Issuu on Google+

Activiteitenboekje

Eline Braeken

Schooljaar 2011-2012

1


INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE .......................................................................................................................... 1 1 1.1

Activiteitenboekje: 3-6 jaar ................................................................................................................

1.1.1

Motorische vaardigheden .................................................................................................................................................

1.2.

Bubbels...........................................................................................................................................................

1.1.2 1.3. 1.1.3 1.4. 1.1.4. 1.5 1.1.5 1.6. 1.1.6 1.7. 1.1.7 1.8 1.1.8 1.9 1.1.9 1.10 1.1.10

Motorische vaardigheden ................................................................................................................................................. Geurenmemory ................................................................................................................................................................. Cognitieve ontwikkeling.................................................................................................................................................... Voelspel ............................................................................................................................................................................ Cognitieve ontwikkeling.................................................................................................................................................... Zingen en bewegen ........................................................................................................................................................... Taalontwikkeling .............................................................................................................................................................. broodletters ....................................................................................................................................................................... Taalontwikkeling .............................................................................................................................................................. Hutten bouwen .................................................................................................................................................................. Sociale ontwikkeling ......................................................................................................................................................... Reuzeschilderij ................................................................................................................................................................. Sociale ontwikkeling ......................................................................................................................................................... Een gezicht met emoties ................................................................................................................................................... Emotionele ontwikkeling ................................................................................................................................................... Welk dier woont hier? ...................................................................................................................................................... Emotionele ontwikkeling ...................................................................................................................................................

1

Alle ballonen in de lucht ................................................................................................................................


1

Activiteitenboekje: 3-6 jaar

1.1

Alle ballonnen in de lucht

1.1.1

Motorische vaardigheid

Spelfiche

Alle ballonnen in de lucht

1. DOEL van het spel:  De kinderen nieuwe en verschillende spellen te leren spelen / ontdekken. De kinderen een toffe avond te laten beleven. 2. INKLEDING:  Ik zorg dat er voldoende plaats is zodat de kinderen voldoende kunnen bewegen. 3. TERREIN:  Het kan buiten en binnen gespeeld worden. Buiten kan je een terrein afbakenen met krijt. En binnen kan je het terrein eventueel afbakenen met plakband. 4. MATERIAAL:  Ballonnen  Krijt  Plakband 5. UITLEG: Vertel de kinderen dat ze een spel met ballonnen gaan doen. Laat de ballonnen zien. ‘Zien jullie wel hoeveel ballonnen ik heb opgeblazen voor dit spel?’ Vertel dat de kinderen in een veldje de ballonnen hoog moeten houden. De ballonnen mogen niet op de grond komen! Want dan zijn de kinderen af… Spreek met de kinderen af wat ze moeten doen als ze ‘af’ zijn. Bijvoorbeeld: even buiten het veldje wachten, een halve minuut op een been staan of een koprol maken buiten het veldje (praten en uitleggen). Ze kunnen beginnen met één ballon. Als we zien dat het goed gaat met één ballon dan kunnen we overschakelen naar 2 ballonnen. Dan krijgt elke kindje nog een tweede ballon bij.

Activiteitenboekje

2


6. SPELREGELS: De kinderen moeten niet duwen. Er is plaats genoeg in het terrein waar alle kinderen voldoende plaats hebben om in te kunnen te staan. Ze moeten hun beurt afwachten. Als er kinderen zijn die nog willen mee doen kan ik nog een terreintje bijmaken waar de andere kinderen in kunnen staan. Er zijn ballonnen genoeg en ga proberen om 1 kleur ballonnen maar te gebruiken zodat de kinderen geen ruzie hoeven te maken over de kleur van de ballon die ze hadden.

7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP: De kinderen mogen kiezen of ze willen mee doen of niet. Als het buiten regent kunnen we binnen de ruimte nog gebruiken.

Activiteitenboekje

3


1.2

Bubbels

1.2.1

Motorische vaardigheid

Spelfiche

Bubbels

1. DOEL van het spel: 

Ze een toffe avond te laten beleven. Ze leren wat groot, klein is. En of ze hard of zacht moeten blazen.

2. INKLEDING:  Ik zorg dat er voldoende plaats is en ik laat de kinderen mee helpen. Ik ga eerst zelf een beetje bellen blazen om ze al eens te laten zien wat we gaan doen. 3. TERREIN:  Het kan binnen en buiten. Ik neem een ruimte die groot genoeg is. Als het mooi weer is en het is niet te koud kunnen we het buiten doen. Als het regent kunnen we het binnen in een groot lokaal doen. 4. MATERIAAl:       

Afwasproduct Verf Water Voldoend kommen of 1 hele grote kom Papier Rietjes Lepel

5. UITLEG: De kinderen mogen helpen. Ik eerst water doen in de kommen. Als er water in zit dan gaan we eerst een beetje afwasproduct in doen en dan mogen verschillende kinderen het roeren. Als er niet voldoende afwasproduct in zit doen we er nog een beetje verf bij om een mooi kleurtje te laten bekomen. Dit mag ook weer ĂŠĂŠn van de kinderen doen. Als het klaar is dan krijgt elk kind een rietje en dit mogen ze in die kom doen. Dan gaan ze blazen in het rietje. Als ze hard blazen krijgen ze grote zeepbellen. Als ze zacht blazen krijgen ze kleine bellen. Deze bellen kunnen op een blad papier vallen. En ze bekomen we een mooie tekening op het papier.

Activiteitenboekje

4


Pas wel op dat de kinderen er niet van drinken. 6. SPELREGELS: Als er geen plaats meer is aan de bakken en er willen nog kinderen mee doen dan moeten die kinderen even wachten. Als er kinderen stoppen dan mogen er nieuwe kinderen bij komen. Ik wil dat het rustig blijft waardoor ze een mooie tekening kunnen bekomen. Ze mogen niet aan de bakken duwen of trekken. Deze blijven mooi staan. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP: De kinderen mogen zelf kiezen of ze willen mee doen of niet. Als er kinderen bij zijn die niet meer willen mee doen, die gooit het rietje in de vuilbak en mag dan mooi gaan spelen. Voor de rest mogen de kinderen altijd kiezen wat ze graag willen doen.

Activiteitenboekje

5


1.3

Geurenmemory

1.3.1

Cognitieve ontwikkeling

Spelfiche

Geurenmemory

1. DOEL van het spel: 

Ze laten kennis te maken met verschillende geuren. Zo leren ze eens aan verschillende potjes te ruiken.

2. INKLEDING:  Ik zorg dat er voldoende plaats is. Ik laat ook elk kindje kijken en mee rond de tafel zitten. Ze krijgen ook allemaal de kans om, om de beurt eens te kunnen ruiken. 3. TERREIN:  Het is een activiteit voor binnen. De kinderen mogen allemaal plaats namen aan de tafel. Maar als het mooi weer is en er staat buiten een tafeltje dan kunnen we het eventueel ook buiten het spel spelen. 4. MATERIAAL :

 Tien tot zestien (gemerkte) potjes (kokertjes van filmrolletjes, Olvaritpotjes) met verschillende materialen of voorwerpen die sterk ruiken: pindakaas, citroensap of azijn, gekneusde knoflook, sinaasappelsap, koffie, een aardbei, munt, kaas, yoghurt, een gesnipperde ui.  Stiften of stickertjes om de potjes te merken.  Een blinddoek. 5. UITLEG: Ik ga de kinderen vertellen dat we een geurenmemory gaan spelen. We gaan het eerst zo spelen en als ik merk dat de kinderen het goed kunnen kunnen we het moeilijker maken door een blinddoek om te doen en ze zo te laten ruiken eventueel. Je speelt het spel normaal met kaartjes maar hier is het ipv kaartjes zoeken, geuren zoeken. Als het kind heeft geroken laat het kind dat ook vertellen wat het ruikt en laat het sindsnoods erna kijken wat het heeft geroken. Zodat dit erna aangenamer is voor het kind. Als je twee verschillende potjes laat ruiken dan mag het kind ook zeggen dat dit niet hetzelfde is. Als de geuren hetzelfde zijn mogen de kinderen ook zeggen dat het juist

Activiteitenboekje

6


hetzelfde ruikt. Let wel op dat je gemakkelijke geuren neemt voor het kind. Zo speel je dit spel dat er geen potje meer over blijven.

6. SPELREGELS: Elk kind krijgt de kans om aan elk potje te ruiken. Maar ze moeten erop letten dat er niet wordt geduwd en dat ze hun beurt afwachten. De kinderen mogen het potje zelf vast nemen maar als ze het hebben vast genomen dan mogen ze het terug op de tafel zetten. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen of ze willen mee doen of niet. Als de kinderen niet willen mee doen dan mogen ze gewoon gaan spelen maar ik wil wel dat ze het potje eerst terug op tafel terug zetten.

Activiteitenboekje

7


1.4

Voelspel

1.4.1

Cognitieve ontwikkeling

Spelfiche

Voelspel

1. DOEL van het spel: 

De kinderen kunnen eens kennis maken met verschillende materialen. Ze kunnen eraan voelen en zo leren ze ook nieuwe dingen ontdekken.

2. INKLEDING:  Ik ga de kinderen eerst een paar dingen laten kijken zo. Bv een beer en aan die beer daar kunnen ze eens aan aaien of aan voelen. Zo begrijpen de kinderen ook beter van wat er hun te wachten staat. Als ze een aantal dingen gevoeld hebben dan kunnen we de zak waar heel veel materiaal in zit boven halen en dan kunnen de kinderen nog meer aan verschillende dingen voelen. 3. TERREIN:  Als het heel erg mooi weer is kunnen we de activiteit buiten doen. Maar als het minder goed weer is kunnen we ook binnen spelen. Beide plaatsen zijn er ideaal voor. 4. MATERIAAL :  Verschillende voorwerpen om te voelen: een appel, banaan, peer, kiwi, aardbei, aardappel, wortel, komkommer, prei en plastic dieren.  Een theedoek 5. UITLEG: Ik laat de kinderen eerst eens voelen aan wat is er zacht, wat is er hard. Zo kan ik de kinderen op die manier ook proberen duidelijk te maken dat we iets gaan doen met verschillende materialen waar zij aan kunnen gaan voelen. Je kan er vanalles in een zak doen. Bv: dieren, materialen vanuit de natuur zoals blaadjes, fruit, groenten,‌‌ Zo kan je ervoor zorgen dat elk kindje eens kan voelen als het dat wilt. Als er eens een kindje bij is die niet weet wat het is gaan we eens andere kinderen eerst laten voelen. Als de andere kindjes ook niet weten wat het is kan ik een kindje aanduiden en die kan er dan eventueel dat voorwerp er dan eens uithalen om het de laten kijken. Activiteitenboekje

8


Zo weten ook de kinderen naderhand met wat ze gevoeld hebben en wat niet. En zo kan je het spel spelen tot alles geraden of gezien is. 6. SPELREGELS: We gaan niet duwen. Elk kindje mag om de beurt eens voelen of het voorwerp er uithalen. We gaan allemaal op de poep in een kring zitten en zo kunnen we de zak door geven zodat elk kindje er eens aan kan voelen of het eruit kan nemen. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen of ze willen mee doen of niet. Als ze niet meer willen mee doen wil ik alleen dat ze al het materiaal terug op de tafel neerzetten als ze er niet meer aan willen voelen.

Activiteitenboekje

9


1.5

Zingen en bewegen

1.5.1

Taalontwikkeling

Spelfiche

Zingen en bewegen

1. DOEL van het spel: 

De kinderen hun taalontwikkeling nog meer te doen stimuleren. En om ze een leuke avond, namiddag te laten beleven.

2. INKLEDING:  We gaan ons allemaal verkleden. Dit kunnen we aan de hand van hoeden, sjaal, kleren,… Dan gaan we eerst eens wat muziek op zetten en hier kunnen de kinderen zelf bij meezingen of bewegen. 3. TERREIN:  We kunnen het buiten en binnen spelen. Als het buiten mooi weer is kunnen we de radio buiten neerzetten en kunnen we in het zonnetje bv gaan dansen. 4. MATERIAAL :    

Radio Cd’s Verkleedkleren Muziekinstrumenten

5. UITLEG: We gaan onszelf verkleden op de gekste manier. Dan mogen de kinderen die dat willen een muziekinstrument nemen en dan gaan we daar zelf muziek mee maken. Als het mooi weer is kunnen we dat buiten doen en anders is het binnen. En als we met de muziekinstrumenten gaan bewegen kunnen we daar een liedje bij zingen. Dit liedje kan bv zijn: hoofd, schouder, knie en teen,… Hier kunnen de kinderen dan muziek op maken en bij mee dansen. Zo probeer je het liedje ook te leren aan de kinderen. Als de kinderen het liedje een beetje kennen, kunnen we het eventueel eens een beetje sneller zingen,……….. Als de kinderen hierna eventueel nog willen dansen en muziek willen maken is dit mogelijk en kunnen we eventueel ook nog cd’s op zetten waarbij de kinderen erna dan kunnen op mee doen. Activiteitenboekje

10


6. SPELREGELS: We gaan op een respectvolle manier omgaan met het materiaal waar we muziek mee gaan maken. We gaan niet duwen, als het kind dat ene instrument als eerste had en er is nog een kindje dit dat wilt dan gaan we eerst het eerste kindje hiermee laten spelen en erna kunnen we afwisselen en dan mag het andere kindje. Dit telt ook voor de verkleedkleren. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen of ze willen mee doen. Maar wie niet meer wilt mee doen die doet de kleren uit en ruimt het muziekinstrument zelf op waar hij of zij het heeft genomen en dan mogen ze spelen wat ze maar willen.

Activiteitenboekje

11


1.6

Broodletters bakken

1.6.1

Taalontwikkeling

Spelfiche

Broodletters bakken

1. DOEL van het spel: 

Ik ga de kinderen stimuleren om te proberen samen met hun het alfabet te maken van brooddeeg. Als dit erna gebakken is kunnen we samen met de kinderen de letters één voor één eens overlopen en eventueel de kindjes die met zo een letter beginnen mogen ze die geven.

2. INKLEDING:  De kinderen mogen allemaal plaatsnemen. De tafel is afgeschermd dus de kinderen hebben over plaats waar ze kunnen gaan zitten. 3. TERREIN:  Deze activiteit gaan we binnen doen omdat als het buiten op de grond valt is het niet meer hygiënisch en moeten we dat stukje deeg weggooien dus we gaan het binnen op de tafel maken. 4. MATERIAAL :  volkoren meel  lauw water  blokjes gist  zout  zonnebloempitten, rozijnen of sesamzaadjes (optioneel)  een kom  een theedoek  potloden  vellen A4-papier  keukendoeken  een oven 5. UITLEG:

Activiteitenboekje

12


Laat de kinderen plaatsnemen om een grote, schone tafel en leg de activiteit uit. Vandaag gaan de kinderen heel bijzonder brood bakken: brood in de vorm van letters! Vraag de kinderen welke letters ze kennen en laat ze woorden bedenken die met hun letter begint. Noem zelf eventueel wat leuke, prikkelende voorbeelden: “Pim, weet je welk woord nog meer met een ‘p’ begint? Pannenkoek!” De kinderen die hierna nog geen letter hebben die kunnen nog een letter kiezen. De kinderen die zelf hun letter kunnen schrijven die laat je dat zelf doen en de andere kinderen daar kan je dan zelf bij meer helpen door het voor te doen. Kneed nu alles heel goed en erna kunnen de kinderen hun letter beginnen te maken met de hulp van de begeleiding. 6. SPELREGELS: De kinderen hoeven niet de duwen want ze krijgen allemaal dezelfde hoeveelheid brood waar ze hun letter mee kunnen maken en ze kunnen allemaal mooi plaats nemen aan de tafel. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen of ze willen mee doen of niet. Als de kinderen niet meer willen mee doen, dan doen ze de short uit en mogen ze hun handen gaan wassen. Daarna mogen ze spelen wat ze willen.

Activiteitenboekje

13


1.7

Hutten bouwen

1.7.1

Sociale ontwikkeling

Spelfiche

Hutten bouwen

1. DOEL van het spel: 

Je verzameld verschillende soorten materialen. Geef ze aan de kinderen en laat ze zelf maar een beetje zoeken met hoe ze kunnen bouwen enz‌

2. INKLEDING:  Alle kinderen mogen deelnemen. 3. TERREIN:  We gaan de hutten buiten bouwen. Zo hebben de kinderen meer ruimte om hun fantasie op de vrije loop te laten gaan. 4. MATERIAAL :  Spullen om een hut van te bouwen: (tuin)stoelen, tafels, oude kleden of lakens, grote dozen, takken, planken (zonder splinters!).

 Materialen om in de hut mee te spelen: verkleedkleren, theeserviesjes, kookspullen, enzovoorts. 5. UITLEG: Ik ga de materialen gewoon aan de kinderen geven. Als de kinderen hulp nodig hebben mogen ze het laten weten aan de begeleiding, maar zo kunnen ze zelf hun fantasie ook gebruiken. 6. SPELREGELS: De kinderen mogen niet slaan, gooien, elkaar pijn doen met alle materialen die er liggen. En elk kind dat wilt mee doen mag mee doen. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen die niet willen mee doen mogen zelf kiezen wat ze willen spelen. Activiteitenboekje

14


1.8

Een reuzeschilderij

1.8.1

Sociale ontwikkeling

Spelfiche

Een reuzeschilderij

1. DOEL van het spel: 

Laat de kinderen hun fantasie maar eens gebruiken. En om eens een toffe avond te laten beleven.

2. INKLEDING:  Alle kinderen die willen mee deelnemen mogen deelnemen. Maar omdat er verf aan te pas komt moeten ze wel allemaal een short aan doen. 3. TERREIN:  Deze activiteit gaan we binnen doen. Zodat de kinderen kunnen schilderen op doeken aan de tafel. Als er een heel groot laken is kunnen we het buiten doen. 4. MATERIAAL :  Een rol behang.  (Plakkaat)verf.  Kwasten en schoteltjes of bakjes om de verf op te doen.  Potten met water.  Schorten.  Eventueel schilderstape als je de behangrol aan de muur vast wilt plakken. 5. UITLEG: Vertel de kinderen dat ze samen een reuzenschilderij gaan maken. Laat de uitgerolde rol behang zien: ‘Zo groot mag jullie schilderij worden!’ Vraag de kinderen wat ze willen schilderen. Een strand met zee, een bos met dieren, een eiland, een stad of een dorp? De kinderen mogen het zelf bepalen. Vertel dat de kinderen elkaar mogen helpen tijdens het schilderij, ze kunnen allemaal apart iets op de rol behang schilderen, maar ze mogen ook samen aan een huis, een auto of een dier werken.

Activiteitenboekje

15


6. SPELREGELS: Alle kinderen mogen mee doen. Ze mogen alleen niet op elkaar verven en elk kindje heeft een plaatsje dus iedereen kan mee doen. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : Kinderen die niet meer willen meedoen doen de short uit en moeten eerst de handen gaan wassen. Als de handen gewassen zijn dan mogen de kinderen iets gaan spelen wat ze maar willen.

Activiteitenboekje

16


1.9

Een gezicht met emoties

1.9.1

Emotionele ontwikkeling

Spelfiche

Een gezicht met emoties

1. DOEL van het spel: 

Ik ga de kinderen laten zien hoe je verschillende gelaatsuitdrukkingen je hebt. Dit gaan we allemaal in groep doen zodat alle kinderen het kunnen uitproberen die het maar willen proberen.

2. INKLEDING:  Ik ga elk kind gewoon een paar prenten geven en ze mogen zelf eens kijken naar wat er op de prent staat zo kunnen misschien ook zo al vertellen waarom die verdrietig is , of waarom die blij is,‌‌ 3. TERREIN:  We kunnen deze activiteit op 2 verschillende plaatsen doen. We kunnen het binnen op een gezellig plaatsje doen of we kunnen het ook buiten in de zon doen. Dit kunnen we zelf kiezen als het mooi weer is. 4. MATERIAAL :  Een tekenvel met daarop de omtrek van een gezicht.  Oude tijdschriften waarin het kind mag knippen.  Een schaar en lijm. 5. UITLEG: Leg de activiteit uit. Vandaag mag het kind een gezicht maken. Laat de voorgetekende vellen papier zien. Wil het kind een man of een vrouw maken. Vertel dat het kind het gezicht een bepaalde emotie moet geven. Hij moet zorgen dat het gezicht blij, boos, verdrietig of bang kijkt. Wanneer is het kind eigenlijk boos, blij, verdrietig of bang? Bespreek kort met het kind wanneer je verschillende emoties hebt. Probeer samen met het kind voorbeelden van situaties te bedenken. Kan het kind voordoen hoe je kijkt als je blij bent? En als je boos, verdrietig of bang bent? Laat zelf ook de betreffende gezichtsuitdrukkingen zien.

Activiteitenboekje

17


6. SPELREGELS: De kinderen mogen rustig plaats nemen en elk kind krijgt foto’s, papier,…. Ze hoeven dus niet te duwen of te vechten om foto’s vast te krijgen. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen of ze hier aan willen mee doen of niet. Als de kinderen na de deelneming het materiaal opruimen wat zij hebben gebruikt kunnen ze erna spelen wat ze maar willen.

Activiteitenboekje

18


1.10

Welk dier woont hier?

1.10.1

Emotionele ontwikkeling

Spelfiche

Welk dier woont hier?

1. DOEL van het spel: 

De kinderen kunnen zich vandaag eens als een dier voelen. Ze kunnen ook de geluiden na doen van de dieren.. De kinderen een toffe avond te beleven.

2. INKLEDING:  We gaan als eerste allemaal verschillende dierenoortjes maken. Zo kunnen de kinderen hun zelf ook inbeelden in de dieren zelf. 3. TERREIN:  We gaan het binnen spelen. 4. MATERIAAL :  Een vierkant doosje  Plaatjes van een wei, een stal, de lucht, water, een woonhuis en een bos. Allen zonder de afbeelding van (een) dier(en) erop.  Lijm  Een stuk papier/karton of een schoolbord  Pen/potlood of bordkrijt  Een dierenencyclopedie voor kinderen/dierenboek voor kinderen 5. UITLEG: Laat aan de kinderen de dierenencyclopedie zien. Leg uit aan de kinderen dat hier een heleboel dieren in staan. Misschien wel alle dieren die bestaan. Vertel dat je denkt dat de kinderen met z’n allen ook wel heel veel dieren zullen kennen. Maar weten de kinderen eigenlijk waar dieren kunnen wonen? Praat hierover met de kinderen. Laat de dobbelsteen zien met daarop een aantal plekken waar dieren kunnen wonen. Leg uit dat de kinderen zo meteen om de beurt de dobbelsteen mogen gooien. Het is de bedoeling dat het kind dat gooit een dier bedenkt die op de plek waar de dobbelsteen op valt (bijvoorbeeld in de lucht) woont. Vertel hierbij dat je de door de kinderen bedachte dieren opschrijft achter de letter waar dat dier mee Activiteitenboekje

19


begint. Zegt het kind dus ‘aap’, dan zet je ‘aap’ achter de letter A. Zo proberen de kinderen met elkaar achter zoveel mogelijk letters een dierennaam te laten zetten. Je kunt eventueel ook tekeningen van de dieren achter de letters maken. 6. SPELREGELS: De kinderen moeten hun beurt afwachten als ze in de encyclopedie willen kijken. Maar we kunnen ook allemaal samen kijken als we allemaal rond de tafel gaan staan, zo kunnen we dan ook samen in de encyclopedie kijken en benoemen wat we zien. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen als ze willen mee doen of niet.

Activiteitenboekje

20


2

Activiteitenboekje: 6-9 jaar

2.1

Een dier van stof

2.1.1

Motorische vaardigheid

Spelfiche

(naam van het spel)

1. DOEL van het spel: 

Om de kinderen eens op een andere manier alles te laten beleven. Om met deze kinderen samen met ons een toffe avond te kunnen beleven.

2. INKLEDING:  Ik ga de kinderen zelf laten kiezen welke dieren ze mogen gebruiken. Om de ruimte een beetje in te kleden kan ik de voorbeelden altijd ergens ophangen zodat de kinderen duidelijk kunnen zien wat we gaan doen. 3. TERREIN:  Dit is een activiteit die je zowel buiten als binnen kunnen doen. Dus kijk een beetje naar het weer en dan kan je als nog kiezen waar je de activiteit laat door gaan. 4. MATERIAAL :  Een groot vel papier  Textiel en ander materiaal: lapjes stof, wol en knopen in verschillende kleuren  Potlood en stiften  Goede schaar  (Textiel)lijm  Eventueel internet of boeken om ideeĂŤn op te doen voor een dier  Eventueel een zelfgemaakt voorbeeld  Eventueel (een plaatje uit) de boeken van David McKee over Olifant Elmer 5. UITLEG: We gaan de dieren vertellen dat we een dier van stof gaan maken. Ze mogen zelf kiezen welk dier ze gaan nemen. Ze kunnen bv hun lievelingsdier nemen of een dier nemen waar voorbeelden van op tafel liggen. Eerst tekent het kind de omtrek van een dier op een groot vel papier. Daarna gaat het kind het dier volplakken met allemaal kleine Activiteitenboekje

21


stukjes stof. Door te vertellen wat het kind moet doen en door een voorbeeld te laten zien begrijpt of weet een kind al veel beter met wat hij of zij moet gaan doen. Het kind knipt het stof in kleine deeltjes en plakt deze stukjes vast op het papier met lijm. Als het helemaal vol geplakt is dan kan het kind het af maken door van wol een staart of manen te maken of knoopjes voor de ogen. Het kind mag ook altijd zelf bepalen welke kleuren het wilt gebruiken. 6. SPELREGELS: Alle kinderen mogen hier aan deelnemen. Ze moeten hun beurt afwachten als ze een bepaald stukje stof willen gebruiken waar een ander kindje mee bezig is. We blijven mooi aan tafel zitten en we gaan niet met de lijm van tafel. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen of ze willen mee doen. Maar als de kinderen niet meer willen mee doen wil ik wel dat ze eerst opruimen voor ze iets anders gaan spelen.

Activiteitenboekje

22


2.2

Het schoenenspel

2.2.1

Cognitieve ontwikkeling

Spelfiche

(naam van het spel)

1. DOEL van het spel: 

Om de kinderen eens op een andere manier alles te laten beleven. Om met deze kinderen samen met ons een toffe avond te kunnen beleven.

2. INKLEDING:  We zorgen ervoor dat er op de grond eventueel matten liggen zodat de kinderen daar op kunnen gaan zitten en daar kunnen we dan ook de schoenen makkelijker in het midden leggen. 3. TERREIN:  We spelen het spel binnen. Maar je kan het spel ook altijd buiten op het gras spelen als het mooi weer is en het als het gras droog is. 4. MATERIAAL :  Schoenen 5. UITLEG: We gaan de kinderen vertellen dat we een schoenenspel gaan spelen. Als eerste wat de kinderen mogen doen is hun schoenen uit doen. Ze leggen alle linkerschoenen bij elkaar en alle rechterschoenen. Dan ga ik vertellen aan de kinderen dat alle schoenen door elkaar worden geschud als dit is gebeurd dan ga je alle kinderen terug een rechteren linkerschoen. Dit is waarschijnlijk niet hun eigen schoenen maar 2 verschillende schoenen en ook nog eens in verschillende maten. Elk kind doet de schoenen aan. Daarna lopen de kinderen door elkaar door de ruimte en gaan ze op zoek naar hun eigen schoenen. Maar let op soms wil een ander kind een schoen met een kind ruilen, terwijl hij niet de schoen van dat kind heeft. Het kind ruilt dan de ene schoen om voor de andere. Daarna gaat het kind natuurlijk snel op zoek naar een kind dat wel zijn schoenen aan heeft. Heeft het kind zijn 2 eigen schoenen terug dan mag het aan de kant gaan zitten en de andere kinderen aanmoedigen. Als alle kinderen hun eigen schoenen weer aan heeft dan is het spel afgelopen. Activiteitenboekje

23


6. SPELREGELS: De kinderen gaan hier rustig mee om. De kinderen moeten geen schrik hebben dat hun schoenen kapot gaan want de begeleiding helpt hun waar het nodig is. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen of ze willen mee doen. Maar als de kinderen niet meer willen mee doen wil ik wel dat ze eerst opruimen voor ze iets anders gaan spelen.

Activiteitenboekje

24


2.3

Het grote receptenboek

2.3.1

Taalontwikkeling

Spelfiche

(naam van het spel)

1. DOEL van het spel: 

Om de kinderen eens op een andere manier alles te laten beleven. Om met deze kinderen samen met ons een toffe avond te kunnen beleven.

2. INKLEDING:  Ik ga alles klaar leggen op de tafel waar de kinderen zelf hun materialen kunnen kiezen. 3. TERREIN: 

We gaan het binnen aan de tafel doen. Daar is voldoende plaats voorzien om de kinderen rond te laten zitten.

4. MATERIAAL :  A4-papier  Potloden  Gummen 5. UITLEG: Leg de activiteit uit aan de kinderen. Vraag om te beginnen aan de kinderen wie een recept kent. Dat mag variëren van een taart tot een lekker belegde boterham. Vertel de kinderen dat ze een eigen recept mogen schrijven. Het mag een recept zijn dat ze al kennen, maar het mag ook iets zijn wat ze gewoon heel lekker lijkt. Geef van tevoren het kader van een recept: bovenaan komt de naam van het recept, dan worden de ingrediënten gegeven, en dan de manier waarop de ingrediënten bereid worden. Ze mogen het zo gek maken als ze zelf willen. De ingrediënten hoeven niet in huis te zijn, want het recept wordt alleen maar opgeschreven. Naderhand worden de recepten verzameld en in het Grote Receptenboek van de bso gebundeld. 6. SPELREGELS: De kinderen duwen niet want ze mogen allemaal samen werken. De kinderen gaan gewoon kleine groepjes met wie, wat gaat maken en dan verloopt alles wel redelijk goed. De kinderen duwen niet en ze mogen zelf hun ingrediënten komen nemen alleen als er de Activiteitenboekje

25


begeleidster bij staat. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen of ze willen mee doen. Maar als de kinderen niet meer willen mee doen wil ik wel dat ze eerst opruimen voor ze iets anders gaan spelen.

Activiteitenboekje

26


2.4

Samen zijn we een slang

2.4.1

Sociale ontwikkeling

Spelfiche

(naam van het spel)

1. DOEL van het spel: 

Om de kinderen eens op een andere manier alles te laten beleven. Om met deze kinderen samen met ons een toffe avond te kunnen beleven.

2. INKLEDING:  We gaan een lokaal creĂŤren waar de kinderen zich goed in voelen en daar gaan we leren wat vertrouwen is. 3. TERREIN:  De ruimte die we gaan inrichten is een ruimte die we binnen gaan inrichten. 4. MATERIAAL :  / 5. UITLEG: Vertel de kinderen dat zij een spel gaan doen waarbij zij elkaar echt moeten vertrouwen. Wat is dat eigenlijk, vertrouwen? Kunnen de kinderen daar iets over vertellen? Wanneer is vertrouwen belangrijk? Praat hierover met de kinderen. Leg uit dat de kinderen met elkaar een slang gaan vormen door achter elkaar te gaan staan en elkaar bij de schouders vast te houden. Iedereen doet zijn ogen dicht. Alleen het voorste kind mag zijn ogen open houden en leidt de slang door echte of gefantaseerde hindernissen (bijvoorbeeld onder een tafel door, over een opstapje heen, op de tenen lopend of op de hurken) 6. SPELREGELS: De kinderen moeten niet duwen. Ze mogen zelf het parcours opstellen samen in overleg met de andere kinderen. Ze moeten samen overeen komen en als ze schreeuwen dan ga ik vragen om een beetje stiller te zijn zodat iedereen kan mee helpen en rustig kan mee denken. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen of ze willen mee doen. Maar als de kinderen niet meer willen mee doen wil ik wel dat ze eerst opruimen voor ze iets anders gaan spelen. Activiteitenboekje

27


2.5

Gelukspoppetjes

2.5.1

Emotionele ontwikkeling

Spelfiche

Gelukspoppetjes

1. DOEL van het spel: 

De kinderen laten omgaan met hoe ze zich veilig kunnen voelen en ze kunnen dan steun vinden bij gelukspoppetjes.

2. INKLEDING:  We gaan samen gelukspoppetjes maken en voor wat sfeer te brengen kunnen we eventueel nog muziek opzetten. 3. TERREIN:  De activiteit gaat binnen door. 4. MATERIAAL :  Houten wasknijpers  Verschillende stofjes, vilt, touwtjes, knopen, linten, stiften, draad, etc.  Houtlijm en alleslijm  Schortjes voor de kinderen  Een eigen gemaakt voorbeeldpoppetje of een mooie foto van een gelukspoppetje. 5. UITLEG: Vraag aan het kind of het weet wat ‘geluk’ betekent. “Heeft het kind zich wel eens heel erg gelukkig gevoeld en waarom was dat?” Vertel dat je soms ook wel eens iemand veel geluk wil wensen, bijvoorbeeld als iemand een sportwedstrijd gaat spelen. Kan het kind een voorbeeld noemen van een moment waarop hij een ander geluk zou willen wensen (Laat een gelukspoppetje zien en vertel dat mensen in sommige landen/culturen geloven dat deze gelukspoppetjes geluk brengen. Zij geven elkaar dit soort poppetjes voor geluk, bijvoorbeeld als ze gaan trouwen of een lange reis gaan maken. Waarvoor zou het kind een gelukspoppetje willen hebben? Vertel dat het kind vandaag zelf een gelukspoppetje mag maken. Aan wie zou het kind dit gelukspoppetje willen geven en waarom. Het kind mag helemaal zelf weten hoe zijn gelukspoppetje eruit komt te zien. Laat zien hoe je van de twee stukken knijper een poppetje kunt maken door deze aan elkaar te lijmen. Op het hoofdje kunnen ogen en een mond getekend Activiteitenboekje

28


worden. Met een bolletje wol of met draad kunnen haartjes gemaakt worden door dit vast te lijmen op het hoofdje. Rol het poppetje in een stukje stof of vilt en knoop er een touwtje omheen, dit zijn de kleren. De kleren van het poppetje kunnen eventueel nog versierd worden met lint, andere stukjes stof, etc

6. SPELREGELS: De kinderen hoeven geen ruzie te maken want iedereen mag zoiets maken. Dus ze mogen rustig plaats nemen aan de tafel en dan kan iedereen zo iets maken voor degene die dat willen. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen of ze willen mee doen. Maar als de kinderen niet meer willen mee doen wil ik wel dat ze eerst opruimen voor ze iets anders gaan spelen.

Activiteitenboekje

29


3

Activiteitenboekje: 9-12 jaar

3.1

Zoutdeeg

3.1.1

Motorische vaardigheid

Spelfiche

(naam van het spel)

1. DOEL van het spel: 

Om de kinderen eens op een andere manier alles te laten beleven. Om met deze kinderen samen met ons een toffe avond te kunnen beleven.

2. INKLEDING:  Je zorgt dat alles klaar ligt op de tafel en je kan de tafel eventueel al afdekken met een plastiek. 3. TERREIN:  We gaan de activiteit binnen aan de tafel doen waar er voldoende plaats is waar de kinderen de figuren zelf kunnen en beter kunnen maken. 4. MATERIAAL :        

3 koppen witte bloem. 1 kop zout. 1,5 kop water. Een kom. Mesjes en een knoflookpers. Aluminiumfolie. Een oven. Schorten.

5. UITLEG: We gaan de kinderen vertellen dat ze eerst brooddeeg gaan maken. Dit deeg kan je niet eten en dat moet je ook zeggen tegen de kinderen. Daarna kunnen ze van het brooddeeg verschillende figuren maken. Ze kunnen dit erna versieren met sieraden, poppetje, huisjes,‌ Je laat ook altijd zien wat je hebt gemaakt. Laat de kinderen een short aan trekken en daarna mogen ze met 2 zout brooddeeg maken. Laat de kinderen zelf een 1.5 kopje water bij het zoutdeeg doen. Na het kopje met water voeg je witte bloem toe aan een schaal. Daarna goed mengen en nog een 1.5 kopje water toevoegen.

Activiteitenboekje

30


Nu mogen ze blijven kneden tot ze een deegbal krijgen. Daarna verdeel je de deegbal in tweeën. Elk kind krijgt de helft. Nu kunnen ze aan de slag met er figuren van te maken en daarna kunnen ze die versieren. 6. SPELREGELS: De kinderen mogen niet gooien met de bloem, of het water. Ze mogen allemaal om de beurt. De bloem en de kom mogen ze allemaal één voor één komen halen en er wordt niet geduwd want de iedereen kan iets nemen. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen of ze willen mee doen. Maar als de kinderen niet meer willen mee doen wil ik wel dat ze eerst opruimen voor ze iets anders gaan spelen.

Activiteitenboekje

31


3.2

Magisch vierkant

3.2.1

Cognitieve ontwikkeling

Spelfiche

(naam van het spel)

1. DOEL van het spel: 

Om de kinderen eens op een andere manier alles te laten beleven. Om met deze kinderen samen met ons een toffe avond te kunnen beleven.

2. INKLEDING:  Ik hang zelf ook nog ergens een heel groot vierkant op waardoor de kinderen zelf al kiezen of ze willen mee willen gaan doen of niet. 3. TERREIN:  Dit spel spelen we het beste in de binnenruimte aan een tafel of op de grond dat mogen de kinderen zelf kiezen. 4. MATERIAAL :  Papier  Potloden  Gummen 5. UITLEG: Ik ga aan de kinderen vragen of ze wel een rekenspelletje hebben gedaan. Hierbij laat ik bijvoorbeeld een gemakkelijk kruiswoordraadsel zien of een sudoku. Ik ga vertellen dat je met getallen best leuke en soms onverwachte spelletjes kunt doen. Vertel de kinderen dat ze nu een magisch vierkant mogen gaan maken. Laat het papier met daarop het getekende tabelletje zien. Ik leg uit dat de kinderen de getallen van 1 tot en met 9 in de hokje mogen gaan schrijven, maar dit op zo’n manier moeten doen dat er optellend zowle horizontaal als vertikaal over 15 uitkomt. Laar zien wat je bedoelt door in de bovenste rij 3 willekeurige getallen in te vullen en deze horizontaal met elkaar op te tellen. Leg uit dat elk getal maar 1 keer in het schema mag voorkomen. Het wordt dus niet zomaar en vierkant met getallen, maar een magisch vierkant doordat de optelsom aan alle kanten 15 is. Moet er alleen op letten dat alle kinderen snappen wat ik Activiteitenboekje

32


bedoel. 6. SPELREGELS: Als de kinderen niet goed begrijpen met wat ik bedoel dan leg ik nog eens keertje uit waardoor de kinderen dan wel weten wat ik bedoel. Voor de rest er zijn voldoende vierkanten dus alle kinderen kunnen hier aan mee doen. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen of ze willen mee doen. Maar als de kinderen niet meer willen mee doen wil ik wel dat ze eerst opruimen voor ze iets anders gaan spelen.

Activiteitenboekje

33


3.3

De mega quiz

3.3.1

Taalontwikkeling

Spelfiche

(naam van het spel)

1. DOEL van het spel: 

Om de kinderen eens op een andere manier alles te laten beleven. Om met deze kinderen samen met ons een toffe avond te kunnen beleven.

2. INKLEDING:  / 3. TERREIN:  De kinderen mogen zelf kiezen waar ze de quiz willen spelen. De quiz kunnen we zoal binnen en als buiten spelen. 4. MATERIAAL :  Quizvragen. Dit kunnen Ja of Nee vragen zijn, ABC of benaderingsvragen etc.  Eventueel een klein prijsje voor de winnaar. 5. UITLEG: Vraag aan de kinderen of ze weten wat een quiz is. Misschien kennen ze het wel van tv of internet. Heeft er iemand al eens een quiz gespeeld? Misschien kan die persoon dan aan ons vertellen hoe dat allemaal in zijn werk gaat. Vertel dat jullie vandaag een Quiz gaan doen. Jij bent vandaag de Quizmaster en zal de vragen stellen, de kinderen gaan het goede antwoord proberen te raden. Vertel dat de kinderen om de beurt een vraag krijgen en deze goed moeten beantwoorden. Denk eerst goed na hoe je de vraag stelt. Je kan vragen verzinnen die met nee of ja moeten beantwoord worden maar ook met A, B of C. Ook benaderings vragen kan je stellen. Leg uit dat als een kind een vraag niet weet hij of zij bij deze ronde van de Quiz af is. Maar voordat dit kind af is kan misschien iemand uit de groep die het antwoord wel weet helpen. Spreek ook duidelijk af dat een kind alleen antwoord mag geven als hij of zij aan de beurt is en ze dus stil moeten zijn wanneer iemand anders aan de beurt is.

Activiteitenboekje

34


6. SPELREGELS: De kinderen mogen in groep samen de quiz spelen. Er wordt niet geduwd. Iedereen komt aan de beurt en iedereen krijgt ook een kans om te kunnen antwoorden. Geen elk antwoord is fout. Alles is goed. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen of ze willen mee doen. Maar als de kinderen niet meer willen mee doen wil ik wel dat ze eerst opruimen voor ze iets anders gaan spelen.

Activiteitenboekje

35


3.4

Portret aftekenen

3.4.1

Sociale ontwikkeling

Spelfiche

(naam van het spel)

1. DOEL van het spel: 

Om de kinderen eens op een andere manier alles te laten beleven. Om met deze kinderen samen met ons een toffe avond te kunnen beleven.

2. INKLEDING:  Er hangen over gezichten en verschillende portretten waar de kinderen uit kunnen kiezen met wat ze willen maken en ze kunnen ook van die tekeningen inspiratie vandaan halen. 3. TERREIN:  Binnen in de knutselruimte gaan we een mooi portret maken. 4. MATERIAAL :      

Eventueel een schort. Plaatjes van gezichten (in tijdschriften). Schaar, lijm. (Kleur)potloden. Stevig, wit tekenpapier. Verf: plakkaatverf of olieverf, kwasten.

5. UITLEG: Laat het kind een plaatje van een gezicht zien. Vertel dat het kind zo meteen zelf een plaatje uit mag zoeken. Daarna mag hij het plaatje doormidden knippen in twee helften. Hij plakt de linker- of de rechterhelft van het gezicht op een leeg vel tekenpapier. Daarna mag het kind de andere helft erbij tekenen. Voor het inkleuren van het gezicht kan het kind verf gebruiken, kleurpotloden of stiften. Hij mag zelf bepalen hoe hij daarbij te werk gaat. Zorg ervoor dat het kind je uitleg goed kan verstaan. 6. SPELREGELS: De kinderen hoeven geen ruzie te maken over het materiaal want er is materiaal genoeg waar ze uit kunnen kiezen. Als ze stiften gebruiken moeten ze wel na het kleuren of het gebruiken van de stift moeten ze Activiteitenboekje

36


het dopje terug op de stift doen. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen of ze willen mee doen. Maar als de kinderen niet meer willen mee doen wil ik wel dat ze eerst opruimen voor ze iets anders gaan spelen.

Activiteitenboekje

37


3.5

Ontwerp en maak een versiering voor jezelf

3.5.1

Emotionele ontwikkeling

Spelfiche

(naam van het spel)

1. DOEL van het spel: 

De kinderen mogen hun zelf eens versieren op de manier waarop ze dat zelf eens graag willen doen. Ze mogen hier zelf hun eigen fantasie voor gebruiken.

2. INKLEDING:  De kinderen mogen zelf kiezen wat ze willen gebruiken. Voor sfeer te brengen kunnen we eventueel muziek opzetten. 3. TERREIN:  We gaan dit in de binnenruimte doen. 4. MATERIAAL :  Plaatjes of foto's van inheemse mensen met lichaamsversieringen. Je vindt ze door de term ‘lichaamsversiering’ in google te typen als zoekvraag, maar je kunt ook op bijvoorbeeld http://nl.wikipedia.org/wiki/Henna kijken.  Tekenmateriaal: wasco, stiften, potloden  Papier  Knutselspullen: ijzerdraad, kurken, kralen, karton, et cetera 5. UITLEG: Vertel het kind dat mensen overal in de wereld zichzelf versieren om zichzelf mooier te maken of om te laten zien dat zij bij een bepaalde groep of stam horen. Zij versieren zichzelf bijvoorbeeld met nekringen (in Birma), met lipschijven, oorversieringen of armbanden (in Afrika) of met hennatekeningen (in Marokko). Vraag wat het kind van dit soort versieringen vindt. Mooi, eng of niet mooi? Stel dat het kind zijn lichaam wil versieren, wat zou hij dan voor versiering nemen? Een oorversiering, een mooie ketting of een armband? Vertel dat het kind eerst samen met jou een aantal plaatjes mag bekijken zodat het kind weet wat voor soort versieringen er zijn en hoe ze eruit zien. Daarna mag hij een versiering voor zichzelf ontwerpen en/of maken. Sommige versieringen kan het kind echt maken, zoals een oorversiering of een armband. Het kind kan zelf een mooi kunstwerk maken van de Activiteitenboekje

38


knutselspullen. Van andere versieringen kan het kind alleen een ontwerp maken. Bijvoorbeeld een ontwerp voor een hennaschildering op zijn hand of voet. Het kind mag flink zijn fantasie te gebruiken; hij hoeft het sieraad niet echt te dragen! Zorg ervoor dat het kind je uitleg goed kan verstaan. Begrijpt hij wat de bedoeling is? 6. SPELREGELS: Ze mogen allemaal met henna werken als dit erbij zit. Maar er zal eventueel een beurtrol afgesproken kunnen worden waardoor dan iedereen aan de beurt kan komen hiervoor. 7. AANPASSING AAN SITUATIE EN GROEP : De kinderen mogen zelf kiezen of ze willen mee doen. Maar als de kinderen niet meer willen mee doen wil ik wel dat ze eerst opruimen voor ze iets anders gaan spelen.

Activiteitenboekje

39


Activiteitenboekje