De eilanden schokland en urk

Page 1

MUV i*«*i(*>1 . I door H.J. Moerman
DE EILANDEN SCHOKLAND EN URK
A.J. Reijers

De eilanden Schokland en Urk

De eilanden Schokland en Urk

gezien door A.J. Reijers en H.J. Moerman

3e ongewijzigde druk

Bij de omslagfoto:

Schokker huizen op het eiland Urk. Na de ontruiming van Schokland vestigden zich Schokkers o.m. in Kampen, Vollenhove, Volendam en Urk. De huizen werden afgebroken en op de plaats van vestiging weer opgebouwd. Kampen had zelfs een ‘Schokkerbuurt’ (in Brunnepe). ISBN

UITGAVEN

Deze uitgave bevat twee artikelen welke eerder verschenen in resp. het ..Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap”, tweede reeks, deel XLII no. 2, maart 1925. en in het maandblad ..Flevo” 1e jaargang no. 6 e.v., juni 1921. Vanwege het authentieke karakter van deze uitgave werd bij de (her-)zetting vastgehouden aan de door de auteurs gebruikte spelling.

90-71521-13-3 © 1995 STICHTING URKER

Inhoud

Arend Jan Reijers

7 9 11 48 57 77

Hendrik Jacob Moerman Schokland Aantekeningen Urk Aantekeningen 5

Arend Jan Reijers.

6

Arend Jan Reijers

1867 1943

Arend Jan Reijers werd op 20 december 1867 geboren uit een door en door Kamper familie, waarvan verschillende leden timmerman waren. Van zijn overgrootvader „de olde Jan Reijer-boas” zijn nog alle papieren bewaard, die een boeiend verslag leveren van het leven en de zorgen van een timmermansbaas in 1830 en volgende jaren. Zijn achterkleinzoon koos ook voor dat vak. In 1880 was daar nog geen speciale vakopleiding voor. Je leerde het vak in de praktijk en begon, na de lagere school, op je dertiende jaar als krullejongen. Termen als „vorstverlet” waren in die tijd nog niet bekend. Vader kon met smaak vertellen, hoe hij’s winters aan het werk werd gezet „terwijl de spiekers oe in de handen vaste vreuren.” A1 was er dan geen technische opleiding, hij genoot van de lessen op de Burgeravondschool. Toen hij later, door zelfstudie, de akte-middelbaar lijntekenen had verkregen, werd hij directeur van de school, waar hij zelf, als jongen, met zo’n plezier was heengegaan.

Na zijn leertijd werd hij eerst opzichter bij een particuliere architect, later bij de Gemeentewerken te Kampen, waar hij als hoofdopzichter eindigde.

Van de bouwvereniging ,,Eenvoud”, die verschillende complexen zogenaamde Volkswoningen bouwde, werd hij voorzitter.

Ook zette hij zich volledig in voor de restauratie van verschillende monumenten in zijn mooie vaderstad: het Oude Raadhuis met de daaraan geplaatste beelden, de Cellebroeders- en de Broerpoort en het laat-middeleeuws koopmanshuis nu als het ,,Gothische Huis” bekend, dat in nauw overleg met Jhr. Victor de Stuers en de architect Dr. P.J.H. Cuypers voor de sloop werd behoed.

Vader tekende graag, niet alleen voor zijn werk, maar ook uit liefhebberij. De artikelen, die hij publiceerde in tijdschriften als ,,Eigen Haard”, ,,Buiten” en de ,,Bouwwereld” werden altijd met tekeningen verlucht. En toen hij toevallig de beschikking kreeg over de schetsboeken, die ,,een verdienstelijk stadgenoot” Jan Jacob Fels zo omstreeks 1860 gemaakt had, copieerde hij daaruit tekeningen van verschillende Kamper monumenten en stadsgezichten, die nu zijn ondergebracht in het Frans Walkate Archief van de Bondsspaarbank te Kampen. Toen op het eiland Urk riolering moest worden aangelegd, maakte burgemeester Gravestein van zijn diensten gebruik en toen koningin Wilhelmina in 1923 een officieel bezoek aan het eiland zou brengen, won hij vaders advies in voor het aanbrengen van feestversieringen. Een gelukkige omstandigheid daarbij was de aanwezigheid van de Oostenrijkse kunstschilder Rappaport.

Met zijn vriend H.J. Moerman schreef hij enkele artikelen over het onbewoonde eiland Schokland, die het bestuur van de Stichting ,,Urker Uitgaven” nu gaat publiceren.

Ik heb het zeer gewaardeerd, ter gelegenheid van die gebeurtenis iets over het le¬ ven en werken van mijn vader te mogen vertellen.

./. Reijers 7
8
Hendrik Jacob Moerman.

1882-1954

Moerman was een bijzonder mens! Een bescheiden, beheerste, maar toch ongemeen krachtige natuur met een uitgesproken wetenschappelijke aanleg. Deze karaktereigenschappen en aanleg weerspiegelen zich in zijn publicaties. Onopgesmukt en helder gaf hij steeds de feiten weer, logisch trok hij zijn conclusies. In 1915 werd Moerman benoemd tot leraar aardrijkskunde en geschiedenis aan het Gemeentelijke Lyceum te Kampen. Zijn belangstelling voor de Middeleeuwse economische geschiedenis is dan reeds groot en onmiddellijk weet hij de weg naar het oud-archief van de stad te vinden. Het oude handschrift heeft spoedig weinig geheimen meer voor hem, Latijn leert hij zichzelf!

In 1942 ging Moerman wegens een ernstige hartkwaal met vervroegd pensioen, maar ondanks de voortdurende dreiging van de dood, behoorden de jaren na zijn pensionering toch misschien tot de gelukkigste van zijn leven. Tal van artikelen zijn in deze jaren van zijn hand verschenen, de meeste hadden betrekking op de geschiedenis van de stad Kampen en het gewest Overijssel. Zijn publicaties op het gebied van de naamkunde begonnen zowel in Nederlandse als in Belgische vakkringen meer en meer de aandacht te trekken.

Bij zijn overlijden liet hij heel wat geschriften na, te vinden in tijdschriften en handboeken. Samen met A.J. Reijers schreef hij ,,Schokland" (Tijdschrift Kon. Ned. Aardrijkskundig Genootschap deel XL11 (1925)), biz. 151-189. Dit artikel is integraal in deze uitgave opgenomen.

In ,,Verslagen en Mededelingen”, zeventigste stuk, Deventer 1955, schreef C.N. Fehrmann een ,,In Memoriam”, waaraan wij het bovenstaande grotendeels ontleenden.

9
10

DOOR

H.J. MOERMAN en A.J. REIJERS

,,want het oude, verlaten stukje grond ginds in de Zuiderzee heeft voor mij altijd een zekere weemoedige bekoring en telken zomer stap ik er eens ofmeertnalen aan wal.” A. Rengersen.

Inleiding

Er is over Schokland, hoe klein het mag zijn, reeds vrij wat geschreven. Commelin deelt in zijn bekende Beschrijving der Stadt Amsterdam (1693) zoowel over Urk als over de Noordhelft van Schokland menige waardevolle bijzonderheid mee. Dezelfde Noordhelft, het tot de provincie Holland behoorende Emmeloord, werd door Wagenaar behandeld in den Tegenwoordigen Staat van Hol¬ land (deel VIII). In het vierde deel van den Tegenwoordigen Staat van Overijsel (1803), door G. Dumbar, treft men een beschrijving aan van Ens, de Overijselsche Zuidhelft. Een kort opstel over Schokland, ,,door een geachte hand uit dat oord toegezonden”, komt voor in het Nederlandsch Magazijn van 1839. In den Overijsselschen Almanak van 1847 vindt men een bijdrage van G. Mees Az., de meest gedocumenteerde studie over het eiland, die verscheen1 In 1859, toen Schokland ontruimd werd, gaf dr. B. Meylink een boekje uit, ,.Schokland en de Schokkers.” Het is een reisbeschrijving, met historische bijzonderheden, veelal aan Mees ontleend; het bevat daarnaast verschillende belangrijke gegevens2. Een uitvoerig en goed gei'llustreerd artikel over Schokland komt voor in jaargang 1903 van Eigen Haard; het is van de hand van L. Nooter. Een aardig kinderboek over Schokland werd uitgegeven door A. Rengersen in de Stamperiusbibliotheek: ,,Een winter op Schokland.”

Belangstelling in Schokland en de Schokkers bracht ons samen. Het plan ontstond, de geschiedenis en den tegenwoordigen staat opnieuw te schrijven. Veel is ontleend aan vroegere auteurs, maar ook werd gebruik gemaakt van nieuw materiaal. Met erkentelijkheid vermelden we, dat vele belangstellenden hulp verleenden bij het verzamelen van gegevens. De overblijfselen van de Schokker taal, kleeding, overleveringen, zeden enz. moeten verzameld worden. Oude meubels, familiepapieren, afbeeldingen en dergelijke bevinden zich nog in handen van particulieren; ook oude familieportretten. In dit verband wijzen we met aandrang op het Museum van de stichting Campen, dat bij uitstek aangewezen is, om de bewaarplaats te worden van een verzameling Oud-Schokland. Het begin van zulk een verzameling is er reeds; nog

Schokland
11

is het mogelijk, te verzamelen!

Aanvullingen en verbeteringen zullen dankbaar door ons aanvaard worden.

I. Het middeleeiiwsche Schokland

„De oude historic van Schokland is duister”, zoo schreef Dumbar in 18033. Deze duisternis, veroorzaakt door gebrek aan gegevens, heeft nog niet plaats gemaakt voor licht. Eerst wanneer de Middeleeuwen voorbij zijn, worden de berichten minder schaarsch. Het Schokland van later dagen is echter alleen te verstaan, wanneer de oudere geschiedenis, hoe onvolledig dan ook, voorafgaat. De naam Schokland komt eerst voor in het laatst van de 18de eeuw. In de eerste helft van die eeuw en in nog vroeger tijd ontmoet men steeds twee namen: de Zuidhelft heet Ens en de Noordhelft Emmeloord; in het volgende zal blijken, dat de schrijfwijze van deze namen nog al eens veranderde.

In de 18de eeuw werd de scheiding tusschen de beide deelen gevormd door een sloot, ,,benoorden de Gietersche Meer”, die nagenoeg Oost-West liep en 85 roeden lang was4 Volgens Mees lag daar een dijkje, de landscheiding, waarover nog al eens geschil was; de vraag was natuurlijk, wie van de beide helften door de zee geslagen gaten weer dichten moest5.

Er is een lijst van kapellen, die behoorden bij het oude Benedictijner klooster S. Odulphus te Stavoren, van ± 1200. Hierin komen o.a. voor de namen Nagele, Urch, Emelwerth6. In een briefvan 1245 wordt gesproken van de kerken van Na¬ gele, Urch en Emelwerth . De twee laatste namen vindt men daarna eenige eeuwen lang naast elkaar genoentd.

In 1331 wordt heer Jan van Kuinre door den Hollandschen graaf beleend met verschillende in en om Kuinre gelegen goederen, maar ook met het gerecht te Urk (het hooge gerecht slechts voor zes weken) en ,,dat gherechte van Emlairden half.” Zijn „neve” Hendrik van Kuinre hield dit alles ook reeds van den Hol¬ landschen graaf in leen8 Omstreeks 1200 was er een Hendrik van Kuinre, ook Hendrik Crane of de Kraanvogel genoemd, waarschijnlijk door verkeerde opvatting van het woord Cuneranus, in afkorting (Kraanvogel is in het Latijn Crus). Omstreeks 1263 wordt een miles Henricus de Cunre genoemd en in 1297 een gelijknamige famu¬ lus, die elders een ministeriaal van den bisschop heet9. Een stuk van 1364 leert, dat de Overijselsche edelman Roderik van Voorst, wiens voorvaderlijk slot het jaar daarvoor door den bisschop was ingenomen en verwoest het stond te Westenholte bij Zwolle van den Hollandschen graaf in leen ontving Ore en Emelwaerde, evenals zijn vader, die kort te voren gestorven was10

Een latere beleening, van 31 Juli 1412, is wat nauwkeuriger in de omschrijving; hierin is n.l. sprake van de rechten, die de vrouwe van Voorst had op Urk, aan de Zuidzijde van de kerk (ook de Delf geheeten) en op half Emelwaerde11. Regeerden er dus gelijktijdig twee heeren over de eilanden? Blijkbaar wel, want in een brief van 1349 komt een zekere Claes Rawardt voor, die schulte des heren van Cuynre op Emmeloord wordt genoemd, terwijl Coep Benning in hetzelfde stuk schulte des heren van Voerste tot Emelwoerden heet12. Het blijkt niet, of er op Emmeloord een territoriale scheiding was in twee gebie-

12

den. Op Urk was dat wel het geval. Vroeger lag er op dit eiland aan de ZW. zijde een stuk land met een huis, Heerenkamp genoemd; misschien was dit eenmaal Voorster bezit13

We dienen nu stil te staan bij een paar oudere berichten, die wel zwijgen over de Noordhelft van Schokland, maar die toch over Urk spreken.

In 966 schenkt keizer Otto 1 aan het Benedictijner klooster S. Pantaleon te Keulen, waarvan zijn broeder Bruno de stichter was, tot heil zijner ziel o.a. de heltt van het eiland Urk in de Almere. In het begin van de 13de eeuw had dit klooster hier nog een hof en werd tins betaald van weiland en huissteden („de quibusdam pratis et tribus areis”). Als de cameraar het eiland bezoekt, neemt hij voor de lieden aldaar zeven paar schoenen mee, niet uit verplichting, teekent hij aan, maar volgens ingeving des harten en naar oude gewoonte14.

In 968 schonk dezelfde keizer Otto aan het Benedictijner nonnenklooster te Elten al wat Wichman, graaf van Hamelant, in leen had bezeten ,,in territorio Urck in pago Salo” en verder in de graafschappen Nerdinclant en Hamelant. In 996 en 1134 vinden we hetzelfde klooster in het bezit van goederen op Urk en in Naardingerland of het Gooi15.

De vrouwe van Voorst had rechten op de Zuidzijde van Urk; in een brief van 1415 wordt dit land, dat in 1405 de Delf heet, het Monnikenland genoemd. Mogelijk was dit deel van het eiland oorspronkelijk bezit van het Keulsche klooster, indien tenminste de monniken niet die van S. Odulphus uit Stavoren waren, dat in 1245 niet alleen een kerk, maar ook een grangia of voorwerk op Urk had1'’. Het Eltensch bezit, dat zeker op de Noordhelft van het eiland gezocht dient te worden, is later in de handen van de heeren van Kuinre, maar het blijkt niet, wanneer dat gebeurd is. Evenzoo is het niet bekend, hoe de graaf van Holland leenheer werd. Alleen is het zeker, dat het oude Eltensche bezit in het Gooi in 1280 en 1285 aan Floris V kwam17

Te gissen blijft ook, welk lot Schokland bij deze wisselingen onderging. Waren de eilanden een, of behoorde Schokland tot het iand ,,ultra amnem Nakala. usque Vunningam”, dat in 966 ook aan S. Pantaleon werd geschonken18? Wil men een vertaling wagen, dan zou dit kunnen beteekenen: over den stroom Nagel.. . tot Vene (Veenhuizen bij Kuinre), een landstreek dus ten O. van Urk naar de zijde van Overijsel. Elders leest men echter Uahala, maar dan kan de Waal zijn bedoeld en is de andere naam Beuningen of iets dergelijks19.

De heeren van Voorst en van Kuinre in de tweede helft der 14de eeuw waren bondgenooten geweest tegen den Utrechtschen bisschop Jan van Arkel en hadden beide de onaangename gevolgen van hun nederlaag moeten ondervinden. Het kasteel Voorst lag in puin en heer Herman van Kuinre had moeten verklaren, dat hij een dienstman van den bisschop was, op wiens grond zijn slot stond; hij erkende dus zijn afhankelijkheid en zelfs zijn ministerialiteit20 De heeren van Kuinre stonden bij de IJselsteden in slechten roep. telkens werd van hun gebied uit zeeroof gepleegd. Kort na 1363 is de oude Herman van Kuin¬ re gedood, waarschijnlijk in een zeegevecht. Hamburg kreeg hiervan de schuld. De jonge Herman van Kuinre zette uit wraak deze piraterie voort. We naderen nu den tijd van graaf Albrecht, den bestrijder der Friezen. In 1381

13

geeft hij de twee landekyns of kerspele van Orkel en Emelswalde ,,om menigen trouwen dienst” aan heer Dirk van Zwieten21. Inderdaad worden de heeren van Zwieten in de Friesche oorlogen meermalen genoemd; in 1399 is een Dirk van Zwieten b.v. kapitein binnen Stavoren. Door deze schenking waren de heeren van Voorst en van Kuinre dus gedupeerd. In hetzelfde jaar 1381 bouwde Al¬ brecht een sterkte op Urk.

Telkens als in de volgende jaren een bestand gesloten wordt tusschen de Friezen en den Hollandschen graaf, bepaalt men, dat de heer van Zwieten vrede zal houden met den heer van Kuinre. In 1406 verkoopen Flerman en Flendrik, zonen van den jongen Herman van Kuinre, land op Schokland22; de koopbrief wordt ,,om der merre vestenisse” mee bezegeld door een zekeren Claes van Zweten. De verhouding van Kuinre tot Holland was dus toen niet bepaald vijandig meer. Blijkbaar is het geslacht Kuinre in macht en aanzien gedaald tijdens den strijd tusschen Holland en de Friezen. In 1407 verkocht Herman de heerlijkheid Kuin¬ re aan den bisschop. Eenige jaren daarna, in 1411 of 1412, stierf hij. Zijn zoon en naamgenoot werd in 1412 door den graaf van Holland beleend met Urk en Emmeloord^3. In hetzelfde jaar deed de vrouwe van Voorst afstand van hare rechten op de beide eilanden ten behoeve van Herman; deze was dus nu alleen heer van Urk en Emmeloord24 In 1415 gaf hij rechten aan de ,,bueren van Orck ende van Emelweerde”25. De heeren van Kuinre zijn op het gebied der penningkunde berucht geworden26. Ze sloegen n.l. zelt munten en wel nagemaakte Engelsche sterlingen en ook Vlaamsch en Brabantsch geld. Een der muntstukken is merkwaardig, omdat het op de voorzijde het wapen der heeren van Kuinre draagt; het omschrift luidt: H. de Cunre. ,,Dit stuk is buiten kijf een navolging der Vlaamsche oboli.” Een andere munt is ook een ,,brutaal namaaksel.” Op de voorzijde ziet men de L van Lodewyk van Nevers en het omschrift Moneta Gandensis. De naam Gand of Gent vindt men op de keerzijde terug, maar het randschrift is Mo(neta) d(e) Cunra. De letters, die dan nog volgen, zijn waarschijnlijk het slot van Flandrie! Vermoedelijk stond de munt op Schokland. In koopbrieven is meermalen sprake van land, ,,dat gheheten is de munte”, ,,in der munte”, ,,dair die munte op Plach te staen * De laatste omschrijving neemt mogelijke twijfel weg, ook bij hen, die zouden denken aan verwisseling met het woord meente (Een meente of gemeene weide is er inderdaad geweest28.

In de tweede helft der 15de eeuw kwamen Urk en Emmeloord in andere handen. Na den dood van Herman van Kuinre was zijn dochter Alyt hem opgevolgd. In 1461 komt een Evert Vries voor als ,,heere van Oerck ende van Emeloerde”29. Dat was de echtgenoot van Alyt, want in 1475 geeft deze, als ,,weedwe van Evert Vreyse van Stroewyck”, hare leengoederen over aan Evert Zoudenbalch, proost van Maastricht en later kanunnik ten dom30 Sedert waren de Zoudenbalchs meer dan een eeuw eilandheer. In 1495 volgde een broerszoon den kanunnik op; hij heette ook Evert31.

Omstreeks 1470 werd de eerste Evert Zoudenbalch in een proces gewikkeld met den Enkhuizer burgemeester Gerrit Ents, die ook aanspraak op de eilanden maakte. Deze was echter de verliezende partij; in 1477 werden zijn brieven ,,ondeugdelijk en subreptivelijk” bevonden32.

14

De familie Zoudenbaleh was een aanzienlijk patricisch geslacht in Utrecht. In 1555 was een Jan Zoudenbaleh heer van Urk en Emmeloord; er is nog een brief van hem aan de stad Kampen, waarin hij bewijs verzocht uit de archieven, dat Kuinre met Urk en Emmeloord van ouds tot Overijsel behoorde33. In 1568 is Gerrit Zoudenbaleh heer der eilanden; hij huwde in dat jaar met Barbara van Essenstein; in 1598 stierf hij34. Bij testament vermaakte hij voorwaardelijk Urk en Emmeloord aan zijn neef Johan van Fladracken. In 1601 was Barbara van Essenstein vrouwe der eilanden35. Ze stierf in 1614 te ’s Hertogenbosch, waar ze haar huis aan de Jezuieten vermaakte36 Later behoorden de eilanden aan het geslacht Van der Werve, dat in 1660 zijn bezit overdeed aan de stad Amsterdam. De latere eilandheeren hadden zich weinig met de eilanden bemoeid; de belangstelling van Amsterdam zal wel verklaard moeten worden uit het belang der stad bij de vuurbaak op Urk, die onderhouden en tegen de zee beschermd moest worden37 Zooals reeds opgemerkt werd, behoorde de kerk van Emmeloord aan het klooster S. Odulphus. In 1383 kwam de parochie Emmeloord aan den bisschop van Utrecht, in ruil voor Koudum in Gaasterland38 De bewoners waren schatplichtig aan den bisschop; jaarlijks betaalden de ,,bueren van Emelweert” op S. Bontfacius aan den bisschoppelijken rentmeester te Vollenhove een bepaald bedrag3'. Had het eiland misschien oorspronkelijk tot de Utrechtsche kerk behoord?

De Zuidhelft van Schokland, Ens, vormde een gebied op zich zelf. In 1302 wordt een Jacobus van Enesce burger van Kampen; in de volgende jaren komt de naam Enesc telkens voor, als de plaats van herkomst der nieuwe burgers in het burgerboek opgegeven wordt. In 1329 is een zekere heer Hendrik rector der scholen in Kampen en cureet in Ens, dat dus toen reeds een parochie was; in 1388 wordt het in een brief parochie genoemd40.

In 1438 verbiedt de Hollandsche graaf, op verzoek van Kampen, die van het ei¬ land Aense aan lijf en goed te beschadigen41. Op een Overijselsche schattinglijst vindt men het in 140742. Bij latere omslagen betaalt het geregeld met Wilsum enz. in het schoutambt IJselmuiden43. De kerk behoorde tot het kapittel van Deven¬ ter, zooals de meeste Sallandsche kerken; Emmeloord later ookJJ. Er is een kleine kans, dat de naam Ens nog vroeger voorkomt. In een lijst uit de 8ste of 9de eeuw komt een villa Nesse voor45; in een stuk van 793 wordt Enedsae genoemd, tegelijk met een bosch, Seaewald (dat in een stuk van 796 Suiftarbant heet); blijkbaar liggen deze goederen niet ver van Doornspijk46. In een stuk van 790 staat Nasnacheli, mogelijk een combinatie van Nas en Nachel of Nagel . Eenige zekerheid geven deze namen niet; toch kunnen ze naar twee zijden een verklaring van den naam Ens aan de hand doen: of van nes of uitstekende punt, of van end-zee, een verbinding, overeenkomende met het Friesche Oosterzee. Op de lijst der kapellen van S. Odulf komt behalve Urk en Emmeloord ook de naam Nagele voor. Men meent dezen naam, terecht of ten onrechte, terug te vinden in 966 en 1118 en zoekt dit verdwenen kerkdorp ten O. van Urk, waar, zoo¬ als we zagen, eveneens een water Nakala wordt gezocht48 Commelin vermeldt, dat ONO. van Urk, dichter bij Urk dan bij Emmeloord een kerk heeft gestaan, en dat deze plek bij de schippers als Urker Kerkhof bekend

15

maakte hij toen hij met een gezelschap Urker notabelen de Middelbuurt op Schokland bezocht. Hij zit links tussen vrouw en dochter.

Dat er zoveel oudefoto s van Urk en Schoklpnd zijn iso.m. te danken aan H. T. Nieuwhuis, onderwijzer van 1883 tot 1921 Bovenstaande foto

16

was49. Dit Kerkhof wordt door later schrijvers opnieuw vermeld50. Ook in de overlevering der Oud-Schokkers vindt men het. De plaatsaanduiding luidt dan: tusschen Urk en Schokland, op Vi van den afstand van Urk verwijderd. Dumbar zegt van die plaats, dat ze vermeden wordt door de visschers, omdat de netten er vastraken. „Deze plaats noemen zij de Nagel, en een oude overlevering voegt er bij, dat het water hier een oude stad bedekt”51. Mees spreekt ook over stukken muur op den zeebodem. Hij deelt verder mee, dat omstreeks 1772 de vader van een zekere Bruin Visser op deze plaats een kandelaar had opgehaald. Een doopvont in de R.K. kerk te Emmeloord zou door een Visser Cock in de tweede helft der 18de eeuw met een haringnet uit zee zijn opgehaald en ten geschenke zijn gegeven aan deze kerk52.

In 1922 kon de 95-jarige Jacob Visser, een oud-Schokker in de Vereenigde Gasthuizen te Kampen nog met trots vertellen, dat het zijn grootvader was, die indertijd den zooeven genoemden kandelaar uit de zee ophaalde; hij voegde er bij, dat op de Nagel, op 12 a 13 voet diepte, nog blauwe zerksteenen liggen53. We zeggen met Mees: ,,Ieder hechte daaraan zooveel als hij goed vinde”, maar zouden de leiding van de aanstaande droogmaking der Zuiderzee willen wijzen op dit stukje Zuiderzee-overlevering. Het is de moeite waard, toe te zien op wat bij graaf- of baggerwerk daar voor den dag kan komen54 Louw Botter, een der weinige oud-Schokkers, die Kampen nog rijk is, wist het volgende te vertellen. Bij gelegenheid van een ruzie in een herberg op Emelwaard dat op Nagel lag (?) kwam een pastoor tusschenbeide. De ruzie liep zoo hoog, dat de pastoor met een mes doodelijk gewond werd. De stervende uitte de voorspelling, dat deze plek zou verzinken en de visschers aan de steenen hun netten zouden scheuren55. Commelin, die over Urk en Schokland heel aardige dingen schrijft, vermeldt, dat de bewoners van Emmeloord, eerst meer naar het NO. woonden, waar toen veel land was. Ze moesten zich om de zee Zuidelijker neerzetten ,,en was dezelve plaats toenmaals, bij oude luyden, Maenhuysen genaamt, en stonden daar eenige weynig huysen”56.

Dat Schokland vroeger grooter was, daarvan getuigt nog een overlevering: er lag zoover naar het Westen en Zuiden land, dat men slechts twee voer hooi op een dag kon thuis brengen57 Eenzelfde verhaal wordt echter ook verteld van Bunschoten, Nijkerk, Doornspijk en Harlingen58. Een andere overlevering vindt men op meerdere plaatsen terug. De kerken van IJselmuiden, Ens en Nagel zouden in een Iijn hebben gelegen en door drie zusters zijn gesticht. De kerken van Doornspijk, Oosterwolde en Kamperveen, thans alle drie verplaatst, lagen in een lijn op gelijken afstand, hadden gelijken vorm en waren aan St. Nicolaas gewijd59. De Oost-Friesche kerken van Engerhafe, Marienhafe en Osteel zouden gelijktijdig door drie zusters zijn gesticht60.

Schokland is, evenals Urk, kleiner geworden; Nagel verdween. Het meer Flevo der Romeinen werd vergroot tot het Almere der Middeleeuwen, dat reeds vroeg als ,,de zee” wordt aangeduid; eerst in de 14de eeuw wordt de naam Suderzee gebruikt, het eerst door de Duitsche Hanzesteden. We laten eenige feiten volgen, die betrekking hebben op den loop der kustlijn

17

aan de Oostzijde der Zuiderzee. In 814 is er sprake van een veen in Salland, waar de IJsel in zee vloeit61. In 966 heet Urk een eiland in het Almere; in de 9de eeuw heeft de St. Maartenskerk te Utrecht de tiende van de zeevond op Uaroth, dat misschien ook Urk (Orch) is62. De vermelding van IJselmuiden in 1133 is onzeker63. Vollenho wordt in 1134 een streek aan zee genoemd; de tegenwoordige stad wordt niet bedoeld64. Harderwijk betaalt in 1231, als van ouds, waterrecht65. In 1313 wordt vermeld Nulde su¬ per mari66. De gouw Suthergo verdwijnt grootendeels, vermoedelijk door overstrooming67 Van 1310 is het gebod van bisschop Guy, om geen kerken te verplaatsen, die door overstrooming (diluvium) of brand enz. zijn verwoest68 In 1336 worden molensteden bij Elburg vermeld, ,,up der ze, in den aneworp van den zande”69 In 1343 wordt te Oosterwolde een ,,terra dicta aneworp” genoemd70. De Elburger zeedijk is in 1357 aangelegd71. In 1392 wordt Elburg ,,verset op een ander stede” (mogelijk wegens het afnemen der kust); in 1438 wordt het stadsgebied opnieuw vergroot, ,,omme noetz will der zee”72 Van 1447 is de eerste klacht over het hooger worden der vloeden; ze heeft betrekking op het erve Zielhuis in Zwollerkerspel; het is echter niet zeker, of ook overstroo¬ ming door rivierwater is bedoeld73 Een tweede klacht van 1563 (,,alzo die waethervloedt alle jair zwaerder valt”) heeft wel betrekking op het Zuiderzeewater74 Hulkestein, bij Nykerk aan de zee, slaat na 1500 weg75. Hoophuizen is de laatste eeuwen' langzamerhand verdwenen76. Veel eerder is het kerkdorp Biddincheim verdwenen, dat hier misschien in de buurt lag77. Bij Kuinre is land weggeslagen78. Vene, of Veenhuizen, waar de heer van Kuinre in 1331 de rechtspraak had, is verdwenen, evenals Espelo op Urk, een kerkdorp, waar dezelfde heer de zeevond had79

Algemeen valt er dus voortgang van de zee te constateeren, behalve bij de IJselmonden.

Men kan dit landverlies, geheel of gedeeltelijk, verklaren door daling van den bodem. Ook kan vermeerdering van de vloedhoogte, of van de stormvloedhoogte, een rol spelen. Gewone stormschade kan ook voorkomen. Vroeger dacht men veelal aan het hooger worden der zeevloeden door het wijder worden van de zeegaten. In 1516 klaagt Kampen, dat de zeegaten grooter worden; daardoor wor¬ den de onkosten van de betonning in het Marsdiep en het Vlie steeds grooter, want de tonnen slaan vaker weg, zoodat de kettingen langer en zwaarder moeten zijn80.

Van 1655 is het bericht, dat door het verwijden van de zeegaten het water ,.extra¬ ordinary hooge (is) comen op te vloyen”81

We durven niet uit te maken in hoeverre deze factor van beteekenis is geweest. Evenmin willen we beslissen, of daling van onzen bodem in den historischen tijd, die ongeveer algemeen wordt aangenomen, geduurd heeft tot ongeveer 1200 of tot in den tegenwoordigen tijd toe. Het doel was meer, tot het verzamelen van historische gegevens aan te sporen. Alleen nog een paar woorden over de meening van Rutgers, die ook voor het Zuiderzeegebied sinds de 13de eeuw een terugtrekken van de zee aanneemt, dat doorgaat tot in den tegenwoordigen tijd82. Hij zegt, o.i. ten onrechte, dat haast overal langs de Zuiderzee eenige aanwas is te bespeuren. Verder maakt hij ge-

18

bruik van een door Credner opgestelden regel, volgens welken aanwas van land alleen plaats heeft bij rijzing van de kust. We gelooven, dat het niet aangaat, deze stelling om te keeren tot: waar land aanwast is rijzing en waar het afneemt is daling van de kust. Tal van factoren bei'nvloeden toch deltavorming en landaanwas: slibgehalte, zeediepte, rijzing ofdaling van het brongebied der uitstroomende rivieren enz. Bovendien wordt buiten beschouwing gelaten de mogelijkheid, dat er geen niveauverandering heeft plaats gehad.

II. I)e strijd om het geloof

In het vorige werd de geschiedenis van Schokland gevolgd tot ongeveer 1500; in enkele gevallen werd terwille van het verband der feiten verder gegaan.

In de 16de eeuw begint de strijd tusschen den ouden en den nieuwen godsdienst, die niet voorbij ging, zonder ook op het kleine eiland sporen na te laten.

In 1572 werd de kerk te Emmeloord gespolieerd; de plunderaars zullen Geuzen zijn geweest; ze lieten de inwoners met rust. Op Ens waren de huislieden gevlucht83. In 1584 heeft Emmeloord een predikant, Gerryt Reiniers; in 1597 verzoeken schout, kerkmeesters en gemeente op Emmeloord aan den eilandheer om een nieuwen herder. Het volgend jaar is Andreas Caffeberch, de voormalige pastoor van Kamperveen, ,,dener onwerdig des Godtlickes wordts” op Emmel¬ oord84.

Zoo had dus de Reformatie haar intrede gedaan op Emmeloord, dat in 1598 tot de classis kampen behoorde. Petrus Aemilius werd hier in dit jaar beroepen85. Als tijdens het Bestand de godsdiensttwisten uitbreken en de strenge richting, die van Dordt, zegeviert, wordt in 1619 Henricus Jodoci, evenals meer ambtgenooten in het NW. van Overijsel, ontslagen. In 1620 klaagt de provinciate synode, dat de afgezette predikant op Ens, evenals die van Genemuiden, de Kerk door zijn ,,tegenwoordigheid en conversatie” groote schade doet86. Emmeloord had toen geen predikant meer; de bevolking blijkt hier vast te houden aan de kerk van Rome.

In Overijsel dringt men aan op de reformatie van Emmeloord en ook van Urk, waar de mis gehouden werd, tot nadeel der Gereformeerde kerk in dit gewest, ,,naest aen die plaetsen gelegen.” Na overleg met Holland en de Staten-Generaal traden de Staten van Overijsel op, ,,doende den altaer in de kercke te Emmelort affbreecken ende den pape vertrecken”87

Om de kosten werd gecombineerd met Ens. Lambertus Hiddingius was de eerste gemeenschappelijke predikant. Hij ontving een salaris van 300 gulden en boven¬ dien de opbrengst der pastorielanden, mits 10 gulden per jaar uitkeerende aan de kerkvoogden tot onderhoud der kerk. In een staat van 1621 worden deze landen opgenoemd. Men vindt daarin o.a. 6 stukken weiland in de Gunne, een vierendeel van een weide in de Kerkvenne, een halve koeweide in de Strym enz., te samen 15 koeweiden. Ze brachten gewoonlijk 7 gulden per stuk op, maar gaven nu door dijkdoorbraak niet meer dan 4 gulden88.

In 1633 beklaagde de Overijselsche synode er zich over, dat op Emmeloord de priesters voortgingen met huwen en doopen. Jonker Van der Werve was de ,,paepsche heer tot Emmeloort”, aan wien men daarvan de schuld gaf. Toen Amsterdam in 1660 Emmeloord kreeg, vond het er een Katholieken pries-

19
tl/? firTfl fltr / tier- ( lA/s/j /1'
naareen litho
20
ru. Oude Schokker klederdracht
van Villain. (Coll. A. van Urk).

ter en een Katholieken schout. De eerste werd verwijderd en de tweede ontslagen. In 1669 verklaarde de N. Hollandsche synode, dat er op Emmeloord weer een priester was en ook een Katholieke schoolmeester89. Om de veertien dagen kwam de predikant van Ens op Emmeloord preeken, maar de Emmeloorders bleven bijna alien trouw aan de oude kerk. Commelin verhaalt, hoe Johannes Sandes, leeraar op Ens, grooten ijver aanwendde90. ,,Sy evenwel bleven hartnekkig en onversettelijk, wel dervende rond uyt sich laten hooren, dat hy met syn preken daar niet behoefde te komen en evenwel bereyd waren syn jaarlykse wedde, zynde hondert en dertig guldens, aan hem op te brengen.” In denzelfden tijd ging men er nog in processie rondom de kerk91. In 1682 kwam het tot een conflict, toen de Roomsche schout door een Gereformeerden werd vervangen. Deze wilde een priester, die van den vasten wal overkwam, aanhouden, maar werd zelf lastig gevallen. Dertig soldaten moesten de orde komen herstellen. Een der burgenreesters, Klaas Dubbeltsz. werd verbannen. Toch bleef er nog verzet. Meester Paulus Kley, sedert 1684 koster en schoolmeester op Emmeloord en aldaar door de stad Amsterdam aangesteld ,,tot voorstant der ware Gereformeerde religie”, werd geboycot. Op een jaarrekening van 1687 van wat noodig was voor kerk en school, komen niet minder dan 300 exemplaren van Borstius’ catechismus voor92 Op de provinciale synode van 1691 te Zwolle, waar als gewoonlijk de stoutigheden der Papisten ter sprake kwamen, werd door ds. Abraham Riet van Ens bericht, dat de school op Emmeloord zeer floreerde; er kwamen’s winters wel 80 kinderen. In plaats van den Roomschen schout was B. Bruinstein, de secretaris van Genemuiden, aangesteld, die beloofd had, de reformatie op het eiland voort te zetten. Op Emmeloord was toen Berent Hofstede schoolmeester; hij zou ,,jaarlycken voor synen dienst hebben te genieten een hondert silveren ducatons, doch onder conditie, dat hy in de school niet alleene de turf voor de kinderen soude beschaffen, maer oock besorgen, dat deselve met boecken, papier, pennen en inckt en al’t geen welck om lesen en schryven te leeren ervordert wordt, sonder der selver beswaer en op syne kosten souden worden voorsien”93 Dezelfde Abraham Riet teekende in 1696 aan dat het eerste kind van de Emmel¬ oorders op de kerk aldaar gedoopt is, ,,’t welk de heer en mr. Iacob Hinlopen wel scherpelijk heeft in last gegeven.” Het eerste huwelijk op Emmeloord was vijf jaar eerder gesloten in de kerk. ,,Dit is geweest de eerste mael, dat ymant daer is getrouwt, streckende tot mortificatie der paperie en haer dit grottlyks spijtende.” In 1701 werd er weer een huwelijk voltrokken, ,,zynde de kerk vol van Emmeloorders, onder welke een goet getal neertig toeluysterden, al wel de jonge jeucht so niet was.” Riets opvolger, J.C. van Heimenberg, sloot in 1722 een huwelijk. Er waren vele Emmeloorders, ,,die tot elks verwonderinge seer stil saeten.” In 1733 waren er bij een dergelijke gelegenheid over de honderd belangstellenden, buyten de kerk veel rumoer synde”94. Uit een Katholiek doop-, huwelijks- en doodenboek blijkt, dat er in dezen tijd door priesters op Emmeloord geregeld huwelijken werden ingezegend, ook van bewoners van Ens95 Dit boek leert, dat vaak dispensatie moest gegeven worden wegens een verboden graad van bloedverwantschap, wat bij de bewoners van een eilandje licht te verklaren valt.

21

In den loop der 18de eeuw veranderde de houding van onze regeering en van de Protestantsche burgerij tegenover de Katholieken; men trad niet meer zoo agressief op tegen ,,paepsche superstitien” als vroeger. Alleen de gemengde huwelijken wierpen nu en dan wat stof op. In 1757 geboden de Staten van Overijsel, dat kinderen uit een gemengd huwelijk in de Gereformeerde leer moesten worden opgevoed, „sonder te gedoogen, dat deselve door eenig Roomsch priester, kloppe of iemand anders tot het pausdom worden verleydt”96 In 1767 ontving de drost van IJselmuiden klachten, dat kinderen van Ens uit „gespikkelde” huwelijken in dienst gingen bij Roomschen en zoo bekeerden97. Het volgend jaar werd dit door Ridderschap en Steden verboden98 Door de reformatie van Emmeloord hadden de Hervormden de beschikking gekregen over de voormalige Katholieke kerk. Of deze kerk dezelfde was als de reeds genoemde kapel van 1132 en de kerk van 1245, is niet zeker. Er is een bericht dat ten N. van Emmeloord een andere kerk zou gestaan hebben"; de over¬ levering, dat het oude Emmeloord Noordelijker zou gelegen hebben, werd reeds vermeld. Bij een bebakening van het vischwater voor de IJselmonden in 1555 wordt Ensinger kerk als richtpunt meermalen genoemd, maar een kerkgebouw of een toren van Emmeloord nergens; een ver zichtbaar gebouw was het dus toen niet en een toren zal het zeker niet gehad hebben100 Commelin beschrijft, in de 2de helft der 17de eeuw, de kerk als een oud, vervallen gebouw, „staande op een hoop vervuilde koemis, met eenige zooden uyt hun landen en slooten te zamen vermengt.” Hij zegt ook, dat er nog een ,,paapsche doodkist” in gevonden wordt. Een pad leidde van de huizen een eindweegs naar de kerk, die vrij wat hooger stond dan het land. Toch kon er bij stormweer vier of vijf voet water in komen te staan101 Deze kerk is in 1728 afgebrand. ,,Den 29 Sept, heeft D. Joh. Car. van Heimenberg, pred. alhier, de nieuwe kerk te Emmeloort, die voorleden jaer door den brandt met eenige huizen verslonden was, en nu door de mildadigheid van de Wei.Ed. Gr. Achtb. H.H. Borgemeesteren der stadt Amsteldam, als ambagtsheeren dezer plaetse, weder opgebouwt is, ingezegent, onder een groten toevloedt van vreemdelingen, met de woorden van Haggai II, 10, het eerste deel: De heerlykheit deses laetsten huizes zal groter zijn dan des eersten, zegt de Heere der Heirscharen”102.

Met dit gebouw was men niet gelukkig want de Tegenwoordige Staat schrijft; ,,doch dit gebouw is, in den jaare 1749, met 34 huizen afgebrand, die noch niet weder opgebouwd zijn”103

De predikant van Ens heeft er een tijdlang gepreekt in een bovenvertrek van het huis van den onderwijzer, waarbij het auditorium zou bestaan hebben uit den koster-onderwijzer en diens vrouw. Volgens Meylink is dat in het midden van de 18de eeuw gebeurd; dat moet dan zijn geweest tusschen 1749 en 1766, want sedert dat jaar werd er door den Enzer predikant niet meer op Emmeloord ge¬ preekt en gingen de enkele Protestanten vandaar naar Ens ter kerke104.

In het midden der 18de eeuw kregen de Katholieken op Emmeloord weer een ei¬ gen kerkgebouw. In een schrijven van 1811 wordt, blijkbaar op gezag van den toenmaligen pastoor B. Herfkens vermeld, dat het ,,kerkhuys” op Emmeloord plaats aanbood voor 300 tot 400 menschen en dat het, evenals de onder hetzelfde

22

dak gelegen pastorie, door de gemeente zelve voor 50 of 60 jaar was gebouwd105.

In 1825 werd deze kerk door den beruchten Februari-storm geducht toegetakeld; het altaar spoelde zelfs weg106.

In 1842 werd van Rijkswege het Rijk was reeds eerder bijgesprongen in plaats van de verzakkende oude kerk een nieuw kerkgebouw met pastorie gesticht, waarvoor / 10 550 beschikbaar werd gesteld. Het nieuwe gebouw werd op de plaats van het oude gezet; gedurende den bouw deed een particuliere woning dienst als kerk en pastorie107. Deze kerk is in 1858 afgebroken, toen het eiland verlaten werd. Het materiaal, dat bruikbaar was, werd aangewend bij den bouw van de Katholieke kerk te Ommen. Een teekening, met plattegrond wordt nog bewaard op het Provinciehuis te Zwolle108 Van de oudere kerken op Emmeloord zijn ons geen afbeeldingen bekend.

Zooals reeds gezegd werd, wordt een pastoor van Ens in 1327 vermeld; toen was er dus reeds een kerkgebouw. De oudste kerk stond op de tegenwoordige Zuidpunt van Schokland, die nog den naam draagt van Oude Kerk. Deze plaats, ver van het dorp Ens, bewijst reeds, dat hier bewoond land verloren moet zijn gegaan.

De Staten van Overijsel gaven in 1613 / 800 tot reparatie van de kerk en den toren van Ens, omdat ze waren ,,een baecene in zee, daeraen den coopman ende gemeene schipperen merckelicken gelegen”109

In 1621 wordt vermeld, dat de zee de kerk van Ens hoe langer hoe meer nadert; men besluit, het ,,voorgeschantste bolwerck” te versterken, om zoo een ,,oude prochie” der provincie te behouden110

Het oude gebouw werd echter in het begin der 18de eeuw buiten gebruik gesteld.

In het doopboek staat op het jaar 1717 aangeteekend: ,,10 Aug. is alhier voor de eerste maal naast mijn huis in de nieuwe kerk gepredikt”111. De nieuwe kerk stond dus in het dorp, in de z.g. Molenbuurt. Het oude gebouw werd in 1717 niet gesloopt. In 1806 inspecteert de Kamper ar¬ chitect A.M. Sorg het dak van de vuurstokerswoning, dat lekt ,,niettegenstaande het dak zoo hoog mogelijk aan de oude kerk is opgetrokken”112

Tot in de 19de eeuw stonden de restanten van het Middeleeuwsche kerkje op de Zuidpunt, steeds meer in verval gerakend.

Toen de schout Lucas Seidel in 1821 naar een gelegenheid zocht om kwajongens die, zooals hij schrijft, de grootste armoede aan de grootste ondeugendheid paren, een ongevraagd logies te bezorgen, stelde hij o.a. voor om het overblijfsel van den ouden kerktoren, die voor eenige jaren op zes voet na afgebroken was, daarvoor in te richten113 Nog in 1849 schreef Mees, dat de eenzame woning van den lichtwachter tegen de rulne der Oude Kerk stond aangeleund. Er is een plattegrond van de Zuidpunt, naar de kadastrale opmeting van 1822. De bijna geheel afgebroken kerkmuren omsluiten een ruimte, die als kerkhof in gebruik is; aan de Zuidzijde staat de vuurwachterswoning. De woning van den lichtwachter, die er thans nog staat, heeft in den grond 1 m. dikke muren. Dit huis staat waarschijnlijk op de plaats van de oude lichtwachterswoning. Zouden die dikke muren nog de fundamenten van de oude pastorie zijn?

23

1922 niet meer bewoond.

De lichtopstand op de Zuidpunt van Schokland. Ernaast hangt, in een ijzeren stelling, de mistbel. Het huis van de torenwachter werd sinds 24

Gelukkig is van deze kerk een drietal afbeeldingen bewaard gebleven! Ze geven genoeg details, om over de stijlvormen te kunnen oordeelen114. De eerste teekening is van 1729; de naam van den teekenaar komt er niet op voor. Deze teekening geeft wel het duidelijkste beeld van de Zuidpunt. Links staat de rookende vuurbaak; maar de hoofdzaak is, dat de toren Romaansch en de kerk Gothisch blijkt te zijn geweest. De tweede afbeelding is een ongedateerde teekening van J. Stellingwerff, die in de eerste helft der 18de eeuw meer Overijselsche gebouwen in teekening bracht. Ze is niet voltooid of minder correct geteekend, wat blijkt uit de koorbeuk, waaraan zelfs de contreforten ontbreken. Wellicht is dit de oudste afbeelding, zooals de vuurtoren doet vermoeden. De derde afbeelding geeft de vuurbaak gemoderniseerd. De koorbeuk van de kerk is een rui'ne, zonder dak. Het huisje van den ,,vuurbaker” staat er tegen aan.

Er werd reeds melding gemaakt van de overlevering, dat de kerken van Nagel, Ens en IJselmuiden door drie zusters zouden zijn gesticht. Nu is het wel merkwaardig, dat de kerk van Ens blijkens deze teekeningen groote overeenkomst vertoont met de Ned. Hervormde kerk te IJselmuiden, die gedeeltelijk nog uit de 13de eeuw dagteekent. De toren van deze kerk met het aangrenzende schip ver¬ toont Romaansche vormen. Beide torens bezitten een Romaansch bogenfries. Het Gothische priesterkoor van de Enserkerk, dat een veelhoekige koorafsluiting heeft gehad vijf zijden van een regelmatigen achthoek is vrijwel gelijk aan dat van de kerk te IJselmuiden115.

Een verschil is er: het priesterkoor van de Schoklandsche kerk, dat met Ieien gedekt is en vermoedelijk uit de 15de eeuw dagteekent, is, wat de daknok betreft, iets hooger genomen dan het schip tusschen koor en toren, dat met pannen is gedekt. Gewoonlijk ziet men het omgekeerde; zoo ook te IJselmuiden, waar de nok van het koor lager ligt dan de nok van het voorste deel van het schip. De ker¬ ken van Westervoort en van Heelsum b.v. komen in dit opzicht met de oude kerk van Ens overeen.

De afmetingen van beide kerken verschillen weinig. De kerk van IJselmuiden is met den toren buitenwerks 32 M. Iang en 8,5 M. breed. Bij de kerk van Ens bedroegen deze afmetingen 35 M. en 10 M. De teekening van 1729 geeft de meeste bijzonderheden: de vorm der vensters, de zuiver Gothische contreforten; ook de dakbedekking is af te lezen. Op de derde teekening, die omstreeks 1820 gemaakt zal zijn, heeft de kleine Ro¬ maansche toreningang met bijbehoorende venstertjes plaats gemaakt voor een poortje met driehoekig fronton, dat vrij zeker het werk is van den stadsarchitect A.M. Sorg te Kampen (t 1825), die ook soortgelijke ingangen ontwierp voor den Boventoren en de Doopsgezinde kerk in deze stad. ,,Belangrijk zoude het zijn, de fundamenten van den bouwval te onderzoeken”; Mees wilde daartoe pogingen aanwenden116. Inderdaad is er later een onderzoek ingesteld door den geneesheer van het eiland C.L. Meyer; resultaat had dit echter niet. Meylink, die dit vermeldt, voegt er bij, dat bij zijn bezoek, in 1858 het kerkhof, binnen de kerkrume, in een erbarmelijken toestand verkeerde117. Sedert 1717 stond er dus op Ens een kerk in de Midden- of Molenbuurt. Dit ge-

25

bouw deed dienst tot 1833, toen het wegens verval werd gesloopt. Van deze kerk bezit het Overijselsch Museum te Zwolle een afbeelding, fraai van teekening en kleur, in den trant van Remmers118. Het onderschrift luidt ,,Schokland”, maar de situatie is zoo, dat alleen Ens voorgesteld kan zijn, met links in de verte, een andere, kleinere buurt, de Zuidert.

De eerste steen van de nieuwe op paalfundeering gebouwde kerk op Ens werd 22 Mei 1834 gelegd. Ze deed dienst, tot het eiland verlaten werd. Afgebroken werd ze niet; nog verlevendigt het aardige torentje, dat boven de iepenboomen uitsteekt, het silhouet van Ens.

We laten thans volgen een lijst der predikanten van Ens (en later ook van Emmeloord), in hoofdzaak naar de gegevens van Moonen:

Petrus Aemilius, beroepen 1598. Gellius Sextinus. Nikolaus Joannes Lachtrop, tot 1618. Henricus Jodoci, 1618-1619 (toen ontslagen). L.ambertus Hidding, 1619-1624. Joannes Kosterus, 1624-1926.

Otto Gerritsz. Radijs, 1627-1637.

Jan Jansz. van Uitgeest, 1637-1638. Wilhelmus Theodori Vinmannus, 1638-1647. Joannes Grevestein, 1647-1649. Franciseus Stallyn, 1649-1650. Joannes Hermanni, 1650-1672. Petrus Hulzenaer, 1672-1675. Joannes Fellinger, 1675-1688. Abraham Riet, 1688-1720.

Johan Carel van Heimenberg, 1721-1741. Berhard Gertner, 1741-1763.

David Nicolaas van Nes, 1763-1775. Herman Nicolaas Gillot, 1775-1809. Verder stonden hier in de 19de eeuw J.J. Andreae, K.K. Winkel, A.J.M. Tim¬ merman, G.G. de la Couture, I. Maks, C. Ribbius, J. Cromhout en J.C. Riethagen.

Volgens het Katholieke doopboek van Emmeloord waren hier de volgende pastoors:

Arnoldus van Boekholt, 1762-1766.

Antonius van den Berg, 1766-1772. Nicolaus Maria Pas, 1772-1779. Henricus van Born, 1779-1790. Hermannus Willemsen, 1790-1796. Bartholomeus Dorenweerd, 1796-1808.

Ioannes Dijkhuizen, 1808.

Ioannes laspar, 1808-1810. Na 1810 vindt men de namen Bernardus Herfkens, I. Willemsen, J. Bosch, A.

26
27

Naar een i8 dc eeuvvsche gekleurde Penteekemng, vermoedelijk van

28

Legebeke en A.F.S. ter Schouw. Van Boekholt noemt zich missionaris; Van den Berg betitelt zich het eerst pastoor; deze spreekt ook het eerst van Romana Ecclesia Emmeloortensi; voor dien tijd wordt van statio gesproken. Bijzonder uitvoerig is het Doopboek bijgehouden door B. Dorenweerd, later de eerste pastoor der O.L.V. kerk te Kampen (f 1832)119

III. De strijd tegen het water ,,Drassig land, meer voor eenden en ganzen dan voor menschen bewoonbaar.” ,,Een door paalrijen in den bodem der Zuiderzee vastgepend lapje grond.” Zoo wordt Schokland door twee bezoekers, Mees en Nooter, geteekend.

De geologische kaart van Staring geeft het eiland aan als een stuk laagveen. De bovenlaag is echter klei. De schrijver in het Nederlandsch Magazijn van 1839 deelt mee, dat onder de kleilaag van 1-1 Vi M. dikte (hij spreekt van de ,,weeke, maar tevens vette gesteldheid” van den bodem) een 2-3 M. dikke veenlaag ligt, die op zand rust120.

Reeds in de 17de eeuw werd de bodem onderzocht, in verband met de verdediging van het land tegen de zee door middel van dijken en palen. In een rapport van 1691, opgesteid door den bekwamen ingenieur H. van Linden, wordt opgegeven, dat onder 5-6 voet klei de grond ter diepte van 22-24 voet uit ,,losse en spongieuse derry” bestaat (die ook den bodem van de zee ten W. van het eiland vormt), ,,onder welke bij boringe gevonden is vaste zandgrond”; hierin was men op een paar plaatsen 4-6 voet doorgedrongen121.

In 1709 is van Linden weer op Ens geweest, blijkens een ander rapport om na te gaan, wat er tegen den voortdurenden afslag te doen viel. Hij vergelijkt dan met een in 1699 gemaakte kaart, de eerste detailkaart, waarvan melding wordt gemaakt; ze schijnt echter verloren te zijn geraakt122

In dit rapport, dat niet optimistisch gestemd is, stelt hij de merkwaardige vraag, ,,of er geen doenlijk middel soude zijn eenige der groote en vlakke sanden tusschen de Noordhollandsche en Vriesche kusten door een gedurige aanwinning met de tijd het hoofd weder boven water te doen steken en hierdoor de zwaare invloed van de Noordzee van tijd tot tijd meer en meer te betoomen en eindelijk buiten de aaloude boesem van de Zuiderzee te houden.” Want de Noordzee is volgens dezen man van de waterstaat ,,de groote oorzaak der ongemakken”123. Eentonig is het verhaal van dien taaien strijd tegen het water. Enkele feiten kunnen er naast de reeds genoemde een denkbeeld van geven. In 1563 steekt Johan Gijsberts de spade op zeven stukken land te Ens: de oude rechtshandeling bij onmacht om den dijk te onderhouden124. In 1629, 1636, 1639 en 1650 is er sprake van het wegspoelen van landerijen125. In 1698 wordt gezegd, dat aan de Westzijde binnen menschengeheugenis het land zeer afgenomen was, zoodat ,,dergen soo groot als boereschuiren”, opgeworpen werden en men de dijken telkens moest intrekken126

De kosten van de verdediging tegen het water liepen zeer hoog. Daarom voerde men het Enser geld in, in 1634, een stuiver, die geheven werd van elk de provincie Overijsel in- en uitgaande schip; het werd nog in het begin der 19de eeuw gehe¬ ven. Omdat ook dit niet voldoende was, kwam er in 1710 een overeenkomst tot stand met de twee andere belanghebbende provincies, waarbij bepaald werd, dat

29

Overijsel ongeveer de helft van de nieuwe belasting zou opbrengen. Sedert genoemd jaar werd n.l. van alle schepen, die in een der drie provincien thuis behoorden en bij Ens ankerden, in het gat van Ens, een ankergeld geheven. Amsterdam, dat zelf voor Emmeloord te zorgen had, hief een ankergeld van aldaar ankerende schepen127.

In de 18de eeuw vinden we op Ens opzichters, belast met het toezicht op de dijken en het paalwerk; in de eerste helft van die eeuw Lubbert en Jan Draak en in de tweede helft E.P. Seidel.

De Fransche tijd bracht een groote verandering, wat het bestuur van het eiland betreft. De stad Amsterdam oefende niet langer de heerschappij over Emmel¬ oord uit. Na eenige wisseling kwam geheel Schokland voor goed bij de provincie Overijsel128.

De zooeven genoemde E.P. Seidel werd de eerste maire van Schokland. In 1811 legde hij deze betrekking neer. Van hem is een goede kaart van Schokland afkomstig, van het jaar 1789.

Er is in dezen tijd sprake van geweest, Schokland voor een deel aan de zee prijs te geven. Uit een rapport van den Hollandschen inspecteur-generaal Brunings van 1788, blijkt, dat men van Hollandsche zijde weinig lust had om nog iets voor Emmeloord te doen. In dit gedrukte rapport, dat ook een korte beschrijving geeft van de ,,gesteldheid van het eiland Schokland”, wordt o.a. gezegd, dat Ens rondom'door palen beschermd is, maar Emmeloord slechts voor een deel, bij de haven. ,,De overige oever van Emmeloord, aan de West-, Noord- en Oostzijde, bedragende een lengte van omtrent 1000 roeden, is nog zonder zeewering en ge¬ heel ongedekt.” Schokland wordt, met een Zeeuwschen term, een stelgors genoemd, waardoor de Overijselsche kust bij stormweer eenigszins gedekt is. Dat het zou meehelpen om het Kamper en het Zwolsche Diep in stand te houden, wordt ontkend. Wei acht men het van belang als haven voor de kleine seheepvaart, maar Ens meer dan Emmeloord129.

Men hoort vooreerst niet meer van dit plan. In 1804 begon de ingenieur Pereboom met den aanleg van een steenen dijk, die het eiland aan de Westzijde zou beschermen. Het bestaande kist-paalwerk, een dubbele rij palen met een daartusschen aangebracht opvulsel van bladriet en steen, was vervallen en hout kon men door den oorlog uit het buitenland niet aanvoeren130

Deze nieuwe dijk lag 30-40 M. binnenwaarts van het oude paalwerk en was ruim 2 M. boven dagelijksch water hoog. Lang hield die dijk het echter niet uit; hij begon te verzakken en weg te slaan.

Vooral het jaar 1825 werd noodlottig. Bij den storm van 3 en 4 Februari rees het zeewater tot een hoogte van 10'/2 voet. In het W. was in Oct. 1824 reeds 2000 M. dijk vernield; in het O. sloegen thans 1800 palen weg. De vuurtoren moest na den storm vernieuwd worden. Uit de kerk op Emmeloord spoelde het altaar weg; 70 huizen op het eiland werden zwaar beschadigd, 26 woningen werden geheel vernield. Dertien menschen vonden den dood in de golven131.

De dijk aan de Westzijde werd vervangen door een steenen overwerk, 5-6 M. breed, maar slechts Vi M. boven dagelijksch water hoog. Dit brak echter de kracht van de zee niet voldoende, deze viel zelfs bij Westenwind het paalwerk aan de Oostzijde aan, diepte achter het oeverwerk kuilen uit en deed door den te-

30

rugslag van het water ten Westen van de buurten gaten ontstaan. Het buitendijksche land verdween in de eerste helft van de 19de eeuw geheel; aan de hand van kaarten uit dien tijd is dit proces stap voor stap te volgen. De Oostzijde van het eiland werd beschermd door een rij palen, van achteren door een gording verbonden en op afstanden van 2-2,5 M. met schoren aan ingeheide palen in den wal bevestigd. Op deze schoren lag op schuine klossen een loopplank. Dit was de bekende kistdam, de eenige verbindingsweg tusschen de buurten. Meylink beschrijft, hoe op dat smalle pad de Schokkers voor een vreemde uitweken, door een voet op een paal te zetten, de andere zwevend boven het water; ook, hoe de eilanders elkaar bij het lijf vatten en om elkander heen draaiden132.

Dezelfde schrijver vermeldt, dat de bodem van Schokland in 1804 is onderzocht door L. Seidel. Dit onderzoek zal wel in verband gestaan hebben met den aanleg van den reeds genoemden dijk aan de Westkant. Meylink voegt er bij, dat L. Sei¬ del toen burgemeester en opzichter van de waterstaat op Schokland was. Dit laatste is mogelijk, maar burgemeester was toen E.P. Seidel. L. Seidel werd in 1818 schout; hij was toen reeds conducteur of waterstaatsopzichter133. Het resultaat van Seidels boringen vindt men bij Meylink afgebeeld. Het kleidek en de daaronder liggende veenlaag, die van Linden in 1699 vermeldde, worden in hun wisselende dikte van Zuid naar Noord voorgesteld. De ondergrond van zand heeft een eenigszins onrustige oppervlakte. Vooral valt de diepe geul op, onder de Noordhelft van het eiland, waar het veen meer dan 7 M. dik is. Een spoor van een oude rivierbedding?

Elders komt het zand dicht aan de oppervlakte. Een deel van het eiland heette zelfs het Zand; het lag hooger dan het oeverwerk134. Dezelfde plek wordt zeker door Van Baren135 bedoeld, die van een zandige hoogte spreekt en hier keileem vermoedt.

Ongeveer op de plaats van de oude scheiding tusschen Emmeloord en Ens vertoont de oppervlakte een lichte inzinking; het eiland is hier het smalst. Heeft hier misschien vroeger een natuurlijke scheiding bestaan?

IV. De Schokkers; hun kleeding en woning Oudere schrijvers over Schokland zeggen van de bewoners niet veel, en ook niet veel goeds. Slichtenhorst heeft het over de arme visschershutten van Ens en Em¬ meloord. Van de bewoners heet het, dat ze ,,zoo van tael als plompe kleedingh en ongeschickte zeeden schier wilde menschen gelijken”136. Deze ongeschikte zeden zal men wel moeten zoeken in de gewoonte, huwelijken te sluiten zonder eenigen omslag van geboden en dergelijke; ,,onordentlykheit van trouwen” noemt Commelin het. Hij voegt er echter bij, dat de nieuw gepaarden voor of na dien tijd door een ,,Roomsgezinden leeraar” in den huwelij¬ ken staat werden bevestigd137.

Le Francq van Berkhey verklaart, dat de Schokkers met de Urkers groote overeenkomst vertoonen. Hij noemt dan een bijzonderheid, die naar zijn meening nader onderzoek verdient. ,,Men heeft mij naamlijk gemeld, dat de Schoklandsche vrouwen, die tenger en ongemeen blank, maar ook zeer sproetig zijn, meest alien rood of ros hair hebben.” Hij stelt de vraag, of men aan natuur of kunst

31

walerloeristen of, zoals hier, een groep verpozing zoekende Urker ,, dagjesmensen' in alle rust positie kiezend voor de (Fotofotograaf. coll. T. de Vries)

Hoewel het eiland in 1859 werd ontruimd, bleef Schokland aantrekkingskracht uitoefenen op mensen van allerlei slag: schrijvers, journalisten,

32

moet denken138.

Mees zegt alleen maar, dat de Schokkers blond en vaak zelfs hoog blond zijn, kort en eenigszins gedrongen van gestalte, in lichaamsbouw afwijkend van de grooter en forscher Urkers.

De bevolking van Marken en Urk (ook die van Volendam) is anthropologisch onderzocht; met de Schokkers is dat niet gebeurd. Dat is jammer, want een eilandbevolking is anthropologisch vaak interessant. Le Francq van Berkhey, die groote belangstelling toont voor het menschenslag, dat verschillende streken in ons land bewoont, schreef: ,,De eilanders zijn de zuiverste en onvermengdste ingezetenen onzer landen.” Nu zou men zeggen, dat oude raskenmerken hier mogelijk zuiver zijn bewaard door de afgezonderde ligging.

Wat nog wel mogelijk is, is het verzamelen van afbeeldingen van oude Schok¬ kers; een typische kop zegt soms evenveel als een rij cijfers. De stichting Campen te Kampen is begonnen met aanleggen van een foto- en kleeren-verzameling, die en voor de anthropologie en voor de costuumkunde eenige waarde kan hebben. Mees en Meylink oordeelen gunstig over het karakter der Schokkers; ze roemen hun eerlijkheid en vredelievendheid. Alleen op enkele dagen haperde er wat aan de laatste eigenschap. In 1819 schrijft de schout L. Seidel, dat de ,,andersints goede en stille ingesetenen” van het eiland zich op het a.s. Pinksterfeest niet door brooddronkenheid te schande moeten maken, terwijl hij hoopt, dat ,,het jonge volk zich niet dronken moge drinken”139

Ens en Emmeloord verschilden in dialect; dat van Ens naderde volgens Mees meer tot het Overijselsch. Deze geeft eenige staaltjes van de spraak der beide helften; of hij aan zijn voornemen, om meer dialectproeven te geven, heeft voldaan, is ons onbekend140.

Volgens Te Winkel’s dialectenkaart zijn de Urkers Friso-Saksers. Bevoegden mogen uitmaken, of dit met de Schokkers ook het geval is. Opmerking verdient, dat volgens het burgerboek van Kampen Ensers en Emmeloorders, die zich tusschen 1300 en 1400 in Kampen vestigden, vaak de voornaam droegen van Tydeman, Ghert, Lubbert, Oetbert, Volcmar, dus Saksische namen, maar ook Friesche voornamen, zooals Nanne en Bole. In de doopboeken der 18de eeuw zijn veel voorkomende mannenvoornamen Bruin, Dubbelt, Louw en Reyer; vrouwennamen waren Brechtje, Aaltje, Jannetje, Merrike. Huwelijken met Volendammers kwamen nog al eens voor. Naast de officieele namen waren er ook andere in omloop. Jan Jans en Jan Ja¬ cobs werden door den volksmond onderscheiden in Dirkjes Jantje en Brechten Jantje; Jantje de vuurbaker werd genoemd naar zijn beroep. Als Louw Jans huwt, wordt zijn tweede naam Dubbels Louw ook vermeld; zijn aanstaande vrouw Grietje Gerrits heet Louwen Griet. Reyer Jacobs is Kalen Jacobs Reyer, Peter Tymens is Kleyn Aaltjes Peter, enz.141. In de tweede helft der 17de eeuw vond men op Emmeloord ongeveer 45 huizen, op van aarde en mest opgeworpen werven geplaatst, maar toch niet zoo hoog, of bij stormweer stond het vee tot het onderlijf in het water142. In 1800 had Emmeloord 50 huizen met 315 inwoners en Ens 50 huizen met 300 inwoners143 In 1840 telde geheel Schokland 695 bewoners, 506 Katholieken en 189 Flervormden. Emmeloord had 415 bewoners, waaronder slechts 11 Her-

33

vormden; de overige bewoners waren Katholiek. Ens, d.w.z. de Molenbuurt, telde 203 bewoners (118 Hervormd, 85 Katholiek); op de Zuiderbuurt woonden 77 menschen (60 Hervormd, 17 Katholiek). In 1858 telde het eiland 588 bewoners. Op Emmeloord woonden 388, op Ens 200 menschen; de Zuiderbuurt was toen reeds ontvolkt144. Enkele openbare gebouwen en woningen van officieele personen waren van steen. De gewone huisvesting was een woning van hout, bij de meesten met een vloer van klei en een rieten dak. Geen wonder, dat het brandgevaar groot was. Er werd reeds opgemerkt, dat Emmeloord in 1728 en in 1749 gedeeltelijk afbrandde145. Ens brandde in 1647 af; de Raad van Kampen gaf in 1649 ,,de van’t eylandt Ens tot verseth van hare grote geleeden schade durch den brandt gecauseerd”, 250 gulden146 In 1775 brandde op 28 en 29 September de geheele Zuider¬ buurt af, bestaande uit 10 huizen (bewoond door 17 gezinnen, totaal 76 perso¬ nen). De provincie sprong toen bij met 1500 gulden147

De huizen stonden, met den gevel naar het Oosten gekeerd148, op de drie buurtwerven, die hoogstens 30 M. breed waren en ongeveer 2 M. boven dagelijksch water hoog. ,,Hoe zeer nu bij hooge vloeden, als de buurtwerf 1 a 2 voet onder water staat en de voile zee met 7 a 8 voet diepte tegen de Westelijke palenrei der buurten aanbuldert, hoezeer dan alles dreunt en kraakt, valt ligtelijk te begrijpen.” Dan was de loopplank tusschen de buurten onder water. Het eiland werd dan drie eilanden, ieder ongeveer 5 minuten gaans in omtrek149. Het uiterlijk en innerlijk der woningen kennen we uit enkele afbeeldingen en uit beschrijvingen van Mees en Meylink. Groot is de overeenkomst met de nog be¬ staande huizen van Oud-Urk150, met Marken en Volendam; deze overeenkomst valt onmiddellijk op bij de afmetingen en bij de plaatsing van deuren en vensters. De zoldering was laag, het dak betrekkelijk hoog; de zolderruimte was de droogplaats der netten. Kleurig was het verfwerk, van buiten groen met witte lijnen afgezet, binnen donkerrood en blauw of groen. Deze traditioneele vormen en kleuren geven karakter aan onze oude visschersplaatsen!

Te Kampen staan in de Schokkersbuurt nog een paar huisjes, die door den onderwijzer van Emmeloord, A. Legebeke gebouwd zijn, na de ontruiming van het eiland in 1858; hiervoor is afbraak gebruikt van Emmeloorder woningen. Het inwendige der huizen noemt Mees, die Schokland bezocht in een tijd, dat alle welvaart verdwenen was, ,,onzindelijk en afzigtelijk.” In een der hoeken van de kamer was de zoldering lager; hier was de vuurhaard. De rook ging tusschen het lagere en het hoogere deel van de zoldering naar boven en bereikte zoo de vliering, waar de netten gedroogd werden151.

Meylink zegt, dat op Emmeloord midden in het vertrek een stookgat in den grond was. Eenige voeten daarboven hing een houten koker in trechtervorm, die naar den zolder leidde. Hier vond men twee tegenover elkaar geplaatste luchtgaten, die men kon openen en sluiten152. Een schoorsteen was er dus niet. Op Urk vond men in het begin der 18de eeuw evenmin schoorsteenen: de rook vloog ,,ter deur of ten venster uit”153. In 1800 had men in Rouveen en Staphorst bij uitzondering schoorsteenen154.

Als drinkwater diende het regenwater, dat vaak in bakken werd opgevangen. Aan de kerken waren de groote armenbakken, waaruit het water voor een klei-

34

Het kerkje op de Middelbuurt verheft zich, als vanouds, boven het paalscherm. Het allijd woelig water is getemd, verbannen achter strakke dijken. Slechts de wind heeft nog vrij spel, nu over het vlakke polderland.

(Foto G. Pasterkamp)

35

nigheid verkocht werd. Was het lang droog geweest, dan voerde het beurtschip IJselwater aan. In den winter ontdooide men wel zeeijs155.

De talrijke branden en de heerschende armoede maakten, dat in het midden der 19de eeuw nog maar weinig ouderwetsch huisraad meer aanwezig was. Toch spreekt Mees nog van enkele kasten met gesneden paneelen, van pronkbedden met veelkleurige kussens en van krompootige wiegen „uit vader Cats”156

Het schijnt wel, dat de oude kleederdrachten in het midden van de vorige eeuw reeds voor een deel aan het verdwijnen waren. De oude vrouwendracht, door weinigen nog gedragen, bestond uit een vest van damast, middel genoemd, van voren toegeregen met geel koord. Daar onder droeg men een roode baaien borstrok met losse mouwen van rood laken, op de naad met een geborduurde Streep van gele zijde. Verder een muts van rood baai en daarover een blauwe muts, met geel gestreepten platten bodem157.

Het is deze dracht, die afgebeeld is op een gravure van 1787, van Rein en Vinkeles, waarvan het onderschrift Iuidt: ,,Kleeding van mannen en vrouwen op Emmeloord.” Op deze, naar het leven geteekende, afbeelding zijn het geregen middel en de muts, eenigszins naar Urker model, wel te herkennen158.

Een fraai gekleurde gravure van Maaskamp (1803), geteekend door Portman, stelt een Schokker echtpaar voor, waarvan de vrouw hetzelfde kostuum draagt159

We vinden het ook terug op een der twee gekleurde teekeningen van Schokland, die in 1825 bij Buffa verschenen: een vrouw binnenskamers, met een cilindermuts a la Marken, waar van voren een haarlok uit hangt. Ze draagt een keurs, dat van voren dichtgeregen is; de mouwen bezitten een boven- en een onderstuk van ongelijke kleur160.

Dan zijn er nog twee houtsneden met dit kostuum. De een staat in het Nederlandsch Magazijn van 1839 en is van Van Arum; de andere komt voor in De Aardbol, een boek van 1841, en is geteekend door G.K. (romsigt). Ze vertoonen zeer veel overeenkomst. Mogelijk is de houtsnede in De Aardbol vervaardigd naar een teekening van Haasloop Werner, den vermoedelijken schrijver van het stukje over Schokland in dit werk; deze maakte wel meer teekeningen bij wat hij schreef161. Van wien het opstel over Schokland in het Nederlandsch Magazijn afkomstig is, blijkt niet; er wordt alleen gezegd, dat deze beschrijving ,,door een geachte hand uit dat oord (is) toegezonden.”

De tweede plaat van Buffa geeft een andere Schokker vrouwendracht, n.l. die met de witte vrouwenmuts, die eenigszins aan Volendam herinnert. Deze kleedij wordt door Mees ook kort beschreven. Onder de muts wordt een smal oorijzer van zilver (of blik) gedragen. De koralen halsketting wordt van achteren gesloten. Over de borstrok draagt men een borstlap of kroplap van gewoon katoen, ’s Zondags van gebloemd meubelsits.

Verder bestaat de dracht uit een rood baaien onderrok (of blauw gestreept en bo¬ ven effen blauw) en blauwe kousen162. Het is dit kostuum, dat nog door de Kampen wonende oud-Schokker vrouwen wordt gedragen. De Stichting Campen bezit er een volledig stel van.

De mannenkleeding is in de loop van de 19de eeuw ook wat gewijzigd: de korte

36

De laatste man en vrouw in oud-Schokker klederdracht.

37

broek van de oudere afbeeldingen verdween. Op de eene plaat van Buffa is de mannendracht duidelijk weergegeven: hel blauwe buis, de losjes omgeknoopte gekleurde das en de ruwe karpoesmuts. Deze kleedij wordt te Kampen nog door een paar oud-Schokkers gedragen.

Mees maakt melding van kindermutsjes van zwaar met goud- en zilverdraad gekleurd rood of blauw damast163 Zulke mutsjes en daarbij behoorende doopjurkjes zijn te bewonderen in het Openlucht-museum te Arnhem. Het meest opvallend is een pakje van effen roode stof, met groen damasten rand, op de naden versierd met oplegsel van verguld.

Een soortgelijke verzameling is in het bezit van de Stichting Campen, die ook een collectie van het Kamper Eiland bezit, welke er groote overeenkomst mee vertoont.

Uit al deze kleertjes spreekt een liefhebberij voor kleuren, vooral voor primaire kleuren, die in het bijzonder op Urk sterk leeft en zich daar manifesteert aan klfeeding, woning en vaartuig. Misschien spreekt dat gevoel nog meer bij de drachten langs den Oostrand der Zuiderzee, van Staphorst naar het Zuiden164. Nog enkele jaren, en de Schokker kleedij wordt niet meer gedragen. Het wordt tijd, het verstrooide te verzamelen; niet alleen uit pieteit, maar ook, omdat die oude dracht een uitdrukking is van eigen geaard gevoel voor het schoone. Het is jammer, dat die oude kleedij, vol karakter in lijn en kleur, plaats moet maken, hier en elders, voor de ,,grilligste en misselijkste knipsels uit den vreemde”165.

V. De strijd ora het bestaan; de ontruiming

Op een eiland wonende, waarvan de bodem hen niet voeden kon, moeten de Schokkers hoofdzakelijk wel geleefd hebben van de zee.

In 1555 verzoeken de ingezetenen van Ens van Kampen een vischwater te huur, ,,ansiende den duren tijt ende hoere schamele gelegentheit.” Het volgende jaar verhuurt de stad aan de ,,vrunden van Ens” zes vischstallen; vergrijpen tegen het contract worden behandeld ,,to Wylssum voer die hoege banck.” In 1557 sluit Kampen een overeenkomst met de visschers van Emmeloord over het verhuren van een andere stal. Een der condities van verhuring was, dat alle gevangen visch te Kampen ter markt zou komen, ,,beholtlicke wanneer see to Swolle offt to Steenwyck om rogge to copen varen moeten, sail hem geoirlofft sijn, mede to neemen etlicke vyssche op andre stalle gevangen”160.

In 1662 hadden de visschers van Ens nog Kamper vischwater in pacht. De stad nam er toen genoegen mee, dat dagelijks twee schuiten visch werden aangevoerd, voldoende om de markt te voorzien en bovendien alle zalm en zeetong; de predikant moest hiervoor borg staan. Overtreders zouden 25 gulden boete moe¬ ten betalen ,,en daer en boven noch worden gestraft ter schepen claringe, behalven dat Schepenen en Raedt hebben vastgestelt, in dien sij hier in comen te manqueren, haer tot het pachten hier naemaels noeyt meer toe te laten, waer op sij alle mogen sijn verdacht”167.

Visschers waren de Schokkers, maar ook vrachtschippers. In het midden der 17de eeuw voeren ze met hun kagen op Deventer168. Commelin spreekt uitsluitend over vrachtvaart. ,,Die van het eyland erneren sich doorgaans met koophandel van verscheyde waren, die se met hun kagen, wel ten getale van veertig,

38

gantsch Holland bijna door vervoeren”169. Dezelfde schrijver vermeldt, dat het eiland, d.w.z. Emmeloord, 45 huizen telde, waarvan er vele door twee gezinnen werden bewoond. In de 18de eeuw waren er op Emmeloord nog 8 kagen, die voeren op Hamburg, Overijsel en Amsterdam170

In 1847 beweerden oude Schokkers, dat de eilanders voor 100 jaar geen visschers waren, maar kofschippers, die graan van Groningen naar Deventer brachten171 Dit is, wat het eerste deel van deze bewering betreft, minder juist. De agent der nationale economie rapporteerde in 1800, dat vischvangst de voornaamste broodwinning was; op Emmeloord en Ens beide waren toen 40 visschersschuiten, die te Kuinre en te Blokzijl werden gemaakt en gerepareerd172. ,,Uit de pachten, die de landbouwers in de 16de eeuw aan boter en rogge moesten opbrengen, kan men opmaken, dat de veestapel destijds veel aanzienlijker geweest is en dat er toen vrij wat rogge verbouwd werd”, schrijft Meylink. Zeker is er in oude stukken meermalen sprake van vaten pachtboter, komende uit land op'Ens of Emmeloord. In verband met den afslag door de zee is het wel aannemelijk, dat de veestapel er vroeger meer beteekende. In de 19de eeuw was er ook teruggang: in 1824 waren er 51 koeien, in 1839 vond men er 32, in 1849 slechts 5. Het aantal schapen was in 1824 40, in 1839 150 en in 1849 120173. In 1816 was op Schokland 100 morgen bruikbaar weiland en bovendien 50 mor¬ gen moerassig grasland, dat minder bruikbaar was. ,,De weilanden en andere gronden zijn bij het algemeen in gebruik en zonder voor het oogenblik over derzelver eigendom te beslissen, worden dezelve op naam der gemeente gesteld; de grondbelasting moet verdeeld worden over de bezitters van het vee, naar aantal en soort”, aldus schreef de gouverneur der provincie Overijsel in 1834174 Brieven over roggepacht hebben we nooit gezien. De rogge kwam overigens van elders. Naar den molen heette de grootste buurt van Ens Meulebuurt. In 1555 is ,,die moele van Ens” een der richtpunten bij een bebakening175 Het voornaamste middel van bestaan was de visscherij; de Schokker leefde meestal van zijn schuit. Den naam Schokker hoorde en hoort men voor deze vaartuigen van de visschers zelf nooit. De officieele naam is bons; met dezen naam duidt men evenwel steeds een schuitsoort van het bottertype aan. Heel wat oude Schokker schuiten liggen in de haven van Brunnepe, onmiddellijk naast het oude Kampen. Zulk een schuit is de Kp. 1, die een der oudste vaartuigen is en bij den storm van 1825 verschillende Schokkers, waaronder den pastoor van Em¬ meloord, herbergde. De schuiten zijn genummerd, maar hebben ook namen, die echter nooit op het vaartuig zijn aangebracht. De ,,schuit” wordt gekenmerkt door een oploopend voorschip, met een rechten vallende voorsteven. Deze steven eindigt vierkant en bevat een opening, waarin het kruisvormig anker rusten kan. Er kunnen driezeilen gevoerd worden: het bezaanzeil met kromme, korte gaffel, de breede stagfok en de kluiverfok. Achter de plaats van den stuurman en onder de roerstok is een versiering van rood-, wh¬ en blauwe driehoeken aangebracht: de ,,prins.” Door de slechte tijden wordt de verfkwast thans minder gehanteerd dan vroeger. In het midden van het schip is de bun en onder de voorplecht het roefje. Bij oudere vaartuigen is het middelste deel van het schip open. De zijzwaarden zijn lang en smal176. In de Protestantsche kerk te Workum worden de fraai bewerkte baren van het

Schippersgilde bewaard. Op de baar voor de binnenschippers, die nog gebruikt wordt (ze draagt het jaartal 1805), komt een afbeelding voor van een Schokker schuit; verder zijn hierop alle andere scheepstypen der Zuiderzee afgebeeld177

In den loop van de 19de eeuw ging het met de visscherij steeds slechter. Waren er in 1800 80 schuiten op het eiland, in 1847 vond men er 57; wat het ergst was: geen enkel visscherman kon de schuit zijn eigendom noemen178. In 1847 schreef men, dat ,,zooverre menschen geheugen reikt, nimmer de visscherij zo karig en ongelukkig is geweest dan sedert de laatste vier jaren”179. Telkens werden openbare kassen en ook de particuliere liefdadigheid te hulp geroepen, om de Schokkers te steunen. In 1843 zond men 13 behoeftigen naar de kolonien van weldadigheid, maar de burgemeester verklaarde, ,,dat geen der resteerende behoeftigen alhier zich uit eigen beweging verder zal aanbieden, daar onverstandige gehegtheid aan dit armoedig landje bij alien ten duidelijkste is gebleken”180

Om ledige handen werk te verschaffen, richtte men calicotweverijen op. Eerst op Emmeloord, in het in 1837 vrijgekomen gemeentehuis (de zetel van het gemeentebestuur werd toen n.l. naar Ens verplaatst); later ook op Ens. De stof werd geleverd aan de firma Salomonson te Almelo, later aan de firma Bottenheim te Kampen. In 1840 waren er 54 getouwen in gebruik181.

Liet dus de economische toestand der bevolking zeer veel te wenschen over, daarnaast was de zee met haar vernielingswerk verder gegaan. De dijk van 1804 was vernield en na 1825 vervangen door een laag oeverwerk, dat echter als zeewering weinig beteekende.

Mees sprak in 1847 van drassig land en Meylink verklaarde in 1858, dat met topzeilskoelte en westenwind het land met den vloed plaswater werd of onderliep. De groote armoede der eilanders (in 1858 werden er van de Emmeloorders, 400 in getal, ’s winters 350 bedeeld en van de 200 Ensers 20182, en de kostbare, maar toch niet afdoende verdediging tegen het water, jaarlijksongeveer/ 9000 kostende, deden het plan ontstaan Schokland te ontruimen en bovendien het Noordelijk deel aan de golven prijs te geven183.

Tegen het laatste kwam uit de kringen der schippers, die de veilige ligplaats achter Emmeloord niet wilden missen, veel verzet. Hun woordvoerder was de Zwollenaar Schuttevaer. In 1860 viel het besluit, dat Emmeloord als eiland zou blijven bestaan184.

De ontruiming was toen reeds voltooid185 In 1855 had men de Zuiderbuurt afgebroken, omdat herstelling aan de dijken dat noodig maakte. De laatste burge¬ meester, G.J. Gillot, kreeg ontslag tegen 10 Juli 1859, ,,wanneer de gemeente zal ophouden te bestaan”; Schokland werd toen een deel van de gemeente Kampen186

De Katholieke eilanders trokken meest naar Brunnepe, bij Kampen en bleven daar voor een deel hun oud bedrijf uitoefenen; verder trokken ze naar Vollenhove, Blokzijl, Urk en Volendam.

VI. Tegenwoordige Staat

Wie het Keteldiep uitzeilt, langs de lage dammen vol meeuwen en aalscholvers, ziet in de verte drie donkere plekken boven de rollende golven. Dat zijn de ,,drie

41
-I UJ UJ in CL id £ cq >n ii ° I £L:

forten van bazalt in een krans van branding”. Emmeloord, Ens en de Oude Kerk. Bij de vaart langs het eiland blijkt telkens, dat donkere steen den voorgrond vormt en wuivend riet den achtergrond; hier en daar trekt een blinkende waterstreep dwars door het land; aan de andere zijde is het wit van de branding tegen den westelijken oever zichtbaar187

Op de Noordpunt vindt men de haven van Emmeloord, in 1837 aangelegd op de plaats van een oudere haven, die reeds in de 18de eeuw bestond. Hier staan een paar huizen, verscholen achter geboomte, die bewoond worden door den havenmeester, tevens belast met de bediening van het licht, en door den directeur van den vischafslag, die ook telefoonhouder is. Eenzaam hebben ze het niet, want voortdurend is er bezoek, en ook klandizie, van de visschers en van de schippers, wier vaartuigen in de haven liggen en verderop, op de reede, het gat van Ens. Bij ongunstigen wind ligt het hier vol schepen en meermalen waarschuwt de roode lantaarn, dat de haven vol is. Naast het gebouwtje voor den vischafslag staat het huisje voor den misthoorn. Voor de verbinding met Kampen dient een motorzeiljacht. Achter de huizen staat een vervallen palenrij en daarachter schittert het water, een plas binnendijks, die langzamerhand kleiner wordt gemaakt met behulp van het uit de haven gebaggerde zand. Voor die palen ligt een terreintje vol scherven, blijkbaar vroeger afgegraven; stukken muur, plavuizen, een putring zijn te herkennen. De heer N. Ottema te Leeuwarden, bij uitstek deskundig op dit gebied, was zoo goed, het verzamelde schervenmateriaal te determineeren. Vele stukken bleken afkomstig te zijn van eenvoudig aardewerk uit de 16de tot 18de eeuw; voor een deel vertoonden ze overeenkomst met de te Leeuwarden (Jachthaven) door den heer Ottema gevonden fragmenten. Zoo was er een schotelfragment met sgrafittoversiering, voorstellend een man in zestiende-eeuwsche kleedij, dat sterk herinnerde aan een door hem afgebeeld fragment. We vermelden ook nog een stuk van een schotel (N. Nederlandsch majolika), die het jaartal 1633 droeg. Verschillende stukken vertoonden brandsporen: het glazuur was opgeblazen of in craquele veranderd. Men kan denken aan de 18de-eeuwsche branden, die Emmel¬ oord teisterden, of, met den heer Ottema, het waarschijnlijk achten, dat afval van pottebakkerijen, zooals in Friesland wel gebeurde, diende tot versterking der dijken188

lets ten Z. van de huizen ligt de plek, waar vroeger de Katholieke kerk stond. De plaats van het vroegere kerkhof is nog terug te vinden en daarnaast lag het drenkeldooden kerkhof.

In 1848 is deze kerk afgebroken. Het terrein behoorde aan de Katholieke gemeente, het gebouw aan het Rijk, dat in 1842 de benoodigde gelden had verschaft189. Er had nu in 1858 een ruiling plaats van het wederzijdsch bezit tusschen den aartsbisschop van Utrecht en het Rijk. De kerk werd nu, met haar ameublement, van Schokland naar Ommen overgebracht; in 1861 werd hier het eerst dienst gedaan. Deze kerk te Ommen, een onbelangrijk gebouw uit bouwkundig oogpunt, verraadt hier en daar het gebruik van ouder materiaal. De eenvoudige preekstoel en de voordeur van de pastorie zijn b.v. wellicht het werk van den Kamper stads-architect A.M. Sorg (+ 1825).

Het steenen doopvont, dat van den bodem der Zuiderzee opgevischt zou zijn190,

43

is ook te Ommen aanwezig; het is thans voorzien van een houten deksel, gekroond door een figuurtje, vermoedelijk Johannes den Dooper voorstellend. Het heeft weinig sprekende vormen; men heeft geschat, dat het dagteekent uit de 15de eeuw191.

Ook eenige koperen kandelaars te Ommen komen van Schokland. Toen Mees Emmeioord bezocht, woonden er bijna 400 menschen. Doordat de bevolking er bijna geheel van de visscherij leefde, was de armoede er grooter dan op Ens, waar met werk aan de dijken nog al wat verdiend werd. Er waren huizen zonder behoorlijk dak, zelfs zonder tafel of stoel. Twee behoorlijke woningen waren die van den pastoor en van den onderwijzer192.

Een betonpad op de kruin van den dijk voert van Ens Zuidwaarts. Achter den dijk liggen groote stukken veen; het bewijs, dat de zee hier niet werkeloos is. Na eenige minuten loopen bereikt men het Zand, dat niet met riet begroeid is, maar als schapenweide dienst doet. Tusschen de steenen van den dijk groeit hier en daar een bos zeealsem. Niet lang daarna staat men op de plaats van het vroegere dorp Ens, het ’s Gravenhage van Schokland, tenmnste sedert 1837, toen het Em¬ meioord als zetel van het gemeentebestuur opvolgde. Tusschen de iepen staat hier een gebouw, gekroond door een torentje, de kerk, waarvan de eerste steen 22 Mei 1834 werd gelegd. In het voorste deel, de vroegere pastorie, woont een arbeider van de Rijkswaterstaat. Het achterste deel kan tot onderdak dienen voor dijkwerkers en rietsnijders. Het gebouw rust op een paalfundeering. In den Zuidelijken muur van de kerk is een merk aangebracht met het bijschrift: ,,Vier ellen boven dagelijks water”; 35,5 cM. onder dit merk bevindt zich het midden van een bout, het verkenmerk van een waterpassing, die in den winter van 1870/71 van den Ketelmond over het ijs werd verricbt; door het invallen van dooi is ze niet voortgezet tot Urk. Het oude normaalpeil (dagelijksch water) en O.A.P. verschillen 28 cM.

In 1847 telde Ens 38 huizen; Emmeioord telde er toen 62. Behalve de burgemeester woonden er ook de geneesheer en de waterstaats-opzichter. Het N. deel heette ,,in de meulen”, naar den korenmolen, die er in de 18de eeuw nog stond, het Z. deel heette ,,over dijk.” Buiten de twee boomgroepen van Emmeioord en Ens is het eiland boomloos. In 1816 schreef men: ,,Boomen zijn hier niet, dan alleenig een enkelde boom, die bij het conducteurs- en pastoorshuis staat”193.

De Tegenwoordige staat van Overijsel zegt van Ens: ,,Men vindt naauwlijks een heester, veel min opgeschooten boomen, in dit onzalig oord”194. In de rekeningen van den rentmeester van Vollenhove over 1507 en 1508 komt de volgende uitweiding voor: ,,Item van Amsterdam nae Vullenhoe gereyst ende avermits groet onweder toe Ens angekoemen: dair geweest eenen dach ende nacht. Soe ick toe Ens was, doe woert dat water soe groet, dat wy ons op die boimen moisten entholden, etc.”195

lets ten Z. van de Middelbuurt of Molenbuurt ligt de Zuidert of Zuiderbuurt, in den tijd van Mees veertien huisjes, ,,digt bij elkander gekropen als een hoopje verkleumde kiekens.” Geen teeken van leven thans: een kaal plekje grond, door wat meer verheffing van den bodem en door het beloop der kustlijn te herkennen.

44

Op de Zuidpunt van Schokland staat de vuurtoren; er naast hangt, in een ijzeren stelling, de mistbel. Het huis van den torenwachter is echter sedert 1922 onbewoond. De bediening van licht, bel en peilschaal heeft thans plaats door den eenigen bewoner van Ens.

Hier stond eenmaal de middeleeuwsche kerk van Ens, die tot 1717 dienst deed. Over haar later verval is reeds gesproken. In de eerste helft der 19de eeuw lag binnen de ruine de rustplaats der dooden van Ens, voorzooverre ze Protestant waren; daarbuiten begroef men de gestorvenen aan een epidemische ziekte196 Een vuurbaak op Ens wordt genoemd in 1618197. Volgens de afbeeldingen van de Zuidpunt uit de 18de eeuw stond de baak iets ten W. van de oude kerk. Duidelijk is het vierkant komfoor, dat met steenkolen werd gevuld, te herkennen. In 1825, na den storm, werd de baak vernieuwd; in 1845 werd het vuur door lamplicht vervangen en in 1856 verplaatste men den lichttoren naar het O., onmiddellijk naast de lichtwachterswoning198. De vorige torenwachter, J. van Eerde, was de laatste uit een geslacht van wachters; zijn vader, grootvader en overgrootvader hadden hier op dezelfde wijze de scheepvaart gediend. Op het Zwolsche Rijksarchief ligt nog een rekest van Anto¬ ny Colijn, koster en schoolmeester op Ens (1688-1706) waarin deze verzoekt hem vuurstoker te maken, ,,dat hy met sijn vrouw en vier kinderen mochte komen te bestaan”199. Een mistklok had Ens sedert 1821; ze was geleverd door de Amsterdamsche klokgieterij en opgehangen in een daarvoor gebouwde klokketoren, die onmiddellijk naast de wachterswoning stond.

45

SCH

Geologisch Lengteprofiel door Lucas Seidel verrichte Gr

De lengteschaal is i : .

46

ird. Volgens de in 1804 ;n eo daarnaar gemaakte Kaart hoogteschaal 1 : 400. flu L^MD In i76D no&/.u\MWdZi4

N I)
WATen
HTE
47
.P.UKT im cm
VAM MET bAGEL'jK5CH WATER. LNT OO AFSTAriDtM -± ) 75 m TT *0.00 rn.

1. Mr. Gregorius Mees was van 1840 tot 1847 professor in de Nederlandsche Ietterkunde en de Vaderlandsche geschiedenis aan het Athenaeum te Deventer; daarna werd hij rechter te Rotterdam, waar hij in 1883 overleed (J.C. van Slee, Illustre School te De¬ venter, p. 172).

2. Verder verdienen vermelding: G.A. de Meester, lets over Schokland (Konst- en Letterbode 1847, dl. 1, p. 82); J.R.F. Ortt, Korte mededeelingen omtrent de ontvolking van Schokland (Notulen Kon. Inst. v. Ing. 1857-’58, p. 196); J. Zeehuizen, Een bezoek op het eiland Schokland (Ned. Volksalmanak 1859, p. 138); de togt naar Schok¬ land met paard en narrenslede op den 15den Maart 1845, door vijf Zwartsluizers (Zwartsluis 1845).

3. Tegenw. Staat van Ov., 4de Stuk, p. 182.

4. Commelin, p. 882. Res. St. v. Holland, 13 Dec. 1788.

5. Mees, p. 285.

6. Nomina Geogr. IV, p. 159 vlg.

7. Brom, Bullarium, No. 2274, 2276.

8. Schwarzenberg I, p. 186 (Ook Driessen IV. p. 855).

9. De geschiedenis van de heeren van Kuynre, van de hand van Molhuyzen, vindt men in den Ov. Aim. van 1853. Van der Chijs geeft, in zijn werk over de Overijselsche munten, ook vele historische bijzonderheden. (Verh. Teylers Gen., 26ste Stuk, 4de ged., 1854).

H. van Kuinre in 1297: Bijdr. Gesch. Ov. VI, p. 124.

10. Schwarzenberg I, p. 229.

11. Ov. Oork., No. 633, 642. Vermoedelijk is de brief van 1405 (Ov. Oork. No. 629) verkeerd gedateerd en heeft ze ook betrekking op 1412.

12. Cartularium Armenkamer. (Kamper Archief), p. 99.

13. Tegenw. Staat v. Holland, VIII, p. 627. Volgens den reeds genoemden brief van 1331 had de heer van Kuinre de zeevond in het dorp Espel. Dit wordt in 1317 als een parochie op Urk vermeld. Commelin zegt, dat in het WNW. van Urk Espelbergh lag, volgens een oud bewoner van het eiland vroeger 5 of 6 huizen tellende, die verplaatst waren. Zie Flevo, lste jaarg. (1921), p. 115 en Commelin, p. 879.

14. Rheinische Urbare. Bnd. I, p. 31, 131, 134.

15. Oorkb. Sticht. No. 126, 146.

16. Ov. Oork., No. 629, 633, 647. Brom, Bullarium, No. 2274, 2276.

17. Brugmans, Amstelodamum 1910, p. 60.

18. Nomina Geogr. IV, p. 4, 7, 8. In 814 is er sprake van een eiland ,,inter Wal et Gannita.” Hogeman zocht bij de IJselmonden (Ov. Regt en Gesch., V. en M. XII, p. 27); Wal is echter Waal en Gannita Gent, het Betuwsche dorp, dat in dit stuk van 814 eenige malen genoemd wordt.

19. Mon. Germ. Dipl. I, 438. In dit stuk van 966 wordt gezegd, dat deze streek vroeger aan een graaf Gardolfus behoorde; misschien is dit dezelfde als Gardulfus, een der comites Fresonum, die door Godfried in 885 naar den keizer werden gezonden. (Gosses, De vorming van het graafschap Holland, p. 5).

20. Ov. Aim. 1855, p. 77.

21. Schwarzenberg I, p. 243.

22. Archief Armenkamer. (Kamper Archief), No. 25.

23. Schwarzenberg I, p. 375. Ov. Oork. No. 640.

Aantekeningen
48

24. Ov. Oork. No. 642.

25. Deze rechten zijn tweemaal uitgegeven: Vereen. Ov. Regt en Gesch., 2de Stuk, p. 89 vlg., Bijdr. Gesch. Ov., 5de dl., p. 143 vlg., 368. Hieruit blijkt, dat alle dorpen schepenen hadden; ook waren er heemraden.

26. Van der Chijs, De munten der voormalige heeren en steden van Overijsel, p. 140 vlg. Hooft van Iddekinge, Monnaie frappee a Emeloord, Revue de numismatique beige jg. 1896, p. 109.

27. Archief Armenkamer (Kamper Archief), No. 42 (1431), No. 25 (1406)- Ov Aim 1855, n. 228 (1438).

28. In 1541 wordt op Ens een sathe lands genoemd, strekkende van de meente aan zee (Cartularium Grootburgerweeshuis te Kampen, No. 49). In de 19de eeuw was er een gemeene weide, zonder indeeling door slooten, op Schokland. (Ned Magazijn 1839 p. 123).

29. Archief kerk Vollenhove, No. 39.

30. Brief van 17 Dec. 1475 (copie): Rijksarchief Haarlem.

31. Brief van 2 Juni 1495 (copie): Rijksarchief Haarlem. Vermeld: Ov. Aim. 1855, p. 238 en Ov. Oork., No. 752.

32. Ov. Aim. 1855, p. 228.

33. Vermoedelijk staat de volgende aanteekening in het Dagvaartboek der Staten van Overijsel met deze vraag in verband: ,,Uth den registren van Sallandt ende Vollenhoe blyck, dat die van Ens ende Emeloirt noch jaerlix tinszgelden betalen in Overysel”. (Dagvaartboek 1555, p. 730).

34. Ov. Aim. 1855, p. 238.

35. Papieren Zoudenbalch. (Rijksarchief Arnhem), No. 132, 140.

36. Papieren Zoudenbalch, No. 179.

37. Joncker van de Werve, woonende tot Heenvliet, heeft het bailliuschap van Urck ende Emeloer. (Van der Houve, Handvestchronyk, p. 119, 142). Ov. Aim. 1847, p. 284. De leenbrief: Ned. Leeuw VII, p. 45.

38. Friesche Volksalm. 1892, p. 193.

39. Rek. Drost en Rentm. v. Vollenhove 1507/8. (Copie, Rijksarchief Zwolle).

40. Oudste Foliant. (Kamper Archief), f. 27.

Register Charters en Bescheiden. (Kamper Archief), dl. I, No. 268.

41. Ov. Oork. No. 526.

42. Register Charters en Bescheiden. (Kampen Archief), dl. V, No. 414.

43. Zie b.v. de Schattinglijst van 1433. (Reg. Ch. en Besch., dl. I, No. 527).

44. Muller, Kerk. Indeeling bisdom Utrecht, p. 464, 470.

45. Oorkb. Sttcht, No. 49.

46. Sloet, No. 14, 104.

47. Kist, Het necrologium en tynsboek v. h. Stift te Elten, p. 17 vlg.

48. Nomina Geogr. IV, p. 7 vlg. Ov. Regt en Gesch., V. en M. XII, p. 5 vlg.

49. Commelin, p. 878.

Volgens Commelin was er ook een kerk geweest ten Z. van Urk; men zou hier bij het uitsteken van „plechtgaerens” of peilstokken kerksteenen onder water bemerken.

50. Ook door vroegere: Pontanus, Hist. Gelr. (1639), p. 38 en Slichtenhorst, Geld. Gesch., p. 107.

51. Tegenw. Staat van Ov., dl. IV, 182.

52. Mees, p. 271.

53. Het oude Nagel lag blijkbaar ten O. van Urk; de naam komt op de zeekaarten nog voor. Ten onrechte zegt Norlind, dat de zee hier geen 4 dM. diep is. (Die Geogr. Entw. des Rheindelta’s, p. 222). Zie verder over Nagel, Ramaer in dit Tijdschrift

49

1913, p. 279 vlg.).

54. Hetzelfde geldt van de Zuiderzee om Urk en ten N. van Wieringen, waar de bekende Nicolaas Witsen overblijfselen van gebouwen vond. (J. Scheltema, Mengelwerk VI, p. 72 vlg.).

55. Een variant van dit verhaal vindt men in het jongensboek Jaap Snoek van Volendam, van Chr. van Abkoude (p. 190). De pastoor is hier de pastoor van Ens.

56. Commelin, p. 882.

57. Ned. Magazijn 1839, p. 123. Urk en Schokland lagen vroeger zoo dicht bijeen, ,,dat men elkaar een koek kon toereiken.” (Mees, p. 270).

58. Flevo, 2de jaarg., p. 41. Geld. Volksalm. 1845, p. 25. Nomina Geogr. IV, p. 217.

59. Van der Aa, art. Oosterwolde.

60. Peters, Gron. Volksalm. 1896, p. 157 (naar Houtrouw).

61. Sloet I, No. 27.

62. Oorkb. Sticht, No. 49.

63. V. O. R., V. en M., 40ste Stuk, p. 85.

64. V. O. R., V. en M., 40ste Stuk, p. 83.

65. Sloet, No. 546.

66. Bijdr. Gesch. Ov. XII, p. 80.

67. Buitenrust Hettema, Vereen. Ov. R. en Gesch. Versl. der 84ste en 92ste Verg.

68. Schwartzenberg I, p. 139.

69. Gelre XXV, p. 64.

70. Gelre XXV, p. 44.

71. Gelre XXIV, p. 67 vlg.

72. Van Meurs, Gesch. van Elburg, p. 28.

73. Diversorium Rud. de Diepholt: ,,ende oec die vloede van jaere te jaere hoeger comen ende vloyen.” Ov. Dijkr. 11, 1, p. 82.

74. Cedule Hateland (Arch. Kampen). V. O. R., V. en M. 41ste Stuk, p. 15.

75. Flevo 1922, p. 41.

76. Vragen van den Dag, 33ste jg., p. 523.

77. Gelre XXIV, p. 76. Sloet, No. 14, 16, 24, 25, 393.

78. Ov. Aim. 1853, p. 73.

79. Schwartzenberg I, p. 186.

80. V. O. R., V. en M., 3de Stuk, p. 25, 27.

81. Raadsres. 14 Aug. 1655.

82. Dit Tijdschr., 1917, p. 467 vlg., 1922, p. 586 en 1923, p. 25.

83. Register Charters en Bescheiden (K. Arch.) Ill, No. 2383.

84. Papieren Zoudenbalch (R. Arch. Arnhem), No. 106, 128, 133. De laatste pastoor was Simon Janss. Stukken Schoutambt IJselmuiden 15 Mei 1523 (R. Arch. Zwolle). Zie ook Acta Visitationis (V. O. R.), p. 197.

85. Acta Synodi 1598. Moonen, Naemkeeten.

86. Acta Synodi 1619, 1620.

87. R. Arch. Zwolle, portef. No. 4434. Reg. Ch. en B. (K. Arch.) VII, No. 4970.

88. Res. Ridderschap en Steden (R. Arch. Zwolle), 11 Jan. 1621. (Zie ook Res. Gedep. Staten 14 Sept. 1620, 11 Jan. 1621, 17 Oct. 1622). Register Charters en Bescheiden (K. Arch.) dl. VII, No. 4970.

89. R. Arch. Zwolle, portef. No. 4435.

50

90. Waarschijnlijk was dat Joannes Fellinger, volgens Moonen van 1675 tot 1688 predikant.

91. Commelin, p. 879. ,,GeIijk als nog op Emmeloord dat gebruyck niet en heeft afgenomen, die rontom hun kerk beevaarten doen.”

92. L. Nooter, Eigen Haard 1903, p. 694 en Het Onderwijs, 22 Mei 1915. Een der Amsterdamsche burgemeesters was ambtshalve ambachtsheer van Emmel¬ oord (en Urk). Het gerecht bestond uit een schout en vijf burgemeesters, waarvan het eene jaar drie en het andere twee aftraden. Het hooge gerecht berustte bij den am¬ bachtsheer. (Mees, p. 283, naar Wagenaar), Ens had een eigen schout; het schoutambt ressorteerde onder den drost van IJselmuiden. Naast den schout vond men bur¬ gemeesters. In 1756 werd bepaald, dat de keus van nieuwe burgemeesters elk jaar moest plaats hebben, onder goedkeuring van den drost. (Teg. St. Ov. IV, p. 190).

93. Acta Synodi 1691, art. 29.

94. Kerkboek van Ens (1688-1811), K. Arch.

95. Codex Baptizatorum (1714-1812), K. Arch. In 1697 werden op Emmeloord 152 personen gevormd. (B.P. Velthuysen, Een vormreis door Zalland in de 17de eeuw).

96. Res. Ridderschap en Steden 17 Maart 1757.

97. R. Arch. Zwolle, portef. No. 4435.

98. Res. Ridderschap en Steden 13 April 1768.

99. Tegenw. Staat v. Holland VIII, p. 634.

100. Dit Tijdschr., 1918, p. 338 vlg.

101. Commelin, p. 882.

102. Boekzaal der Geleerde Wereld 1729, p. 377. Res. Ridd. en St. 10 Maart 1729. 103. Tegenw. Staat VIII, p. 633. Acta Synodi 1750, art. 20. 104. Meylink, p. 63. Mees veronderstelt (p. 286), dat er in 1700 ook al op een bovenvertrek dienst werd gedaan. Halma, naar wien hij verwijst, spreekt niet van een bovenver¬ trek. De uitdrukking op de kerk gedoopt (1696) bewijst weinig. 105.Stukken Schokland 1811. 106. Mees, p. 319. 107. Mees, p. 306. Stukken Schokland 1842. 108. Gemerkt No. 997 (3 Oct. 1832). Met schrijven van 6 Oct. 1832. 109. Res. Ridd. en Steden, 1613, 20 Aug. 110. Res. Ridd. en Steden, 1621, fol. 55v 111. Mees, p. 298. Doopboek Ens (K. Arch.). 112. R. Arch. Zwolle, portef. No. 4430. 113. Stukken Schokland 1821.

114. a. Rijksarchief Zwolle No. 161. (Reproductie in Eigen Haard 1903). b. Rijksarchief Zwolle No. 163. c. Museum Ov. Regt en Gesch., No. 139.

115. Vele oorspronkelijk Romaansche kerken hebben een koorbeuk uit den Gothischen tijd. Als vergrooting noodig was, brak men vaak de oude koorbeuk af, nadat de nieu¬ we er vooraf omheen was gebouwd; de dienst kon dan tijdens de verbouwing doorgaan.Het archief der O.L.V. kerk te Antwerpen bezit een ontwerp van Rombout Keldermans en Dominicus de Wagemakere, waarbij vergrooting op deze wijze wordt voorgesteld.

116. Mees, p. 298.

117. Meylink, p. 74.

118. P. Remmers heeft in en om Kampen veel geteekend, in het bijzonder stadsgezichten, die gedateerd zijn van 1785 en 1812. Deze bekwame teekenaar, van wien onsgeen biografische gegevens bekend zijn, verdient wel de aandacht.

51

]

19. Zoo vermeldt hij b.v., dat er in 1804 elf menschen stierven door de influenza en dat in 1807 de visschers door een storm werden overvallen, waardoor zeven van hen verdronken.

120. Ned. Mag., p. 123.

121. R. Arch. Zwolle, portef. No. 4432.

122. Idem. Idem.

123. Reeds in 1667 stelde Hendrik Stevin, zoon van den bekenden Simon Stevin voor, om de Zuiderzee af te sluiten door dammen in de zeegaten. Deze zee zou dan zoet worden en ,,veel gronts bequaem om bedijken leveren.” (Tijdschr. Aardr. Gen. 1921, p. 253 vlg.).

124. Cart. Grootburgerweeshuis Kampen.

125. Res. Ridd. en Steden, 22 Mei 1629, 18 Maart 1636, 20 Maart 1939, 19 April 1650.

126. Mees, p. 322, naar Res. Ridd. en Steden, 8 April 1691.

127. Tegenw. Staat van Ov., p. 186-188.

128. Mees, p. 288. Sedert 1806 behoorde Emmeloord voorgoed tot de provincie Overijsel. \2p. Res. St. van Holland, 13 Dec. 1788.

130. Ned. Mag. 1839, p. 123. Mees, p. 292.

131. Ter Pelkwijk, Beschrijving van Overijssels watersnood, p. 26 vlg. De weggeslagen palen vernielden in het overstroomde Mastenbroek menige boerenwoning. Aalkorven, die van het eiland afgedreven waren, werden ten N. van de Vecht onder de gemeente Dalfsen teruggevonden.

132. Meylink, p. 56, Mees, p. 304.

133. Meylink, p. 46. Stukken Schokland 1818.

134. Mees, p. 294.

135. Flevo 1921, p. 146. Zie het bijgaand lengteprofiel, naar L. Seidel; het is ontleend aan Meylinks boekje.

136. Slichtenhorst, Geld. Gesch. 1654, p. 107.

137. Commelin, p. 883. Teg. Staat VIII, p. 634.

138. Le Francq van Berkhey, Nat. Hist, van Holland III, p. 1010.

139. Stukken Schokland, 1819.

140. Mees, p. 316, 327. Het taaleigen van de oude Emmeloorders, die te Brunnepe bij Kampen woonden en nog wonen, herinnert nu en dan aan het vroeg-zeventiendeeeuwsch van Breero.

141. De Schokkers worden uit een medisch standpunt beschouwd in het tijdschrift ,,Schat der gezondheid,” 4de jaarg., 1861, p. 354 vlg. (De voormalige bewoners van Schok¬ land, door Polijn Buchner). De relatieve vermindering van het aantal geboorten tusschen 1830 en 1860 wordt toegeschreven aan de toenemende armoede, niet aan den graad van bloedverwantschap der gehuwden.

142. Commelin, p. 882. in de Cohieren der Verponding van 1632 werd Emmeloord begroot op 100 morgen; het aantal huizen was toen 47. (Teg. Staat VIII, p. 633).

143. Sloets Tijdschrift XIX, p. 259.

144. Mees, Bijlage II.

145. Zie hiervoor, p. 166.

146. Res. Ridd. en Steden, 27 Sept. 1647. Raadsres. Kampen 15 Febr. 1649.

147. Res. Ridd. en Steden, 19 Oct. 1775.

148. Men vond hier de groene N. Hollandsche houten topgevels. Dat men ook de wanden van hout maakte, zal verklaard moeten worden, ook hier, door den slappen veenbodem, die zonder heien geen zware steenen huizen dragen kon, en door de geringere bouwkosten.

149. Mees, p. 318.

150. Voor de oude Urker huizen zie Flevo, 1921, p. 154, (met teekeningen).

52

151. Mees, p. 313.

152. Meylink, p. 61.

153. Tegenw. Staat VIII, p. 628.

154. Sloets Tijdschrift XX, p. 2.

155. Mees, p. 107.

156. Mees, p. 313. Zie het interieur op de afbeelding van Buffa.

157. Mees, p. 316.

158. Rijksarchief Zwolle, No. 164.

Le Francq van Berkhey is vrij uitvoerig over de dracht op Marken, dat hij zelf bezocht. Op Urk droegen de vrouwen volgens hem (de oudere tenminste) hullen; verder Blokzijlinger mutsen en (de jongere) Durgerdammer kappen. Het wollen jak (bostrok) werd van voren dichtgeregen; bovendien werd een bonte borstlap gedragen. Op Schokland werd volgens dezen schrijver dezelfde dracht gedragen. (Nat. Historic van Holland, III, P. 719, 1010 vlg.).

159. Museum Ov. Regt en Gesch., Zwolle.

160. Buffa, Collection des Costumes des provinces septentrionales du Royaume des Pays Bas, Amsterdam 1825.

161. Mededeeling van den heer C.H. van Fenema te Oosterbeek.

162. Mees, p. 315.

163. Mees, p. 313.

164. Voor al deze drachten wordt verwezen naar het voortreffelijke boekje van Th. Molkenboer, De Nederlandsche nationale kleederdrachten, 1917.

165. J.H. Halbertsma, Ov. Aim. 1853, p. 288.

166. Stukken over de visscherij in de Zuiderzee, Kamper Archief.

167. Raadsres. 15 Dec. 1662.

168. Teg. St. Ov. IV, p. 187. In 1610 komen schippers uit Emmeloord in Deventer. (Reg. Kamper Archief IV, No. 3817).

169. Commelin, p. 882.

170. Tegenw. Staat v. Holland VIII, p. 634.

171. Mees, p. 311.

172. Sloets Tijdschrift XIX, p. 259;

173. Mees, p. 308.

174. Ned. Magazijn 1839, p. 123. Stukken Schokland 1834. Reglement op het weiden van hoornvee etc. van 1835: Stukken Schokland 1853.

175. Tijdschr. Aardr. Gen. 1918, p. 338.

176. C.H.M. Philippona, Het zeilen, 1919, p. 90, 100, 101, 131. (Met teekening, ontleend aan ,,De Scheepsbouw van af zijn oorsprong”, door E. van Konijnenburg; zie aldaar I, p. 95; III, p. 80, 83).

177. Volgens Van Konijnenburg en Philippona zouden deze afbeeldingen reeds van 1600 dateeren. Een historische studie over de Zuiderzeevaartuigen ontbreekt nog; met het oog op de komende groote veranderingen zou het aanbeveling verdienen, deze scheepstypen te beschrijven. Op Urk had men, volgens Commelin, in vroeger tijd kleine schuiten, zonder roer of zwaard, die alleen met een riem bestuurd werden. In de nieuwe Brunneper haven ligt nog de Kp. 1, een ± 120 jaar oude schuit, die steeds door de Schokker familie Diender bevaren werd. De geheele lengte bedraagt II, 50 M., de dekbreedte bij de mast, waar de plecht begint, 3,60 M. De diepgang is 3 voet of 0,84 M. Het zwaard is 3,70 M. lang en bij afrondingen 0,74 M. en 0,50 M. breed.

178. Mees, p. 310.

179. Stukken Schokland 1847.

180. Stukken Schokland 1843.

53

181. Mees, p. 309. Stukken Schokland 1840, 1859.

182. Meylink, p. 59.

183. In 1812 verktaarde de minicipale raad van Kampen zich om verschillende redenen tegen een door de regeering voorgestelde vereeniging van Schokland met de gemeente Kampen. Vooral vreesde men verzwaring van geldelijke lasten. ,,Het is toch bekend, dat de bewooners van Schokland, zich alleen met de vischvangst generende, over het geheel arm en behoeftig zijn, waar om zederd onheugelijke jaren dezelve altoos vrij gekend zijn geworden van het betalen van lands schattingen.” (Notulen Vroedschap 1812).

184. W.J. Schuttevaer, Beschouwing over het eiland Schokland, Zwolle 1861 (met kaartje). De hoofdingenieur Van der Lee, die Schokland tot op de helft wilde verkorten, motiveerde dezen maatregel o.a. door het rapport van Brunings (en Den Berger) van 1788. (Zie p. 173.)

185. Wet van 16 Dec. 1858; Kon. Besluit van 4 Juli 1859 tot uitvoering van die wet. Stuk¬ ken Schokland 1859.

186. Sedert den Franschen tijd waren schout of burgemeester:

C. Sonderman (1811-1818).

L. Seidel (1818-1828).

H.A.W. Streithorst (1828-1832). G.J. Gillot (1832-1859).

187. Een goede gei'llustreerde beschrijving van het eiland gaf L. Nooter in het tijdschrift Eigen Haard, jaargang 1903, p. 692 vlg.

188. Voor een uitvoerige bespreking van de vondsten te Leeuwarden en als overzicht van het oudere Nederlandsch aardewerk kan men raadplegen: Nanne Ottema, Het aardewerk in Friesland in gebruik in het laatste kwart van de zestiende eeuw (met afbeeldingen), Leeuwarden 1918.

Een op Emmeloord gevonden looden penning vertoont aan de eene zijde een leeuw, aan de andere een gebouw met twee torens, die een vuur dragen; het rondschrift aan de laatste zijde luidt vermoedelijk: Zuiderzeese Vuurbakens.

189. Zie p. 167.

190. Zie p. 159.

191. Versl. en Meded. V. Ov. Regt en Gesch., 12de Stuk, p. 2, 26ste Stuk, p. 11.

192. Mees, p. 59.

193. Stukken Schokland 1816.

194. Tegenw. Staat v. Ov., IV, p. 181.

195. Rekening van Jurriaan Schenck (Copie7, Rijksarchief Zwolle. 196. Meylink, p. 74.

197. Res. Ridd. en Steden, 30 Juli 1618.

198. Mees, p. 299. 199. Portef. No. 4432.

54
oaf

Urk

DOOR

A.J. REIJERS en H.J. MOERMAN

Weldra zal de Zuiderzee teruggeven, wat ze vroeger nam; wat eertijds land was, zal weer land worden. Is het niogelijk, dat hier of daar het werk van menschenhantien uit vroeger dagen het daglicht terugziet? Het is goed, bij deze vraag stil te staan, al was het alleen om de mannen, die het werk der droogmaking zullen uitvoeren, er van te doordringen: zie toe, of er eenige oogst van oudheidkundige waarde, hoe klein dan ook, binnen te halen is. Het is toch een feit, dat dagelijks documenten uit onzen bodem door onkunde of onverschilligheid te loor gaan. leder, die b.v. onze terpenstreek eens doortrok in den graaftijd, zal dit moeten toestemmen.

Schaarsch zijn de oude berichten over ondergegane streken of plaatsen in het Zuiderzeegebied, bij de Biesbosch of de Dollart is dat heel anders. Wei spreekt menige kroniek van weggespoelde landstreken, maar deze berichten hebben slechts zelden waarde.

Het loont de moeite, eens na te gaan, welke betrouwbare mededeelingen er zijn omtrent verloren gegaan land. We beperken ons deze maal tot Urk en omgeving. Reeds in 966 is er sprake van een eiland Urk (insula Urch in Almere, d.i. in de Zuiderzee)1. In een Iijst van bezittingen der Sint-Maartenskerk te Utrecht van nog vroeger datum (777-866) komt het misschien ook voor. Daarin worden o.a. opgenoemd goederen in Texle, in Wiron (zooals Strude en Alvitlo) en in Waroth (of Waroch) waar o.a. de tiende van den zeevond voor Sint Maarten was. Het is niet te gewaagd, aan te nemen, dat bedoeld zijn Tessel, Wieringen (met Stroe en de Elft) en Urk2

Urk was dus voor duizend jaar al een eiland; er zijn aanwijzingen, dat het in grootte nog al wat verschild moet hebben met het Urk van thans, dat niet meer dan 80 H.A. groot is.

Wagenaar zegt, dat bijna 230 roeden, of 860 M., ten Oosten van Urk, naar den kant van Emmeloord, dus van Schokland, een kerk zou hebben gestaan. Een andere kerk zou gestaan hebben ten Zuiden van het eiland en ten Oosten van het Val van Urk3 Bijna dezelfde gegevens vinden we bij den schrijver van het Oud Batavisch Zeestrand4, die, sprekende over Urk, zegt, ,,dat ten Noordoosten van dat eiland oudtijds een dorp gelegen heeft, dat nu mede onder het ziltige nat legt, werdende ten huidigen dage nog het Urkerkerkhof genaamt”. En verder: ,,Nog is ten Zuiden van Urk, ten Oosten van het Diep, het Val van Urk genaamt en omtrent een half uur van daar, een ander dorp met huizen en kerk verdronken, wiens fondamenten en steenwerk bij laag water door de schippers moeten gemijd werden”.

Er zijn nog een paar andere berichtgevers.

57

r

De ,,Minister Havelaar”, die de bootdienst Kampen-Urk onderhield, omstreeks 1910. (Foto coll. T. de Vries)

58

De eerste is de schrijver van een in 1540 uitgegeven leeskaartboek, een gids voor schippers, die de Zuiderzee bevoeren5. Door dr. Burger werd aangetoond, dat deze niemand minder was dan de Amsterdamsche houtsnijder en kaartenmaker Cornelis Anthonisz.

In dit boekje worden eerst aanwijzingen gegeven voor de vaart van Tijoort, d.i. IJdoorn, Noordoostwaarts naar Urk. En dan komt de plaatsaanduiding van het ,,oude kerchof”, ,,by Zuytwest eynd” van Urk: in het Zuideinde van het Klif is een witte inham; wanneer de hoogste boom komt boven de witte inham dan zijt gij naast het oude kerkhof. Men moet wel aannemen, dat het klif in deze zeilaanwijzing de hoogte van Urk is, en niet het Roode Klifbij Stavoren, dat anders nog al tens in deze beschrijving voorkomt.

Arent toe Boecop, in de tweede helft der 16e eeuw burgemeester van Kampen, heeft het in zijn kroniek ook over Urk6. Hij meent, dat het eiland eertijds met den vasten wal verbonden was, en brengt de oude gewoonte om steenen doodkisten te gebruiken in verband met de aanwezigheid van wild gedierte: ,,Und mochten dye ingesetten van Urrick hoir dooeden in der eerden nyet begraven off dye wylde dyrren quamen und vraten sye op”.

En verder deelt hij mede, na gezegd te hebben, dat Urk zeer afgeslagen is: ,,Soe als ick dair was, hebbe ick dair in der eerde op kerrickhoff noch 5 sullicke stennen dooetvaten in der eerde myt een ysseren ketten an melcanderen vaste ghemaket syen staen. Wellicke kerrigke syder dye tyt de zee oik omme ghesloeghen hefft”. Dit kerkhof is allicht een ander dan het kerkhof van het leeskaartboek, meer in de richting van de tegenwoordige kerk, die in 1786 werd gebouwd. In al¬ ien gevalle blijkt uit het voorgaande, dat er in het Westen en Zuidwesten land verloren ging.

Maar ook in het Oosten en Noordoosten was Urk vroeger grooter. Harting spreekt van de overlevering op Urk, dat het eiland vroeger vooral in Oostelijke richting grooter was7; het Urker kerkhof, dat aan deze zijde ligt, bevindt zich volgens Wagenaar 860 M. ver in zee, volgens Mees verder Oostelijk, op 'A van den afstand tusschen Urk en Schokland8

Dan is er nog een mededeeling van den 18e eeuwschen predikant Weerman, die van 1730 tot 1780 op dit eiland in functie was. Hij antwoordt in een brief op een vraag omtrent het voorkomen van barnsteen en maakt daarin o.a. melding van het feit, dat in het begin van zijn dienst een groot stuk lands zich buitendijks naar Lemmer uitstrekte. ,,Maar sedert dat het opgemelde agter Buitens-dijksland weggespoeld, en niet meer daar van dan een vlakke steenagtige strand overgebleeven is, worden die steenen, zoo veel mij bekend is, niet meer gevonden”9 We dienen nu nog de aandacht te vestigen op een naam. In de Oudste Foliant van het Kamper Archief komen verschillende aanteekeningen voor, die betrekking hebben op het verkoopen of overdragen van stukken land op Urk. In 1318 is er b.v. sprake van 6 mussat lands, in 1319 van 3 mussat, in 1326 van 3 mussat, in 1329 van 5 coen graes (Opgemerkt moet worden, dat mussat d.i. mud-zaad een maat is voor bouwland10.

De oudste aanteekening in dit boek is van 1317. Hierin wordt melding gemaakt van vijf mussat ,,in Urc in parochia dicta Espelo”. Er was dus toen op Urk een parochie Espelo11.

59

Denzelfden naam komen we ook tegen in een stuk van 1331. Het is een optelling van de gerechtigheden van heer Jan van Kuinre. ,,Item al ’t gherechte van Ore... Voirt in’t dorp toit Espel die zeevond”12.

Van 10 October 1335 is het volgend stuk, dat hier in zijn geheel gegeven wordt: „In denselven jare op Santghangen dach quaemen voer ons Gherbert Johans soenen s., Gherbert Hoemeysters s. ende Clawes Henken sone ende wilkorten van der menen buren weghene van Espele, als sie ons segheden, dat sie sculden quiet van alien diken Jacobs erfghenamen Curtinges ende Johans Ghessen sone erfghenamen van den erve, dat sie daer hebben, als van den vier voeten11. Hier gaat het dus over het kwijtschelden van het onderhoud van dijkstukken, die ten laste kwamen van Kamper burgers. Het is wel uitgesloten, dat een van de andere Oost-Nederlandsche Espelo’s bedoeld is. Men heeft er wel eens aan getwijfeld, of in de buurt van Urk dorpen en kerken verdwenen zijn. Uit het voorgaande blijkt, dat een kern van waarheid in alien gevalle niet ontbreekt.

Toen ons in April 1911 werd opgedragen voor het eiland Urk een rioolplan te ontwerpen en dit ook te doen uitvoeren, waren wij met die opdracht zeer ingenomen.

Immers, het is voor hem, die belang stelt in het volkseigene altijd een genot te bezoeken die afgelegen plaatsen, welke door haar isolement nog veel merkwaardigs hebben bewaard. Hij kan daar dan van zijn oogendorst lesschen aan datgene wat spreekt van oude zeden, eerwaarde tradities en soms ook van kunst. Maar ook vonden we het aangenaam dit gemeentewerk te mogen uitvoeren, omdat ons daardoor gelegenheid werd geboden genoemd eiland uit een geologisch en aardrijkskundig oogpunt wat van naderbij te leeren kennen. Voor genoemd werk toch moest worden gewaterpast, waardoor de verschillende hoogten van het zeer geaccidenteerde terrein zouden worden verkend; er moest, voor het leggen der rioolbuizen, over geheel bebouwd Urk, vrij diep in den grond gegraven worden, waardoor we een interessant kijkje konden krijgen in den merkwaardigen bodem van het eiland. Zoo waren onze gedachten toen de stoomboot Minister Havelaar ons in den nog schemerenden Aprilochtend van Kampen over de Zuiderzee naar Urk bracht en een frissche bries ons om de ooren woei. ,,Een grijsbruine buik van een omgeslagen boot lijkt het eerst; dan wordt het een geribde walvisch en eindelijk onderscheidt ge wat groens en zwarts, dat schijnt te dobberen op een stilstaanden vijver, een gezichtsbedrog, dat spoedig verdwijnt zoo snel nadert de boot de haven. De zwarte ribben worden palen en huizen, het groen is een dijk aan den Oostkant van het eiland”. Aldus beschreef Heijmans Urk zooals het zich toen aan den naderenden bezoeker vertoonde14. Maar behalve datgene wat Heijmans opmerkte zagen we in de verte reeds ook beide verschillende deelen van het eiland, welke zoowel in hoogte als samenstelling zeer uiteen loopen. De kapitein liet de stoomfluit tweemaal gillen, de trossen werden uitgebracht, daarna lag de boot met stuurboord tegen de palenrij en wij stapten te Urk aan wal. Het was nog stil op het eiland, toen we daar in den morgen te halfacht rondwandelden. Menige woning had de blinden nog niet geopend, maar in’t hotel Hoek-

60

stra konden we toch al, onder het genot van een heerlijke kop koffie, eens wat van de reis bekomen. Kort daarop waren we in de Burgemeesterskamer van het Raadhuis en werden wij aldaar hartelijk ontvangen door den Burgemeester, den heer A. Gravestein, aan wien Urk reeds zoovele verbeteringen van algemeen nut dankt. Het duurde niet lang of de kaart, waarop het uitvoerig geteekende grondplan van het eiland, lag op tafel en aan de hand daarvan werden ons door Z. E. Achtbare verschillende inlichtingen betreffende Urk en bedoelde plannen verschaft. We zagen al spoedig, dat het meer Noordelijk gelegen gedeelte op vele plaatsen een zeer grillige en onplanmatige situatie bezit, herinnerend aan den plattegrond van een doolhof, vol kleine steegjes en dito pleintjes. Ons werd medegedeeld, dat dit de „lage buurt” was, die men ook wel ,,oud-Urk” noemt. En het viel ons op, dat het nieuwere Urk daarentegen een meer regelmatig stratenplan heeft. Maar toen we later ter plaatse het eiland nader gingen bekijken, zagen we ook, dat dit door zijn regelmaat ook weer mist dat schilderachtige wat ,,Oud-Urk” zoo ongemeen aantrekkelijk maakt voor den op lijn en kleur belusten toerist. Het was vroeger, zoo werd ons door oudere reizigers verteld, voor dat de rooimeester te Urk zijn lijnen aangafen voor dat de gemeenteweide door een hek van den openbaren weg was afgesloten, op het eiland heel gemoedelijk-primitief. Want, onze zegsmannen volgende, het gebeurde soms, wanneer men door de ,,lage buurt” (Oud-Urk) dwaalde, dat plotseling ,,Koetje blare” dood bedaard den hoek om kwam op haar wandeling door het dorp. Dr. P. Harting, die in 1853 Urk onderzocht, zegt dan ook: Het eiland Urk ,,is een weide, waarin men hier en daar een huis heeft neergezet”15 Maar dit alles behoort tot het verleden. Thans wordt, dank zij het energieke optreden van Burgemeester Gravestein, de nette bestrating nog steeds planmatig verbeterd, is Urk door de rioleering van’t bebouwde gedeelte, zoo zindelijk als men dit verlangen kan en wat de koetjes betreft, die grazen des zomers in van

Opschrift boven hot poortjo dor Noil. Ilerv. Kot-k le Urk;

61
gelijke
& 5 © «s. s ni¬ si sr Si. O ft> © as £ © £» © ** © ^ t a ©. c;: 1 <§ a § ^ * a as © S' I S' a as g Si. =r ^ S' § Si. Si. ©: S©_ ^ © © 62
expedities werden deze wel ,,bloedreizen” genoemd.

Ilet Raailhuis van Urk. Gebouwd naar hot ontwerp van .1. F. I.. Frowein.

den weg afgesloten weilanden.

Het Westen van het eiiand is een met gras begroeide heuvel en volgens dr. Harting Iigt het hoogste punt 9,20 M. boven A.P., achter de N.H. kerk16

Op de in zijn boekje voorkomende kaart zijn eenige andere hoogtecijfers, „door waterpassing gevonden”, bijgeschreven. De bij dit artikel behoorende kaart is een copie van het kadastrale veldplan, op schaal 1 a 5000. Dit origineel berust ten raadhuize van Urk en werd ons door den heer Burgemeester welwillend ten raadhuize ter inzage verstrekt. Genoemd origineel is echter niet geheel up to date; de haven is n.l. vergroot en het moeras verdwenen en deze veranderingen komen op genoemde kaart niet voor. Maar het stratenplan van de lage buurt en dat van nieuw Urk kan men daarop duidelijk met elkander vergelijken; de merkwaardige verschillen zien we op deze kaart markant voor ons. De hoogte-cijfers, op dit in het vorige nummer opgenomen plan voorkomende, zijn ontleend aan de door ons in 1912 verrichte waterpassingen en alle, als is gezegd, verkend ten opzichte van het officieele vol-zee peil. Het resultaat dezer waarnemingen was o.m., dat het hoogste punt werd gevonden bij den hekdorpel der begraafpiaats naast de N.H. kerk. Deze dorpel is gelegen op 8.80 M. + V. Z. - Op een afstand van 420 M. van die kerk, aan het Oostelijk eind der Raad-

63

huisstraat, vonden we een terreinhoogte van 1.60 M. + V. Z., wat een helling is van 7.20 M. of gemiddeld bijna per M. 2 c.M. Behalve door Harting is de bodem van het eiland ook onderzocht door K. Mar¬ tin17. Uit dit onderzoek is gebleken, dat het hooge gedeelte bestaat uit zandig leem waarin meer of minder groote keien worden aangetroffen. Hieruit blijkt, dat het eiland is een in den ijstijd ontstane hoogte, een diluviale heuvel. Opgemerkt moet worden, dat een oude en onjuiste meening, volgens welke de bodem uit vaste rots zou bestaan, nog niet is uitgeroeid18 Toen de rioolsleuven te Urk werden gegraven, hebben wij dan ook gevonden een zandige leemlaag, waarin keien van scandinavisch diluvium. Deze keien waren natuurlijk van zeer verschillende grootte; er waren vele bij, die niet minder dan 50 a 65 c.M., over den grooten afstand gemeten, lang waren. Het lage deel van Urk is zwak komvormig. De hoogere rand is zandig. Binnen dien oeverwal ligt onder de graszoden klei met schelplagen. Harting meende, dat he't in zoet water was gevormd. Martin echter noemt het zeeklei. Daaronder vond Harting een veenlaag, die op een diepte van 1.50 M. A.P. begon en op 2.8 A.P. nog niet doorboord was19 De Noordelijke uitlooper, de staart, bestaat ook uit zand. Aan deze zijde van het eiland lag vroeger de reede; in 1819 werd aan den Zuidkant de haven aangelegd. We laten thans de geologie rusten en willen nog even de historic laten spreken. Welke wisselingen heeft Urk, wat het bestuur aangaat, in den loop der tijden ondergaan?

In het laatst der Middeleeuwen oefenden de heeren van Kuinre langen tijd, ofschoon niet altijd, gezag uit op Urk. Jan van Kuinre werd in 1331 door den graaf van Holland beleend met ,,dat gerechte van Emlairden half” (d.i. Emmeloord op Schokland) en ,,dat overste recht tote Ore”. In 1415 werd Herman van Kuynre beleend met de heerlijkheid Urk aan de Zuidzijde van de kerk (,, dat geheeten is de Delf”; in een stuk van 1415 staat ,,het Monnikenland”) en half Emelwaarde. Er was toen een huis te Urk, met een amptman of kastelein20 Ook Herman’s dochter Aleijd van Kuinre werd in 1438 met de beide heerlijkheden beleend, maar in 1476 werd Evert Zoudenbalch, proost van Maastricht, door Karel den Stoute beleend met de landen van Urk en Emelward. Van de familie Zoudenbalch ging in later tijd dit bezit over op het geslacht Van de Werve. In 1660 verkocht Johan van de Werve Urk en Emmeloord aan de stad Amster¬ dam.

Vooral de Amsterdamsche burgemeester Nicolaas Witsen was het, die zich voor het eiland interesseerde. Hij kwam er vaak en de Urker jeugd verzamelde voor hem op het strand stukjes barnsteen21 Tot’t laatst der 18e eeuw heeft Amsterdam klaarblijkelijk Urk en Emmeloord in bezit gehad, want ons wordt vermeld door het opschrift, boven het poortje der Ned. Herv. kerk te Urk, dat in 1786 de Amsterdamsche burgemeester Henrik Hooft Dzn, als ambachtsheer van Urk en Emmeloord, door den schout van Urk den eersten steen liet leggen voor den herbouw van genoemde kerk. Het dorp Urk is in den loop der tijden veel veranderd, zoowel in grootte, wat de bebouwde kom aangaat, als in uiterlijk. We laten hieronder eenige cijfers wat het aantal inwoners betreft, volgen, en dan zien we, dat Urk in 1637: 300, in 1750:

64

389, in 1789: 520, in 1850: 1205, en op 31 Dec. 1920: 2970 inwoners telde. We merken op, dat dus een toename van bevolking gedurende de laatste 70 jaren heeft plaats gehad van gemiddeld 25 inwoners per jaar. En hierdoor is natuurlijk ook geleidelijk het bebouwde gedeelte van Urk uitgebreid, de situatie van het eiland gewijzigd en het karakter der woningen veranderd. Maar hierover vertellen we straks meer.

Wat de gebouwen van Urk betreft, moet worden medegedeeld, dat overblijfselen van kunst-historische beteekenis daaraan bijna niet meer voorkomen. Uit een cultuur-historisch oogpunt daarentegen zijn die oude visscherswoningen wel van belang. Het kerkgebouw der N.H. gemeente is wel is waar het oudste bouwwerk van het eiland, doch men heeft dit in 1786 dermate verbouwd, dat van de oorspronkelijke bouwvormen niets meer is overgebleven.

Opmerkingswaardig is de bekroning boven het poortje dezer kerk, waarop, als reeds werd vermeld, wordt gememoreerd, haar verbouwing van 1786. De hierbij afgebeelde reproductie geeft van die bekroning een beeld. We zien, dat deze versiering overladen en van zwakke compositie is en de behandeling van het orna¬ ment, kenmerkend voor den tijd, conventioneel. Behalve graflamp, kelk, kruis, Bijbel enz. zien we hier de wapens van Amsterdam, West-Friesland, Emmeloord (Schokland) en dat der Amsterdamsche burgemeestersfamilie Hooft. De toren dezer kerk heeft een achthoekigen bovenbouw met piramidale spits, beide na 1786 gebouwd. De waarschijnlijk vroegere spitsboogvensters zijn vervangen door halfcirkelvormige; de eertijds krachtig voorspringende contreforten

65

zijn vlakke pilasters geworden. De vroegere absis (koorafsluiting) werd vervangen door een onbeduidenden eindgevel. Inwendig mist dit kerkje ook het artistieke karakter van zoo menig oud kerkgebouw. Een houten tongewelf, dragende op pseudo Toskaansche kolommen, sluit de ruimte af. De beide koperen kaarskronen zijn nog uit den tijd der Renaissance en verdienen de aandacht. Dat ook te Urk een miniatuur scheepje de kerk versiert, zal wel niet verwonderen. Dit was een aardige gewoonte van onze oud-Hollandsche zeevaarders, die dikwerf in kerkelijke collegies zitting hadden22 En menige zeeplaats heeft dan ook haar kerk¬ gebouw met een fraai model van een oud fregat, haringbuis of koopvaardijschip versierd. Te Urk zien we in de N.H. Kerk een miniatuur driemaster

T. SCH1P-SPITSBERGEN

zoals vroeger op den achtersteven te lezen stond, maar dat later door ongeoefende hand in het minderkarakteristieke De Spitsbergen is veranderd.

Ook wordt hier nog een fraai model van een praamschip aangetroffen; dit scheepje is echter van lateren tijd. De torenklok heeft een middellijn van 0.90 M.; als randschrift lezen we daarop in Gothieke karakters:

Sunte michale + albert mincsoen. heinriic botensoen kerckmeesteren + deden mi maken. MCCCCL XI

Deze klok werd dus voor kerkmeesteren in 1461 vervaardigd. Ofzij destijds voor Urk werd gegoten of dat zij van een andere kerk afkomstig is, is ons niet bekend. Aan de muren in de kerk hangen twee borden waarop geschilderd een naamlijst van predikanten. De oudste lijst begint met ds. P. Salebien, te Urk beroepen in 1629 en de later bijgevoegde lijst eindigt met: „C. Snoek Candidaat, beroepen in 1917, vertrokken naar Giethoorn in 1919”. In het tijdvak van 1629 tot 1919 komen 24 predikanten bij de N.H. gemeente voor. Hiermede hebben we het belangrijke van dit kerkje medegedeeld. En al is het, dat het niet bekoort door vele overblijfselen onzer oude kunst, toch spreekt hier de muze der historie. Want toen we van dit gewijde plekje zouden vertrekken en nog eens in dit eenvoudige gebouwtje rond keken, werden we treffend herinnerd aan de geschiedenis van dit stoere volk, dat steeds worstelt en strijdt met de zee. En zeer zeker zal deze plek, waar reeds door vele geslachten troost werd gezocht voor het leed door de zee veroorzaakt, daarvan kunnen getuigen. En toch... die zee kan ook weer door liefelijkheid bekoren. Zoo was ze ons althans, toen de koesterende zonnestralen in dit kerkje schenen en daarnevens de ruischenden zee met rythmische deining hare psalmen zong.

Wanneer we van de N.H. kerk in Noordelijke richting langs de steile bazaltglooiing loopen, passeeren we de tegenwoordige N.H. pastorie, die we, wat’t gebouw aangaat, om haar onbeduidendheid onbesproken laten.

Zijn we echter tot op 90 M. van dit kerkje doorgewandeld, dan komen wij bij den hoek aan het Westeinde der Westelijke Langestraat, de breedste straat van oud-Urk. Op dezen hoek, bij genoemde glooiing, staan eenige oude huisjes, die

66

Kerk to Urk. door den eenigszins ouden bouwtrant al spoedig onze aandacht trokken. En dit huizencomplex nader bekijkende, vonden we daarin, in een der gevels, een gedenksteen, wel zonder jaartal, maar waarop toch vermeld staan de namen van schout en kerkmeesteren. Van dezen steen geven we hierbij een afbeelding. Bii nader onderzoek werd ons medegedeeld, dat dit gebouwtje een gedeelte der voormalige N.H. pastorie is. En nu was ons die vondst eene bijzondere voldoening. Want uit het opschrift van dit steentje blijkt, dat Anthony van Dompselaar als schout (wellicht dus namens den ambachtsheer, Amsterdam’s burgemeester) met burgemeesteren hier wordt genoemd vermoedelijk in verband met den bouw der pastorie. En wanneer we in aanmerking nemen dat deze Anthony v. Domp¬ selaar ook een kaart van het eiland Urk heeft gemaakt, dan zien we hiermt dat deze schout van Urk ook als cartograaf of landmeter werkzaam was. De onderstelling mag dus worden gemaakt, dat Dompselaar ook waterbouwkund.ge zal

67

Opschrift van dpn stern in den gevel der voorm. N.H. Pastorie te Urk.

zijn geweest, en dan wellicht ook als zoodanig voor den ambachtsheer van Urk Amsterdam’s burgemeester, te Urk in dienst was23.

De gerelormeerde kerk, die in grootte de N.H. kerk verre overtreft (de bevolkine is meerendeels gereformeerd) heeft uitwendig wel een vrij uitvoerig gedetailleerde baksteenbouw, doeh hare gedrukte verhoudingen hinderen en de detailleering verdient geen bizondere aandacht. Alleen het torentje met daarbij behoorende uitbouw toont den architect24.

Bij het pleintje, grenzende aan de gereformeerde kerk, staan drie gebouwen, die om hunne afmetingen, groepeering en architectuur de aandacht waard zijn.’ We zien hier het Raadhuis met een geestig torentje, waarvoor een vriendelijk tuintje. Dit Raadhuis wordt aan de Oostzijde door de burgemeesterswoning en aan de Westzijde door de woning van den gemeentearts geflankeerd. Dit gebouwen-complex is van een goed geslaagde architectuur. Men heeft hier de voor Urk traditioneele houten topgevel op gelukkige wijze in de vroeg-renaissance vormenspraak van het geheel weten toe te passen. Het raadhuis met zijn trapgeveltje, kruisvensters, klokketorentje en dakschilden met geestig werkende kapellen is een aantrekkelijk type van een dorpsraadshuis, dat zijn ontwerper, den rijksarchitect J.F.L. Frowein, die het in 1905 bouwde, tot eer strekt. Deze archi¬ tect toont ons met genoemde gebouwen, dat hij de schoonheid van het typische dorpsbeeld begreep niet alleen, maar het ook waardeerde. Want deze nieuwe ge¬ bouwen harmonieeren met de schilderachtige oude omgeving. Het nieuwe kan ook van goed passende werking zijn, evengoed als het oude, dat voor het nieuwe vallen moest, mits de man die voor dergelijke vraagstukken wordt geplaatst, maar blijk geeft van juist begrip en aesthetisch gevoel. Boeide ons het raadhuis met beide aangrenzende woningen, nog meer werd onze aandacht getrokken door die eenvoudige oude visscherswoningen. Het trof ons, dat die huisjes gevel-

z IQ <0 0 i
An TO
.ANNO
68
'
NY VAN DOMP5E LAAR Chou t EN BUKCbE heesterem H-ENDRIK KUASEN ^ELLE MEYNDE R£Z WiLLEN P I ET£ R SZ A J-r BERT PIETERStZ.
avS> j f~ -..o,8 5M. J -’-Uf

ties hebben van een goede verhouding en eigenaardige afmetmgen. We konden den lust niet weerstaan om er een op te meten en in teekenmg te brengen, waarvan we de reproductie den lezer aanbieden. Dc oude Urker visscherswoning is van het type, dat verdwijnt. De e.schen, welke

men terecht aan hygienisch wonen stelt, zijn hooger dan die waaraan deze oude huisjes kunnen voldoen. Maar met de verdwijning dier karakteristieke womngen gaat een belangrijk stuk cultuurgeschiedenis verloren, een merkwaardig gedeelte van onzen landseigenen bouwtrant. Daarom is het van belang er hier de aandacht op te vestigen. De visscherswoning van oud-Urk kenmerkt zich door lage afmetmgen, maar heeft daarentegen goede verhoudingen. Behalve natuurlijk voor het wonen van het gezin, is het drogen der netten wel in hoofdzaak de bestemming van genoemde woning. En nu is het merkwaardig te zien hoe het bedrijf hier zijn stempel op het karakter van het huis heeft gedrukt; hoe hier dus op rationeele wijze, een door het gebruik bepaalde bouwtrant is ontstaan. De beganegrondverdieping, dus de woonruimte, heeft gewoonhjk slechts eene hoogte van circa 2 M., eene omstandigheid die wel verklaard zal moeten worden uit het feit, dat men de huizen in zeeplaatsen en ten plattelande zooveel mogehjk tegen stormwinden en regenslag wenscht te beschermen. Het is bekend, dat de Engelschen hunne interieurs ook veelal opmerkehjk laag van verdieping maken. Dit verschijnsel wil men wel eens verklaren met de onderstelling, dat de Engelsche bouwmeester als normen aanhoudt de afmetingen van kajuit, roef en hut. .

In verband met de lage woonruimte der Urker huisjes is dit wel opmerkenswaadig. Zou de Urker hotter de afmetingen der visscherswoningen op het eiland hebben beinvloed? , , „ , , , Boven de woonruimte bevindt zich de zolder met het hooge dak. Zooals de teekening iaat zien, is de hoogte van de daknok tot den grond 6 M., wat juist over-

69
70

eenkomi met de breedte van den gevel. De zolderhoogte (van vloer tot daknok) meet 4 M.; dit is dus, wel merkwaardig, twee maal de hoogte der woonverdieping. Op onze teekening schreven we de hoofdmaten bij, omdat wij het belangwekkend vinden te doen opmerken, dat die afmetingen alle een lengte van 2 M. als grootste gemeene maat bezitten. Het dak geeft men die hoogte (4 M.), omdat de zolderruimte gelegenheid moet bevatten voor het drogen van de netten, die door het houten luikje van den geveltop worden af- en aangevoerd. Voor het drogen dezer netten en ander vischtuig wordt onder de dakpannen nog een rietlaag aangebracht. Hierdoor verkrijgt men dus een ventileerend en toch voldoend dekkend dakvlak. De plattegrond der primitieve visscherswoning bestaat in het algemeen uit drie vertrekken en een gang of portaal. Dit laatste dagteekent van lateren tijd. De voorkamer werd, en wordt nog, gewoonlijk des winters bewoond, omdat daar de kachel staat, die dan het vertrek verwarmt. In het achterhuis ontbreekt bijna altijd de schoorsteen. De schoorsteen der voorkamer bezat primitief ongeveer de halve breedte van den kamerwand aan den voorgevel. Deze afmetingen waren destijds noodig, omdat men in die schoorsteenen toen de netten placht te drogen. Hoewel in het achterhuis, waar men des zomers woont, gewoonlijk geen schoorsteen wordt gemaakt, vinden we daar toch een stookgelegenheid en wel een van zeer eigenaardige inrichting. Tegen den achtergevel, soms aan den hoek, soms in het midden daarvan, metselt men, ter grootte van ruim 1 M. lang en 1 M. breed, een huisje, waarboven een piramidaal gemetseld rookkanaal. Deze in¬ richting noemt men eenfort. Hierin bevindt zich een z.g. haahjzer, waaraan de ijzeren pot wordt opgehangen. En nu wordt in de zomermaanden in dit fort een turfvuurtje gestookt, wanneer de visschersvrouw te Urk het middagmaal kookt.

In het keukentje of waschhok vindt men tegenwoordig wel eens een kachel, die met een pijp door den achtergevel in het fort de rook kan afvoeren.

In het achterhuis vinden we ook de ,,regenbak”, die het hemelwater van dak en goot opvangt.

Daartoe heeft men aan beide zijgevels en achtergevel houten goten met vergaarbak aangebracht, vanwaar het water dan met een pijpje door den gevel in den regenbak wordt geleid. Dat de drinkwatervoorziening op Urk een uiterst belangrijk vraagstuk is, is duidelijk, wanneer men bedenkt, dat de bij de huizen behoorende pornpen, water leveren van een te groot zoutgehalte dan dat het als drinkwater zou kunnen wor¬ den gebruikt; hiertoe gebruikt men het regenwater25.

De oudste plattegrond der huizen is die met een gang naast de voorkamer. Op de open plaats, achter het huis, vindt men het afzonderlijk geplaatste houten privaat en een schapestal, want, lezer, vele Urkers houden een schaap, omdat zij op deze wijze melk voor de koffie kunnen krijgen; het aantal koeien, dat te Urk weide vindt, kan slechts in zeer geringe mate in de behoefte aan melk voorzien. De topgevel (we spreken altijd nog over de oude visscherswoning te Urk) is van hout en komt vrijwel overeen met die, welke in Noord-Holland, maar ook nog in Genemuiden, Zwartsluis en Blokzijl wordt aangetroffen. Hier dient nog vermeld, dat bij de oudste woning, die wij konden vinden, een

71
72

der zijgevels (altijd zonder ramen) van een uitgemetselde penant is voorzien ter plaatse waar de balk op den muur (die gewoonlijk 11 c.M. dik is) draagt. De teekening verduidelijkt deze bizonderheid. De gestippelde penanten waren reeds verwijderd, maar er is alle reden om aan te nemen, dat oorspronkelijk over het geheele huis de balken op de zelfde wijze op de muren steun vonden, m.a.w. dat onder iedere balk de zijgevels door penanten waren verzwaard. Primitief construeerde men gewoonlijk zwaarder dan in lateren tijd. En nu doen wij hier de vraag (gedachtig aan den houten scheepsbouw): zijn die penanten oorspronke¬ lijk geen houten stijlen geweest? En werden de ruimten daartusschen aanvankelijk niet van houten schotwerk en daarna niet met metselwerk gevuld? Dergehjke constructies waren aan de huizen der middeleeuwen niet zeldzaam. Interieurs „in stijl” vindt men op Urk niet. Wei zagen we nog vele kamers, waarvan de wanden, naar oud-Hollandschen trant, met blauw beschilderde wandtegels zijn bezet. Ook vonden we nog een 17e eeuwsche bedstedebetimmering, welke veel overeenkomst vertoont met die welke we vroeger te Hindeloopen hebben gezien26.

De kleur van balken, zolders en ander houtwerk der kamers is gewoonlijk donker rood27 Men gebruikt daarvoor soms ook cobalt en groen. Wat het uitwendige verfwerk dezer visscherswoningen betreft, zij medegedeeld, dat de geveltoppen, ramen en deuren alle lichtgroen zijn geschilderd en dat de goten, topgevelafdekkingen en kozijnen steeds helder wit geverfd zijn. Hierdoor bezit het Urker dorpsbeeld een frisch kleurenspel, wat nog verhoogd wordt door het vermiljoen der dakpannen en het groen van wuivende populieren Dit alles te zien, wanneer de zon op die huisjes hare contouren teekent en een blauwe lucht over het eiland welft, is den kleurgevoeligen aanschouwer een genot.

Wanneer we nu nog zeggen, dat de oudste woningen alle voortuintjes en achterplaatsjes bezitten en geheel afzonderlijk, dus op zich zelf staande, gebouwd zijn, dan hebben we van de oude Urker visscherswoningen vrijwel het belangrijkste medegedeeld.

Waren we verrukt over het artistieke dorpschoon van het oude Urk, door het nieuwe werden we herhaaldelijk teleurgesteld. De huizen, in den laatsten tijd ge¬ bouwd, zijn bijna alle uit den toon vallend en menige woning verstoort de harmonie van een anders fraai dorpsgezicht. Gevels met geknikte toppen, waarbij men dan nog siersteen op de meest smakelooze wijze heeft aangewend, vertoonen alle gemis van gevoel aan verhouding, lijn en kleur. En vooral was het ons eene teleurstelling te zien hoe de voor ongeveer vijftien jaren gebouwde pastorie der Gereformeerde gemeente, klaarblijkelijk uit ruime beurs gebouwd, is opgetrokken in een banalen timmermansstijl, waarbij bovendien nog op zeer hinderlijke wijze ruim gebruik is gemaakt van verglaasde chromaatgele wandtegels. Dit gebouw is wel van de nieuwere datgene wat het meest het schoone Urker dorpsbeeld schendt. En die te betreuren feiten komen voort uit de omstandigheid, dat Urk uit een stedebouwkundig oogpunt, gevolg van zijn isolement, aesthetische voorlichting mist. De commissie van architecten en ingenieurs, die voor den herbouw der huizen op Marken zulk prachtig werk heeft geleverd, en in dit verband herdenken we het

73

energiek optreden van den vroeg overleden architect J.H.W. Lehman, zal goed doen ook eens hare aandacht aan Urk te schenken. En nu de regeering het bouwen van nieuwe woningen zoo doeltreffend finantieel steunt, is het o.i. wel noodig, dat zij met de eischen van hygiene en economie ook voorwaarden stelt betreffende den welstand. Maar dan moet men zich haasten, want het schilderachtige van Urk verdwijnt als sneeuw voor de zon. Een werk op Urk van menschlievende strekking is de van Alphenstichting een gebouw, in 1881 gesticht door jhr. mr. D.F. van Alphen en eenige Urker notabe-

74

Het doel dezer stichting is, als in den gevel op den gedenksteen te lezen staat, om ,,werkverschaffing en hulp aan ouden van dagen en hulpbehoevenden te verschaffen.

Aangaande het ontstaan dier stichting de volgende bizonderheid, welke wij den heer J.A. Gravestein, zoon van den burgemeester, danken. indertijd hadden aan het strand te Urk eenige jongens kwikzilver gevonden, wat ze bij een zekeren Koffeman te Urk brachten. Deze stuurde het naar „den vasten wal”, er bij vermeldende de eigenaardige herkomst. Dientengevolge kwamen te Urk eenige heeren, waaronder genoemde heer van Alphen, om naar de herkomst van dit kwik een nader onderzoek in te stellen. Hiervan is ons het resultaat niet bekend. Maar de heer van Alphen kreeg toen bizondere belangstelling en sympathie voor het eiland en zijne bewoners en bezocht het later meermalen. Nu bestond er in dien tijd reeds te Urk eene commissie, die ten doel had om oude visschers, die reeds 70 jaar waren geweest, te hel¬ ped aan werk en hun hulp te verleenen. Van die commissie werd meergenoemde heer van Alphen eerevoorzitter. En door zijn geldelijken steun aan- en krachtige medewerking in die commissie kon in 1881 de nu naar hem genoemde van Alphenstichting worden gebouwd.

Het is dus niet alleen de Amsterdamsche burgemeester, Urk’s ambachtsheer, Nicolaas Witsen, die Urk steunde en een goed hart toe droeg, ook jhr. van Alphen blijft als weldoener bij de Urker bevolking in dankbare herinnering voortleven. De weg naar de boot loopt langs den vischafslag, die inderdaad als een model-inrichting kan worden aangemerkt. Door middel van een electrisch mijntoestel, dat aan de meest moderne eischen voldoet, heeft hier de verkoop der visch plaats. Deze mooie inrichting, welke ook door burgemeester Gravestein’s optreden tot stand is gekomen, werd vroeger dan ook reeds in verschillende tijdschriften beschreven.

Wei zien we een eigenaardig contrast, wanneer we die visschers in oud-Hollandsche kleedij in dit moderne afslaggebouw gadeslaan. De typische Urker kleederdracht laten we onbesproken. Hieromtrent kan verwezen worden naar het werk van wijlen Th. Molkenboer, die daartoe destijds het eiland bezocht28.

En toen wij weer op de boot stonden, nu om de terugreis te aanvaarden, zagen we die bejaarde visschers daar staan op den wal in hunne zeemanshouding, met hunne ruige mutsen en door weer en wind getaande gezichten. Toen moesten we ons herinneren die krachtig beeldende woorden uit Huygens scheepspraet. ’k Hebb’ te langh om Noord en Zuijen Bij den Baes te Roer estaen, ’k Hebb’ te veul gesnor van buijen Over deuse muts sien gaen.

75
Bejaard Urker echtpaar in de karakteristieke klederdracht van het eiland Over dez dracht ,s veel geschreven door o.a. defolklorislen Molkenboer, Duyvetter en Roza.
76
(Coll. A. van Urk

Aantekeningen

1. Sloet, Oork. boek No. 101. Van den Bergh, Oork. boek 1, No. 28.

2. Oork. boek Sticht No. 49. Zie verder Nomina Geographica IV p. 4-9.

3. Tegenw. Staat, dl. VIII, p. 629.

4. Aangehaald bij Le Francq van Berkhey, Nat. Hist, van Holland, dl. II, p. 139.

5. Het leeskaartboek van Wisbuy, uitg. J. Knudsen. 1920. Die Kaerte van dye Suyderzee. 1540, uitg. H.C. Rogge. 1885.

6 Op het Kamper Archief is een 18e eeuwsch afschrift van Toe Boecop, dat eemgszins afwijkt van de door het Historisch Genootschap bezorgde uitgave (2e Sene, dl. 5, p 51) We lezen daar: ,,Dit eylant Urrick is seer kleyn, slaat rontsomme off van de zee en de eene syt is een moyen bergh, die ook al afslaat, en is van schoone moye cley. Die kark is in korte jaren ook van de ze afgeslagen. . . En als lk metten heere Swarverballick (lees: Soudenbalch) saliger (die daer heere van is en Emmeloort) daar op was als hij gehult was, sag ik 5 sulke gehele dodevaten in die eerde staan, die met een yseren ketten aan maleanderen waren gesloten”. Zie ook Slichtenhorst, Geld. Gesch., p. 107.

7. P. Harting, Het eiland Urk etc., 1853, p. 46.

8. G. Mees, Schokland (Ov. Almanak 1874, p. 272).

9. Le Francq van Berkhey II, p. 413.

10. Oudste Foliant, f. 4, 20, 25. , ,

11. Oudste Foliant f. 6. verso. (Register Kamp. Arch. dl. V. No. IV). Zie ook Boeck van Rechten, achterin: quinque modiorum annone sitorum in Urch (1314).

12. Nomina Geographica IV, p. 6.

13. Oudste Foliant, f. 40. ,, . . ,

14. De Groene Amsterdammer, 4 Juni 1911. Door den bouw der vischmeelfabr.ek met electrische centrale, een gebouw van goede verhoudingen, maar voor Urk van te groote afmetingen, is die groene dijk thans minder sprekend geworden.

15. Dr. P. Harting, Het eiland Urk, etc.

16 Hoe dr. Harting aan Amst. Peil komt, is ons niet duidehjk. Er is noch een oud A.P. noch een nieuw A.P. op Urk bekend. Het officieele hoogtepeil, dat door den Rijkswaterstaat, word! aangehouden voor Urk, en ook voor onze waterpassing als basts heeft gediend, is het vol-zee-peil. Verkort: V.Z.

17 Tijdschr. Aardr. Gen. 1889. p. 1.

18. Die legende is ook oorzaak geweest, dat men de uitvoering der noolwerken voor vrijwel onmogelijk hield want, zoo zei men, Urk is een rots van gramet!

19. Dit A.P. zal dus wel V.Z. moeten zijn.

20. Nomina Geogr. IV. p. 6 e.v.

21. Teg. staat VIII p. 630 e.v.

22. Vice Admiraal Witte Corn.zn. de Wit bijv. collecteerde als diaken in de St. Catharine is.eiK ic ucn uiiu.

23 Immers we weten, dat waterbouwkundigen en architecten vroeger herhaaldelijk als ' landmeter werkzaam waren. We noemen slechts: Leeghwater, Bilhamer, Blondeel en Thomas Berentsz.

24. In dit Kerkgebouw hangt een fraai model van een Urker hotter.

25. In den mobilisatietijd zijn voor de toen op Urk aanwezige militairen dtepboringen verricht en twee pompen gemaakt. Die pompen zijn geboord op 100 M. diepte, doch de filters daarvoor zijn geplaatst op 28 M. beneden het terrein. Door beide pompen wordt Urk ruim voldoende van water voorzien. Wel is dit pompwater ijzerhoudend en heeft het eenig zoutgehalte, doch het is heel wat beter water dan het dikwerf zeer onzuivere regenwater, dat niet steeds gefilterd wordt, en ook, als gezegd, voor drinkwater dienen

77

moet. Van deskundige zijde wordt ons verzekerd, dat het water, hetwelk door beide nieuwe pompen wordt geleverd, nog zeer bruikbaar hygienisch water is, dat waard is door een hoogdrukwaterleiding, die/ 12000, zou kosten, den menschen in de huizen te brengen. Dat daardoor uit een reinheids- en dus uit een gezondheidsoogpunt een hoogst nuttig werk zou worden verricht, begrijpt ieder. Maar het onvermogende Urk is helaas niet bij machte voor dit volksbelang genoemd bedrag te besteden.

26. Dit betreft een huis, dat 70 jaar geleden van oude materialen ,,aan den vasten wal” gekocht, was gebouwd.

27. In het Geldersche meermalen roobolus genaamd.

28. De Nederlandsche nationale kleederdrachten, Meulenhoffeditie.

78

In de serie oorspronkelijke „Urker Uitgaven” verschenen eerder:

1 Urk is zo mooi Nagelaten werk van Mariap van Urk

2. De Bethelkerk van Urk Red. T. de Vries

3. Vrouwen van Urk Red. T. de Vries

4. D.I.NJD.U.A., 75 jaar ernst en luim A.van Urk/T.de

Vries

5. Vissers van Urk Red. T. de Vries

6. De boot toet - W.J.J. Boot

7. Na de razzia Dagboek van Sj. Snoek

8. Veranderd Land K.de Vries/T.de Vries

9. Het hart in de keel 75 jaar Urker Mannenkoor „Hallelujah”

10. Parate Post - A.van Urk/T.de Vries

11. Redders, bergers, bouwers - Red. T. de Vries

12. Het kerkje aan de zee F. Peereboom e.a.

13. Pittoresk Urk M.Cense-Pleyzier/A.van Urk/T.r e Vries

14. Daar werd een dijk gelegd Red. A.van Urk

Niet genummerde uitgaven/herdrukken:

Snibbetje, roman van een meisjesleven A.Olofsen-Korf De eilanden Schokland en Urk H.J. Moerman/A.J.Reijers

Het verlaten eiland P.J. Bouman

Kruimeltjes brood Gedichten van Bep van Dijk

De Stichting Urker Uitgaven heeft tot doel de uitgave van min of meer belangrijke bijdragen in enigerlei vorm over of in verband met het volksleven, de taal, cultuur en geschiedenis van Urk en het Zuiderzeegebied mogelijk te maken.

Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.