Page 1

DE GORDIAANSE KNOOP


ED ESNAAIDROG POONK


INHOUDSOPGAVE

2009: HET JAAR VAN DE GORDIAANSE KNOOP

2

Interview Wim Lavooij

‘JE MOET BESLUITEN NIET STEEDS WEER TER DISCUSSIE STELLEN’

6

Interview Robin Hartogh Heijs

‘JE ZOU MOETEN OVERWEGEN DE HAVEN UIT RIJNBOOG TE HALEN’

9

Interview Sjoerd Soeters

‘HET PLAN VOOR HET PARADIJS WAS EEN GROTE LUCHTBALLON’

17

Interview Henri Lenferink

‘MIJN VERTREK NAAR LEIDEN VOELDE EEN BEETJE ALS VERRAAD’

21

Interview Sander van Bodegraven

‘WE HADDEN DAT RIJNBOOG­REFERENDUM GEWOON M ­ OETEN HOUDEN’

28

Interview Martin van Meurs

‘DIE HAVEN, STEEN DES AANSTOOTS, MÓET UIT HET PLAN’

36

Interview Chris Jagtman

‘WE KIJKEN IN ARNHEM TEVEEL NAAR DE TEGENSTELLINGEN’

43

DE ONTKNOPING

48

1


VOORWOORD

2009: HET JAAR VAN DE GORDIAANSE KNOOP Op 29 januari 2009 vierde CASA in Dudok zijn eerste lustrum. Deze feestelijke avond vormde tevens de opening van het nieuwe architectuurjaar, het jaar van ‘De Gordiaanse Knoop’. Net als de mythische Gordiaanse Knoop raken lopende en geplande bouwpro­jec­ ten in Arnhem verstrikt en komen niet of nauwelijks van de grond. Vandaar dat CASA in het kader van dit jaarthema zich tot doel heeft gesteld te achterhalen waarom grootscha­ lige binnen­stedelijke ontwikkelingen hier zo moeizaam verlopen.

Ubbo Hylkema, vennoot bij Hyl­ kema Consultants, was directeur van de Academie van Bouwkunst te Amsterdam, voorzitter College van Bestuur Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, executive director bij de Euro­ pean Association of Institutions in Higher Education te Brussel en directeur van de Rijksdienst voor de Monumen­tenzorg. Foto: Niek Michel

1648. Onder het wakend oog van de heilige Maagd Maria tekende een Arnhemmer als eerste de Vrede van Münster, het verdrag waar­mee de Nederlandse soevereiniteit werd vastgelegd. Als gezant van het enige hertogdom in de nieuwbakken Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was deze heer van Meinerswijk de hoogste in rang – Holland en de andere gewesten hadden het nakijken. Even was Meinerswijk dus het middelpunt van de wereld. Hoe heeft Arnhem in hemelsnaam die bevoorrechte positie kunnen weg­ geven en afzakken naar het huidige deplorabele niveau, vroeg Ubbo Hylkema zich af? Niet vanwege het oorlogs­trauma, dat hebben Rotterdam en nabuur Nijmegen ook. Al­ leen doen die steden het veel beter. Arnhem heeft een fantastische ligging, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Het dreigde net gezellig te worden in Dudok: na een korte terugblik op vijf jaar CASA, lof voor de scheidend voorzitter Hans Winters en het aanstellen van zijn opvolger Berry Kessels zat de stemming er goed in. Tot Hylkema het podium betrad en zijn donderpreek over het publiek afstak als aftrap van het Architectuurjaar 2009, het jaar van de Gordi­aanse Knoop. De schier oneindige lijst (voorgenomen) bouw­projecten doet Arnhem, aldus Hylkema, verzanden in middelmatigheid: alles is belang­rijk dus niets is belangrijk. Het is visieloos. ‘Op De Nieuwe Kaart van Arnhem staat een diarree van plannen’. Prioritei­ten stellen en keuzes maken is het devies en vooral ergens gericht beginnen. Er zijn historische studies gemaakt naar steden langs de Rijn, de Maas en de Seine; welke zijn gelukt en welke niet? De geschiedenis toont aan dat steden die relatief snel een vaste verbinding naar de andere oever hadden en zich in een vroeg stadium aan beide zijden van een rivier ontwikkel(d)en zich ook blijven ontwikkelen. Keulen en Parijs zijn daar goede voorbeelden van, terwijl het Duitse Speyer, in de tiende eeuw dé keizerstad aan de Rijn, nu een ingeslapen vestingstadje is met een weide aan de overzijde. Arnhem is ook een achterblijver. Hier lag nog tot in de twintigste eeuw een schipbrug en hoewel aan de zuidzijde inmiddels een stadsdeel ligt dat noord in omvang evenaart, wordt Arnhem nog steeds door de Rijn in tweeën gedeeld. Naast deze late riviersprong speelt ook het­ feit mee dat Arnhem van oudsher een bestuursstad is. Daardoor zijn er weinig impulsen en uitdagingen, want de nering komt vanwege de macht in de stad toch wel. Daar hoef je dus niet hard voor te werken of creatief voor te zijn. Hetzelfde zie je in Den Haag. Gloort er nog ergens hoop voor het Haagje van het Oosten? De kans om een echte vitale stad te worden ligt volgens Hylkema zelfs voor het oprapen: ontwikkel Stadsblokken-

2


Meinerswijk tot een Île de la Cité en smeed daarmee Noord en Zuid eindelijk aan elkaar. ‘Verbinding zoeken en brengen waar nu scheiding is’. Maar eerst moet het station af, dan ontstaat er bij de burger ook weer vertrouwen dat het allemaal goed komt. Kortom: ‘Aan het werk!’

Peter Nijenhuis studeerde geschiedenis in Amsterdam. Hij schrijft over toneel, beeldende kunst en vormgeving en was betrokken bij diverse culturele initiatieven. Op dit moment is hij als programmamaker beel­ dende kunst verbonden aan kunstcentrum K13 in Velp. Foto: Niek Michel

Peter Nijenhuis constateerde dat de naoorlogse wederopbouw­ geschiedenis van Arnhem,waarvan Rijnboog het volgende hoofd­ stuk vormt, het beste te vergelijken is ‘met iemand die zonder rijbewijs naar een garage gaat, een auto koopt en die auto na het ver­laten van de garage tegen de eerste de beste blinde muur rijdt en dat jaren achtereen hardnekkig blijft herhalen’. De lokale politiek heeft weliswaar de ambitie om Arnhem meer te maken dan het ‘Almelo aan de Rijn’ dat het nu is, maar diezelfde politiek mist de visie en het engagement om er echt iets van te maken en verheft middelmatigheid tot norm. Dat wat een stad tot stad maakt is de veelheid aan mensen en menselijke bezigheden die in de gebouwde omgeving een plek vinden en er een contrastrijk geheel van maken. Politiek en ambtenarij houden echter niet van verschillen en ‘sluiten zich op in een wereld waar­in een zelf­ bedachte grootste gemene deler de onwerkelijke maat is’. Daarom heeft de politiek tegengas no­dig van intelligente en ontwikkelde burgers, die zich willen inzetten voor hun stad: ‘U als verzameling van loslopende individuen lijkt me bij uitstek een gezelschap te vormen dat tot iets dergelijks in staat is’. Hij besloot zijn betoog met een Wees Gegroet waarin hij Maria vroeg om haar hulp en steun aan de Arnhemse bevolking, de gemeenteraadsleden en in het bijzonder ‘onze lieve burge­meester Pauline Krikke, zodat zij de gemeenteraad en de wethouders ertoe kan brengen om goede en wijze besluiten te nemen’. Wethouder Roeland Kreeft rea­ geerde hierop dat je wel een verdomd scherpe bijl moet hebben wil je knopen door kunnen hakken, anders kom je alleen maar verder vast te zitten. ‘Het is eerst zaak de vezels te benoemen’. Hier lag een schone taak voor CASA. Door het jaar heen heeft CASA een aantal activiteiten georga­ni­­seerd in het kader van het jaarthema. Het drukbezochte debat over het Havenkwartier en het daaropvolgende debat over woonkwaliteit sloten hierop aan. Dat geldt ook voor de publicatie van de Rijnboogroute. Deze gids, bedoeld als een ‘momentopname én memento mori’, toont de stedenbouwkundige gelaagdheid van de Weerdjes in woord en beeld en nodigt uit tot een (her)ontdekking van het Rijnbooggebied. Daarnaast heeft de CASA-sociëteit een drietal steden bezocht om de Arnhemse situatie scherper in beeld te krij­gen. De wijze lessen die hieruit gedistilleerd konden worden zijn opgenomen in het nawoord van deze publicatie. De hoofdmoot wordt echter gevormd door de interviews die Marco Bouman, journalist van dagblad de Gelderlander en Edwin Verdurmen, directeur van CASA, hebben afgenomen bij een zevental sleutelfiguren die nauw betrokken zijn (geweest) bij de recente ruimtelijke verwikkeling van Arnhem. Daartussen is een beeld­essay gevloch­ ten van fotograaf Hans Wijninga, dat de gaten laat zien die hierdoor in de stad gevallen zijn. Wij hopen dat dit ‘jaarverslag’ de vezels inzichtelijk maakt en daarmee een bijdrage levert aan de ontknoping.

3


INTERVIEW WIM LAVOOIJ

‘JE MOET BESLUITEN NIET STEEDS WEER TER DISCUSSIE STELLEN’ De stroop waar grote projecten in verzeild raken, is in Arnhem taaier dan elders, zegt Wim Lavooij. De oud-ambtenaar van de gemeente heeft in zijn werk als stedenbouwkundige het nodige vergelijkingsmateriaal. “Arnhem spant de kroon.”

moeten worden. Zeg maar een soort contract met de toekomst.” Dat die projecten zo moeizaam verlopen, is dat een typisch Arnhems probleem? “Arnhem spant wat mij betreft wel de kroon. De genera­ tie van de volgende vier jaar voelt zich minder gebon­den aan wat de vorige generatie voor ze verzonnen heeft. We zijn nu met Rijnboog al aan de derde generatie wet­ houders bezig, en Roeland Kreeft heeft helemaal niets te maken met wat Henri Lenferink heeft verzonnen. Het heeft ook te maken met de veranderpotentie binnen een gemeente. Kijk naar Rotterdam. Ze maken een plan voor het station en dat bouwen ze gewoon. Daar is veel meer slagkracht en dat heeft te maken met de hoeveelheid verandering die zo’n stad kan oproepen alleen al door zijn omvang; er zijn omvangrijkere programma’s. Omdat de vraag gro­ ter is, is er van particuliere zijde ook veel meer belang­ stelling om deel te nemen of gebouwen af te nemen. Die druk zit niet op Arnhemse plannen. Die worden dan al gauw te groot voor de lokale markt. Daardoor duurt het langer en zijn er voortdurend mogelijkheden en be­ wegingen om het plan aan te passen.”

Begin dit jaar verweet Ubbo Hyl­ke­ma Arnhem op veel te veel fronten met nieuwbouwplannen bezig te zijn. Vindt u dat ook? “Het beeld wordt wel enigszins ver­te­kend door de ma­nier waarop de ‘Kaart van Arnhem’ tot stand komt. Projec­ten komen veel te snel op De Nieuwe Kaart van Arnhem. Het lijkt wel dat iedere keer als iemand iets roept, het meteen als het begin van een plan wordt ge­zien. Rijp en groen staan naast elkaar op de kaart. Zou alles inderdaad hard zijn dan heeft Hylkema absoluut gelijk. Dat kan de stad niet aan, niet qua capaciteit en niet qua programma.” Bent u het eens met de stel­ ling dat procedures steeds complexer worden… “Daar ben ik het hartgróndig mee eens.”

Wim Lavooij, kenner van de stad Arnhem, werkte van 1979 tot 1991 voor de gemeente Arnhem als stedenbouwkundige. Sinds 2007 is hij zelfstandig adviseur onder de naam Lavooij over Vorm. Foto: Kirsten den Boef

…en dat daardoor grote complexe projecten, met name in de binnenstad snel­ ler verknoopt raken? “Die raken nog extra verknoopt door hun complexiteit, hun lan­ ge looptijd en door wat ik maar noem ‘politieke toestanden’. Neem nou alleen al het feit dat een wethouder doorgaans vier jaar zit en dan weer iets anders gaat doen. Dat betekent dat een stad als Arnhem ontzettend moet opletten met projecten die mis­ schien wel decennia lang duren. Je ziet het bijvoorbeeld aan het Wederopbouwplan dat nooit is uitgevoerd... Plannen­zijn ra­zend ingewikkeld gewor­ den, door al het onderzoek dat je moet doen en het draagvlak dat je moet zien te vinden. Dan al het geld en de terreur van de grondexploitatie, zoals ik het altijd noem. En ver­volgens zal een plan over meerdere gene­ raties foul proof moeten zijn, door iedereen gedragen

In Nijmegen, waar landelijke oppositiepartijen in het college zitten maar dat toch een grote eensge­ zindheid uitstraalt, is die verdeeldheid veel minder. “Ik ben ook een groot voorstander van afspiegelingscol­ leges bij tijd en wijle. Zoals het nu is, lijken wethouders soms aangeschoten wild. Zeker nu ze vanwege het dua­ lisme vaak van buiten komen en er geen persoonlijke ge­bondenheid hoeft te zijn met de eigen partijleden. Het zijn vaklieden, bestuurders en daar kun je – ook als ze van je eigen partij zijn – gemakkelijk afscheid van nemen. In zo’n situatie wordt scoren belangrijker dan samen met elkaar dingen doen. Maar misschien word ik wel ouderwets en vervelend.” Speelt dat in Arnhem meer dan elders? “Nee, dat denk ik niet. Maar neem nou de kwestie rond het Nationaal Historisch Museum. Twee oud-burgemees­ ters schrijven een brief, er ontstaat discussie en wat ho­ren we van het college? Niets! Dat had zich vierkant achter Schilp moeten opstellen. ‘Dat museum is nu van ons, en we hebben hele goede redenen om het bij de John Frostbrug neer te zetten. Daar heeft de Tweede Kamer niks mee te maken’.”

6


Ze zijn in het stadhuis een beetje benauwd. “Je merkt gewoon dat bestuurders gedreven worden door angst. Die lijkt vooral te worden aangezet door het dualisme. Er is altijd wel iemand ergens tegen. Ook als alle procedures zijn doorlopen, dan nog wordt iets opnieuw aan de orde gesteld en die krijgt in de raad nog een podium ook.”

Ging het anders toen u zelf nog ambtenaar was? “Ik was niet een typische ambtenaar. En ik probeerde in ieder geval niet stroperig te zijn. Maar ik denk wel te begrijpen wat er aan de hand is. Zoals het nu georgani­ seerd is, is het niet verstandig uitspraken te doen. Amb­ tenaren zeggen niet wat ze zelf van een plan vinden, maar verschuilen zich achter reacties van de bevolking. Ze blijven voortdurend aan de veilige kant zitten.”

Is burgerparticipatie iets dat het bestuur echt wíl? “Ik denk dat iedereen er onderhand helemaal klaar mee­ is, maar dat gewoon niet durft te zeggen. Op een gege­ven moment heb je een afweging gemaakt en die ziet er om een aantal redenen op een bepaalde manier uit. En dan moet het ook klaar zijn. Dan moet het niet over de verkie­ zingen heen getild worden en dan moet niet het nieuwe college daar opeens heel andere dingen van vinden. De plancyclus loopt bijna gelijk met de bestuurscyclus.”

Maar waar zijn ze dan bang voor? “Iedereen is bang voor de inspraak, en wethouders scharen zich al heel snel aan de kant van de bevolking. Het geven van advies, het leveren van een plan of idee is vaak zinloos. Het komt allemaal voort uit de jaren tachtig: iedereen mocht het zeggen. Ondertussen is dat een tweede natuur geworden. Mensen zeggen wel eens tegen me: ‘Ik heb het al zo vaak gezegd, maar je luistert niet’. ‘Jawel’, zeg ik dan, ‘ik luister wel, en ik heb er ook op gereageerd, alleen ik heb om die en die reden een andere keuze moeten maken’. Dat vinden ze dan geen inspraak. Het collectieve belang en het persoonlijk belang worden volledig door elkaar gehaald. Mensen weten ook niet meer wat het fenomeen inspraak bete­ kent. Als je iets roept, wil dat nog niet zeggen dat het ook gebeurt. Dat schijnt niet begrepen te worden. Ook niet door de gemeenteraad. Voor de goede orde: ik vind burgerparticipatie prima. Maar op een gegeven moment moet je stoppen. Op basis van alles wat je weet, op basis van alles wat je gehoord hebt, neem je een standpunt in, en dat is het dan ook. Op een gegeven moment heb je besloten, en dan heb je ook besloten.”

Maar dan zou de Gordiaanse Knoop geen Arnhems pro­bleem zijn, maar een lande­lijk. “Ik vind het ook een landelijk probleem. Plannen gaan vier, vijf keer overnieuw en wat overblijft is een slap af­treksel van een ste­vig idee.” U hebt zelf tot 1991 als ste­denbouwkundig ont­ werper bij de gemeente Arnhem ge­werkt. Hoe ziet u de rol van het ambtelijke apparaat in relatie tot de Gordiaanse Knoop? Klopt het dat Arnhem een lastige gemeente is? “In Arnhem mogen projectleiders geen knopen doorhak­ ken. Dan lever je een plan in en krijg je een stuk met reacties van gemeentelijke afdelingen die onderling tegen­ strijdig zijn. Sommige afdelingen leveren straffeloos zelfs niets in, maar gaan dan als de ronde voorbij is toch maar eens reageren. Dus het is niet compleet, niet consistent, maar er wordt een nietje door gedaan en ze zeggen: ‘Los jij de problemen op?’. Dan ga je daarmee aan de slag, je argumenteert, geeft aan waarom bepaalde opmerkingen leiden tot veranderingen en andere niet en er komt een nieuw plan. Tot je verbazing kan het dan zo zijn dat drie, vier maanden later hetzelfde commentaar weer langs­ komt. Wat in Arnhem ontbreekt, is het vertrouwen om het proces bij iemand in handen te geven die ook beslui­ ten kan nemen.”

Maar dan komt er een nieuwe gemeenteraad, en een nieuw college van burgemeester en wethou­ ders. Met nieuwe inzichten. “Dat is dan helaas pindakaas. Je hebt ook nog zoiets als continuïteit van bestuur. Dat besluit is zo zorgvuldig mo­gelijk genomen en niet iedereen krijgt zijn zin. Er zijn ook nog mensen die het moeten maken. Ontwikke­ laars hebben een horizon van ongeveer vier, vijf jaar. Die kunnen met geen mogelijkheid een plan maken met een looptijd van tien, twintig jaar, want dan kloppen hun marktonderzoeken niet meer. Projecten, met name in binnensteden, zijn ongelooflijk complex. Dat wíllen we ook, het moet multifunctioneel zijn, we willen inte­ gratie, alles moet erin. Maar als een element verdwijnt, bijvoorbeeld doordat de kantorenmarkt instort, komt alles op losse schroeven te staan. Als zo’n plan niet bin­ nen vier, vijf jaar gerealiseerd kan worden, dan gaat het over. Dan kun je dit soort ingewikkelde plannen dus niet meer maken.”

Dus die angst waar het eerder over ging, daar lijdt niet alleen het bestuur aan, maar ook het ambtelijk apparaat? “Is het angst? Of is het meer een houding van: het is mijn probleem niet? De persoonlijke verantwoordelijkheid voor projecten lijkt verdwenen. Verantwoordelijkheid wordt verdeeld over verschillende afdelingen. Je zorgt gewoon dat je een team bij elkaar hebt, belegt een ver­ gadering – en het duurt drie maanden voor ze allemaal bij elkaar zijn – en dan komt er een verslag. Het is als stroop…”

Dus Rijnboog is onmogelijk geworden? “Dat zou zomaar kunnen. Je moet je partners voor lange tijd aan je binden (als er één belangrijke uitstapt, valt je plan om), maar die partners hebben ook hun bedrijfsplan­ nen. Als een plan dan met vier, vijf jaar wordt uitgesteld, dan loop je wel erg het risico dat het mislukt.”

7


Hoe zou je procedures kunnen verkorten? “Als ik dat wist… Het komt er hoofdzakelijk op neer dat je van elkaar weet waar je mee bezig bent, waar ontwik­ kelende partijen mee bezig zijn, en waar gemeentes mee bezig zijn. Beiden zullen veel meer begrip voor elkaars positie moeten hebben.”

zeggen: we doen alles op z’n tijd. We gaan eerst zelf nadenken (een broedende kip moet je niet storen), dan presenteren we een plan – dat laten we aan iedereen zien – we krijgen commentaar, nemen daar een stand­ punt over in en gaan het plan veranderen en dan is het tenslotte aan de raad om daarover een besluit te nemen. En als de raad een besluit heeft genomen, dan is het dat ook. Ik vind niet dat een volgende raad dat besluit zo­ maar kan opheffen. Want daar zitten partijen in met ik weet niet hoeveel geld. Dingen die besloten zijn, moet je niet opnieuw ter discussie hoeven stellen.”

Gaat het vaker mis als de gemeente de regie over een project heeft? “Ik weet niet of dat zo is. Neem nou de stationsplannen. Die zijn natuurlijk gigantisch complex, maar het gaat niet echt slecht. Tot het laatste kavel, de OV Terminal, gaat het best wel goed.”

Maar is het voor de burger ook duidelijk dat het zo werkt? Worden er met open planprocessen zo­als voor Stadsblokken-Meinerswijk geen ver­ keerde verwachtingen gewekt? “Misschien is dat het wel. Moet je van tevoren duide­ lijk maken hoe de spelregels zijn. ‘Open’ betekent niet dat alles mogelijk is en dat je het iedereen naar de zin kan maken. Uiteindelijk komen al die honderdduizend meningen toch in een plan op papier. En dat een lijn hier staat en niet daar, dat heeft een betekenis. Op een gegeven moment moet je zeggen: ‘Wij maken het plan en niet jullie.’ Uiteindelijk moet ik tegen die meneer of mevrouw kunnen zeggen: ‘U heeft toen die en die bijdrage geleverd en dit heb ik kunnen volgen, maar dat niet. En wel om die reden.”

Om nog even terug te komen op die angst waar­ over we het eerder hadden. Waarom zou je als raadslid of bestuurder bang zijn voor de burger? Je weet toch dat je het nooit iedereen naar de zin kunt maken? “Ik denk dat ieder raadslid dat inderdaad beseft, maar het tegelijkertijd belangrijk vindt om te laten zien dat hij goed naar de burgerij wil luisteren. Het resultaat is dat besluiten elke keer opnieuw alsnog ter discussie komen te staan.” Hoe is die angst ontstaan? “Vroeger hadden raadsleden bijna de statuur van een wethouder. Toen zaten ze ook niet slechts kort in de raad, zoals nu, omdat de kiezer veel wispelturiger is geworden. Sommigen zaten er hun hele leven. Dat is ook niet goed, maar de continuïteit van besluitvorming met het vluchtige van heden doet langdurende visies geen goed. Het zijn kortetermijnplannen in plaats van de meerjarenvisies die je nodig hebt voor langdurige en ingewikkelde plannen. In de ambtenarij zie je de vluchtigheid ook. Daar zijn inmiddels heel veel mensen weg die alles van de stad wisten en daarmee ook de kennis van de projecten, het procesgeheugen. Ik ken in mijn praktijk (maar deze is niet in Arnhem) veel projectleiders die van het ene pro­ ject naar het andere hoppen en ook gewoon shoppen in adviezen. Er is totaal geen verbondenheid meer met ‘de grond’, om het zo maar eens te zeggen. Dat geldt voor wethouders die in het kader van het dualisme vaak van buiten komen, en dat geldt ook voor raadsleden. Het is natuurlijk ook goed dat mensen niet hun hele leven het­ zelfde doen, maar de vluchtigheid die je nu ziet, leidt tot verschraling. Kijk naar het advies van oud-minister Veerman over de Noord-Zuidlijn in Amsterdam. Hij heeft gezegd: nu komt er één projectleider en die is overal voor aanspreekbaar. Dat is de spin in het web en die draagt het proces van voor tot achter. En daar heeftie gelijk in.”

Zou dat dan het probleem zijn. Dat dat niet dui­de­ lijk was? “Misschien is het wel de sleet van Manuel de SolàMo­rales. Dat-ie niet één keer moest vertellen waarom daar en daar die lijnen stonden, maar wel tien keer. En daarna nog een keer voor de raad. Die man is gewoon hartstikke moe.” Hij is naar Arnhem gehaald door Henri Lenferink, als wethouder de grote trekker van Rijnboog, maar die vertrok al vrij snel daarna. Dat had Lenferink niet moeten doen? “Voor het plan Rijnboog heeft het zeker niet geholpen dat de grote roerganger vertrok. Maar ik vind wel dat dat moet kunnen. Erger was dat met het vertrek van Lenferink ook het contract van de projectleider Hans de Jong afliep. Op dat moment waren er al twee mensen weg die alles van de wortels van het plan wisten.” Maar wat is nu specifiek het Arnhemse probleem? We hebben een aantal landelijke obstakels bespro­ ken, maar wat is in Arnhem moeilijker dan elders? “Waar Arnhem zich onderscheidt van andere gemeen­ tes waar ik werk, is de reserve die er wordt gevoeld ten opzichte van andere partijen. Ontwikkelaars, corpora­ ties, ze worden allemaal gezien als boeven. Maar over het algemeen zijn dat gewoon fatsoenlijke mensen.”

Maar wat zijn nou de fouten die bij Rijnboog zijn gemaakt? “Ze hebben niet vastgehouden aan de lijn die was in­ge­ zet. Toen die een beetje werd losgelaten bij het burger­ initiatief was het gewoon gebeurd. Je moet voortdurend

8


INTERVIEW ROBIN HARTOGH HEIJS

‘JE ZOU MOETEN OVERWEGEN DE HAVEN UIT RIJNBOOG TE HALEN’ De discussie rond de Rijnbooghaven doet Robin Hartogh Heijs terugdenken aan de protesten tegen zijn plan als wethouder voor Arnhem Centraal. Hij trok dat project vlot door de angel eruit te halen. “Misschien moet dat bij Rijnboog ook wel.”

Robin Hartogh Heijs (D66) was wethouder Ruimtelijke Ordening in Arnhem van 1990 tot 1998. Tegenwoordig werkt hij als direc­ teur Strategie en Gebiedsontwik­ keling voor Hendriks Bouw en Ontwikkeling in Oss. Foto: Hendriks Bouw en Ontwikkeling

van je zegt: ‘Moet dat niet ook meegenomen worden?’ Daardoor wordt het te ontwikkelen gebied niet alleen steeds groter, maar ook complexer. Het voordeel van integraliteit is dat je kunt gaan schuiven met functies, waardoor je misschien tot veel betere op­ lossingen komt dan wanneer je alleen naar de deelge­bie­ den kijkt. Dingen die in een kleiner gebied niet haal­baar zijn, kun je financieren met de opbrengst uit gebieden die wel een fors rendement opleveren. Tegelijkertijd – en dan komt dus de keerzijde en het begin van die Gordiaanse Knoop – weet je dat als je die weg opgaat, het ongelooflijk complex wordt en dat het een heel langdurig proces gaat worden. En als je nou kijkt naar Rijnboog, dan praat je over drie tot vijf bestuursperiodes. Dat betekent vijf keer verkiezingen, vijf keer collegeonderhandelingen. Het risico dat er po­litieke of economische omstandigheden zijn om zo’n plan nog eens tegen het licht te houden, bak je daarmee in. Daardoor verloopt het traag en stroef.”

Aanleiding voor dit gesprek is de stelling dat het de grote bouwprojecten in Arnhem moeizaam vergaat. Deelt u die mening? “Er zijn natuurlijk ook veel projecten die wél goed zijn gegaan. Denk maar aan Nieuw-Monnikenhuizen op het voormalige Vitesse-terrein, aan het Diaconessen Zieken­ huis, Malburgen en Presikhaaf, het Sint-Elisabeths Gasthuis. Verschil was wel dat bij het laatste project iedereen ervan doordrongen was dat er iets moest gebeuren toen de func­ tie van ziekenhuis verviel. Bij bijvoorbeeld Rijnboog vragen mensen zich af wat de directe noodzaak is om de zuidelijke binnenstad zo groots aan te pakken.”

Zou een nieuw college (los van eventuele eco­ nomische noodzaak) dan niet eigenlijk moeten zeggen: besloten is besloten? “Als projectleider zou je dat idealiter natuurlijk wel wil­len. Dat de politiek zegt: ‘Dit is de koers, dit zijn de afspraken die we hebben gemaakt. Gaat u vooral aan het werk’. Een projectleider wordt het liefst tien jaar met rust gelaten, maar dat is gewoon de realiteit niet. Het staat een volgende gemeenteraad geheel vrij om te zeggen: ‘Luister, dat kan best vier jaar geleden besloten zijn, maar nu denken we er anders over.’ Je kunt via con­tracten natuurlijk wel voor een deel over je graf heen regeren, maar om over vier, vijf bestuursperiodes heen af te spreken dat de politiek zich niet meer zal gaan bemoeien met een dergelijk groot plan, dat zou je als toekomstig raadslid of wethouder ook niet willen. En de burger ook niet. Maar dat is vanuit beheer en procesmanagement en afspraken met marktpartijen en belangenverenigingen wel een heel complex vraagstuk. Vandaar dat je van tevoren heel goed moet nadenken over hoe je een dergelijk proces ingaat, rekening hou­ dend met dat fenomeen.”

Maar bij Rijnboog wordt die evidente noodzaak toch ook door voor- en tegenstander gevoeld? “Maar daar houdt het dan ook mee op.” Maar dat gevoel is er dus wel. “Dat tussen het centrum en de Rijn een kwaliteitsimpuls nodig is, dat gevoel is er al heel lang, dat is waar. Maar het is geen verpauperd gebied dat om vernieuwing schreeuwt. Al die woningen zijn kwalitatief natuurlijk redelijk goed. De mensen die er wonen vinden het wel prima. Rijnboog is eigenlijk het mooiste voorbeeld van de ‘Gor­ diaanse Knoop’. Het zit ‘m een beetje in de wens om de dingen integraal aan te pakken, versus haalbaarheid door er kleine, hapklare brokken van te maken waardoor je op enig moment kunt zeggen: ‘We beginnen gewoon’. Integraliteit is een groot goed. En het is natuurlijk ook belangrijk om zaken in hun samenhang te bekijken, maar integraliteit in zijn meest extreme vorm kent geen grenzen. Je plangebied wordt steeds groter, want er is altijd wel een relatie met een gebied daaromheen waar­

Maar hoe krijg je een groot project als Rijnboog dan van de grond? “Er was misschien wel een gevoel dat er tussen het cen­ trum van Arnhem en de Rijn tussen de beide bruggen echt iets moest gebeuren en Manuel de Solà-Morales heeft ook wel waardering geoogst voor zijn plan. Maar 9


het was nooit een product dat met gemeenschappe­lijke steun van allerlei belanghebbenden tot stand is gekomen. Ik ben ervan overtuigd dat je bij complexe vraagstukken – en Rijnboog ís een complex vraagstuk – van begin af aan met allerlei belanghebbenden om tafel moet gaan zitten en open kaart moet spelen. Dan weet je wat de belangen zijn, heb je geen last van verborgen agenda’s. Dan weet je ook hoe je elkaar kunt helpen. Uiteindelijk heb je dan een product waarmee je een gemeenschap­ pelijk doel nastreeft. Dat lijkt heel soft en het lijkt er ook op dat je richting een grijs compromis gaat, maar dat is helemaal niet waar. Met een goede stedenbouwkundige erbij kunnen uit zo’n proces fantastische dingen voort­ komen. Het gaat erom dat je gemeenschappelijk een goede opdrachtgever wordt. De tijd die je daar van tevoren in investeert, win je later in het proces terug. Bij Rijnboog heb ik het gevoel dat er in z’n algemeenheid wel waardering was voor de analyse van Solà-Morales, maar het is geen plan waarvan de gemiddelde Arnhem­ mer – en daarmee bedoel ik ook belangenorganisaties en voor een deel ook politieke partijen – zeiden: ‘Dat is ons plan’. Je zult als bestuur in een open planproces wel kaders en uitgangspunten moeten formuleren. Blanco beginnen, zoals in het geval van Stadsblokken en Meinerswijk, is geen goed idee.” Rijnboog begon misschien ‘top-down’, maar uit­ eindelijk is er wel een preferendum over het plan gehouden. Is zo’n omslag moeilijk te maken? “Als je met langdurige, complexe plannen bezig bent en de basis is niet goed, het wordt niet breed gedragen, dan krijgen mensen de neiging om bij elk incident de discussie te gaan heropenen. Dat zie je bij Rijnboog ook. Elke keer proberen tegenstanders hun kans te pakken. Er is natuurlijk ook brede weerstand binnen de raad. Dat is de basis voor de permanente discussie over het Rijnbooggebied. Eigenlijk moet je ervoor zorgen dat bij dit soort ingrijpende plannen – voorzover dat kan – ruim­ schoots tweederde van de gemeenteraad voor is. Als iedere keer de discussie wordt heropend, is dat een drama voor de bewoners, de ontwikkelaars, voor de beleggers, voor iedereen die erbij betrokken is. Er ont­ staat onrust over de zekerheden die een overheid moet bieden. Dat heeft ook z’n weerslag op de armslag die bijvoorbeeld een ambtelijke orga­nisatie gegund wordt. Onduide­lijkheid binnen politiek en bestuur heeft z’n weerslag op de ambte­lijke organisatie. Dan kiezen vak­ afdelingen vaak voor hun eigen belang en proberen dat veilig te stellen buiten de projectorganisatie om. Het gemeenschappe­lijke doel van de organisatie als geheel komt daardoor onder druk te staan.” Hoe zou je Rijnboog vlot kunnen trekken? “Hoewel ik zelf een groot voorstander ben van de haven in Rijnboog, vind ik dat het bestuur van Arnhem zou moeten overwegen de haven uit het plan te halen. Niet omdat die haven niet deugt, maar omdat het blijk­baar­ steeds weer de angel is waardoor de voortgang belem­ merd wordt. Natuurlijk zitten aan een dergelijke stap

nadelen, maar de opgave zou vervol­gens moeten zijn een aantal topontwerpers het openbaar gebied op die plek zodanig te ontwerpen, dat de essentie van de ver­­blijfskwaliteit die een haven met zich brengt op een an­ dere manier tot uitdrukking komt. Ik vergelijk het met Arnhem Centraal. Er was toentertijd heel veel verzet tegen het slopen van een deel van de Burgemees­terswijk. Dat had zijn weerslag op het draagvlak voor het gehele plan. Toen we dat plan hadden laten varen, de angel eruit hadden gehaald, was er eigenlijk heel veel draag­ vlak voor de rest van het project. Dat kan bij Rijnboog ook. We zijn nu al twaalf jaar met dat plan bezig, en we komen geen steek verder. Geheel terzijde; de haven kun je dan verplaatsen naar Stadsblokken waar je naar mijn oordeel een nieuw water­ gebonden binnenstedelijk woongebied moet ontwikkelen. Ook het rapport van het NICIS Institute onderschrijft de noodzaak voor Arnhem om rekening te houden met zeer gedifferentieerde woonwensen in de toekomst. Het ontwikkelen van stadsblokken is daarvoor bij uit­stek geschikt.” Had u in uw tijd als wethouder Ruimtelijke Orde­ning een hecht contact met het ambtenaren­ apparaat? “Ik heb de stellige indruk van wel. Van de meeste pro­ jecten in mijn tijd, zoals Arnhem Centraal, de herinrich­ ting van de binnenstad, Monnikenhuizen en het terrein van het Diaconessen Ziekenhuis, wist ik nagenoeg alles. Als je me ’s nachts uit bed had gebeld over bijvoorbeeld Arnhem Centraal, had ik je precies kunnen vertellen hoe de vork in de steel zat. Dat werd overigens wel minder toen Hans Reinders projectleider werd. Hij had bij de Heidemij gewerkt en had wereldwijd grote projecten onder zijn hoede gehad. Zonder hem, die met zijn sta­ tuur gewoon tegen de directie van de NS zei: ‘Zo gaan we het doen en niet anders’, was dat project niet van de grond gekomen. Van zijn kennis en projectleiderschap hebben wij zeer geprofiteerd. Zo’n man had je als be­ stuurder ook nodig, maar hij riep ook altijd: ‘Dat moet jij als bestuurder helemaal niet willen weten, daar ben ík voor. Als er problemen zijn, dan kom ik wel bij je’. Toen merkte ik wel dat ik op sommige concrete vragen soms geen antwoord kon geven. Hij kreeg het ook voor elkaar dat Verkeer binnen drie weken een plan voor het busverkeer had. Daar werd nog even tegengesputterd, maar hij zei gewoon: ‘Dit zijn de kaders.’ Verkeer dacht er over een maand of twee wel aan te beginnen, maar hij zei gewoon: ‘Ik wil het over drie weken hebben, anders ga ik het extern aanbesteden’.” Je hebt dus sterke mensen nodig. “Voor dit soort projecten moet je heel sterke mensen hebben. Daarom verbaast me af en toe de discussie in de politiek over het inhuren van externe deskundigen. Als overheid ben je niet in staat om toppers continu aan het werk te houden, maar soms heb je die specifieke kennis wel nodig. En dan moet je die tijdelijk inhuren. Dat betaalt zich dubbel en dwars terug.”

10


Je kunt ze niet continu aan het werk houden, maar interim-krachten zijn soms wel heel snel weer weg. “Dat valt onder de categorie shit happens. Hans Rein­ ders hield op een gegeven moment op met werken. En als de volgende na twee jaar zegt: ‘Ik ga iets anders leuks doen’, dan houdt het ook op. Natuurlijk is continuïteit bij dit soort dingen wel van belang. Maar dat geldt voor raadsleden ook. Soms ontbreekt het door de snelle wis­ selingen aan collectief geheugen.”

“Ik weet niet of mijn persoonlijke mening er nou zo toe doet, maar wat ik uit de kranten heb begrepen – ik ben natuurlijk een paar jaar uit het Arnhemse weg geweest – vind ik dat hij wel stond voor die projecten. Hij verde­ digde Arnhem Centraal te vuur en te zwaard. Roeland Kreeft doet dat ook heel goed. Ze hielden en houden gelukkig hun rug recht.” Maar u had het over trekkers, niet over duwers. Verdedigen is toch meer duwen dan trekken. “Misschien was Henri Lenferink daarvan een iets gro­ tere exponent, maar dat zit soms ook voor een deel in je karakter. Ik geloof wel dat Van Bodegraven er echt voor ging. Hij geloofde in Rijnboog en wilde niet tornen aan de kwaliteit, wilde dat de uitgangspunten overeind zouden blijven. De raad beslist natuurlijk uiteindelijk, maar je hebt wel iemand met visie nodig, die niet met alle winden meewaait en opgewassen is tegen de oppo­ sitie. Als je als bestuurder alleen maar vrienden hebt en geen vijanden, dan heb je geen keuzes gemaakt. Je zult je moeten verbinden aan een visie die je hebt, je moet zeggen: ‘Dáár ga ik voor’. Wel aardig in dit verband is de discussie rond het ont­ werp van Phanos voor Stadsblokken-Meinerswijk versus het open planproces. Daar komt nu het plan ‘groen, groener, groenst’ uit. Dat verbaast mij hogelijk, want de gemeente Arnhem heeft in allerlei structuurvisies al vastgelegd dat het gewenst zou zijn dat Stadsblokken bebouwd zou worden, onder andere vanwege de stede­ lijke verbinding tussen Noord en Zuid. Nu is er enkel en alleen een open planproces doorlopen om GroenLinks bij de collegeonderhandelingen over de streep te trek­ ken. Een proces waarbij de deelnemers een blanco vel papier hebben gekregen. Begrijp me goed, ik heb niets tegen een open planproces, het is één van de manieren om voor ingrijpende ontwikkelingen het benodigde draagvlak te verkrijgen, maar je moet als bestuur wel eerst kaders en randvoorwaarden meegeven. Zeker als die, zoals in dit geval, eerder al zijn vastgelegd. Natuur­ lijk zal een aantal belangenorganisaties dan niet mee wil­len praten omdat voor hen alleen de nulvariant be­ spreekbaar is. Die moet je dan ook niet aan tafel willen hebben. Zo’n partij is niet interessant als deelnemer aan het gesprek. Partijen moeten de bereidheid hebben om zichzelf de vraag te stellen wat ze zouden kunnen doen om de belangen van de andere deelnemers te realiseren; maar diezelfde houding mogen ze ook van de andere partij verwachten. Dus: aan tafel zitten bij een open plan­­proces is meer dan alleen je eigen belang op tafel leggen, het is geven en nemen en andermans belangen respecte­ ren als zijnde gerechtvaardigde belangen.”

Maar er is toch ook verslaglegging waar je op kunt terugvallen? “Ja, maar dat is dan toch soms onvoldoende. Met name als het gaat om de beweegredenen, de achtergronden om te komen tot bepaalde beslissingen.” Het collectieve geheugen is dus zeer van belang? “Ja, zeker als je bedenkt dat er in de looptijd van Rijn­boog al drie keer een nieuwe raad is aangetreden. Daarom is het soms ook nodig dat raadsleden wat langer blijven zitten dan één periode en dat er altijd wel een bepaalde overlevering is. Je zou als spelregel kunnen hanteren dat de helft van de raad vervangen mag worden en de andere helft niet. Dat is volstrekt niet democratisch, maar je ziet dat het af en toe bestuurlijk lastig wordt als er door verkiezingen nog maar een paar raadsleden over­ blijven. Dan weet je dat je het werk vaak weer helemaal opnieuw kunt gaan doen. De nieuwe raadsleden moeten ingewerkt worden en hebben vaak heel eigen ideeën, die niet stroken met afspraken die er in het verleden zijn gemaakt. Dat is volstrekt begrijpelijk, maar het bevordert de voortgang van zo’n proces niet.” De nieuwe politieke verhoudingen doen dat pro­ ces natuurlijk geen goed. De uitslagen jojo’en van de ene naar de andere kant. “Het zijn allemaal elementen die ertoe leiden dat dit soort heel grote, langdurige en complexe projecten moeilijk te managen zijn. De continuïteit is permanent in gevaar.” Wat aan Rijnboog heel erg lijkt te ontbreken is een trekker, iemand die echt voor het plan gaat. “Je moet een boegbeeld hebben, liefst een duo. Het moet in ieder geval een bestuurder zijn, die zegt: ‘Ik ga ervoor en als het je niet bevalt, dan stuur je me maar weg’. Henri Lenferink was Rijnboog, Robin Hartogh Heys was Arnhem Centraal. De hele stad hing vol met spandoeken ‘Sloopbedrijf Har­togh Heys’, ‘Hartogh Heys is niet wijs’. Daar moet je als verantwoordelijk bestuurder tegen kunnen. Ik riep dan nog wel dat het hele college Arnhem Centraal wilde, maar het verzet richtte zich op mij. Dergelijke vaandel­ dragers heb je nodig, en bij voorkeur ook een project­ leider op ambtelijk niveau die met de bestuurder een tandem vormt.”

Je ziet in dit proces dat de groene beweging gemobiliseerd is. “Je hebt als proceseigenaar de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de deelnemers een evenwichtige afspiegeling vormen van de bevolking van de stad. En dan mag je best mensen gericht uitnodigen.”

U noemt uzelf. U noemt Henri Lenferink. Maar daarna dan? Was Sander van Bodegraven ook een trekker, zoals u die voor ogen heeft?

11


Herkent u zich in het beeld van de Gordiaanse Knoop? “Jawel. Het is een permanente worsteling. Aan de ene kant wil je een ontwikkeling binnen een groter geheel zien; die integrale benadering van een gebied, maakt het mogelijk functioneel én financieel te schuiven, waar­ door de eindoplossing beter wordt. Aan de andere kant verlies je daardoor de grenzen uit het oog. Het project wordt steeds ingewikkelder. Daardoor wordt het voor participanten en samenleving onduidelijk en onzeker. Ik beschouw de knoop als een heerlijk ‘prisoner’s dilemma’.” Daar hebben andere steden natuurlijk ook mee te maken. Maar is het in Arnhem nu erger dan elders? “Is het beeld dat het in Arnhem allemaal zo moeilijk gaat en zo lang duurt, is dat beeld wel terecht? Oké, Arnhem Centraal duurt lang omdat we geen bouwer kunnen vin­ den en de financiering lastig is. Er zijn natuurlijk ook nieuwe wensen aan toegevoegd, zoals het ondergrondse afvalsysteem. Dat heeft niets met de Gordiaanse Knoop te maken. Dat zijn gewoon een paar benoembare pro­ blemen. Rijnboog zit daar dicht tegenaan, daar hebben we het net uitgebreid over gehad. Musiskwartier heeft een lange voorbereiding gehad, maar de uitvoering was geen probleem. Er was ook geen politiek of maatschappelijk probleem. Het stond er in twee jaar, waanzinnig snel. Hetzelfde geldt voor de herinrichting van de binnenstad. Monnikenhuizen, Presikhaaf en Malburgen worden ook gewoon opgeknapt, en dat zijn heel grote projecten. Die lukken wel allemaal. Ís het nou zo dramatisch of zijn wel onszelf gek aan het maken met de gedachte dat projecten hier niet van de grond komen? Rijnboog is een verhaal dat inmiddels al vele raadsperiodes besproken wordt en eigenlijk is er nog steeds niks gebeurd. Dat versterkt wel heel erg het beeld dat alles hier heel moeizaam gaat.”

“Als je dat opneemt in hun persoonlijke jaarplannen, kun je ze daar gewoon op afrekenen in het functioneringsge­ sprek. In die zin heb je wel wat.” In hoeverre heeft het gemeentebestuur daar invloed op? “Als er onvoldoende politieke sturing is van raad en col­lege, als er geen heldere kaders zijn, komt er meer ruimte voor ambtenaren. Maar daar worden ze wel onzeker van. Ook een ambtelijke organisatie presteert beter als het bestuur (raad én college) duidelijk is.” Is er een slagvaardiger besturingsmodel? “Ik heb daar geen model voor, het gaat er meer om de juiste man op de juiste plaats te hebben. De ambassa­deur waar we het eerder over hadden. Bestuurders moeten zich verbinden met de problemen waarmee ze bezig zijn.” En die ambassadeur moet zorgen dat er een breed draagvlak is? “Ja, maar ik ben wel wat anders tegen het begrip draag­ vlak aan gaan kijken. Er is heel vaak geen draagvlak in de directe omgeving van een plan. En toch vind je dat een bepaalde ontwikkeling moet en nodig is, in het algemene belang. Daarom moet je van tevoren met alle betrok­ ken om de tafel gaan zitten. Iedereen moet zijn belangen duidelijk maken en dan moet je één gemeenschappelijk doel zien te formuleren, waarbij die belangen zoveel mogelijk gerespecteerd worden. Als dat lukt, ben je vrij zeker van draagvlak.”

Maar in Malburgen en Presikhaaf zijn corporaties de grote trekkers. Eusebiushof werd getrokken door Eurocommerce, Musiskwartier door AM. Ligt het dan aan de gemeente? Heeft die moeite met de rol als trekker? “Overheden hebben niet alle kennis in huis op het gebied van procesmanagement. Dat vereist bepaalde vaardig­ heden. Die zijn de afgelopen jaren heel veel ingekocht. Die kennis begint er wel te komen. Maar er is geen enkele gemeente in staat uitsluitend met projectorganisa­ties te werken, gemeentes zijn een combinatie van lijnorgani­ satie en projectorganisatie. Er is per definitie spanning tussen de lijnorganisatie en de projectorganisatie. Hoof­ den van ambtelijke afdelingen willen niet hun beste mensen zien vertrekken naar een projectorganisatie.” Bij bedrijven wordt er aan het einde van de rit gewoon afgerekend. Hebben ambtenaren ook een dergelijke stimulans?

16


INTERVIEW SJOERD SOETERS

‘HET PLAN VOOR HET PARADIJS WAS EEN GROTE LUCHTBALLON’ Of hij nog eens in Arnhem zou willen werken? Daar moet Sjoerd Soeters even over na­denken. De Amsterdamse architect van het Paradijsplan voor de zuidelijke­binnenstad van Arnhem bewaart geen heel goede herinneringen aan die opdracht.

Sjoerd Soeters maakte in 1998 het Paradijsplan voor de Arnhemse binnenstad. Uitein­ delijk zou dat mede leiden tot het Rijnboogproject, Soeters is architect bij het Amsterdamse bureau Soeters Van Eldonk. Foto: Ingmar Timmer

lijk niet goed voor je PR. Toen is bedacht dat ik samen met Ben van Berkel een nóg veel groter ‘Rijnboogplan’ moest maken. In de verwachting dat het dan vanzelf wel weg zou lopen. Ik weet niet wat er zich precies in het stadhuis heeft afgespeeld, maar achteraf dacht ik: dit moet zo ongeveer zijn wat er is gebeurd. Ze wisten niet hoe ze ermee verder moesten, er moest een uitweg worden bedacht. Maar de echte argumentatie hoor je natuurlijk nooit”

U stond eigenlijk met het plan voor het Paradijs in de Arnhemse binnenstad aan de wieg van het Rijnboogproject. Hoe ontstond het Paradijsplan? “Wij kregen de vraag hoe we het centrum van Arnhem beter konden betrekken bij de Rijnkade. Hoe zou je dat doen, rekening houdend met de Centrumring en de Weerd­ jesstraat, een heel negatieve route met over het al­gemeen slechte gebouwen erlangs. Het was een ingewikkelde knoop. De gemeente had bedacht dat ze het doel onder meer wilde bereiken middels een cultureel cluster met onder meer een bibliotheek en een museumdepen­ dance. Dat culturele programma was ambitieus genoeg om de sprong te maken. Ook de Markt moest worden aangepakt. We hebben toen een vrij groot gebied onder de loep genomen en daar voorstellen voor gedaan. Toen we daarmee klaar waren, ontstond bij de gemeente het idee om dat plan te verbinden met het stationsproject, waar Ben van Berkel met UNStudio toen mee bezig was. Achteraf heb ik het idee dat degenen die dat bedachten eigenlijk de hele zaak wilden opblazen. Want op dat moment was eigenlijk al duidelijk dat de middelen – budgettair en inhoudelijk – ontbraken voor dat culture­ le programma. Het Paradijsplan was eigenlijk één grote luchtballon. Maar er was wel een hoop lawaai gemaakt. Er waren inspraakrondes gehouden, de gemeenteraad had erover besloten en er was bij omwonenden enorme weerstand opgeroepen – er hingen overal affiches tegen het Paradijsplan voor de ramen. Er was zoveel gebeurd dat ze niet meer konden zeggen dat er eigenlijk geen geld voor was. Zoiets moet het geweest zijn. En niemand wil degene zijn die de stekker eruit trekt. Dat is natuur­

Toch is het niet echt gelukt om een uitweg te vin­den. Arnhem is nog steeds bezig met het Rijnboogplan. “Maar je weet hoe het is met politici. Die schuiven dat het liefst voor zich uit, in de hoop dat de bom niet voor de verkiezingen barst.” Maar als Arnhem toen eigenlijk al afwilde van het plan, waarom zou de gemeente dan nog zo lang ermee doormodderen? “Misschien wilden ze wel van mij af, dat kan natuurlijk ook. En dát is gelukt.” Hoe verliep die samenwerking met Ben van Berkel? “We hebben een jaar aan het plan lopen trekken, maar dat ging eigenlijk heel erg slecht. We hebben een com­ pleet andere opvatting over stedenbouw en hebben alle­bei een heel andere mentaliteit. Het was eigenlijk een drama. Ben van Berkel wil graag sculpturale gebouwen maken die van alle kanten te zien zijn. Wij zijn van de stad die bestaat uit prettig omsloten openbare ruimten waaraan niet al te pretentieuze gevels staan. Waar het een beetje vriendelijk is, volgens menselijke schaal. Dat botst nogal met elkaar. En als je dat van tevoren weet, ben je eigen­ lijk niet bezig met samenwerken, maar ben je continu bezig elkaar pootje te haken. Daarna heb ik tegen wethouder Henri Lenferink gezegd: ‘Als je verder wilt met het plan, moet je mij de opdracht niet geven en Ben van Berkel de opdracht niet geven – hij zat er zelf bij –, maar in elk geval ons samen niet. Want dat wordt hélemaal niets.’ Op initiatief van de marktpartijen die erbij waren gehaald, is toen Manuel de Solà-Morales aangetrokken.” Het beeld in Arnhem is dat u aan de kant bent ge­ zet voor Solà-Morales. Maar u had op dat moment

17


zelf al gezegd dat u ermee wilde stoppen. “Als je als gemeente een plan maakt en er komen project­ ontwikkelaars bij, dan zullen die in negen van de tien gevallen zeggen: ‘Dat is een interessant plan, gemeente, maar we gaan het zelf helemaal opnieuw opbouwen. Want we willen niet alleen een interessant plan, we willen het ook kunnen exploiteren en we willen alle kengetallen weten, waardoor we weten dat we het ook kunnen maken en kunnen betalen.’ Voor het maken van een plan heb je zowel de publieke partij als een private partij nodig. Dat is de formule van de PPS. Als alleen de gemeente opdrachtgever is heb je een plan dat politiek helemaal uitgebalanceerd is, maar dat je niet gefinancierd kunt krijgen, en als alleen de ontwikkelaar opdracht geeft heb je een plan dat heel goed is doorge­ rekend, maar waarvoor geen politiek draagvlak is. In beide gevallen heb je niks. Daarom proberen we die partijen altijd samen te brengen. In Arnhem hebben we dat dus niet gedaan. En dat is dus heel spijtig. Daar hebben we van geleerd. Wij zijn er daarom als bureau altijd op uit om niet alleen voor een gemeente te werken, maar voor een gemeente én een ontwikkelaar. En als een ontwikkelaar ons vraagt, benaderen wij vanuit diezelfde gedachte de gemeente. Die heeft misschien ook een aantal punten dat ze wil realiseren.” Had u daar in Arnhem dan invloed op kunnen uit­ oefenen, op het binnenhalen van marktpartijen? “Als we dat hadden gedaan, was meteen duidelijk ge­ worden dat de gemeente er überhaupt geen geld voor had. Want je kunt wel een bibliotheek willen en een museum, maar is daar dan ook geld voor? In een eerste ronde met gemeente en ontwikkelaar moet al over fi­nan­ ciële dekking worden gesproken.” Was het Paradijsplan dan een soort voorstudie? “Ik weet eerlijk gezegd niet waar de vraag uit is voortge­ komen.” U was in die tijd ook in Nijmegen aan het werk, met de Mariënburg en de Marikenstraat. Dat was wel een combinatie van publieke en private partijen? “Ja, gemeente en ING Vastgoed zaten er ieder voor de helft in. De gemeente Nijmegen had een paar heel goede ambtenaren op dat project zitten, mensen die helemaal verknocht waren aan de stad. Die hadden daar ook hun hele leven gewerkt. Het is een van de grote problemen waarmee veel steden te kampen hebben. Ze werken veel met inhuurkrachten­ die denken in ‘uurtje-factuurtje’: ‘Wat kan ons het sche­ len, als we maar een goed jaarsalaris hebben’. Je moet juist mensen hebben met visie, mensen die een stad vooruit willen helpen. Dat is zó belangrijk.” Als je Nijmegen en Arnhem in die tijd zou verge­ lijken, wat zijn dan de verschillen?

“In Arnhem was Henri Lenferink de oppermachtige wet­ houder. Hij had het voor het zeggen, er was geen team dat het samen deed. Daardoor was de sfeer in Arnhem anders dan in Nijmegen.” En op ambtelijk niveau? “Ik had een extern aangetrokken ambtenaar – een man die in Amsterdam woonde – die met één been in de stad stond en met één been erbuiten. Hij kon daardoor nau­ welijks sturing geven. Hij zat niet goed genoeg in het proces om te weten wanneer bepaalde stappen moesten worden gezet. Hij was een beetje een kat in een vreemd pakhuis. We waren met het project niet aangesloten op het ambtelijke apparaat, en ook niet op het bestuur.” En de gemeenteraad, hoe ging het daarmee? “Het plan werd soepeltjes aangenomen door de raad, er vielen weinig onvertogen woorden. Op een gegeven moment nodigde de toenmalige burgemeester [Paul Scholten] architect Frank Gehry uit. Dat was een gewel­ dige sessie. Frank Gehry arriveerde met een jetlag en zat er half slapend bij. De burgemeester zei: ‘Laat dat plan maar even zien en dan ga ik aan Gehry vragen wat hij er nou van vindt’. Gehry bromde: ‘Het lijkt op een citadel’, en meer commentaar heeft hij eigenlijk niet gegeven. Gehry was later in Amsterdam bij een bijeenkomst in de Beurs van Berlage. De burgemeester zat ook in de zaal. Toen Gehry werd gevraagd hoe het nou eigenlijk met hem ging, zei hij: ‘Mijn probleem is eigenlijk dat ik aan alle kanten wordt benaderd door burgemeesters die vragen of ik in hun stad niet ook even een Guggenheim Bilbao kan maken. Die mensen begrijpen het echt niet’.” Is dat tekenend voor de manier waarop Arnhem met dit soort projecten omgaat? “Als je op deze manier je burgemeester erop los laat wel, ja. Op dat moment was er geen goede regie. De project­ leider van het plan was een soort loopjongen van de wethouder en kon onvoldoende invloed uitoefenen.” Henri Lenferink was de man die alles bepaalde. Hij vertrok naar Leiden, met achterlating van zijn erfenis. Heeft dat dan gevolgen voor de rest van zo’n traject? “Als zo’n project op één sterke persoon hangt, en die vertrekt, dan is alles besmet wat hij heeft aangeraakt. Dan gaat niemand dat verdedigen. Zo werkt dat in Ne­ derland, en Arnhem zal op die regel geen uitzondering zijn. Als een plan gesteund wordt door een team kan er best iemand wegvallen. Dan gaat alles gewoon door. Maar als het heel erg een project van die ene meneer is geweest en die ene meneer is weg, dan is het project óók weg. Henri Lenferink – overigens een bescheiden man met heel veel kennis van de Arnhemse geschiedenis – wilde met al zijn kracht heel veel bereiken, maar hij was geen onderdeel van een sterk team. Hij had toch wat te veel slappe jongens en meisjes om zich heen.”

18


Lenferink was natuurlijk wel de grote vaandel­ drager van het project. Hij ging de toren van de Eusebiuskerk op om het plan aan de mensen uit te leggen. Dat hield met zijn vertrek op. “Zo’n trekker heb je wel nodig. Je móet iemand hebben die bereid is dat plan eindeloos te presenteren, aan wie dan ook. Als je kijkt hoeveel presentaties ik in Zaan­ stad heb gedaan voor een plan van ongeveer dezelfde omvang… Ook daar had ik een paar stevige ambtena­ ren en wethouders achter me staan, en een heel goede burgemeester, Ruud Vreeman. Zij hebben dat een aantal jaren stevig neergezet en mij daarvoor gebruikt.”

Toen kwam Manuel de Solà-Morales en kon over­ al over gepraat worden, behalve over de haven. “Als je zo’n wereldberoemde architect binnenhaalt, dan zeg je eigenlijk: ‘Deze man is zo beroemd, daar hebben wij allemaal niks tegen in te brengen. Dat is eigenlijk de boodschap. Als zulke mensen worden ingevlogen, is dat vaak om oppositie te breken. Je kunt een Spanjaard waarschijnlijk ook niet voor een Nederlandse inspraakavond zetten. Hou zuidelijker je komt in Europa, hoe meer architecten en stedenbouw­ kundigen gewend zijn voor pausen, koningen en kei­zers te werken. Inspraak in de vorm zoals wij die in Neder­ land kennen is daar helemaal niet.”

Dat een plan wordt getrokken door één persoon en niet door een team heeft natuurlijk ook poli­ tiek consequenties. “Toen de gemeenteraad het plan soepel had aangenomen, werd ik al gewaarschuwd dat er in tweede instantie al­lerlei bezwaren zouden komen en dat het plan pootje zou worden gehaakt. In de eerste ronde is het hallelujah, zeiden politici, in de tweede ronde beginnen ze aan het plan te zagen en na de derde ronde hoor je er helemaal niks meer van. Daar kon ik me toen nog niets bij voor­ stellen. Maar in Arnhem schijnt het normaal te zijn dat de kikkers de kruiwagen uitspringen.”

Zijn architecten van dat kaliber dan voor Neder­ landse provinciesteden te hoog gegrepen? “De vraag stellen, is hem beantwoorden. Wat denk je zelf?” Nou ja, als je verhalen hoort over Frank Gehry… “Kijk. Frank Gehry is natuurlijk een tijd lang een soort wondermiddel geweest. Hij zette de smerige industrie­ stad Bilbao op de kaart met het Guggenheim Museum. Iedereen in een achterlijke provincie of in een stad met een verouderd industriegebied nodigde Gehry vervolgens uit met met het idee dat er dan vast wel een Guggenheim zou komen. Zo werkt dat natuurlijk niet. Dat werkt maar een of twee keer per wereld.”

Welke processen spelen daar dan in mee? “Je zou kunnen zeggen dat het komt doordat er in Arn­ hem een gegoede burgerij is van intellectuelen die als het ware losstaat van de politiek. In de eerste ronde hoor je ze niet, want ze zijn er niet. Vervolgens komt zo’n plan in de media en schrikken ze wakker en gaan ze zich organiseren. Het heeft, als ik het zo van een afstandje bekijk, te maken met de gebrekkige relatie tussen de politiek in Arnhem en dergelijke groeperingen. De kloof tussen de politiek en de burger. Vergelijk het met de Amsterdamse grachtengordel. Nie­ mand van die mensen wil in de gemeenteraad gaan zitten, want ze zijn veel te druk met hun dagelijkse bezigheden. Maar als het erop aan komt, verzetten ze zich met hand en tand. Maar misschien betekent het ook wel dat het idee om het Paradijsplan te maken te snel in gang is gezet en het beter onderbouwd had moeten worden. Zowel wat betreft het bouwprogramma als het draagvlak bij de be­ volking. Een dergelijk plan moet kennelijk veel breder gefundeerd worden. En dat kost een jaar of vijf.”

Om nog even terug te komen op het cultuurcluster: in Arnhem is nu de discussie of zo’n samenballing van culturele functies de rest van de stad niet leegzuigt. Hoe stond u ten tijde van het Paradijs­ plan ten opzichte van dat idee? “Het was slechts een onderdeel van dat plan. Dat bevatte ook heel veel nieuw wonen en een heel andere inrich­ ting van de openbare ruimte. Juist die mix van functies (leisure, wonen en cultuur) is heel goed. En als je de commerciële functies kunt verbinden met de culturele, dan vind ik dat helemaal niet zo’n slecht idee. Maar wij zijn er heel erg voor om de verschillende func­ ties allemaal hun eigen gebouw te geven en niet alles bij elkaar onder te brengen. Dat gedoe van één portier voor diverse instellingen, daar geloven wij niet zo in. Dat was in de jaren zestig heel populair.” De gedachte is dat die clustering de verschillende functies juist versterkt. “Maar dat is natuurlijk helemaal niet zo. Het is een manier van denken die zegt dat je de openbare ruimte beter ín de gebouwen kunt halen. Dat vind ik uiteinde­ lijk niet. Om die reden maken wij ook geen winkelcen­ tra, dus alleen winkels. Wij willen altijd winkels maken met woningen erop, en culturele functies en horeca erbij, zodat er een levende stad ontstaat. De openbare ruimte van een stad is de drager voor het verkeer, de ontmoeting. Die moet je compact maken. En alle gebouwen moeten hun eigen gezicht naar de openbare ruimte hebben, waardoor heel duidelijk is

Een van de kritiekpunten op Rijnboog is dat de burgers van Arnhem te weinig invloed hebben kunnen uitoefenen op het plan. “In mijn tijd deden we wel aan inspraak. Een aantal mensen kende ik op een gegeven moment zelfs bij naam, omdat ik ze steeds weer tegenkwam. We hebben diverse bijeenkomsten met bewoners gedaan. Met bewoners van gebouwen die bleven, maar ook met bewoners van gebouwen die zouden moeten wijken voor het plan.”

19


wanneer je de schouwburg binnenloopt en wanneer je naar de bibliotheek gaat. Als je alles samenstopt in een ‘multifunctioneel gebouw’ dan krijg je een te grote hal waar je de weg niet kunt vinden. De verschillende func­ ties hebben ook allemaal andere openingstijden. Het is één grote ellende. Het is gewoon onzin. Zo moet je de campus van een universiteit bijvoorbeeld ook niet in één gebouw maken, maar op verschillende plekken in de stad. Dat helpt om die stad levendig te maken. Als je het allemaal onder één dak doet, ga je daar ’s ochtends naar binnen en kom je er ’s avonds pas uit. Ik zou het daar benauwd van krijgen.” Voormalig wethouder Robin Hartogh Heijs had de volgende vraag aan u: hoe gaat een architect om met de inspraakreacties. Waar is de grens tussen het teruggeven van de opdracht en creatief meebewegen? “Dat is een hele ingewikkelde vraag, omdat in Neder­land geen van de partijen in een dergelijk proces zichzelf is. Alle mensen die in huurwoningen wonen in zo’n gebied willen hun huis niet kwijt. Tegelijk weten we dat een aantal huizenblokken de ontwikkeling blokkeert, die moeten geruimd worden. Je zou die mensen van tevoren garanties en duidelijkheid moeten geven, bijvoorbeeld dat ze elders een nieuwe woning kunnen krijgen. Dan ben je dat debat al kwijt. Je hebt er omwonenden die een appartement hebben gekocht en er zitten onderne­ mers. Mensen met een café of restaurant aan de Rijn­ kade hebben er belang bij dat er een goede verbinding komt tussen rivier en binnenstad. Als je alle mensen erbij betrekt die op een positieve manier in zo’n proces zitten en die er een positief effect van zullen hebben, dan hou je er altijd een paar die het nog niet zien. Maar dan is het best leuk om zo’n proces heel open te doen. Wij gaan altijd om de tafel zitten met de gemeente en de projectontwikkelaars en dan zeggen we: ‘Oké jon­ gens, zeg het maar. Jullie denken dat zij zakkenvullers zijn en zij denken dat jullie sloom, lui en onduidelijk zijn. Stap daar nou eens overheen en zeg wat je echt wil’. Als je dat goed doet, blijken de wensen voor tach­ tig procent te overlappen. Die andere twintig procent is gereutel over parkeernormen en grondopbrengsten, maar dan heb je het ook gehad. Wij beschouwen ons­ zelf als de tekenend secretaris van zo’n vergadering. Wij inventariseren de wensen en proberen er dan een tekening van te maken. Die hangen we een volgende vergadering aan de wand, krijgen vragen en opmerkin­ gen en die verwerken we in een nieuwe tekening. We zijn geen genieën, we proberen op te slobberen wat de randvoorwaarden en uitgangspunten zijn. Natuurlijk hebben we ook zo onze eigen ideeën, en die brengen we ook in, maar we proberen de diepste wensen en verlangens boven tafel te krijgen van de opdrachtge­ vers. Die zijn er al veel langer mee bezig dan wij, dus waarom zouden we al die kennis niet gebruiken?”

“Iedereen mag er wat van vinden, dat is nu eenmaal zo in Nederland. Maar op een gegeven moment heb je een plan waarover je het met de dragers van het project en de spelers in het gebied eens bent. Ik heb in Zaanstad een plan gemaakt voor de gemeente, twee ontwikkelaars en twee corporaties, maar toen bleek dat de gemeente twee vastgoedeigenaren in het gebied was vergeten erbij te betrekken. En die gingen eens lek­ ker achterover leunen. Het heeft me een jaar gekost om het plan zo aan te passen dat zij ook meededen. Dat heeft de plannen ook aanzienlijk veranderd. Als je daar de tijd voor neemt, wordt het plan voortdurend beter. Want je hebt zelf je doelstellingen wel in je hoofd maar als je nog een derde, een vierde en een vijfde ronde aan dat plan kunt kneden en knutselen, dan wordt het alleen maar subtieler. Er komen meer lagen in. De tijd geeft je de kans om het subtieler te maken. Dus als er mensen zijn die met heel serieuze opmerkingen en wen­ sen komen, dan is dat in mijn ogen een kans om het plan beter te maken. Je moet natuurlijk niet in kakofoni­ sche vergaderingen verzeild raken.” Maar waarom zijn de deelnemers aan zo’n proces zichzelf niet? “Mensen zijn vaak niet eerlijk in hun beweegredenen. En als ze daar niet mee voor de dag willen komen, kun je er ook niks mee doen. Ze zijn bijvoorbeeld misschien helemaal niet tegen het plan, maar verzetten zich erte­ gen om er financieel beter van te worden. Of ze roepen dat een plan te hoog is en te massaal, en ondertussen zijn ze gewoon bang dat de buurt erop achteruit gaat.” In Arnhem heeft de discussie over het Rijnboog­ plan uiteindelijk geleid tot een preferendum, dat door de lage opkomst compleet is mislukt. Kent u voorbeelden dat zo’n volksraadpleging wel een goede invloed had op een project? “In Zaanstad is, gekoppeld aan verkiezingen, een refe­ ren­dum geweest over het nieuwe stadhuis. Mensen konden kiezen tussen een sober gebouw, een zakelijk gebouw en – dat vonden wij het beste plan – een gezel­ lig stadhuis. Je raadt nooit wat er uit kwam… Zo’n titel is héél belangrijk. Ik ben er zeker van dat een leek zo’n plan niet begrijpt. Hoe kan dat ook, als je er alleen maar twee tekeningetjes van hebt gezien? Dat is heel moeilijk.” Zou u eigenlijk nog in Arnhem willen werken? “In Arnhem?! Als het een serieuze vraag is wel. Maar de stad kampt met een heel moeilijk vraagstuk. Hoe krijg je die binnenstad nu werkelijk betrokken bij die Rijn? Dat is niet gemakkelijk, zeker niet als het economisch in dat deel van de binnenstad minder gaat. Daar zijn grote ingrepen voor nodig.”

Daarna moet je naar de raad, krijg je inspraakbij­ eenkomsten. Hoe gaat dat?

20


INTERVIEW HENRI LENFERINK

‘MIJN VERTREK NAAR LEIDEN VOELDE EEN BEETJE ALS VERRAAD’ In Arnhem wordt oud-wethouder Henri Lenferink door velen nog altijd gezien als de initiator van de vernieuwing van de stad. Zijn ergernis aan het armoedige Kerkplein leidde tot het enorme Rijnboogproject. Na zes jaar burgemeesterschap van Leiden is zijn passie voor Arnhem onverminderd groot.

deel van de stad kan worden door een grootscheepse ingreep. Dat gaat niet vanzelf, het zal niet organisch groeien. Dat gaat niet lukken.” Dat laatste is ook wel gebleken. Er is tenslotte tijd genoeg overheen gegaan om het gebied aansluiting te laten vinden bij de rest van Arnhem. “Er zijn allerlei filosofieën geweest, ook in de stadsver­ nieuwingstijd, onder meer met looproutes tussen Rijn­ kade en binnenstad, met die akelige onderdoorgangetjes door de parkeergarage van de Nieuwe Weerdjes. Dat functioneert allemaal niet omdat die routes niet door een pret­tige omgeving lopen. Het is er vervelend, en dan lopen mensen daar niet graag. Op de tekentafel mag het misschien gewerkt hebben, in de praktijk doet het dat niet. De functies zijn er niet.”

In het kader van het jaarthema De Gordiaanse Knoop zijn we bezig met een zoektocht die zich concentreert in de zuidelijke binnenstad van Arnhem, waar al 25 jaar plannen voor worden gemaakt. “Het Rijnoeverplan is niet het begin van het verhaal. Ik weet dat er een plan was om grootschalige winkelvoor­ zieningen in de buurt van de Bartokzaal te realiseren, V&D moest daar komen, de bibliotheek zou verhuizen naar de zuidkant. Al voor die tijd waren er allerlei ideeën om het nooit voltooide Wederopbouwplan te vervolma­ ken. Sinds de Tweede Wereldoorlog is er aan het gebied gesleuteld. Het is nooit goed gelukt. In de jaren vlak na de oorlog was esthetiek van ondergeschikte betekenis. Functionaliteit was het belangrijkste. We moesten weer wonen, er moesten weer win­ kels zijn.”

Henri Lenferink (PvdA) was wet­ houder Ruimtelijke Ordening en Stadsvernieuwing in Arnhem van 1994 tot 2003. Sindsdien is hij burgemeester van de ZuidHollandse stad Leiden. Foto: Mark Lammers

Ons jaarthema De Gordiaanse Knoop is ontstaan doordat bouwprojecten in Arnhem, en vooral de zuidelijke binnenstad, niet van de grond komen. Waar ligt dat aan? “Daar is niet één reden voor, dat zijn er meer. Voor elke periode zijn aparte, nieuwe redenen te verzinnen waar­ om de dingen gaan zoals ze gaan. Dat is een heel domi­ nante factor bij grote binnenstedelijke ontwikkelingen. Juist omdat ze zo groot zijn en er veel aandacht naar uit gaat. Dat vergt enorme stuurmanskunst en vooral con­ sistentie. Als je gedurende een lange tijd in staat bent consistent te zijn, kun je een dergelijke ontwikkeling realiseren. Misschien is dat wel een rode draad door alles heen. Als je daar níet toe in staat bent, als je gaat zwabberen, dan krijg je het niet meer voor elkaar. Voor zo’n consistente lijn heb je continuïteit van bestuur nodig en continuïteit van aandacht. Je hebt bij dit soort projecten ook een vaandeldrager nodig die er helemaal voor gaat, die dat uitdraagt en de verpersoonlijking is van zo’n plan. Je moet iemand hebben die er permanent de barricades voor opgaat, die het durft te verdedigen van begin tot het eind. Iemand die zegt: ‘Dit moet het zijn, zó moet het’. Een vaandeldrager moet burgers pro­ beren te overtuigen, want zij zijn geen ontwerpers, kun­ nen een dergelijk plan niet analyseren. Dat is gewoon niet mogelijk. Je kunt wel zeggen dat je naar de burger moet luisteren, maar burgers hebben van dit soort zaken te weinig verstand om zich er een gefundeerde opinie over te kunnen vormen. Daar heb je heel veel basisma­ teriaal voor nodig.

Dat stond zelfs letterlijk in het bestemmingsplan. “We praten er niet teveel over, de stad moet hersteld worden, dat was de houding. We moeten die mensen ook niet veroorde­ len met de kennis van nu. Dat had op dat moment de hoogste prioriteit. Sindsdien wordt er in dat stadsdeel gewroet. Het zuidelijke deel van de bin­ nenstad is nooit een onderdeel geworden van het centrum. Aan de Rijnkade woonden de beter gesitueerden, maar tussen bin­ nenstad en kade was het een niemandsland van arbeidershuis­ jes. En daarvoor waren het moestuinen en open gebieden. Dat is heel lang zo gebleven en het voelt gewoon niet als een onderdeel van de stad. Dat is ook de kern van de analyse die Manuel de SolàMorales van het gebied maakte. Daarom vond ik die ook zo krachtig. Hij vindt dat het gebied alleen onder­

21


Je hebt dus mensen die het gevoel kunnen creeëren dat een dergelijke ingreep in de stad nodig is. Dat vind ik zelf een van de sleutels. Een andere is tijd. Dat heb ik mezelf in de loop van de jaren steeds meer gerealiseerd.” Kunt u dat uitleggen? “Niemand heeft het in de discussie over een dergelijk plan erover dat de kwaliteit verslechtert als je nóg een jaar wacht. Puur omdat de miljoenen je tussen de vin­ gers doorglippen. Als je drie, vier jaar langer over zo’n discussie doet, zoals in het geval van Rijnboog, dan kost je dat vele miljoenen. Ik kan niet precies inschatten hoe hoog dat bedrag is – ik weet niet precies welke investe­ ringen er allemaal gedaan zijn –, maar het moet om vele miljoenen gaan.” Dan gaat het om plankosten, kosten van amb­ telijke ondersteuning, maar ook de stijging van bouwkosten… “En de renteontwikkeling. Dat gaat om de rente die wordt berekend over je gekochte bezit. Je koopt panden met geleend geld en het duurt heel lang voor je iets terug­verdient. Ondertussen blijven je kosten stijgen en dat gaat heel hard. Je kunt door tijdverlies je plan zelf kapotmaken. Ik merk dat dit aspect in de discussie nau­ welijks een rol speelt, maar het kost goud geld. Blijkbaar realiseert niemand zich dat je dat aan het eind van de rit moet terugbetalen. Ofwel door extra miljoenen in het project te stoppen, ofwel door concessies te doen aan de kwaliteit.” Volgens wethouder Roeland Kreeft zijn die kosten op te vangen met de rente over de rijkssubsidies die de gemeente Arnhem al op een bankrekening heeft staan. “Maar draai het nou eens om. Als je dat geld in het plan kunt stoppen in plaats van in de oplopende kosten, dan is dat pure kwaliteitswinst. Je hoeft er de gemeentebe­ groting misschien niet mee te belasten, maar het gaat absoluut ten koste van de kwaliteit.” Waarom is het Paradijsplan van Sjoerd Soeters voor de zuidelijke binnenstad eigenlijk nooit uit­ gevoerd? “In de kern omdat wij niet overtuigd waren van de kwa­liteit. De noord-zuidrelatie was op een goede manier opgelost, maar de oost-westrelatie niet. Er was geen verbinding tussen de Markt en de Weerdjes. We wilden het idee niet weggooien en daarom hebben we Soeters gevraagd of hij samen met Ben van Berkel het Paradijs­ plan en de plannen voor Arnhem Centraal aan elkaar kon breien om de problemen op die manier op te lossen.Toen ontstond er iets heel geks, want die twee architec­ten heb­ ben compleet botsende stijlen. Letterlijk botsende stijlen. Ik zag gewoon dat het niet werkte. Soeters en Van Berkel hadden bijna weerzin om met elkaar dat soort klussen op te pakken. Dat ging gewoon niet. Het resultaat was ook niet optimaal en toen is Manuel de Solà-Morales benaderd.”

Is hij gevraagd door de gemeente Arnhem of lag het initiatief bij de marktpartijen? “Aan het begin van het proces hebben we een selectie gemaakt van de ontwikkelaars met wie we in zee wilden. Een aantal van hen had zich daar enorm voor ingespan­ nen. Ik wilde niet alleen ontwikkelaars, ik wilde ook een aantal beleggers die duurzaam in het gebied aanwezig zouden blijven. Dat vond ik erg belangrijk. Vervolgens hebben we gefilosofeerd over welke ontwer­ pers we wilden hebben. Het is een gebied met heel veel potentie, waarvoor we mensen van wereldklasse nodig hebben, was de gedachte. Dat resulteerde in een lijstje met zo’n tien namen, waarvan er uiteindelijk drie over bleven. Solà-Morales stond bij die beste drie en we besloten om eerst te proberen hem aan boord te krijgen. Met een de­ legatie bestaande uit ontwikkelaars en ambtenaren ben ik toen naar Barcelona gegaan, en hebben we met hem gesproken. Wij dachten dat we daar in een prachtig en pompeus kantoorgebouw terecht zouden komen met in grote letters ‘Manuel de Solà-Morales’ op de gevel en vijfhonderd mensen aan het werk. Maar hij bleek kan­ toor te houden in een veredelde garagebox, een soort pijpenla, waar vijf, zes mensen werkten. Hij heeft dat later wel uitgelegd. ‘Ik had wel een groot bureau kunnen hebben, maar als ik die kans had aange­ grepen, dan zou mijn naam als ontwerper gestempeld worden op een heleboel gebouwen die ik nooit gemaakt heb. En dat wil ik niet’, zei hij. Hij wilde zélf zijn eigen ontwerpen maken. Hij had alleen mensen in dienst die hem ondersteunden bij het uitwerken van zijn ont­ werpen.” Hoe verliep dat gesprek? “We hebben toen een zeer inspirerend onderhoud gehad. Ik kan me dat gesprek nog heel goed herinneren, want ik heb er naderhand heel vaak aan teruggedacht. Hij zat tegenover me, en we hadden net de vraag gesteld of hij in Arnhem aan de slag wilde. Wij dachten: als we keurig de rekening betalen, wil hij dat vast wel. Maar hij keek eerst heel lang naar de papieren en vervolgens keek hij mij aan. Er viel een stilte van misschien wel een minuut, en dat is in zo’n gesprek heel lang. Toen het antwoord geleidelijk aan kwam, bleek dat hij grote aarzelingen had om de klus aan te nemen en dat hij het waarschijnlijk niet zou doen. Dat verbaasde mij eerst, maar hij had er een paar argumenten bij: het was een buitengewoon complexe opgave in een zeer com­ plex deel van de stad. Dat was hem na een korte analyse al wel duidelijk. Dit vraagt een ontwikkeling – van het moment van bedenken tot het realiseren van de eerste gebouwen – van enige tijd, ook gezien de ingewikkelde regelgeving in Nederland. ‘Moet je eens kijken hoe oud ik dan ben’, zei hij. ‘Als ik ergens energie in steek, wil ik het resultaat ook zien. Ik twijfel eraan of dat in dit geval gaat lukken’. Als tweede argument noemde Solà-Morales de Neder­ landse bestuurcultuur, waar hij wel enige ervaring in had. Het is heel moeilijk om daar een consistente lijn in

22


te ontdekken, vond hij, met mensen die na een paar jaar al weer van het toneel verdwijnen. Op dat moment keek hij mij nadrukkelijk aan. Hij zei: ‘Ik zou het met jou wel aandurven. Maar hoe lang blíjf jij nog?’ Die vraag stelde hij letterlijk. Ik krijg soms nog tranen in de ogen als ik er aan denk. Op dat moment dacht ik: natuurlijk blijf ik. Ik heb deze ambities, ik wil dit waarmaken. Toen ik solliciteerde naar het burgemeesterschap van Lei­ den, en ik ook werd aangenomen, moest ik Solà-Morales gaan uitleggen dat ik tóch wegging. Dat was een van de moeilijkste momenten. Het voelde ook een beetje als verraad in zijn richting. Solà-Morales deed in dat eerste gesprek al een aantal heel rake observaties. Dat we hem toch hebben overgehaald, vond ik fantastisch.”

Rijn­boog ook kunnen gebeuren, als je het plan van SolàMorales zou doorzetten.” Geldt dat ook voor zijn verkeersoplossingen? “Daar had hij het wel moeilijk mee, vooral met die spag­ hetti aan infrastructuur bij de Nelson Mandelabrug. Hij stelde de voetganger centraal en koos ervoor om de busbaan van de brug af te ‘zagen’. Als je de belevings­ waarde van de stad centraal stelt, had hij daar ook gelijk in. Hij heeft mij daarvan wel kunnen overtuigen. Ik merkte eigenlijk ook dat het hele verhaal helemaal niet zo moeilijk communiceerbaar was. Ik heb in die tijd duizend, misschien wel tweeduizend mensen rond­ geleid. Elke week had ik twee groepen van zo’n 20, 25 Arnhemmers die willekeurig werden uitgenodigd. Dan hield ik een verhaal over Rijnboog en de redenen waar­ om we met de stad aan de gang wilden. Lichtte de visie toe: waar willen we met de stad heen? Welke identiteit wil je voor je stad en welke ingrepen zijn dan nodig? Dat was een soort algemeen verhaal. Vervolgens ging het dan over het Rijnbooggebied. Hoe voel je je daar, wat heeft het voor betekenis? We begonnen altijd in het Informatiecentrum Arnhem Centraal in de Bergstraat, Vervolgens maakten we een wandeling door de stad en gingen we met de lift naar boven in de toren van de Eusebiuskerk.”

Waarom is hij ondanks zijn aanvankelijke bezwa­ ren dan toch overstag gegaan? “Doordat wij allemaal benadrukten dat we er helemaal voor wilden gaan en dat we helemaal niet van plan wa­ ren om van koers te veranderen. Ik heb zelf gezegd dat ik geen plannen had om er aanstonds mee op te houden.” En toen heeft hij toegehapt? “Ja.” Solà-Morales heeft toen het masterplan gemaakt en… “Ik weet nog dat hij met de eerste schetsen kwam en dat ik de allereerste keer die haven zag. De angst sloeg me om het hart. Ik dacht: wat doet-ie nou? Een brute ingreep in de stad. Mijn eerste neiging was: dit gaat hele­maal fout, dat mag niet. Dit is dramatisch voor de stad. Hoe kan ik nou zo’n groot man tegenhouden? Hoe kan ik hem op andere gedachten brengen? Totdat Solà-Morales begon te vertellen wat de achtergrond van het idee was en waarom hij met die haven was gekomen. Na verloop van tijd dacht ik: verdraaid, die man heeft gelijk. Je hebt op de kop van de haven een focuspunt nodig om mensen naar toe te trekken en je moet een automatische gelei­ ding naar de rest hebben. Op die manier kun je op een natuurlijke manier de afstand tussen binnenstad en Rijn overbruggen. Het is een fantastisch plan. Echt fantastisch. Er was nog een tweede element. Waar zijn we in Arnhem nou zo verschrikkelijk trots op? Dat zijn allemaal grote, kwalitatief goede ingrepen die met een zekere brutaliteit ten opzichte van het verleden zijn uitgevoerd. Neem nou de singels. Die zijn aangelegd terwijl de oude stadsmuren en alles wat daar omheen zat totaal vernie­ tigd werden. Als je daar met het monumentenbeleid van nu in je achterhoofd naar kijkt, was dat een ingreep van ongekende orde. Dramatisch, had natuurlijk nooit mogen gebeuren. Maar hoe trots zijn we wel niet op die singels? En waarom? Omdat het nieuwe ook een hoge kwaliteit heeft, misschien wel beter is dan wat er was. Dus je mag zoiets wel doen, maar dan moet kwaliteit voorop staan. Datzelfde principe zie je op meer plekken terug. Als je sterke ingrepen doet in een landschap en ze zijn goed, kun je daar trots op zijn. En dat had in

Hoe ervoer u dat? “Ik vond het fantastisch, ik merkte ook helemaal geen weerstand. Het was niet zo moeilijk om mensen ervan te overtuigen dat er iets moest gebeuren. Tot de verkie­ zingen van 2002 was ook het politieke draagvlak voor het plan behoorlijk groot. Men vond het een fantastische gedachte. Na de Tweede-Kamerverkiezingen in dat jaar, die mede als gevolg van de moord op Pim Fortuyn zo dramatisch waren verlopen, ontstond een voor bestuurders zeer ang­ stige periode. Ik kreeg dreigbrieven en er was een grote weerzin tegen al diegenen die ergens bestuurder van waren. Ik heb daar niet slecht van geslapen, maar de sfeer was dreigend. De verkiezingsuitslag was ook heel raar, met heel rare uitschieters. In de raad, waar op dat moment ook de omschakeling plaatsvond van monisme naar dualisme, ontstond erg de neiging om positie te kiezen tegen alles wat voor die tijd gold als prestigepro­ ject. Er ontstond in de raad echt oppositie tegen het Rijnboogplan. Ik vond dat in het begin wel uitdagend, want in de periode ervoor was er nauwelijks tegenstand. Ik vond het eigenlijk wel leuk om te kijken hoe ik de raad weer achter het project zou kunnen krijgen. Dat is ook in redelijke mate wel weer gelukt. Het aardige is dat het tussen die verkiezingen en eind 2002 ingezonden brieven regende in de krant van mensen die zeiden: ‘Wat een gezeur. Het is een prachtig plan, je moet ermee doorgaan’. Dat maak je nóóit mee. Er waren dus heel veel mensen overtuigd van de basis­ gedachte van het plan. En het was geen geregisseerde actie. Hád ik het geregisseerd, dan had ik het briljant gevonden.

23


Uiteindelijk is de gemeenteraad ook weer meegegaan in het verhaal. Eigenlijk heb ik daarna alleen maar het gevoel gehad – maar ik krijg natuurlijk niet meer alles mee – dat het project geleidelijk aan in de versukkeling raakte. De spirit is weg.” Wat zijn daarvan de oorzaken, volgens u? “In mei 2006 bleek dat men zich had verrekend aan de waarde van het onroerend goed en ontstond er een gat. Toen kwam er een herdefinitie van het plan, maar het was ook mogelijk geweest om de eerste fase van het pro­ ject kleiner te maken en te beginnen met de onderdelen die wel te realiseren waren. Ik denk dat ik daarvoor had gekozen. Doen. Als je wat kunt laten zien, krijg je ook weer spirit voor de rest van het plan. Bovendien hadden we toen al heel veel vastgoed verworven. Ook om de kosten niet verder te laten oplopen, was het goed ge­­ weest om vast te beginnen. Het is jammer dat het zo gelopen is. Het plan is overgedragen aan uw opvolger Sander van Bodegraven en… “Kijk, volgens mij maakt het uit of je een plan overneemt of dat je aan de wieg hebt gestaan van zo’n project. Daar zit een verschil in, ook als het gaat om de identificatie ermee. Bovendien is Sander van Bodegraven een ander mens dan ik ben. Voor mij staat heel sterk de visie, de koersbepaling voorop: wat wil ik bereiken? Het proces is voor mij secundair.” Stel dat Manuel de Solà-Morales niet in Barcelona had gewoond, maar pakweg in Doorwerth en hij had iedere week als vaandeldrager mensen kun­ nen overtuigen van zijn plan, was dat dan beter geweest? “Als hij de vaandeldrager zou zijn wel. Maar ik denk dat de architect van een plan als Rijnboog in de Nederlandse situatie maar beperkt vaandeldrager kan zijn. Het helpt wel. Als hij een goed en geïnspireerd verhaal kan houden, dan kan hij mensen enthousiasmeren. Maar je hebt ook anderen nodig. In de politiek – en dan gaat het even niet om Arnhem, maar over het landelijke beeld – missen we op dit moment mensen die vanuit een visie een stad besturen. Stadsbestuurders zijn proces­ begeleiders geworden. Dat zie je op heel veel plekken in ons land. Er zijn nog maar heel weinig mensen die op basis van visie durven te besturen. Het commentaar vanuit de gemeenteraden is in extreme mate proces-ge­ oriënteerd. Het gaat bijna niet meer over de inhoud. Als je de bewoners er goed bij hebt betrokken als je de proces­ stappen keurig hebt gezet, dan is een plan al goed.Waar het met de stad naartoe moet en waaróm het zo moet, en dat het soms wel eens goed is om met een ingreep tegen de heersende mode in te gaan omdat het goed is voor de toekomst, dáár komen ze niet verder mee.” Hoe zou je dat kunnen doorbreken? “Ik zou het niet weten. Ik hoop dat de mensen met visie weer opstaan. Het ligt niet aan het stelsel, het ligt aan

de bravoure waarmee mensen iets willen. Het gaat niet om hard roepen, want dat kunnen we nog wel. De men­sen die er ook hard aan willen sleuren om iets te bereiken, worden steeds schaarser. Het is natuurlijk ook wel erg ingewikkeld geworden. Voor je zo’n ontwikkeling van de grond hebt… Als je de complexiteit van een bestemmingsplan van begin jaren tachtig vergelijkt met een bestemmingsplan van 2009, dan zie je een dramatisch verschil. Het is vijftig tot honderd keer zo ingewikkeld geworden. Om iedere hoek ligt een bananenschil waarover je kunt uitglijden. Daarom snap ik ook wel een beetje dat de nadruk steeds meer op het proces is komen te liggen.” Even terug naar Rijnboog, want daar is de afgelo­ pen jaren eigenlijk weinig te bespeuren van die langetermijnvisie, van enthousiasme voor het plan. “En het is zó geweldig, zó geweldig! Ik zou nog graag op de barricades gaan om uit te leggen waarom dit plan zo geweldig belangrijk is voor de stad. Arnhem ligt op een fantastische plek. Het is in alle opzichten een stad om van te houden. Dit deel van de stad is nog een oude wond, en die moet geheeld worden. Daar moeten ele­ menten zijn waar de Arnhemmers trots op kunnen zijn. Dat is niet gemakkelijk. Maar dat moet je, middels een stevige ingreep, wel voor elkaar zien te krijgen. En als je dat verhaal goed kunt vertellen, dan kun je mensen weer enthousiast maken. Je kunt duidelijk maken dat het karakter van de stad in de loop van de tijd veranderd is. Arnhem is nog steeds een centrumstad, maar inmiddels wel samen met Nij­megen. Alle grote bedrijven, met duizenden werkne­ mers zijn uit de stad weg. Je moet dus nadenken over de manier waarop Arnhem in de toekomst zijn rol als centrumstad op het gebied van werkgelegenheid en economie wil vervullen. Die fabrieken komen niet meer terug. De stad heeft geen grote kenniscentra waarvan je de spin-off kunt benutten. Arnhem moet het hebben van zijn regionale functie als kantoorstad. Die functie is sterk, zal sterk blijven en die kun je verder stimuleren. Dan heb je servicegerichte instellingen zoals ziekenhui­ zen en de rest bestaat uit publieksgerichte commercie: winkels. Arnhem heeft een zeer sterke winkelfunctie en die zou je verder kunnen uitbouwen. Ik zie eigenlijk geen andere strategie voor de stad. Daar moet je zwaar op inzetten. In Rijnboog heb je een unieke mogelijkheid om daar ruimte voor beschikbaar te stellen en die functie krach­ tig te ontwikkelen. Daarvoor heb je spannende dingen nodig. De Arnhemse binnenstad is mooi, maar alleen door een spannende toevoeging kun je de groep men­ sen die naar je stad komt vergroten. Die komen naar de stad voor een belevenis. Niet voor een spijkerbroek. Die kun je ook in Duiven en Westervoort halen, en in Kronen­ burg. Je gaat naar de binnenstad voor de beleving van die oude stad en alles eromheen. In Rijnboog kun je iets toevoegen aan die beleving. Daar gaat het om.”

26


Is het Kunstencluster een idee van Manuel de SolàMorales of leefde die wens al binnen de gemeente? “Dat heb ik zelf als programmawens bij het Paradijsplan ingebracht. Als je in dat gebied een aantal sterke publieks­ trekkers hebt, en de bibliotheek was daarvan voor mij de belangrijkste, dan wordt het voor andere, commer­ ciële functies interessant om zich daar ook te vestigen. In de loop van de tijd is dat idee ontwikkeld tot het Kunsten­ cluster. Schouwburg en Filmhuis zaten in mijn tijd bewust niet in het plan. Dat vraagt namelijk allemaal publieke investeringen. Dat vonden we niet verstandig. Die moet je als gemeente zelf betalen.”

Uiteindelijk heb ik ingezet op liquidatie van die samen­ werking. Maar dat was best lastig, want we hadden voor de eeuwigheid onze ziel en zaligheid verkocht aan de Rijnoeverpartners. Zij hadden voor eeuwig het eerste recht op dit gebied. Uiteindelijk heeft Chris Jagtman (toen directeur van Amstelland, het huidige AM) de zaak opengebroken. Hij wilde afstand doen van de rechten, om op goede voet met de gemeente te blijven en ook in de rest van de stad zaken te kunnen doen. Hij zag ook in dat er in de zuidelijke binnenstad geen droog brood viel te ver­ dienen. Uiteindelijk hebben we in alle redelijkheid de samenwerking beëindigd. Amstelland is zich toen gaan concentreren op het Coberco-terrein. Dat lag buiten het gebied.”

Hoe is het Paradijsplan destijds tot stand gekomen? “Ik ergerde mij altijd enorm aan de kwaliteit van het Kerkplein en de directe omgeving. Die was volgens mij vooral te wijten aan de gebouwen rond het plein en niet zozeer aan de vorm, zoals ook wel werd gezegd. Die ‘wand’, te vergelijken met de muur van een kamer, is niet aangenaam om naar te kijken. In een kamer trekt de muur veel meer de aandacht dan de vloer en het pla­ fond. Als die muur van een zeer povere kwaliteit is, dan is de belevingswaarde gering. De gebouwen zijn te laag en hebben te weinig expressie voor die plek in de stad. We hebben nog even gedacht om het op een goedkope manier op te lossen met ‘voorzetgevels’, maar toen ont­ stond het idee van een grootschalige ingreep. Als je in het achterliggende gebied functies kunt toevoegen, heb je niet alleen het probleem van het Kerkplein opgelost. Dan heb je tegelijk een instrument in handen om met de binnenstad de stap naar de Rijnkade te maken. Zo is het idee ontstaan. Toen daar in de gemeenteraad wel draagvlak voor bleek, zijn we ermee aan de slag gegaan. Zo kwam Sjoerd Soeters in beeld, wiens filosofie ik overigens fantastisch vind. Zijn manier van ontwerpen spreekt mij zeer aan.”

Nog even terug naar Rijnboog. Was het met dat project anders gegaan als Henri Lenferink geen burgemeester van Leiden was geworden? “Misschien. Je moet nooit zo aanmatigend zijn door te denken dat je in je eentje het verschil maakt. Maar het maakt natuurlijk uit.” Toch een beetje spijt? “Ik hou verschrikkelijk veel van Arnhem. Steeds als ik er kom, springt mijn hart op. Ik vind het jammer dat sommige dingen er niet van de grond komen. Er zijn natuurlijk ook projecten wel gerealiseerd. Zo ben ik buitengewoon trots op de binnenstad. Als ik het rapport over Beste Binnenstad 2007-2009 lees, dan zie ik de filosofie waarmee we het centrum hebben opgeknapt. Dat is achteraf heel goed gelukt. Ik ben trots op het Musiskwartier, op Monnikenhuizen, en op Malburgen – misschien wel het belangrijkste. Wat dat betreft is het misschien toch goed om te zeggen dat ik er altijd naar heb gestreefd, ook bij Rijnboog, om behalve een visie ook een goed gevulde portemonnee te hebben. Toen het ontwikkelingsplan Malburgen werd aangenomen, kon alles wat daarin stond ook worden uitgevoerd, inclusief de drie brede scholen, de sloop van oude woningen, de nieuwbouw en een nieuw park. Alles was afgedekt en dat heeft vleugels gegeven.”

Hoe verhield het Paradijsplan zich tot de plan­ nen die er daarvoor al waren? Waren die toen niet meer aan de orde, zoals de Rijnoeverplannen? “Nee. Die beschouw ik als een historische vergissing. Niet zozeer vanwege de inhoud. Er zaten best goede elementen in en heel veel van die elementen vind je in latere plannen ook weer terug. Een deel van die ideeën kwam trouwens ook weer uit eerdere plannen. Toch was het een zot plan, omdat het de werkelijkheid vol­­ strekt negeerde. Samen met marktpartijen was een plan gemaakt gebaseerd op de ontwikkelingspotentie en de winstpotentie van Stadsblokken, terwijl geen van de par­ tijen eigenaar was van dat gebied. Stadsblokken was in handen van Breevast, en dat wilde het niet voor een appel en een ei overdragen. Daar hebben we ook later nog last van gehad, want vervolgens moesten de markt­ partijen uit het Rijnoeverplan hun geld verdienen aan de noordoever. Maar daar was, met de bestaande be­ bouwing daar, niks te verdienen. Sloop en nieuwbouw is vrijwel nooit rendabel. Dus wat gebeurde er? Niets. Jaar in, jaar uit: niets.

Na Leiden weer terug naar Arnhem dus? “Ja, ik vind het er fantastisch. Arnhem trekt echt. De mensen in Arnhem moeten óphouden met zeuren. Ze moeten trotser zijn. Er is heel veel om trots op te zijn.”

27


INTERVIEW SANDER VAN BODEGRAVEN

‘WE HADDEN DAT RIJNBOOG­ REFERENDUM GEWOON MOETEN HOUDEN’ Sander van Bodegraven is een fan van het Rijnboogplan van het eerste uur. Als wethouder was hij geen voorstander van een referendum over de omstreden haven, maar nu denkt hij daar anders over. “Misschien hadden we dat toch gewoon moeten doen.” Onze zoektocht spitst zich steeds meer toe op het Rijnboogproject. U komt daarbij in beeld als de opvolger van Henri Lenferink als wethouder van Ruimtelijke Ordening. Een van de problemen die genoemd worden als het gaat om de Gordiaanse Knoop is continuïteit, ambtelijk, maar ook be­stuur­lijk. Hoe gaat dat eigenlijk als je arriveert als nieu­ we wethouder? Hoe gaat zo’n kennisoverdracht? “Volgens mij was de wisseling van de wacht bij Rijnboog wel op een natuurlijk moment. Toen ik aantrad was de raad net uitgestudeerd op het schetsboek en de vragen over een halve haven of een referendum waren beant­woord. Volgens mij kreeg het college van B en W tijdens de eerste commissievergadering waar ik mocht aanschuiven van een ruime meerderheid in de raad de opdracht een masterplan te maken met een hele haven op basis van het schetsboek. En die overdracht… Ik kende het project als toeschouwer. Ik weet nog dat de eerste illustraties van het plan in de krant stonden en dat ik dacht: dit is het! Ik vind het mooi dat Manuel de Solà-Morales het idee gewoon omdraaide. Niet de stad naar de Rijn brengen, maar de Rijn naar de stad. Ik ben daar vanaf het begin enthousi­ast over ge­ weest. Henri Lenferink heeft me een paar uur bijgepraat, zoals ik Roeland Kreeft weer heb geïnfor­meerd. Verder komt de informatie vooral van ambtenaren. En af en toe bel je elkaar nog eens, als je bepaalde informatie nodig hebt, als mensen zich beroepen op afspraken met de vorige wethouder.” Is het voor grote projecten als Rijnboog lastig, zo’n wisseling van de wacht: weer een nieuwe wethou­ der, weer een andere projectleider? “Soms is het ook wel goed. Ik zie Roeland Kreeft nu met groter gemak een aantal dingen bewerkstelligen die ik zelf niet meer had kunnen doen. Het kan ook een positie­ ve kant hebben. Kreeft heeft Rijnboog weer sterker op de schouders van de raad neergezet: ‘Dit is een plan waar u als raad keuzes over moet maken’. De gemeenteraad

was het project vooral als míjn sores gaan beschouwen. Dat heeft Roeland Kreeft nu omgedraaid. Zo kan een nieuwe bestuurder een beetje lucht geven.” Werkt dat ook zo op het niveau van de ambtelijke ondersteuning? “Elke vier jaar zit er in principe weer een andere wet­hou­ der. De vraag is of dat erg is als er een goede ambtelijke structuur is. Dat zorgt voor continuïteit. We hebben in het verleden ook bewust gekozen voor andere projectlei­ ders, om vernieuwing in het proces te brengen.” Hoe komt het dat Rijnboog zoveel weerstand oproept? “Ik denk dat we met elkaar één belangrijke procesfout hebben gemaakt – dat was eigenlijk vlak voor mijn aan­ treden al gebeurd –, dat het te veel over de details ging. Het was beter geweest als het Masterplan Rijnboog niet als een soort stedenbouwkundig plan zou zijn gepresen­ teerd, maar veel meer als een visie waar we langzamer­ hand naar toe zouden moeten. Daar heb ik zelf ook aan meegedaan. Het beeld dat het een plan in wording was, heb ik alleen maar versterkt. We hadden flexibele deel­ plannen moeten maken en die stukje bij beetje uitvoe­ ren op het moment dat er geld voor was, om zo de visie over de stad te kunnen uitrollen. We zijn te veel gefocust geweest op de details van het plan.” Ontstond daardoor meer weerstand, door de grote schaal van het plangebied? “Ja. Als je alleen al naar de plattegrond van het master­ plan kijkt, krijg je de indruk dat het bijna een steden­ bouwkundig plan is. Terwijl het niet meer is dan een eerste oefening om te kijken wat je met de stad wil en je eerst nog moet nadenken hoe je dat gaat betalen.” Hoe zou je dat wel op een goede manier kunnen doen? “Je moet veel meer uitgaan van een visie en detailvragen uitstellen tot die bij de deelgebieden aan de orde komen. Natuurlijk is er een aantal belangrijke vragen – kwesties die nog steeds spelen – zoals die van de verkeersafwikke­ ling. Die moet je beantwoorden, daar zijn principiële keuzes voor nodig. Maar de exacte plek van het cultuur­ cluster bijvoorbeeld, dat is allemaal wat minder relevant

28


als het gaat om de vraag of je zo’n masterplan wel of niet wilt uitvoeren. En je kunt wel alles in een keer wil­ len oplossen, maar je kunt bepaalde zaken ook gewoon zijn gang laten gaan. We hadden ons meer moeten concentreren op de kern van het Rijnbooggebied en het Coehoorngebied, uitgezonderd de looproute naar de binnenstad, even kunnen laten voor wat het was. Wat daar nu staat, richting ArtEZ, is ook weer niet heel erg slecht.”

de vraag of Arnhem dat allemaal wel kan betalen en of we het wel kunnen managen. De discussie gaat uiteindelijk tussen mensen in deze stad die vinden dat Arnhem moet worden opgestuwd in de vaart der volkeren en de ‘remmers’ die vinden dat er eigenlijk helemaal niet zoveel mis is met de stad: ‘Waar­ om moet dat allemaal veranderen?’. Dát is volgens mij de essentie van de discussie. En die heeft zich gericht op de haven vanuit de gedachte dat als de haven uit het plan zou verdwijnen, ook de bodem onder het plan zelf vandaan zou vallen. En dat is natuurlijk ook zo: het is de kern van het plan. Als je de haven eruit haalt, heb je geen plan-Rijnboog meer.”

Worden de marktpartijen die in dat deel van de stad allerlei plannen voor hoogbouw hebben dan niet heel erg ongeduldig? “Bij tijd en wijle wel, maar volgens mij wel vanuit een drive. Rijnboog komt natuurlijk voort uit de toekomst­ visie Arnhem 2015 – waar wil je naartoe met de stad, waar wil je in 2015 staan. Een van de belangrijke op­­gaven daarin was de schaalsprong die Arnhem zou moeten maken naar een meer gevarieerde samenleving. De stad zou ook in aantal moeten groeien, maar dat was eigen­ lijk wat minder belangrijk. Voor die variatie heb je een plek nodig voor hoogwaardig wonen, zoals het centrum van de stad. En dat helpt bij het realiseren van een plan als Rijnboog, want aan dure appartementen verdien je nu eenmaal meer dan aan sociale huurwoningen. En als dat een doel dient dat je jezelf als stad hebt gesteld, dan is daar niks op tegen.”

Vond u het moeilijk dat de architect, Manuel de Solà-Morales ver weg in Spanje zat en een andere taal sprak? “Nee, afstand speelde geen rol. Waar we wel last van hadden, is de manier van werken die in Spanje anders is dan in Nederland. Daar zijn architecten en steden­ bouwkundigen nog echte ‘bouwheren’, die eigenlijk niet zo heel veel verstand hebben van de proceskant. Die kennis moest vooral van anderen komen. SolàMorales zette eigenlijk een stap te ver, maar ik heb me laten vertellen dat het in Spanje gebruikelijk is om zo te werken. Daar hebben we – maar dat zei ik eerder al – wel last van gehad. Het was ook een probleem dat hij vanwege de taalbarrière het plan moeilijker kon uitleggen. Een Nederlander had daar gemakkelijker mee kunnen manoeuvreren, die had het verhaal gemakkelijker kunnen vertellen. In dit geval betekende het voor mij als bestuurder dat ik antwoord moest geven op vragen die eigenlijk door de stedenbouw­ kundige beantwoord zouden moeten worden, door de maker van het plan.”

Is hiermee dan de weer­ stand in de stad tegen het Rijnboogplan verklaard? Het is als een te groot plan gepresenteerd? “Voor een deel is dat het ant­woord. De tegenstanders zeggen almaar: ‘Het is een megalomaan plan waarmee je de stad finan­ cieel kapotmaakt’. Maar als je kunt uitleggen dat het een visie is waar je langzamerhand naar­ toe wilt en waarbinnen ruimte is om in latere fases zaken bij te stellen, dan is daar volgens mij niet zoveel mis mee. Daarmee haal je ook een deel van de weer­stand weg.”

Sander van Bodegraven (PvdA) was wethouder Ruimtelijke Orde­­ning in Arnhem van 2003 tot 2008. Sindsdien doet hij advies­ werk, onder meer voor minister Eberhard van der Laan voor Wonen, Wijken en Integratie. Foto: Hans Broekhuizen / de Gelderlander

Een andere ‘maker’ van het plan is natuurlijk uw voorganger Henri Lenferink. Hij vraagt of het uit­ maakt of je werkt aan een plan dat van jezelf is of van een ander. “Ik heb nooit echt het gevoel gehad dat het plan-Rijn­ boog niet van mij was. Ik was het eens met het concept ervan, en daarmee was het ook mijn plan. Er is wel iets anders: toen in 2002 voor het eerst de vraag rees van een referendum over het plan, hadden we volgens mij enthousiaster moeten zijn. Dat wil zeggen, Henri Lenferink en zijn mensen. Dat was wel hét moment dat je een referendum had moeten houden. Achteraf denk ik wel eens: ik had dat referendum gewoon in 2003 moeten houden, dan was die knoop in ieder geval doorgehakt. En krijg je dan een ‘nee’, dan is dat maar zo.”

Uiteindelijk is het plan nu ook opgeknipt in delen. Terwijl in betrekkelijke rust wordt gewerkt aan Bartokblok, Paradijs en Kenniscluster, richt alle oppositie zich op de haven. “Dat is een on-Arnhems plan, zou je kunnen zeggen. Het is zo gedurfd dat het de denkwereld van veel Arnhem­ mers te boven gaat. Het is de vraag of het niet gewoon een stap te groot of te ver geweest is. Ik denk dat de weerzin vooral voortkomt uit de omvang van het plan,

Maar dan was de vraag ‘ja of nee’ ook voorgelegd? “Ja. Later, toen de raad met tweederde meerderheid had ingestemd, vond ik dat we niet ook nog een refe­ rendum moesten gaan houden over het plan. Daar moet je op enig moment mee ophouden. Dat besluit was toen genomen.”

29


Is dat iets Arnhems, dat de weerstand tegen het plan ondanks allerlei besluiten in de gemeente­ raad steeds weer de kop opsteekt? “Niet alleen in de raad. Soms denk ik wel eens dat de raad zijn eigen weerstand organiseert door steeds op te roepen om aan de wortels van dat plan te gaan zagen. Wat mij wel een beetje verbaast is dat de oppositie zich niet neerlegt bij een besluit dat is genomen door een tweederde meerderheid en in het vervolgtraject niet probeert om datgene te bereiken dat je eigenlijk via een ander plan had willen bewerkstelligen. Er zijn steden waar dat veel beter lukt, zoals in Almelo. Daar is ook een masterplan aangenomen en dat wordt nu stukje bij beetje – ondanks wisselingen in de lokale politiek – ge­ woon uitgevoerd. Daar zetten ze de schouders eronder met het doel de stad te verbeteren.” Komt dat doordat het algemeen belang te weinig in ogenschouw wordt genomen? “Ja, ik denk dat in de discussie het uitgangspunt te veel uit het oog werd verloren: waarvoor doen we het ook al weer, Arnhem 2015. Nu zie je allerlei elementen weer opduiken, zoals in de rapporten van Marlet, over de slechte sociale staat van de stad, en NICIS, dat pleit voor een omslag in het bouwen van kwantiteit naar kwaliteit.” De stad lijkt verdeeld over die ambitie. De ene groep wil de stad ontwikkelen, terwijl anderen het liefst zoveel mogelijk bij het oude laten. “Ja. Ik heb Arnhem altijd geprezen voor Arnhem 2015. Dat beeld hadden we beter vast moeten houden, we had­ den betere verbanden moeten aangeven tussen Arn­hem 2015 en de projecten waarmee we bezig zijn. We had­ den beter oppositie moeten voeren tegen de behoudende krachten in de stad. Want de afspraken van Arnhem 2015 liggen er gewoon. En bij de ambitie die toen is afgesproken, hoort ook een schaalsprong. Daar hoort ook hoogbouw bij. Ik vraag me af wat daar naar aan is. Een groot deel van de stad is nu zo plat als een dubbeltje.” Het proces is al zo lang bezig, dat het nog maar zelden gaat over het uitgangspunt, namelijk de stad met de rivier verbinden. Moet je dat niet toch steeds weer benadrukken? “Het is een spel geworden tussen oppositie en coalitie. De voorstanders worden steeds in de verdediging ge­ drukt. De discussie zou niet moeten gaan over de vraag óf we het moeten doen, maar hóe we het moeten doen. Dan zou het veel beter lukken om zaken van de grond te krijgen.” Speelt de invoering van het dualisme ook een rol? “In de periode van Henri Lenferink heeft dat zeker een rol gespeeld. Toen zei de raad: ‘Hoezo Rijnboog? Dat willen we eerst wel eens even zien’. En toen werd er een raadswerkgroep geïnstalleerd. Daar heeft het planRijnboog zeker last van gehad.”

Als Lenferink, als grote voorvechter van het plan dan naar Leiden vertrekt, ontstaat dan ook het idee om het met Rijnboog maar eens helemaal anders te gaan doen? “Ik heb het idee dat ik zeker de eerste paar jaar met Rijn­boog wel het voordeel van de twijfel heb gehad. Ik heb laten zien dat ik anders omging met kritiek en daar oplossingen voor probeerde te vinden, maar op een gegeven moment houdt het op. We moesten steeds weer wat weg­geven om het door te raad te krijgen. En als je dan niet uitkijkt, raak je steeds verder weg van je oorspronkelijke doel.” Bent u het eens met de stelling dat de grote bouw­ projecten in Arnhem vastzitten in een Gordiaanse Knoop? “Ik denk dat wat Rijnboog betreft dat zeker zo is, en Rijnboog heeft alweer een opvolger in StadsblokkenMeinerswijk. Daar zie je een beetje dezelfde beweging komen. De conclusie dat die knoop niet te ontwarren is, gaat mij te ver. Rijnboog gaat nu stapsgewijs verder, en als een van de deelplannen straks echt wordt uitge­ voerd, kom je op een point of no return, en volgt de rest ook. Er gaan natuurlijk ook projecten goed. Als je kijkt naar de bouwproductie van de afgelopen tijd en de plannen die in voorbereiding zijn, is er een behoorlijk tempo. Kijk naar de Concertbuurt, Cobercokwartier, Saksen Weimar, maar ook Malburgen en Presikhaaf. Daar gingen we in vier jaar van masterplan naar bestemmingsplan. Dan heb je het gewoon goed gedaan. Die Gordiaanse Knoop valt eigenlijk wel mee, als je zo naar de produc­ tie kijkt.” Is Arnhem niet gewoon met te veel bouwprojecten tegelijk bezig? Moet je je niet focussen op een paar plannen? “Dat hebben ze in Nijmegen ooit geprobeerd, maar het leidde ertoe dat ze niks meer bouwden omdat ze met die ene focus niet verder kwamen. Ik weet niet of dat de oplossing is. Als je kijkt wat er in Arnhem speelt, zijn het vooral transformatieprojecten in gebieden die hun oorspronkelijke functie verloren hebben. En daar zijn vooral marktpartijen actief.” Is er een verschil tussen projecten van particulie­ ren en projecten die door de gemeente worden aangestuurd? Gaat het bij die laatste moeizamer? “Nee, ik denk dat misschien wel het tegendeel het geval is. Een aantal plannen wordt gewoon verknoeid door marktpartijen, zoals bij Onder de Linden, en zo zijn er nog een aantal voorbeelden.” Ondertussen worden er voor de zuidelijke bin­ nenstad al 25 jaar plannen gemaakt en er is nog geen spa de grond ingegaan. Hoe kan dat? “Het is de belangrijkste plek van de stad. Mag daar dan goed over nagedacht worden?”

30


Maar met alleen nadenken kom je er niet. “Het plan Rijnboog is niet alleen te groot, we hebben het ook te ingewikkeld gemaakt.”

waar ze erin slagen een sfeer te creëren dat iedereen de schouders eronder zet. Uiteindelijk levert dat de stad buitengewoon veel gewin op.”

Het werkt beter nu het plan in delen is opgeknipt? “Dat werkt beter. Dat zie je nu ook. Voor zover ik het nu kan volgen lukt het aardig met het Kenniscluster en hetzelfde geldt voor het Paradijsplan. Waarschijnlijk zul je tot het allerlaatst gedoe houden over die haven. Daarvan kun je je afvragen of we daar niet in een veel vroeger stadium een referendum over hadden moeten houden.”

Hoe zou je in Arnhem die sfeer kunnen krijgen? “Op een aantal plekken is het wel gelukt, zoals in Mal­ burgen en Presikhaaf. Kijk naar die processen. Als je er behapbare brokken van maakt en mensen echt laat participeren, leidt dat tot succes.” En hoe zou dat met Rijnboog moeten? “In ieder geval door weer eens terug te gaan naar de vraag: wat willen we nou eigenlijk met elkaar bereiken. Dan moet je weer beginnen bij de visie Arnhem 2015 en van voren af aan beginnen met het planproces.”

Heeft een proces dat zo lang duurt door alle extra kosten die je moet maken geen negatief effect op de kwaliteit van de uitkomst? “Die extra kosten vielen heel lang wel mee, doordat de waarde van het onroerend goed dat de gemeente voor het plan moest kopen sneller steeg dan het rentepercen­ tage. Sinds ongeveer een jaar is dat omgedraaid. Daar moet je je nu dus wel meer zorgen over maken. Maar in de exploitatie van Rijnboog is dat op een goede manier opgevangen.”

Maar hoe zou je op een goede manier verder kunnen zonder weer opnieuw te moeten begin­ nen? Of zijn de verhoudingen daarvoor al te veel ver­stoord? “Rond dit project denk ik wel. Oppositie en coalitie heb­ ben hun positie ingenomen. Als je keer op keer ziet dat een tweederde meerderheid van de raad voor is, moet je dan toch niet op een gegeven moment denken: het moet maar? Door tegen het hele plan te zijn, heeft de oppositie ook nauwelijks invloed op de inhoud ervan.”

U hebt niet alleen grote projecten gedaan, maar ook kleine wijkprojecten. Hoe ervoer u de tegen­ stand daar? “Uiteindelijk is het in de meeste gevallen wel gelukt om tot een plan te komen. De leukste prestatie is het plan Hoogstede-Klingelbeek, waar de bewoners aanvanke­ lijk tegen waren, maar toch op een gegeven moment zeiden: ‘Dan moet het maar zo’.”

U noemde Stadsblokken-Meinerswijk al even als ‘opvolger van Rijnboog’. De gemeente heeft geen randvoorwaarden of idee meegegeven voor de ontwikkeling van dat gebied. Was het niet beter geweest als in die situatie een representatief deel van de bevolking aan dat proces had deelgenomen? “Je kunt het ook omdraaien. Nu is de uitkomst van het proces dat het gebied groen moet blijven. Was dat anders­ om geweest, dan word je ook uit de lucht geschoten. En als dát een meerderheid zou krijgen, blijft dat besluit je ook decennia lang achtervolgen. Dit soort vraagstukken is bijna onoplosbaar. Bij elk plan, groot of klein, moet je jezelf de vraag stellen hoe representatief de groep men­ sen is die zich ertegen verzet. Je ziet altijd alleen maar de mensen die tegen zijn. Het is aan de politiek om daar op een slimme manier mee om te gaan.”

Veel mensen redeneren dan toch uit eigen belang. “Ja, maar dat is voor bijvoorbeeld huiseigenaren natuur­ lijk ook wel begrijpelijk. Het is dan aan de politiek, aan de gemeenteraad, om keuzes te maken in het algemeen belang.” Kan de Arnhemse gemeenteraad dat? “Ik vind dat de gemeenteraad zich zo hier en daar wat teveel laat leiden door individuele belangen.” Speelt de opkomst van Pim Fortuyn en het door hem veranderde politieke klimaat ook een rol, met verkiezingsuitslagen die alle kanten op gaan? “We hebben meer hinder gehad van het Fortuynisme dan van het dualisme. De opkomst van Pim Fortuyn was een grote schok, waardoor de politiek – ook lokaal – enorm gepopulariseerd is. En daar heb je zeker wel last van. Politieke partijen denken dat het electoraal gewin oplevert als ze met alle winden meewaaien. Het popu­ lisme viert hoogtij.” Is dat in Arnhem anders dan elders? “Nee, dat is in Arnhem niet anders, maar je ziet wel grote verschillen tussen steden. Wat in Tilburg rond het Midi Theater is gebeurd, is een beetje vergelijkbaar met Arnhem. Je ziet ook steden, bijvoorbeeld Enschede,

31


INTERVIEW MARTIN VAN MEURS

‘DIE HAVEN, STEEN DES AAN­STOOTS, MÓET UIT HET PLAN’ Hij is een van Arnhems raads­ leden met de meeste politieke evaring. Niet alleen in de raad, maar ook als wethouder. In die hoedanigheid, toen nog voor de PvdA, was Martin van Meurs de voortrekker van het Rijnoeverplan, een van de voorlopers van Rijnboog.

Martin van Meurs was namens de PvdA in Arnhem wethouder Ruimtelijke Ordening van 1982 tot 1990. Sinds 2002 is hij ge­ meenteraadslid van achtereen­ volgens Leefbaar Arnhem en Pro Arnhem. Foto: Bert Beelen

We hebben Sander van Bode­ graven gevraagd een vraag voor u te verzinnen, en die luidt als volgt: ‘Wat is uw grootste zonde en wat is uw grootste verdienste?’ “Mijn grootste zonde – eigen­lijk is het maar een klein dingetje, maar het is datgene waar ik me het meest aan stoor – is het bloe­ menkioskje op de Jansplaats. Dat had een behoorlijke voorgeschie­ denis. Ik heb als wethouder een vangrail dwars over het plein laten zetten om het parkeren tegen te gaan. Dat heeft goed gewerkt. Het plein hoorde, mede door de herinrichting, daarna echt bij het voetgangersgebied van de binnen­ stad. Toen ben ik zo dom geweest om dat stalletje daar neer te zetten. Mensen vinden het hartstikke leuk, maar het hoort daar niet. Elke keer als ik er langs loop, stoor ik mij eraan om­dat het plein vrij hoort te zijn. Mijn grootste verdienste vind ik GelreDome en de bin­nen­ stads­ring. Karel Aalbers kwam met dat plan, maar het moest politiek wel draagvlak krijgen. Ik was eigen­lijk de enige die voor was, ook mijn eigen partij (de PvdA) zag er niets in. Ik heb heel hard moeten ploeteren om dat voor elkaar te krijgen. Ook de VVD steunde het niet, die fractie heb ik moeten overhalen via de eigen achter­ban, die het ondernemen wat meer in het bloed zat dan de raadsleden. Ik ben daar nog steeds trots op. Het stadion is een enorme impuls. Aan de rij artiesten die er optreedt komt maar geen einde. Het is het grootste theater van Nederland en heeft een enorme uitstraling voor de stad. En dat alles is te danken aan het unieke concept van het uitschuifbare veld, in Houston bedacht door Bruil, met het beroemde luciferdoosje als voorbeeld.”

We willen nog even in het verleden blijven en praten over de Rijnoeverplannen. Hebben die een verbinding met het plan dat nu Rijnboog heet? “Die is er absoluut. En die Rijnoeverplannen kwamen ook niet uit de lucht vallen. Ook toen al was de heersende mening dat het zuidelijke deel van de binnenstad niet goed met de rest van de stad verbonden was. Dat is historisch ook wel te verklaren. Het is van oudsher een uiterwaardengebied, buiten de stadsmuren. Pas veel later, in de twintigste eeuw, is er een armoedig buurtje ontstaan, met de Langstraat als een van de armste stra­ten van Arnhem. Ook na de Tweede Wereldoorlog is het niet echt goed gegaan. Precies in die hoek staat de goed­ kope naoorlogse wederopbouwarchitectuur. Dat is ook logisch, want er was geen geld, er was geen materiaal, er was niks. Wat daar staat, is gewoon slecht. Daarom begrijp ik ook niet dat bijvoorbeeld de Rodenburgflat gespaard wordt. Dat is gewoon een ontzettend slecht gebouw, dat zo snel mogelijk neergehaald moet wor­ den. Die flat was al slecht toen-ie gebouwd werd, en meer dan vijftig jaar later moet hij volgens de voorstan­ ders nog steeds gespaard worden. Maar goed, het idee om de stad beter bij de Rijnkade te laten aansluiten, lag er al. Daarvoor waren de looplijnen en de zichtlijnen van belang. Een van de fouten in het plan van Solà-Morales is dat hij voor de Bakkerstraat een bouwblok neerzet, terwijl de route Bakkerstraat-Roden­ burgstraat een van de meest belangrijke zichtlijnen en looproutes vanuit de binnenstad naar de Rijn is. Dat is het ultieme bewijs dat de man de stad niet begrijpt. Wij zijn voor de Rijnoeverplannen in andere steden gaan kijken, ook over de grens. Voor mij waren de London Docks heel belangrijk. Daar lag ook de taak om een stads­ deel bij de rivier te betrekken. Alleen wel een schaal groter natuurlijk. Het was toen hét succesproject van de jaren tachtig. Een ander punt dat mij interesseerde, en dat ook terecht is gekomen in het Rijnoeverplan, was de PPS-constructie die ze in Londen hadden: publiekprivate samenwerking. Dat was toen een nieuw fenomeen. De gemeente zou sa­ men met marktpartijen het Rijnoeverplan gaan realiseren. Een deel van het plan is gewoon uitgevoerd, met name de Rijnkade. De kade was in die tijd een lege vlakte, er was nog geen horeca. Die is er pas gekomen toen we de kade hebben opgeknapt. Het vervallen Rijnoeverhuys bij de Nelson Mandelabrug heb ik voor een gulden verkocht met de verplichting het pand te restaureren,

36


Er liggen al een hele tijd plannen voor de zuide­ lijke binnenstad. Die zijn weer verbonden met het stationsproject tot Rijnboog, maar hoe komt het dat een groot deel van de Rijnoeverplannen nooit is uitgevoerd? “Ik denk voor een deel omdat de publiekprivate samen­ werking op de klippen is gelopen. De marktpartijen in het plan zijn eruit gestapt. Toen het Paradijsplan als logische opvolger kwam, was het aan andere mensen om daar opnieuw over te gaan nadenken.”

en aan de andere kant is de Rijnkade met de Trans ver­ bonden via appartementengebouw Residence Sabelspoort. Dat was daarvoor een braakliggend stukje met een trafo­ huisje. Verder is het gat tussen Rijnkade en Weerdjesstraat bebouwd, wat nu het Bolwerk heet. We hadden het concept De Nieuwe Weerdjes, en dat was al deels gerealiseerd, maar ik vond dat een waardeloos concept. Beneden kijk je in de gapende mond van de parkeergara­ ge en ergens daarboven wonen mensen Toen ik aantrad heb ik meteen gezegd: ‘Daar stoppen we mee’. Ze ver­ wijten mij altijd dat ik niet aan inspraak deed, maar ik heb alle bewoners in de bus geladen om woningbouw­ projecten in Nederland te bekijken. We zijn samen een architect gaan uitzoeken. Aan de Rijnkade hebben we appartementen met daaronder winkels gebouwd. Het moest ook daar levendig worden. Inmiddels zijn er wat kantoren gekomen – het heeft misschien economisch niet goed gelopen –, maar zeker in het begin was die levendigheid er ook. Door die opknapbeurt is dat gaan lopen, zijn horeca-ondernemers zich aan de rivier gaan vestigen. Dat is een resultaat van dat Rijnoeverplan, de Rijnkade zelf. Juist daardoor is voor iedereen nóg duide­ lijker dat je een verbinding moet maken met de binnen­ stad. Dat is wel een aardig spanningsveld. Je weet nu waar je naartoe wilt. Niet meer naar een leeg, rot stuk van de stad, maar naar een Rijnkade die vooral in de zomer perfect functioneert.”

Welke marktpartijen namen deel aan het Rijnoe­ ver­plan? “Bruil, voor de wegenbouw en de projectontwikkelaar was MAB. Amstelland zat er ook in.” En die zijn er later uitgestapt? Zijn er toen andere partijen gekomen? “Ja, zij zijn gestopt, en daarmee hield het ook op. Ik ben zelf in 1990 als wethouder gestopt en heb daarna ook twaalf jaar lang niet in de gemeenteraad gezeten. Mijn directe opvolger Robin Hartogh Heijs is toen met andere plannen aan de gang gegaan. Daar ben ik helemaal niet meer bij betrokken geweest, omdat ik zelfs geen raads­ lid meer was.” Volgens Henri Lenferink was er helemaal geen relatie tussen Rijnoeverplan en het Paradijsplan. “Dat vind ik ook wel. Nadat die samenwerking ophield, zijn andere partijen met het gebied aan de gang gegaan. En die zullen ongetwijfeld het Rijnoeverplan er wel eens op hebben nageslagen, maar dat zal niet meer leiding­ gevend geweest zijn.”

Maar het Rijnoeverplan ging toch ook al over Stadsblokken, en de verbinding tussen het Kerk­ plein en de Rijnkade? “Ja, daar ging het plan ook over. Die discussie over zicht­ lijnen was toen ook gaande. Alleen is dat deel van het plan nooit uitgevoerd. Stadsblokken zat er ook in. Ik ben niet voor een groen Stadsblokken. Ik ben voor een volle­ dig groen Meinerswijk, ook zonder woonboten, want dat betekent gewoon dat je een nieuwe wijk bouwt, met riolerering et cetera. Van Stadsblokken vind ik dat niet. Daar hebben altijd de gebouwen van de ASM-werf gestaan. Mijn idee was altijd om daar een stepping stone naar Arnhem-Zuid te maken, zoals het Île de la Cité in Parijs. Aan de noordkant van Stadsblokken zou je een soort ‘contra-boulevard’ moeten maken die uitkijkt op de Rijnkade. Het aardige van de Rijn is dat hij zo smal is dat je over de rivier heen naar elkaar kunt roepen, een afspraak kunt maken om elkaar later in een café te treffen. Voorwaarde is wel dat je er iets moois van maakt. Dus als je een jachthaven wil, maak die dan daar. Eigenlijk ligt die jachthaven er al. Het is toch ook veel leuker als je met een plezierbootje naar Arnhem komt, om op Stadsblokken aan te leggen dan in een tochtige geul in de Nieuwstraat. Zeker als er een stadscamping bij is en een hotel. Wat ik niet meer zou willen, zijn de piramides van Rudolf Das, die in de Rijnoeverplannen zaten. Die heeft hij op een aantal plekken in Nederland geprobeerd te slijten en op zich vind ik het nog wel een interessant concept – het is een beetje gedateerd –, maar ik kijk nog steeds op dezelfde manier naar Stadsblokken als toen.”

En u bent zelf bij dat Paradijsplan helemaal niet meer betrokken geweest? “Nee.” En vervolgens wordt dat met het stationsproject samengevoegd tot Rijnboog. “Ja. Ik ben acht jaar geleden weer ingestapt, toen het Masterplan Rijnboog net was gepresenteerd. Net in die startfase keerde ik terug. En ik was onmiddellijk tegen. Ik dacht: wat die man bedenkt, dat kan niet.” Hoe kwam dat op u over dat Paradijsplan en Arn­ hem Centraal werden samengevoegd tot Rijnboog en met Manuel de Solà-Morales een Spaanse architect in de arm werd genomen? “Het is sowieso niet mijn concept, maar ik vond het toen al onhandig dat hij zo ver weg woont – wat nu van wet­ houder Roeland Kreeft een van de argumenten is om de samenwerking te beëindigen. Bovendien is hij gevormd door zijn werk voor mediterrane steden. De getijden in de Middellandse Zee zijn anders dan de waterstanden in de Rijn. Hij heeft zijn mediterrane mentaliteit losgelaten op Arnhem, een stad die nadrukkelijk niet mediterraan is. Hij kreeg een soort heiligenstatus en iedereen moest met zijn handen van het ‘goddelijke plan’ afblijven. Zo

37


móet het gewoon niet. Er zijn een paar onderleggers in zo’n proces: de bestaande stad en een deel van de historische stad, met de Jansbeek en het middeleeuwse stratenpatroon. Die moet je respecteren, want die vor­men het hart van de stad. Bovendien opereer je in de binnenstad, de huiskamer van alle Arnhemmers. Ieder­ een heeft daar een mening over. Als je toch opnieuw moet beginnen, vraag dan een aan­tal architecten om een visie te maken en kies daar het beste plan uit. Versterk dat vervolgens met de beste elementen van de andere plannen. En ga met dat plan dan kijken of­ je de bewoners aan je kant kunt krijgen en er ook draag­ vlak ontstaat. Dat is natuurlijk ook een groot discussiepunt: hoe moet je een plan maken waar de stad twintig jaar mee bezig is zonder een groot draagvlak? Bij het station, dat als plan ook heel slecht is gemanaged, was het de redding. Alle raadsleden wilden dat nieuwe station, iedereen is tevreden over het ontwerp van Ben van Berkel. Kom je in zo’n situatie onderweg hobbels tegen, dan kun je die met elkaar nemen omdat je het eens bent over het doel. Er is nooit discussie geweest over bijvoorbeeld vereen­ voudiging van het plan. We zijn akkoord gegaan met de koers die Willem Hoeffnagel nu vaart: we hebben er eigenlijk geen geld voor, maar als we dan weer geld heb­ ben, bouwen we weer een deel. Daar ben ik altijd voor geweest. Sander van Bodegraven liet het op dat punt in de soep lopen. Die zei: er mag geen cent meer naar Arnhem Centraal. Terwijl iedereen wist: we kómen er niet. Datzelfde proces van gefaseerd bouwen, met als doel het complete eindresultaat, is niet in beeld bij het Rijnboogplan.” Maar daar heb je toch ook een fasering, met het plan voor het Paradijs en het Kenniscluster? Is dat dan nog steeds te grootschalig? “Nee. Maar ik had het over draagvlak. Dat maakt het tot een ongelooflijk slecht proces. Je kunt wel nagaan wat er nu gaat gebeuren. Er ligt nu een schetsontwerp. Dat wordt straks vertaald naar een bestemmingsplan en tegen dat bestemmingsplan komen honderden bezwa­ ren. En echt niet alleen uit de buurt.” Maar de raad stemt bij ieder besluit met een ruime meerderheid in met het plan. “Ja.” Moet je je daar dan als oppositie niet gewoon een keer bij neerleggen en er samen de schouders onder zetten? “Nee. Dat zou op zich best een redelijke gedachte zijn, ware het niet dat wij in de stad horen dat er geen meer­ derheid voor het plan is. De enige keer dat dat een beetje getest is, is met het preferendum. Dat is een enorme flop geworden, die heel veel geld heeft gekost. Wij hebben met een budgetje van niks een tegencam­ pagne gevoerd, en dat hebben we glansrijk gewonnen. Dat was natuurlijk een teken aan de wand: er ís geen draagvlak in de stad. En dan geef ik ook niets om die

meerderheid in de raad. Want die meerderheid durft het gewoon niet aan om de mening van de Arnhemse bevolking daadwerkelijk te testen met een echt referen­ dum.” Maar zegt zo’n tweederde meerderheid in de raad dan niets over wat er in de stad aan de hand is? “Vaak wel natuurlijk. Alle partijen hebben natuurlijk hun voelsprieten. Je hoopt ook altijd dat een raad een beetje een afspiegeling is van de stad, zodat je een uitslag kunt respecteren. Daarom vind ik het ook jammer dat de PVV niet meedoet met de gemeenteraadsverkiezingen. Heel veel mensen die op die partij willen stemmen, kunnen dat nu niet. Daardoor heb je straks een gemeenteraad die door een belangrijk deel van de bevolking niet wordt gedragen. Dat vind ik een gemis voor de democratie. Daarom zeg ik ook: nee, wij zijn geen slechte verliezers. Wij geven de polsslag van de stad aan.” In Groningen was heel veel discussie over de bouw van een cultuurcomplex. Uiteindelijk stemde de raad ermee in met de kleinst mogelijke meerder­ heid. Maar het gebouw staat er nu wel. De tegen­ stemmers hebben zich daarbij neergelegd. “Dat kan en vaak gaat het ook zo, dat een kleine meer­ derheid een besluit neemt. Daar heb je je dan bij neer te leggen. Maar in het geval van Rijnboog: nee.” Maar waar ligt dat dan aan. Waarom blijft dit zo’n gevoelig onderwerp? “De PvdA en haar bondgenoten hebben acht jaar de tijd gehad om dat plan van de grond te krijgen en daar zijn ze niet in geslaagd. Straks met de verkiezingen ziet de wereld er misschien heel anders uit, maar de PvdA pro­ beert desondanks nog even het Rijnboogplan erdoor te krijgen. Daar doe ik niet aan mee.” Maar gaat het dan om de inhoud van het plan, of spelen politieke overwegingen een rol? “Het gaat mij om drie zaken: de politieke kant, het draag­ vlak in de stad en de kwaliteit van het plan. Het gaat mij altijd om alledrie die punten. Draagvlak is er niet, en het geeft geen pas om het nu op het allerlaatste moment erdoor te willen drukken. Zeker niet als je weet dat er een heel andere gemeenteraad zit aan te komen. Het is nogal wat om vier, vijf nieuwe gemeenteraden op te zadelen met een plan dat je nu gaat maken. Juist daar­ door is het zo belangrijk dat er draagvlak voor is. Als je bedenkt dat het ook nog eens een slecht plan is, dan heb ik niet de behoefte om daarover mee te denken.” De oppositie laat natuurlijk al veel langer van zich horen dan de afgelopen maanden alleen. Vlak voor het preferendum waren er raadsver­ kiezingen en uit de uitslag daarvan bleek niet dat Arnhem Rijnboog niet ziet zitten. “Nee, maar dat is natuurlijk ook het verkeerde moment om dat te peilen.”

38


Tegelijk wordt het nu door de oppositie opnieuw tot inzet van de verkiezingen gemaakt. “Dat moeten we ook. Anders nemen we onszelf niet serieus.”

ven. Fractieleider Rudi Rikken heeft zich achter het plan geschaard en beweegt ook niet. Ik heb zelf voorgesteld om een panel van vijfhonderd mensen samen te stellen waar je vragen aan kunt voor­ leggen. Het Stadspanel dat er nu is, is daaruit voortge­ komen. Dat praat wel mee over Rijnboog, maar het zal zich niet herkennen in wat er nu voorligt. Er is nog steeds een mogelijkheid om verder te komen. Dan moeten de voorstanders van Rijnboog de haven laten vallen en samen met de oppositie en de bewoners gaan kijken over welke elementen we het wel eens kunnen worden. We moeten uit de loopgraven komen, maar dan moeten ook de voorstanders water bij de wijn willen doen.”

Maar wat schort er dan inhoudelijk aan het plan dat die oppositie zo fel blijft? “Het heeft er alles mee te maken dat iedereen over je schouder meekijkt in de binnenstad. Daar gaat het anders dan in de rest van de stad. Het is een extreem gevoelig gebied. Iedereen heeft daar een mening over. Terwijl iemand uit het Spijkerkwartier die naar het centrum gaat, niet naar Presikhaaf gaat om een mening te geven over de stadsvernieuwing daar.” Dat geldt voor heel veel steden. Nijmegen is ook in de binnenstad bezig, net als bijvoorbeeld Eind­ hoven en Groningen. “Een slecht plan, zoals in Arnhem, verkoopt ook slecht.”

Maar de haven is de kern van het plan van SolàMorales. Die kun je er toch niet zomaar uithalen? “Ik zou niet weten waarom niet. Ik vind die haven hele­ maal niet zo relevant. Dat blijkt ook wel uit het gemak waarmee alternatieven op tafel komen, zoals de Ram­ blas, het plein van de SP en het plan van de Stichting Jansbeek Boven Water. Ik kan er zo vijf noemen.”

Wat zou er moeten gebeuren om in de zuidelijke binnenstad toch iets van de grond te krijgen? “Ik zou niet eens terug hoeven naar nul. Je zou moeten kijken naar de punten waarover overeenstemming be­staat en daar moet je een aantal architecten mee aan het werk zetten. Daar haal je het beste plan uit, dat pas je aan, en daarmee ga je naar de bevolking. Je hoeft niet helemaal terug te gaan, want het plan van SolàMorales is al aan het afkalven. Daar ben ik ook blij om, en daarom ben ik ook blij dat hij weg is. Het plan komt langzamerhand terug in de stad, bij de bewoners van de stad. Dat komt ook door het gezeur van de oppositie. De Raadswerkgroep Rijnboog heeft geprobeerd om sa­ men met de bewoners een verbeterd plan te realiseren. Dat zat er in de beginfase, met Henri Lenferink, niet in, maar nu werd daar wel de ruimte voor geboden. Dat leidde er ook toe dat Solà-Morales nu is afgehaakt. Het plan begint nu eindelijk te landen. Ik heb wel eens ge­ zegd dat hij een soort UFO op de stad heeft neergezet, zonder enige historische band met Arnhem. Daar liepen we met z’n allen alleen maar rondjes omheen, terwijl we juist met dat plan aan de gang moeten. Langzamer­ hand begint dat te gebeuren en het zou helpen als de geboden ruimte uitgebreid zou worden. Cruciaal is dat de haven uit het plan verdwijnt, want dat is de steen des aanstoots. Ik ben zelf ook opgeschoven. In het begin was ik ook tegen het Kenniscluster omdat wij vinden dat de biblio­ theek op een goede plek zit, maar ik heb me laten over­ tuigen. Ik sta niet stil, roep niet alleen maar ‘nee’. Zo’n bundeling met het historisch museum en de baliefunctie van het Gelders Archief kan werken en die plek aan de Oude Oeverstraat is een goede. Zolang als ik het me kan herinneren is dat een naar gat in de stad. En dan heb je het al over de uitvoering van een deel van het Rijnboogplan. Maar als je vraagt aan de PvdA wat zij voor stappen heeft gemaakt, wordt het stil. Daar is ook niemand opgescho-

Waarom zou de coalitie zo vasthouden aan de haven? “De coalitie heeft zich daarin vastgebeten en die komt deze raadsperiode ook niet meer in beweging.” Geldt datzelfde niet ook voor de oppositie? “Nee, dat heb ik net juist betoogd.” Deelt u het uitgangspunt van ons onderzoek over de Gordiaanse Knoop waarin Arnhemse bouw­ projecten verwikkeld zitten? “Ja, hoewel het station nu wel klaar zal komen. Ik begin toch weer over ‘Lego-en’. Begin met de delen waar mensen het over eens zijn. Voor het Kenniscluster is in de stad en in de raad een goede meerderheid te vinden. Maak dat dan. Wie houdt je tegen?” Dat gebeurt nu toch? “Dat weet ik wel, maar je kunt hetzelfde met veel meer onderdelen doen. In het tussengebied zijn een aantal stukken waaraan je je volgens mij geen buil kunt vallen, zoals Bartokblok en Paradijs.” Het is als een te groot plan gepresenteerd. “Veel te groot. En dan zit daar ook nog eens de Provincie, in een stuk stad waarvan iedereen vindt dat er hoogno­ dig eens iets anders voor moet worden verzonnen. Het valt officieel wel buiten Rijnboog, maar iedereen kijkt daar toch naar. Ook Prinsenhof ligt tussen de twee Rijn­ bruggen.” Dat deel van de stad zat wel in de Rijn­oeverplannen. “Ja, vooral voor de verkeersafwikkeling. Want dat is een ander probleem met het plan van Solà-Morales: er zit­ ten een paar echt slechte verkeersoplossingen in, zoals

39


het verwijderen van de busbaan van de Mandelabrug (waardoor GelreDome op slechts zeven minuten van het station ligt) en het verwijderen van de afrit naar Oosterbeek. Nu is een meerderheid van de raad er wel van overtuigd dat dat geen goed idee is, maar over de Weerdjesstraat is nog altijd discussie. We maken een Centrumring – als het ware een grote rotonde rond de binnenstad – en dan leggen de voorstanders er een op­ haalbrug in. Als je dat wilt dan moet je ervoor kiezen het verkeer via een grotere ring af te wikkelen via ArnhemZuid. Als je het plan in onderdelen gaat ontleden is het zó’n slecht plan…” Zo beschouwd had het plan eigenlijk nooit een meerderheid moeten kunnen halen. “Dat kun je Lenferink verwijten. Hij heeft Solà-Morales binnengehaald, hem een veel te grote status gegeven en daarmee het plan heilig gemaakt. Daardoor heeft het veel te lang geduurd voor het werd aangepast. Er is acht jaar niets gebeurd.” Lenferink zegt zelf dat hij het masterplan te veel als een stedenbouwkundig plan heeft beschouwd, terwijl het meer een richtlijn had moeten zijn. Sander van Bodegraven zegt dat ook. Het plan had in meer hapklare brokken moeten worden opgeknipt. “Dat heb ik van meet af aan geroepen – ik noem het dan Lego. Het is een principiële fout geweest om het op die manier te benaderen. Daardoor steekt dat plan nog altijd bij iedereen als een graat in de keel.”

Meinerswijk groen blijft. Je moet mensen wel iets fat­ soenlijks meegeven om over na te denken. Nu hebben ze gewoon een blanco papiertje gekregen, terwijl je als gemeente en marktpartij een stapje verder zou moeten zijn. Dan kun je ook ideeën voorleggen en plaatjes laten zien. Dan kun je gericht vragen stellen, zoals het in Hoogstede-Klingelbeek is gegaan. Dat is een fantastisch proces geworden.” Krijg je op de manier waarop het met Stadsblok­ ken-Meinerswijk is gegaan wel de mening van een representatief deel van de bevolking? “Nee. Daarom heb ik ook voorgesteld een panel van vijfhonderd mensen te maken, ook met mensen die niet in het gebied wonen, maar die wel bereid zijn om over hun stad na te denken.” Hoe gaat dit uitpakken, want het collegebesluit is niet heel helder? “Ik denk dat er wel een meerderheid in de raad is voor bouwen op Stadsblokken. Alleen de manier waarop loopt heel erg uit elkaar. Van helemaal niks tot heel veel.” Hoe leg je dat dan uit aan de burger die heeft gezegd dat het groen moet blijven? “Daar krijg je hoe dan ook een probleem mee. De uit­ komst van dit planproces is dat we blijven zitten met gefrustreerde burgers.”

Is de ambitie bij dit soort plannen niet te hoog? “Nee, dat vind ik niet. Ik vind de hele strook wel wat groot. Je zou niet moeten willen dat vier gemeente­ raden verder nog steeds jouw plan moeten uitvoeren. Ik heb het ook al een paar keer fout zien gaan in deze stad. Het Wederopbouwplan van vlak na de oorlog is ook niet helemaal uitgevoerd. Op een gegeven moment heeft de raad er gewoon geen trek meer in, met onder meer als resultaat dat de Van Muijlwijkstraat een van de lelijkste straten van Arnhem is. De Hulkesteinflat aan de Utrechtseweg is ook nog een overblijfsel van dat mislukte plan.” Maar dit soort ontwikkelingen strekt zich toch al­ tijd uit over meerdere raadsperiodes? Moet je dan, net als bij Arnhem Centraal, bij projecten van deze omvang de steun van de hele raad hebben? “Je moet oftewel grotendeels de raad achter je hebben (zodat je weet dat het plan de volgende verkiezingen overleeft), oftewel je hebt het getest bij de burgerij. Met bijvoorbeeld een referendum.” Bij de toekomst van Stadsblokken-Meinerswijk wordt de burger wel nauw betrokken. “Ja, maar de manier waarop dat gaat, heeft niet mijn voorkeur. Los van het feit dat het geen nut heeft omdat een meerderheid in de gemeenteraad sowieso wil dat

42


INTERVIEW CHRIS JAGTMAN

‘WE KIJKEN IN ARNHEM TEVEEL NAAR DE TEGENSTELLINGEN’ Arnhem heeft twee kampen van conservatieven en nieuwlichters die elkaar in een ijzeren greep hebben. Nergens voor nodig, vindt Chris Jagtman. ‘Want eigenlijk zijn die kampen het over de meeste zaken gewoon met elkaar eens.’

Chris Jagtman is Rotterdamse import, maar kent Arnhem inmiddels als zijn broekzak. Hij was directeur van de woningcor­ poratie Portaal en werd daarna ontwikkelaar, voor onder meer AM. Dit jaar startte hij zijn eigen bedrijf. Foto: Hans Broekhuizen / De Gelderlander

Speelt dat nu alleen bij het plan-Rijnboog, of is dat in het algemeen ook zo? “Dat speelt overal. En meestal zijn het de kampen van de behoudende krachten in de stad en van hen die ambitie tonen. De ene partij zegt: ‘We zijn heel trots op Arnhem, dus de stad moet blijven zoals hij is’, en de andere zegt: ‘we zijn heel trots op Arnhem, dus de stad moet aan­ gepast worden aan de veranderende tijden’. Zo bezien is er maar een klein verschil in opvatting en komen de meningen voor 80 tot 90 procent overeen. De ‘progres­ sieven’ vinden de stuwwal en de ligging aan de Rijn óók heel mooi en prijzen ook de leuke binnenstad. Tegelijk vinden ze dat je daar wel wat mee moet doen. Er moet een nieuw station komen, zodat Arnhem aantakt aan Europa en weer honderd jaar mee kan. En de Rijn is prachtig, maar zorg er dan voor dat de stad er naartoe draait en aan de rivier komt te liggen. Die twee groepen zijn het over heel veel dingen met elkaar eens. Alleen voor 3, of 5 of 10 procent niet. Dáár worden de messen over getrokken. En dát is wel vrij bijzonder. Ik ken veel Nederlandse steden waar ze het over een bepaald onderwerp met elkaar oneens zijn. Maar als ze dan uitgepraat zijn, dan zeggen ze daar: ‘Oké, we gaan het doen’. Dat is in Arnhem niet. Niet in de politiek, maar ook elders in de stad niet. Hier vechten ze elkaar kapot om details binnen Rijnboog.”

Klopt het dat er een tegen­ stelling in Arnhem is tussen een behoudende bevolkings­ groep en een groep die de stad wil opstuwen in de vaart der volkeren? “Die tegenstelling heb ik zelf ervaren toen ik hier begin jaren negentig als Rotterdammer belandde. Er was toen een hele groep Randstedelingen in Arnhem die aan de weg wilde timmeren. Dat werd niet altijd op prijs gesteld. Kijk, je hebt natuurlijk in elke stad kampen die het niet met elkaar eens zijn. Kamp A zegt dat het zo moet, kamp B vindt iets heel anders. En dan wordt er ofwel een compromis gesloten, of ze komen elkaar een heel eind tegemoet en besluiten dan de stem­ men te tellen. Dan komt er plan A-accent of B-accent uit de bus en dat wordt dan uitgevoerd. Dat is een beetje de Rotter­damse manier van werken. Je vecht elkaar de tent uit, slaat elkaar om de oren, maar dan zeg je: ‘Oké, we doen het dus zó’, en dan ga je bier drinken in het café en dan doe je ook wat je hebt afgesproken. In Arnhem gaat dat niet op die manier. Bij dergelijke tegenstellingen wordt er met de grootst mogelijke tegen­ zin en de kleinst mogelijke meerderheid een besluit genomen – namelijk: het wordt A. Maar dan trekt B, zodra de kans zich aandient, dat plan onderuit. En als er nu een besluit wordt genomen, bijvoorbeeld over de haven in Rijnboog, dan wil kamp B na de verkiezingen weer helemaal opnieuw beginnen.”

Bij welke andere dossiers dan Rijnboog speelt die tegenstelling nog meer? “Bij de discussie rond Centrum-Zuid bij GelreDome speelt het ook. Het stadion zelf is er ook een product van. Daar mocht eigenlijk ook niks, maar Karel Aalbers en zijn vrienden hebben dat toch voor elkaar gekregen. Heel bijzonder. Bij Arnhem Centraal speelt het veel minder.” Maar daar is destijds de angel uit het plan getrok­ ken door af te zien van het slopen van een deel van de Burgemeesterswijk, waar veel protest tegen was. Moet je dan ook de angel uit Rijnboog halen door de haven weg te strepen? “Als het gevecht dáár steeds over gaat, zou ik dat doen. Dan zou ik zeggen: als de ene partij alles leuk vindt behalve de haven en de andere partij vindt alles leuk inclusief de haven, laten we het dan niet meer over die haven hebben. Dat zou goed kunnen. Ik vind dat het ook enigszins speelt bij Stadsblokken-Meinerswijk. Daar heb je eenzelfde soort, ogenschijnlijke, tegenstelling. We

Maar vóór de haven stemt steeds een tweederde meerderheid van de gemeenteraad. Desondanks zegt die kleine minderheid nog steeds dat de haven er niet gaat komen. “In die zin neemt men het in Arnhem niet zo nauw met parlementaire democratie.”

43


vinden allemaal dat het zo’n mooi gebied is aan de Rijn, waarvandaan je de stad zo mooi kunt zien liggen en dat het een mooie verbinding tussen Arnhem-Noord en Zuid zou kunnen zijn. Nou zegt de ene groep dat je daar dus helemaal niets moet doen, terwijl de andere groep vindt dat het hoog tijd wordt dat daar eens meer mensen van het gebied mogen gaan genieten. Maar allebei hebben ze hetzelfde uitgangspunt.” Maar de ene groep zegt eigenlijk dat er meer mensen van moeten genieten door er te gaan wandelen, en de andere vindt dat er ook wel wat mensen kunnen gaan wonen. Daar speelt ook zoiets. Maar er is daar veel meer over te zeggen. Het open planproces is een prachtig proces, maar er komt drie keer niks uit. En dat kan ook niet, want er is aan de voorkant niets in gestopt. De gemeen­ te heeft tegen een zeer aselecte groep burgers gezegd: ‘Wij vinden helemaal niks. Wat vindt u ervan?’. Even terug naar het uitgangspunt van onze zoek­ tocht: de Gordiaanse Knoop. Is die er volgens u in Arnhem? “Ja, en die is hier erger dan gemiddeld. Overal in Neder­ land is bouwen moeilijk en ingewikkeld – we maken onszelf helemaal gek met ruimtelijke ordeningsprocedu­ res. Maar in Arnhem is het erger. Of er heerst besluite­ loosheid of men vecht, zoals bij Rijnboog, een stelling­ oorlog uit, waarin men elkaar te lijf gaat tot en met de laatste stoeptegel. Daar komt nog een soort ambtelijke onhandigheid bij. Slimme ambtenaren kunnen aanstu­ ren op een compromis. Politici kunnen dat natuurlijk ook. Die kunnen gewoon zeggen: ‘U bent wel van kamp A en ik ben wel kamp B, maar op dit punt zijn we het eigenlijk eens. Bovendien hebben we het al drie keer besloten, dus nu even mondje dicht’. De afgelopen vijftien jaar ontbrak het in Arnhem aan die handige ambtenaren en politici. De stad heeft een vrij zwak ambtenarenapparaat en een vrij voorzichtig, discontinu bestuur, uitgezonderd Henri Lenferink, en misschien Roeland Kreeft, maar dat weet ik nog niet. Dat zullen we misschien wel nooit weten, als de PvdA straks na de raadsverkiezingen van volgend jaar niet meedoet in het college. Arnhem heeft ook geen traditie – zoals andere steden die wel hebben – van sterk projectmanagement. Als elders moeilijke zaken spelen, dan wordt er een sterke en handige projectleider neergezet aan het hoofd van de projectorganisatie met heel veel mandaat en directe toegang tot het college van B en W. Zo iemand moet ook politiek gevoelig en diplomatiek zijn. Redelijk veel steden doen het op die manier, maar Arnhem niet. Wie in de publieke opinie kent de baas van Rijnboog? Wie is de, onomstotelijke, projectmanager van StadsblokkenMeinerswijk?” Los van kwaliteit van ambtenaren en bestuurders hebben gemeenten natuurlijk ook steeds meer te

maken met snelle wisselingen. In het ambtenaren­ apparaat en ook in de politiek. “Dat is zorgelijk. In het laatste jaar van een bestuurspe­ riode kun je geen zaken doen met een gemeentebestuur omdat er een nieuw college aankomt. Het eerste jaar van het nieuwe college gebeurt er niets omdat de bestuur­ ders pas net gekozen zijn of niet weten waar het over gaat. Alleen het tweede en derde jaar vallen er zaken te doen. De helft van de tijd in Nederland bestaat bestuur­ lijk niet, tenzij je continuïteit in het bestuur weet te krij­ gen doordat je zeker weet dat bestuurders blijven of dat het ingezette beleid wordt voortgezet, ondanks hun vertrek. Ik ben zelf vijftien jaar ambtenaar geweest en een van mijn taken was toen essentiële afspraken en beleid te bewaken, ook als er een nieuwe wethouder kwam. Dat gebeurt in Arnhem veel te weinig.” Er zijn natuurlijk ook projecten geweest die wel snel zijn gerealiseerd, zoals de Eusebiushof en het Musiskwartier. De gemeente speelde daarbij een ondergeschikte rol. Zou dat hebben bijgedragen aan de snelheid? “Nou ja, het heeft wel tien jaar geduurd voordat Musis­ kwartier kon worden gerealiseerd. Maar dat speelde zich grotendeels achter de schermen af, het ging buiten het publieke debat om. Terwijl de man in de straat nog dacht: hier moet nodig iets gebeuren, was het achter de schermen allang geregeld. Het vastgoed is heel discreet opgekocht.” Is dat een bewuste strategie, om buiten het pu­ blieke debat te blijven als je iets wilt realiseren in de stad? “Ik denk dat de ontwikkelaar van Musiskwartier, Multi Vastgoed, later AM, dat bewust heeft gedaan, samen met de toenmalige wethouder Henri Lenferink, met alleen de hoogstnoodzakelijke inspraak. Zonder enige twijfel.” Maar het is natuurlijk niet tien jaar geheim gebleven. “Nee, het ging niet in het geniep, maar er was geen publiek debat.” Je kon in dat deel van de binnenstad natuurlijk ook niet zo heel veel verpesten. “In veel steden wordt de noodzaak tot verandering gevoeld: ‘Als we nu niets doen, gaat het helemaal fout’. Als die sense of urgency er is, dan maakt het niet meer uit of je links of rechts bent. In Arnhem is dat gevoel er niet. Het wordt althans niet zo ervaren. Mensen vinden het hier leuk en gezellig. Arnhem de genoeglijkste. En we hebben toch al de beste binnenstad, zijn toch de groenste stad van Nederland? Dat maakt het nog erger. Het voedt de gedachte dat het niet nodig is om iets te doen. Dat we zo nog wel honderd jaar verder kunnen. ‘We moeten gewoon niks doen’, lijkt het motto in deze stad te worden. Als je nadenkt, besef je dat Arnhem al aan het afzakken is. We worden ingehaald door Nijmegen, dat straks veel groter groeit, bijvoorbeeld met Koers West. Dat is voor mijn gevoel tien jaar later begonnen dan Rijnboog, maar

44


is inmiddels vijf jaar verder. Of Arnhem ingehaald wordt door Apeldoorn weet ik niet, maar de stad begint op lijstjes te zakken ten opzichte van vergelijkbare steden als Maastricht, Groningen, Tilburg of Den Bosch.”

Wat dat betreft is Arnhem het Haagje van het Oosten. “De tegenstellingen tussen arm en rijk zijn daar veel groter.”

Maar dat ziet men in Arnhem niet? “Nee, nauwelijks. En elders in het land wordt toch een beetje besmuikt gegiecheld over deze stad. Over het station, dat na vijftien jaar nog altijd niet af is en over Rijnboog waar nog steeds niets is gebeurd. En over de pijnlijke klucht van het Nationaal Historisch Museum, dat zal ook wel niet doorgaan. Daar wordt natuurlijk een beetje spottend over gedaan. Het doet de positie van de stad, bijvoorbeeld in Den Haag, geen goed. Bovendien gaat het niet goed met de Arnhemse bevolking, met het onderwijs. Het profiel van de stad is aan het afbladderen. De noodzaak om iets te doen is er wel, maar die wordt niet of onvoldoende gevoeld. Er is niemand die opstaat en zegt: ‘We moeten nu echt wat gaan doen’.”

Maar die zijn in Arnhem toch juist ook enorm? “Jawel, maar ze zijn hier iets minder zichtbaar. Als ik met bezoek uit het westen over de Velperweg rijd en ze brommen goedkeurend dat Arnhem zo’n mooie stad is, leg ik altijd uit dat je als je afslaat binnen tien meter in Klarendal staat. Arnhem heeft prachtige doorgaande straten. Naar Velp, naar Rozendaal, naar Utrecht. Maar als je even links- of rechtsaf slaat, zit je midden in de ellende. Arnhem is echt een coulissestad.” Maar in deze stad weet toch iedereen dat Klaren­ dal achter de Velperweg ligt? Of denken we in Arnhem: ik kom nooit in Klarendal dus die wijk bestaat niet? “Ik vrees van wel. Het is er de laatste twintig jaar geluk­kig rustig, sinds de rellen van eind jaren tachtig. Maar dat beeld van die rellen bestaat elders nog altijd. Zoals het Spijkerkwartier in de rest van Nederland nog steeds sterk wordt geassocieerd met de hoerenbuurt en drugshandel.”

Wordt er in deze stad dan te veel naar de korte termijn gekeken? Is het persoonlijke belang groter dan het algemene belang? “Anders dan ten tijde van het project Arnhem 2015 is er nu vrijwel niemand met een langetermijnvisie voor de stad en er is ook niemand die de power heeft of krijgt die visie kracht bij te zetten. Dat er vooral naar de korte termijn wordt gekeken speelt eigenlijk overal wel. Veel bestuurders zijn heel erg bezig met het schadevrij afmaken van hun huidige termijn, bijvoorbeeld omdat ze geen zin hebben om in de anonimiteit van hun oorspronkelijke beroep terug te keren.”

Uw belangrijkste punt is eigenlijk dat in Arnhem de tegenstellingen belangrijker worden gevonden dan de overeenkomsten. “Ja. En de minderheid wil zich maar niet neerleggen bij besluiten van de meerderheid. Sommige politieke par­ tijen gedragen zich meer als verongelijkte actiegroepen dan als verantwoordelijk stadsbestuur. Maar het is niet alleen politiek. Het zit ook in de stad. Die tegenstelling tussen behoudend en veranderingsgezind loopt door alle politieke partijen heen, door jong en oud, door arm en rijk... Men houdt elkaar als het ware in gijzeling.”

Maar ze zitten natuurlijk niet voor zichzelf in de gemeenteraad of in het college van burgemeester en wethouders. “Nee, maar dat vergeet je na een tijdje.”

Waar komt die weerstand vandaan tegen Rijnboog, want daar hebben we het dan eigenlijk over. Is er inderdaad geen draagvlak voor, zoals de tegen­ standers zeggen? “Dat draagvlak is er wel. Zo werkt parlementaire demo­ cratie. Er is een college en een gekozen gemeenteraad en die moet de besluiten nemen. Daartoe hebben we ze gekozen en gemandateerd, we hopen dat ze dat zo goed mogelijk doen en dat ze ons niet voor elk wisse­ wasje aan het hoofd komen zeuren”

Beantwoordt de Arnhemse politiek daarmee aan het gemiddelde beeld in Nederland? “Ik vind dat hier wel meer politiek om de politiek wordt bedreven dan elders in het land. Ik volg dat niet op de voet, maar ik meen wel te zien dat er in Arnhem meer gekissebis is dan in de gemiddelde Nederlandse provin­ ciestad.” Maar gaat het dan niet toch over de tegenstelling tussen persoonlijke belangen en het algemene belang? “Sinds de invoering van het dualisme gebeurt het over­ al, maar hier is het – voor zover ik dat kan vergelijken – erger dan gemiddeld. Louter omdat iemand van een andere partij is, wordt er een spaak in het wiel gestoken, ook als zijn ideeën goed zijn.”

Komt die weerstand mogelijk voort uit de manier waarop het plan gepresenteerd is, met de onaan­ tastbare Manuel de Solà-Morales als grote architect, en alle druk die dat met zich mee heeft gebracht? Met de haven waar niemand aan mocht komen? “Misschien werkt dat wel averechts. Zou je die angel eruit moeten halen. Als je bedenkt dat iedereen 95 procent van het plan goed vindt en we elkaar doodvech­ ten op dat haventje, dan moet je misschien water bij de wijn doen. Er zijn fijne Rijnoevers zat waar je geen haventje hebt.”

Waar ligt dat aan? “Ik weet het niet. Het is het soort straatvechtercultuur dat je eerder in de gemeenteraad van Den Haag zou verwachten. Maar daar gebeurt het juist veel minder.”

45


NAWOORD

DE ONTKNOPING Met ferme zwaardslag hakte Alexander de Grote in één keer de mythische knoop van Gordium door, waarop Zeus het naar verluidt liet donderen om zijn goedkeuring te geven. Volgens de ruim vijfhonderd respondenten van de CASA-poll moest de Arnhemse knoop ook maar eens doorgehakt worden. Donderen deed het echter niet in Arnhem het afge­ lopen jaar. Wat is de balans na het jaar van de Gordiaanse Knoop?

Tafeldebat tijdens ‘De Ontkno­ ping’op 17 december 2009. V.l.n.r. Christ Jagtman, Sander van Bodegraven, Wim Lavooij en Edwin Verdurmen. Foto: Niek Michel.

Tijdens de opening van het architectuurjaar 2009 daagde wethouder Roeland Kreeft CASA uit om de vezels te benoemen. CASA nam deze uitdaging aan en heeft achter de schermen onderzoek gedaan om de Arnhemse knoop inzichtelijk te krijgen. Naast de interviews, die in deze publicatie zijn opgenomen, zijn met de CASA-sociëteit een drietal excursies ondernomen om tot nieuwe inzichten te komen. Tot slot organiseerde CASA op 17 december 2009 een discussieavond onder de omineuze titel ‘De Ontknoping’. Wat blijkt is dat veel vezels niet uniek voor Arnhem zijn. Ook andere gemeenten hebben immers te kampen met de toegenomen complexiteit van regelgeving en aanbesteding, de lange looptijd van projecten, discontinuïteit van bestuur en ambtenarij én de beperkte horizon van marktpartijen, die binnen afzienbare tijd hun investeringen terug willen verdie­ nen. Bovendien is overal de besluitvorming moeizamer geworden door de invoering van het dualisme in de raad, het populisme dat sinds de opkomst van Fortuyn in Nederland rondwaart en in het kielzog daarvan de mondige burger, die ook mee wil kunnen praten. Arnhem kent wat dat betreft een dieptepunt in het havenpreferendum in 2007. Inwoners mochten kiezen uit kort, lang of sluis, maar bleven uit onwil of desinteresse massaal thuis. Tegenstanders van de haven beroepen zich daar nog steeds op; voor hen is het mislukte preferendum het onomstotelijke bewijs dat de Arnhemmer geen haven wil. Vandaar dat zij, ondanks dat er al meerdere malen met een tweederde meerderheid vóór het plan gestemd is, toch zand in de machine blijven gooien. Feit is dat burgerparticipatie in Arn-­ hem meer vanuit het defensief wordt in­gezet. Dat het ook anders kan bewees de CASA-excursie naar Nijmegen, waar het bestuur van burgerparticipatie een parade­ paardje heeft gemaakt. Onder het motto ‘pertise­pere es te lere’ worden de inwoners van tevoren goed geïnformeerd over de plannen en ingevoerd in het jargon, zodat zij een beter idee hebben waar ze over praten en wat er te kiezen valt – zon­der ver­ der aan het ontwerp concessies te doen. De tijdsinvestering die dit met zich meebrengt wint zichzelf terug door de weinige weer­ stand in de verdere loop van het proces. Arnhems rivaal aan de Waal doet het wat dat betreft dus veel beter. Waar het Arnhemse preferendum slechts een opkomst van tien procent had, kwam op het referendum over de herinrichting van Plein ’44 zo’n vijftig procent af. Opmerkelijk hierbij is dat inwoners vanaf veertien jaar mochten stemmen en zelfs complete lesprogramma’s werden ontwikkeld om scholieren erbij te betrekken. Een dergelijk draagvlak is in Arnhem ver te zoeken. Zelfs het burgerparticipatieproces over de toekomst van Stadsblokken-Meinerswijk, dat in eerste instantie plezierig verliep,

48


oogst achteraf kritiek. Wat node gemist wordt bij dergelijke projecten is een enthousias­ merende vaandeldrager die de stad meekrijgt, waardoor veranderingen weinig draagvlak hebben. Arnhem mist elan op dit gebied. Dit beeld rees ook op tijdens de tweede excur­ sie van de CASA-sociëteit naar Eindhoven, dat jarenlang een grote bouwput was, maar ondanks het vertrek van Philips een wonderbaarlijke renaissance heeft doorgemaakt. Hieraan lag een sprankelende stedenbouwkundige visie ten grondslag en een vruchtbare kruisbestuiving tussen de verschillende gemeentelijke afdelingen. Ter plekke bleek wel­ iswaar dat veel projecten moeizaam tot stand zijn gekomen, maar door de herinrichting van het centrum in behapbare puzzelstukken op te delen en uit te voeren is de bouwput Eindhoven uiteindelijk wel gedicht. Deze strategie wordt nu ook in Arnhem toegepast. Belangrijke drijfveer van Eindhovens renaissance was het idee dat er na het vertrek van Philips iets moest gebeuren om de stad – hoog op de lijst van steden met grote problemen op het gebied van leefbaarheid – niet verder te doen afzakken. Arnhem – vijfde op die­ ­zelfde zwarte lijst – is een stuk zelfgenoegzamer; in de jaren negentig is weliswaar de stads­ visie Arnhem 2015 geformuleerd, maar die is door bijna iedereen uit het oog verloren. Het belang van een streefbeeld waar je samen als stad naartoe wilt, bleek uit de excursie naar Rotterdam. De gemeente daar heeft in haar Stadsvisie 2030 dertien zogenaamde VIP-locaties aangewezen die door middel van integrale gebiedsontwikkeling economisch vitaal en als woonmilieu aantrekkelijk moeten worden. Een van deze Very Important Projectgebieden is Hoboken, waar een complexe binnenstedelijke transformatie plaats­ vindt, die door alle betrokken partijen gedragen wordt in een participatief planproces onder leiding van ‘Arnhems meisje’ Ilta van der Mast. Het ‘strikjesmodel’ van de traditio­ nele besluitvorming, waarbij er eerst iets bedacht wordt, wat vervolgens op één moment wordt vastgesteld en uitgevoerd, is uit, aldus professor Geert R. Teisman, specialist in ruimtelijke vraagstukken, die ’s middags in het NAi een masterclass verzorgde. Onze maatschappij vereist een andere vorm van gebiedsontwikkeling: parallelle interactieve processen. Dit betekent ontwikkeling (alias verbinding) in plaats van ordening (alias scheiding) door het combineren en fuseren van doelen en het assembleren van oplos­ singen zonder deze van te voren vast te leggen. Een complexe aanpak dus waarin meer belangen en inzichten worden gekoppeld om meer ambities tegelijk te optimaliseren. Is zo’n proces overal toepasbaar? ‘Ja’, antwoordde Teisman, ‘maar je kunt niet telkens hetzelfde kunstje herhalen. Elke situatie is weer uniek, je moet kijken naar de actoren, de historie, de omgeving’. Daarbij geldt dat ‘zij die flexibel zijn, vasthouden aan datgene wat ze willen bereiken en zich niet fixeren op de verschijningsvorm, het meest succesvol zijn’. Flexibiliteit is overigens wel iets anders dan besluiteloosheid en lastig om later als­ nog in een proces te implementeren. Naar aanleiding van Rijnboog werd geconstateerd dat dit proces achteraf beter als visie gepresenteerd had kunnen worden dan als master­ plan. Er is nog hoop, volgens Teisman, ga in gesprek en zoek consensus. Alle partijen dienen daarbij serieus genomen te worden ook al zit niet iedereen er (financieel) gelijkwaar­ dig in. ‘Als je bewoners niet serieus neemt krijg je een negatief imago’. De gemeente Arnhem zou moeten beginnen met prioriteren, enkele quick wins realiseren, het vertrouwen bij de burger zien terug te winnen en vooral zorgen dat je dat niet weer beschaamt. Per slot: ‘Hoe opener een proces, hoe minder energie het kost om het gesloten te houden’. Het wordt dus hoog tijd om de stadsvisie Arnhem 2015 nieuw leven in te blazen. Dat was althans de slotconclusie van ‘De Ontknoping’ op 17 december. Hoewel deze

49


hoopvolle belofte strikt genomen uitbleef, kwamen wel enkele typisch Arnhemse vezels boven tafel. Het gebrek aan sturing en reflectie binnen de politiek en het ambtenarenapparaat, zo poneerde Wim Lavooij, zorgt voor onduidelijkheid en gereserveerdheid. Angst voor de bevolking en argwaan richting marktpartijen spelen hierbij ook een rol. ‘Niemand lijkt verantwoordelijkheid te durven nemen’. Sander van Bodegraven benadrukte dat het merendeel van de projecten in Arnhem wel goed verloopt en dat de problemen zich alleen voordoen bij enkele grootschalige binnenstedelijke ontwikkelingen waarvoor te ingewikkelde constructies bedacht zijn, zoals Rijnboog. Achteraf is het masterplan inder­ daad teveel als stedenbouwkundig plan gepresenteerd, terwijl het meer als een visie opgevat had moeten worden. Het gevolg is dat er een stellingoorlog wordt uitgevochten tussen voor- en tegenstanders. Dat is nergens voor nodig, aldus Chris Jagtman, want beide partijen – ‘remmers en fietsers’ – willen in feite het beste voor de stad en zijn het merendeels met elkaar eens, al is het vastbijten in de verschillen volgens hem wel uniek voor Arnhem. De angel uit het plan halen door de haven te schrappen is echter geen goede oplossing omdat de discussie tussen de conservatieve en progressieve krachten veel dieper zit en zich dan zal richten op andere onderdelen. Verantwoordelijk wethouder Roeland Kreeft, die zichzelf opwierp als nieuwe vaandel­ drager van Rijnboog, constateerde dat – in tegenstelling tot wat de politiek denkt – ‘het weinig leeft’. Het enthousiasme moet juist terug in de stad door samen te discussiëren hoe het gebied eruit moet komen te zien. ‘Samen’ was ook het toverwoord van Ilta van der Mast, die in de lijn van haar betoog tijdens de CASA-excursie naar Rotterdam pleitte voor een herijking van de toekomstvisie Arnhem 2015 voor de komende twintig jaar. ‘En voer dat debat met zijn allen en zeker met het publiek’, voegde zij daaraan toe. Ou­ derwets megalomane plannen maken kan niet meer, was de boodschap. Roeland Kreeft nam nog wel de moeite om het oorspronkelijke masterplan te verdedigen. De breedte van het masterplan was juist goed omdat het de potentie van het gebied liet zien. ‘Je moet eerst een Gordiaanse knoop leggen om ‘m door te kunnen hakken’, aldus Kreeft. ‘We zijn nu met concrete projecten bezig.’ Daar werd bijna terloops een primeur aan toegevoegd: Rijnboog wordt beperkt tot de eerste fase, de overige delen kunnen wellicht later ontwikkeld worden, maar hoeven dan ook niet langer Rijnboog te heten. Hiermee werd een duidelijke trendbreuk zichtbaar ten opzichte van de voorgaande jaren waarin grootschalige gebiedsontwikkeling en sleutelprojecten de tendens waren. Ligt de ont­ knoping dan toch in het verschiet? In zijn slotwoord concludeerde Peter Nijenhuis dat zijn gebed voor Arnhem tijdens de opening van het architectuurjaar niet tevergeefs is geweest. Het station staat weer op de rails en de gemeente heeft enkele besluiten genomen waardoor de uitvoering van Rijn­ boog een stuk dichterbij is. Daarna sprak hij de wens uit dat ‘het plan om in Arnhem een haven aan te leggen kost wat kost behouden blijft’. Iedere zichzelf respecterende stad dient immers een hoogdravend project te hebben dat amper haalbaar is. De steden die wij bewonderen als Rome en Florence bouwden tempels en paleizen terwijl de bewoners elkaar ernstig naar het leven stonden. Of om de Franse filosoof Lyotard te parafraseren: steden bloeien dankzij disensus. De Rijnbooghaven als twistappel dient gekoesterd te worden. Gelukkig hebben we anders Stadsblokken-Meinerswijk nog…

50


COLOFON

Teksten: Marco Bouman, Ton Schulte en Edwin Verdurmen Eindredactie: Ton Schulte Fotografie: Hans Wijninga (tenzij anders vermeld) Vormgeving: Karina Dimitriu Druk: Drukkerij Roos en Roos Oplage: 1000 © 2010, De Gordiaanse Knoop is een uitgave van CASA, Centrum voor Architectuur en Stedenbouw Arnhem, www.casa-arnhem.nl Deze uitgave werd mede mogelijk gemaakt door het Stimuleringsfonds voor de ­Architectuur, de Gemeente Arnhem en Dagblad de Gelderlander. Met dank aan d­ e sponsoren en hoofdsponsoren van CASA. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opge­ slagen in een geautomati­seerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van CASA en de auteurs.


Jaarcahier CASA 2009  

Op 29 januari 2009 vierde CASA in Dudok zijn eerste lustrum. Deze feestelijke avond vormde tevens de opening van het nieuwe architectuurjaar...