Page 1

SGLVB Vakblad

Mensen met een sterk gedragsgestoorde en laag verstandelijke beperking

VAKBLAD

1


SGLVB Vakblad

REDACTIE

Dennis ter Horst ART DIRECTOR

Dennis ter Horst SCHRIJVER

Dennis ter Horst

PAGINA 04 - 07 DIAGNOSE INSTRUMENTEN Voor het diagnosticeren van (SG)LVB.

PAGE 08 - 09 KLAS

7MZ4W

BEPERKINGEN EN PROBLEMATIEK Van (SG)LVB-cliënten.

OPDRACHT

Keuzedeel Mensen met een sterk gedragsgestoorde en laag verstandelijke beperking EINDOPDRACHT

SGLVB

2

(SG)LVB

PAGE 10 - 13 SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING Van (SG)LVB-cliënten.

PAGE 14 - 15 METHODIEKEN EN (VAARDIGHEIDS)TRAININGEN Voor (SG)LVB-cliënten.


INHOUDS OPGAVE

PAGE 26 - 29 GESPREKSTECHNIEKEN EN COMMUNICATIE Welke methoden kun je toepassen bij (SG) LVB-cliënten?

PAGE 16 - 19 PSYCHIATRISCHE KENMERKEN EN VERSLAVING Bij (SG)LVB-cliënten.

PAGE 30 - 31 WET EN REGELGEVING JURIDSICHE KADERS Hoe pas je dit toe bij (SG) LVB-cliënten?

PAGE 22 - 23 ONDERSTEUNINGS METHODIEKEN Hoe pas je dit toe bij (SG) LVB-cliënten?

PAGE 20 - 23 SEKSUELE PROBLEMATIEK In relatie tot (SG) LVB-cliënten.

PAGE 24 - 25 INTERVENTIE Hoe pas je dit toe bij (SG) LVB-cliënten?

VAKBLAD

3


DIAGNOSE INS INSTRUMENTEN Om (vermoedens van) een lichte verstandelijke beperking (lvb) en de bijkomende problematiek bij kinderen en jongeren te onderzoeken zijn diverse instrumenten beschikbaar. De instrumenten zijn onder te verdelen naar intelligentie, sociaal aanpassingsvermogen en bijkomende problematiek. INTELLIGENTIE Tijdens de peuter- en kleuterperiode valt bij een verstandelijk beperkt kind op dat het achterblijft in de motorische ontwikkeling en in de spraak/taalontwikkeling. Het IQ is op deze leeftijd lastig vast te stellen, zeker als kinderen nog niet kunnen schrijven en lezen. De Snijders-Oomen Niet-verbale Intelligentietest voor kinderen van 2,5 jaar tot 7 jaar (SON-R 2,5-7) komt tegemoet aan dit probleem. De test bevat geen verbale onderdelen, en kan worden afgenomen zonder gebruik van gesproken of geschreven taal. Vanaf hun zesde levensjaar worden kinderen over het

BIJKOMENDE PROBLEMATIEK Instrumenten die kunnen worden ingezet om autisme en aanverwante stoornissen te diagnosticeren bij kinderen en jongeren met een lichte verstandelijke beperking zijn: • Autisme en Verwante Stoornissenschaal voor Zwakzinnigen - Revisie (AVZ-R) • Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen (VISK) Kinderen en jongeren met een lichte verstandelijke beperking en bijkomende problemen lopen een groot risico op het ontwikkelen van gedragsproblemen. Een instrument dat bedoeld is om persoonskenmerken bij licht verstandelijk beperkte jongeren en volwassen vast te stellen en ook gebruikt wordt om gedragsstoornissen in een vroeg stadium te signaleren is de Temperamentsschaal Voor Zwakzinnigen (TVZ).

4

(SG)LVB


STRUMENTEN algemeen taalvaardiger en is het eenvoudiger om een intelligentietest af te nemen. In Nederland is de Wechsler Intelligence Scale for Children (WISC-III NL) de meest gebruikte intelligentietest voor kinderen en jongeren van 6 tot 17 jaar. Het is een brede intelligentietest, waarvan de helft van de subtests een beroep doet op de verbale aspecten van de intelligentie: informatie, overeenkomsten, rekenopgaven, woordenschat, begrijpen en cijferreeksen, en de andere helft gericht is op het handelend bezig zijn (performale aspecten): onvolledige tekeningen, plaatjes ordenen, blokpatronen, figuurleggen, substitutie en doolhoven. Andere veel toegepaste intelligentietests zijn de Revisie Amsterdamse Intelligentie Test (RAKIT), de Groninger Intelligentie Test voor Voortgezet Onderwijs (GIVO) en de Snijders-Oomen Niet-verbale Intellgentietest voor oudere kinderen van 5,5 tot 17 jaar.

Screeningsinstrumenten om de emotionele- en gedragsproblemen van licht verstandelijk beperkte jongeren in kaart te brengen zijn de: • • • • • •

Child Behavior Checklist (CBCL) Storend Gedragsschaal (SGZ) Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) Teacher’s Report Form (TRF) Vragenlijst over Ontwikkeling en Gedrag (VOG) Youth Self Report (YSR)

SOCIAAL AANPASSINGS VERMOGEN ER IS IN NEDERLAND EEN AANTAL SCREENINGSINSTRUMENTEN BESCHIKBAAR OM HET SOCIAAL AANPASSINGSVERMOGEN TE METEN VAN KINDEREN EN JONGEREN MET EEN LICHTE VERSTANDELIJKE BEPERKING. verschillende aspecten van het sociaal aanpassingsvermogen: de sociale vaardigheden (onder andere omgaan met sociale situaties), de conceptuele vaardigheden (onder andere taalgebruik, abstract denken) en de praktische vaardigheden (zelfverzorging, verrichten dagelijkse huishoudelijk taken, omgaan met geld). Instrumenten die het sociaal aanpassingsvermogen van kinderen en jongeren met een lichte verstandelijke beperking in kaart brengen zijn: • • •

Beoordeling Sociaal Aanpassingsvermogen (BSA) Sociale Informatie Verwerkings Test (SIVT) Sociale Redzaamheidsschaal voor Zwakzinnigen (SRZ-P) VAKBLAD

5


SON-R 2½-7 Snijders-Oomen Niet-verbale Intelligentietest 2½-7 Bron: www.nji.nl

DE SNIJDERS-OOMEN NIET-VERBALE INTELLIGENTIETEST 2½-7 (SON-R 2,5-7) IS EEN ALGEMENE INTELLIGENTIETEST VOOR KINDEREN VAN 2½ TOT 7 JAAR. IN DE SON-R 2½-7 SPEELT DE GESPROKEN TAAL GEEN ROL, ZODAT DE TEST BRUIKBAAR IS BIJ KINDEREN MET COMMUNICATIEVE HANDICAPS OF EEN ONVOLDOENDE BEHEERSING VAN DE NEDERLANDSE TAAL. Doel - De SON-R 2,5-7 meet de algemene intelligentie van kinderen met beperkte verbale communicatieve vaardigheden. Doelgroep - Kinderen van 2½ tot 7 jaar die beperkt zijn in hun verbale communicatie, zoals dove en slechthorende kinderen, kinderen met taal- en spraakstoornissen,

6

(SG)LVB


Johannes Theodorus (Jan) Snijders

allochtone kinderen bij wie thuis geen Nederlands wordt gesproken, autistische kinderen, kinderen met een ontwikkelings achterstand en zwakbegaafde kinderen ouder dan 6 jaar. Materialen - Dit instrument bestaat uit een handleiding, scoreformulieren, een geautomatiseerd scoringsprogramma en verschillend testmateriaal zoals testboeken, kaarten, puzzels, vierkantjes, steentjes en een onderlegger. Gebruik - De afname van de SON-R 2½-7 is niet voorbehouden aan psychologen en (ortho)pedagogen, de interpretatie en rapportage van de testresultaten wel. Ervaring met het afnemen van testen en met het omgaan met jonge kinderen met specifieke problemen en handicaps is vereist. De SON-R 2½-7 kan, afhankelijk van de communicatiemogelijkheden van het kind, met en zonder het gebruik van gesproken taal worden afgenomen. Bij een verbale instructie moet de afnemer zich beperken tot de voorgeschreven tekst zodat in vergelijkingmet de nonverbale instructie geen extra informatie wordt gegeven. Bij voorkeur moet de gehele test in één keer en in een vaste volgorde afgenomen worden. Alleen bij het tweede deel van de performale tests moet een tijdslimiet worden gehanteerd. Er moet worden gewerkt volgens een adaptieve procedure die erop is gericht de afname te beperken tot de items die aansluiten bij het niveau van het kind. Dit betekent dat de afnemer zich moet zich houden aan de per subtest geldende instap- en afbreekregels. De afnemer kan tijdens de afname feedback geven aan het kind door na de beantwoording van de opgave aan te geven of de oplossing goed of fout is. Bij een fout antwoord verbetert de afnemer samen met het kind de fout maar legt niet uit waarom het gegeven antwoord verkeerd was. Voor de scoring geldt het antwoord als fout. Ook moet de omgeving waarin de test wordt afgenomen aan bepaalde voorwaarden voldoen. De stoel en de tafel waaraan de testafname plaatsvindt, moeten in hoogte kunnen worden aangepast aan het kind en zodanig zijn opgesteld dat de afnemer recht tegenover het kind zit. Op de tafel ligt, op een donkere onderlegger, alleen het materiaal van één subtest. Het overige testmateriaal en het scoreformulier moeten binnen handbereik op een andere tafel liggen en buiten het zicht van het kind blijven tot het betreffende onderdeel wordt afgenomen. Wanneer een strikte doorvoering van de standaardinstructies, bijvoorbeeld in het geval van een ernstige motorische handicap, tot gevolg heeft dat de uitkomst weinig zegt over de cognitieve vaardigheid van een kind, kan de afnemer de instructies aanpassen. In de handleiding worden hiervoor suggesties gedaan. Wanneer de afnemer afwijkt van de standaardinstructies moet dit vermeld worden op het scoreformulier. VAKBLAD

7


BEPERKINGEN & PROBLEMATIEK

PSYCHIATRISCHE EN GEDRAGSPROBLEMATIEK Mensen met een LVB hebben in hun leven vaak te maken met kwetsbaarheden en tegenslagen. Zo kunnen ze zichzelf minder goed staande houden in de complexe maatschappij, kost het aangaan van sociale relaties

veel moeite, hebben ze moeite met omgaan met stress en missen ze vaak sociale steun. Daarnaast speelt het disharmonisch ontwikkelingsprofiel een rol. Het gevolg van deze kwetsbaarheden en kenmerken is dat deze groep een grotere kans heeft op het ontwikkelen van psychiatrische stoornissen en/of gedragsproblematiek. Denk hierbij bijvoorbeeld aan hechtingsproblematiek. Over het algemeen wordt aangenomen dat mensen met een LVB drie tot vier keer meer kans hebben op het ontwikkelen van dergelijke problematieken dan mensen met een gemiddelde intelligentie. Wanneer er sprake is van comorbiditeit, bijvoorbeeld LVB en een autismespectrumstoornis, is het belangrijk hierin in de behandeling en de bejegening naar de cliĂŤnt toe rekening mee te houden. In het geval van comorbiditeit is de kans op een gevoel van onbegrip bij de cliĂŤnt groter, wat op zijn beurt kan leiden tot (ernstige) gedragsproblemen.

8

(SG)LVB


WWW.KENNISPLEINGEHANDICAPTENSECTOR.NL

verstandelijke beperking, hechtingsproblematiek en ernstig probleemgedrag

Kijkend naar de cijfers over mensen met een LVB en psychiatrische problematiek kan verondersteld worden dat er in de GGZ veel mensen met een LVB te vinden zijn: Aard en omvang van LVB’ers in de GGZ. Het geven van begeleiding van mensen met een LVB en autisme vraagt veel van professionals, het werkboek Autisme – Thuis in een begrijpelijke wereld helpt je daarbij. Hechtingsproblematiek kan bij mensen met een LVB de oorzaak zijn van probleemgedrag. Op het kennisplein gehandicaptenzorg vind je handvatten om hier mee om te kunnen gaan: LVB en hechtingsproblematiek.

Binnen onze sector komen cliënten met hechtingsproblematiek steeds beter in beeld. Dat is niet zo vreemd. De kans op een verstoorde hechting is vrij groot bij kinderen

De doelgroep LVG De doelgroep waar het in deze beleidsnotitie om gaat, zijn (meestal jongvolwassen) mensen die zowel een lichte verstandelijke beperking hebben als bijkomende problema-

met een verstandelijke handicap. Denk maar aan de moeite die ouders zich moeten getroosten om hun gehandicapte kinderen te begrijpen en op te voeden, en de moeite die die kinderen zelf hebben om duidelijk te maken wat ze willen en voelen. Denk aan de uithuisplaatsingen, de ziekenhuisopnamen, de verhuizingen, en de wisselingen in hulpverleners. Dat maakt relatievorming, en dus hechting, zeer kwetsbaar.

tiek, zoals een psychiatrische stoornis. Deze doelgroep noemen wij ‘LVG met meervoudige of complexe problematiek’, omdat in den lande gebruikelijk is deze mensen zo aan te duiden. Ter wille van de leesbaarheid van deze nota korten we hier deze benaming af tot ‘LVG’. In dit eerste hoofdstuk staat beschreven welke mensen wij als behorend tot de doelgroep LVG beschouwen en welke niet. Een dergelijke beschrijving is om meerdere redenen nodig.

VAKBLAD

9


SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING OMSCHRIJVING FASEN

(SG)LVB

10

(SG)LVB


EERSTE ADAPTATIEFASE (0 – 6 MAANDEN) In deze fase is een kind voornamelijk bezig zich fysiek aan te passen aan het leven buiten de baarmoeder: gewenning aan voeding, waak-/slaapritme, geluiden, aanraking, bewogen worden, temperatuursregulatie, et cetera. Het contact met de volwassene verloopt nog geheel via de nabijheidzintuigen tast, reuk en smaak. Huilen is in deze fase de belangrijkste manier om aandacht te vragen of contact te bewerkstelligen. Huilen staat voornamelijk nog voor lichamelijk ongemak (honger, dorst, pijn, vermoeidheid, te veel prikkels, gespannen sfeer). Het kind laat lichamelijke spanning en ontspanning zien en toont zich lichamelijk opgewonden als het zich niet prettig voelt. Het kind toont angst en woede bij vreemde of intensieve sensorische prikkels. Deze woede is gericht naar zichzelf en zijn omgeving. Verder ontdekt het kind in deze fase zijn eigen lichaamsdelen. Het kind heeft nog geen besef dat iets nog bestaat op het moment dat hij het niet meer ziet (‘weg = weg’). Het kind heeft nog geen of slechts beginnende interesse in materiaal, hooguit toevallig ontdekkend. Er is geen gericht contact met leeftijdsgenootjes. Het hechtingsproces begint al vanaf de zwangerschap maar daadwerkelijk hechtingsgedrag (huilen bij weggaan, lachen bij terugkeer, volgen met de ogen) is pas vanaf circa vijf maanden te zien.

EERSTE SOCIALISATIEFASE (6 – 18 MAANDEN) In deze fase staat het hechtingsproces tussen het kind en zijn belangrijke verzorgers centraal. Het kind voelt zich veelal nog één met de verzorger die als een soort verlengstuk van het kind functioneert. Er is nog geen differentiatie tussen het kind en de ander. Het kind denkt en voelt sterk egocentrisch. Het opbouwen van basale emotionele veiligheid is cruciaal. Het kind kan in paniek raken bij afscheid van die vertrouwde figuur of wanneer die uit zicht is. Het heeft nog weinig besef dat het een zelfstandig wezentje is en ‘weg’ is nog steeds ‘weg’. Omdat het kind daarnaast wel een besef begint te krijgen dat dingen en personen bestaan, ervaart het ook gemis als de vertrouwde persoon er even niet is. De nabijheid van de vertrouwde volwassene biedt veiligheid en daarbinnen durft het kind zijn activiteiten te doen. Het kind is in deze fase ook eenkennig. Het kind ontdekt dat het zijn eigen lichaam kan gebruiken om iets te pakken, aan te raken et cetera. Het kind gaat op zoek naar voorwerpen die het kort daarvoor nog gevoeld heeft. Vooral vorm en geluid van materiaal worden ontdekt. Het kind kent lust- en onlustgevoelens en kan liefde, angst en woede tonen. Agressie toont het kind nog heel ongecontroleerd naar de omgeving. Er is een beginnende interesse in leeftijdsgenootjes. Het kind begint naar voorwerpen te wijzen en te benoemen met “die!” of soms, heel beginnend, het voorwerp bij de naam te noemen.

EERSTE INDIVIDUATIEFASE (18 – 36 MAANDEN) Het kind beseft in deze fase steeds meer dat het een eigen persoontje is dat los van de vertrouwde volwassene bestaat. Autonomie en individuatie staan centraal. Het kind krijgt een eigen wil, ontdekt het woord ‘nee’ en het woord ‘ik’, wil alles zelf doen, wil invloed op zijn omgeving uitoefenen, maar heeft toch nog steeds graag de volwassene op een afstandje. Het liefst in zicht. Dat heeft het kind nodig om zich veilig te voelen. Deze leeftijdsfase is niet gemakkelijk: zelf doen en zelf ontdekken staan centraal, ook die dingen die het nog niet zelf kan. Beperking van de eigen wil leidt makkelijk tot frustratie en driftbuien. Soms zo hevig dat ze er zelf bang van worden. Bang voor de boze woorden die er dan vallen, bang om afgewezen te worden en bang je te verliezen.

VAKBLAD

11


Het is in deze fase nog moeilijk om te onthouden wat er wel en niet mag. Dit wordt in kleine stapjes geleerd. Als er dan toch gedaan wordt wat niet mag is dat vaak niet opzettelijk: de drang om zelf te doen is sterker dan de wil van de opvoeder. Van intern geweten is nog geen sprake dus ook niet van echt schuldgevoel achteraf, hooguit besef dat het iets verkeerd deed. Het kind zoekt de nabijheid van andere kinderen maar van samenspel is nog geen sprake. Het kind kan zich nog niet verplaatsen in de ander. Het gaat steeds meer onderzoekend om met spelmateriaal. Het kind heeft gevoelens van trots, angst, verdriet, jaloezie en liefde. Woede en agressie zijn op personen gericht, vooral op diegenen die het belemmeren in het uitvoeren van zijn eigen wil, maar is nog heel ongericht. Verder is het kind in deze fase bang voor beschadiging van eigen lichaam.

EERSTE IDENTIFICATIEFASE (3 – 7 JAAR) Het kind wordt steeds meer een zelfstandig persoontje dat initiatief neemt in het zich actief durven opstellen ten opzichte van anderen en activiteiten. Aan het begin van deze fase is de peuter (12 tot 4 jaar) nog erg afhankelijk van de aanwezigheid van belangrijke anderen om zich te gedragen volgens bepaalde normen en waarden. Zonder de volwassene wordt de verleiding soms te groot om iets te doen wat niet mag. Aan het eind van de eerste identificatiefase heeft de kleuter (4 tot 7 jaar) besef van regeltjes en kan zich in toenemende mate aan deze regeltjes houden, ook als de volwassene niet in de buurt is. Het spiegelt zich steeds meer aan belangrijke anderen die een rolmodel vervullen en voelt zich tegelijkertijd almachtig. Kleuters kunnen ook ineens weer bang zijn om alleen gelaten te worden; vastklampen als je weggaat of als er zich een nieuwe situatie voordoet. Het kind kan zich zonder vertrouwde persoon wel staande houden in een vertrouwde omgeving. Het contact met de volwassene verloopt vooral via taal en spel. Kleuters vragen non-stop naar het waarom. Deels uit nieuwsgierigheid, deels gewoon om het babbeltje. Peuters zijn nog niet in staat om dingen vanuit het perspectief van de ander te bekijken. Ze zien alles vanuit hun eigen positie: egocentrisch (wat niet hetzelfde is als egoïstisch). Ditzelfde geldt voor het aanvoelen van emoties bij de ander. Dit tekort in denken zorgt ervoor dat ze elkaar kunnen kwetsen of pijn doen. Ze hebben nog onvoldoende zicht op hoe hun doen en laten overkomt op de ander. Dit vermogen is pas vanaf ongeveer het zesde jaar aanwezig en ontwikkelt zich steeds verder. Het kind is veelal nog impulsief: denken en doen gaan vaak gelijk op. Consequenties worden nog niet (peuters) of onvoldoende (kleuters) overzien en afgewogen. In de peuterperiode kunnen kinderen bang zijn voor “de gekste dingen”: bang om te vallen, want stel je voor dat je in honderd stukjes breekt. Bang voor douchewater, straks spoel je door het putje. Bang in het donker. Bij peuters en kleuters lopen fantasie en werkelijkheid makkelijk door elkaar: fantasie is werkelijkheid (zelfbedachte enge monsters en dergelijke). Het vermogen om onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid te maken, ontwikkelt zich in de loop der jaren onder invloed van denkontwikkeling en ervaring. Aan het eind van de kleuterperiode is het steeds meer mogelijk om uit elkaar te houden wat echt en wat maar een bedenksel is. Dit realiteitsbesef levert wel een nieuwe angstbron op, want die werkelijkheid is vaak ingewikkeld en onoverzichtelijk. Peuters spelen nog voornamelijk naast elkaar, kleuters steeds meer met elkaar. Ook kleuters zijn nog erg gericht op vervulling van eigen wensen. Dit, tezamen met het nog onvoldoende ontwikkelde invoelingsvermogen, zorgt ervoor dat het samenspel nog niet op de manier plaatsvindt zoals dat aan het eind van deze fase (6-7 jarigen) behoort. Spelletjes met duidelijke regels zijn in de kleuterperiode geliefd. Het kind kent aan het eind van deze fase gevoelens van spijt en (beginnende) schaamte en kan in toenemende mate praten over zijn eigen gedrag. Het kind heeft angst om niet geaccepteerd of gewaardeerd te worden door belangrijke anderen en kent faalangst. Het kind kent ook gevoelens als geluk. Het gevoel voor goed en fout is nog heel zwart/wit. Boosheid en agressie kan het heel gecontroleerd richten op de persoon. In de omgang met materiaal toont het kind creativiteit en fantasie. Ook in de taal wordt fantasie duidelijk.

12

(SG)LVB


REALITEITSBEWUSTWORDING (7 – 12 JAAR) De meeste kinderen zitten tussen hun 7e en 132e op de basisschool. De wereld gaat steeds meer voor hen open. Er zullen eisen aan het kind gesteld gaan worden die bij deze leeftijd passen. Zij gaan ook nieuwe vaardigheden leren waardoor hun leefwereld toegankelijker voor hen wordt. Als eerdere fasen goed doorlopen zijn, heeft het kind in toenemende mate zelfvertrouwen en voldoende eigenwaarde om tot prestaties te komen. Er is interesse en belangstelling voor de omgeving. Een kind dat voldoende gevoel van eigenwaarde heeft, zal gemakkelijker aansluiting vinden bij andere kinderen en invulling kunnen geven aan vrije tijd. Ook zullen teleurstellingen gemakkelijker geaccepteerd kunnen worden; hun frustratietolerantie is toegenomen. Het kind maakt zich sociale regels eigen, leert verantwoordelijk te zijn, heeft een geïnternaliseerd geweten, kan samenwerken en ontwikkelt vriendschappen. Vanaf het zesde levensjaar worden de relaties met leeftijdgenoten belangrijker en sterker. Voor de sociale en emotionele ontwikkeling zijn goed verlopende relaties met leeftijdgenoten onontbeerlijk. In groepsverband leren kinderen zich aan te passen aan de groepsregels, met elkaar te onderhandelen en met elkaar conflicten aan te gaan en op te lossen. Het kind krijgt in deze leeftijdsfase op school steeds nieuw materiaal aangeboden dat hij vervolgens moet proberen te begrijpen en in te passen in datgene dat hij al weet en ervaren heeft. Ieder kind is wel eens bang om te mislukken, fouten te maken of het verkeerd te doen. Sommige kinderen zijn echter zo vaak bang om te falen, dat hun prestaties hierdoor beïnvloed worden. Kinderen die onzeker zijn over hoe de dingen en zijzelf in elkaar zitten, zijn minder goed toegerust om nieuwe leerstof aan te kunnen. Zij overzien niet wat je van hen vraagt en worden daardoor angstig en onzeker. En als je angstig en onzeker bent, kun je niet goed presteren en ben je niet creatief in het bedenken van mogelijke oplossingen. Op die manier ontstaat faalangst. Kinderen in de basisschoolleeftijd die bang zijn, laten dat over het algemeen merken door lichamelijke klachten of via gedrag. Bange kinderen kunnen hun angst ook uiten door overdreven druk te zijn of door juist heel stil te worden. Het kind heeft angst om niet gewaardeerd te worden, het kent sociale angst. Zij kunnen ook moeite krijgen met in- en/of doorslapen of hun eetlust kan verminderen. Indien er sprake is van agressiviteit is deze gecontroleerd en heeft soms zelfs iets bestraffends, vanuit zwart/wit denken en strenge gewetensvorming. De nuancering ontbreekt vaak nog. Kinderen maken daardoor nog wel eens verkeerde interpretaties waardoor ze eigen ervaringen negatief labelen (“Ik ben stom, ik kan het toch niet”). In het omgaan met materiaal wordt de realiteit nagebootst; fantasiespelletjes zijn niet meer zo intensief. Daarnaast is het kind creatief en gericht op productiviteit. Als kinderen op de basisschool zitten, gaan zij steeds meer spelen in groepsverband en meer associatief spelen, wat wil zeggen dat zij spelletjes en attributen van elkaar afkijken en overnemen en dat zij ook spelmateriaal van elkaar lenen of 137Sociaal-emotionele ontwikkeling. Omschrijvingen fasen en bijbehorende begeleidingsstijl gebruiken. Naarmate kinderen ouder worden gaan zij meer coöperatief spelen, met als doel samen iets te bereiken. In de omgang met leeftijdsgenootjes kan het kind steeds beter geven en nemen, onderhandelen en samenwerken. Daarnaast speelt sociale competitie een toenemende rol. Kinderen in deze fase willen hun eigen lichamelijke prestaties meten. De omgang met volwassenen wordt vormgegeven in sociale en cognitieve prestaties. De wereld van het kind speelt zich in toenemende mate buiten het huis af. ‘De juf/meester weet het beter dan vader/ moeder.’ Het taalgebruik kenmerkt zich door realiteitszin.

VAKBLAD

13


METHODIEKEN VOOR (SG)LVBCLIĂ‹NTEN

A journey of a thousand miles begins with a single step.

Observatie methodieken

Ondersteunings methodieken

Wanneer er sprake is van een complexe situatie rond iemand met een LVB is het belangrijk deze persoon goed te observeren alvorens een diagnose te stellen.

Een groot deel van de mensen met een LVB kan met ondersteuning redelijk zelfstandig leven. Ondersteuning door professionals en het sociale netwerk is belangrijk om goed mee te kunnen doen in de maatschappij.

Ondersteuning van naasten

Communicatie technieken

Onwetendheid over de gevolgen van een LVB komt vaak voor, ook bij de naasten. Omdat het voor iemand met een LVB moeilijk kan zijn uit te leggen wat een LVB precies inhoudt.

Mensen met een LVB kunnen zich over het algemeen goed verbaal uitdrukken. Toch is de communicatie met deze doelgroep een belangrijk aandachtspunt, het gaat vaak mis als het aankomt op begrijpen en begrepen worden.

14

(SG)LVB


METHODIEKEN

Een licht verstandelijke beperking is niet aan iemands uiterlijk te zien en de gevolgen van de beperking kunnen zich op veel verschillende manieren uiten. Het is daarom belangrijk de kenmerken van een cliĂŤnt goed in kaart te brengen door middel van observatie. Dit maakt dat je je cliĂŤnt de ondersteuning kan bieden die bij zijn/haar situatie past.

VAKBLAD

15


(SG)LVB EN

VERSLAVING

16

(SG)LVB


LVB EN VERSLAVING: “DEZE GROEP HEEFT ZOVEEL PROBLEMEN, MAAR IS OOK ZÓ LEUK OM MEE TE WERKEN” BIJ ‘VERSLAVING’ DENKEN DE MEESTE MENSEN NIET DIRECT AAN MENSEN MET EEN LICHT VERSTANDELIJKE BEPERKING. TOCH IS DEZE GROEP HEEL KWETSBAAR VOOR AFHANKELIJKHEID AAN MIDDELEN. EN DIE PROBLEMEN KOMEN MEESTAL NIET ALLEEN. PSYCHISCHE PROBLEMEN, MISBRUIK, PROBLEMEN MET JUSTITIE: BIJ DEZE CLIËNTEN IS VAAK VEEL TE WINNEN! HET IS EEN BIJZONDERE EN COMPLEXE DOELGROEP DIE EEN HEEL EIGEN AANPAK VRAAGT, ZOWEL BIJ DE INTAKE ALS BIJ DE BEHANDELING. AAN DE ANDERE KANT IS HET VAAK OOK EEN ERG LEUKE GROEP OM MEE TE WERKEN. “ALS JE HUN VERTROUWEN WINT, ZIJN ZE VAAK HEEL OPEN EN DANKBAAR.” Psychiater Christina Sonnenborn: “We noemen ze LVB-cliënten vanwege de licht verstandelijke beperking, maar voor wie bij ons in behandeling komt, is de naam triple trouble toepasselijker. Naast de verstandelijke beperking en de bijkomende verslaving, zien we ook veel andere problemen, zoals psychiatrische problemen of problemen met justitie.” Misbruik en kwade bedoelingen Die problemen hangen vaak allemaal samen. Christina: “Ze gaan gebruiken omdat ze moeilijk nee kunnen zeggen of niet goed gevolgen op lange termijn in kunnen schatten, maar ook bijvoorbeeld omdat ze angst of onrust willen verdoven. Ze hebben weinig vaardigheden om problemen op te lossen, weinig veerkracht en zoeken niet snel contact met hulpbronnen. Daardoor zijn ze ook erg kwetsbaar voor misbruik: velen hebben jeugdtrauma’s opgelopen. Maar ze zijn ook kwetsbaar voor misbruik door mensen met kwade bedoelingen.” Achter hun rug om Vaak hebben deze cliënten al een heel voortraject doorlopen, waarbij er vaker óver dan mét hen is gesproken. Dat kan voor een ‘valse start’ zorgen. Marijke de Laat, consulent Advies en Inschrijving: “Voor we begonnen met onze LVB-vriendelijke intake, waren we daar nog niet alert genoeg op. We kregen bijvoorbeeld een brief van de huisarts waarin stond dat een cliënt wilde stoppen met blowen. Maar toen wij vervolgens de cliënt spraken over zijn doel, bleek dat hij nog helemaal niet met stoppen bezig was. Hij sloeg totaal

VAKBLAD

17


op tilt. Dat was een wijze les: niet voetstoots aannemen dat wat de verwijzers en begeleiders zeggen, ook aansluit bij de belevingswereld van de cliënt. Nu hebben we onze werkwijze volledig aangepast. Bij onze LVB-vriendelijke intake betrekken we altijd de cliënt zelf. Ze maken al te vaak mee dat achter hun rug om beslissingen over hen worden genomen.” Elke week naar het paard Dit betekent niet dat begeleiders niet worden betrokken, integendeel. Marijke: “Bij reguliere cliënten nemen we een uitgebreide vragenlijst af. Bij LVB-cliënten gaat dat niet: het duurt te lang, ze weten niet hoe ze de vragen moeten beantwoorden, lopen vast en haken zelfs af. Dus we winnen veel informatie in bij hun vertrouwde begeleider, op voorwaarde dat de cliënt daar toestemming voor geeft. Daarna spreken we de cliënt zelf, maximaal tien minuten. We stellen vragen om het verhaal van de begeleider te bevestigen, maar steken vooral in op begrip en motivatie. We benadrukken hoe goed het is ze hulp zoeken en proberen er achter te komen wat ze leuk of belangrijk vinden. Daar zijn ze vaak enorm uitgesproken en enthousiast over. Bepaalde personen, hun werk of dagbesteding, het paard waar ze elke week naar toe gaan. Die dingen registreren we, zodat we daar later in de behandeling mee verder kunnen werken.” De informatie die in de intake wordt verzameld, is heel belangrijk voor de juiste behandeling. Marijke: “Omdat er zoveel variatie is in wat ze hebben meegemaakt, hoe ze functioneren en wat hun problemen zijn, is het belangrijk om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen, maar op zo’n manier dat het de cliënt niet belast. Zo kunnen we het juiste advies voor behandeling geven.” Beschermende rol Die grote variatie vraagt ook om een specifieke aanpak bij de behandeling. Alleen al het matchen van een behandelgroep is soms lastig. Sommige cliënten zijn verbaal heel sterk, bij anderen moet je met pictogrammen werken. Er zijn veel meer mannen dan vrouwen, waardoor je soms op de afdeling maar één vrouw hebt. Christina: “Als die dan ook nog getraumatiseerd is door seksueel misbruik, kan dat best lastig zijn. Al gebeurt het ook vaak dat de andere cliënten dan juist een heel beschermende rol op zich nemen. Ook is het lastig als een cliënt antisociaal is, zijn frustraties afreageert op anderen: daar kunnen de andere cliënten dan moeilijk mee omgaan. Ze kunnen niet begrijpen dat dit soort gedrag voort-

18

(SG)LVB


komt uit de problemen waar iemand mee kampt. Dat werkt heel verstorend op de groep.” “Marijke! Ben jij het!?” De beperkingen en problemen van deze groep creëren uitdagingen voor intake en behandeling, maar zowel Marijke als Christina onderstrepen dat deze doelgroep vooral erg leuk is om mee samen te werken. Marijke: “Ze zijn heel eerlijk en open. Omdat ze soms teleurstellende ervaringen hebben met eerdere hulptrajecten, zijn ze in het begin soms wantrouwend. Dan merk je bij de intake: ‘er hoeft maar dít te gebeuren en ik ben hem kwijt.’ Maar als je dan voorzichtig bent, de juiste dingen zegt en vraagt en hun vertrouwen wint, dan zijn ze vaak heel enthousiast en dankbaar. Dan kom ik een cliënt later nog eens tegen en roept hij uit: ‘Marijke! Ben jij het!?’” Ook Christina benadrukt de effecten van hun positieve houding op de behandelafdeling: “Een enkeling kan niet functioneren in een groep, maar bij de meeste cliënten merk je juist dat er onderling veel begrip en steun is. Ook zijn deze cliënten vaak heel vriendelijk en dankbaar ten opzichte van de behandelaars en begeleiders. Ze staan bijzonder goed open voor het effect van beloningen en positieve feedback. Dat maakt het werken met deze groep niet alleen heel fijn, maar geeft ook heel concrete handvatten voor de behandeling. Bij Novadic-Kentron werken we met beloningen en positieve alternatieven voor ongezond gedrag. We stimuleren de zelfredzaamheid en de veerkracht, en focussen op de eigen kracht en de positieve punten van een cliënt. Die aanpak werkt bij deze doelgroep heel goed.” ‘Gewoon nee zeggen’ werkt niet Marijke en Christina merken wel dat er buiten de verslavingszorg nog te weinig expertise is over de problemen van deze doelgroep. Christina: “Hulpverleners in de LVB-sector herkennen het middelengebruik wel, maar onderschatten vaak de ernst. Ook heersen er nog veel vooroordelen en is er soms weinig begrip. Dan wordt simpelweg gezegd: ‘Gewoon nee zeggen’, maar zo werkt dat natuurlijk niet! Deze cliënten hebben zoveel problemen, die hebben echt professionele hulp en een motiverende aanpak nodig. We zien bij deze doelgroep een behoorlijke onderbehandeling.” Misgelopen trajecten Marijke: “Dit probleem wordt nog versterkt omdat niet bij alle mensen de LVB-problematiek goed wordt herkend en opgepakt. Daardoor kunnen eerdere trajecten allemaal misgelopen zijn: de cliënt werd dan overvraagd, raakte gefrustreerd, viel terug, werd een draaideurcliënt. Terwijl de juiste aanpak wel heel veel effect kan hebben. Zo iemand komt soms per toeval bij ons terecht, maar daar is nog veel in te verbeteren. Ik hoop dat we dat samen met de huisartsen kunnen oppakken.” Geen black box Om de LVB-doelgroep sneller en beter te helpen, werken we samen met LVB-instellingen in Brabant. Met Cello werken we al samen, en we zijn ook in gesprek met andere partijen. Peter van Rijsbergen, teamleider specialistische GGZ: “Onze preventiemedewerkers bieden deskundigheidsbevordering, zodat medewerkers in de LVB-sector de problemen beter herkennen en weten hoe ze dit bespreekbaar kunnen maken. Bij de intake en de behandeling wordt de cliënt nadrukkelijk betrokken – wat bij deze doelgroep zeker niet vanzelfsprekend is – maar ook betrekken we de naasten en de verwijzende instelling. Met de verwijzende instelling vinden regelmatig tussentijdse evaluaties plaats, waardoor onze behandeling geen black box is. En ten slotte gaan we ook personeel uitwisselen, zodat we elkaars expertise kunnen vergroten. Zo streven we ernaar dat deze kwetsbare doelgroep sneller de juiste hulp krijgt, want met een goede en positieve aanpak kunnen we zo veel voor hen doen.” VAKBLAD

19


SEKSUELE PROBLEMATIEK IN RELATIE TOT (SG)LVB-CLIËNTEN.

Door een combinatie van persoonlijke en omgevingsfactoren lopen mensen met een LVB risico om als slachtoffer of dader te maken te krijgen met seksueel ongewenst gedrag.

20

(SG)LVB


“The behavior of a human being in sexual matters is often a prototype for the whole of his other modes of reaction in life.” Sigmund Freud, Sexuality and the Psychology of Love

Een deel van de LVB jongeren groeit daarnaast op in een onstabiele omgeving waar grensoverschrijdend gedrag en normvervaging voorkomt. Ook hebben mensen met een LVB vaak minder kennis over seksualiteit, ze begrijpen informatie niet altijd en kunnen daardoor een vervormd beeld krijgen. Deze optelsom maakt dat mensen met een LVB meer seksuele risico’s lopen (loverboyproblematiek, ongewenste zwangerschappen, soa’s, misbruik etc.) dan mensen met een gemiddelde intelligentie. Deze risico’s maken echter niet dat mensen met een LVB geen behoefte hebben aan of recht hebben op seksuele en intieme relaties. Net als voor ieder ander is het belang van een goede seksuele gezondheid voor deze doelgroep groot. Het is als professional belangrijk je cliënt te begeleiden in de seksuele ontwikkeling en in te kunnen gaan op vragen en problemen.

VAKBLAD

21


SEKSUEEL GEDRAG DUIDEN EN STUREN D.M.V. HET VLAGGENSYSTEEM

Het Vlaggensysteem stimuleert gezond seksueel gedrag en draagt bij aan het voorkรณmen en terugdringen van seksueel grensoverschrijdend gedrag onder kinderen en jongeren. Het biedt professionele opvoeders handvatten om seksueel gedrag adequaat te beoordelen, het bespreekbaar te maken en om gepast te reageren. De interventie wordt toegepast door professionele opvoeders, pedagogen,

22

(SG)LVB

hulpverleners en leerkrachten. Het Vlaggensysteem biedt ook handvatten voor ouders of verzorgers. Het Vlaggensysteem is ontwikkeld door het Vlaams expertisecentrum voor seksuele gezondheid Sensoa in samenwerking met Movisie. In december 2015 is het Vlaggensysteem erkend als Goed Onderbouwd door de erkenningscommissie Maatschappelijke ondersteuning, participatie en veiligheid.


6 gedragscriteria

4 beoordelingsvlaggen

Op maat reageren

De zes criteria van het Vlaggensysteem helpen je seksueel gedrag te duiden: is het gedrag gezond of grensoverschrijdend? De criteria zijn: toestemming (1), vrijwilligheid (2), gelijkwaardigheid (3), leeftijds- of ontwikkelingsadequaat (4), contextadequaat (5) en zelfrespect (6).

Vervolgens beoordeel je het seksuele gedrag van kinderen en jongeren in een van de vier categorieĂŤn: groen is aanvaardbaar seksueel gedrag, geel is licht seksueel grensoverschrijdend gedrag, rood is ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag en zwart is zwaar grensoverschrijdend gedrag.

Hoe je reageert op seksueel gedrag van kinderen en jongeren is erg belangrijk. Ze leiden er enorm veel uit af. Met het Vlaggensysteem leer je pedagogisch te reageren, maar zonder te veroordelen. Met specifieke aandacht voor kinderen en jongeren met een beperking en andere culturele achtergrond.

CURSUS HET VLAGGENSYSTEEM - JEUGDBESCHERMING.NL Deze training leert je de seksuele ontwikkeling van een jeugdige op een gestructureerde wijze te duiden en hierover in gesprek te gaan. Het Vlaggensysteem is in 2010 door het Belgische Sensoa ontwikkeld en samen met Movisie vertaald voor de praktijk. De trainers van de Jeugdbescherming Akademie zijn door Movisie gecertificeerd voor het verzorgen van deze training.

VAKBLAD

23


Inter venties One way to get the most out of life is to look upon it as an adventure.

24

(SG)LVB


NEDERLANDS JEUGDINSTITUUT

Erkende interventies Voor jongeren met een (licht) verstandelijke beperking bestaan in Nederland verschillende erkende interventies. Sommige daarvan zijn specifiek voor deze doelgroep ontwikkeld, andere zijn breder inzetbaar. De hieronder genoemde interventies zijn beschreven in de databank Effectieve Jeugdinterventies. Deze interventies zijn door een onafhankelijke erkenningscommissie minimaal erkend als goed onderbouwd. Met name gericht op (licht) verstandelijke beperking De erkende interventies die specifiek zijn ontwikkeld voor jongeren met een (licht) verstandelijke beperking verschillen onderling. Een aantal interventies is bedoeld voor jongeren die in een residentiële setting wonen. Doelen zijn onder meer het bieden van een veilig leefklimaat en het versterken van vaardigheden om zelfstandig te kunnen functioneren. Andere interventies voor deze doelgroep zijn bijvoorbeeld gericht op het verminderen van gedragsproblemen. • • • •

Brains4use Doen Wat Werkt (DWW) GRIP (Groepsactiviteiten Richtend op Individuele Progressie) In Control! - LVB

Mede gericht op (licht) verstandelijke beperking Een aantal erkende interventies is niet specifiek voor jeugdigen met een (licht) verstandelijke beperking ontwikkeld, maar kan wel bij deze doelgroep worden ingezet. De variëteit binnen deze interventies is groot. • • • • •

Families First Open en Alert Programma Alternatieve Denkstrategieën (PAD) Special Heroes Taakspel

VAKBLAD

25


GESPREKS TECHNIEKEN

SAMEN WERKEN MET OUDERS MET LVB AAN EEN GEZONDE START VOOR HUN KINDEREN Gezinnen waarvan de ouders een lichte verstandelijke beperking hebben, lopen een grotere kans op gezondheidsachterstanden. Een belerende vinger naar de ouders helpt niet. Maar wat dan wel? Zorggroep ’s Heeren Loo zoekt het uit, samen met ons. Het project richt zich specifiek op het terugdringen van roken bij ouders. Christien van ’t Hof, vaktherapeut en projectleider: ‘De inzet van ervaringsdeskundigheid is echt de meerwaarde van dit project.’

26

(SG)LVB


‘Toen Vilans ons vroeg of we mee wilden doen, hoefden we niet lang na te denken’, vertelt Bas Bijl, programmamanager bij ’s Heeren Loo. ‘Alles wat met een gezonde leefstijl te maken heeft, staat hoog op de agenda, ook bij ons. Maar hoe pak je dat aan? Een belerende toon werkt niet. Iedereen weet wel dat roken slecht is, het heeft geen zin dat nog eens te benadrukken. Een benadering zonder oordeel met aandacht voor de eigen ervaring vonden we belangrijk. EEN BELERENDE TOON WERKT NIET. MEERWAARDE VAN ERVARINGSDESKUNDIGHEID ’s Heeren Loo is nu ruim een half jaar bezig. In de projectgroep doen ook een begeleider en een ervaringsdeskundige mee. Vooral dat laatste is erg waardevol, vindt Christien. ‘Eerlijk gezegd was ik daar in het begin nog wel wat sceptisch over. Het is natuurlijk erg ‘in’ en politiek correct om cliënten overal bij te betrekken, maar ik was nog niet overtuigd van de meerwaarde. Dat ben ik nu wel. De combinatie van ervaringsdeskundigheid en getrainde begeleiders is echt de kracht van dit project. En het is fantastisch om te zien hoe een kwetsbare vrouw helemaal opbloeit alleen omdat ze serieus wordt genomen.’ DE COMBINATIE VAN ERVARINGSDESKUNDIGHEID EN GETRAINDE BEGELEIDERS IS ECHT DE KRACHT VAN DIT PROJECT. MOTIVERENDE GESPREKSVOERING De begeleiders zijn inmiddels getraind in motiverende gespreksvoering: praten met ouders (vaak alleenstaande moeders) zonder oordeel, met respect voor hun beleving, keuzes en oplossingen en op basis van gelijkwaardigheid. Hun behoeften en beleving zijn leidend in de begeleiding. Christien: ‘Je wilt naar ze luisteren en ze in hun waarde laten. Dat speelt op alle vlakken. Ook als het gaat om drugs of eet - en slaappatronen, ook in materieel opzicht. Het gaat nooit alleen om roken maar om meerdere problemen die met elkaar samenhangen. De vraag is steeds: hoe kunnen we deze moeder meer opvoedvaardigheden meegeven?’ OUDERS ZELF LATEN MEEDENKEN Bij mensen met een lichte verstandelijke beperking gaan dingen niet vanzelf. ‘Dat moeten we ons steeds opnieuw realiseren’, zegt Christien. ‘In onze maatschappij is alles voorhanden. Je hebt veel discipline en denkkracht nodig om de juiste keuzes te maken en dat is nou net waar het deze groep aan ontbreekt. Daarom is het zo belangrijk dat zij zelf met ons meedenken over wat wél werkt. Dat maakt de kans van slagen vele malen groter. Want wij kunnen wel van alles verzinnen, maar in de praktijk loopt het toch vaak anders.’ MEEGAAN MET EEN ZOEKTOCHT Bas ziet dat ook werkelijk gebeuren. ‘Meestal kijken we bij tussentijdse rapportages heel erg naar de doelen en of die wel gehaald worden. Nu durven we veel meer mee te gaan met het zoekende karakter van dit project. Er is ruimte om te experimenteren en een vorm te vinden die werkt. Dit is geen keihard onderzoek waarin je wordt afgerekend op wat je hebt opgeschreven. Dat kan ook niet bij een doelgroep die zich niet zo makkelijk laat vangen. Dat vraagt natuurlijk wel wat van managers. Een andere, flexibele mindset bij dit soort projecten en het besef dat ze een zoekend, iteratief karakter kunnen hebben.’

VAKBLAD

27


PROBLEEM VAN ALLE KANTEN BELICHTEN De afgelopen periode is er veel geïnvesteerd in elkaar leren kennen en samen onderzoeken wat al goed gaat in het stoppen met roken en wat nog niet. De projectgroep wil nu eerst een filmpje maken waarin allerlei mensen aan het woord komen die met het probleem te maken hebben. Een huisarts die het moeilijk vindt om goed advies te geven, een moeder die het vervelend vindt als mensen oordelen of een opa die zich zorgen maakt. ‘Zo willen we het probleem van alle kanten belichten’, zegt Christien. ‘Neutraal en zonder oordeel. En dan hopen we dat het ouders aanzet tot denken en erover praten. Dat ze geïnspireerd raken en besluiten om minder gaan roken.’ SAMENWERKEN MET HET NETWERK Christien: ‘Alles begint natuurlijk met de vraag: hoe bereik je je doelgroep? Nu richten we ons vooral op cliënten binnen ’s Heeren Loo, maar we willen straks ook breder kijken. Wie zijn die mensen die we in onze samenleving niet of moeilijk bereiken, die folders niet lezen en die zich aangevallen voelen als iemand in hun omgeving vraagt waar ze mee bezig zijn? Daarom willen we samenwerken met mensen die veel met deze groep te maken hebben, zoals huisartsen en verloskundigen. Hoe herkennen zij iemand met LVB in hun wachtkamer? Hoe gaan ze daarmee om?’ Alles begint natuurlijk met de vraag: hoe bereik je je doelgroep? OPEN VERVOLG Ook na afloop wil ’s Heeren Loo de ervaringsdeskundigheid uit dit project blijven inzetten. Bas: ‘Je geeft mensen een positie en een rol die je niet zomaar los kunt laten. Dat zou ook niet ethisch zijn. Het hangt natuurlijk ook af van wat iemand zelf wil en aankan. Mensen kunnen bijvoorbeeld ook een officiële opleiding tot ervaringsdeskundige volgen. Hoe we hier een vervolg aan gaan geven is dus nog open, maar dát we het doen staat vast.’

28

(SG)LVB


VAKBLAD

29


WET EN RE

Jeugdwet

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Wet langdurige zorg

De zorg en ondersteuning aan kinderen en jongeren tot 18 jaar met een lichte verstandelijke beperking (lvb) en hun ouders wordt gefinancierd uit de Jeugdwet. Het gaat om extramurale begeleiding en behandeling, kortdurend verblijf, persoonlijke verzorging en vervoer dat samenhangt met begeleiding en behandeling. Ook ‘zorg met verblijf’, oftewel een zorgzwaartepakket LVG 1 tot en met 5, zit in de Jeugdwet.

De extramurale begeleiding en het kortdurend verblijf voor licht verstandelijk beperkte jongeren ouder dan 18 jaar wordt sinds 1 januari 2015 betaald uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). De gemeente toetst en beslist welke ondersteuning de jongere krijgt op grond van deze wet. Andere vormen van zorg voor lvb-jongeren ouder dan 18 jaar, zoals extramurale behandeling en persoonlijke verzorging, vallen onder de Zorgverzekeringswet.

Per 1 januari 2015 is de Wet langdurige zorg (Wlz) ingevoerd. De wet is er voor alle mensen met een beperking die blijvend zijn aangewezen op permanent toezicht of op 24-uurszorg. Kinderen en jongeren tot 18 jaar met meervoudige beperkingen of een (zeer) ernstige verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking hebben op grond van deze wet recht op een zorgpakket dat persoonlijke verzorging, verpleging, verblijf, begeleiding en behandeling bevat.

30

(SG)LVB


EGELGEVING

Participatiewet

Wet passend onderwijs

Wet gelijke behandeling

Voor jongeren met een lichte verstandelijke beperking kan het verkrijgen en behouden van werk een van de problemen zijn waar ze mee worstelen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor alle jongeren die onvoldoende arbeidsvermogen hebben om zelfstandig in hun levensonderhoud te voorzien. Dit is vastgelegd in de Participatiewet, die van kracht is sinds 1 januari 2015.

Per 1 augustus 2014 is de Wet passend onderwijs ingegaan. Passend onderwijs heeft als doel zo veel mogelijk leerlingen op een reguliere school onderwijs te laten volgen. Zo worden ze naar verwachting beter voorbereid op een vervolgopleiding en kunnen ze beter participeren in de samenleving. Het speciaal onderwijs is niet verdwenen. Kinderen en jongeren die het echt nodig hebben, kunnen nog steeds naar een speciale school. Schoolbesturen hebben een wettelijke zorgplicht:.

Het uitgangspunt van de Nederlandse regering is dat mensen met een chronische ziekte of handicap volwaardig moeten kunnen participeren in de samenleving. Dit is geregeld in de ‘Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte’ (WGBH/ CZ) die in 2003 in werking trad. Onder participatie wordt verstaan: ‘het vervullen van sociale en maatschappelijke rollen, al dan niet met ondersteuning, op een voor de persoon zelf zinvolle manier’ (Speet, 2005).

VAKBLAD

31

Profile for Dennis ter Horst

VAKBLAD (SG)LVB  

VAKBLAD (SG)LVB  

Advertisement