Page 1

BoVoMa Boekje voor Marianne

1


Inleiding Beste Marianne, Vandaag ben je jarig. En ik kom helaas niet op je verjaardag om een kopje koffie drinken. Toch wil ik wel dichtbij komen. Op het CLV moest het archief worden opgeruimd, let wel, mijn archief. Tijdens het weggooien kwam ik allerlei blaadjes tegen met een onderdeel ‘inspirerende teksten’. Die heb ik ook voor jou verzameld in een boekje. Ik wens jou, en alle grote liefdes die je hebt een goed jaar toe. Koester je verlangen en voed de hoop. Ik wens je een gezellige verjaardag, waarbij je elke dag kunt vieren dat je gelukkig bent met alle lieve mensen om je heen. Vriendgroet, Kees

2


Vrienden zijn als bomen Ze wachten tot je nog eens langs komt, En ze zijn onverstoorbaar als je wegblijft, En ook na maanden afwezigheid, Kan je de draad weer opnemen, Omdat ondertussen niets werd afgebroken. Vrienden zijn als bomen, Op een afstand van elkaar geplant, Zo moeten ze elkaar niets betwisten, Ze kennen ook geen afgunst, Maar nodigen wel elkaar uit, hoger te groeien. Vrienden zijn als bomen, En bomen buigen niet maar ze wuiven‌

3


Een hand toesteken In het noorden van Perzië zonk een man weg in een moeras. Alleen zijn hoofd kwam nog boven het slijk uit. Luidkeels schreeuwde hij om hulp. Al spoedig verzamelde zich een menigte bij de plek des onheils en iemand had de moe om de ongelukkige te helepen. “Geef me je hand”, riep hij hem toe. “Ik zal je uit het moeras trekken.” Maar de verdrinkende man bleef om hulp roepen en deed niets waardoor de ander hem eruit kon trekken. “Geef me je hand”, moedigde deze hem meermalen aan. Het antwoord was slechts een erbarmelijk geschreeuw om hulp. Toen bemoeide een andere man zich ermee: “Je ziet toch dat hij je nooit zijn hand zal geven. Geef hem jouw hand, dan kun je hem redden.”1

1

Uit: Erich en Leo Kaniok, Een vleugje wijsheid. Levensverhalen voor een wijs leven, Haarlem: uitgeverij ZintenZ, 2011

4


“Waarom loopt die bol uit?” vraagt het kind, en wij bazelen van jaargetijden, stoffen, circulatie, kortom van verleden, terwijl één antwoord zinvol is: de plant wil bloeien. De zin van het uitlopen ligt in wat ieder zien kan (als hij wil): zie hoe die bol uitloopt en neem waar hoe hij beheerst is door één intentie. Neem de toekomst waar. Er is niets anders waar te nemen. Het heden is de zichtbare toekomst.2

2

J.H. van den Berg Metabletica, Nijkerk: Callenbach 1956, pag. 77

5


Het grote verhaal Hebben wij een afspraak met het leven gemaakt? Hebben wij ons aan die afspraak gehouden? Hebben wij beloofd ons aan die afspraak te houden? Zijn wij die afspraak vergeten? Zijn wij vergeten dat wij ooit een afspraak hebben gemaakt? Wat is de afspraak? Weet je nog welke afspraak ja aan het leven bindt? Ben je bereid je afspraak na te komen? Is niet de afspraak: je bent erbij betrokken? Je zult erbij zijn. Je zult het meemaken. Je zult medeschepper zijn, Hemel en aarde en elk ogenblik vol betekenis. Dat liefde is. Dat de natuur er is Dat het leven geven en nemen is. Zin en onzin, chaos en betekenis.3

3

Simon Vinkenoog, Vinkenoog verzameld. Amsterdam, Nijgh & Van Ditmar 2008

6


Het ‘luister’, het eerste woord van de Regel, heeft een speciale klank. Het Latijn gebruikt hier obsculta of ausculta: het gaat om zeer aandachtig luisteren, ‘ausculeert’. Dit aandachtig luisteren is erop gericht te horen wat de situatie van ons vraagt, om daarop vervolgens response te geven. Benedictijns leven is zo in één regel samen te vatten; heel aandachtig luisteren en van harte en daadwerkelijk respons geven. En niet uit zweverige braafheid, maar om tot resultaat te komen. Om het theologisch te zeggen: het beluisterde woord moet geïncarneerd worden, omgezet in werkelijkheid, in resultaten. Het laatste woord van de Regel is pervenies: je komt ergens aan waar je wilt zijn, je komt tot resultaat. Benedictijns leven is: aandachtig luisteren om tot resultaat te komen. Een houding die vanzelfsprekend ook buiten het klooster te cultiveren is.4

4

Wil Derkse, Een leefregel voor beginners. Tielt: Lannoo 2000.

7


Ik geloof dat we moeten leren te wachten zoals we leren te scheppen. We moeten geduldig de graankorrels zaaien, de aarde waarin zij gezaaid zijn, koppig water blijven geven en de planten hun eigen tijd gunnen. We kunnen een plant niet voor de gek houden, net zomin als we de Geschiedenis voor gek kunnen houden. Maar we kunnen haar wel water geven. Geduldig, elke dag. Met begrip, met nederigheid, natuurlijk, maar ook met liefde.5

5

Vaclav Havel Toespraak installatie, Ger Groot, Trouw, 28-11-92

8


Uit een radiopraatje van Godfried Bomans naar aanleiding van een folder van de Vereniging tot Verspreiding der Heilige Schrift waarin getekende baby’s in tekstballonnen boven hun hoofdjes uitgesproken meningen verkondigen, zoals ‘Ik houd niet van mensen die de Here Jezus niet liefhebben’:

Houden baby’s niet van mensen die de Here Jezus niet liefhebben? Ik wil de Vereniging der Heilige Schrift even strikt vertrouwelijk iets in het oor fluisteren: baby’s weten niet wie de Here Jezus is! ’t Is beroerd maar het is zo. Wat volgt hieruit? Dat zij volstrekt geen onderscheid maken tussen mensen die de Here Jezus wel en die de Here Jezus niet liefhebben. Later, veel later, als zij eenmaal grote mensen zijn geworden, gaan zij dat onderscheid soms maken. Zij trekken dan een fijn mondje en lopen zwijgend voorbij als zij iemand tegenkomen die de Here Jezus niet liefheeft. Het is om die ramp te voorkomen, dat de christelijke scholen zijn opgericht.6

6

Godfried Bomans, radiofragment uit: ‘Ik moet naar bed’.

9


Een anonieme tekst uit de Traditie zegt dat ieder van ons in zijn leven 贸f de houding kan aannemen van een bouwer 贸f die van een planter. De bouwers kunnen jaren bezig zijn met de opgaven die zij zich hebben gesteld, maar op een dag stoppen ze en worden ze begrensd door de muren die ze zelf hebben opgetrokken. Hun leven verliest aan zin wanneer het bouwwerk is voltooid. En dan zijn er de planters. Zij krijgen te maken met de stormen en met de seizoenen, Uitrusten is er zelden bij. Want anders dan een gebouw, groeit een tuin altijd door. En terwijl de tuin voortdurend zorg vereist, geeft hij tegelijkertijd zijn tuinman de kas zijn leven te leven als een groot avontuur.7

7

Paulo Coelho Brida, vert. Piet Janssen, Amsterdam: De Arbeiderspers 2008, 12

10


Hoop Hoop is een kwaliteit van de ziel En hangt niet af van wat er in de wereld gebeurt. Hoop is niet voorspellen of vooruitzien. Het is een gerichtheid van het hart, Voorbij de horizon verankerd. Hoop in deze diepe en krachtige betekenis Is niet hetzelfde als vreugde omdat alles goed gaat, Of bereidheid je in te zetten voor wat succes heeft. Hoop is ergens voor werken omdat het goed is, Niet alleen omdat het kans van slagen heeft. Hoop is niet hetzelfde als optimisme Evenmin de overtuiging dat iets goed zal aflopen. Wel de zekerheid dat iets zinvol is Ongeacht de afloop, het resultaat.8

8

Vรกclav Havel

11


Het bekende verhaal Wanneer de grote rabbi Baäl Sjem Tov voor de moeilijke taak stond zijn volk te redden, placht hij op een bepaalde plek in het woud te gaan mediteren. Hij stak daar een vuur aan en sprak een gebed uit. En wat hij van plan was te volbrengen, werd volbracht. Toen een generatie later de Maggid van Meseritz voor eenzelfde taak kwam te staan, ging hij naar dezelfde plek in het woud en zei: we kunnen het vuur niet meer doen ontbranden, maar het gebed kunnen we nog wel bidden. En wat hij van plan was te volbrengen, werd werkelijkheid. Weer een generatie later had rabbi Mosje Leib van Sassov een zelfde taak te volbrengen. Ook hij ging het woud in en spraak: Het vuur kunnen we niet meer aansteken en het gebed, dat we moeten opzeggen, kennen we niet. Maar we weten de plaats in het woud, waar alles gebeurd is. Dat moet voldoende zijn. En dat was voldoende. Maar toen er weer een generatie voorbij was en rabbi IsraÍl Risjin opgeroepen werd om dezelfde taak te volbrengen, ging hij in zijn kasteel op zijn vergulde 12


zetel zitten en sprak tot God: We kunnen het vuur niet meer doen ontbranden, we kennen het gebed niet meer, we weten zelfs de plek in het woud niet meer, waar dit alle moest gebeuren. Maar we kunnen wel het verhaal vertellen van hoe het gedaan werd. Dat moet voldoende zijn. En het was voldoende.9

9

Een chassidisch verhaal, Dick Tieleman, Geloofscrisis als gezichtsbedrog. Kampen: Kok 1995, 15

13


We beseffen en aanvaarden dat wij onze rust niet vinden in de zekerheid van wat wij belijden, maar in de verwondering over wat ons toevalt en geschonken wordt; dat wij onze bestemming niet vinden in onverschilligheid en hebzucht, maar in wakkerheid en verbondenheid met al wat leeft; dat ons bestaan niet voltooid wordt door wie we zijn en wat we hebben, maar door wat oneindig groter is dan wij kunnen bevatten.10

10

Remonstrantse geloofsbelijdenis, www.remonstranten.org, 2006

14


Een houthakker solliciteerde bij een houtbedrijf. Hij werd aangenomen en ging de eerste dag vol goede moed letterlijk en figuurlijk aan de slag. In één dag kapte hij achttien bomen. Zijn baas was heel tevreden en beloofde hem aan het eind van de week extra loon. De volgende ochtend stond de houthakker vroeg op en ging naar het bos, vastbesloten om zijn record te verbeteren. Maar hij slaagde er niet in om meer dan vijftien bomen te kappen. Ik zal wel moe zijn, dat is begrijpelijk, dacht hij en ging die avond extra vroeg naar bed. De volgende dag deed hij opnieuw een recordpoging. Hoe hij ook zijn best deed, hij kapte die dag maar negen bomen. De volgende dag waren het er zeven, toen vijf en daarna nog maar twee. Teleurgesteld zocht hij zijn baas op om te vertellen wat er aan de hand was. Bij hoog en bij laag hield hij vol dat hij alle dagen even hard zijn best had gedaan. 11

“Wanneer heb jij je bijl voor het laatst geslepen?”

vroeg zijn baas. “Slijpen?” riep de houthakker uit, “ik heb geen tijd gehad om te slijpen. Ik had het veel te druk met kappen.” 11

Jorge Bucay, Auke Abma, Amsterdam: Ambo 2004

15


Toch niet? De dag haat toch niet De nacht omdat Hij zwart ziet De zon verbrandt toch niet De maan omdat Ze blank is De bij verjaagt toch niet De vlinder omdat Hij uit dezelfde bloem drinkt De merel doodt toch niet De nachtegaal omdat Zijn liedje anders klinkt Waarom haat, verbrandt Verjaagt en doodt De ene mens dan wel De ander? Toch niet Omdat hij anders is?12

12

Maja Panajotova

16


Vrede, verbondenheid en samenwerking zijn alleen denkbaar tussen volkeren en landen die weten wie ze zijn. Als ik niet weet wie ik ben, wie ik wil zijn, wat ik wil bereiken, waar ik begin en waar ik eindig, dan zijn mijn betrekkingen met de mensen om mij heen en met de rest van de wereld onvermijdelijk gespannen, vol argwaan en belast door een minderwaardigheidscomplex dat misschien wel schuilgaat achter gezwollen bravoure. Gebrek aan zelfvertrouwen en onzekerheid over de eigen identiteit leiden onherroepelijk tot wantrouwen jegens anderen, toeschrijven van kwade bedoelingen aan de rest van de wereld en ten slotte tot een agressiviteit die kan uitmonden in de overheersing van mensen die daar niet van gediend zijn.13

13

Vaclav Havel, 2001

17


Het verhaal van de zeester Een man liep eens een keer bij zonsondergang over een verlaten Mexicaans strand. Terwijl hij daar zo liep, zag hij in de verte een nadere man aankomen. Toen hij naderbij kwam, zag hij dat de Mexicaan zich steeds vooroverboog , iets opraapte en dat in het water gooide. Steeds maar weer gooide hij iets in zee. Toen de man nog dichterbij kwam, zag hij dat de Mexicaan zeesterren die op het strand aangespoeld waren, opraapte en die één voor één weer in het water gooide. De man vroeg zich af waarom de Mexicaan dat deed. Hij liep op hem af en zei: “Goedenavond, beste vriend. Ik vroeg me af wat u aan het doen was”. “Ik gooi deze zeesterren terug in zee. Het is nu eb, weet u, en al die zeesterren zijn op het strand aangespoeld. Als ik ze niet teruggooi, gaan ze dood door zuurstofgebrek”. “Dat begrijp ik”, antwoordde de man, “maar er moeten duizenden van die zeesterren op dit strand liggen. En u kunt ze toch onmogelijk allemaal teruggooien? Daarvoor zijn het er gewoon te veel. En beseft u dan niet dat het niet uitmaakt wat u doet?”

18


De Mexicaan glimlachte, boog zich voorover en raapte nog een zeester op. Terwijl hij die in zee gooide, zei hij: “Voor deze maakt het wel degelijk wat uit!”14

14

Aat van der Horst, Verhalen verbinden, Amersfoort: CPS 2007

19


Een heilig moment Een oud Joods verhaal vertelt over twee broers die samen één stuk land bezaten. De ene was ongehuwd en de andere had een vrouw en drie kinderen. Ze werkten beiden hard op hun land. Toen de oogsttijd was aangebroken, maaiden ze samen het graan, bonden het in schoven en zetten op beide helften van het land evenveel schoven neer. Toen gingen ze naar huis om uit te rusten van het vermoeiende werk. Maar midden in de nacht werd de ongetrouwde man met een schok wakker. “O, wat dom! Ik heb alleen maar aan mezelf gedacht”, zei hij. “Mijn broer moet voor een vrouw en drie kinderen zorgen. Hij moet dus meer graan hebben dan ik.” Hij schoot in zijn kleren en ging naar het veld. Daar sjouwde hij drie schoven van zijn deel naar de helft van zijn broer en ging tevreden naar huis om verder te slapen. Maar ook de andere broer werd wakker. “Wat ben ik dom geweest!” zei hij. “Ik heb helemaal niet aan mijn broer gedacht. Die arme jongen heeft geen kinderen. Als hij oud wordt zal er niemand voor hem zorgen. “Hij moet wat sparen voor later. Dus heeft hij eigenlijk recht 20


op een grotere portie graan.� Hij kleedde zich aan en ging drie schoven van zijn deel naar dat van zijn broer brengen. Midden in de nacht kwamen ze elkaar tegen en vielen elkaar huilend in de armen – een heilig moment, geheiligde grond.15

15

Een chassidisch verhaal

21


“Er is hoop”, zei de Mol. Hij zat samen met veldmuis op het bankje onder de dikke eik aan de rand van het bos. Het regende zachtjes, en tegelijk was de zon doorgebroken. Mol veegde de regendruppels van zijn bril, zette die weer op zijn neus en zag door de dikke glazen hoe boven het maïsveld een fletse regenboor verscheen. Hij schraapte zijn keel. “Er is hoop”, zei hij nog eens. Zijn stem klonk ineens heel gewichtig. “Wat jij, Veldmuis?” Veldmuis wist niet goed wat hij moest zeggen. Hij kon zich wel iets voorstellen bij de hoop van een mol, maar hij voelde wel dat Mol iets anders bedoelde. “Wat bedoel je daar precies mee? “ vroeg hij voorzichtig. “Nou ja”, zei Mol geërgerd. “Hoop, je weet toch wel wat dat is?” “Ja ja, natuurlijk”, zei Veldmuis snel. Hij dacht koortsachtig na over een antwoord dat Mol zou kunnen bevallen. “Tsja, eh, ik hoop natuurlijk wel iets. Als ik bijvoorbeeld bij jou op bezoek ben geweest, diep in je hol, en ik loop door die stikdonkere gang op weg naar huis, dan hoop ik altijd dat iok na de volgende bocht in de verte het daglicht zie.” “Ha”, zei mol schamper. “Noem je dat hopen? Je hoopt iets waarvan je weet dat het toch wel zal komen. Je weet toch dat er licht is aan het einde van mijn tunnel? Zo kan iedereen wel hopen.” Veldmuis zweeg 22


bedremmeld. Maar Mol raakte nu pas op dreef. “Weet je nog, Veldmuis, die overstroming, een jaar geleden? Mijn hele huis was ondergelopen, en ik moest door mijn eigen gangen zwemmen om mijn vrouw en kinderen te redden. Toen ik de laatste in de boot had gezet, brak de zon door, terwijl het nog regende. Toen zag ik die regenboog. ’t Is gek, maar telkens als ik die zie, denk ik: zo lang er beesten zijn zoals ik, is er hoop.” Veldmuis veerde op. “Ja, dat weet ik nog. Het was maar goed dat alle muizen samen die boot hadden gebouwd, he Mol? We wisten eigenlijk niet waarom we dat deden, maar we hadden ergens het gevoel die ‘ie wel eens van pas zou kunnen komen. Uil heeft die boot een naam gegeven en die er met dikke zwarte letter op geschreven. Ik vergeet altijd wat er stond, want ik kan niet lezen, zie je." ”Mol kuchte. “Die boot van jullie”, zei hij zacht, “heet geloof ik ‘De Hoop’. Of zoiets.” Toen zwegen ze allebei, Mol en Veldhuis. Ze keken hoe de regenboog langzaam oploste in de grijze lucht. “Inderdaad, er is hoop”, zuchtte Veldmuis.

23


De bomen aan de Rondweg De bomen aan de Rondweg op dezelfde dag gepland als hele dunne sprieten, kregen allemaal een dikke paal als steun en dezelfde hoeveelheid zon en dezelfde hoeveelheid regen kregen al die boompjes. De één had het niet kouder of warmer dan de ander en de grond van hun wortels was gelijk voor allemaal. De bomen aan de Rondweg groeiden elk jaar flink en alleen als je heel goed keek zag je al iets merkwaardigs. Al waren alle omstandigheden gelijk, toch werd het ene boompje anders dan het andere. De één groeide wat schever, een volgende groeide minder. Ze leken gelijk aan elkaar zo op het eerste gezicht, maar als je goed keek, verschilden ze van elkaar. En wat wij bij bomen gewoon vinden, wat ons dan niet eens opvalt, dat verrast ons bij mensen. De één blijft achter bij de ander, sommigen groeien scheef of wijken af of reiken niet zo hoog als een ander. De bomen aan de Rondweg werden plotseling, terwijl de blaadjes nog aan de takken zaten, overvallen door een storm. En wat gebeurde er, één uit de rij begaf het. Ook de windvlagen waren voor alle bomen gelijk. Waarom heeft de ene het niet uitgehouden en de 24


anderen wel. Bij de bomen aan de Rondweg zeggen we, ja, zo is de natuur, en dat is dat. En bij mensen vragen we: “Waarom toch?”, “Waarom zij nu juist of hij?”, “Waarom uitgerekend nu al?” Zo vragen we wanneer er iemand achterblijft, scheefgroeit, afwijkt, afknapt, het leven laat, lang voor het tot bloei of tot ontplooiing is gekomen, of juist op de tijd dat de vruchten geoogst kunnen worden: “Waarom…toch?” En onze vragen zijn: “Waarom laat God dat toe?”, “Is dit zijn almachtige wilsbeschikking?” Het zijn vragen naar de diepere zin van de ellende die ons en onze geliefden treft. Maar als je antwoorden vindt die God een rol toedichten, in de boosheid die rondwaart, dan zou je met het vinden van het antwoord ook je geloof verliezen. Zeg daarom maar niet vlotweg wat God allemaal wil en dat mensen het je niet aandoen en Hij dus kennelijk wel. Maar onthoud liever dat wij op aarde zijn en nog niet in Gods Rijk. Dat ons nog van alles kan gebeuren en van alles gebeurt er ook wat tegen God in gaat, pijn en verdriet, angst, teleurstelling, ziekte en dood. Wij zijn niet in het beloofde land, hoogstens op de weg ernaar toe en onderweg overvalt ons nog van alles. Probeer geen pijn te stillen door God als oorzaak 25


aan te wijzen want je raakt er je pijn niet mee kwijt. Maar God raak je misschien wel kwijt. Geloof maar liever dat Hij pijn lijdt als wij pijn lijden, dat ons verdriet zijn verdriet is. En bovenal dat Hij nog God kan zijn voor wie gestorven zijn. Dat Hij kan zorgen voor de mensen voor wie wij niet meer kunnen zorgen. En vindt het maar niet erg dat mensen zo betrekkelijk zijn op de aarde. Wij zijn geen goden. Wij zijn als bomen aan de Rondweg in de storm.

26


De Fransman Antoine de Saint-Exupéry schreeft in 1943 een boek. Dat boek zou snel beroemd worden. In Nederland kreeg het boek als titel De kleine Prins mee. Tijdens zijn wonderlijke tocht door de ruimte ontmoet deze prins allerlei wezens. Op zeker moment komt ‘de kleine prins’ een vos tegen waarmee hij vriendschap sluit. De vos doet het voorstel om elkaar steeds op een vast tijdstip te ontmoeten. “Als je op een willekeurige tijd komt,” zo geeft hij als reden aan, “weet ik nooit hoe laat ik mijn hart klaar moet maken; daarom moeten er tussen ons rituelen zijn.” De kleine prins begrijpt hier niets van. De vos legt hem dan uit: “Een ritueel maakt dat de ene dag verschilt van de andere dagen, het ene uur van de andere uren. Mijn jagers hebben een ritueel. Op donderdag dansen ze met de meisjes uit het dorp. Donderdag is daarom een heerlijke dag! Dan kan ik lekker gaan wandelen tot aan de bergen. Als de jagers op willekeurige dagen dansten, zouden alle dagen gelijk zijn en zou ik nooit een dag vrij hebben.”

27


Een boer heeft roddelpraatjes verteld over iemand. Hij krijgt spijt en vraagt aan de Rabbi hoe hij boete kan doen. “Verzamel een zak vol met kippenveren. Ga daarmee door het hele dorp en leg op ieder erf, bij elke deur een veer.” De boer doet dat en komt terug bij de Rabbi om te vragen of hij nu genoeg gedaan heeft. “O nee, nog niet. Nu moet je een zak nemen, langs alle huizen gaan en elke veer die je hebt neergelegd weer oppakken.” De boer schrikt en protesteert luid. Het is immers een onmogelijke opgave. De meeste veren zijn vast al lang door de wind weggeblazen. “Precies”, zegt de Rabbi. “zo is het ook met jouw roddelpraatjes en je lasterverhalen. Je spreekt ze zo gemakkelijk uit, maar hoe je ook probeert, terughalen kun je ze niet.”16

16

Chassidisch verhaal

28


Doorgaan Wanneer je in mensen geloofd hebt die het af lieten weten: ga dan toch door te geloven.

Als je op een wonder gehoopt hebt dat niet is gebeurd: ga dan toch door en blijf hopen.

Als je een spoor van liefde na wilde laten dat werd vertrapt: ga dan nog verder met de liefde.

Als je gedroomd hebt en daarna ontwaakt, droom weer en droom verder tot aan de morgen.17

17

Talmoed

29


Verstopt Achter mijn grote gebaren Verstop ik mijn angst Achter mijn bulderende lach Verstop ik mijn tranen Achter mijn verhalen Verstop ik mijn eenzaamheid Achter mijn drukke leven Verstop ik mijn gemis aan een eigen plek Achter mijn knipogen Verstop ik mijn verlangen Naar een open gesprek18

18

Franz den Broeder

30


Geluk Je wordt niet gelukkig door het geluk na te jagen. Je wordt gelukkig door een zinvol leven te leiden. De gelukkigste mensen zijn waarschijnlijk niet de rijkste of de beroemdste en waarschijnlijk ook niet degenen die het meest hun best doen om gelukkig te worden door daarover artikelen te lezen, daarover boeken te kopen en met de nieuwste rages mee te doen. Ik denk dat de gelukkigste mensen degenen zijn die hun best doen om vriendelijk te zijn, behulpzaam en betrouwbaar, en dat het geluk hun levens binnensluipt terwijl ze druk met die dingen bezig zijn. Je wordt niet gelukkig door geluk na te jagen. Geluk is altijd een bijproduct, nooit het primaire doel. Geluk is een vlinder: hoe meer je erachteraan jaagt, des te harder vlucht het van je vandaan, en des te beter verstopt het zich. Maar als je ermee ophoudt het na te jagen, als je je vlindernetje opbergt en je gaat bezighouden met andere dingen, dingen die nuttiger zijn dan het najagen van persoonlijk geluk, dan zal het stiekem van achteren naar je toevliegen en op je schouders gaan zitten.19

19

Harold s. Kushner

31


Na de oogst was een graankorrel op het veld blijven liggen. De korrel wachtte op een regenbui, zodat hij zich kon laten wegzinken in de grond. Er kwam een mier langs. Ze zag de graankorrel en met veel moeite sjorde ze hem op haar rug. Zo begon ze de lange weg naar haar nest. De graankorrel drukte zwaar op haar lijf en leek steeds zwaarder te worden. “Waarom sjouw je zo? Leg me toch neer!”, zei de graankorrel onverwacht. De mier hijgde: “Als ik je niet meeneem, hebben we niet genoeg eten voor de winter. Wij mieren zijn met zeer velen en elk van ons sleept zo veel mogelijk voedsel naar de voorraadkamer.” “Ik ben niet gemaakt om zomaar opgegeten te worden”, mopperde de graankorrel. “Ik ben een zaadje, vol zin en levenskracht. Ik ben er om uit te groeien tot een grote plant. Luister alstublieft, laten we samen een overeenkomst sluiten.” De mier wilde best luisteren, al was het alleen maar om even uit te rusten. Ze legde de graankorrel neer en vroeg: “hoe luidt die overeenkomst? Vertel maar op.” De graankorrel zei: “Als je me niet meesleept maar hier in de akker laat liggen, dan zal ik je honderd graankorrels schenken voor jullie voorraadkamer.” De mier dacht diep na. Honderd korrels in ruil voor één enkele? Maar dat was compleet een wonder! “hoe 32


gebeurt dat dan? “, vroeg ze nieuwsgierig. “Dat is een geheim”, antwoordde de graankorrel. “Dat geheim van het leven dat altijd zin hervindt. Graaf nu een kuiltje in de grond, begraaf me daarin en kom dan over een jaar terug.”. Er ging een heel jaar voorbij. De mier keerde terug. De graankorrel had woord gehouden.20

20

Vrij naar Leonardo da Vinci

33


Verboden Ik ben verboden. Ik mag niet meedoen. Ik ben het aller lelijkste meisje van de klas. Zodat ze zeggen: “Nee, jij doet vandaag niet mee Eerst mooier worden dan komt het in orde Eerst mooier worden, dan pas!” Misschien denk ik heel dapper word ik nog wel knapper. Misschien dat ik nog opbloei op een dag. Net als een bloem, als een narcis in elk geval iets wat schitterend is. O, als ik dat nog eens beleven mag. Steeds hetzelfde deuntje Steeds hetzelfde lied: Langskomen mag je wel, Maar binnen…liever niet.21

21

Seth Gaaikema

34


Je kinderen zijn je kinderen niet. Ze zijn de zonen en de dochters van ’s levens hunkering naar zichzelf. Ze komen door je, maar zijn niet van je, en hoewel zij bij je zijn, behoren ze je niet toe. Jij mag hun geven van je liefde, maar niet van je gedachten, want zij hebben hun eigen gedachten. Je mag hun lichamen huisvesten, maar niet hun zielen, want hun zielen toeven in het huis van morgen, dat je niet bezoeken kunt, zelfs niet in je dromen. Je mag proberen hun gelijk te worden, maar tracht hen niet aan je gelijk te maken. Want het leven gaat niet terug, noch blijft het dralen bij gisteren.22

22

Kahlil gibran

35


Water geven Ik geloof dat we moeten leren wachten, zoals we ook moeten leren scheppen. We moeten geduldig de graankorrels zaaien, de aarde waarin zij gezaaid zijn, koppig blijven watergeven en de planten verder hun eigen tijd gunnen. We kunnen een plant nu eenmaal niet voor de gek houden. Maar we kunnen haar wel water geven, geduldig, elke dag, met begrip, met nederigheid, maar ook met liefde.23

23

Vaclav Havel

36


Gemiste kans Als niemand iets doet om de wanhoop te stoppen, de wanhoop van mensen, verdrukt en berooid, dan gaat onze wereld geheid naar de knoppen, dan worden er zaden van haat uitgestrooid. Als niemand het lef heeft om bruggen te bouwen, om eerlijk te delen en vrienden te zijn, dan zal het vertrouwen al spoedig verflauwen, dan groeien de kiemen van haat en venijn. Als niemand iets doet aan die wereld vol muren, met forten die scheiden in ‘wij’ en ‘zij’, dan zullen we dat met z’n allen bezuren, want dan krijgt de haat de alleenheerschappij.

37


Zeldzaam mooi Dit is een verhaal over een vogel met een grote verentooi, die hoog in de bergen boven de boomtoppen leefde en wiens poten nooit ofte nimmer op de aarde rustten. De vogel was trots en eenkennig, en gunde slechts af en toe de mensen die in het dorp ver onder hem woonden een glimp van zijn zeldzame, prachtige pluimage. Op een dag kwam er een beroemd jager naar de berg toe en toen hij van de buitengewone vogel vernam, was hij vastbesloten het dier te vangen vanwege de schitterende vedertooi. Hij vertelde de goedgelovige mensen van het dorp dat hij de vogel graag wilde zien. Maar toen hij hun vroeg het dier te beschrijven, gaven ze allemaal een andere beschrijving van zijn schoonheid. Sommigen zeiden dat zijn veren groen en weerschijnend waren, zoals die van een pauw, terwijl anderen beweerden dat de vogel vuurrood was, met gele en oranje strepen zoals de ondergaande zon. Weer anderen beweerden dat zijn lijf was als roet, met sneeuwwitte staartveren die tussen het gebladerte oplichtten als hij vloog. De jager raakte ervan in verwarring, hij dacht dat de mensen hem met opzet misleidden en besloot de vogel zelf te gaan zoeken. Hij 38


beklom de berg en hield zich drie dagen en nachten stil in het struikgewas. Op de vierde dag gaf hij de hoop op en begon aan zijn afdaling, toen hij opeens een glimp van een gevleugeld schepsel opving van een zo buitengewone schoonheid dat hij naar adem snakte. Hij vergat bijna zijn doel toen hij de vogel tussen de bomen door zag zweven en zwenken, maar tenslotte kwam hij bij zinnen en richtte zijn pijl en boog. Hij hoorde een schreeuw en de vogel stortte neer. Toen de jager de plek bereikte waar de vogel had moeten landen, trof hij er slechts een kraai aan, morsdood, het hart doorboord door zijn pijl. Hij pakte de kraai op en daalde diepbedroefd de berg af, omdat hij wist dat de vogel van zijn dromen voor hem voorgoed dood was. Aan de voet van de berg aangekomen, verstopte hij de dode kraai in zijn ransel en riep de mensen uit het dorp bij zich. Hij vertelde hun dat ze inderdaad gezegend waren met zo’n prachtig schepsel in hun midden en hij beval hun het dier altijd te blijven eren. De mensen knikten en waren opgelucht, omdat ze nu zeker wisten dat de vogel voor eeuwig bij hen zou blijven. De jager verliet het land om nooit meer terug te keren en de mensen van het dorp waren trots op het wonderlijke schepsel in hun midden. 39


Geen koning zonder sterren Zoo, ik ga je vertellen wat mijn vader mij verteld heeft. Kijk naar de sterren. De koningen van vroeger kijken naar ons, vanuit de sterren. Wacht…zoek de kracht in jezelf, heb vertrouwen vannacht…en wacht. Zij leven voort in jou, in mij, in al wat ademt, daarin leven zij. In de wind en water, in zon en maan – kijk in de spiegel zij zien je aan. Zij leven voort in jou, in mij, in al wat ademt, daarin leven zij. In wind en water, in zon en maan – kijk in de spiegel zij zien je aan.24

24

The Lion King

40


Gematigheid, moeder der deugden Als een abt terecht moet wijzen, zal hij voorzichtig te werk gaan en vermijde hij iedere overdrijving, want als men te hardhandig het roest van een pot wil schuren, zou men hem wel eens kunnen breken. Laat hij zijn eigen broosheid indachtig zijn en bedenken dat men het geknakte riet niet mag breken. Daarmee willen wij niet zeggen dat hij de ondeugden moet laten voortwoekeren; integendeel: hij moet ze met beleid en liefde uitroeien op een wijze die hem voor elk een het beste voorkomt‌. Laat hij de gematigdheid die de moeder van alle deugden is, ter harte nemen, en alles met zoveel maatgevoel regelen dat er voor de sterken nog iets te verlangen blijft en de zwakken niet ineenkrimpen.25

25

Benedictus

41


Laat kinderen stralen Onze grootste angst is niet dat we ontoereikend zijn. Onze grootste angst is dat we mateloos machtig zijn. Het is ons licht, niet onze duisternis, dat ons het meeste beangstigt. We vragen onszelf af: “wie ben ik dat ik briljant, mooi, getalenteerd en geweldig ben?� Eigenlijk, wie ben jij, dat je dat allemaal niet bent? Je bent een kind van God. Je klein voordoen dient de wereld niet. Ineenkrimpen om andere mensen in je buurt zich niet onzeker te doen voelen, getuigt niet van verlichting. We zijn allemaal bedoeld om te schitteren, zoals kinderen dat doen. We werden geboren om de glorie van god die in ons is, manifest te maken. En die glorie zit niet slechts in enkelen van ons, die zit in iedereen. En als we ons eigen licht laten schijnen, geven we onbewust anderen toestemming hetzelfde te doen. Naarmate we bevrijd worden van onze eigen angst, bevrijdt onze aanwezigheid automatisch anderen.26

26

Marianne Williamson, Terugkeer naar liefde. Groningen, de ZAAK, 1997

42


Zegen voor mij, o God de aarde onder mijn voeten. Zegen voor mij, o God de weg waarop ik ga; Zegen voor mij, o God wat mijn verlangen zoekt, U die in eeuwigheid bent, zegen voor mij mijn rust. Zegen voor mij datgene waarop mijn geest zich richt, Zegen voor mij datgene waarheen mijn liefde gaat; Zegen voor mij datgene waarop mijn hoop zich stelt, O Gij Koning der koningen, zegen mij mijn oog!27

27

Keltisch gebed om zegen

43


Het feit dat een rabbijn iedere sabbatsavond verdween, maakte zijn gemeente nieuwsgierig. Ze verdachten hem ervan dat hij een geheime ontmoeting had met de Almachtige en ze stuurden een van hun leden achter hem aan. En dit is wat hij zag: de rabbijn trok boerenkleren aan en ging een verlamde, niet-joodse vrouw in haar huisje helpen. Hij maakte het huis schoon en zorgde voor het eten. Toen de spion terug was, vroeg de gemeente hem: “Wat heb je gezien? Steeg de rabbijn ten hemel?” “Nee”, zei de man, “hij ging nog hoger.”28

28

Anthony de Mello, Het gebed van de kikker

44


Gekend zijn Ken je mij? Wie ken je dan? Weet je mij beter dan ik? Ken je mij? Wie ben ik dan? Weet je mij beter dan ik? Ogen die door de zon heen kijken, zoekend de plek waar ik woon, ben je – beeldspraak voor iemand die aardig is en onmetelijk ver, die niet staat en niet valt en niet voelt als ik, niet koud en hooghartig. Hier is de plek waar ik woon: een stoel op het water, een raam waarlangs het opklarend weer of het vallende duister voorbij vaart. Heb je geroepen? Hier ben ik. Ik zou één woord willen spreken, ooit, dat waar en van mij is, dat draagt wie ik ben, dat het houdt, en rechtop staat 45


als een mens die mij aankijkt en zegt: ik ben jouw zuiverste zelf, vrees niet, versta mij, ik ben. Ben jij de enige voor wiens ogen niet is verborgen mijn naaktheid? Kan jij het hebben, als niemand anders, dat ik geen licht geef, niet warm ben, dat ik niet mooi ben, niet veel, dat geen bron ontspringt in mijn diepte, dat ik alleen dit gezicht heb, Geen ander. Ben ik door jou, zonder schaamte, gezien, genomen, door niemand minder? Zou dat niet veel teveel waar zijn? Ken je mij? Wie ben ik dan? Weet je mij beter dan ik? Ken je mij? Wie ben ik dan? Weet je mij beter dan ik?29

29

Huub Oosterhuis, Jij die mij ik maakt, Ten Haver, 2008

46


Je kinderen zijn je kinderen niet Spreek ons over kinderen. En hij zei: Je kinderen zijn je kinderen niet. Zij zijn de zonen en dochters van ’s levens hunkering naar zichzelf. Zij komen door je, maar zijn niet van je, en hoewel zij bij je zijn, behoren ze je niet toe. Jij mag hun geven van je liefde, maar niet van je gedachten. Jij mag hun lichamen huisvesten, maar niet hun zielen, want hun zielen toeven in het huis van morgen, dat je niet bezoeken kunt, zelfs niet in je dromen. Je mag proberen hun gelijk te worden, maar tracht hen niet aan je gelijk te maken. Want het leven gaat niet terug, noch blijft het dralen bij gisteren.30

30

Khalil Gibran, De profeet

47


Kind Als een kind met vijandschap leeft dan leert het vechten. Als een kind met voortdurende kritiek leeft dan leert het veroordelen. Als het kind leeft in verdraagzaamheid dan leert het gelukkig te zijn. Als het kind in veiligheid leeft dan leert het geloven. Als het kind wordt aangemoedigd dan leert het vertrouwen. Als het kind leeft met eerlijkheid dan leert het rechtvaardigheid. Als het kind mag zijn zoals het is dan leert het van zichzelf te houden. Als een kind leeft met vriendschap dan leert het liefde te vinden in deze wereld.31

31

Naar Dorothy Law Nolte, ‘children Learn What They Live’

48


Doorgaan Wanneer je in mensen geloofd hebt die het af lieten weten: ga dan door te geloven. Als je op een wonder gehoopt hebt dat niet is gebeurd: ga dan toch door en blijf hopen. Als je een spoor van liefde na wilde laten dat werd vertrapt: ga dan nog verder met de liefde. Als je gedroomd hebt en daarna ontwaakt, droom dan weer en droom verder tot aan de morgen.32

32

Talmoed

49


EĂŠn van u is de Messias Een mediterende goeroe ergens in de Himalaya opende zijn ogen om zijn onverwachte bezoeker -de abt van een gerenommeerd klooster- te bekijken. 'Wat kom je zoeken?' vroeg de goeroe. De abt vertelde hem een in-droef verhaal. Ooit had zijn klooster model gestaan voor het hele Westen. Zijn cellen zaten vol jonge monniken en hun gezang was tot ver in de omtrek te horen. Maar later braken er harde tijden aan. Het volk kwam niet langer geestelijk voedsel zoeken en de nieuwe aspirant-monniken bleven weg. Het werd heel stil in het klooster. Er bleef alleen nog een handvol paters over die met bezwaard hart hun werk deden. 'Dragen wij de gevolgen van onze zonden?' vroeg de abt. 'Zeker', zei de goeroe, 'je lijdt onder de zonde van de onwetendheid."En hoe ziet die zonde er dan precies uit?' vroeg de abt. 'EĂŠn van uw monniken is de vermomde Messias.' En na deze woorden gaf de goeroe zich opnieuw over aan meditatie. Tijdens de heel vermoeiende reis naar huis was de abt vervuld van de gedachte dat de Messias op aarde was teruggekeerd en in zijn klooster verbleef. Hoe had hij zo blind voor hem kunnen zijn? En wie was het dan wel? Broeder kok? 50


Broeder portier? Broeder econoom? Broeder prior? Nee, die niet, dacht de abt, die heeft te veel kleine kanten. Maar had de goeroe niet van vermomming gesproken? Misschien maakten die kleine kanten daar precies deel van uit? Trouwens, iedereen in het klooster had kleine kanten. En toch moest één van hen de Messias zijn. Terug thuis verzamelde de abt zijn monniken en vertelde hen zijn wedervaren. Ze bekeken elkaar vol ongeloof. De Messias? Hier? Onmogelijk! Maar goed. Hij had zich naar het schijnt vermomd. Dus misschien toch? Tussen alle twijfel en onzekerheid stond één ding in ieder geval vast: als de Messias zich had vermomd, was de kans klein dat ze hem zouden herkennen. En dus behandelden ze iedereen maar met achting en waardigheid. Je weet maar nooit, was het devies. Resultaat van dat alles was dat het klooster er een heel stuk vriendelijker en gezelliger op werd. En algauw meldden tientallen jonge aspiranten zich aan en de kerk geraakte weer met liefdevol gezang gevuld.33

33

A. de M ELLO & J. BOEKE, Het gebed van de kikker. Met verhalen op verhaal komen, Tielt, 1995, p. 51

51


Het verhaal van het potlood Een jongetje keek naar zijn oma die een brief aan het schrijven was. Op een gegeven moment vroeg hij: “Oma, schrijf je een verhaaltje over wat wij samen hebben meegemaakt? Of schrijf je misschien een verhaaltje over mij?” Zijn oma stopte met haar brief, glimlachte, en zei: “Ik schrijf inderdaad over jou. Maar belangrijker dan de woordjes die ik schrijf, is het potlood waarmee ik schrijf. Ik zou willen dat je later, als je groot bent, net zo als dit potlood wordt.” Het jongetje keek nieuwsgierig naar het potlood, maar kon er niets bijzonders aan ontdekken. “Maar het is gewoon maar een potlood!” “Het is maar hoe je ernaar kijkt. Het potlood heeft vijf bijzondere dingen die jou – maar dan moet je ze wel onthouden – tot iemand zullen maken die altijd in vrede met de wereld zal leven. Ten eerste: je zult misschien grootse daden verrichten, maar je mag nooit vergeten dat er een hand is die jou leidt. Ten tweede: af en toe moet je stoppen met schrijven, om de punt te slijpen. Daardoor heeft het potlood een beetje pijn, maar het wordt er wel scherper van. Dus, je

52


moet wat pijn kunnen verdragen, het maakt je tot een completer mens. Ten derde: als je met een potlood schrijft, kun je altijd uitgummen wat je fout schreef. De les is dat corrigeren wat we gedaan hebben niet slecht is, maar belangrijk, om rechtvaardig door het leven te kunnen gaan. Ten vierde: het belangrijkste van het potlood is niet het hout of de buitenkant, maar het grafiet dat erin zit. Dus, wees steeds bezorgd om wat er binnen in je gebeurt. Ten slotte, het vijfde wat een potlood bijzonder maakt: het laat altijd een spoor achter. Besef goed dat alles wat je in je leven doet, sporen zal achterlaten en probeer je daar van bewust te zijn.�34

34

Paulo Coelho, Als een rivier, Amsterdam: Singel Pockets 2009

53


Vrede en verzoening Als we niet de behoefte hebben om over anderen te oordelen, kunnen we anderen een veilige plek bieden waar zij elkaar in alle kwetsbaarheid kunnen ontmoeten. Als we geworteld zijn in Gods liefde, gaat daar een uitnodiging van uit om elkaar lief te hebben. Anderen beseffen dan dat we uit zijn op vrede en verzoening. Vaak verzoenen we mensen met elkaar, gewoon maar door zonder oordeel aanwezig te zijn. Stel je voor dat alle mensen op deze wereldbol elkaar de hand zouden reiken en één grote kring van liefde zouden vormen. ‘Dat kan ik me niet voorstellen’, zeggen wij. Maar God ‘zegt’: ‘Dat is precies waarvan ik droom: heel de wereld, die ik geschapen heb, levend naar mijn beeld en gelijkenis’.35

35

Henri Nouwen, Een jaar met Henri Nouwen. Wijsheid en geloof voor elke dag, Tielt: Lanno 2010

54


Eet je eigen fruit Een discipel klaagde eens tot zijn meester: ‘U vertelt ons verhalen, maar u openbaart ons nooit hun betekenis.’ De meester antwoordde: ‘Hoe zou je het vinden als iemand je het fruit dat hij wil aanbieden, eerst kauwt?’ Niemand kan uitmaken wat waardevol voor je is. Zelfs de meester niet.36

36

A. de Mello, ‘Het lied van de vogel’, Met verhalen op verhaal komen, Tielt, Lannoo,1996, pag 14

55


Het lied van de vogel De volgelingen zaten met talrijke vragen over God. De meester zei: ‘God is de Ongekende en de Onherkenbare. Iedere uitspraak over Hem, ieder antwoord op jullie vragen is een vertekening van de waarheid.’ De discipelen geraakten in de war: ‘Waarom spreekt u dan over hem?’ ‘Waarom zingt de vogel? ‘ vroeg de meester. Een vogel zingt niet om een uitspraak te doen. Hij zingt omdat hij een lied wil zingen. De woorden van de geleerde moeten begrepen worden. De woorden van de meester hoeven niet begrepen te worden. Men moet ernaar luisteren zoals men luistert naar de wind in de bomen, het geluid van de rivier en het lied van de vogel. In het hart zullen zij iets wakker roepen dat alle kennis te boven gaat.37 37

A. de Mello, ‘Het lied van de vogel’, Met verhalen op verhaal komen, Tielt, Lannoo,1996, pag 16

56


Echte spiritualiteit Iemand vroeg aan de meester: ‘Wat is spiritualiteit?’ Hij zei: ‘Spiritualiteit is dat wat erin slaagt de mens innerlijk te transformeren.’ ‘Maar als ik de traditionele methodes toepas die ons door de meesters zijn overgeleverd, is dat geen spiritualiteit? ‘ ‘Het is geen spiritualiteit als het jou niets doet. Een deken is niet langer een deken als deze jou niet warm houdt.’ ‘Spiritualiteit verandert dus?’ ‘Mensen veranderen en behoeften veranderen. Vandaar dat wat vroeger spiritualiteit genoemd werd, nu geen spiritualiteit meer is. Wat men gewoonlijk voor spiritualiteit laat doorgaan, is slechts het overnemen van oude methodes.’ Dat men de stof voor een jas knippe op maat van de drager. Men zal toch zeker niet de maten van de persoon willen gaan aanpassen aan die jas.38

38

A. de Mello, ‘Het lied van de vogel’, Met verhalen op verhaal komen, Tielt, Lannoo,1996, pag 23

57


De winkel van de waarheid Toen ik de naam van de winkel zag, kon ik mijn ogen haast niet geloven. Daar verkochten ze de waarheid. Het verkoopstertje was heel beleefd: ‘Wat voor een waarheid wilt u aanschaffen, een deel ervan of de gehele waarheid?’ De gehele waarheid natuurlijk. Geen bedriegerijen voor mij, geen verweer, geen rationalisaties. Ik wilde mijn waarheid kant-en-klaar, duidelijk en volledig. Zij verwees mij naar een andere hoek van de winkel. In die hoek wer de gehele waarheid verkocht. De verkoper daar keek mij medelijdend aan en wees naar het prijskaartje. ‘Het is zeer duur, meneer,’ zei hij. ‘Hoeveel is het?’ vroeg ik, vastbesloten de gehele waarheid aan te schaffen, eender hoeveel ze kostte. ‘Als u die neemt,’ zei hij, ‘kost zij u het verlies van u wrust voor de rst van uw leven.’ Bedroefd ging ik de winkel uit. Ik had gedacht de hele waarheid voor een spotprijsje te kunnen krijgen. Nu blijkt dat ik voor de waarheid nog niet klaar ben. Immers, ik blijf hunkeren naar vrede, vrede. En nog altijd blijk ik mijzelf te willen sussen met zelfverweer en allerlei rationalisaties. En nog altijd blijk ik een schuilplaats te willen zoeken voor mijn nooit in twijfel getrokken geloofsopvattingen. 58


Kort en lang bidden (preken) Eens leidde een leerling de openbare eredienst in aanwezigheid van rabbi Eliëzer en bleef heel lang bidden. Toen klaagden de andere leerlingen bij rabbi Eliëzer en zeiden: ‘Wat is dat toch voor een gebedsverlenger!’ Maar rabbi Eliëzer antwoordde: ‘Heeft hij werkelijk langer gebeden dan onze meester Mozes, van wie er staat, dat hij veertig dagen en veertig nachten lang gebeden heeft?’ (Deuteronomium 9 : 25) Een andere keer was er weer een leerling die de openbare eredienst leidde in aanwezigheid van rabbi Eliëzer; hij hield de dienst nogal kort. Toen klaagden de andere leerlingen bij rabbi Eliëzer en zeiden: ‘Wat is dat toch voor een gededsverkorter? ‘ Maar rabbi Eliëzer antwoordde: ‘Heeft hij werkelijk korter gebeden dan onze meester Mozes, van wie er staat, dat hij een gebed heeft uitgesproken van maar vijf woorden?’ (‘O God, genees haar toch!’, Numeri 12:13)39

39

J.J. Petuchowski, ‘Zoals onze meesters leerden’, Rabbijnse vertellingen, Ren Have, Baarn, 1986

59


Twee wolven Een oude man zegt tegen zijn kleinzoon: ‘In ieder mens is een gevecht gaande tussen twee wolven. De ene wolf is slecht – hij bestaat uit woede, jaloezie, verwaandheid. De ander wolf is goed – hij is vreugde en vriendelijkheid.’ Dan vraagt de kleinzoon: ‘Welke wolf zal het gevecht winnen?’ De oude man antwoordt: ‘Degene die je voedt.’

60


De criticus Er was eens een restaurant met de naam Zevenster. Ondanks alle moeite kreeg de waard weinig gasten: hij maakte het restaurant gezellig, zorgde voor een vriendelijke, prettige bediening en hield de prijzen binnen redelijke grenzen. Maar er kwamen haast geen gasten. Vertwijfeld vroeg hij een wijze om raad. Toen de wijze man het verdiretige verhaal van hem hoorde, zei hij: ‘Het is heel eenvoudig. Je moet de naam van je restaurant vernaderen.’ ‘Onmogelijk,’ zei de waard. ‘Al generaties lang heet het Zevenster en onder die naam is het overal bekend.’ ‘Nee,’ zei de wijze, ‘noem de vanaf nu De vijf klokken, en hang boven de ingang zes klokken op.’ ‘Zes klokken? Dat is toch absurd. Wat moet dat betekenen? ‘ ‘Probeer het maar en bekijk het zelf, ‘zei de wijze glimlachend en vertrok. De waard waagde een poging en het volgende gebeurde: iedere reiziger die voorbijkwam ging naar binnen om de fout onder de aandacht te brengen, in de veronderstelling dat er nog niemand was die het had opgemerkt. En eenmaal binnengekomen in het restaurant, kwamen ze onder de indruk van de 61


vriendelijke ontvangst en bleven er om iets te nuttigen. Dat was de kans waar de waard zo lang op had gewacht. Er is niets wat het eigen ik behaagt, dan fouten van anderen te kunnen corrigeren.

62


Bomen planten De moessonregens zouden er aankomen en daarom begon een oude man putten in zijn tuin te graven. ‘Wat doe je daar?’, vroeg zijn buurman. ‘Ik plant mangobomen.’ ‘Verwacht je dan dat je nog de vruchten van die bomen zult eten?’ ‘Nee. Daarvoor zal ik niet lang genoeg meer leven. Maar degenen die na mij komen wel. Ik ben me plotseling gaan realiseren dat ik mijn hele leven al mango’s eet van bomen die door anderen geplant zijn. Dit is mijn manier om hun mijn dank te betuigen.’40

40

A. de M ELLO & J. BOEKE, Het gebed van de kikker. Met verhalen op verhaal komen, Tielt, 1995

63


De adelaar en de kippen Een man ving eens een jonge adelaar. Thuisgekomen zette hij hem bij zijn kippen en gaf hem kippenvoer te eten. Vijf jaar later kwam een natuuronderzoeker bij hem op bezoek. Terwijl ze door de tuin liepen, zei deze: ‘Die vogel is een adelaar, geen kip.’ ‘Ja,’ zei de eigenaar, ‘maar ik heb een kip van hem gemaakt. Hij si nu geen adelaar meer.’ ‘Het is toch een adelaar,’ zei de natuurliefhebber, ‘en ik zal het je laten zien.’ De natuurkenner nam de adelaar op, hield hem omhoog en zei met klem: ‘Adelaar, je bent een adelaar, je hoort in de lucht en niet op de aarde, strek je vleugels en vlieg!’ Maar toen de adelaar de kippen hun voer zag pikken, wipte hij naar beneden. De eigenaar zei: ‘Ik zei je toch al dat het een kip is.’ ‘Nee,’ zei de natuuronderzoeker, ‘het is een adelaar en dat zal ik bewijzen.’ De volgende morgen nam hij de adelaar mee naar het dak van het huis, en zei: ‘Adelaar, de bént een adelaar, strek je vleugels en vlieg.’ Maar weer sprong de adelaar, toen hij de kippen zag eten, naar beneden en begon met hen te eten. De eigenaar zei: ‘Ik zei je toch al dat het een kip is.’

64


‘Nee, het is een adelaar, en hij heeft nog het hart van een adelaar. Geef hem nog één kans.’ De volgende morgen nam hij de adelaar mee naar een hoge berg. Daar tilde hij de adelaar op en zei: ‘Adelaar, je bent een adelaar, je hoort in de lucht, strek je vleugels en vlieg!’ De adelaar zag de bergen waar zijn oorsprongen lagen. Opeens strekte de adelaar zijn vleugels en met eens schreeuw steeg hij op, al hoger en hoger en keerde niet meer terug.41

41

C. van Woerden, Soms helpt een verhaal

65


Ondankbaarheid Er was eens een piloot van de Amerikaanse luchtmacht die in Vietnam had gediend. Vele jaren na die oorlog zat hij, ergens in de Verenigde Staten, op een terras. Daar kwam een man met uitgestoken hand naar hem toe, en zei: Wat leuk, Jim, om jou weer eens terug te zien.’ De piloot herkende de ander niet. Deze zei: ‘Ik ken jou nog uit Vietnam.’ Maar nog ging er bij de piloot geen lampje branden. Tot hij eraan toevoegde: ‘We werkten op hetzelfde vliegdekschip. Ik vouwde jouw parachute!’ Wat de piloot wel wist, was dat die parachure zijn leven gered had toen zijn toestel was geraakt en hij zich met schietstoel in veiligheid had moeten brengen. En beschaamd besefte hij dat hij, behorend tot de hoogst opgeleide officieren, zich nooit had beziggehouden met de eenvoudige soldaten die zijn vluchten mogelijk moesten maken en voor zijn veiligheid zorg droegen.’

66


De filosoof en de herbergier Een filosoof was bezig met een boek over de zin van het leven. Hij wilde de betekenis van het bestaan, van goed en kwaad daarin, van verleden en toekomst ontsluieren. Om rustig te kunnen denken en schrijven trok hij zich terug in een herberg van een stil dorp. De herbergier, nieuwsgierig geworden naar deze ongewone bezoeker, vroeg hem wat hij kwam doen. De filosoof vertelde hem enthousiast over zijn plan een boek te schrijven over de zin van het leven. De volgende dag zag hij de herbergier op zijn knieën op de grond zitten, met een liniaal in de hand. De filosoof vroeg wat hij aan het doen was. De herbergier antwoordde: ‘Ik meet de afstand van dit dorp tot de Noordpool.’ De filosoof glimlachte om de poging van deze simpele dorpsherbergier: ‘Dat lukt u nooit, uw liniaal is te klein voor zoiets groots.’ Waarop de herbergier hem antwoordde: ‘en volgens mij is jouw verstand te klein voor zoiets groots als de zin van het leven.’

67


De eekhoorn De eekhoorn liep naar het smalle strand Van zand en kiezelstenen Dat zich uitstrekte langs de rivier. Hij was van plan om daar te gaan nadenken. Hij wist nog niet waarover, maar dat was Altijd zo als hij wilde gaan nadenken. Als hij wel had geweten waarover hij wilde Nadenken was hij thuis gebleven En had hij daar meteen nagedacht over datgene waarover hij wilde nadenken.42

42

Toon Tellegen, ‘Er ging geen dag voorbij’

68


Onvergelijkelijk Dat je niet verwisselbaar bent, een passant, een nummer, een functie, dat je niet berust op een toevalligheid, er net zo goed niet had kunnen zijn, maar dat je bestaat, zoals jij alleen bestaat, onvergelijkelijk, onvergetelijk – het is een vriend, een vriendin die je dit zegt.43

43

Hans Bouma

69


Droomgenoten Mensen Die elkaar gaande houden. Trouw zul je zijn, Trouw aan je visioen. Eenmaal onderweg, Voorgoed onderweg. Stilstand is verraad, Stilstand is doodstand. Mensen Die elkaar gaande houden, Geestverwanten, Reisgenoten. Die onmogelijke wereld, Die wereld Van recht en vrede Moet er komen. Geestverwanten. Droomgenoten. Mensen. 70


Een open plek in onszelf Als mensen hebben we een open plek in ons zelf. Daar ervaren we wat er om ons een gebeurt, horen we wat anderen zeggen en zien we wat in hen om gaat. Daar kunnen we anderen in onze beleving toelaten. Anderen worden deel van ons ‘zelf’. In die open plek overleggen we met onszelf. Soms denken we aan wat vrienden tegen ons zouden zeggen als ze erbij waren (of zelfs als ze nog leefden). Hun vriendschap en wijsheid dragen we met ons mee. Ze spreken in de stilte van ons woelige hart, in de ruimte van onze ziel. Die openheid is de plek waar de Geest van God ons ontmoet. Door een Bijbelwoord, een warme herinnering, een andere gedachte. Is dat niet het vaste punt van het bestaan: in je zelf voor het aangezicht van God? Waar de Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn.44

44

Vroom

71


Koninklijke dienaar De koning van Kamara in Afrika was een trotse man, gevreesd door al zijn onderdanen. Op een dag toen hij in zijn lemen paleis zat, omgeven door zijn hofdienaren en onder het oog van een menigte van mensen die was komen kijken, werd hij plotseling bevangen door een vlaag van grootheidswaanzin en riep hij uit dat hij de heer van de wereld was en dat alle mensen zijn dienaren waren. ‘U zit ernaast!’, zei een schriele stem. ‘Alle mensen zijn dienaren van elkaar.’ Een dodelijke stilte volgde. Het bloed leek te bevriezen in de aderen van de aanwezigen. Toen ontstak de koning in woede. ‘Wie zei dat?’, vroeg hij, terwijl hij oprees uit zijn troon. ‘Wie durft te beweren dat ik een dienaar ben?’ ‘Ik!’, zei een stem in de menigte, die uiteen week om een oude man met wit haar door te laten, die zwaar op een stok leunde. ‘Wie ben jij?’, vroeg de koning. ‘Ik ben Boubakar’, zei de man. ‘In ons dorp is geen water en ik ben gekomen om u te vragen of er een put geslagen kan worden.’ ‘Dus jij bent een bedelaar!’, riep de koning uit. 72


‘En jij hebt de brutaliteit om mij een dienaar te noemen?!’ ‘Wij zijn allemaal dienaars van elkaar’, zei Boubakar, zonder een spoor van angst, ‘en ik zal u dat bewijzen voor de avond invalt.’ ‘Moet je doen!’, zei de koning. ‘Ik kan haast niet wachten, als het je lukt, zal ik niet een, maar wel drie putten laten slaan, maar als het je niet lukt, kost het je de kop.’ ‘In ons dorp’, zei de man, ‘raken we, als we een uitdaging aannemen, de voeten van de ander aan. Laat me uw voeten aanraken, wilt u even mijn stok vasthouden?’ De koning nam de stok aan, de oude man boog voorover en raakte de voeten van de koning aan. ‘Mag ik m’n stok weer terug?’, vroeg hij terwijl hij weer opstond. De koning gaf hem de stok weer terug. ‘Wilt u nog meer bewijs?’, vroeg hij. ‘Bewijs?’, vroeg de koning getergd. ‘U hield mijn stok vast toen ik het u vroeg en u gaf hem terug toen ik dat vroeg’, zei de grijsaard, ‘Zoals ik al zei, alle goede mensen zijn dienaren van elkaar.’

73


Lift Het was het idee van een van de portiers. Het beroemde El Cortez Hotel in San Diego leverde een prachtig voorbeeld van de noodzaak om goed te luisteren naar medewerkers op alle niveaus. De directie had het plan opgevat om een extra lift te laten plaatsen om de gasten nog beter te kunnen bedienen. Volgens het plan van de aannemer moesten er grote gaten gezaagd worden in alle vloeren van het hotel. De portier hoorde van het plan en schrok toen hij bedacht wat een overlast en rommel dat zou veroorzaken. Maar hij hoefde zich geen zorgen te maken, want het hotel zou tijdens de verbouwing gesloten zijn. Toen suggereerde de portier: ‘Waarom bouwen we die lift niet aan de buitenkant van het hotel?’ Dat concept, vandaag de dag heel gangbaar, was nooit eerder uitgevoerd. Maar na enig denkwerk van de tekenaars bleek het de moeite waard te zijn om het uit te proberen. De ingeving van de portier bespaarde het hotel duizenden dollars aan gederfde inkomsten en schoonmaakkosten.

74


Vrucht De koning ontmoette op zijn rijtour een boer van tachtig jaar oud die aan het werk was op het land. ‘Wat ben je aan het doen?’ vroeg de koning, verwonderd over het feit dat zo’n oude boer nog zo energiek aan het werk was. ‘Ik plant dadelpalmen, Majesteit,’ was het antwoord. ‘En hoe lang duurt het voordat die bomen vruchten geven? vroeg de koning. ‘Oh, vele, vele jaren, Uwe Majesteit, dat ga ik niet meer meemaken.’ Maar waarom plant je ze dan?’ vroeg de koning. ‘Dat is eenvoudig’, zei de boer, ‘generaties voor mij hebben bomen geplant, waarvan ik de vruchten mijn leven lang heb kunnen plukken. Daarom plant ik nu bomen voor de mensen die na mij zullen komen.’ Dat antwoord beviel de koning zo goed, dat hij de boer direct beloonde met een goudstuk. De boer bedankte de koning en grapte: ‘In feite duurt het helemaal niet vele jaren voor deze bomen vruchtdragen. Ik ben nog niet klaar met planten en ze leveren me al een beloning op!’

75


Tekens Een vader stuurde zijn twee zoons de wereld in om ervaring op te doen, om het leven van de mensen op het platteland, in de dorpen en steden te leren kennen. En hij zei tegen hen: ‘Laat tekens achter op jullie weg.’ De twee broers gingen op pad. Al na enkele stappen begon de oudste broer tekens te maken. Hij maakte knopen in grashalmen, brak twijgen van struiken en bomen, stak takjes in de aarde, legde stenen op de rand van zijn pad. De hele weg die hij liep was vol met tekens. Hij was zo bezig met tekens maken dat hij er nauwelijks aan toe kwam om met mensen in gesprek te raken. De jongste broer echter gedroeg zich heel anders. Hij maakte geen tekens langs de weg. Maar in het eerste dorp ging hij naar de herberg, at en dronk met de mensen en vertelde over zijn leven. In het volgende dorp raakte hij bevriend met een jongen die hem mee nam naar zijn familie. Weer in een ander dorp voegde hij zich bij de mensen, luisterde naar hun ervaringen en verhalen en vertelde wat in zijn hart opkwam. In een stadje waar hij langskwam kreeg hij vanwege zijn open en vriendelijke aard 76


spontaan van de mensen eten en drinken aangeboden. Hij vroeg geïnteresseerd naar hun levenservaringen, luisterde en vertelde. Intussen was de oudste broer druk bezig met zijn knopen, twijgen en takjes. Toen ze beide weer thuis waren vertelden ze hun vader van hun belevenissen. Nadat deze aandachtig geluisterd had ging hij met hen dezelfde weg die zij gegaan waren. Overal werd de jongste broer met zijn vader heel hartelijk ontvangen. Maar niemand kende de oudste broer. ‘Ik begrijp niet waarom niemand mij kent’, zei deze, ‘allen zijn zo vriendelijk tegen mijn broer, die niets gedaan heeft dan alleen maar kijken en praten; hij heeft geen grashalmen geknoopt, geen twijgen gebroken, geen enkel teken aangebracht zoals u, vader, het bevolen hebt, maar iedereen kent hem en is blij met hem.’ Toen zei de vader: ‘Er bestaan nog andere tekens dan gras, twijgen en takken, mijn zoon. Het zijn de tekens die een mens in de harten van andere mensen achterlaat wanneer hij hen ontmoet, naar hen luistert, met hen spreekt en hen zijn vriendschap schenkt. Dat zijn de tekens die je jongere broer op zijn weg heeft achtergelaten. 77


Daarom wordt hij door de mensen herkend en vriendelijk ontvangen. De tekens die je in de harten van mensen achterlaat blijven als gras, twijgen en takken allang zijn verdord en verdwenen in de maalstroom van de tijd.’

78


Kom over de brug Een reiziger mocht meereizen met een wijs man. De reis had het land van geluk als doel. De reiziger kon de wijze echter niet bijhouden. De wijze antwoordde dat dat door diens zware rugzak kwam. “Wat heb je in je rugzak?“ De reiziger vertelde dat hij er geld in had zitten. De wijze sprak daarop: “In het land van geluk is geld niet belangrijk”. Na enig aarzelen liet de reiziger het geld achter. Toen ze een berg beklommen, kon de reiziger nauwelijks meekomen. De wijze raadde hem aanzijn diploma’s achter te laten: “In het land van geluk gaat het er niet om wat je bent, maar wie je bent”. De reiziger volgde ook deze raad op. Later, op een moeilijke bergpas, bleek het noodzakelijk de rugzak zelf achter te laten. Ten slotte kwamen de twee mannen bij de grens van het land van geluk. Ze hoefden alleen nog maar een brug over te steken die boven een kolkende rivier hing. De wijze liep er zonder mankeren overheen. Toen de reiziger een stap op de brug zette, kraakte deze echter vervaarlijk. De brug dreigde te bezwijken. De reiziger zei teleurgesteld: “Nog ben ik te zwaar, hoewel ik al 79


mijn bagage heb achtergelaten”. Daarop sprak de wijze: “Je moet je eigendunk uit je hart doen, dan word je nog lichter”. Op het moment dat de reiziger dat deed, kwam hij aan in het land van geluk.45

45

Stephan de Jong, Verhalen van levenskunst. Kampen: Kok, 2004, 101

80


Gebaren Een buitenlandse geleerde bezocht met zijn gevolg Aksehir. De geleerde vroeg om een onderhoud met de meest onderlegde man van het dorp. Uiteraard dacht men meteen aan Nasreddin Hodja. De buitenlandse geleerde sprak geen Turks en Nasreddin sprak geen andere talen, dus moesten ze communiceren met gebaren. Iedereen keek gespannen toe. De vreemdeling tekende met een stok een grote cirkel in het zand.Nasreddin Hodja pakte de stok en verdeelde de cirkel in tweeĂŤn. De vreemdeling trok op zijn beurt een streep haaks op die van Nasreddin en verdeelde zo de cirkel in vieren. Eerst wees hij drie kwadranten van de cirkel aan en daarna het vierde. Daarop maakte de Hodja een roerende beweging met de stok boven alle vier de kwadranten. De vreemdeling maakte een bolvorm met zijn handen, met de palmen omhoog en wiebelde met zijn vingers. Nasreddin reageerde door ook een bol uit te beelden, met zijn palmen naar beneden. En wiebelde ook met zijn vingers. Toen de ontmoeting voorbij was, vroegen de leerlingen van de vreemdeling, waar het gesprek 81


over ging. ‘Nasreddin Hodja is werkelijk een geleerd man’, zei hij. ‘Ik vertelde hem dat de aarde rond is en hij vulde aan dat er een evenaar over het midden loopt. Ik zei dat driekwart van de aarde uit water bestaat en slechts een kwart uit land. Hij had het over de onderstromen en de wind. Ik gaf aan dat water opwarmt, verdampt en opstijgt naar de hemel en hij zei dat het daarna afkoelt en als regen terugkomt op aarde.’ De inwoners van Aksehir waren ook razend nieuwsgierig naar waar het gesprek over ging en zij verzamelden zich rond de Hodja. ‘Die vreemdeling heeft een goede smaak’, begon de Hodja zijn uitleg. ‘Hij zei dat hij zin had in een grote schaal baklava. Ik zei dat hij hoogstens de helft kon krijgen. Hij gaf aan dat de siroop moest bestaan uit drie delen suiker en een deel honing. Ik zei dat je die goed door elkaar moest roeren. Hij suggereerde vervolgens dat we de baklava moesten bakken op hoog vuur en ik stelde voor dat we er gemalen noten op zouden doen.’

82


Hodja’s verhalen Een school nodigde de Hodja uit om verhalen te komen vertellen voor de kinderen. Zijn bezoek werd goed voorbereid. Er gingen brieven naar de ouders en de kinderen kregen voorbereidende lessen, want een bezoek van de Hodja was iets bijzonders: de verhalenverteller bij uitstek. Op de grote dag zat iedereen klaar in de aula, de kinderen, de directeur, de leraren, ouders en zelfs de burgemeester. Daar kwam de Hodja. De hele zaal riep: ‘Goedemorgen.’ Toen vroeg de Hodja: ‘Kennen jullie zelf verhalen?’ Er werd enthousiast geknikt en geroepen: ‘Ja, we kennen al een paar verhalen.’ ‘Dan hoef ik ze niet te vertellen,’ zei de Hodja. Hij draaide zich om en vertrok. De teleurstelling was groot en de directeur smeekte de Hodja of hij nog een keer wilde komen. De directeur sprak alle aanwezigen nu van tevoren indringend toe om een nieuwe teleurstelling te voorkomen. Toen de Hodja verscheen en opnieuw vroeg ‘Kennen jullie zelf verhalen?’ werd er massaal nee geschud. ‘Nou,’ zei de Hodja, ‘als ik jullie dan een verhaal vertel, hebben jullie misschien niet eens door dat het een verhaal is.’ En hij draaide 83


zich om en vertrok weer. De directeur deed opnieuw een poging om de Hodja voor de zaal te krijgen. Deze keer was het de talencoördinator die de kinderen voorbereidde en brieven naar de ouders stuurde. En opnieuw kwam de Hodja. ‘Goedemorgen allemaal!’ ‘Goedemorgen Hodja!’ En weer vroeg hij: ‘Kennen jullie al verhalen?’ De helft van de zaal knikte ja. De andere helft schudde nee. ‘Mooi zo’, zei de Hodja, ‘dan hoef ik ze niet te vertellen. Want als de helft die ze wel kent ze vertelt aan de helft die ze niet kent, dan zit mijn werk erop.’ En hij draaide zich om en vertrok.

84


Lucifers Een medewerker van een grote luciferfabrikant klopte aan bij het management van het bedrijf. Hij had bedacht hoe het bedrijf miljoenen aan productiekosten zou kunnen besparen. Hij was bereid het idee over te dragen, mits hij bij gebleken succes een deel van de besparing zou krijgen. Het management liet een advocaat een overeenkomst opstellen, die inhield dat de man een deel zou ontvangen als er inderdaad miljoenen werden bespaard. Zijn idee was even simpel als briljant: bevestig slechts aan een kant van het doosje een strookje schuurpapier in plaats van aan allebei de kanten. Het management besloot het idee toe te passen en de besparingen liepen in de miljoenen. En de man ontving zijn deel.

85

Boekje voor Marianne  

Marianne is jarig en krijgt een cadeautje