De gedoemde binnenzee

Page 1

‘De gedoemde Binnenzee

ISBN-nummer: 90-71521-11-7

Uitgever: Stichting Urker Uitgaven

Samensteller: Wayne Dieleman

Druk: Drukkerij/Uitgeverij Het Urkerland B. V., Urk

Artikelenserie uit het Algemeen Handelsblad

De gedoemde Binnenzee’

afsluiting van het Zuiderzeetijdperk door C.K. Elout

Met illustrates van M. Monnickendam

Sticluing Urker Uitgaven

Woord vooraf

‘De gedoemde Binnenzee' is een heruitgave, vervaardigd door de Stichting Urker Uitgaven. Het betreft een jubileumuitgave ter gelegenheid van het 12,5 jarig bestaan van de stichting. In 1931 verscheen 'De gedoemde Binnenzee’ als serie in de kleurenbijlage van het Algemeen Handelsblad. De artikelen werden geschreven door journalist Gornelis Karel Elout, bij de lezers van het toenmalige Algemeen Handelsblad beter bekend als de 'hoefijzer-redacteur'. Naast deze, historisch gezien, belangrijke serie is C.K. Elout ondermeer auteur van 'In Kleuren en Kleeren’, een reeks verhalen over de Nederlandse klederdrachten.

In ‘De gedoemde Binnenzee’ neemt Elout de lezer mee op een rondreis langs de voormalige Zuiderzee. Op boeiende wijze beschrijft de hoefijzerredacteur plaatsen als Durgerdam, Volendam. Marken, Hindelopen. Stavoren. Lemmer, Urk. Elburg, Harderwijk. Spakenburg en nog vele andere dorpen. De economie van deze plaatsjes was in het begin van deze eeuw nog voornamelijk op de Zuiderzeevisserij geent. In dit boek zijn de originele, bij de serie behorende aquarellen en tekeningen van de bekende schilder Martin Monnickendam gebruikt.

De auteur van 'De gedoemde Binnenzee’ had een bewust doel met het maken van deze artikelen, namelijk: ,,Het geven van een beschrijving van de Zuiderzee in de huidige staat, dus voor dat de afsluiting is voltooid en voor dal er meer is ingepolderd dan de Wieringermeer."

De ondertitel 'afsluiting van het Zuiderzeetijdperk' spreekt eigenlijk voor zich. Op 28 mei 1932 was de afsluiting van de Zuiderzee een feit. ’s Middags om twee minuten over een werd het laatste gat van de Afsluitdijk, de Vlieter, gesloten. De Zuiderzee werd Ijsselmeer. Van zout naar zoet. Dat deze afsluiting desastreuze gevolgen heeft gehad voor 4de

zo belangrijke Zuiderzeevisserij is bekend. Vissen met botters, schokkers, blazers en punters, het behoort allemaal tot het verleden. Schepen die lettertekens als 'ME’. 'RD’. ‘HZ’, ‘KP’, en W voerden, ...ze zijn er niet meer.

De heruitgave van 'De gedoemde Binnenzee’ is samengesteld door de Stichting Urker Uitgaven in samenwerking met Wayne Dieleman, in het dagelijks leven journalist bij nieuwsblad Het Urkerland. Op een van zijn vele speurtochten langs antiquariaten en op boekenbeurzen ontdekte Dieleman deze unieke serie die nagenoeg compleet en nog in originele staat was. Van hem kwam het idee om 'De gedoemde Binnenzee’ opnieuw, maar nu in boekvorm uit te geven. Dit idee werd enthousiast opgepakt door de Stichting Urker Uitgaven die er zelfs een jubileumboek van maakte.

Met dank aan: De samenstellers van ‘De gedoemde Binnenzee' bedanken de directie van het NRC-Handeisblad voor het kosteioos mogen overnemen van de tekst uit de originele krantenartikeienserie van 1931/1932.

Verder een woord van dank aan de Stichting voor het bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders die de teksten en tekeningen van het ontbrekende artikel van 'De gedoemde Binnen¬ zee' heeft aangeleverd.

de samenstellers

f'\ «ffl
Terug naar 1931

Velenvan ons zouden gaarne in hetbezitzijnvan juiste afbeeldingen uit vroegere tijden, met beschrijvingen van ooggetuigen, waaruit wij ons een denkbeeldkondenvormen hoe een bepaalde plaats er uitzag en hoe men erleefde. Nietalleen uitTroje, Carthago ofPompeji zouzo iets ons welkom zijn, maar ook uit eigen land. Hoe dankbaar zijn wij voor beschrijvingen van de Vechtstroom met zijn talrijke lusthoven, voor Wagenaars ‘Amsterdam’. Maar veel is verloren, zonder een herinnering achter te laten. En nu gaat de Zuiderzee verdwijnen binnen afzienbare tijd groeit graan en gras, waar eenmaaldewijdewatervlaktegolfde-, binneneen mensenleeftijd zullen al die geschiedkundige merkwaardige Hollandse en Gelderse steden en stadjes, in welke havens de vissersschepen de toevlucht namen, tot nederzettingen in de vlakte zijn geworden. Economisch kan daarmee een vooruitgang bereikt worden, maar voorde herinneringzal uiterlijktenslotteweinig bewaard blijven. Van verschillende kanten werd de wens geuit, alvorenshetzoveris, nogeens, enditnietalleenvoorhetheden dochook voor de toekomst, vast te leggen wat aan picturele, economische en sociale waarden verloren gaat. We hebben gemeend, dat hier zich de

gelegenheid voordeed weer eens een bestemming te zoeken voor het geschenk dat de ‘Handelsblad’-lezers ons ter gelegenheid van ons 100jarigbestaan aanboden in devormvan het Handelsblad-lezersfonds. En

zo brengenwij thans hierbij onze lezers het eerste van een serie artikelen het resultaat van langdurige omzwervingen van onze hoefijzer-redacteur, die alle daarvoor in aanmerking komende plaatsen langs ‘de gedoemdebinnenzee’ bezocht,waarbij Martin

Een documentaire overde Zuiderzee

Monnickendammetpenseelentekenstiftheeft vastgelegdwat ervoor het nageslachtverloren gaat.

Het ligt in de bedoeling van de publicatie in ons blad, artikelen en illustraties te bundelen en deze, in devorm van een Zuiderzee-album, later voor onze lezers beschikbaar te stellen. Wij stellen ons voor dat dit album, goed bewaard, een steeds waardevoller bezit zal worden voor onze lezers en hun nakomelingen, in de toekomst als niemand zich meer herinnert hoe eenmaal de golven van een onafzienbare binnenzee de kadenvan Enkhuizen, Hoorn, Medemblik, Elburg, Kampen enzovoort bespoelden, hoe Marken en Urk eenzame eilanden waren in die binnenzee.

TERUG NAAR 1931

De lezers van het Handelsblad hebben een beschrijvingvan deZuiderzeegevraagd, in destaatwaarin die zee en haar kusten thans verkeren, dus voor dat er meer is ingepolderd dan de Wieringermeer. Het voldoen aan dat verlangen is, voor wat de tekst van hetwerkaangaat, aan mij opgedragen en hetlijkt mij nodig, vooraf te zeggen, hoe ik die opdracht heb opgevat.

Natuurlijk kon aan een zuiver en nauwkeurig topografische opvatting niet worden gedacht. Een topografisch beeldvan de Zuiderzeekust, althansvan de voornaamste aspecten ervan, die zeilers nodig kunnen hebben, bestaat trouwens reeds, illustratief, in de zwarte ‘Zuiderzeesilhouetten’ van de ANWB. Ik heb mijn aandacht dus vooral gewijd aan het picturele aspect en heb, daar dit, wat de algemene kustlijn aangaat, niet veel verscheidenheidvertoont, mij in hoofdzaakbepaald tot de havenplaatsen, daarbij dan echter ook geen enkele overslaande. De tussenliggendekustenvindt men afen toe partieel en in het slotartikel meer in het algemeen besproken. Diehavenplaatsen aan deZuiderzee (aan datdeel dat binnen de afsluiting zal vallen, de rest viel natuurlijk buiten mijn bestek) zijn 23 ingetal (metinbegripvan enkele ver binnenwaarts gelegen plaatsen als Edam, Kuinre, BlokzijlenNijkerk, dieechterdooreenlange havengeul met de zee verbonden zijn), te weten, van Amsterdam uitgaande en eerst naar het Noorden varend: Durgerdam, Marken,Monnikendam,Volendam, Edam, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Den Oever (haven echter buitendijks), Hindelopen, Sta8 voren, Lemmer, Kuinre, Blokzijl, Vollenhove, Kam-

pen, Urk, Elburg, Harderwijk, Nijkerk, Spakenburg, Huizen en Muiden. Ik heb ze alle bezocht per boeier (behoudens Urk, Hindelopen en Vollenhove, die wegens slecht weer tijdelijk te bezwaarlijk bezeilbaar waren, en Kampen en Nijkerk, waarvan het inen uitvaren te veel tijd zou hebben gekost; de laatste vierheb ik te land bezocht en Urkperstoomboot) en ik heb mij daarbij niet bepaald tot het picturele aspect. Immers, het leven van de Zuiderzee is niet alleen het leven op maar ook aan die zee... van de Wat er door het afsluiten en droogmaken van de Zuiderzee, aanpicturele, culturele en economische waarden zal verloren gaan.

zekerookzijn (anderszoumenditgrotewerknatuur¬ lijk nooit zijn begonnen) krijgt men niet ofnauwelijks te zien. Deze artikelen zijn dus niet geschreven als een pleidooi tegen de Zuiderzeewerken maar alleen als een reeks van indrukken van wat er, door het afsluiten en droogmaken van de Zuiderzee, aan picturele, culturele en ookwel economischewaarden zal verloren gaan. Dit geeft natuurlijk een eenzijdig beeld van de te verwachten resultaten en ik voor mij zou dan ook, hoezeer ik door deze tocht onder de bekoring van de bestaande Zuiderzee gekomen ben, als algemene slotsom niet durven zeggen: wij hebben ons vergist; we moeten die werken nu maar staken. Wel echter heb ik de indruk gekregen dat men althans de picturele en vooral de culturele schade te licht heeftgeschat ofmisschien wel eigenlijkover het hoofd heeft gezien.

Picturele schade zal in zoverre ook reeds door de afsluitdijk worden aangericht als daardoor de visvangstweldraop zalhouden enhetpittoreskevissersleven uitdehavens envan dewateren zalverdwijnen.

vissers. En zo heb ik mij dus in elke plaats even een weinig georienteerd aangaande de tegenwoordige toestand en de vooruitzichten van de plaats (vooral wat devisserij betrof). Ikheb daarvan dus indrukken gekregen, geen resultatenvan een grondigen methodisch onderzoek; dit moet men, bij het lezen van de volgende artikelen, wel in het oog houden. *)

En voorts dient men wel dit te bedenken: bij een rondreis als die welke ik gemaakt heb, komt men uiteraard onder de eenzijdige indrukvan de nadelen der afsluiting en demping. Devoordelen, die er toch

Maar plaatselijk is die schade eerst te wachten naar gelang van het werk van de inpoldering. Vooral Marken, Hoorn,Elburg,Urk, HarderwijkenSpakenburg zullen dan in hun uiterlijk zeer veel verliezen. Want al blijven zulke plaatsen aan enigwater liggen, dat zal voor de meeste niet meer dan een polderboezem wezen (niet zeer breed, gelijk blijkt uit het felt datzulkwater op meer dan een plaats zalworden overbrugd) en in geen geval aan dewijde uitgestrektheid van een zee.

Decultureleendeeconomischeschadezalechterniet eerst door het polderwerk worden aangericht, maar

TERUG NAAR 1931

reeds door de afsluiting, die het vissersleven fnuiken zal.

Wat het culturele belangt, ben ik, na deze reis, wel gaan betwijfelen ofmen beseft en heeft: beseft (toen tot het werk besloten werd) hoe ernstig op dat stuk het verlies zal wezen dat ons land zal lijden door het verdwijnen van de visserij op de Zuiderzee. Er is, in onze tijd, niet veel meer over van de oude volkscultuur (dat wil zeggen: van enige innerlijke en uiterlijke levenseenheid) en een nieuwe is nog niet aanwezig. Alleen bij onze boeren en onze vissers wordt zij nog gevonden als een min of meer gaaf geheel van eenheid in geloof, bedrijfen zeden (vaak dan ook: klederdracht), eenheid zowel met hetvoorgeslacht en met de plaatsgenoten als in het eigen individuele doen en denken.

Datisietsvannietenkel folkloristische, maarookvan cultureel-sociale waarde: iemand die zijn daden en gedachtentoetsenkanaanvaste, traditionelenormen welkehijvoorelkedagelijkseofbijzonderegedraging vindt, vormt een maatschappelijk element van zeer belangrijkestabiliteit. Enmenwanenietdatmen, uit deze drie-eenheid van geloof, bedrijf en zeden, den elementwegbrijzelen kan (de eenheid van een traditioneel bedrijf) zonder dat de andere twee worden geschokt. In die plaatsen zoals Marken, Volendam, Vollenhove, Spakenburg, die geheel ofbijna geheel bestaan van de visvangst (ik noem hier Urk niet omdat datwelvissen blijft: op deNoordzee) spatmet de bedrijfseenheid de dorpsgemeenschap uiteen zodra men daar andere bedrijven krijgt ofde jongelui die elders gaan zoeken. En dan krijgt men straks van zelfde veelheid van dracht en zeden en, in het eind,

ook de veelheid van geloof. Wat vast was, wordt uiteengewerkt, wat bestendig was, wordt wisselend enonzeker. Massaalenindividueel. Zo’ndorp, bnelk van die vissersgezinnen, wordt van zijn levensankers losgeslagen en is, gelijk een driftig geworden schip dat zonder schipper in de winden zwalkt, te eer maatschappelijk en geestelijk wrak daar het heel plotseling en onthutst gerukt wordt uit de eeuwenoude levensnormen in een warreling van nieuwe denkbeelden en dingen. Is deze culturele, geestelijke en sociale schade die men dus zal bedrijven aan tienduizenden levens en daardoor aan onze maatschappij wel ooit heel grondig overdacht? In het bijzonderenummerdatde‘EnkhuizerCourant’ heeft uitgegeven bij gelegenheid van de Visserijtentoonstelling, schreef de burgemeester van BunschotenSpakenburg, de heer Jac. de Vries Sr., onder meer: „Spakenburg kan bogen op een van de grootste vissersvlotenvande Zuiderzee, bestaandeuitplusminus 180 botters. Elke hotter is bemand met twee a drie man, gewoonlijk vader met zoons of anders vissers met knechts. Als gevolg van de visserij treft men een uitgebreide vishandel aan. Verderveel winkeliers en bovendien een menigte nevenbedrijven als taanderijen, zouterijen, smeden, zeilmakerijen, scheepstimmerwerven enzovoort. De vishandel kan men onderscheiden in handel in het groot en handel doordeventers. Deeersteverzendenvan uitdeplaats grote hoeveelheden naar de afnemers, de laatste gaan er dagelijks op uit per auto ofdergelijke en verkopen kleine hoeveelheden aan bepaalde klanten (langs de huizen) in onderscheidene, zelfs zeer ver afgelegen plaatsen in Nederland.”

Schepen bijMarken.

„Zodra de afsluitdijk gelegd is, is dit alles in zijn algemeenheid stop gezet. Gevolg is, dat plusminus 2000 a 2500 personen dit aan den lijve zullen gevoelen.”

„Wat nu? Dit is de vraag, zeer terecht gesteld op de film, vervaardigd met medewerkingvan de Generale

TERUG NAAR 1931

Commissie. En nog niemand is in staac geweest die vraag afdoende te beantwoorden.” ,,Vast staat, dat, zodra de zee volgens het geprojecteerde droog is, er anderwerk moet worden gedaan. Doch welk werk? En waar? Het is o zo gemakkelijk gezegd, doe dit ofdat, zoals ook een ander doet en zoals iedereen moet doen, maar er is nu eenmaal ook nog een werkelijkheid en hiermee moet rekening worden gehouden. Wij hebben hier te doen met een geslachtvan vissers en handeldrijvenden. Jaar op jaar hebben zij in voile vrijheid op de zee rondgedreven. Jaaropjaarhebbenzij vrij vanallebanden invoilezee gewerkt. Eenwerkvol avonturen! Eenwerkeen en al emotie. Steeds het onbekende tegemoet. Een werk, dat f. 10,- per week kan opleveren, maar ook wel f.50,-, ook wel veel meer, al naar het geluk maar dienstig is. Een werk, waaruit de oude GerKaart van de Zuiderzee met de afsluitdijk en de poldergrenzen volgens de laatste plannen (al wat water blijven zal, is grijs). Bij ontworpen bruggen staat Br., bij ontworpen sluizen S, U ofK, naar gelangvandebedoeling:Schutsluis, Uitwateringssluis ofKeersluis (waar dus b.v. S. K staat, is een Schut¬ sluis en een Keersluis ontworpen). (**). De zware dijklijnen geven zeedijken aan, de dunnere zijn die van binnendijken. Bruggen waarbij niet tevens een sluisisontworpen, zijnaangegevendoortweelijntjes, sluizen door vierkante verdikkingen in een dijk. Men beware deze kaart ter orientering bij de volgende artikelen.

TERUG NAAR 1931 10
'Harlingen
'Breezand DenBeider DenOeren, flavoren "\» Laaxum| Droog- \ fgemaalde Wierinjer. i Bleep Kuinre fejS.Br, KanDfedemblik a6a N.O. Polder d l BroekerhavenlEnkhuizen 3^5.K. Schohlond\Vo!knhove Alkmaar Z.WPolder VolendamS Zaandam Monn.kendamSj Z.O. Polder'Harken \ymuiden RamdorpA \-~\£urgercfam Haarlem Amsterdam Hardenvijk Duiden Naarden Hmen Leeuwarden Zurig IS %Sneek inindefoopen j; 'v’v •:’- I. /.; V Pr »E/burg Hilversum 3P*tn'm3fZ3*\ , • Bunschoten »Hijkerk
Texet

maanse geest nog spreekt en welke nog doorwerkt in de harten van de jongeren...”

„Wat de ouderen, die een leven van zee achter zich hebben, zullen moeten doen, is bij benaderingniette zeggen, de tijd zal het moeten leren. In de praktijk is meermalen gebleken, dat het heilige moeten wonderen kan doen. Maar dit is zeker: er zal in het begin geweldig veel gesteund, geholpen, geschoold en geleid moeten worden. Wij hebben hier te doen met een massa nijvere mensen, die getoond hebben met stoere kracht te kunnen en tewillen werken, die niet staken, die niet opruien en morren, maar aanpakken en in vol vertrouwen de elementen trotseren om te voorzienindenooddruftvan hun grotegezinnen. En bovenal een massa, die al deze moeilijkheden moet overkomen dooromstandigheden geheel buitenhun wil gelegen.”

Hoe het oordeel moet luiden over het economische resultaatvanhetverdwijnenvandeZuiderzeevisserij, durfik niet uitmaken. Ik denk hierbij nu niet aan de economische balans van het totaal (laat dus ook de uitwerking op de Noordzeevisserij rusten die het afsluiten van haar ‘Kraamkamer’, de Zuiderzee, allicht zal hebben) maar ik beschouwalleenhetecono¬ mische perspectief van de vissersbevolking zelf (en van de met haar welvaart samenhangende andere plaatselijke bevolkingsgroepen). Indien diegenen gelijk hebben die, gelijk men mij op Marken zei, beweren dathetmet de Zuiderzeevisserij, doorhet te intense motorbedrijf, toch weldra mis moest lopen, dan zou daarmee, economisch, de uitwerkingvan de afsluiting op dievisserij buiten geding zijn gebracht.

Maar ten eerste vraag ik mij af, waarom men, door een stelsel van licenties enverboden, het uitmergelen van deZuiderzee doormotorvisserij nietzoukunnen keren. En ten tweede komt mij dan toch in elkgeval het pleit voor uitstel opportuun voor. Ik doel op het argument dat ikteVollenhove, Harderwijk en elders hoorde: men moge het laatste gat in de dijk vooral toch open houden totdat de wereldcrisis voorbij is. Thans, nu schier alle bedrijven kwijnen, bezuinigen en personeel ontslaan en juist de visserij bijzonder mooie jaren maakt, thans schijnt het, economisch, toch wel bijster oneconomisch om de visserij te fnuiken en devissers tezeggen: bergt u maarin ander bedrijf!

Houdt de Vlieter nogwat open! dat is een wens die mij zeer redelijk is voorgekomen. Principieel zou daarmeenietsveranderen. Technischkanhetzeker...

want het werk staat immers reeds elke winter enige maanden stil. En men zou desnoods vast aan de afsluitdijk van het IJ-meer kunnen beginnen.

Maar behoudens deze twee punten waarop ik aandacht meende te moeten vestigen - de culturele schadeende, economisch, thansongunstigetijdvoor een totaal afsluiten van de Zuiderzee laat ik alle Zuiderzeekwesties buiten bespreking. En ik herhaal dat, met deze reeks artikelen, geen pleidooi tegen de Zuiderzeeplannen is beoogd. Niet beoordelen maar beschrijven was mijn taak. Al heb ik dan ook gemeend, die met wat individualiteit, niet als een koel relaas maar als een levende ondervinding, te mogen opvatten.

Gelijk degenen, die het lezen willen, nu wel zullen zien.

*) In elkeplaats heb iksteeds getracht, ook even de burgemeester te spreken, deels omdat de beleefdheid mij dit leek te vorderen, deels omdat de burgemeester goed op de hoogte moetworden geacht van wat er in zijn gemeente leeft. Het is mij meestal gelukt. Soms was de burgemeester toevallig afwezig en op een plaats wenste hij mij niet te ontvangen omdat ik (nota bene per zeilschip reizend) niet vooraf schriftelijk audientie had gevraagd! De brave man (voormalig ambtenaartje in een kleine plaats) moest eens weten hoe gemoedelijkwij b.v. in Den Haag ons bij ministers informeren. Toen ik enige uren ter plaatse was, kreeg ik de boodschap, dat de burgemeester mij nu toch wel kon ontvangen. Maar toen schikte het mij toevallig niet meer.

(**) De Oranjesluizen bij Schellingwoude komen te vervallen. Het IJ wordt weer een geheel open water, althans tot de Westelijke dijk van de grote Zuidelijke polders.

TERUG NAAR 1931

Van Amsterdam naar Marken

Zodra men de Oranjesluizen bij Schellingwoude uitvaart, breidt onze Zuiderzee de armen van haar kusten noord- en oostwaarts uit, in eenwijden breed uitnodigend gebaar. De trechter waar men uitwijkt, is nogwatsmal bij Durgerdam maarsnelverbredend al bij Pampus.

Durgerdam

is een klein en laagsnoer huisjes langs de noordelijke kant van het water. Het behoort, bestuurlijk, onder Amsterdam, heeftomzo tezeggen geen notabelen en is eenvan de kleinevissersplaatsjes van de Zuiderzee. Een van de bewoners, zelfeen gewezen visser, verzekerde mij dat er daar nog een 100-tal beoefenaars warenvan zijn oude beroep, maardeze opgave bleek, bij deskundige informatie, niet juist: er zijn daar 49 vissers, varende met 26 knechten. De Durgerdamse schepen kan men kennen door de letters RD in hun zeilen. Durgerdamhoordevroegernamelijkgemeentelijk onder Ransdorp; thans maken beide een deel uit van Amsterdam.

lets karakteristieks heeft Durgerdam niet, maar er is eenheidvan bedrijfen in zoverrezal ookhier, evenals elders, cultuurwordenvernietigdalsstraks deafsluitdijk de vissers her- en derwaarts weg zal rukken en hen zal nopen, enig ander beroep uit te oefenen waarmee geen traditie hen verbindt en dat hun even onverschillig is als, aan de gemiddelde fabrieksarbeider, het zijne. Folkloristisch of pictured kan hier echter niets worden bedorven.

De kranen en masten van oostelijk Amsterdam wa¬ ren tevoren al achter ons geweken en bij een flauwe tegenwind loefden we langs Pampus op. Muiden, met zijn slot dat zoveel historic draagt, bobbelde aan stuurboord in de verte en de eerwaarde toren van Ransdorp aanbakboord. Honderdensterntjesschrilden, als de krekels van de kusten, aan de Hollandse oever. Maar de avondviel en de tegenwindwerdwat straffer. Rechts was Naarden nog zichtbaar en recht vooruitMarken met, watmeerlinks, Monnikendam (we hielden de Hollandse oever).

Maar de zon smolt roodweg in een lagewolkenbank in hetwesten, de vuren piekten en flitsten al beslister in de schemering. En tegen een weer verslappende

koelte koersten we noordelijk op in een verzilverde julinacht. Te middernacht gingen we ten anker on¬ der de kust, daar het niet meer te bezeilen was. Doch de andere dag omstreeks het ontbijt gledenwe in het haventje van Marken, door een gaatje zo nauw als ware het dat van een muizeval voor schepen.

Marken

heb ik, wat het uiterlijk van het land ‘een laag en visserseiland’ getuigde Vondel immers - besproken in mijn klederdrachtenserie*) en ik zal dus nu voornamelijkietszeggenoverheteconomischevooruitzicht van dit merkwaardige stukje Nederland.

Ik heb daar de vrienden van mijn klederdrachtenboek bezocht en ook met enige andere personen van de bevolking gesproken zoals men weet, leeft het hele eiland van de visvangst en het resultaat was

enigszins verrassend. Natuurlijk voelt ook Marken de komende afsluiting als een zorgwekkende dreiging, maar men is er over het algemeen toch niet moedeloos. Men heeft er en dat is goeddeels te danken aan de Markensevisser P. Visser, die dan ook zitting heeft gekregen in de Generale Commissie evenals Kees Kes uit Volendam al een jaar ofvijf geleden deliquidatievanhetoudebedrijfzienaankomen en is toen al overstag gegaan. De jongeren hebben alhieren daarandere beroepen gezocht en de schooljeugd is men gaan opleiden in andere richting. Er verrijst ook, op het eiland zelf, een ‘buurthuis’ waarin (behalve een behoorlijke ziekenvoorziening) een ambachtsschool voorjongens en een handwerkschool voor meisjes zullen worden gevestigd. Men wil op Marken ook tuin- en landbouw gaan beproeven; er zijn daar nu negen boerderijtjes, maar men rekent dat er wel plaats is voor vijfentwintig. Men denkt ook over het vestigen van enkele industrieen. Kortom, men zit er niet bij de pakken neer en deze stemming van ‘make the most ofit’ wordt versterkt door de mening dat het, ook zonder de afsluiting, in afzienbare tijd toch mis zou lopen met de visvangst op de Zuiderzee. Er komen namelijk steeds meer vissers (Marken alleenheefteral300van de 1500) en er moet steeds mindervis komen (1930 en 1931 zijn buitengewoon gunstige uitzonderingsjaren) doordat er zoveel meer wordt gevist dan vroeger en, vooral, doordat de motorvaartuigen zo sterk toenemen. Die vissen niet alleen sneller en intenser dan de zeilschepen, maar ze verstoren ookhet water en verschuwen devis.**) Ikhaal dit nu maar aan als een teken van de actieve stemming die ik in het algemeen (niet bij 15

VAN AMSTERDAM NAAR MARKEN

alien) op Marken vond. Men wil zich ook op de ‘grotevaart’ begeven (datwil duszeggendatdejonge mensen deels ter koopvaardij zouden gaan) en sommigen zijn ookvoornemens om te doen wat ik in ‘In Kleurenen Kleeren’ heb aanbevolen: schepen uitrusten voor devisvangst, door de sluizen bij Den Oever heen, op de Noordzee. Dus zoals Marken deed voorheen en Urk nog doet. Maar dan moet de 16 aflossingstermijn van de voorschotten die de rege-

Marken van de oostzijdegezien.

ringgeeft, watwordenverlengd. Economischschijnt mij de toekomst voor Marken dus in het algemeen niet donker (in het algemeen, want voor hen die thans niet meerjong zijn, blijven de gevolgen van de afsluidng overal bekommerlijk). Maar... er zijn ook noganderebelangentebekijkendanalleendeeconomische... al heeft men dat voorheen helaas vergeten. Daaris, aan deheleZuiderzeedemping, hetpicturele, en het folkloristische, en het culturele aspect van de

zaak. Pictured nu zal het aspect van Marken voor ongeveertweederdetotaalveranderen.Wanneermen de bij het eerste artikel afgedrukte kaart bekijkt, dan zal men zien, dat van de gelijkbenige driehoek die men de algemene vorm van Marken noemen kan, nagenoeg de ganse basis en de noordoostelijke zijde aan de wal van de grote polder zullen worden vast gehecht en dat de noordwestelijke zijde, waaraan het haventje ligt, op het water van de Gouwzee blijft

VAN AMSTERDAM NAAR MARKEN

uitzien evenals ze datnu doet. Men zal dus alleen van die laatste zijde nog een watergezicht op Marken behouden, maar noch van het noordoosten, noch van hetzuiden af, hetoverhetwaterkunnen benaderen. DebekendeaanwijzinguitVondels‘Gijsbreght’:

,, Wanneer men uyt den stroom en Pampus raeckt voorbij, Zoo doet ter slinke hand in zee zich op wat weyland DatMarckenheetvanouds, en laegen visscherseyland..

...zal, na drie eeuwen te hebben gegolden, niet meer juist zijn. Want wel zal het Pampus uitwaaieren tot een ‘IJmeer’ (nodig onder andere voor inundatie wanneer de grote zuidelijke polders de provincie Utrecht zullen hebben afgesloten van de Zuiderzee) en wel zal dientengevolge bijvoorbeeld Durgerdam hetzelfde uiterlijk houden gelijk ook Muiden over het water blijft uitzien en Muiderberg waterzicht houdt (zij hetook, naarhetoosten, meerbeperkt dan thans), maarvan Markenwordtnietalleen denoordoostelijkedoch ookbijnaheeldezuidelijkekantdoor een polderomklemd. En datzal dus inzoverre ookin het noordwestelijke aspect enige verandering brengen, als dat niet meer het uiterlijkvan een eiland zal vertonen maar van een stuk vaste wal. Pictureel zal dus het zicht op Marken vrijwel geheel veranderen. Folkloristisch is de betekenis van Marken zeker met het aanpolderen, maar mijns inziens ook reeds met het voltooien van de afsluitdijk ten dode gedoemd. Ditlaatstezouiknietdurvenzeggenwanneermen de Markers in grote meerderheid er toe had weten te bewegen om Noordzeevisser te worden, maar nu

slechts enkelen daartoe geneigd schijnen en de eenheid van bedrijfgeheel zal verdwijnen, zal daarmee

het krachtigste cement voor het behoud van oude dracht en oude zeden worden stukgeslagen. Ookcultured gaatMarken stelligkapot. Deeenheid

van bedrijfen van geloof, van dracht en van zeden, dieMarkennunogvertoontendiehetsterkecultuurkaraktervan deze plek uitmaakt, diezal, doorde bres van de bedrijfsversplintering, veroverd worden door banaal, karakterloos modernisme. Eigen kleding en eigen zeden zullen verdwijnen. De paalwoningen, niet meer nodig als de Zuiderzee niet meer dreigt, zullen afgebroken worden en vervangen door moderne arbeiderswoningen. En er zullen op Marken

neen: in Marken want het zal immers nog maar een dorpsnaam wezen, niet meer die van een eiland roomsen en Joden en vrijzinnig-protestanten en athe'fsten opduiken gelijk elders in Nederland.

En dan zal Marken, als kantige, karaktersterke merkwaardigheid in Nederland... iets verledens zijn.

Van de beide Gouwzeehavens, Monnikendam en Volendam, zal alleen de laatste door het Zuiderzeewerk worden aangetast in haar aard en karakter. De Gouwzee, thans een golf van de Zuiderzee, blijft behouden maar als een in het land (tussen NoordHolland en de toekomstige zuidwestelijke polder) geheel ingesloten meer. Voor

Monnikendam

nu maakt dat geen verschil. Pictureel niet omdat de plaatshetzelfdewaterv6orzichhoudenzal dathetnu

heeft (het waterzicht wordt alleen ingekort), folklo¬ ristisch en cultureel niet omdat er noch een bijzondere dracht, noch eenheidvan bedrijfbestaaten zelfs economisch niet omdat deze plaats, schoon wel in hoofdzaak van de visvangst levend, toch maar in geringe mate een vissershaven is. Deze schijnbare tegenspraak wordt opgelost wanneer men weet dat hethoofdbedrijfin Monnikendam de haring- (in het algemeen de vis) rokerij is en dat de vis veelal over land wordt aangevoerd, vooral van IJmuiden. Met het gerookte produkt gaan de Monnikendammers venten, het hele land door en tot in Duitsland en Belgie toe. Vandaar dat Monnikendam dit zonderlinge feitvertoont: een havenplaats aan de Zuiderzee die, met een visbedrijf als hoofdbron van bestaan, toch door de hele Zuiderzeeverandering ongemoeid gelaten wordt.

*) Zie 'In Kleuren en Kleeren, Nederlandsche Volksdrachten’, uitgave van het ‘Alg. Handelsblad’.

**) Dat ditwel juist zal zijn, bleekmij te Hoornwaar een van de binnenhavens nog 'De Karperkuil’ heet omdat, naar een oude varensgast van die plaats mij vertelde, daar, vlak v6or de houthandel van de firma Graftdijk, zoveel karpers kwamen. Door de motorvaart is die vis daar echter verdwenen. Hetschijntereen puntvan samenkomstvan zee- en zoetwatervis te zijn geweest, want menving er ookwel herders. Het is trouwens mogelijk, dat men deze twee vissoorten met elkaar verwarde daar ze op elkaar lijken.

VAN AMSTERDAM NAAR MARKEN
17

Gouwzee en Hoornse Hop

*

A1zoumenvandeheleZuiderzeenogmeerinpolderen dan men van plan is, Monnikendam zou het niet deren. Het blijft wat het is. Maar voor

Volendam

staat het heel anders. Dat is een van de belangrijkste vissersplaatsen en datwordt evenzeerals Marken met ingrijpende verandering bedreigd. A1 wat ik van Marken heb geschreven, geldt, in iets mindere mate weliswaar, ookvoorVolendam. In iets mindere mate omdatVolendam, geen eilandzijnde, nietzo’n sterke culturele eenheid vormt. Maar een eenheid toch en die ook hier allengs verbrokkelen zal en weg zal slinken. Pictured zal er nog het minst verloren gaan daarVolendam alleen zijn uitzicht overhetwaterwat zal zien beperken en de kijk op Volendam van het water af alleen van het noordoosten uit in waarlijk ernstige mate zal wordenverminkt. Van de grote zaal in Hotel Spaander uit zal men dus nagenoeg hetzelfde uitzicht blijven hebben als men er nu heeft. Economisch heeft Volendam precies hetzelfde te verwachten als Marken. Het kwam mij echter voor dat men in de eerstgenoemde plaats meer ‘op zien komen speelt’, niet zo actiefzich voorbereidt op de dreigende (en bij het voltooien van de afsluiting immers onmiddellijk aanwezige) economische ommekeer. Men speculeert onder andere op de mogelijkheid om de Zuiderzeevisserij nog voort te zetten tussen de Wadden en de afsluitdijk. Men wacht en hoopt. Op wat? Op wonderen...? Blijft de Gouwzee bestaan, het Hoornse Hop verdwijnt. Geheel en al. En daarmee een van de allermooiste bochten (de

Een schip met volk van oude ankers gestagen. Men wacht en hoopt...

mooiste, dunkt mij wel) van de Zuiderzee. Om dat te beseffen, hoeft men niet eens van Hoorn naar

Enkhuizen te varen (Edam, dat zij hier even opgemerkt, heeft wel een haventje maar zeer ver van de stadverwijderd enhetwordtdoorde afsluitingvan de Zuiderzee om zo te zeggen niet getroffen). Automobilisten die niet opzien tegen een smal weggetje en fietsers die dat natuurlijk in het geheel niet doen, moeten, tussen Hoorn en Enkhuizen, de kronkelende dijkweg langs het Hop eens rijden. Die is vijf

Volendam van de Noordzijde.

GOUWZEE EN HOORNSE HOP
21

kilometerlangerdan dewegdoorhet land. Maarwat een weelde van wentelende kustlijn met contrasten van licht en donkeren welkeen blinkendewijdtevan water krijgt men aan die weg te zien! Het is overal evenklaaren open, maarbij iederekronkelishetweer anders, anders ook op een wolkendag dan op een zonnige, anders ookbij ochtend, middagofavond of bij maanlicht, anders op elk nieuw uur van de dag. Men gaat er, langs dat hoge lint van het schoon gewaad van Holland, vorstelijk als een koning over twee werelden van weelde: die van het land aan de ene, die van de zee aan de andere zij... Maar heel dat heerlijk zeejuweel, gezet in de gulden spang van groene kust, zal worden uitgedoofd: het Hoornse Hop, historisch slagveld ook waar eens Bossu verslagen werd, zal worden opgedroogd en weggewist. Het is een ellendige gedachte. En dan het doven van de blik en aanblikvan Hoorn zelfi Ik ben van Edam naar

gevaren over dat Hop dat nu nog ongerept is en gelukkig als een kind, zijnvrije, blije, soms ookboze, wil van woelend, spoelendwater doet. En telkens als ik dacht: dat zullen we eenmaal niet meer kunnen doen, die kusten zullen geen zee meer zien en het luchtgewelfzal naarhetoosten nietmeerop eenvloer van golven staan, dan werd het een ontsteltenis in mij. O zeker, er zal, van Volendam langs Edams haven en langs Hoorn tot Enkhuizen, een lint van water blijven boorden. Maar het boezemwater van een polder! Geen zee, geen veld van vloeiend licht,

Oude huizen te Edam.

geen spiegel voor de hemel, geen blank parket waarover wolkgedaanten traag de staatsie van haar schaduwslepen. Met geen einders zonder eind. Het Hop gaat dicht, droogt weg. En Hoorn wordt, in zijn blikken over het water, de ogen toegeschroeid. Het zalnietmeer,vanhetwalplantsoen datdaarmethoog geboomtezobekoorlijkslenterttussenzeeenbinnenhaven, kunnen uitzien over het schone zeevlak waar de schepen gaan en binnenkomen of langs heen

schuiven. Want Hoorn, een van onze oudste havens uit de Gouden Eeuw, Hoorn, de geboorteplaats van Coen die over zee zwierf om daarginds een tweede Nederland te scheppen. Hoorn wordt dichtgekurkt alseennuchterefles. Hetwordteengewonelandstad. En zijn dromende binnenhavens zullen zonderling doen van rare misplaatstheid tussen al die landen rondom, landen die geen zee meer zoomt. Ik heb ruim vierentwintig uur in Hoorn gelegen aan de

GOUWZEE EN HOORNSE HOP 22
Hoorn

Gezicht uit de Buitenhaven van Hoorn.

binnenkant en in de koelte van dat heerlijke reepje lommer waarover ik het zoeven had. Met enkele stappen was ik aan de zeekant waar men de pittige oude hoofdtoren rechts heeft, links de ronding van de wal ziet met de zware trossenval van het hoog en dicht gebladerte en, recht vooruit, over de buiten¬ haven heen, de ontzaggelijke schelp van paarlemoeren zee en blauw-en-witte lucht, scharnierend om de horizon. Waar vindt men in ons land zo’n paradijs

waar men kan zitten in de schaduw van de hoge bomen met oud stadsschoon rechts*), deweelde van een dichte parkwandlinks en, vlakvooruit, deeindeloze ruimte: lucht en zee? Hoorn heeft nog veel schoons waarover ik vroeger al eens heb geschreven (onder andere in de korte reeks ‘Tussen twee zeeen’): de markt met de Waag, het Westfriese museumgebouw en het standbeeld van Coen, ook een prachtige oude walpoort en wat verder een oud rondeel,

voorts een paar oude kerken, de Boterhal, het St. Pietershof; ook de rijke oude gevels van de ‘huizen van Bossu’, waar heel de zeeslag op staat uitgehouwen, en nog heel wat meer. Maar niets van al dat schoonshaaltbij deheerlijkheidvan Hoorn-aan-hetwater, met die geestige en ook weer dromelijke binnenhavens die ‘Karperkuil’ is’s avonds na zonsondergang van even diepe wijding als in Brugge het Minnewater!**) en met de weidse glorie van zijn zeegezicht.

Ik heb daar ’s morgens de Zuiderzee gezien, de horizon (nogvakerigvanochtendmist) bestoken met de driehoekenvan descheepjes enhetaangezichtvan de zee in zilveren frons gebriesd door vroege koelte.

Het was als de belofte die er is in sterke jeugd.

Ik heb er’s middags het julilicht zien schaaieren op een eindeloze spiegel van gepolijst metaal waardoorheen, onder de statig schuivende witte wolken, de bruisende boegen ploegden naar de wemelende vis.

Het was als de schone kracht van de rijpe daad.

Ikhebdeavonderzienvallenopdealoverschaduwde buitenhaven waar wat bootjes plasten en wat zwemmers stoeiden terwijl, uit gulden verten, bruine en witte en zwarte en rose zeilen binnen slierden, achteloosverslenst, bij het strijken, met deveilige rust van een wezen dat zich vast ontkleedt op de drempel van hetslaapvertrek. Hetwashettevreden luikenvan een huis. En ik heb er de nacht zien donkeren in het plantsoen waar, op de banken, paartjes gingen fluisteren ja,Adam en Evawaren erookin ditparadijsje! en zien zilveren met een zomerglimlach op het droomgezichtvandezee. Endatwasalsdeverluchting van een oude legende, wankelend tussen fantasie en 23

GOUWZEE EN HOORNSE HOP

werkelijkheid. Endat, datalles,zalverdwijnen. Hoorn wordt blindgeslagen en zijn wezen wordt gevangen. Het wordt, heel en al, een ‘Krententuin’, een gevangenis.... Zodra de grote polder het omsluiten zal. Zover is het nog niet. En Hoorns gezicht is nu nog niet verduisterd. Wei echter zal reeds de afsluitdijk zijn invloed hebben, economisch, hier als elders aan de Zuiderzee. Men vangt hier vooral zogenaamde ‘Komharing’, met een soort van doolhofnet waaruit de vis de uitweg niet meer weet te vinden. Dat geschiedt niet ver van huis en de vissers hadden er over het algemeen een behoorlijk bestaan mee, dit jaaren hetvorigezelfs eenzeerruim (erwarenweken, soms van f.5000,-, en meer, aan opbrengst van een enkel schip!) Dat zal nu weldra gedaan zijn... en wat dan? Ja, wat dan? De stemming was hier, dacht mij, zowat als in Volendam: we moeten maarzien hoe de regering ons zal helpen. Maar wat de regering ook magdoen, het oude bestaan zal zijn gebroken. Met al wat het, traditioneel en cultured, aan schoons en stevigshad. En ookhierwordteenschip metvolkvan zijn oude ankers geslagen. Waarheen zal de tijd het drijven?

) Het silhouet van Hoorn aan de zeekant is ten dele gehavend door een te nuchter geslacht dat daar de ‘Krententuin’ heeft neergezet, zoals men’s lands gevangenis er noemt. Doch dat is maar een kreuk in het overigens zo plezante beeld.

'*) Wat ik in hetvorigeartikel weergafals de mededelingvan een oude Hoornsevarensgast overde Karperkuil te Hoorn, heeft mij de volgende belangwekkende inlichting van een andere ingezetene van die stad bezorgd: naar aanleiding van uw artikel ‘De gedoemde Binnenzee’ in het ‘Handelsblad’ van 4

De Karperkuil te Hoorn.

oktober meen ik u het volgende te moeten mededelen: het verhaal van een oude varensgast betreffende de Karper¬ kuil lijkt mij tamelijk fantastisch. Deliusgeeft in zijn Kroniek op het jaar 1578 de volgende verldaring van de naam: „dat onse stad omtrent dit Saysoen maer in alles ses of seven buyten schepen behield / en de selve meest Boeyers: waer deur ook de Nieuwe-haven van eenige swaerhoofdige/ die geen moed hadden tot de Stads neeringe/ en dierhalven/ mit meenden dat deselve tot eenigertijd veel beleyd soude wor-

den/ spotswijze de Korperkuyl genoemt werd/ als die meer voor de Korpers soude dienen/ dan voor de Schepen. Welke naem haer ook het sedert bijgebleven is.” Dat daar ooit karpersgeleefd hebben moet ikzeerbetwijfelen. Hierisnooit een verbinding met het binnenwater geweest.

(Ik merk hierbij op dat mijn oude varensgast waarschijnlijk herders (ofharders) voor karpers heeft gehouden. De harder is een soort zeekarper).

GOUWZEE EN HOORNSE HOP 24
hjfoyl i,;- L*. *:f] r- * -i il II A | j| UBSH afci,; Enkhuizen
Medemblik
en

Dat Hoornse Hop, dat er eerlang niet meer wezen zal, hoe heerlijk heb ik er nu nog op gezeild! Van Edam eerst naar Hoorn in een vaartvoor dewind en daarna, op de tocht naar Enkhuizen, bij frisse bries deinend overeenwatruigerzeetje. Ha,wateen genot van wind en water!

Enkhuizen*)

zal nog net aan het grote middenmeer liggen (dat men, zonder fantasie en zonder zin voor traditie die het herstellen van de naam ‘Flevo’ zouden hebben gesuggereerd, nuchter het ‘Ijsselmeer’ wil noemen). Hetzaldus, pictured, alleen aanhetzuidwestengeen zeezicht meer behouden. Ook dat is weer jammer, maar daar het zuidoostwaarts en noordoostwaarts uitkijkten aan diekanten ookde mooistesilhouetten toont, is het verlies aan waterzichten hier niet heel belangrijk, zeker veel minder dan bij Hoorn, dat trouwens alle zeegezicht verliest. Folkloristisch gaat er in het geheel niets te loor; er is geen eigen volksdracht in Enkhuizen. Het culturele nadeel beperkt zich tot het, altijd bedenkelijke, verbreken van de traditie en van de eenheid van bedrijf, hier echter slechtsvan een deelvan de bevolking. Een deel; want Enkhuizen is volstrekt niet overwegend vissersplaats en danktzijn bloei hetis eensterke, stoerestad van de laatste verreleeuw niet aan de visvangst, maar aan de opkomst van de tuinbouw in Drechterland waarvan het de uitvoerhaven is. Hetspreektechtervanzelf, datin Enkhuizen,waarde visserij toch altijd nog een zeer belangrijk bedrijf is (de stad is een van de voornaamste vissershavens van

de Zuiderzee) onder devissers en onderalien die met de visvangst in verbinding staan, de zorg voor de toekomsteven grootis als bijvoorbeeldop Marken of in Volendam. En dan worden er nog andere ernstige vragen gesteld. Als het grondwaterpeil 40 cmzakken zal (waarop men bij de droogmakingrekent), watzal datdanvoorgevolgen hebbenvoordeaardappelteelt in Drechterland, waarvanhetgewas nuzovoorlijkis, dat hetveertien dagenvroegerdan uit anderestreken aan demarkt tekomenpleegt? Enwatisertewachten

gij, met mij, versmoort! En het deuntje dat in deze vismetropolis op het halve uur door het klokkenspel vande‘Drommedaris’werdgezongen jaja, erisdaar een zingende drommedaris! - dat leek ons nu wel bijzonder toepasselijk, terwijl de botters binnenstroomden, ’szaterdagsavondsen, ’smaandagsdaarna, random ons op de havenkaden, een wemelende oogst van zilveren visjes uit de zwarte mazen van de beugen werd geplukt:

Enkhuizen doet, Hoorn denkt, Medemblik

droomt

van een mogelijke verandering van klimaat door de droogmakerijen? Ook dat zijn zeker vragen van belang. Maar boven alles uit klinkt toch ook hier de dringende vraag: wat wordt er van de vissers als hun hele bedrijf straks, reeds door het afsluiten, wordt vergruizeld?

Het was, in Enkhuizen, een des te meer tergende vraag, omdat nu juist dit jaar, evenals het vorige, de visvangst zo buitensporig veel oplevert. Het is ofde Zuiderzeevoorhetlaatstnogeenswilzeggen: zietwat

Daar komt de vloot metgoud belactn, Zij brengt ons de eerste haring aan! het isfeest in Nederland! Triomf, de vreugde stijgt ten top, Hijs Hollands vlag en wimpel op!

...al was het dan nu geen haring, maar een overvloed van ansjovis die er binnenkwam. Maar het volgende jaar kan Enkhuizen het oude embleem van zijn wapen de drie haringen daaruit wel schrappen. Het wordt een stad ‘wie andere mehr’.

Al zal zijn stoere stadsschoon daarom nog niet verdwijnen. Evenmin als de pittigheid van zijn bevol¬ king. Enkhuizen doet, Hoorn denkt, maar

Medemblik

schijnt te dromen. Tussen zijn oude kerk met de scheve toren (waarvan de bakstenen spits dezelfde diepe roodbruine tint heeft als het lichaam) en het norse, laag gedoken, zware Kasteel van Radboud, schijnt heel het plaatsje in altijd eendere dommeling

ENKHUIZEN EN MEDEMBLIK
27

28

te liggen. Scheen. Want mij dacht wat verandering merkbaarsedert mijnlaatstebezoektoen ik ‘Holland Noorderkwartier’ beschreef. En inderdaad bleek dat het geval. Medembliks bestaan is opgeloken en ver-

Enkhuizen uit zeegezien.

levendigd... door de Zuiderzeewerken. Ik was voor het eerst een haven binnengelopen en gelijk Enkhuizenzal ookMedemblik nog net aan hetgrote meer blijven liggen waar niemand zorg had om de

afsluiting en waar men daarentegen niets dan baat ervan verwachtte... en nu reeds ondervindt. Er zijn zoveel mensen, vooral arbeiders, in verband met de Zuiderzeewerken in Medemblik komen wonen, dat

ENKHUIZEN EN MEDEMBLIK

debevolkingdientengevolgemet25 procentis toegenomen. Erontstondwoningnood en diekon, aangezien een deel van deze extra bevolking na het voltooien van de dijk weer zal verdwijnen, niet geheel

Broekerhaven

door woningbouw worden verholpen, daar men anders met de onverhuurde woningen zou blijven zitten. Eris dan ookvrij wat behuisd inwoonwagens (waarvan men erreeds bij de Radboudeen aantalziet

staan) eninwoonschepen, diemen rondom Medemblikin devaarten en sloten kanvinden. Maar bovendien verwacht men een opleving van de plaats doordat het, met de Wieringermeerpolder, nu een heel 29

ENKHUIZEN EN MEDEMBLIK

De haven van Medemblik.

nieuw achterland heeft gekregen, vanzelf de haven van Medemblik als uitvoerhaven voor zijn land- en tuinbouwproduktenzalbezigen. Eneenvissersbedrijf kan hier niet worden vernield omdat het er, vreemd genoeg, niet is. Wei zijn er een paar beroepsvissers en wel wordt, in zeer gunstige jaren, de visvangst als bijbedrijfdoor een aantal mensen uitgeoefend, maar van een visserijbedrijf kan men in Medemblik niet spreken. Zodat ik hier, voor het eerst, een oude

Zuiderzeeplaats heb gevonden die door ‘de nieuwigheid’ in geen enkel opzicht folkloristisch, cultureel, noch economisch en pictureel haast evenmin zal worden geschaad. En een die, economisch, nu reeds erdoor wordt gebaat. Alleen de oude sfeer van Medemblik, de stilte en de sluimeringvan het verleden in een ‘ville morte’, die er de poezie van was, ja, die zal verdwijnen. Is al aan het verdwijnen. Maar die is in menige plaats niet meer te houden.

Tussen Hoorn en Enkhuizen ligt, aan de Noordhollandse kust, nog een havenplaats: Broekerhaven. Maar het is een zeer klein dorpje zonder visvangst en het haventje, gebezigd door kleine punters van groenteboeren, zal aan het boezemwater van de grote polder hetzelfde beperkte belang behouden. Overigens zal ook van Broekerhaven het zeegezicht natuurlijk verdwijnen met het hele Hop.

ENKHUIZEN EN MEDEMBLIK
30

Langs hetWorgsnoer

Meeresstille... und stiirmische Fahrt! Hoe loom de Zuiderzee kan wezen, hebben we ondervonden tussen Medemblik en Den Oever. En welk een wildernisvanwaterzekanworden, ervoerenwetussenDen Oever en Stavoren. Waarlijk, ik moet, nu we dat achter de rug hebben, mij enigszins inspannen om mij voor de geest te brengen, hoe sereen het begin was, zofel-en bijnagevaarlijk! -washeteindevandit deel van mijn Zuiderzeereis. We boomden ons uit Medemblik weg. Boomden... want er was daarbinnen, in de haven, geen asem wind. We hoopten op een luw zuchtje daarbuiten, maar dat viel niet mee. Erwas een zuchtje... maar af en toe. En maar heel even. En zo lagen we voor Medemblik en dobberden nu eens wat zuidelijker, dan wat noordelijker, altijd weer voorbij de schone, norse, breedgeschoerde en laaggebeende Radboud, die daar als de versteende geest der middeleeuwen staat te fronsen tegen de nieuwe dingen die er in de Wieringermeer zijn gebeurd en tegen de moderne Radboud die daar is verrezen aan de andere kantvan Medemblik: het elektrische gemaal Lely, ook zo’n zwaar en fors gebouw, maar helemaal wit, een mooi stuk hedendaagse technische bouwkunst. We hadden een motorvlet bij ons die, bij windstilte, of in druk bevaren en nauwwater, ons vooruit kon bren¬ gen en die dit in hetAmsterdamse IJ ookheel aardig had gedaan. Maar die bleek nu net niet te willen draaien. En zo kwakkelden we maar stukjes voort, soms op een aasje wind met labberend zeil wat in de goede richting glijdend en dan weer wiegelend op een plaats, als een rustende Indische planter in zijn schommelstoel. Het was heerlijk zomerweer, maar

een wat broeierige en sluierige lucht. Er trachtte er een van ons te zwemmen, maar dat ging toch weer moeilijk, want het schip slierde afen het was bedenkelijk om, met een vaartuig dat soms even vooruit wou en dan weer stil lag en met een vlet waarvan de motor onklaarwas, bij nog inlopendevloed zich van het schip te verwijderen. We lieten ons dus, in dolce

zeilen kunnen als schepen vol gepeinzen, maar daar was de atmosfeer te onzuiver voor, te deemsterig en troebel. En zo lagen we vijf en een half uur lang te luimeren... totdat de motor eindelijkaansloeg. Toen waren we in nog anderhalfuur in

Den Oever.

Die dijk, die is het...

die de Zuiderzee afsnoert, haar de keel toeknijpt en zoveel traditionele cultuur en vast karakter van haar vissersbevolking, zoveel pictureel enfolkloristisch schoon ook, vermoorden zal. far niente, op hetdekmaarlekkerbraden in de steeds meer wazige zon en genoten van het wijde, wijde zicht over het oliei'ge water waar soms een briesje in plooide en over Hollands onbelemmerd weidezicht, ingelijstinlage, langedijkjes en bepriemdmetenkele torentjes hier en daar. We hadden erwel wat van die blank-in-blauwewittewolkeningewild,diezoschoon

Ofalthans heel dicht er bij, in een haventje dat, bij het elektrische gemaal Leemans (niet zo’n mooi gebouw als de Lely) voor de Zuiderzeewerken is gemaakt. De goede ligplaatsen waren echter reeds door vrachtschepen ingenomen en voor het overige bleekhet haventje zo ‘droog’, dat we, in weerwil van de geringe diepgang van boeier en vlet, nergens zo dichtbij kondengerakendatweeenplankuitkonden leggen. Toenzijnwe, inarmoede, maartegeneenvan destenen mondenvan de Leemans aan gaan liggen... wat, naarwe de andere morgenhoorden, niet mocht enwaarweweggespuidkondenworden. Maarerwas geen andere plek tevinden, want ervlak naastwaren weer fuiken uitgezet. Ervalt noch van de kust tussen Medembliken Den Oevernochvandeplaatszelfiets te vertellen. Van de kust ziet men, van het schip af, nietsdandelangemonotonedijkdiedeingepolderde Wieringermeer omgeeft ikmerkop dat dit uiterlijk laterzekerzalveranderenenverlevendigdzalworden door geboomte hier en daar en daken van hofsteden en torens van kerken zoals het stuk van de kust van Noord-Holland vroeger gaf te zien, dat thans daar achter de nieuwe polder diep in het land ligt en het ingepolderde land dat achter die dijk is gelegen, bleek, toen we het na onze aankomst konden bekij- 33

LANGS HET WORGSNOER

ken, noggeheel bloot en ruwtezijn. Hetzager uit als een maquette van de maan, met lange, diepe, rechte groeven van devaarten die er reeds in zijn getrokken en met gapende, ruigwandige gaten als van een slagveld na een ‘gordijnvuur’. Een beter denkbeeld van wat Genesis bedoelt met de woorden: „De aarde nu was woest en ledig”, zou ons kwalijk gegeven kunnen worden. Wat het plaatsje Den Oever aangaat, ook daarvan is, in het kader van deze artikelen, niets te zeggen, aangezien het zijn haven heeft buitendijks en ik mij immers bepaal tot dat wat enigermate aan de Zuiderzee veranderen zal, dus tot de kusten en de plaatsen binnen de afsluitdijk. De andere dag liepen we met ‘een mooi koutje’ uit Den Oever weg. We voeren dicht langs de afsluitdijk, zagen eerstdedriesluizengroepen methaarheftorens (ze leken mij nu niet zulke hoge kasteelgebouwen als toen ze, verledenjaar, nogoprezen uit de diepewerkputten), daarnalangshetstukdijkdatvanWieringen uit voltooid is, vervolgens langs de nog vrij grote (2'12 kilometer lange) opening van ‘De Vlieter’ (het water heeft hier overal namen dievoor de zeelui even duidelijk zijn als gemeentenamen voor ons op het land), om eindelijk een heel stuk van deels nog in wording zijnde, deels al voltooide dijk te vinden, dat van het Breezand uit is gemaakt. Zoals men zich misschien nog zal herinneren, is

Het Breezand

oorspronkelijk de naam van een ondiepte, thans die vaneen eilanddatmendaaropzettelijkheeftgemaakt als middensteun voor het afsluitingswerk, zowel om

De spoorbrug in Den Oever.

ook van daaruit (en dus van drie punten tegelijk in plaats van slechts van de twee uiteinden Den Oever en Surig) de dijkbouw te kunnen aanpakken als om een centraal gelegen, derde opslagplaats van materialenteverkrijgen. HetBreezandbleekdanooknuhet centrum van de werken. De zware zandzuigers en baggermolens knarsten er rondom, sleepboten met grote ‘bakken’ achter zich voeren afen aan en op het

eiland lag zo’n rug van steen en ander materiaal, dat het,vanverregezien, eenplotselingdaaropgeschoten bos leek. Het Breezand had ik nog wel eens willen betreden, om dat curieuze stuk toekomst in het heden te zien liggen met zijn brok geanticipeerde grote weg, zijn spoorbaanruimte en zijn hele dorpsbouw op een kleine plek grond die wel getuigt voor de juistheid van het stoute gezegde: ‘Holland is door

LANGS HET WORGSNOER 34

Stavoren

de Hollanders geschapen.’ En ik had verder willen varen langs de dijk. Maar de wind was aardig wat meerdan ‘eenmooikoutje’ geworden, de luchtsloop vol met een vreemde schemer en de schipper zei wantrouwig: ,,Ikvertrouw hetweer niet.” We besloten dus, maar direct op Hindelopen ofop Stavoren aan te sturen en we keerden ons dus af van die rusteloos bijgestorte en verhoogde en verlengde en

verstevigde dijk, waarvan hetwerkook nu weer door zijngrootsekoppigheid mij heeftgei'mponeerd, maar dat ik nu toch ook in een andere betekenis moest zien. Die dijk, die is het die de Zuiderzee afsnoert, haar de keel toeknijpt en zoveel traditionele cultuur en vast karakter van haar vissersbevolking, zoveel pictured en folkloristisch schoon ook, vermoorden zal. De afsluitdijk, dat is het worgsnoer van de

Zuiderzee. En hij wordt rusteloos, gestadig aangetrokken. In het volgende jaar zal hij gereed zijn. En daarmee zal de Zuiderzee dan zijn geworgd. Dit is, hoe men nu over het werk ook mag denken, een nuchter feit. Het is ook het doel van het eerste deel van het werk: de Zuiderzee moet dicht zijn. Daama kan, nuhetproefstukvandeWieringermeergeslaagd is, inalleveiligheidhetwerkdergrotepoldersworden aangepakt. Maar daartoe moet de Zuiderzee vooraf zijn dichtgesnoerd.

Hindelopen.

We zouden Hindelopen die dag niet meer bereiken. Makkum en Workum zijn ook nog haventjes aan de westkust van Friesland, maar van zo weinig beteke¬ nis, dat ik ze wel kan laten lopen. Visserij is er, naar mijn Friese schipper mij verzekerde, nagenoeg niet. En daar, langs die westkust, toch niets ingepolderd wordt, zou het aandoen van die plaatsjes maar nodeloos hebben opgehouden. Doch in Hindelopen had ik, om zijnvermaardheid, wel evenwillen binnenvallen. Nu, ik heb het ’s middags, na aankomst te Stavoren, van dieplaats uitdan maargedaan perauto (een keurige Chevroletvan Hotel Schram; men zit in Stavoren waarlijk niet op de hei alziet de plaats er, in zijn barre, blote ligging, als een Ultima Thule uit), maar een volgende keer zou ik het niet weer doen. Hindelopense dracht vindt men nog slechts in het doorwijlen HiddeNijlandgestichtemuseum... zoals men mijverledenjaartrouwensal inLeeuwardenhad gezegd, weshalve ik het voor de klederdrachten niet had bezocht. En ook voor het overige is er aan 35

LANGS HET WORGSNOER

Hindelopen niets te zien. Volstrekt geen zier. Maar we zouden het, zoals ik zei, per schip niet bereiken. Want de wind werd zo hard (‘een dikke bries’ zei de schipper) en de zee zo hoi, datwe het binnenlopen in het muizenvalletje van Hindelopens haventje, dat ooknogzeerondiep is, nietmeerkondenwagen. Het ging dus op Stavoren aan. En niet zonder enige zorg om het binnenvaren. Want het beetje zeil dat we nu nog konden voeren, rukte kreunend aan hetwant en de golven, hoger en hoger aangalopperend uit het westen met briesende muilen en bruisende manen van schichtig schuim, werden voor de boeier zo’n torment, datdezezichwrongenwenteldeenkrampig zich optrok en botsend weer zeeg. Hij werkte prachtigenwekregen allemaal meerhartvoorditschip dat we tot nu toe hoofdzakelijk als geriefelijke waterwoon hadden leren waarderen. Maar het werd wel wat machtig en met een tevreden gevoel dat niet alleen voldoening was om het genot van het forse zeilen dochookwelomhetuitzichtop rust, liepenwe op Stavorens haven aan. En toen gebeurde het!

Stavoren.

Wind en zee waren wild geworden en stonden recht op de ingang van Stavorens haven. En daar we, met gestreken fok (om niet te hard binnen te vliegen) in kwamenslierenen dezeeduszowateven hardliep als wij, stond er geen waterdruk genoeg meer tegen het roer en gingen we, op een grondzeetje, ‘omhoog’ op de noordelijke kop van de buitenhaven. Die kop is van steen (vrij steile stenen glooiing) en als onze

boeier niet van ijzer was geweest, had het onaangenaam af kunnen lopen. Het zuidelijke havenhoofd schoot dan ook ineens vol mensen (het was of heel Stavorenopzo’ngevalhadstaan tewachten) enineen oogwenklagen erdrie grotejollen bij ons metaanbod van hulp van vissers die, als oude Vikings, rechtop in hun schommelende boten stonden, een schoon en heroiekgezicht. Maar hulp kost geld en daarwevanzelfweer waren losgegleden en wel even verder weer tegenhethoofdaansloegen, maartoen nietmeervast-

raakten, bedanktedeschipper maarvoorhetaanbod. Met behulp van de motorvlet zijn we toen in de binnenhaven aandekadegemeerd. Diemiddagwerd destormbal gehesen. ’s Nachtsliep ereen schip op de kust bij Gaast, een weinig bezuiden Makkum, en de reddingboot uit Lemmer die er naar gezocht maar door verkeerde plaatsaanwijzing het niet gevonden had, kwam toen zelfmaar schuilen in Stavoren. De hele volgende dag was het stormweer en er was geen zeil op zee.

LANGS HET WORGSNOER
36

De Lemmer en Kuinre

Toen we Stavoren verlieten, stond er een goede bries dieflinkzeilweerbetekende. Dezeewasechterruiger dan wij hadden gedacht; er zat nog wind in en verraderlijke ruggen zetten zich, na lange pozen van gestadigheid, soms eensklaps op tegen het roer. We konden, met zo’n zee, niet dicht de kust langs varen, want na hoogten volgen diepten en daarin konden we, door het vallen der golven, op het Vrouwezand neersmakken.

We moesten dus daaromheen, hetgeen een lange omwegbetekende. Maarlangzaam zagen we toch de iSeV'HHm

Friese zuidkust langs ons schuiven: het ‘Rode Klif (een onbeduidendbobbeltjediluvialegrond*), waar-

van ik de aarde ik was er heen gewandeld van Stavoren uit niet rood maar gelig had bevonden en Laaxum (plaatsje met wat vissers zonder haven) en Miras (met ook zo’n diluviaal glooiinkje) en het Gaasterlandse Bos en Marderhoek met, daarachter Oldemirdum (derde zogenaamde ‘Klif)...

En daarmeewarenweweeruitde ‘vrijezone’ geraakt, de kust die kust zal blijven, die thans Zuiderzeekust is en kust van het grote meer moet zijn en die, behoudens de Wieringermeer, loopt van Enkhuizen

Tacozijl en toen lag het silhouet van Lemmer voorons (bedorven dooreen bakbeestvan een loods) en liepen we de ruime scheepvaarthaven van deze belangrijke Zuiderzeeplaats in.

Ik moet zeggen dat Lemmer (de Lemmer, zegt men algemeen op deZuiderzee) voormij in zekerezin een verrassingwas. Tevoren had ik nooitgeweten dat het een haven was met zoveel drukte. Als vissershaven kan het, dunkt mij, niet tegen Enkhuizen op (er zijn

Gedenksteen in de kerk te

naarMedemblikenvan Surigtotbij deMarderhoek. Althans naar de plannen tot nu toe. We kregen dus nuweer een stuk (tot Vollenhove toe), dat niet meer kustzal zijn en datverdwijnen zal, als zodanig, in het nieuwe polderland. Ditmaal van de noordoostelijke polder.

De toren van Wijckel schoof voorbij en het beroemde stoomgemaal van Friesland dat staat bij

DE LEMMER EN KUINRE
HeerRi/tgirV^ M^RSOlTf*' Q6xMerxhn;Hab^i> X^D;^ENTMr Voil£NMOo -EnDer HEERLYCKHMCOKEE' V&l WOILENNOQI1ND£* CA$TELEINSCH/dP Ct/iNREE
GhIGMT*
Dps Wfe
feaCkE
Kuinre.
Van een levendige havenplaats en van stilte, rust en ruimte
39
Gevelsteen in de Lemmer.

in de Lemmer ongeveer 100 vissers) maar de visvangstishiernietdehoofdzaak;datisdeverkeershaven en in dat opzicht vond ik de Lemmer drukker dan Enkhuizen (afgezien nu, van het stoombootveer) dat mij tot nu toe de belangrijkste havenplaats aan onze binnenzee geschenen had. Het heeft een jaarlijks verkeer van 16.000 a 17.000 schepen met een totale inhoud van 1.700.000 ton! Het spreekt vanzelfdat men in zo’n plaats niet allereerst denkt aan de visserij... al geeft haar toekomst hier dezelfde zorg als elders. Doch men hoopt op de opbrengst der zoetwatervisserij op het grote meer (dat immers even groot zal zijn als al onze binnenwateren tezamen) en op de werkverschaffing door de polderaanleg.

Men is dus in de Lemmer, althans buiten de kringen van de visserij, niet p.essimistisch gestemd... mits de plaats maar havenplaats kan blijven en haar verbindingen te water, vooral die tussen Amsterdam en Groningen die over de Lemmer loopt, behouden kan. Nu zou het dat ook naar het bestaande plan wel kunnen blijven, want bij de N.W.-hoek van de polder zou er, zoals men op onze kaart heeft kunnen zien, een schutsluis en een keersluis komen. Maar mooier ware toch een heel open water met wat afronden, tevens, van de N.W.-polderhoek. En het gerucht gaat, dat het plan inderdaad zal worden gewijzigd, z6, dat de westgrens van de noordoostelijke poldertotbeoosten Lemmerwordtverplaatsten de Lemmer dus aan het binnenmeer blijft liggen.

Natuurlijk is dit lijnrecht in strijd met dat, waarop Stavoren hoopt: het verleggen van de waterweg

De ingang van de haven van Kuinre.

Amsterdam-Groningen (door het graven van een nieuw kanaalpand) over die plaats. Als de Lemmer aan het grote meer komt te liggen, blijft de verbinding van thans vanzelf in stand. Zo staan dus de belangenvandeLemmerenvanStavorenopditpunt in conflict. Doch ik kan niet anders zeggen, na de sterke indruk die ik van eerstgenoemde plaats gekregen heb (ze is ook veel groter en fleuriger dan Stavoren, wezenlijk een stad) dat ik zonder aarzelen

voor het behoud van het bestaande, dit wil zeggen voor de Lemmer stem.

Erzal dan tevens pictured heelweinig (alleenvan het zuidoosten uit iets) aan het aspect van die plaats veranderdworden. Folkloristisch is er niets te bederven want er is geen volksdracht te bekennen.

Alleen cultured zou hier, als elders, wat gebroken worden: de vastheid van het traditionele bedrijfvan de visserij.

DE LEMMER EN KUINRE 40

Van de Lemmer zuidoostwaarts naar Kuinre (datoudtijdsCuinreeheette), denoordelijkstehaven in de kop van Overijssel, is het maar 13 km langs de wal. Wij deden er echter, door tegenwind, haast vijf uur over. Hetgeen ons echter niet verdroot. Wie wil zeilen, moet geduldig kunnen zijn wat jaagt de

stroom- motorvaart een geduldsoefening, een zorgeloosheid en rust de wereld uit! en zijn genoegen vooral op hetwater kunnenvinden, nierop hetland. Maar tegen zeven uur’s avonds gleden we dan toch om het noordelijke havenhoofd van Kuinre en meer dan een paar honderd meter verder aan een van de daarvoor bestemde palen, een goed kwartier gaans nog van het plaatsje af. Kuinre zal totaal worden ingepolderd in de noordoostelijke polder. Nu, be-

halve uit schilderachtig oogpunt daarover echter aanstonds zal daarmede niet veel schade worden gedaan. Het is een dubbele rij huizen (huisjes voor het merendeel) achter een rij bomen op een dijk. De bomen staan aan de noordzij, maar het dorp is met zijn aangezicht naar het zuiden gewend. Het is een arm dorpje datwerkvindt aan de melkfabrieken aan de oeverwerken, aan welke laatste echter door het waterschap (Vollenhove) niet veel meer wordt ge¬ daan, nu immers de Zuiderzeedijk toch weldra gereed zal zijn. Er zal geen visserijbelang van enige betekenis door de sluiting en de demping worden geschaad, want er zijn maar enkele vissers. Wat Kuinre ducht, is dan ookenkel, dathetzijnwatetweg verliezen zal en zich genoopt zal zien om langs de kronkelende binnenwateren en overhetTjeukemeer de Lemmer te bereiken. Geeft men aan Kuinre een goede waterweg naar het westen, door de nieuwe polderheen, dan heefthetgeenschade. Enmisschien nog baat. Want de inpoldering zal ten eerste arbeid geven en wie weet of Kuinre niet daarna nog een landbouwcentrum wordt.

Maar nu de picturele schade. Wat op dat stuk door het inpolderen van Kuinre zal geschieden niet aan hetplaatsjezelfmaaraanzijn kustbij hethavenhoofd kanenkeldegenebeseffendie, bij dathoofd, eendag en een paar nachten gekampeerd heeft. Gelijk wij deden in onze boeierofzoals men natuurlijkookwel doen kan op het land.

De ruimte van Kuinre! Dat is, van deze Zuiderzeetocht, iets dat mij wel onvergetelijk blijven zal. Wij lagen in de bocht van de haven die niets anders dan een lange vaart is naar het plaatsje toe (dat zelfbijna

DE LEMMER EN KUINRE
41

aan zee ligt; de havengeul loopt goeddeels nagenoeg evenwijdig met de kust). Aan de ene zijde was de drassige rietkant van een uiterwaard die tussen de havengeul ligt en de zee, aan de andere kant een onafzienbaarheid van Overijsselse weiden, hooiland meestal hier (er stond een hooiberg vlak bij ons aan de weikant en’s anderen daags kwamen Groningse schepen dat hooi inladen) en die onbegrensde vlakte lag, wat verderop, bespikkeld met wat hoeven, met vee en enkele molentjes. Aan de andere kant lag, achter het zwalpende riet en achter de plassige uiter¬ waard, die andere onafzienbaarheid wijd uitgestreken: de Zuiderzee, bevendeld met de zeilen van haar scheepjesenwaarop men, toen het’savondseens heel helder was, niet enkel Lemmer zien kon en de Friese zuidkusten, naarhetzuidentoe, Blankenham, Blokzijl en Vollenhove, maar ook Urk en Schokland en zelfs wat van Kampen. En over die twee onafzienbaarheden heen hing de derde, de oneindige... van de lucht. Ruimte, ruimte, ruimte! Van Hollands land, van Hollands zee, van Hollands lucht! Er kan niets Hollandser in Holland zijn dan die plek op de kust van Overijssel en mij dacht dat, wat het wezen van ons landschap aangaat, dit wel het hart was van ons land, de plek van waaruit heel het ruimtezicht van Nederlandwasuitgevloeidenalmaaruitbleefvloeien over het hele land. Het was alsofwe van hier konden weten men krijgt op zo’n plek waarlijk een soort ruimtewaan - wat ergebeurde in de restvan het land. De zon, die ondergingin bloed envuur, die zou men nu ook elders eender zien... maar die ging onder bij Lemmer, want daar stond het stadssilhouet nu immers zo nauwkeurig uitgekrast tegen de avondlucht,

elk stukje met een lijntje er onder alsofde Lemmer een luchtspiegelingwas, een droomstad, drijvend op het water. Daar moest nu, voor heel Nederland, de zon wel ondergaan. De hooiwagens die, achter een kleine dijkrug, zo gigantisch op kwamen doemen uit degroeneeindervan Overijssel, diemoestenhethooi wel brengen van heel Nederland om het straks te strooienoverhetganseland. Endieontzettendewolk der verwoesting, een onheilsbrok zoals ik er zelden

Vissers in de Lemmer.

een gezien heb, geen wolk maar een stukje zwarte duisternis met vale gelige smetten dat, aan zijn oostelijk einde, precies getekende, zwarte, kromgekronkelde grijpvingers uithing als de tentakels van een kosmische poliep... die vreselijke dreiging heb ik immers, met eigen ogen, zich daar zien vormen, niet uit de einder opgestapeld, maar uit de oneindigheid daar boven de Zuiderzee precies daar saamgedoemd, eenzwartconventvanbozespoken, hetsamenspansel van de satanie uit heel de lucht... om uit te zwermen als apostelen der verwoesting, straks, over het ganse land. En zo is het ook gebeurd, want’s nachts sloeg er een vlammend onweer over de einders en’s ande¬ ren daags vernamen wij van rampen en van hozen. Ontzaglijk is de ruimte... daar bij Kuinre. En milddadig is er de rust. Een enkele visser zeilde eens binnen. Een ander kwam eens, in zijn bootje, naar zijnfuiken kijken. En op een afstand, over eenwegje, reed wel eens een boerenwagen. Maar we zagen, bij ons, geen drie mensen op een dag. Er was niets dan ruimte, en stilte, en rust. De leeuweriken jubelden zich op trillende wiekjes omhoog, de sterntjes schrilden onder mekander rond, de rietbossen bruisten in dewind, en dezee, deZuiderzeediewij gaanwurgen, plooide de blauwe en de grauwe, de zilverige en de purperen zomen van haar mateloos gewaad in ruisende zuchten langs de kusten uit. En wie daar ging, met tijdeloze stappen tussen de oneindigheden van dieplek, dieliepdaarineen flu'idevanstilteen ruimte en rust. Gedompeld in het heerlijkste dat Holland heeft.Ja, het iswel erg dat Kuinrewordt ompolderd. Al is het niet om het plaatsje zelf. Maar om de heerlijkheden,onafzienbaar, rondomhethavenhoofd.

DE LEMMER EN KUINRE 42

Kuinre ligt al op de Overijsselsewal. In die ‘kop’ van Overijssel, die ten westen van Drente, noordwaarts tegen Friesland omhoog steekt, ligt ook nog Blokzijl.

Daar voeren we dus nu op af. Tussen die twee plaatsen ligt ook nog wel Blankenham (gemeente Kuinre) maar dat is een plaatsje als Laaxum, met een paar vissers zonder haven.

Het invaren bij Blokzijl herinnerde sterk aan dat bij Kuinre. De havenmond ligt op twee kilometer afstand van de plaats, is er mee verbonden door een lange geul tussen het hooiland van de uiterwaarden doorenligtzelfookgeheel open in devlakte. Wezijn hier niet, als bij Kuinre, achter die mond blijven liggen maar zijn opgevaren tot dichtbij de keersluis van Blokzijl hetgeen achteraf beschouwd, ook heel gelukkig is gebleken.

Blokzijl isvoormij een soort openbaringgeweest.Als men spreekt over de ‘dode steden’ van de Zuiderzee, dan denkt men aan die van de Noordhollandse kust endaarkaneigenlijkalleenMedemblikdienaamnog dragen... terwijl het nujuist herleeft. Maar Blokzijl is het typevan zo’n ‘dode stad’, met al het schone en al het melancholieke ervan. Reeds als men door de havengeuleropaanvaart,ziethetersuggestiefuitmet zijn merkwaardige toren in het groen en met de brokkels van zijn oude daken en hoe meer men de keersluis nadert die staat bijna altijd open, wordt alleen bij sterk opstuwend water gesloten en gaat automatischweeropen naarmatehetwaterzakt hoe

Blokzijl als ‘dode stad\

Vollenhove ‘gekeeld’.

De Latijnse School te Vollenhove.

meer belofte er uit de doorkijk komt. Maar als men aanwalgaaten overde dijkis heengeklommen (ofals men door de sluis vaart maar dat hebben wij niet gedaan) danvindtmen alle beloften nogovertroffen. Want dan luikt er opeens een havenkom open (de ‘kolk’, zeggen ze in Blokzijl) van zulk een zacht stromendevredigheid met zijn paarscheepjes enzijn hengelaars en zo schoon beloken door een paar hoogbeboomde kaden, een brokje dijken een luimig festoenvaneen aardigplantsoentje in eenoverwaldie bestommeld is met oude bouwseltjes, dat men een gavere schoonheid van oud Nederlands waterstadje kwalijk vinden kan. En als het sluitwerk van die schone ring om het stille water rijst, daarachter bovenuit, de karakteristieke toren van de kerk, met zijnfijngroen-en-stilverguldewijzerborden. Dekerk, die, naar men verzekerde, de eerste kruiskerk is die ooit in Nederlandwerd gebouwd, is ookvan binnen wel bezienswaard om een gebeeldhouwde preekstoel (met een mooi deurtje), vijfoude koperen luchters, een koperen doopvont en een oud oorlogsschip van hout, vervangsel van het oorspronkelijke dat van zilver was maar door de bisschop van Munster in 1672 (zo zei althans de kostersvrouw) isweggehaald. Blokzijl heeft nog zo veel zeventiende eeuws en het karaktervan de ‘gouden eeuw’ is, in het uiterlijkvan de plaats, nog zo overwegend, dat men zou kunnen zeggen: het is nog steeds een renaissance-stadje. O, geen ‘smalstad’ maar, want het is niet groter dan een (link dorp maar menige zeventiende-eeuwse stad die Neerlandsglorieheeftgemaakt,wasweiniggroter. Er zijn een menigte aardige en mooie gevels (waarvan ‘Hendrick de Keyser’ er enkele heeft aangekocht) en 45

BLOKZIJL EN VOLLENHOVE
Eenplaats, verdiept in rust en aandacht rondom het water.

talrijk zijn de gevelstenen met afbeeldingen en opschriften. Iknoteerdeonderanderehetvolgende, om zijn nai'efheid aantrekkelijk: In 1657 heeft Daniel Hans Dit Huis bout.

En nog dit zeer wijze woord: Haet en nit sol wel verdwinen, dat elck hem moit met het sine.

Inderdaad: Als ieder zich maar met zijn eigen zaken bemoeideentevredenstelde, danzoudenhaaten nijd gauw verdwijnen. Een woord dat, meer nog dan op vroegere eeuwen, toepasselijk is op onze tijd waarin iedereen zich met alles wil bemoeien.

In de rij der andere Zuiderzeesteden is BlokzijI nog hetbestvergelijkbaar metMedemblikomdathetook zo stil is (watvan Medemblikechter, sederthet begin van de Zuiderzeewerken, al nauwelijks meer gezegd kan worden). Maar Medemblik heeft, in zijn oude kerk en vooral in zijn Radboud, een paar zo indrukwekkende gebouwen als men in het Overijsselse plaatsje niet vindt terwijl daarentegen het oude karaktervan hetalgemene aanzien in BlokzijIveel beter bewaard is dan in Medemblik. Wat dit belangt, zou men eerder aan Veere denken, dat echter ook weer zijn raadhuisenzijnpatriarchalekerkgestalteheeften dat, anderzijds, het schoon-belokene mist dat aan BlokzijI, geklonterd om die havenkom, dat in-zich-

zelf-gekeerde en nochtans vriendelijke geeft als van eenmensdie,zonderhaatofnijdjegens anderen,zich enkel met zijn eigen ziel bemoeit. Waarlijk, op de stemming die men in BlokzijI krijgt is die spreuk uit de oude gevelsteen wel bijzonder toepasselijk: een plaats waar ‘elck hem moit met het sine’. Maarzo ergtevredenis mener, inwerkelijkheid, toch niet. De plaats gaat achteruit. Hiermee hebben de Zuiderzeewerken nu eens niets te maken. Er zijnwel enkele kustvissers in BlokzijI (men wist er mij echter niet meer dan vijf te noemen) en een oude visser

klaagde wel dat er deze kant uit geen bot meer kwam als gevolg van het gedeeltelijk reeds afgesloten zijn van de zee, doch het achteruitgaan van de plaats ligt, zoals vanzelf spreekt, niet aan het min of meer welgaanvandieenkelemensen. Neen, maardezaken die er gevestigd waren, zijn voor het merendeel verdwenen (vooral hetsluitenvan dehouthandelvan de firma Loos, aan welks bestaan een staking der werklieden de genadeslag heeft toegebracht, is een kwaaddinggebleken) endescheepvaartisvanBlokzijI naar Zwartsluis gelopen sedert het kanaal over die

BLOKZIJL EN VOLLENHOVE 46

plaats werd gegraven. Misschien zou de inpoldering hier enig nieuw leven kunnen brengen. Voorlopig echter zit het leven, behalve in een melkfabriekje en in een paar matten- en kledenfabriekjes, voornamelijk nog in het vreemdelingenverkeer. Er is daarvoor een zeer actieve vereniging die onder andere een heel gerieflijkemotorbootvoorwatertochtjes terbeschikking heeft en ook reeds heeft: gezorgd voor een keurigezweminrichtingwaaraan menigerijkereplaats eenvoorbeeldnemenkan. Nu nogeenvoortoeristen watgezelligen goedbeheerd (zij hetdan ookeenvou-

dig) hotel en dan zal Blokzijl wellicht vermaardheid krijgen in Nederland en in den vreemde. A1 zal het jammer zijn wanneer zijn stille stemming verstoord wordt door meer drukte dan die van de autobus en het trammetje. Thans is de ziel van de plaats nog die van een van zijn vele hengelaars of palingfuikers: verdiept in rust en aandacht rondom het water.

Daar hier, heel anders dan in Kuinre, de schoonheid vooral in de plaats zelfzit en deze niet aan de zee ligt, zal de inpoldering, pictured, hier weinig kwaad doen. Behalve dan, gelijk bij Kuinre, aan de omge-

ving van het havenhoofd waaruit het zeegezicht verdwijnen zal.

Hadden wewindstilte beleefdbij Medemblik, storm bij Stavoren en onweer bij Kuinre, bij Blokzijl hebben we ruim drie dagen gelegen wegens slecht weer.

Ik ben dus al vast maar eens gaan neuzen in Vollenhove

dat, van Blokzijl uit, ookoverland bereikbaar is en ik heb meteen een bezoekje gebracht aan Giethoorn, het bekende Overijsselse waterdorp, waar bakker en slageren kruideniertewater, in een ‘punter’, meteen ‘boom’ hun waren gondelen door de watergalerijen onder het gewelf van talloze hoge bruggetjes en groene bomen. Maar dit zou buiten het kader van deze artikelen gaan daar Giethoorn niets te maken heeft met de Zuiderzee, al is het dan ookals hetware gebouwd in het water.

Met Vollenhove staat het wel heel anders. Het leeft van de Zuiderzee. Stad-Vollenhove althans, AmbtVollenhove is een agrarische gemeente. StadVollenhove echter (dat, pictureel, behalve een zeer mooi raadhuis en een even schoon Latijnse-Schoolgebouw datnuvoorhet U.L.O. wordt gebezigd, niet veel interessants heeft) bestaat geheel van de visserij.

Niet alleen doordat er zoveel vissers zijn, maar ook omdat de winkelstand en de nevenbedrijven van de visserij geheel van deze laatste afhankelijkzijn. En nu zal Vollenhove, volgens het plan, wel aan het water blijven liggen ook na de inpoldering maar... het zal datvan deslurfzijnwaarhetZwartewateren deIJssel 47

BLOKZIJL EN VOLLENHOVE

in uitmonden, niet meer dat van een zoute binnenzee. Reeds de onvoltooide afsluitdijk doet hier, als in Blokzijl, zijn kwade werking voelen voor de visserij en terwijl men in genoemde plaats, gelijk in Kuinre, zichtroostenkanmetdeoverwegingdatertochhaast geenZuiderzeevisserszijnendatdeafsluitinggunstig werkt in zoverre als, nu al, het water bij een harde westenwind niet meer zo hoog komt in de uiterwaarden als voorheen, is dat voor Vollenhove heel anders. Gelijk gezegd, leeft de hele plaats van de Zuiderzeevisserij die er wordt uitgeoefend door ongeveer 100 schippers, elk varend met minstens een knecht. Vermenigvuldigd met vijf om het aantal zielen dergezinnen te benaderen, geeft dat dus al een totaal van 1000 personen die rechtstreeks door de visvangst bestaan. Op een bevolkingvan zowat 1700 zielen! Met de Zuiderzee wordt dan ookVollenhove ‘gekeeld’ en men ziet er, over het algemeen, de toekomst donker in. Daar komt nu bij, dat de tijd zo uiterst ongunstig schijnt om nu de dijkte sluiten. Waarmoeten thans, in deze depressietijd, de vissers heen? Zij die, het spel verloren ziende in hun bedrijf, reeds elders werk gezocht hadden en gevonden, druppelen alweer terug, door ontslag ofomdat het die andere bedrijven zeker niet beter gaat dan de visserij, waar nog zowat de meeste arbeidsgelegenheid was in Nederland. Als de Zuiderzee dan toch dicht moet, zo redeneerde men in Vollenhove, laat men het dan ten minste nu niet doen, maarnogeenjaaroftweewachten methet voltooien van de dijk totdat de crisis voorbij is en er elders weer meer werk te vinden is. Het doorzetten van de afsluiting thans wordt voor Vollenhove een

ramp. En de burgemeester moet dan ooksteeds in de Raad hebben gezegd: ,,Ik word straks burgemeester van Bronbeek.”

Pictured zal er aan Vollenhove, dat immers aan een breed water blijft liggen, weinig ofniets veranderen enfolkloristischevenmin. Maarculturedisdekwade invloed van het Zuiderzeewerk nu al merkbaar. De bevolking, anders rustig en verdiept in het bedrijf, wordt roerig en ontevreden en komt onder de in¬ vloed van agitatoren. Ja, dat is onvermijdelijk wanneer men een groep mensen economisch, sociaal en cultured ontwortelt en niet slechts op materieel gebied, doch ook op dat van traditionele cultuur, haarplotselingdegrondonderdevoetenwegslaat. Ik heb dat in andere plaatsen ook al min of meer zo gevonden. Doch in Vollenhove leek het mij wel bijzonder kras.

Het weer werd, in Blokzijl, voortdurend slechter: vreselijke kletterregens met een woedende westen¬ wind die siste in de bomen op de waldijk en met een water dat ’s nachts kanonneerde tegen de ijzeren wanden van ons schip en zo hoog steeg dat de keersluiswerdgesloten enwedeanderedagontwaakten met een oever die een meter oftien, twintig, van het schip verwijderd was. Want het grasland waarin we ons met twee ‘katten’ (een soort van ankers met een punt) haddenvastgeklauwd,wasoverstroomden alsonzevooruitziendeschipperniet’savondstevoren ooknoghetboegankerin degrondgeslagen had, dan zouden we zeker ‘driftig’ zijn geworden want de katjes waren, in de soeperig geworden grond, naar kattenaard gaan ‘krabben’ (waren al wat losgerukt doorhetschip). Wekonden aanvankelijk nietaan de

wal en schikten ons dus maar in ons Noachslot, belangstellendziendehoe ‘de aardeweerdroog’ werd en elkaar de tekenen ervan aanwijzend: een hoopje staken dat niet meer in het water stond, een waarschuwingsbordje dat niet meer tot zijn hoofd in het water stak, boterbloemen wier gele koppen weer boven kwamen... En ten slotte wist de schipper, met veel beleid, met zijn knecht ons te verhalen tot tegen de stenen walkant aan de ingang van de sluis. We konden toen weer aan wal.

Nu moet men nog bedenken dat dit niet eens een verontrustende waterstand was. Wanneer die er is, danwordt de omgevinggewaarschuwd doorschoten uit een oud kanon: eenmaal, tweemaal ofdriemaal, naargelangvan heternstigevan de toestand. Erwerd nu echter geen enkel ‘noodschof gelost en men verteldemij trouwensdatditookzelfsindeafgelopen winter niet was geschied, dank zij de werking daarover was men het eens van de afsluitdijk daarginds in het noorden. Maar men kan in Nederland, als hetweer nu eenmaal in een kwade draai is, nietop ommekeer blijven wachten en zo besloot ik, de ‘Greta’ maarmetschipperenknechtachternatelaten komen als ze de kans schoon zagen en zelfinmiddels over land naar Kampen te gaan. Ik kon van daar uit dan per stoomboot Urk en per tram ofauto Elburg bereizen. Het was jammer, maar

Mit des Geschickes Machten

1st kein steter Bund zu flechten...

...vooral niet met het weer in Nederland. En dus toog ik maar als landrot naar Kampen.

BLOKZIJL EN VOLLENHOVE 48

Kampen en het eiland Urk

Hoe diep binnenwaarts Kampen ookligt het Keteldiep is een halfuur varen lang, per stoomschip het heeft tochvrij watvisserij. En dezezal dezelfde kwade gevolgen van de afsluiting der Zuiderzee ondervinden als elders (niet van de droogmaking, want de toegangen tot Kampen en Zwolle vallen binnen de brede waterslurf waarin de IJssel uit zal monden). Maar de visserij is, voor Kampen, een bijzaak. De plaats is, zoals ik vroeger al eens heb betoogd, in sterke mate een agrarisch centrum... al getuigen haar drie prachtige oude poorten en andere gebouwen zoals het oude deel van het stadhuis, nog van haar verleden als Hanzestad en al is er ook industrie. De toekomst wordt hier dus volstrekt niet, gelijk bijvoorbeeld in zo sterke mate als te Vollenhove, beheerst door die van de visserij. En tengevolge van de ligging van Kampen, zo diep landwaarts in, zal er in hetuiterlijkebeeldvan destadzelfs in hetgeheel geen verandering komen door de droogmaking.

Over Kampens uiterlijk en over het eigenaardig agrarische in het wezen van de stad heb ik indertijd (januari 1928) onder andere het volgende in het ‘Handelsblad’ geschreven: ,,In de verre, vruchtbare, lage weiden van Overijssel ligt Kampen. Zijn rugis naarhetwesten gewend, zijn open aangezicht kijkt naar het oosten, wijd over de snelle IJssel, waarlangs het lang en vlak gevlijd ligt. Kampen kijktde morgen tegen, die daar aan deverre wijde einder elke dag voor zijn blik geboren wordt. Dat langgerekte in de ligging geeft een zonderling dorps karakter aan de staddie toch een 20.000 zielen telt en dus een paar duizend meer dan Middelburg bezit, hoewel het, door zijn smalte, stellig kleiner

lijkt. Maarde Oude Straat, dehoofd- enwinkelstraat van Kampen hetaantalhuisaanhuisgerijdewinkels

is verbijsterend in die straat is zo lang, dat de Middelburgse ‘Lange Delft’ daarmee vergeleken een steegje wordt; de Vloeddijk vormt, met een daartegenover lopende wal, een bredere en veel langere oude stadsgracht dan zeker menige gracht van Leeuwarden en vertoont, vooral in zijn kromming naar de IJsselkant waar enige oude bruggen er over

deze. En daarin hebben wij juist de voornaamste curiosa van Kampen gevonden.

Ten eerste deze. Er wonen in Kampen drie burgemeesters. Een van de plaats zelfen twee van buitengemeenten. Nu, datzal men niets bijzondersvinden;

Een oudeplaats

tussen zee en stroom

‘De rots in de Zuiderzee, die verloren gaat.

heen springen, tussenzijnzoomvanlagehuizen toch wel een mooi oud-Hollands stedelijk aspect; en de drie stadspoorten, de grote en massale kerken, het stadhuis en de carillontoren getuigen met indrukwekkendeoudeschoonheid,datKampenvan oudsher wel wezenlijk een stad is.” ,,Toch is er aarzeling gewettigd die men voelt rijzen voor een antwoord op de vraag: platteland ofstad. Wantdevermengingvan dietwee in deze merkwaardige plaats, bestaat niet enkel uiterlijk, maar ook in

het gebeurt wel meer dat een burgemeester van een dorp, omdat er daargeen behoorlijke behuizingvoor hem is te vinden, vergunningkrijgt om in een naburige stad te wonen. Jawel, maar in Kampen zijn vijf dorpsgemeenten, doortwee burgemeestersvertegenwoordigd (deene is burgervaderovertwee, de andere overdriedorpen) enbovendienzijnookdesecretarieen van die dorpen daar gevestigd! Wie een kind uit Grafhorstaan tegevenheeft, moetdaarvoornaarzijn secretarie... in Kampen, wie een sterfgeval heeft te melden uit IJsselmuiden, moet naar diezelfde secretarie... inKampen,wietrouwlustigisinWilsum, moet zijn ambtenaar van de Burgerlijke Stand... in Kampen opzoeken. Zo heeft de stad op ambtelijk terrein een heel stuk platteland in zich opgezogen!” ,,Maar dat procesvan assimilatie is niet alleen van de stad, dochookvanhetplattelanduitgegaan. Heeftde stad, ambtelijk, vijf dorpen in zich opgezogen, die toch, daarbuiten, een zelfstandigleven leven, economischishetplatteland endatishettweedecuriosum in het wezen van deze merkwaardige plaats in Kampen binnengedrongen. Wanneer men wandelt langs deVloeddijkdan kan mensoms eenschuit met koemest in de gracht zien liggen, waarin de mest wordt ingeladen, ergens uit een steegje. En als men dan, uiteenvan delagehuizen die overigens, aaneengebouwd als ze zijn, geheel als stadshuizen emit zien, het geloei hoort van een koe, dan vraagt men met

KAMPEN EN HET EILAND URK

verbazing: komen de mest en het geloei uit dat stadshuis? Ja zo is het. Want als je de deur openstoot en je zoekt de eigenaar, dan vindt je, na enkele schreden dooreen gangetje, de boerofde boerin... in de koestal. En die is niet zelden niet altijd hun woonvertrek, want de Overijsselse boer is nog zo door en door boer, dat hij, naar oude traditie, nog heel zijn leven met zijn beesten deelt. Wij hebben zo’n ‘koeboer’-interieur gezien waarin de boer met zijn gezin aan tafel in de stal zat, gezellig bestaard door zijn publiek van koeien, die kijken naar het doenenlatenvanhunbazen wantineenOverijsselse stalstaan debeesten metdekoppen naarvoren, zodat men aan die woonkant geen last heeft van de mest gelijk de boer en zijn gezin het doen naar het leven van de beesten. En doorhetzelfde gangetjewaarlangs de mensen in- en uitgaan, stapt ook het paard naar binnen en naarbuitenenzullenstraksalshetvoorjaar wordt, de koeien naar haar weiden kuieren.”

,,Zowoontdaarde ‘koeboer’, in Kampens straten; zo is het land in de stad gedrongen.”

,,Kampen is waarschijnlijk, in heel Nederland, de boerenstad bij uitnemendheid. Het heeft een groot gemeentelijkweidebezitmetvelegemeentelijkepachters en als men in Pyttersens Almanak de lijst van Kampens functionarissen inziet, dan vindt men, achter een der namen, de qualificatie ‘gemeentelijk landbouwkundige’.”

„Een stad die een eigen landbouwkundige heeft. Spreekt het geen ‘boekdelen’ over het unieke karakter van Kampen?”

Om nu tenslotte op Kampens uiterlijk nog even terug te komen: de sterke, stoere vasthoudendheid

van zijn landvolk heeft dat uiterlijk lang zo gaafniet weten te bewaren als het zijn innerlijke eigenaardigheid deed. ,,Kampen is rijk van poorten en muurtorensvoorziengeweest”, schrijftmr.A. Loosjesinde ‘Sprokkelingen in Nederland’, het mooie bekende plaatwerk van Scheltema en Holkema. ,,Alleen aan de IJsselkant was de muur van niet minder dan 20 ronde, vooruitspringende torens voorzien en van een elftal merendeels kleine poorten; de voornaamste hiervan, de Vispoort bij de IJsselbrug, werd omstreeks 1844 afgebroken.”

„Och, och, wat is het uiterlijkvan Kampen dan toch gehavend. Wanneer men nu met het (zeer geriefelijke) benzine-motor-treintje, van Zwolle langs de oostelijke IJsseloeverhet station van Kampen nadert, dan ziet men, aan de overkant, het aangezicht van de stad zich spiegelen in de brede vloed. Het is wel vriendelijk, maarzeervlak en open en toont als enige markante trek, de spitsen van de blanke, veertien-, vijftiende-eeuwseKoornmarktspoortmet,hoogdaarachter statigend, de grote kerk. Die poort aan deze zijde en de vijftien-zeventiende eeuwse Broere- en Cellebroerspoorten aan de achterkant (de westkant) van de stad, zijn al wat er nog rest van Kampens stedelijke gordel. En hoe dom heeft men gehandeld door, in dwaze vooruitgangswaan, te slopen wat een laag inlageweiden tussen rivieren zeegelegenstadzo mooi beschutte tegen overstroming, want bijna in letterlijkezin kan menvan dezeplaats getuigen datze ligt ‘between the devil and the deep sea’. Al is de Zuiderzeeniet diep, eris noggenoegwaterin om het, bij felle noordwester, zo tegen de rug van de stad te stuwen dat in de Broere- en Cellebroerspoorten de

vloeddeuren moetenworden gestoken. En als, aan de voorkant, de IJssel buiten zijn oevers treedt enwelk een ‘duivel’ die kan zijn, is, enkele jaren her, bij Deventer nog gebleken dan moeten de huizen aan delagekadewordenbekist.Jaja, nietalleverandering is verbetering.”

„Zo ligt deze oude plaats daar tussen zee en stroom. Het is geen ‘dode’ stad van de Zuiderzee; ze is springlevend, geestelijk en stoffelijk. Maar, al zijn er, wat dit laatste betreft, een paar belangrijke indus¬ tries aangegroeid, (onderanderevan sigaren en van geemailleerd gebruiksgoed) het agrarische drukt nog steeds zijn stempel op Kampen. Zijn ‘koeboeren’ weiden hun vee om de stad en wonen, met hun vee, in Kampen en laten de eeuwen over zich heen tinkelen inmelodieenvanhetzilverenklokkespel, gedachtig aan het woord van de Spreukendichters: ,,Vrees de Heer en de Koning; vermeng u niet met hen die naar verandering staan.”

,,En zo is er, innerlijk vooral, veel onveranderd gebleven in deze oude boerenstad.”

Heel anders staat het met Urk.

In economisch opzicht, datwil zeggenwatdevisserij aangaat, komtUrk, vanallevissersplaatsen die aan de afgesloren Zuiderzee zullen liggen, er stellig het best af. Doordat het hoofdzakelijk Noordzeevisserij uitoefent. Hetgeen nietwegneemtdat ookeen deel (een minderheid) van de Urkers op de Zuiderzee vist; dat deel komt in de benauwenis al zal het zich op Urk waarschijnlijk makkelijker naar de Noordzeevaart

KAMPEN EN HET El LAN D URK 52

Urk van de Westzijdegezien.

KAMPEN EN HET EILAND URK
53
KAMPEN EN HET El LAND URK

kunnenwenden dan men het elders zal kunnen doen waar geen Noordzeetraditie bestaat. En indien dat het geval is, dan zal er ook folkloristisch en cultureel nog veel behouden blijven. Want Urk zal wel geen eilandblijven hetwordtaangepolderdaandenoordoostelijke polder doch als het bedrijf maar wordt gehandhaafd, dan blijven dracht en zeden allicht even goedbewaardals bijvoorbeeld in Spakenburgof Volendam. Pictured zal er echter wel verandering komenwant, al blijftdehavenvan Urk aan hetwater liggen, het merkwaardige gezicht dat men op Urk heeft als men met de boot van Enkhuizen er op aan vaart en het op ziet doemen als een Nederlands unicum, namelijk als een ‘rots’ te midden van de baren (menheefterimmersdiekeileemheuvelwaarop allewoningenzijn samengeklonterd) zalverdwijnen. En dat zal het verlies betekenen van een der meest merkwaardige aspecten die het oog in Nederland vindt. Ik mag nog eens doen afdrukken wat ik van Urk zei in ‘In Kleuren en Kleeren’: ,,Hoeveel Nederlanders zijn er, dieweten dat daar in de Zuiderzee zo’n toverij te zien is, dat er daar zo’n droomhoogeilandligt... als Urk? Watmij belangt, ik heb, geloofik, in ons land nog niets met zo’n verbazingzienverschijnen als, uit desluiervan deherfstop luchtenzee, debouwsels en debomenvan diteiland, het kleinste dat in Nederland bewoond is.”

„0, Urk is vroeger groot geweest. Veel groter. Dat getuige de verhalen van verzonken dorpen die daar rondom liggen op de bodem van de Zuiderzee, maar dievroegerop hetdrogestonden... heellanggeleden, haast in de schemervan die tijden toen de Zuiderzee nog maar deAlmere heette en Urk nogUrch gespeld

Schepen in de haven.

werd. Thans is het nog maareen hompje landvan 80 ha dat men in drie kwartier helemaal rond kan wandelen, de 60 ha weiland (eigenlijk maar zowat vroonlandwaarop wat koeien grazen en datjuridisch een soort meent is met curieuze gebruiksregeling) en de 20 ha van de merkwaardige bobbel waarop de 3100 inwoners zich hebben samengetrokken. Een heuvel die stelligeen geologisch curiosum magheten daar hij een wonder in ons polderland is, waarin de duinen het enige ‘hoogland van het platteland en

drooglandvanhetnatland’ plegen tevormen (om die aardige uitdrukkingvan Charles Boissevain nogeens aan te halen). Want deze heuvel, die zo maar ineens uitzee rijst, is geenduin maarbestaat uitkeileem met kolossalezwerfblokkenerin. De rotsindeZuiderzee!

En op die rots der eeuwen is het eeuwenoude vissersplaatsje opgestapeld metzijn kronkelige, heuvelende straatjes waar het kloeke, frank vrijmoedige vissersvolk rondwemelt in zijn oude zeden, oudgeloof(het zijn alien protestanten) en zijn oude dracht. Hier is alles nog een gaaf historisch geheel gebleven, een levend stuk verleden. Zo iets als Bali in Indie.” ,,Werkelijk levend. Op die oude vreemde bobbel tussen die oude zeden en die oude dracht (gedragen door een volk dat de inteelt niet te deren schijnt, ik zag bijzonder welgebouwde mannen en vrouwen) staat een klein maarkeurighotel metvastewastafels, stromendwater en elektrisch licht (hetwas toen iker kwam nog niet helemaal gestoffeerd, zodat er hier en daar gordijnen nog ontbraken) want de plaats heeft een gemeentelijke centrale, gemeentelijke waterleiding (de burgemeester heeft die, al heet hij niet Mozes, uit de ‘rots’ geslagen!!) en... riolering. En de 300 koppen die de meer dan 100 zware Noordzeebotters bemannen er zijn ook een goede 100 Zuiderzeeschuiten, maar de Urker, anders dan de meeste Zuiderzeevissers, zoekt toch liefst de Noordzee op -varen hoofdzakelijk op motorboten. En Urk is voor het afdammen van de Zuiderzee dan ook niet bang. Het zal op de Noordzee blijven vissen. Terwijl het land, omheind nu als een oud Romeinenkamp, met een onafgebroken houten palissade tegen het zeegeweld, dan veel veiliger zal liggen.”

KAMPEN EN HET EILAND URK
55

Erwas, aan heel de oostelijke wal, weinig ofgeen hot te krijgen. Maar op Urkverwachtte ikhet anders. En datkwam uit! Hetwas maandag, eenslechtedagvoor versevis want op zondagwordt er nietgevaren. Maar vriendWoudenberg, deeigenaarvanhethotelwaarin ik voor de klederdrachten had gelogeerd, herkende mij hartelijk, rende de havenkade af- er was niet zo heelveel tijdvoorhetschoonmakenen bakkentussen de aankomst van de ‘Insula’ waarmee ik uit Kampen was gekomen er het vertrek van de ‘von Geusau’ die erheen terugvoer en kwam met een emmer spartelende vis weerom die een hotter juist had binnengebracht, En toen hebben we weer eens Zuiderzeebot genoten, zo prachtig gebakken als, geloof ik, alleen Woudenberg dat kan. Hij is een gewezen Amsterdamse vishandelaar en hij bakt zijn vis zoals een schilderschildert: methartenziel. Terwijlikintussen weer eens kon wandelen door dat krui'ige, kantige Urk, waar de ldeurige wasjes flapperden, tussen fleurige huisjes uitgehangen door glundere meisjes in haar pronte dracht en waar de wimpels wapperden van dezware schuiten die hetstoere mansvolkmet de zwierige ‘karpoezen’ op, tot onder Boulogne durft te sturen.

Maar dat dit volk eerlang geen eiland-volk meer wezen zal, en Urk geen Nederlandse rots meer in de Nederlandse binnenzee, dat zal wel jammer zijn.

KAMPEN EN HET El LAN D URK
Urker aan het roer.

Elburg en Harderwijk

9

Twee vissersplaatsen zijn er aan de Gelderse wal: Elburg en Harderwijk.

Elburg

heb ikteland,van Kampen uit, bezocht. Maarikkon er ook weer aan boord gaan van de boeier, die ik er hervond.

Elburgligt niet, alsVollenhove, onmiddellijk aan de zee. Men moetookhier, gelijkbij Kuinreen Blokzijl, een geul invaren voor men in de haven komt. Maar

die is een eind in zee uitgebouwd, zodat de plaats zelf toch niet ver van de kust ligt en in elk geval, anders dan in de laatstgenoemde twee plaatsjes, in econo¬ mised opzicht zeer nauw verband houdt met de Zuiderzee. Er zijn een honderdtal vissers die vooral de kustvisserij beoefenen enwierlot nahetvoltooien van de afsluitdijk net eenderwezen zal als dat van de meesteanderevissers op degedoemde binnenzee. De stemming scheen mij hier ongeveer als die te Volendam: een van bekommerde gelatenheid. Elburg, evenals Kampen indertijd een Hanzestad, is

(omdat de weg daarvoor te smal is geworden) en behalve dat dit vanzelfeen verkeersgemis zal betekenen, brengt het ook de uittocht ofdeverarming mee van ongeveer dertig gezinnen die, naar men mij verzekerde, onmiddellijk ofmiddellijk door de tram bestaan. Verdwijntooknogdevisserij, danwordthet voorElburghelemaaldedoodin depot. Hetkomtna de inpoldering van de zuidoostelijke polder, geheel ingekluisterd teliggen in hetland. Misschien kan het dan een agrarisch centrum worden. Maar zulke mogelijkheden hebben voorlopig toch maar specula-

De laatste viskar in Elburg.

Twee vissersplaatsen

aan de Gelderse Wal

De

nog een van de aardigste plaatsen aan de Zuiderzee. Het is iets groter en zeker levendiger dan Blokzijl, maar het staat, economisch, er toch ook niet best voor. De tramverbinding zal nu ook verdwijnen

ELBURG EN HARDERWIJK
Gelderse volksaard en... de honden Wat moet er van de vissers worden?
59
Gevelsteen in Harderwijk.

tieve waarde en Elburgs toekomst lijkt mij zorgelijk. Cultured zal de afsluitdijk hier, door devernietiging van de visserij, hetzelfde onheil stichten dat ik ten aanzienvananderevissersplaatsenal heb aangegeven. Folkloristischgaathierdaarentegennietsteloor,want volksdracht is er niet of nagenoeg niet meer. In elk geval niets eigens. De plaats heeft echter, pictureel, nog veel aantrekkelijks. Ze is niet zo mooi gebouwd als Blokzijl rondom zijn havenkom en ze heeft, ook anders dan Blokzijl, nog maar heel enkele interessante oude gevels. Maar daarentegen is ze nogomgeven door de oude, hoge stadswallen met een brede singelgracht rondom. Wallen, zo hoog als die van Hulst in Zeeuws-Vlaanderen en met aardige, goed onderhouden wandelpaden ondereen hoogen dicht geboomte. En dan is er die bekende geestige afsluiting van de hoofdstraat naar de havenkant: de Vispoort die, vooral s avonds met een bleke lucht erachter van naschemering na zonsondergang waartegen allicht een paar masten met wimpeltjes zich strepen, een suggestieve doorkijk inlijst met de diepe boogwelfvan zijn rank getorente.

En er is een grachtje, midden door het stadje heen, vriendelijk als het Geldersevolkwelks aard blijkt uit het vriendelijke... van zijn honden. Zeg mij hoe de honden van een plaats zijn en ik zal u zeggen hoe de mensen zijn. Zijn de honden schuw en wantrouwend, dan zijn de mensen niet gul, want dan behandelen ze hun dieren nors. Maar in Elburgwerd ik, bij deVispoort, aanstonds begroetdooreen reusvan een bullebijter die tegen mij op ging staan en mij omhelsde met een natte lik langs mijn oor en twee

In de haven van Elburg.

werkmansklauwen op mijn boordje en mijn overhemd. We zijn allemaal dikke vrienden met hem geworden (tot schrikvan de schippersknechtwist hij onszelfsaanboord tevinden) en, zoalshij, bleken alle andere honden in Elburg: goedhartig en vertrouwelijk.

Het moeten goede mensen zijn, die zulke honden houden.

Met een stijve zuidwester tegen, maar gelukkig met goed vast weer, zoals we het lang niet hadden gehad, liepenwevanElburgwegmetkoersnaarHarderwijk. Het werd een voortdurend kruisen, in lange streken heen en weer. De zee was echter wel ruig, maar niet hoi, want er staat hier, in het zuidelijke deel van de Zuiderzee, bij een wind als wij nu hadden, lang niet zoveel water als in het noorden (bij noordelijkewind

ELBURG EN HARDERWIJ K 60

isdatnatuurlijkanders). Enhetwerdeenmooiefrisse zeiltocht, vijfuur en een half, met hellend dek, een bruisende botsende boeg en een rif in het zeil. We zagen de kust soms wijken Elburgs stompe toren nog eerst en het hoge kamp van Oldebroek - en dan weer naderen: Nunspeets toren en de bossige Veluwekust bij Harderwijk... en zo, met wijken en met naderen in het laveren, bereikten we eindelijk

Harderwijk.

Ook alweer een oude Hanzestad waarvan vooral de kolossale omvang van de (uiterlijk onbelangrijke en torenloze maar van binnen prachtig gave, Gothische en deels nog Romaanse) kerk getuigt terwijl het raadhuis innerlijk nog veel renaissance-schoonheid bevat. De plaats is overigens niet mooi (de Vispoort,

van binnen uit gezien wel pittoresk en dan ook zeer bekend doorhetwerkvan Suze Robertson, haalt, het architectonisch, niet bij die van Elburg) maar uiterst roerig en bedrijvig door allerlei verkeer tewater en te land. Harderwijk ligt aan de grote spoorlijn van Amersfoort naar het noorden, aan een drukke weg van autoverkeer, wordt dagelijks bezocht door een paar stoomboten, varende van en naar Amsterdam met heel veel personenvervoer in het zomerseizoen (voorVeluwebezoek) en is deVeluwehaven bij uitnemendheid. *) Het is voor de Gelderse kust wat de Lemmer is voor de Friese. Maar terwijl de Friese haven een mooie leans heeft om alsnog buiten de inpoldering in het noordoosten te worden gelaten, hoort men nog niet dat de Gelderse haven open zal blijven. Harderwijk zal, volgens het plan, diep in het binnenland komen te liggen, immers achter de omvangrijke zuidoostelijke polder. Nu is het indijken van dezuidelijkepolders nogeenzaakvan laterezorg, maar inmiddels wordt ook hier, als in de Lemmer en elders, de visserij met ondergang bedreigd door het afsluiten van de Zuiderzee. En men denkt daarover hierzo optimistisch nietalsginds. DeZuiderzeeis nu eenmaal de kraamkamer van de Noordzeevis die, na de paartijd, er blijft ‘weiden’, gelijk de vissers het tekenend zeggen. Men acht het ondenkbaar dat die grote vruchtbaarheid van de Zuiderzee ooit zal wor¬ den verkregen doorzoetwatervisserij en metzorgziet men de naaste toekomstvoor de Zuiderzeevissers in. Bovendien is de visvangst een van de voornaamste bestaansmiddelen in Harderwijk, zodat deze plaats zich reeds doorde afsluitingbedreigdweet in eenvan haar vitale delen. Er zijn thans nog ongeveer 175

ELBURG EN HARDERWIJK
61
Gezicht op Harderwijk.

vissers (130 zijn er reeds in andere bedrijven of betrekkingen geplaatst) plus 60 knechts en die paar honderdmannen bevaren een kleine 130 schepen (in de laatste jaren is men meer en meer overgegaan tot deelvaart, juist met het oog op het weldra eindigen van de visserij). Men kan dus zeker zeggen dat een 900 a 1000 zielen rechtstreeks van devisvangst leven op een bevolking van 9 a 10 duizend. Daarbij kornt dan noghet belangvan de nauwverwante bedrijven: de garnalenpellerij (uitgeoefend onder andere door een 150-tal keuter-vee-boertjes die zonder deze bijverdienste niet zouden kunnen leven), de vishandel met een jaarlijkse omzet van 5 a 6 ton, de rokerijen, de drogerijen en... de vismeelfabriek van de heren DenHerder**)welke,samen methunkalkzandsteenfabriek die het volk aan het werk houdt buiten het drukke seizoen van het vismeel, aan vele mensen werkverschaft. Om nog te zwijgen van het nogmeer indirecte, maarzeerwezenlijke, belangvandeneringdoenden bij hetwelvaren van devissers en datvan de vermaarde eendenfokkerijen in de omgeving bij de nestvangst. Wat moet er van de vissers worden? Van degenen die elders een bestaan hebben gezocht, zijn sommigen kleine eendenfokkers in de buurt geworden. Anderen vonden plaats in overheidsdienst en slaagden daarin meestalwel. Weeranderen gingen in particuliere bedrijven... en slaagden dan nogal eens minder goed. En gelijk in Vollenhove, hoorden wij ook hier de vraag: waarom laat men het gat van de Vlieterniet althans open totdatde crisiswatgeweken is en er in andere bedrijven weer meer leven komt? Het is een vraagwaarop regeringen Staten-Generaal inmiddels het antwoord gegeven 62hebben.

Zells heeft er zich een zweem van badplaatsleven ontwikkeld.

Ik heb, om niet verdacht te kunnen worden van al te

eenzijdigtezijnvoorgelicht, deze heren nietgesproken. Men kent trouwens wel de forse ‘bazuinstoten’ uit Harderwijk van de onvermoeide bestrijder der afsluiting, E. den Herder.

EN
ELBURG
HARDERWIJK
Vispoort Elburg.

Langs de UtrechtseWal

fgfet

Met lange streken opkruisend in de wind die nagenoegrechttegenwas, bereiktenwevan Harderwijkin zeven uur Spakenburg. De Gelderse Wal is tussen HarderwijkenNijkerknogalafwisselend, metheuvelende stukken erachter en met een bossig aspect in de buurt van Nijkerk.

Deze plaats behoort nog tot Gelderland, maar ikheb haarvan het nabij gelegen Spakenburg even per auto bezochtomdatze, inhetkadervan dezeartikelen, het tijdrovende bezoekvan zee uit nietwettigde, daar ze bijnavier kilometervan de kust afis gelegen en geen visvangst heeft. Haar ligging is dus, aan de oostkant van de Zuiderzee, tevergelijken metdievan Edam in het westen. Evenals Edam heeft ook Nijkerk een haven, ditwil zeggen een langegeuldie in hetplaatsje ophoudt in een kleine verbreding die nauwelijks een havenkom kan worden genoemd. Op mijn klederdrachttocht was ik niet gekomen tot die ‘ha¬ ven’, waarmee ik toen immers niets te maken had, maar ik heb er nu enige binnenschepen zien liggen. Nu, die zullen er nade inpolderingvan Nijkerkin de zuidoostelijke polder, ook nog wel in- en uitvaren, want langs en door de polder zullen die schepen wel kunnen blijven varen. En daar Nijkerk niet aan de kust ligt en geen visvangst heeft, zal er hier economisch, cultured noch pictureel iets worden bedorven. En folkloristisch evenmin, want die enkele interessante mutsen die men hier nog vindt (zie ‘In Kleuren en Kleeren’) zullen niet sneller verdwijnen omdat ze wat meer land tot achtergrond krijgen.

Maar wel geheel anders is de indruk die men meeneemt uit

Spakenburg.

Deze plaats vormt met het (landwaarts in) vlakbij gelegen Bunschoten een tweelinggemeente die, administratief, Bunschoten heet,zodatdeSpakenburgse vissers dan ook de letters BU in hun zeil voeren. De twee delen van de gemeente lopen bijna in elkaar,

vaartuigen aan de kade, alle met gehesen zeilen (waarschijnlijk omdat het zo windstil was en er de volgende dag toch weer zou worden gevaren) en die stonden als een krans van geweldige bruine blaren, het ene deel over het volgende gevoegd, langs de havenrand. Zo zag ik dat bruine-beuken-festoen er de andere dag, ’s morgens om een uur of zes, nog steeds. Toen heb ik, tussen zessen en achten, het allengs ontbladeren van de krans gezien. Blad voor blad lietzich, op een ochtendzuchtje, zachtverzeilen, soms een, soms drie kort achtereen en buiten de havenhoofden werden ze allengs uiteengewaaid totdat het zicht bedwarreld was met het gebladerte van die verloste havenkrans.

Op het uitgangspunt teruggekomen.

maar Bunschoten is het agrarische, Spakenburg het piscatorische deel. En Spakenburg, op zichzelf beschouwd,bestaatevenalsbijvoorbeeldMarken,Volendam, Vollenhove en Urkgeheelvan devisserij. Het is een prachtig en nog uitermate actief vissersplaatsje met bijna 200 (als ik mij niet vergis: 187) varende vissersschepen en, uitsluitend door die visserij, veel bedrijvigheid in een klein bestek. Het uitvaren van een vissersvloot is een bijzonder bekoorlijkgezicht.IkhebdatwaargenomeninHarder¬ wijk. Daar lagen ’s nachts enige tientallen vissers-

Maar in Spakenburg heb ikwat anders gezien. Toen ik er, in de late middag, binnenliep, was de haven al vol schepen en daarwaar zij zich in tweeen splitst en waar hetafslaghuisje staat, was er een voor devreemdelingaanvankelijkonbegrijpelijkgedrang. Desche¬ pen warrelden er dooreen en afen aan, verdrongen elkander (naar ik later begreep: om met hun vangst op de afslagplaats te geraken) met botsende boegen enschonkendezwaarden en om dithero'fekegedrang geheel tot een strijdbeeld te maken, was er boven de dekkeneenkriskrasvankruisendelijnenvandeuiten in het water geplonsde boomstokken. Het was een fantastisch visioen van schier dramatische bewogenheid.

Tegen de avond werd het stiller en van de masten hingen,moirerendinhetwiegelendelicht,deviolettigbruine nettensluiers af. Maar Spakenburg ging toch nietslapen. Hetging... weervisvangen. ’sNachts. En toen de lichtjes plasten in het donkere water van de 65

LANGS DE UTRECHTSE WAL

haven waar de schepenmassa als een schemerige klomp in lag, waaruit de wimpelende stekels van de zwarte masten staken (de masten die de visser altijd naar de hemel wijzen), toen maakte zich, uir die massa, telkens weer een broksel los en sloot, zwart met zijn zwarte zeilen aan de manende vingerknook vanzijn mast dieomhoogwees in denacht, gelijkeen donkere, stille schim weer naar de zee. Zo moet het doorgegaan zijn, heel de nacht. Want ik heb vrachtauto’s naarenvan de kaden horen rijden en de andere morgen lagen erweer andere schepen om mij heen en andere waren weer verdwenen. Wanneer slapen de Spakenburgers?

Toen ik, de volgende dag, na het koffie-uur nog wat bleefliggen met mijn boeier, waarschuwden mij een paarvissers dat ik niet te lang moestwachten als iker nog uit wou voor de avond. Want het was vrijdag en dan zou, van omtrent vier uur af, de hele vloot gaan binnenlopen en dan zou het in de haven nog veel vollerworden dan devorige dag. Wezijn toen buiten dehaven tenankergegaanenwaarlijk: tegenvieruur, daarbegon het! De einderwerd bebloemd metzeilen en allengs beleefde ik het omgekeerde van wat ik in Harderwijk had gezien; nu het binnenlopen van een vissersvloot. Op de kop van het lange havenhoofd stondeenman. Toevallig, denkik, maarhijwerdmij, in ditzeevisioen, een tovenaar. Het bewegenvan zijn hoofd, zijn lijf, zijn ledematen, moet de zeilers op de verrevlakte tot magische tekens zijn geweest, want ik zag ze, uit wijd en zijd, met buigende zeilen en driftige boegen komen aangehaast, in een jachtige wedstrijd van gehoorzaamheid aan de tovenaar op het havenhoofd. A1 dichter en dichter trokken ze

samennaardatenepunt... eenschooteralvoorbij, de vaargeul in en slierde, als in saluut, zijn fok omlaag... en toen dromden ze op die vaargeul af, zwenkend en elkaars wegen kruisend, tot ze de ingang open zagen en dan, de een na de ander, als vlugge vissen binnenschietend, als vissen zelfnu, in de havenfuik gelokt door toverij van een magische man op het haven¬ hoofd. Wat een vissersdrift in Spakenburg!

En ook dit druisende leven zal worden gesmoord en vermoord als men, hetvolgendejaar, hetWorgsnoer overdeVlieterdichtzaltrekken. Metzoveelpittoresks van plaats en volk, waarvan ik gewaagd heb in ‘In Kleuren en Kleeren’ en die ik hervond, nu, op een avondwandeling door het dorp, waar al de vrouwen en meisjes buiten voor of naast de huizen zaten, babbelend of met naaiwerk en alien in die geestige

LANGS DE UTRECHTSE WAL
66
Oudegevelsteen, met een voorstelling van Zeeburgh.

dracht (in de werkdracht, zonder de bovenmuts en dat staat ook heel aardig) die ik in dat boek beschreven heb. Economisch zal de schade die men hier aan zal richten,wellichtteherstellenzijn. Hoewel men er in Spakenburg (destemming leekmij dievanVolendam: zorgt niet voor de dag van morgen) nog helemaal ‘geen gat in ziet’. Maar wat hier, evenals op menige andere plaats, met de ondergang van het

vissersleven aan culturele, pictureleen folkloristische waarden zal worden vernield, dat is onberekenbaar. En onherstelbaar. De laatste plaatsen die ikop mijn rondvaart bezocht, Huizen en Muiden men ziet dat ik het begrip ‘Utrechtse WaT, geografisch-administratief bezien, watruim neem-zijn, inhetverbandmetdeafsluiting en inpoldering, van niet heel veel belang. Wat

Huizen

aangaat, daar is ten eerste de visserij slechts een onderdeel van het plaatselijke leven en bovendien liquideert zij daar zich zelf. Er zijn nog ongeveer 30 vissersschepen (van de voorheen 200), elk bemand meteen ’span’ (tweeman), dus60in hetgeheel. Maar terwijl het in Spakenburg nog wemelde van jonge mensen op de vloot, zijn het in Huizen enkel bedaagden die nogvissen. Iemand van 58 jaarverzekerde mij dat hij nog zowat tot de jongsten hoorde. Allejongemensenhebbenhierallanghetvonnisover devisserij zienkomenenhunheilin anderebedrijven gezocht. Wat hen hier niet zo heel moeilijkviel, daar Huizen zelf enige industrie heeft (rokerijen onder andere, maar die zijn nietzo bloeiend en talrijk meer als vroeger) en Bussum, Hilversum en Amsterdam nabij waren. Voor de vissers van Huizen is de Zuiderzeekwestie dus nog slechts een kwestie van steunregeling... maar die mag dan, voor zulke men¬ sen die ‘hun leven lang’ het gevaar en het ongemak van de visserij trotserend, een vrij maar ruig en sober bestaan hebben gehad, ook wel royaal zijn. Bij een werk van toekomstige miljoenen mag men, ten aanzien van de slachtoffers, niet te schriel zijn met de tientjes. Aan schoonheid zal Huizen, door de inpoldering, nietsverliezen. Watermoois inwas, het boerendorp, dat is er nog te vinden, zij het ook ingebouwd,verdonkeremaandinaldevilla-enwinkelrommel van de laatste dertig jaren. Ze zitten daar achter nog in een klont, die hofsteden zonder land erom (het land, dat was immers de Meent), die wel eencurieusagrarischcomplextezamenvormen. BijMaar het binnenvaren te Spakenburg.

LANGS DE UTRECHTSE WAL
67

met de Zuiderzee heeft dat niets uit te staan. Nog minder heeft

Muiden

daarmee iets te maken. Visserij is er niet (behalve die van de talloze hengelaars voor wie het een paradijs schijnt te wezen) en daar het open blijft (aan het IJmeer) zal zijn uiterlijk, met zijn terecht vermaarde sloten metzijn, ten onrechte, weinigbekende mooie oude kerkje waarin drie bouwkunstgeneraties (Romaans, Gothiek en Renaissance) gelukkig zijn samengesmolten en dat van 1921 tot 1927 dankzij

het initiatiefvan een commissie met zorg gerestaureerd is, in het geheel nietveranderen. Muiden blijft Muiden, in het groen van zijn belommering en aan de spiegel van een waterwijdte. Alleen zal wel, ook hier, gelijk in Volendam bijvoorbeeld, de einder worden ingeschrompeld. En niet meer bespikkeld staan met scheepjes. En Muiderberg, met zijn beroemdeechoenzijnbadstrand, blijftookMuiderberg. De kleinere en intiemere badgelegenheden voor Naarden en Blaricum daarentegen, zullen wel erg veel minder water voor zich krijgen. We konden ze goed onderscheiden toen wij, in een donderbui die

met een onverhoedse rukwind ons de dirk stuk en daarmee het grootzeil neersloeg, tijdelijk ten anker lagen tegenover Naarden. Maar als zoetwaterbadplaatsen kunnen ze blijven bestaan.

Muiden, Pampus... en weer de toren van Ransdorp en de torens en kranen en masten van Amsterdam. De cirkel was gesloten. Ikwas op mijn uitgangspunt teruggekeerd. Maar ik zal nu nog, tenslotte, iets zeggen over de kusten van de Zuiderzee. En over het genoegen (en enkelebezwaren) die ikbij hetvaren op haar vlakte vond. Want ook dat zal, eenmaal, anders worden. En verdient dus te worden vastgelegd.

LANGS DE UTRECHTSE WAL 68

Het vonnis van de Zuiderzee

mi$ 1 »v*». | | Xv ' $£ m ' in?.'

Als men tot nu heeft gelezen wat ik heb geschreven over de plaatsen aan het af te sluiten deel van de Zuiderzee, dan zal men thans allicht vragen: Maar wat ligt er tussen die plaatsen? Hoe zien de kusten er daar uit?

Van de

Zuiderzeekust

tussen de havenplaatsen heb ik slechts zelden gerept omdat ze in de regel, op zichzelf beschouwd, niet belangrijkis.Weialssnoerwaaraandieplaatsaspecten zijn geregen en wel als grenslijn tussen land- en waterzichten. Maarnietopzichzelf. Engelse, Noorse, Spaanse of Bretonse kusten heeft ons land nu eenmaal niet, maar zelfs de duinen die de lijn van onze Noordzeekust ietwat accentueren, ontbreken langs de Zuiderzee. Langs de Veluwe ziet men nog het meest dat achter de kustrand wat opwelft en de drie vermaarde‘Kliffen’ aandeFrieseZuidkust hetRode Klif,hetKlifvan Mirnsendatvan Oldemirdum zijn zulkeonbeduidendemolshopendatmen,vanzeeuit, scherp moet turen om daar een bobbeltje te ontdekken. Trouwens, hetRodeKlifheb ikvan Stavoren uit bezocht en ik heb het lager bevonden dan een flinke terp in Friesland ofvluchtheuvel op Walcheren. En overigens vindt men alleen in het verschiet van het Gaasterlandse bos achter de Friese zuidwal, in de flauwe glooiingen van de Veluwe en wat bos bij Nijkerk en in de bossige stukken tussen Huizen en Muiden, enige afwisselingin de typischekustlijn van de Zuiderzee: de horizontaal van een lage dijk met hier en daar een piekje van een torentje ofvan een

stoomgemaal, de karteltjes van een groepje huisjes, debobbeltjesvanenkelebomenof zeldenhelaas de wentelendewiekjesvan een molentje. Hetenige stuk kust datwaarlijk interessantis op zichzelf, vindt men nietaan, maarin deZuiderzee. Datis Urk, gezienvan

het westen uit, wanneer het, als dat Nederlandse unicum dat een Rots in Zee mag heten (zij het dan maar van keileem), opdoemt uit de watereinder. Wanneer men Urk heeft gezien (van het westen uit)

Heeft Nederlandzijn Zuiderzee eigenlijk welgekend toen het

zijn vonnis streeki

alsmende‘Zuiderzee-silhouetten’vandeANWB ter hand neemt, iets is waarnaar men, varende, niet kijkt. Behalve dat men dit om nautische redenen doet (om te weten, waar men is), blijft het ook altijd een vermaak, om de torentjes en andere topografische tekenen te determineren. En bovendien is het aangenaam om het oog van het ongestage naar het vaste, vanhetvlietende en vormelozewaterenvan de wijkende en ijlende lucht, te kunnen wenden naar hetbestendigevan devastewal. Ookomhetkleurencontrast en om de krachtreflex die het water zelf krijgt door de inlijsting in de nu eens donkere, dan weer goud- en groene walkant. Zelfs een vlaktemens als ik mij is de wereld nooit te wijd en in een bergland zou ik nimmer aarden moet toch het stuiten, afen toe, van het vlaktezicht op accidenten en van het zicht op vastigheden als een vertier ervaren.

en Marken (dat zo laag is dat, in deverte, de huizenpropjes van zijn gei'soleerde ‘buurten’ als rizophoreneilandjes op hetwaterschijnen tedrijven) dan heeft men met het ene de uiterste uitzondering en met het andere het uiterste van de regel in het kustaspectvan deZuiderzeegezien. En die beide, het staal van de uitzondering zowel als het staal van de regel, liggen in de zee (en zullen aangepolderd worden). Nu wane men echter niet dat zo’n, op zichzelf monotone, kustlijn diemenzichheelwelkan denken

Maar wij moeten ook hierbij het kader van deze artikelen nietvergeten: hetverbandmethetafsluiten en gedeeltelijk droogmaken van de Zuiderzee. En dan dient men te erkennen dat eraan het kustaspect, behoudensdatvan de havenplaatsen, doorhetdroog maken en inpolderen wezenlijk weinig ofniets veranderen zal. Want nagenoeg eendere kusten zal het grote binnenmeer ook vertonen, zij het dan met andere dijkjes, andere torentjes, andere huisjes en bosjes en laat ons hopen ook weer met enkele molentjes. Op de kaart gezien zal de kustlijn van de polders zeker minder grillig en levendig wezen dan die van de tegenwoordige kust (dat toont de Wieringermeer nureeds) maarvarende ziet men daarvan toch nietveel. Dan worden de meeste inhammen en 71

HET VONNIS VAN DE ZUIDERZEE

uitzwellingen toch in een vertevlak geprojecteerd. Het verlies in kustaspect zal, bijgevolg, nagenoeg alleen geleden worden waar de havenplaatsen zijn. Maar daar is het dan ook belangrijk.

Het belangrijkste echter van de Zuiderzee, mooier nog en nog interessanter dan haar vele boeiende haventjes en havens, dat is zijzelf: de zee met de schepen, dat wijde, wielende water met de wemeling van schuine, schuivende, bruine en rosse zeilen erop, onder het wijde gewelf van wind en wolken en regengrauw en zonneblauw. Dat is die wonderlijke, kolossale doedelzak die de Noordzee, eeuwen gele¬ den, heeft ingestompt in hetland envolgeblazen met haarzoutewaterdoordepijpjesvandeWaddengaten waarop zij sedertdien, dagin, dag uit, jaarin, jaar uit, al eeuwenlang, de bassen van haar stormen bromt en ookde deuntjes neurietvan haar goedeluimen. Men moet die treffende doedelzakvorm eens op de kaart bekijken... endaarna, opeenkaartvanhet‘Ijsselmeer’ (zoalsdeerfgenaamvandeZuiderzee, bij voorbaatal, zo ‘ingenieus’ gedoopt is), goed waarnemen hoe de vorm van dat meer wezen zal. Een van boven wijde zak met een lange, zich meer en meer vernauwende slurfer onder aan. Precies de vorm van die ‘wonderkuil’ of‘moordkuil’ waarmee de vissers een tijdlang de zee leegvisten. Men had het, symbolisch, niet mooier kunnen bedenken: Het ‘Ijsselmeer’, dat zal de ‘moordkuil’ immers wezen van de hele visserij! Want daarin wordt de ganse Zuiderzeebalg dicht-

Het stoomgemaal Lely, bij Medemblik.

gewurgd. Ikbenechtervan diezeegaanhoudensinds ik, een maand achtereen, langs haar kusten heb gezeild, haar havens, klein en groot, ben in- en uitgelopen, gewaad heb tussen haar vissen (zwemmen kan men in de Zuiderzee heel goed maar baden doet wat vreemd aan als men trapt in de zachte brei van de haastoveralaanwezigevette modderlaag)... en

vooral: geschommeld heb op haar ondiep maar humeurig vlak, mij opgelost gevoeld heb in de wijdten vanhaarluchten enhaarwater. En datwas, hetmeest, juist in die grote zuidelijke balg, die helemaal zal worden dichtgepolderd. Want daar zijn de einders het wijdst en zijn de luchten mateloos. De Zuiderzee is - zeeluiweten dat maaral tewel - een

HET VONNIS VAN DE ZUIDERZEE 72

De haven van Muiden. grillige zee. Dat heb ik, in die maand, ervaren. Mij heugt het openwaaieren van het IJ, toen ik, bij luwende wind, het gerimpeld vlak opvoer naar Pampus. Die stille nacht voor anker met het kwellende water langs de scheepswand aan mijn oor. Mij heugt de stille pracht van het Hoornse Hop toen het schip daar overlommerd lag bij het walplantsoen en

ik daar uitzag, over de spelende zwemmers en stoeiende bootjes in de buitenhaven, naar het blinkende cirkelvlak waarop de bruine scheepjes schaatsten in een wisselend coloriet van zonnelicht en wolkenschaduwen.

En mij heugt het ontzaglijke zee- en land- en luchtgezicht bij Kuinre, op dieeerste avondtoen daar alles

een koraal van kleuren en een symfonie van stille ruimte was.

Maar ik vergeet ook niet die Vikingsvaart naar Stavoren, toen het licht allengs beslopen werd door heimelijke nevels tot de lucht was volgebroeid met valse damp, waaruit een wind zijn aanloop nam, die ons scheepje smaktevan de toppen naar de kolkende holten van de overschuimende golven... totdat het verraad van de grondzee ons op het stenen havenhoofd verstiet.

En evenmin die daverende zondvloed bij Blokzijl, toen de aarde drie dagen langwaterwas, water in het water, water uit de luchten enwater op hetland met, daarachter, de dreigingvan de rennende golvenrijen en, daarboven, de gillende wind.

En ook niet dat zeetje voor Naarden. Hoe liefelijk wiegelend was dat, hoe blauw en hoe beleefd. Die donderbui daarboven het land? O maardiezagenwe immers in tweeen splijten: Amsterdam kreeg zeker straks de ene plas en Hilversum de andere. Ons opende zich eenpoortvan licht. Maar daaruit schoot toen juist die windschicht, die ons zeil afrukte en de zeetoteenbendekeffende, kortehondjesmaakte, die het schip met nijdig schuimen naar de flanken schoten. Ja, zo kan het op deze binnenzee ook zijn.

Dat alles maken de schepen mee, de vissersschepen, die daar schieten uit de haven, die daarwankelen op dewateren, die daar dansen op de toppen, bruisen in de brekers, zwiepen in de winden, vendelen op de einders. De vissersschepen met hun bruine, glimmende lijven en hun brede, soms ook bitse en hooggespitste, botsende boegen. Met het sienna van haar zeilen, dat bij dievan Spakenburg fluwelig-grijzigals

HET VONNIS VAN DE ZUIDERZEE
73

een mollevel kan zijn en bij de Volendammers zo roodbruin dat, in het avondlicht, zo’n zeil vaak opgloortalseenbloeiendrozeblad. Dievissersschepen, hettuitelenvan de masten in dehavens, hetwentelen van de rompen in de golven, het hellen van de holle zeilen tegen de lucht, ja dat vergeet een zeiler op de Zuiderzee zeker ook niet gauw. Wat slenterden ze hooghartigbinnen in dehavenvan Hoorn, achteloos gaande door de spelemeiers als jonkvrouwen, die overhet plebs heenzien! Watwiegeldenhunwimpels waarzestrak in rijen lagen langs de kantigehorizontalenvan degevelplankenvan Marken! Hoestampten ze ongeduldig in de storm, die hen verslagen had gedreven in Stavoren! Hoe luchtig bladerden ze in de morgenklaarte weg uit Harderwijk! En dan vooral: hoe kwamen ze aangebruist op Spakenburg en hoe driftig drumden ze naar de afslag samen en hoe wemelden ze daar de havens vol!

En dan hun viswant, dat ze slepen over de gronden, herenver, getweeenofalleenen dat, aandekade, dan zijn spartelendebotten ofzijn klissende haringlostof dat zijn zilveren ansjovis uitstalt in de netten waar de vis wordt uitgeplukt! Hoe kan dat viswant, als gemoireerdezijde,hetschipvantoptotdekomsluieren met een mantilla van zo hoge statigheid als maar een Spaanse vrouw zich om het hoofd kan hangen. Zo varen ze, die schepen en dievissers, op deZuider¬ zee. Die van Enkhuizen en Stavoren in het noorden, die van Volendam en Spakenburg in het zuiden, die van Marken in het midden, en die van Urk schier overal, met nogveel anderen er tussendoor. Ze varen bij dagenzevaren bij nacht. Als deeenzijn boegnaar binnen buigt, dan schuimt een ander al naar buiten.

Ze hijsen hun zeilen ofze reven ze ofstrijken ze, al naar de wind en het water en de vaart het vergen. Maar ze zeilen, zeilen, zeilen! Ze zeilen ‘s nachts en overdag. En zevissen, vissen, vissen! Ofhetlenteis of herfst, ofde zon brandt ofde hagel striemt, zevissen, dag in, dag uit, jaar in, jaar uit, nu al eeuwen her. Want zezijn zo oud, dievissers en die schepen, als de Zuiderzee. Elkvandieschepen immers isernietmaar

6en: het is het schip dat dit vervangen heeft en dat weer anderen verving. En elke visser is niet enkel die eneman, maar: eengezin, eengeneratie, eengeslacht, een reeksvanvissersgeneraties dieeenvastgeheel zijn van traditie.

Watzullendievisserswordenzonderschip en tuigen

want? En zonder traditie?

En wat zal de Zuiderzee zijn... zonder zeilen?

Want die zoetwatervisserij...? Vogels in de lucht. Zeilen... op het papier, voorlopig.

De Zuiderzee is, eindelijk, niet alleen bedrijfsveld maarookontspanningsplaats. Menmoethaarnamelijk ook gedenken als Sport- en vakantieterrein.

Nu heb ik haar wel niet bevaren als zodanig ik maakte een dienstreis en kon dus niet naar believen gaan ofblijven waar ik het goed vond maar ik heb mijn reis dan tochgemaaktmeteenvaartuigdatvoor pleziervaartisbestemd. Deboeierlijktmij, op dezeer ondiepeZuiderzee, hetmeestgeschiktevaartuigvoor vakantietochten omdat men er overal mee kan komen (ookin de kleinste havens) en omdat het mij als

woonschip het meest geriefelijk dunkt. Ik had het, wat dit laatste belangt, bijzonder getroffen met de Greta, een ijzeren boeier van de welbevaren (en ook als Zuiderzeeman ervaren) schipper A. van Wijngaarden uit het Friese watersportparadijs dat Grouw heet, metdeeveneenservarenbinnenschipperHielke Leeuwen als ‘stuurman’. Geenvan hetoverige tiental schepen datikvoorde reisgezien heb, waszo ruimals de Greta die, behalve een zeer grote stuurstoel, drie kajuiten met tezamen acht slaapplaatsen had en waarin men, in elke kajuit (en ook in de hangkasten enzovoort) rechtop kon staan. Datheteensterkschip was, heeft het getoond toen het, op het stenen hoofd van Stavoren gesmakt, maar een gaatje als een mespunt opliep. Zijn zeewaardigheid is meermalen gebleken. En het was bovendien een ruim woonschip.

Het werd dan ook in elke haven zeer bewonderd en toen we in Hoorn eens een bestelling opgaven en de boeier beschreven, zei de leverancier dadelijk: „0, dat grote schip? Ja, dat weet ik te liggen.” Ook had het nog een motorvlet op sleeptouw die, bij stilte of in een moeilijke haventoegang, naar believen kon trekken ofduwen.

Nu moet ik echter hen die nooit een vakantietochtje maakten, even vermanen om het begrip ‘ruimte’ op zo’n schip niet al te... ruim op te vatten. Ook het ruimste zeilschip op de Zuiderzee blijft toch altijd een klein schip en wie zich voorstelt dat hij in salons zal wonen en op promenade-dekken wandelen, zal zich zeer teleurgesteld gevoelen. Zelfs als men, op zo’n boeierals de Greta, alleen ofmetzijn tweeen uit zou zijn... al heeft men dan niet tepassen en te meten en telkens een menselijke legprent te verschikken

HET VONNIS VAN DE ZUIDERZEE 74

wanneer iemand een kast wil openen, aan een tafel wil gaan zitten ofzijn kooi bereikenwil. Deze laatste noodzakelijkheden krijgt men aanstonds wanneer het gezelschap boven de twee uitgroeit.

Men moet zich behelpen en zich naar elkander schikken. Nu is dit nog niet zo moeilijk, zolang het maar mooi weer is. Dan kan men zich in de stuurstoel, op het dek, en over de walverspreiden.*) Maar

als het slecht weer is en men moet met z’n alien binnen hokken, dan ervaart men pas, hoe klein het ruimste zeilschip op de Zuiderzee toch is. En dan wordtdeverdraagzaamheidweleenszwaarbeproefd.

HET VONNIS VAN DE ZUIDERZEE
75

Wanneer men die deugd (en die van goed humeur) niet in belangrijke mate bezit, dan zou ik zo iemand dringend ontraden om, met meer dan met z’n beiden, vakantiegenot te zoeken op de Zuiderzee. En dan nog iets: men stelt zich een eenvoudig, sober leven voor, zonder lekkernijen (vriend Van Wijngaarden was echter onfeilbaar als kok van een een¬ voudig dagelijks maal) en vooral: zonder mooie kleren. Neem uitsluitend praktische kleding mee (en zo weinigmogelijk), ookvoorslechtweeren bedenkdat de zon op zeewel meer kan branden dan op het land maar dat de wind er ook kouder is... en de regen nog natter! En op regen en wind moet men altijd rekenen in ons land waar het weer zijn mutsje nogal eens scheefkan zetten. Ik heb dat aardig ondervonden in de juli-maand van 1931. Wathet slapen belangt, dat kan men vast en veilig in zo’n schip. Maar al te luidruchtig moeten weer en water toch niet wezen. Er is, tussen de slaper en het water, niets dan de dunne (zij het in casu ijzeren) wand van het schip. En op die gong kan het water heelverschillend spelen. Het kan erlangs strelen met kwelend gemurmel, als een vogel die voor zich alleen een liedje prevelt. Het kan er op tokkelen en lokken met klokkende, koele motieven die telkens verspringen. Maar het kan er ook op klotsen en hotsen met klappen en stoten alsofhet nietwil datje inslaap valt. En het kan er op bonzen en bonken met blaffende klanken, metpatsenalsvanhandelaarsopdepaardenmarktenmetzo agressievestompen dathetnietmeer luimig maar kwaadaardig dreigend wordt. En het weer kan ook wel vrij onaangenaam voor de slaper 76 worden als hij, tijdens een onweer gelijk wij het

kregen, ‘s nachts, bij Kuinre, al maar denken moet aan die zo hoge mast die tartend oppiekt, eenzaam in de wijde vlakte, naar de bliksemsperen. Of als hij, zoals in Blokzijl, een zondvloed neer hoort dreunen, stormgevaarten rond hoort loeien en heel het land een wildewatermassa weet. Erkon niets lekken want het schip lag, buiten de mast, gans onder een groot, goed gesjord bruin dekzeil. Maar juist die wetenschap gafmij, toen het geweld mij deed ontwaken in de dikke, donderende duisternis, het gevoel van stikken in die bruine katafalk en bijna de sensatie

van... voorbarig te zijn bijgezet. Ik ben toen maar gestommeld naar de stuurstoel, waar het dekzeil een verandavormde. ’k Haderfrisseluchten kon althans het lichtje zicn dat op de keersluis flikkerde. Maar dat alles neemt niet weg dat ik, in die maand, varend langs de kusten van de Zuiderzee, ben gaan houden van die zee. En van haar volk en schepen. En dat ik mij nu afvraag: heeft Nederland zijn Zuiderzee wel eigenlijk gekend toen het zijn vonnis streek: Gedoemd ten dode...?

*) Ikneemhierop aan dat menvoorzijngenoegenvaarten niet, zoals ik, om te werken. In het laatste geval kan men gewoonlijk nog minder gezelschap verdragen, althans wanneer men werk te doen heeftwaarbij men wezen en stemming van een omgeving in zich op moet nemen. Voor mij tenminste is het zo: een mens is een gedachte, twee zijn een gesprek, drie maken ruzie ofpret en in elk geval: lawaai.

HET VONNIS VAN DE
ZUIDERZEE
77
78

Cornelis Karel Elout... de hoefijzer-redacteur

Cornelis Karel Elout werd op 7 augustus 1870 in Utrecht geboren. Na zljn middelbare schoolperiode die hij op de HBS doorbracht, voigde Elout de Artilleriecursus in Delft. Dankzij een vriendin van zijn moeder kwam de 21-jarige Cornelis Elout in 189i als redacteur in dienst bij het Algemeen Handelsblad. Hij verdiende toen zestig gulden per maand.

Elout: ..Voorlopig kreeg ikgemengde berichtjes, ‘gembertjes’ noemden wij ze, engrote stukken uit buitenlandse bladen te bewerken."

In 1901 gaan verschillende kranten ertoe over tot het plaatsen van ‘een vaste man in Den Haag', een parlementair correspondent. Het Algemeen Handelsblad was de eerste krant met een correspondent in de residentie, C.K. Elout. Hij voorzietzijn artikelen van een hoefijzer. Dit wordtzijn handelskenmerk en Elout gaat verder door het leven als hoefijzer-redacteur.

Elout maakt een tweetal reizen naar Nederlands-Indie, van waaruit hij brieven aan het Algemeen Handelsblad schrijft. Deze zijn samengevat tot het ‘Indisch Dagboek' en ’De Groote Oost'.

In 1931 maakt hij zijn twee bekendste artikelenseries. De eerste, ‘In Kleuren en Kleeren', gaat over Nederlandse klederdrachten. De andere reeks kreeg als titel ‘De gedoemde Binnenzee’.

In januari 1936 neemt Cornelis Karel Elout afscheid van het Algemeen Handels¬ blad. Elout overlijdt in december 1947.

Martin Monnickendam... een bijzondere schilder

Martin Monnickendam werd op 25 februari 1874 in Amsterdam geboren. Hij was een zoon van Nathan Meijer Monnickendam en Roosje Rippe en van joodse afkomst. Vader Monnickendam was boekhouder in een engros leerzaak, waarin hij al zijn geld had gestoken. De zaak ging echter failliet en dat heeft hij zich zo aangetrokken dat hij kort daarna is overleden. Van 1891 tot 1893 bezocht Martin de Rijksacademie der Beeldende Kunsten en was ondermeer leerling van August Allebe en Carl Dake. Na zijn opleiding woonde en werkte Martin Monnickendam twee jaar in Parijs aan de Quai de la Tournelle en had een prachtig uitzicht op de Seine. Terug in Nederland had hij bij de Maatschappij Arti et Amicitiae zijn eerste tentoonstelling. In 1901 won hij de eerste prijs Schilderkunst bij de Rijksacademie in Amsterdam. Martin Monnickendam trouwde op 9 augustus 1906 metAlise Mouzin. Uit het huwelijk worden twee dochters geboren namelijk Monarosa (Roos) en Ruth.

In zijn leven als schilder wint Monnickendam vele prijzen en exposeert hij in tal van musea en kunstateliers. In 1924 is erzelfs een eretentoonstelling in het Stedelijk Museum ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van deze joodse schilder. Op zijn zestigste verjaardag wordt Monnickendam benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. In 1931 maakte Martin een serie tekeningen en schetsen voor het Algemeen Handelsblad over ‘De gedoemde Binnenzee'. Op 4 januari 1943 overlijdt Monnickendam aan de gevolgen van een longontsteking.

79

De gedoemde Binnenzee is een jubileumuitgave van de Stichting Urker Uitgaven die dit jaar haar 12.5 jarig bestaan vierl. De serie verscheen voor het eerst in 1931 aIs kleurenbiilage van het Algemeen Handelsblad. De artikelen werden vervaardigd door journalist Cornelis Karel Elout. in die tijd beter bekend als de 'hoefijzer-redacteur'. Elout neeml de iezer mee op een rondreis langs en over de toenmalige Zuiderzee. Op boeiende wijze beschrijft hij plaatsen als Durgerdam. Volendam. Marken. Hindelopen, Slavoren. Lemmer, Urk. Elburg, Spakenburg en nog vele andere dorpen. De economie van deze plaatsjes was in het begin van deze eeuw nog voornamelijk van de Zuiderzeevisserij afhankelijk. In dit boek zijn de originele aquarellen en tekeningen van de bekende schilder Martin Monnickendam gebruikt.

Het boek De gedoemde Binnenzee is samengesteld door Wayne Dieleman. in het dagelijks leven journalist bij nieuwsblad Het Urkerland, in samenwerking met de Stichting Urker Uitgaven.

De Stichting Urker Uitgaven heefl tot doeI de uitgave van min of meer belangrijke bijdragen in enigerlei vorm over of in verband met het volksleven. de taal, cultuur en geschiedenis van Urk mogelijk te maken.