiek geloof; wij zullen hem aan riemen snijden, met onze tanden uit elkaar rukken, enz. enz., een taal die weiniggoeds voor-

23

Blad met bede uit een kerkboek , welke pastoor ter Schouw als aandenken gaf aan zijn parochianen bij de ontvolking van Schokland.

mm /3, < •»* /*<t *vei, r f 'f * + <6'€*ts''r < c ^ <V * •» « >• *?** /-AS*€%.,-s? tsts? t is- i > .%S| c . I t, it.. e-st-. i'sAs t ' t ’ ? * Ai >'t,i«,,„• c\ ii t /a<. /• ,i,. ’i- 'f-Cf A'At*~s* //> <i.
24

spelde! De schout had inmiddels de deur een weinig opengedaan om de opgewonden gemoederen te sussen, dock de visschers drongen, zoo schreef hij later, nog meer op als heidenen en barbaren om aan hun wraakgevoelens voldoening tegeven. En ware het niet, dat een viertal onder hen wijzer bleken dan de rest en zachtmoedig gestemd jegens hun vijanden, naar het gebod van onzen volmaakten Zaligmaker Jesus Christus, dan zou het ongetwijfeld slecht met schout en schipper zijn afgeloopen.

Dezen namen de vervolgers, thans echter vervolgden geworden, in hun bescherming en schreeuwden de anderen toe: Wat voor den duivel willenjullie nu beginnen?, vreezende voor de gevolgen, welke uit zulk een moord zouden kunnen voortvloeien. Zij leiden schout en schipper naar een ander huis en sloten hen daarin op, totdat de woede des volks eenigermate zou bekoeld zijn. Daar werden de gevangenen echter nog niet met rust gelaten, beangst door de vreeselijkste dreigementen, uitgescholden voor alles wat leelijk was, terwijl de een den ander ophitste tot daden van geweld, waartoe het gelukkig niet kwam.

Dit spelletje duurde van een uur oftwee des nachts tot aan het ochtendgloren, en de schout erkende later zelf in zijn ambtelijk rapport, dat hij met zijn maat, den schipper, een vreeselijken nacht had doorgemaakt, dien hij onder zulke lotgevallen en omstandigheden nooit weer hoopte te beleven. De nog steeds niet tot rede en lijdzaamheid gebrachte menigte koelde nu haar wraak op de schuit, waarmee de schout en zijn makker waren overgekomen, die geplunderd, van het roer ontdaan en tegen de steenen en palen lek gestooten werd. De wraak was toch zoet, al werd zij dan gekoeld aan doode dingen.

Misschien maakten zes betergezinde Emeloorders, waaronder vier volgens hun eigen verklaring burgemeesters waren en die dus hun verantwoordelijkheid als ordebewaarders ook wel beter bewust moesten zijn, van die gelegenheid gebruik om de beide gevangenen opnieuw over te brengen naar het huis van den gewezen schout Steven Cornelisz, waar schipper en schout elk in

25

een apart hok werden opgesloten. In kort geding werd nu hun zaak berecht een eenstemmig werd onder het uitspreken van voor den schout zeer beleedigende woorden vonnis gewezen, inhoudende dat beiden in de stuurlooze en onttakelde schuit zouden worden gezet, die vervolgens aan het spel van wind en golven zou worden overgelaten, zoodat de opvarenden maar moesten afwachten hoe en waar ze terecht zouden komen. Even snel als dit vonnis gewezen was, werd het ook uitgevoerd, en onder het gejouw, gevloek, gescheld, gestoot en geduw van de woeste menigte ging het in optocht naar de schuit. Onderweg moesten schout en schipper de verzekering aanhooren, dat de Emeloorders vast van plan waren alles wat zij hadden te wagen voor de verdediging van hun geloofen Kerk, tot zelfs hun leven toe, eerdat zij zouden gedoogen dat hun priester, Kerk en geloof zouden worden afgenomen. Voorwaar, kloeke taal, alleen in wat te verbolgen gemoederen daden van drift en wraak uitlokkende. Een historisch staaltje van een volksgericht!

Gelukkig voor schipper en schout viel de zeereis nog al mee en kwamen zij met den scheepsjongen door de genade Gods en als gered uit de tanden des leeuws en voor de poorten des doods, gelijk de schout betuigde, eindelijk behouden te Blokzijl aan.” Bovenstaand relaas is geheel gebaseerd op het rapport dat de verdreven schout over deze zaak uitbracht en zal daarom enigszins gekleurd zijn. De Emmeloorders beweerden tenminste later dat de schout met allerlei zwaar materiaal als mokers, koevoeten en bijlen op pad was gegaan, met het kennelijke doel om te vernielen. Bovendien had hij gedreigd de zuster van de pastoor dood te steken, waarna zij de buurt te hulp had geroepen. Hoe het ook zij, de Emmeloorders hadden het gezag van de nieuwe schout en zijn lastgevers, de stedelijke magistraten van Amsterdam, lelijk onderuit gehaald, en de gevolgen bleven dan ook niet uit. Een dertigtal soldaten uit Amsterdam kwamen naar Schokland om de 200 tot 300 Emmeloorders eens even mores te leren. Onderschout Engelbrecht, die het bevel had over deze expeditie, zond een spion vooruit om het terrein te verkennen, waarna de troepen zonder enig verzet Emmeloord bin-

26

nenvielen. Hiermee was Emmeloord overwonnen, de opstand de kop in gedrukt en de “ware Kerk” bevestigd, meende men. De gehele ondememing kostte de stad Amsterdam / 200,—, maar de Emmeloorders moesten nog heel wat zwaarder boeten. De schout kreeg gedaan dat Emmeloord een boete opgelegd kreeg van / 7000,—, waarvan de arme bevolking in totaal / 2300,— heeft betaald. Verder moesten zij alle aangerichte schade vergoeden en de onttakelde schuit op hun kosten in orde laten maken. Bovendien werden enkele van de meest opstandige Schokkers gevangen gezet, en een tweetal (waaronder burgemeester Klaas Dubbeltsz) zelfs na hun ontslag van het eiland gebannen. Pastoor Bruijningh werd eveneens van het eiland verwijderd.

De Apostolische Vicaris schreef op 23 maart 1683 aan pas¬ toor Bruijningh: “De uerschrikkingen der vervolging, welke gij hebt te verduren gehad, en de bekommernissen der Emmeloor¬ ders heb ik niet zondergroot medelijden uit uw laatsten brief vernomen. Wat nu U zelf betreft, kunt ge U ofwel begeven naar Tiara (pastoor te Oosterend), die niet meer voor zijn statie geschikt is, ofwel naar elders, waarvoor ik U bij Foppens (pastoor te Leeuwarden en Aartspriester van Friesland) heb aanbevolen. Derhalve vertrouw ik, dat ge zoo spoedig mogelijk zult vertrekken.”

Nog in hetzelfdejaar werd pastoor Bruijningh pastoor in Irnsum, waar hij opnieuw het slachtoffer werd van vele vervolgingen. Hij stierf daar op 27 december 1691, en werd begraven op het kerkhof der voormalige Duitsche Heeren in Nes bij Akkrum.

Intussen waren de katholieke Schokkers niet erg onder de indruk geraakt van de Amsterdamse poging de reformatie op Emmeloord door te drukken, want al gauw was de afgezette schout Steven Cornelisz alweer in zijn bediening hersteld. In april 1684 verzocht hij als “scout op Emeloort”, samen met de burgemeesters, aan de Apostolische Vicaris Petrus Codde om een nieuwe pastoor. Aan het verzoek werd niet voldaan, want de eerstvolgende jaren is er geen pastoor op Schokland gevestigd geweest, maar werd het eiland bediend door de geestelijkheid te Kampen.

27

Inmiddels was in 1684 de voormalige pastorie op Emmeloord door de stad Amsterdam gevorderd en aan Paulus Kleij, de nieuwe gereformeerde schoolmeester en koster, ter beschikking gesteld om daar een school te beginnen, in een poging “om de paapsche jeugd te onderwijzen ende van hare dwalingen af te trekken”. In een bovenvertrek van de voormalig pastoorswoning werd door de predikant van Ens om de veertien dagen gepreekt. Omdat op de buurt alleen de schoolmeester/koster en zijn vrouw protestants waren, werden die diensten slechts door twee mensen bezocht. Niemand op Emmeloord had belangstelling voor de werkzaamheden van de predikant. Zij wilden zijn jaarlijks traktement van 130 gulden best wel betalen, zei men, als hij maar wegbleef....

In 1686 klaagde Paulus Kleij, die door de Emmeloorders geboycot werd, dat een priester op Emmeloord de H. Sacramenten had uitgereikt, kinderen gedoopt, zieken bezocht en ander pastoraal werk verricht had, alsof er geen plakkaten tegen de uitoefening van de katholieke godsdienst bestonden.

Reijnerus Velthuijsen, 1692

Tot 1692 was er op het eiland geen vaste pastoor, maar kwam er af en toe vanuit Kampen geestelijke hulp. In dat jaar werd de statie hersteld en kreeg Emmeloord weer een eigen herder: Reijnerus Velthuijsen. Deze “Leuvensch godgeleerde en Meester in de Vrije Kunsten”, geboren in Wilnis, was op 29 maart 1687 door de aartsbisschop van Mechelen tot diaken gewijd. Op 15 September 1690 werd hij benoemd tot kapelaan te Kampen, van waaruit hij tevens Emmeloord bediende. In 1692 volgde zijn benoeming tot pastoor van Emmeloord, waar hij echter niet lang geweest is. Hij wordt omstreeks 1692 vermeld als pastoor van Oudenrijn. Hij was een overtuigd aanhanger van de Jansenistische partij, tot aan zijn dood te Utrecht in 1726.

De Apostolische Vicaris Petrus Codde (geboren 27-11-1648, overleden 18-12-1710) verbleef tijdens zijn vormreis door Salland drie dagen op Emmeloord, van 31 augustus tot 2 September 1697, en diende aan 152 Schokkers het H. Vormsel toe.

28

Lucas Becker, ....-1711

Lucas Becker werd geboren in Enschede en studeerde in Leuven. Wanneer hij pastoor op Emmeloord werd is niet bekend. Tijdens zijn verblijf op Schokland bediende hij ook het eiland Urk. In 1711 werd hij overgeplaatst naar Harderwijk, in 1724 naar Hoogwoud, en in 1732 naar Tuitjenhom, waar hij op 5 augustus 1752 stierf.

Wilhelmus van der Aa, 1711-1716

Wilhelmus van der Aa kwam in 1711 als pastoor op Schok¬ land. Hij doopte daar voor het laatst op 5 april 1715. In 1716 werd hij pastoor te Zijpe. Hij overleed in 1731 en werd begraven in de Ned. Hervormde kerk te Sint Maartensbrug.

Joannes Sobben, 1721

Joannes Sobben was kapelaan in Zwolle (Hoornsteegje) toen hij in 1721 tot pastoor op Schokland werd benoemd. Even leek het erop of de katholieken op Emmeloord wat rust gegund werd toen de Amsterdamse burgemeester Gerbrand Michielsz Pancras, die de katholieken zeer vijandig gezind was, in 1721 overleed. Het verblijfvan pastoor Sobben op het eiland zou echter maar van korte duur zijn. De oorzaak hiervan was dat de gereformeerden op Ens een nieuwe predikant hadden gekregen, dominee J.C. van Heijmenberg, die hun niet aanstond. Zij waren zo ontevreden, dat ze verklaarden liever naar de roomse pastoor te gaan dan een opgedrongen predikant accepteren. Hierop werd besloten dat de nieuwe pastoor van het eiland moest verdwijnen. Hij werd op 1 juni 1721 benoemd in Steenwijkerwold, waar hij op 18 oktober 1776 overleed.

Laurentius Janssing, ....-1726

Zodra de gemoederen op Schokland weer wat bedaard waren, werd een nieuwe pastoor aangesteld, namelijk Laurentius Janssing. Hij werd in 1726 naar Bakkum overgeplaatst, en op 6 februari 1730 naar Schapen in het Lingense gebied te Duitsland, waar hij bleeftot 1746.

Wilhelmus Entinck, ....-1729

Wilhelmus Entinck was in 1721 kapelaan in het Groningerland, en daama pastoor op Schokland.

29

In 1728 werd de oude Emmeloordse kerk verwoest tijdens een brand. Met fmanciele steun van de Amsterdamse burgemeesters werd een nieuwe kerk gebouwd. Op 29 September 1729 werd het gebouw ingezegend door de predikant van Ens. Blijkbaar werd de nieuwe kerk eveneens door de katholieken gebruikt, want in 1736 werd in de Kamper classicale vergadering de vergroting van de “paapsche” kerk op Emmeloord besproken.

Pastoor Entinck verbleef op Schokland tot 28 oktober 1729. Hij werd overgeplaatst naar Vollenhove, waar hij in 1752 overleed.

Joannes Hermanus Deeters, 1730-1734

Joannes Hermanus Deeters was geboren in Freezen, en ver¬ bleef in 1728 als missionaris op het kasteel Woolda bij Hengelo. Vandaar kwam hij in 1730 als pastoor op Schokland aan.

In de jaren dat hij op Emmeloord verbleef, werd enkele malen een zekere Elisabeth Deeters vermeld als getuige bij het sluiten van een huwelijk. Zij zal een naaste verwante van de pastoor zijn geweest, die als huishoudster op de pastorie werkzaam was.

Pastoor Deeters verbleef op het eiland tot eind 1734, toen hij vertrok naar het Lingense district te Bakkum. Op 24 oktober 1738 werd hij pastoor te Freezen, waar hij verbleef tot 1773.

Bemardus Mulders, 1734-1746 Bernardus Mulders werd op 16 december 1734 pastoor op Schokland, en was daar werkzaam tot 1746.

Johannes Eylardus Muller, 1746-1752

Johannes Eylardus Muller werd in 1746 pastoor op Schok¬ land.

Tijdens de Pinksterweek of Schokker-kermisweek van 1749 brandde geheel Emmeloord tot aan het kerkhof af, waarbij de kerk en 34 huizen verloren gingen. Niet lang daarna moet het kerkgebouw weer herbouwd zijn, want in 1811 meldde de toenmalige pastoor B. Herfkens, dat het “kerkhuijs”op Emmeloord, dat plaats bood aan 300 tot 400 mensen, evenals de onder hetzelfde dak gelegen pastorie, 50 of 60 jaar daarvoor door de kerkgemeente zelfwas gebouwd.

30

Op 9 maart 1752 werd pastoor Muller overgeplaatst naar Vollenhove, waar hij hetzelfde jaar nog vertrok, of mogelijk is overleden.

Josephus van Berckel, 1753-1758

Josephus van Berckel werd geboren in Uden. Hij studeerde in Uden, Luik en Leuven, waarna hij op 1 maart 1749 priester werd gewijd, waarschijnlijk in Roermond. Op 15 november 1750 verliet hij zijn oude bisdom en werd op de Hollandsche Zending aangenomen. Hij werd kapelaan bij Heer Speyaert op het Huis, gelegen tussen Arnhem en Nijmegen. Op 15 november 1753 werd hij benoemd tot pastoor van Ens en Emmeloord.

In de loop der achttiende eeuw was de houding van de regering en de protestantse burgerij tegenover de katholieken wat verdraagzamer geworden. Alleen de huwelijken tussen katholieken en protestanten, de zgn. “gespikkelde” of gemengde huwelijken, gaven zo nu en dan nog wat problemen, vooral toen in 1757 door de Staten van Overijssel bepaald werd dat kinderen uit een gemengd huwelijk in de Gereformeerde godsdienst moesten worden opgevoed.

Op 15 mei 1758 werd pastoor van Berckel overgeplaatst naar Vollenhove, en in december van hetzelfde jaar naar Bakhuizen. In 1759 volgde zijn benoeming tot pastoor in Kampen, waar hij in augustus 1779 overleed.

Gerardus Michael Hamsink, 1761-1762

Gerardus Michael Hamsink werd geboren op 8 maart 1738 in Oldenzaal. Op 26 juni 1761 werd hij benoemd als pastoor op Schokland. Hij verbleef hier slechts kort, want al het volgende jaar werd hij pastoor te Hoonhorst. In 1780 werd hij aartspriester van Salland, en in 1781 pastoor te Zwolle in de kerk Onder de Bogen.

Roerink, ....1762

Pastoor Roerink is volgens de naamlijst van de pastoors in de Hollandsche Zending tot het jaar 1762 op Schokland werkzaam geweest.

Arnoldus van Boekhold, 1762-1763

Voordat Arnoldus van Boekhold in 1762 pastoor op Schok-

31

land werd, was hij kapelaan in Raalte. Op 29 maart 1762 doopte hij voor het eerst op het eiland, waarbij hij in het doopboek aantekende: “Sup me Arnoldo van Boekholt missionario in insula Emmeloort sunt sequentes”. Hij stierf 14 april 1763 op Emmeloord.

Thomas Henricus Guijckink, 1763-1766

Thomas Henricus Guijckink werd in 1763 pastoor op Schokland. Op 1 mei 1763 sloot hij zijn eerste huwelijk op Schokland, waarbij Georgius Jacobus Guijkink, kennelijk een familielid, als getuige optrad. Enkele maanden later komen we nog een zekere Catharina Guijkink, en enkele jaren later een Gesiena Aleijdis Guijkink tegen onder de huwelijksgetuigen. Op 16 mei 1766 sloot hij zijn laatste huwelijk op Em¬ meloord. Kort daarna, in hetzelfde jaar, werd hij benoemd te Vilsteren, en in 1771 te Colmschate, waar hij op 16 november 1779 overleed.

Antonius van den Berg, 1766-1772

Antonius van den Berg werd pastoor op Schokland op 20 juni 1766. In 1767 ontving de drost van IJsselmuiden klachten, dat kinderen uit gespikkelde huwelijken in dienst gingen bij roomse mensen, en zo van hun geloof afraakten. Het volgende jaar werd dit door de Ridderschap en Staten verboden. Pastoor Van den Berg doopte zijn laatste Schokkertje op 17 januari 1772. Hetzelfde jaar werd hij benoemd in Vilsteren, en op 19 december 1776 in Steenwijkerwold, waar hij op 22 mei 1789 overleed.

Nicolaas Maria Pas, 1772-1776

Nicolaas Maria Pas werd geboren in Zwolle op 8 december 1746. Na zijn studie te Vreden en Leuven werd hij in 1770 priester gewijd en benoemd tot kapelaan te Montfoort. Op 22 februari 1772 werd hij benoemd tot pastoor op Schokland. Op 31 oktober 1776 doopte hij voor het laatst op Emmeloord. Hetzelfde jaar nog werd hij overgeplaatst naar Raalte. Nadat hij coadjutor was geworden van de aartspriester van Salland, G.M. Hamsink, volgde hij hem in 1799 op. Hij werkte mee aan de stichting van het semenarie te ‘s-Heerenberg,

32

waar hij later tot provisor aangesteld werd. Hij heeft veel gedaan voor de stichting van de R.K. Missies in onze kolonien aan de Kaap de Goede Hoop en op Java. Hij stierf op 15 februari 1819 te Raalte.

Joannes Adolphus Christianus Bloemen, 1776-1779

Joannes Adolphus Christianus Bloemen werd in 1746 in Oldenzaal geboren. Nadat hij kapelaan in Raalte was geweest, werd hij in 1776 pastoor op Schokland. Op 7 mei 1776 sloot hij daar zijn eerste huwelijk, terwijl zijn laatste doop was op 23 november 1779. In datzelfde jaar volgde zijn benoeming in Colmschate, waar hij overleed op 16juli 1793.

Hendrik van Bom, 1779-1789

Hendrik van Born werd in 1750 geboren op den Born aan de Nieuwe Wetering onder Lierderholthuis. In 1777 werd hij priester gewijd. Op 6 december 1779 werd hij pastoor op Schokland. Hij doopte voor het laatst op Emmeloord op 26 december 1789, waarna hij nog voor het nieuwe jaar benoemd werd als pastoor te Wijhe. Op 28 december doopte hij daar voor het eerst een kind. In 1799 werd hij pastoor in Zwolle (Onder de Bogen), waar hij op 10 oktober 1809 over¬ leed.

Hermanus Willemsen, 1790-1796

Hermanus Willemsen werd pastoor op Schokland in 1790. Hij voltrok zijn eerste Schokker huwelijk op 16 januari 1790. Zijn laatste Schokkertje doopte hij op 15 mei 1796. Hij vertrok in dat jaar naar Lierderholthuis, waar hij als pastoor overleed op 16 maart 1808.

Bartholomeus Doorenweerd (1796-1808)

Bartholomeus Doorenweerd, welhaast de bekendste Schok¬ ker pastoor, werd geboren in Zwolle op 28 mei 1767 als zoon van Bernardus Doorenweerd en Maria Wonink. Een dag later werd hij gedoopt in de schuilkerk in de Spiegelsteeg aldaar. Tot 1785 studeerde hij aan het gymnasium te Kevelaer, waarna hij aan de theologische hogeschool van Douay in Frankrijk filosofie en theologie studeerde. Hij werd op 26 oktober 1790 te Rheine aan de Eems tot priester gewijd. Daarna werd hij kapelaan van de kerk aan de Koestraat in

33

zijn geboorteplaats.

Op de avond van 23 augustus 1796 zette hij voor het eerst voet op Schokland, en de volgende dag, de feestdag van de H. Bartholomeus, zijn naamheilige, deed hij er zijn intrede als pastoor.

Hoe arm de parochianen waren toen hij pastoor werd op Schokland en hoe verwaarloosd de kerk en pastorie, beschreefhij tijdens zijn afscheidsrede op 25 maart 1808: “Het zal u toch wel niet vergeten zijn, in welke onaangename omstandigheden ik alles op dit eiland gevonden heb. Hoe bouwvallig was uw schoolgebouw! Het schoolvertrek leek meer op een woning van dieren als menschen. De kerk was weliswaar nog onlangs verbeterd, maar op zulk een wijze, dat men den achtergevel van jaar totjaar zag verzakken. Uwe priesterlijke gewaden waren in geen beteren toestand, zoodat ik bij U mijne intrede zullende doen, ternauwernood met de plechtigheid passende kleederen vond. Met een woord, ik bemerkte in dit alles een algemeen verval.”

Dat algemene verval schreef hij toe aan de politieke toestand in het land, die ook verdeeldheid had gebracht binnen de kleine gemeenschap op Schokland. “Ik vond hier twee Gemeentebesturen, een dat het schoutambt had aan zich gehouden en een dat een schout aan het hoofd had. Beide deze besturen hadden hun aanhangers en elke aanhang beweerde het heil der gemeente te bedoelen, en was daarom niet weinig op zijn tegenpartij gebeten. Welk een toestand! Menschen die in dezelfde kerk gingen, God op dezelfde wijze vereerden, onder denzelfden herder stonden,ja, aan dezelf¬ de tafel des heeren zaten, beschouwden zich onderling als vijanden, zochten zich onderling als gezworen vijanden ten onder te brengen. Onbewust van alle deze gebeurtenissen kom ik op dit eiland aan! Wat stond ik verslagen, deze algemeene verwarring bemerkende! Hoe gaarne was ik naar mijne vaderstad wedergekeerd! Ik liet hiertoe niets onbeproefd, want ik verkoos liever, duizendmaal liever nog eenigen tijd kapellaan te blijven, dan in eene zoo schandelijk verdeelde gemeente.” Vervolgens beschreef hij de zedelijke tekortkomingen van de Schokkers in die verwarde tijd:

34

“Hoe algemeen was de gewoonte van zware vloeken uit te braken!Alras trouwde ik een zwangere bruid, en God gave het, dat deze eerste ook de laatste ware geweest! In die dagen waren de beursen ruimer dan tegenwoordig. Hoe zorgvuldig werd Bacchus op de gewoonlijke zwelgfeesten geeerd en gediend! Van de H.H. Sacramenten wierd door weinigen meer gebruik gemaakt dan juist, wanneer hen de wet tot derzelvergebruik als noodzaakte. De bijgeloovigheid was zonder voorbeeld, er was geen kind, geen koe ziek, aanstonds moesten het de kwade lieden misgelden. Men liep mij de deur af om heiligdom, om wijwater, om te overlezen. En hoe weinig telde men het, gelijk dit op Ens nog plaats heeft, op Zon- en feestdagen uit den H. Dienst der Misse te blijven, onder voorwendsel dat er maar een dienst was! Om een niet zeer noodige boodschap naar den vasten wal zoude men Zon- en Vierdagen schenden. Moet het u verwonderen, dat ik met onbeschrijfelijke weerzin en al schoorvoetende naar zulk eene gemeente ging?” Veel van dat kwaad schreef hij toe aan het snelle wisselen van de pastoors. Net als zij de gemeente wat beter leerden kennen, vertrokken zij al weer naar elders. Om daadwerkelijk iets aan de wantoestanden op Schokland te kunnen doen, besloot pastoor Doorenweerd om wat langer op het eiland te blijven. In de twaalfjaar dat hij op Emmeloord pastoor was is er toch wel een en ander veranderd, konstateerde hij verheugd. De school was verbeterd en opnieuw ingericht, “zodat menige aanzienlijke stad voor dit geringe dorpje hierin wijken moet”, en de kerk is “het pronkstuk dezes eilandes" geworden. “In onze geheele district vindt men bijna geene fraaijer.” De kerkelijke gewaden zijn hersteld en er zijn nieuwe aangeschaft, grotendeels op kosten van de pastoor, zodat het kerkje van Emmeloord beter in de spullen was komen te zitten dan de kerk van Kampen!

In zijn afscheidspreek ging hij nader in op de burgertwisten die bij zijn aankomst op Schokland heersten. Zowel de patriotten als de orangisten waren in het bestuur van het eiland vertegenwoordigd en maakten elkaar het leven zuur. Anderhalf jaar probeerde hij de partijen door zijn overredingskracht tot elkaar te brengen, maar het haalde niets uit. Toen hij in de gaten kreeg dat hij het alleen niet klaar kon

35

Gezicht op de Zuidpunt van Schokland, ca. 1730, door een onbekende tekenaar.

R.K. kerk te Ommen, gebouwd van afbraakmateriaal van de R.K. kerk van Emmeloord, Schokland

36

krijgen, schakelde hij de regering in Den Haag in. Korte tijd later werd door de regering een commissie naar het eiland gezonden, officieel ter gelegenheid van een aanbesteding van paalwerk op Ens, maar in feite om de heersende verschillen op Schokland te onderzoeken en zo mogelijk te vereffenen. De pastoor stelde de commissie voor om alle gezagsdragers te ontslaan en van Den Haag uit nieuwe aan te wijzen, en men voelde daar wel wat voor. Toen een week later de pastoor voor familieaangelegenheden naar Kampen moest, maakte men van de gelegenheid gebruik om nieuwe funktionarissen te kiezen, en “men deed een keuze die alle de klaarblijkste kenteekenen van kuiperij droeg”. Zowel patriotten als orangisten wezen mensen aan die nog feller waren dan hun voorgangers. “Ik vond bij mijne wederkomst de gemeente in nog veel grooter verwarring dan ik dezelve gelaten had", zei pas¬ toor Doorenweerd.

Ten einde raad besloot hij zelf naar Den Haag te gaan om de zaak van Schokland te bepleiten op het ministerie. Alles verliep naar wens en hij verkreeg een volmacht om de zaken op een beslissende wijze af te handelen. Met deze volmacht in handen besloot hij alle overheidsdienaren te ontslaan en door geheel nieuwe te vervangen. Toen beging de pastoor de fout zijn volmacht aan een van de partijen te laten zien. De papieren werden vervalst en zo aan de vergadering voorgesteld. De meerderheid van de ene partij nam het plan aan, terwijl de andere partij tegenstemde. De partij die zich het meeste aan kuiperijen schuldig maakte zegevierde, en de onderliggende partij durfde zich niet meer te roeren, “maar thans smeulde het vuur onder de asch". In Enkhuizen stonden inmiddels 25 soldaten klaar om op het eerste bevel van het nieuwe bewind naar het eiland over te steken, om alle verzet van de tegenpartij te breken. Kort daarop kwam de verlossing: een rijkelijk bevlagd en bewimpeld vaartuig met “nationale agenten” kwam naar Schokland om de regering van het eiland te zuiveren. Na overleg met pastoor Dooren¬ weerd werd besloten het voorlopig bestuur, dat uit twee par¬ tijen bestond, naar huis te sturen. Op voordracht van de pas¬ toor stelde men drie gematigde patriotten aan, die niets van ruzie moesten hebben. Diep in de nacht werd met klokgelui hun verkiezing aan het volk bekend gemaakt. Zij wisten de eendracht te herstellen, en dankzij hen werden vijanden

37

weer vrienden. Aan het einde van zijn Schokker loopbaan konstateerde pastoor Doorenweerd verheugd dat “de verfoeijelijke gewoonte van zware vloeken uit te slaan" niet meer zo algemeen was als zij placht te zijn. Minder tevreden was hij over “de lichtschuwende zonde der ontuchtigheid”, en hij hield zijn beminde gelovigen in zijn afscheidsrede voor: “Menig en menigwerf heb ik tegen dit kwaad uitgevaren. Ik heb er al de hatelijkheid en afschuwelijkheid met de levendigste verwen van afgeschilderd. Hoe dikwijls is ‘t met dat alles nog gebeurd, dat ik heb moeten inzegenen waar de bruid eerlang moeder zoude zijn? Dit is een der diep gekankerste kwalen dezer gemeente, en zoo lang de ouders niet vlijtiger over de verkeering hunner kinderen waken, zoo lang zij hunne dochters bij nacht te bier en in den wijn laten gaan, zoo lang zij aanstonds gereed zijn in de huwelijken hunner kinde¬ ren toe te stemmen als de vrijster bezwangerd is, zoo lang men het voor geene openbare schande rekent, die het toch wezenlijk is, dat zich een vrijster laat bezwangeren, als er maar het huwelijk op volgt, zoo lang zal dit kwaad heerschen en blijven heerschen tot groote schande en schade dergemeente.”

Ook verre van gelukkig was hij over de kermis- en andere drinkfeesten, die hij een der zwaarste zonden in deze ge¬ meente vond, omdat zij tot onkuisheid, dronkenschap en gevecht aanleiding zouden geven. Gelachen werd er om zijn vermaningen! Maar God hielp de pastoor:

“Ik heb u voorspeld datgij broodsgebrek zoudet hebben! Wat zeidet gij? De pastoor moet wat zeggen! Kom, kom, Wij hebben geen noodl Zo erg zal ‘t niet loopen! Intusschen, wat heeft God gedaan? Hij heeft u ontnomen wat gij wel in overdaad verkwistet! Hoe menig heeft wel dezen winter moeten honger lijden, die weleer de eerste aanlegger van een zuiperij was?”

Gemakkelijk heeft pastoor Doorenweerd het niet gehad op Schokland, vindt hij: “Vele rampen zijn de gemeente in mijne dagen overkomen. Ik heb dezen bodem door vijanden zien betreden, drie kinders zijn verdronken, twee gestikt, zeven mannen verongelukt. Hoe zware winters heb ik hier bijge-

38

woond! Hoe dikwijls besmettelijke ziektes! Ik heb mijn leven niet te dierbaargeoordeeld u in deze ziekten bij te staan. God heeft mijgelieven te leven, en welke zegen!” Een vurige wens had hij nog bij zijn vertrek van het eiland: “Dat noch uwe zonen noch uwe dochteren mijnen opvolger het verdriet zullen aandoen van met andersgezinden vrijerijen te beginnen. Ach, wat heeft mij dat veel smart gebaard! En hoe kortstondig is ‘t geluk geweest dat degene zich beloofden die ter mijnen tijde deze misstappen begaan hebben! Waar is een Jacobje Michiels? En hoe ellendig was haar uiteinde! Hoe worden de dagen van die Nelli Ruijten verbitterd, die hier voor de geheele gemeente beloofde, niet alleen haargeloofte zul¬ len houden, maar ook nimmer met on-katholieken eenig huwelijk te beginnen? Hoe weinig zegen is er ook doorgaans in die huwelijken!"

Pastoor Doorenweerd had de gewoonte een dagboek bij te houden waarin hij tal van wetenswaardigheden en gebeurtenissen op Schokland noteerde. Daarin staat meer te lezen over de van haar geloof afgevallen Jacobje Michiels Klein (1771-1806), de vrouw van Louwe Theunissen de Jong (17751847), die door de pastoor in zijn afscheidspreek werd aangehaald. Zij lag tweemaal in het kraambed. Het eerste kind werd dood geboren, het tweede kind werd wel levend geboren, maar met een gebroken armpje, waarna de moeder “onder de ijsselijkstepijnen gestorven is”. De hierboven genoemde verbitterde Nelli Ruijten oftewel Nelle Jacobs Ruiten (1785-1866) was op 4 januari 1807 getrouwd met de gereformeerde Andries Jansen Klein (17791860).

De pastoor betreurde het ten zeerste dat er nog altijd katholieke Schokkers waren die met gereformeerden trouwden, ondanks diverse voorbeelden van ongelukkige “gespikkelde" huwelijken.

In het dagboek van de pastoor lezen we ook over de katholieke Willem Jansen Kluisjen (1747-1807), die in 1797 bezwaar maakte tegen het feit dat zijn kinderen in de school van Ens catechismus-lessen overeenkomstig de gereformeerde leer moesten volgen. Hij hield zijn kinderen thuis van school en weigerde nog langer schoolgeld te betalen, waarop de burgemeester hem aanklaagde bij de drost. Deze veroordeelde Wil-

39

lem Jansen Kluisjen alsnog tot het betalen van schoolgeld. De pastoor op zijn beurt schreef ook naar de drost, en wist het voor elkaar te krijgen dat vanaf 31 juli 1797 de roomse kinderen vrijaf kregen tijdens de gereformeerde godsdienstlessen. Pastoor Doorenweerd trok het zich erg aan als iemand op zon- of feestdagen niet naar de kerk ging, en hij zag er dan ook een strafvan God in als er op die dagen iets mis ging. Zo gebeurde het dat Thomas Ruiten (1756-1804), die werkbaas was bij het heien van palen voor de Schokker zeewering, op een hoge kerkelijke feestdag in 1797 een aantal katholieken aan het werk gezet had. Tijdens de preek werd heelmeester Mommende uit de kerk gehaald, omdat Ruiten het heiblok op zijn hoofd had gehad. Het liep nog goed af, omdat het een “schampert” was. “Aanmerkelijk is ‘t dat juist onder den Hoogen Dienst dit ongeval plaats had”, merkte de pastoor op. Waarom dit ongeval gebeurde stond voor hem vast.Overigens verongelukte Thomas Ruiten alsnog, op 3 juli 1804, tij¬ dens zijn werkzaamheden. God beloonde mensen die de kerkelijke feestdagen nog wel respekteerden, daarvan was de pastoor heilig overtuigd. Zo waren er op de feestdag van de apostelen Simon en Judas in het jaar 1800 slechts twee Enser vissers in de kerk aanwezig, Gerrit en Jacob Jansen. Hij vond het zeker niet toevallig dat die twee vissers juist die dag zo veel vis vingen als alle andere vissers van Ens samen. Enkele vissers van Emmeloord, die ook in de kerk aanwezig waren, hadden ook een goede visserij, omdat zij van Gerrit en Jacob Jansen gehoord hadden waar de vis zich ophield.

Op de avond of nacht voor de feestdag van Onze Lieve Vrouwe Hemelvaart maakte Evert Alberts Mossel (1750-1814) aanstalten om gamalen vissen, en was vervolgens een groot gedeelte van de feestdag bezig met vissen. Zijn straf was dat zijn ganse net scheurde.... Meerdere van deze voorbeelden hoe God straft zijn te vinden in het dagboek van pastoor Doorenweerd.

Tegen het einde van het jaar 1802 werden de kerkmeesters er op uit gestuurd om te trachten hier en daar wat geld, kerkgewaden of altaarsieraden los te krijgen voor de Emmeloordse kerk. De kerkmeester Peter Dubbelds Schouten (1748-1826) sprak met de Amsterdamse koopman Doris

40

Bronkhorst over het verval van het Emmeloordse kerkgoed, wat tot gevolg had dat Bronkhorst twee voorzetsels en de bijbehorende kazuifels, een albe, een vesperkleed, drie cingels, twee vingerdoekjes, een communiekleed en een amict aan de kerk schonk. Alles was weliswaar oud, maar toch nog redelijk goed bruikbaar.

Men moest op Schokland wel vaker genoegen nemen met afdankertjes. Op 4 december 1802 ontving de pastoor van een weduwe een zeegroene zijden japon met grote witte bloemen, en eenzelfde rok, die heel goed tot misgewaden vermaakt konden worden.

Albert Albertsen Toeter (1756-1818), lid van het gemeentebestuur, en Jan Bruinsen Klappe (1754-1840) “ook eenen voornaamen man dezes opgezetenen”, werden eveneens bereid gevonden om met een door de pastoor geschreven bedelbrief langs de pastorieen in Amsterdam te gaan om te vragen naar overbodige altaarbenodigdheden. Immers, “menschen die veragtelijke visschers-stulpen bewoonen, hebben oneindig minder ter opwekkinge van hunnen geest noodwendig, dan zij die kostbaar gemeubileerde schoone huizen heb¬ ben”, en wat voor de grote wereldstad Amsterdam te gering zou zijn, kon nog heel goed van dienst zijn op Emmeloord. In 1804 bespeurde men een emstige verzakking van de achtergevel van het kerkgebouw, en door heersende armoede was er volstrekt geen geld om een reparatie uit te voeren. Op 2 januari 1805 vertrokken daarom opnieuw enkele Schokkers vol goede moed naar Amsterdam om bij vermogende katholieken geld in te zamelen. Albert Albertsen Toeter (1756-1818), lid van het gemeentebestuur, en kerkmeester Dubbel Dirks Veen (1756-1844), voorzien van diverse aanbevelingsbrieven, konstateerden hoopvol dat ze bij de eerste twee adressen samen reeds ruim 45 gulden hadden opgehaald. Daarna werd het steeds minder: blijkbaar werden ze niet erg vertrouwd. Meerdere malen kregen ze te horen dat ze geen “gerichtelijk attest van de dorps-regeeringe” konden tonen. Zeer teleurgesteld keerden ze op Schokland terug. Alles bij elkaar hadden ze slechts iets meer dan 70 gulden opgehaald, waarvan na aftrek van reiskosten slechts 37 gul¬ den en enkele stuivers overbleef. Groot was hun teleurstelling, dat de Amsterdamse aartspriester Ter Hulscher en de ex-jezuiet Adam Bekkers hen niet eens te woord had willen

41

staan, ondanks de persoonlijke brieven die pastoor Doorenweerd voor hen had meegegeven.

Op 31 maart 1808 vertrok Bartholomeus Doorenweerd van Schokland en enkele dagen daarna, op 3 april, deed hij zijn intrede als pastoor in de schuilkerk aan de Rhijnvischgang te Kampen. In 1809 werd hij pastoor in de Onze Lieve Vrouwekerk of Buitenkerk te Kampen, toen die kerk werd teruggegeven aan de katholieken. Pastoor Doorenweerd is vooral bekend geworden door de vele manuscripten, boeken en artikelen die hij schreef. Zo schreef hij in zijn Schokker tijd de Nederlandstalige versie van de grote en kleine catechismus, en in latere jaren veel bijbelse verhalen en kerkboekjes, die tot lang na zijn dood herdrukt werden. In de jaren 1794-1796 schreef hij onder de schuilnaam Transisalanus (Overijsselaar) artikelen in een godsdienstig tijdschrift.

Hier en daar is gepubliceerd dat Bartholomeus Doorenweerd in 1802 een vondeling op het eiland gevonden zou hebben, wat echter niet juist is. Wat er wel gebeurde is het volgende. Op 18 februari 1802 werd op Ens Jacobus Coridon geboren, een zoon van Joannes Jacobs Coridon (1759-1804) en Aleidis Machiels Klein (1769-1804). In 1804 stierven de ouders van het kind drie weken na elkaar ten gevolge van een griep-epidemie. De pastoor ontfermde zich over het weeskind en besteedde het uit bij een weduwe. Hij betaalde de verzorgingskosten van Jacobus Coridon en liet hem later voor priester studeren. Pastoor Doorenweerd zorgde er voor dat Jacobus Coridon na zijn priesterwijding, op 20 September 1824, bij hem op de Kamper pastorie kapelaan werd. Op 17 juli 1832 overleed kapelaan Coridon aan de tyfus. Pas¬ toor Doorenweerd, die erg zwaar van gestalte was, had al een paar maal een lichte beroerte gehad. Het overlijden van zijn kapelaan en beschermeling greep hem zo aan dat hij op 15 juli 1832, de verjaardag van zijn broer Gerardus, overleed aan de gevolgen van een nieuwe beroerte. De pastoor en zijn kapelaan werden beiden begraven op het kerkhof te IJsselmuiden.

Henricus Joannes Dijkhuizen, 1808 Henricus Joannes Dijkhuizen, geboren op 19 februari 1774 te Zwolle, werd priester gewijd op 30 mei 1801. Hij was kape-

42

laan in Raalte (1801) en Zwolle (1805), en werd in 1808 pastoor op Schokland.

Op 11 mei 1808 doopte hij zijn eerste kind op Emmeloord. Hij verbleef daar slechts zeer kort, want eind oktober van hetzelfde jaar werd hij al benoemd in Olst. Op 18 februari 1837 werd hij pastoor te Dalfsen en op 17 mei 1838 te Vilsteren, waar hij verbleeftot zijn dood op 3 juli 1849.

Joannes Jaspar, 1808-1809

Joannes Jaspar werd op 16 december 1780 geboren in Bunde bij Maastricht. Hij studeerde in Reeken en ‘s-Heerenberg en werd op 13 juni 1803 priester gewijd te Grave. Hij werd kapelaan te Raalte (3 juli 1803), Kampen (13 februari 1806) en Zwolle (20 maart 1806), en op 30 oktober 1808 pastoor op Schokland.

Op 5 december 1809 werd hij overgeplaatst naar Zwolle (Onder de Bogen). Op 22 juni 1846 aanvaardde hij zijn emeritaat, waarna hij stierf op 27 januari 1854 te Zwolle.

Bemardus Herfkens, 1810-1813

Bernardus Herfkens werd op 24-7-1779 geboren in Zeddam. Voordat hij op 9 maart 1805 priester werd gewijd, studeerde hij in Vreden en ‘s-Heerenberg. Hij was kapelaan in Haarle (1805), Raalte (1806) en Zwolle (1809), waarna hij in januari 1810 pastoor werd op Schokland. In 1813 vertrok hij naar Heeten, waar hij door bemiddeling van Baron van Schoonheeten een nieuwe kerk tot stand bracht en aldus daar de eerste pastoor werd. Hij overleed op 26 juni 1844 in Heeten.

Rudolphus Herfkens, 1813-1818

Rudolphus Herfkens werd geboren in ‘s-Heerenberg en in 1807 priester gewijd. Hij was kapelaan in Raalte en Deven¬ ter en werd in 1813 pastoor op Schokland.

De Schokkers waren niet bij machte om het kerkgebouw te onderhouden, zodat in 1817 door koning Willem I bepaald werd dat voortaan op kosten van de staat in het onderhoud van de kerk zou worden voorzien. Om de paarjaren waren er honderden guldens nodig om het gebouw enigszins op te knappen. In 1825 was er maar liefst / 3179,52 nodig voor reparatie van kerk en pastorie.

43

Pastoor R. Herfkens werd in 1818 overgeplaatst naar Vilsteren, waar hij stierfop 1 april 1838.

Joannes Willemsen, 1819-1821

Joannes Willemsen werd geboren in Oldenzaal op 3 mei 1785. Hij studeerde in Oldenzaal, Vreden en ‘s-Heerenberg, en werd op 10 augustus 1811 priester gewijd in Paderborn. Hij werd kapelaan te Raalte op 20 december 1811, te Vilsteren in juli 1816, en pastoor op Schokland in november 1819. Op 15 augustus 1821 werd hij benoemd in Kuinre, en op 22 februari 1838 werd hij de eerste pastoor te Luttenberg. Op 25 april 1857 werd hij eervol ontslagen uit de geestelijke bediening. Hij stierfop 18 november 1870 in Raalte.

Joannes Bosch, 1821-1833

Joannes Bosch, geboren 6 maart 1792 in Raalte, werd op 1 augustus 1816 priester gewijd in Munster in Duitsland. Voordat hij op 6 juli 1821 pastoor op Schokland werd, is hij als kapelaan werkzaam geweest in Delft (1819), Ouderkerk, Wassenaar (1820) en Haarle (tot 6 juli 1821). Toen de kerk in de Bullewijk te Ouderkerk in vlammen opging, konden dankzij zijn moedig optreden de Heilige Vaten gered worden. Ook op Schokland stond hem rampspoed te wachten. Tijdens de stormramp van 4 en 5 februari 1825, waarbij 13 Schokkers in hun woningen verdronken, werd niet alleen een aanzienlijk deel van de huizen op Schokland verwoest, maar ook de kerk van Emmeloord, waarvan slechts de zijmuren en het dak overeind bleven staan. Pastoor Bosch noteerde in het doopboek:

“In het jaar des Heeren duisend achthondert-vijf-entwintig, den vierden en vijfden Februarij is de Buert Emmeloort, weinige huisen uitgenomen, geheel door een aldervreeslijksten storm overstroomt en bijkans geheel vernield. De kerk mede is een prooi geworden, van hetzelve is niets blijven staan als het bovenste gedeelte met de zijdemuer en voorgevel, dog is hetzelve jaer van governements-wegen weder opgebouwt voor drieduisend-driehondert gulden. Ens en Suiderbuerte is mede dien zelven tijd voor het grootste gedeelte ver¬ nield, doch het is verschoondgebleven in het verlies der menschen, daer er op Emmeloort dertien zijn omgeko-

44

men, elf van de Roomse gemeente en twee van de Hervormde.”

Bartholomeus Doorenweerd, de voormalige Schokker pastoor, noteerde in zijn dagboek dat ook in zijn pastorie in Kampen het water 5 tot 6 voet hoog stond: “Den 6 Februarij konden wij onze groote kerk niet gebruiken, waarin veel vee gevlugt was, terwijl de pastoor van Schokland, Johannes Bosch, met de heilige vaten kwam vlugten. Nu vernam ik tot mijn bitterste smart dat er van het schone kerkje van Schokland bijna niets meer dan de muren overig was. Dertien menschen, en onder deze een man, waren verdronken. De pastoor zelf was niet buiten gevaar geweest. Op Ens was men gelukkiger geweest dan op Emmeloord. Schoon er de watersnood groote verwoestingen had aangerigt, waren er echter, zooals op Emmeloord, geene menschen omgekomen. De verdronken vrouwen en kinderen zijn in de nabijheid van Emmeloord opgevischt, maar de man, die verdronken is, is tot heden niet gevonden.”

De dertien slachtoffers waren:

Trijntje Louwen Diender (1799-1825), gehuwd met Jan Willemsen Kok (1793-1859), en hun kinderen: Albert Kok (1821-1825), en - Willem Kok (1823-1825); Jacobje Kok (1811-1825), dochter van Hendrik Willemsen Kok (1777-1841) en van Janna Peters Visscher (17771845); Klaasje Jans Joost (....-1825), gehuwd met Pieter Mastenbroek (1767-1848), en hun zoon: Lucas Mastenbroek (1812-1825); - Jacoba Cornelissen Grootjen (1785-1825), gehuwd met Wil¬ lem Bruins Bape (1785-1848), en hun kinderen: Eva Bape (1816-1825), Louwe Bape (1819-1825), Jannetje Bape (1821-1825), en - Lijsje Bape (1824-1825); - Bernardus van Kleef(1770-1825), en zijn vrouw: - Geertruij Ulrich (1769-1825).

De stormramp zou nog een veertiende slachtoffer eisen. Op 30 mei 1825 overleed in het verpleeghuis aan de Nieuw-

45

Portret van Doorenweerd, afgedrukt in Hoppenbrouwers Korte Kerkredenen, 1835 Petrus Codde, apolstolisch vicaris.

46

straat te Kampen de Schokker onderwijzer Johannes de Wit (1778-1825) tengevolge van de verwondingen die hij opliep tijdens overstroming. De Staat stelde ruim 3000 gulden beschikbaar, zodat hetzelfde jaar de kerk weer herbouwd kon worden, raaar afdoende was dit niet, zoals later zou blijken.

In 1826 kocht pastoor Bosch een doopvont van Bentheimer steen, dat jarenlang op het kerkhof van Emmeloord gestaan had. Dit doopvont zou in de tweede helft van de achttiende eeuw door een Schokker visser Cock opgevist zijn op de Nagel, een plaats in zee tussen Urk en Schokland, ook wel het Kerkhof genoemd, waar eens het verdronken eiland Nagele gelegen zou hebben. Pastoor Bosch liet in de rand van het doopbekken zijn naam en het jaartal 1826 hakken. Thans staat het achtkantige, bekervormige doopvont in de katholieke kerk te Ommen. Op een kerk-inventarislijst uit 1843 werd de doopvont als volgt omschreven: “Een doopvont van zandsteen, met houten deksel en kruisbeeld daarop, en volgens sage op de fundamenten van het dorp Nagele in zee tusschen Urk en Emmeloord gevonden”. Na de stormramp van 1825 voelde pastoor Bosch zich niet meer veilig op Emmeloord en werd hem door de aartspriester van Salland en Drenthe toegezegd dat hij zo spoedig mogelijk overgeplaatst zou worden. Een mogelijkheid om in Veenhuizen pastoor te worden liet hij aan zich voorbij gaan, omdat “het beter is, in een elende te blijven die men kent, als een ander in te gaan die men niet kent”. Toen er in 1831 een vakature in Haarle was, diende hij een verzoek in daar benoemd te worden. Zijn teleurstelling was groot toen hij afgewezen werd. Hij zou hiermee vrede gehad kunnen heb¬ ben, ware het niet dat hem “bij winterdagen de grote benauwdheid van hetjaar 1825 was bijgebleven”. Betere tijden braken voor hem aan toen hij op 28 mei 1833 benoemd werd tot pastoor te Hellendoorn. Op 8 augustus 1844 werd hij pastoor in Heeten, waar men hem op de ochtend van 10 maart 1853 onverwachts dood in bed vond.

Nicolaas van Munster, 1833-1837

Nicolaas van Munster, geboren op 17 mei 1794 te Zwolle, werd priester gewijd op 19 augustus 1818 te Munster. Daarna was hij werkzaam als kapelaan in Vilsteren (1 december

47

1818), Raalte (juni 1820) en Haarle (mei 1821). In maart 1825 werd hij benoemd als pastoor in Frederiksoord, en op 28 mei 1833 als pastoor op Schokland. Evenals zijn voorganger had ook pastoor Van Munster het niet altijd even gemakkelijk op het eiland. In zijn brief van 16 januari 1834 aan de aartspriester gaf hij een treffende omschrijving van de barre winterse omstandigheden op Schokland:

“De wind loeide hier schrikkelijk van het oude in het nieuwejaar. De grond dreunde onder mijne voeten. Het was alsof ik in een schip zat, zoo beweegde zich alles. Doch is hier geen ongeluk geschied, dan dat een gevel ingewaaid is. Het water was nieuwjaarsdag ‘s morgens te 8 uuren zoo hoog, dat de een buur niet bij de ander kon komen zonder laarsen, doch om tien uuren was alles weer droog, zoo dat het hier niet lang staan blijft”. Op 2 maart 1835 vroeg pastoor Van Munster dispensatie bij de kerkelijke overheid aan voor Joannes Alberts Gosen (1782-1840) en Maria Klaasen Botter (1792-1846), die met elkaar wilden trouwen. Blijkbaar is dat verzoek afgewezen, want op 30 november van hetzelfde jaar vroeg de pastoor opnieuw dispensatie voor hen aan. Hieruit blijkt dat Marie Klaasen Botter de halfzuster is van Eva Klaasen Botter (1779-1834), de overleden vrouw van Joannes Alberts Goosen, en volgens de kerkelijke wetten van toen mochten zij niet zonder meer met elkaar trouwen. Op de vraag aan Bot¬ ter: “Moet gij dan altijd na eene omzien die bloedverwante is?”, had hij geantwoord: “Andere kan ik hier niet vinden!” Dat het op Schokland zeer vaak voorkwam dat dispensatie voor een huwelijk aangevraagd moest worden wegens een verboden graad van bloed- of aanverwantschap, blijkt uit het feit in de periode 1749-1812 bij 108 (oftewel 56%) van de in totaal 194 in de katholieke kerk gesloten huwelijken een dispensatie-aanvraag was ingediend.

Op 7 maart 1837 vertrok pastoor Van Munster naar Olst, waar hij verbleef tot zijn dood op 13 juli 1878.

Antonius Bernardus Herman Schaepman, 1837-1838

Antonius Bernardus Herman Schaepman, geboren op 20 december 1802 te Zwolle, werd priester gewijd op 21 juni 1825 te Munster. Hij was assistent te Zwolle, Wijhe en Kuinre, en

48

werd kapelaan te Deventer (31 januari 1826), Vaassen (1827), Steenwijkerwold (1828), Hoonhorst (1829) en Zwolle (onder de Bogen) (1833). Op 11 januari 1833 werd hij benoemd als pastoor te Frederiksoord, en op 7 maart 1837 volgde zijn benoeming als pastoor op Schokland. Ook hij wilde zo snel mogelijk weer overgeplaatst worden. In juli 1833 kreeg hij het aanbod om pastoor te worden in Assen, maar dat zinde hem niet zo. Hij liet weten dat hij wel dolgraag Schokland wilde verlaten, maar dan liever naar en andere plaats. Pastoor Schaepman moest nog vijfjaar wachten voor hij aan de beurt was. Op 17 mei 1838 kreeg hij zijn benoeming als pastoor in Hasselt, waar hem op 1 oktober 1852 eervol ontslag werd verleend. Hij overleed op 11 maart 1862 in Zwolle.

Joannes Bosch, 1838-1842

Joannes Bosch, niet te verwarren met zijn naamgenoot die van 1821 tot 1833 pastoor op Schokland was, werd geboren in Raalte en priester gewijd op 22 augustus 1820 te Munster. Hij was assistent in Hellendoorn, daarna kapelaan in Oudewater, en sinds 1838 pastoor op Schokland. Pastoor Bosch had behalve met de steeds toenemende armoede ook te maken met een slechte gezondheid. Pastoor Nieuwentap uit Kampen schreef op 21-9-1840 aan de aartspriester dat de pastoor van Schokland ernstig ziek was, en waarschijnlijk bediend moest worden. De Hamper kapelaan Van Sanden verleende assistentie op het eiland, overigens zeer tegen de zin van pastoor Nieuwentap, die zijn kapelaan blijkbaar maar moeilijk missen kon. Vier dagen later meldde Nieuwentap dat pastoor Bosch inderdaad bediend was. Na enkele dagen knapte hij gelukkig weer wat op en op 27 Sep¬ tember kon de kapelaan melden dat de koorts weer wat gezakt was, en dat pastoor Bosch meestal bij kennis was. Joannes Bosch herstelde, maar bleef sukkelen met zijn gezondheid. Eind februari 1841 schreefhij: “Ik ben thans niet heel wel. Denk nog dat het eene gevatte koude is, terwijl ik door de aanhoudende ziekte nog al eenige maalen in mijne rust gestoord ben geworden. Alleen hier op Emmeloord zijn er meer als 200 ziek geweest. Het neemt nu merkelijk af, hoop dan, dat God ons verdergelieve te bewaren”.

49

Waarschijnlijk is de Schokker pastoor het slachtoffer geweest van een tyfus-epidemie, die tussen februari 1840 en augustus 1841 353 Schokkers (ruim de helft van de bevolking) trof, en waarbij 23 mensen stierven. Na de watersnood van 1825, waarbij de katholieke kerk vrijwel geheel verwoest was, werd het gebouw voor rekening van het Rijk weer opgeknapt. Of deze reparaties veel geholpen hebben, valt te betwijfelen, want op 23 mei 1840 schreef pas¬ toor Bosch aan de gouverneur van Overijssel dat de kerk en pastorie van Emmeloord emstige verzakkingsverschijnselen vertoonden, zodat instortingsgevaar niet denkbeeldig was. Enkele jaren daarvoor was al eens een poging ondernomen het scheefzakken van de muren tegen te gaan door het aanbrengen van drie steunberen, maar zonder succes. Nader onderzoek van het gebouw wees uit dat bij de bouw te weinig houten heipalen waren gebruikt. Herstel bleek onmogelijk te zijn, zodat nog hetzelfde jaar plannen gemaakt werden voor nieuwbouw, waarbij echter bepaald werd dat de “meest mogelijke eenvoudigheid” in acht genomen moest worden. Intussen was de oude kerk en pastorie niet of nauwelijks te gebruiken, want in 1841 klaagde pastoor Bosch dat er op Emmeloord nergens goede gelegenheid tot uitoefening van de godsdienst was. Ook was er geen goede verblijfplaats voor de pastoor, die daarom speelde met de gedachte om bij de schoolmeester in te trekken. Groot zal dan ook de vreugde bij de katholieke Schokkers geweest zijn toen bij Koninklijk Besluit van 21 januari 1842 geld beschikbaar kwam voor de bouw van de nieuwe kerk en pastorie. In maart 1842 nam de aannemer J. Zwolsman uit Kuinre het werk aan voor de som van / 11.050,—, waarvan door de Gedeputeerde Staten van Overijssel / 500,— betaald werd, en de rest door het Rijk. Ondertussen nam de armoede op Schokland steeds grotere vormen aan. Begin januari 1842 schreef pastoor Bosch aan zijn aartspriester dat naar zijn mening de provinciale overheid de berichten over de armoede op Schokland niet serieus genoeg nam. Burgemeester Gillot zou uit een soort valse schaamte geen ruchtbaarheid willen geven aan de nood op het eiland, en ook de pers zou er te weinig aandacht aan besteden.

“Het schijnt ofde burgemeester c.s. het niet wil bekend maken. Immers, wanneer er maar een kind verdrinkt of

50

op eene bijzondere wijze verongelukt, dan vindt men dat gewoonlijk in de courant geplaatst. Dat er hier onlangs een oud man, bij de 70 jaar oud, ‘s morgens dood op het ijs werd gevonden, daarover is niet gerept. Dat diezelfde man zonder verdiensten was, en geen plaatsjen ofhoekjen had om er zich neder te leggen, en derhalven ‘s nachts in de eene of andere schuit moest kruipen. En hij zoude zoo in de grond zijn gestopt, zoo ik voor mijn rekeninggeen kist had laten maken.”

De omgekomen man was de ongehuwde arbeider Harmen Peters Blankvrees (gedoopt op 10 augustus 1775 op Schokland), die op 3 december 1841 om 5 uur ‘s morgens doodgevroren een van de huisjes op Emmeloord werd binnengedragen.

De pastoor zag door de toenemende armoede ook het zedenbederf dagelijks toenemen, wat gemakkelijk te begrijpen was “als men weet dat zij om niet van koude te verkleumen, ‘s avonds in hunne opene huisjes ofhokken het warmste hoekje uitzoeken, en dan jong en oud, groot en klein, bij elkander kruipen als de varkens. Vermaant men hierover, dan is het: Zullen wij dan van de koude omkmen? Wij kunnen niet anders!”

In dezelfde brief schreef hij dat hij wegens ziekte al vier weken het huis niet had verlaten, behalve voor twee zieken. Hij had een soort van “pluries” (borstvliesontsteking). In een op 12 januari 1842 door de pastoor aan de aartspriester geschreven brieflezen we het volgende:

“Ik hoorde dat er van Ens een schuit naar Kampen wil varen (hier is alles nog ijs), en daarom neem ik de eerste gelegenheid waar om aan H.Ew. met droefheid te moeten melden, dat ik zoo afneem, dat ik mijne pligten niet meer kan waarnemen. Ik heb gisterenmorgen op onze buurt een zieke bediend. Dat heeft mij zoo getroffen, dat ik niet wel zoo luide kan spreken, dat het agter in de kerk kan gehoord worden. En wanneer er een zie¬ ke op de andere buurten, Ens ofZuidert, kwam, terwijl men er thans met geen schuit kan komen, zoude ik onmogelijk kunnen bedienen”.

Vervolgens vroeg hij om hulp, het liefste zijn oude kennis uit Vilsteren, kapelaan Antonius Mollink. De problemen bleven zich opstapelen voor pastoor Bosch.

51

Eind maart 1842 benadrukte hij nogmaals hoe ongelukkig hij het op Schokland getroffen had, wegens de aanhoudende armoede, door het leed van zijn ziekte uit 1840 en door het sterven van zijn meid. Bovendien kon hij niet meer overzien hoe hij financieel rond moest komen. Elke keer dat hij de dokter uit Vollenhove liet halen en weer terugbrengen kostte minimaal drie gulden, waarbij dan nog de kosten van de visite en de medicijnen kwamen. Ook het eten en drinken was extra duur, omdat alles van Kampen gebracht moest worden. Daarbij kwam nog dat de pastorie binnenkort afgebroken zou moeten worden, wegens de komende nieuwbouw, die op dezelfde plaats als de oude kerk en pastorie plaats zou vinden. Er was echter nog steeds geen onderdak gevonden voor de pastoor en zijn kapelaan. Zij zochten een Schokkerhuisje, waarin zij tijdelijk konden verblijven, maar dat zou ook wel weer een hoop geld gaan kosten! Hij schreef vertwijfeld aan zijn aartspriester:

“Oordeel nu zelven, ik zeg ik kan zoo niet leven! En wanneer mijne ziekte slepende blijft, en eindelijk de dood volgt, brengen ze mij met schulden in ‘tgraf”. Op 4 mei 1842 schreef kapelaan Antonius Mollink, die ter assistentie naar Schokland was gezonden, dat pastoor Bosch voornemens was eerstkomende maandag Schokland te verlaten. Hij wilde een nacht in Kampen blijven en daarna doorreizen naar Hellendoorn (waar op dat moment zijn naamgenoot pastoor was). De kapelaan twijfelde ernstig of de pastoor, die de laatste tijd veel zwakker was geworden, de reis wel aankon. Op het laatste moment werd van de reis afgezien. Pastoor Joannes Bosch stierf een week later, op 14 mei 1842, op Emmeloord. Hij werd begraven in een witte kazuifel, waarover de aartspriester later nog de opmerking maakte, dat deze door de erfgenamen van de pastoor terugbetaald zou moeten worden, als de erfenis dat toeliet. Inmiddels was men op maandag 9 mei 1842 begonnen met de afbraak van de oude Schokker kerk. Pas op de sterfdag van pastoor Bosch kwam er een oplossing voor de huisvestingsproblemen tijdens de bouw van de nieuwe kerk. Het kerkbestuur kwam op 14 mei 1842 met Dirk Dubbels Veen (17921857) overeen dat deze zijn huis op Emmeloord beschikbaar zou stellen als kerklokaal tot 14 november 1842. Tevens zou hij het huisje dat nu bewoond werd door Maria Willems

53

Kluisjen (1777-1851), de weduwe van Willem Floris Sul (1767-1841), beschikbaar stellen als tijdelijke pastorie. Hiervoor kreeg Veen / 120,— betaald door het Rijk.

Antonius Mollink (deservitor), 1842 Na de dood van pastoor Bosch werd zijn kapelaan Antonius Mollink op 16 mei 1842 benoemd tot deservitor (een geestelijke die tijdelijk is aangesteld om een vacante parochie te besturen). Mollink, in 1813 geboren te Vilsteren, was eerder kapelaan in Heeten (1840). Op 6 juni 1842 kreeg hij bericht dat hij tot kapelaan in Steenwijkerwold benoemd was. Uiterlijk vrijdag 17 juni diende hij in zijn nieuwe standplaats te zijn. Hij bleef daar tot hij in 1847 pastoor te Hellendoorn werd. Op 20 juli 1847 overleed hij plotseling bij Hankate, op terugreis vanuit Vilsteren. Hij werd begraven in Vilsteren.

Joannes de Swart, 1842-1845 Joannes de Swart, geboren in Vollenhove op 22 maart 1804, werd priester gewijd op 9 juli 1831 in Munster. Hij was kape¬ laan in Veenhuizen (1831), Colmschate (1833) en Steenwijkerwold (1837), en werd op 3 juni 1842 benoemd tot pastoor op Schokland, waar op dat moment de bouw van de kerk en pastorie in voile gang was.

Hij kreeg van Van Kessel, de aartspriester van Salland en Drenthe, de opdracht mee om toezicht te houden op de bouwaktiviteiten, omdat de opzichter uit Kampen familie was van de aannemer, en daarom wellicht niet geheel onpartijdig zou zijn. Kontrole was echter niet goed mogelijk, omdat pastoor De Swart niet beschikte over een bestek, en zowel de aanne¬ mer als de opzichter hem dat niet wilden laten zien.

Tegen de tijd dat de kerk voltooid zou zijn moest er iemand gevonden worden om de kerk plechtig in te wijden. Aarts¬ priester Van Kessel voelde er desgevraagd niets voor, en verzocht de pastoor iemand anders te zoeken, onverschillig wie. “Mogt niemand die post op zich willen nemen, dan zal ik, ofschoon ongaarne, er mij mede willen belasten”, schreef hij. Hoewel de pastoors van Kuinre en Vollenhove op de Vollenhoofse kermis beloofden bij de inwijdingsplechtigheid aanwezig te zullen zijn, trokken zij zich op het laatste moment terug, omdat ze er tegen op zagen in november nog een zeereis te maken. Ofschoon de kerk en pastorie al op zaterdag

54

19 november 1842 opgeleverd zou worden, vonden zij het beter de inwijding pas in het voorjaar te verrichten. Pastoor De Swart stond voor een dilemma omdat hij niemand anders kon vinden, en hij vroeg zijn aartspriester om raad, die het feest definitief uitstelde naar het voorjaar. Tot die tijd mocht de kerk oningewijd gebruikt worden, hoewel dat ongebruikelijk was. Pas op dinsdag 4 juli 1843 kon de aartspriester de tijd vinden om de kerk op Emmeloord plechtig in te wijden. De Schokker pastoors genoten van oudsher een jaarwedde van / 400,—, aangevuld met een gratificatie, wegens de armoede op het eiland, van / 300,— per jaar. Het was altijd de gewoonte geweest dat de Schokkers hun pastoor een aanvulling op zijn salaris gaven, maar toen de armoede toenam werd dat steeds minder. De jaarwedde was al eens verhoogd naar / 400,—, en later was er nog iets bij gedaan. Pastoor De Swart zag dat zijn collega’s in vergelijkbare gemeenten op het platteland een jaarwedde genoten van / 800,—, terwijl zij ook nog inkomsten uit hun gemeente hadden, en hij besloot een brief te schrijven aan de hoogste persoon in het land: koning Willem II. Hierin verzocht pastoor De Swart hem eveneens een jaarlijks inkomen van tenminste / 800,— toe te kennen. Hij had dat geld hard nodig, meende hij, omdat het eiland zelf volstrekt niets voort bracht, en dus zelfs de geringste levensbehoeften met hoge kosten van de vaste wal gehaald moesten worden. Daarbij kwam dat de arme Schokkers hem steeds om geld vroegen. Ook aartspriester Van Kessel kreeg een brief van pastoor De Swart, waarin hij de reden van zijn verzoekschrift aan de koning uiteenzette: “De armoede is hiergroot. Ik kan het volk niet van mijne deur houden. En zoo ik niets geef, dan kan ik soms nog bij alle goedheid hooren: de voorige pastoor kon geld genoeg krijgen! Als er geen bijzonder gelukkig vischjaar volgt, dan halen het de menschen er niet meer boven. En op inkomsten van de gemeente kan ik hier vooreerst niet rekenen. En wil ik ook maar eens van huis, de beurs moet open. Wil ik eene bete broods, vooral in de winter, ik moet het dubbel betalen, terwijl alles van Kampen moet worden gehaald. Ik kan hier op den duur van f 700,— niet leven. “. Koning Willem II vroeg de mening van de aartspriester over

55

deze kwestie, en bepaalde daarna op 14 maart 1845 dat ook pastoor De Swart een jaarwedde van / 800,— zou krijgen, waarbij de gratificatie van / 300,— zou vervallen. Evenals vele van zijn voorgangers voelde ook pastoor De Swart zich niet thuis op het eiland. In november 1844 solliciteerde hij naar de vakante statie in Haarle, waarbij hij opmerkte dat hij naar zijn zin al lang genoeg op Schokland zat, langer dan al zijn voorgangers, die van de eerste tot de laatste dag verlangd zouden hebben naar een statie op de vaste wal. Hij voelde zich gekrenkt in zijn eer, omdat zoveel jongere geestelijken bij voortduring werden voorgetrokken, en hij nog steeds pastoor op Schokland was, “wat toch bij uelen een verachtelijke naam draagt”. Hij trok zich dat alles zo aan dat hij niet meer genoegzaam kon werken, en de omgang met andere geestelijken werd door hem zodanig gemist, dat zijn ijver er onder leed. “Het altijd eenzaam en tusschen vier muren wezen maakt het lighaam vadzig, de kracht van geest slap, en het werkt ten laatste nadelig voor lighaam en zie1”, schreef hij aan zijn aartspriester. Wat hij hiermee bedoelde zou weldra blijken.

Op 20 april 1845 viel een brief, geschreven door een zekere B. van Munster, in de brievenbus van aartspriester Van Kessel in Zwolle. We lezen hierin het volgende: “Weleerwaarde HeerAardspriester, Ik heb heeden avond aan de pastoorij geweest, maar Uw Eed. was niet te spreeken. Zoo dient deeze. Ik heb van het voorige naajaar al eens klagten gehoord door eene Jan Broodbak, vanweegen de pastoor op het Schokland. Van deeze winter weeder van eene Jan Konter, en nu op dit moment weeder van een Schokker Peter Kok, die hier met visch aan de merk is. Deeze klaagt mijn grootelijk over veele onbetaamde dingen van de pastoor. Hij zij teegen mijn: ik zou wel eens gerne widen dat het de Weleerwaarde Aardspriester eens wist hoe erg ofhet is, zoo hij het nog niet mogte weeten. Ik weet niet, zegt hij teegen mijn, hoe hij zijn amt goed kan bedienen, en zoo het op een duur zoo voort gaat, dan blijft hij geen pastoor meer. Dit zijn de woorden, die mijn P. Kok van deezen avond gezegt heeft. Zoo Uw Eerwaarde hem zelf ook wil spreeken, tot morgen 11 uur zijn zij nog wel hier, of dat ik bij Uw Eerwaarde

56

zal koomen. Uw Eerwaarde moet mijn het niet kwaalijk neemen, dat ik Uwe hier over schreijve, maar de drie boovenstaande Schokkers zijn alle geloofbare mannen. Uw. E. Dienaar, B. van Munster.”

Twee van de aanklagers zijn nader te identificeren als: Peter Hendriks Kok, geboren op Emmeloord 12 april 1814, overleden te Kampen 21 September 1876, visser en vermeld als kerkmeester in 1850, 1851 en 1853, gehuwd met Maria Bruinsen Visscher;

Jan Willems Broodbakker, gedoopt op Schokland 5 december 1797, overleden te Kampen 30 januari 1886, visser en vermeld als assessor van het gemeentebestuur in 1844, ge¬ huwd met Aaltje Jacobs Scholtus (Sul).

Op 5 juli 1845 schreef een zekere geestelijke K.A. Alferink, blijkbaar naar Schokland gestuurd om orde op zaken te stellen, een brief over deze zaak aan aartspriester Van Kessel in Zwolle. Daaruit blijkt dat er opnieuw beschuldigingen tegen pastoor De Swart zijn ingebracht, en dat hij daarom op 4 juli 1845 op staande voet geschorst is. Meteen heeft De Swart zijn koffers gepakt en is de volgende dag naar Zwolle vertrokken om zich zo mogelijk te verdedigen. Alferink maakte van de gelegenheid gebruik om de beschuldigingen uit de mond van de aanklagers zelf op te tekenen. De volgende verklaringen zijn afgelegd, en de aanklagers waren bereid dit onder ede te bevestigen:

1) Een ongehuwde vrouw heeft verklaard, dat de pastoor haar onder de kleren aangeraakt heeft, terwijl hij zei: “Gij zijt nog al aardig glad, wij zouden nog snel iets kunnen doen”.

2) Een ongehuwde vrouw van 18 jaar heeft verklaard dat zij twee jaar voordien lastig gevallen is door de pastoor, die zijn broek los maakte en zei: “Ziet eens, hebt gij dit wel eens meer gezien?” Toen zij beschaamd wilde vluchten, verzocht hij haar er met niemand over te spreken, want het was verkeerd van hem. Zij heeft er dan ook lang over gezwegen, en zelfs haar ouders had ze het niet verteld.

3) Nog een andere ongehuwde vrouw heeft getuigd dat de pastoor onder haar kleren gevoeld heeft, terwijl hij zei: “Gij zijt vetter als moeder”.

4) Ruim acht dagen voor Alferink verslag uitbracht is nog een gehuwde vrouw door de pastoor onder de kleren aange-

57

raakt. Toen zij op haar knieen lag, heeft hij haar overeind geholpen en gezegd, dat hij de zonden, welke er uit voort kwamen, voor zijn rekening nam.

5) Een week daarvoor was een andere vrouw hetzelfde overkomen. Toen zij hierop kwaad werd, is hij weg gegaan. Ook tijdens de paasbiecht was zij door de pastoor betast, maar toen alleen op de kleren. Alferink, die door deze verklaringen overtuigd was geraakt van de onzedelijkheid van De Swart, meldde ook dat de pas¬ toor al op de buurt door de mensen werd nagejouwd. Berichten als zou De Swart aan de drank zou zijn konden niet worden bevestigd.

Op 9 juli 1845 schreef Alferink opnieuw een brief aan de aartspriester. Er waren ook mensen op Schokland, schreef hij, die beweerden dat zij nooit iets zodanigs als er van de pastoor verteld werd ondervonden hadden, hoewel hij in woorden en daden hen wel eens iets te licht voorkwam. Anderen beschouwden de beschuldigingen enkel als lasterpraat van mensen, die kwaad waren over de minder ruime bedeling. Maar omdat de aanklagers tot de meer gegoeden behoorden, vond Alferink dat het argument van de bedeling moeilijk kon kloppen, zodat hij bleef geloven in de schuld van de pastoor.

Pastoor De Swart is blijkbaar al weer gauw op het eiland teruggekeerd, want op 19 juli 1845 schreef hij vanaf Schok¬ land het volgende aan de aartspriester, wat met recht als een schuldbekentenis kan worden opgevat: “Ik had mij reeds onderworpen, en vreesde al dat U mijne vragen als transactieen zoude opvatten. Ik had mij reeds vereenigd met het voorstel, en doe het mits dezen nog eens. Ik twijffel niet, of mijne onderwerping zal dienen, om de vloek uit te wisschen, mij nog meer met God te verzoenen, en het vertrouwen mijner overheid te herwinnen. Ik zal nader bevel afwachten. Met rouwmoedig, doch hoopvol hart, Hoogeerwaardig Heer, J. de Swart.”

Uit een brief van 18 april 1846 van Willem Legebeke, de opvolger van pastoor De Swart, aan de aartspriester blijkt dat Maria Jacobs Gosen heeft gezworen dat zij in 1845 door De Swart is gekust en betast, en dat Lijsje Jansen Visscher eveneens heeft gezworen dat zij in 1844 en 1845 door de pas-

58

toor is betast. De twee vrouwen kunnen ge'identificeerd worden als: Maria Jacobs Gosen, gedoopt op 18 oktober 1807 op Emmeloord, overleden 21 maart 1871 in Kampen, op 5 juni 1829 op Schokland getrouwd met Joannes Ferdinandus Stroeve, en: Lijsje Jansen Visscher, gedoopt op 21 September 1797 op Emmeloord, overleden 2 oktober 1853 op Schokland, op 27 augustus 1829 op Schokland getrouwd met Floris Klaassen Botter.

Joannes de Swart, die tot de benoeming van een nieuwe pastoor vervangen werd door de kapelaan uit Kampen, kreeg opdracht zich in de eerste week van oktober 1845 naar het La Trappe-klooster te Meersel in Belgie (bij Breda) te begeven. Daar moest hij zich aan strenge regels houden. Zo mocht hij niet roken, niet buiten het klooster komen, en werd al zijn inkomende en uitgaande post door de overste gelezen. Bovendien werd hem verboden de H. Mis te lezen. Wei mocht hij zijn gewone kleren aantrekken. Na herhaalde doch vruchteloze pogingen om De Swart ergens anders onder te brengen, vond aartspriester Van Kessel eindelijk plaats in het gesticht Het Huis van Padua te Boekel. Hij diende zich daar op 16 of 17 oktober 1846 te melden. Later verhuisde hij naar Oldenzaal, waar hij stierfop 19 februari 1877. Voor de buitenwereld probeerde men uiteraard de ware reden van het ontslag van de pastoor te verbergen. Toen aartspriester Van Kessel een mutatie-staat van zijn pastoors moest indienen bij de minister voor de Zaken van de R.K. Eeredienst (die de salarissen van de geestelijken uitbetaalde), noteerde hij, niet geheel in strijd met de waarheid, dat pastoor De Swart “tot het doen eener reis op den 4 julij 1845 verlof bekomen" had. De burgemeester van Schokland had echter aan de gouvemeur van Overijssel geschreven dat de pastoor geschorst was, en dit was weer aan de minister ter ore gekomen. Hierop moest de aartspriester alsnog aan de minister uitleggen of De Swart al dan niet met eervol ontslag was gegaan, omdat dit van belang was bij het betalen van het salaris. Iemand die eervol met ontslag ging kreeg namelijk betaald tot de laatste dag van het kwartaal waarin het ontslag viel, en bij een oneervol ontslag werd slechts betaald tot de dag van ontslag.

59

Wilhelmus Legebeke, 1845-1846

Wilhelmus Legebeke, geboren op 5 april 1815 in Raalte, werd op 25 maart 1839 tot priester gewijd in Roosendaal. Hij was daarna kapelaan te Deventer (1839), Kampen (1840) en Groningen (1842). Toen hij op 27 September 1845 tot pastoor op Schokland werd benoemd, was hij kapelaan te Veenhuizen. Begin oktober arriveerde hij op het eiland. Tot die tijd werd de dienst waargenomen door de kapelaan van de parochie te Kampen.

A1 gauw had pastoor Legebeke in de gaten dat de nog geen drie jaar oude kerk tal van gebreken vertoonde. Onder sommige balken in de kerk waren scheuren ontstaan en de achtermuur was geheel groen uitgeslagen en nat. Niet alleen in de winter, maar zelfs ‘s zomers was de pastorie ‘s avonds volstrekt onbewoonbaar, zo meende de pastoor. Het was er zo tochtig dat bij stormweer alle deuren van de pastorie open sprongen, zodat alles vergrendeld moest worden. Ook was er geen kamer voor de pastoorsmeid. In 1846 bezocht de schrijver G. Mees het eiland, en ook hem viel de slechte behuizing van de pastoor op: “De tegenwoordige geestelijke, Legebeke, vroeger kapellaan te Deventer, een zeer vriendelijk en verdraagzaam man, geniet f 800,— en vrije woning, zoo men vrij kan heeten, als de regen door de ramen klettert en het water van boven langs den schoorsteen gudst.”

De pastoor probeerde er het beste van te maken, was het niet binnenshuis, dan wel in zijn tuin. Binnen een ruwe omheining had hij wonderen gewrocht, meende Mees, door enige appel- en pereboompjes te planten, die, hoewel nietig en klein, gezonde vruchten droegen. Bomen groeiden echter zeer slecht op Schokland, en de verwachting was dan ook dat de fruitboompjes zouden sterven als ze groter zouden worden en bijgevolg teveel blootgesteld aan de zeewind. In de jaren voor de ontruiming werd diverse malen vertimmerd aan kerk en pastorie, maar het bleef tobben. Waarschijnlijk voelde het Rijk er toen al niet veel meer voor grote bedragen te besteden op Schokland. De laatste dagen van het eiland waren geteld, want men speelde in 1846 in het geheim al met de gedachte het eiland te ontruimen. Waarom zou men dan nog veel geld besteden aan een kerk en pastorie die over enkelejaren afgebroken zou moeten worden?

60

Op 26 februari 1846 schreef de pastoor namelijk aan zijn aartspriester dat burgemeester Gillot bij hem was geweest met een brief van de gouvemeur van Overijssel, waarin hem gevraagd werd een volksverplanting van de Schokkers te bewerkstelligen. Een gedeelte zou naar een niet met name genoemde plaats buiten Europa overgebracht dienen te worden, en een ander deel naar een der kolonien van de Maatschappij van Weldadigheid te Ommerschans en Veenhuizen. De burgemeester werd verzocht hierover in overleg te treden met de geestelijken van Schokland. De pastoor wist eigenlijk niet goed raad met deze nieuwe ontwikkelingen, en vroeg zijn aarstpriester om raad. Deze schreef hem op 2 maart 1846:

“Op Uwen briefvan 26 Febr., gisteren ontvangen, dient tot antwoord, dat Uw Ewd. zich met het voorstel van den Burgemeester aangaande de verplaatsing der Schokkers niet moet bemoeijen en bij nadere aanvraag slechts hebt te antwoorden, dat het tot Uwe werkingskring niet behoort u daarmede in te laten. Wil het gouvernement zoo iets tot stand brengen, dan laat het zich bij degeestelijke overheid vervoegen.”

Tot een ontruiming van het eiland zou het voorlopig nog niet komen.

In augustus 1846 waren er veel zieken op het eiland en ook pastoor Legebeke werd ernstig ziek. Toen hij steeds zwakker werd vroeg hij aan de Kamper pastoor Nieuwentap of zijn kapelaan tijdelijk naar Schokland wilde komen om hem bij te staan. Nieuwentap had evenals in het verleden weinig zin om zijn kapelaan af te staan, want hij was zelf van plan op reis te gaan, en het verzoek werd daarom afgewezen. Hulp werd tenslotte gevonden in de persoon van T.J. van Marnelen, die op 31 augustus 1846 aan de aartspriester schreef dat pastoor Legebeke opnieuw ingestort was, en wel zo hevig dat hij naar verwachting niet binnen een maand zou herstellen. De geneesmiddelen tegen de koorts hielpen niet meer, zodat hij elke dag achteruit ging. De dokter had gezegd dat de pastoor overgebracht moest worden naar de vaste wal, omdat hem anders iets ergs te wachten zou staan.

Waarschijnlijk heeft pastoor Legebeke kort hierna Schok¬ land verlaten, want op 18 oktober 1846 werd hij benoemd tot pastoor in Ommerschans. In 1849 werd hij pastoor in Nieuw-

61

Schoonebeek en in 1857 in Uithuizen, waar hij op 14 maart 1884 overleed.

Joannes Georgius Bruns, 1846-1856 Joannes Georgius Bruns, geboren op 15 September 1813 in Haaksbergen, kreeg zijn eerste onderricht van zijn broer, die kapelaan was te Vasse. In 1830 ging hij naar Neuenkirchen in Westfalen om zijn lagere studies voort te zetten, en in 1832 naar Munster, eveneens in Westfalen gelegen, om filosofie en theologie te studeren. In 1836 studeerde hij in ‘s Heerenberg, waarna hij in 1837 het subdiaconaat ontving in Nijmegen en het diaconaat in Oegstgeest. Tenslotte werd hij op 10 maart 1838 priester gewijd in Oegstgeest. Hij werd daarna kapelaan in Delden (1838), Weerselo (1840), Goor (tot 1845), Raalte en Hoonhorst (1846). Op 13 oktober 1846 werd hij pastoor te Schokland, en de 22e kwam hij op het eiland aan.

Tot die tijd was de dienst waargenomen door F.A. Rekveld, die kapelaan op Emmeloord was. Direkt na aankomst van de nieuwe pastoor vertrok de kapelaan naar Wijhe.

In augustus van het jaar 1847 nodigde pastoor Bruns de aartspriester uit om aanwezig te zijn bij het in gebruik nemen van een nieuwe kruisweg in de kerk op Emmeloord, maar wederom kon of wilde de geestelijke leider niet naar het eiland komen.

Op Paasmaandag 1848 werd vanaf de preekstoel bekend gemaakt dat de kerkbanken voortaan verhuurd zouden worden. Voorheen was men vrij te geven wat men wilde, en dus gaven veel Schokkers niets. Met de opbrengst, ongeveer honderd gulden per jaar, konden noodzakelijke dingen voor de kerk gekocht worden. In 1850 bleef er zoveel van het bankengeld over dat eindelijk een godslamp gekocht kon wor¬ den, om een eeuwigdurend licht te laten branden. Uit armoede had men voorheen op Schokland nooit zo’n lamp gehad, hoewel het als een doodzonde werd beschouwd wanneer de lamp zelfs maar een dag uit was. Men schijnt hiervoor vroeger een speciale ontheffing te hebben gehad, aldus de aarts¬ priester.

Vier jaar na de gebeurtenissen met pastoor De Swart waren de Schokkers nog steeds zeer wantrouwend tegenover alles wat met de kerk te maken had. In juli 1849 schreef pastoor

62

Bruns hierover het volgende aan zijn aartspriester: “Als er een van mijne voorgangers het hier ongelukkig getroffen heeft, dan mag ik mijns bedenkens de tweede genoemd worden, om de ellendige zielentoestand, waarin ik Schokland heb aangetroffen. Groot, Amplissime Domine, groot en menigvuldig waren de zielenwonden die J. de Swart de gemeente had toegebracht, wat toch het grievenste voor eenen herder is. En van die wonden waren er weinige ofgeene genezen toen ik hier kwam. Hoe vaak heb ik aan de woorden van UHWEW bij mijn vertrek hierheen gedacht, namelijk: “Schokland is onge¬ lukkiggeweest met de pastoors”. Ja, wel waar. Maar in dat ongeluk moet een opvolger van zulke herders in ruime mate deelen, en dat ben ik. Zoo heb ik dan nu bij de drie jaren met moeijlijkheden hier te worstelen gehad, gelijk geen ofweinige voorgangers voor mij. Welk tijdsbestek mij daarom ook niet slechts bijna 3jaren, maar wel 3 maal 3jaren toeschijnt.”

Pastoor Bruns wilde dus dolgraag Schokland verlaten, en solliciteerde naar de vakante statie in Vilsteren, waarbij hij nogmaals duidelijk maakte hoe hij over zijn verblijf op het eiland dacht:

“Ik behoef wel geene andere reden van dit mijn eerbiedig verzoek op te geven, dan dat ik op Schokland ben. Want met dit enkel woord is reeds zeer veel gezegd, meer dan mogelijk voor iemand, die dit landje niet bij ondervinding kent, zich zal kunnen voorstellen, althans zoo is het mijgebeurd. Veel, zeer veel had ik reeds over Schokland gehoort, eer ik het betrad, dock zoo veel niet als ik in dezen tijd alhier heb ondervonden, ofschoon nooit eenen klaagtoon over mijne lippen is gekomen. Doch daarom heb ik het onaangename van deze statie wel gevoeld, zoo wel als bijna alle mijne voorgangers schijnen gevoeld te hebben, omdat bijna ieder van hen gezocht heeft, zoo spoedig mogelijk weer van hier weg te komen. Een factum, welk meer voor mijn gedaan ver¬ zoek plijt dan vele jammertoonen, welke men zou kun¬ nen aanheffen.”

Hij werd afgewezen, maar twee jaar later, in juli 1851, deed hij nogmaals een poging van het eiland af te komen door te solliciteren naar de statie van Colmschate. Hij wilde weg,

63

omdat Schokland Schokland was, en lasten, moeilijkheden en ongemakken had, die bepaald niet klein waren. Op het eiland kon men geen behoorlijke wandeling maken, en een mens heeft toch behoefte aan beweging. De nadelige invloed die dit op zijn gestel uitoefende, begon al enigszins merkbaar te worden, meende hij. Dat men na vijfjaar vurig wenste van dit alles verlost te worden, was eenvoudig te begrijpen, meende hij.

“Hierbij komt nog, dat ik gedurende mijn hierzijn als van de wereld ben afgesneden. Krijg bijna geen geestelijken te zien ofte spreken (tenzij ik ergens heenga, wat echter ook al met kosten en moeite gepaard gaat), waardoor men ten laatste zoo afgetrokken, triest, zich zelven vervelende begint te worden, dat men geen halfmensch is, ofbijna levend dood.”

Pastoor Bruns werd opnieuw afgewezen, waarna hij in mei 1852 nogmaals overplaatsing naar Colmschate aanvroeg. Wederom werd hij teleurgesteld. Twee maanden later kreeg hij bericht dat hij pastoor in De Lutte kon worden, maar dat zinde hem niet. Hij had over die plaats niet veel goeds horen vertellen, en de morele toestand achtte hij niet veel beter als op Schokland. Bovendien wilde hij liever niet weer naar een arme gemeente. Hij zou graag een gemeente hebben die dichter bij Vilsteren lag, waar zijn broer pastoor was. Hij wenste liever nog een korte tijd op Schokland te blijven, in de hoop op een betere standplaats, dan naar een gemeente te vertrekken, waar hij toch niet van zins was te leven en te sterven.

In maart 1853 ondernam hij een nieuwe poging weg te komen van Schokland door naar de statie van Heeten te solliciteren. Hij schreef aan de aartspriester dat hij nu al 7 win¬ ters onder onnoemelijke moeite en grote lasten op Emmeloord doorgebracht had. Toen hij in 1846 benoemd werd als pastoor had de aartspriester tegen hem gezegd, “dat Schok¬ land het met de Heeren niet getroffen had", en dat dit voor de opvolgers altijd bijzondere moeilijkheden meebracht.

“Voeg daarbij de groote armoede met de daaruit voortvloeijende ellenden, en voornamelijk hier, dewijl het altijd op de pastoor losstormt, dan geloof ik dat er niet een geestelijke onder UWH distrikt te vinden is, die dat heeft ondervonden, wat ik in zeven winters heb uitge-

64

staan. Ja, ik heb wel eens gedacht, dat vele gevangenen het beter in het gevangenhuis hebben, dan ik bij den winter alhier. En bij al die ellenden zoo weinig troost! Ik heb toch in ruim twee jaren hier geen geestelijke gezien, behalven mijn broer. Verzoek ik iemand om eens te komen, het antwoord is: op Schokland niet. Waar alzoo een ander nog geen twee dagen wil slijten, heb ik zeven winters doorgebracht!”

Hij voelde zich op Emmeloord uitgewerkt en afgewerkt. Zijn gezondheid heeft in die tijd geleden, maar ook voor zijn ziel werd het gevaarlijk nog langer op het eiland te blijven, merkte hij op.

“Immers, de mensch heeft troost en opbeuring noodig, die mij hier kompleet mankeert. Het gevolg is soms, dat men troost zoekt in en bij verkeerde zaken. Hier ellendig en eeuwig ellendig, och hoe rampzalig!”

Zij smeekbeden bleven opnieuw zonder resultaat. In januari 1854 bracht hij het in een brief aan de aartspriester nog eens ter sprake:

“Ik had gehoopt het jaar ‘54 in een betere gemeente te begroeten dan Schokland. Hoe lang nog? Is mijne verlossing nog niet nabij?”

Op 15 april 1855 werd de statie van Emmeloord als gevolg van de herstelling der kerkelijke hierarchie tot parochie verheven. Deze parochie omvatte het hele eiland Schokland, dus zowel Ens als Emmeloord, en de parochiekerk werd toegewijd aan de H. Aartsengel Michael. Voor pastoor Bruns kwam de verlossing uit zijn ellende in 1856, toen hij benoemd werd tot de eerste pastoor van de nieuwe parochie te Lettele, waar hij op 28 december 1891 overleed.

Hermanus Frederikus Joannes Terschouw, 1856-1859

Hermanus Frederikus Joannes Terschouw werd geboren te Winschoten op 4 maart 1822. Hij studeerde aanvankelijk onder leiding van zijn vader, die echter in 1834 overleed. Omdat hij geen middelen had om zijn studie voort te zetten werd hij varensgezel. In 1841 werd hij door anderen ondersteund en kon hij Grieks en Latijn studeren in Amsterdam en Pekela. Daarna studeerde hij filosofle in Culemborg, en ging hij in 1845 naar Warmond. Op 12 augustus 1849 werd

65
66

hij priester gewijd, waarna hij kapelaan werd in Steenwijkerwold (1849) en Olst (1855). In 1856 volgde zijn benoeming tot pastoor op Schokland. Pastoor Terschouw was in feite degene die de aanzet gaf tot de ontruiming van het eiland Schokland. Dikwijls waren de Schokkers van een hongersdood gered door het houden van inzamelingsakties in het land. In weerwil van die ondersteuning nam echter de armoede en de daaruit ontstane ellende de laatste jaren hand over hand toe. Tijdens het verblijf van pastoor Terschouw kwamen er vier personen letterlijk van honger om, wat hem bewoog tot het schrijven van brieven aan de Tweede Kamer en aan diverse dagbladen. Op 30 januari 1857 was de volgende ingezonden briefte lezen: “SCHOKLAND.

De toestand van het eiland Schokland is zoodanig, dat ik niet kan nalaten daaraan publiciteit te geven, vermits er zich misschien velen een verkeerd denkbeeld van vormen. Dat het eiland onontbeerlijk is voor de kleine vaart, is boven alien twijfel verheven, van daar ook de groote sommen gelds die jaarlijks tot instandhouding van hetzelve door het rijk worden beschikbaar gesteld. Maar is het eiland noodig, niet minder nodig is het dan ook dat het bewoond worde. De inwoners aldaar zijn echter zeer armoedig en het is zonder twijfel om het eiland zelf, dat ten gunste van deszelfs bewoners door den staat zoo vele posten worden betaald, waarin anders de gemeente zelve moet voorzien. Zoo worden alle gemeente-ambtenaren door den staat bezoldigd, predikant, pastoor, geneesheer, schoolonderwijzers genieten alle landstractementen. Uit de staatskas wor¬ den verder de huizen van bovengenoemden, de kerken der godsdienstige gezindheden, de scholen onderhouden. Dat beloopt eenige duizendenjaarlijks, en dat voor slechts 600 zielen, waardoor alzoo de bewoners van Schokland van vele lasten worden ontheven. Intusschen zijn en blijven de inwoners van Schokland armoedig, als zodanig zijn zij dan ook overal in den lande bekend, jaren lang is van hunne armoede in de nieuwsbladen gewag gemaakt, maar misschien heeft men zich nog zelden afgevraagd: wat mag toch de reden zijn dat Schokland steeds zoo arm blijft in vergelijking van de

67

andere visschersdorpen hier te landed Ik zal trachten dit volgens mijne overtuiging toe te lichten in de hoop, dat er een geneesmiddel moge gevonden worden voor de kwaal.

1) De vischvangst, waarvan de Schokkers moeten leven, levert hun sedert jaren geen bestaan meer op. Hunne kleine schuiten kunnen slechts op de Zuiderzee gebruikt worden, en daar kan de visscherman niet zoo veel visch vangen, dat hij in zijne huiselijke en scheepsbehoeften kan voorzien. Vandaar dat de schuiten langzamerhand oud geworden, met schulden bezwaard, netten, zeilen en touwen versleten zijn, en de schippers zich met hun¬ ne wrakke schuitjes, als er maar een stevige bries waait, niet op zee durven begeven.

2) Omdat het visschen geen bestaan opleverde is hier onder medewerking van den staat eene calicots-weverij tot stand gekomen; dan ook deze gevestigd om de armoede te lenigen, gaf aanleiding tot armoede. Ouders, die vroeger hunne dochters naar den wal zonden om daar als meiden te dienen, hielden ze nu bij zich thuis, om hen te laten weven, ten einde de inkomsten van het huisgezin te vermeerderen. Dit was ook voor de kinderen aangenamer, deze bleven tot twee, drie en twintig jaren op de weverij en gingen dan huwen metjongelingen, die naauwlijks voor hun eigen bestaan konden zorgen. De vrouw, die niets geleerd had dan het weven, waarmede zij weldra niet meer verdienen kon, en de man die als knecht varende buiten den kost wekelijks f 1,50 a f 1,80, als het nl. open water is, verdiende, legden alzoo zelfden grand van een armoedig nageslacht.

3) Die armoede kwam dikwijls met rassche schreden, en vermits de een den anderen zoo lang en zoo veel als mogelijk ondersteunde, werd zij ook al meer en meer algemeen. Het gevolg daarvan was, dat men en burgemeester en predikant en pastoor etc. onophoudelijk lastig viel. Natuurlijk, deze konden in de behoeften der inwoners niet voorzien, waren daarom echter niet min¬ der met de ellenden hunner medemenschen bewogen. Wat deden zij? Vertrouwende op den milddadigheidszin van Neerlands ingezetenen, vroegen zij om liefdegif-

ten, welke hun in ruime mate toevloeiden, zoodat de armoede kon worden gelenigd. Maar den volgenden winter dezelfde armoede, en zij die het vorige jaar in die liefdegiften hadden gedeeld, waren niet de laatsten om bij het hoofd der gemeente, den predikant en pastoor op eene collecte door middel van de nieuwsbladen aan te dringen, waaraan dan ook wedergehoorgegeven werd. Dit gebeurde zoo jaren achtereen; het publiceren der liefdegiften maakte aan de Schokkers bekend, wat er voor hen was ingekomen, en zij die met het uitdeelen dier giften waren belast, genoten dikwijls geene rust voor dat alles uitgedeeld was. Dat collecteeren gebeurde jaren achtereen, de Schokkers hadden er zich aan gewoon gemaakt en rekenden er voor den winter op, om door het publiek te worden onderhouden. Op weinig uitzonderingen na was de schaamte voor het bedelen bij de Schokkers weg, terwijl velen, als er geld kwam, zich arm hielden, ofschoon nog niet alien gebrek leden, enz. En wat is thans de toestand? Dat de bewoners van Schokland, voor dat men er weefde, voor dat ten hunnen gunste op de milddadigheid van het publiek een beroep werd gedaan, nog beter in hunne behoeften konden voorzien dan thans. In welke mate nu de goede zeden door het bovenvermelde hebben geleden, moedeloosheid, ontevredenheid, kwade trouw, onregtvaardigheid gewoonlijk het gevolg der armoede zijn, laat ik aan het oordeel van den lezer over. En nu herhaal ik: wat is het geneesmiddel voor de kwaal? Hulp moet er komen ofde Schokkers zullen van kommer en gebrek moeten wegkwijnen; maar moet die hulp bestaan in een beroep op de publieke weldadigheid, dan bedekt gij de wonde wel, maar geneest haar niet. Intusschen daar is groote armoede en voorziening moet er zijn. Huizen zijn onbewoonbaar, vele hebben geene legerplaats om op te rusten, geene kleederen om zelfs behoorlijk hunne ligchamen te bedekken, van het voedsel wat somsgebruikt wordt, zal ik maar zwijgen. Ziedaar de armoede van Schoklands bewoners, maar nog eens, met het uitdeelen der liefdegaven is daarin niet te voorzien, het kwaad moet bij den wortel worden aangetast, maar wat zal daarvoor het middel zijn? Die

69

uraag aan het publiek te doen, was het doel van dit mijn schrijven en ik wensch tot welzijn van Schokland en tot eer van Nederland, dat het antwoord gunstig moge zijn en uitgevoerd moge worden! Schokland, 30 Januarij 1857. H.F.J. Ter Schouw, R.C. Pastoor.”

Reaktie op deze ingezonden brief bleef niet uit, en al gauw werden plannen gemaakt om de Schokkers over te plaatsen naar het vaste land. Een wetsvoorstel om voor een som van / 144.000,— alle grond van de particulieren op Schokland op te kopen en hen zodoende in de gelegenheid te stellen zich elders te vestigen, werd met algemene stemmen door de Eerste en Tweede Kamer aanvaard. Koning Willem III liet eind februari 1859 een besluit aan de Schokkers bekend maken, waarbij hen gelast werd het eiland voor 1 juli 1859 te verlaten. De meesten van hen trokken naar Kampen, Vollenhove, Urk ofVolendam. Op 10 juli 1859 hield Schokland op een afzonderlijke gemeente te zijn, en werd bij de gemeente Kampen ingelijfd. “Op den 1 Aug. heb ik voor het laatst het H. Misoffer opgedragen en daarna de kerk voor de openbare godsdienstoefening gesloten, waarop ik zelf vertrokken ben”, aldus pastoor Terschouw. Op 20 oktober 1859 ondertekende de aartsbisschop van Utrecht het besluit waarmee de parochie van de H. Michael op Schokland op hield te bestaan. Alle goederen van enige waarde die zich in de kerk en de pastorie bevonden, zoals altaar, doopvont en de beelden, moesten in Zwolle wor¬ den afgeleverd bij de deken Van Kessel. “Uitgaande van de veronderstelling dat Uwe pastorij zuiver is van huiselijk ongedierte, zal ik alles wat mij wordt aangeboden in ontvangst nemen, hetwelk ik echter zoude weigeren, wanneer het tegendeel plaats vond, om mijne kerk en pastorij niet aan te steken”, liet de aartspriester fijntjes weten. Het terrein waarop de kerk van Emmeloord stond behoorde toe aan de R.K. Gemeente, en het kerkgebouw zelf was eigendom van het Rijk. Een overeenkomst werd aangegaan tussen het Rijk en de Kerkelijke Overheid, waarbij grond en kerk van eigenaar verwisselden. Op 22 november 1860 werd begonnen met de afbraak van de kerk met aangebouwde pas¬ torie, die in Ommen in enigszins gewijzigde vorm weer werd

70

opgebouwd. Op 15 September 1861 vond daar de eerste H. Mis plaats. Verscheidene voorwerpen uit de Schokker kerk verhuisden eveneens naar Ommen, zoals koperen kerkkronen en kandelaars, een zilveren ciborie, kelken, ampullen, de preekstoel, het altaar, de communiebank en het doopvont. Naar de parochie van de H. Nicolaas te Vollenhove ging onder meer het Schokker Mariabeeld, bijgenaamd Sterre der Zee, en een ikoon van de H. Michael (in 1957 aan de parochie van de H. Michael in nieuw-Emmeloord geschonken). Naar de parochie van Onze Lieve Vrouw-Hemelvaart te Kampen ging de fraaie zwarte parochiekast met houtsnijwerk. Het oude Schokker kerkje in Ommen werd direct na de Duitse inval in 1940 afgebroken, waama van de stenen een kippenhok gebouwd werd. De kippen deden daarin, zo werd gezegd, hun plicht beter dan ooit tevoren. Pastoor Terschouw werd in 1859 overgeplaatst naar Hellendoom. Op 12 oktober 1866 werd hij pastoor in Nijkerk, waar hij bleeftot zijn dood op 11 november 1883.

71

Ontfermt U mijner! ontfermt U mijner, ten minste Gij, mijne vrienden! Job XIX: at.

BID VOOR DE ZIELEN van de Weleerwaarde Heeren

BARTHOLOMEUS DOORENWEERD

Geboren te Zwolle den 28 Mei 1767; Prieser gewijd te Rheine aan de Eems den 26 October 1790; Kapellaan te Zwolle in de Koestraat, bij den Weleerw. Heer PETRUS VAN VE, van 1790 tot 1796; Pastoor te Emmeloord en Ens op het eiland Schokland 1796, en te Kampen 1808. Aldaar na de reparade van de O.L.V. of Buitenkerk gepreekt 1810; en overleden op den 25 Julij 1832.

EN

JACOBUS CORIDON, Geboren te Ens op het eiland Schokland den 18 February 1802; Priester gewijd te Munster op den 20 September 1824; Kapellaan te Kam¬ pen; aldaar overleden op den 17 julij 1832.

Beide zijn begraven op het nieuwe Kerkhof buiten Kampen.

“Het is ijdelheid naar een lang leven te wenschen; en voor een goed leven weinig te zorgen.” “Het is ijdelheid, op het tegenwoordige leven alleen maar te letten, en hetgene, welk toekomstig is, niet te voorzien.” THOMAS VAN KEMPEN IB, I hoofdst.

R.I.P.

72

Bronnen en literatuur:

O. Dapper, Historische Beschrijving der Stadt Amsterdam (Amsterdam 1663).

H.C. Diender, Pastoor Bartholomeus Doorenweerd, in: De Kamper Almanak 1982-1983.

B. Doorenweerd, Afscheidsrede te Emmeloord, gehouden op het feest der Boodschap van de H. Maagd Maria.

M.J.M. Gasman, Schokland van 1796-1808, in: De Kamper Almanak 1956-1957.

M.J.M. Gasman, Uit het dagboek van Pastoor Doorenweerd, in: De Kamper Almanak 1961-1962. drs. A.J. Geurts, Schokland, de historic van een weerbarstig eiland (1991). drs. A.J. Geurts & B.A.J. Klappe, Schokland revisited; de laatste kerk van het oude Emmeloord, in: Schokland revi¬ sited (Cultuur Historisch Jaarboek voor Flevoland), 1992. drs. A.J. Geurts & B.A.J. Klappe, Pastoor in eenzaamheid; Het verblijfvan J. de Swart op Schokland (1842-1845), in: En het land was niet langer woest en ledig (Cultuur His¬ torisch Jaarboek voor Flevoland), 1991.

H., Een Amsterdamsche expeditie tegen Schokland, of: Hoe de Schokkers hun Katholieken priester beschermden, in: De Nieuwe Eeuw, no. 749, 31-12-1931.

L.J. van der Heijden, Uit het katholiek verleden van Schok¬ land, in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht, 65e deel, le aflevering (1941).

Ab Klappe, De familieserie: Toeter, in: Het Schokker Erfnr. 5 (mei 1987).

Ab Klappe, Catechisatie ongewenst, in: Het Schokker Erf nr. 10 (januari 1989).

Ab Klappe, Wei ofgeen huwelijksdispensatie?, in: Het Schok¬ ker Erfnr. 10 (januari 1989).

Ab Klappe, Legenden en bijgeloof op Schokland (1), in: Het Schokker Erf nr. 12 (September 1989); Legenden en bijge¬ loof op Schokland (3), in Het Schokker Erf nr. 14 (mei 1990).

73

Ab & Bruno Klappe, Zullen wij dan van koude omkomen?, in: Het Schokker Erfnr. 9 (September 1988).

Bruno Klappe, De r.k. kerk en pastorie in 1842 op Emmeloord, in: Het Schokker Erfnr. 5 (mei 1987).

Bruno Klappe, Hoe moeilijk de pastoors van Schokland het hadden, in: Het Schokker Erf nr. 7 (januari 1988).

R. van Kooten, Paaps ofProtestants?, in: De Schokker, jrg. 3, nr. 3 (1987).

G. Mees Azn., Schokland, in: Overijsselsche almanak voor oudheid en letterkunde (1847).

H. J. Moerman en A.J.Reijers, Schokland, in: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, 2e reeks, deel XLII, no. 2 (1925).

A. E. Rientjes, De katholieke gemeente op Schokland, in: Verslagen en mededeelingen van de Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis (1927).

L.J. Rogier: Geschiedenis van het katholicisme in NoordNederland in de 16e en 17e eeuw, (1947).

B. W.E. Veurman, Volendam, leven en lied (1968).

Pastoor B. Voets, Vredestichter op Schokland, in: Uit het Peperhuis, okt. 1970.

T. de Vries: Reformatie en Contra-Reformatie op Emmeloord (Schokland), in: Het Schokker Erf nr. 6 (sept. 1987) biz. 10-15, Het Schokker Erf nr. 7 (jan. 1988) biz. 3-9, Het Schokker Erf nr. 8 (mei 1988) biz. 2-8, Het Schokker Erf nr. 9 (sept. 1988) biz. 28-32.

Els van der Waag-Conijn, Emmelwerth, ik had u zo lief, in: Het Schokker Erfnr. 12 (September 1989).

Tevens is gebruik gemaakt van: de doop-, trouw- en begraafboeken van Schokland, aanwezig in het gemeente-archiefvan Kampen; vele archiefstukken uit de Rijksarchieven te Utrecht en Zwolle, het Algemeen Rijksarchief te ‘s-Gravenhage en het gemeente-archiefte Kampen; de genealogische Schokland-verzameling van Ab Klappe te Eindhoven.

Bruno Klappe, Eindhoven, (juli 1993)

74

De 28 predikanten van Schokland

Het eiland Schokland vormde mogelijk in de Romeinse tijd een geheel met het naburige Urk. De Duitse keizer Otto I schonk in het jaar 966 de helft van het eiland Urk aan het klooster van St. Pantaleon te Keulen, dat door zijn broer Bruno was gesticht. In 968 en 970 bevestigde hij schenkingen van gebiedsdelen in het territorium van Urk aan de abdij van Elten. In deze drie akten komt de naam van Emmeloord en Ens (tezamen later aangeduid als Schokland) niet voor, maar aangezien Schokland toen nog een geheel vormde met Urk, is zeer wel mogelijk dat de oorkonden ook op Schokland betrekking hadden.

In 1280 kwam een deel van de Eltense bezittingen (nl. die in Naardingerland) in bezit van Floris V, graaf van Holland. Of hierbij ook een deel van het later Schokland bij hoorde, is niet duidelijk. Zeker is wel dat Urk en Emmeloord sinds het begin van de veertiende eeuw een leengoed waren van Hol¬ land.

In 1331 werd Jan van Kuinre, een van de roofridders op de burcht Kuinre, door de Hollandse graaf Willem III beleend met verschillende in Kuinre gelegen goederen. Hierbij inbegrepen was het gerecht tot Urk en “dat gherechte van Emlairden half. Zijn neef Hendrik van Kuinre had voorheen dit alles in leen gehouden van de Hollandse graaf. Emmeloord was in deze tijd dus in twee delen gesplitst. Het andere deel was door de Hollandse graafbeleend aan de heer van Voorst, die ook rechten had op Urk, en evenals de heer van Kuinre een schout op Emmeloord aangesteld had.

In 1381 ging het Urker en Emmeloordse leengoed van de heren van Kuinre en van Voorst in andere handen over. De nieuwe leenheer werd de Hollandse edelman Dirk van Swieten, die in 1408 echter het deel dat eens van de heren van Voorst was geweest af moest dragen aan hun nazaat Johan¬ na van Voorst en Keppel. Zij deed in 1412 afstand van haar rechten ten behoeve van Herman van Kuinre. In 1412 droeg Dirk van Swieten ook de rechten op het overige deel van Urk

75

en Emmeloord over aan de graaf van Holland. Herman van Kuinre werd eveneens met dit deel beleend, zodat in dat jaar de gehele heerlijkheid van Urk en Emmeloord in een hand was.

In 1476 werd het leengoed Urk en Emmeloord gekocht door Evert Zoudenbalch uit Utrecht, kanunnik van de Utrechtse Dom en proost van de St. Servaaskerk te Maastricht. Hij werd opgevolgd door zijn naamgenoot en neef, die tussen 1490 en 1530 de heerlijkheid in leen hield. Diens zoon Jan was van 1530 tot 1559 heer van Urk en Emmeloord. Hij werd opgevolgd in 1560 door zijn zoon Evert, en in 1567 door zijn zoon Gerrit, gehuwd met Barbara van Essenstein. Na de dood van haar man 1599 wordt zij als Vrouwe van Urk en Emmeloord betiteld.

In 1616 werd de heerlijkheid gekocht door de Hollandse edelman Johan van de Werve, die in 1660 de eilanden voor / 14000,— verkocht aan de stad Amsterdam. De kosten van onderhoud van de eilanden Urk en Schokland waren hoog, wat de reden was dat in 1792 de heerlijkheid weer aan de leenheer, de Staten van Holland, werd teruggegeven.

Het zuidelijke deel van Schokland behoorde in tegenstelling tot Emmeloord niet tot Holland. In 1386 was sprake van een drost van IJsselmuiden, wiens gezag zich uitstrekte over de kerspelen IJsselmuiden, Wilsum, Kamperveen en Ens. Begin vijftiende eeuw kwamen hier nog Genemuiden en Grafhorst bij. Deze bezitsverhouding bleef tot in de Franse tijd ongewijzigd.

Deze politieke verhoudingen waren er in feite de oorzaak van dat Emmeloord in hoofdzaak katholiek was en Ens protestant. Met name de invloed van de katholieke heren van Urk en Emmeloord heeft hiertoe bijgedragen.

Petrus Aemilius, 1598-1601

In 1572 werd Emmeloord, het noordelijke deel van Schok¬ land, door de watergeuzen geplunderd. Kort daarop ging de kerk van Ens, het zuidelijke deel van het eiland, waar Simon Jansz pastoor was, over in handen van de hervormers.

In 1598 bepaalde de Overijsselse Synode dat Ens, dat bestuurlijk tot Overijssel behoorde, onder de classis Kampen zou ressorteren. In datzelfde jaar werd Petrus Aemilius, voormalig predikant te Oldendorp, beroepen als de eerste

76

predikant van Schokland. Van de kerk waarin hij eens preekte rest thans slechts de ru'ine, die op de Zuidpunt van Schokland nog te bezichtigen is. De bewoners van Emmeloord, dat ressorteerde onder Hol¬ land, bleven echter trouw aan hun katholieke geloof, daarin bijgestaan door hun eveneens katholieke landsheer Gerrit Zoudenbalch. In 1601 werd Petrus Aemilius predikant te Broek in Waterland.

Gellius Sextinus, 1607

Gellius Sextinus wordt in 1607 vermeld als predikant van Ens en Emmeloord.

Nikolaus Joannes Lachtrop, 7-1618

Dominee Lachtrop wordt in 1618 voor het laatst vermeld als predikant van Ens en Emmeloord.

Henricus Jodoci, 1618

Henricus Jodoci werd in 1618 benoemd als predikant van Ens. Hetzelfde jaar nog werd hij ontslagen om “onsuyverheit in leere ende leven”, evenals meer ambtgenoten in Noordwest-Overijssel, en vervolgens “in Drenthe gedeporteert”. Hij liet zich echter niet zo gemakkelijk wegsturen. In 1619 meldde de classis dat “Henrici Jodoci de huijsluijden met verkeerde affraedinge uth de kercke soect te houden”, en in 1620 dat de afgezette Enser predikant, evenals die van Genemuiden, de Kerk door zijn “tegenwoordigheid en conversatie” grote schade deed. De inwoners van Ens werden gemaand de wettelijk aangestelde predikant Lambertus Hiddingium te erkennen.

Lambertus Hiddingh, 1619-1624

In 1620 deed de Overijsselse synode te Kampen haar beklag bij de Staten-Generaal over de bewoners van Emmeloord, die vast bleven houden aan het katholieke geloof. Emmeloord leek in die tijd wel een toevluchtsoord waar roomse mensen uit de omliggende plaatsen naar toe trokken om te trouwen, te dopen ofgewoon de mis bij te wonen. In 1622 herhaalde de synode haar klachten en vroeg toestemming om de reformatie van Emmeloord, dat kerkelijk onder Holland viel, ter

77

hand te mogen neraen. Op 12 mei 1622 werd deze toestemming verkregen en mochten synode en classis de nodige maatregelen treffen. Op 15 augustus 1622 werd op de classicale vergadering van Kampen gesproken over een aanvullende beloning voor de predikant, zodat hij zowel Ens als Emmeloord zou kunnen bedienen. Ook werd besloten dat gedeputeerden van de classis en afgevaardigden van het gewest Overijssel de volgende zondag naar Emmeloord zouden gaan om aldaar de reformatie door te voeren. Zo deed op 21 augustus 1622 de dominee van Ens, Lambertus Hiddingh, ook wel Hiddingius genaamd, zijn intrede op Emmeloord. Namens de Staten van Overijssel werd het altaar in de kerk afgebroken en de pastoor gelast te vertrekken, waarna de eerste gereformeerde predikatie plaats vond. De Emmeloordse kerk werd in 1663 beschreven als “een oudt en uervallen gebouw, daer in men noch een Paepse dootkist vindt, en staet gegront op een hoop vervuilde koemis, met eenige zooden uit hun landen en slooten te zamen vermenght, gelijk ze meest al hun huizen en schuuren op dusdanige stoffe zetten”. De kerk stond dus op een terp, maar bij stormweer kon er toch vier tot vijf voet water in komen te staan. Daarom hebben de Emmeloorders “vrijwillich voor de predicant aldaer een nieuwt huis getimmert, om wanneer men door ongelegentheijt inde Kercke niet conde comen, daer t’samen te comen ende den H. Godesdienst te verrichten”.

De kerk op Ens was al niet veel beter. In 1613 was er al voor 800 gulden aan opgeknapt, maar in juni 1621 werd er op de classisvergadering over geklaagd dat “de kercke van Ens noch vensters noch vloer” had.

Dominee Hiddingh ontving een salaris van 300 gulden per jaar, waarvan hij 10 gulden perjaar diende te betalen aan de kerkvoogden tot onderhoud van de kerk. Bovendien ontving hij de opbrengst der pastorielanden. In een staat uit het jaar 1621 worden deze landen genoemd, zoals o.a. 6 stukken weiland in de Gunne, een kwart van een weide in de Kerkvenne en een halve koeweide in de Strym, tezamen 15 koeweiden. Gewoonlijk was de opbrengst 7 gulden per stuk, maar door dijkdoorbraak was de opbrengst gezakt tot 4 gulden.

Lambertus Hiddingh werd in 1624 benoemd als predikant te Wilsum.

78

Joannes Custodius (= Costerus), 1624-1626 Sinds de pinksterdagen van 1624 was hij predikant van Ens en Emmeloord. Aanvankelijk leek de reformatie op Emmeloord probleemloos te verlopen, totdat de katholieke heer van Emmeloord, Johan van de Werve, zijn onderdanen verbood de hervormde diensten te bezoeken. De jonge dominee Custodius was niet tegen de nieuwe problemen opgewassen, en maakte zich uit de voeten. In September 1625 verklaarde hij zes weken op Ens te hebben gewoond, maar dat hij toen naar Kampen was gegaan omdat hij ziek was, en ook omdat de Emmeloorders hem niet wilden laten wonen, tenzij de Ensenaren meebetaalden aan de huur. De classis liet hierop in mei 1626 de predikantenwoning op Emmeloord inspecteren. Men oordeelde dat althans’s zomers de woning bewoond kon worden, en gelastte dominee Custo¬ dius binnen veertien dagen terug te keren naar Schokland. Hij trouwde op 20 augustus 1626 als predikant van Schok¬ land in de gereformeerde kerk te Kampen met Macheltien van den Burg, jongedochter uit Amersfoort. Nog voor de winter van 1626 werd hij beroepen te Zwartsluis. Ens en Emmeloord zaten vervolgens maandenlang zonder predikant, waarvan katholieke priesters gebruik maakten om het eiland veelvuldig te bezoeken. Zo bezochten de jezu'ieten Adrianus Courten en Nicolaas Borluyt uit Zwol¬ le in deze tijd veelvuldig het eiland Schokland. Naar eigen zeggen zouden ze een grote oogst hebben kunnen binnenhalen als zij er lang genoeg hadden kunnen blijven.

Otto Gerritz Radijs, 1627-1637

In de zomer van 1627 werd Otto Gerritsen uit Enkhuizen, die wegens ziekte geruime tijd buiten dienst was geweest, benoemd als predikant van Ens en Emmeloord. De weduwnaar Otto Gerrits Radijs trouwde op 15 augustus 1627 in de gereformeerde kerk te Kampen met de weduwe Marrichien Jans uit Nijmegen. Hij werd toen al vermeld als predikant op Ens. Al spoedig beklaagde hij zich over de Emmeloorders, die de “geoordineerde feestdagen” niet zouden vieren en zich niet stoorden aan het verbod om op zondag te vissen. In 1629 deelde hij de classis mee dat een pastoor in het geheim de

79

mis kwam doen. In april 1630 bleek er in de kerk op Emmeloord nog een altaar te staan, waarvoor de Schokkers “grote afgoderij” bedreven. De dominee adviseerde het altaar af te laten breken en de “mispaep” te weren, maar een maand later moest hij melden dat het altaar niet verwijderd was, maar dat men het zelfs verder versierd had. In 1631 was er nog niets veranderd op Emmeloord: het altaar was nog steeds aanwezig en de predikant werd niet betrokken bij het uitdelen van aalmoezen in zijn gemeente. Otto Gerrits beklaagde zich erover dat hij in vier jaar tijd geen enkel kind had gedoopt en slechts een echtpaar had getrouwd. In april 1632 bleek dat de inwoners van Emmeloord hun kinderen elders bij Papen lieten dopen. In 1633 overwoog de classis in Kampen om een einde te maken aan deze situatie door op Emmeloord een aparte predikant te plaatsen, maar zover is het echter nooit gekomen.

Jan Jansz van Uytgeest, 1637-1638 In 1637 werd de oude dominee Gerrits vervangen door Jan Jansz, afkomstig van Uitgeest. A1 in 1638 werd hij naar Hol¬ land beroepen.

Wilhelmus Theodori Vinmannus (= Vinnemans), 16381647

Wilhelmus Vinnemans was, evenals zijn voorganger Otto Gerrits, afkomstig uit Uitgeest.

De heer van Urk en Emmeloord, de katholieke jonkheer Johan van de Werve, verbood de dominee en de schoolmeester hun taak op Emmeloord nog langer uit te voeren. Toen de classis de schout en kerkmeesters van Emmeloord in Kam¬ pen had laten arresteren, om met de gelden die een vrijlating op borgstelling opleverden de predikant en de schoolmeester te betalen, was voor Van de Werve de maat vol. Door zijn toedoen kwam in 1642 tijdens de classisvergadering in Kam¬

pen een schrijven van de Staten van Holland en West-Friesland ter tafel, waarin de Hollanders zich bij de Overijsselse Staten beklaagden over het optreden van de classis Kampen op Emmeloord. De classis wees de kritiek van de hand en beriep zich op de toestemming van de Staten-Generaal om zich met de kerkelijke zaken op Emmeloord te bemoeien. In 1647 brandde de predikantenwoning af. Kort nadat enige

80

bewoners van Ens op de classicale vergadering in Kampen gepleit hadden voor het timmeren van een nieuwe woning voor hun geliefde predikant, vertrok dominee Vinnemans in het voorjaar van 1647 naar het weeshuis in Amsterdam. De stad Kampen schonk 150 Carolusgulden voor de wederopbouw van de pedikantenwoning. Ook predikantenweduwen werden soms door Kampen ondersteund.

Joannes Grevesteijn, 1647-1649

In de zomer van 1647 werd Joannes Grevesteijn predikant van Ens en Emmeloord, die slecht kort op het eiland bleef, hoewel de Emmeloorders hem wel hadden willen houden.

Franciscus Stallijn, 1649-1650

In april 1649 werd Franciscus Stallijn als predikant gevraagd door de Emmeloorders, die nu zelf willen beroepen, “als hadden ze een besloten kerkcke”. Het eerste werd toegestaan, het tweede niet. Ondertussen bleek steeds weer dat men op Emmeloord vast bleef houden aan het katholieke geloof. Dominee Stallijn, uit wiens verslag aan de classis de conclusie getrokken kan worden dat de reformatie op Emmeloord gedoemd was te mislukken, overleed in 1650.

Johannes Hermanni Sanders, 1650-1672

Na het overlijden van dominee Stallijn werd Johannes San¬ ders (ook wel: Zandes) beroepen als predikant van Ens en Emmeloord.

In 1660 gingen Urk en Emmeloord over in Amsterdamse handen. Toen in 1661 een commissie van Amsterdamse regeerders op inspectie kwam, bestond Emmeloord voor het overgrote deel uit katholieken. Enkele jaren voordien waren Ens en Emmeloord in kerkelijk opzicht samengevoegd. Dominee Zandes ging elke veertien dagen naar Emmeloord op daar te preken, wat niet erg door de bewoners aldaar werd gewaardeerd. Dit was er de oorzaak van dat de domi¬ nee zich soms langere tijd niet op Emmeloord liet zien, om daarna weer hernieuwde vruchteloze pogingen te ondernemen hen tot bekeren te brengen.

Door de nieuwe heren werd de roomse priester van het eiland verwijderd, waarna jezu'ieten-missionarissen van tijd tot tijd Schokland bezochten om kinderen te dopen en huwe-

81

lijken te voltrekken. In 1664 was er echter al weer een vaste pastoor op Emmeloord, en diverse pogingen daar verandering in te brengen, liepen op niets uit. In 1666 verzocht Sanders aan de burgemeesters van Amster¬ dam er voor te zorgen dat de Emmeloorders zijn salaris van 120 Caroli guldens perjaar, dat zij sinds mei 1663 niet meer betaald hadden, alsnog zouden betalen. Van het salaris dat hij op Ens kreeg, zijnde 380 gulden, kon hij niet leven, meende hij. Voorheen werd het Emmeloordse salaris betaald uit de opbrengst van 16 stukken land, waarvan in 1652 de opbrengst nog ruim 114 gulden was. Sinds dat jaar zou de opbrengst wegens landafslag sterk zijn verminderd, wat door de dominee werd bestreden. Waarschijnlijk had het niet betalen van het salaris van de dominee meer te maken met het feit dat de diensten van dominee Sanders, die in de school op Emmeloord werden gehouden, doorgaans slechts werden bezocht door “enige weijnige toehoorderen van Ens”. Na het overlijden van de gereformeerde schoolmeester op Emmeloord in 1663 was diens vrouw uit haar huis gezet en was een roomse schoolmeester aangesteld, zodat daarmee ook te mogelijkheid tot het houden van kerkdiensten kwam te vervallen.

Dominee Sanders overleed ofvertrok in 1672.

Petrus Hulzenaer, 1672-1675

Peterus Hulzenaer was van 1672 tot 1675 predikant van Ens en Emmeloord.

Joannes Fellinger, 1675-1688

“Anno 1675 heeft het de groote God belieft mij, Johannes Fel¬ linger, in sijnen Heijligen Kerkendienst den 4 Augusti stijle novo op dese plaatse te laeten bevestigen”, schreef de nieuwe dominee in een thans verloren gegaan boek, in 1688 overgeschreven in het “Twede Kerckenboek des Eyland Ens” door zijn opvolger.

Johannes Fellinger (ook wel: Vellinga), “bedienaar des Goddelijke Woord te Ens”, trouwde op 20 november 1683 in Kampen met Johanna Forsius uit Amsterdam.

Sinds 1663 was op er op Emmeloord weer een gereformeerde schoolmeester, Paulus Kleij, die door de bevolking werd genegeerd. In 1687 schreef hij aan de Amsterdamse burge-

82

meester J. Huydekoper over de storm van 21 en 22 mei in dat jaar, die grote delen van het dak van de Emmeloordse kerk afrukte. “Nu moeten wijgenoegzaem onder den blauwen kernel slaepen, onse spijs koken en openbaere oeffening der religie houden”, klaagde hij.

In 1686 kwam het tot een uitbarsting tussen schoolmeester/koster Kleij en de Emmeloordse bevolking. Toen op 8 Sep¬ tember de schout van Emmeloord in het openbaar een “verbod van quade bejegeningen” betreffende de enkele gereformeerden op de buurt bekend maakte, viel men Kleij hierover aan, omdat zij meenden dat hij deze zaak aanhangig had gemaakt. “Wij saten verstomt als een schaep onder de wolven, verwachtende als een martelaer des geloofs het leven te eijndigen onder de handen van soo veel bloedhonden. Driemael hadde (weijnig uuren te vooren) het vuurslot van eenig schultgeweer op ons aengelegt, geweijgert, onse oogen hebben de moordenaers telkens sien wegduijken, sonder echter haer te konnen kennen”.

In 1690 blijkt er weer een katholieke schoolmeester op Emmeloord te werken.

Abrahamus Riet, 1688-1720

“Anno 1688, den 12 Augustus is het de wille des Heeren geweest, nae gedaene wettige beroepinge, tot genoegen der gemeente, en naeuwe examinatie, mij Abrahamus Riet in den H. Dienst des Evangelies tot opsiender der gemeente J. Christi op Ens en Emmeloort te laeten bevestigen”. Bij deze gelegenheid predikte Lucas van der Meer, predikant te Kampen, uit Hebr. 13, vers 17 (Sijt uwe voorgangeren gehoorsaam, etc.), en heeft Johannes Breele, predikant te IJsselmuiden, de oplegging der handen gedaan.

Twee dagen eerder, op 10 augustus 1688, was Abrahamus Riet, “bedienaar van het Evangelie in Ens”, in de gereformeerde kerk te Kampen in ondertrouw gegaan met Geertruijt Fellinger uit ’s-Hertogenbosch. Dominee Riet legde meteen na zijn komst op het eiland een nieuw trouwboek aan. Als eerste schreef hij zijn eigen huwelijk in: hij trouwde op 2 September 1688 op Ens met zijn Geertruijt.

Op Paasmaandag 13 april 1691 werd in de kerk op Emmel¬ oord het huwelijk voltrokken tussen Diewertie Willemsz, een weduwe uit Emmeloord en Idze Jurjaans, een weduwnaar

83

Familiewapen van G.G. de la Couture, dominee op Schokland.

f T. .jn. C(***.,r\ .jC
84

uit Slijckenburg, waarbij de dominee in het trouwboek schreef: “Dit is geweest de eerste mael dat iemant daer is getrouwt streckende tot mortificatie der paperie, en haer dit grotelijck spijtende, is met een doen, door order van de officier Bruinstein afgeklopt, dat alle de navolgende gebooden bij de predicant sullen warden opgeteijkent, welke last en ordre de officier van de GrootAchtb. Heeren van Amsterdam wasgegeven, dat Bruinstein ook op ’t Classis van dat Paeschen, het eerw. Classis heeft bekent gemaakt”. Bruinstein, eertijds secretaris in Genemuiden, was in 1682 in plaats van de toenmalige roomse schout aangesteld, met de opdracht de reformatie op het eiland voort te zetten.

Pas op 18 november 1694 werd door de dominee weer een huwelijk in de kerk op Emmeloord gesloten, tussen de Emmeloordse weduwnaar Andries Berentszen en de Enser weduwe Marritje Harmensz, waarbij dominee Riet noteerde dat de schout Bruinstein daarbij aanwezig was, “en uijtnemend veel van de Emmeloorders zijn ook geweest op de kerkcke om’t trouwen te zien, want de man was paaps, en woonde daar ook”.

Eerst in 1701 wordt er met meer regelmaat in de kerk op Emmeloord getrouwd, waarbij vaak zeer veel Emmeloorders aanwezig waren, die meestal “met goede neerstigheijt toeluijsterden”, hoewel een enkele maal “dejongejeught zo niet was”.

Blijkens een mededeling in het doopboek was het in deze tijd gewoonte drie maal per jaar het Heilig Avondmaal te vieren: op Kerstdag, met Pasen en op de eerste zondag in de maand augustus (een enkele maal op de tweede zondag).

Men probeerde krampachtig de katholieken van Emmeloord tot het gereformeerde geloof te brengen. Men trad zelfs met dwang op, zoals uit het doopboek van Ens blijkt. “Anno 1696 den 29 Maart is’t eerste kint van de Emeloorders van mij op de kerk aldaar gedoopt, ’t welk de H. en Mr. Jacob Hinlopen, ambagtsheer van Urk en Emeloord, wel scherpelijk heeft in last gegeven, en dat in presentie van den schout Tollens, en hem schout bevolen daar op te letten, en bij her-onenigheijt hen te straffen en de paap wel daar aan te doen houden”. Wie het kind was werd helaas niet genoteerd.

In latere jaren komen we in het doopboek van Ens vaker dopen tegen van kinderen van katholieken, zoals op 24 juni

85

1700 toen Tijman gedoopt werd, de zoon van de eerder genoemde Andries Berents en Marritje Herms, “zijnde papisten op Emmeloord en aldaar gedoopt in presentie van wel vijf en twintig van die luijden”. Het gevolg was dat de katholieken hun kinderen lieten herdopen, wat echter op een boete van 100 gulden verboden werd. Het middeleeuwse kerkje op de Zuidpunt van het eiland, thans nog te bezichtigen als ru'ine, bood tot 1717 onderdak aan de hervormde gemeenschap. In dat jaar werd een nieuwe kerk gebouwd op de Middelbuurt, daar waar nu het museumkerkje staat. Dominee Riet schreef in zijn doopboek: “Op den 8 augusti 1717 is alhier d’eerste maal in de nieuwe kerk naast mijn huijs gepredikt”. Op die dag werd Jan, zoon van Dirk Peters van Hoorn en Dieuwertie Jans, gedoopt. Dominee Riet overleed op 13 oktober 1720.

Johannes Carolus van Heijmenberg, 1721-1741 De eerste predikatie na de dood van Abrahamus Riet werd op 23-12-1720 gedaan door Johan Carel van Heijmenberg (“proponent te Campen sijnde”), uit psalm 39 : 6 (Gij hebt mijne daegen een handbreet gestelt, etc.) ter gelegenheid van het huwelijk van Jan Jacobs en Nelletje Peters, beiden uit Ens. Op 27 januari 1721 werd hij tot predikant van Ens en Emmeloord beroepen door de classis van Kampen, op verzoek van de schout, burgemeesters en leden van de kerkeraad, “met op drie nae eenparige stemmen”. Johan Carel van Heijmenberg, geboren in Kampen, en op 26 mei 1723 door zijn vader getrouwd in Kamperveen met de uit Kampen afkomstige Margareta Du Pre, stamde uit een predikanten-familie. Zijn grootvader Johannes van Heijmen¬ berg was predikant in Utrecht, zijn vader Casparus van Heijmenberg (overleden in 1734) was predikant in Kampen, zijn oudste broer Petrus was sinds 1716 predikant in Kam¬ perveen, en zijn middelste broer Caspar Henricus was sinds 1720 predikant te Middelije en na 1721 in Wormerveer. Hij was een neef van Henricus van Heijmenberg, die in 1710 overleed als predikant te Schiedam. “Om van moeder Bruns sijde niet te melden, welkers familie al over de 100jaaren predicanten geweest sijn”. De aprobatie van zijn beroeping kon pas plaatsvinden op 21 april 1721 “door de vergeefsche pogingen van sommige, en een

86

onverstandige ijver van qualijk onderregte Schokkers”, die zo weinig met hun nieuwe predikant ophadden, dat zij verklaarden liever naar de roomse pastoor te gaan dan een opgedrongen predikant aan te nemen. De oplossing was kennelijk eenvoudig: pastoor Joannes Sobben moest het eiland verlaten....

Op “het Pinxter Classis” te Kampen van 3 juni 1721 werd Van Heijmenberg geexamineerd door de Kamper predikant Justus Muntendam, waarbij hij predikte over psalm 68 : 19 (Gij hebt gaeven genomen om uyt te deelen onder de menschenkinderen).

Op 29 juni 1721 is de bevestiging gedaan door Adrianus van Toorn, predikant te Wilsum, die preekte over “Die sielen vangt is wijs”. Van Toom had in 1716 ook al gepreekt tijdens de bevestiging als dominee te Kamperveen van Petrus van Heijmenberg, de broer van de nieuwe Schokker predikant. De oplegging der handen geschiedde door vader Casparus van Heijmenberg, die dat ook gedaan had bij zijn zoon Pet¬ rus in dejaren 1716, 1720 en 1721.

Op 16 oktober 1721 ontving hij zijn akte als predikant van Emmeloord uit handen van Jan van de Pol, burgemeester van Amsterdam, ambachtsheer van Urk en Emmeloord, en Heer van de Pilotage etc. Zijn traktement ten bedrage van 100 gulden per jaar werd met terugwerkende kracht betaald vanaf 29 juni 1721. Tijdens zijn intrede-predikatie, diezelfde namiddag, sprak hij over Kor. 2 : 16 (Ende wie is tot dese dingen bequaam?).

Op 3 augustus 1721 werd door Jan Carel van Heijmenberg voor de eerste maal kerkeraad gehouden, waarbij bepaald werd dat voortaan elk jaar een van de twee ouderlingen vervangen zou worden. Door zijn voorganger was in 1718 al vastgesteld dat elk jaar een van de twee diakenen zou aftreden, afwisselend die van de Zuiderbuurt en van de Noorderof Meulenbuurt. Voordien plachten de diakens voor onbeperkte tijd aan te blijven, “alsoo hier geen bevestigde kerke¬ raad is”.

In 1728 was Emmeloord het toneel van een grote brand, waarbij de kerk en enkele huizen in vlammen opgingen. De kerk werd herbouwd met financiele steun van de Amsterdamse burgemeesters, en op 29 September 1729 plechtig in gebruik genomen, “onder een groten toevloedt van vreemde-

87

lingen”. Het laatste hervormde huwelijk, in deze kerk gesloten, was op 2 September 1736, toen Dubbeld Cornelis en Eefje Pieters trouwden, waarbij “aanwezig meer als 100 mensen, op ’t laest al wat geraas maekende”. Kort daama moet de kerk overgenomen zijn door de katholieken. Op de classicale vergadering van 24 September 1736 werd al gesproken over de vergroting van de “paapsche” kerk op Emmeloord. De katholieken hebben niet lang plezier gehad van hun kerk, want in 1749 brandde hij af, samen met 34 huizen. Dat er niet veel hervormden woonden op het overwegend katholieke Emmeloord blijkt bij de doop op 17 februari 1732 van Jan, zoon van Jan de Wit, schoolmeester op Emmeloord, en Zwaantje Kok, toen de dominee in het doopboek noteerde: “dit is het eerste kint door mij te Emeloort gedoopt”. Een diaken had het niet altijd even gemakkelijk. Sprong hij iets te vrijgevig met het armengeld om, dan werd dat in het Kerckenboek genoteerd, zoals in het geval van diaken Jantje Jans Kok, vulgo Dirkjes Jantje (1691-1748), die nog voor hij in 1730 de kas overgenomen had van zijn voorganger Jan Jacobs de Jong, vulgo Jonge Jan (1698-....), wel 40 gulden had uitgegeven wegens de strenge vorst en de visvangst. In 1731 kwam bij de Classis in Kampen bericht binnen dat op het Eyland Ens een grote onenigheid was ontstaan tussen de Enser schout Michiel Jans en de zijnen en enkele van de afgegane en nog in bediening zijnde armenvoogden. De laatsten meenden dat de schout lasterpraatjes rond had gestrooid over de verdeling van de armenpenningen der diaconie. Nadat de dominee dit op de Kamper Classis ter sprake had gebracht, besloot de Classis een kerkvisitatie op Ens te doen, waartoe aangewezen werden Petrus Hollebeek, predikant te Kampen, Petrus Heijmenberg, predikant te Kamperveen en broer van de Schokker dominee, Petrus van Driesch, predikant te Wilsum en Jacobus Moojen, predikant te Mastenbroek. Op 22 mei 1731 kwamen ze op Schokland aan, en hoorden eerst Michiel Jans (....-1736), die sinds november 1723 schout was, en zijn huisvrouw Maria Peters. De schout en zijn vrouw gaven echter te kennen dat de tegenwoordige en afgegane armenvoogden eerlijke en getrouwe mensen waren, en dat Teunis Peters, de zwager van de schout, “thans van het land sijnde”, dat ook zo zou zeggen. Van lasterpraat van hun kant was geen sprake geweest, en om dat

88

nog eens te benadrukken werd een verklaring opgesteld die in de kerk afgelezen zou worden. In deze verklaring werd gesteld dat de schout en de zijnen “op niemant der tegenwoordige of nu reets afgegane armebedienaars, in het stuk van de behandelinge der armepenningen, ieds wete te seggen, of ieds ten laste te hebben, nog te eenig vermoeden van quaade bedieninge”. Verder werd iedereen gewaarschuwd dergelijke lasterpraat achterwege te laten, “onder bedreyginge van in desen op het alderstrengste nae regten te sullen wor¬ den vervolgt". Daarop is Jan Jans Kok (1691-1748), ook wel Dirkjes Jantje genaamd, die om voorgemelde redenen zijn ambt van diaken had neergelegd, gelast om zijn bediening weer waar te nemen, wat hij dan ook deed. Om in de toekomst te voorkomen dat “wegens de gaederinge en uijtdelinge der armegelden gedurige lasteringen tegen de armevoogden uitgebraakt worden”, en daardoor vrijwel niemand deze functie graag uitoefende, werden door de Classis in Kampen de volgende maatregelen gelast. Voortaan moesten de diakenen, zoals in andere kerken gebruikelijk was, in twee boekjes, waarvan een door de predikant en een door de diaken bewaard werd, met dag en datum noteren hoeveel geld in de kerk ingezameld was. In dat boekje moest ook opgetekend worden hoeveel geld zij ontvangen hadden wegens rentebrieven, vrijwilllige giften etc., en de opbrengsten van de schuiten, die vis geladen hadden op het eiland, “welke beuringe nog onlangs door den Heer Landdrost van IJsselmuiden op nieuws is geaccordeert en bevestigt” (het zgn. Enser geld). Voorts moest door de predikant iedere week aan de diakenen, die doorgaans niet lezen en schrijven konden, verteld worden hoeveel geld zij die week uitgegeven hadden. Deze maatregelen werden door de predikant op 27 mei 1731 van de kansel afgelezen. Bij die gelegenheid is ook herhaald de aflezing van het placaat wegens de betaling van het Enser geld, omdat de diakenen over wanbetaling klaagden. Er bleven echter geruchten op Schokland de rondte doen over de schout en de diakenen. Op 16 September 1732, tijdens de jaarlijkse kerkvisitatie, kwam de oude kwestie weer ter sprake, en werd het nodig geacht opnieuw een verklaring van de kansel af te lezen. Bekend gemaakt werd dat in de verklaring van het verleden jaar niet alleen voor de eer en goede naam van de armenvoogden was gezorgd, maar even-

89

eens voor die van de schout, zijn vrouw en zijn zwager. Niemand zou dus iets ten nadele van de eer en goede naam van de schout en de zijnen dienen te zeggen. Het kwam wel meer voor dat men weigerde de functie van diaken of ouderling uit te oefenen. Albert Klaasen Kale, alias Kalen Albert, die op 10 januari 1734 tot diaken op de Noorderbuurt werd verkozen, en Tijmen Haas, vulgo de Camper (....1743), die op dezelfde dag tot ouderling werd verkozen, wilden wegens “onderlinge verschillen” hun functie niet bekleden. Dominee Heijmenberg deed op de Paas-classis zijn beklag over de weigering van Kalen Albert en De Camper. Pas na een schriftelijke aanmaning van de classis en diverse debatten wilden zij zich laten bevestigen in hun functie. Tijdens de kerkvisitatie van 1734 was er “al vrij wat met de Camper te doen vallende, uijt oorsaak sijner oude verschillen met den schout”, waaruit we kunnen concluderen dat de oude geschillen tussen de schout en de kerkeraad blijkbaar nog steeds niet geheel opgelost waren. Twee jaar later waren er weer problemen. Op 6 januari 1736 werd door de kerkeraad met eenparige stemmen Jan Jans, vulgo Jan Brasser tot diaken van de Noorderbuurt gekozen, “alhier meest een polityke bedieninge, dewijl hier geen bevestigde kerkenraad is, en ook het meeste geld van de visschuijten moet komen”. Hij weigerde echter zich tot diaken te laten bevestigen, omdat hij geen lidmaat was. De predikant meende dat hij wegens zijn leeftijd al lang lidmaat had moeten zijn, en hij had hem hierover al meermalen aangesproken. Jan Brasser voerde ook als excuus aan dat hij “somtijds niet wel in ’t hoofd was”. De dominee vond dat echter “so breed lange niet als voorgewend word”. De kerkeraad klaagde hem daarop aan bij de classis van Kampen en de landdrost, die beiden “door brieven hem tot sijn pligt hebben vermaant, dog tevergeefs”. De landdrost veroordeelde hem tot een boete van 50 gulden: 25 voor de landdrost en 25 voor de armen. Niettegenstaande herhaalde vermaningen en bedreigingen, zowel door de predikant als door de landdrost, wilde Jan Brasser niet diaken worden. Ook de boete betaalde hij niet. Dit alles was er de oorzaak van dat de aftredende diaken noodgedwongen tot in 1738 aanbleef. Begin 1736 kreeg de predikant een brief van de Classis te Kampen, met een klacht over de herhaalde afwezigheid der

r
90

leden van de kerkeraad tijdens de jaarlijkse kerkvisitaties. Men was het moe om, zoals het al enkele jaren het geval was, “te vergeefs sulk een moeijelijke reijse te ondernemen”. Zo was tijdens de visitatie van 1735 alleen ouderling De Cam¬ per aanwezig. De predikant, de voltallige kerkeraad en de twee sehoolmeesters (die van Ens en Emmeloord) werden verzocht om naar het Classis Antesynodaal, onmiddellijk na Pinksteren, te komen, ten einde daar de staat van de Kerk op Ens toe te lichten.

Toen tijdens de kerkeraadsvergadering van 2 april 1736 de brief van de Classis werd voorgelezen, waren de kerkeraadsleden dermate “bekommert en verlegen”, dat zij in een schrijven aan de Classis erkenden te kort geschoten te hebben in hun plicht aanwezig te zijn bij de kerkvisitatie. Zij beloofden hun leven te beteren, en verbonden daaraan de belofte dat eenieder, die willens en wetens afwezig zou zijn, een boete aan de armenkas zou betalen van een ducaton.

Op 5 april 1739 kwam Jan Brasser’s avonds bij de dominee langs, met het verzoek de zaak in den minne te schikken. Dominee Heijmenberg liet hierop de schout Willem van der Werf roepen, in wiens bijzijn zij tot een akkoord kwamen, onder de voorwaarde dat Jan Brasser tegen niemand iets hierover zou zeggen, “nog sig over dit soet accoord beroemen”. Zou hij dat wel doen, dan werd hij volgens order van de landdrost bij de eerste-de-beste vacature weer tot diaken verkozen, en zou hij gehouden zijn die post te bekleden. Hij zou voorts geen enkel politiek ambt, van burgemeester etc., mogen bekleden, voordat hij eenmaal diaken was geweest. Bij deze werd hij door de schout en de predikant, als gevolmachtigde van de drost, voor deze maal ontslagen van de plicht het diakenschap waar te nemen.

Uit het huwelijk van Jan Carel van Heijmenberg en zijn vrouw Margareta Du Pre werden de volgende kinderen op Schokland geboren: Caspar Hendrik (1724), Hester (1725), Jesaias (1726) en Jesaias (1728), waarvan de laatste drie slechts enkele maanden oud werden.

Dominee Jan Carel van Heijmenberg overleed op 12 februari 1741. Zijn zoon (waarschijnlijk Caspar Hendrik) noteerde in het doopboek: “Den 12den feberwarij is in den Heere mijn seer lieve en van mij veel geachte vader Johannes Carel van Heijmenberg, naa dat hij al lang geklaagd had, en bijna na

91

een bedleggen van 6 weeken, seer Christelijk en met sijn voile verstand in den Heere ontslaepen, bijna 20jaar den dienst op het eijland Ens en Emmeloord met veel vlijt en ijver waergenomen hebbende, geboren tot Campen, alwaar sijn vader D. Casparus van Heijmenberg, predikant, gestorven was in het jaar 1734”.

Na zijn dood nam Petrus van Heijmenberg, predikant te Kamperveen, en broer van de overledene, tijdelijk de dienst op Schokland waar.

Bemardus Gertner, 1741-1763

Op 24 december 1741 is door Bernardus Gertner, als predi¬ kant van het eiland Ens, voor de eerste maal een kind gedoopt. Pas in September 1744 werd hij ook benoemd als predikant van Emmeloord, nadat de Amsterdamse burgemeesters dat lang hadden tegen gehouden.

In 1742 kwam Johanna Theodora Gertner op Schokland aan, kennelijk een familielid van de dominee, die hem kwam helpen in de huishouding. Tijdens de kerkvisitatie van 2 augustus 1745 kwam voor het eerst de zaak aan de orde van Hilligje (ook wel Hilletje of Willemijn genoemd) het kind van wijlen Pieter Teunis van Essen (1716-....) en wijlen Marrigje Willems (Zalm) uit Ens, die na de dood van haar ouders naar Emmeloord was gebracht en daar “in ’t pausdom” werd opgevoed. Hilligje, geboren op Ens op 21 mei 1737, kwam uit een zogenaamd “gespikkeld” of gemengd huwelijk. Toen haar ouders op 23 december 1736 trouwden, beloofde haar vader en zijn twee ooms, ook namens de bruid, dat de kinderen in de hervormde godsdienst opgevoed zouden worden. Tijdens deze kerkvisita¬ tie, evenals in die van 1746 en 1747, werd de kerkeraad gevraagd iets aan deze zaak te doen. Toen tijdens de visitatie van 25 augustus 1748 bleek dat alles nog bij het oude was, stapten de visitatoren J. Roldanus en L.C. Fabritius, predikanten te Kampen en Genemuiden, naar schout Morre te Vollenhove. Pas tijdens de visitatie van 21 juli 1751 kwam de zaak tot een oplossing. Overeengekomen werd dat het kind Hilletje Pieters door haar “pausche oom” Dubbel Willems (Zalm) (....1783) in Emmeloord opgevoed zou worden, waarbij Dubbel beloofde dat hij haar nooit zou beletten de kerk op Ens te bezoeken.

92

Bernardus Gertner trouwde op 24 januari 1747 te Slooterdijk met Henderina Magdalena Sonmans, afkomstig uit Amsterdam.

In 1752 werd gebroken met de Schokker gewoonte drie maal per jaar Heilig Avondmaal te houden, en werd beslist om dat voortaan viermaal perjaar te doen.

Tijdens de kerkvisitatie van 28 augustus 1754 klaagde ouderling Reijer Jacobs Kale (1706-1773) over “de paapse stoutigheden” van Pieter Jans tegen het plakkaat van de drost van IJsselmuiden begaan. De visitatoren beloofden hierover rapport uit te brengen aan de Classis.

Tijdens dezelfde kerkvisitatie eisten de visitatoren (de predikanten van Mastenbroek, Kampen, Kamper-Eiland en Wilsum) namens de Classis dat Arentje Jansen Tromp, “wegens het gevaer, dat haere ziel daer door stout te lijden”, eens onderhouden moest worden over haar overgang naar het katholieke geloof. De koster werd van Ens naar Emmeloord gezonden om haar de boodschap over te brengen, maar vond haar niet thuis, omdat zij die morgen naar Zalk was gegaan. Een jaar later, op 20 augustus 1755, wist de dominee van Zalk, die ter kerkvisitatie op Ens was, te melden dat hij Arentje Jansen Tromp “uijt de gemeijnte van Zalk had uijt geklopt”.

In 1763 is dominee Gertner gestorven. Van eind juni tot begin oktober is de statie vacant.

David Nikolaas van Nes, 1763-1775

In September 1763 verhuisden Katharina Petronella Wijnstok, de vrouw van dominee Van Nes, en diens vader Koenraad van Nes, van Kampen naar Schokland. Katharina werd slechts 37 jaar oud. Zij stierf in het kraambed, op een leeftijd van 37 jaar. Haar man noteerde de dag van het overlijden (5 September) in het lidmatenboek, omdat er toen geen begraafboek was, maar vergat in zijn verdriet het jaartal te vermelden. Dat jaartal moet gelegen hebben tussen 1768 en 1771. Zij werd op 11 September begraven op de Zuidpunt van Schokland. De vrouw van dominee Van Nes was zo geliefd bij Jan Jansz de Wit (1733-1818), de schoolmeester op Emmel¬ oord, en zijn vrouw Trijntje van de Reijn (1740-....), dat zij in 1772 bij de doop van hun dochter Katharina Petronella in het doopboek lieten noteren dat zij vernoemd is naar de over-

93

Gevelsteen van de hervormde kerk op Ens, gelegd door dominee G.G. de la Couture, op 22 mei 1834.

“Schokland, Middelbuurt”. Potloodtekening door Willem Anthonie van Deventer. (Origineel in Gemeente-archiefte Kampen).

94

leden vrouw van de dominee. Koenraad van Nes, de vader van de dominee overleed op 28 april 1768 op Ens, na een ziekbed van 3 maanden, op 82-jarige leeftijd. Ook hij werd op de Zuidpunt begraven, op 4 mei. Op 8 januari 1764 is door David Nicolaas van Nes, als predikant van het eiland Ens en Emmeloord, voor de eerste maal kerkeraad gehouden. In deze vergadering werd vastgesteld dat voortaan het Heilig Avondmaal, behalve met Pasen en Kerstmis, niet meer met Pinksteren en op 1 of 2 September gehouden zou worden, maar op St. Jan (24 juni) en St. Michiel (29 September). In de praktijk blijkt het Avondmaal niet op, maar omstreeks die data gehouden werd. In 1764 verzocht de kerkeraad toestemming van de Kamper Classis tot het bijwonen van de classisvergaderingen, behal¬ ve door de predikant, door een ouderling, gelijk als in andere plaatsen gebruikelijk was, ten einde zoveel mogelijk te profiteren van de zaken die daar behandeld werden. Dit verzoek werd toegestaan, op voorwaarde dat de kerkvisitatoren en de predikanten, predikende in de vakaturen, op kosten van het Enser kerkbestuur uit en thuis gebracht zouden worden. De kerkeraad nam hier geen genoegen mee, omdat zij vond dat hier niet anders gehandeld diende te worden als in andere gemeenten. In juni 1765 werd de kerkeraad voor de keus gesteld: als men wilde hebben dat een Schokker ouderling de classisvergaderingen mocht bijwonen, dan moesten de Schokkers bij de jaarlijkse kerkvisitatie de visitatoren met een schuit uit en thuis brengen (met een schadeloosstelling wilde men desnoods ook genoegen nemen), of de voltallige kerkeraad moest voor de visitatie dan maar naar Kampen komen. Hierop besloot de kerkeraad de zaak maar te laten zo als hij was, mede omdat hun werk bestond uit de visserij, en zij daardoor toch vaak geen tijd hadden de classisvergaderin¬ gen bij te wonen. Dikwijls had men ook geen tijd om bij de kerkvisitatie aanwezig te zijn, tot grote woede van de bezoekende predikanten, zoals in 1772 toen de beide diakenen zich op de Noordzee bevonden. Op de classis van Michael in hetjaar 1765 deed dominee Van Nes uit de doeken hoe Hille Peters Tromp (1743-....), dochter van Peter Peters Tromp en Maria Teunis alias Suster, en Eva Reurikse (1744-1769), dochter van Reurik Teunissen de Groot (1716-....) en Jacobjen Jans Conter (1723-....), de her-

95

vormde kerk de rug toekeerden. Zij woonden al enige tijd als dienstmeid bij roomsgezinden op Emmeloord. Ondanks vermaningen en waarschuwingen van de predikant en de ouderlingen bezochten zij sinds enkele weken de katholieke kerk aldaar. Hille werd daartoe overgehaald door haar voogd, en Eva door haar moeder, zo staat te lezen in een aantekening van de predikant bij hun doopinschrijving. De predikant kreeg de opdracht de zaak te melden bij Baron van Pallandt, de landdrost van IJsselmuiden, wat hij dan ook deed. Hij maakte toen eveneens melding van Lumme Janse (1744-....), die ook diende op Emmeloord en daar naar de katholieke kerk ging. Vreemd is het dat nu gesteld wordt dat de drie meisjes tegen de wil van ouders en voogden naar de katholie¬ ke kerk zijn overgegaan. De landdrost nam contact op met Jonas Witsen, de ambachtsheer van Emmeloord, die aan de schout opdracht gaf “zorg te dragen dat de bovengemeltejonge dogters warden gebragt onder de gehoorsaamheit van ouders en voogden”. De pastoor van Emmeloord werd gelast “zig van het admitteeren van zodanige minderjarige dogters tot den Roomsche Godsdienst te onthouden”. Hield hij zich hier niet aan, dan zou zijn kerk gesloten worden. Het was op Schokland de gewoonte dat de predikant en de ouderlingen in de week voor het Heilig Avondmaal op huisbezoek bij de gelovigen gingen. Zo ook op 18 en 19 december 1765, bij welke gelegenheid ten huize van de Emmeloordse schoolmeester Jan Jansz de Wit (1733-1818) de bovengenoemde dienstmeid Lumme Janse (1744-....), een dochter van de overleden Jan Andriessen Bruin (1712-....) en de nog levende Pietje Jans (1713-....) opnieuw ernstig vermaand werd. Lumme, die “tot het Roomsche geloov overgegaan is, en de Paapsche kerk openlik frequenteert”, was niet tot andere gedachten te brengen. De predikant vond dat zij zich “onbeschaamt” toonde, en dat zij “geene de minste blijken gav van boetvaardigheit en beterschap”.

Tijdens de huisbezoeken moest er ook wel eens iemand ver¬ maand worden om andere redenen. Zo kreeg op 21 juni 1768 een vrouw op de Molenbuurt van dominee Van Nes en ouderling Willem Klaassen (1720-....) een uitbrander “wegens even te voren gegeven grote ergernis en wangedrag”. Als straf moest zij zich voor ditmaal onthouden van “des Heeren Tafel”, wat zij berouwvol gedaan heeft.

96

Dronkenschap werd ook niet gewaardeerd door de ouderlingen. Dat ondervond een man op de Middelbuurt, die al meermalen wegens wangedrag vermaand was, en op 14 december 1774 in een zodanige staat aangetroffen werd, dat ook hij niet mocht deelnemen aan het Heilig Avondmaal.

Zoals gezegd kwam het nogal eens voor dat de ouderlingen op zee waren op momenten dat zij eigenlijk op het eiland nodig waren. Toen op 21 maart 1769 de dienende ouderlin¬ gen weer eens afwezig waren, ging dominee Van Nes maar alleen op huisbezoek. Op de Noorderbuurt (waarmee de noordelijke buurt van Ens bedoeld wordt, ook wel de Middelbuurt of Molenbuurt genoemd) werd hij door “eene ongeschikte suster desergemeente zeer ongeschikt bejegent” toen hij haar ernstig vermaand had haar leven te beteren. Dit greep de domi¬ nee zo aan, dat hij zich voomam nooit meer alleen op huisbezoek te gaan.

Tijdens de huisbezoeken moesten er ook wel eens echtelijke ruzie opgelost worden. Zo bleek tijdens de visitatie van 7 april 1772 dat twee echtelieden op de Zuiderbuurt zodanig ruzie met elkaar hadden, dat zij zich moesten onthouden van het komende H. Avondmaal. In maart van het volgende jaar was er opnieuw een verregaande onenigheid tussen twee echtelieden op de Zuiderbuurt (dezelfden?). De straf was uiteraard weer onthouding van het H. Avondmaal.

Op 1 februari 1766 moest er een extra kerkenraadsvergadering gehouden worden, omdat de oud-ouderling Jan Klaasen (1718-1766) verongelukt was. Het was op Schokland gewoonte dat een ouderling na afloop van zijn tweejaar durende termijn nog enige tijd als oud-ouderling de kerkeraadsvergaderingen bleef bijwonen. Jan Klaasen was op 25 januari 1766 met enkele andere Schokkers op het ijs bezig geweest, om een schuin staande paal recht te zetten. Omstreeks drie uur ’s middags werd hij door een “afstuitende spriet” zodanig op hoofd en borst getroffen, dat hij drie uur later overleed. Gerrit Jansen Boese (1719-....), die in de jaren 1763-1765 ouder¬ ling was geweest, werd bereid gevonden nogmaals een jaar als oud-ouderling op te treden. Een enkele maal werd afgezien van de huisbezoeken in de week voor het Heilig Avondmaal. Zo werd op 7 december 1766 door de kerkeraad beslist dat het huisbezoek wegens “de voorvallende ongelegentheit van slegte wegen en ongemak-

97

kelike vaart” niet door zou gaan. Ook met Kerstmis was het slecht weer. Op eerste Kerstdag waren de vissers door de opkomende vorst genoodzaakt hun netten uit zee te halen. Op hun verzoek werd er’s morgens alleen gepreekt, en werd het Heilig Avondmaal uitgesteld tot de tweede Kerstdag. Op 17 januari 1770 werd Albert Jansen Zoet (1724-....), een gereformeerde Schokker die getrouwd was met de katholieke Trijntje Bruins Conter (1724-1782), voor de kerkeraad ontboden. Hij had zich al enige tijd niet meer in de gereformeerde kerk laten zien, en des te meer in de katholieke kerk. Toen hij door de predikant gevraagd werd wat daar de reden van was, bleek dat hij kwaad was dat zijn kinderen, die immers uit een “gespikkeld” (gemengd) huwelijk kwamen, niet mochten dienen bij Roomsgezinde mensen. Volgens resolutie van Ridderschap en Steden d.d. 13 april 1768 was het “verhuuren van Gereformeerde kinderen bij Paepsen op het Eyland Ens” namelijk verboden, op straffe van een boete van tien Goudguldens. Zoet meende dat de kerkeraad mede-verantwoordelijk voor deze resolutie was, en daarom bleef hij voortaan weg uit de gereformeerde kerk. De predikant zei Albert Jan¬ sen Zoet dat hij verplicht was zijn kinderen in de gerefor¬ meerde leer op te voeden. Dat had hij immers beloofd toen hij in 1747 met zijn katholieke vrouw getrouwd was. Zoet beweerde bij hoog en bij laag dat hij en zijn vrouw dat nooit beloofd hadden (in de trouwakte is wel degelijk sprake van gedane beloften tegenover Tengnagel, de landdrost van IJsselmuiden...). “Na een leugen onbeschaamdelik uitgebraakt te hebben”, namelijk dat predikant Van Nes altijd al kwaad tegen hem gedaan had, en zijn vrouw nooit anders dan “met knorren en kijven” bejegend had, was het de kerkeraad wel duidelijk. Albert Jansen Zoet had de gereformeerde kerk niet verlaten vanwege de leer, “waarin hij dodelik onkundig was”, maar alleen uit “eene verfoejelike haat tegen de kerke¬ raad”. De afvallige werd ernstig vermaand zich te bekeren van zijn dwalingen en terug te keren tot de hervormde leer, die hij onverantwoord verlaten had.

Tijdens de kerkeraad van 3 januari 1773 werd besloten dat het doopbekken, dat gewoonlijk in het huis van de predikant bewaard werd, voortaan in het huis van de schoolmeester opgeborgen zou worden. De schoolmeester diende er voor¬ taan zorg voor te dragen dat het bekken, gevuld met water,

98

voor elke doopplechtigheid in de kerk geplaatst werd. Op 29 mei 1773 werden Trijntje Reijers Kale (1746-1804) en haar vader Reijer Jacobs Kale (1706-1773) ontboden door dominee Van Nes en de ouderling Willem Klaasen (1720-....). De predikant vroeg haar waarom zij de openbare predikatie en de bijzondere woensdagse catechisatie al enige tijd niet meer bijwoonde, en in plaats daarvan naar de Roomsche kerk in Emmeloord ging. Trijntje antwoordde hierop dat zij niets tegen de gereformeerde leer had, maar dat zij gewoon zin had in de Roomse leer. Op de vraag of zij, zo het gerucht ging, Paaps wilde worden, gaf Trijntje een bevestigend antwoord. Hierop werd haar de “verregaande onzinnigheit en onverantwoordelikheit” van haar handelswijze onder ogen gebracht, en is zij “op het alter ernstigste en bewegelikste vermaant af te staan van zulk eene ongeregtigheit, en vermaant met eene ware boetvaardigheit weder te keeren tot den schoot en leere der kerke, die zij aanvankelik tegen de zin en wil van haren ouden vader, en tegen voorgaande vermaaninge, schandelik verlaten had, onder de kragtigste bedreiging, indien zij zig niet bekeerde, van Gods tijdelik en eeuwig oordeel.” Ook tijdens de kerkvisitatie van 1 September 1773 kwam de zaak van Trijntje Reijers Kale weer aan de orde. Zij blijkt zich dan verloofd te hebben met de roomsgezinde Jacob Christiaans Ruiten (1746-1810). Op de vraag van de predikant hoe hij zich wettelijk te gedragen had ten aanzien van de aanstaande inschrijving tot de huwelijkse staat, werd door de visitatoren geantwoord dat zij “nog veel meer volgens politique wetten vermogt gecopuleerd worden, voor en al eer het den kerkeraad duidelik bleek, dat zij was drie jaren lidmaat geweest van de Roomsche Kerk”. Trijntje Reijers Kale werd op 22 September 1773 katholiek en trouwde met Jacob Chris¬ tiaans Ruiten op 7 maart 1774 in Follega (Lemmer). Op 14 augustus 1774 werd Maria, hun eerste kind, gedoopt door de pastoor van Emmeloord.

Op 19 februari 1775 werd Lijsbeth Peters Tromp (1739-....), de weduwe van de roomsgezinde Dirk Peters Kuit (1728-....), door de kerkeraad ontboden omdat zij de afgelopen zondag in de Roomse kerk van Emmeloord was geweest, wat haar des te meer kwalijk werd genomen omdat zij van 27 augustus 1769 tot 15 januari 1775 met haar vijf kinderen uit de armenkas van de gereformeerde kerk bedeeld was geweest.

99

Ook zij werd vermaand “de afgodsche kerk” te verlaten en weder te keren tot de hervormde gemeente, onder bedreiging van Gods straffende hand en eeuwige verdoemenis. Zonder enige tekenen van schaamte en boetvaardigheid hoorde Lijsbeth Peters de kerkeraad aan, en is met blijken van kwaadaardigheid en halsstarrigheid uit’s Heeren huis weggegaan, zo is te lezen in de notulen van de kerkeraad. In het begin van 1775 is zij paaps geworden, noteerde de dominee in het doopboek.

Dominee Van Nes vierde op 16 april 1775 voor de laatste maal het Heilig Avondmaal op Schokland. David Nicolas van Nes en Katharina Petronella Wijnstok kregen op Schokland twee kinderen: Koenraad Andries (geboren 18-8-1766, overleden 17-11-1766), en David Nicolaas (geboren 28-10-1767).

Hermannes Nicolaus Gillot, 1775-1808

Hermannes Nicolaus Gillot werd op 2 juli 1775 bevestigd tot predikant van Schokland door dominee Arnoud Duircant en emeritus predikant Petrus van Heijmenberg uit Kamperveen, broer van Johan Carel van Heijmenberg, de voormalige Schokker dominee. Na de middag preekte de nieuwe domi¬ nee over Marcus 1 : 15, zo heeft Petrus van Heijmenberg in het Enser notulenboek “met eigene hand, sonder behulp van gesigtglaas geschreven, in den ouderdom van twee en tachtig jaaren min negen dagen”.

Dominee Gillot was op 18 September 1735 in Termunten geboren als zoon van Paulus Gillot (1704-1781), predikant te Borgsweer en Termunten van 1731 tot 1781, en Maria Catharina Scherius. Ook zijn grootvader, Nicolaus Gillot (ca. 1661-1739), gehuwd met Margrieta Middendorp, was predi¬ kant in die plaatsen, en wel van 1687 tot 1731. Hermannes Nicolaus Gillot was getrouwd met Elisabeth Boots uit Zwolle, die op 2 februari 1778 op 39-jarige leeftijd stierf, enkele weken na de geboorte van hun dochter Maria Catharina (1778-1789). Zij werd op 7 februari begraven op de Zuidpunt. Clasina Boots, denkelijk haar zuster, verhuisde in 1776 van Kampen naar Ens, en stierf daar in 1779 op 32jarige leeftijd. In kerkeraadsnotulen is te lezen dat op 1 oktober 1775 geen H. Avondmaal is gehouden (ter gelegenheid van de feestdag 100

van de H. Michael, op 29 September), maar pas op 22 oktober, “wijl tusschen den 28 en 29sten Septemberjongstleden de gehele Zuiderbuurt in een aschhoop is verteerd geworden, en de gemoederen door dien dodelijke slag niet behoorlijk tot dat grote werk geschikt waren”. Bij deze brand gingen alle tien huizen, bewoond door 17 huisgezinnen (totaal 76 personen) verloren.

Op 30 maart 1777 ging dominee Gillot met zijn ouderlingen op huisbezoek bij zijn gelovigen. Toen zij bij Isaak Gertner kwamen, de uit Steenwijk afkomstige chirurgijn die getrouwd was met de vroedvrouw Geertruyt Jans van der Heijden, bleek dat hij “smoordronken” was, en geen verstaanbaar woord kon spreken. Alle vermaningen waren vruchteloos, zodat besloten werd hem door de kerkeraadsdienaar aan te laten zeggen “zig niet te verstouten tot ’s Heren H. Avondmaal te naderen, voor hij zijnen weg en leven had gebetert”.

Op 7 januari 1778 beviel Elisabeth Boots, de vrouw van dominee Gillot, van een dochter, Maria Catharina. Lang duurde het geluk niet: op 2 februari 1778 stierf Elisabeth op 39-jarige leeftijd. Zij werd op 7 februari begraven op het kerkhofop de Zuidpunt van het eiland. Dominee Gillot hertrouwde op 5 januari 1781 op Ens met Jacoba Knollenbergh uit Kampen. Op Schokland werden uit dat huwelijk de volgende kinderen geboren: Gerrit Jan (1781-1781), Gerrit Jan (1782-1869), de latere Schokker burgemeester, Anna Elizabeth (1784-1786), Paulus 1789-1857), de latere veldwachter op Schokland, Maria Catharina (17921845), en Margaretha (1795-....). Op 17 augustus 1777 trouwden Willem Teunis Bruins (17551829) en Maria Reijers Kale (1744-....) in de kerk op Ens. Nog geen vier maanden later, op 7 december, waren zij weer in de kerk, nu om hun zoon Teunis te dopen, die op 30 november geboren was, waarop de jonge moeder door de kerkeraad werd gecensureerd. Over de vader verder geen woord in de kerkeraadsnotulen.... Tijdens het huisbezoek op 29 juni 1778 verzocht Maria Reijers Kale ontslag van haar censuur, op belijdenis van schuld en berouw daarover, waama zij weer in de schoot der kerk werd opgenomen, en toestemming kreeg het H. Avondmaal bij te wonen. Een intrigerende vraag is, wie de vier bladzijden over de

101

periode januari-maart 1783 uit het notulenboek gesneden heeft. Te oordelen naar een overblijvend fragment handelde het verwijderde deel over een aanklacht jegens de koster/ schoolmeester Willem Taats. Deze was in 1764 van Zalk naar Schokland verhuisd, in gezelschap van zijn vrouw Grieltje Willems van der Louw (in het kraambed overleden op 7-12-1773), hun kinderen Willempje, Lijsbet en Jan Carel, en zijn moeder Lijsbeth Hendriks Meijer. Op 16 September van datjaar begon hij zijn schooldienst en 2 dagen later zijn kerkdienst, als opvolger van Roelof Jans van der Heijde, die zo doofwas geworden dat hij ten enen male onbekwaam was geworden om zijn werk uit te voeren. We kunnen in het notulenboek nog net lezen dat Willem Taats “van het school een koeijstal, honden-, hoenderhok en waschhuis maakte”, en dat het “eigen huisvolk” en de buren maar in en uit liepen. Van lesgeven zal nauwelijks sprake geweest zijn, zeker omdat meer dan 70 kinderen in het lokaal zaten. Zo kwam op 11 april 1783 tijdens het bezoek van de kerkeraad onder het schoolhouden een vrouw binnen om de koe koolbladeren te brengen, wat natuurlijk zeer hinderlijk was. Toen de raad hier opmerkingen over maakte, ging de schoolmeester “onbezonnen en doldrivtig” tekeer. De aanklacht was maar een “opraapzel” van de predikant, en alle gemelde dingen waren niet hinderlijk voor de kinderen. Hij was niet van plan iets te veranderen, en bovendien vond hij dat de kerkeraad hier niets mee te maken had.

Op de classis te Kampen van 22 September 1783 werd de zaak van de onwillige schoolmeester besproken, waarop werd besloten hierover een extra-ordinaire classis te houden op 20 oktober, waarbij ook de kerkeraadsleden verzocht werden te verschijnen. In deze vergadering, waarin de koster/schoolmeester “fris wierd doorgestreeken”, werd bepaald dat hij zich in alles submis aan de predikant diende te gedragen. Op 28 december 1783 verwekte de koster wederom ergemis, doordat hij in de kerk iets anders had voorgelezen en voorgezongen dan hem schriftelijk was opgegeven. Toen na afloop dominee Gillot aan de koster vroeg waarom hij dat gedaan had, kreeg hij als antwoord dat de koster volgens een bijzondere order van de kerkeraad op de gewone zondagen de Bijbel “bij vervolg” moest lezen, en de psalmen op gelijke wijze moest zingen. Hij wenste zich niet te houden aan nadere

102

voorschriften van de predikant, “staande voor alles, wat er van komen mogte”. Dominee Gillot, die geen kennis droeg van een zodanige order van de kerkeraad, en ook meende dat de kerkeraad hierover geen beslissing kon nemen, liet hij op 30 december een extra kerkvergadering bijeenroepen. Op deze vergadering bleek geen van de kerkeraadsleden iets van een order aan de koster te weten. De notulen werden doorgelezen, maar niemand kon iets vinden, waarna besloten werd dat de koster eerst maar eens moest vertellen van wie en wanneer hij bedoelde order had ontvangen, en dat hij tenminste een kopie van de order diende te overleggen. Er werd een commissie van onderzoek benoemd, bestaande uit de ouderling Andries Tijmens de Camper (1718-....) en de diakenen Jacob Theunis Brasker (1747-1825) en Jacob Reijers Kale (1749-1824). Tijdens de kerkeraad van 4 januari 1784 bracht de commissie rapport uit over haar onderzoek. De koster had “onder vele brutale bewoordingen” gezegd niet meer te weten van wie hij de order om op de gewone zondagen de bijbel en de psalmen bij vervolg te lezen en te zingen, had ontvangen, maar het was wel iemand van de kerkeraad geweest. Hij wenste zich daar aan te houden, en wilde niet naar een nieuwe order van anderen luisteren. Alle kerke¬ raadsleden waren ervan overtuigd dat de koster niets anders zocht, “dan door halssterrig wederstreven alles in wanordre brengen”, en dat er nimmer van een zodanige order sprake was geweest. Besloten werd dat de koster zich voortaan, wat betreft het lezen en zingen in de kerk, zou hebben te houden aan de orders van de predikant. En passant werd ook bepaald dat de koster bij alle kerkeraadsvergaderingen de kerkdeur diende te openen en de tafel klaar te zetten, iets waarin hij in het verleden nogal eens nalatig was geweest. Even leek het erop dat Willem Taats zich aan het bevel van de kerkeraad zou houden: op zondag 11 januari 1784 ging alles goed in de kerk. Maar op 18 januari ging het weer helemaal mis en las de koster wel vier hoofddelen uit Leviticus voor. Dominee Gillot verliet onder het lezen geergerd de kerk, en toen hij drie kwartier later terug kwam, was de kos¬ ter nog aan het voorlezen.... Een week later was het weer zo ver, en maakte de predikant er een einde aan door te roepen: “scheidt uit met lezen!” De koster begon daarop psalmen te zingen, ook weer tegen zijn schriftelijke orders in, waarmee

103
104
Johanna Wilhelmina van Meurs, de vrouw van Gerard Guillaume de la Couture, dominee op Schokland.

hij aangaf dat hij in geen enkel opzicht de orders van de predikant en de kerkeraad respecteerde. De gemoederen raakten nogal verhit, en “allerleij hatelijke, ijdele, ontstigtende en gemoedsverwijderende zamenspraken” ontstonden.

In een laatste poging koster Willem Taats de baas te blijven werd op de kerkeraadsvergadering van 25 februari 1784 nog eens vastgelegd dat de koster/schoolmeester zich in alles diende te onderwerpen aan het bevel van de predikant. Mogelijk heeft dit geholpen: we vinden niets meer over deze zaak in het notulenboek. In mei 1790 overleed Willem Taats, waarna hij opgevolgd werd door Willem Steenbeek uit Kuinre.

Niet altijd was het even druk tijdens de viering van het Heilig Avondmaal, zeker niet toen het verplicht werd voortaan om elke drie maanden tweemaal “bedieninge te houden”. Op 28 december 1788 was alles in gereedheid gebracht voor het Avondmaal, maar niemand verscheen. “Dus te vergeevs”, verzuchtte de Gillot in het notulenboek. Op 12 en 19 april van het volgende jaar werd er op Ens wederom Avondmaal gehouden, waarbij slechts een man verscheen, en ook op 5 juli 1789 was de predikant de enige aanwezige in de kerk. In januari 1801 ontstond er onenigheid tussen enkele leden van het kerkbestuur en de predikant tijdens het verkiezen van een nieuwe ouderling en diaken. Volgens aloud gebruik werden de nieuwe kerkeraadsleden gekozen door de vier zittende raadsleden en de predikant, waarbij de laatste echter twee stemmen kon inbrengen. Toen de stemmen staakten moest er geloot worden, waartegen enkele raadsleden in opstand kwamen. Zij meenden dat dominee Gillot zich “eigenwillig, baatzugtig en bevooroordeelt” gedroeg, en schakelden de classis in, die oordeelde dat een persoon geen twee stemmen kon gebruiken. Gillot legde zich mokkend neer bij deze beslissing, de beslissing wie kerkeraadslid diende te worden voor rekening van de verkiezers latende, “al willen zij ook de onbekwaamste en onbevoegste benoemen”. Dominee Gillot moet een ruimdenkend man geweest zijn, want in 1802 had hij een dienstmaagd, Maria Peters genaamd, die katholiek was. Hij was best wel tevreden over haar, maar een ding zat hem wat dwars, namelijk het feit dat zij op vrijdagen zich wenste te houden aan de vastenplicht van de katholieke Kerk. Gillot vond het te bezwaarlijk

105

om op die dagen een dubbele pot te laten bereiden, haar boter te geven en zelf vet te gebruiken. Op 24 december 1802 schreef hij een brief aan pastoor Doorenweerd met de vraag of zijn dienstmaagd vrijstelling van de vastenplicht kon krijgen. De pastoor ging hier niet op in en raadde de predikant aan een andere dienstmaagd te nemen.

Op 8 oktober 1808 overleed Hermannes Nicolaus Gillot op Ens, een jaar na zijn vrouw Jacoba Knollenbergh, die op 31 augustus 1807 was gestorven, eveneens op Ens.

H.J. Andrea, 1810-1811

Op 7de dag van de Louwmaand (januari) 1810 is dominee Andrea voor het eerst aanwezig tijdens een kerkeraadsvergadering op Schokland. Uit de notulen van deze vergadering blijkt dat de kerkbus met het geld, bestemd voor de armen op Schokland, gewoonlijk bewaard werd door de diaken op de Middelbuurt. Hij diende te zorgen dat de bus bij iedere godsdienstoefening in de kerk aanwezig was. De drie sleutels van de kerkbus berustten bij de oudste ouderling en de twee diakens. In aanwezigheid van de kerkeraad werd eenmaal per maand de bus geopend en de inhoud geteld. De opbrengst was gemiddeld zo’n 200 tot 300 gulden perjaar.

Op 3 maart 1811 komen we de naam van dominee Andrea voor de laatste maal tegen in de notulen van de kerkeraad. Er is dan sprake van “bezwarende vakatures”, en bovendien blijkt zijn vrouw ziek te zijn, waardoor de verkiezing van de nieuwe kerkeraadsleden is opgehouden. Waarschijnlijk is hij niet lang daarna naar elders vertrokken. In ieder geval was hij op 9 juni van dat jaar, tijdens festiviteiten wegens de doop van Napoleon II, niet meer op het eiland aanwezig. Enkele dagen later schreef burgemeester Sonderman dat in de roomse kerk op Emmeloord gepaste gezangen zijn gezongen, maar dat ondanks alle aangewende moeite op Ens zoiets niet mogelijk was, omdat er geen predikant aanwezig was.

Koert Koert Winkel, 1812-1828

Predikant Koert Koert Winkel komen we voor het eerst tegen in de Schokker notulen op 5 januari 1812. Tijdens de periode van dominee Winkel zijn de notulen van de kerke¬ raad zeer beknopt. Vaak werd volstaan met de mededeling dat niemand van de leden iets bijzonders te zeggen had, en

106

dat daarna de vergadering als naar gewoonte geeindigd werd.

Tijdens de kerkvisitatie van 20 mei 1817 waren de diakenen en de ouderlingen weer eens niet aanwezig, wat hen op een boete van een gulden per persoon kwam te staan. Bovendien moesten zij hun nalatigheid melden bij de Gouvemeur der Provincie en aan Z.M. de Koning.

Begin 1821 werd T.W. van Eerde tot ouderling verkozen en Pieter Jacobs Kaale (1782-1872) tot diaken, maar zij achtten zich echter niet verplicht die post te bekleden. Na gedane vermaning besloot Kaale zijn functie te aanvaarden, maar Van Eerde bleef zich tegen alle goede vermaningen verzetten, zodat de kerkeraad zich genoodzaakt voelde om daarvan kennis te geven aan de classis te Kampen. De classis oordeelde dat Van Eerde om gewichtige redenen ontslagen mocht worden van zijn plicht om ouderling te worden.

Op 8 april 1828 verzocht en kreeg dominee Winkel ontslag. Tijdens de vacature kwam elke veertien dagen, op zondag, een predikant van het vasteland om tweemaal te preken.

Antonie Jakobus Martinus Timmerman, 1828-1832

Door het klassikaal bestuur van Kampen werd op 30 juli 1828 tot predikant op Schokland benoemd Antonie Jakobus Martinus Timmerman, rustend predikant van Ottoland en Nederblokland. Op 14 december 1828 werd hij bevestigd door J.H. Scheepers, predikant te IJsselmuiden. Gepreekt werd over Kor. 14 : 12, en tijdens zijn intree-rede, ’s middags, sprak hij over Rom. 1 : 15, 16a. Dominee Timmerman was omstreeks 1786 in Groningen geboren en gehuwd met Anna Catharina Smith, geboren omstreeks 1799 in Wetzinge (Groningen). Toen zij op Schok¬ land arriveerden hadden zij al drie kinderen. In 1830 werd op Schokland hun zoon Jacobus Antonie Johannes geboren. Op 1 april 1832 komen we dominee Timmerman voor het laatst tegen in de notulen van de kerkeraad.

Gerard Guillaume de la Couture, 1833-1840

Op 4 juni 1833 werd Gerard Guillaume de la Couture door het kerkbestuur van Ens beroepen tot nieuwe predikant. Kort voordien, op 2 april 1833, was hij in Nijmegen gehuwd met Johanna Wilhelmina van Meurs, dochter van Wilhelmus

107

Ludovicus van Meurs, predikant in de Fransche Kerk te Nij¬ megen. Sinds 14 april 1833 heeft hij de dienst op Schokland waargenomen. Op 1 September 1833 werd hij bevestigd tot predikant van Ens en Emmeloord door zijn schoonvader, die predikte over Matheus 13 : 44. Dominee De la Couture sprak ’s middags tijdens zijn intree-rede over I Thess. 3 : 8. Zijn vader, Jean Baptiste de la Couture, die 14-7-1764 geboren was te Dax in de Franse streek Gascogne, vluchtte in 1789 naar Nederland, en trouwde 12-11-1792 in de Waalse Kerk te Amsterdam met Anna Maria Berkhoff. Zij had inkomsten uit een loodgieterij en was eigenares van het landgoed De Winckelsteeg bij Nijmegen, waar op 28 april 1807 Gerard Guillaume werd geboren. Zijn moeder stierf in 1832 en zijn vader in 1833. Dominee De la Couture en zijn vrouw kregen op Schokland vier kinderen: Jean Baptista (1835-....), Wilhelmus Ludovikus Gerardus (1837-1837), Gerard Guillaume Louis (18381839) en Anna Maria Wilhelmina Gerarda (1840-....). Omdat hij nogal klein van stuk was, slechts “1 el, 65 strepen” (165 cm), werd hij afgekeurd voor de Nationale Militie. Bekend is het verhaal dat hij zondags tijdens de kerkdiensten een reukflesje onder zijn toga verborg, dat hij zo nu en dan onder zijn neus hield, omdat hij slecht tegen de vislucht kon, die blijkbaar rond de Schokkers hing.

In de kerkeraadsvergadering van 15 September 1833 werd besloten per rekwest aan de Gouvemeur van Overijssel te verzoeken, dat de goederen van de bedeeld wordende armen ingevorderd mochten worden ten voordele van het dagelijks inkrimpende Armenfonds. Om gewichtige, niet met name genoemde redenen, werd dit rekwest niet verzonden, en op 12 januari 1834 werd dit onzalige plan weer geheel verworpen. Enkele andere maatregelen werden getroffen om te trachten het zeer geringe Armenfonds in stand te houden. Zo werd besloten dat voor het afleveren van elke kerkelijke attestatie aan de gegoeden van Schokland 30 cent gestort zou moeten worden in de Armenkas. Voortaan zou er door de predikant, een der ouderlingen en de boekhouder-diaken elke maand een begroting van de te verwachten inkomsten en de meest nodige uitgaven opgemaakt worden, aan welke begroting de diakenen bij het uitreiken van ondersteuning aan arme Schokkers zich stipt dienden te houden. Ter il-

108

lustratie: in 1833 waren de inkomsten van de Armenkas f. 432,77, en de uitgaven bedroegen f. 338,83, zodat er f. 93,94 in kas bleef. In dezelfde vergadering werd besloten dat mannen die weigerden om de op hen uitgebrachte benoeming tot ouderling of diaken te aanvaarden, een geldelijke boete van tien gulden dienden te betalen. Kort daarna werd ook nog een boete vastgesteld op het zonder noodzakelijkheid afwezig zijn bij kerkelijke vergaderingen, ten bedrage van 25 cent, te storten in de Armenkas.

Uit een opgave van 23 maart 1834 blijkt de grootte van de kerkelijke gemeente op Schokland: er waren 182 zielen aanwezig, en 86 ledematen , van wie er 8 aangenomen waren. Gemeld werd ook dat Reijer Jacobs Kale (1780-1857) zich niet meer met de leer der Hervormde Kerk kon verenigen, en op zijn verzoek uit het lidmatenboek geschrapt is. Op 26 maart 1834 werd de nieuwe kerk op de Middelbuurt (het huidige museum-kerkje) plechtig door dominee de la Couture ingewijd met een leerrede over Math. XX 29b (Geeft aan den Keizer dat des Keizers, en aan God wat Godes is). De bouw van deze kerk en bijbehorende pastorie was mogelijk gemaakt door een Koninklijk besluit van 16 juni 1833, waarbij f. 10.000,— uit ’s Rijks Schatkist werd toegezegd. Tijdens de plechtigheid werd dank betuigd aan de aannemer van het werk (de Gebroeders Zwolsman en Compagnie uit Kuinre), aan de opzichters (het Provinciaal Kollegie van Toezigt op de Kerkelijke Administratie der Hervormden in Overijssel), de directie van Waterstaat in Overijssel, in het bijzonder aan Casimir Frederik Seidel (1790-1848), de opzichter van waterstaat op Schokland. Tijdens de bouw van de nieu¬ we kerk, ongeveer op de plaats van de oude, werd het schoolgebouw ingericht tot het uitoefenen van de Godsdienst, waarvoor het bovengenoemde Kollegie van Toezigt f. 90,— beschikbaar stelde. Een gift van f. 140,60, eveneens van het Kollegie, maakt de aankoop mogelijk van “een schoonen foliant op den predikstoel en zes quarto bijbels in lederen band, uitgegeven bij de gebroeders Thieme te Nijmegen en te Arnhem”.

Op 5 november 1834 werden door de kerkeraad nieuwe richtlijnen vastgesteld voor de bedeling der behoeftigen uit de Armenkas. Voortaan zou onderstand alleen worden verleend

109

bij wijze van voorschot of lening, waarbij de bedeelden als onderpand hun gouden en zilveren sieraden moesten inleveren. Na een van tevoren vastgestelde tijd zou het geleende bedrag terugbetaald dienen te worden en zouden de sieraden terug gegeven worden. Werd niet terug betaald, dan werd het goud- en zilverwerk eigendom van de diaconie. Slechts als men in geval van volstrekt onvermogen niets meer tot borgtocht kon stellen was hulp in de vorm van een gift mogelijk. In zo’n geval werd de grootte van de gift door de voltallige kerkeraad bepaald. In de kerkeraadsnotulen van 23 maart 1834 lezen we voor het eerst over Theunis Jakobs Bakker (1774-1835), een “in zijn verkeerden levenswandel steeds volhardende persoon”, die door de predikant en een van de ouderlingen bij herhaling tot beterschap is aangespoord. Op 5 november 1834 werd hem aangezegd dat hij, indien hij binnen de tijd van twee maanden zijn onchristelijke levenswijze niet zou veranderen, behandeld zou worden overeenkomstig de Wet op het Kerkelijk Tucht (d.d. 23 november 1816, art. 27 en 28). Op 5 februari 1835 was de gestelde termijn om. Bakker had “zijnen ergerlijken levenswandel” niet gebeterd, en daarom werd hem het gebruik van het H. Avondmaal voor eenmaal ontzegd. Besloten werd dat de beide ouderlingen, Peter Tijmens Visscher (1770-1853) en Gerrit Jan Gillot (1782-1869), de latere burgemeester, er op uit gestuurd zouden worden om Bakker dit droevig besluit mede te delen, en hem nogmaals met liefderijke raadgevingen trachten tot verbetering te brengen. Om zo zacht en verschonend mogelijk met hem te werk te gaan werd bepaald dat ditmaal de straf niet van de predikstoel afgekondigd zou worden. Ouderling Visscher ging meteen na de kerkeraadsvergadering voorzichtigheidshalve even kijken of de beklaagde thuis was, en trof Theunis Jakobs Bakker door dronkenschap onbekwaam aan, niet in staat om de vermaningen, bestraffingen en besluiten van de kerkeraad met vrucht aan te horen. Enkele dagen later is door ouderling Gillot en dominee de la Couture alsnog de boodschap overgebracht. Veel indruk maakte het niet op Bakker, die in “zijnen ergerlijken levenswandel” bleef volharden. Hij werd daarom gevraagd op 12 april voor de kerke¬ raad te verschijnen, wat hij niet deed, waarop besloten werd hem het gebruik van het H. Avondmaal voor maar liefst

110

driemaal te ontzeggen. Op 2 februari werd aan het Classicaal Bestuur te Kampen opgave gedaan over het getal der zielen (174) en de ledematen (83). Acht personen werden aangenomen, twee personen zijn aangekomen, en een persoon was van de katholieke Kerk overgegaan naar de hervormde Kerk. Kort na 1 juli 1836 werd dominee de la Couture getroffen door een ziekte, waardoor hij gedwongen werd zich tijdelijk terug te trekken in Nijmegen. Tijdens zijn afwezigheid werd hij vervangen door de hulpprediker J. Scheuer, predikant te Mastenbroek. De la Couture kwam eind april 1837 “in eenen iveder volkomen welstand” in zijn gemeente terug. Inmiddels nam de armoede van de Schokkers steeds nijpender vormen aan, en werd door de kerkeraad op 10 december 1837 besloten een rekwest aan de koning te sturen met het dringende verzoek “in den tegenwoordigen maar al te dringenden nood onzer armen goedgunstig te voorzien”. Tevens werd besloten dat voortaan alle door de diaconie bedeelde armenkinderen, die zonder wettige noodzaak regelmatig verzuimden de catechisatie en de school te bezoeken, gekort zouden worden op hun uitkering. De diaconie-bedelingen, die gewoonlijk op zondag uitgekeerd werden, zouden in zo’n geval met tien tot vijftig cent verminderd worden, afhankelijk van de omstandigheden. Eind 1837 kwam het tot een conflict tussen dominee de la Couture en de kerkeraad over de functie van de koster/voorzanger. In de vergadering van 10 december werd besloten, met slechts de stem van ouderling Casimir Frederik Seidel (1790-1848) tegen, dat de kerkeraad voortaan de tot dusverre door hen aan de koster/voorzanger betaalde f. 50,— zou verminderen tot f. 25,—. Dit was het gevolg van het van koningswege aanstellen op 5 augustus 1837 van kerkvoogden. Deze waren verplicht het salaris van de koster te betalen, terwijl de voorzanger door de kerkeraad betaald diende te worden, waarvoor de resterende f. 25,— bedoeld was. Tij¬ dens een gemeenschappelijke vergadering van het Kollegie van Kerkvoogden en de kerkeraadsleden, op 29 december 1837, kwam men echter tot andere inzichten, waardoor de ouderling Louwe Theunis de Jong (1775-1847) en de diakenen Theunis Tijmens Buter (1800-1852) en Cornells van Eerde (1808-1870) zich geroepen voelden hun beslissing van drie

111

weken daarvoor te herroepen. De kerkeraadsleden, de predikant uitgezonderd, wilden niet hebben dat de koster door de kerkvoogden benoemd en betaald werd, en wensten zoals voorheen daar zelf zorg voor te dragen tegen betaling van f. 50,— perjaar, wat ook gebeurde. De la Couture was fel tegen dit besluit, dat inging tegen de wet, en liet weten dat hij nooit een stuk van de kerkeraad dat strijdig met de koninklijke en kerkelijke wetten was, met zijn handtekening zou bekrachtigen. Het is duidelijk dat ouderling Seidel een sleutelrol in deze kwestie heeft gespeeld, omdat hij tevens een van de kerkvoogden was. Waarschijnlijk was hij van mening dat de voogden over te weinig geld beschikten om de koster te betalen, reden waarom hij tegen stemde en later zijn collega-kerkeraadsleden overhaalde om hun mening te herzien. Dat er inderdaad geen geld in kas was bij het Kollegie van Kerkvoogden liet Seidel even later blijken door mede te delen dat de godsdienstige sluiting van het jaar 1837 niet zou zijn zoals andere jaren, omdat het Kollegie onvermogend was om de benodigde kaarsen te kopen.

Op 12 augustus 1840 werd het kerkeraadsbesluit van 12 januari 1834 betreffende de bedeling van de armen op Schokland met algemene stemmen weer ingetrokken en vernietigd. Voortaan waren de diakenen weer vrij in het uitdelen van armengiften, onder voorwaarde echter van zorgvuldig toezicht en getrouwe raadpleging in deze met de gehele ker¬ keraad.

Op 30 September 1840 had de “losmaking” plaats van dominee De la Couture, die op zijn verzoek eervol ontslagen werd uit zijn betrekking op Schokland. Vanwege het Classicaal Bestuur van Kampen waren hiervoor naar Schokland gekomen de heren Rambonnet, predikant te Kampen, en A. Peters, predikant te Kamper-Eiland en consulent van Schok¬ land. De la Couture ging met emiraat, ofwel pensioen, toen hij slechts 33 jaar oud was, waarschijnlijk wegens zijn zwakke gezondheid. Hij is overleden op 7 mei 1847.

Tijdens de vacature werd op 13 oktober de H. Dienst waargenomen door de consulent A. Peters, die tevens de doop toediende.

Jurrijanus Maks, 1840-1847

Op voordracht van het Classicaal Bestuur van Kampen werd

112

Jurrijanus Maks, kandidaat bij het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland, aangesteld om voor enkele maanden de dienst op Schokland waar te nemen. Vanaf 25 oktober 1840 was hij werkzaam op het eiland, daarbij eenmaal bijgestaan door dominee Hoek uit Kampen. Op 4 februari 1841 werd, op vertoonde akte van het Classicaal Bestuur te Kampen, door het kerkbestuur van Schokland de beroepsbrief aan Jurrijanus Maks overhandigd. Op 25 april 1841 werd hij bevestigd tot “Herder en Leeraar” van Ens en Emmeloord, waarbij hij preekte over Matth. 28 : 20a. Dominee Maks was omstreeks 1807 geboren in Haarlem als zoon van Jurrianus Maks en Albertina Groenewoud. Voor hij op Schokland aankwam was hij hulpprediker in Hasselt geweest, zij het niet geheel onbesproken. In de Kamper Courant van 26 november 1838 schreef een zekere Z.S. uit Has¬ selt het volgende hekeldicht over een van zijn plaatsgenoten: MISWIJZING VAN T COMPAS. Neen, stuurman, neen ’t is mis, ’t compas heeft u bedrogen, Uw pogen is mislukt, Gij ankert hier niet, neen: De volkskeuz’ wil U niet; Gij mogt iets kwaads beoogen, Uw heerschzucht is tegroot! -Uw Ziel is veel te kleen.

’t Bestuur moet vreedzaam zijn, en zondergeld verkwisten.

Dock waart Gij medelid, dan was er rust nog vree. In kerk- en burgerstaat, alom zoekt Gij te twisten. Dus, geen Gemeente-raad, daar komt Gij niet ter snee. In de Kamper Courant van 3 december 1838 staat het antwoord van de aangevallen Stuurman (een schuilnaam), waarin we lezen dat J. Maks hierbij betrokken was: HETREGTWIJZEND KOMPAS.

Bijaldien de Dichter van het achtregelig dichtstuk in de Kamper Courant van maandag den 26 dezer ervintelijk, geteekent Z.S., de bij mij bekende Renegaat, of afvallige van de Godsdienst zijner ouders is, als dan achte ik het beneden mij hem op zijn Dichtstuk van antwoord te dienen, want zulke lieden verdienden oudstijds bij ons geen geloof in regten, maar wierden op ’s Lands schepen van oorlog kortweg aan de nok van de

113

Jean Baptiste de la Couture, * 14-7-1764 Dax (in de Gascog¬ ne, Frankrijk), gehuwd met Anne Maria Berkhoff, vader van G.G. de la Couture, dominee op Schokland.

114

raa opgehangen. Doch bijaldien de Dichter een ander persoon is, en bezadigdheid en waarheidsliefde bezit, om znder beleedigende uitdrukkingen deze zaak met onderteekening onzer regte namen, voor de onpartijdige regtbank van het publiek te brengen, hiertoe zal hij mij ieder oogenblik bereid vinden. Brieven, naamlooze brieven hebben den in der tijd alhier beroepen Leeraar, den Heer J. Maks, ongelukkig gemaakt, dan bij mij zal, hoop ik, de Dichter of zijn aanhang wel niet dat doel bereiken. (*) HASSELT, 28 November 1838, De Stuurman. (*) Eene berijmde bijdrage in denzelfden geest, ofschoon van eene andere hand, zal misschien later geplaatst worden, doch in’t vervolg wenschten wij met dergelijke raadselachtige bagatellen tevens den sleutel te ontvangen; niet zoo zeer uit nieuwgierigheid, dan wel om de strekking er van beter te kunnen beoordeelen. In de Kamper Courant van 13 december 1838 staat genoemde bijdrage, geschreven door een zekere P.Z.:

DE DIAKEN, zoo als hijzijn moet. Een man van veelgewigt voor schaamlen zonder brood, Wanneer hij lui gespuis, en zieke ofnijvre braven Niet eveneens bedeelt; maar snoodaards van zich stoot, Om eedlen dies te meer te voeden en te laven; Een man, die heel de kerk op’t zeerst aan zich verpligt, Wanneer hij GODSDIENST weet van TONGKLANK te onderscheiden, Naar wijzen raadgestaag zijn doen en laten rigt, En doorgeen’sluwen (*) zich om den tuin laat leiden.

DE PREDIKANT, zoals hij zijn moet. Een wijs en edel brein, dat andren toont en leert, Om Jezus na te treen in voorspoed en in smarte: Maar niet een waanwijs hoofd, dat slechts zich zelven eert, OfENGEL voor het oog, en DEUGENIET in’t harte. (*) Een algemeen gehaat woord hebben wij de vrijheid genomen uit te wisschen.

115

Op 5 januari 1845 werd Evert Been (1799-1858), de uit Kuinre afkomstige lichtwachter op de Oude Kerk (de Zuidpunt), tot diaken gekozen, waartegen hij bezwaar maakte omdat hij boven de 45 jaar oud was. In zijn plaats werd toen de aftredende diaken Teunis Willems Bruins (1807-1875) herkozen.

Een jaar later werd Been tot ouderling gekozen, blijkbaar een functie waarbij andere leeftijdsgrenzen golden. Dominee Maks lag voordurend overhoop met de kerkvoogdij. Wat zich afspeelde is niet geheel duidelijk. In de Kamper Courant van 3 november 1847 werd gemeld dat hij het eiland verlaten had, waarbij het miswijzend kompas opnieuw aan bod kwam: KAMPEN, den 2 November.

De predikant van Schokland heeft, zoo men zegt, op een gegeven wenk, zijne standplaats verlaten, ter zake van verregaande miswijzingen van ’t kompas. Zooveel is zeker, dat zijne ZWE. koers heeft gezet naar Haarlem, tot herstel van gezondheid.

En in de Kamper Courant van 2 december 1847: KAMPEN, den 26 November.

De predikantsplaats op Schokland schijnt om zeer gewigtige redenen vakant verklaard. Het gezond verstand zou nu kunnen beweren dat er een van de honderden candidaten, die van alle zijden naar eene stand¬ plaats uitzien, moest heengezonden worden, ten einde de dienst voorlopig te verrigten. Doch neen; nu moet wekelijks een leeraar den vasten wal verlaten, en met verzuim zijner eigene gemeente, door weer en wind, naar dat eiland reizen, zullen de Schoklanders niet van alle geestelijk voedsel verstoken zijn. Hoezeer de Catechisatien en’t pastorale werk daaronder moeten lijden, zal iedereen ligt beseffen. Dominee Maks stierf, ongehuwd, in Haarlem op 6 augustus 1848. In de Kamper Courant van 4 december 1848 lezen we in een advertentie het volgende: Al wie iets te vorderen heeft van ofverschuldigd is aan de onder het voorregt van Boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap van wijlen den Heer J. MAKS, vroeger predikant op het eiland Schokland en laatstelijk overleden te Haarlem, worden verzocht daarvan ten spoedigste opgave of betaling te doen ten kantore van den

116

ondergeteekenden Notaris.

J. MEIJLINK.

Kampen, 2 December 1848.

Cornelius Ribbius, 1848-1850

Na het vertrek van dominee Maks waren de Schokkers een tijdlang aangewezen op preekbeurten van predikanten uit Kampen en Urk. Uit deze tijd stamt waarschijnlijk het spotversje over de dominees, die ziek op Schokland aankwamen: De dominee van Urk, die kwam op Schokland preken. Door het ruisen van de zee was hij zijn preek vergeten. Cornelius Ribbius, kandidaat bij het Provinciaal Kerkbestuur van Overijssel, en geboren in Deventer, was vanaf 30 april 1848 werkzaam als hulpprediker op Schokland. Op 16 September 1848 werd hij beroepen door het kerkbestuur als predikant van Ens en Emmeloord, omdat een groot gedeelte der gemeente dit verlangde. Inmiddels was door de tijdelijke Minister van Eredienst op 24 augustus handopening verleend, en was door het Klassikaal Bestuur van Kampen op 8 September collatie verleend aan Ribbius. Op 26 november werd Cornelius Ribbius bevestigd als predikant van Schok¬ land door H. Dwars, tweede consulent der gemeente en pre¬ dikant te Kampen, waarbij Ribbius preekte over Gal. 1 : 10 (De leeraar der Gemeente geen menschenbehager maar een dienstknecht van Christus).

Op 17 december 1848 werd besloten dat de viering van het H. Avondmaal voortaan in de eerste helft van de maanden januari, april, juli en oktober gehouden zou worden.

Op de kerkeraadsvergadering van 1 april werd voorgesteld dat brood en wijn, overgebleven van de bedieningstafel na een H. Avondmaal, door de diakenen verdeeld zou worden onder de behoeftigen en zwakken in de gemeente. Twee maanden later werd dit voorstel weer ingetrokken, omdat het altijd de gewoonte was geweest dat de koster het overge¬ bleven brood en de wijn meenam, en dit zo diende te blijven.

Op 28 mei 1848 werd nog eens vastgelegd, dat de bedeelde armen, voor zover hun omstandigheden dat toelieten, verplicht waren de openbare godsdienstoefeningen bij te wonen, ofanders geen volledige onderstand zouden krijgen.

Op zondag 14 oktober 1849 waren meerdere gelovigen aan het werk aan de dijk, “zoo het scheen daartoe genoodzaakt

117

door anderen”. Verontwaardigd over deze verstoring van de zondagsrust stuurden dominee Ribbius, ouderling Jan Wil¬ lems Gerssen (1786-1858), diaken Kornelis van Eerde (18081870) en oud-diaken Teunis Willems Bruins (1807-1875) onmiddellijk een brief naar de burgemeester Gerrit Jan Gillot van Schokland:

Aan den Edelachtbaren Heer Burgemeester van Schok¬ land. De kerkeraad der hervormde Gemeente op Schokland heeft met leedwezen vernomen,dat alhier op dezen dag, zijnde den van God verordende Rustdag, publieke werken aan den dijk geschied zijn, en alzoo ook de Burgerlijke Wet ten opzigte van dien geheiligden Rustdag geheel is overtreden. Dezelve neemt daarom de vrijheid Edelachtbaren Heer Burgemeester daarop opmerkzaam te maken, met uitnoodiging zoodanige publieke werkzaamheden voor het vervolg krachtdadig te beletten op den dag des Heeren, en met kennisgeving dat, zoo dit niet belet mogt worden, de Kerkeraad zich alsdan in gemoede verpligt rekent zich dienaangaande bij het Provintiaal Gouvernement te adresseren. Ens op Schokland, den 14 October 1849. De kerkeraad voornoemd (geteekend): C. Ribbius J. W. Gerssen K. van Eerde T.W. Bruins.

In de vergadering van 14 oktober legde de predikant verantwoording af over de in de laatste winter op verschillende plaatsen gedane inzamelingen van liefdegaven voor de behoeftigen op Schokland. Na aftrek van advertentiekosten en briefporto was er een bedrag van f. 458,96 binnengekomen. Besloten werd om 5000 turven te kopen voor winterbrand der behoeftigen, uit de gelden die de diaconie dacht terug te ontvangen van de erfgenamen van wijlen dominee Maks. Anderhalve maand later bleek inderdaad dat Maks nog een schuld ten bedrage van f. 95,70 aan de diaconie had, waarvan iets minder dan de helft uitbetaald kon worden, blijkens een bericht van de heer Schorse uit Wilsum. Ofschoon er naar gestreefd werd om de bedeelden door werkzaamheden hun uitkering te laten verdienen, bleek dat echter ondoenlijk te zijn. Er was gewoon te weinig werk. Domi-

118

nee Ribbius had in 1849 al eens informatie ingewonnen omtrent een touwpluizerij, maar dit was op niets uitgelopen. Op 24 december 1849 werd door de kerkeraad bepaald dat de diakenen aan de bedeelden, wier kinderen niet op de catechisatie kwamen, telkens 25 cent minder zouden uitbetalen.

Een meevaller was de missive van Baron van Tuijll, waarin hij meedeelde dat hare Majesteit de Koningin-Moeder f. 250,— aan de diaconie van Schokland geschonken had, welk geld in bankpapier meegestuurd werd. Aan dominee Ribbius werd op 4 juli 1850 eervol ontslag verleend uit zijn betrekking, wegens de zwakke gezondheid van zijn vrouw, waardoor hij genoodzaakt werd het eiland te verlaten. Het feitelijk ontslag vond op 22 augustus 1850 plaats, waarbij de heren N.J. Hoek, predikant te Kampen en gecommitteerde van het Classikaal Bestuur te Kampen, en de consulent J. Prins, predikant op het Kamper-Eiland, aanwezig waren. Nadat dominee Ribbius door gecommitteerde Hoek was ontslagen, werd hij met “hartelijke en toepasselijke aanspraken en zegen toewenschen” toegesproken. De kerkelijke stukken en boeken en het archief werden door de consulent overgenomen en in het daarvoor bestemde kistje gedeponeerd, waarvan het sleuteltje door hem in bewaring werd genomen. Liefdegiften ten bedrage van f. 1316,57V2 werden door Dhr. Ribbius aan de consulent overhandigd, “waarop zijn Eerwaarde, door den kerkeraad in den hartelijke betuiging over zijnen henengaan, en daardoor veroorzaakt smartelijk verlies, onder dankbetuiging voor zijne trouwe zorg en innige liefde, gezegende werkzaamheid van deze gemeente ten voile werd ontslagen”.

Jan Cromhout, 1850-1856

Op 9 oktober kwam het Classikaal Bestuur van Kampen bijeen om te bepalen wie de aanstaande herder en leraar van Schokland zou worden. Met besloten briefjes werd gestemd. Bij telling bleek met algemene stemmen gekozen te zijn Jan Cromhout, kandidaat bij het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen, aan wie dan 00k een beroepsbrief, ondertekend door de aanwezige leden en de consulent, werd gestuurd. Op 22 december 1850 werden door consulent Prins de kerkelijke stukken en de liefdegiften aan de nieuwe dominee overhan¬ digd.

119

Dominee Cromhout was op 13 mei 1819 in Brummen (Gelderland) geboren als zoon van Jan Cromhout en Carolina Wilbrink.

Eind 1854 of begin 1855 is, om de armen werk te verschaffen, door dominee Cromhout in samenwerking met de opzichter Petrus de Waal, die tevens diaken was, een proef genomen met het verbrijzelen van keien. Omdat dit meer geld kostte dan opleverde, zijn ze met de proefgestopt, en hebben het tekort uit hun eigen zak aangevuld (de opzichter f 25,— en de predikant f. 10,—).

Dominee Cromhout stierf 16 maart 1857 op Schokland na een slepende ziekte van nagenoeg een jaar. Hij werd slechts 36 jaar oud en was ongehuwd. “Maanden aaneen in zorgelijken toestand, die Zijn Eerwaarde het vervullen zijner bezigheden onmogelijk maakten, was het geduld en de berusting onder het torschen des opgelegden kruises de eenige maar indrukmakende prediking des Woords”. Hij was een “zachtmoedigen, nederigen, stillen herder, die daar in leven kwijnde”.

J.H. Berghese, hulppredikant, 1856-1857

Op de kerkeraadvergadering van 24 maart 1857 werd de overleden dominee Cromhout herdacht, en gaven de leden hun mening over een nieuw te benoemen predikant. De tevens aanwezige consulent dominee E.J.P. Jorissen werd verzocht het bericht van overlijden van dominee Cromhout in recht hartelijke bewoordingen op te zenden naar het Kerkelijk Weekblad, en alle maatregelen te treffen voor het ver¬ vullen van de vacature. In dezelfde vergadering werd aan de consulent Jorissen gemeld dat de kerkeraad aan de hulpprediker der gemeente, de Weleerwaarde heer J.H. Berghese, die al zes maanden met ijver en trouw de geestelijke belangen van de gemeente behartigde, gevraagd heeft predikant van Ens en Emmeloord te worden. Tot groot verdriet van iedereen heeft Berghese om voor hem geldige redenen dit verzoek moeten afslaan.

Johannes Cornelius Riethagen,

1857-1859

Op de vacature reageerden drie kandidaten, namelijk H.H. van den Bos, Joannes Cornelius Riethagen en P.A.C. van Heijningen, die alien van hun gaven hebben doen horen. De 120

kerkeraad droeg vervolgens met algemene stemmen bij het Classikaal Bestuur te Kampen voor de heren Riethagen en Berghese. De hulpprediker Berghese was blijkbaar zo geliefd bij de Schokkers, dat men een laatste poging wilde wagen hem om te praten toch maar de vacature te aanvaarden. Door het Classikaal Bestuur werd tenslotte de kerkelijke beroeping uitgebracht op Johannes Cornelius Riethagen, kandidaat tot de H. Dienst bij het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen. Hij was omstreeks 1827 in Amstel geboren. Op 18 oktober 1857 werd hij bevestigd tot herder en leraar van Schokland door A.B. Munro, predikant te Blokzijl. De nieuwe predikant hield zijn intreerede over Hand. 8 : 5b.

In 1858 bedroeg hetjaarsalaris van de predikant 800 gulden, evenveel als dat van de Schokker pastoor en de geneesheer, en ruimschoots meer als dat van de onderwijzers (550 gul¬ den), de burgemeester (500 gulden) en de veldwachter (300 gulden).

In 1859 werd het eiland Schokland ontruimd omdat het Rijk de kosten tot het instandhouden van het eiland niet meer wenste te dragen. Met geen woord wordt in het notulenboek gerept over deze voor de Schokkers zeer dramatische gebeurtenis. Op 8 mei 1859 werd voor de laatste maal het H. Avondmaal in het kerkje op de Middelbuurt gehouden. Daarna volgt de laatste mededeling in het notulenboek:

“3 Junij werd in dezegemeente depersoonlijke kerkvisitatie gehouden, waartoe als visitatoren overgekomen waren de Weleerw. Heren H. Dwars en A.C. Montijn, predikanten te Kampen en Kamperveen. Alles in orde bevonden zijnde werd de vergadering met zegenbede besloten.”

Voor de Schokkers was zeker niet alles in orde: zij werden verdreven van huis en haard en gingen een zware tijd tegemoet in een voor hen vreemde en soms bijna vijandige omgeving.

Dominee Riethagen vertrok op 9 augustus 1859 naar Gronin¬ gen, vergezeld van zijn dienstbode Trijntje van der Kamp.

121

Gebruikte literatuur en bronnen

Drs. A.J. Geurts: Schokland, de historie van een weerbarstig eiland (1991).

T. de Vries: Reformatie en Contra-Reformatie op Emmeloord (Schokland), in: Het Schokker Erf nr. 6 (sept. 1987) biz. 10-15, Het Schokker Erf nr. 7 (jan. 1988) biz. 3-9, Het Schokker Erf nr. 8 (mei 1988) biz. 2-8, Het Schokker Erf nr. 9 (sept. 1988) biz. 28-32.

H.J. Moerman & A.J. Reijers: De eilanden Schokland en Urk, 1925, herdruk 1984.

R. van Kooten, Kerkepad, in: Het Schokker Erf nr. 3 (sept. 1986) biz. 28-34.

A. Klappe, Mag ik wat vragen?, in : Het Schokker Erf nr. 9 (sept. 1988) biz. 23-27.

D. Veenendaal, Festiviteiten op Schokland, in: Het Schokker Erfnr. 11 (mei 1989) biz. 6-8.

E. G van Vliet, Kampen en Schokland, in: Het Schokker Erf nr. 19 (jan. 1992) biz. 2-7).

J.R.T. Ortt, Korte aanteekening omtrent den voorgestelden maatregel tot ontvolking van Schokland, 1858.

A.J. van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, 1843.

L.J. van der Heijden, Uit het katholiek verleden van Schok¬ land, in: Archief voor de Geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht, deel 65, 1941.

O. Dapper, Korte Beschrijving van d’Eylanden Urk en Emmeloort, in: Historische Beschryving der Stadt Amsterdam, 1663.

Dr. P.J. Bouman, Het verlaten eiland, 1975.

Het Nederduits-Gereformeerde doopboek (1688-1791), het trouwboek (1688-1799), en het lidmatenboek van Ens (1688-1790), Gemeente-archiefKampen.

Het Twede Kerckenboek des Eyland Ens (het notulenboek van de Nederduits-Gereformeerde kerkeraad), Gemeentearchief Kampen.

Het dagboek van pastoor Doorenweerd, Gemeente-archief Kampen.

122

Brieven aan de burgemeesters van Amsterdam, aanwezig in het Gemeente-archiefvan Amsterdam.

De genealogische verzameling betreffende Schokland van Ab Klappe te Eindhoven.

Schokland. De Middenbuurt met op den achtergrond de Zuiderbuurt. Naar een 18de eeuwsche gekleurde Penteekening, vermoedelijk van P. Remmers.

123
r
124
PLATTECaQND SQYENAANZICHT

Die vuerboete op het Eylandt Ens

Het voormalige Zuiderzee-eiland Schokland, thans opgenomen in de Noordoostpolder, werd in vroeger eeuwen voornamelijk bewoond door vissers en hun gezinnen. In het noorden lag het dorpje Emmeloord en in het zuiden Ens, bestaande uit de buurten de Middelbuurt (of Molenbuurt) en de Zuiderbuurt, bewoond door in totaal ongeveer 700 mensen. Nog meer naar het zuiden lag de eenzame Zuidpunt, waar zich eens de middeleeuwse kerk van Ens bevond,die dienst deed tot het jaar 1717. Ook lag hier het kerkhof waar de protestanten hun doden begroeven. Vlak bij de nu nog te bezichtigen ru'ine van die kerk stond eeuwenlang een vuurtoren. Aanvankelijk gebruikten de vissers en schippers op de Zui¬ derzee de kerktoren om zich te orienteren. In die tijd was het de gewoonte om vissers na het vallen van de duisternis toch nog veilig de haven binnen te loodsen door het stoken van zogenaamde vissersvuren. In 1613 stelde het bestuur van het gewest Overijssel 800 gulden beschikbaar om de kerk en haar toren te herstellen. deze kerktoren werd toen genoemd “een baeckene in zee, daeraen den coopman ende gemeene schipperen merckelicken belang” gelegen is. Rond 1821 brak men de kerktoren af.

De eerste vuurbaak (1618-1635). Steeds weer bleek dat men op de onregelmatig brandende vissersvuren niet altijd kon vertrouwen. Voor de handelsvaart op de Zuiderzee was een regelmatig brandende vuur¬ baak van levensbelang. Omstreeks 1618 besloten Ridderschap en Steden van Overijssel dan ook samen met Noord-Holland een vuurbaak op de Zuidpunt van Schokland op te richten. Op deze baak werd met zware onkosten elke nacht een steenkolenvuur gestookt. Duidelijk is dat de “vierboet” of vuurtoren primair bedoeld was als een middel tot plaatsbepaling voor de scheepvaart en niet zozeer een hulpmiddel voor thuiskerende Schokkers, zoals de vroegere vis¬ sersvuren dat waren.

125

De tweede vuurbaak (1635-1825). De eerste baak moet met vrij primitieve middelen gebouwd zijn en was al snel aan vervanging toe, want op 26 juni 1635 werd in Kampen het bestek opgemaakt voor de bouw van een nieuwe “vuerboete op het eylandt Ens”. Het werk werd gegund aan de aannemer Cornelis Meeuwsen voor de som van 1260 Carolus guldens. Het bestek bestaat uit een beknopte beschrijving van de belangrijkste onderdelen en een schets van de voorgevel:

Besteck waervan sal gemaeckt worden een vuerboete op het Eylandt Ens.

1) De vuerboete sal hooch sijn boven de gront tot aen de bovenkant onder de lhueninge achtien voeten, ende breet buijtenwercx sestien voeten in ‘t vierkant.

2) Sal gemaeckt worden een rooster van balcken van twaelff duimen dick ende ses duimen breet, vierkant op derde halffvoet wijtte in den ander geschoten; ende sullen daerinne geheijt worden palen tott op het sant, tott verseeckerringe van het fundament voir barsten en sincken; alles van goet greijnen hout, ende sal daer op drie voet inde gront worden gemetselt rontomme drie moppen dick.

3) Op elck hoeck sal gemetselt worden een pijler van drie moppen dick ende thien voet hooch boven de gront, ende dan daer op mett een bogen tott vier voet gesloten, om een bequaam wellfsel daerop te brengen.

4) Tusschen de pijlers van den gront tott boven daer de bogen sluiten sal gemaeckt worden een muur van een moppe dicke, ende daer inne twie dueren, d’eene tegen ‘t suijden ende d’ander tegen ‘t noorden; die bovendorpels van graeuwen steen, ende de dueren van goet greijnen hout mett velden ende sloten nae vereijsch.

5) Opte hoochte van negen voet sullen gelecht worden vier goede anckers, om het bersten ende schueren van die muijre te verhinderen.

6) Het wellfsel sal sijn een moppe dick, ende daer onder comen twie bogen, steeckende onder het welffsel uijt een halve moppe, ende beneden anderhalve mop¬ pe, en sullen de hoecken van het wellfsel aengemetselt ende boven slecht gemaeckt worden.

126

7) Sullen dwars doir die boete gelecht worden vier anckers, ende daervan die slutels springen vierde halff voet boven den bovenkant van de boete, ende op elcke hoeck gesett worden een ronden ijseren staff in grauwe steen, mett loot ingegoten, dienende totte ijsere leeninge, die sal wesen gelijck die op Urck is.

8) Het wellfsel sal worden gedeckt mett een waterlage van een moppe klinckert op sijn kant, in sement gelecht, in het middel hooch een halve voet, om bequamelick te cunnen affwateren.

9) Ende sal daer op worden gemaeckt een stoel, ses voet hooch ende vijff voet breet, ende de muijren anderhalff moppe dick, met vier anckers nae vereijsch versien, ende daer inne een welfsel nae behoren; ende inde stoel ten suiden ende noorden twie duren van greijnen hout, de bovendorpel van graeuwen steen, met velden, klincken en haecken als ‘t behoirt.

10) Ten oosten en westen van den stoel sullen worden gemaeckt drie trappen van grauwen steen, ende opten stoel een bequame rooster om het vuir op te stoecken.

11) Binnen in de boete sal gemaeckt worden een bequame steecktrap van greijnen hout, om daerop door een luijck in het welffsel naer boven te gaen.

12) De materialen sullen sijn goede gaeven ijsselstenen, goeden wel gearbeijden kalck ende sement, goet greijnen hout, ende alles nae vereijsch van het werck, ende hett ijsserwerck so eender in alien manieren als het totte boete op Urck bevonden wort, en sal het metselsant op ‘t eijlant mogen gegraven worden, buijtendijcx, tot minste schade van de ingesetenen.

13) de metinge sal geschieden nae de Camper maete.

14) Ende sal het werck binnen twie maenden nae dato deses, doch vierthien dagen onbehaelt, moeten veerdich sijn.

15) Sullende de betalinge geschieden in drie terminen, het eerste als de materialen bij het werck heden gebracht sijn, het twiede als het werck sal sijn voldaen ende opgenomen, ende het laeste ses maenden daernae.

Aldus besteet ten overstaen van de Heeren Gedepu-

127

teerden binnen der stadt Campen, den 26 junij 1635. Ende is aennemer geworden Cornells Meeuwsen voor een somme van 1260 Carolus guldens, ende tott borge gestelt Sijbolt Douwes.

Mij present: J. van den Velde, 1635.

Uit dit bestek blijkt dat het een nogal plomp, vierkant gebouwtje was, waarop in een rooster een open kolenvuur gestookt werd (voor een rekonstruktie-tekening zie afb. 1). Door de schippers werd deze baak, die enigszins verplaatst schijnt te zijn ten opzichte van de oude baak, “de Kaap” genoemd. De vuurbaak werd gebouwd op een terrein dat eigendom was van een zekere Jan Klaassen uit Ens. Ridderschap en Steden van Overijssel besloten op 18 maart 1636 hem hiervoor 25 gulden uit te betalen. Enkele jaren later werd bij de vuurtoren een lichtwachterswoning gebouwd, want op 14 maart 1640 besliste Overijssel dat de vuurstoker op Ens een bekwame woning diende te krijgen. Hoewel Ens tot Overijssel behoorde, nam Noord-Holland een deel van de kosten van de vuurbaak voor zijn rekening, zoals blijkt uit een verslag van een bezoek op 19 augustus 1692 aan Schokland van “de Heeren Staten van Hollandt ende West-Vrieslandt” en “de Heeren Gedeputeerde Staten van Over-IJssel”. Vastgesteld werd dat in de nabijheid van de vuurtoren 39 roeden paalwerk gemaakt dienden te worden, omdat “met d’eerste opkomende watervloeden ende stormwinden niet alleen de voorsz. vuerboet, maer oock de kerck op het voorsz. Eylandt wegh geslagen soude konnen werden”. Men besloot hiervoor 7800 gulden uit te trekken, waarvan, zoals in het verleden, Overijssel deel, en Holland en WestVrieslandt elk Vg deel betaalden.

Op een tekening uit 1729 (zie afb. 2) zien we deze vuurbaak, iets ten westen van de kerk, afgebeeld als een vierkante toren met daarop het in de open lucht gestookte vuur. Mogelijk is de toren in de loop der jaren enigszins van gedaante veranderd door verval ofverbouwing.

In 1922 maakte A.J. Reijers een tekening (zie afb. 3), waarbij hij eerdergenoemde prent als voorbeeld genomen zal hebben. Op de achtergrond tussen vuurtoren en kerk ziet men een aantal schepen liggen aan een paalwering. Dit komt overeen met wat tijdens opgravingen in 1955 ter plaatse werd gevon-

128

den. Ongeveer acht meter ten noorden van de kerk werden namelijk restanten gevonden van een paalschoeiing (zie afb. 4).

Uitgaande van afbeelding 2 en 3 zou de vuurbaak ongeveer dertig meter ten westen van de kerkru'ine gestaan kunnen hebben. Archeologisch onderzoek ter plekke zou wel eens interessante resultaten kunnen opleveren. Op afb. 5 is vrijwel hetzelfde tafereel te zien. Opvallend is echter dat de kerk op diverse onderdelen afwijkt van het kerkgebouw op de eerdergenoemde prenten. Let bijvoorbeeld op de ramen, de steunberen, de dakbedekking en de topgevel aan de oostkant. Hoewel deze tekening doorgaans gedateerd wordt omstreeks 1730, lijkt niet alleen de kerk, maar ook de vuurbaak in het geheel niet op die van afb. 2, die in 1729 gemaakt is. Zo heeft het gebouwtje een dak op de plaats waar zich de opstand met het vuurrooster zou moeten bevinden. Ook is een soort takel te zien. Afb. 6, gemaakt rond het jaar 1730, is duidelijk verwant aan de vorige tekening. Naar mijn mening geven deze twee afbeeldingen echter niet de situatie van 1730 weer, maar zien we hier de eerste vuurbaak (1618-1635). Dit verklaart dan tevens waarom de kerk er iets anders uitziet als op afb. 2. De eerdergenoemde takel zou gebruikt kunnen worden om ‘s nachts een korf met brandende turf omhoog te hijsen ten behoeve van de schepen op de Zuiderzee. Waarschijnlijk heb¬ ben de tekenaars een oudere, thans niet meer bekende prent nagetekend.

Tenslotte is er nog een waterverftekening uit ca. 1800 bekend van de in 1635 gebouwde vuurtoren. De vuurbaak is hierop goed te herkennen. Het hekwerk rond het platform is te onderscheiden, evenals de trapjes naar het rooster waarop gestookt werd. Boven de deur is een raam te zien, op de plaats van de twee oorspronkelijke bogen in het metselwerk (zie afb. 7).

In 1708 klaagden Gedeputeerde Staten van Overijssel over het feit dat het stoken op de vuurtoren van Ens meer kostte dan op de andere vuurtorens. Jacobus Beeltsnijder uit Amsterdam, de kolenhandelaar die gewoonlijk de kolen in Ens afleverde, probeerde een en ander te verdedigen. De mazen van het rooster op de vuurtoren van Ens waren in vergelijking met andere torens namelijk erg wijd, zodat hier

129

alleen grote brokken steenkool gestookt konden worden. De kleinere stukken moesten er dus uitgesorteerd worden, en die waren weer moeilijk verkoopbaar. Op andere vuurtorens kon men alle formaten steenkool stoken, wat natuurlijk goedkoper was. Bovendien mocht kolenhandelaar Beeltsnijder alleen kolen leveren als de voorraad op Ens bijna op was, en dan ook nog alleen in kleine hoeveelheden. Elders deed men het anders: als er een partij goedkope, eerste kwaliteit kolen uit Schotland aankwam, dan kocht men die in zijn geheel op en legde een voorraad aan. De schippers en de vissers op de Zuiderzee klaagden volgens de handelaar nogal eens over het slecht onderhouden vuur op de Enser vuurbaak. Het gevolg was dan dat hij meteen weer met kolen naar Schokland moest, en geen tijd kreeg om een goedkope partij afte wachten.

Per jaar werd er op Ens 1400 waag steenkool verstookt (een kruiwagen vol is ongeveer twee waag). De kolen kwamen doorgaans uit Schotland, gingen dan naar Rotterdam en vandaar via Amsterdam naar Schokland. Ook werden er wel kolen uit Luik gebruikt, die via Dordrecht en Amsterdam naar Schokland gebracht werden.

Tijdens de stormramp van 4 en 5 februari 1825, die grote gebieden rond de Zuiderzee teisterde, waarbij zeer veel mensen verdronken, werd de oude vuurbaak door het tot drie meter boven het normale peil opgejaagde water vernield.

De derde vuurbaak (1825-1856). Na de stormramp van 1825 was nieuwbouw nodig. Door Rijkswaterstaat werd een sierlijke, ronde toren gebouwd, waarvan de fundamenten thans nog op de Zuidpunt te bezichtigen zijn, vlak bij de kerkruine (zie afb. 8). Ook deze vuurbaak werd met kolen gestookt. De vuurstoker was verplicht een voorraad kolen, voldoende voor drie maanden, in voorraad te hebben. Als de zee was dichtgevroren hoefde hij niet te stoken. Het aantal nachten waarin dat het geval was werd nauwkeurig bijgehouden door de burgemeester, die dit weer elk kwartaal moest doorgeven aan het provinciaal bestuur. Werd er niet gestookt, dan kreeg de vuurstoker ook geen salaris. Het huis van de vuurstoker stond eertijds gedeeltelijk op de fundamenten van de voormalige kerk, op enige afstand van

130

de vuurtoren. De toren en de woning waren met elkaar verbonden door een houten loopbrug. Naast de lichtwachterswoning stond sinds 1821 een stellage met een mistklok, daar geplaatst door bemiddeling van Lucas Seidel, opzichter van Rijkswaterstaat, en geleverd door een klokkengieterij in Amsterdam. De klok gaf 36 slagen per minuut en moest om de twee uur opgewonden worden. Voor het schoonmaken en het opwinden van de mistklok kreeg de stoker ongeveer twaalfgulden perjaar.

In 1835 maakte burgemeester een beschrijving van de vuur¬ toren met toebehoren:

Staat en inventaris van alle voorwerpen welke bij de lichtbaak op het eiland Schokland behooren en aldaar aanwezig zijn.

1) Een woonhuijs tot bewooning van den vuurstoker, van steen gebouwd, waar in zijn drie vertrekken, lang 12 3/4 ellen, breed 5 ellen.

2) De klokke-toren van houtgebouwd, staande tegen het voornoemde woonhuijs, met zijn staande uurwerk en klok.

3) De loopbrug naar de vuurtoren, lang 59 1/2 ellen, breed 1 elle.

4) Een brug aan de oostkant van het gehugt, tot oplossing van koolen, lang 6 ellen, breed 1 elle, 6palmen.

5) Een oude rooster in onbruikbaren staat.

6) Een dito, in goede staat, thans in gebruik.

7) Een ijzeren vuurschop.

8) Een koperen vuuremmer.

9) Een houten balans en schaalen met een oude 50 ponds gewigt.

10) En eindelijk de vuurbaak zelven, van steen, in 1825 geheel uijt den grond nieuw opgebouwt met zijne eiken paalwerken rondom dezelve. Aldus opgemaakt door ons, Burgemeester van de gemeente Schokland, den 10 april 1835, G.J. Gillot.

In 1845 werd op dezelfde toren een zgn. katadioptriek lamplicht geplaatst, bestaande uit een petroleumlamp, omgeven door drie prismatisch geslepen glazen. Rondom dit geheel bevond zich een buitenwand van grote, dikke, langwerpige,

131

De KP 1, destijds de oudste vissersboot van de Zuiderzee, bij de vuurtoren op de Zuidpunt van Schokland.

,4" '

De kerk en vuurtoren op de Zuidpunt van Schokland, getekend door A.J. Reijers in 1922.

AJ gfijF#* «*fc
22
132

kleurloze glazen. Het was een stilstaand licht, dit in tegenstelling tot het vuurtorenlicht op Urk, dat draaide (een flaplicht, zei men op Urk), zodat de zeelieden in staat waren de beide lichten van elkander te onderscheiden. In 1856 werd deze baak afgebroken.

De vierde vuurbaak (1856-1944). Na de afbraak van de ronde, stenen baak werd een nieuwe modernere lichttoren gebouwd, iets meer naar het oosten, vlak naast de lichtwachterswoning. Boven op een ijzeren stellage werd een katadioptriek licht geplaatst: een lamp met een holle cilindervormig pit, met daar omheen een buitenwand van langwerpige glasplaten. In de Kamper Courant van 7 September 1856 lezen we hierover het volgende: “De minister van Marine heeft ter kennis van belanghebbenden gebragt, dat in de loop dezer maand, op nader te bepalen datum, het kustlicht op Schokland tijdelijk zal worden gebluscht, wegens de vernieuwing van den opstand, en dat gedurende den tijd daartoe benoodigd, op het eiland zal ontstoken worden een hulplicht, dat den geheelen horizon zal verlichten en op gelijke hoogte zal staan als het thans aldaar brandende kustlicht.”

Vanaf 1922, toen de lichtwachter Pieter Verschoor (18741975) het eiland verliet, werd het licht automatisch ontsto¬ ken. Overdag bleef de waakvlam branden. Het licht brandde op blauwgas en werd alleen gedoofd als door ijsgang geen scheepvaart meer mogelijk was. Als men niet meer “om de oost” kon varen werd ‘s nachts een rode petroleumlamp aan de oostzijde van de vuurtoren gehangen. Eenmaal per week moest de tijdklok ingesteld worden op de steeds veranderende tijden van zonsopgang en zonsondergang. De vuurtoren, die in de volksmond wel eens “Schokker Jaap" werd genoemd, stond samen met de lichtwachterswoning op een terp, waaronder in 1940 de fundamenten van de middeleeuwse kerk van Ens werden teruggevonden. In feite stond de vuurtoren in het schip van de kerk. De toren stond op zes steunpunten, die een cirkel vormden van zes meter doorsnede. Binnen dat grondvlak bevond zich een cementen huisje met een stalen deur aan de noordkant. In dat huisje lagen de gastanks, die het licht door middel van een pijpleiding voed-

133

den. Aan de zuidkant van de toren was de opgang van een wenteltrap, die met een enkele omwenteling en twee tussenbordessen uitkwam op de omgang van de lichtkabine. De gehele toren, met uitzondering van de traptreden en de vlaggemast, bestond uit een roodgeverfde stalen konstruktie, met een hoogte van ongeveer 12V2 meter. Toen Schokland in 1942 droog viel en een onderdeel werd van de Noordoostpolder, werd het licht van de vuurtoren voorgoed gedoofd. Het eiland werd ontmanteld, de paalweringen gesloopt, en twee jaar later werd helaas ook de toren afgebroken.

Het Enser Geld. Hoewel Noord-Holland meedeelde in de kosten van de Enser vuurbaak op Schokland, werd het overgrote deel betaald door Overijssel. Om uit de kosten te komen werd op 13 maart 1634 door Ridderschap en Steden van Overijssel het Enser Geld in het leven geroepen. Dit was een belasting waaruit het onderhoud van de vuurbaak op de Zuidpunt van Schokland betaald zou worden. Tevens werd een deel van de opbrengst bestemd voor het onderhoud van de paalwerken op het eiland. Men noemde deze belasting ook wel “de stuiver op de uitvarende en inkomende schepen”. Immers, ieder schip dat de provincie Overijssel binnenvoer of verliet moest een stuiver betalen. Het geld werd geind in de havenplaatsen Kampen, Zwolle, Hasselt, Blokzijl, Zwartsluis en Kuinre. De kosten van de vuurbaak op Schokland waren zeer hoog, en al spoedig was een stuiver per schip niet meer voldoende. In 1651 werd de belasting daarom verhoogd tot twee stuivers, en in 1675 tot drie stuivers. Een laatste verhoging tot zes stuivers volgde in 1698. Protesten tegen het Enser Geld volgden al gauw. In 1652 probeerden de schippers van Meppel en in 1701 de schippers van Vollenhove vergeefs onder het betalen van de belasting uit te komen. In 1730 ondernamen de Vollenhoofse vissers en schippers een nieuwe poging, omdat zij het niet juist vonden dat zij, als ze via het Zwarte Water naar de IJssel voeren, en dus slechts even op de Zui¬ derzee waren geweest, toch in Zwartsluis twee stuivers moesten betalen. Wederom werden zij in het ongelijk gesteld. In tegenstelling tot die beslissing werden de vissersschuiten van Ens en Emmeloord in 1761 wel vrijgesteld van betaling.

134

Vermoedelijk heeft de armzalige toestand waarin de bewoners verkeerden daarbij een belangrijke rol gespeeld. Die uitzonderingspositie voor de visschuiten van Schokland heeft echter niet lang geduurd. A1 in 1762 werden alle met vis geladen schuiten vrijgesteld van het betalen van het Enser Geld.

Zoals zoveel belastingen in die tijd werd ook het Enser Geld verpacht. De liefhebbers konden hierop inschrijven en de hoogste bieder werd voor de duur van een jaar pachter. Vervolgens moest hij de som waarvoor ingeschreven was in de kas van de ontvanger storten. Waren er na afloop meer inkomsten dan de pachtsom groot was, dan was dit de winst van de pachter. Waarschijnlijk in 1801 kwam er aan het Enser Geld een einde.

In latere tijden werd het stoken van het vuur op de vuurtoren van Schokland in het openbaar aanbesteed door de Pre¬ fect van het Departement der Monden van de IJssel. Zo ook op 28 juli 1812. De aanbesteding geschiedde bij inschrijving en afslag, waarbij uitgegaan werd van een som van 6990 francs. De aannemer diende de vuurtoren te onderhouden gedurende de periode van 1 november 1812 tot aan de maand november in het daarop volgende jaar. Hij moest zelf de nodige hoeveelheid steenkolen, turf en olie aanschaffen, en diende tevens te zorgen dat het vuur naar vereiste en volgens het gebruik werd onderhouden door een vuurstoker, die hij daartoe op zijn eigen kosten diende aan te stellen. Zo nam een zekere I. van Ginkel in 1814 aan het vuur op de Zuidpunt van Schokland te onderhouden voor een som van / 2238,20 perjaar.

De vuurstokers op de Zuidpunt van Schokland

De eerste vuurstoker op de Zuidpunt van Schokland die ik vond was Hendrik Jansz, die in de jaren 1667-1670 vermeld werd als timmerman en stoker van het vuurbaken te Ens. Hij zou identiek kunnen zijn aan Hendrik Jansz Schokker, die op 4 September 1692 in Kampen als weduwnaar trouwde met de weduwe Jannetje Pieters, en daar op 3 maart 1708 begraven werd.

135

In het Zwolse Rijksarchief is een brief aanwezig van Antony Colijn, koster en schoolmeester van Ens op Schokland van 1688 tot 1706, waarin hij bij de Staten van Overijssel solliciteerde naar de baan van vuurstoker: “Vertoont met schuldige eerbiedigheijt Antonij Coolijn, koster en schoolmeester op ‘t ijlandt East, soo U Edel. Mog. de vuerboet met een andere vuerstoker mochten komen te versien, soo ist in desen dat hij suppliant is bidden aan U Edel. Mog. deselve aan hem suppliant te vergunnen en mede te begiftigen, dat hij met sijn vrouw en vier kinderen mochte komen te bestaen, alsoo hij suppliant aan U Edel. Mog. komt te beloven de selve getrouw en wel op te passen, en alle desselfs klachten der schippers wegh te nemen, en dat U Edel Mog. daar geen klachten meer van soude komen te hooren.” Het is me niet bekend of hij ook daadwerkelijk vuurstoker is geworden. Hij was tevens voorzanger, en stierf op 24 maart 1706 op Schokland, twee jaar na de dood van zijn vrouw Grietje Lamberts, die op 24 januari 1704 overleed.

Toen Hermen Voetelink op 21 december 1700 lidmaat werd van de Hervormde Kerk op Ens, werd in het Kerkboek genoteerd dat hij vuurstoker op de Zuidpunt was. Hij was getrouwd met de uit Kampen afkomstige Klaasje Kornelis van den Berg, die op 12 april 1702 eveneens lidmaat werd. Op 9 november 1704 trad Hermen Voetelink op als doopgetuige, waarbij aangetekend werd dat hij vuurstoker was. Hij stierf op 30 maart 1716 op Schokland.

Jan van Dalen werd op 27 maart 1723 vermeld als vuursto¬ ker te Ens, toen hij werd aangenomen als lidmaat.

In het Kerkboek van Ens staat vermeld dat Jan Jansen Kok ouderling was van 5 augustus 1725 tot 27 juli 1727, waarbij we voor het eerst zijn bijnaam lezen: Jantje de Vuurstoker. Op 24 december 1731 werd hij opnieuw tot ouderling gekozen. Hij moet overleden zijn tussen januari 1733 en 10 januari 1734. Hij was afkomstig van Ens, evenals zijn vrouw Sijtje Jansz, met wie hij op 13 januari 1689 in de hervormde kerk op Schokland getrouwd was. Sijtje Jansz werd lidmaat op 4 juli 1690. Tussen 1689 en 1705 werden op

136

Schokland uit dit huwelijk 8 kinderen geboren: KleijneClaas, Claasje, Jan, Marritje, Lubbetje, Senne, Bruin en Marritje. Jan Jansen Kok had een gelijknamige broer, die eveneens enkele jaren ouderling is geweest en door het leven ging met de bijnaam “Bestevaer”. Een andere broer was Wil¬ lem Jansen Kok.

Lambertus Meijboom, weduwnaar van Kampen en vuurstoker op Ens, trouwde op 5 mei 1737 te Ens met Grietje Jouke, afkomstig uit Kuinre, maar wonende op Emmeloord, het noordelijke deel van Schokland. Hij woonde eerder in Kuinre en Amsterdam en stierf op 23 maart 1738 op Schok¬ land.

Zijn opvolger was de uit Kampen afkomstige Barteld Vriese, die op 28 September 1738 te Ens trouwde met Geertje Willems, waarbij in het trouwboek werd opgetekend dat hij vuurstoker op Ens was. Barteld Vriese was weduwnaar en had uit zijn eerste huwelijk een dochter. Zijn tweede vrouw Geertje Willems, weduwe van Jacob Boot, was eveneens afkomstig uit Kampen en overlegde een attestatie uit Beekbergen. In 1741 woonde Geertje Willems vreemd genoeg niet op de Zuidpunt van Schokland, bij de vuurtoren, maar op de ca. 2 km. naar het noorden liggende Molenbuurt. Haar man was toen nog steeds vuurstoker. Later is ze naar Kampen verhuisd.

Arend Joukes was in 1753 en 1754 vuurstoker op Ens, wat blijkt uit een op 30 maart 1754 geschreven brief van Alex Henderson, firmant van de Amsterdamse kolenleverancier Stupart en Henderson. Henderson uitte hierin het vermoeden dat er gerommeld werd met de opgave van de hoeveelheid kolen die jaarlijks nodig waren voor de Schokker vuur¬ toren. In de boeken van zijn zaak had hij gevonden dat in de voorgaande jaren jaarlijks 1400 waag kolen nodig was geweest, en de stoker Arent Joukes beweerde die 1400 waag in 1753 ook ontvangen te hebben. Op het “Lants Comtoir” hield men de hoeveelheden ook bij, en daar werd gezegd dat er in 1753 maar 1150 waag kolen naar Ens verscheept waren.

Tegen September 1754 kwam een zekere Aaltje Dulken aan

137

De stalen vuurtoren en de verlaten lichtwachterswoning, staande op de terp die de kerkru'ine en de eeuwenoude begraafplaats van de Zuidpunt bevat.

Waterverftekening van de Zuidpunt, ca. 1800.

138

op Schokland, afkomstig uit Amsterdam. Ze ging wonen “aan de vuurtoren”, en stierf daar op 24 oktober 1761. Wat haar relatie was tot de vuurtorenwachter is niet duidelijk, maar mogelijk was ze zijn vrouw.

Jurriaan Meijer werd “tegen Pasen” in het jaar 1756 vermeld als vuurstoker op Ens, toen zijn vrouw Johanna van Grotengast werd ingeschreven in het lidmatenboek.

Tegen Pasen 1757 kwam Johannes Scheffer uit Nijmegen op Schokland aan om te gaan werken als “knegt van Meijer aen de vuurtoren”. Nog hetzelfde jaar verliet hij het eiland alweer en vertrok naar Kuinre.

Dirk Dirksen Ter Haar, “sijnde de vuurstokersknegt op Ens”, trouwde op 24 oktober 1762 in de hervormde kerk op Ens met Janna Seijgers. Hij was afkomstig uit Rechteren, Hellendoom of Veelsteren, zij uit Rechteren of Dalfsen (de archiefstukken spreken elkaar nogal eens tegen). Ze kregen tussen 1763 en 1769 op Schokland 4 kinderen: Jan Sijger, Anna, Aleida Wilhelmina en Jan Derk. Op 7 augustus 1767 beviel Hendrikje Seijgers, een ongetrouwde zuster van Janna Seijgers, in het huis van de vuurtorenwachter van een dochtertje, genaamd Hendrika. De vader van het kind was, “zoals de moeder zegt”, ene Hendrikus. Pas op 13 September 1767 mocht het kind, met speciale toestemming van de drost, worden gedoopt.

Op 14 maart 1771 vertrok Dirk Dirksen Ter Haar met zijn gezin naar Dalfsen.

Derk Jansen uit Zwolle werd op 31 juli 1771 lidmaat van de Hervormde Kerk te Ens, enkele dagen nadat hij op Schok¬ land aankwam om als vuurstoker op de Zuidpunt te gaan werken. Zijn vader Jan Willems, afkomstig uit Dalfsen, kwam begin juni 1772 ook op het eiland wonen, mogelijk om zijn zoon te helpen. Toen Derk Jansen in 1774 naar IJsselmuiden vertrok, bleef zijn vader waarschijnlijk achter op Schokland, want in het lidmatenboek werd in 1775 nog een zekere Jan Willems vermeld, die later naar Mastenbroek is vertrokken.

139

Willem Jans van Eerde, “jongeman van Ens”, ging op 5 april 1778 op Ens in ondertrouw met Dirkje Tijmens Compaan uit Blokzijl, dochter van Timon Compaan en Antje Petten. Kort daarna vertrokken Dirkje, die toen al op Ens woonde, en Willem naar Blokzijl, waar ze op 19 april 1778 getrouwd zijn. Dirkje verbleefvoor haar trouwen slechts kort op Schokland, want pas op 30 maart 1778 kreeg ze in Blok¬ zijl haar attestatie-brief. Willem Jans van Eerde was geen Schokker van geboorte. Toen hij tegen Sint-Jan 1778 (24 juni) werd ingeschreven in het lidmatenboek van Ens, werd aangetekend dat hij uit Heino afkomstig was. Tegelijkertijd met Willem werd ook zijn zuster Helena Janssen van Eerde ingeschreven als lidmaat, maar zij vertrok nog hetzelfde jaar naar Zwolle. In een briefvan 19 oktober 1781 van E.P. Seidel lezen we voor het eerst dat hij vuurstoker op de Zuidpunt was, maar waarschijnlijk was hij dat toen al enkele jaren. In 1784 had dominee Gillot de Overijsselse overheid zover gekregen dat er een heffing op de hooiwinning van het provincieland op Schokland werd geheven, ten bate van de armenzorg op het eiland. Op 15 juli 1785 schreefWillem van Eerde een bezwaarschrift aan de Gedeputeerde Staten van Overijssel, waarin hij verzocht om als vuurstoker vrijgesteld te worden van deze belasting. Hij vond het niet nodig belasting te betalen, omdat hij voorheen altijd vrij hooi op het land van de provincie mocht verzamelen. Gedeputeerde Sta¬ ten wonnen advies in bij dominee Gillot, die, zoals te verwachten was, het verzoek om vrijstelling onjuist vond, omdat Van Eerde vee hield als burger en niet als vuurstoker. Ook hij diende dus belasting te betalen. Bovendien hoefde de eerste jaren maar 10 stuivers per 1000 pond gewonnen hooi betaald te worden, wat na vier jaar verhoogd zou worden naar 20 stuivers. Hooi van het vasteland laten komen was nog altijd veel duurder. Het verzoek zal dan ook wel zijn afgewezen. Het echtpaar kreeg tussen 1779 en 1792 negen kinderen op het eiland: Tijmen, Magtelt, Tijmen, Magtelt, Jan, Antje, Magtelt, Klaas en Klaas. Toen op 6 juli 1792 hun negende kind werd geboren woonden zij nog steeds naast de vuurtoren, want zij werden in het doopboek vermeld als “eheluiden aan de Oude Kerk". Willem Jans van Eerde is de eerste van vijfgeneraties lichtwachters op Schokland.

140

Tijmen Willems van Eerde, zoon van bovengenoemd echtpaar, werd op 25 oktober 1783 op Schokland geboren. Hij werd voor de eerste maal vermeld als vuurstoker op de Zuidpunt bij de doop van zijn dochtertje Geesje op 3 december 1803. Aanvankelijk woonde hij met zijn vrouw Hermina Cornelissen Renshof in de lichtwachterswoning bij de vuurtoren aan de Oude Kerk, maar later verhuisden zij naar de Zuiderbuurt, iets meer naar het noorden. Zij kregen tussen 1803 en 1814 zeven kinderen op het eiland: Geesje, Willem, Komelius, Dirkje, Wicher, Teuntje en Willempje. Tijmen (ook wel: Tiemen) van Eerde overleed op 23 januari 1841 op Schokland, en zijn vrouw op 22 mei 1827, eveneens op Schokland.

Evert Been, geboren op 24 januari 1799 in Kuinre als zoon van Peter Everts Been en Grietje Hendriks, was lichtwachter aan de Oude Kerk toen hij op 4 januari 1846 verkozen werd tot ouderling. Daarvoor was hij werkzaam geweest als arbeider, en in 1829 als schippersknecht in dienst bij de Schokker Remmelt Mastenbroek. Op 10 januari 1832 werd hij ontslagen uit de Schutterij te Kuinre na 14 jaar trouwe dienst. Hij was gehuwd met Dirkje van Eerde, geboren op 22 december 1810 aan de Oude Kerk als dochter van de lichtwachter Tijmen van Eerde en Hermina Cornelissen Renshof. Hun kinderen, geboren tussen 1834 en 1840 waren: Hermi¬ na, Peter, Willemina en Tijmen. Dirkje van Eerde stierf op 27 augustus 1841 te Schokland, waarna Evert Been op 24 februari 1842 aldaar hertrouwde met Lumme Louwen de Jong, geboren 15 augustus 1819 op Schokland als dochter van Louwe Theunis de Jong en Nelletje Thijmens Buter. Zij kregen tussen 1843 en 1852 vijf kin¬ deren: Peter, Nelletje, Klaas, Grietje en Jan. Evert Been is op 23 juni 1858 op Schokland overleden. Lummetje de Jong, de weduwe van Evert Been, wonende in Kampen, en haar vier mindeijarige kinderen Nelletje, Klaas, Grietje en Jan Been (Peter was inmiddels gestorven) ontvingen in 1859, toen Schokland ontruimd moest worden, wegens de afbraak van hun woning in totaal 1/4 deel van / 1342,00. Zij stierf 21 juni 1881 in Kampen.

Wiechert van Eerde, geboren op 25 juli 1818 op Schokland

141

als zoon van Tijmen van Eerde en Hermina Cornelissen Renshof, was van de ontruiming in 1859 tot 1878 lichtwachter op de Zuidpunt. Tevens was hij timmerman, arbeider en aannemer van werken. Hij trouwde op 8 oktober 1841 te Schokland met Aaltje Klaasen de Groot, die op 8 juni 1815 op de Zuiderbuurt geboren was als dochter van Klaas Theunis de Groot en Maria Jansen Koek. Bij hun huwelijk hadden zij al twee kinderen, Hermina en Theunis, die bij die gelegenheid gewettigd werden. Zij kregen daarna op Schokland nog zes kinderen: Tijmen, Klaas, Willem, Marrigje, Willem en Aaltje.

Een oom van Aaltje Klasen de Groot, Reijer de Groot (17941871) woonde tussen 1861 en 1870 bij hen in, evenals haar zoon Theunis, die hulplichtwachter was, zijn vrouw en hun kinderen.

Wiechert van Eerde overleed op 16 juni 1889 in Urk, waar zij toen woonden. Zijn vrouw Aaltje Klaasen de Groot verhuisde op 22 juni 1889 terug naar Schokland, naar haar zoon Theu¬ nis.

Jelle Loosman, geboren 10 augustus 1834 op Urk als zoon van de Urker lichtwachter Andries Loosman en Aaltje Bakker, was vuurtorenwachter op de Zuidpunt van 1876 of 1878 tot 1893. Jelle Loosman, die ook als visser werkzaam was geweest, was gehuwd met Grietje Romkes (geboren in 1836). Hun kinderen, geboren tussen 1860 en 1875, dus in de tijd dat zij nog niet op Schokland woonden, waren: Andries, Hendrik, Lubbert en Klaas. Jelle Loosman overleed op 16 juli 1906 te Urk.

Hendrik Loosman uit Urk, geboren 22 oktober 1863 op Urk als zoon van bovengenoemde Jelle Loosman en Grietje Romkes, werd op 1 juli 1882 benoemd tot tweede lichtwach¬ ter op de Zuidpunt van Schokland, met een jaarwedde van / 375,00. Hij werd eervol ontslagen op eigen verzoek op 30 juni1885.

Hendrik Loosman was getrouwd met Trijntje Buter, geboren 29 augustus 1865 op Urk als dochter van Peter Buter en Geesje van Eerde. Zij kregen de volgende kinderen: Pieter, Aaltje, Grietje, Geesje, Jelle en Hendrikje. Hendrik Loos¬ man, die ook werkzaam is geweest als visser, stierf 28 april

142

1940 op Urk, en zijn vrouw op 15 augustus 1937, eveneens in Urk.

Theunis van Eerde werd op 5 december 1840 op Ens geboren als zoon van Wiechert van Eerde en Aaltje Klasen de Groot. Aanvankelijk was hij vuurstokersknecht bij zijn vader, en verdiende hij ook wel eens wat als visser en arbeider. Van 1893 tot 1900 was hij lichtwachter. Theunis van Eerde trouwde op 24 augustus 1866 op Urk met Jacoba Ruiten (geboren 17 november 1843 op Schokland, overleden 16 januari 1926 in Kampen). Zij kregen tussen 1867 en 1887 twaalf kinderen, die, hoewel zij op Schokland woonden, alien in Urk geboren zijn: Wichert, Jacob, Aaltje, Willem, Jannetje, Jacob, Teunis, Hermiena, Teunis, Hermina, Jan en Marrigje.

In 1902 maakte Theunis van Eerde een noodlottige val van een ladder, waarbij hij zijn scheenbeen brak. De dokter moest helemaal uit Kampen komen, wat nogal wat tijd in beslag nam. Door de ondeskundige eerste hulp traden er infecties op, en hij werd overgebracht naar het ziekenhuis in Kampen, waar hij op 10 juli 1902 overleed. Volgens zijn overlijdensakte was hij toen nog steeds lichtwachter op Schok¬ land.

Jacob van Eerde, geboren op 8 juni 1875 als zoon van Theunis van Eerde en Jacoba Ruiten, was van 1900 tot 1911 lichtwachter op de Zuidpunt, met een van zijn jongere broers als helper. Hij was gehuwd met Jannetje de Vries, geboren op 1 oktober 1875 in Urk als dochter van Pieter de Vries en Geesje van Veen.

Zowel Jacob als zijn broer zouden door de afzondering, de eenzaamheid en de sfeer van hun bovenop de knekels van de Schokkers gelegen woonplaats geestesziek zijn geworden, en werden in 1911 van het eiland gehaald. Talrijk zijn de verhalen over de vereenzaamde Schokker lichtwachter. Zo beschreef Jos Lussenburg in zijn boek “De stervende Zuider¬ zee” het voorval als volgt:

Het was op een stormachtige avond, dat wij met onze hotter de zuidpunt van Schokland aan hakhoord voorbij liepen om in het noordelijker gelegen veilige Gat van Ens de veilige remming op te zoeken. Terwijl wij daar

143

zo in de beschutting van ons warme vooronder naar de stormachtige wind luisterden, die gierend door ons want en de toppen van de oude repen op het eiland trok, dacht ik aan die eenzame vuurtorenwachter. Hoe hij tenslotte naar geest en lichaam geheel ontredderd naar de vaste wal werdgebracht.

Overdag tracht hij in een onrustige slaap te vergeten, maar als de duisternis valt, steekt hij zijn lantaarn op, klimt in de toren, laat op de omloop het zware luik dichtvallen en zit in de luwte tegen het lichthuis geleund, voor zich uit te staren tot de dag weer aan de hemel boven Kampen oplicht.

Die nacht van 5 op 6 oktober, toen het aankolkende water over de kisting denderde en de graven rond de fundering van de oude kerk omwoelde, had hij uren in angstige spanning naar de bulderende storm geluisterd. Grote stukken water ranselden de muren van zijn huisje en rukten er de pannen af. Brandde het licht nog wel op de toren? Als het vuur gedoofd was, zou men het hem aanrekenen als er schepen op de wal vergingen. De spanningen in deze besloten ruimte, waar je niets anders kon doen dan met de angst in je lijfafwachten, vrat aan zijn laatste restje weerstand. Telkens tneende hij de roep van een mens in nood te horen. Het rukken van de deur in de sponning, het geroffel van neervallende pannen, de angst voor het gedoofde vuur en de gevolgen daarvan, deden hem in wanhoop besluiten de sprong naar buiten, naar de toren te wagen. Daarbuiten regeerden de almachtige krachten, maar hierbinnen was niets dan angst, de spoken van zijn opgejaagde verbeelding. De oliejas met een end touw om het lijf gesjord, de zuidwester op de verwilderde kop gebonden, met een stormlantaarn in de bevende hand, deed hij de grendels van de deur. De deur sloeg met een verschrikkelijke slag tegen de kamerwand, de lamp vloog uit. De vuurwachter stortte zich in wanhoop naar buiten in de baaierd van geweld. Het basalt van het pad naar de toren was door het water weggerukt. De zee had grote gaten in de terp geslagen en de oude graven omgewoeld. Oude planken, doodshoofden en beenderen dreven in een schuimende

brij van modder en schuim over de terp. Buiten adem worstelde hij zich aan de ijzeren trapspijlen naar boven. Totaal uitgeput viel hij neer op de overloop van de op zijn voetstuk trillende lichtopstand. Een flauw schijnsel viel vanuit het lichthuis over de witgekuifde golven. Als een wezenloze, totaal ontredderde ziel staarde de vuurwachter naar het paalwerk rond de terp. Daar dook met de deining telkens het lichaam van een mens omhoog, verward in een om de palen van de zeewering vastgelopen lijn. Twee dagen en nachten hield de storm aan en bleefde vuurwachter op de omloop met een wezenloze blik over de aanstormende zee staren.

Toen de lijken van de schipper, vrouw en knecht van de op het zuid van Schokland vergane tjalk naar Kampen werden gebracht, bracht men ook de laatste vuurwach¬ ter op het zuid naar de vaste wal. Het laatste slachtoffer der vereenzaming op de verlaten zuidpunt van Schokland.

Klaas van Loo uit Harderwijk was van 1911 tot 1915 lichtwachter op de Zuidpunt. Hij was gehuwd met Jent Lassche, een dochter van Klaas Lassche, de kantonnier op de Middelbuurt van Schokland. Door ziekte van zijn vrouw moest hij tenslotte een andere standplaats kiezen. Klaas van Loo is ook lichtwachter op de Noordpunt van Texel geweest.

Pieter Verschoor, geboren op 12 September 1874 in Den Helder, was de laatste bewoner van de lichtwachterswoning op de Zuidpunt. In 1915 werd hij benoemd tot lichtwachter op Schokland, nadat hij eerder bij de marine had gewerkt. In 1974, ter gelegenheid van zijn honderdste verjaardag, gaf hij een interview aan de Leeuwarder Courant, waaruit bleek wat zijn taak als lichtwachter was:

“Het licht bedienen en onderhouden, als er reden voor was het stormsein hijsen, de vier meter van de wal staande peilschaal controleren en iedere avond uitkijken of de kustlichten langs de Zuiderzee allemaal wel branden. Als er eentje ontbrak werd de telefoon genomen. Een keer zwengelen was Kampen, tweemaal Urk, en drie keer de noordpunt van het eiland, waar licht¬ wachter Smit woonde.”

145

Vooral de watersnood van 1916 is Verschoor bijgebleven: “Het was op een dag in de winter, dat met vliegend weer de noordwester-storm het water diep en hoog de Zuiderzee injoeg. Met angst en beven zag het gezin Verschoor hoe de golven in korte tijd de peilschaal kopje onder deden gaan, wat betekende, dat het water was gestegen tot ruim drie meter boven NAP. Weldra stonden toren en woning midden in het water, dat even later prompt de bijkeuken in stroomde. De schapen waren al in de keuken in veiligheid gebracht en de kinderen zaten op het aanrecht en op de tafel. Vader Verschoor sjouwde in het noodweer matrassen langs de spekgladde treden van de ijzeren toren omhoog, maar tot slapen bij het vuurtorenlicht hoefde het gelukkig niet te komen. Het water kwam niet hoger, maar toch lagen zuid en midden en noord als terpjes verloren en schier verdronken in de kolkende golven, die langs de oude Zuiderzee grote schade aanrichtten en vele doden eisten.”

Verschoor verliet op 28 augustus 1922 het eiland, toen het licht van de vuurtoren op de Zuidpunt geautomatiseerd werd, en vertrok naar Staveren, waar hij hoofd van de kustwacht werd. Hij stierfin 1975. De vrouw van Verschoor was ook officieel lichtwachtster en kreeg daar ook salaris voor. Zij moest immers kunnen invallen voor haar man, als hij tijdens zijn wekelijkse inkopen in Kampen door een plotseling opkomende storm verhinderd was terug naar huis te keren. Zij moest dan het rode waarschuwingslicht plaatsen en bij mist‘s nachts om de twee uur haar bed uit om de veren van de mistklok op te winden.

Harm Prins, afkomstig uit Vollenhove, woonde van 1923 tot 1928 als kantonnier in de pastorie op de Middelbuurt of Molenbuurt van Schokland. Hij bediende het licht op de Zuidpunt.

Jan Schuurman was van 1928 tot 1941 kantonnier op Schokland. Ook hij en zijn vrouw Jansje Schuurman woonden in de voormalige pastorie. Beiden zijn afkomstig uit Vol¬ lenhove. Jan Schuurman was eerder werkzaam als visser. In november 1928 zijn zij in Vollenhove getrouwd en twee

146

dagen later kwamen zij op het eenzame Schokland aan. Zij kregen in hun Schokker jaren vijf kinderen, die echter op de vaste wal geboren werden: Henk, Jan, Teunis I, Teunis II, en Stoffel. Op 17 april 1941 verlieten Jan Schuurman en zijn gezin het eiland, vlak voor de drooglegging van de Noordoostpolder, toen het water nog slechts 50 cm hoog stond, en verhuisden naar Marienberg. De allerlaatste bewoners van Schokland hadden het het eiland verlaten....

Vuurtoren, gebouwd in 1825 op de Zuidpunt van Schokland.

147

Gebruikte bronnen en literatuur:

H.J. Moerman & A.J. Reijers, Schokland, in: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, 2e reeks 42 (1925).

R. van der Veen, Vuurtorens (1981).

G.D. van der Heide, Van landijs tot polderland (Amsterdam 1965).

G. D. van der Heide, Schokland vroeger en nu (Balk/Emmeloord, z.j.).

E. Vroom, Het Ensser geld, in: Verslagen en Mededelingen VORG 63(1948).

P.J.R.. Modderman, Over de wording en de beteekenis van het Zuiderzee-gebied (Groningen/ Batavia 1945).

D. Landsman, Schokland, eens een eiland (Ens 1984).

W. Kuijper, Zwervend langs het Ijsselmeer (Bussum 1978).

J. Zeehuisen, Een bezoek op het eiland Schokland op 2 Sep¬ tember 1858, Nederlandsche Volksalmanak 1859.

Dr. B. Meijlink, Beschrijving van Schokland en de Schokkers (Kampen 1858).

H. Kouwenhoven, De laatste lichtwachter van Schokland nam wraak, in: Panorama 27-9-1958.

R. van Kooten, Kostbare kolen, in: De Schokker, jrg. 5, nr. 2 (1988).

R. van Kooten, Verzoek van meester Antonij Coolijn, in: De Schokker, jrg. 7, nr. 3 (1991).

N.N., De laatste lichtwachter van Schokland, en Hoe een vreemd verhaal in de wereld kwam, in: De Leeuwarder Courant 7-9-1974.

D. Veenendaal, Het vuur op de Zuidpunt van Schokland (niet gepubliceerd).

F. Pereboom, Schokkers en hun kerken (niet gepubliceerd).

F. Pereboom, Schokland na de ontruiming (niet gepubli¬ ceerd).

E. Schokker, Schokker/Arkenbout Schokker, in: Nederlands Patriciaat 1970.

Jos Lussenburg, De stervende Zuiderzee (Apeldoom 1974).

148

Aaldert Pol & Jan Wildeboer, Predikant contra vuurstoker op Schokland aan het eind van de 18de eeuw, in: De Vriendenkring, jrg. 33, nr. 2 (zomer 1993).

Verder is gebruik gemaakt van diverse archiefstukken, het lidmatenboek van de Hervormde Kerk op Ens, en de genealogische verzameling van mijn vader Ab Klappe, een van de oprichters van de Schokkervereniging.

Onderdelen van dit artikel verschenen eerder in: Het Schokker Erf nr. 12 (sept. 1989) en 14 (mei 1990), een uitgave van de Schokkervereniging; een in 1992 uitgegeven extra uitgave van De Vuurboet, een uitgave van de Nederlandse Vuurtorenvereniging.

149

De Stichting Urker Uitgaven heeft tot doel de uitgave van min of meer belangrijke bijdragen in enigerlei vorm over of in verband met het volksleven, de taal, cultuur en geschiedenis van Urk mogelijk te maken.