Skip to main content

Sustainability

Page 13


Campagne

Een tweede leven voor smart devices

Microsoft Surface en CHG verlagen

CO₂-impact voor klanten

Zakelijke laptops en smartphones worden na hun eerste gebruik vaak opgeborgen en uiteindelijk weggegooid, terwijl hun maximale levensduur nog niet is bereikt. De circulaire economie voorkomt dit soort waardevernietiging, zoals Microsoft in samenwerking met leasemaatschappij CHG Meridian laat zien in het CHG Technology Center in het Duitse Groß-Gerau.

In een hal op een bedrijventerrein bij Frankfurt staan stellingen vol laptops, desktops en servers tegenover stapels dozen met smartphones. Dagelijks komen hier bij CHG Meridian zo’n 4.000 elektronische apparaten binnen, vooral laptops, desktopcomputers, printers en telefoons. Hoewel 70% hiervan IT-assets zijn, heeft het bedrijf ook industriële en medische apparatuur in beheer, zoals vorkheftrucks en kostbare operatierobots. Bijna alles kan worden geleased.

Tweede leven

Niet alleen financiert CHG de assets voor haar klanten, het bedrijf blijft eigenaar en neemt de apparatuur na de leaseperiode terug om deze voor te bereiden op een tweede leven. Voor bijvoorbeeld laptops is een leasetijd van drie jaar ideaal, zegt Allard Pheifer, Global Lead Sustainability bij CHG Meridian. De performance en productiviteit nemen dan af, met name door verslechterende accu’s. “Het heeft geen zin om hoogopgeleide en dus kostbare medewerkers te laten werken met apparatuur die niet

maximaal presteert”, stelt hij. Na drie jaar zijn deze laptops gewild in de consumentenmarkt, waar ze na refurbishment (grondige opknapbeurt) nog makkelijk vier of vijf jaar meekunnen. Hierdoor kunnen ze langer gebruikt worden dan normaal, wat hun totale milieu-impact met 30 tot 50% verlaagt.

Volgens Pheifer paste CHG Meridian de circulaire economie al toe voordat de term bestond. Het bedrijf begon 47 jaar geleden met het slim inzetten van computers, toen deze nog kamervullend waren. Deze computers waren zo waardevol dat ze niet werden afgeschreven, maar elders werden ingezet. Inmiddels heeft de onderneming wereldwijd 1.600 medewerkers en beheert 12,6 miljard euro aan waarde in het veld.

Inspectie op beschadigingen

De CHG Meridian Group refurbisht jaarlijks 1,2 miljoen apparaten, waarvan ruim 800.000 in Groß-Gerau. Bij binnenkomst wordt elk apparaat gecontroleerd op uiterlijke schade, zoals krassen op behuizing of scherm. De harde schijven worden veilig gewist. Daarna volgt een accutest: is de gebruiksduur nog voldoende? Vaak blijkt de accu het onderdeel dat vervangen moet worden.

Daardoor kunnen ook ongetrainde gebruikers hun apparaat zelf repareren. Gebeurt dat binnen het eerste jaar na aankoop, dan blijft de garantie behouden. “Bij de Surface-lijn hebben we het ontwerp aangepast, zodat de accu eenvoudig vervangen kan worden”, zegt Ervin Barabas van Microsoft Surface Engineering.

De tweedehandsmarkt

In de hal in Groß-Gerau worden alle apparaten ingedeeld in kwaliteitsklassen A tot en met D. Csaba Kallai, Head of Technology bij CHG Meridian Duitsland, zegt: “Slechts ongeveer 5% kunnen we niet zelf herstellen.” De overige 95% wordt verkocht aan zo’n 400 gespecialiseerde brokers in Europa. Via hen worden ze als refurbished op online platforms aangeboden. De doorlooptijd bij CHG Meridian van binnenkomst tot verkoop is vier weken. Zo behouden de producten hun maximale waarde en zijn ze gewild in de consumentenmarkt.

Duurzame ambities

De ‘designed for repairability’ IT-apparatuur is slechts één onderdeel van Microsofts duurzaamheidsstrategie. “In 2030 willen we CO2-negatief zijn”, zegt Ola Fagerström, Sustainability Lead bij Microsoft Surface. Dus dan wil het bedrijf meer koolstof vastleggen dan uitstoten.

Een interne CO2-prijs op producten en diensten zorgt ervoor dat duurzaamheid structureel wordt meegewogen. Het berekenen van de voetafdruk van een product is complex, omdat ook de uitstoot van toeleveranciers wordt meegenomen. “Microsoft Surface heeft dit in 2012 geïmplementeerd, dus we kennen onze eigen voetafdruk en die van onze leveranciersketen grotendeels. Zo nemen we bijvoorbeeld ook het type elektriciteit dat onze leverancier gebruikt mee in onze calculatie. Hernieuwbare energie is natuurlijk altijd beter”, aldus Fagerström.

Slim ontwerp maakt duurzame technologie schaalbaar en praktisch toepasbaar

Repareren eenvoudiger

Microsoft zet al enkele jaren in op beter repareerbare producten. Onderdelen die vroeger verlijmd waren, zijn nu geschroefd. Voor het openen van de achterkant van een laptop hoeven slechts vier schroeven los. Binnenin is elk onderdeel voorzien van een sticker met naam, schroeftype en een QR-code die verwijst naar een instructievideo. Handleidingen in meerdere talen bieden extra ondersteuning.

Circulair assetbeheer zet gebruik om in blijvende waarde

De resultaten zijn zichtbaar. Waar de CO2-voetafdruk van de Surface 4-laptop uit 2019 nog 265 kilo bedroeg, ligt die bij de nieuwste Surface 13 op 126 kilo, minder dan de helft. Een ander doel is zero waste. Het voorkomen van afval gebeurt zowel door refurbishen als het eenvoudiger maken van zelf repareren.

Terugwinning van grondstoffen

Refurbishment voorkomt ook dat afgedankte apparaten belanden in informele afvalstromen, bijvoorbeeld in Afrika, waar kabels vaak worden verbrand voor koperwinning. Door controle over hergebruik en recycling, zoals Microsoft en CHG Meridian dat organiseren, komen deze apparaten niet in internationale e-wastestromen terecht.

De apparaten die in Groß-Gerau niet meer geschikt zijn voor refurbishment, worden gedemonteerd en naar een gecertificeerde verwerker in Goslar gestuurd. Daar wordt uit printplaten en SSD’s 80% van de waardevolle grondstoffen, zoals kobalt en zeldzame aardmetalen, teruggewonnen. “Urban mining is de mijnbouw van de toekomst”, zegt Pheifer.

Allard Pheifer, Global Lead Sustainability, CHG Meridian

Groeien zonder van IT-partner te wisselen

Groei is zelden het probleem bij middelgrote organisaties. De IT die meegroeit wél. Naarmate bedrijven groter worden, stapelen leveranciers, systemen en overlegstructuren zich op. Bravx is opgericht vanuit de vraag hoe je organisaties kunt laten doorgroeien, zonder telkens opnieuw hun IT-landschap te moeten heruitvinden.

Op 1 februari 2026 ging Bravx officieel van start als één bedrijf, voortgekomen uit de samenvoeging van GAC Business Solutions, ABC E BUSINESS en Focus Enterprise Solutions. Het was geen kostengedreven fusie, maar een bewuste groeistrategie. “Samen kunnen we onze klanten nog beter bedienen, want de technologie volgt zichzelf razendsnel op”, zegt Arthur van Kooij, CEO van Bravx. “Los van elkaar konden de drie bedrijven technologieën onvoldoende snel doorontwikkelen.” Klanten stelden bovendien steeds vaker overstijgende vragen, die meerdere disciplines tegelijk raakten en bij drie afzonderlijke partijen elke keer een ander aanspreekpunt vereisten.

De drie organisaties werkten al intensief samen voordat de stap werd gezet. Collega’s van GAC, ABC en Focus voerden gezamenlijk projecten uit, ook bij klanten. “Als je al veel dingen samen doet, kun je dat net zo goed ook onder één vlag doen”, aldus Van Kooij. De integratie duurde dertien maanden. Alle functiestromen werden uitgeschreven, rollen opnieuw bepaald en drie afzonderlijke go-tomarktstrategieën ontwikkeld: één voor

enterprise, één voor midmarket en één voor het kleinere segment. Pieter van Halder, die medeverantwoordelijk was voor de fusie, benadrukt dat de cultuurontwikkeling daarna pas echt begint. “Cultuur kun je niet op papier zetten, dat moet samen groeien.”

oplossingen, en Focus Enterprise Solutions bediende grotere en complexere organisaties met specifiek ingerichte ERP-omgevingen. Samen dekken ze nu het volledige spectrum. En ook op het gebied van customer engagement, een domein waarop Focus en ABC eerder geen expertise hadden, is Bravx nu volledig ingericht.

Microsoft weet ons nu beter te vinden

“Kleine bedrijven hebben nu eenmaal minder innovatiekracht”, zegt Van Kooij. “Door de drie bedrijven samen te brengen, ontstaat de schaal om innovaties mogelijk te maken en structureel door te voeren.”

Meegroeien zonder te wisselen

De kern van de propositie is eenvoudig: een klant hoeft bij Bravx nooit van partner te wisselen vanwege de eigen groei. ABC E BUSINESS ondersteunde vooral kleinere organisaties aan het begin van hun groeipad, GAC Business Solutions richtte zich op de midmarket met branchegerichte

“Of je nu een startende organisatie bent of een small enterprise, wij kunnen je bedienen met de juiste consultants en kennis voor elke stap in je groei”, zegt Van Kooij. Kleine partners helpen snel maar schalen niet mee; grote IT-partijen brengen complexiteit en tarieven die niet altijd passen. Bravx wil in beide fases relevant blijven, als een partner die meegroeit zonder dat de klant bij iemand anders opnieuw hoeft te beginnen.

Grotere slagkracht richting Microsoft De combinatie vergroot ook de positie binnen het Microsoft-ecosysteem. Waar GAC, ABC en Focus ieder apart bij Microsoft aanklopten, spreekt Bravx nu als één partner. Van Halder: “Microsoft weet ons nu beter te vinden als er klantvragen liggen, waarvan ze zeker willen dat ze worden opgepakt.” Die grotere voetafdruk vertaalt zich in meer invloed op productontwikkeling en betere toegang voor klanten tot wat Microsoft ontwikkelt.

Bravx wil leidend zijn in de Europese markt voor Microsoft-technologie, niet

zozeer qua schaal maar wel op het vlak van technologische diepgang. Het bedrijf wil klanten integraal bedienen, van frontoffice tot backoffice, CRM en ERP tot low-code platforms en AI-gedreven toepassingen. Hierdoor kunnen de traditionele scheidslijnen tussen systemen en afdelingen worden geslecht. Dat is precies de slagkracht die de drie bedrijven afzonderlijk niet hadden, maar die zij samen wel kunnen realiseren.

Mensen als motor van de fusie

De samenvoeging is ook een groeistrategie voor medewerkers. Wie bij Bravx begint in een eenvoudiger segment, kan doorgroeien naar complexere implementaties en andersom. “Je hoeft hier niet weg als je groter wilt denken”, zegt Van Kooij. Die interne mobiliteit was voor alle drie de partijen ook een grote drijfveer om de stap te zetten.

Bravx wil tegelijk herkenbaar blijven als menselijke organisatie. Van Kooij omschrijft het als de hartelijkheid van Brabant, gecombineerd met het innovatievermogen van de Brainport-regio in Eindhoven. De nieuwe kantoorruimtes in Utrecht en Eindhoven zijn bewust ingericht om die twee kanten samen te brengen: een omgeving waar innovatiekracht en menselijkheid elkaar versterken. “IT is serieuze materie,” stelt Van Kooij, “maar je moet er ook dagelijks plezier mee hebben – met collega’s en met klanten. Dat maakt ons anders dan de rest.”

Arthur van Kooij, CEO, Bravx
Pieter van Halder, Director value creation, Bravx

We repareren, maar kopen ook meer

VOORWOORD

Van de zes miljoen meubels die Nederland jaarlijks weggooit en verbrandt, blijkt twee derde direct herbruikbaar of te repareren. Als we repareren en meubels tweedehands te koop aanbieden, dan verkoopt het goed. Tegelijkertijd kopen consumenten, bedrijven en overheden ook steeds meer nieuwe producten dan ooit tevoren.

Heideveld,

De overgang naar een economie die grondstoffen vasthoudt in plaats van vernietigt, loopt vast. Dat komt niet door gebrek aan kennis, initiatieven of techniek, maar een tekort aan verbinding en zichtbaarheid. Van 19 tot en met 27 maart vindt de Week van de Circulaire Economie plaats, alweer de elfde editie. Dit initiatief komt van Het Groene Brein, een onafhankelijk netwerk dat wetenschappelijke kennis koppelt aan de dagelijkse praktijk van bedrijven, gemeenten en burgerinitiatieven.

Duurzame events

“We zijn begonnen met 30 events. Nu zitten we op tegen de 400”, zegt Jan Heijns, die al jarenlang als projectleider verantwoordelijk is voor de organisatie. Naast evenementen zijn er inmiddels 42 circulaire hubs actief in het land, die het hele jaar door kennis en initiatieven samenbrengen. “De Week van de Circulaire Economie laat zien wat er al gebeurt en het verbindt.”

Steeds meer samenwerking

Het concept is even eenvoudig als effectief: als alle koplopers tegelijk laten zien wat ze doen, wordt zichtbaar hoe groot die beweging al is. Zeeman, IKEA en Decathlon namen al eerder deel. Een glasbedrijf werkt samen met woningcorporaties om ramen zo uit gebouwen te halen dat het glas direct hersnijdbaar blijft voor nieuwe ramen. “Wat je steeds meer ziet, is ketensamenwerking”, vertelt Antoine Heideveld, bestuurder en verbinder op het gebied van systeemtransitie en directeur

van Het Groene Brein. “Je brengt degene die toelevert, recyclet en het opnieuw maakt samen, waardoor je producten steeds opnieuw kunt blijven gebruiken.”

Je ziet steeds meer ketensamenwerking

De cijfers stemmen somber. Slechts vier procent van de Nederlandse economie is circulair, aldus berekeningen van het Planbureau voor de Leefomgeving. En dat percentage groeit nauwelijks. De oorzaak is niet dat reparatie of tweedehands terugloopt, die groeien juist. Maar tegelijkertijd kopen consumenten steeds méér nieuwe producten, zoals goedkope fast fashion en impulsaankopen.

Marktvraag naar circulaire producten kan beter

Op beleidsniveau biedt Europa houvast: de Ecodesign-richtlijn verplicht fabrikanten repareerbaarheid in te bouwen. Daarnaast is de Right to Repairwet aangenomen. En nationaal voeren provincies en gemeenten actief beleid,

Focus op duurzaamheid maakt bedrijven strategisch weerbaar

Door geopolitieke spanningen, onstabiele regelgeving en maatschappelijke polarisatie dreigt duurzaamheid in de boardroom naar de achtergrond te verdwijnen. Toch is juist dit niet het goede moment om focus te verliezen.

Annelot Kosman, director sustainability assurance bij Forvis Mazars, ziet hoe organisaties die wél durven te kiezen voor een gerichte duurzaamheidsstrategie een structureel concurrentievoordeel opbouwen, nu en in de komende jaren.

Onzekerheid over wet- en regelgeving is reëel. De CSRD en de omnibusregelgeving van de Europese Commissie zijn in Nederland nog niet volledig geïmplementeerd. Het speelveld voor bedrijven is ook niet altijd eerlijk, waardoor de focus op duurzaamheid afneemt en investeringsbeslissingen worden uitgesteld. Toch signaleert Kosman een paradox: terwijl veel bestuurders terughoudend zijn, neemt de vraag vanuit ketenpartners en financiële instellingen naar betrouwbare ESG-data juist toe. “Wanneer je als leverancier niet kunt voldoen aan de eisen van een groot bedrijf, wordt het lastig om

een plek in de keten te behouden”, aldus Kosman. Duurzaamheid is daarmee geen bijzaak meer, maar een directe voorwaarde voor bedrijfscontinuïteit en het bouwen aan strategisch verdienvermogen.

De kern van de boodschap is helder: duurzaamheid is geen losstaand thema, maar het fundament onder de mondiale economische dynamiek. De schaarste van grondstoffen, kwetsbare waardeketens en de energietransitie raken alle bedrijven, ongeacht sector. Organisaties die dat erkennen en hun strategie daarop afstemmen, zijn volgens Kosman strategisch wendbaarder. “Bedrijven die voorop lopen, hebben een concurrentievoordeel bij bijvoorbeeld tenders of bij het verkrijgen van financiering.”

Focus als sleutel tot versnelling

Door de huidige onzekerheid bestaat het risico dat organisaties stilvallen. Veel

bedrijven wachten af totdat de regelgeving uitkristalliseert, maar dat is een kostbare strategie. Kosman pleit voor een aanpak waarbij organisaties samenwerken en focussen. Ze adviseert om hun materiële impact, kansen en risico’s scherp te definiëren en daar de volledige energie op te richten. “Als je op een heel breed palet voortgang wil maken, krijg je niet de snelheid op de thema’s die er echt toe doen”, aldus Kosman. Met focus op wat relevant is, worden activiteiten toekomstbestendig, processen beheersbaar en rapportages geloofwaardig.

Forvis Mazars richt zich in dit speelveld specifiek op duurzaamheidsassurance, beoordeelt ESG-rapportages vanuit een risicogerichte benadering en verleent ‘limited assurance’; een proportionele aanpak die wezenlijk verschilt van ‘reasonable assurance’. “We richten onze werkzaamheden op de onderdelen van de ESG-rapportage waar de risico’s op afwijkingen het grootst kunnen zijn”, legt Kosman uit. Ook intern is er focus: door te kiezen voor sustainability assurance

van snellere vergunningverlening tot garantiestellingen voor recyclers die anders omvallen. “Technisch kan er heel veel”, stelt Heideveld. “Maar er is nog weinig marktvraag naar circulaire producten. Die moeten we samen creëren. Consumenten, bedrijven en overheden.”

De week wil die markt zichtbaarder maken en daarmee groter. Want uiteindelijk, zo verklaart Heideveld, ligt de sleutel niet alleen bij bedrijven of beleidsmakers. “Er zijn echt veel bedrijven, klein en groot, die mooie innovaties toepassen en daar ook echt hun nek voor uitsteken. Maar de consument kan helpen door niet allerlei dingen te kopen en die na twee keer weg te gooien.”

Tekst: Fred Pals

met een risicogerichte aanpak, sterke senior betrokkenheid en snelle, duidelijke besluitvorming, zorgen we dat klanten daadwerkelijk stappen vooruit kunnen zetten.

De basis voor weloverwogen beslissingen wordt gevormd door betrouwbare ESGdata. Wie duurzaamheid alleen als compliance-oefening behandelt, mist die kans en laat strategische waarde liggen. “Ik geloof niet in die compliance-oefening. Het gaat erom hoe we echt met elkaar waarde kunnen toevoegen.” Organisaties die weten dat hun gegevens kloppen, kunnen de effectiviteit van hun strategie meten, bijsturen en aantonen aan financiële instellingen en ketenpartners dat er werkelijk vooruitgang wordt geboekt.

Forvis Mazars – Partner Content
Annelot Kosman, Director Sustainability Assurance, Forvis Mazars

Een weerbare voedselketen voor een onvoorspelbare wereld

Klimaatverandering, geopolitieke spanningen en schommelende grondstofprijzen zetten de mondiale voedselvoorziening onder druk. Tegelijkertijd groeit de vraag naar betaalbaar en duurzaam geproduceerd voedsel. Bedrijven in de keten opereren tussen volatiele energieprijzen, verschuivende handelsstromen en toenemende druk vanuit regelgeving en afnemers. Hoe zorg je er in die context voor dat supermarktschappen gevuld blijven en de impact op klimaat en milieu afneemt? Dat vraagt om een veerkrachtige keten, waarin energie, logistiek, technologie en landbouwpraktijken op elkaar worden afgestemd.

Cargill verwerkt landbouwgrondstoffen tot ingrediënten voor voedingsmiddelen en industriële toepassingen, en heeft een belangrijke rol in de internationale handel en logistiek die daarvoor nodig zijn. In Nederland is het bedrijf al decennialang actief, met vijftien locaties en duizenden medewerkers. Volgens Daniel Stregels, managing director plantaardige oliën Europa en directeur van Cargill Nederland, is juist die verbindende rol essentieel. “Wij staan midden in de keten. Dat betekent dat je verantwoordelijkheid draagt voor wat er aan beide kanten gebeurt – bij de boer én bij de klant.”

Nederland vervult een strategische functie. Met havens, rivieren en een fijnmazig logistiek netwerk vormt het een knooppunt in de Europese voedselvoorziening. De Nederlandse

cargill.nl

vestigingen van Cargill verwerken onder meer cacao, produceren plantaardige oliën en zetten tarwe en mais om in zetmeel voor uiteenlopende toepassingen in voeding en industrie.

De energietransitie in de praktijk Een weerbare voedselketen begint bij energie. De verwerking van cacao, plantaardige oliën en zetmeel is energieintensief en draait 24 uur per dag. Schommelingen in gas- en stroomprijzen werken direct door in de kostprijs. Daarom is de energievoorziening de afgelopen jaren structureel heringericht.

Meer dan 90% van Cargills productielocaties draait inmiddels op hernieuwbare energie. Tien Nederlandse vestigingen worden gevoed met groene stroom van Windpark Hanze van Vattenfall, wat naar verwachting 1,3 miljoen ton CO₂-uitstoot bespaart over tien jaar. Daarnaast worden cacaodoppen uit de productie ingezet als brandstof voor energieopwekking in de multiseed fabriek in Amsterdam, goed voor een reductie van circa 19.000 ton CO₂ per jaar.

“Onze installaties draaien continu”, zegt Stregels. “Dan wil je voorspelbaarheid. Door langjarige groene contracten en eigen circulaire oplossingen verkleinen we onze afhankelijkheid van volatiele fossiele markten.” Energie wordt daarmee niet alleen een duurzaamheidsvraagstuk, maar ook een strategische factor in leveringszekerheid en kostenbeheersing.

Technologie als stille kracht

Veerkracht zit niet alleen in energie, maar ook in operationele controle. De fabrieken ontvangen 24 uur per dag grondstoffen en verwerken die continu. Ongeplande stilstand kan direct impact hebben op leveringscontracten en logistieke ketens. In de Amsterdamse multiseedfabriek worden inspectierondes daarom deels uitgevoerd door Spot, een autonome robot van Boston Dynamics. Met sensoren en thermische camera’s signaleert Spot afwijkingen, van oververhitte lagers tot beginnende lekkages. Door repetitieve monitoringstaken over te nemen, spoort de robot potentiële problemen sneller op en krijgen operators meer ruimte voor toezicht, analyse en continue verbetering.

waarbij herstel van bodemgezondheid, het vastleggen van koolstof en het versterken van biodiversiteit centraal staan. Door samen te werken met kennisinstellingen zoals Wageningen University & Research worden wetenschappelijke inzichten vertaald naar praktische toepassingen op het land.

“Een gezonde bodem is de basis van alles”, zegt Stregels. “Als je daarin investeert, investeer je in de toekomst van de voedselproductie.” Volgens hem vraagt dat om langetermijn-partnerschappen met boeren, waarbij niet alleen wordt gekeken naar opbrengst, maar ook naar ecologische impact.

Samenwerking als voorwaarde voor impact

Een gezonde bodem is de basis van alles

“We meten realtime temperatuur, trillingen en druk in installaties”, zegt Stregels. “Dankzij die data zijn we in staat om onderhoud te plannen vóórdat een storing optreedt. Dat verkleint de kans op stilstand en verhoogt de veiligheid.” Door productie-, logistieke en inkoopdata te combineren ontstaat bovendien sneller inzicht in verstoringen in aanvoer of transport. Voorspellend onderhoud en datagestuurde planning verminderen het risico op onderbrekingen in een keten die 24/7 doordraait. In een sector waarin leveringsbetrouwbaarheid direct samenhangt met marges en klantrelaties, is dat geen technische optimalisatie, maar een strategische keuze.

Investeren in bodem en biodiversiteit

Naast technologische innovatie groeit de aandacht voor regeneratieve landbouw,

Geen enkel bedrijf kan in zijn eentje een duurzaam voedselsysteem realiseren. De schaal en complexiteit van de keten maken samenwerking onmisbaar. Energiepartners, logistieke bedrijven, boeren, klanten en kennisinstellingen spelen allemaal een rol. Stregels benadrukt het belang van deze gezamenlijke aanpak: “Als je echt impact wilt hebben, moet je over de grenzen van je eigen organisatie heen kijken. Alleen door kennis te delen en samen te investeren, kun je structurele verandering realiseren.”

Voor Cargill betekent dat voortdurend zoeken naar nieuwe partnerschappen en innovatieve oplossingen. “Onze rol is die van verbinder”, aldus Stregels. “We brengen partijen samen, vertalen wetenschap naar praktijk en zorgen dat voedsel veilig en betrouwbaar van boer naar bord komt.” De uitdagingen voor de mondiale voedselvoorziening zijn groot. Maar door energie te verduurzamen, technologie slim in te zetten en samen te werken in de hele keten, ontstaat een systeem dat beter bestand is tegen schokken. Een systeem waarin duurzaamheid en leveringszekerheid geen tegenpolen zijn, maar elkaar versterken.

Daniel

Ketensamenwerking als sleutel voor duurzame melkveehouderij

De melkveehouderij staat voor een van de grootste transities in haar bestaan. Emissiereductie, biodiversiteitsherstel en stikstofaanpak vragen forse investeringen, terwijl de marges krap zijn en de regeldruk toeneemt. Wie betaalt die rekening? Steeds vaker luidt het antwoord: de hele voedselketen. Niet de boer alleen, maar alle schakels gezamenlijk.

Vreugdenhil Dairy Foods en Nestlé lanceerden eind 2021 het Tomorrow’s Dairy-programma, een ketenbreed duurzaamheidsinitiatief dat melkveehouders op bedrijfsniveau begeleidt, beloont begeleidt en beloont voor de overgang naar een duurzamere bedrijfsvoering. Met als doel: 50% minder broeikasgassen, regeneratieve landbouw en een goed verdienmodel voor de boer. “Deelname is vrijwillig, maar we verwachten wel ambitie en inzet”, zegt Edith van Munster, programmanager Tomorrow’s Dairy bij Vreugdenhil.

Van leverancier naar ketenpartner

Het vertrekpunt was helder. Nestlé ziet 35% van haar wereldwijde CO₂footprint terug in zuivelgrondstoffen en stelt reductie als strategische prioriteit. “Wij hebben contact opgenomen met al onze grondstofleveranciers, zoals Vreugdenhil Dairy Foods”, aldus Klaas Cuperus, duurzaamheidsmanager bij Nestlé Nederland. De melkverwerker, die begin jaren 2000 een Nederlandse fabriek van het concern overnam, was een logische partner. Samen stelden zij een budget van

ruim 50 miljoen euro beschikbaar voor een programma dat bewust verder gaat dan alleen inkoopeisen stellen.

Die ambitie vraagt om een fundamenteel andere relatie tussen ketenpartijen. Niet meer opdrachtgever tegenover leverancier, maar gedeelde verantwoordelijkheid voor de transitie. De melkveehouder staat daarin centraal: als uitvoerder, als ondernemer en als onmisbare schakel in de verduurzaming van de hele keten. Precies die redenering bracht de partners bij elkaar.

Elke gram telt

De kern is een beloningssysteem op basis van reductieresultaten, niet van maatregelen. Voor elke gram CO₂reductie ten opzichte van het 2018-niveau krijgen deelnemende melkveehouders een vergoeding. “Wij willen elk stapje belonen, want elke stap is weer een stap vooruit”, zegt Van Munster. Wat het bijzonder maakt, is dat het echt maatwerk is, volledig rekening houdend met de bedrijfsvoering en visie van de individuele melkveehouder. Gericht op scherpe prestatieprikkels en meetbare doelen voor regeneratieve landbouw, zoals biodiversiteit, bodemen waterkwaliteit. Daarnaast is ons programma uniek omdat we álle vormen van melkveehouderij willen verduurzamen: van extensieve bedrijven met 17 uur weidegang tot meer intensieve boeren met gemiddeld hogere producties, elke bedrijfsgrootte en grondsoort.”

Melkveehouders stellen samen met adviseurs een bedrijfsplan op en kiezen uit een twintigtal maatregelen die passen bij hun bedrijfsvoering. De drie pijlers zijn optimalisatie, reductie en

innovatie. Maatregelen variëren van het optimaliseren van rantsoenmanagement en precisiebemesting tot investeringen in zonne-energie en kruidenrijke graslanden. Cuperus: “Op het moment dat je iets meer van je land binnenhaalt, hoef je minder aan te kopen en houd je onderaan de streep meer over.” In betere benutting van grond en veestapel zit vijf tot tien procent reductie van de footprint, gecombineerd met een direct kostenvoordeel voor de ondernemer.

Hilco Eikelenboom, melkveehouder in Zuid-Holland, was een van de eerste zeventien deelnemers die in 2022 begonnen met Tomorrow’s Dairy. De resultaten zijn tastbaar. “Normaal is een kilo melk in Nederland zo’n 1050 gram CO₂equivalenten. Afgelopen jaar zaten wij op 660. Bijna een halvering.” Dat zijn geen marginale verbeteringen, maar een fundamentele omslag in bedrijfsvoering.

Rabobank als financiële schakel Een derde partner versterkt het model: Rabobank. Wanneer veehouders voldoen aan een aantal duurzaamheidscriteria, kunnen zij rentekorting ontvangen, wat aansluit op de eigen beloningssystematiek van de bank. “Wij geloven heel erg in het stapelen van beloningen”, zegt Van Munster. “Elk plusje dat de veehouder kan krijgen, helpt.” De aansluiting tussen beide systemen was de doorslaggevende reden om de samenwerking te formaliseren. Voor veehouders die toch al investeren in

verduurzaming, telt elke euro extra mee. “Deze samenwerking is een prachtig voorbeeld van hoe Rabobank, als coöperatieve bank, samen met ketenpartners werkt aan de toekomst van de landbouwsector”, aldus Alex Datema, directeur Food & Agri Nederland bij Rabobank. “Door melkveehouders financieel te ondersteunen bij hun verduurzamingsinspanningen, maken we het mogelijk dat economische waarde en duurzaamheid hand in hand gaan.”

Transparantie als fundament

In het Tomorrow’s Dairy-programma zijn ruim 150 melkveebedrijven actief betrokken. De doelstelling is halvering van de broeikasgasuitstoot ten opzichte van 2018, in lijn met de Europese klimaatdoelen en de net-zero roadmap van het voedingsconcern. Van Munster benadrukt dat de langetermijnaanpak juist ruimte geeft voor echte verandering. “De klant Nestlé zit bij de melkveehouder aan tafel en andersom kan de melkveehouder in de fabriek in Nunspeet kijken.” Die transparantie, zegt ze, maakt het verschil.

Ketensamenwerking is de enige manier om de transitie in de melkveehouderij mogelijk te maken

Cuperus vult aan: “Met 50 miljoen kun je niet de volledige transitie bewerkstelligen. Je moet in de keten kijken wat iedereen kan bijdragen.” Eikelenboom onderschrijft dat: “Die hele keten zit aan elkaar vast en geeft financieel aan elkaar door. Daardoor kunnen wij echt maatregelen nemen.” Het programma loopt tot 2030 en groeit jaar op jaar in deelnemersaantallen. De betrokken partijen beschouwen het als bewijs dat ketenfinanciering van verduurzaming niet alleen haalbaar maar ook structureel effectief is.

Edith van Munster, Programmanager Tomorrow’s Dairy, Vreugdenhil
Klaas Cuperus, Duurzaamheidsmanager, Nestlé
Hilco Eikelenboom, Melkveehouder Hilco Eikelenboom was in 2022 een van de eerste deelnemers aan Tomorrow’s Dairy.
Alex Datema (Director Food & Agro Rabobank), Albert de Groot (CEO Vreugdenhil Dairy Foods) en Rob Trompetter (CFO Nestlé Benelux).

Convenant ‘Samen eten we Amsterdam gezond, duurzaam en eerlijk’ – Partner Content

Voedsel- en energietransitie vragen om dezelfde systeemsprong

De energietransitie dwingt samenlevingen tot een fundamentele heroriëntatie op productie, consumptie en verantwoordelijkheid. Precies dezelfde logica geldt voor de voedseltransitie, alleen loopt die achter. Meer dan de helft van de bevolking in rijke landen heeft overgewicht of obesitas, terwijl ons voedselsysteem tegelijkertijd een grote bijdrage levert aan de klimaatproblematiek.

Prof. dr. Hans van Goudoever, Bestuursvoorzitter, Amsterdam UMC

Het antwoord is vooral individuele verantwoordelijkheid: eet minder, beweeg meer, kies bewuster. Er is iets fundamenteel mis met de manier waarop we voedsel benaderen, en dat heeft gevolgen voor zowel volksgezondheid als klimaat. Prof. dr. Hans van Goudoever, kinderarts en wetenschapper aan Amsterdam UMC en eveneens bestuursvoorzitter van Amsterdam UMC, werkt al jaren aan de verbinding tussen voeding, gezondheid en maatschappelijke verandering. Als adviseur van de Gezondheidsraad ziet hij van dichtbij hoe wetenschappelijke kennis en beleidsrealiteit langs elkaar bewegen. “Voeding is wat anders dan alleen een optelsom van koolhydraten, vetten, eiwitten en vitamines. Het is een systeembenadering, je kunt er eigenlijk alles op loslaten.”

Eén systeem, twee crises Voedsel en klimaat zijn onlosmakelijk verbonden – de veehouderij is wereldwijd verantwoordelijk voor een substantieel deel van de broeikasgasuitstoot. Tegelijkertijd

heeft wat we eten directe gevolgen voor onze gezondheid, en dat is zowel een uitdaging als een kans. “Als je naar een gezond voedingsaanbod wilt met zestig procent plantaardig, dan zorg je daarmee ook direct voor een duurzamer voedingsaanbod.” De eiwittransitie raakt dus twee urgente maatschappelijke opgaven tegelijk.

Het ziekenhuis als spiegel

Nergens wordt de tegenstrijdigheid scherper zichtbaar dan in zorginstellingen. Amsterdam UMC heeft de best lopende Albert Heijn to go per vierkante meter in Nederland. Tachtig procent van het voedselaanbod in het ziekenhuis draagt momenteel niet bij aan een gezond voedingspatroon. “Dan is het heel bijzonder dat je vervolgens tegen mensen gaat zeggen: doe iets aan je leefstijl”, aldus Van Goudoever.

mee te denken, maar alleen als er een gelijk speelveld is. “Je kunt niet één partij vragen het te doen, terwijl bij de buurman volop gevulde koeken liggen. Tachtig procent gezond, dat is de norm.”

www.amsterdameeteerlijk.nl

Het is een systeembenadering

Dertig jaar geleden stond een arts met een sigaret op het podium tijdens gezondheidscongressen. Niemand die dat nu nog normaal vindt. “Ik hoop dat we over twintig jaar foto’s tevoorschijn halen van wat er ooit in die winkels in het ziekenhuis lag en zeggen: hoe was dit mogelijk?” Het ombuigen vereist brede samenwerking. Leveranciers zijn bereid

De politiek moet meer lef tonen

Politieke lef

De data zijn ondubbelzinnig: suikertaksen werken en omgevingsinterventies zijn effectief. De vroege voedingservaring, soms zelfs al voor de geboorte, bepaalt wat kinderen later prefereren. De wetenschap is helder, maar de politiek aarzelt en schuift de verantwoordelijkheid door naar het individu. “De politiek moet meer lef tonen.”

Niet afwachten

Amsterdam UMC is samen met elf andere grote instellingen, op initiatief van de gemeente, een convenant aangegaan om het voedselaanbod voor medewerkers, gasten en cliënten te

verbeteren. Met gezamenlijk meer dan vijfendertigduizend maaltijden per dag kunnen zij de voedselomgeving positief beïnvloeden en samen met zorginstellingen, universiteiten en publieke organisaties een nieuw speelveld creëren. Dit vraagt inzet van organisaties, maar laat zien dat een koerswijziging mogelijk is.

Realistisch toekomstbeeld Hoe ziet een toekomstbestendig voedselsysteem er in 2035 uit? Van Goudoever schetst een beeld dat niet utopisch hoeft te zijn. Gezonde voeding is overal verkrijgbaar en voor iedereen betaalbaar. Een ongezond aanbod is niet verboden, maar staat niet meer prominent in de schappen. Rondom scholen is een gezonde voedselomgeving gecreëerd. Preventie in de zorg heeft serieus vorm gekregen, met minder druk op wachtlijsten als resultaat. En voedselproducenten dragen bij aan de maatschappelijke kosten van hun producten, net zoals de fossiele industrie onder toenemende druk staat voor haar klimaatschade. “Je moet blijven dromen”, zegt Van Goudoever. “Maar het begint met de erkenning dat dit geen individueel probleem is, maar structureel. Juist daarom is collectieve actie nodig, én politieke durf.”

Convenant ‘Samen eten we Amsterdam gezond, duurzaam en eerlijk’

Beter voor mensen, beter voor de aarde en beter voor de boer: met die intentie ondertekenden 11 grote Amsterdamse organisaties, waaronder de gemeente en Amsterdam UMC, een jaar geleden het convenant ‘Samen eten we Amsterdam gezond, duurzaam en eerlijk’. De gezamenlijke ambitie is om een voedselomgeving te creëren waarin de gezonde en duurzame keuze de meest logische is. De ondertekenaars willen dat in 2030:

• Minimaal 60% van de geserveerde eiwitten in de organisatie plantaardig is.

• 80% van het voedsel voldoet aan de voedingsnormen van het Voedingscentrum.

• Minimaal 25% van het ingekochte voedsel biologisch is.

• Voedselverspilling is gehalveerd ten opzichte van 2015.

Meer weten of meedoen? Ga naar www.amsterdameeteerlijk.nl.

Sneller aansluiten, minder zwaar werk

NETCONGESTIE

Netcongestie is een flinke uitdaging. Ondanks dat netbeheerders fors bijbouwen, blijft de vraag naar ruimte op het elektriciteitsnet groeien. Nieuwe middenspanningsstations zijn cruciaal om de vraag op te vangen, maar de aanleg kost tijd en er is schaarste aan personeel, terwijl het werk fysiek zwaar is. De bottleneck zit niet alleen in het plaatsen, maar ook in het aansluiten van stations.

Om dat te versnellen, schreven Enexis, Stedin en Alliander in 2023 een prijsvraag uit: middenspanningsstations vijf keer sneller aansluiten. Tjeerd Boersma van Enexis: “Door een prefab flexibele kabeloplossing kunnen monteurs een station nu binnen een halve dag aansluiten, waar dat voorheen een volle dag kostte.”

Kabelfabrikant Prysmian won en ontwikkelde samen met de netbeheerders een flexibele kabeloplossing die grotendeels in de fabriek wordt voorbereid. Dat bespaart niet alleen tijd, maar verbetert ook ergonomie en kwaliteit. “Doordat je werkzaamheden naar de fabriek haalt,

hoeven we op de locatie minder complex handwerk te verrichten”, aldus Boersma.

Met 19.000 stations die de komende jaren geplaatst of verzwaard moeten worden, telt elk gewonnen uur. De oplossing wordt nu uitgerold en er loopt een pilot met dikkere kabels voor bestaande transportverdeelstations in Weiwerd. Boersma: “De kern is een prefab flexibele kabeloplossing die compleet op de werkplek wordt aangeleverd. Hiermee kan de monteur zijn werk eenvoudiger, sneller en beter uitvoeren.”

Tekst: Fred Pals

Koelwater van nutsvoorziening naar kritische bedrijfsfactor

CIRCULAIRE INZET

Industrieel koelwater is jarenlang behandeld als een simpele nutsvoorziening, maar dat beeld houdt geen stand meer. Het RIVM berekende onlangs dat Nederlandse oppervlaktewateren concentraties bevatten van zorgwekkende bijproducten van desinfectieprocessen. Dit kan gevolgen hebben voor een aanzienlijk deel van de drinkwatervoorziening.

Minder dan negen procent van het oppervlaktewater voldoet aan de Kaderrichtlijn Water (KRW), die sinds 2000 van kracht is. Voor de industrie is dit geen abstract milieuprobleem. Bedrijven die hun koelwaterprocessen lineair blijven inrichten met drinkwater als bron en chemicaliën als standaardmiddel, riskeren de verlenging van hun vergunning en daarmee de productie. “Circulaire inzet is de enige route naar bedrijfscontinuïteit en vergunningszekerheid in de toekomst”, zegt Mark Boeren, CEO van Pathema, specialist in circulaire koelwaterbehandeling.

Pathema ontwikkelde 15 jaar geleden technische totaaloplossingen: koelsystemen die geen drinkwater gebruiken maar alternatieve bronnen zoals oppervlakte- of afvalwater, voorbehandeld en chemie-arm. Daarmee verdwijnen schadelijke bijproducten aan de bron in plaats van in het oppervlaktewater. “Minder chemie in het oppervlaktewater begint bij de bron van de vervuiling, en daar

Zonder zwaardere kabels staat de energietransitie stil

De energietransitie vraagt om een fundamentele herziening van het elektriciteitsnet. Opwek is niet langer gecentraliseerd; zonnepanelen, windmolens en thuisbatterijen maken van eindgebruikers ook producenten. Dat vereist een netwerk dat niet alleen zwaarder belast kan worden, maar ook slimmer en flexibeler functioneert. De vraag naar kabels, de stille drager van al dat transport, stijgt daardoor sneller dan ooit tevoren.

Bij Prysmian Nederland, onderdeel van ’s werelds grootste kabelproducent, staat die urgentie centraal. Met vier productielocaties verspreid over Nederland en het hoofdkantoor in Delft speelt het bedrijf een sleutelrol in de Nederlandse energie-infrastructuur. Joannes Vonk is als businessmanager PD het eerste aanspreekpunt voor Nederlandse netbeheerders en ziet de druk dagelijks toenemen. “We willen meedenken in hoe het duurzamer, veiliger en sneller kan”, zegt hij. Dat betekent meer dan kabels leveren: Prysmian Nederland positioneert zich nadrukkelijk als actieve partner in de uitbouw van het energiesysteem.

Van ruggengraat naar innovatiemotor

Concreet vertaalt die ambitie zich in productontwikkeling. Samen met drie

netbeheerders werkte het bedrijf aan het zogenoemde klikbare middenspanningsnet. Ze ontwikkelden de FlexPlug-oplossing, een flexibele kabel die aan beide kanten al in de fabriek wordt voorbereid, in combinatie met een T-garnituur om de installatietijd zes keer te versnellen. In het veld zijn daardoor minder werkzaamheden nodig, en de flexibele constructie maakt het aansluitwerk ook ergonomisch verantwoorder. “Met 50.000 stations die aangesloten moeten worden, is dat een essentiële innovatie om de energietransitie in Nederland mogelijk te maken”, aldus Vonk. Parallel daaraan werkt het bedrijf aan de verduurzaming van het kabelportfolio. Onder andere in een nieuwe raamovereenkomst met Alliander worden inmiddels kabels aangeboden waarbij in bijna alle lagen gerecyclede materialen zijn verwerkt. De buitenmantel kan al

voor ongeveer 90 procent uit mechanisch gerecycled materiaal bestaan, koper is volledig circulair leverbaar en voor aluminium wordt gewerkt aan een stijgend aandeel gerecycled materiaal.

Regelgeving als grootste rem De technologische innovatie staat in schril contrast met de bestuurlijke werkelijkheid. Vonk wijst regelgeving als het voornaamste knelpunt aan in de uitrol van de energie-infrastructuur. Vergunningstrajecten, ruimtegebrek voor stations en de coördinatie tussen gemeenten, provincies en rijksoverheid zorgen voor vertragingen die geen fabrikant kan oplossen. “Al die regels botsen regelmatig met elkaar”, constateert hij.

Daar komt bij dat de omschakeling van het netwerk ingrijpender is dan ooit.

kunnen wij simpel wat aan doen.” Het bedrijf is inmiddels door Rijkswaterstaat aangemerkt als best beschikbare techniek (BBT), wat de vergunbaarheid voor gebruikers vereenvoudigt. Hoewel de brede markt nog aftast, ziet Pathema de belangstelling snel toenemen. Inmiddels draaien er meer dan 100 installaties die de techniek zichzelf ruim heeft bewezen. “Een andere manier van omgaan met utilities is een cultuuromslag”, vertelt Boeren. Niet onbelangrijk is dat een dag stilstand in productie altijd meer kost dan de aanschaf van een technische oplossing. “Wie nu investeert in circulaire koelwaterbehandeling, koopt geen duurzaamheidsambitie maar een garantie op toekomstige productie.”

Waar elektriciteit traditioneel van centrale opwekkers naar eindgebruikers stroomde, functioneert de moderne consument als zowel verbruiker als producent. Dat vereist een bidirectioneel netwerk met zwaardere kabels en meer capaciteit op elk niveau. Meetapparatuur en data-analyse kunnen daarbij helpen om de bestaande infrastructuur optimaler te benutten voordat nieuw materiaal nodig is. Zo wordt de uitbreiding van het net niet alleen sneller, maar ook structureel slimmer. Over tien jaar verwacht Vonk dat Nederland de piek van de netuitbreiding grotendeels voorbij zal zijn. “Dan zien we het licht aan het einde van de tunnel”, zegt hij. Andere regio’s in Europa lopen nog achter; de mondiale vraag naar kabelinfrastructuur blijft onverminderd groeien. Een vraag die Prysmian als ‘s werelds grootste kabelproducent klaar is te beantwoorden.

Tekst: Fred Pals
Doorsnede van Pathema’s Industrial Vortex Generator (IVG)
Prysmian – Partner Content

Koffiecapsules horen niet in de verbrandingsoven

INNOVATIE

Koffie is in Nederland een dagelijkse constante. Volgens het Koffie & Thee Onderzoek 2024 drinkt 79% van de Nederlanders wekelijks koffie, een ritueel dat diep verankerd is in het dagelijks leven.

De introductie van de koffiecapsule heeft dat ritueel veranderd. Maar met die verandering ontstond een nieuwe afvalstroom, en daarmee een verantwoordelijkheid die verder reikt dan het kopje zelf.

Klein product, grote uitdaging

Elke dag worden in Nederland miljoenen koffiecapsules weggegooid. Het overgrote deel belandt nu nog in de verbrandingsoven. Dat betekent dat een waardevolle grondstof verloren gaat, want aluminium is een materiaal dat steeds opnieuw gerecycled kan worden zonder kwaliteitsverlies. De uitdaging zit niet in de technologie, maar in het systeem: hoe zorg je ervoor dat consumenten hun gebruikte capsules in de juiste bak gooien, en dat de volgende stappen ook werkelijk leiden tot hergebruik van grondstoffen.

Nespresso, als een van de initiatiefnemers van de Vereniging Koffie Capsule Recycling Nederland (KCR), werkt samen met de vereniging aan dat vraagstuk. Begin 2026 startten zij samen met Verpact een landelijke campagne over het inzamelen van koffiecapsules via het PMD-afval:

plastic, metalen verpakkingen en drinkpakken. De boodschap is opzettelijk eenvoudig gehouden: leeg maken is niet nodig, gewoon in de juiste bak. “Gooi ze in de goede bak. Dan zorgen wij voor de rest”, zegt Nienke Bloemers, directeur van de vereniging. Bloemers weet uit ervaring: een drempel, hoe klein ook, is genoeg om gedrag niet te veranderen.

De keten als crux

Achter die simpele boodschap gaat een complex systeem schuil. Voor Bloemers zit de kern van het probleem precies hier. “Ik denk dat dit eigenlijk de crux is in circulariteit in het algemeen. Het vraagt enorm veel samenwerking, en ook een extra stapje van iedereen in die keten.” Die samenwerking omvat gemeenten, afvalverwerkers, nascheiders en sectororganisaties. Al in 2023 sloten de eerste nascheiders zich aan, bedrijven die met ‘Eddy Current-technologie’ aluminium uit het gemengde afval scheiden.

Een complicatie is de versnippering van het Nederlandse afvallandschap: bronscheiding en nascheiding bestaan naast elkaar, en de regels verschillen per gemeente, soms per straat. Om consumenten wegwijs te maken lanceerde de vereniging een postcodechecker, waarmee huishoudens zien welke afvalregel voor hun adres geldt. Gedragsverandering vraagt om duidelijkheid, en die begint bij weten waar de koffiecapsule thuishoort.

Schaal blijft een uitdaging: in de totale afvalstroom zijn koffiecapsules relatief klein van volume. “We hebben als koffiecapsuleindustrie de handen ineengeslagen”, zegt Reineke van Riemsdijk, head of sustainability bij Nespresso Nederland. Tien koffieproducenten werken samen

via de vereniging, want afzonderlijk is de invloed onvoldoende om het systeem te veranderen.

Voor ons is het eigenlijk heel simpel: aluminium moet je niet verbranden

Meer dan alleen de verpakking

Over koffiecapsules bestaat soms een hardnekkige perceptie: dat ze vooral veel afval opleveren. Maar wie de volledige CO₂-voetafdruk van een kopje koffie bekijkt, ontdekt dat het verhaal genuanceerder ligt. Bijna vijftig procent van die voetafdruk is afkomstig van de koffie zelf, niet van de verpakking. En juist daar scoort de capsule relatief goed: een capsule bevat tussen de 5,5 en 6,5 gram koffie, terwijl een volautomaat met bonen al snel 9 tot 11 gram verbruikt voor datzelfde kopje. “Je hoeft geen Einstein te zijn om te berekenen dat minder koffie gebruiken voor een kwalitatief goed kopje de meeste impact heeft”, legt Van Riemsdijk uit.

Dat neemt niet weg dat het beeld van lege capsules bij consumenten vragen kan oproepen. Tegelijk is aluminium een waardevolle grondstof die bij uitstek geschikt is voor recycling. Daarom wordt nu samengewerkt om dit materiaal niet verloren te laten gaan.

Van bodem tot bak Duurzaamheid begint voor Nespresso niet bij de afvalbak, maar bij de bron. Via het Nespresso Sustainable Quality Plan, ontwikkeld samen met Rainforest Alliance, ondersteunt het bedrijf wereldwijd ongeveer 160.000 koffieboeren via premiumbetaling, agronomische

begeleiding en sociale bescherming. Zo heeft Nespresso in samenwerking met Fairtrade en de Colombiaanse overheid een pensioenregeling opgezet voor kleinschalige koffieboeren. Van Riemsdijk hecht daar persoonlijk veel waarde aan. “We weten dat kinderopvang en een pensioen in heel veel landen rondom de evenaar helaas nog niet vanzelfsprekend zijn.”

In Brazilië en Indonesië werken lokale consultants met boeren aan schaduwbomen, betere doorworteling en erosiebeheersing, met zichtbaar resultaat: het plantje houdt zich beter en de kwaliteit van de bonen neemt toe.

De ambitie is helder: een volledig circulaire reis voor de aluminium koffiecapsule. Voor Bloemers is dat zowel privé als voor de maatschappij geen abstracte doelstelling. “Voor ons is het eigenlijk heel simpel: aluminium moet je niet verbranden. Als je dat echt gelooft, moet je het systeem eromheen anders organiseren”, zegt ze. De ambitie van KCR is dit in 2028 te hebben georganiseerd in Nederland, en de verwachting is dat andere landen snel volgen. Nespresso is actief in 96 landen en de Nederlandse aanpak geldt al als best practice binnen de Europese koffieassociatie. Want het probleem van de ongerecyclede capsule is niet Nederlands, het is universeel.

Nienke Bloemers, Directeur, Vereniging Koffie Capsule Recycling Nederland
Reineke van Riemsdijk, Head of sustainability, Nespresso Nederland

Wanneer het podium spreekt voor wie niet kan zien

TOEGANKELIJKHEID

Een blindentolk zit tussen het publiek, links en rechts van haar collega’s. Ze lachen met elkaar, wijzen naar het podium, fluisteren in een microfoon. Wat zij beschrijven bereikt, via een livestream op de telefoon, bezoekers met een visuele beperking die anders een groot deel van de concertbeleving zouden missen. De Johan Cruijff ArenA introduceert deze zomer audiodescriptie bij alle concerten.

Audiodescriptie is een live gesproken beschrijving van visuele elementen tijdens een optreden, verzorgd door een blindentolk. Bewegingen van artiesten, interactie met het publiek, gezichtsuitdrukkingen, choreografie, lichtshows, videoprojecties en bijzondere podiumgebeurtenissen worden zo in realtime verwoord. Bezoekers kunnen dit met hun eigen telefoon en koptelefoon volgen via de website van de ArenA.

Tanja Dik, CEO van de Johan Cruijff ArenA, beschrijft hoe het initiatief ontstond. “Via LinkedIn zag ik een verzoek van een meisje met een visuele beperking dat stage wilde lopen en nergens plek kreeg. We hebben haar aangenomen.” Uit die samenwerking groeide het inzicht dat toegankelijkheid voor bezoekers met een visuele beperking verder kon gaan dan fysieke aanpassingen. “Wat betekenen al onze concerten voor mensen die ze niet

kunnen zien?”

Het antwoord bleek praktischer dan verwacht. Blindentolken die normaal gesproken presentaties of tv-programma’s voorzien van audiodescriptie, nemen een concertmodus aan. Ze omschrijven wat er gebeurt op het podium, inclusief de energie en het enthousiasme. “Je ziet ook de glimlach van de vertalers”, aldus Dik. “Ze zitten tussen de mensen en hebben plezier in wat ze zelf zien en ervaren.”

Komende zomer wordt audiodescriptie aangeboden bij onder meer Harry Styles, Bruno Mars, de Toppers en The Weeknd. Bezoekers met een visuele beperking die het al eens meemaakten, gaven aan dat de zindering van het geluid en de beschrijving samen een onverwachte beleving opleveren. De ArenA is daarmee een van de eerste evenementenlocaties in Nederland die dit structureel aanbiedt.

Tijdens de Robbie Williams-concerten in 2025 in de ArenA werd een succesvolle pilot met live audiodescriptie uitgevoerd. Het leverde enthousiaste reacties én goede inzichten op. Mojo, de concertorganisator, is bereid om met artiesten in gesprek te gaan over verdere uitrol. “Zij zijn ook intrinsiek gemotiveerd om het voor iedereen te doen”, zegt Dik. “Het is belangrijk om dit te delen, want ik hoop dat andere locaties getriggerd worden hetzelfde te doen.”

Audiodescriptie is één onderdeel van een bredere toegankelijkheidsagenda. De ArenA werkt ook aan betere rolstoeltoegankelijkheid, prikkelvriendelijke ruimtes en ondersteuning voor bezoekers met beperkte lees- en schrijfvaardigheid. Omdat drie miljoen Nederlanders hier moeite mee hebben, wil de ArenA ook hiermee aan de slag, van menukaarten tot bewegwijzering. Het zijn stuk voor stuk stappen die botsen op praktische en logistieke complexiteit, maar die de ArenA niet uit de weg gaat. “Ik kan me nooit voorstellen wat het is om blind te zijn en op deze manier die extra ervaring te krijgen”, zegt Dik. “Maar we kunnen het wel mogelijk maken.”

Duurzaamheid: van bijzaak naar business

Veel organisaties hebben duurzaamheid op papier staan, maar echte integratie in het businessmodel blijft achter. ESG-beleid bestaat, rapportages worden opgesteld, maar de doorvertaling naar de klantpropositie ontbreekt. Het risico hierbij is dat duurzaamheid van het prioriteitenlijstje valt zodra het economisch minder gaat.

Dat patroon doorbreken vraagt een fundamenteel andere aanpak, stelt Anika Siepel, hoofd Sustainable Business bij Kyden en co-auteur van het boek Sustainable Experiences, dat is genomineerd voor de PIM Marketing literatuurprijs.

Focus aanbrengen

“Duurzaamheid wordt pas succesvol als het echt onderdeel is van je klantpropositie en businessmodel”, zegt Siepel. Veel bedrijven verduurzamen hun eigen activiteiten, maar wat zij klanten bieden blijft achter. Klanten willen duurzaamheid meenemen in hun aankoopbeslissingen, maar handelen daar niet altijd naar – mede doordat organisaties onbedoeld barrières opwerpen. Precies die wegnemen, daar

liggen de grootste kansen.

Klanten willen verduurzamen, maar hun motieven lopen uiteen: denk aan kostenbesparing, gezondheid of reputatie. Wie die drijfveren begrijpt, kan een aanbod ontwikkelen dat echt aansluit. Bij Kyden realiseren ze toekomstbestendige transformaties door de strategie en uitvoering te combineren. De aanpak start met focus. “Duurzaamheid is een breed begrip, dus ga daarin kiezen. Breng focus aan op het onderdeel waarop je het verschil kunt maken bij (toekomstige) klanten”, aldus Siepel.

Echt integreren

Bedrijven die duurzaamheid echt integreren, presteren op langere termijn

aantoonbaar beter. De kernboodschap van Sustainable Experiences: kies dus een focus, ontwerp je dienst of product met oog voor de klant én duurzaamheid, en schaal vanuit daar. “Als je duurzaamheid echt onderdeel maakt, is het ook geen greenwashing. Dan is het gewoon hoe je opereert.”

Een veelgemaakte fout is dat organisaties de volledige duurzaamheidsagenda willen oplossen voordat ze beginnen. Siepel: “Ik denk niet eens dat de fout is dat ze het niet klein maken, maar dat ze überhaupt niet toekomen aan waar ze het verschil kunnen en willen maken.” Tandverzorgingsmerk Smyle is een goed voorbeeld van hoe focus werkt: plasticvrije tabletten vinden hun weg naar retailers en zelfs de KLM Business Class. Ze communiceren vooral over plastic en niet per se duurzaamheid, en juist daardoor werkt het.

Leiderschap is belangrijk

Een andere uitdaging ligt intern. Wie het businessmodel wil verduurzamen, stoot op ingesleten patronen: bonusafspraken,

Bemachtig nu één van de 50 gratis exemplaren van Sustainable Experiences . kyden.com

inkoopcriteria, afschrijftermijnen van vervuilende productiemiddelen. Tegelijk wil een grote groep medewerkers graag duurzamer werken, maar heeft daarvoor niet altijd de ruimte of handvatten. “Vanuit leiderschap is het belangrijk dat je ruimte biedt voor initiatieven en transparant bent over waarom bepaalde keuzes worden gemaakt én welke stappen er worden gezet”, zegt Siepel. Als helder is waar de organisatie het verschil wil maken, weten medewerkers waarop ze in moeten zetten.

Kyden hanteert daarvoor vier stappen: snap je het, wil je het, kun je het en mag je het? Die volgorde is bewust: begrip gaat vooraf aan betrokkenheid. Pas als medewerkers snappen waarom verandering noodzakelijk is, ontstaat echte motivatie en de creativiteit om dingen anders te doen.

Anika Siepel, Hoofd Sustainable Business, Kyden
Tekst: Fred Pals

Schoon rijden is geen utopie en vergt vooral betere keuzes

De klimaatdoelstellingen voor wegtransport zijn onhaalbaar. Die conclusie klinkt steeds luider in de sector. Maar ze onthult eerder een fundamenteel beleidsprobleem dan een technologisch falen. De netcongestie die Nederland inmiddels in zijn greep houdt, is geen toeval. Ze is het directe gevolg van beleid dat één technologie als zaligmakend bestempelt voor een complex, veelzijdig vraagstuk.

De technologie om de transitie wél te laten slagen, bestaat al. Wat ontbreekt, is beleid dat daarnaar handelt. OG Clean Fuels werkt al achttien jaar aan een andere aanpak. Het in Heerenveen gevestigde bedrijf levert uitsluitend schone brandstoffen en is actief in Nederland, Duitsland, Zweden, Frankrijk en Italië. “Wij zijn ervan overtuigd dat als we alle schone brandstoffen op hun waarde schatten, we de klimaatdoelstellingen in het Europese transport kunnen halen”, zegt CEO Marcel Borger. De sleutel daartoe is de multifuelstrategie: een combinatie van Bio-CNG, Bio-LNG, HVO100 en elektrisch, aangevuld met waterstof voor de langere termijn. Niet als tijdelijke maatregel, maar als structureel model.

“Elke brandstof heeft zijn beste toepassing. Dat geldt voor stedelijke distributie, voor langeafstandstransport en voor alles daartussenin.”

Tunnelvisie kost tijd en geld

De huidige beleidsfocus op elektrisch rijden is begrijpelijk, maar te eenzijdig. Borger wijst op een concreet voorbeeld: DHL rijdt inmiddels met bijna 1.400 trucks op Bio-CNG en realiseert daarmee een CO2-score van -102 gram, ruim onder de Europese norm van 93 gram. Elektrisch staat op nul. “Zero emission klinkt goed, maar als je van bron tot uitlaat rekent, de zogenaamde Well-to-Wheel-benadering, dan presteren biobrandstoffen in bepaalde toepassingen zelfs beter dan EV’s.” Dat

Duitsland die methode al als standaard hanteert en Nederland niet, illustreert het beleidsvacuüm.

De netcongestie maakt die eenzijdigheid tastbaar. Netbeheerders zagen het achttien jaar geleden al aankomen: het elektriciteitsnet had maar 27 procent vrije capaciteit, terwijl het gasnet 67 procent had. “Dat is het resultaat van eenzijdig beleid dat volkomen had kunnen worden voorkomen”, aldus Borger. Een bredere inzet op biobrandstoffen had de overbelasting van het net voor een groot deel kunnen voorkomen, als het maar beleidsmatig was gestimuleerd. In plaats daarvan vloeide een substantieel deel van de EV-investeringen naar buitenlandse productie, terwijl de gerealiseerde CO2reductie niet in verhouding stond tot de investering.

uitlaat gemeten, maar de volledige CO2voetafdruk van bron tot eindgebruik. “Als je dat eerlijk doorrekent, inclusief de energiemix waarmee een elektrisch voertuig wordt opgeladen, dan verandert het beeld aanzienlijk. Biobrandstoffen uit mest of rioolwater scoren dan zelfs negatief op CO2.” In Duitsland werkt dit systeem al, met alle brandstoffen beoordeeld op dezelfde grondslag.

Haalbaar en betaalbaar, nu Biobrandstoffen zijn niet alleen duurzaam, ze zijn direct inzetbaar en concurrerend geprijsd ten opzichte van diesel. HVO100, synthetische biodiesel van het Finse bedrijf Neste, biedt transporteurs een directe instap zonder technische aanpassingen aan het voertuig. Wie 20 procent van zijn wagenpark ombouwt, realiseert al 90 procent CO2-reductie op dat deel. Bio-CNG en Bio-LNG worden geproduceerd uit mest en rioolwater, lokaal en gecertificeerd via erkende systemen zoals de NEA in Nederland. “Haalbaar en betaalbaar, dat zijn de twee termen die ertoe doen. De technologie is er, de brandstof is beschikbaar en je kunt vandaag beginnen.”

langeafstandsritten, ontstaat een realistisch transitiepad dat aansluit op de logistieke praktijk.

Dat schone brandstoffen ook commercieel houdbaar zijn, bewijst het bedrijf met zestien opeenvolgende jaren positieve resultaten. Zelfs nu de gasprijs door geopolitieke spanningen zomaar met 25 procent stijgt, blijft de gasprijs stabiel dankzij langdurige contracten met biogasproducenten in Nederland en Duitsland. Die lokale verankering maakt het model robuust tegen externe schokken. “Wij zijn losgekoppeld van de fossiele gasmarkt. Dat hebben we bewezen. En dat is precies de energiezekerheid waar Nederland naar op zoek is.”

Biobrandstoffen en biogas staan inmiddels ook nadrukkelijk in Brussel op de agenda, iets wat twee jaar geleden nog nauwelijks bespreekbaar was. Borger is voorzichtig maar oprecht optimistisch. “Als Europa de Well-to-Wheel-benadering omarmt en ophoudt met technologieën vooraf aan te wijzen als winnaar, dan kunnen we de doelstellingen voor 2050 echt halen. Niet ondanks de diversiteit aan oplossingen, maar dankzij die diversiteit.”

De technologie is er, de brandstof is beschikbaar en je kunt vandaag beginnen

Borger pleit voor één fundamentele beleidswijziging: de Well-to-Wheelbenadering als Europese standaard. Daarbij wordt niet de uitstoot bij de

Die stapsgewijze, pragmatische aanpak is precies wat de sector nodig heeft. Transporteurs die worden gevraagd hun volledige wagenpark in één keer te elektrificeren, haken af. “Als je tien jaar geleden was begonnen met één of twee procent per jaar, waren we nu veel verder. Dat is hoe elk gezond bedrijf zijn investeringen plant. De overheid vraagt iets wat ze zelf nooit zou doen.”

Met de combinatie van HVO100 als directe vervanger, Bio-CNG voor middelzwaar transport en Bio-LNG voor

Marcel Borger, CEO, OG Clean Fuels

Een stadion dat meer teruggeeft dan het verbruikt

Grote evenementenlocaties staan voor een groeiende uitdaging. Energieverbruik, afvalstromen en de mobiliteit van miljoenen bezoekers leggen een aanzienlijk beslag op mens en milieu. Het is duidelijk dat de evenementenbranche moet verduurzamen; de invulling draait om hoe snel en hoe grondig. Sommige locaties gaan verder dan het beperken van schade en streven naar een actieve, positieve bijdrage.

Net positive

Het stadion, dat jaarlijks ruim twee miljoen bezoekers verwelkomt voor Ajaxen Oranje-wedstrijden en evenementen zoals concerten van artiesten als Taylor Swift, de Toppers en Bruno Mars, heeft net positive als koers gekozen. Dat betekent dat de ArenA de schade beperkt door afval, uitstoot en energieverbruik te verminderen, en daarnaast continu werkt aan een positieve bijdrage.

CEO Tanja Dik erkent dat de lat hoog ligt. “Dat is best een bold statement geweest dat we een aantal jaar geleden gemaakt hebben, maar we zijn vele malen verder gekomen door deze ambitie te stellen dan wanneer we dat niet hadden gedaan.” De

doelstellingen zijn concreet: nul CO2uitstoot in scope 1 en 2 in 2030, 25 procent minder uitstoot in de gehele waardeketen en 37 procent minder energieverbruik. Dit jaar verscheen het eerste Impact Report van de ArenA, met een eerlijke balans van wat al lukt en wat nog niet.

Energie als vroegtijdige keuze

De ArenA begon vroeger dan de meeste bedrijven met de energietransitie. Al in 1997 verving het stadion gasverwarming door stadswarmte en introduceerde koeling via water uit de nabijgelegen Ouderkerkerplas. In 2014 volgden 4.200 zonnepanelen op het dak, destijds de grootste zonne-installatie op een sportstadion wereldwijd.

Die vroege investeringen betalen zich nu uit. Op 11 augustus 2025 speelde Ajax voor het eerst een wedstrijd volledig op groene stroom. Zonne-energie wordt opgeslagen in twee superbatterijen van gezamenlijk 8,6 megawattuur, aangevuld met stroom van een windturbine en een zonnepark. De batterijen stabiliseren ook het elektriciteitsnet bij pieken. “Een deel van de overflow die TenneT heeft, slaan ze bij ons op. Zo kunnen wij de netbeheerders ook helpen”, aldus Dik. Het energieverbruik per vierkante meter daalde al met 24

procent ten opzichte van 2017/2018, op weg naar de doelstelling van 37 procent reductie in 2030.

Circulair denken in de praktijk Ruim twee miljoen bezoekers brengen ook afval mee. In seizoen 2024/2025 produceerde de ArenA 463 ton afval, het gewicht van ruim twintig volle spelersbussen. Het stadion sorteert dat afval in zeventien categorieën in het eigen ArenA Waste Station. De helft hiervan belandt nog bij het restafval, maar de ambitie is helder: 30 procent minder afval per bezoeker in 2030 en maximaal 15 procent restafval.

Stadion als springplank voor de buurt Net positive stopt niet bij de stadionmuren. De ArenA staat midden in Amsterdam Zuidoost, een wijk met meer dan 170 nationaliteiten en ruim 90.000 inwoners. In seizoen 2024/2025 verwelkomde het stadion 3.780 buurtbewoners bij gratis activiteiten, van sportevenementen voor kinderen tot een kerstdiner voor 800 gasten. Twintig procent van de stewards per evenement kwam uit Zuidoost, en 136 jongeren werden begeleid bij stages en projecten.

Het was een bold statement, maar we zijn veel verder gekomen door deze ambitie te stellen

Concrete stappen zijn gezet. Het afval per bezoeker daalde met 23 procent. Snackbakjes van zeewier vervangen bioplastic, en 75 tot 80 procent van de verkochte bekers wordt na elk evenement ingezameld voor recycling. Dik benadrukt dat de hele keten meedoet. “Iedere leverancier moet hier een bijdrage aan leveren. Wij zijn een regieorganisatie, dus het komt hier allemaal samen, maar we doen de schoonmaak, de horeca en de beveiliging niet zelf. En dat geldt ook voor de grootste impact: de bewegingen van en naar het stadion.”

De ambitie reikt verder. Elk jaar wil de ArenA minstens 5.000 buurtbewoners uitnodigen. Dik ziet die betrokkenheid als onlosmakelijk onderdeel van de bredere missie. “Het gaat verder dan opletten wat onze energie is. Het gaat ook over wat onze impact is op Amsterdam Zuidoost, over talentontwikkeling, over onze deuren openzetten voor de bewoners om ons heen. Je bent onderdeel van een totaal ecosysteem en zo moet je je ook gedragen.”

De ArenA verankerde haar duurzaamheidsambities onlangs ook statutair. Aandeelhouders stemden in met een aanpassing die vastlegt dat het stadion niet alleen naar financieel rendement kijkt, maar ook naar bredere maatschappelijke waarde. Voor het boekjaar 2025/2026 stelt de ArenA een klimaattransitieplan op dat concreet maakt hoe de doelstellingen worden behaald. Voor Dik is dat geen formaliteit. “Dit is onze license to operate. Als wij niet in staat zijn om het pand voor de volgende generatie te behouden, ben je op een gegeven moment een kolossaal gebouw dat alleen maar vervuilend is.” De koers staat vast. “Wij communiceren niets als we het niet werkelijk bereikt hebben.”

Tanja Dik, CEO, ArenA

Hoe circulariteit waarde creëert

De wereldwijde vraag naar huishoudelijke apparaten groeit, maar de druk op grondstoffen en het milieu ook. Steeds meer bedrijven worstelen met de vraag hoe ze productie en consumptie toekomstbestendig maken, zonder in te leveren op kwaliteit of betaalbaarheid. De oplossing ligt in slimmer produceren – door afval te voorkomen, materialen continu te hergebruiken en apparaten een tweede leven te geven. Wie daarin op grote schaal slaagt, laat zien dat duurzaamheid niet alleen goed is voor de planeet, maar ook de portemonnee.

Verschuiving van lineair naar circulair

De transitie naar een circulaire economie is inmiddels pure noodzaak. Grondstoffen worden schaarser, regelgeving strenger en consumenten kritischer. Toch zien veel organisaties circulariteit nog als een kostenpost. Beko, een grote internationale fabrikant van huishoudelijke apparaten, bewijst het tegendeel: door recycling, refurbishment en slim ontwerpen volledig te integreren in hun bedrijfsmodel, wordt duurzaamheid een bron van groei en veerkracht.

In 2024 verwerkte Beko meer dan 27.800 ton gerecycled plastic in nieuwe apparaten. Dat bespaart niet alleen grondstoffen, maar vermindert ook de afhankelijkheid van schommelende marktprijzen. “Duurzaamheid staat centraal bij de manier waarop we ons bedrijf runnen, investeren en groeien in alle markten waarin we actief zijn”, zegt Hakan Bulgurlu, CEO van Beko.

Geen theoretisch concept

Hun circulaire strategie is meer dan een theoretisch concept; het is de praktische realiteit in elke markt waar ze actief zijn. In het Verenigd Koninkrijk draait hun refurbishment center in Peterborough sinds 2019 zonder afval naar de stortplaats te hoeven brengen. Het herbergt meer dan 100.000 reserveonderdelen en zorgt ervoor dat gereviseerde apparaten voldoen aan dezelfde strenge kwaliteits- en veiligheidseisen als nieuwe producten. In Italië en Roemenië worden apparaten tegen gereduceerde prijzen aangeboden. Daardoor worden duurzame keuzes voor meer huishoudens bereikbaar.

Deze lokale initiatieven worden ondersteund door een wereldwijd netwerk van 28 R&D-centra, waar meer dan 2.300 onderzoekers werken aan innovaties die de levensduur van producten verlengen en het gebruik van nieuwe grondstoffen minimaliseren. “Refurbishment gaat verder dan het repareren van apparaten – het gaat om het verlengen van de levensduur, het verminderen van afval

en het bieden van betrouwbare, betaalbare producten aan consumenten”, vertelt chief sustainability officer Fatih Özkadı.

Een tweede leven voor apparaten

Een van de meest zichtbare voorbeelden is het ‘Reduce-Refurbish-Recycle’-programma. In 2024 kregen wereldwijd meer dan 114.000 apparaten een tweede leven, dankzij gespecialiseerde centra in het Verenigd Koninkrijk, Italië en Roemenië. Deze apparaten worden grondig getest, gerepareerd met originele onderdelen en tegen 10 tot 30 procent onder de nieuwprijs aangeboden. Özkadı: “We laten zien dat circulariteit zowel duurzaamheid als waarde kan bevorderen.” Het programma sluit aan bij de UN Sustainable Development Goals, en toont aan dat circulariteit op grote schaal mogelijk én rendabel is.

Erkenningen voor impact

Hun inzet voor duurzaamheid blijft niet onopgemerkt. Het bedrijf staat op de 45e plaats in de Corporate Knights Global 100 van 2026, als meest duurzame producent van huishoudelijke apparaten ter wereld. In de S&P Global Corporate Sustainability Assessment van 2025 eindigde het met een indrukwekkende score van 86 op 100 op de eerste plaats van 79 bedrijven in de DHP-sector (huishoudelijke duurzame goederen). Daarnaast ontving Beko een gouden medaille van EcoVadis en de ‘Double A’-status van CDP voor klimaat en waterbeheer. Duurzaamheid is voor

Beko duidelijk geen marketingpraatje, maar een integraal onderdeel van hun activiteiten. Bulgurlu: “Verantwoord opschalen en innoveren kunnen een meetbare impact hebben op de samenleving, economie en onze planeet.”

Tegen 2050 wil het bedrijf net-zero emissies realiseren, met tussentijdse doelen van 42 procent reductie in 2030. “We ontwikkelen geavanceerde technologieën om de energie-efficiëntie van onze producten te verbeteren en de CO₂-uitstoot te verminderen”, voegt Bulgurlu toe.

Partnerschappen voor een betere wereld

De duurzaamheidsstrategie van Beko reikt verder dan de fabrieksmuren. Het heeft partnerschappen met toonaangevende organisaties en sportclubs om gezondheid, bewustzijn en innovatie te stimuleren. Zo werken ze samen met UNICEF om gezondere levensstijlen te promoten, en zijn ze sponsor van het basketbalteam van Fenerbahçe en Official Confidence Partner van Ajax om duurzaamheid en gezondheid onder een breed publiek te verspreiden. Deze samenwerkingen helpen niet alleen om kennis te delen, maar ook om consumenten te inspireren bewuste keuzes te maken – op en buiten het veld. Het motto daarbij is: zelfvertrouwen is niet alleen iets wat je voelt, maar ook wat je opbouwt.

Bouwen aan een duurzame toekomst

Door duurzaamheid te verweven in ontwerp, productie en klantrelaties, creëert het bedrijf waarde op alle fronten. Het is een model dat andere sectoren kan inspireren. Beko bewijst dat verantwoord ondernemen en commerciële groei hand in hand kunnen gaan. De visie van het bedrijf is dan ook om de wereld te respecteren en wereldwijd gerespecteerd te worden.

Refurbishment gaat verder dan alleen het repareren van apparaten beko.com

Nieuwe energiedragers zoeken een thuis dat nog nauwelijks bestaat

De energietransitie verloopt trager dan verwacht, maar de vraag naar opslag van ammoniak, vloeibare CO₂ en andere nieuwe energiedragers neemt gestaag toe. Het probleem: de infrastructuur die daarvoor nodig is, bestaat nauwelijks. Terwijl de wereld wacht op duidelijkheid over wet- en regelgeving, staat de tankterminalindustrie voor een keuze die niet langer kan worden uitgesteld.

Europa is de afgelopen jaren omgeslagen van exporteur naar importeur van chemicaliën. Hoge energie- en grondstofkosten hebben de Europese chemische industrie uit de markt geduwd, waardoor producten nu massaal worden ingevoerd vanuit de VS, het Midden-Oosten en Azië. Voor bedrijven gespecialiseerd in de opslag van vloeibare chemicaliën creëert die verschuiving juist nieuwe groeimogelijkheden.

LBC Tank Terminals, een wereldwijde operator van terminals voor vloeibare bulkproducten, profiteert nadrukkelijk van die importgolf. “We hebben veel capaciteit kunnen bijbouwen in de afgelopen jaren”, zegt Frank Erkelens, Group CEO van LBC. “De huidige economische situatie in Europa zorgt ervoor dat er meer producten geïmporteerd moeten worden, waardoor de vraag naar tankopslagcapaciteit is toegenomen.”

Van chemie naar nieuwe energiedragers

Terwijl traditionele terminals worstelen met krimpende volumes als gevolg van elektrificatie, heeft LBC een andere uitgangspositie. De focus op chemicaliënopslag betekent dat het bedrijf niet direct last heeft van de energietransitie, maar er juist op inspeelt. Nieuwe producten die voortkomen uit die transitie, zoals ammoniak, vloeibare CO₂ en pyrolyseolie, vertonen eigenschappen die passen binnen de bestaande expertise van LBC.

Ammoniak is daarin de meest kansrijke drager. Als vehikel voor het transport van groene waterstof over lange afstanden kan het een spilfunctie vervullen in de mondiale energielogistiek. Nu is daar nauwelijks infrastructuur voor. “De energiedichtheid van ammoniak is veel lager dan van traditionele fossiele energie. Dus daar heb je veel ruimte en infrastructuur voor nodig”, aldus Erkelens. LBC ontwikkelt op dit moment een ammoniak- en CO₂terminal in Vlissingen, als eerste stap in een bredere, internationale uitrol.

Regelgeving als rem op investeringen

De bereidheid om te investeren is er bij veel partijen. Maar concrete investeringsbesluiten blijven uit. Erkelens wijst daarbij op de grote afhankelijkheid tussen alle schakels in de keten. Investeringen in ammoniakinfrastructuur vragen miljarden en worden pas genomen als risico’s volledig zijn afgedekt via

langetermijncontracten. Die contracten komen er pas als er beleidsduidelijkheid is. Het vergunningstraject voor de terminal in Vlissingen loopt al drieënhalf jaar. “Wie heeft de adem om dat uit te zitten?”, vraagt Erkelens. “Dat vraagt om doorzettingsvermogen.”

CO₂-neutraal zijn is geen keuze. Je hebt gewoon een verantwoordelijkheid

De regering Trump vertraagt de energietransitie in de VS aanzienlijk, waardoor de druk op Europa toeneemt om wél door te pakken. Tegelijk worstelt Europa met hoge energiekosten en de concurrentiepositie van de eigen industrie. “We moeten zorgen dat er in Europa een level playing field blijft”, stelt Erkelens. Publiek-private samenwerking is daarvoor onmisbaar: overheden moeten common carrier-infrastructuur aanleggen, van elektriciteitsnet tot CO₂- en waterstofnetwerk, en vergunningsprocedures moeten sneller en voorspelbaarder worden.

Duurzaamheid als strategische keuze LBC heeft de ambitie om in 2030 CO₂-neutraal te zijn, ver voor de meeste concurrenten. Al zijn die doelen door externe factoren moeilijker te halen dan voorzien, de richting staat vast. Alle terminals draaien inmiddels op groene stroom. LBC rapporteert

vrijwillig volgens CSRD-standaarden en laat duurzaamheidsprestaties jaarlijks benchmarken via Ecovadis. De afgelopen drie jaar behaalde het bedrijf de platinumstatus: een plek in de top 1% van meer dan 150.000 deelnemende bedrijven.

“Het is geen keuze”, zegt Erkelens over die ambities. “Je hebt gewoon een verantwoordelijkheid.” Die positionering heeft ook zakelijk voordeel. Klanten eisen steeds vaker een bepaalde duurzaamheidskwalificatie van hun terminalpartners, en LBC ziet bovendien voordeel bij het aantrekken van talent in een sector die niet altijd als aantrekkelijke werkgever wordt gezien.

Sterk gepositioneerd binnen MOLgroep

Sinds juni 2025 maakt LBC deel uit van de MOL-groep, Mitsui O.S.K. Lines, een van de grootste rederijen ter wereld en marktleider op het gebied van LNGen chemietransport. Die combinatie versterkt de positie van LBC in nieuwe energieketens. MOL zet in op ammoniak als brandstof voor eigen schepen en als energiedrager. Samen dekken LBC en MOL daarmee de terminal- én de shippingkant af. Dat geldt zowel voor projecten waarbij groene waterstof wordt geproduceerd als projecten waarbij ammoniak wordt getransporteerd en vervolgens gedistribueerd.

“Over twee jaar zijn we op diverse locaties aan het bouwen”, zegt Erkelens. “Dan hoop ik dat we over een Europa spreken dat duidelijke keuzes heeft gemaakt hoe we de industrie competitief kunnen houden en toch kunnen verduurzamen.”

Frank Erkelens, Group CEO, LBC

IJzerpoeder kan oplossing voor fossiele brandstof zijn

De zware industrie staat voor een decarbonisatie-opgave die met elektrificatie en waterstof alleen niet te redden valt. Fabrieken voor voedsel, drank, papier en chemie hebben continu grote hoeveelheden industriële warmte nodig, geleverd door gasboilers van tientallen meters hoog. De netcongestie, verhoogde stikstofuitstoot en hoge kosten maken elektrificatie en waterstof voor veel van die fabrieken onhaalbaar.

De urgentie is groot, aangezien de industriële warmteproductie verantwoordelijk is voor ongeveer 20 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. Maar er is een derde alternatief dat uitkomst kan bieden: ijzerbrandstof, een circulaire energiedrager die warmte levert zonder koolstofemissies.

Achter die technologie staat RIFT, een Nederlandse clean-tech start-up die is voortgekomen uit een studententeam van de Technische Universiteit Eindhoven. Het bedrijf heeft een systeem ontwikkeld waarbij fijn ijzerpoeder fungeert als brandstof voor industriële boilers. “We richten ons op de verduurzaming van industriële warmte”, zegt CEO

Mark Verhagen. “Die boilers draaien mondiaal nog voor 95 procent op fossiele brandstoffen, en dat is de grote bottleneck van de Europese decarbonisatie.”

IJzer brandt schoon

De circulaire logica is eenvoudig: ijzerpoeder verbrandt met lucht en produceert hoogtemperatuurwarmte zonder CO2-uitstoot, omdat er geen koolstof in de brandstof zit. Wat overblijft is ijzeroxide, roest die per truck wordt opgehaald en in een duurzame raffinaderij

met waterstof wordt omgezet tot nieuw ijzerpoeder. Een gesloten kringloop dus. Bovendien is de stikstofoxide-uitstoot lager dan bij iedere andere industriële brandstof, wat de technologie ook relevant maakt voor bedrijven die met stikstofvergunningsproblematiek kampen.

De installatie sluit aan op bestaande infrastructuur: een ijzerboiler wordt naast de huidige gasboiler geplaatst en verbonden met het bestaande warmtenetwerk. Klanten nemen een boilersysteem af inclusief brandstofcontract, competitief geprijsd ten opzichte van aardgas, en hoeven hun bestaande installatie niet te vervangen. “We bieden energiebetrouwbaarheid én energie-onafhankelijkheid”, verklaart Verhagen. “Met een competitieve prijs en zonder CO2-uitstoot.” Kingspan Unidek, een grote producent van isolatiemateriaal, tekende als eerste een dergelijk contract.

Van pilot naar commercieel

Na vijf jaar laboratorium- en pilotwerkzaamheden draaien de industriële demo’s al anderhalf tot twee jaar. In 2025 haalde RIFT 83,1 miljoen euro op in een financieringsronde geleid door pensioenbelegger PGGM, aangevuld met een projectsubsidie vanuit het Europese Innovation Fund; samen goed voor 114 miljoen euro. Dat kapitaal gaat naar de bouw van de eerste commerciële brandstoffabriek, die tien industriële klanten kan bedienen en goed is voor een aardgasbesparing van 500 miljoen kubieke meter per jaar. De eerste commerciële installaties staan voor 2028 gepland.

Licentiëring

De focus ligt vooralsnog op food & beverage, pulp en papier en speciale chemicaliën, sectoren die sterk afhankelijk zijn van industriële warmte en concurreren op Europese markten met hoge energiekosten. Op termijn wil het bedrijf de technologie via IP-licenties ook beschikbaar stellen aan externe partijen, zodat een internationale uitrol mogelijk wordt. Verhagen: “We kunnen dat niet zelf, maar andere partijen kunnen onze technologie gebruiken.” Zo kan ijzerbrandstof uitgroeien tot een structurele oplossing voor de industriële energiehuishouding.

ironfueltechnology.com

Refurbishing als nieuwe standaard in de auto-elektronica

De automotive-industrie worstelt met een groeiend probleem. Voertuigelektronica wordt complexer, duurder en moeilijker te vervangen. Grondstoffenschaarste en leveringsrisico’s drijven de prijzen op, terwijl garagehouders onder tijdsdruk staan en klanten steeds kritischer kijken naar kosten. In dat spanningsveld groeit revisie – het hoogwaardig herstellen van elektronische componenten – uit tot een volwaardig alternatief voor vervanging door nieuw.

ACTRONICS bouwt al ruim twintig jaar aan een schaalbare revisie-infrastructuur vanuit het hoofdkantoor in Almelo. Het bedrijf bedient zo’n 30.000 tot 40.000 garagehouders door heel Europa, van de kleine garage op de hoek tot grote dealerbedrijven. “Circulariteit wordt steeds meer onderdeel van het businessmodel van onze klanten”, zegt Niek Bragt, commercieel directeur. “Garagehouders merken dat ze zich ermee kunnen onderscheiden van de concurrentie.”

Van prijsvoordeel naar bewuste keuze

De motivatie van klanten verschuift. Waar revisie vroeger puur om kostenbesparing draaide, speelt

duurzaamheid een groeiende rol. “We merken in de business dat duurzaamheid en circulariteit, mits dit op de juiste manier gebeurt, bedrijven helpen zich te onderscheiden”, aldus Bragt. Het bedrijf past bij revisies dezelfde automotive-standaarden toe als bij nieuwe producten. Sterker nog: zwakke punten in componenten worden vervangen door sterkere onderdelen, waardoor een gereviseerd product soms beter presteert dan het origineel.

De technische complexiteit neemt wel toe. Waar technici vroeger weerstanden soldeerden, werken ze nu op processor- en chipniveau. Radartechnologie, LiDAR en telecom maken hun intrede in voertuigen.

Het bedrijf investeert daarom zwaar in reverse engineering en data-analyse. Een eigen R&D-afdeling van bijna twintig medewerkers ontrafelt hoe componenten zijn ontworpen en geprogrammeerd. “We moeten echt aan de hand van reverse engineering uitzoeken hoe een component in essentie in elkaar zit, om te begrijpen wat het doet en hoe het werkt”, legt Bragt uit. “Dan pas kun je een goede diagnose stellen en een goede revisieoplossing maken.”

Elektrische voertuigen als groeikans

De opkomst van elektrische voertuigen opent nieuwe mogelijkheden. Elektrische auto’s hebben minder componenten, maar de afzonderlijke onderdelen zijn aanzienlijk complexer en kostbaarder. Een nieuwe inverter kost al gauw duizenden euro’s. “Het is heel fijn dat je die voor een paar honderd euro kunt laten reviseren”, zegt Bragt. “Anders is dat weer een drempel om voor een tweedehands elektrische auto te kiezen.” Eerste generaties van nieuwe technologie vertonen bovendien vaak kinderziektes en juist daar kan revisie de

zwakke plekken verhelpen en componenten verbeteren.

Het bedrijf is de afgelopen tien jaar bijna verdubbeld en ziet verdere groei voor de komende jaren. Opschaling gebeurt onder meer door gereviseerde producten uit voorraad aan te bieden, waardoor het snelheidsverschil met nieuwe onderdelen wegvalt. Voorspelbaarheid wordt daarbij cruciaal: op basis van jarenlange data kan het bedrijf anticiperen welke componenten op welk moment uitvallen. Een onverwacht voordeel is dat de circulaire missie ook jong talent aantrekt. “We merkten dat jonge mensen zeggen: ik wil iets doen met circulariteit en sustainability”, vertelt Bragt. “Dat heeft een aanzuigende werking op talent die we niet hadden verwacht.”

Mark Verhagen, CEO, RIFT
Niek Bragt, Commercieel directeur, ACTRONICS

Elke gram telt, maar vooral als de verpakking terugkomt

Waarom minder en gerecycled materiaal en statiegeld cruciaal zijn voor circulaire oplossingen

Verpakkingen staan zelden in het middelpunt van het klimaatdebat, maar in de drankensector vormen ze een van de grootste CO2-hefbomen. Ze beschermen het product, maar kosten ook energie om te maken. De uitdaging is ze zo licht, recyclebaar en circulair mogelijk te maken, en ervoor te zorgen dat ze na gebruik ook daadwerkelijk weer in de keten terugkomen.

Dat vraagt om een geïntegreerde aanpak: minder materiaal, slim hergebruik en een inzamelsysteem dat zijn belofte waarmaakt. Het publieke debat over statiegeld richt zich begrijpelijkerwijs op wat beter kan, maar leidt soms af van wat er al wél wordt gerealiseerd. Jeroen van Vliet, VP & country director bij Coca-Cola Europacific Partners (CCEP) Nederland, stuurt dagelijks op die aanpak. Verpakkingen zijn bij CCEP goed voor ongeveer 30% van de totale CO2-voetafdruk. “Verpakking heeft een doel, en het eerste en primaire doel is het beschermen van het product”, stelt hij. Tegelijkertijd is het een van de krachtigste aanjagers richting de net-zero ambitie van CCEP in 2040.

CCEP realiseerde al een CO2-reductie van 29% ten opzichte van de baseline

2019, via een geïntegreerde aanpak die verpakkingen, transport, productie en koeling omvat. Elke keuze in het verpakkingsproces telt mee.

Minder materiaal, maximale impact

De eerste stap is reductie. CCEP maakte de plastic PET-fles lichter en haalde 0,3 gram aluminium uit het blikje. Dat klinkt verwaarloosbaar, maar bij de schaal waarop CCEP produceert scheelt het op jaarbasis ongeveer 90.000 ton aluminium. “Het zijn heel vaak hele kleine keuzes, maar door het volume maakt dat natuurlijk impact”, zegt Van Vliet. De overstap van shrink-folie naar een kartonnen ‘KeelClip’ op de 250 ml-blikjes leverde bovendien 350.000 kilo minder plastic op per jaar. Transportverpakkingen van gerecycled plastic zorgden voor nog eens 600.000 kilo besparing ten opzichte van nieuw plastic.

Maar er is een grens. Als een fles bij aanraking al inzakt, is ze te licht om haar primaire functie te vervullen. “Je zoekt altijd de balans tussen beschermen, gebruiksgemak en zo min mogelijk milieuimpact”, aldus Van Vliet. Reductie is niet eindeloos door te voeren. Op een gegeven moment neemt recycling de rol over.

Het leven van een hervulbare glazen fles

Een glazen flesje bij CCEP maakt gemiddeld 27 ritten tussen fabriek en

terras. Ondanks de relatief hoge energieintensiteit per geproduceerde fles maakt de intensieve hergebruikcyclus glas tot een efficiënte keuze over de gehele levensduur.

De stroom die uit statiegeld komt, is de best mogelijke stroom om te komen tot 100% gerecycled PET-materiaal

Datzelfde principe zit achter het iconische rode Coca-Cola horecakratje; nieuwe kratten worden inmiddels gemaakt van gerecycled plastic materiaal. “Je kunt ‘verpakkingen’ vrij breed definiëren”, zegt Van Vliet. “Ook daar valt winst te behalen.” De aanpak strekt zich bovendien uit tot de koeling: nieuwe koelkasten die CCEP in de horeca plaatst, hebben dichte deuren die 30% minder energie verbruiken dan transparante modellen. Minder zichtbaar voor marketing, maar beter vanuit milieuoogpunt.

Statiegeld als onmisbare schakel

De derde R is recycle, en die staat of valt met het inzamelsysteem. CCEP is een uitgesproken voorstander van statiegeld. Negentig procent van de eigen verpakkingen valt onder statiegeldsystemen. De ingeleverde PET-flessen zijn de grondstof voor nieuwe flessen van 100% gerecycled PET exclusief dop en etiket. “De stroom die uit statiegeld komt, is de best mogelijke stroom om te komen tot 100% gerecycled PET-materiaal”,

benadrukt Van Vliet.

Toch is het systeem nog niet compleet. De norm van 90% retourpercentage is nog niet gehaald, maar blijft stijgen. CCEP zit zelf ruim boven de 80% voor PET. Van Vliet vindt de negatieve beeldvorming rond statiegeld niet altijd evenredig. “Wat vaak wordt uitvergroot zijn de elementen die niet goed gaan. Wat onderbelicht is, is de enorme inspanning die erachter zit.” Er wordt zichtbaar gewerkt aan meer inleverpunten buiten supermarkten, al blijft de beschikbaarheid op veel drukke locaties zoals treinstations een knelpunt.

“Onderweg zijn consumenten op zoek naar een oplossing. Als die er niet is, rest alleen de prullenbak, en dat is doodzonde.”

Samenwerking als voorwaarde

Circulariteit lukt alleen als de hele keten meedoet. Van Vliet is zelf lid van de Raad van Toezicht van Verpact; collega’s zijn actief in Statiegeld Nederland. CCEP investeert in campagnes om consumenten te motiveren hun verpakking in te leveren, en committeert zich aan de Totaalaanpak die meer inzamelpunten moet realiseren.

Toch blijft medewerking van derden onmisbaar. Geen producent kan afdwingen dat een station of winkelcentrum een statiegeldautomaat plaatst. Dat vraagt om bereidwilligheid van beheerders en andere partijen op drukke locaties, en in sommige gevallen om heldere publieke kaders. De ambitie is helder: 100% retour, 100% gerecycled materiaal, net-zero in 2040. “We kunnen de circulaire economie op deze verpakkingen realiseren”, zegt Van Vliet. “Maar dan moeten die verpakkingen ook echt allemaal binnenkomen.”

Jeroen van Vliet, VP & country director, Coca-Cola Europacific Partners Nederland

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook