Issuu on Google+

Pabo stageboek


Inhoudsopgave Inleiding ............................................................................................................................. 3 Jaaroverzicht 2012-2013 .................................................................................................... 5 Uitgangspunten begeleiding ............................................................................................... 6 Inhoud ............................................................................................................................... 12 Begeleiding....................................................................................................................... 15 Beoordelingscriteria werkplekleren ................................................................................. 18


Inleiding Allereerst willen wij de mentoren van harte bedanken voor het aanbieden van stageplaatsen voor onze studenten. Alleen door gezamenlijk de verantwoordelijkheid te dragen voor hun opleiding kunnen we kwaliteit waarborgen. Het is namelijk bij u, in het werkveld, dat de studenten werken aan een aanzienlijk deel van hun competenties. Deze handleiding geeft specifieke informatie over de begeleiding en beoordeling van studenten op de werkplek tijdens hun opleiding bij Fontys PABO Eindhoven/Veghel. De competentieprofielen vindt u onder het kopje beoordeling. Studenten worden zowel door medewerkers van de basisschool begeleid als door een studieloopbaanbegeleider van de pabo. Deze zal met enige regelmaat op de leerwerkplek aanwezig zijn en is het aanspreekpunt voor zowel de student als voor de vertegenwoordigers van de basisschool. Het spreekt voor zich dat de bezoekfrequentie mede bepaald wordt door het aantal studenten dat stageloopt op de betreffende school. De eerstejaarsstudenten lopen één dag per week stage. De hoofdfasestudenten zijn twee dagen op de werkplek; maandag en dinsdag. Voor de derdejaars geldt dat zij in het tweede semester een Minor-programma volgen en zij zullen dus in het tweede semester voornamelijk bezig zijn met activiteiten die samenhangen met de door hen gekozen minoren. We hechten er wel aan dat zij naast deze activiteiten binding houden met een vaste stagegroep. Voor tweedejaarsstudenten die hun propedeuse nog niet afgerond hebben, maar wel lessen in het tweede jaar volgen, geldt dat zij in principe als eerstejaars (propedeusestudent) beschouwd worden. Zij zijn op dinsdag op de basisschool en gebruiken de maandagen om hun competentie-examen voor te bereiden. Zodra deze achterstand weggewerkt is, gaan zij twee dagen stage lopen als hoofdfasestudenten. Daarnaast zijn propedeusestudenten en hoofdfase in de eerste drie kwartalen een hele week op de basisschool. Goed onderwijs staat of valt met goede leraren. Dus vraagt het onderwijs om duidelijke bekwaamheidseisen waaraan leraren moeten voldoen. Aan de basis van competentiegericht opleiden staan de bekwaamheidseisen die volgens de beroepsgroep noodzakelijk zijn om goed te kunnen omgaan met de situaties waarmee de leerkracht wordt geconfronteerd. Deze beroepsgroep heeft zeven competenties geformuleerd die vereist zijn voor het goed kunnen uitoefenen van het beroep. Met leerlingen Competentie 1 Interpersoonlijk competent

Met collega’s Competent in samenwerking met collega’s

Met de omgeving Competent in samenwerking met de omgeving

Met zichzelf Competent in reflectie en ontwikkeling

Competentie 2 Pedagogisch competent Competentie 3 Vak- en didactisch competent

Competentie 5

Competentie 6

Competentie 7

Competentie 4 Organisatorisch competent


Deze competenties worden geoefend en getoond in onderstaande Kenmerkende Beroepssituaties: • Omgaan met een groep. • Ontwerpen en begeleiden van leeractiviteiten. • Omgaan met verschillen. • Contact met ouders, experts en instanties (beperkt voor de Propedeuse-fase). • Leren en werken in een professionele leergemeenschap. In drie fasen ontwikkelt de student zich naar het beroep van leraar:. 1. hoofdfasebekwaam: einde propedeuse; 2. afstudeerbekwaam: einde hoofdfase; 3. startbekwaam: einde opleiding Aan het einde van de propedeusefase en aan het einde van de hoofdfase moet de student aantonen dat hij bekwaam is om naar de volgende fase te gaan. Dit noemen we in de nieuwe opzet het ‘competentie-examen’. Ook de afstudeerfase wordt afgesloten met een competentieexamen. Daarbij spelen het functioneren van de student op de werkplek en het oordeel daarover van de student zelf en van zijn begeleiders (leerwerkplekbegeleider/coach en studieloopbaanbegeleider van de opleiding) een belangrijke rol. Met behulp van deze handleiding kunnen student, mentor en studieloopbaanbegeleider gezamenlijk het leren op de werkplek vormgeven. Wij zijn er ons van bewust dat wij in onze methode gebruik maken van veel nieuwe begrippen en vaktermen. Eventuele vragen hierover kunnen beantwoord worden door de studieloopbaanbegeleider. Elk semester wordt afgesloten met een beoordelingsgesprek. Op deze manier dragen Pabo en werkveld gezamenlijk de verantwoordelijkheid met de student over het opleiden en beoordelen. Bij voldoende functioneren worden daarbij studiepunten toegekend met uitzondering van het eerste semester in de Propedeuse-fase.


Jaaroverzicht 2012-2013 Week

Activiteit

35

Datum maandag 27 aug

36

03 sept

37

10 sept

38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51

17 sept 24 sept 01okt 08 okt 15 okt 22 okt 29 okt 05 nov 12 nov 19 nov 28 nov 03 dec 10 dec 17 dec

52 01 02 03 04 05

24 dec 31 dec 07 jan 14 jan 21 jan 28 jan

Lesweek, geen stage Lesweek, start stage Lesweek Stageweek Lesweek Lesweek Vakantie Lesweek Lesweek Voortgangsweek Lesweek Lesweek Lesweek; Stageweek Lesweek Lesweek; 21 december stagedag Vakantie Vakantie Lesweek Lesweek Lesweek Voortgangsweek

• • • • • •

Startweek

Week Datum maandag 06 04 febr

Activiteit

07

11 febr

Lesweek; 8 februari stagedag Vakantie

08

18 febr

Lesweek

09 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22

25 febr 04 mrt 11 mrt 20 mrt 27 mrt 01 apr 08 apr 15 apr 22 apr 29 apr 06 mei 13 mei 20 mei 27 mei

Lesweek Lesweek Stageweek Lesweek Lesweek Lesweek Lesweek Voortgangsweek Werkweek Vakantie Lesweek Lesweek Lesweek Lesweek

23 24 25 26 27 28 29

03 juni 10 juni 17 juni 24 juni 01 juli 08 juli 15 juli

Lesweek Lesweek Lesweek Lesweek Voortgangsweek Voortgangsweek Zomervakantie

De eerstejaars zijn op dinsdag op de leerwerkplek. De tweede-en derdejaars zijn op maandag en dinsdag op de leerwerkplek, met uitzondering van tweedejaars die hun propedeuse nog niet afgerond hebben. Zij zijn er alleen op dinsdag tot het moment waarop de propedeuse behaald is. Tijdens de stageweken zijn de eerste-, tweede- en derdejaars de hele week op de leerwerkplek. Tijdens de voortgangsweken en de werkweek zijn studenten niet op de leerwerkplek in verband met afleggen van tentamens en dergelijke. Om organisatorische redenen moeten we op enkele stagedagen herkansingen plannen. Het is aan de student om met de leerwerk daarover te communiceren, omdat het deelnemen daaraan per student verschillend is. Voor de deeltijders geldt dat er geen sprake is van stageweken en dat het voor hen niet noodzakelijk is dat zij tijdens de hoofdfase twee dagen op de leerwerkplek zijn.


Uitgangspunten begeleiding De stage heeft als doel de student in de praktijk voor te bereiden op zijn taak als onderwijsgevende. Op de werkplek kan de student aan zijn competenties werken en deze vervolgens aantonen. Fontys PABO Eindhoven/Veghel gaat in haar opleiding uit van het reflectief leren van de student. Binnen het concept van reflectief leren leert de student zichzelf kritisch te bevragen over zijn gedrag, denken, willen en voelen. De student leert steeds van zijn eigen ervaringen en stuurt voortdurend zijn ontwikkeling. Bij reflectief leren leert de student zichzelf doelen te stellen die voor zijn ontwikkeling op dat moment belangrijk zijn. Verder leert hij activiteiten te plannen die leiden tot het bereiken van die gestelde doelen. De inhoudelijke basis van het bovenstaande proces wordt gevormd door het subjectief concept van de student. Het subjectief concept Dit zijn ervaringen en beelden van de student over het beroep van leerkracht uit het verleden en het heden. Op basis van deze ervaringen en beelden heeft de student opvattingen, gevoelens en gedachten als het gaat om onderwijs. De student wordt in de begeleiding ondersteund in het zich bewust worden van zijn subjectieve concept. Hij herinnert zich daarbij vooral goede leerkrachten uit zijn eigen leven: ‘de ideale leerkracht(-en)’. Hij legt vervolgens de kenmerken van zijn ideale leerkrachten vast met behulp van zogenaamde ‘woordspinnen’. De student vraagt zich af welke eigenschappen, vaardigheden en kwaliteiten deze ideale leraar basisonderwijs heeft. De student reflecteert hierop (welke eigenschappen, vaardigheden en kwaliteiten heb ik?) en kiest met hulp van de studieloopbaanbegeleider en/of leerwerkplekbegeleider eigenschappen, vaardigheden en kwaliteiten om aan te werken. De theorie Theorieën over het beroep vanuit studie, onderzoek, experiment, enz. dwingen tot reflectie. Om zich te ontwikkelen tot een startbekwaam leerkracht moet de student zijn subjectief concept onderbouwen met theorie. Op de opleiding krijgt de student leerarrangementen waarin verschillende theorieën over onderwijs worden toegelicht. De student kan deze vervolgens in zijn subjectief concept (de ideale leerkrachten) integreren. Vervolgens formuleert de student persoonlijke leerdoelen waar hij aan wil gaan werken.


De ervaringen in de praktijk In het onderstaande samenvattende schema wordt de samenhang duidelijk gemaakt tussen de ontwikkeling van het subjectief concept van de student in wisselwerking met de theorie (informatie) en de praktijk. In de loop van de tijd groeit het subjectief concept uit tot een professioneel persoonlijk werkconcept waarbij de student als professional in staat is kritisch afstandelijk naar het eigen functioneren te kijken.

Ontwikkeling subjectief concept tot professioneel persoonlijk werkconcept onder invloed van praktijk en informatie sc

(R=reflectie) (Sc= subjectief concept)

R R

Informatie (competenties)

R sc

R

R R

R ++

+ + +

++

Praktijk (competenties)

R

+ +

+

Persoonlijk en professioneel werkconcept

Voor de ontwikkeling van de student naar een persoonlijk en professioneel werkconcept zijn twee reflectiemomenten erg belangrijk. De reflectie vooraf en de reflectie achteraf. Tijdens deze momenten kijkt de student naar zijn eigen ontwikkeling. Om begeleiding mogelijk te maken vragen wij aan de student om deze reflecties op papier te zetten. Er is sprake van een reflectie vooraf als de student zijn subjectief concept opent. De student bekijkt op dat moment wie hij wil worden (ideale leerkracht) en welke belemmeringen en kansen hij daarbij ziet. Vanuit deze verdieping in zijn ‘ideale leerkracht’ reflecteert de student, wat uiteindelijk leidt tot het kiezen van persoonlijke leerdoel(en) waarin theorie en eerdere praktijkervaringen zijn geïntegreerd. Vervolgens stelt de student een persoonlijk activiteitenplan (een POP) op om zijn doel(en) te bereiken.


Reflectieschema’s Reflectie vooraf

1. Wat wil ik?

1. Subjectief concept openen: Voor beginners: maak woordspinnen rondom jouw “ideale leerkrachten” Voor gevorderden: ga naar jouw woordspinnen van de ideale leerkracht die je al verrijkt hebt met opleidingsinhouden (theorie, competenties enz.) en je werkplekervaringen 2. Reflecteer op die woordspinnen: Reflectie doe je door vanuit je woordspinnen (= verrijkt subjectief concept) bewust en kritisch naar jezelf te kijken • Wat doe jij al? • Wat kun jij al? Nog niet? • Wat vind jij? Wat zijn jouw waarden en normen? • Wie wil jij zijn als leerkracht? 3. Stel je persoonlijke leerdoel(en) vast: Je selecteert en maakt verantwoorde keuzes op basis van je proces onder 1 en 2 Houd voor zover je dat wilt en kunt rekening met “de omgeving” (doelen voor de kinderen, mogelijkheden, wensen van de werkplek, inhouden van de opleiding enz.)

2. Wat ga ik doen?

4. Maak een activiteitenplan: Beschrijf de acties die je wilt ondernemen om je doel(en) te bereiken. Wat ga je concreet doen? Dit neem je op in je POP (hierbij kan het gaan om een serie activiteiten en/of om acties die in één lesactiviteit plaatsvinden). Duidelijk zal zijn dat het hier uiteindelijk gaat om een persoonlijk ontwikkelingsplan (POP).

Na de reflectie vooraf heeft de student leerdoelen om aan te werken. Om hem hierbij te helpen kan hij een POP gaan maken. Het POP is een hulpmiddel voor de student en voor de begeleiders om inzichtelijk te maken waar hij mee bezig is. In het POP staan dan ook de leervragen, acties en personen die de student nodig heeft, benoemd. Via dit POP hebben de student en zijn begeleiders ook zicht op de competenties waaraan de student werkt. Op de opleiding krijgt de student bijeenkomsten over het opstellen van een POP. In de praktijk maken wij daarbij gebruik van het onderstaande schema. Studenten kunnen het schema altijd naar eigen inzichten aanpassen.


Schema Persoonlijk Ontwikkelingsplan Kenmerke nde Beroepssit uatie 1.

Leervrage Te realiseren n (aspecten van) competenties

Activiteiten

Actoren

Output

2.

3.

4.

Wanneer de student bezig is met zijn POP, vragen wij hem om regelmatig stil te staan bij de eigen ontwikkeling en de ondernomen activiteiten. Bovendien moet de student zelf ook het eindresultaat (output) bewaken. Met andere woorden, leveren de ondernomen activiteiten ook het gewenste resultaat op? Hierbij moet de student zich spiegelen aan de competenties. Binnen competentiegericht onderwijs moet een student aantonen competent te zijn. De reflectie achteraf is een goed moment voor de student om te kijken welke competenties hij aantoonbaar heeft behaald. Voor deze reflectie achteraf kan de student gebruiken maken van dit schema:


Reflectie achteraf A. Wat wilde ik?

B. Wat deed ik?

C. Welke betekenis heeft het voorgaande voor jou?

Beschrijf kort je persoonlijke leerdoel(en) en verwijs naar de bijbehorende spin en je POP. Acties - Wat heb je nu concreet gedaan om je doel(en) te bereiken? - In hoeverre ben je afgeweken van je POP? Met de woordspinnen, je doelen (en leerlijn) erbij: 1. Positieve ervaringen Noem je positieve ervaringen. 2. Wat anders ging Benoem wat je anders had gewild, verwacht. Welke belemmeringen ervoer je in jezelf, in je omgeving? 3. Wat anderen vinden Geef aan wat anderen er van vinden (werkplekbegeleider, kinderen enz.) vraag om feedback. Gebruik competenties en assessments om te reflecteren, jezelf te confronteren! Tips: A. Gebruik bij het bovenstaande het schema: doen, denken, voelen, willen om in te zoomen bij het concretiseren en analyseren van gedrag en situaties. B. Leg relaties met opleidingsinhouden en eerdere werkplek-ervaringen.

4. Essentiële zaken Zet uit bovenstaande punten de voor jou meest essentiële zaken op een rijtje. Wat is voor jou het belangrijkste? Woordspinverrijking Tijdens het werken aan bovenstaande punten worden kernwoorden toegevoegd aan je spinnen (je subjectieve concept) om ervaringen overzichtelijk vast te houden.

D. Hoe nu verder? Dus terug naar: REFLECTIE VOORAF

Spiegeling competenties Welke competenties kun jij nu aantonen? Welke bewijsmateriaal heb je hiervoor? Alternatieven formuleren: • nieuwe keuzes, persoonlijke leerdoelen • bijstelling POP om nieuwe of bijgestelde persoonlijke leerdoelen te bereiken.


Naast deze vorm van intentioneel leren (een vorm van leren waarbij de lerende doelbewust activiteiten plant en uitvoert om daarvan te leren) bestaat er ook een vorm van impliciet leren. Dat betreft datgene wat de lerende leert, zonder dat dit vooraf gepland was. Dat kun je opnemen onder het hoofdstuk ‘wat deed ik’ en dan specifiek onder ‘wat anders ging’.

Het portfolio Het portfolio is een instrument om de ontwikkeling van de student zichtbaar en dus bespreekbaar en beoordeelbaar te maken. In het portfolio legt de student zijn ervaringen, bevindingen en uitwerkingen vast. Een ontwikkelingsgericht portfolio toont behalve de leerresultaten, ook het leerproces. In het portfolio bewaart de student het bewijsmateriaal voor dit leerproces en het leerresultaat. Zo krijgen student, studieloopbaanbegeleider, leerwerkplekbegeleider en schoolcoach zicht op de leerwinst en op de leervragen voor het vervolg. In overleg met de studieloopbaanbegeleider maakt de student een overzichtelijke indeling van zijn portfolio. Aan de hand van het ontwikkelingsportfolio stelt de student een assessmentdossier samen en neemt daarin de benodigde bewijslast op. Dit assessmentdossier wordt ter voorbereiding op het eigenlijke assessment voorgelegd aan de assessoren.


Inhoud Het leren op de werkplek heeft een sterke relatie met het opleidingsprogramma. Daardoor wordt het gemakkelijker om de theorie (vaak vanuit de opleiding) toe te passen in de praktijk. Het opleidingsprogramma is daarvoor ingericht aan de hand van kenmerkende beroepssituaties. Dit zijn situaties die zich in iedere onderwijspraktijk voor doen, maar waarin tegelijkertijd ruimte is voor het werken aan je eigen specifieke leervragen. Gedurende de opleiding zijn de studiejaren verdeeld in perioden van een kwartaal. In elke periode staat een kenmerkende beroepssituatie centraal. Het aanbod vanuit de verschillende vakgebieden sluit steeds aan bij de thematiek van deze kenmerkende beroepssituatie (KBS). Tijdens elke KBS voert de student een KBS-opdracht uit. Onderdeel van elke opdracht is dat de student een relatie legt met het werkplekleren. De situatie in de stagegroep en de competentie ontwikkeling van de student spelen daarbij een belangrijke rol. Naast het onderwijs binnen de KBS is er een meer vakspecifiek aanbod. Dit is o.a. aanbod dat gericht is op kennis-en vaardigheidstrainingen voor rekenen, taal, de zaakvakken en de creatieve vakken. Dit aanbod kan voor verschillende groepen anders geprogrammeerd zijn. 2.1 De kenmerkende beroepssituaties van de propedeuse. Kwartaal 1; Léér-kracht In dit kwartaal maakt de student kennis met het beroep en met de opleiding. Bestaande beelden worden door de student geëxpliciteerd en vertaald naar zijn ideaalbeelden. Zij maken kennis met het competentiegerichte karakter van de opleiding en gaan na in hoeverre zij al beschikken over competenties (of delen daarvan) vanuit vooropleidingen of andere ervaringen. Kwartaal 2; Kind Binnen deze kenmerkende beroepssituatie leren studenten te kijken naar kinderen en maken zij kennis met diverse aspecten van hun ontwikkeling in de leeftijd van 4 tot 12 jaar. Verder maken zij kennis met zaken als klassencultuur en het creëren van een veilige schoolomgeving. Kwartaal 3; Groep Gedurende het derde kwartaal zijn studenten bezig met het systematisch leren voorbereiden, uitvoeren en evalueren van lesactiviteiten met kinderen. Zij leren een stimulerende leeromgeving te creëren die structuur en ruimte biedt, waarbij ook klassenmanagement een rol speelt. Kwartaal 4; Onderwijs In kwartaal 4 breiden studenten hun pedagogisch-didactisch concept verder uit door leerwerkprogramma’s te ontwerpen, uit te voeren en te evalueren binnen de verschillende vakgebieden. Hierbij horen ook de overgangen tussen verschillende lesactiviteiten. De eerste basisvormen van differentiatie komen hier aan de orde. 2.2 De kenmerkende beroepssituaties van de hoofdfase In de hoofdfase neemt het niveau en de complexiteit in de opleiding verder toe om studenten goed voor te bereiden op de complexe taak van de leraar basisonderwijs. De kenmerkende beroepssituaties zijn per semester met elkaar verbonden en krijgen een steviger onderzoekscomponent, het vakspecifieke aanbod rondom de verschillende vakgebieden verdiept zich en de student profileert zich door keuzes in het programma (o.a. via minoren).


2.2.1 De kenmerkende beroepssituaties van het tweede studiejaar Semester 1: Opbrengsten Kwartaal 5; Pedagogisch- didactisch omgaan met kind en groep Een leraar functioneert als begeleider van een groep met duidelijk waarneembare verschillen wat betreft niveau, tempo en interesse. Hij helpt kinderen met hun leerwerk, en/of stimuleert ze in hun spel, controleert het werk en geeft extra hulp. Hij lost conflicten op samen met kinderen. Hij kiest geschikte waardengeladen ontwikkelingsstof. Hij bespreekt met kinderen wat zich in hun belevingswereld afspeelt. Uit bovenstaande beschrijving van het handelen van een leerkracht blijkt dat op een goede manier pedagogisch-didactisch omgaan met het kind en groep, aardig wat om handen heeft. Studenten leren bijvoorbeeld zorgen voor een ordelijke en op samenwerking gerichte sfeer in de klas en leerlingen aan te spreken op ongewenst gedrag en hen te stimuleren tot gewenst gedrag. Ook leert de student rekening te houden met sociaal-culturele verschillen en met verschillen tussen kinderen wat betreft hun mogelijkheden tot het dragen van verantwoordelijkheid. Kwartaal 6; Oriëntatie op groepsplannen Binnen deze kenmerkende beroepssituatie leert de student de meest voorkomende problemen te signaleren zoals faalangst, motivatie problemen en tijdelijke gedragsproblemen. Hij oriënteert zich op het werken met groepsplannen. Hij kan kennis opdoen binnen het aanbod van de verschillende vakgebieden. Hij informeert zich ook over welke aanpakken zoal gekozen kunnen worden bij de verschillende problemen. Hij leert begeleidingsmethodieken zodanig hanteren dat hij de meest geschikte aanpak kiest, daarin zitten zowel psychologische, pedagogische als didactische aspecten. Dit alles vindt plaats binnen de zorgstructuur van het de school. Semester 2: Verschillen Kwartaal 7 en 8; Ontwikkelen en leren van het jonge/oudere kind De student ontwikkelt een visie op ontwikkelen en leren voor een specifieke leeftijdsgroep. Hij weet welke maatregelen hij moet nemen om een leerling in een bepaalde leeftijdsfase tot optimaal ontwikkelen en leren te laten komen en maakt daarbij gebruik van bestaande groepsplannen en/of handelingsplannen. Dat wat hij in de eerdere kenmerkende beroepssituaties heeft geleerd, gaat hij nu specificeren naar leeftijdsfase jonge/ oudere kind met een verdieping in één domein door middel van onderzoeksactiviteiten.

2.2.2 De kenmerkende beroepssituaties van het derde studiejaar In het derde jaar gaat de student zich verdiepen door middel van profilering. In het tweede deel van het studiejaar volgt de student de door hem gekozen minor(en). Kwartaal 9; Begeleiden van leerprocessen We benaderen deze kenmerkende beroepssituatie vanuit de actuele kijk op de omgang met kinderen en hun leerproces (het nieuwe leren). Binnen de diverse leerarrangementen van deze kenmerkende beroepssituatie krijgt de student aanbod gericht op het nieuwe leren. Hij wordt gestimuleerd om op de werkplek op zoek te gaan naar mogelijkheden om het aanbod binnen de leerarrangementen toe te passen.


Daarnaast leert de student op didactisch gebied ruimte te bieden aan kinderen voor verschillende manier van werken. Hij leert ook moderne middelen te hanteren, waaronder ICT. De leeropbrengsten van kinderen leer je bij te houden en te registreren. Binnen deze kenmerkende beroepssituatie krijgen gespreksvaardigheden aandacht De student leert constructieve feedback geven, maar ook feedback ontvangen van leerlingen. Ook leert hij op communicatieve wijze samen te werken vanuit een enthousiaste en betrokken houding. Kwartaal 10; Werken aan onderwijsontwikkeling. De opdracht voor de studenten is om de basisschool te helpen hun onderwijs te verbeteren. Dit kan betekenen dat de student met een groep medestudenten een verbetering gaat initiëren (starten) of dat de student aan een verbetering die al langer draait een nieuwe impuls gaat geven. Vanuit een vraag van de werkplek gaat de student aan de slag. Deze vraag kan zich op van alles richten, maar heeft altijd te maken met één van de drie volgende profielen: Cultuureducatie en / of ICT educatie en / of Wetenschap en Techniekeducatie. De student maakt zelf een keuze voor één van deze profielen. Dit doet de student aan de hand van: de vraag van de school, de mogelijkheden om aan competenties te werken en natuurlijk zijn eigen interesses. Kwartaal 11 en 12; Minorperiode. Elke student kiest twee opleidingsminoren (2 X 15 studiepunten) of één Fontysminor (30 studiepunten). Enkele studenten voeren in deze periode een buitenlandstage uit. De activiteiten van de student zullen grotendeels aansluiten bij de gekozen minoren. Het is aan de student daarover in gesprek te gaan met leerwerkplekbegeleider en studieloopbaanbegeleider. Voor de continuïteit van de ontwikkeling van de student is het van belang dat hij verbonden blijft aan een vaste stagegroep. De student kan een keuze maken uit de onderstaande opleidingsminoren: - Bewegingsonderwijs in het primair onderwijs - Cultuureducatie - Het creatieve onderzoekende kind - Jonge kinderen met bijzondere begeleidings- en odnerwijsbehoeften - Kind, leren en media - Kinderen met bijzondere behoeften op het gebied van gedrag - Pedagogische advisering Voor de Fontysminoren verwijzen we naar de Fontys website www.fontys.nl 2.3 De afstudeerfase Tijdens de afstudeerfase ontwikkelt de student zich tot startbekwaam leerkracht. Het aanbod op de opleiding is gericht op een sterkere vraagsturing vanuit de student. De student formuleert in deze fase zijn eigen kenmerkende beroepsituatie aan de hand van zijn ervaringen in de praktijk een sterkte-zwakte analyse van zijn eigen competentie-ontwikkeling. Het praktijkgericht onderzoek

Deze fase kent twee onderdelen: • De praktijkfase waarin de student leert en aantoont de verantwoordelijkheid over een klas kinderen aan te kunnen. • De onderzoeksfase waarin de student aantoont met behulp van praktijkgericht onderzoek een bijdrage te kunnen leveren aan de schoolontwikkeling. Voor een uitgebreide beschrijving van de afstudeerfase wordt verwezen naar de afstudeerwijzer (handleiding CE 3).


Begeleiding De ontwikkeling van een student tot een ‘professional’ in het basisonderwijs vereist een goede begeleiding. Naast de begeleiding van de competenties zal de student in de loop van zijn opleiding in toenemende mate qua tijd een stagegroep onder zijn hoede moeten kunnen nemen om op deze manier te tonen dat “doorlopend” klassenmanagement door hem mogelijk is. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat een student aan het einde van de propedeuse een klas een dagdeel onder zijn hoede kan nemen, aan het einde van het tweede studiejaar twee aaneengesloten dagen en aan het einde van de hoofdfase een hele week. Bij deze begeleiding zijn betrokken: - de leerwerkplekbegeleider (mentor) van de basisschool - de schoolcoach van de basisschool - de studieloopbaanbegeleider (SLB) van de opleiding In (nog) niet alle gevallen is er een schoolcoach op de basisschool benoemd, waardoor de werkplekbegeleider beide taken op zich neemt. De leerwerkplekbegeleider In de stageschool wordt de dagelijkse begeleiding verwezenlijkt door de leerwerkplekbegeleider. • Hij is degene die het meest deskundig is in de klas; • Hij kent de onderlinge relaties en niveaus van de leerlingen; • Hij kent de cultuur van de klas en van de school en • Bovendien is hij degene die de student het meest van nabij ziet functioneren op de werkplek. Iedere student heeft een vaste leerwerkplekbegeleider op de basisschool. Met deze werkplekbegeleider bespreekt de student zijn leervragen vanuit zijn POP. De begeleidingsstijl van de leerwerkplekbegeleider is een coachende stijl: hij begeleidt de student om het leren en het functioneren te optimaliseren door middel van een voortdurende zelfreflectie op het eigen handelen. De leerwerkplekbegeleider: • Is de meer ervaren ‘collega in de klas’ en bespreekt vanuit die positie met de student welke activiteiten mogelijk zijn vanuit de leervragen die de student heeft. Het POP van de student en de mogelijkheden in de klas en op de school zijn hierbij richtinggevend; • Bespreekt samen met de student hoe en wanneer de gekozen activiteiten worden uitgevoerd; • Hanteert een coachende begeleidingsstijl en gebruikt hierbij o.a. de ‘reflectieschema’s; • Neemt kennis van de door de student geschreven reflectieverslagen en bespreekt deze eventueel met de student; • Geeft, samen met de andere teamleden, de student ruimte om deel te nemen aan allerlei activiteiten in de stageklas/stageschool. Sturend voor deze activiteiten zijn het POP van de student. In dit POP wordt, waar mogelijk, aangesloten bij de schoolontwikkeling; • Evalueert samen met de student uitgevoerde activiteiten en geeft daar feedback op. Taken: de leerwerkplekbegeleider • Is in staat en bereid om een goede relatie met de student op te bouwen; • Is op de hoogte van en kan het begeleidingsinstrumentarium hanteren dat op ons instituut gebruikt wordt: het model reflectief leren in de stage en de reflectieschema’s; • Neemt elke periode kennis van het POP van de student; • Bespreekt regelmatig het POP met de student, de voortgang van de werkzaamheden van de student en neemt kennis van reflectieverslagen;


• •

Weet aan te sluiten bij de student die een grote mate van autonomie heeft bij de inrichting van de eigen studie; Heeft regelmatig overleg met de student over zijn ontwikkeling, planning en voortgang.

De schoolcoach De centrale taak van de schoolcoach is het samen met de student leggen van een verbinding tussen de schoolontwikkeling enerzijds en de persoonlijke en professionele ontwikkeling van de student anderzijds. • Daarvoor informeert hij de student of groep studenten over de actuele ontwikkelingen binnen de school, zodat studenten deze kunnen meenemen in het opstellen van hun POP. Daarnaast heeft de schoolcoach een coördinerende taak bij het verdelen van studenten over de verschillende groepen binnen de school. • De schoolcoach neemt elk kwartaal kennis van het POP van de student en bespreekt de mogelijkheden en onmogelijkheden binnen de school. • De schoolcoach onderhoudt contacten met de studieloopbaanbegeleider en met de leerwerkplekbegeleider (mentor) van de student. • De schoolcoach begeleidt de student in het reflecteren op en het abstraheren van de verschillende opgedane ervaringen in de praktijk, zodat de student inzicht verwerft in wat de praktijkervaringen betekenen voor diens ontwikkeling. • In gevallen waar supervisie en intervisie plaatsvinden met de groep studenten van één basisschool, wordt dat geleid door de schoolcoach eventueel samen met de studieloopbaanbegeleider. De studieloopbaanbegeleider De centrale taak van de studieloopbaanbegeleider is het coachend begeleiden van individuele student en van groepen studenten in hun ontwikkeling tot loopbaancompetente studenten en leraren. De studieloopbaanbegeleider is de begeleider van de individuele student en van een groep studenten uit verschillende fasen van de opleiding. De SLB treedt op als coach en evalueert en signaleert de vorderingen in de ontwikkeling van de student. Het begeleiden van leerprocessen in de heterogene leergroep is dus ook een taak van de SLB. Ook deze taak vraagt coachend handelen. Specifiek aandachtspunt hierbij is dat de studenten samen gericht zijn op het van, met en aan elkaar leren, waarbij verschillen benut worden. In dat leerproces participeert de SLB ook. De taak van de studieloopbaanbegeleider is het begeleiden van het totale leerproces van de student. Deze taak wordt gerealiseerd door: • Het ondersteunen van de student bij de nadere kennismaking met de basisschool; • Het ondersteunen van de student bij het formuleren van leerdoelen en -activiteiten, het opstellen van een persoonlijk ontwikkelingsplan (POP); • Het ondersteunen van de student bij het leggen van verbinding tussen het aanbod op de opleiding en zijn activiteiten op de leerwerkplek; • Het stimuleren van de student bij het samenwerkend leren in de leergroep; • Het ondersteunen van de student bij het maken van en omgaan met zelfreflecties; • Het bespreken van het functioneren van de student; • Zicht te houden op de ontwikkeling van reflectieve vaardigheden door de student; • In overleg met de student te bepalen wanneer de competenties met een assessment beoordeeld kunnen worden (signalerende functie); • Met de student te bespreken welke bijdrage er aan de schoolontwikkeling geleverd kan worden; • Regelmatig te overleggen met de schoolcoach en/of werkplekbegeleiders;


Het houden van voortgangsgesprekken met de student na elk kwartaal. Daarin komen in elk geval aan de orde: • De vorderingen van het POP van de student; • De vorderingen van de student in het programma van de opleiding; • Reflectie op de competentieontwikkeling van de student.

Daarnaast is de studieloopbaanbegeleider degene die de relatie onderhoudt van de pabo met de school. Hij is degene die door de school aangesproken wordt als vertegenwoordiger van de pabo. Anderzijds is de studieloopbaanbegeleider voor de pabo degene die in relatie tot de betreffende school aangesproken kan worden. Resultaat moet zijn dat de school de pabo ervaart als een betrouwbare partner en de studieloopbaanbegeleider als iemand waar je van op aan kunt. Samen zijn ze krachtige partners in het opleiden. Bijbehorende taken: • zorg voor een goed contact met de directie, de schoolcoach en de leerwerkplekbegeleiders van de school; • tijdens elk bezoek aandacht hebben voor directie en team; • zorgen voor een goed data-bestand van elke school; • gegevens van de pabo en de betreffende LC beschikbaar stellen; • de opleidings- en stageconcepten van FPE toelichten. • het Fontysbeleid in brede zin, waar nodig, toelichten (lectoren, Biloba etc); • wensen van de school proberen te koppelen aan stagiaires, die aan die school worden toegewezen en verslaglegging van de bezoeken. De student Om de begeleiding in de stage zo soepel mogelijk te laten verlopen, verwachten de stageschool en de opleiding het volgende. De student is verantwoordelijk voor: • De beschrijving van persoonlijke leerdoelen, waarin de aandachtspunten van de periode verwerkt zijn; • Het opstellen van een persoonlijk ontwikkelingsplan (doelen en geplande activiteiten) en het bespreken van dit plan met de studieloopbaanbegeleider en de leerwerkplekbegeleider, eventueel met de schoolcoach; • Het zich op de hoogte stellen van de gebruiken/regels van de school en van zijn stageklas; • Het zorgvuldig bijhouden van zijn portfolio, dat inzichtelijk is voor de studieloopbaanbegeleider en de schoocoach. • Het zich kwalitatief en kwantitatief verantwoorden voor de activiteiten die hij verzorgt; • Het schrijven van een reflectie met behulp van het reflectieschema na elke stageperiode en het bespreken van deze reflectie met de schoolcoach, de leerwerkplekbegeleider en de studieloopbaanbegeleider; • Het overleggen met de schoolcoach, de leerwerkplekbegeleider en de studieloopbaanbegeleider in hoeverre gemiste stagedagen ingehaald worden.


Beoordelingscriteria werkplekleren De beoordeling van het werkplekleren vindt plaats aan de hand van beoordelingscriteria (competenties en standaarden) in kritische beroepssituaties die relevant zijn voor het beroep leraar primair onderwijs. De student toont zijn bekwaamheid op de werkplek dus daadwerkelijk in de praktijk van alledag. Voor het beschrijven van de beoordeling maakt de studieloopbaanbegeleider gebruik van het formulier ‘werkplekbeoordeling’. Hierin komen het oordeel van de werkplekbegeleider/schoolcoach, de reflectie van de student en het oordeel van de studieloopbaanbegeleider samen. De studenten in de propedeusefase en in het tweede jaar (hoofdfase 1) maken gebruik van een digitaal competentieprofiel. Dit competentieprofiel wordt gebruikt op alle locaties van Hogeschool Kind & Educatie. Het profiel gaat uit van de bekende SBL competenties, maar heeft een verder uitwerking in kritische (praktijk)situaties en standaarden. Hierdoor wordt duidelijk zichtbaar op welk niveau de student een competentie in zijn fase van de opleiding moet kunnen tonen. De situaties uit de beroepspraktijk zijn in de propedeuse bewust eenvoudig geformuleerd, maar ze nemen in complexiteit toe gedurende de opleiding. Het competentieprofiel voor de derdejaars en afstudeerders kent deze uitwerking naar kritische situaties vanaf studiejaar 2013-2014. Het competentieprofiel geeft de criteria voor de beoordeling van het werkplekleren. Direct naar: Competentieprofielen Toelichting bij de begrippen en opbouw van het competentieprofiel Het competentieprofiel beschrijft de eindtermen per fase van de opleiding. Onderstaand schema bevat uitleg over de begrippen in het competentieprofiel en het gebruik ervan. Het schema kun je ook vinden onder de ‘Helpknop’ in het competentieprofiel. Het schema van competenties en kritische situaties (startpagina competentieprofiel) vormt de kern van het competentieprofiel. Hier zie je als student wat je moet beheersen en in welke situaties en door welke handelingen je dat in de praktijk laat zien. In verschillende menu’s (competenties, kritische situaties, matrix) wordt in het profiel de samenhang tussen competenties en standaarden; samenhang tussen kritische situaties en standaarden, kritische situaties en kritische handelingen weergegeven. Uitleg over de begrippen Begrip

Wat betekenen ze?

Competentie Het vermogen (zijnde een combinatie van kennis, vaardigheden en attitude) om in een situatie adequaat te handelen Standaard Het niveau van een aspect van een bepaalde competentie aan het einde van de betreffende fase

Waar kom je ze tegen? Dezelfde 7 competenties gelden voor het gehele curriculum en komen dus terug in propedeuse-, hoofden afstudeerfase. Voor elke opleidingsfase is per competentie een aantal standaarden geformuleerd, waarin het eindniveau van de opleidingsfase is beschreven.

Hoe gebruik je ze? De student rapporteert over zijn competentieontwikkeling, waarbij de 7 competenties de kapstokken vormen.

Voor de student zijn de standaarden het belangrijkst. Zijn competentieontwikkeling bewijst hij door te laten zien dat hij de standaarden beheerst. De standaarden vormen de basis voor het stellen van leerdoelen.


Kritische situatie

Die situaties die elke (aankomende) leraar meester moet zijn en waarin hij zijn competenties toont

Kritische handeling

Een handeling binnen een bepaalde kritische situatie waaruit blijkt dat de (aankomende) leraar bepaalde standaarden beheerst

Dezelfde 5 kritische situaties gelden voor het gehele curriculum en komen dus terug in propedeuse-, hoofd- en afstudeerfase. Voor elke opleidingsfase is per kritische situatie een aantal kritische handelingen geformuleerd, waarin de standaarden van die opleidingsfase zichtbaar worden. Van de kritische handelingen is de complexiteit beschreven die van de student verwacht aan het einde van de opleidingsfase,

Voor de student zijn de kritische situaties een hulpmiddel om geschikte leersituaties te creĂŤren, bijvoorbeeld in het contact met de mentor van de basisschool. De kritische handelingen geven structuur en inhoud aan de kritische situaties: - structuur: een kritische situatie kan in onderdelen geoefend worden. Daarna kan de student de handelingen combineren binnen de kritische situatie. In het begin van de opleidingsfase kunnen de kritische handelingen vereenvoudigd worden, om daarna de complexiteit op te voeren tot het eindniveau. - inhoud: in de kritische handelingen worden de standaarden geoefend. Door het goed uitvoeren van de kritische handelingen kan de student laten zien dat hij de standaarden beheerst.


Stageboek 2012_2013