Issuu on Google+

Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel Marnix Beyen

bron Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel. Houtekiet, Antwerpen/Baarn 1998

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/beye012held01_01/colofon.htm

Š 2008 dbnl / Marnix Beyen


4

Dankwoord Dit boek is een uitgewerkte versie van een lezing die ik op 23 mei 1998 in Brussel heb gehouden voor het 45ste Vlaams-Nederlands Historisch Congres. De organisatoren van dat congres wil ik bedanken omdat zij mij in de gelegenheid hebben gesteld een sinds lang gekoesterd plan tot uitvoering te brengen. Vervolgens gaat mijn dank uit naar Lode Wils, die mij heeft aangemoedigd om mijn tekst uit te werken tot een boek en die ook nadien steeds veel belangstelling voor deze onderneming aan de dag heeft gelegd, een belangstelling die is uitgemond in een kritische lezing van deze tekst. Ook Kaat Wils heeft een eerste versie van deze tekst aan haar scherpzinnig, maar daarom niet minder liefdevol oog onderworpen. Leo de Haes en Jan Bosteels werkten constructief mee aan deze uitgave. Heel wat nuttige informatie kreeg ik toegespeeld van Vic Nachtergaele, Carlos Van Louwe, Jan Hutsebaut en van mijn vader, Roland Beyen. Stefan De Pauw tenslotte zorgde voor de reproductie van de meeste illustraties. Ik dank ze allen.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


7

Inleiding Het eerste Belgische eeuwfeestjaar, 1930, bracht een belangrijke doorbraak voor de Vlaamse Beweging. Zij zag eindelijk haar eis van de vernederlandsing van de Gentse Universiteit in vervulling gaan. Dit kon niet beletten dat de radicaliserende nationalistische vleugel van die beweging precies tijdens dat jubileumjaar haar anti-Belgische campagne tot een hoogtepunt voerde.1 In die explosieve context verscheen een boekje van de katholieke Vlaamse literatuurcriticus Urbain Van de Voorde onder de titel Charles de Coster en de Vlaamsche Idee. Daarin bestempelde hij, weliswaar onder enig voorbehoud, De Costers Légende d'Ulenspiegel als een ‘verheerlijking van het Vlaamsche ras’, als het Vlaamse epos bij uitstek, dat onmogelijk door de Walen, laat staan door de Fransen, ten volle kon worden begrepen.2 Zo'n uitspraak betekende niets minder dan een openlijke provocatie. Want al in 1892 had de literatuurhistoricus Francis Nautet diezelfde Légende - voluit heette ze La Légende et les aventures héroiques, joyeuses et glorieuses d' Ulenspiegel et Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs - uitgeroepen tot de ‘Bible Nationale’ van België en dat oordeel was in de daaropvolgende jaren wijdverspreid geraakt.3 De gezaghebbende Franse pacifistische schrijver Romain Rolland ging zelfs nog in 1927 zo ver te beweren dat op 31 december 1867, de dag waarop de Légende verscheen, ‘het geweten van het Belgische ras’ werd geboren.4 Door zijn opeising van Uilenspiegel voor Vlaanderen vrat Van de Voorde dus weer een stukje weg uit het symbolisch patrimonium van de Belgische staat. Indien de wallingantische socialist Jules Destrée tóen in plaats van in 1912 zijn beroemde Lettre au roi zou geschreven hebben, dan had hij aan zijn inventaris van goederen die volgens hem de flaminganten van de Franstalige Belgen hadden gestolen (een deel

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


8 van hun territorium, hun verleden, hun kunstenaars, hun geld5) ‘et ils nous ont pris notre Ulenspiegel’ kunnen toevoegen. Geconfronteerd met oordelen die zo diametraal tegenover elkaar staan, zal ik in het eerste hoofdstuk van dit boek terugkeren tot de Légende zelf, tot de auteur ervan en tot zijn milieu, dat van het Brusselse, Franstalige, Belgisch-patriottische en hevig antiklerikale ‘jong liberalisme’. Hoe kon iemand als de katholieke Vlaamsnationalist Van de Voorde bekoord raken door een boek dat uit dit milieu voortsproot? Welke aanknopingspunten bevatte de Légende voor een katholiek en Vlaams-nationalistisch discours? Wat was, met andere woorden, de politieke en nationale boodschap die De Coster met zijn boek heeft trachten over te brengen en wat verstond hij precies onder het ‘pays de Flandres’ dat er blijkens de titel centraal in stond? Van de Voordes boekje was eigenlijk minder een triomfalistische verwelkoming van de Légende d'Ulenspiegel in de Vlaamse literaire pleiade dan een klaagzang over het feit dat dit door en door Vlaamse boek zo weinig impact had op de Vlaamse bevolking, ondanks de recente verbetering die hij in de laatste jaren in dat opzicht meende te ontwaren. Hij ging op zoek naar de oorzaken van die scheve situatie en ontdekte er drie: ten eerste was de Légende in het Frans geschreven, wat op zich volgens Van de Voorde nog niet zo'n onoverkomelijk probleem moest zijn. De taal was immers een louter omhulsel van de ‘geest’ en een goede Nederlandse vertaling moest die hinderpaal probleemloos terzijde kunnen schuiven. Van veel meer gewicht achtte Van de Voorde de tweede oorzaak van de uitblijvende populariteit van de Légende d'Ulenspiegel in Vlaanderen: het vijandbeeld dat in De Costers boek werd opgeroepen, strookte niet meer met de actuele angsten van de Vlaamse bevolking. Niet langer de Spanjaard, maar wel de Fransman en de ‘franskiljon’ bedreigden immers de Vlaamse vrijheid. Maar de meest fundamentele hindernis was volgens Van de Voorde het antiklerikale karakter van het boek, dat om die reden in slechte aarde viel bij het overwegend katholieke Vlaamse volk. Ondanks deze tekortkomingen bepleitte hij toch vurig een ruimere verspreiding van het epos, dat mits een kritische lezing en een open interpretatie veel kon bijdragen tot de Vlaamse bewustwording.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


9 ‘Het hangt in laatste instantie van ons af,’ zo besloot Van de Voorde zijn essay, ‘dat Uylenspiegels supreme zang het hanegekraai zou zijn voor Vlaanderens schoonsten dageraad.’6 Bijna dertig jaar later, in 1959, herhaalde de vrijzinnige Brusselse hoogleraar klassieke talen Aloïs Gerlo Van de Voordes klacht. Gerlo, die vooral dankzij zijn verzetsaureool een ruime bekendheid had verworven, gaf een heel andere verklaring voor de uitblijvende populariteit: niet het antiklerikale karakter veroorzaakte de onverschilligheid van de Vlaamse lezer, wél het feit dat de katholieke overheid tot in de tweede helft van de jaren '50 het boek op haar zwarte lijst had geplaatst.7 Roger Gheyselinck, de Groot-Nederlandsgezinde geoloog die zijn zoon niet zonder reden Thyl had genoemd (maar daarmee de neergang van de Kempische Steenkoolmijnen niet zou kunnen stuiten), trad Gerlo in 1969 bij in een uitvoerig pleidooi voor de rehabilitatie van De Coster en zijn voornaamste schepping, Uilenspiegel.8 Nog eens dertig jaar later, in 1997, kon de lezer van de Vlaamse krant De Standaard een interview lezen met een paar kopstukken van het Taal Aktie Komité (TAK), de organisatie die beweert te waken over de Vlaamse belangen in Brussel en de Brusselse rand. Boven het interview stond geblokletterd: ‘Vlaamse Lamme Goedzak roept om Tijl Uilenspiegel.’9 Verwonderlijker misschien dan deze uitspraak op zichzelf, is het feit dat zij hoegenaamd geen verklaring behoefde: de gemiddelde Standaard-lezer weet wie Uilenspiegel en Lamme Goedzak zijn, kijkt er niet van op dat deze in een Vlaams-nationalistische context worden opgeroepen en weet ook dat iemand van het TAK met een dergelijke uitspraak zichzelf aanport tot een meer strijdvaardige, maar tegelijk ludieke politiek. Tussen de uitspraken van Van de Voorde, Gerlo en Gheyselinck enerzijds, en van de TAK-militanten anderzijds, lijkt een grote kloof te gapen. Toegegeven, zij spraken niet helemaal over hetzelfde. Terwijl de eerste drie de receptie van een welbepaald boek beoordeelden, betrof het statement van het TAK twee personages uit dat boek. Want al waren noch Uilenspiegel, noch Lamme Goedzak uitvindingen van De Coster, toch had hij hen voor het eerst samengebracht. En wanneer de twee figuren sindsdien samen worden vermeld, betreft het dan ook doorgaans een referentie aan de

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


10 Légende. Zelfs onder dit voorbehoud blijft de divergentie tussen de uitspraken van Van de Voorde, Gerlo en Gheyselinck enerzijds, en die van het TAK anderzijds, verrassend: twee figuren uit een boek dat volgens eerstgenoemden in Vlaanderen nauwelijks werd gelezen, werden door laatstgenoemden bijna achteloos opgevoerd als herkenbare iconen binnen een Vlaams-nationaal discours. Werd De Costers Légende in de dertig jaar die Gheyselincks klacht van de strijdvaardige taal van het TAK scheidden, zoveel meer gelezen? Het is, gezien de democratisering van het onderwijs en de doorgedreven secularisering, niet onwaarschijnlijk. Toch is er mijns inziens méér aan de hand. Want de uitspraak van TAK-prominenten zou in de jaren '60 - en ongetwijfeld zelfs in de jaren '30 - al dezelfde vanzelfsprekende herkenbaarheid hebben genoten als nu. Min of meer onafhankelijk van de concrete receptie van de Légende d'Ulenspiegel waren de personages uit dat boek binnengedrongen in een Vlaams-nationalistisch discours, waar zij een symbolische functie waren gaan vervullen. De hoofdbrok van dit boek - de hoofdstukken 2, 3 en 4 - bestaat uit een historische schets van dit ‘recuperatieproces’, van de transformaties die Uilenspiegel, Lamme Goedzak en Nele doorheen dit proces hebben ondergaan en van de weerstanden die dit proces heeft opgeroepen. Zo'n benadering is maar mogelijk wanneer de Vlaams-nationale doorwerking van het Uilenspiegel-motief niet als een geïsoleerd gegeven wordt beschouwd. De Vlaams-nationale traditie stond immers in een voortdurende - nu eens harmonieuze, dan weer conflictueuze - wisselwerking met àndere Uilenspiegel-tradities, zoals de communistische, de Belgisch-liberale, sporadisch zelfs de wallingantische traditie. Deze wisselwerking zal in dit boek voortdurend in het oog worden gehouden. Om het niveau van de loutere ‘genealogie’ te overstijgen moet het Vlaamse Uilenspiegel-motief niet alleen geconfronteerd worden met andere Uilenspiegel-tradities, maar ook met de ruimere politieke en culturele ontwikkelingen in België. In die mate zelfs dat ik hoop met dit boekje niet alleen een bijdrage te leveren tot de ‘Uilenspiegelkunde’, maar ook een ander, soms misschien wat onverwacht licht te werpen op de geschiedenis van België, en vooral dan van Vlaanderen. Zo'n ambitieuze vraagstelling maakt een aantal strikte afbakeningen noodzakelijk. Ten eerste beperk ik mij tot een studie van

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


11 De Costers Uilenspiegel in het Vlaamse discours. Dit was en is niet de enige Uilenspiegel in omloop. De oudere Uilenspiegel uit de laat-middeleeuwse volksboeken kende immers ook een eigen traditie die gedeeltelijk voorbijging aan De Costers eigenzinnige adaptatie van het thema. Geheel onproblematisch is deze afbakening niet, niet alleen omdat De Coster zelf ruimschoots putte uit het oude volksboek, maar ook omdat in latere Uilenspiegel-bewerkingen vaak louter folkloristische Uilenspiegel-motieven werden vermengd met Decosteriaanse elementen. Overigens kreeg de folkloristische Uilenspiegel zelf een nieuwe impuls dankzij De Coster.10 Van een volstrekte onafhankelijkheid van de twee tradities kan dus geen sprake zijn. Wat er ook van zij, in deze studie beperk ik mij tot die gevallen waarin de invloed van De Coster manifest is. Maar niet met eender welke doorwerking van De Costers Uilenspiegel-motief in Vlaanderen zal ik mij bezighouden: slechts de penetratie ervan in het Vlaamse politieke discours wordt hier behandeld - of in het culturele discours in zover dit een uitgesproken politieke boodschap had. Hiermee sluit ik uit dat dit boek een literaire receptiegeschiedenis wordt van de Légende d'Ulenspiegel of een genealogie van de literaire adaptaties en vertalingen ervan. Ook de talloze instanties waar Uilenspiegel, Lamme Goedzak, Nele of Soetkin hun naam leenden aan cafés, vrije radio's, privé-detectivebureaus of organisaties die hulp bieden bij het opvoeden van kinderen tot zindelijkheid, hou ik op die manier buiten de reikwijdte van dit onderzoek.11 Op basis van het materiaal dat ik in de beschrijvende hoofdstukken 2, 3, en 4 heb bijeengebracht, ga ik in het vijfde en laatste hoofdstuk op zoek naar de reden van het succes van het (politieke) Uilenspiegel-motief. De vraag die ik er mij zal stellen kan min of meer worden gezien als een omkering van Van de Voordes vraag uit 1930. Terwijl hij zich afvroeg waarom een intrinsiek Vlaams boek als Uilenspiegel niet werd gelezen door de Vlamingen, ga ik na hoe het Tijl Uilenspiegel-motief, dat zijn voornaamste voedingsbodem vond in een weinig gelezen boek van een Franstalige, Belgisch-patriottische en antiklerikale auteur, zich een zo belangrijke plaats wist te verwerven binnen het Vlaamsgezinde, ja zelfs binnen het Vlaams-nationalistische discours, dat toch sterk katholiek gekleurd was. Bij het beantwoorden van die vraag zal ik gebruik maken van recente inzichten uit het nationalisme-onderzoek.

Eindnoten: 1 Lode Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, II: Geschiedenis van het Davidsfonds, 1914 tot 1936 (Leuven, 1985), 209-213. 2 Urbain Van de Voorde, Charles De Coster en de Vlaamsche Idee (Mechelen-Amsterdam, 1930), 7. 3 Francis Nautet, Histoire de la littérature belge d'expression fançaise (Brussel, 1892), 100 en 117. 4 Romain Rolland, ‘La Légende d'Ulenspiegel. Pour le Centenaire de Charles de Coster’, Europe. Revue mensuelle, nr. 49 (15 januari 1927), 5-22. 5 Zie Jules Destrée, Lettre au Roi sur la séparation de la Wallonie et de la Flandre, Brussel, 1912. 6 Urbain Van de Voorde, o.c., vooral 9-11 en 71. 7 Aloïs Gerlo, Charles De Coster en Vlaanderen (Antwerpen, 1959). 25.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


8 Roger Gheyselinck, De dood van taai geroddel. De snode verzinsels rond Ulenspiegel en De Coster (Antwerpen, 1969), 140. 9 Isa Van Dorsselaer, ‘Vlaamse Lamme Goedzak schreeuwt om Uilenspiegel’. Taal Alktie Komité viert vijfentwintig jaar taalstrijd’ (interview met Bart De Valck, Herman De Mulder en Guido Moons), De Standaard, 29 maart 1997. 10 Dat benadrukt ook Loek Geeraedts in de inleiding tot Het Volksboek van Ulenspieghel. Naar de oudste, bewaard gebleven druk van Michiel Hillen van Hoochstraten te Antwerpen uit de eerste helft van de 16de eeuw. Klassieke Galerij, 42 (Kapellen-Amsterdam, 1986), 9. 11 Tegen een dergelijke aanpak, die noodzakelijkerwijs een repertoriërend karakter krijgt, waarschuwt ook Georg Bollenbeck, Till Eulenspiegel, der dauerhafte Schwankheld. Zum Verhältnis von Produktions- und Rezeptionsgeschichte (Stuttgart, 1985), 253.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


12

Het pretentieloze tijdschrift Uylenspiegel, waarvoor FĂŠlicien Rops dit titelblad ontwierp, bezorgde Charles De Coster een aanleiding om zijn epos te schrijven.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


13

1 15de eeuw-1867 Hoe Tijl Uilenspiegel, in Duitsland geboren, naar het Belgische stadje Damme verhuisde om er te sterven en om er nadien ook geboren te worden. Hoe een Belgische verlichte romanticus hem tijdens zijn doorreis in België ontmoette en hoe zij samen op tocht gingen. Hoe Uilenspiegel van schalk tot held werd en Vlaming werd om beter Belg te kunnen zijn. La Légende d'Ulenspiegel verscheen op 31 december 1867 bij de prestigieuze Parijse uitgeverij van de flamboyante Brusselse liberaal Albert Lacroix en zijn vennoot Verboeckhoven. Hoewel het om een luxueuze uitgave ging, was het zetwerk haastig en bijgevolg slordig verlopen omdat de auteur, Charles De Coster, het boek absoluut nog vóór 1868 wilde zien verschijnen. Hij hoopte zo nog in aanmerking te komen voor de Vijfjaarlijkse Prijs voor Franstalige Literatuur. Tevergeefs, want het werk werd slecht onthaald door de jury, die haar negatieve oordeel niet alleen met de critici, maar ook met de publieke opinie deelde. De talrijke drukfouten die het werk ontsierden, noodzaakten De Coster tot een grondige correctie van het boek, dat in 1869 een tweede druk kende, ditmaal onder de meer omslachtige titel La Légende et les aventures héroïques, joyeuses et glorieuses d'Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs. Behalve de toevoeging van het ‘Préface du hibou’ waarin De Coster zijn verbittering over de slechte receptie van het boek omzette in een satire op de machthebbers en de publieke opinie, was er inhoudelijk niets veranderd aan de nieuwe editie van 1869.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


14 Mede door toedoen van dit moeizaam verschijningsproces had De Coster in totaal ruim tien jaar aan zijn Légende gewerkt. Toch zou hij er tijdens zijn leven nooit de literaire faam, noch het commerciële succes mee oogsten waarop hij had gehoopt. Pas na zijn dood in 1879 werd De Coster door de aanstormende literaire generatie van La Jeune Belgique beschouwd als dé grote baanbreker van de Franstalige literatuur in België - en begon zijn Uilenspiegel aan een bizarre odyssee doorheen het Belgische politieke landschap. Wie was Charles De Coster precies? Wie was Uilenspiegel? Hoe ontmoetten zij elkaar? Waarom precies in Vlaanderen? En hoe kwam dat alles tot uiting in de Légende? Dat zijn de vragen die in dit eerste hoofdstuk centraal zullen staan. Charles-Théodore-Henri De Coster werd op 20 augustus 1827 geboren in München, waar zijn vader, Augustin-Joseph De Coster, als intendant fungeerde aan het hof van de apostolische nuntius en aartsbisschop graaf Charles Mercy d'Argenteau. Augustin De Coster was afkomstig uit leper en gehuwd met Anne-Marie Cartreul, een linnennaaister uit Hoei. Van geboorte was De Coster dus half-Vlaming, half-Waal, wat hem gemakkelijk tot een symbool kon maken van het ‘biculturele’ of zelfs ‘biraciale’ België. Toch benadrukt Joseph Hanse, de voornaamste biograaf van De Coster, dat de auteur van La Légende d'Ulenspiegel in een uitsluitend Franstalige omgeving opgroeide: hij verloor zijn Vlaamse vader al op zevenjarige leeftijd en hij genoot zijn eerste onderwijs aan Brusselse, per definitie Franstalige instellingen. Brussel, waar de volkslagen in die tijd nog niet verfranst waren, maar wel de kleine en grote burgerij, zou overigens gedurende zijn hele leven zijn ‘natuurlijke biotoop’ vormen.12 Hij werd er ambtenaar bij de Société Générale van 1844 tot 1850, zette er zijn eerste stappen in de artistieke wereld, met onder meer de oprichting in 1847 van het ludiek-artistieke cenakel Le club des Joyeux, en schreef er zich in 1850 in aan de Letterenfaculteit van de Université Libre. Daar zou hij pas in 1855 een kandidaatsdiploma behalen. De keuzes die de jonge De Coster maakte, gaven al meteen blijk van een levenshouding die zowel op het artistieke als op het politieke vlak ‘progressief’ kan worden genoemd. Tijdens zijn studie-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


15 jaren kreeg deze grondhouding vastere vormen door zijn contact met professoren als Eugène Van Bemmel (Franse literatuurgeschiedenis) en Jean-Jacques Altmeyer (Vaderlandse Geschiedenis) en met medestudenten als Félicien Rops, de exuberante jongeling die als karikaturist en schilder grote faam zou verwerven.13 Steeds steviger geraakte De Coster ingekapseld in een stroming die in die dagen vooral getypeerd werd als het ‘jong liberalisme’, later als ‘progressief’ of ‘radicaal liberalisme’. Deze jongelingen deelden met hun oudere geestesgenoten een vrijzinnig-verlicht en antiklerikaal wereldbeeld, maar trachtten het liberale ideeëngoed te verjongen door het sociale en democratische karakter ervan te versterken. Zij streefden naar verplicht en gratis basisonderwijs, verstrekt door de staat; bepleitten maatregelen ten gunste van de arbeidersklasse en - belangrijk vanuit onze optiek - toonden een zekere sympathie voor de Vlaamse zaak. Zoals de Brusselse historicus John Bartier terecht heeft opgemerkt, had dit flamingantisme zeer weinig gemeen met het latere Vlaams-nationalisme. Deze radicale liberalen streefden niet naar een gelijkschakeling van het Frans en het Nederlands binnen de Belgische staat, laat staan naar zoiets als een onafhankelijk Vlaanderen. Als zij de Vlaamse volkstaal als omgangstaal bewaard en beschermd wilden zien, dan was dat niet alleen vanuit een democratische reflex maar meer nog omdat deze ‘een krachtige dijk’ vormde tegen ‘de binnendringing van Franse stromingen’.14 Het jonge België voelde in die jaren, onder druk van het heroplevende imperialisme in het Frankrijk van Napoleon III, een zeer sterke nood om zich zowel politiek als cultureel als ‘on-Frans’ te profileren. En de jonge liberalen wilden als kampioenen van het Belgisch patriottisme geboekstaafd staan. Zij waren in die periode zeker niet de enigen die het Vlaamse verleden en de Vlaamse cultuur in het Frans bezongen. Volgens de romanist Vic Nachtergaele was deze flandrofilie in de periode tussen 1830 en 1870 zelfs zo dominant onder de Franstalige intellectuelen dat het jonge België ‘een cultuurflamingantische staat met het Frans als voertaal’ kon worden genoemd.15 Ook nadat De Costers wetenschappelijke ambities waren gestrand op de klippen van kunst en literatuur en hij vroegtijdig de Université Libre had verlaten, bleef hij nauw verbonden met dit progressief-liberale en vrijzinnige milieu. In 1858 trad hij toe tot

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


16 de vrijmetselaarsloge Les Vrais Amis de l'Union et du Progrès, waar hij onder meer Rops en Altmeyer terugvond, en in 1863 tot de pas opgerichte vrijdenkersvereniging Libre Pensée, die hem opnieuw in contact bracht met Van Bemmel en waar hij ook Hector Denis leerde kennen. Deze intellectuele setting is niet alleen belangrijk om de algemene geest van La Légende d'Ulenspiegel te begrijpen, zij verschafte De Coster ook de concrete aanleiding om zijn magnum opus te schrijven. Rond de charismatische figuur van Félicien Rops, toen slechts 22 jaar, ontstond in 1856 een nieuw tijdschrift, dat zonder een expliciet artistiek of politiek programma van start ging en slechts lichtvoetig amusement wilde verschaffen. In feite ontpopte het zich al snel als de spreekbuis van een nieuwe, realistische, artistieke en literaire esthetica; en vanaf 1860 predikte het steeds duidelijker een radicaal-liberaal programma. Rops recruteerde zijn medewerkers uit zijn ruime vriendenkring aan de Universiteit en in de Brusselse artistieke en studentikoze cenakels. Zodoende behoorde ook Charles De Coster tot de medewerkers van het eerste uur aan dit weekblad, dat Uylenspiegel, journal des ébats artistiques et littéraires werd gedoopt.16 Waarom werd de naam Uylenspiegel gekozen? Waarom mocht deze wat burleske held uit het laat-middeleeuwse Neder-Duitse volksboek tot 1869 de titelpagina sieren van dit Franstalig Belgische artistieke en literaire tijdschrift? De redenen die Édouard Brun ervoor gaf in het allereerste nummer van het blad, waren tamelijk vaag. Hoewel de oorspronkelijke figuur een aantal weinig lovenswaardige kenmerken van de ‘onbeschaafde’ Middeleeuwen met zich meedroeg waar het blad Uylenspiegel zich van zou distantiëren, had de redactie er volgens Brun ‘voldoende aanlokkelijke kwaliteiten in gevonden om zich onder zijn patronaat te stellen’. En er volgde een opsomming van die kwaliteiten: ‘C'est un compatriote; il est populaire, et dans la littérature, il appartient à la légende satirique’.17 Dat Uilenspiegel, ook nog in het jaar 1856, populair was in België, staat inderdaad vast. Van de opeenvolgende edities van het volksboek door de Gentenaars Van Paemel (uit 1820, 1829 en 1850) zouden volgens Prudens Van Duyse jaarlijks 3000 exemplaren verkocht zijn. De Vlaamsgezinde archivaris en dichter Van Duyse

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


17 verzorgde in 1858 ook zelf een Uilenspiegel-editie, wat illustreert hoe deze volksheld sinds de 18de eeuw door de intellectuelen was ontdekt.18 Eerder al, in 1835 en 1840, had de Brugse advocaat en stadsambtenaar (later archivaris) Joseph Octave Delepierre twee Franstalige Uilenspiegel-edities verzorgd die ook door de intellectuele burgerij werden gesmaakt. Hij bracht het Uilenspiegel-motief binnen in de Franstalige letterkunde van België, doordat hij het scatologische karakter van zijn held milderde en het geheel in een literaire vorm goot.19 Of de traditionele Uilenspiegel-figuur inderdaad, zoals Brun beweerde, tot het genre van de ‘légende satirique’ behoorde, is voor discussie vatbaar. Al werd de maatschappij in al haar geledingen een weinig flatterende, karikaturiserende spiegel voorgehouden in het volksboek, de humor ervan was ongetwijfeld te kluchtig en te ‘goedkoop’, de maatschappijkritiek te weinig doordacht om als ‘satire’ te worden bestempeld.20 De naam Uilenspiegel is waarschijnlijk dan ook noch op ‘uil’ noch op ‘spiegel’ (twee attributen die met schranderheid en maatschappijkritiek in verband kunnen worden gebracht) terug te voeren, maar lijkt afgeleid te zijn van de Neder-Duitse uitdrukking ‘ul en spegel’, wat zoveel betekent als ‘kus m'n gat’.21 Het scatologische en koldereske woog in elk geval zwaarder door dan het satirische, al werden ook de uil en de spiegel al in de vroege zestiende eeuw als attributen aan het schalkse personage verleend, om zijn maatschappijkritische functie te beklemtonen. Satire zou trouwens ook een te zwaarwichtig woord zijn om het aanvankelijke doel van het tijdschrift Uylenspiegel te definiëren. Juister werd dit doel beschreven in een gelegenheidsversje dat ook in het allereerste nummer van Uylenspiegel werd afgedrukt bij een ets van Rops met als titel ‘La présentation d'un nouveau-né’, Uilenspiegel worden daarbij volgende woorden in de mond gelegd: Fais mon bon accueil, je reviens Avec mon leste et gai bagage Remis à neuf pour ton usage Revivre et rire auprès des miens!

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


18 ‘Leste et gai’, lichtvoetig en vrolijk vertier, dat wilden de redacteurs van Uylenspiegel in eerste instantie brengen, het soort vertier dat ook in zwang was in de studentikoze en artistieke cenakels waaruit het tijdschrift was voortgesproten. Bewust of onbewust streefden de burgerzonen die deze clubs bevolkten een zekere verwantschap na met de middeleeuwse groepen ‘onmaatschappelijken’, de zogenaamde Aernoutsbroeders (waartoe zowel verlopen intellectuelen als de grote massa der bedelaars werden gerekend), die zich aan alle normen en conventies konden onttrekken. De Nederlandse mediëvist D. Th. Enklaar heeft al in 1940 trachten aan te tonen dat de Uilenspiegel-figuur gemodelleerd was naar deze laat-middeleeuwse flierefluiters.22 Enklaars interpretatie is niet onomstreden gebleven, maar de verwantschappen die hij aanhaalt zijn te treffend om zomaar te negeren. Het is vooral die geest van - per definitie enigszins subversieve - lichtvoetige onmaatschappelijkheid die de redacteurs van het nieuwe weekblad tot Uilenspiegel lijkt te hebben aangetrokken. Ik stem dan ook gedeeltelijk in met Joseph Hanses aanmaning in de naamkeuze van het tijdschrift vooral geen politieke optie te willen zien.23 Toch was deze keuze niet volstrekt apolitiek. Want belangrijker nog dan Uilenspiegels populariteit of zijn satirisch gehalte leek voor Édouard Brun het feit dat hij een landgenoot was - en wel één ‘qui a les mêmes titres au respect des bons patriotes que Manneken-Pis et Jean de Nivelles’. In het editoriaal, dat aan Bruns artikel vooraf ging, had de redactie er al de nadruk op gelegd dat zij voor ‘een Belgische titel’ had gekozen en dat heel de aandacht van het tijdschrift dan ook op België gericht zou zijn. Dit werd expliciet verbonden met de wens om zich aan de overdreven Franse culturele invloed te onttrekken. Het vers van Henri Delmotte: Détourne nos regards trop fixés vers la France! Ramène-les sur nous et répète: Espérance

werd dan ook met instemming geciteerd.24 Meer nog dan het beroep op het satirische karakter van Uilenspiegel was deze Belgisch-patriottische motivatie van het tijdschrift hoogst problematisch. De Uilenspiegel-figuur stamde immers niet uit het Belgische grondgebied, maar wel uit Nedersaksen, meer

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


19 bepaald uit de buurt van Braunschweig, waar de stadsambtenaar en dichter Hermann Bote rond het einde van de 15de eeuw een oudere mondelinge traditie over een - al dan niet historische - ‘Ulenspeghel’ te boek zou hebben gesteld. Maar bij de verspreiding van het Uilenspiegel-motief doorheen Europa speelden de Lage Landen wél een cruciale rol. Op basis van een Hoog-Duitse vertaling van Botes ‘Ulenspeghel’ (die nu ‘Eulenspiegel’ ging heten) kwamen in Antwerpen omstreeks 1520-1525 niet alleen een Nederlandstalige (verkorte), maar ook een Franstalige en een Engelstalige Uilenspiegel-uitgave van de pers. In de daaropvolgende eeuwen bleef in de Nederlanden de Uilenspiegel-traditie krachtig aanwezig, in die mate zelfs dat gaandeweg de oorspronkelijke Duitse lokaties van het boek werden vervangen door lokaties uit de Nederlanden. De bekendste en duurzaamste van deze verplaatsingen betrof de sterfplaats van Uilenspiegel. In het oorspronkelijke boek stierf de fratsenmaker in het Noord-Duitse stadje Mölln (tussen Hamburg en Lübeck), maar vanaf de 17de eeuw werd de grafsteen van de 14de-eeuwse geleerde Jacob van Maerlant in het West-Vlaamse stadje Damme ten onrechte aan Uilenspiegel toegeschreven, zodat de overtuiging ontstond dat Uilenspiegel daar was gestorven. Gaandeweg werd deze versie ook overgenomen in de Nederlandstalige edities van het volksboek.25 Deze transformaties hadden nog niets met een ontluikend nationalisme te maken, maar alles met de dynamiek waaraan folkloristische thema's per definitie onderhevig zijn: zij ontlenen hun kracht aan hun herkenbaarheid, en herkenbaarheid veronderstelt nabijheid. De verplaatsing van Uilenspiegel naar Damme verschafte wél een voorwaarde voor een nationale recuperatie van de figuur. Die recuperatie begon al snel nadat de Belgische natie haar onafhankelijkheid had verworven. Tijdens de eerste decennia van zijn bestaan - niet toevallig ook de decennia waarin de nationale Romantiek over heel Europa hoogtij vierde - ging deze nieuwe natiestaat naarstig op zoek ging naar zijn eigen fundamenten.26 De al genoemde Delepierre beschouwde zijn Uilenspiegel-editie van 1835 expliciet als een bijdrage tot een nationale Belgische literatuur. De beroemde volksheld behoorde immers, samen met onder meer Reinaert de Vos, waarvan net tevoren een uitgave was verschenen door Jan Frans Willems, tot ‘onze oudste tradities’. Hoe-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


20 wel Delepierre in zijn editie van 1835 Uilenspiegel op geen enkele manier naar een nationale context verplaatste (het ging om een vrij getrouwe, zij het ‘opgepoetste’ versie van het oude volksboek), droeg hij toch bij tot de nationalisering van Uilenspiegel door hem onder het oog te brengen van de (liberale) bourgeoisie, op dat ogenblik dé drijvende kracht achter het Belgische nationalisme. In de uitgave van 1840, die hij aankondigde als ‘un monument national’, ging Delepierre een hele stap verder. Niet alleen nam hij de oude traditie over door Uilenspiegel in Damme te laten sterven, hij voegde ook een nieuw element toe door Uilenspiegels oorspronkelijke geboorteplaats Kneitlingen (bij Braunschweig) om te buigen tot Knesselare (niet ver van Brugge). Op die manier transformeerde hij zijn held in een West-Vlaamse boerenjongen.27 Zijn avonturen spelen zich in de uitgave van 1840 ook voor een groot deel af op het Belgische grondgebied. Voor de redactie van het weekblad Uylenspiegel was het in 1856 helemaal geen krachttoer meer om van Uilenspiegel een landgenoot te maken. Charles De Coster en Tijl Uilenspiegel ontmoetten mekaar dus min of meer toevallig, in het redactielokaal van een tijdschrift waaraan de eerste zijn medewerking en de tweede zijn naam verleende. Liefde op het eerste gezicht lijkt het niet geweest te zijn. Het epos ontstond dan ook niet spontaan uit deze ontmoeting. Pas nadat De Coster in een aantal reportages over volksevenementen in Vlaanderen en Brabant in 1859 gebundeld in de Légendes flamandes - zijn verteltalent had tentoongespreid, vroeg de redactie hem de oude legende van de ‘schutsheilige’ van het blad, ‘altérée, annihilée presque par tant de sottes traductions’, in ere te herstellen. De Coster aanvaardde, en al in 1859 verscheen in Uylenspiegel een eerste fragment van wat eens de Légende d'Ulenspiegel moest worden. Het stukje, getiteld ‘comment Ulenspiegel fut peintre’, was geheel in de traditie van het volksboek, maar misschien nog meer in die van het weekblad Uylenspiegel aangezien het koldereske en het artistieke erin samenvloeiden. Een politieke boodschap had dat fragment zeker niet.28 Wanneer vanaf het einde van dat zelfde jaar 1859 De Costers Uilenspiegel-bewerking in het blad werd aangekondigd als ‘sous presse’, dan werd deze vermeld onder de titel Les aventures joyeuses et glorieuses de Thyl Claes Uylenspiegel au pays

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


21 de Flandres et ailleurs. Deze titel leek erop te wijzen dat het opnieuw om een losse aaneenschakeling van volksverhalen zou gaan: het eenmakende element dat in de term ‘Légende’ van de uiteindelijke titel vervat lag, was nog niet aanwezig. Bovendien zouden Uilenspiegels avonturen nog niet ‘héroiques’ zijn. Ook de vermelding van Uilenspiegels beide voornamen zorgde ervoor dat deze oorspronkelijke titel folkloristischer aandeed dan de definitieve titel uit 1867. De voornamen suggereerden een relaas van (klein) menselijke, dagelijkse gebeurtenissen, terwijl ‘Ulenspiegel’ zonder meer al iets aangaf van de mythische proporties van de held uit de uiteindelijke roman. In 1859 lijkt De Coster met andere woorden nog niets voor de geest te hebben gestaan van het historische en heroïsche epos waarin hij zijn held in de komende jaren zou opnemen. Een aantal gebeurtenissen uit de vroege jaren 1860 hebben ongetwijfeld bijgedragen tot die koerswijziging. Eerst en vooral gebeurtenissen in het persoonlijke leven van De Coster. Aan het eind van de jaren 1850 had hij kennis gemaakt met een aantal Vlaamse schilders in Brussel, van wie de voornaamste Adolf Dillens was. Deze romantische historie- en genreschilder dweepte met de hele geschiedenis van de Lage Landen, maar vooral met de opstand van de Nederlanden tegen Spanje in de 16de eeuw. Al tijdens zijn universiteitsjaren had De Coster, door toedoen van Altmeyer, een levendige interesse ontwikkeld voor deze periode, die volgens de jong-liberalen de moeizame barensweeën van de vrijzinnigheid en van de politieke tolerantie te zien gaf. Maar het was bij Dillens dat deze interesse uitgroeide tot een vurig enthousiasme. Volgens De Costers eerste Vlaamse biograaf, Lode Monteyne, kreeg de Légende d'Ulenspiegel pas echt vorm in het werkhuis van deze schilder.29 Nog een andere omstandigheid droeg ertoe bij dat De Costers voorliefde voor de 16de-eeuwse Nederlandse geschiedenis werd verdiept en verrijkt. In 1860 werd hij namelijk, door toedoen van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Charles Rogier, als ambtenaar benoemd aan de ‘Commission Royale Chargée de la Publication des anciennes lois et ordonnances de Belgique’, één van deze instellingen die in het leven werden geroepen om de oude adelbrieven van het jonge België te bewijzen, maar die tegelijk de verwetenschappelijking van de geschiedwetenschap in de 19de

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


22 eeuw sterk bevorderden.30 Als functionaris liet hij te wensen over, maar hij kreeg er wel ruimschoots de gelegenheid zich te verdiepen in de bronnen van de 16de-eeuwse Belgische geschiedenis. Meer nog don deze persoonlijke peripetieën lijkt het de Europese - en in de eerste plaats de Belgische - politieke context geweest te zijn die de folkloristische Aventures omvormde tot de politiek geladen Légende. De Franse dreiging nam, na Napoleons overwinning op Oostenrijk en de inlijving van Nice en Savoye, zulke scherpe vormen aan tijdens het jaar 1860 dat er zich een ware paniekstemming verspreidde over België. Deze stemming vertaalde zich in hevig-patriottische sentimenten, waaraan onder meer lucht werd gegeven in een nieuwopgericht tijdschrift, Reinaert. In dat patriottisch bolwerk publiceerde Guido Gezelle zijn bekendste flamingantische strijdliederen, die hoegenaamd niet tegen de Franstalige Belgen, maar uitsluitend tegen Frankrijk en Napoleon III waren gericht.31 Ook de tegenstelling tussen katholieken en vrijzinnigen werd ten top gedreven door de intransigente, anti-liberale houding van Pius IX, een houding die in 1864 resulteerde in de encycliek Quanta Cura en de bijhorende Syllabus Errorum. Dergelijke ontwikkelingen waren koren op de molen van het jonge liberalisme, dat zich patriottischer én radicaler vrijzinnig ging opstellen dan ooit. Binnen die radicaliserende context waren de lichtvoetigheid en de (relatieve) politieke onthouding van een blad als Uylenspiegel niet langer houdbaar. In februari 1860 kondigde de redactie dan ook een grotere ernst en een sterkere politieke betrokkenheid aan: ‘Sous les arabesques de la fantaisie, nos lecteurs sentiront toujours une conscience solide, une intention droite. Quels que soient les vêtements de notre idée, on verra battre, sous ses draperies, un coeur animé par la plus ardente et la plus désintéressée des passions, la passion de la justice’. Het blad kreeg nu als ondertitel Journal des ébats politiques, artistiques et littéraires en beloofde minstens een derde van zijn plaatsruimte te vullen met politieke bijdragen.32 Tussen 21 oktober 1860 en 11 augustus 1861 opende het blad effectief vrijwel wekelijks met een kritisch politiek artikel, dat doorgaans ondertekend werd door Karel, een pseudoniem waarachter niemand minder dan Charles De Coster schuilging. Waar De Coster zich tevoren als ernstig romanticus nooit volop had thuisgevoeld

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


23 in het studentikoze, wat je m'en foutistische gezelschap van de Club des Joyeux en van Uylenspiegel33, werd hij nu de sterredacteur van het blad. Zijn artikels bevatten variaties op de klassieke thema's van het jong-liberalisme: pleidooien voor meer democratie, voor algemeen seculier onderwijs, hevig antiklerikale oprispingen en aanklachten tegen het napoleontische imperialisme. Soms werden deze gecombineerd met uitingen van regelrechte gallofobie, maar meestal met oproepen tot een vuriger Belgisch patriottisme - wat alleen maar mogelijk was indien de Vlaamse taal en de Vlaamse cultuur gekoesterd werden.34 De Costers artikels vielen nog het meest op door hun, zelfs naar radicaal-liberale maatstaven, sterk uitgesproken sociaal engagement.35 In geen van deze politieke artikelen van De Coster kwam Uilenspiegel ter sprake. Beschouwde hij zijn politieke betrokkenheid en zijn literaire bedrijvigheid toen nog als twee volkomen gescheiden facetten van zijn persoonlijkheid? Feit is in elk geval, dat tijdens diezelfde roerige jaren een andere gereputeerde jong-liberaal de Uilenspiegel-figuur wél in een bij uitstek politieke context opvoerde. Het ging om Louis Defré, een Leuvenaar die in een katholiek milieu was opgegroeid, maar die aan de Université Libre de Bruxelles een liberaal was geworden met de onwrikbaarheid die eigen is aan bekeerlingen. Als ‘stichter van het liberale pamflet in België’ genoot hij in de late jaren 1850 een dermate grote populariteit dat hij in 1858 tot volksvertegenwoordiger voor Brussel werd verkozen tegen de kandidaat van de liberale regering in.36 In 1860 liet hij onder het pseudoniem Joseph Boniface bij Albert Lacroix, de jong-liberale uitgever die ook voor de publicatie van La Légende d'Ulenspiegel zou instaan, een pamflet verschijnen onder de titel La Belgique indépendante, waarvan het tweede deel heette Tiel Uylenspiegel patriote. Waren titel en thema geïnspireerd door het succes van het weekblad Uylenspiegel? In elk geval sproten zij beiden voort uit eenzelfde politieke subcultuur. In zijn pamflet troonde Defré zijn lezers mee naar de Brusselse Club des Merles, waar een groep patriottische liberalen zich bezon over de gevaren van het Franse annexionisme.37 Plots verscheen Uilenspiegel er ten tonele, om zijn gehoor in strijdvaardige taal een hart onder de riem te steken. Hijzelf waakte immers over het welzijn van zijn vaderland, ‘terre classique de l'honnêteté et du bon

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


24 sens’. Want hij was veel meer dan de loutere zotskap die zijn toehoorders uit hun jeugd kenden en zijn schelmenstreken waren geen goedkoop vertier geweest: ‘Lorsque le despotisme étranger courbait vos fronts, en vous égayant elles [les facéties] vous consolaient de la servitude’. Aangezien de geschiedenis van België ‘un éternel combat pour la liberté de la patrie’ was, hadden die schelmenstreken een belangrijke functie vervuld in de weerstand tegen de onderdrukkers.38 ‘Il faut au peuple qui souffre,’ zo vervolgde Uilenspiegel, ‘un bon génie qui lui donne de la gaîté’. Dat genie, dat was hij zelf geweest en dat zou hij blijven. Als nationaal genie had hij doorheen de lange Belgische geschiedenis gezworven, en had er de meest illustere voorouders ontmoet: Breydel en De Coninck bijvoorbeeld, ‘de fiers gaillards’, maar ook Jacob en Filips van Artevelde, ‘gais compagnons et natures enthousiastes’, Marnix van Sint-Aldegonde en Frans Aneessens, de leider van het 18de-eeuwse verzet van de Brusselse ambachten. Op de Groeningekouter had hijzelf de vlammen en het enthousiasme van de Vlamingen aangewakkerd in hun strijd tegen de Franse koning - een strijd die gewonnen werd ‘par l'énergie de la race flamande’ - en na de overwinning had hij mee geholpen de talloze gulden sporen bijeen te rapen. Een aantal elementen uit de Vlaamse geschiedenis, die later belangrijke topoi zouden worden in een Vlaams-nationaal discours, werden door Defré dus nog uitsluitend in een Belgisch-patriottische context behandeld. Deze nationalistische incarnatie van Uilenspiegel (niet langer zomaar een ‘compatriote’, maar nu werkelijk een ‘patriote’) was een nieuwigheid. Defré liet dat zelf verstaan door de leden van de Club des Merles verwonderd te laten reageren op Uilenspiegels betoog: ‘Nous ne connaissions que l'Uylenspiegel le joyeux compagnon et le bon vivant. Nous ne connaissions pas Uylenspiegel le patriote et l'apôtre.’ En belangstellend vroegen zij aan Uilenspiegel: ‘Comment avez-vous à la fois cette gaîté si franche et cette émotion si profonde?’, waarop zij ten antwoord kregen: ‘Parce que je suis Belge, un vrai Belge parce que les folles gaîtés sont propres aux corps sains et robustes comme les vives émotions aux âmes honnêtes et libres, et c'est là l'organisation du peuple belge.’ Zonder zijn aureool van eeuwige schalk te verliezen, had Uilenspiegel zich dus stevig geïntegreerd in een nationalistisch discours.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


25 Deze vernieuwing van de Uilenspiegel-figuur deed zich voor terwijl Charles De Coster zijn Légende aan het schrijven was. Het is onwaarschijnlijk dat De Coster de brochure van Defré, de meest populaire jong-liberaal van het ogenblik, níet zou hebben gekend. Hanse geeft trouwens aan dat bepaalde zinnen uit de Légende een overeenkomst met het pamflet van Defré vertonen die niet toevallig kàn zijn.39 Ikzelf zou nog een stap verder durven gaan door de mogelijkheid te opperen dat het uiteindelijk dit pamflet is geweest dat de Légende d'Ulenspiegel in de richting van een politieke belijdenis heeft gedreven. Niet alleen die enkele zinnen wijzen op een verwantschap tussen beide teksten, heel de idee van Uilenspiegel als ‘esprit de la Flandre’ zou wel eens kunnen ontleend zijn aan Defrés ‘génie’-begrip. In de jaren die volgden, evolueerde De Coster, waarschijnlijk onder invloed van Proudhon, steeds meer naar de linkerzijde van het jong-liberalisme, in die mate dat hij nauw ging aanleunen bij het opkomende socialisme.40 Fragmenten van de eerste versie van zijn Légende d'Ulenspiegel verschenen zelfs in het revolutionaire blad van de Parijse blanquisten, Candide. Ook voor andere linkse bladen als Rive Gauche en La Liberté (van Hector Denis en Victor Arnould) leverde hij bijdragen in de late jaren 1860.41 Tijdens het tien jaar durende wordingsproces van de Légende d'Ulenspiegel had Charles De Coster dus heel wat van zijn politieke onschuld verloren. Was hij in feite al bij de creatie van het tijdschrift Uylenspiegel te ernstig voor deze speelse onderneming, dan kon hij zich a fortiori tijdens de jaren 1860, waarin verschillende elkaar doorkruisende tegenstellingen werden verscherpt, onmogelijk nog langer tevreden stellen met een politieke afzijdigheid. De Légende zelf moest wel de sporen dragen van deze evolutie. En inderdaad zien we doorheen het uiteindelijke boek waarin blijkens de titel niet langer alleen ‘vrolijke’ en ‘roemruchte’, maar ook ‘heldhaftige’ avonturen verhaald worden - een verglijding plaatsvinden, waarbij de grappige, al dan niet aan het volksboek ontleende elementen een steeds kleinere rol spelen, ten voordele van een bijwijlen tragische schildering van het politieke gebeuren in de 16de-eeuwse Nederlanden. In potentie was deze politiek geladen tragiek al van bij het

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


26 begin aanwezig in de Légende. De Coster liet Tijl Uilenspiegel immers te Damme geboren worden op dezelfde dag waarop in Spanje Filips II ter wereld kwam. Al in het vijfde hoofdstuk van het eerste boek liet hij de goede heks Katelyne voorspellen tot welk onheil deze laatste de Nederlanden zou voeren en al in het eerste boek wordt geregeld ‘overgeschakeld’ naar het Escuriaal, waar de extreme wreedheid van Filips II een groot contrast vormt met de onbezorgde fratsenmakerij waaraan Uilenspiegel zich terzelfdertijd te buiten gaat in Damme. Gaandeweg worden deze twee verhaalijnen op dramatische wijze met elkaar verbonden. Een eerste keer gebeurt dat met de foltering van Katelyne, die als een soort voorbode dient tot het cruciale keerpunt in het boek: Tijls vader, Claes, sterft op de brandstapel en zijn moeder gaat ten onder aan martelingen die haar door de Spaanse Inquisitie werden toegediend. Vanaf dan wordt Uilenspiegel vervuld van een ontembare haat tegenover de Spaanse onderdrukker - een haat die hem blijvend inspireert tijdens zijn strijd voor de bevrijding van de Lage Landen. Het zakje met de asse van zijn vader dat hij op zijn hart draagt, geeft hem daarbij telkens opnieuw de nodige kracht tot verzet. ‘Les cendres de Claes battent sur mon coeur’, zo luidt de telkens herhaalde slagzin die doorheen het hele boek zindert. Tijdens zijn strijd confereert Uilenspiegel geregeld met de leidende figuren van de Opstand (Willem van Oranje, Brederode, Marnix), maar staat hij ook temidden van de Geuzen in de frontlinie. Als verbindingsman en raadgever achter de schermen wordt hij zowat de geest van de Nederlandse Opstand. Van de fratsenmaker Uilenspiegel schiet na het eerste boek niet veel meer over en het komische gewicht van het boek wordt bijna integraal verlegd naar de avonturen van Lamme Goedzak, de dikbuikige, rondborstige en kleinhartige reisgezel die De Coster aan Uilenspiegel meegaf. Deze Lamme-figuur was evenmin als Uilenspiegel een uitvinding van De Coster, maar stamde uit een reeks prentenboeken die al in de 18de eeuw zeer populair waren in de Zuidelijke Nederlanden. De Lamme Goedzak die daarin ten tonele werd gevoerd was eigenlijk op zijn beurt gemodelleerd naar de Noord-Nederlandse Jan de Wasscher, het prototype van de al te goedige man die onder de knoet ligt van zijn echtgenote en alle huishoudelijke taken uitvoert terwijl zij de bloemetjes buitenzet.42 Ook in de Légende is de naïeve Lamme

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


27 voortdurend op zoek naar zijn bazige echtgenote, die naderhand ten prooi blijkt te zijn gevallen aan een perverse monnik. Dat geeft aan in hoever zelfs de meest burleske humor in de Légende ertoe neigde over te lopen in politieke satire. Behalve Lamme voerde De Coster nog andere figuren met een sterk prototypisch karakter toe aan de Uilenspiegel-legende. Eerst en vooral zijn ouders Claes en Soetkin, hardwerkende, goedmenende volksmensen die aan een repressief systeem ten onder gaan; de goede heks Katelyne, die door haar excentriciteit de angst en de haat van de gemeenschap op zich haalt; en natuurlijk Katelynes dochter Nele, die voor Uilenspiegel de eeuwige en zuivere liefde vertegenwoordigde, de liefde die vér boven de erotische avonturen stond die hij tijdens zijn tochten beleefde. Voor de figuur Nele had ongetwijfeld Elisa model gestaan, het burgermeisje waarmee De Coster gedurende acht jaar (1851-1858) een zeer wisselvallige relatie onderhield, vooral gesteund op zijn blinde, romantische aanbidding van haar. Elisa's liefde bleek echter niet sterk genoeg om het veto van haar familie tegen de relatie te overwinnen. Vooral in de bijfiguren komt tot uiting dat La Légende d'Ulenspiegel veel méér was dan een politieke roman. De Costers wetenschappelijke belangstelling voor de Vlaamse folklore43, meer specifiek voor de magische aspecten daarin, en zijn romantische bevlogenheid vonden er al evenzeer hun neerslag in. Daarnaast mag niet worden vergeten dat het werk in de eerste plaats het product is van een stilist die steeds op zoek was naar de meest plastische uitdrukking van zijn gedachten en gevoelens.44 Of nog, de politieke lading van Uilenspiegel mag niet uit het oog doen verliezen dat de Légende d'Ulenspiegel vooral een literaire prestatie was. Maar al deze overwegingen doen niets af aan het feit dat de onbetwiste hoofdfiguur van het boek, Tijl Uilenspiegel zelf, doorheen het boek evolueert tot een hoofdzakelijk politiek figuur met een duidelijke politieke boodschap. Maar welke? Jean-Marie Klinkenberg beweert terecht dat La Légende d'Ulenspiegel géén politieke sleutelroman is, waarin elk opgeroepen personage een rechtstreekse allusie zou bevatten op politieke figuren uit de tijd van De Coster zelf.45 Het werk had inderdaad een meer universele

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


28 boodschap, die niet zozeer gericht was tegen één welbepaalde onderdrukker, maar tegen alle onderdrukkers uit alle tijden. In de figuur van Filips II kon dan wel Napoleon III worden gezien, maar deze associatie was niet noodzakelijk om het boek te begrijpen. Positiever uitgedrukt was de Légende één lange lofzang op de vrijheid in al haar gedaanten, onder al haar vormen: zowel de vrijheid van het individu tegenover de gemeenschap, als die van het ene volk tegenover het andere. Maar al was het geen sleutelroman, de Légende lag wel stevig in haar tijd verankerd en de abstracte, overkoepelende tegenstelling tussen Vrijheid en Onderdrukking manifesteerde zich op een manier die eigen was aan de jaren zestig van de 19de eeuw. Klinkenberg zelf heeft de aanwezigheid in de Légende van de drie klassieke breuklijnen uit de Belgische geschiedenis onderzocht: de ‘nationale’ of (anchronistisch) ‘communautaire’ (tussen de twee taalgemeenschappen), de levensbeschouwelijke (tussen katholieken en vrijzinnigen) en de sociale breuklijn (tussen arbeiders en kapitalisten). Alle drie lijken zij zich te plooien naar de eenvoudige manicheïstische tegenstelling die het hele boek beheerst. Filips II en Uilenspiegel staan niet allleen tegenover elkaar als de vreemde onderdrukker tegenover de incarnatie van het nationale, maar ook als vertegenwoordiger van het religieuze fundamentalisme tegenover die van de gewetensvrijheid en als economische uitzuiger tegenover het weerloze plebs. Van deze drie tegenstellingen is ongetwijfeld de tweede de minst problematische van het hele boek. Ondanks een zeker mededogen met de martelaren van Gorcum, de weerloze monniken die onverbiddelijk door de Watergeuzen werden terechtgesteld (boek 4, hoofdstuk 8), wordt de antiklerikale toon doorheen het hele boek onverminderd volgehouden. De sociale tegenstelling wordt minder consequent uitgewerkt. Weliswaar worden de economische motieven van de kettervervolging door Karel V en Filips II dik in de verf gezet (‘et le roi héritait’) en meent Klinkenberg, in navolging van Hubert Juin, in de Légende zelfs een vroeg pleidooi voor het recht op arbeid te erkennen. De Coster zou zich in die zin onderscheiden van de romantisch-paternalistische idealisering van de arbeidersklasse. Maar tegelijk behield Uilenspiegel een aantal kenmerken van de schalk uit het volksboek, wiens arbeidsschuwheid niet steeds ten

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


29 koste van de gegoede klasse, maar vaak ook ten koste van de ‘kleine man’ ging. In de optiek van deze studie interesseert mij vooral de derde, de nationale tegenstelling. Uilenspiegel was weliswaar de incarnatie van het nationale verzet tegenover de vreemde indringer, maar wat werd precies onder dat nationale verstaan? In de profetie van Katelyne (boek 1, hoofdstuk 5) werden Uilenspiegel de geest46, Claes de moed, Soetkin de dappere moeder, Nele het hart en Lamme Goedzak de maag van het ‘edel volk van Vlaanderen’ genoemd. Doorheen het boek wordt deze prototypische relatie van de hoofdfiguren tot ‘Vlaanderen’ geregeld hernomen. Het belang ervan wordt nog eens onderstreept in de naderhand eindeloos herhaalde slotzinnen van het boek. Toen Uilenspiegel na een met Nele gedeeld visioen levenloos in het zand was blijven liggen en terstond werd begraven, stond hij plots op en sprak hij de woorden: ‘Est-ce qu'on enterre Ulenspiegel, l'esprit, Nele, le coeur de la mère Flandre? Elle aussi peut dormir, mais mourir, non.’ Hoewel Uilenspiegels avonturen zich, zoals de titel al aangaf, niet alleen ‘au pays de Flandres’, maar ook ‘ailleurs’ (en tot dat ‘elders’ behoorden zowel de Waalse als de Noord-Nederlandse gewesten) afspeelden, leek het begrip Vlaanderen dus toch een centrale rol te vervullen in het verhaal. Dat zo'n verheerlijking van Vlaanderen niet vanuit een anti-Belgische, maar integendeel vanuit een Belgisch-patriottische optiek geschiedde, mag binnen de hoger geschetste context duidelijk zijn en wordt keer op keer bevestigd in de enorme literatuur over De Coster. Een vraag die tot hiertoe minder gesteld werd, is of het Vlaanderen dat in de Légende bezongen wordt überhaupt wel het Vlaanderen is dat we nu kennen, met name het Nederlandssprekende gedeelte van België? Die moderne betekenis van het woord was in de tijd van De Coster nog zeer nieuw en bezat zeker niet dezelfde vanzelfsprekendheid als vandaag.47 De Coster kende die moderne betekenis wel degelijk en gebruikte ze doorgaans in zijn politieke artikels voor Uylenspiegel. Over dàt Vlaanderen had hij het wanneer hij opkwam voor onderwijs in het ‘Vlaams’ en waarschijnlijk had hij het ook over dàt Vlaanderen wanneer hij sprak van zijn ‘patrie de choix au milieu de la grande patrie belge’.48 Maar in zijn Légende had hij het mijns inziens over een ander Vlaanderen, meer bepaald over

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


30 het oude graafschap waar Damme deel van had uitgemaakt. Hoe tendentieus De Costers geschiedenisvisie ook was, hij had zich goed gedocumenteerd over de zestiende eeuw en was op zijn hoede voor al te opzichtige anachronismen. Nergens in het hele boek rekende hij een plaats buiten dat oude graafschap expliciet tot Vlaanderen - en uit een aantal passages blijkt duidelijk dat De Coster de oude betekenis van Vlaanderen hanteerde. In hoofdstuk 35 van het eerste boek bijvoorbeeld reist Uilenspiegel naar Ukkel, een Brabants dorp dat in De Costers tijd nog maar nauwelijks was verfranst. Op de vraag naar zijn herkomst antwoordt hij: ‘Ik kom uit Vlaenderen, een schoon land vol lonkende deerntjes.’ In Brabant werd de Vlaming Uilenspiegel met andere woorden als vreemdeling gezien. En in hoofdstuk 58 van datzelfde boek vraagt Claes aan Nele, die van haar moeder visionaire krachten heeft geërfd: ‘Nele, liefje, zou je kunnen zien wat er te Bruyssel, in Brabant, gebeurt?’49 Maar vóór de oprichting van de unitaire Belgische staat hadden de woorden ‘Vlaanderen’ en ‘Vlaams’ naast hun enge definitie ook een ruimere betekenis. Sinds de 16de eeuw werden zij namelijk ook, zij het vooral door buitenlanders, als pars pro toto gebruikt voor het gehele gebied van de (Noordelijke én Zuidelijke) Nederlanden, waartoe ook de Franssprekende gedeelten behoorden. Volgens de Brusselse journalist en essayist Jean Francis was De Costers ‘Vlaamse gevoeligheid’ op deze betekenis van de woorden gestoeld: ‘Vlaams in de betekenis die de inwoners van Doornik en Luik eraan gaven die, in de parochieregisters in Rome naast hun naam schreven: Vlaming van Doornik of Luik.’50 Inderdaad lijkt De Coster ook deze betekenis van Vlaanderen gekend en gebruikt te hebben. De Légendes Flamandes die hij in 1859 liet verschijnen, bevatten behalve twee verhalen uit het oude graafschap Vlaanderen, ook twee vertellingen uit het hertogdom Brabant (in die verhalen zelf gebruikte hij overigens nergens de namen ‘Vlaams’ of ‘Vlaanderen’). Deze overkoepelende titel kan dus opgevat worden als een modern gebruik van de term ‘flamand’, maar mijns inziens ging het hier veeleer om het archaïsche pars pro toto voor de Nederlanden. Twee jaar later immers, in 1861, verschenen van zijn hand de Contes Brabançons. De meeste van de daarin opgenomen vertellingen waren niet gelokaliseerd, maar het openingsverhaal

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


31 situeerde zich in Zeeland, de Nederlandse provincie waarnaar De Coster samen met Adolf Dillens een aantal ‘studiereizen’ had gemaakt. De term ‘Brabançons’ werd duidelijk metonymisch gebruikt, een gebruik dat in het ancien régime ook gangbaar was, zij het veel minder frequent dan bij de term ‘flamand’. Waarschijnlijk had De Coster naar een synoniem gezocht voor het ‘flamand’ van zijn Légendes - en beide titels kunnen misschien nog het best vertaald worden als ‘vertellingen uit de Lage Landen’. Gebruikte hij het woord ‘Vlaanderen’ in zijn Légende d'Ulenspiegel ook in deze metonymische betekenis? Zolang het om geografische omschrijvingen gaat, zijn deze gevallen alleszins schaars. Eén van de weinige voorbeelden kan worden gevonden in hoofdstuk 14 van het tweede boek, waar Uilenspiegel in een aantal Antwerpse taphuizen, ‘temidden van goede hervormde Vlamingen en zelfs van vrijheidslievende katholieken’, een toespraak hield over de plakkaten. Hij waarschuwde voor de verregaande economische uitbuiting waaraan het land zou worden onderworpen onder het mom van religieuze zuivering: ‘Geen rijke Vlaming zal er nog overblijven in het gezuiverde Vlaanderen!’ Ongetwijfeld gaat deze uitspraak over de Nederlanden in hun geheel. Al blijft dit geografisch gebruik van Vlaanderen als pars pro toto in de Légende vrij schaars, op een meer symbolisch niveau krijgt de term die inhoud wel degelijk. De ‘Vlaemsche beeldhouwer’ die in hoofdstuk 30 van het eerste boek dapper op de brandstapel sterft in de nabijheid van het sterfbed van Filips' echtgenote Maria van Portugal, roept zijn beulen toe: ‘Alzo sterven Vlamingen in het aangezicht van hun Spaensche beulen [...] Leve Vlaenderen! Vlaenderen voor eeuwig!’ Of de beeldhouwer uit het oude graafschap Vlaanderen kwam, werd er niet bij vermeld en was ook niet belangrijk: het ging hier om het ‘eeuwige Vlaanderen’, het principe van de (Nederlandse) Vrijheid tegenover dat van de (Spaanse) Onderdrukking. Dit symbolische gebruik van ‘Vlaanderen’, dat nog evidenter wordt in de eerder geciteerde slotzinnen van het boek, straalt in zekere zin af op alle andere plaatsen waar de term - ook in zijn enge zin - voorkomt. De vrijheid die in het oude graafschap Vlaanderen, de geboortegrond van Uilenspiegel, tegen de Franse koningen was verdedigd, stond zowel symbool voor de vrijheid die de Nederlanden in de 16de eeuw tegen de Spaanse tiran-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


32 nie moesten verdedigen als voor de vrijheid die in het België van de jaren 1860 tegen het annexatiestreven van Bonaparte moest worden beschermd. Tot dàt Vlaanderen behoorden de Luxemburgers evengoed als de Gelderlanders, gebieden waartussen De Coster geen principieel verschil aanbrengt in de Légende. En toch. ‘Door het Waelsche land trekkend,’ zo lezen we in hoofdstuk 10 van boek 3, ‘zag Ulenspiegel dat de prins er geen enkele hulp te verwachten had.’ Het is de aanhef van een verhaal waarin Uilenspiegel de draak steekt met (en financieel profijt haalt uit) het religieuze obscurantisme van een groep gebochelde pelgrims in de buurt van Bouillon. Een zeker misprijzen voor de Walen lijkt hierin op het eerste gezicht moeilijk te ontkennen, maar opnieuw mag niet worden vergeten dat de door De Coster gebruikte terminologie historiserend was. ‘Les pays wallons’ was voor hem dus niet helemaal hetzelfde als ‘la Wallonie’, een term die overigens pas in 1844 ontstond en pas in de jaren 1880 buiten de kring van filologen en historici bekend werd.51 Tot ‘les pays wallons’ werden voorheen alle Romaanssprekende gedeelten van de oude Nederlanden gerekend - een gebied dat enerzijds ruimer was dan het moderne Wallonië (de Franssprekende gedeelten van Vlaanderen, la Flandre gallicante, behoorden er namelijk ook toe, net zoals Artesië en het gedeelte van Henegouwen dat nu in Frankrijk ligt), maar dat anderzijds vaak ook een belangrijke beperking inhield tegenover dat moderne begrip: in vele 17de-, 18de- en zelfs vroeg 19de-eeuwse bronnen werd Luik, dat tot aan de Franse Revolutie staatkundig buiten de Zuidelijke Nederlanden viel, van de Waalse landen uitgesloten. De Coster lijkt zich in elk geval aan deze laatste beperking gehouden te hebben: Luik en de Luikenaars bestempelde hij immers nergens in de Légende als ‘Waals’.52 Net zoals de term ‘Vlaams’ voor De Coster behalve een geografische ook een symbolische betekenis had, zo lijkt hij ook aan het begrip ‘Waals’ - zij het minder bewust - een niet geografische connotatie te hebben gehecht. Stond ‘Vlaanderen’ voor vrijheidszin, dan werd ‘Waals’ gebruikt om het tegendeel aan te duiden: slaafse onderwerping en blind geloof. Behalve de genoemde passage over de bultenaars van Bouillon komt deze connotatie ook scherp tot uiting in de passage over de pro-Spaanse malcontenten, waarvoor hij de term ‘Waelsche Paternosterknechten’ gebruikte.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


33 (boek 5, hoofstuk 2) Aangezien hij echter Luik van het Waalse gebied uitsloot, mag een dergelijke uitspraak niet geïnterpreteerd worden als een ‘nationaal’ geïnspireerde antipathie tegen het Franssprekende gedeelte van België. Elders in het boek lezen we immers hoe Willem van Oranjes leger, bestaande uit ‘veertienduizend Vlamingen, Walen en Duytschers’ in 1569 de Rijn overstak. En uit het kladschrift van De Coster blijkt dat hij in eerste instantie van plan was een grotere rol te geven aan de dappere Waalse krijgers tijdens de overtocht van de Maas.53 Veeleer moeten we er de afkeer in herkennen van een verlichte en vooruitgangsgezinde burger tegenover elke vorm van ‘achterlijk’ klerikalisme.54 Maar nogmaals: de Légende mag niet uitsluitend worden gelezen als een transpositie van de politieke voorkeuren van De Coster naar de 16de eeuw. De auteur had immers ook historische pretenties. Dat de ‘malcontenten’ die zich in 1579 rond de Spaanse koning schaarden overwegend edelen uit de toen als ‘Waals’ bestempelde gewesten Henegouwen en Artesië waren, kon hij al in de oudste geschriften over de Nederlandse Opstand lezen.55 Zijn gebruik van de term ‘Waals’ was gedeeltelijk de neerslag van wat hij in zijn bronnen had gevonden. Het nationale kader van de Légende werd dus gevormd door de héle Nederlanden zoals ze in de Bourgondische periode tot stand kwamen, de 17 Provinciën. Mag de Légende dan gelezen worden als een orangistische of heel-Nederlandse belijdenis? Eén passage aan het einde van het boek zou dat kunnen doen vermoeden. Tijdens zijn laatste visioen met Nele geven de Geesten Uilenspiegel de volgende raadselachtige boodschap: Quand le septentrion Baisera le Couchant, Ce sera fin de ruines: Cherche la ceinture

Op vraag van Uilenspiegel ontcijferen de Geesten het raadsel op een manier die weinig aan actuele duidelijkheid te wensen overlaat:

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


34 Septentrion, c'est Neerlande, Belgique, c'est le couchant C'est alliance Ceinture, c'est amitié

Klinkenberg heeft deze passage, waarin de anachronismen wél evident zijn, het enige echte ‘sleutelmoment’ genoemd, in de betekenis van een rechtstreekse verwijzing naar de politieke actualiteit. Naar het organisme, dat na 1841 niet meer actief was, verwees de passage niet. Overigens stuurde De Coster niet aan op een hereniging met Nederland, zoals de orangisten wensten, maar wel naar een hechtere ‘vriendschapsband’. Sommigen, onder wie Camille Huysmans, hebben hem daarom een pleitbezorger van een ‘Benelux avant la lettre’ genoemd.56 Roger Gheyselinck achtte hem om die reden zelfs een eeuw te vroeg geboren. Maar De Costers ideeën waren in die tijd helemaal niet zo revolutionair. Hij deelde ze onder meer met de toenmalige regeringsleider en minister van Binnenlandse Zaken Charles Rogier (aan wie hij, zoals al eerder vermeld, zijn ambt aan de Commission pour la Publication des Anciens Lois te danken had en die hem bovendien mild subsidieerde voor het schrijven van zijn werk57) en met een groot deel van het liberale establishment, dat zich omwille van de dreiging uit het Zuiden gemakkelijker weer naar het Noorden richtte. Binnen die context kon op 19 oktober 1861 voor het eerst een officiële ontmoeting plaatsvinden tussen een Belgische koning (Leopold I) en zijn Nederlandse collega (Willem III). Maar een meer tastbaar resultaat van deze toenadering was de afkoop, in 1863, van de Scheldetol, de tol die Nederland sinds 1839 mocht heffen op de scheepvaart doorheen de Schelde naar België.58 Dat De Coster wel degelijk deze gebeurtenissen in het achterhoofd had tijdens het schrijven van de zopas aangehaalde passage, blijkt uit het vervolg ervan. De Geesten noemden de gewenste band tussen België en Nederland verderop nog: Alliance de conseil Et d'action De mort Et de sang

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


35 S'il le fallait, N'était l'Escaut Pauvret, n'était d'Escaut

De Schelde stond met andere woorden een zeer hechte band - die ook militair van aard (‘de sang et de mort’) moest zijn, wat het verband met de Franse dreiging bevestigt - in de weg. Het vermoeden lijkt niet ongegrond dat De Coster deze passage schreef vóór 12 mei 1863 - datum van het Belgisch-Nederlands verdrag, en dat hij ze om een of andere reden naderhand niet wijzigde.59 Het anachronistische in de bovenstaande passage ligt vooral in de termen ‘Belgique’ en ‘Neerlande’, die door De Coster in hun 19de-eeuwse betekenis werden gebruikt. Een verontschuldiging daarvoor zou kunnen zijn dat de termen in een visionaire context werden uitgesproken - en dus niet volledig binnen het kader van de historische roman vielen. Maar De Coster had al eerder in dat vijfde boek zijn tot dan vrij consequent aangehouden historisme verlaten. Na de Unie van Atrecht liet hij ‘de bedachtzamen’ nostalgisch terugkijken naar de Pacificatie van Gent, toen ‘de heren van Hollandt en Belgien uitdelging van alle haat en wederzijdse bijstand der Belgische en Nederlandsche Staten’ zwoeren (Boek 5, hoofdstuk 2). Het woordgebruik is ook daar van een dermate anachronistische aard, dat hij in de Pacificatie van Gent, op een ogenblik dat een Belgische en een Nederlandse staat nog niet eens bestonden, een soort voorafspiegeling lijkt te zien van de door hem gewenste Belgisch-Nederlandse vriendschapsband. Vóór dat vijfde boek lijkt De Costers gebruik van het archaïserende adjectief ‘Belgique’ wél historisch correct te zijn geweest, namelijk een synoniem voor ‘Nederlands’ in zijn ruime betekenis. Kortom, pas in het vijfde en laatste boek van de Légende ontmaskerde de auteur zichzelf op het nationale vlak ten volle als de Karel van de politieke artikelen in Uylenspiegel: een Belgische patriot die het Belgische vaderland mythisch trachtte te funderen door een beroep op het oude Vlaanderen, en het strategisch trachtte te beveiligen door een hechte band met het jonge Nederland.

Eindnoten: 12 Joseph Hanse, ‘Le centenaire de ‘La Légende d'Ulenspiegel’’, Bulletin de l'Académie Royale de Langue et Littérature françaises, jg. 45, nr. 2, (1967), 85-105. 13 Over de verhouding tussen Rops en De Coster, zie Joseph Hanse, ‘Nouveaux regards sur Charles De Coster et ses rapports avec Félicien Rops’, Bulletin de l'Académie Royale de Langue et de Littérature Françaises, jg. 54, nr. 3-4 (1977), 368-382; Michel Draguet, Rops-De Coster. Une jeunesse à l'Université Libre de Bruxelles. Cahiers du Gram, 3. Brussel, [1996]. 14 John Bartier, ‘Charles De Coster et le Jeune Libéralisme’, Revue de l'Université de Bruxelles, nouvelle série, jg. 21, nr. 1 (januari 1968), 8-34. Het citaat was afkomstig van Charles De Coster zelf. 15 Vic Nachtergaele, ‘Het Frans in Vlaanderen: een geschiedenis’, Kultuurleven, jg. 65, nr. 4 (juli 1998), 16-23. 16 Voor een ontstaansgeschiedenis en een analyse van dit tijdschrift, zie Nathalie Eeckman, Uylenspiegel. Journal des ébats artistiques et littéraires (1856-1860). Rôle et conceptions littéraires. Leuven, onuitg. licentiaatsverhandeling, 1985. Het literaire belang van het tijdschrift

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


17 18 19

20

21 22 23 24 25 26

27 28 29 30

31

wordt ook onderstreept door Gustave Vanwelkenhuysen, De l'Uylenspiegel à la Jeune Belgique. Lecture faite à la séance du 12 janvier 1952. Brussel, Académie Royale de Langue et de Littérature françaises de Belgique, 1952. Édouard Brun, ‘Tiel Uylenspiegel’, Uylenspiegel, jg. 1, nr. 1 (3 februari 1856), 2-4. Geeraedts, o.c., 77. Zie daarover: Lori Van Biervliet, ‘Ulenspiegel dringt door in de burgerlijke literatuur. Brugge 1835’, Biekorf. Westvlaams archief voor Geschiedenis, Oudheidkunde en Folklore, jg. 79 (1979), 24-33; Idem, ‘Een Vlaamse Ulenspiegel van de Brugse archivaris Delepierre, 1840’, Ibidem, 111-121; en Idem, ‘Ulenspiegel van Knesselare wordt volkslektuur’, Ibid., 155-165. Voor een beknopte omschrijving van de satire als literair procédé verwijs ik naar H. Van Gorp e.a., Lexicon van Literaire termen. Stromingen en genres, theoretische begrippen, rhetorische procédés en stijlfiguren, Leuven, 5de dr., 1991. In Guy Segers, Luc Heyneman en Walter De Decker, Uilenspiegel, wie ben jij? Zeven eeuwen Uil en Spiegel (Damme, 1978), 17, en later opnieuw in Guy Segers en Patricia Visser, Tijl Uilenspiegel. Een verhaal van vijf eeuwen (Antwerpen-Brugge-Damme, 1995), werd het volksboek wel tot het satirisch genre gerekend, hoewel er meteen reltiverend werd bijgevoegd dat men geen te diepe zin moest trachten te geven aan het boek. Johan Verberckmoes van zijn kant benadrukt in zijn analyse van Uilenspiegels humor dat Uilenspiegel met zijn weinig zachtzinnige humor vooral op zijn eigen voordeel (en dus niet op maatschappelijke verbetering) uit was. Cfr. Johan Verberckmoes, Schertsen, schimpen en schateren. Geschiedenis van het lachen in de Zuidelijke Nederlanden, zestiende en zeventiende eeuw (Nijmegen, 1998), 112-117. Zoe Dieter Arendt, Eulenspiegel - ein Narrenspiel der Gesellschaft (Stuttgart, 1978), 86. D. Th. Enklaar, Uit Uilenspiegel's Kring. Van Gorcum's Historische Bibliotheek, 22 (Assen, 1940), 9-46. Joseph Hanse, ‘D'Eulenspiegel à Ulenspiegel par Uylenspiegel’, Le Thyrse, jg. 70, nr. 3 (1968), 1-2. ‘Au lecteur’, Uylenspiegel, jaargang 1, nummer 1 (2 februari 1856), 1-2. Zie Walter De Decker, ‘Hoe Tijl in Damme terecht kwam en Vlaming werd!’, Ulieden Spiegel, jg. 1, nulnummer (december 1991), 25-30. Recent is dit veelvormige proces van zelflegitimatie van de jonge Belgische staat uitvoerig beschreven in een hele reeks publicaties. Voor de uitbouw van een nationale historiografie moet vooral worden verwezen naar: Jo Tollebeek, Enthousiasme en evidentie. De negentiende-eeuwse Belgisch-nationale geschiedschrijving, De ijkmeesters. Opstellen over de geschiedschrijving in België en Nederland (Amsterdam, 1994), 57-74, en Idem, ‘Historical Representation and the Nation-State in Romantic Belgium’, Journal of the History of Ideas, jg. 57 (1998), 329-353; voor de visuele vormgeving van het nationale verleden, zie o.m. Tom Verschaffel, Beeld en geschiedenis, Het Belgische en Vlaamse verleden in de romantische boekillustraties. Turnhout, 1987; Idem, ‘Het verleden tot weinig herleid. De historische optocht als vorm van de romantische verbeelding’, in: Jo Tollebeek, Frank Ankersmit en Wessel Krul (ed.), Romantiek en historische cultuur (Groningen, 1996), 297-319; Idem, ‘Leren sterven voor het vaderland. Historische drama's in het negentiende-eeuwse België’, Bijdragen en Mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, jg. 113, nr. 2 (1998), 146-176; Lut Pil, ‘Quasimodo of Apollo. De romantische historische verbeelding en de beperkingen van het ‘heroïsche’ monument in het jonge België’, in: Tollebeek, Ankersmit en Krul, o.c., 255-272; Judith Ogonovszky, ‘De monumentale schilderkunst, ‘aanschouwelijk onderzoek in vaderlandse geschiedenis’’, in: Anne Morelli (ed.), De grote mythen uit de geschiedenis van België, Vlaanderen en Wallonië (Berchem, 1996), 147-158. Al deze gegevens over Delepierres Uilenspiegel-edities zijn ontleend aan: Van Biervliet, o.c., passim. Charles De Coster, ‘Comment Uylenspiegel fut peintre’, Uylenspiegel, 11 februari 1859. Ingeleid door een redationele nota van de toenmalige hoofdredacteur Karl Stur. Lode Monteyne, Charles De Coster. De mensch en de kunstenaar (Antwerpen, 1917), 53-54. Over de oprichting van die commissie in 1846, zie Jo Tollebeek, ‘De machinerie van de geschiedenis. De uitbouw van een historische infrastructuur in Nederland en Belgié’, in: De ijkmeesters, 29. Zie Lode Wils, ‘Guido Gezelle in 't geweer voor 's lands onafhankelijkheid’, Kultuurleven (1960), 366-368; opnieuw uitgegeven in Wetenschappelijke Tijdingen, jg. 51 (1992), 184-186. Over de verhoogde Franse dreiging, die nog aanhield gedurende de eerste helft van de jaren 1860, zie ook Bartier, o.c., 19.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


32 ‘Politique d'Uylenspiegel’, Uylenspiegel, jg. 5, nr. 1 (februari 1860), 1. 33 Hanse, Charles De Coster, 5. 34 Een aantal van deze artikelen werd gebundeld door Camille Huysmans in zijn Charles De Coster journaliste. Brussel, 1959. 35 Zo verdedigde hij in de lente- en zomermaanden van 1861 zowel de stakende Gentse arbeiders als de opstandige mijnwerkers in de Borinage. Zie daarover: Aloïs Gerlo, ‘Charles De Coster en het sociaal vraagstuk’, Tijdschrift van de Vrije Universiteit van Brussel, jg. 1 (1959), 20-30. 36 Voor deze biografische gegevens en voor een politieke analyse van zijn pamfletten, zie: Achille Erba, L'esprit laïque en Belgique sous la gouvernement libéral doctrinaire (1857-1870) d'après les brochures politiques. Bibliothèque de la Revue d'Histoire Ecclésiastique, 43 (Leuven, 1967), 120-284. 37 Joseph Boniface, La Belgique indēpendante, deuxième partie: Tiel Uylenspiegel, patriote. Brussel, 1860. 38 Sinds de Belgische revolutie werd het Belgische geschiedbeeld gedomineerd door de overtuiging dat de Zuidelijke Nederlanden eeuwenlang hadden gezucht onder vreemde overheersingen, een overtuiging die ook vandaag nog meer dan eens geopperd wordt (vaak in een ‘vervlaamste’ versie), maar die door Jean Stengers meedogenloos als een mythe ontmaskerd is. Zie Jean Stengers, ‘Le mythe des dominations étrangères dans l'historiographie belge’, Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, jg. 59 (1981), 382-401. 39 Met name de zo belangrijke slotzinnen van de Légende vertonen een grote gelijkenis met volgende uitspraken van Uilenspiegel in het pamflet van Defré: ‘la Belgique peut bien disparaitre, comme le soleil disparait sous les nuages, mais sa flamme ardente et féconde ne sait pas mourir’. (p.8) 40 Over de invloed van Proudhon op De Coster, zie John Bartier, ‘Proudhon et la Belgique’ in: Centre National d' Étude des Problèmes de Sociologie et d' Économie Européennes (ed.), L'actualité de Proudhon, Colloque des 24 et 25 novembre 1965 (Brussel, 1967), 169-223. Met name p. 189-190. 41 Bartier, o.c., 22-23 42 Zie Émile Van Heurck, ‘Thyl Ulenspiegel et Lamme Goedzak dans la littérature et l'imagerie populaires’, Le Folklore Brabançon, jg. 7, nr. 37-39 (aug.-okt. 1927), 15-37. 43 Een korte cataloog van folkloristische elementen in de Légende is te vinden in ‘Le Folklore dans l' oeuvre de De Coster’, Le Folklore Brabançon, jg. 7, nr. 37-38 (aug.-okt. 1927), 59-71. 44 Joseph Hanse nam La Légende door middel van een overtuigende stilistische analyse in bescherming tegen de critici die beweerden dat ze in een ‘charabia’ geschreven was dat weinig met het Frans gemeen had. Cfr. Joseph Hanse, ‘Le centenaire de ‘La Légende d'Ulenspiegel’’. 45 Klinkenberg, ‘Autour d'un centenaire. L'Ulenspiegel de Charles De Coster fut-il témoin d'une époque?’, Bulletin de l'Académie Royale de Langue et de Littérature Françaises, jg. 46, nr. 1 (1968), 16-39. De meeste van zijn argumenten worden hernomen in: Idem, Charles De Coster. Un livre: La Légende d'Ulenspiegel. Une Oeuvre. Itínéraires, 2 (Brussel, 1985), 14-20; min of meer dezelfde elementen kunnen ook teruggevonden worden in het overzichtelijke ‘Nawoord’ van Vic Nachtergaele, bij Willy Spillebeens vertaling van de Légende, die in 1989 bij Lannoo in Tielt werd uitgegeven (p. 471-474). 46 Chris Van de Poel opteert er in haar recente vertaling van de Légende voor om ‘esprit’, althans in de profetie van Katelyne, te vertalen door ‘verstand’, wat mijns inziens een te sterk intellectuele connotatie in zich draagt. 47 Zie Reginald De Schryver, ‘Het vroege gebruik van ‘Vlaanderen’ in zijn moderne betekenis’ Handelingen van de Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- an Letterkunde en Geschiedenis, jg. 40 (1987), 45-54. 48 Geciteerd door Gheyselinck, o.c., 221. 49 In hoofdstuk 39 van het eerste boek wordt verteld hoe Filips II ‘zijn toekomende erflanden Vlaenderen, Brabant Henegouwen, Hollandt en Zeelandt’ kwam bezoeken. 50 Jean Francis, ‘De Coster au pays des khons’, Le Thyrse, jg. 70, nr. 3 (1968), 38-42. 51 Albert Henry, Esquisse d'une Histoire des mots wallon et Wallonie (Mont-sur-Marchienne, 3de dr., 1990), 12-14. 52 Ibidem, 49-51. 53 Dat kladschrift werd gedeeltelijk uitgegeven door Camille Huysmans in Le roman d'Ulenspiegel et le roman de Charles De Coster (Brussel, 1960), zie vooral p. 30-31. Cfr. ook Klinkenberg, ‘Autour d'un centenaire’, 9, n. 1.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


54 Een dergelijke uitspraak moet uiteraard worden genuanceerd door te wijzen op de dualiteit van de persoon De Coster (maar niet alleen van hem), die een vooruitstrevend liberalisme verenigde met een romantische gevoeligheid. Dat zijn voorliefde voor de folklore zich alleen uitstrekte tot de Nederlandstalige gebieden van de Nederlanden heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat hij daarin, meer dan in de Waalse folklore, ‘on-Franse’ en dus ‘oud-Belgische’ elementen terugvond. 55 O.m. in P.C. Hooft, Nederlandsche Historiën. Overigens verscheen in hetzelfde jaar als de Légende in Brussel een studie van E.H.F. du Chastel de la Howardries over Les malcontents et les provinces wallonnes, prdcédé et suivi de notices historiques contenant des documens inédits et allant jusqu'à la mort de Guillaume Prince d' Orange. 56 Camille Huysmans, Charles De Coster journaliste, 8. 57 Zie daarover Willy Koninckx, Het smartelijk leven van Charles De Coster (Antwerpen, 1927), 16. 58 Zie Theo Luykx, Politieke Geschiedenis van België, deel 1: Van 1789 tot 1944 (Amsterdam-Brussel, 4de ed., 1977), 130. 59 Overigens moest de afkoop van de Scheldetol in drie schijven gebeuren, waarvan de laatste in 1866. Het Belgisch-Nederlandse conflict was dus niet als bij toverslag verdwenen in 1863.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


36

Het Leuvense activistische weekblad Uilenspiegel verwachtte dat de Duitse bezetting van BelgiĂŤ een nieuwe dageraad voor Vlaanderen zou inluiden.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


37

2 1868-1821 Hoe Tijl Uilenspiegel, na de dood van de romanticus, alleen verder reisde door het grillige politieke landschap van België, waar zijn zonderlinge gave tot bilokatie manifest werd. Hoe hij er onder meer vroom katholiek werd en Vlaming om minder Belg te zijn, maar hoe hij tegelijk zijn Belgische vaderland verdedigde tegen de Duitsers. De jaren 1860 mogen dan al jaren geweest zijn van hevig Belgisch patriottisme, het waren ook de jaren waarin het denken over de verschillen tussen Vlamingen en Walen een belangrijke nieuwe impuls kreeg. Met name de jonge wetenschap die zichzelf ‘etnologie’ of ‘fysische antropologie’ noemde, zocht een antwoord op de oude vraag naar de oorsprong en het belang van de taalgrens in de fysische verschillen tussen de overwegend Germaanse Vlamingen en de overwegend Keltische Walen. Deze etnologen waren geen separatistische, flamingantische heethoofden, maar vurige Belgische patriotten met een grote wetenschappelijke geloofwaardigheid. Het linguïstische - en eventueel dus raciale - verschil was en bleef nog geruime tijd een van de belangrijkste grondslagen van het Belgische nationalisme: precies daarin verschilde België van al zijn buren. De pionier van deze jonge Belgische etnologie, Léon Vanderkindere, kwam net als De Coster uit een milieu van Brusselse progressief-liberalen, al behoorde hij tot een jongere generatie. Met De Coster deelde Vanderkindere, die in 1872 De Costers leermeester Altmeyer opvelgele als hoogleraar Middeleeuwse Geschiedenis aan de Brusselse universiteit, zowel

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


38 een democratisch-liberaal politiek programma als een romantisch bevlogen voorliefde voor de ‘Germaanse’ Vlamingen. Zijn eerste wetenschappelijke publicatie op etnologisch gebied, zijn dissertatie De let race at de l'influence dans las diversae manifestations de l'activité des peuples, verscheen pas in 1868 - het jaar na de verschijning van de Légende d'Ulenspiegel -, en pas in de jaren 1870 zou Vanderkindere deze inzichten gebruiken om de ‘communautaire’ verschillen in België te verklaren.60 Zijn ideeën kunnen dus geen rol hebben gespeeld tijdens de genese van de Légende, maar zij beïnvloedden wél diepgaand de lange receptiegeschiedenis van dat werk. Toen De Coster in 1879 stierf zonder de roem te hebben gekend waarop hij gehoopt had, sprak de Waalse schrijver Charles Potvin tijdens de begrafenis een rouwrede uit die was opgesteld door Camille Lemonnier, de Fransschrijvende Vlaming die vanaf 1880 de mentor werd van het baanbrekende tijdschrift La Jeune Belgique. De Légende d'Ulenspiegel werd in die rede ‘le poème d'une race’ genoemd. Daarmee bedoelde de Belgische patriot Lemonnier niet het Belgische, maar wel het Vlaamse ras, een ras met rede, een eigen ziel en zelfs een eigen vaderland, waarvan ‘alle krachten en alle tederheden samengevat werden’ in De Costers werk.61 Vijftien jaar later was de literaire waarde van de Légende, dankzij de generatie van La Jeune Belgique, wél erkend en kreeg de schepper ervan een monument in zijn woon- en sterfplaats Elsene. Ditmaal hield Lemonnier zelf de toespraak. Hij noemde de Légende nu ronduit ‘la Bible flamande’ en gaf daarbij onmiskenbaar aan dat hij ‘Vlaams’ in zijn moderne betekenis begreep. ‘Land van Brabant en land van Vlaanderen, zijn jullie geen tweelingpercelen van eenzelfde vaderland en van eenzelfde ras?’, zo vroeg hij zich af - en daarom was voor hem de Légende pas compleet bij de oprichting van het monument: de held ervan was geboren in het oude graafschap Vlaanderen, maar de auteur én de held werden nu vereeuwigd in het oude Brabant.62 Zo was de Légende niet meer het epos van het oude graafschap, maar wel dat van het moderne Vlaanderen. Ter gelegenheid van diezelfde inhuldiging schreef de Fransschrijvende Leuvense dichter Émile Van Arenbergh een gedicht ter ere van De Coster, waarin de ‘vervlaamsing’ van de Légende nog

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


39 sprekender tot uiting kwam: Ô toi qui fis rugir, en ta voix mâle et fière, Le vieux lion flamand63

Al waren deze uitspraken nog steeds uitingen van Belgisch patriottisme, toch was er iets fundamenteels veranderd: Vlaanderen was niet langer het weinig betekenisvaste en overwegend symbolische superlatief van België dat het voor De Coster was geweest, maar wel een vast omlijnd territorium waarvan de bevolking heel eigen kenmerken had - al behoorde de taal voor deze Franstalige Vlamingen niet tot de kern van het Vlaams-zijn. In 1892 kon Francis Nautet de Légende dan ook niet langer zonder meer een (Belgische) ‘Bible nationale’ en een perfecte evocatie van het voorouderlijke België noemen, maar moest hij dit verduidelijken: ‘Het werk is Vlaams zo men wil, maar de held is eigen aan de twee rassen’.64 Toch werd de Uilenspiegel-figuur pas tijdens het eerste decennium van de 20ste eeuw door de Vlaamse Beweging zelf ontdekt.65 Op dat ogenblik was voor die Vlaamse Beweging België nog steeds het enig denkbare vaderland. Maar in tegenstelling tot de Franstalige flandrofielen hadden de Nederlandstalige flaminganten steeds geijverd voor de gelijkberechtiging van de Vlaamse volkstaal. Ook verschilden zij van de Franstalige Vlaanderen-minnaars doordat zij hun Vlaamse eisen zeer zelden met een politiek en sociaal vooruitstrevend programma verbonden.66 Integendeel, tot aan de vooravond van de 20ste eeuw was de Vlaamse Beweging een hoofdzakelijk kleinburgerlijke beweging die de verdediging van de volkstaal beschouwde als een element uit een bredere strijd tegen de moderne, seculariserende tendenzen die vooral uit Frankrijk kwamen.67 Rond de eeuwwisseling kwam daar verandering in: mensen als Julius MacLeod en Lodewijk De Raet wisten eindelijk een koppeling door te drukken van de Vlaamse strijd aan een intellectuele en sociale emancipatiestrijd. Het kon niet volstaan dat Nederlands en Frans gelijkberechtigd werden - daarvoor was de wettelijke basis gelegd in 1898 -, de gelijkberechtiging van het Nederlands moest ook dienen als uitgangspunt voor een grotere sociale mo-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


40 biliteit van de volksklasse in Vlaanderen. Concreet groeide uit deze gedachtegang het streven naar de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Maar de eerste jaren van de 20ste eeuw waren geen gunstige jaren voor politieke verwezenlijkingen op Vlaams vlak: de invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging (1900) bracht immers ‘de vervanging van min of meer Vlaamsgezinde katholieken door onverschillige tot vijandige antiklerikalen’ teweeg in het parlement, waardoor de politieke basis te klein bleek voor verdere toegevingen aan Vlaamse eisen.68 De frustratie die hier het gevolg van was, gecombineerd met de zojuist besproken inhoudelijke vernieuwing, zorgden voor een radicalisering van de Vlaamsgezinde opvattingen en retoriek in de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog. Binnen die context - dus ruim vóór Van de Voordes klacht uit 1930 - kon Tijl Uilenspiegel een pion worden op het imaginaire schaakbord van het Vlaamse politieke discours. In oktober 1900 koos de Antwerpse vrijzinnige flamingant Raf Verhulst voor zijn nieuw algemeen cultureel weekblad de titel Tijl Uilenspiegel. Die naamkeuze werd evenwel niet geïnspireerd door het flamingantische, maar wel door het algemeen-satirische potentieel van de Uilenspiegel-figuur. Het blad, dat al in maart 1902 ter ziele ging, moest de Vlaamse tegenhanger worden van bekende satirische tijdschriften zoals Punch in Engeland of Ulk & Kladdaradatsch in Duitsland. Hoewel hier duidelijk sprake was van een gepolitiseerde versie van de oude Uilenspiegel-figuur - zo trad Uilenspiegel er op in anti-Britse karikaturen naar aanleiding van de Boerenoorlog in Zuid-Afrika (1898-1902) -, bevat de anderhalve jaargang van het blad geen enkele verwijzing naar het boek van Charles De Coster. Voor het ‘Heldenspel in vijf bedrijven’, dat Verhulsts stadsgenoot en politieke geestverwant Antoon Moortgat twee jaar later, in 1903, onder de titel Uilespiegel ten tonele bracht, had de Légende d'Ulenspiegel wél de voornaamste inspiratiebron gevormd. Niet alleen de setting ten tijde van de Nederlandse Opstand, maar ook het optreden van figuren als Soetkin (in het Heldenspel niet Tijls moeder, maar wel zijn geliefde) en Lamme Goedzak maken dat duidelijk, al wordt De Coster nergens expliciet vernoemd. Maar vooral had Moortgat het flamingantische potentieel dat in De

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


41 Costers epos aanwezig was, sterk uitgebuit. Waar De Coster Uilenspiegel had voorgesteld als de ‘geest van Vlaanderen’, werd hij onder Moortgats pen de ‘bruidegom van Neerland's droeve maged’. Bij het einde van het stuk, wanneer Alva's troepen voor de deur staan, slaapt deze Vlaamse maagd (verpersoonlijkt door Soetkin) en Uilenspiegel zweert haar niet te zullen wekken ‘voordat de laatste bloedhond weer zal vertrekken’. Deze belofte van verrijzenis, die De Coster al in de slotzinnen van zijn boek had gesuggereerd, werd door Moortgat waargemaakt: in een toegevoegde, korte ‘apotheosis’ toonde hij het Antwerpse Landjuweel van 1892, waar Peter Benoits Rubensmars weergalmde en waar het volk vreugdevol scandeerde: Herboren! Herboren Is Vlaandrens blijde Geest! 't Is Feest! De zilvren klokken zingen in den kanten toren! Nu mag de vrijheidszonne gloren Want Uilespiegel komt, ons aller uitverkoren!69

Hoewel het stuk van de atheneurmleraar Moortgat wel enige aansporingen bevatte om de religieuze twisten terzijde te schuiven voor het welzijn van Vlaanderen (‘Roomsch of kalvinist, uw bloed behoort uw land!’) was de antiklerikale toon ervan onmiskenbaar. De ophemeling van de Nederlandse Opstand tegen het katholieke Spanje was in die jaren bijna per definitie een antiklerikaal statement. Wilde men binnen het verzuilde klimaat van het eerste decennium van de 20ste eeuw de populaire volksfiguur ook voor katholieken aanvaardbaar maken, dan moest men hem wel naar een andere periode muteren. Dat was wat de Antwerpse gemeenteambtenaar en journalist Jan Bruylants een jaar na het verschijnen van Moortgats Uilespiegel deed - zij het dan onder het pseudoniem Auctor. In zijn avonturenverhaal Tyl Uilenspiegel in Vlaanderen liet hij zijn held geboren worden in de 18de eeuw en uitgroeien tot één van de bezielers van het katholieke, conservatieve verzet van de Brigands tegen de ‘heiligschennencle’ Franse revolutionairen.70 En toch was ook dit boek in hoge mate schatplichtig aan Charles

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


42 De Coster, al was het maar omwille van het Groot-Nederlandse motief dat opmerkelijk genoeg in Bruylants' roman, sterker nog dan in die van De Coster, vervat ligt (‘Wij moeten ons vereenigen met Holland om één Groot-Nederland te worden!’71) De goede heks heette bij Bruylants dan wel Nelle en niet Katelyne, maar haar profetie bij de geboorte van Uilenspiegel leek sterk op die van de Légende: ‘De Vlaamsche geest, zoolang verloren, werd in uw zoon herboren!’ Het romantische verrijzenismotief, dat in de verhalen van De Coster en Moortgat slechts helemaal aan het einde zijn intrede doet, was in de tekst van Bruylants al vanaf het begin aanwezig. Volgens het romantisch-flamingantische schema was Vlaanderen dan ook gedurende de 17de en 18de eeuw ingedommeld en was de Boerenkrijg één van de eerste aanzetten geweest tot het langzame en moeizame ontwaken in de 19de eeuw. Daarom werd deze episode frequent bezongen in de vroege flamingantische literatuur, onder meer in de Boerenkrijgromans van Hendrik Conscience en van August Snieders (beide uit 1853). Ten tijde van de Napoleontische dreiging, tussen 1851 en 1870, was dit Boerrenkrijgmotief ook populair bij vele Fransschrijvende, Belgisch-patriottische auteurs, onder meer bij de progressieve liberale Brusselse advocaat en hoogleraar Auguste Orts, die in 1863 een monografie over de Boerenkrijg publiceerde.72 Omstreeks 1870 dacht zelfs Charles De Coster eraan een tweede Uilenspiegelroman te schrijven, die zich zou afspelen ten tijde van de opstand tegen de Sansculotten. 73 Dat daarvan niets in huis is gekomen, had waarschijnlijk veel te maken met de veranderende politieke toestand: door de abdicatie van Napoleon III na het fiasco in de Frans-Pruisische oorlog werd een anti-Franse houding veel minder noodzakelijk voor Belgische patriotten. De flaminganten die in Frankrijk de verachte secularisering en modernisering verpersoonlijkt zagen, hielden wél vast aan hun anti-Franse houding en de Boerenkrijg bleef nog een eeuw lang een belangrijk icoon in de Vlaamsgezinde retoriek. De Boerenkrijg bracht echter nog geen definitieve bevrijding en Jan Bruylants zag zich dan ook genoodzaakt het verrijzenismotief aan het eind van zijn roman te hernemen. Nadat Uilenspiegel, samen met een aantal andere dappere maar anonieme Brigands is gefusilleerd, verrast hij zijn treurende geliefde Nele met de woor-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


43 den: ‘Tijl Uilenspiegel kan niemand dooden!... Hij leeft zoolang het Vlaamsche volk leeft, om slechts dan te verdwijnen, als het Vlaamsche volk geen Vlaamsch volk meer is... Maar lijdt het, is het in nood, dan wordt Tijl opnieuw geboren, in de eene of andere streek van Vlaanderen, en 't volk vindt in hem een steun, omdat hij de geest van 't volk is, de geest van Vlaanderen... En wil de overmacht hem gevangen houden, dan komt de maagd hem verlossen. Doen zijne vijanden hem den eeuwigen sluimer slapen, dan komt de maagd van Vlaanderen hem wekken!...Wij zijn eeuwig, Nele!...’ En het boek eindigde met een niet mis te verstane waarschuwing aan het adres van de tegenstanders van de Vlaamse beweging: ‘Mocht een godvergeten hand Vlaanderen opnieuw in kluisters willen klinken, dan keert Tijl Uilenspiegel weder.’74 In tegenstelling tot het boek van De Coster en tot de Nederlandse vertaling ervan door Richard Delbecq (1896), kende Bruylants' katholieke Uilenspiegel-versie wél een groot populair succes, wat verschillende herdrukken nodig maakte. Dit had uiteraard veel te maken met het feit dat Bruylants' boek veel minder hermetisch was geschreven, maar waarschijnlijk nog veel meer met het katholieke karakter ervan, waardoor Bruylants' Uilenspiegel niet zoals die van De Coster op de index terechtkwam. Het was niet de eerste keer dat de populaire Uilenspiegel-figuur door de katholieke Kerk werd gerecupereerd. Die begreep dat, waar verbieden onmogelijk bleek, aanpassen en ‘kuisen’ de boodschap was. In 1637 was in Antwerpen de eerste gecensureerde editie van het volksboek op de markt gekomen, niet toevallig ook de eerste editie waar Uilenspiegel stierf in de katholieke, Vlaamse vestingsstad Damme.75 Eeuwenlang zouden de originele en de gecensureerde versie naast elkaar bestaan. Het is waarschijnlijk voortbouwend op deze traditie dat in 1878 in Leuven een weekblad werd opgericht onder de titel Uilenspiegel. Recht voor de vuist. De redacteurs, die anoniem wensten te blijven, lieten vanaf het begin duidelijk verstaan wat hun doel was: zij wilden meewerken aan ‘de vernietiging van franskiljonismus en vergeuzing’, twee kwalen die zij nauw met elkaar verbonden achtten.76 Een dergelijke combinatie van titel en opzet laat iets vermoeden van de geringe impact die Charles De Costers legende van de ‘opper-Geus’ Uilenspiegel toen in het katholieke Vlaanderen genoot.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


44 Deze strijdbare contrareformatorische Uilenspiegel lijkt nochtans vóór het verschijnen van Auctors boek een zeldzaamheid te zijn geweest. Nadat het weekblad Uilenspiegel in 1882 had opgehouden te bestaan vonden we er geen spoor van terug. De Uilenspiegel zoals hij opdook in de gecensureerde volksboeken, kende geenszins datzelfde strijdende karakter. De censoren vergenoegden zich ermee ‘de anticlericalia van de faecalia zoals kaf van koren’ te scheiden en lieten dus de scatologische Uilenspiegel voor de rest ongemoeid. Daarin verschilden zij fundamenteel van Bruylants' Uilenspiegel-versie: hij smeedde zijn held om tot een actieve, moreel onaantastbare strijder voor het katholieke geloof. Dat hij deze beweging uitvoerde met Charles De Costers hevig antiklerikale roman als tussenstap, is minder paradoxaal dan het lijkt. Ten eerste was het De Coster geweest die Uilenspiegel had gepolitiseerd en geheroïseerd. Hij had daarmee de narratieve structuur geschapen waarop andere Uilenspiegel-vereringen zich konden enten. Om van de schalk uit het volksboek een held te maken, moest men op een heel ander register overschakelen, wat De Coster had gedaan. Om van De Costers antiklerikale held een katholieke held te maken, volstond het om het bestaande schema op een andere, zo nodig tegengestelde, manier in te vullen. Maar er was ook een tweede reden. De Coster en Bruylants hadden, ondanks hun immense ideologische verschillen, een belangrijk punt gemeen. Zoals ik in het eerste hoofdstuk benadrukte, had de vooruitstrevende liberaal De Coster van Uilenspiegel niet alleen een strijder tegen het klerikale dogmatisme gemaakt, maar ook een verdediger van de Vlaamse voorouderlijke vrijheden. Onder ‘Vlaams’ werd verstaan: datgene wat het meest eigen was aan België, omdat het de verschillen met het imperialistische Frankrijk benadrukte. Door dit beroep op de voorouders vanuit een zeer contextgebonden vrees voor Frankrijk, benaderde hij dicht de stellingname van de lagere katholieke clerus in Vlaanderen, die zich Vlaamsgezind en anti-Frans opstelde uit vrees voor de secularisering.77 Terwijl de oude volksheld voor de kerk slechts een subversieve anarchist was geweest, kon de strijder voor de Nederlanden die De Coster van Uilenspiegel had gemaakt, relatief gemakkelijk in een katholiekflamingantisch discours worden ingeschakeld, vanuit een gezamenlijke anti-Franse bekommernis. Dat het Bruylants inderdaad min-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


45 stens zoveel te doen was geweest om een verdediging van traditionele, pre-moderne waarden als om het behoud van de Vlaamse taal, bleek uit de verantwoording die hij aan zijn boek toevoegde. Met het schrijven van zijn boek had hij vooral de jongeren willen wakker schudden ‘die de Vlaamschgezinde gevoelens als nutteloos en noodeloos beschouwen, omdat vele Vlamingen in den invloed van de Fransche Revolutie geen gevaar meer zien’.78 Niet de Franstalige Belgen vormden voor Bruylants een gevaar, wel de Fransen uit het Frankrijk van de Revolutie. Tijdens de eerste decennia van de zoste eeuw profiteerde Tijl Uilenspiegel dus mee van de impuls die de Vlaamse Beweging kreeg tijdens die periode, maar hij slaagde er vooralsnog niet in het verzuilde karakter van die beweging te overstijgen. Veeleer werd hij uiteengereten door de opbodpolitiek tussen de katholieken en de vrijzinnigen, die beiden het monopolie over de Vlaamsgezindheid voor zich opeisten. Het gezamenlijke optreden van de ‘drie kraaiende hanen’ - de socialist Huysmans, de katholiek Van Cauwelaert en de liberaal Franck - ten gunste van een vernederlandste universiteit, deed vooralsnog weinig af aan dit fundamenteel verzuilde klimaat. De Eerste Wereldoorlog bracht hierin, zoals in zoveel, een bruuske verandering. Een verandering die van cruciaal belang was voor de verdere evolutie van Tijl Uilenspiegel. Terwijl voordien de Vlaamse eisen vrijwel steeds geformuleerd werden binnen de bestaande politieke fracties, die slechts occasioneel tot een Vlaamse frontvorming kwamen, werden tijdens die oorlog de kiemen gelegd voor een reële partijvorming op basis van de Vlaamse desiderata. Hiermee was de cruciale stap van cultureel flamingantisme naar Vlaams-nationalisme gezet, althans door een klein gedeelte van de Vlaamse Beweging. Dat betekende niet zomaar een versnelling van een bestaande evolutie, maar wel een fundamentele gedaanteverandering. De Vlaamse eisen werden door deze groep resoluut bovenaan het politieke programma geplaatst (dus boven de levensbeschouwelijke geschillen), met de eis van politiek zelfbestuur als logisch gevolg. Hoewel dit nog slechts zeer zelden een pleidooi voor een onafhankelijk Vlaanderen inhield, maakte deze eis voor het eerst een conflict tussen Vlaanderen en België mogelijk. De

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


46 geschiedenis van het interbellum en de Tweede Wereldoorlog, maar ook de naoorlogse geschiedenis van België, bewijzen dat. Katalysator van deze evolutie was een door de Duitse bezetter haastig geïmproviseerde strategie, die de geschiedenis zou ingaan als de Flamenpolitik. Toen deze het in Vlaanderen aanwezige ressentiment over het slabakken van de politieke emancipatie van Vlaanderen aanvoelde, besloot hij daarop in te spelen door een aantal verlangens van deze radicale Vlaamsgezinden in te willigen. Slechts een kleine groep, overwegend jonge en radicale Vlaamsgezinden, aanvaardde deze uitgestoken hand in de hoop op die manier het Vlaams emancipatieproces te versnellen - al waren de meningen over het toekomstige Vlaanderen binnen deze groep wel erg verscheiden. Om het contrast te benadrukken met de traditionele Vlaamse Beweging, die de vaderlandse godsvrede wilde behouden zolang de oorlog duurde, noemden deze radicalen zich ‘activisten’. Dat de eis voor een eigen, Nederlandstalige universiteit bovenaan het verlanglijstje van de Vlaamsgezinden - en niet alleen van de meest radicalen - stond, hadden de Duitse bezetters maar al te goed begrepen. In 1916 vormden zij de bestaande, Franstalige Rijksuniversiteit van Gent dan ook om tot een Nederlandstalige universiteit en noemden ze naar de Duitse gouverneur-generaal Von Bissing. De kleine groep professoren en studenten aan deze nieuwe universiteit vormde één van de voornaamste broedplaatsen van het activisme. Het was in dit milieu dat Tijl Uilenspiegel pas goed uit zijn politieke marginaliteit werd gehaald en resoluut in het pantheon van Vlaamse helden werd gebeiteld. Op aandringen van hun eerste praeses Arthur Mulier, die dweepte met ‘de in zijn Uylenspieghel-geest zo karakteristieke Vlaamse volksaard’, gaven de studenten van de Von Bissing-Universiteit aan hun ‘gezelligheidsvereniging’ de naam Ulenspiegel.79 De nationalistische dichter Wies Moens, één van de smaakmakers van het Gentse activisme, benadrukte in zijn memoires dat men die naam niet had gekozen ‘wegens z'n hoedanigheid als meester in de grappen en grollen, gelijk de Blauwboeken80 ons zijn figuur hebben overgeleverd’. Wél moest hij dienen ‘als zinnebeeld van den Vlaamschen levensdrang, als vertegenwoordiger van ‘Vlaanderens geest’, overeenkomstig de uitbeelding die Charles de Coster ons van hèm had nagelaten’. Via

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


47 de Duitse vertalingen die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen werden verspreid (en die níet op de index stonden), ‘deed het “epos” van De Coster’, aldus nog Moens, ‘eerst thàns zijn invloed gelden op de Vlaamsche Beweging’. Meer zelfs, in de Gentse studentenkringen begreep men volgens Moens meteen dat het romantisme van De Costers Uilenspiegel-figuur als nationaal symbool een veel grotere potentie had dan de bestofte romantische helden van Conscience: ‘Zooveel motieven, feiten en toestanden met betrekking tot dien strijd lieten zich makkelijk “actualizeeren”, al was het ook méér in een symbolischen, of zelfs louter illustratieven, dan in een strict-werkelijkheidsgetrouwen zin’.81 Om die redenen opende Wies Moens in Aula, het blad van het Gentsch Studentencorps, een politiek-satirische ‘Uylenspieghelrubriek’. Moens' adept Arthur De Bruyne zou vele jaren later getuigen dat deze voorliefde voor Uilenspiegel beperkt bleef tot de kleine kring, vaak Groot-Nederlands voelende intellectuelen uit het Gentse universitaire activisme.82 Toch zijn er aanwijzingen dat Uilenspiegels invloed verder reikte en dat hij ook in ‘eng-Vlaamse’ activistenkringen aan betekenis won. In het Antwerpse geïllustreerde weekblad Vlaamsch Leven, dat onder redactie stond van de wat oudere activist Willem Gijssels, verschenen eind 1917, bij de vijftigste verjaardag van de Légende, enige artikelen over De Coster en zijn werk. Daarin werd zonder schroom, ja zelfs met zichtbaar genoegen, erkend dat het door de Duitse vertalingen was dat Uilenspiegel nu plots op het Vlaamse toneel kon verschijnen. Of, met de woorden van de Brusselse toneelschrijver en novellist Hendrik Coopman, dat het ‘vreemde “Barbaren’” waren ‘die ons zouden leeren [Uilenspiegel] in hooger beroep te huldigen!...’ Toch vroeg dezelfde Coopman zich bezorgd af of het ontwaakte Vlaanderen ditmaal wél naar Uilenspiegels stem zou luisteren.83 Een groep Leuvense, overwegend socialistisch gezinde activisten was dat in elk geval van plan. De groep bestond hoofdzakelijk uit jonge onderwijzers, onder wie Leo Magits, de plaatselijke secretaris van de Socialistische Jonge Wachten die later een belangrijk pleitbezorger van de Vlaamse zaak zou worden binnen de Belgische Werkliedenpartij.84 Zij publiceerden in februari 1918 een weekblad met als titel Uilenspiegel van Leuven en als leuze de laatste regels uit de Légende d'Ulenspiegel: ‘Est-ce qu'on enterre Ulen-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


48 spiegel, l'esprit, Nele, le coeur de la mère Flandre? Elle aussi peut dormir, mais mourir, non’. In een redactionele mededeling waarmee het blad van wal stak werd aan dit verrijzenismotief een wel zeer specifieke wending gegeven. Op allegorische wijze werd verteld hoe Uilenspiegel in augustus 1917, tijdens een wandeling door zijn geliefde Hageland door ‘den eeuwigen vijand van den Vlaamschen stam’ daarmee werd de Belgische staat bedoeld - op lafhartige wijze in het water van de Gete werd geduwd en een wrede dood dreigde te sterven. Gelukkig hoorde ‘de blonde Duitscher met blauwig oog’ zijn dodenlied, dat het dodenlied van Vlaanderen was, en redde hem uit het water, ondanks de vijandigheid van het Vlaamse volk. En de parabel eindigde als volgt: ‘De stille stem van den Wekker van Vlaanderen - van den grooten zinnebeeldigen Thijl - prevelde dankbaar: ‘Het daghet in het Oosten’... De gehate Pruis wierp de reddingsboei!...’85 Voor de redacteurs van het tijdschrift bleek deze reddingsboei achteraf zeer verraderlijk: zij liepen stuk voor stuk gevangenisstraffen op, variërende van 4 maand tot een jaar.86 Hoewel de activisten de Uilenspiegel-figuur niet hebben binnengebracht in de Vlaamse retoriek, was het wel in hun kringen dat katholieken en vrijzinnigen voor het eerst dezelfde Uilenspiegel konden huldigen, namelijk de Uilenspiegel van Charles De Coster - ondanks de antiklerikale toon van diens boek. Voor de vurig katholieke Wies Moens bijvoorbeeld verbleekte ‘het fel antiroomsche’ van sommige passages ‘geheel naast de vurige schildering van 't groeiend volksbesef in de “benauwde Nederlanden”, welke schildering het boek maakte tot een nationaal manifest’.87 Het nationalistische credo van deze activisten maakte levensbeschouwelijke verschillen secundair en zij hadden geen katholieke versie nodig om De Costers Uilenspiegel te kunnen smaken. Op die manier werd Tijl Uilenspiegel door de activisten gedeeltelijk aan de verzuiling onttrokken. Na de oorlog werden deze pleidooien voor ontzuiling ten bate van Vlaanderen hernomen door de Vlaams-nationalisten, die zich onder de naam ‘Het Vlaamsche Front’ aaneensloten tot een politieke partij, doorgaans kortweg ‘Frontpartij’ genoemd. Deze partij ging aanvankelijk niet uit van de activisten, maar wel van de zogenaamde ‘Frontbeweging’: de beweging die gedu-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


49 rende de oorlog ontstaan was in de loopgraven, waar een aantal intellectuelen opkwam tegen de achteruitstelling van de in meerderheid Vlaamse soldaten door hun overwegend Franstalige oversten. Deze beweging was aanvankelijk vurig patriottisch, maar had zich doorheen de oorlogsjaren zo sterk geradicaliseerd, dat zij met haar eis tot zelfbestuur dicht in de buurt kwam van het activistische programma. Toen koning Albert I na de oorlog weigerde de eis van de vernederlandsing van de Gentse universiteit in te willigen en vele activisten aan een door henzelf onrechtvaardig genoemde rechtspraak werden onderworpen, groeide de solidariteit tussen de ‘Fronters’ en de activisten, en konden deze laatsten worden opgenomen in het Vlaamsche Front, dat daardoor van meet af aan een anti-Belgische stelling in zich opnam. De Godsvrede-idee, waarmee tijdens de oorlog gedoeld werd op het terzijde schuiven van ‘communautaire’, levensbeschouwelijke en sociale geschillen ten voordele van de Belgische eendracht, werd door de Frontpartij omgevormd tot een pleidooi om de twee laatste breuklijnen (tijdelijk) te begraven en zich met alle energie op de eerste te werpen.88 In de pen van Multafero, schuilnaam van de gereputeerde dichter en kunstcriticus Pol De Mont, die nog persoonlijk contact met Charles De Coster had gehad89, werd niemand minder dan Tijl Uilenspiegel een pleitbezorger van deze Godsvrede-idee.90 In zijn pamflet Een droom van Tijl Uilenspiegel en Lamme Goedzak liet hij deze twee vagebonden hun toevlucht voor de nacht nemen op het Kielkerkhof te Antwerpen. Tijdens die nacht - ‘toevallig’ de nacht van 11 op 12 juli, de nacht na de Vlaamse feestdag dus - beleven Tijl en Lamme identiek dezelfde droom: Hendrik Conscience, de ‘Patriark’ die op het Kielkerkhof begraven lag, stond op uit zijn graf en riep alle Vlaamsgezinden uit het verleden, uit alle delen van het land, wakker. Wanneer deze allemaal, tot en met de pas overleden IJzersoldaten, waren toegekomen op het kerkhof, ontspon zich onder hen een discussie die al gauw evolueerde naar een vurig en algemeen aanvaard pleidooi voor Godsvrede en voor de oprichting van een Vlaams-nationale partij. Vooral Max Rooses, de liberale flamingant die samen met Pol De Mont aan de basis had gelegen van de literaire vernieuwing van de jaren 1880, nam daarbij het voortouw, al liet hij ruimte voor enig pragmatisme: ‘Diege-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


50 nen die als leuze voeren: Klauwaerd en Geus, en degenen, die op hun vaandel schrijven: A.V.V.-V.V.C., zullen het van hun geweten niet verkrijgen, dat het wereldbeschouwing of religieuze overtuiging doe zwijgen, om alleen het rasgevoel te laten spreken! Deze allen zullen blijven strijden onder hun eigen, oude vlag. Maar, en nu bid ik u, mij wél te begrijpen! - deze trouw aan hun filozofische princiepen moet dan ook eerlijk worden opgewogen door even innige trouw aan hun stam en taal!’ Met andere woorden, Rooses geloofde binnen de bestaande verzuilde context niet meteen in een eengemaakte Vlaams-nationale partij, maar drong er fel op aan dat de flaminganten er in hun respectieve partijen over zouden waken dat het zogenaamde ‘Minimumprogramma’ - de algemene eentaligheid van Vlaanderen zou worden verwezenlijkt. Albrecht Rodenbach, de 19de-eeuwse West-Vlaamse dichter die aan de basis had gelegen van de West-Vlaamse studentenbeweging, en de Fronter Firmin Deprez, gingen akkoord, maar gaven te kennen dat voor hen de creatie van een Vlaams-nationale partij het eigenlijke doel bleef. Dat ook de vernederlandsing van de Gentse universiteit vooraan op de agenda moest staan, daar waren alle aanwezige flamingantische geesten het roerend over eens. Bij het ontwaken bespraken Tijl en Lamme hun gedeeld visioen. Beiden voelden zich er rechtstreeks door aangesproken, maar hun reacties stonden diametraal tegenover elkaar. Lamme was bang en wist niet wat hij moest doen, Tijl daarentegen was vastberaden: ‘Het klare, eenvoudige, overtuigende woord van Rooses wordt mijn wet!’ Bij zijn pogingen om Lamme, de ‘Goedzak van Vlaanderen’, te overtuigen datzelfde te doen, liet Pol De Mont hem een passage uit de Légende parafraseren: ‘Schud den versleten, rampzaligen Goedzak af en word stoutzak, Boudzak, Durfzak, Doenzak eens en voor altijd!’91 Anders, zo beloofde Uilenspiegel, ‘ransel ik u af [...] zoo waar als op dit oogenblik de assche van mijn Vader gloeit als een vuurkool op mijn borst!’ Lamme wordt overtuigd en samen trekken zij op naar Antwerpen, terwijl Uilenspiegel roept: ‘De Gentsche Hoogeschool de Vlaamsche Hoogeschool!’ Lamme, die nu helemaal warm loopt voor de zaak, maakt Uilenspiegel erop attent dat hij iets nog belangrijkers uit Rooses' boodschap vergeet te scanderen, iets dat ‘den Vlaamschen Goedzak’ ook moest ingeprent worden: Geen ware Vlaming stemt nog ooit voor een frans-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


51 kiljon! - Of, om het positiever uit te drukken: ‘Vlaanderen Vlaamsch! heel Vlaanderen Vlaamsch! Vlaanderen niets dan Vlaamsch!’ En onder het scanderen van deze leuzen trekken zij voort naar de stad... De radicalisering die de Vlaamse Beweging door toedoen van de Eerste Wereldoorlog had ondergaan, kwam treffend tot uiting in dit pamflet. Het kwam er voor De Mont, die zich nochtans niet in het activisme had geëngageerd, niet langer op aan gelijke rechten voor de Nederlandse taal te verwerven, maar wel een linguïstisch en ‘etnisch’ zuiver Vlaanderen te verkrijgen, waarin uitsluitend Vlamingen over hun lot zouden beslissen. Ook op een minder programmatisch niveau droeg Tijl Uilenspiegel bij tot de verwezenlijking van deze Godsverde-idee. In de marge van de partijvorming rond het Vlaamsche Front ontstond immers ook in vele Vlaamse steden een Vlaams-nationalistische ‘subcultuur’, die volgens sommigen de kenmerken aannam van een ‘minizuil’, maar die nooit zoals de echte zuilen de status verwierf van officieuze gesprekspartner van de Belgische staat. Verzamelpunten van deze Vlaams-nationalistische subcultuur waren de zogenaamde ‘Vlaamse Huizen’, cafés die tegelijk dienst deden als vergaderplaats en als ruimte voor Vlaams-nationale manifestaties. In Gent werd dit Vlaams huis, in de lijn van de activistische gezelligheidsvereniging, ‘Uilenspiegel’ genoemd. Toen deze taverne in 1920 tot naamloze vennootschap werd verheven, bepaalden de statuten - ongetwijfeld geïnspireerd door de Légende van De Coster - dat zij het symbool moest worden van ‘het nimmer stervende Vlaanderen’, een verzamelplaats dus voor radicale Vlaamsgezinden van alle politieke strekkingen.92 In de daaropvolgende jaren werden ook in andere steden Vlaamse huizen naar Uilenspiegel genoemd.93 Slaagden de activisten en in hun spoor de Vlaams-nationalisten er dus in Tijl Uilenspiegel gedeeltelijk aan de verzuiling te onttrekken, het strijdlustige pamflet van De Mont maakt meteen duidelijk dat zij hem tegelijk aan een nieuwe tweedeling onderwierpen, de tweedeling namelijk die Vlaanderen na de Eerste Wereldoorlog tegen België - en dus tegen de ‘franskiljons’, later pas tegen de Walen - opzette.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


52 Tijl werd letterlijk uiteengereten door deze nieuwe breuklijn. Want al had de toe-eigening door de activisten van Uilenspiegel een handlanger van de Duitsers en dus een vijand van de Belgische staat - gemaakt, het imago van anti-Spaanse verzetsheld dat De Coster hem had toebedeeld, kon minstens zo gemakkelijk worden geactualiseerd door hem tot een anti-Duitse, Belgische patriot om te turnen. Voor velen in België ging Tijl Uilenspiegel tijdens de oorlogsjaren dan ook het verzet tegen Duitsland symboliseren.

In deze prent van oorlogsvrijwilliger James Thiriar wilde de Belgische soldaat Uilenspiegel zich vooral wreken op de activistische ‘landverraders’.

Eerst en vooral aan het Front zelf. De graficus James Thiriar, die als oorlogsvrijwilliger meestreed in de loopgraven aan de IJzer, beschreef na de oorlog hoe een medesoldaat op de verwoeste kerk van Lampernisse de slotwoorden van de Légende aanbracht als een vorm van pep-talk temidden van de oorlogsellende. Thiriar zelf bespeelde in een prent uit 1918 eerder het thema van de wraak dan dat van de hoop. Uilenspiegel verscheen er uitgedost als Belgisch

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


53 soldaat en sprak er zijn banvloek uit over de landverraders. Hij kon daarvoor letterlijk uit de Légende citeren, maar het was duidelijk dat die landverraders niet de Malcontenten, maar de activisten waren.94 Maar ook buiten het IJzerfront inspireerde Uilenspiegel het verzet tegen de bezetter en zijn handlangers. De Fransschrijvende Antwerpse literatuurcriticus Robert Guiette getuigde hoe hij tijdens de eerste Duitse bezetting het boek van De Coster, dat hij tevoren weinig had kunnen waarderen, leerde appreciëren dankzij het patriottische karakter ervan. Vooral de slotwoorden van het boek vervulden hem met hoop en trots. En hij was niet de enige die deze ervaring meemaakte: ‘Die woorden, op een ogenblik dat er ons nog slechts een lapje vaderland restte, deden rillen van hoop en raakten alle Belgen tot in hun diepste wezen, waar ze ook vandaan kwamen. Ze vonden er de geur en het beeld van hun geplunderd en verpletterd vaderland’.95 Toen de West-Vlaamse schrijver Stijn Streuvels in 1915 wereldkundig maakte dat hij een jaar eerder een gezellige avond had doorgebracht met een aantal Duitse officieren die in zijn woning waren ingekwartierd, verweet de Antwerpse, Franstalige schrijfster Marie Gevers hem de ‘geest van Tijl’ te hebben verraden.96 Toch was het vooral nà de oorlog, terwijl de opstoot van Belgisch patriottisme nog doorzinderde, dat Uilenspiegel als bezieler van het verzet tegen de Duitsers werd voorgesteld. De Waalse schrijver Maurice Des Ombiaux gaf in 1918 te kennen dat Uilenspiegel, als hij nog geleefd had, ‘zich ongetwijfeld voor de koning zou hebben ingezet’.97 Dat is ook wat de Engelsman Geoffrey Withworth hem liet doen in zijn tijdens datzelfde jaar uitgegeven versie van de Légende, die werd omgevormd tot één lange hulde aan het dappere België van Koning Albert.98 Maar ook in de Nederlandstalige romanliteratuur werd Tijl Uilenspiegel, naast Koning Albert en de Guldensporenslag, het derde tot patriottisme ‘aanwakkerende motief’.99 De meest opmerkelijke van deze romans was opnieuw van de hand van Auctor alias Jan Bruylants. Diens Tijl Uilenspiegel aan het Front en onder de Duitschers, dat in 1921 verscheen, was een vrijwel woordelijke transpositie naar de 20ste eeuw van zijn in 1904 verschenen Boerenkrijg-versie van de Légende. In plaats van Brigand was Uilenspiegel een Belgisch-patriottische, Vlaamsvoelende sol-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


54 daat in de oorlog tegen Duitsland geworden. Wanneer hij op het einde van het boek door de Duitsers wordt geëxecuteerd - om uiteraard al snel daarna te verrijzen - roept hij niet, zoals in het eerste boek ‘Leve het Vaderland!’, maar wel ‘Leve Belgiël’, pas in tweede instantie gevolgd door ‘Leve Vlaanderen’. In Thijl Sperreman, de Uilenspiegel-bewerking van de Kortrijkse journalist en volksboekauteur René Vermandere, sterft de Belgische soldaat Tijl wél

Jan Bruylants, alias Auctor, liet Uilenspiegel als Belgische patriot optreden tegen de gehate Duitsers.

op het slagveld, maar leeft hij voort in het monument van de onbekende soldaat.100 Ook de ‘scharlaken Thijl’ uit de in 1920 verschenen roman van Herman Teirlinck werd bij zijn hardnekkig verzet tegen de Duitse overweldiger (onder meer als oorlogspiloot), geleid door een combinatie van Vlaamsvoelendheid en Belgische gezindheid, zelfs van royalisme, maar dat was dan ook zowat de enige gelijkenis met de Tijl van Auctor.101 Terwijl die laatste vroom katholiek was en moraliserend handelde, was Teirlincks Tijl een vitalistische held die het volle en moderne leven, waarin zowel eros als thanatos ruimschoots hun deel hadden, vrijuit in zich liet opwellen. Zowel zijn flamingantisme als zijn Belgische gezindheid kaderden trouwens binnen een meer omvattend ideaal van een meer rechtvaardige mensheid.102 Met de nodige reserve kan worden beweerd dat Teirlinck de progressief-liberale lijn doortrok die De Coster door zijn Légende had laten lopen. De oude, levensbeschouwelijke breuklijn liep nog als een kloof tussen Bruylants en Heirman Teirlinck, maar in het ‘communautaire’

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


55 conflict, dat in die periode van de activistenprocessen zo centraal stond, stonden beide auteurs in hetzelfde kamp. De derde breuklijn die traditioneel doorheen de Belgische geschiedenis wordt getrokken, meer bepaald de sociale breuklijn, leek net als de levensbeschouwelijke breuklijn dankzij de oorlog gedeeltelijk te zijn gepacificeerd. De socialisten waren bij het begin van die oorlog immers opgenomen in de regering van nationale unie en hadden hun bijdrage geleverd aan de oorlogsinspanning. In tegenstelling tot de flaminganten werden zij daar na de oorlog ruimschoots voor gecompenseerd door koning Albert en de partijleiders, die in 1918 te Loppem buiten het parlement om de krijtlijnen van de naoorlogse Belgische politiek uittekenden. Het algemeen enkelvoudig stemrecht garandeerde een nieuwe socialistische doorbraak in het parlement, een aantal belangrijke sociale wetten werden aangekondigd en de politiek van tripartite-regeringen werd verdergezet. De salonfähigkeit van de socialisten betekende evenwel nog geen duurzame sociale pacificatie. Nog tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden zich immers, buiten België, ontwikkelingen voorgedaan die de sociale breuklijn hernieuwd onder spanning konden brengen. Meer bepaald de machtsgreep van het communisme in Rusland (1917) gaf ook in heel Europa een nieuwe impuls aan revolutionaire initiatieven, die in het onzekere naoorlogse klimaat een goede voedingsbodem vonden. Dankzij de voorzichtige politiek van Albert I tijdens de oorlog (waardoor relatief weinig Belgische soldaten een zinloze dood in de loopgraven hadden gevonden) en dankzij de eerdergenoemde sociale maatregelen, was de levensvatbaarheid van deze initiatieven ‘links van de Belgische Werkliedenpartij’ in België relatief gering.103 Maar een groep beginselvaste communisten kon geen vrede nemen met de nationalistische en verzoenende positionering van de socialistische leiders en richtte in 1921 een Communistische Partij op. Al vóór de Eerste Wereldoorlog gold De Costers Uilenspiegel als een symbool in de progressieve tegenbewegingen in het tsaristische Rusland104 en dat potentieel werd na 1917 gretig uitgebuit door de nieuwe communistische machthebbers, die Uilenspiegel voorstelden als de incarnatie van het proletarische verzet tegen de bourgeoisie. In tegenstelling tot de katholieken en nationalisten in Vlaanderen moesten zij Uilenspiegel daarvoor niet onderwer-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


56 pen aan wonderlijke metamorfosen, maar konden zij volstaan met geannoteerde vertalingen van De Costers roman. In bijhorende inleidingen en besprekingen werd de marxistische interpretatie van Uilenspiegel echter steevast herhaald. Ondanks alternatieve versies van auteurs als Eduard Bagritski en Osip Mandelsjtam, die Uilenspiegel eerder als nationale dan als proletarische held opvoerden, werd deze marxistische lezing in 1930 geofficialiseerd door Anatoli V. Lunatsjarski, de toenmalige Commissaris voor Cultuur en Onderwijs.105 Gezien de toenemende invloed van Moskou op de West-Europese communistische partijen, leek het niet onwaarschijnlijk dat ook deze proletarische Uilenspiegel in het Belgische communisme zijn intrede zou doen. In de eerste jaren na de oorlog waren daar evenwel weinig tekenen van te bespeuren. Het Belgische communisme had Uilenspiegel toen nog niet ontdekt. Kortom, tijdens de eerste drie jaar na de oorlog, die gekenmerkt werden door een streven naar wereldbeschouwelijke en sociale verzoening, zowel op regeringsvlak als binnen het radicale flamingantisme, zien we twee nieuwe Uilenspiegels ontstaan in Vlaanderen: een hevige, min of meer anti-Belgische Vlaams-nationalist en een Belgische patriot met een grote liefde voor Vlaanderen. Het derde Uilenspiegel-type, de internationalistische proletariër, verscheen voorlopig nog niet op het Belgische strijdtoneel. Was deze laatste per definitie vrijzinnig en in dat opzicht althans een directe erfgenaam van De Costers held, dan werd de religieuze gezindheid van de twee ‘Vlaamse’ Uilenspiegels enigszins bedekt gehouden, of toch minstens niet al te sterk benadrukt. Zowel de Belgischgezinde als de Vlaams-nationalistische auteurs waren er voor beducht het levensbeschouwelijk-pacificatorische klimaat van de onmiddellijke naoorlog te doorbreken.

Eindnoten: 60 Zie Kaat Wils, ‘Tussen metafysica en antropologie. Het rasbegrip bij Léon Vanderkindere’ in: Marnix Beyen en Geert Vanpaemel (ed.), Rasechte wetenschap? Het rasbegrip tussen wetenschap en politiek vóór de Tiveede Wereldoorlog (Leuven-Apeldoorn, 1998), 81-99. 61 Funérailles de Charles De Coster, 1827-1879, Elsene. Geciteerd in Hanse, ‘Le centenaire’, 85-86. 62 ‘Paroles prononcées par M. Camille Lemonnier’ in: Inauguration du Monument élevé par l'administration communale d'lxelles à Charles De Coster, le 22 juillet 1894 (Brussel, 1894), 11 en 13. 63 Émile Van Arenbergh, ‘A Charles De Coster’, Ibidem, 21. 64 Nautet, o.c., 117. 65 Cfr. Ludo Simons, ‘Eulenspiegel und der flämische Freiheitskampf’, Eulenspiegel-Jahrbuch, jg. 14 (1974), 3-9. Cfr. p. 5. 66 Uit het boek van de Duitse Sieglinde Tömmel, Nation und Nationalliteratur. Eine soziologische Analyse des Verhältnisses von Literatur und Gesellschaft in Belgien zwischen 1830 und 1840. Soziologische Schriften, 16 (Berlijn, 1976), blijkt dat dit cruciale verschil in politieke oriéntatie al tijdens het eerste decennium van het bestaan van de Belgische staat de Frans- en de Nederlandstalige literatuur in België van mekaar onderscheidde. 67 Zie o.m. Marc Reynebeau, Het klauwen van de leeuw. De Vlaamse identiteit van de 12de tot de 21ste eeuw (Leuven, 1995), 126-134.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


68 Lode Wils, De messias van Vlaanderen. Frans Van Cauwelaert 1880-1910 (Antwerpen-Baarn, 1998), 51. 69 Antoon Moortgat, Uilespiegel, Heldenspel in vijf bedrijven (Antwerpen, 1903), 106. 70 Zie over dat boek o.m.: Maurice Verhaegen, ‘Auctor en Tijl Uilenspiegel in Vlaanderen’, 't Spiegelken. Contactblaadje van Uylenspieghel's Kring, nr. 3 (1992), 5-8. 71 Auctor, Tyl Uilenspiegel in Vlaanderen (Antwerpen, 1904), 391. 72 Auguste Orts, La guerre des paysans. Épisode de l'histoire belge, 1798-1799. Brussel, 1863. Zie ook: August Keersmaekers, Boerenkrijg en literatuur. Mededelingen van het Centrum voor de Studie van de Boerenkrijg, 61. Hasselt, 1967. 73 Zie o.m. Willy Spillebeen, ‘Vertalingen en aanpassingen van ‘La Légende d' Ulenspiegel’’, Ulieden Spiegel, jg. 1, nr. 1 (juni 1992), 18-23. Meer bepaald p. 18. 74 Ibid., 505-506. 75 Zie daarover o.m. J. Huyghebaert, ‘Damme adopteerde de Uilenspiegel van de contrareformatie’, Ulieden spiegel. jg 4, nr. 2 (winter 1995), 34-43. 76 Uilenspiegel. Recht voor de vuist, jg. 1, nr. 2 (10 februari 1878). 77 Cfr. Lode Wils, Van Clovis tot Happart. De lange weg van de naties in de Lage Landen (Leuven-Apeldoorn, 1998), 171-181. Id., De Messias van Vlaanderen, 49. 78 Auctor, Tyl Uilenspiegel in Vlaanderen, 507. 79 Zie Daniël Vanacker, Het aktivistisch avontuur (Gent, 1991), 144 en 146-149. 80 Daarmee verwees hij naar de uitgaven van het Volksboek die de Gentse uitgeverij Snoeck-Ducaju sinds de late 18de eeuw in een typerende blauwe kaft verspreidde. 81 Olaf Moens en Yves T'Sjoen, Mémoires Wies Moens (Amsterdam-Antwerpen, 1997), 186-188. In 1934 zou Moens in zijn eigen tijdschrift Dietbrand nog eens benadrukken hoe in activistische kringen de Légende d'Ulenspiegel de Leeuw van Vlaanderen als nationaal epos had vervangen. Cfr. Wies Moens, ‘Kamp om Dietschland’, Dietbrand, II (1934-35), 39. 82 Arthur De Bruyne, ‘Om een waarachtig volksbewustzijn. Losse beschouwingen bij een volksuitgave van ‘De Leeuw van Vlaanderen’’, Volk en Kultuur, jg. 1, nr. 48-9 (30 december 1941), 4-6. 83 Hendrik Coopman Thzn, ‘Charles De Coster, zijn medewerkers en zijn werk’, Vlaamsch Leven, jg. 3, nr. 13 (30 december 1917), 201-204. 84 De andere medewerkers waren Lekenne, Nackaerts, Van Minghe en Heylen. Over het socialistische activisme in Leuven, zie: Patrick Staes, Het socialisme in Leuven tijdens de Eerste Wereldoorlog (Leuven, onuitg. lic. verh., 1982), 133-156. 85 ‘Vlamingen 't Is het oogenblik niet!’, Uilenspiegel van Leuven, jg. 1, nr. 1, 3 feb. 1918. 86 Cfr. een kort verslag van dit proces in Het Laatste Nieuws, 30 maart 1921. 87 Mémoires Wies Moens, 188. 88 Dit beknopt historisch overzicht is gebaseerd op: Arie W. Willemsen, Het Vlaamsnationalisme. De Geschiedenis van de jaren 1914-1940. Utrecht, 1969; Lode Wils, Honderd jaar Vlaamse beweging, deel 2; en Bruno De Wever, Greep naar de macht. Vlaamsnationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945 (Tielt en Gent, 1995), 19-92. 89 Althans volgens Albert Westerlinck, ‘Charles De Coster en het Vlaamse wezen’, Dietsche Warande en Belfort, jg. 105, nr. 10 (dec. 1960), 715-730. M.n. p. 717. 90 Multafero, Een droom van Tijl Uilenspiegel en Lamme Goedzak. De geesten van de afgestorven Vlaamschgezinden op het Kielkerkhof, te Antwerpen, vergaderd in den nacht van 11 tot 12 Juli 1919. Brussel, Boekhandel ‘Libertas’, 1919. 91 In de Légende d'Ulenspiegel, V/7, ontsteekt Lamme Goedzak in toorn wanneer Broer Cornelis, de monnik die verantwoordelijk was voor de val van zijn Calleken en die hij als straf daarvoor vetmest, hem een ‘dikzak’ noemt: ‘‘Dikzak?’ zei Lamme, terwijl hij in woede ontstak, ‘mijn naam is Lamme Goedzak. Jij bent de dikzak, Broer Dikzak, Vetzak, Leugenzak, Slokzak, Wulpszak’’. 92 Cfr. Ulenspiegel. Samenwerkende Vennootschap. Lokaal der Vlamingen. Studentenhuis, Spijshuis, koffiehuis. Korte Kruisstraat 3, Gent, (Gent, 1920), 23. Voorzitter van deze naamloze vennootschap was Edmond De Gruyter, Afgevaardigd Beheerder was K.-B. Van de Sompel. 93 Carlos Van Louwe, ‘Is Uilenspiegel links...?’, Ulieden Spiegel, Jg. 4, nr. 2 (winter 1995), 6-12. 94 Zie James Thiriar, Gloire et misère au front de Flandre, 1914-1918 (Brussel, 1920), 33; en Idem, Bien vu, bien entendu et adjugé (1918). Deze laatste prent is ook opgenomen in: Carlos Van Louwe, ‘Uilenspiegel tussen collaboratie en verzet’, Ulieden Spiegel, jg. 3, nr. 2 (winter 1994), 5-10. 95 Robert Guiette, ‘Lecture d'Ulenspiegel’, Le Thyrse, jg. 70, nr. 3 (1968), 9-12.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


96 Marie Gevers, ‘Une Trahison’, L'Echo Belge, 25 maart 1915; hiernaar wordt verwezen in: R. Deflo, De literaire oorlog. De Vlaamse prozaliteratuur over de Eerste Wereldoorlog. Historische monografie, nr. 2 (Aartrijke, 1991), 42, en in: Jan Cumps Tijl Uilenspiegel, de klaproos, oorlog en literatuur...’, Ulicden Spiegel, jg. 2, nr. 1 (juni 1993), 37-41, meer bepaald p. 39. 97 Maurice Des Ombiaux, La littérature belge, son rõle dans la résistance de la Belgique. Brussel, 1918. Zie ook Cumps, o.c., 40. 98 Zie Willy Spillebeen, ‘Charles De Coster, made in U.S.A.’, Ulieden Spiegel, jg. 1, nulnummer (december 1991), 31-34. 99 Cfr. Deflo, o.c. 100 René Vermandere, Thijl Sperreman, 2 delen, Antwerpen, 1927. 101 Herman Teirlinck, De Nieuwe Uilenspiegel in Tien Boeken of de jongste incarnatie van den Scharlaken Thijl. Vlaamsche Bibliotheek. Amsterdam, 1920. Op pagina 321 schrijft Pater Oremus, de Vlaamsgezinde kluizenaar met wie Uilenspiegel bevriend is geraakt, van aan het Front over koning Albert: ‘hij symboliseert voortreffelijk het kleine volk, dat voor een Ideaal zoo dapper vecht...’ Over deze ‘neo-picareske’ roman, zie Rik Van Gorp, Teirlincks Nieuwe Uilenspiegel’, Ulieden Spiegel, jg. 1, nr. 2 (december 1992), 40-43. 102 Teirlinck, o.c., 300: ‘Zal ik met het bloed van onze zonen de rechten koopen, waarnaar mijn volk sinds eeuwen snakt? Of zal ik sterk de armen uit de mouwen steken en mede vechten voor de wijdere, grootsche vrijmaking?’ 103 Jan Hunin, ‘Links van de Belgische Werkliedenpartij. Communisme in Antwerpen tussen de twee wereldoorlogen’, Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, jg. 25, nr. 3-4 (1993), 569-612. Meer bepaald p. 569. 104 Gheyselinck, De dood van taai geroddel, 175, beweert dat er al uit werd voorgelezen door de antitsaristische dissidenten in de Siberische strafkampen. 105 Zie daarover Tine Van Den Hende-Levine, ‘Uylenspiegel, Lamme Goedzak en Charles De Coster in de gratie van het Kremlin’, Ulieden Spiegel. Tijdschrift voor Uilenspiegelkunde, jg. 4, nr. 2 (winter 1995), 44-50.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


57

3 1922-1947 Hoe Tijl Uilenspiegel fascist werd en bestookt werd door zichzelf, de liberale én communistische vrijheidsstrijder. Hoe hij in de Tweede Wereldoorlog collaborateur én verzetsheld werd, na de oorlog nazi-vervolger én ‘slachtoffer van de repressie’. Het klimaat van levensbeschouwelijke verzoening dat de onmiddellijke naoorlog beheerste, bleek geen lang leven beschoren te zijn. Zoals de regeringen van nationale unie al snel een weinig duurzaam product van het oorlogsenthousiasme bleken, zo was ook de Godsvrede-idee binnen de Vlaamse Beweging niet in staat de ideologische verschillen blijvend te onderdrukken. Gaandeweg werd het radicale, anti-Belgische Vlaams-nationalisme een overwegend katholieke aangelegenheid, gedragen door de katholieke jeugd- en studentenverenigingen, terwijl het ‘minimalistische’ flamingantisme zich nestelde binnen de traditionele partijgrenzen.106 En opnieuw bleek de Uilenspiegel-figuur bijzonder contextgevoelig. De Vlaams-nationalistische Uilenspiegel kwam hoe langer hoe meer in integraal-katholiek vaarwater terecht, terwijl zijn Belgischgezinde alter ego opnieuw sterker bij zijn liberale wortels aansluiting vond. De auctoriaanse combinatie van de strijdend katholieke én vurig Belgische Tijl vond nauwelijks nog navolging, waarschijnlijk omdat Tijl verdacht bleef in de ogen van de kerkelijke censoren.107 Alleen het Vlaams-nationalisme bleek krachtig genoeg om deze kerkelijke censuur te negeren en de Uilenspiegel van De Coster in katholieke kringen te doen aanvaarden. Terwijl de liberaal-Belgische Uilenspiegel in zijn evidente aan-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


58 sluiting bij het door De Coster gecreëerde beeld weinig actieve propaganda nodig had, ging de recuperatie van de Uilenspiegelfiguur binnen het katholieke Vlaams-nationalisme met veel ophef gepaard. De opvoering door het Vlaamse Volkstooneel van Anton Van de Veldes, naar de vorm modernistische, maar van inhoud integraal-katholieke en nationalistische toneelstuk Tijl in januari 1926 was ongetwijfeld hét scharniermoment in deze evolutie. Het stuk kreeg als ondertitel ‘Gekke historie in vier kapittels’. Dat was niet onterecht, want de toeschouwer kreeg een vloed van de meest bizarre gebeurtenissen over zich heen gestort, waarin behalve Tijl, Lamme en Nele ook Don Quichotte, de Vliegende Hollander, de Wandelende Jood, Robinson Crusoë en Ali-Baba een rol speelden. Maar doorheen deze wervelende waterval had Van de Velde een stugge en bittere politieke allegorie geweven. Het stuk presenteerde zich min of meer als een vervolg op De Costers Légende, die er trouwens op een gegeven ogenblik (p. 63) kort in wordt samengevat. Het voert Tijl, Lamme en Brabo (de Antwerpenaar Van de Velde wilde ook zijn stad in het mythische Vlaanderen betrokken zien) ten tonele, die zich ‘na hun exode uit Vlaanderen (dat is héél lang geleden)’ (p. 5), op een niet nader bepaald eiland hebben teruggetrokken. Net zoals Tijl en Nele zich aan het einde van de Légende, na de herovering van de Zuidelijke Nederlanden door Spanje, in Zeeland hebben teruggetrokken. In Van de Veldes versie is Nele, in het stuk ook Assepoes genoemd, in Vlaanderen achtergebleven, waar ze ‘om goud-belofte’ als meid in dienst is getreden bij een Franstalige aristocratische familie. Het was een allegorische uitdrukking van de onderwerping van Vlaanderen aan een Franstalige elite, een proces dat volgens Tijl, en dus volgens Van de Velde, veel verder reikte dan een taalkundige gedaanteverandering. De verfransing had immers ook het moreel verval van Vlaanderen ingeluid: 'n Zielsverhuizing in gansch het land. Geen bewustzijn meer, geen houvast, geen geweld van mannenvuisten, geen vrouwenfierheid, geen adel meer! (p. 17)

Van de Veldes Tijl moet dan ook niet als een louter anti-Franstalig manifest worden gelezen of bekeken. Want de franskiljonse fami-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


59 lie waarin Nele terecht kwam, was niet de enige en zelfs niet de gevaarlijkste vijand waarmee Tijl - en met hem Vlaanderen - te maken kreeg. Hij werd immers ook bedreigd door Ahasveer, de Wandelende Jood, en door de Vliegende Hollander, allebei eeuwenoude literaire personages die als gemeenschappelijk kenmerk hadden dat zij gedoemd waren eeuwig rond te zwerven.108 Voor Van de Velde vertegenwoordigden zij daarmee het ontwortelde, internationalistische moderne leven; al maakte hij wel een duidelijk onderscheid tussen beide: de vliegende Hollander was de fatalist, die tegen zijn wil meegesleurd werd door de moderniteit, terwijl de jood Ahasveer, die ‘zonderling lalt, omdat ie internationaal is’, voorgesteld werd als het kwade brein achter het verbasteringsproces. Onder de moderne gedaante van de kapitalist ‘John’ had hij het huis van Tijl en de zijnen - ‘In den vroeden Uil’ - omgevormd tot een herberg, waar hij Lammes echtgenote Belleken109, nu ‘Belly’, had aanworven als prostituee. Antisemitisme, anti-amerikanisme, antikapitalisme en zelfs anti-Hollandse gevoelens maakten bij de katholieke Vlaams-nationalist Van de Velde deel uit van één overkoepelende anti-moderne basishouding, een houding die verre van uitzonderlijk was in het katholieke Vlaanderen van die tijd. Zijn helden Tijl, Lamme en Brabo - waren daarentegen ‘bodemvast’ en baden ongeveer evenveel weesgegroetjes tot ‘Onze-Lieve-Vrouw van Vlaanderen’ als De Costers helden pinten ‘dobbelcuyt’ hadden gedronken. Nadat Tijl en zijn gezellen, gekweld door nostalgie naar en medelijden met het vaderland, op hun schip De Lioen waren teruggekeerd naar Vlaanderen, wisten zij er Nele moeiteloos te redden uit de handen van de franskiljonse markies de Saturé en zijn echtgenote, die werden voorgesteld als muffe, krachteloze figuren. De greep van Ahasverus en de zijnen bleek steviger te zijn: Lamme kon er weliswaar zijn Belleken uit verlossen, maar Nele werd onweerstaanbaar aangetrokken door het vroegere huis van Tijl, waar zij in een eeuwige slaap werd gedaan door de stamgasten. De Assepoester van voorheen was nu een Schone Slaapster geworden. Tijl erkent dat de zaak voor Vlaanderen voorlopig verloren is en gaat opnieuw, vergezeld van zijn leeuwenvlag en zijn Madonnabeeld, in vrijwillige ballingschap op zijn eiland:

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


60 Adieu, Nele... Klaas en moeder dwingen me te gaan... Ik moet mijn tijd elders verbeiden. 't Is zwaar, onsterfelijkheid te dragen.

Van de Veldes toneelstuk werd een eerste keer opgevoerd op 18 januari 1926 in het Trocadero te Brussel en kende er een overweldigend succes. Toch was het niet door een spontane uitstraling van zijn modernistisch karakter, maar wel dankzij een bewust gestuurd

Frans Masereel stelde in zijn illustratie bij de Légende minder Uilenspiegel zelf, dan wel de onderdrukte volksmassa centraal. Op die manier gaf hij een van de meest uitgesproken socialistische interpretaties aan het Uilenspiegel-motief. (zie p. 73-4)

prestige-offensief dat dit stuk anderhalf jaar later werd opgevoerd in de Parijse Comédie des Champs Élysée te Parijs, waar het in de smaak viel bij een select gezelschap uit de Parijse avant-garde. Die werd ongetwijfeld meer aangetrokken door de modernistische vorm dan om zijn anti-moderne inhoud - het stuk werd er immers in het Nederlands opgevoerd. Het Parijse succes zorgde ook voor een laattijdige erkenning bij de Franstalige, Belgische critici, die ongetwijfeld ook omwille van de taalkundige barrière de explosieve politieke lading van het stuk niet helemaal vatten, maar wel geboeid raakten door de modernistische dramaturgie.110 Wat de Vlaamsgezinde toeschouwers zo aantrok in dit stuk, was waarschijnlijk precies de mengeling van een modernistische vorm met een anti-moderne inhoud, een combinatie die zeer typerend was voor het Vlaamse culturele leven van de late jaren '20.111 Het formele modernisme werd ook benadrukt door de titelpagina, waarop een houtsnede werd afgedrukt die sterk aan

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


61 Masereel herinnerde. Eén van de Vlamingen die alvast kon insternmen met de anti-moderne boodschap van Van de Velde, was Wies Moens. In de uitvoerige beschouwing die hij in het Vlaams-nationalistische weekblad Vlaanderen aan Tijl wijdde, beschouwde hij het stuk geslaagd als aanklacht van ‘het zedelijk verval van “Vlaanderen”, waar overheen waart, feller van dag-tot-dag, de schroeiende adem der perversie van zuiders-allooi’. Hij was er natuurlijk ook zeer mee ingenomen dat Van de Velde voor deze

Achter een modernistische vorm ging vaak een reactionaire inhoud schuil. Deze houtsnede van Ast Fonteyne diende bijvoorbeeld als titelpagina voor Anton Van de Veldes Tijl II.

aanklacht zijn geliefde held Uilenspiegel - de Uilenspiegel van De Coster! - had uitgekozen. Maar minder tevreden was hij met het fatalistische einde van het stuk. Volgens hem had het even goed kunnen eindigen in een apotheose: ‘Nele uit den doodsslaap gewekt door Tijls onoverwinnelijke liefde, en haar belagers verpletterd onder de donder van Vrijheid's halleluja's!’ Dat Van de Velde dit niet had gedaan achtte hij typerend voor de algemene gelatenheid die over de Vlaamsnationalisten was gekomen nadat het Vlaamsche Front zijn belofte had teruggetrokken om de gevangen activist August Borms op de verkiezingslijst te plaatsen (1925). Deze context mocht evenwel geen aanleiding zijn voor de kunstenaars om hun nationalistische gloed te doen verkillen: ‘Wij roepen voor “Vlaanderen” om een dichter die het Vlaamse zelfstandigheidsstreven zal weten op te tillen in de sfeer der idealiteit - ons tonende dat streven, niet zoals het is, maar zoals het zou moeten zijn.’112 Van de Velde bleef niet ongevoelig voor deze en dergelijke

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


62 klachten. In 1930 liet hij een vervolg verschijnen op zijn Tijl, in een grondig veranderde politieke context. Borms was ondertussen verkozen, en het nieuwe elan dat het Vlaams-nationalisme daardoor had gekregen manifesteerde zich tijdens het Belgische Eeuwfeestjaar op een explosieve manier. Terwijl Tijl I zich had afgespeeld in een niet nader gespecifieerd recent verleden, situeerde Tijl II zich in een, evenmin gepreciseerde, nabije toekomst. Als voorafspiegelend op een latere soap-traditie, bleek nu plots dat Nele bij het begin van haar dodenslaap zwanger was geweest van Tijl. Tijl II vangt aan op het ogenblik dat de daaruit voortgesproten zoon, opnieuw een Tijl, rond de twintig was. Hij had de vroomheid, de koppigheid en de nationalistische gevoelens geërfd van zijn vader, die hij als een held vereerde. Na lang aandringen wist hij ook Lamme, die in een soort lethargie was hervallen, te overtuigen om de strijd voor Vlaanderen te hervatten. Tijdens de strijd die daarop volgde, doken dezelfde vijanden op als in het eerste deel: de Amerikaanse jood John, zich manifesterend als een charlataneske marktkramer; de verkalkte ‘Marquise’ en haar neurasthenische dochter Chou, die haar geheime liefde voor Tijl trachtte te verwerken door hem tot de dood te bestrijden. Explicieter dan in Tijl I werd nu ook de Belgische staat als politieke entiteit geviseerd: ‘De katijf...'t serpent... alla ja, hoe moet ik 't noemen, dat onbeschrijfelijke instituut dat u banvloekt om de minste staatsvijandige zucht uit uw achterpoort.’ (p.22)113 Met behulp van Tijl senior, die zijn eiland weer verlaten had, werd deze gecombineerde vijand verslagen in een strijd waarbij slechts zoetekoek als wapen werd gebruikt en geen druppel bloed vloeide. Deze pacifistische noot in een overigens virulent antisemitisch en agressief-nationalistisch stuk geeft aan hoe misleidend de steeds opnieuw door de Vlaams-nationalisten gepredikte leuze ‘Nooit meer Oorlog’ al bij het begin van de jaren '30 kon zijn.114 Tijl II ging in de Brugse stadsschouwburg in première op 15 september 1930. Die opvoering moet in de context worden gezien van de concurrentiestrijd die op dat ogenblik aan de gang was tussen het Vlaamsch Volkstooneel en het Nationaal Vlaamsch Tooneel van Staf Bruggen. Na het vertrek van topregisseur Johan De Meester was het Vlaamsch Volkstooneel een stuurloos schip geworden dat niet meer opgewassen was tegen de toenemende

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


63 financiële problemen, en ook inspiratie tekortkwam. In het voorjaar van 1930 hadden deze ontwikkelingen tot een breuk geleid. Onder leiding van Anton Van de Velde werd het Vlaamsch Volkstooneel verdergezet, terwijl een nieuw gezelschap, het Nationaal Vlaamsch Tooneel, zou worden geleid door Staf Bruggen.115 Op 7 juli van dat jaar, 4 dagen vóór de Vlaamse en 14 dagen vóór de Belgische feestdag, had dat laatste gezelschap in Kortrijk, plaats van de Guldensporenslag, Ulenspiegel op de planken gezet, met de steracteurs Renaat Verheyen en Renaat Grassin in de hoofdrollen. Het ging om een bewerking van De Costers legende die zeker niet de theatrale originaliteit had van Van de Veldes Tijl-stukken. Maar de omstandigheden van de opvoering en het overweldigende succes ervan, niet alleen in Vlaanderen maar ook in Nederland en Duitsland, verleidden sommigen ertoe het stuk uit te roepen tot ‘de Vlaamse Muette de Portici van 1930’. De boodschap was niet mis te verstaan: zoals de Belgische staat ontstaan was naar aanleiding van een toneelopvoering, zo zou ook een toneelstuk voor haar ondergang zorgen, ten voordele van een onafhankelijk Vlaanderen. Deze ondubbelzinnige claim op nationale monumentaliteit kon het Vlaamsche Volkstooneel, dat zelf ook hét nationale toneelgezelschap van Vlaanderen wilde zijn, niet onberoerd laten. De Tijl-figuur, die het Volkstooneel al in 1926 zowel populair succes als artistieke en nationale geloofwaardigheid had opgeleverd, werd opnieuw met succes als troef bovengehaald. Ook Tijl II werd immers in binnen- en buitenland op handgeklap onthaald, al zorgde het stuk door zijn fel anti-Belgische inslag voor de nodige perikelen.116 Deze concurrentieslag toonde in elk geval dat België, op zijn honderdste verjaardag als onafhankelijke staat, afstand had moeten doen van één van zijn nationale symbolen. Al was de Vlaamsgezinde - en zelfs de Vlaams-nationalistische - recuperatie van Uilenspiegel al vroeger begonnen, toch hadden de Belgische patriotten in 1927 nog met een gerust hart de honderdste verjaardag van Charles De Coster kunnen vieren. Aan zijn (Belgische) nationale betekenis kon immers, ondanks de activisten en ondanks Van de Velde, nog niet worden getwijfeld.117 Als hij al een eeuwige incarnatie van het Vlaamse volk had gecreëerd, dan had hij daarmee volgens de folklorist Frans Hendrickx een Belgische nationale daad

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


64 gesteld, omdat hij het Vlaamse volk aan de Walen had leren kennen en op die manier ‘les deux races’ dichter bij elkaar had gebracht.118 In datzelfde De Coster-nummer van het tijdschrift Le Folklore Brabançon besloot hoofdredacteur Albert Marinus dat De Coster erin was geslaagd aan een aantal volksgebruiken ‘dat typisch nationale karakter te geven, dat elkeen onder ons, Belgen, er kenmerkende trekken in vindt van zijn ras, van zijn bijzondere sociale mentaliteit’.119 In 1930, het jaar waarin Van de Voordes Charles De Coster en de Vlaamsche idee verscheen, was een dergelijke zelfverzekerdheid over de Belgische nationaliteit van Uilenspiegel niet meer mogelijk. De ‘oude’, Belgische interpretatie van Uilenspiegel verdween niet, bleef in Franstalig België zelfs vrijwel onaangetast, maar zij werd overschreeuwd door de jeugdige luidruchtigheid van de jonge Vlaams-nationalistische Uilenspiegel. En die Vlaams-nationalistische Uilenspiegel werd hoe langer hoe duidelijker een antidemocraat en niet zelden ook een antisemiet. De fascistoïde tendens van Van de Veldes stukken was typerend voor de evolutie die het traditionalistisch katholieke flamingantisme, vooral in West-Vlaanderen maar ook elders, al in de jaren '20 doormaakte. Het daarin aanwezige antidemocratische potentieel werd in 1931 onbeschaamd aan de oppervlakte gebracht door de oprichting van het Verbond voor Dietsche Nationaal-Solidaristen (Verdinaso), dat door zijn uiterlijk machtsvertoon, zijn paramilitaire organisaties en zijn leiderscultus de stap zette van een katholiek traditionalisme naar een onverbloemd fascisme.120 Tijdens de daaropvolgende jaren stelde dit Verdinaso, onder leiding van Joris Van Severen, het Vlaams-nationalisme onverbiddelijk voor de keuze tussen een democratisch en een autoritair programma. In 1933, het jaar waarin Hitler in Duitsland de macht greep, werd die keuze gemaakt: toen immers werd het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) opgericht, als overkoepelende Vlaams-nationalistische partij. Al deden een aantal oprichters van deze partij (zoals Hendrik Elias en Hendrik Borginon) pogingen om de partij een min of meer democratisch karakter aan te meten, toch voer het VNV vanaf het begin onder een autoritaire, antidemocratische vlag. In deze keuze tegen de parlementaire democratie school een erfenis van zowel het activisme als van het katholieke traditionalisme. Het activisme

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


65 had van het intussen nationaal-socialistische Duitsland de enige mogelijke bondgenoot gemaakt van de Vlaams-nationalisten in hun strijd tegen België en het katholieke traditionalisme had de voedingsbodem geleverd waarop voor vele Vlaams-nationalisten de idee kon groeien dat de democratie, product van de godloochenende Franse Revolutie, slechts tot atomisering en dus tot verloedering kon leiden. De Vlaams-nationalisten stonden in het België van de jaren '30 overigens niet alleen met hun keuze tegen de democratie en vóór een meer autoritair bestel. De eerste proto-fascistische groeperingen in België waren vlak na de Eerste Wereldoorlog in Franstalige, Belgisch-nationalistische kringen te situeren. En gedurende de jaren dertig zou in hoofdzakelijk katholieke, Franstalige kringen een uiterst-rechtse, Belgisch- en vaak koningsgezinde stroming blijven voortleven.121 De kloof tussen de voor- en tegenstanders van de democratie viel dus niet samen met de communautaire en evenmin met de levensbeschouwelijke of sociale breuklijn. Veeleer doorkruiste zij als een vierde cesuur het Belgische politieke landschap van de jaren '30 en '40. Toch kwam geen enkele politieke beweging in België zozeer in de ban van het totalitarisme als het Vlaams-nationalisme. De Vlaams-nationalistische Uilenspiegel, nochtans een directe nakomeling van De Costers (geadopteerde) geesteskind, overbrugde de kloof tussen democratie en autoritarisme dan ook spelenderwijs. Ongetwijfeld was het vooral onder impuls van de al genoemde Wies Moens dat Uilenspiegel ook een plaats kreeg binnen de retoriek van het Verdinaso, dat mee door Moens boven het doopvont werd gehouden. Het is ver van onwaarschijnlijk dat hij de auteur is geweest van de twee Uilenspiegel-liederen, die de marsen van de Verdinaso-milities moesten begeleiden. In elk geval verraadde de tekst van beide liederen dat hun auteur bekend was met La Légende d' Ulenspiegel. En dat niet alleen omwille van het verrijzenismotief, dat al in de eerste strofe van ‘Uilenspiegel I’ werd gehanteerd om de nakende ‘Dietsche’ of Groot-Nederlandse vrijheidsstrijd aan te kondigen: Als Uilenspiegel is opgestaan. En trekt door de Dietsche landen,

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


66 De Dietschers zullen met hem gaan, Weldra zal de storm ontbranden.

De tweede strofe van dat lied is nog meer schatplichtig aan De Costers roman. Ze kan immers worden gezien als een variatie op het lied dat Uilenspiegel zong terwijl zijn Geuzenschip ‘fier over de baren voer’ (Boek 4, hoofdstuk 2). De centrale, ritmisch herhaalde frase uit dat lied was: ‘Slaat op de oorlogstrom!’ In het Dinasolied werd dat bevel tot een wens voor de nabije toekomst: Als Uilenspiegel de trommel roert, De vreemde tyrannen ten schande, Dan is 't als opnieuw ons ten aanval voert, De Leider der Nederlanden.

Meteen was duidelijk dat de ‘kamp om Dietschland’ niet alleen een nationale strijd moest zijn, maar ook een autoritair bewind onder één ‘Leider’ moest nastreven. Dat onder de vreemde tirannen in de eerste plaats de democratisch gekozen gezaghebbers van België moesten worden verstaan, zal voor de gemiddelde Verdinaso-militant wel duidelijk zijn geweest. In een manicheïstisch geformuleerde slotstrofe eigende de auteur van dit lied zich de geuzensymboliek toe die in de 19de eeuw het monopolie was geweest van de vrijzinnige liberalen. Hij heeft in zijn vlammende geuzenvlag Den kreet der opstanding geschreven, Een groet aan den dag, En een vloek aan den nacht, Zijn wil en zijn wet is Leven!

Terwijl in dit eerste lied een vurige wens werd uitgedrukt, sprak uit ‘Uilenspiegel II’ een groot vertrouwen in de verwerkelijking van die wens: Waar eens de Geuzenschepen dreven, En thans den storm zijn zeilen bouwt staat nog geplant de vlag van Leven, Waakt Uilenspiegel, jong heraut.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


67 Eens toen zijn vader hem liet erven, De zwarte assche van zijn hart, En altoen ging hij mannen werven, Door rampspoed tot soldaat gehard. ... Thans ligt de toekomst heerlijk wijder, Hij weet een jong geslacht bereid, Met hem te volgen Dietschlands Leider, Die geeft zijn Volk: Onsterfelijkheid.122

Uilenspiegel werd dus tegelijk voorgesteld als de grote wegbereider en als de ideale volgeling van Joris Van Severen, die in een nabije en glorieuze toekomst de nieuwe Leider van Dietschland - dus van Vlaanderen en Nederland samen - moest worden. Het Vlaamse Huis ‘Uilenspiegel’ in Gent, dat volgens zijn oprichters een huis voor alle Vlamingen had moeten worden, werd meer en meer een clubhuis van het Verdinaso en toen Wies Moens er in maart 1933 een lezing moest houden, werd het bestormd door een groep woedende socialisten.123 De Costers ‘geest van Vlaanderen’ was de beschermheer geworden van een groep extreme nationalisten en daarmee de schietschijf van hen die als politieke erfgenamen van De Coster kunnen worden getypeerd. Maar de geschiedenis van het Verdinaso zou Uilenspiegel er al gauw toe verplichten opnieuw zijn verbluffende politieke wendbaarheid tentoon te spreiden. In 1934 nam Joris Van Severen het initiatief tot de Nieuwe Marsrichting, waarmee hij niet langer afstevende op de afscheiding van Vlaanderen uit België, maar wel op een Vlaams-fascistische machtsgreep binnen België, dat de kern moest vormen van een eengemaakt Bourgondisch Rijk. Wies Moens achtte dit een verraad aan het Vlaamse ideaal en marcheerde niet mee. Zijn geloof in Uilenspiegel bleef hij evenwel belijden in zijn persoonlijk tijdschrift Dietbrand en in latere geschriften.124 Toch bleven de Dietse Nationaal-Solidaristen ook tijdens hun Nieuwe Mars de Uilenspiegel-liederen zingen en werd de Brugse afdeling van de Dinaso-jeugd de ‘Schaar Uilenspiegel’ gedoopt. Het officiële Belgische programma verhinderde niet dat men de gehanteerde retoriek overwegend uit het Vlaamsromantische discours bleef putten. Tijdens een zogenaamde Ploegavond

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


68 die voor de Dinaso-jongeren werd opgesteld onder het motto ‘Eens heerschten wij over de zeeën’ stond zelfs de lectuur van een hoofdstuk uit de Légende d'Ulenspiegel over de Watergeuzen op het programma.125 Het feit dat hier een rechtstreeks contact met de roman van De Coster werd voorgeschreven, was ongetwijfeld een uniek gegeven binnen het katholieke en rechtse Vlaams-nationalisme, maar het Verdinaso hoorde sinds de Nieuwe Marsrichting dan ook niet meer helemaal thuis in de Vlaams-nationalistische familie. De Uilenspiegel-figuur als dusdanig voelde zich tijdens die late jaren dertig al zeer goed thuis in het Vlaams-nationalistisch milieu, in die mate zelfs dat sommige Vlaams-nationalisten hun zonen of hun woonst naar deze held gingen noemen.126 Zijn trouwe geliefde Nele lijkt er nog wat eerder dan hij volledig te zijn geaccepteerd: al in 1931 mocht zij haar naam verlenen aan twee Vlaamse en katholieke tijdschriften die zich expliciet tot een vrouwelijk publiek richtten. Eén daarvan was de Tolk, later het Orgaan van het Vlaamsch Nationaal Vrouwen Verbond, de Vlaams-nationalistische vrouwenorganisatie die zo mogelijk nog katholieker was dan de Katholieke Vlaamsche Meisjesbond waar zij zich van had afgescheurd om het verbod op politieke actie te kunnen omzeilen. Vanaf 1934 werd dit VNVV de vrouwenvleugel van het nieuw opgerichte VNV. Een motivatie voor de naamgeving van haar tijdschrift gaf deze organisatie niet, wat erop kan wijzen dat de naam Nele op dat ogenblik al in zekere mate ingeburgerd was in Vlaamsvoelende katholieke kringen, die hem in de volgende decennia ook aan veel van hun vrouwelijke boorlingen zouden geven. Dat Nele eerder en misschien ook wel vollediger dan Tijl salonfähig werd in Vlaams-katholieke kringen, was niet zo verwonderlijk: in de roman van De Coster wordt zij weliswaar als de dochter van een heks voorgesteld en worden haar zelf ook enige tovergaven toebedeeld, toch krijgt zij er nergens de antiklerikale allure van haar geliefde. Ook qua seksuele moraal was zij veel gemakkelijker dan Tijl in te lijven in een katholiek discours. Terwijl deze laatste de stem van zijn passies volgt, blijft zij het hele boek door trouw en berustend - op één enkele oorveeg na, die zij Tijl toedient na één van zijn escapades (boek 1, hoofdstuk 27). Dat romantische beeld van de wat mystiekerige en moreel superieure,

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


69 maar weinig op de voorgrond tredende vrouw, was ook terug te vinden in het Nele-beeld van die andere notoire vrijzinnige Brusselaar, Herman Teirlinck. Tot het einde van het boek blijft zijn Nele weesgegroetjes bidden, soms tot ergernis van Tijl. Tot het einde toe blijft zij Tijl ook trouw, iets waarvan deze pas in de laatste bladzijden de waarde inziet. Het idee van vrouwelijke morele superioriteit is in Teirlincks Scharlaken Thijl zelfs zo prominent aanwezig, dat het boek - dat nochtans hoofdzakelijk bevolkt wordt door meestal viriele mannen - uitgroeit tot een pleidooi voor een matriarchale maatschappij. Het revolutionaire karakter van deze oproep was dubieus, want eigenlijk stelde de auteur er heel het woelige moderne leven, dat hij in het boek zo warm en virtuoos had beschreven, fundamenteel door in vraag. Ook in het katholieke discours werd Nele - die zelden actief aan het woord komt - doorgaans voorgesteld als een toevluchtsoord voor geborgenheid temidden van het chaotische leven, als het introverte complement van Tijl Uilenspiegel. Dit thema werd het uitvoerigst uitgewerkt in één van de weinige vrouwelijke Uilenspiegel-bewerkingen. In haar Uilenspiegel-roman De speelman en zijn zoon (1941) liet de katholieke en Vlaams-nationalistische journaliste Jeanne de Bruyn, net als Pol De Mont vóór haar, de geest van Hendrik Conscience optreden. Deze maande Michiel, de zoon van Uilenspiegel, aan het voorbeeld van zijn vader en zijn moeder niet te vergeten. Zijn vader niet omdat niets zijn zang en zijn lach kon doven, zijn moeder niet omdat zij steeds behulpzaam en liefdevol was: ‘Haar lach was zacht van liefde, haar lied klonk innig en stil’. Haar aandeel in Vlaanderens strijd was volgens De Bruyn minstens even groot als die van Uilenspiegel: ‘Door hem kunnen wij nooit slaven worden. Door haar leven wij.’127 Eerder al was deze Nele-visie gemeengoed geworden in katholieke kringen. De brochures waarin de katholieke, Vlaamsgezinde onderwijzer en self-made pedagoog Edward Peeters in de vroege jaren dertig een hernieuwde belangstelling voor het sprookje en meer algemeen voor de ‘zachte waarden’ bepleitte, verschenen in een door hemzelf opgerichte reeks. Die noemde hij niet toevallig de Nele-Reeks. In diezelfde escapistisch-romantische sfeer baadden de zogenaamde ‘brieven van Tijl aan Neleke’ dis Joos Florquin, een jonge

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


70 germanist uit Leuven, tussen 1942 en 1944 liet verschijnen in Nieuw Vlaanderen, het weekblad waarin een groep Leuvense academici een concentratie van katholieken en Vlaams-nationalisten nastreefde rond een federalistisch programma. Die brieven vormden een soort weemoedig dagboek, waarin Tijl zijn liefde voor Nele liet vervloeien met nostalgische mijmeringen over de vredige natuur. Na de oorlog zou het Davidsfonds een aantal van deze brieven bundelen onder de titel De Lente van het hart.128 Bij Florquin straalde het ewig weibliche van Nele dus af op de Tijl-figuur. Toch was deze depolitisering en vervrouwelijking zeker geen voorwaarde voor Tijl Uilenspiegel om aanvaard te worden binnen het katholieke Vlaams-nationalisme. Integendeel zelfs, Florquins weemoedige Tijl-versie was rnin of meer een unicum, terwijl de eigenlijke Vlaams-nationalistische Tijl tijdens de jaren '30 steeds mannelijker en strenger was geworden. De Tijl die tijdens de late jaren '30 de Vlaams-nationalistische bladen overwoekerde - onder meer het VNV-dagblad Volk en Staat, waar Armand Panis hem een hoofdrol toebedeelde in zijn prenten - en die optrad op Guldensporenfeesten, Vlaams-Nationale Zangfeesten en volksdansmanifestaties129, dat was de Tijl zoals hij door Anton Van de Velde en in het Verdinaso was geboetseerd. In tegenstelling tot de Uilenspiegel van de activisten verscheen die van de Vlaamsnationalisten vrijwel nooit samen met Nele, maar als een alleenstaande, heroïsche figuur: rijzig van gestalte130, strak voor zich uitkijkend, uitgedost in een middeleeuws plunje en voorzien van strijdvaardige, Vlaams-nationalistische attributen: een trommel (‘slaat de oorlogstrom’), een goedendag of zwaard, een leeuwenschild. De ‘heroïsering’ en ‘politisering’ van de schalk - een proces dat al bij De Coster was begonnen - ging gepaard met een verregaande ‘dehumorisering’. Klachten over dit teloorgaan van het humoristisch karakter van Uilenspiegel ten voordele van zijn politieke boodschap waren er al zeer vroeg. Het Leuvense katholiekflamingantische blad Uilenspiegel ontving na haar eerste nummer in februari 1878 een lovende brief van een gelijkgezinde, die zich er toch over beklaagde dat Uilenspiegel zo weinig grappen had uitgehaald tijdens het eerste nummer, want ‘al lachend zegt men de waarheid’. De redactie wees ter verontschuldiging op het feit dat er zoveel ernstige dingen tijdens de laatste maanden op Uilenspie-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


71 gels gemoed hadden gewerkt, dat hem de lust tot lachen was vergaan. Maar ze beloofde dat hij in het vervolg vrolijker zou zijn.131 Toch was dit maar een deel van het verhaal. Want eigenlijk zette zich in deze jaren '30 een proces verder dat zich al van bij het begin van de Vlaamsgezinde recuperatie van Uilenspiegel had ingezet, namelijk een ontdubbeling van de facetten die de Uilenspiegel van de Légende in zich verenigd had. Voor De Coster was hij namelijk zowel de schalk als de strijdende held - al groeide doorheen het boek het aandeel van dit laatste aspect -, in het Vlaams-nationale vertoog werd hij óf het ene óf het andere. De schalkse Uilenspiegel werd daarbij minder expliciet politiek geprofileerd, maar toch was hij misschien even functioneel in de Vlaamse identiteitsconstructie als zijn meer heroïsche alter ego. Want zoals de Vlaamse Beweging op zoek ging naar een eigen verleden, een eigen literatuur en een eigen kunst, zo wilde zij ook een eigen humor. Het was een humor die zich moest onderscheiden van het Engelse cynisme en het Franse raffinement, een humor die hooguit ‘ondeugend’, maar zeker nooit ‘ongezond’ mocht zijn, en die moest leiden tot wat later de ‘gulle Vlaamse lach’ zou genoemd worden. De Uilenspiegel-figuur was een belangrijke pion in de constructie van een dergelijke humor. Tijdens het Vlaams Nationaal Zangfeest van 1941 in Brussel gaf Wies Moens een definitie van wat volgens hem de Vlaamse (of ‘Dietsche’) humor moest zijn: ‘Vroedheid op z'n Dietsch wil zeggen [...] ernst die lachen kan, - wijl vroolijkheid en lach voor ons nooit franje zijn aan de oppervlakte des levens, maar met den grond er van verbonden blijven.’ Om aan te geven dat dit soort humor ook in het Vlaamse liederenrepertorium een plaats moest krijgen, voegde hij eraan toe: ‘Ook Uilenspiegel mengt z'n stern in 't vroede lied van Dietsch karakter.’132 Het is dan ook niet verwonderlijk dat het vaak radicale Vlamsgezinden waren die kluchtige versies van Uilenspiegel op de markt brachten, meestal geïnspireerd door het. Volksboek, maar vaak ook doorspekt met elementen uit het eerste boek van de Légende d'Ulenspiegel. Zo liet de later hevig Duitsgezinde activist Raf Verhulst tijdens de Eerste Wereldoorlog onder het pseudoniem Luk een jeugdboek verschijnen over De jeugd van Tijl Uilenspiegel. Het boek, dat geen expliciete politieke of nationale boodschap uitdroeg, werd tijdens de Tweede Wereldoorlog herdrukt door de

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


72 uitgeverij Volk en Staat. De illustraties waren van Armand Panis, die dus twee zéér verschillende Uilenspiegels in zijn mars had: de jonge guit en de volwassen held. Het boek vertoonde slechts een verwantschap met dat van De Coster doordat het zich afspeelde tijdens de Nederlandse Opstand. Verhulst had zich voorgenomen er een tweede deel bij te schrijven, dat Oranje en Uilenspiegel zou heten en ‘dat heelernaal anders moest zijn dan de Tijl van Charles de Coster, hoewel hij dezes meesterstuk onvoorwaardelijk roemde’.133 Dat vervolg, waarin ongetwijfeld de held meer dan de schalk centraal zou hebben gestaan, kwam er nooit. Ook de ‘luchtige’ Uilenspiegel-adaptatie van Jan H. Eekhout (1943), een Zeeuws-Vlaming met Vlaams-nationalistische én nationaal-socialistische sympathieën, kan gerangschikt worden in de categorie Uilenspiegel-aanpassingen die, zonder een politieke boodschap uit de dragen, toch moesten bijdragen tot de creatie van een eigen Vlaamse identiteit. Maar niet alleen via het geschreven woord werd Uilenspiegel als het prototype van de Vlaamse grapjas verspreid. De derde Vlaamse langspeelfilm uit de geschiedenis heette immers Uilenspiegel (1935) en was een productie van Jan Vanderheyden, dezelfde die een jaar tevoren De Witte van Ernest Claes had verfilmd. Net zoals zijn voorganger draaide ook deze film volledig rond de onschuldige guitenstreken van de hoofdfiguur.134 Wie de politieke en de komische functie van Uilenspiegel met elkaar trachtte te verenigen, was Florimond Grammens, de onderwijzer uit Ronse die tijdens de jaren 1937-38 met de verfkwast langs de taalgrens en weldra door heel het Vlaamse land trok om alle uithangborden te vernederlandsen, een actie die hij later als een ‘Uilenspiegelkamp’ zou omschrijven.135 Zijn ophefmakende operatie werd ondersteund door een aantal propagandistische liederen die speciaal voor de gelegenheid werden gecreëerd. Op het traditionele wijsje van Het loze vissertje dichtte een zekere Bert Bel een nieuwe tekst, die de titel Het gramme schilderke meekreeg en waarin het Uilenspiegel-motief prominent aanwezig was: Op 't erf van Tijl en Neleke Daar woekert vreemd venijn, venijn! De huisbaas laat het stil begaan Maar Flor verft alles rein, ja rein!136

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


73 Tegenover Tijl en Nele, die als brave burgers hun erf bestieren, werden de Lamme Goedzakken geplaatst. Anders dan in vorige Vlaams-nationalistische Uilenspiegel-interpretaties waren zij hier niet zomaar de lakse fatalisten, maar wel actieve handlangers van het ‘vreemd venijn’: De Lamme Goedzak-knechtenbent Hield toen de schilder staan, ja staan!

Dergelijke lafhartigheid zou de auteur aan het wanhopen hebben gebracht, ware daar niet ‘de geest van Tijl’ als garantie voor de heropstanding: Waar is der Vaad'ren fierheid heen! Zong Rodenbach weleer, weleer! De geest van Tijl herleve thans, Zo redt g'uw broeder weer, ja weer!

Het concrete werktuig van de geest van Tijl was Flor Grammens. Die moest dan ook, na de heropstanding, beloond worden: Op 't erf van Tijl en Neleke, moet straks te pralen staan, ja staan! Het standbeeld van het schilderke Dat schoonmaak heeft gedaan! ja daan!

Tegenover deze proliferatie van het Uilenspiegel-motief in de rechtse, overwegende katholieke vleugel van de Vlaamse beweging, verbleekten zijn liberale en links-revolutionaire tegenhangers vrijwel geheel. Wel dook hij geregeld op in een ‘linkse’ context, maar slechts zelden verkondigde hij daarbij een uitgesproken proletarische, revolutionaire of zelfs maar antiklerikale boodschap, wat hij in die tijd wel deed in de Weimar Republiek, waar zijn naam prijkte boven een heftig antiklerikaal, satirisch en revolutionair weekblad.137 Frans Masereel kwam misschien nog het dichtst in de buurt van deze proletarische Uilenspiegel-interpretatie van Uilenspiegel in de reeks houtsneden die hij aan dat personage wijdde. Ze ver-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


74 scheen overigens niet toevallig als illustratie van een Duitse Uilenspiegel-vertaling uit 1927. De arbeidende, feestende en lijdende massa is prominent aanwezig op deze gravures. Zelden werden afzonderlijke figuren erin uitvergroot. Maar wanneer in datzelfde jaar, bij de honderdste verjaardag van De Costers geboorte, een speciaal nummer van de socialistische brochure-reeks ‘De wilde roos’ aan hem werd gewijd, werd als auteur de De Coster-specialist Lode Monteyne gevraagd. Monteyne, een vertegenwoordiger van het Vlaamsgezinde liberalisme uit het interbellum, had al in 1917 een boek over De Coster gepubliceerd en had tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn medewerking verleend aan het al genoemde activistische weekblad Vlaamsch Leven. Zijn Uilenspiegel-interpretatie was dan ook bezwaarlijk links, laat staan revolutionair te noemen.138 Tijdens datzelfde herdenkingsjaar pleitte die andere liberale literator, de oud-Van Nu en Strakser Emmanuel De Bom ervoor om La Légende d'Ulenspiegel te laten uitgroeien tot ‘de Bijbel van het Vlaamsche Volk’. Hij alludeerde hiermee impliciet op Camille Lemonnier. Als middel daartoe stelde hij een officiële, door het Ministerie van Kunsten en Wetenschappen gesubsidieerde uitgave voor, die in twee talen zou verschijnen. De Bom schreef zich dus in de liberaal-flamingantische traditie in, die Uilenspiegel niet ten koste, maar integendeel ten bate van België voor Vlaanderen wilde opeisen. Hoe nauw verwant de liberale en de socialistische Uilenspiegel waren, bleek uit het feit dat De Boms gedroomde uitgave van het epos zou verlucht worden door de houtsneden van Masereel.139 De Boms pleidooi voor zo'n uitgave was niet zo absurd, want aan het hoofd van het Ministerie voor Kunsten en Wetenschappen stond op dat ogenblik de socialist Camille Huysmans, een vurig bewonderaar van Charles De Coster en Tijl Uilenspiegel. Huysmans steunde tijdens zijn ministerschap de De Coster-studie onder meer door aan Joseph Hanse een aantal onuitgegeven manuscripten ter beschikking te stellen. Maar om een nieuwe, officiële Uilenspiegel-editie op de markt te brengen, was - gesteld al dat Huysmans dergelijke plannen gekoesterd heeft - het socialistisch-christen-democratische interregnum (1925-1927) ongetwijfeld te weinig duurzaam. Al op 22 november 1927 werd hij opgevolgd door de liberaal Vauthier, die zich weliswaar haastte ook zijn wel-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


75 sprekendheid ten dienste te stellen van de herdenking van Charles De Coster140, maar die zeker niet Huysmans' passie voor Uilenspiegel deelde. In de mate dat Camille Huysmans' eigenzinnige Uilenspiegelinterpretatie van politieke aard was, moet ook zij eerder liberaal dan socialistisch, laat staan revolutionair, worden genoemd. In de merkwaardige studie die hij in 1937 (in het Frans) liet verschijnen over Reinaert en Uilenspiegel, de demon en de duivel, onttrok Huysmans, die ondertussen burgemeester van Antwerpen en Kamervoorzitter was geworden, De Costers romanfiguur zelfs expliciet aan de klassenstrijd. De sociale kwestie interesseerde Uilenspiegel niet volgens Huysmans, wél de strijd voor de vrijheid tegen de vertegenwoordigers van de feodale maatschappij.141 Dat zijn liefde voor Uilenspiegel als vrijheidsheld in die jaren een opflakkering kende, was misschien ook te wijten aan zijn antifascistisch engagement in de Spaanse Burgeroorlog. Als in datzelfde jaar 1937 de socialistische jongeren de naam Ulenspiegel voor hun weekblad kozen, kan ook voor hen de voornaamste motivatie eerder anti-fascistisch dan sociaal geweest zijn. Het feit dat zij zich voor de keuze van hun titel niet uitdrukkelijk verantwoordden, kan erop wijzen dat Uilenspiegel in linkse kringen eerder als een herkenbaar icoon was gaan fungeren dan als het uitgewerkte en weloverwogen symbool dat hij ondertussen voor de Vlaams-nationalisten was geworden. Ook ‘links van de BWP’ stak de Uilenspiegel tijdens die late jaren '30 steeds meer de kop op. Op de affiche waarmee de Vlaamsche Kommunistische Partij in juli 1939 haar aanhang naar haar Landdag in Aalst wilde lokken, prijkten Tijl Uilenspiegel en Lamme Goedzak. Met een schaterlach om de mond en een zweep in de hand verjagen zij de fascisten van het VNV. Opnieuw wordt Uilenspiegel dus niet zozeer opgevoerd als een strijder tegen sociaal onrecht, dan wel als een fascistenjager - of nog, als een strijder voor de vrijheid en de democratie. Deze ‘vierde breuklijn’ in het politieke landschap overvleugelde in die late jaren '30 immers de andere drie breuklijnen, óók de sociale.142 Wat opvalt, is dat deze antifascistische Tijl op de affiche verschijnt als de fratsenmaker van het volksboek, veeleer dan als de tragische held van De Coster. Was het De Costers noodlot dat hij, die van Tijl Uilenspiegel een so-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


76

Boven en rechts: In de loop van 1939 maakten de Vlaams-nationalisten en de communisten in hun propaganda op een zeer gelijkaardige manier gebruik van het Uilenspiegel-thema.

ciaal- en Vlaamsvoelende voorvechter van vrijheid en rechtvaardigheid had willen maken, de stof heeft geleverd waaruit de Vlaams-nationalistische en antidemocratische Tijl is geboetseerd? En dat wie Uilenspiegel als progressieve held wilde voorstellen, over De Coster heen weer naar het weinig verheven volksboek moest? Toch is het niet onwaarschijnlijk dat de Uilenspiegel die in 1939 op de affiche werd voorgesteld, in feite een loot was van dezelfde boom waaruit ook de Vlaams-nationalistische Tijl was voortgesproten - een boom waarvan de zaden al v贸贸r de Eerste Wereldoorlog waren uitgeworpen, maar die in het activisme wortel had geschoten. De Vlaamsche Kommunistische Partij was immers in 1937 ontstaan na een richtlijn uit Moskou om de Vlaamse kaart te trekken. Het gebruik van de Vlaamse Leeuw als symbool moest vorm geven aan dat Vlaamse karakter.143 Dat vergde misschien niet zo'n spectaculaire metamorfose als zou kunnen worden vermoed. E茅n van de leidende figuren van de Vlaamsche Kommunistische Partij was immers Jef Van Extergem, de Antwerpenaar die tijdens de

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


77 Eerste Wereldoorlog secretaris was geweest van de activistische Socialistische Jonge Wachten en die daarom het verwijt te verduren kreeg dat hij ‘te veel flamingant en te weinig socialist’ was.144 Méér dan elders bleef in Antwerpen ook na de Eerste Wereldoorlog het revolutionaire socialisme sterk verstrengeld met de progressieve vleugel van het radicale Vlaams-nationalisme. Het was trouwens dat milieu van linkse flaminganten dat tijdens die jaren een

verzamelpunt had in het Antwerpse café Ulenspiegel. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat Van Extergem en zijn Vlaamsche Kommunistische Partij in hun keuze voor Uilenspiegel als motief eerder beïnvloed werden door deze Vlaamsgezinde traditie dan door eventuele richtlijnen uit of beïnvloeding door Moskou. Die beïnvloeding lijkt zelfs zeer direct te zijn geweest. Voor de vervroegde parlementsverkiezingen van 2 april 1939 had Volk en Staat zijn lezers opgeroepen te stemmen voor het Vlaamsch Nationaal Blok, tegen alle machten van het ‘oude regime’. Uilenspiegel was bij die gelegenheid opnieuw te voorschijn getoverd. ‘Volk van Vlaanderen,’ zo kon men lezen, ‘de aloude Vlaamsche spotvogel, Tijl Uilenspiegel, laat zijn zwepe kletsen rond de bibberende beenen der drie schuldbewuste kleurpartijen.’145 Een prent van Armand Panis (onder het pseudoniem Pik), die daags voor de verkiezingen in het blad verscheen, bracht dit plastisch tot uitdrukking. Een guitig lachende Uilenspiegel-figuur verjaagt er, niet met een zweep maar met een enorm verkiezingspotlood, alle vertegenwoordigers van het verfoeide België, óók de joodse emigranten uit het nationaal-socialistische Duitsland. Of de Vlaamsche Kommunistische Partij zich door deze

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


78 prent heeft laten inspireren bij zijn antifascistische campagne is niet zeker, maar de gelijkenissen lijken te groot om toevallig te zijn. Door het niet-aanvalspact tussen Duitsland en Rusland van 1939 kwam de antifascistische Tijl van de Vlaamsch Kommunistische Partij in moeilijke papieren. Toen de oorlog in mei 1940 overspoelde naar België, konden haar aanhangers immers niet eenduidig partij kiezen tegen het fascisme en moesten zij al hun pijlen richten tegen de Angelsaksische ‘plutocratie’.146 Dat was ook de koers die het in januari 1940 door de Vlaamsche Kommunistische Partij opgerichte weekblad Ulenspiegel trachtte te varen.147 De hoofdredacteur van dit blad was Frans Van Haver, die zijn sporen in de Frontpartij had verdiend. In de erg beknopte toelichting van de naamgeving in het eerste nummer van het blad, stond Uilenspiegels vrijheidsliefde centraal: ‘“Uilenspiegel” liet zich nooit omkoopen, niemand wist hem ooit “gouden ketens” aan te leggen, hij wilde vrij staan en hij stond vrij.’ Die omschrijving vertoonde wel een zekere affiniteit met de Légende, maar was geen directe of noodzakelijke verwijzing ernaar.148 Behoudens deze terloopse verwijzing en de tekening van een schalks lachende Uilenspiegel en Lamme die wekelijks op de voorpagina verscheen, kwam de held aanvankelijk nauwelijks voor in het blad. Na de Duitse inval in België, op 10 mei 1940, was Ulenspiegel dankzij zijn anti-Engels karakter een van de eerste bladen die opnieuw konden verschijnen. Omdat de uitgevers in de nieuwe situatie interessante mogelijkheden zagen, waagden zij het er zelfs op Ulenspiegel als dagblad te laten verschijnen. De naam van het blad vereiste wel een vernieuwde legitimatie, want ‘van vele zijden wordt ons de opmerking gemaakt, dat de titel ‘Ulenspiegel’ niet geschikt is voor een blad, dat het teveel doet denken aan een weekblad, ja zelfs aan een bepaald soort weekblad, namelijk een hekelblad, een moppenblad. De folkloristische Uilenspiegel staat nu eenmaal bekend als een schalk, die de menschen er in laat vliegen.’ Om desondanks de voortzetting van de naam te rechtvaardigen, werd ditmaal wél expliciet een beroep gedaan op ‘het onsterfelijke werk van den Vlaming De Coster.’ Zijn Uilenspiegel was immers ‘de levende geest van het volk die over de tijdelijke veranderingen heen in tijden van nood en rampen als in tijden van vrede en welvaart, onsterfelijk leven blijft.’ Dankzij die eigenschap kon

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


79 hij de verrijzenis symboliseren van het Vlaamse volk na de ‘schijndood’ die het had beleefd door toedoen van de Inquisitie. ‘Ook thans,’ zo ging de Ulenspiegel-redactie verder, ‘is het Volk schijndood, het werd geworgd door heerschzuchtige en hebzuchtige plutokraten en financiers, die hun machtigen klauw om zijn strot legden.’ Maar daarmee was het nu gelukkig gedaan: ‘De heropstanding van het levende Volk is nakend!’ Retroactief werd een nieuwe en historisch verdraaide interpretatie gegeven aan de eigen naamgeving een half jaar voordien. Deze werd expliciet ‘in het teeken van deze heropstanding’ geplaatst.149 de polyvalentie van de Uilenspiegel-figuur kwam de redactie goed uit om de continuïteit te benadrukken tussen haar anti-Engels getinte neutralisme vóór en haar Vlaams-nationaal gelegitimeerde collaborationisme tijdens de bezetting. Ook in de schaarse gevallen waarin Uilenspiegel naderhand in het blad verscheen, vertoonde hij eerder de kenmerken van de Vlaams-nationale dan van de proletarische held. In een bespreking van een opvoering van het kindertoneelstuk Uilenspiegel in het Antwerpse theater Zonnebloem werd hij bijvoorbeeld het symbool genoemd, niet alleen van de vrijheidsliefde, maar ook van de ‘verknochtheid aan eigen bodem, Vlaanderen.’150 Wanneer de redactie van Ulenspiegel zich eind januari 1941 niet langer kon verzoenen met de steeds verdergaande eisen van de bezetter, kwam het blad, onder dezelfde naam, tijdelijk in handen van het toen al volop collaborerende VNV. Voor Tijl Uilenspiegel was deze stap van communisme naar nationaal-socialisme niet zo groot als men op het eerste zicht zou vermoeden, niet alleen door het eigenaardige gegeven van het Von Ribbentrop-Molotov-pact, maar ook omdat Tijl als symbool door communisten en Vlaamsnationalisten gedeeltelijk uit hetzelfde vaatje was getapt. De paradoxale situatie waarin de Uilenspiegel-figuur door de Vlaamse Kommunistische Partij werd gebracht, was in zekere zin typerend voor zijn wedervaren tijdens de Duitse bezetting. Die bezetting leidde enerzijds tot een plotse verwijding van de ideologische kloof tussen democraten en antidemocraten. Anderzijds versterkte zij ook langs beide zijden, en in het brede veld dat daartussen lag, een nationale (Belgische en/of Vlaamse) reflex, die deze kloof dan wel niet wist te dempen, maar haar toch, althans tijdens

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


80

Bij het begin van de oorlog symboliseerde de ‘asse van Claes’ het leed van de Vlaamse ‘verdachten’ die in Franse kampen waren geïnterneerd.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


81 de eerste oorlogsmaanden, enigszins aan het blikveld onttrok.151 De nationale retoriek en het beroep op een verdiept nationaal samenhorigheidsgevoel werden immers gedeeld door de democratische Vlaamsgezinden en de anti-democratische Vlaams-nationalisten. Dat in die omstandigheden een beroep werd gedaan op Tijl Uilenspiegel, die al vóór de oorlog door beide kampen was toegeëigend, maar die tegelijk een nationaal symbool was, lag voor de hand. De oorlogsperiode gaf dan ook een ongekende bloei aan het Uilenspiegel-motief, binnen de meest antagonistische politieke vertogen. Gheyselincks typering van Uilenspiegel als een ‘held voor kritische tijden’ lijkt niet slecht gekozen.152 Opnieuw viel daarbij het gemak op waarmee Uilenspiegel zich doorheen het politieke spectrum kon bewegen. Zo werd de Almanak van Uilenspiegel, die al sinds het einde van de 19de eeuw jaarlijks als een volksagenda bij de liberale krant Het Laatste Nieuws was gevoegd, zonder meer verder uitgegeven nadat die krant in handen was gekomen van een Vlaams-nationalistische collaborerende groep.153 Het discours in deze Almanak leek sterk op het activistische discours van een kwarteeuw eerder. Ook nu sprak Uilenspiegel, ‘de geelzwarte vlag hoog in de hand geheven,’ over de ‘nieuwe dageraad’ die men tegemoet ging. Duitsland werd daarbij ‘de beschermer en vrijwaarder van onze oude beschaving, van onze oude en kostelijke kultuurschatten’ genoemd.154 Dat de Vlaams-nationalistische Uilenspiegel tot een veelgebruikt thema werd in een collaboratoir discours mag vreemd lijken vanuit zijn verleden als weerstander tegen de Spaanse onderdrukking, de tussenoorlogse ontwikkeling van het Vlaams-nationalisme maakte deze evolutie bijna vanzelfsprekend. Niet de Duitse bezetter werd als de onderdrukker gezien, maar wél het democratische Belgische regime en zijn nog verderfelijkere Franse en Angelsaksische bondgenoten. In een door de VNV-Uitgeverij Volk en Staat gepubliceerde brochure van Liederik - een pseudoniem waarachter de Brusselse journalist Joris Fassotte schuilging - werd Uilenspiegel ingespannen tegen het Amerikaanse kapitalisme, dat werd verpersoonlijkt door Teddy Moneymaker. Diens geldhonger was zo groot dat hij zich onnozelweg in de luren liet leggen door Uilenspiegels verhaal over een ‘geld-schijtend ezeltje’. Hoe ver deze collaborerende Uilenspiegel ook van De Costers

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


82 vrijheidsheld mag lijken te zijn verwijderd, zijn favoriete leuze was in elk geval dezelfde: ‘De asse van Claes klopt op mijn borst’. Was deze leuze al in het tussenoorlogse Vlaams-nationalisme een herkenbaar motief geworden, dan werd zij in collaboratiemilieus een aanhoudend herhaalde, bezwerende formule. Soms kreeg zij een zeer concrete en actuele betekenis. Zo verscheen op 15 augustus 1940 in Volk en Staat een prent van Armand Panis, waarop de heroïsche Uilenspiegel verscheen met de woorden: ‘Op mijn borst klopt de assche van Klaas, mijn vader, en van al mijne gemartelde broeders.’ Wie deze gemartelde broeders waren, werd duidelijk gemaakt in een reeks plaatsnamen: Auvours, Cézembre, Fresnes, Orne, Saint-Cyprien, Le Vernet. De eerst vier verwezen naar de tuchtkampen van het Belgische leger in Bretagne, waar tijdens de Eerste Wereldoorlog een aantal Frontsoldaten waren bestraft. De laatste twee waren kampen in Frankrijk waar het Belgische ministerie van justitie in samenspraak met de Staatsveiligheid na de Duitse inval in mei 1940 een aantal ‘verdachten’ had laten interneren. Die ‘verdachten’ waren niet uitsluitend Vlaams-nationalisten, maar ook communisten en uitgeweken Duitsers. Maar het was vooral in het Vlaams-nationalistische discours dat deze kampen symbolen werden van de vermeende Belgische én Franse onderdrukking en terreur.155 In de prent van Panis werd dit motief nog kracht bijgezet door de goederenwagon op de achtergrond, waarin de verdachten als vee werden samengeperst. Meestal werd aan de ‘asse van Claes’ niet zo'n concrete inhoud gegeven, maar werd ze gebruikt als metafoor voor de (Vlaamse) voorouders in het algemeen. Dat gold niet alleen voor de VNV-gezinden, die hun medewerking aan de Duitse oorlogsinspanning trachtten te legitimeren onder verwijzingen naar een toekomstige, relatieve autonomie voor Vlaanderen, maar waarschijnlijk nog meer voor diegenen die zich met hart en ziel overgaven aan de strijd van het nationaal-socialistische Duitsland. Eén van hen was René Lagrou, een Antwerpse advocaat die zijn sporen had verdiend in de katholieke studentenbeweging en die vanaf het najaar van 1940 oprichter en leider werd van de Vlaamse SS (later omgevormd tot de Germaansche SS voor Vlaanderen), een organisatie die de ideologische en raciale zuiverheid van Himmlers Schutzscharen nastreefde.156 Bij de Duitse inval op 10 mei 1940 be-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


83 hoorde Lagrou, omwille van zijn nationaal-socialistische opvattingen, tot de zonet vermelde groep ‘verdachten’. Over zijn ervaringen in Frankrijk liet hij een boek verschijnen (Wij, verdachten) dat meteen ook dienst kon doen als een anti-Frans en pro-Duits propagandapamflet. Een opsomming van de Franse pogingen uit het verleden om Vlaanderen ‘op te slorpen’, maakte hem euforisch over het niet-aflatende Vlaamse verzet: ‘Zoo onverwoestbaar is dat leven hier in deze gewesten geweest. Met welken heftigen polsslag heeft die eeuwige assche van Claes op die borsten geklopt.’157 Een geestesgenoot van René Lagrou, zij het met minder uitgesproken katholieke wortels, was de germanist Jef Van de Wiele, de leider voor Vlaanderen van de Deutsch-flämische Arbeitsgemeinschaft (DeVlag). Die arbeidsgemeenschap was halfweg de jaren '30 ontstaan als een academisch cenakel waar Duitse en Vlaamse geleerden elkaar konden ontmoeten, maar groeide tijdens de oorlog uit tot de politieke vleugel van de SS en tot de voornaamste concurrent van het VNV in de strijd om de Duitse gunst. De brochure Op zoek naar een Vaderland, die Van de Wiele in 1941 liet verschijnen, groeide zowat uit tot de bijbel van de DeVlag-strekking. Doorheen een historisch relaas trachtte hij de onverbrekelijke band tussen alle Germaanse volkeren aan te tonen en meteen ook de nood om die band in Rijksverband, onder Duitse leiding, opnieuw te smeden. Daarbij moest volgens Van de Wiele niet gevreesd worden voor een onderdrukking van Vlaanderen door Duitsland, want de Vlamingen hadden altijd een eersterangsrol gespeeld onder de Germanen. Om die zelfbewuste stelling kracht bij te zetten, deed hij een beroep op Tijl Uilenspiegel: ‘Wij weten, wij dragen het bewustzijn, dat Vlaanderens taak de taak zijn zal van een heerenvolk, van een volk dat leiding geven kan. De asch van Claes klopt op onze borst!’158 Om de ‘geestelijke betrekking tussen Vlaanderen en het Rijk’ te verstevigen, richtte Van de Wieles DeVlag in 1942, in samenwerking met de ontspanningsvereniging ‘Kraft durch Freude’, een reizend toneelgezelschap op, dat vooral optrad voor Vlaamse arbeiders in Duitsland. Om de continuïteit met de vooroorlogse theatertraditie in Vlaanderen te benadrukken, werd aan dit gezelschap de naam ‘Volkstooneel’ gegeven. Toch was die continuïteit niet helemaal fictief, want als steracteur van dit gezelschap, dat onder de

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


84 artistieke leiding van Marcel Ameye stond, trad Renaat Grassin op. En ook in het repertoire zocht men aansluiting met het interbellum. Zo werd er in 1942 ook een Tijl Uilenspiegel opgevoerd, waarin de held zijn trouw aan het nationaal-socialistische Duitsland openlijk beleed. De tekst was geschreven

De DeVlag liet Uilenspiegel ook op het toneel zijn geloof in de Vlaams-Duitse bloed- en belangengemeenschap verkondigen.

door ene Graverson, maar aangepast door Renaat Grassin.159 Op 11 juli van dat jaar bracht trouwens ook de Gentse afdeling van het VNV een openluchtversie van Graversons stuk,160 Ook in de machtsstrijd die, met de Duitse gunst als inzet, woedde tussen het VNV en de DeVlag, werd Uilenspiegel dus als pion ingezet. Helaas heb ik de tekst van dit stuk niet teruggevonden, en weet ik dus ook niet of de VNV-versie minder annexionistisch getint was dan die van de DeVlag. De trouwbetuigingen aan Duitsland bleven overigens niet zonder gevolgen. Wanneer de Duitse machthebbers vanaf de zomer van 1941 de Europese cultuur meenden te moeten verdedigen door het communistische regime in de Sovjet-Unie te bestrijden, achtten Van de Wiele en zijn partijgenoten het de taak van de Vlamingen actief mee te werken aan deze strijd. Zij begonnen dan ook vrijwilligers te ronselen voor de Waffen-SS. Ze waren daarin voorafgegaan door het VNV van Staf De Clercq. Vooral die laatste werd daarbij gelokt door de Duitse belofte dat in de Waffen-SS een zogenaamd autonoom Vlaams Legioen zou worden gecreëerd.161 Bij deze wervingscampagne maakte het ‘Ersatzkommando Flandern der Waffen-SS’ dankbaar gebruik van de Uilenspiegel-figuur, die nu op grote affiches in de straten verscheen. Vóór een dubbele achtergrond, bestaande uit enerzijds een leeuwenvlag, anderzijds een hakenkruis, werd hij door de tekenaar Gard Van-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


85 mechelen vol pathos afgebeeld in een dramatische en ijzig-ernstige houding.162 Als onderschrift bij deze affiche stond in Gotische letters te lezen: ‘De assche van Claes klopt op mijne borst. Uilenspiegel roept ook U naar de Waffen-SS.’ De verschrikkingen die deze vrijwilligers moesten beleven aan het Oostfront, werden door de propagandamachine van de nazigezinde krachten in Vlaanderen

Tijl Uilenspiegel moest de Vlaamse jongeren ervan overtuigen om aan het Oostfront tegen het ‘rode monster’ te gaan strijden.

gesublimeerd tot een heroïsch verhaal van ridderschap en offervaardigheid. Deze verheerlijking kende haar hoogtepunt tijdens de optocht in Brussel ter herdenking van Reimond Tollenaere, de onstuimige extremist die als enig kopstuk van het Vlaams-nationalisme de uiterste consequenties van zijn radicale Duitsgezindheid had getrokken door in de voorste gelederen van het Oostfront te gaan sneuvelen. De optocht te zijner ere, op 12 juli 1942, werd het meest indrukwekkend georkestreerde machtsvertoon van het militante Vlaams-nationalisme tijdens de Tweede Wereldoorlog.163 Ter gelegenheid van die gebeurtenis werd door de paramilitaire vleugel van het VNV, de Dietsche Militie-Zwarte Brigade, een boekje met satirische prenten en verzen uitgegeven als nummer 1 van de ‘Uilenspiegelreeks’. In dat boekje werden de verdwaasde reacties van de Brusselse bourgeoisie op de Vlaamse, nationaal-socialistische manifestatie gehekeld. De karikaturen waren getekend door ‘Kaproen’, van wie nu wel vast lijkt te staan dat het de schuilnaam was van Willy Vandersteen.164 De auteur van de verzen noemde zich Uilenspiegel maar was eigenlijk niemand minder dan de jonge Ant-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


86 werpse dichter Bert Peleman, die toen propagandaleider was van de Dietsche Militie-Zwarte Brigade. Later zou hij één van de meest gereputeerde Uilenspiegel-fanaten worden. Ter inleiding tot zijn boekje noteerde Peleman: ‘Bij de Reimond Tollenaere-marsch [...] klopte Klaas' assche op Tijl's borst alsmede op de borst van 12.000 opmarscheerende Dietsche soldaten’.165 Charles De Costers motief moest dus niet alleen het nodige elan opwekken waarmee duizenden jongeren gemobiliseerd konden worden om de ontberingen en verschrikkingen van het Oostfront tegemoet te gaan, het moest ook fungeren als zingever van het eindeloze leed dat in de Russische vlakten werd geleden. Deze zingevende, maar tegelijk verdovende functie van een obstinaat herhaalde formule werd ook tot uitdrukking gebracht door Willem Grauls in De Nationaalsocialist, het VNV-weekblad waarin geregeld werd gemobiliseerd voor het Oostfront: ‘In harde oogenblikken,’ aldus Grauls, ‘in de branding van dezen angstigen tijd, wanneer de bezinning over ons nederdaalt en men zijn laatste zekerheden mobiliseert voor de uiteindelijke beslissing, dan weten wij: de assche van Claes klopt op onze borst.’ Voor hem was De Costers Légende d'Ulenspiegel ‘de vrijbrief en de keure’ die ‘het aantredend, Dietsch geslacht, door het omhulsel van een vreemde taal’ had ontvangen.166 Maar het is duidelijk dat bij heel deze nationaal-socialistische recuperatie van Tijl - die rechtsreeks aansloot bij de katholiek-nationalistische van het interbellum - het Vlaamse of zelfs het ‘Dietse’ aspect nog slechts een voorwendsel was om een Duitsgezinde, anti-communistische en anti-democratische boodschap te verkopen. Ook het vooroorlogse Lamme Goedzak-motief kon worden teruggevonden in de retoriek van het Vlaamse nationaal-socialisme. Van de Guldensporenvieringen van 1942 stond er niet alleen één in het teken van Uilenspiegel, maar droeg ook één de titel ‘Lamme Ontwaak’.167 Volgens sommigen moest Lamme evenwel niet ontwaken om de Vlaamse heropstanding mogelijk te maken, maar moest hij integendeel de eeuwige slaap ingaan. In de Dietsche Militie/Zwarte Brigade liet propaganda-leider Peleman behalve het oude Uilenspiegel-lied van het Verdinaso ook een zelf gecomponeerd Noodhoornlied zingen, waarin de begrafenis van Lamme Goedzak als een zege van en een zegen voor het Vlaamse volk werd voorgesteld, al was ‘Dietschlands nood’ er nog niet volledig door geweken:

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


87 Lamme Goedzak ligt begraven. Snoert de gordels vaster aan Lamme Goedzak ligt begraven! Hangt de hespen aan de maan! Laat zijn ezel rustig grazen, werpt hem 't laatste wittebrood. Hoort bij nacht den Noodhoorn blazen. Dietschland, Dietschland is in nood!168

Hoewel de continuïteit tussen deze nationaal-socialistische Tijl Uilenspiegel en de katholiek-flamingantische van het interbellum zeer groot was, moet er op gewezen worden dat ook in Duitsland zelf bouwstenen waren geleverd voor de nationaal-socialistische recuperatie. Het doctoraat dat Ilse-Marie Bostelmann in 1940 aan de Hamburgse Universiteit verdedigde over de ontwikkeling van de Neder-Duitse Uilenspiegel in de Nederlanden, bood weliswaar een wetenschappelijk verantwoorde genealogie van het Uilenspiegel-motief in de Nederlandse literatuur, maar de bewondering voor Uilenspiegel als leider in de Vlaamse strijd voor het Germaanse wezen tegen het ‘Romanentum’, klinkt er toch sterk in door.169 Zij kon daarbij bogen op een oudere Duitse traditie om Uilenspiegel en zelfs De Costers Légende als ‘urgermanisch’ voor te stellen.170 In hetzelfde jaar als Bostelmanns proefschrift verscheen ook Ernst August Roloffs essay Ewiger Eulenspiegel, waarin hij Uilenspiegel en in de eerste plaats de Tijl zoals hij in Vlaanderen was gegroeid, voorstelde als de raciaal-zuivere belichaming van de ‘kämpferische Lebensbejahung’.171 Nog explicieter was tenslotte Peter Ostens Till ist wieder im Lande, ook uit 1940, waarin Uilenspiegel werd opgevoerd als een model-lid van de Hitler-Jugend. Ook dit laatste gegeven zou trouwens een rechtstreekse weerslag hebben in Vlaanderen. In de retoriek van de Vlaamse afdeling van de Hitler-Jugend, die in 1943 werd opgericht, was Uilenspiegel prominent aanwezig. Het maandblad van deze jeugdbeweging, dat vanaf juni 1944 verscheen en maar twee nummers zou kennen, kreeg trouwens de naam Tijl mee. Tijdens de maand juli van 1944, terwijl de geallieerde troepen al aan hun onstuitbare opmars vanaf de Noord-Franse kust waren begonnen, uitten de Vlaamse Hitler-jongeren ondanks alles hun geloof in een Duitse zege door op verschillende opzichtige plaatsen (in een niet

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


88 gespecifieerde Vlaamse stad) de leuze ‘Tijl komt’ aan te brengen. Oberrottenführer Beys, die voor deze actie verantwoordelijk was, had goede hoop op het gunstige effect van deze actie: ‘Binnenkort weet heel Vlaanderen dat “TIJL”, de jonge Nationaal-socialist in Vlaanderen, weer levend geworden is, Uilenspiegel leeft in ons - hij sterft niet zolang er Vlamingen zijn.’172 De Coster en Auctor werkten rechtstreeks door in deze nationaal-socialistische wanhoopsactie. Toch was niet iedere Tijl en zelfs niet iedere Vlaams-nationalistische Tijl die tijdens de tweede Duitse bezetting van België opdook per definitie een rechtlijnige collaborateur. Soms was de boodschap die Uilenspiegel moest uitdragen zelfs bepaald meerduidig. Een typerend voorbeeld hiervan deed zich voor onder de groep Vlaamsgezinde krijgsgevangenen in het Duitse kamp Sandbostel XB op de Lüneburger Heide. In het kader van de nieuwe en ditmaal grondig voorbereide Flamenpolitik door de Duitsers, kregen de Vlaamse - en a fortiori de Vlaamsgezinde krijgsgevangenenen een voorkeursbehandeling, waardoor zij hun gevangenschap zeker niet uitsluitend als een negatieve ervaring aanvoelden. Ter gelegenheid van hun 11 juli-viering van 1940, die evenzeer in het teken stond van Uilenspiegel als in dat van de Guldensporenslag, parafraseerde hun aalmoezenier, de Vlaams-nationalistische dominicaan Pieter Jozef Nuyens, Tijls steeds weer herhaalde krachtwoord: ‘De assche van Klaas, zijn vader, klopt op onze borst en we willen vrij en blij leven.’173 Deze laatste toevoeging was voor een dubbele interpretatie vatbaar, en zo had Nuyens het ongetwijfeld ook gewild: enerzijds moest ze het Franstalige, democratische regime in België duidelijk maken dat zijn lied uitgezongen was, maar anderzijds bevatte ze een vingerwijzing naar de Duitse bezetters om geen annexionistische strevingen aan de dag te leggen. Geen wonder dat Nuyens' relaas van de kampervaring in het culturele weekblad Volk en Kultuur werd gepubliceerd, want zijn visie strookte vrijwel perfect met de grondtoon die dat blad tot het einde van de oorlog domineerde: een grote bewondering voor de wijze waarop de Duitsers de Augiasstal van de democratie hadden uitgemest en de hoop dat zij dit in België ook zouden doen, maar tegelijk een voortdurende vrees voor het verlies van de Vlaamse of Groot-Nederlandse zelfstandigheid.174 Bij die hachelijke koorddans tussen autonomie en

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


89 geestelijke affiniteit werd in het blad overigens veelvuldig de hulp van Uilenspiegel ingeroepen, waarbij met een bijzondere voorliefde de frase over de asse van Klaas werd geciteerd.175 De Antwerpse onderwijzer Arthur De Bruyne, die in Volk en Kultuur de basis legde voor zijn latere carrière als huishistoriograaf van het rechtse Vlaams-nationalisme, betreurde evenwel dat ‘het dreunend krijgsgeschreeuw van Conscience's gespierde helden’ nog altijd duidelijker werd gehoord ‘dan het kloppen der assche op de borst van Tijl’. Zijn diagnose van de oorzaken hiervan baseerde hij op Van de Voordes klacht uit 1930. Maar ook voor Volk en Kultuur was de op De Coster gebaseerde, Vlaams-nationalistische Uilenspiegel niet de enige manifestatie van deze figuur die moest worden gekoesterd. De jonge germanist Luc Debaene, die later zijn doctoraat zou behalen op een proefschrift over de laat-middeleeuwse Nederlandse volksboeken, liet er een wetenschappelijk onderbouwd artikel verschijnen over ‘de echte Ulenspieghel’. Daarin stelde hij vast dat Charles De Coster door zijn ‘geniale herschepping’ Uilenspiegel ‘wellicht aan interesse in het raam onzer heropstanding deed winnen,’ maar daardoor toch ook ‘eenigszins afbreuk deed aan zijn waar en oorspronkelijk wezen, en de uitbeelding daarvan’.176 Maar ondanks deze gedeeltelijke ontluistering van Uilenspiegel, bleef Debaene hem ontegensprekelijk als een deel van het Vlaamse, nationale patrimonium beschouwen. Dit patrimonium situeerde hij op zijn beurt weer in een ruimer geheel: ‘Tijl Uilenspiegel was steeds en zal steeds één van de meest onvergankelijke gestalten in de Germaansche kultuur-geschiedenis blijven!’ Voor de germanist Debaene had het adjectief ‘Germaansche’ ongetwijfeld een uitsluitend linguïstische betekenis, maar toch konden dergelijke uitspraken slechts bijdragen tot het paradoxale karakter van een tijdschrift als Volk en Kultuur dat ondanks zijn affiniteiten met een nationaal-socialistische levensbeschouwing eerst en vooral ‘zichzelf wilde blijven’. De Kempische germanist en volkskundige Pol Heyns, die in 1948 het volksboek van Uilenspiegel samen met Debaene zou uitgeven, leek minder bekommerd om de authenticiteit van Uilenspiegel, en situeerde zijn aantrekkingskracht veel meer in zijn pluriformiteit. In Volk en Kultuur gaf hij een opsomming van alle mogelijke Uilenspiegel-gedaanten, als nationale held én als ‘ko-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


90 ning der zotten, de meest ondeugende poetsenbakker die er ooit bestaan heeft’. Het deed er volgens hem niet toe waar men Uilenspiegel had leren kennen, ‘als u hem maar kent, onzen Tijl!’177 Uilenspiegel was een multi-functionele held gewerden binnen het

Slechts de titelpagina verraadde het Vlaams-nationalistische karakter van de Uilenspiegel-vertaling die in 1943 bij Het Laatste Nieuws verscheen.

Vlaams-nationalistische vertoog en het speelde niet echt een rol welke functie wanneer werd benadrukt. De naam ‘Uilenspiegel’ riep diverse betekenissen tegelijk op, die allemaal geassocieerd konden worden met ‘Vlaming-zijn’. Als algemeen icoon van dat ‘Vlaming-zijn’ had Uilenspiegel een veel groter bereik dan als strikt politiek symbool. Leo Simoens, die in Volk en Kultuur de Duitse literatuur recenseerde - en meteen ook de sterkst Duitsgezinde medewerker was van het blad - kon waarschijnlijk niet zonder reden zeggen: ‘Onze Tijl woont in het hart van iederen Vlaming’.178 Dat gold in elk geval voor iedere Vlaams-nationalist, of die nu Duitsgezind was of niet. Het was binnen heel deze subcultuur van radicale flaminganten, die veel verder reikte dan de collaboratie, dat het Uilenspiegel-motief populairder werd dan ooit. Wanneer de uitgeverij van Het Laatste Nieuws in 1943 een nieuwe, overigens neutrale en tot vandaag als ‘verdienstelijk’ bestempelde179 vertaling van De Coster op de markt bracht - de eerste Nederlandse vertaling die in Vlaanderen tot stand kwam -, liet zij niet na het Vlaams-nationale karakter ervan aan te geven door de vormgeving van de cover. Uilenspiegel, met een zwaard en een leeuwenschild in de hand, knielt er eerbiedig voor de brandstapel waarop zijn vader sterft, en houdt tegelijk zijn hand op zijn hart: een visuele en gepolitiseerde uitdrukking van de leuze ‘de asse van Claes klopt op mijn borst’. Toch

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


91 liet de uitgeverij zich waarschijnlijk niet in de eerste plaats door politieke, maar wel door commerciële motieven leiden. In de oorlogsperiode, die een grote vraag naar volkslectuur deed ontstaan, kon een goedkope vertaling van de Légende d'Ulenspiegel waarschijnlijk op een groot succes

Voor de Gentse studenten die tijdens de Tweede Wereldoorlog het sluikblaadje Tijl uitgaven, stond Tijl Uilenspiegel symbool voor de verzoening tussen de twee taalgemeenschappen.

rekenen bij een Vlaamsgezind publiek dat Uilenspiegel tot zijn cultureel patrimonium rekende, zonder er per definitie een expliciet politieke boodschap aan vast te hechten. Van het kerkelijk verbod moest een uitgeverij met een liberale voorgeschiedenis als Het Laatste Nieuws zich uiteraard niets aantrekken. Op datzelfde publiek rekende ongetwijfeld ook de Antwerpse KNS (Koninklijke Nederlandse Schouwburg), toen zij besloot Anton Van de Veldes Tijl I opnieuw op te voeren. Hetzelfde gold voor Anton Van de Velde zelf, toen die in 1944 ook een katholieke prozabewerking van Uilenspiegel liet verschijnen onder de titel Nele van Ingedal; voor Eugène Bosschaerts, toen hij zijn gemoderniseerde bewerking van het oude volksboek tijdens de oorlog een tweede en een derde keer uitgaf; voor de programmamakers van Zender Brussel toen zij Richard Strauss’ ‘lyrisch gedicht’ Till Eulenspiegel uitzonden; voor Elza Darciel, de pleitbezorgster van een eigen ‘Vlaamse dans’, toen zij op datzelfde muziekstuk een choreografie uitwerkte, die een groot succes kende tijdens de oorlogsjaren; en voor de componist Jozef Peeters, toen hij een koorwerk onder de titel Ik ben Tijl toonzette. De ongewisheid over het politieke karakter van deze werken werd min of meer bewust in stand gehouden. Zo konden immers niet alleen de politiek overtuigden, maar ook de politiek onverschilligen erdoor worden aangesproken.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


92 Dat politieke voorkeuren bij vele collaborateurs samenhingen met commerciële belangen, was ook het verzet niet ontgaan. Van de populaire Kempische volksschrijver Ernest Claes, die zich tijdens de bezetting graag toonde op officiële, Duitse culturele manifestaties, werd in een sluikblad een satirische identificatiefiche opgesteld. Hij werd voorgesteld als een arrivist die ‘met den helm (made in Germany)’ was geboren en die als lievelingsboek ‘The importance of being E(a)rnest Claes’ koesterde. Onder de rubriek ‘opvatting over de idee “Vlaanderen”’ werd de leuze ‘Thijl is money’ opgegeven. Hoewel Ernest Claes nooit een eigen Uilenspiegel-versie heeft gecreëerd, was de betekenis van deze woordspeling voor iedereen duidelijk: Claes werd beschouwd als iemand die de Vlaamsgezinde snaar bespeelde omdat die op dat ogenblik vele portemonnees deed opengaan.180 Maar zoals gezegd, de Uilenspiegel-figuur was niet het monopolie van de collaboratie, zelfs niet van de veel ruimere groep die men, zoals de groep rond Volk en Kultuur, onder de wat misleidende term ‘accommodatie’ zou kunnen vatten. Nee, ook in verzetskringen werd veelvuldig een beroep gedaan op Tijl Uilenspiegel. De bezettingsautoriteiten hadden dat wel enigszins voorzien. De Propaganda-Abteilung had in 1941 althans de meest uitgesproken anti-Duitse en tegelijk meest gelezen Uilenspiegel-versie, Auctors Tijl Uilenspiegel aan het Front en onder de Duitschers, op de lijst van verboden boeken geplaatst.181 Nog in maart 1942 maakte de Abteilung Kultur van de Militärverwaltung zich zorgen of het boek, dat als ‘ein übles Werk der Volksverhetzung’ werd bestempeld, misschien nog aanwezig was in de schoolen volksbibliotheken. Uitgever Opdebeek stelde Dr. Löffler, de leider van de Abteilung Kultur gerust: het boek was nooit voor schoolbibliotheken bestemd geweest en hij had alle exemplaren die nog in de uitgeverij aanwezig waren in 1941 verbrand op last van de Propaganda-Abteilung.182 Sprak hieruit een oprechte volgzaamheid tegenover of integendeel een bewuste misleiding van de Duitse overheden? Het is een moeilijk te beantwoorden vraag. De Costers epos werd echter ongemoeid gelaten. Meer zelfs, verschillende Duitse vertalingen ervan werden aangeboden op de Vlaamse markt.183 Het had immers geen anti-Duitse inhoud, het

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


93 bevatte bovendien een aantal elementen die bruikbaar waren in een nationaal-socialistische propaganda. De Gentse geschiedenisprofessor Hans Van Werveke, die als ondervoorzitter van het Willemsfonds het liberale, Vlaamsgezinde Belgisch-patriottisme vertegenwoordigde, wilde een verzetshouding bij zijn studenten aankweken door hen aan te sporen La Légende d'Ulenspiegel te lezen.184 Was het mee onder zijn impuls dat precies in Gentse studentenmilieus in de loop van 1943 een sluikblad werd opgericht onder de naam Tijl? In elk geval pleitten deze studenten uit de hogere jaren, die zichzelf ‘zoons van de gegoede burgerij’ noemden, voor een geordend en gematigd verzet, waarbij steeds het placet van de nog meer bezadigde professoren zou gevraagd worden. Koningsgezindheid en gehechtheid aan België werden in het blad gecombineerd met oproepen tot een meer voorname cultuur in Vlaanderen, waarvan de beschaafde omgangstaal de belangrijkste pijler moest zijn. De figuur van Uilenspiegel zélf kwam in dit blad pas voor in een naoorlogs nummer. Het werd opgesteld ter gelegenheid van een tentoonstelling over het verzet, die van juli tot september 1945 door het ministerie van Voorlichting werd ingericht. ‘Uilenspiegel’, zo heette het, ‘is ten allen tijde het zinnebeeld geweest van den onverbeten (sic) weestand aan den vreemden indringer. TIJL mag prat gaan op zijne zonen. TIJL, de asschen van Claus (sic) kloppen in uw bloed! Uwe asschen, TIJL, kloppen in het onze!’ ‘De incorrecties in deze laatste parafrase (‘bloed’ in plaats van ‘hart’; ‘Claus’ in plaats van ‘Claes’; de notie ‘assen van Tijl’, die volstrekt indruist tegen De Costers versie van Uilenspiegels einde) zouden er kunnen op wijzen dat binnen deze verzetsgroep de vertrouwdheid met de Légende geringer was dan onder de Vlaams-nationalistische intellectuelen. In datzelfde tentoonstellingsnummer van Tijl werd Uilenspiegel afgebeeld tussen de Vlaamse Leeuw en de Waalse haan, als verzoener dus van beide Belgische taalgemeenschappen. Dat hij op die prent in narrenpak verscheen, bevestigt dat deze Uilenspiegelfiguur relatief ver verwijderd was van De Costers creatie. Het Oostendse sluikblad Hier Uilenspiegel, waarvan al in september 1940 een eerste nummer verscheen, sproot niet uit een burgerlijk studentenmilieu voort, maar uit socialistische politieke en vakbondsmiddens. Een van de oprichters, Jules Perquaet, was

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


94 schepen in Oostende, terwijl een andere medewerker, Maurice Reynaert, vakbondssecretaris was.185 Toch was ook in dit blad geen sprake van een socialistische Uilenspiegel-interpretatie. Integendeel zelfs, het gehanteerde discours leunde dicht aan bij bekende motieven uit de Vlaams-nationale hoek. Een van de ongedateerde nummers bevat een cyclus van drie gedichten onder de titel Vlaanderen, de schoone slaapster, ontwaakt. Eén van de gedichten bleek ondertekend door Nele, het tweede door Lamme Goedzak, het derde door Tijl. Heel het verrijzenis-motief, dat in Vlaams-nationale kringen zo populair was, werd hier hernomen, maar zo geïnterpreteerd dat precies de ‘landverraders’ van het VNV Vlaanderen in slaap hadden gewiegd - en dat de verzetsgroeperingen het volk terug moesten doen ontwaken. In het eerste gedicht werden de aloude Vlaamse deugden bezongen (‘Rond, openhartig... toch rein van ziel, Nooit duldt Hij (de Vlaming) den druk van vuist of hiel’), het tweede gedicht - niet toevallig dat van Lamme - heette ‘Vlaanderens vloek’ en beschreef hoe ‘Dietsche leiders’ Vlaanderen hadden ‘verkocht’. In het laatste gedicht drukte Tijl de hoop op en de zekerheid van een nakende heropstanding van Vlaanderen uit. Net zomin als in het Gentse inititiatief was in Hier Uilenspiegel enige communistische agitatie te merken. Hoewel vastgesteld werd dat niet de Sovjet-Unie maar wel Duitsland voor de tweede maal in 25 jaar een wereldbrand had veroorzaakt, bleef men in het blad immers trouw aan de leuze ‘Noch Moskou noch Berlijn’. Hoe dicht dit blad bij het traditionele flamingantische discours aansloot, viel ook op te maken uit de reactie op Staf De Clercqs oproep om aan het Oostfront te gaan strijden: ‘Uilenspiegel zegd (sic): Een gebaarden kabouter die Jan Breijdel wil nabootsen heeft weinig succes. Dat komt omdat Jan Breijdel tusschen zijn volk voor de Vrijheid van Vlaanderen vocht terwijl Staf met den baard vocht als een mondheld voor de verknechting van België.’ De flamingantische retoriek werd met andere woorden in bescherming genomen tegen de nationaal-socialistische recuperatie. Dat gold ook voor een ander Gents sluikblad Tijl, dat onder het hoofdredacteurschap van niemand minder dan Jacob van Artevelde heette te staan. Het valt dus op dat de Tijl van het verzet zelden of nooit de Tijl van het communisme was. Het waren de liberale en, vreemd genoeg, de Vlaams-nationale Uilenspiegel-tradities die in het ver-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


95 zet voortleefden. Het lijkt opnieuw te bewijzen dat Uilenspiegel in de retoriek van het Belgische communisme een eerder marginale plaats bekleedde. In zijn Londense ballingsoord bleef Camille Huysmans zich weliswaar actief inzetten voor zijn held en alter ego Uilenspiegel. Ook voor hem moest die het verzet tegen de Duitse bezetter incarneren. Hij schreef een voorwoord bij een Amerikaanse vertaling van de Légende, waarin hij de parallellen tussen Uilenspiegels tijd en de aan gang zijnde oorlog onderstreepte.186 Huysmans leende ook zijn pen tot enkele poppenspelen die tijdens de oorlogsjaren door de Belgische vluchtelingen werden opgevoerd onder de auspiciën van ‘the Department of Fine Arts of the Belgian Board of Education’, met in de hoofdrol Tijl Uilenspiegel. Die werd in de Wartime Bulletin van de ‘British puppet and model theater guild’ voorgesteld als de ‘Belgian national hero, always mischievous, always gay, always ready to fight for Liberty, Uilenspiegel whose spirit will never die and who now reappears as our compère’.187 Deze passage werd in 1969 met trots geciteerd door Jozef Contryn, de toenmalige directeur van het Mechelse poppentheater, die daarmee de glorieuze afstamming van de poppenheld Tijl Uilenspiegel wilde illustreren. Hij vergat er bij te zeggen dat diezelfde Tijl ook in Vlaanderen zélf tijdens de oorlogsjaren zeer bewust werd uitgewerkt tot de nationale pop van Vlaanderen, in kringen die niets met het verzet te maken hadden. Met name binnen het Vlaamsch Instituut voor Volksdans en Volksmuziek (VIVO), een in 1935 ontstane organisatie die was opgericht om oude tradities in Vlaanderen te doen herleven, boog men zich tijdens een studiedag over het probleem dat Vlaanderen, in tegenstelling tot vele andere Europese landen, geen nationale pop had. Ene Joris Dewale uit Waregem wijdde een voordracht aan dit thema, waarin hij zijn gehoor uitnodigde de geschiedenis even te doorlopen: ‘Laten we onze gedachten verwijlen bij nuchter historische figuren evenals bij legendarische en denken we aan de poppenkast, kultuurgoed van de menschheid, maar voor ieder volk met een zielseigen stempel’. En hij kwam tot de conclusie: ‘Eén figuur primeert en domineert. Eén figuur is de incarnatie van veler onzer volkseigenschappen: TIJL UILENSPIEGEL.’188 Er werd dan ook besloten Tijl, ‘de eeuwige strij-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


96 der met het eeuwig-trouwe hart waarop de assche van Claes, zijn vader, klopt,’ tot een Vlaams equivalent van Pierrot of Arlecchino te maken.189 Daarmee werd een beweging geconsolideerd die een tiental jaar eerder door Jef Contryn zelf was ingezet. De incidenten die zich in Zaventem hadden voorgedaan na een opvoering

Boven en rechts: Na de oorlog werd Tijl Uilenspiegel in zijn schalkse gedaante voorgesteld als de geest van het ludieke verzet tegen de Duitse bezetters.

van Anton Van de Veldes Tijl II, hadden hem geïnspireerd tot een opstandige, Vlaams-nationalistische poppenspeltekst met Tijl als hoofdfiguur. De tekst verscheen in juni 1931 in het katholieke en Vlaams-nationalistische weekblad Jong Dietschland.190 Drie jaar later, in 1934, deed Contryn, tijdens een informele bijeenkomst met de Franstalige toneelauteur Michel de Ghelderode, de Antwerpse poppenspeler, journalist en folklorist Jan De Schuyter (van het Antwerpse poesjenellentheater) en de omstreden katholieke romanschrijver Gerard Walschap, het voorstel om Tijl Uilenspiegel tot centrale figuur van het Vlaamse poppentheater te maken. Maar het was pas tijdens de bezetting dat aan de concrete verwezenlijking van deze plannen kon worden gedacht. In de prijskamp die VIVO uitschreef voor de nieuwe Tijl-pop, trachtte Contryn opnieuw de komische en de heroïsche functie van Uilenspiegel te laten samenvallen: ‘De kunstenaar zal haar [de Tijl-pop] snijden als de grapjas, die in hare mooiste ogenblikken de vlammende vlag der Vlaamsche heropstanding zwaait, als de moppentapper die achter een gullen lach de harde maar fiere waarheid zegt.’191 Dat het VIVO zich tijdens de oorlog sterk compromitteerde door zijn enge samenwerking met het Nationaal-Socialistisch Jeugdverbond en met de Hitler-Jugend, en dat Contryn zelf als

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


97 ‘Kreisleiter für Beamte’ van de Mechelse DeVlag-afdeling had dienst gedaan en onder stamnummer 209 bij de ‘Algemeene SS’ ingeschreven was geweest,192 dat alles kon niet beletten dat Tijl na de oorlog inderdaad uitgroeide tot een centrale figuur in het Vlaamse poppenspel.

Naast de liberale en de Vlaamsnationale dook er na de oorlog nog een derde, minder politieke variant op van de verzets-Uilenspiegel. In drie verschillende boeken werd hij voorgesteld als de anonieme auteur van de vele grappen en rijmpjes waarin het Vlaamse volk de draak had gestoken met de bezetter om zich tijdens de moeilijke oorlogsjaren overeind te houden. De iconografische Uilenspiegel-voorstelling die op de covers van deze boekjes

verscheen, deed overigens in sterke mate denken aan de vooroorlogse affiche van de Vlaamsche Kommunistische Partij, al was Lamme Goedzak uit het beeld verdwenen en al kregen niet langer de VNV-ers, maar wel Duitse militairen - of Hitler zelf - een pak voor de broek. Net zomin als de vooroorlogse communistische Uilenspiegel had deze van de moppenboeken nog veel uitstaans met de romanheld

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


van De Coster. Ook hij ging, in zekere zin, rechtstreeks terug op de grappenmaker van het volks-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


98 boek. Toch citeerde de Antwerpse volkskundige en journalist Jan De Schuyter dezelfde die vóór de oorlog met Contryn had samengewerkt om de Tijl-figuur in het Vlaamse poppenspel te laten doordringen - in de inleiding tot zijn Tijl Uilenspiegel tegen den mof de slotwoorden van De Costers epos om de eeuwigheid van Tijl Uilenspiegel, en dus van de vindingrijke en subversieve Vlaamse (of Antwerpse) volkshumor aan te tonen.193 Veelzeggend is dat hij naast De Costers woorden ook die uit Auctors Tijl Uilenspiegel in Vlaanderen citeerde. Het was immers die versie die bij een relatief groot deel van de Vlaamse bevolking in het geheugen was gegrift. Jan De Schuyter twijfelde er niet aan dat Uilenspiegel zijn ingeboren rechtvaardigheidsgevoel opnieuw zou doen gelden door voor een strenge bestraffing van de collaborateurs te zorgen. Streng zou deze bestraffing inderdaad worden, maar even rechtvaardig kon zij niet altijd zijn. De militaire rechtbanken, die belast werden met berechting van de collaborateurs, waren niet voorzien op deze immense taak, wat een zekere ongelijkmatigheid in de vonnissen teweegbracht.194 Maar behalve deze kwalitatieve tekorten, was er ook het loutere feit dat de ‘opnamecapaciteit’ van de militaire rechtbanken niet groot genoeg was. Duizenden verdachten werden soms voor lange tijd in voorarrest geplaatst, in geïmproviseerde en vaak weinig hygiënische gevangenissen. Ook het gevangeniswezen was immers niet op deze taak voorzien. Bovendien was er de minachting die de meerderheid van de Belgische bevolking voor deze ‘landverraders’ tentoonspreidde. Velen die deze ervaringen ondergingen, waren intellectuelen of mensen uit de middenklassen die nog nooit een gevangenis aan de binnenkant hadden aanschouwd. Het liet diepe trauma's achter, en een verhevigde haat tegen de Belgische staat. Zij putten kracht en onderlinge samenhang uit een discours waarin zij zichzelf als onschuldige slachtoffers afschilderden van hun eigen idealisme en van de boze Belgische staat. Onder verdoezeling van de vijf voorafgaande jaren bestempelden zij zichzelf graag als ‘slachtoffers van de repressie’. Ook voor deze ‘slachtoffers van de repressie’ was Uilenspiegel een symbool van de rechtvaardigheid. Zij interpreteerden die echter heel anders dan Jan De Schuyter. In verschillende anti-repressiegeschriften lieten zij Tijl Uilenspiegel voor hun recht op de bres

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


99 springen. Was het toevallig dat één van de voornaamste anti-repressietijdschriften Rommelpot heette? Weliswaar verwees deze titel in de eerste plaats naar Vondels Rommelpot in 't Hanekot, maar in La Légende d'Ulenspiegel had ook Uilenspiegel meer dan eens op dat volksinstrument gemusiceerd. Overigens waren de verwijzingen naar Uilenspiegel in dat blad, meestal in combinatie met Reinaert, niet schaars.195 Veel rechtstreekser werd Uilenspiegel opgevoerd in een fel anti-repressiepamflet, ondertekend door een niet nader geïdentificeerde Folker Godhard. In dat pamflet ontmoeten we Uilenspiegel op het beklaagdenbankje in een krijgsauditoraat, waar hij een vurig pro domo houdt voor al degenen die zoals hij, onder het motto ‘onverduitscht, onverfranscht’ als idealisten zouden hebben gestreden voor louter Vlaamse belangen en daar nu onterecht voor werden gestraft door een niets-ontziende Belgische Staat. Maar zoals steeds bracht ook hier Tijl Uilenspiegel een boodschap van hoop. Was hij immers niet eeuwig? En zou hij niet herrijzen, ook al moest hij jaren in een kerker doorbrengen?196 Voor de Brabantse toneelauteur Aloïs Pas, die kort na de oorlog bij de toneeluitgeverij Vink - waar tijdens de oorlog Volk en Kultuur was verschenen en waar na de oorlog heel wat ex-collaborateurs werden tewerkgesteld - een blijspel publiceerde onder de titel Tijl Herleeft, was het meer dan een kwestie van louter rechtsherstel. Voor hem ging het om een algemeen beschavingsherstel. De Tweede Wereldoorlog en zijn nasleep hadden immers een algemene verwarring en verdeeldheid gecreëerd in de Vlaamse Beweging, en dat kon alleen worden verholpen door een hergeboorte van Uilenspiegels geest. Daaronder verstond hij ‘de Vlaamse guitigheid, de vriendschappelijke poetsenbakkerij, tevens de gulle openhartigheid en de opstand tegen alle onrecht’.197 Maar ook een beschaafde taal en een algehele ‘zielenadel’ behoorden tot het ideaal van Tijl. En het zou geen blijspel geweest zijn als die geest niet effectief herleefde tijdens het stuk.

Eindnoten: 106 Zie o.m. De Wever, Greep naar de macht, 33-92, en Willemsen, Het Vlaams-nationalisme, 153-248 en 286-335. 107 Zie daarover: Carlos Van Louwe, ‘Is Uilenspiegel links...?’, Ulieden Spiegel, jg. 4, nr. 2 (winter 1995), 6-12 108 De legende van de Vliegende Hollander stamt uit de 18de eeuw en verhaalt van een Nederlands schip dat was gedoemd eeuwig rond te dobberen (al dan niet vergezeld door de duivel) in de zeeën ter hoogte van Kaap de Goede hoop. De bekendste artistieke vormgeving van het motief is Richard Wagners opera Der fliegende Hollander. Het motief van de Wandelende Jood (die vele namen meekreeg, waarvan Ahasverus de meest bekende werd) is ouder: al in de 14de eeuw werd het verhaal verteld van de joodse schoenlapper die weigerde Christus' schoenen te herstellen en daarom gedoemd was eeuwig over de aarde rond te dolen. In de moderne Belgische literatuur vereeuwigde met name August Vermeylen dit thema in zijn roman De Wandelende Jood uit 1906. 109 Ook Antoon Moortgat had in zijn ‘Heldenspel’ de vrouw van Lamme, die bij De Coster Calleken heette, omgedoopt tot Belle. Van de Velde leek de literaire Uilenspiegeltraditie - ook in het vrijzinnige kamp - terdege te kennen. 110 Zie Geert Opsomer, ‘Mei-juni 1927. ‘Het Vlaamsche Volkstooneel’ (VVT) en de opvoeringen van Lucifer en Tijl in Parijs. Internationale faam en mythevorming rond het VVT, in: R.L.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


111

112 113 114

115 116

117 118 119 120 121

122 123 124

125 126

127 128 129

130 131 132 133 134 135 136

Erenstein (ed.), Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen (Amsterdam, 1996), 626-631. Een ander voorbeeld hiervan was de architect Huib Hoste, die in zijn tijdschrift Opbouwen even lovend schreef over de architectuur van Le Corbusier en Gropius als over de theocratische denkbeelden van Berdjajew en Maritain. Zie Marnix Beyen, De Weimar-Republiek en het intellectuele klimaat in Vlaanderen, 1919-1929. Leuven, onuitg. lic. verh., 1993. Wies Moens, ‘Anton Van de Velde's Tijl’, Vlaanderen, 31 juli 1926; ook opgenomen in: Wies Moens, Proza, deel 4 (Maastricht, 1973), 329-336. Daarop wijst ook Nachtergaele, o.c., 21. Anton Van de Velde, Tijl: gekke historie in vier kapittels, Antwerpen, 1926; en Id., Tijl H, Antwerpen, 1930. Voor een vergelijking van Van de Veldes stukken met het origineel van De Coster, zie: Vic Nachtergaele, ‘La Légende d'Ulenspiegel in de spiegel van de Vlaamse auteurs’ (1), Ulieden Spiegel, jg. 2, nr. 1 (juni 1993), 10-26. Zie Anton Vander Plaetse, Herinneringen aan het Vlaamse volkstoneel. Keurreeks van het Davidsfonds, 80. Leuven, s.d. Met name in Brugge, Gent, Kortrijk, Zaventem en Brussel tekenden gemeentebesturen protest aan tegen de opvoering van het stuk. Zie Leuven, Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum (KADOC), archief VVT, dossier 2.4.4.45.2. Althans volgens iemand als Léopold Rosy, in zijn artikel ‘La signification nationale de l'oeuvre de Ch. De Coster’, La Revue Franco-Belge, jg. 7, nr. 3 (maart 1927), 139-149. Frans Hendrickx, ‘Ulenspiegel et Pallieter’, Le Folklore Brabançan, jg. 7, nr. 37-38 (aug.-okt. 1927), 136-145. M.n. p. 145. Albert Marinus, ‘Conclusion’, Le Folklore Brabançon, jg. 7, nr. 37-38 (aug.-okt. 1927), 148-153. M.n. p. 148. Cfr. Jan Creve, Recht en trouw, De geschiedenis van het Verdinaso en zijn milities. Antwerpen, 1987. De Rex-beweging was daar het meest bekende en meest succesrijke voorbeeld van, maar ook andere organisaties als La Légion Nationale kunnen in deze optiek genoemd worden. Zie o.m. Criet Van Haver, Onmacht der Verdeelden. Katholieken in Vlaanderen tussen demokratie en fascisme 1929-1940. Berchem, 1983. De liederen ‘Uilenspiegel I’ en ‘Uilenspiegel II’ komen voor in het boekje Dinasoliederen, s.d., s.l. Zie Erik Verstraete (ed.), Wies Moens: Gedenkboek, 1898-1982 (Antwerpen, 1984), 183. Zie onder meer: Wies Moens, ‘Kamp om Dietschland’, Dietbrand, jg. 2 (1934-35), 39; en Idem, ‘Het Activistisch Avontuur en wat er op volgde’, Dietsland-Europa, jg. 11, nr. 7 (1966), ook opgenomen in: Idem, Proza, deel 3 (Maastricht, 1972), 11-66. Cfr. Brussel, Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (SOMA), archief Verdinaso, coll. C7/162, nr. 11; Jongdinaso. Een voorbeeld van dat eerste werd gegeven door Roger Gheyselinck, die zijn zoon Thyl noemde (1941); een voorbeeld van het tweede kan gevonden worden bij Jozef Holemans, de Vlaams-nationalistische politicus uit de Rupelstreek, die in ‘Viilla Tijl’ woonde. Jeanne De Bruyn, De speelman én zijn zoon (Antwerpen-Brussel-Gent-Leuven, 1942), 57. Joos Florquin, De lente van het hart. Leuven, 145. De Gentse afdeling van het in 1935 opgerichte Vlaamsch Instituut voor Volksdans en Volksmuziek (VIVO), een jongerenbeweging die de ‘traditionele’ Vlaamse dansen wilde doen herleven, noemde zich ook Uilenspiegel. Joseph Hanse beklemtoont nochtans dat De Coster zijn Uilenspiegel als klein en mager heeft afgeschilderd. Zie Hanse, ‘Le centenaire’, 85-86. Uilenspiegel, jg. 1, nr. 2, 10 februari 1878. De feestrede van Moens werd afgedrukt in Volk en Staat, 2 september 1941, en in Volk en Kultuur, jg. 1, nr. 32 (6 september 1941), 13-14. Zie de aankondiging van De jeugd van Tijl Uilenspiegel in Volk en Staat, 6 april 1940. Zie [Jeanne de Bruyn], ‘Film. Uilenspiegel leeft nog!’, Nieuw Vlaanderen, jg. 1, nr. 36 (14 sept. 1935), 14-15. Over de Grammens-actie, zie Lode Wils, Honderd Jaar Vlaamse Beweging, deel 3: Geschiedenis van het Davidsfonds in an rond Wereldoorlog II (Leuven, 1989), 106-117. Het Grammensfonds (J.R. De Smedt, J. Swenden en J. Van Eyck), 40 Jaar Heldhaftige Ulenspiegelkamp. Grammens-Gedenkboek. Antwerpen (Grammensfonds, 1959), 129. De tekst

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


137 138

139 140

141 142

143 144 145 146 147

148 149 150 151

152

153

154 155 156 157 158

159 160 161 162

van dit boek was eigenlijk een door het Grammensfonds geredigeerd autobiografisch relaas van Grammens zelf. Cfr. Konrad Schmidt (ed.), Feuilleton der Rote Presse, 1918-1933. Berlijn, 1960. Lode Monteyne, Charles de Coster. De wilde roos, reeks 6, nr. 2. Brussel, 1928. Monteyne had in 1917 al een meer uitvoerige biografie over De Coster gepubliceerd: Lode Monteyne, Charles De Coster. De mensch en de kunstenaar. Antwerpen, 1917. Emm. De Bom, ‘Charles De Coster’, Ons Volk Ontwaakt, jg. 13, nr. 41 (9 oktober 1927), 642-644. Zie Joseph Hanse en Jacques de Lacretelle, Hommage à Charles De Coster. Discoursprononcés à la Séance publique annuelle du 12 Décembre 1959 (Brussel, Académie Royale de Langue et de Littérature Françaises de Belgique, 1959), 3. Camille Huysmans, Quatre types. Renard et Ulenspiegel, le Diable et le Démon. Antwerpen, 1937. Dat deze twee breuklijnen zeker niet geheel samenvielen - al werkten ze wel op elkaar in -, kan worden afgeleid uit het feit dat het grootste succes van de anti-democratische partijen in België zich voordeed in 1936, het jaar dat de Belgische economie zich begon te herstellen. Zie Emmanuel Gerard, ‘Omstreden democratie’, in: H. Balthazar e.a. (ed.), De massa in verleiding. De jaren '30 in België (Brussel, 1994), 75-137. Meer bepaald p. 109. Zie José Gotovitch en Rudi Van Doorslaer, ‘Les communistes et la question royale, 1921-1945’, Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, nr. 3 (1998), 257-276. Meer bepaald p. 264-269. Cfr. Christian Dutoit, Jef Van Extergem en de Vlaamse Beweging (Antwerpen, 1983), 37. Ook geciteerd door Jan Hunin, o.c., 572. Volk en Staat, 12 april 1939. Zie Rudi Van Doorslaer, ‘De Kommunistische Partij van België en het Sovjet-Duits Niet-Aanvalspakt’, Spiegel Historiael, jg. 10, nr. 6 (juni 1975), 366-368. Cfr. Rudi Van Doorslaer, ‘Ulenspiegel: Een Kommunistisch Eksperiment met een Vlaams-nationale legale oorlogskrant Antwerpen: 5 januari 1940 - 1 maart 1941’, Wetenschappelijke Tijdingen, jg. 34 (1975), 91-94. ‘“Uilenspiegel” wil het zijne bijdragen om klaarheid in de geesten te brengen’, Ulenspiegel. Weekblad Vlaanderen, jg. 1, nr. 1 (5 januari 1940), 1. ‘De titel van ons dagblad’, Ulenspiegel, Volksdagblad voor Vlaanderen, jg. 1, nr. 25 (9 juni 1940), 1. Ulenspiegel. Volksweekblad voor Vlaanderen, jg. 2, nr. 1, 25 januari 1941. Zie hierover Marnix Beyen, ‘“Een boek waarop iedere Vlaming fier kan zijn?” Het boek 100 Groote Vlamingen (1941) als praalfaçade van de Vlaams-nationale geschiedconstructie’, te verschijnen in: Jo Tollebeek, Georgi Verbeeck en Tom Verschaffel (ed.), De lectuur van het Verleden. Opstellen over de geschiedenis van de geschiedschrijving aangeboden aan Reginald de Schryver (Leuven, 1998). Gheyselinck, o.c., 167. De link tussen de bloei van het Uilenspiegel-motief en oorlogsgebeurtenissen is overigens al vaker gelegd, onder meer door Emmanuel De Bom, o.c., 642; ‘De samenstellers’, ‘Woord vooraf van de uil’, in: Guy Segers, Luc Heyneman en Walter De Decker (ed.), Uilenspiegel, wie ben jij? Zeven eeuwen Uil en Spiegel (Damme, 1978), 5-6. Over de ‘diefstal’ van Het Laatste Nieuws door de collaboratie, zie Els De Bens, De Belgische dagbladpers onder Duitse censuur (1940-1944). Mens en Tijd. Verhandelingen (Antwerpen, 1973), 374-383. Geciteerd in Carlos Van Louwe, ‘Uilenspiegel tussen collaboratie en verzet’, 8. Over die wegvoeringen, zie: De Wever, Greep naar de macht, 345-349. Zie Luc Vandeweyer, ‘René Lagrou en het katholieke Vlaams-nationalisme in Antwerpen’, Wetenschappelijke Tijdingen, jg. 51, nr. 3 (1992), 163-183. René Lagrou, Wij Verdachten (Brussel, 1941), 212. Jef Van de Wiele, Op zoek naar een vaderland (Brussel, 1941), 101. Over Jef Van de Wiele, zie Frank Seberechts, ‘Jef Van de Wiele (1903-1979)’, Verschaeviana Jaarboek 1987, 181-202 en Verschaeviana Jaarboek 1990-1991, 265-340. Zie A. Martens, ‘Een nieuw Volkstooneel’, DeVlag, jg. 5, nr. 8 (augustus 1942), 50-51. Zie de aankondiging in Volk en Staat, 10 juli 1942. Cfr. Bruno De Wever, Oostfronters. Vlamingen in het Vlaams Legioen en de Waffen-SS. Tielt, 1984. De identiteit van de tekenaar achterhaalde ik dankzij: Jean Smits, ‘Dossier 40-45. De politieke achtergronden van collaborerende tekenaars’, Brabant Strip Magazine, nr. 59 (1998), 8-19. Dat

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


163 164 165 166 167 168

169

170 171

172 173

174 175 176

177 178 179

180 181 182

Tijl helemaal in het rood is afgebeeld op deze anti-communistische affiche wekt enige verwondering. Een mogelijke verklaring zou kunnen worden gevonden in de associatie die sinds de ‘scharlaken Tijl’ van Herman Teirlinck steeds vaker werd gemaakt tussen Uilenspiegel en de rode kleur (o.m. Jan H. Eekhout had Teirlinck daarin gevolgd). Maar daarnaast verwijst het rood, tegen een overwegend donkere achtergrond, ongetwijfeld ook naar het ‘bloed’ uit de bloed-en-bodem-retoriek. Rood (bloed) en zwart (bodem) vormden trouwens dé twee voornaamste kleuren uit de nationaal-socialistische ‘heraldiek’. De Wever, Greep naar de macht, 516. Zie Smits, o.c., en Michel Kempeneer, ‘Oorlogsverleden Vandersteen opgerakeld. Brabant Strip Magazine brengt “dossier 1940-'45” van striptekenaars’, De Standaard, 16 juli 1998, 8. Uilenspiegel (verzen), Kaproen (prenten), Zóó zag Brussel de Dietsche Militantenl. Uilenspiegelreeks nr. 1 (Antwerpen, 1942), 1. Willem Grauls, ‘Maurits Josson. Voorbeeld van konsekwentie’, De Nationaalsocialist, jg. 2, nr. 50 (12 december 1942), 7. Zie de aankondiging van de verschillende Guldensporenvieringen in De Nationaalsocialist, 4 juli 1942, en in Volk en Staat, 10 juli 1942. Het lied der Militie (Antwerpen, 1942), 52. De bundel kende een tweede uitgave in 1944, toen Peleman zijn ontslag al had gegeven als propagandaleider van de militie. De ‘Noodhoom’ die in dit lied voorkomt, is ontleend aan een activistisch strijdgedicht dat René De Clercq tijdens de Eerste Wereldoorlog schreef. Ilse-Marie Bostelmann, Der niederdeutsche Eulenspiegel und seine Entwicklung in den Niederlanden. Dissertation zur Erlangung des Doktorgrades der Philosophischen Fakultät der Hansischen Universität Hamburg. Hamburg, 1940. De promotor van dit proefschrift was de bekende Flamenfreund Conrad Borchling, één van de architecten van de Flamenpolitik tijdens de Eerste Wereldoorlog. Als co-promotor trad de Antwerpse ex-activist en toekomstige collaborateur Antoon Jacob op. Zie Wolfgang Virmond, Till Eulenspiegel in Flandern. De Costers Roman und seine Vorlage’, Eulenspiegl-Jahrbuch, jg. 20 (1980), 8-11. Cfr. Ernst August Roloff, ‘Der ewige Eulenspiegel’, fragment uit Ewiger Eulenspiegel, opgenomen in: Werner Wunderlich (ed.), Eulenspiegel-Interpretationen. Der Schalk im Spiegel der Forschung, 1807-1977 (München, 1979), 57-74. R. Beys in Tijl, jg. 1, nr. 2 (juli 1944), 15. Piet Vanderheyde [pseudoniem van P.J.A. Nuyens], ‘Uit het dagboek van een Vlaamsch Krijgsgevangene. Wij vieren feest’, Volk en Kultuur, jg. 1, nr. 11 (12 april 1941), 12-15. Het dagboek van Nuyens verscheen ook in boekvorm onder de titel Sandbostel! Kamp XB: uit het leven van een Vlaamsch krijgsgevangene. Antwerpen, Vink, s.d. Cfr. hierover Dirk De Geest e.a., Collaboratie of Cultuur? Een Vlaams tijdschrift in bezettingstijd (1941-1944). Amsterdam-Antwerpen, 1997. Cfr. o.m. Volk en Kultuur, jg. 1, nr. 15, 21 (G. Becker); jg. 1, nr. 28, 10 (VIVO-rubriek); jg. 1, nr. 48, 6 (Arthur De Bruyne) Luc. Debaene, ‘De echte Ulenspieghel’, Volk en Kultuur, jg. 1, nr. 34 (20 september 1941), 6-7. Een zeer gelijkaardig artikel van zijn hand verscheen ook, onder de titel ‘Uilenspiegel voor De Coster’ in Nieuw Vlaanderen, (16 mei 1942). Kenmerkend voor zijn distantiëring van De Costers Légende is het feit dat hij in beide artikels de verschijningsdatum van dat boek verkeerdelijk in 1858 situeert. Pol Heyns, ‘Varende Luyden (3): Uilenspiegel's groote familie’, Volk en Kultuur, jg. 1, nr 43 (22 november 1941), 16-17. Leo Simoens, ‘Duitsche Letteren: Kurt Kluge’, Volk en Kultuur, jg. 2, nr. 9 (24 maart 1942), 3-4. Chris Van de Poel, ‘Nawoord van de vertaler’ in: Charles De Coster, De Legende en de heldhaftige, vrolijke en roemruchte avonturen van Ulenspiegel en van Lamme Goedzak in Vlaenderlandt en elders (Antwerpen-Baarn, 1998), 545-557. Citaat p. 546. De vertaling voor Het Laatste Nieuws werd verzorgd door A. Van Boeckxel. Het sluikblad zelf heb ik niet teruggevonden, maar de ‘identificatiefiche’ staat afgedrukt in: Van de Vijver, Het cultureel leven, 47. Tegen ophitsing en wanorde. Lijst der aan de verkoop onttrokken en verboden boeken in België. Brussel, 1941. Zie correspondentie in: Parijs, Archives Nationales, archief van de Militärverwaltung für Belgien und Nordfrankreich, Al.40/24/3.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


183 Het agentschap Dechenne, waarlangs alle officiële import en export van boeken in België moest gaan, bood in zijn catalogus van ‘Vlämisches Schrifttum in Übersetzungen’ drie vertalingen aan, waarvan één onder de veelzeggende titel Tyll Ulenspiegel und Lamm Goedzak. Ein Kampf um Flanderns Freiheit. Daarmee was de Légende het meest vertaalde boek uit de catalogus. De Coster was trouwens, na de succes-auteurs Timmermans en Streuvels, de schrijver uit de lijst met de meeste vertalingen op zijn naam. Zie Vlaanderen's Boodschap. Cataloog van Agentschap Dechenne. S.L. s.d. 184 Siska Germonpré, De oorlogsjaren 1940-1944 aan de R.U.G., Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Sectie Geschiedenis (Gent, onuitg. lic. verh., 1992), 82. 185 Zie ‘Het dossier van het Oostends bedrukt papier’, deel 6: ‘Witte pers in zwarte tijden: ‘Uilenspiegel’’, De stoeten Ostendenoare, jg. 2, nr. 8, (1 mei 1977), 16-17. 186 Charles De Coster, Allan Ross Mac Dougall (vertaling), The glorious Adventures of Thyl Ulenspiegl, New York, 1943. De vertaling werd verlucht met de houtsneden van Frans Masereel. 187 Geciteerd door: Jef Contryn, Tijl Uilenspiegel in het poppentheater. Mechelen, 1969. 188 Joris Dewale, ‘Wij hebben geen nationale pop’; Sint-Niklaas, bibliotheek Wasiana. Archief Edgar Wauters 66/43. Met dank aan An Steppe, die mij dit document bezorgde. 189 Cfr. Volk en Kultuur, jg. 1, nr. 28 (9 augustus 1941), 10. 190 Zie Maurice Verhaegen, Tijl Uilenspiegel in het poppentheater’, Ulieden Spiegel, jg. 6, nr. 1 (zomer 1997), 38-44. 191 Brussel, SOMA, archief Aloïs Peeters, doos 4. 192 Brussel, Militair Gerechtshof, strafdossier Jozef Contryn. Opnieuw met dank aan An Steppe. 193 Jan de Schuyter, Tijl tegen den mof. Vlaamsche Volkshumor tijdens den oorlog (Antwerpen, 1945), 5. De andere boeken waarin de grappenmaker Tijl als ziel van het anonieme verzet werd opgevoerd, waren: Tijl Uilenspiegel vertelt Oorlogsmoppen, verzameld door Lamme Goedzak (Brussel, 1945) en Frans Notelaers (pseudoniem voor Tobie Claes), Uilenspiegel onder 't Hakenkruis en er vanander (Antwerpen, 1945, met voorwoord van Camille Huysmans). 194 Zie hierover Luc Huyse en Steven Dhondt, Onverwerkt verleden. Collaboratie en repressie in België, 1942-1952. Leuven, 1991. 195 Zie Rik Van Daele, Tijl in het Hanekot van Rommelpot’, Ulieden Spiegel, jg. 1, nr. 2 (december 1992), 63-68. 196 Folker Godhard, Tijl Uilenspiegel in Vlaanderen. Noodhoornreeks. Antwerpen, Uitgeverij Oranje, 1947. 197 Aloïs Pas, Uilenspiegel herleeft. Blijspel in 3 bedrijven. Antwerpen, Vink, s.d.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


100

Na kort in het odium van de collaboratie te hebben gedeeld, ging Tijl Uilenspiegel samen met de IJzertoren de snelle heropstanding van het Vlaams-nationalisme symboliseren.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


101

4 1948-1998 Hoe de Vlaams-nationalistische Uilenspiegel kon herrijzen omdat hij katholiek was. Hoe hij tijdens de woelige jaren '60 rebelleerde en gaandeweg het Belgische politieke landschap verliet om zijn eeuwig-jonge dagen te slijten als object voor verzamelaars, antiquaren en andere liefhebbers. Het toekomstvisioen van mensen als Folker Godhard en Aloïs Pas werd sneller werkelijkheid dan zijzelf hadden durven hopen, en dan hun tegenstanders hadden gevreesd. Verrassend snel kwarn het Vlaams-nationalisme het diskrediet te boven waarin het door de Tweede Wereldoorlog was verzeild geraakt. Het zou nog tot halfweg de jaren '50 duren eer deze come-back zou resulteren in reële partijvorming en tot halfweg de jaren '60 voor deze nieuwe partij, de Volksunie, electorale successen beleefde. Toch had al vanaf de late jaren '40 de Vlaams-nationalistische subcultuur, met heel wat van haar vooroorlogse retoriek, symboliek en ceremonieel, zich hersteld.198 Eén van de belangrijkste verklaringen voor deze snelle rehabilitatie was ongetwijfeld de houding van de machtige Vlaamse katholieken die, verbitterd door het anti-leopoldisme van de liberalen en socialisten tijdens de Koningskwestie, zich solidair opstelden met de in hoofdzaak Vlaams-nationalistische ‘slachtoffers van de repressie’.199 Doordat de Vlaamse katholieken, net zoals de Waalse antiklerikalen, de Koningskwestie in communautaire termen vertaalden, ontstond de paradoxale situatie dat hun Koningsgezindheid een opening creëerde voor het anti-Belgische Vlaams-nationalisme. Het resultaat was dat de Vlaams-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


102 nationale subcultuur, misschien meer nog dan vóór de oorlog, lange tijd een vrijwel uitsluitend katholieke aangelegenheid was. De ‘verrijzenis’ van het Vlaams-nationalisme had dus veel minder met Tijl Uilenspiegel dan met de eigenaardigheden van het Belgische politieke landschap te maken. Maar omgekeerd hadden deze politieke ontwikkelingen wel hun weerslag op de Uilenspiegel-figuur. Gaandeweg kon hij immers uit zijn schuilplaats in de anti-repressieblaadjes en -pamfletjes te voorschijn komen en zijn vooroorlogse plaats weer innemen binnen de Vlaams-nationale retoriek en verbeelding. Om dat te bereiken moest hij echter door een overwegend katholieke fase. Met name in katholieke jeugdbewegingen maakte hij al vlak na de oorlog zijn opwachting. In een Kampvuurrepertorium dat Hein Nackaerts in 1945 en 1946 voor de katholieke scouts opstelde, stelde deze als beginsel vast: ‘Het kampvuur moet geleid worden door Uilenspiegel, als heraut en dat moet vooreerst een leutige Uilenspiegel zijn, die zijn menschen kan begeesteren en kwistig warme vreugde over de deelnemers kan uitstrooien.’ De animator van het geheel moest er voor zorgen dat zijn gehoor ‘werkelijk ééne groote familie wordt, die in gulle Vlaamsche vreugde zingt, lacht, danst en speelt, terwijl Tijl de vele touwtjes van het tintelende plezier in handen houdt: Uilenspiegels leute!’200 Toch was dit niet de enige Uilenspiegel die volgens Nackaerts de jeugdbeweging moest domineren. Er was immers ook de vrome Uilenspiegel, degene die Anton Van de Velde in Tijl I zijn ‘avondgebed’ tot Onze Lieve Vrouw van Vlaanderen had laten richten. Ook dat gebed maakte deel uit van Nackaerts' kampvuurrepertorium.201 Meer nog dan de scouts stelde de Boerenjeugdbond (BJB), in de vroege jaren '60 omgevormd tot Katholieke Landelijke Jeugd, zich onder het patronaat van Tijl Uilenspiegel. Ook voor hen moest Uilenspiegel niet alleen het gezonde Vlaamse vertier uitbeelden,202 maar meer en meer ook de Vlaamse vroomheid en de katholieke zeden. Om dat laatste aspect te benadrukken werd de hulp van de kuise maagd Nele ingeroepen. Als ernstige en voorbeeldige jongelui prijkten Tijl en Nele tussen 1954 en 1963 op de cover van het ‘kontaktblad voor gewestleidingen van de BJB’, een blad dat trouwens ook naar hen werd genoemd. Vanaf oktober 1954 ging ook een ander tijdschrift scheep on-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


103 der de vlag Tijl en Nele, meer bepaald het orgaan van de Rodenbach- en Lutgartkring. Onder de naam van deze 19de-eeuwse West-Vlaamse dichter en van die 13de-eeuwse ‘flamingantische’ heilige hadden een aantal Vlaams-nationalistische studenten en intellectuelen, onder wie Maurits Coppieters, zich sinds 1949 ‘in het drukkende Vlaamse vacuüm van Leuven’ verenigd.203 Hoewel zij hun katholicisme vurig beleden wilden zij toch in de eerste plaats politieke actie voeren voor de Vlaamse zaak, iets wat vóór 1949 veel moeilijker denkbaar was geweest. Zij richtten zich vooral naar de jeugd en wilden voor Leuven worden wat de ‘Zilvermeeuwtjes’ al enige jaren waren voor Brussel: een schuiloord waar het radicale, katholieke Vlaams-nationalisme opnieuw tot wasdom kon komen. De Tijl die in dit blaadje opdook was dan ook een heel andere dan de gezonde guitigaard of de vrome bidder van de katholieke jeugdbewegingen. Deze Tijl werd onder meer door Herman Drieu, één van de bezielers van het blad, in de huid gestoken van de Nederlandse hoogleraar H.L. de Vries Reilingh, die op een studentencongres in Amsterdam steun had beloofd aan het Vlaamse federalistische streven, op voorwaarde dat de Vlamingen zelf een coherente koers zouden varen. Tijdens een andere ‘ontmoeting met Tijl’, liet Drieu hem erover klagen dat de Vlamingen steeds maar nostalgisch terugblikten naar hun verleden, terwijl zij in het heden hun voornaamheid waren verloren.204 Dit voorbeeld van de Rodenbach- en Lutgartkring laat duidelijk zien hoe de respectabiliteit die Uilenspiegel in katholieke kringen had herwonnen, een hernieuwde politieke recuperatie door de Vlaams-nationalisten vergemakkelijkte. Terwijl Uilenspiegel bij het begin van de eeuw katholiek was kunnen worden dankzij de Vlaamse Beweging, kon hij na de oorlog Vlaams-nationalistisch blijven dankzij zijn katholieke gehalte. Typerend daarvoor was ook dat het oude Verdinaso-lied ‘Als Uilenspiegel is opgestaan’ in de late jaren '40 opnieuw werd gezongen door de jeugd van de Katholieke Studenten Actie.205 In 1949 dook Uilenspiegel in zijn vooroorlogse, triomfantelijke gedaante op in een prent van de katholieke, Vlaams-nationalistische tekenaar en publicist Luk Verstraete, met de klassieke Vlaams-nationalistische attributen en met als onderschrift de slotzin uit de Légende van De Coster. Dat de IJzertoren in deze prent tegen de achtergrond werd geplaatst van de

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


104 ruïnes van zijn in 1946 verwoeste voorganger, moest het verrijzenismotief nog zichtbaarder maken. De verwoesting van de IJzertoren gold immers in Vlaams-nationalistische kringen als het symbool van de Belgische knechting, terwijl de heropbouw ervan, die in 1949 nog maar net begonnen was, de onverwoestbaarheid van het eeuwige Vlaanderen zou moeten aantonen. Niet toevallig werd de prent afgedrukt in de jongerenbijlage van het katholieke dagblad De Standaard, dat sinds 1947 weer openlijk een Vlaams-nationalistische koers vaarde en aanstuurde op een legitimatie van de Vlaams-nationale collaboratie. Drie jaar later, toen de bouw van de IJzertoren al in een vergevorderd stadium verkeerde, verscheen Uilenspiegel nóg triomfantelijker en stijdlustiger voor diezelfde toren, in een prent van Paul De Bruyne. Het gamma aan Vlaams-nationalistische attributen was hier tot een maximum uitgebreid: behalve de trommel en het leeuwenschild droeg Uilenspiegel ook een leeuwenvlag en een goedendag. De uil op zijn schouder was vervangen door de blauwvoet en op zijn vilthoed stond de ‘levensboom’ gegrift, het runenteken dat als een kenteken fungeerde van het naoorlogse radicale Vlaams-nationalisme.206 De continuïteit met het vooroorlogse Vlaams-nationalisme werd nog benadrukt door de beginwoorden van het Uilenspiegel-lied, die in het groot werden afgedrukt: ‘Als Uilenspiegel is opgestaan’. Uilenspiegels hernieuwde canonisatie binnen het Vlaams-nationalistische pantheon leek op dat ogenblik wel bezegeld. Vlaanderen was niet heropgestaan dankzij Uilenspiegel, maar Uilenspiegel was gereanimeerd dankzij de politieke heropstanding van het Vlaams-nationalisme. In de jaren '50 en '60 maakte Tijl Uilenspiegel zeer frequent zijn opwachting in allerhande publicaties uit de Vlaams-nationalistische sfeer. In het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV) werden het Vlaams-nationalistische, het katholieke én het ludiek-studentikoze aspect van Uilenspiegel gecombineerd. Dat zij zich daarbij aan Flor Grammens spiegelden, blijkt uit het feit dat zij tot vandaag Het gramme visserken tot hun liederenrepertorium rekenen. De combinatie van ludieke lol en Vlaamsgezindheid kwam tot uiting in hun protestactie tegen de alternatieve, anti-amnestiebedevaart van Fosty (1953); de combinatie van narrenstreken en militant katholicisme vertoonde zich tijdens hun slag

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


105 om het stadhuis (1955) van Leuven uit protest tegen de antiklerikale onderwijswet van de socialistische minister Collard, de wet die het begin van de schoolstrijd inluidde. Bij beide gelegenheden, die aanleiding gaven tot liederen die tot vandaag in de Studentencodex te vinden zijn, voerde Tijl Uilenspiegel de gelederen van het KVHV aan.207 Niet alleen de soldateske én koldereske Uilenspiegel-traditie werd voortgezet in het KVHV, ook de poëtisch-mystiekerige beeldvorming rond Nele als toonbeeld van vrouwelijkheid zette zich verder in deze mannenclub. In het Lied van Nele, dat ook al sinds de jaren '50 tot het KVHV-repertoire behoort, wordt Tijls geliefde door de openbloeiende lente en door haar eigen dromen geïnspireerd tot haar liefde voor Vlaanderen: En 't windeken speelt met mijn dromen ik droom er mijn Vlaanderen vrij! Ik sta voor mijn land 't Land van mijn hart Mijn Vlaanderen!

Vanaf de jaren '60 lijkt Uilenspiegel gaandeweg meer naar de marges van het Vlaams-nationale discours verhuisd te zijn. Of misschien juister: naar de geïsoleerde voorposten van dat discours. Want verrassend snel - zelfs nog vóór zij enige electorale successen boekten - zagen de Vlaams-nationalisten een aantal van hun oude eisen in vervulling gaan. Toen in 1958 het Schoolpact het levensbeschouwelijke conflict tot bedaren bracht, konden de Vlaamse christen-democraten zich immers weer voluit in de communautaire strijd werpen. Na de eenheidsstaking van 1960, toen een verregaande verstrengeling tussen wallingantisme en socialisme ontstond, bracht dit het federaliseringsproces in een stroomversnelling. Dit gaf een aanzienlijk prestige en de bijhorende verkiezingssuccessen aan de Vlaams-nationalisten, maar zadelde hen tegelijk met een fundamenteel probleem op. Doordat namelijk het officiële België zelf zijn communautair probleem oploste, werd het gras gedeeltelijk voor de voeten van de Vlaams-nationalisten weggemaaid, behalve voor de meest radicalen, die op korte termijn naar volledige onafhankelijkheid streefden. Deze laatsten, die niet alleen voor hun nationale eisen, maar ook voor hun maatschap-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


106 pelijke blauwdrukken expliciet aanknoopten bij het anti-democratische Vlaams-nationalisme van het interbellum, bleven onverminderd de tussenoorlogse mythologie, met Uilenspiegel als onderdeel, hanteren. In het Vlaams Blok, de partij die 1978 ontstond toen de hardliners zich afscheidden van de volgens hen te gematigde Volksunie, circuleren tot op vandaag plannen om een Uilenspiegel-standbeeld op te richten in Antwerpen.208 De meer gematigde Vlaams-nationalisten daarentegen zagen hun raison d'être gedeeltelijk verloren gaan en kwamen in een identiteitscrisis terecht die sindsdien alleen maar groter is geworden. Een strijdbaar Vlaams-nationaal discours en de bijhorende verbeelding bleken nog slechts relevant in een aantal conflicthaarden, plaatsen waar de linguïstische, culturele en/of economische toestanden van die aard waren dat een eenvoudige federale logica er moeilijk op toe te passen was. De hoofdstad Brussel, waar het traditionele Belgische - overwegend Franstalige establishment zich stevig had vastgeankerd en waar sinds de late 19de eeuw bovendien ook de bevolking als geheel grotendeels was verfranst, was de meest evidente en meest explosieve van deze brandhaarden. De eerder genoemde Jeanne de Bruyn had al tijdens de Tweede Wereldoorlog voorzien dat de hoofdstad een blijvend probleem zou vormen. Haar Uilenspiegel-roman De speelman en zijn zoon eindigt in een visioen waarin Vlaanderen dankzij de Duitse bezetters vrij is geworden. Slechts één ‘doffe vlek’ bleef over in het Vlaamse landschap, en dat was Brussel. Uilenspiegels zoon Michiel zag het als zijn taak dat probleem uit te roeien en stevende, samen met de ‘gesneuvelden van vele eeuwen’, naar Brussel om er de Vlaamse standaard te gaan planten.209 Het was een open einde, dat Uilenspiegels taak voor de toekomst in Brussel situeerde. Dat het Uilenspiegel- en Lamme Goedzak-motief daar nog tot vandaag wordt gehanteerd om Vlaamse eisen kracht bij te zetten, bleek al uit het citaat van de TAK-aanhangers, dat in de inleiding van dit boekje werd aangehaald. Dat Taal Aktie Komité, dat in 1972 werd opgericht met als specifieke doelstelling de verdediging van de Vlaamse belangen in Brussel, stelt zich radicaal en luidruchtig op, maar distantieert zich uitdrukkelijk van de oude antidemocratische stroming binnen het Vlaams-nationalisme, zij het niet altijd even duidelijk. Daardoor

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


107 geniet het een vrij grote respectabiliteit binnen een ruimere kring van Vlaamsgezinden. Getuige daarvan het interview dat het door De Standaard werd toegestaan bij zijn 25ste verjaardag. De Uilenspiegel-retoriek van zijn kopstukken kan dan ook niet echt als ‘marginaal’ bestempeld worden, temeer daar de Brusselse situatie ook door vele niet-nationalistische Vlaamsgezinden als een situatie van ‘onderdrukking’ wordt ervaren. Het lijkt te gaan om een eenzaam restant van een ooit krachtige politieke symboliek. Hoe irreëel en schimmig Uilenspiegel als Vlaams-nationaal symbool is geworden, blijkt misschien nog het best uit het feit dat hij sinds de jaren '60 vooral nog optrad in het buitenland, waar kleine groepjes Vlaams-nationalisten meenden Vlaamse stellingen te moeten veroveren of verdedigen. Eigenlijk was dit al in de jaren '50 het geval toen in de Belgische protectoraatgebieden Ruanda en Burundi de radicale Vlaamsgezinden tegen het Franstalige bastion van de koloniale elite tekeer gingen in hun tijdschrift Uilenspiegel. In Johannesburg kwam een groep Vlamingen, die zich wel bloedverwant voelden met de blanke Zuid-Afrikanen, maar die tegelijk toch hun eigen Vlaamse identiteit wilden bewaren, geregeld samen in taverne Uilenspiegel, waar ze ook een huisorgaan onder die naam volschreven. Veel minder rechts van aard, maar daarom niet minder marginaal, was het initiatief van een aantal radiopiraten uit Frans-Vlaanderen om een Nederlandstalige - of juister, West-Vlaamstalige - vrije radio in de Noord-Franse ether te doen gaan onder de naam Radio Ulenspiegel. De leider van deze radiopiraten, Pascale Vanbremeersch, verantwoordde deze keuze onder verwijzing naar het subversieve karakter van de spotzieke Uilenspiegel. Met andere woorden, hij had eerst en vooral de oude volksheld voor ogen.210 Maar Régis de Mol, de regionalistische volksvertegenwoordiger die de actie van Vanbremeersch en Co ondersteunde, trok een meer directe parallel met het boek van De Coster, waaruit hij vooral het eeuwigheidsgehalte oplichtte. Zoals zovelen vóór hem citeerde hij de slotwoorden uit de Légende d'Ulenspiegel en hij richtte daarbij een waarschuwing tot alle ‘Flamands et hommes libres’: ‘Ne l'enterrez pas trop vite! Ne vous rangez plus aux côtés de nos Inquisiteurs! Retrouvez l'esprit et la fierté d'UYLENSPIEGEL. Il en va de notre survie!’ Dergelijke dramatische uitroepen waren niet volstrekt

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


108 ongegrond, want de Franse staat had dit ‘subversieve’, regionalistische initiatief de clandestiniteit ingedreven.211 Dergelijke schaduwgevechten maakten van Tijl Uilenspiegel wat sommigen onterecht, overigens tot groot ongenoegen van de Vlaams-nationalistische Uilenspiegel-aanhangers, in de romanheld van De Coster hadden willen zien: een Vlaamse reïncarnatie van Cervantes' picareske, wat potsierlijke held Don Quichotte.212 Als hij zijn geloofwaardigheid als held wilde behouden, moest deze Vlaams-nationale Uilenspiegel grondig van karakter veranderen. Dat wordt geïllustreerd door de geschiedenis van de zogenaamde Tijl Uilenspiegel-prijs. Deze prijs werd sinds 1963 jaarlijks door de CVP-jongeren uitgereikt aan een persoon die zich bijzonder verdienstelijk had gemaakt voor de Vlaamse zaak, wat opnieuw symptomatisch kan genoemd worden voor de verregaande symbiose in die dagen van Vlaamsgezinde en katholieke desiderata. De prijs ging vergezeld van een Lamme Goedzak-prijs voor de meest ‘lamlendige’ daad op Vlaams gebied én met de Nele-prijs voor wie de Vlaamse cultuur op een bijzondere manier in het buitenland had bekendgemaakt. Het prototypische beeld van Uilenspiegel als symbool van de Vlaamse strijdvaardigheid en vrijheidszin, Nele als verpersoonlijking van het spirituele Vlaanderen en Lamme als incarnatie van het materialistische en al te brave Vlaanderen, werd dus andermaal bevestigd. In 1970 werd besloten dat aan de uitreiking van deze prijzen ook een sociale motivatie kon worden verbonden.213 Een louter Vlaams-nationaal programma had blijkbaar zijn werfkracht verloren. Het is ongetwijfeld veel meer aan deze sociale dan aan een nationale logica te danken dat de pragmatische Belgische premier Jean-Luc Dehaene in 1994, ondanks enige uiterlijke verwantschap met Lamme Goedzak, de Uilenspiegel-prijs mocht ontvangen.214 De verschuiving naar andere, ‘modernere’ themata bleek nog duidelijker uit de laureaten van 1998. De Responsible Young Drivers mochten de veer van Uilenspiegel op hun hoed zetten omwille van hun ‘stoutmoedige acties’ voor een veiliger verkeer. Vlaams staatssecretaris voor Verkeer Jan Peeters werd met de Lamme Goedzak-prijs bedacht ‘wegens een gebrek aan diezelfde stoutmoedigheid rond een verkeersveilig België’. De Nele-prijs was voor de Foyer in Molenbeek, een organisatie die taallessen geeft aan migrantenjongeren.215

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


109 Hoewel het katholieke flamingantisme ook na de Tweede Wereldoorlog lange tijd het gebruik van het Uilenspiegel-motief domineerde, kon het er ook nu geen monopolie over verwerven. De communautaire, ideologische en sociaal-economische breuklijnen die door het Belgische politieke landschap liepen, lieten een dergelijke hegemonie immers niet toe. Eerst en vooral was men in Franstalig België niet vergeten dat De Coster zijn boek in het Frans had geschreven. Nog tijdens de oorlog had de Franstalige collaborerende uitgeverij La Toison d'Or het initiatief genomen om een goedkope volkseditie van De Costers epos op de markt te brengen, met als expliciet doel ‘la régénérescence d'un véritable sens culturel wallon’ tot stand te brengen.216 Ze werd hierbij niet geïnspireerd door de Vlaamse Uilenspiegel-uitgave van Het Laatste Nieuws, wel door de goedkope volkseditie die in diezelfde periode op de markt werd gebracht van Consciences Leeuw van Vlaanderen. Het is typerend voor de manier waarop tijdens de laatste oorlogsjaren Duitsgezinde kringen in Wallonië zich door de opbodpolitiek met het Vlaams-nationalisme lieten verleiden om hun Belgisch nationalisme opzij te zetten ten voordele van een sterkere beklemtoning van hun Waalse, volkse identiteit. Een Belgische geloofsbelijdenis was in de gegeven situatie immers zo goed als onmogelijk. Net zoals dit voor de Vlaamse volksedities het geval was, werd de beslissing van La Toison d'Or ongetwijfeld even sterk gemotiveerd door commerciële als door politieke overwegingen. Terwijl deze wallingantische recuperatie van Uilenspiegel een zeldzaamheid bleef - wat niet verwonderlijk was gezien de weinig vleiende typeringen die de Walen te beurt vielen in de Légende -, kreeg de Belgische Uilenspiegel na de Tweede Wereldoorlog een nieuwe adem. Al in 1944 had hij een officieel cachet gekregen, toen hij verscheen op de postzegels die werden uitgegeven ten voordele van de tuberculosebestrijding. In 1960, op een moment dat de Uilenspiegelfiguur nochtans weer stevig in het Vlaams raamwerk was ingemetseld, werd dit officieel karakter nog versterkt. De Belgische regering liet toen een luxe-editie van de Légende drukken dat als present-exemplaar kon worden aangeboden aan bevriende staatshoofden of regeringsleiders.217 Deze officiële Uilenspiegel was in principe tweetalig, maar werd de facto vooral opgeëist door de Franstaligen. Tijdens het academiejaar 1946-1947 bijvoorbeeld

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


110 pakte het Gentse Institut des Hautes Études, dat in 1930 was opgericht als een Franstalig intellectueel bolwerk tegen de vernederlandste universiteit, in een lezingenreeks van Henri Maldiney uit met Uilenspiegel als typische vertegenwoordiger van de Franse cultuur in België.218 Maar de Franstalige Uilenspiegel-liefhebbers konden uiteraard niet voorbijgaan aan het feit dat een heel andere Uilenspiegel in Vlaanderen het mooie weer maakte. Uit hun kringen kwamen dan ook periodieke oprispingen van verbolgenheid over de misplaatste Vlaamse recuperatie van een Franstalige romanheld. Met name in 1968, tijdens het eeuwfeest van het epos, beten een aantal Franstalige intellectuelen scherp van zich af. In het Charles De Coster-nummer dat het literaire tijdschrift Le Thyrse tijdens dat jaar publiceerde, vroeg Louis Daubier (een pseudoniem van de dichter en romanist Louis Dupont) zich af waarom Tijl ‘niet meer zong in Vlaanderen’. Het was een allusie op de tien liederen die De Coster hem had laten zingen in de Légende. ‘Zou men het hem verboden hebben, door hem te verplichten zijn geuzentrommel te ruilen voor die van de ‘Vlaamse Militanten Orde’?’ Anders, zo ging Daubier verder, zou Tijl als een refrein in beide landstalen hebben herhaald dat Claes het recht had zijn zoon op te voeden in de taal van zijn keuze.219 De verwijzing naar de slogan ‘Walen buiten’ van de Vlaamsgezinde studenten in Leuven - een eis die nog tijdens hetzelfde jaar in vervulling zou gaan - was evident, maar eigenlijk werd hier een ouder en fundamenteler meningsverschil tot uitdrukking gebracht, dat voortsproot uit totaal verschillende interpretaties van het begrip ‘vrijheid van taal’. Het territorialiteitsbeginsel (iedere regio haar eigen taal), dat de gematigde flaminganten als reactie op het Waalse federalisme sinds de jaren dertig tot fundament van het Belgische taalregime hadden gemaakt, was nooit ten volle aanvaard in Franstalige kringen.220 Die bleven zweren bij het personaliteitsbeginsel (iedere persoon is vrij de taal van zijn of haar keuze te hanteren), althans voor zover het Vlaanderen betrof. Het eentalig Franse karakter van Wallonië werd door die Franstaligen niet in vraag gesteld, aangezien zij de superioriteit van het Frans als cultuurtaal als een evidentie aanzagen. Wanneer Daubier zich afvroeg of ‘het echte Vlaanderen’ nu eindelijk zou ontwaken, dan had hij daarmee, net zoals De Coster, geen

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


111 taalkundig gedetermineerde regio, maar wel een mythisch beginsel, een icoon van de (Belgische) vrijheidszin op het oog. Om dit ‘werkelijke Vlaanderen’ te doen ontwaken, moest aldus nog Daubier de echte Tijl, de Tijl die niet geperverteerd was door het Vlaams-nationalisme, zijn afkeer uitspreken ‘van een beweging waarvan de voornaamste leiders zich op openlijke en schandalige wijze uitspreken voor de vrijheidsdodende geest en methoden van een moderne Filips II, die dertig jaar geleden begonnen is overal ‘dood, bloed en tranen’ te zaaien’. Met deze simplistische gelijkschakeling van de hele Vlaamse Beweging met het bruutste nazisme stond Louis Daubier zeker niet alleen onder de Franstalige intellectuelen in België. In hetzelfde nummer van Le Thyrse noemde ook Jean Francis het taalkundige nationalisme ‘een voorspel op alle beestachtigheden’.221 De actualiteit van De Coster en zijn Uilenspiegel was er dan ook volgens hem in gelegen dat zij, schrijlings gezeten over de taalgrens, een aanfluiting vormden van een dergelijk nationalisme, en dus ook de totale verkettering door de ‘assottés de la langue et des délirants invertébrés’ verdienden. Maar Francis was niet triomfalistisch, integendeel zelfs. Hij moest immers vaststellen dat Tijl Uilenspiegel hoegenaamd niet meer beantwoordde aan de Belgische werkelijkheid: ‘Nooit was een personage in hogere mate de tegenvoeter geworden van wat zijn volk is geworden in deze twintigste eeuw die in kindsheid hervalt in de lage landen’. De Belgen durfden of wilden immers niet langer ‘hun werkelijke nationaliteit’ aanvaarden en keerden zich daarom tot ‘onbestaande’ of tot buitenlandse nationalismen. Ook de journalist van de Franstalige Antwerpse krant Le Matin, die het verwijt van onrechtmatige annexatie van een Franse romanheld richtte tot de Uilenspiegel-gezellen nadat deze de honderdste verjaardag van La Légende in het Antwerpse stadhuis hadden gevierd, liet niet na hierbij te vermelden dat een dergelijke annexatie ook al tijdens de Duitse bezetting was gebeurd.222 De Vlaamsgezinde Antwerpse krant De Nieuwe Gazet weet de geprikkeldheid van Le Matin onder meer aan het feit ‘dat Uilenspiegel o.m. een ongenadige satire is op een zekere bourgeoisie, die Le Matin zo na aan het hart ligt’.223 Pour le besoin de la cause werd de sociale Uilenspiegel-interpretatie dus opgediept door deze Vlaams-nationalisten. Maar het voornaamste argument van De Nieuwe Gazet

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


112 tegen de beschuldiging van annexatie lag in de wedervraag ‘hoe wij een figuur zouden kunnen annexeren, die in wezen door en door Vlaams is’. Deze kringredenering Uilenspiegel kan niet niet-Vlaams zijn omdat hij Vlaams is - bewijst hoe diep een anachronistische lezing (of niet-lezing) van De Costers Légende had ingewerkt op de Vlaamse Uilenspiegel-interpretatie. In een zich snel federaliserend België, waarbinnen de taalgemeenschappen de primaire referentiekaders werden, bleek het pessimisme van Daubier en Francis gerechtvaardigd. De Franstalige pogingen om Uilenspiegel als het symbool van een unitair ‘Belgique à Papa’ te bewaren, waren tot mislukken gedoemd. De doorwerking van het Uilenspiegel-motief in Franstalig België werd dan ook, in nog hogere mate dan voorheen, hoofdzakelijk een aangelegenheid van literatuurkenners en -liefhebbers, wie het vooral om De Coster en zijn boek te doen was. Als in dat boek een politieke boodschap werd gelezen, dan was het steeds minder een nationale, steeds vaker een universele boodschap: Uilenspiegel was misschien niet langer de incarnatie van het Belgische ras, hij verpersoonlijkte nog steeds de algemeen menselijke hang naar vrijheid en rechtvaardigheid.224 In het voorwoord van de Uilenspiegel-uitgave die de Brusselse uitgeverij Labor in 1983 op de markt bracht, verwoordde Jean-Pierre Verheggen deze idee zeer treffend: Tijl vertegenwoordigt alleen maar zijn eigen, diasporische en individualistische weerstand, en niets anders: geen enkel volk, geen enkele natie... en àlle volkeren, alle naties, allemaal...!’225 Maar ook nadat het Franstalige verzet tegen de Vlaamse recuperatie was geluwd, kon het katholieke Vlaams-nationalisme de Uilenspiegel-figuur nog niet voor zich alleen opeisen. Ook in linkse en uiterst linkse groeperingen ging men immers, méér dan vóór de Tweede Wereldoorlog, het proletarische en/of anarchistische potentieel van het Uilenspiegel-motief uitbuiten, zoals ook Bertolt Brecht het van plan was geweest in een toneelstuk dat hij nooit zou schrijven.226 Voor de communistisch-geïnspireerde intellectuelen en literatoren werd in 1952 de studiekring ‘Uilenspiegel’ opgericht. Deze nam zich voor de problemen van de Vlaamse literatuur te bestuderen in verband met de grote maatschappelijke en ideologische stromingen en die voor publicatiemogelijkheden zou zorgen voor de Vlaamse vooruitstrevende auteurs.227 Eerder al, in

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


113 1949, hadden de lezers van De Rode Vaan een stripversie van Solovjevs Russische Uilenspiegel-boek Uilenspiegel stoort het feest onder ogen gekregen, en tussen juli 1954 en juli 1955 konden zij zich dagelijks verlustigen in een aflevering van een stripverhaal dat trouw was gebaseerd op de Légende van De Coster. Opnieuw was de chronologische samenhang met de Vlaams-nationalistische Uilenspiegel-traditie opvallend. Was het toeval dat drie jaar eerder Willy Vandersteen zijn Uilenspiegel-strip had laten verschijnen in het kaholieke Ons Volk? Hij was minder dicht bij de versie van De Coster gebleven, maar had zijn held toch ook temidden van de Opstand tegen Spanje geplaatst. In de daaropvolgende jaren zou Uilenspiegel een belangrijke rol blijven spelen in het werk van Vandersteen, met name in de reeks Onze Geuzen. Kaproen was Uilenspiegel niet vergeten! Tijdens de jaren ‘60 zou de linkse Uilenspiegel-variant, die zelden echt gethematiseerd werd maar eerder als een vanzelfsprekend icoon fungeerde, meer en meer in het vaarwater komen van non-conformistische protestbewegingen met een trotskistische, anarchistische of niet nader geformuleerde gauchistische inslag. Het is boeiend om even stil te staan bij de manier waarop Hugo Claus’ Uilenspiegel in deze invloedssfeer terechtkwam. Oorspronkelijk schreef Hugo Claus, toen een rijzende ster aan het firmament van de Nederlandstalige (toneel) literatuur, zijn toneelstuk Uilenspiegel in opdracht van de Universitaire Lustrum Commissie van de eerbiedwaardige universiteit van Leiden. Dat deze een toneelbewerking van De Costers Légende koos voor haar 78ste lustrumviering in de zomer van 1965, was niet helemaal verrassend, want in dat boek werd een vleiend beeld opgehangen van de stichter van de Leidse universiteit, Willem van Oranje. Claus' oorspronkelijke bewerking volgde die Légende dan ook trouw, bijna schools, al woog het sociale protestmotief misschien relatief zwaar door in zijn stuk.228 Maar toen hem twee jaar later een Franse bewerking van hetzelfde stuk voor het Brusselse Théâtre National gevraagd werd, bracht Claus een cruciale verandering aan, met name in het finale visioen van Tijl en Nele. De mysterieuze ‘zeven’, die Tijl doorheen het hele stuk had gezocht, werden er geopenbaard als de zeven hoofdzonden, die zich voor hun ogen transformeren in de zeven cardinale deugden. Tot zover volgde de versie van 1967

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


114 die van twee jaar eerder, en meteen ook De Costers boek. Maar anders dan in die twee vorige versies, stelde Tijl zich niet tevreden met de transformatie. Integendeel zelfs, ze wekte bij hem alleen maar ergernis: ‘Is het dat maar, de zeven? De goede gewoonten en de laffe moraal, die zand werpen in het hart van de mensen? [...] Ga ver van mij heen! Ik ben de wraak, ik ontsteek het vuur aan jullie steriel hout!’ Claus nam dus categoriek afstand, niet alleen van de burgerlijke moraal waardoor Charles De Coster zich had laten leiden, maar ook van het volgens hem verburgerlijkte marxisme dat in de protestbewegingen van zijn eigen tijd opgeld deed. Maar eigenlijk had Claus aan het Théâtre National een andere tekst aangeboden - een tekst die uit communautaire kiesheid door de directie van het theater werd geweigerd. Want in deze tweede Uilenspiegel-editie, die aanvankelijk Uilenspiegel II zou heten, maar uiteindelijk als Tand om Tand verscheen, verbond Claus zijn oproep tot een doorgedreven non-conformisme met een hevig protest tegen het rechts-radicale Vlaams-nationalisme. Deze derde versie verschilde fundamenteel van zijn beide voorgangers, en had inhoudelijk niets meer te maken met de Légende d'Ulenspiegel, al trachtte Claus er wel de geest van te bewaren. Het verhaal was gesitueerd in het onafhankelijke Vlaanderen van de toekomst, waar een succesrijke popzanger, Jan Van der Molen, carrière maakt onder het pseudoniem Uilenspiegel, zeer tot het ongenoegen van de Vlaamse regering. Deze vergeeft het de zanger niet dat hij, in de woorden van theatercriticus Jacques De Decker, ‘aan de held, die algemeen werd aanzien als het geruststellende symbool van het eeuwige Vlaanderen, zijn stormachtige vrijheidsbestaan heeft teruggegeven om de jeugd aan te zetten tot rebellie tegen de nationalistische, reactionaire en klerikale instellingen van het van België afgescheiden Vlaanderen’. Wanneer de Vlaamse regering begrijpt dat zij Van de Molen alias Uilenspiegel niet voor haar zaak kan inlijven, executeert zij hem. Met deze maatschappijkritische sciencefiction bekritiseerde Claus niet alleen het rechtse Vlaams-nationalisme, maar onrechtstreeks elke vorm van systeemdenken, omdat dat onherroepelijk in totalitarisme verzandt.229 De politieke geladenheid van het stuk zorgde ervoor dat ook de KNS in Antwerpen, de KVS in Brussel en het Comité van de Guldensporenfeesten Claus' tekst weigerden op te voeren. Na veel gehakketak aanvaardde

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


115 de KVS hem dan toch tijdens het seizoen 1969-'70.230 Maar Claus was ondertussen uitgeweken naar Amsterdam... De non-conformistische, libertijnse Uilenspiegel distantieerde zich dus van elk politiek programma. In de late jaren '70 echter, toen de Vlaamse communisten zich aan de federale logica aanpasten en op zoek gingen naar een ‘Vlaamse’ identiteit, werd getracht de links-agitatorische Uilenspiegel wel een theoretische onderbouw mee te geven. De Uilenspiegel-feesten die in 1979 plaatsvonden in Damme waren ook voor de Kommunistische Partij en voor het Masereelfonds de aanleiding om dat jaar tot Uilenspiegel-jaar uit te roepen. Verschillende keren werd opgeroepen om de ‘ware’ Tijl uit de handen van de reactionaire katholieke krachten te bevrijden. Dit was geen louter literaire of culturele aangelegenheid, zo werd in De Rode Vaan geponeerd, ‘want de Tijl waarachter het Vlaamse volk zich schaart bepaalt de oriëntatie en de doelstelling van haar strijd, ook vandaag nog’.231 De ware Tijl, dat was volgens deze linkse maatschappijcritici in de eerste plaats de verpersoonlijking van de ‘weerstand en verzet tegen elke vorm van verdrukking, en een uitnodiging tot kritisch denken’. Tot zover volgden zij expliciet de liberale Uilenspiegel-traditie, die in 1959 een vooraanstaande vertolker had gevonden in Aloïs Gerlo's boekje Charles de Coster en Vlaanderen. Toch trachtte men in dit linkse milieu ook, al ging dat niet zonder moeite, een meer progressieve interpretatie van het Uilenspiegel-thema te geven. Al was De Coster in wezen nog een paternalistisch-denkende liberaal geweest, toch had hij volgens Het Vlaams Marxistisch Tijdschrift binnen de grenzen die zijn tijd hem stelde de socio-economische wantoestanden uit zijn eigen omgeving gehekeld.232 Dat De Costers Tijl bovendien ook een nationale bevrijdingsheld was, bracht Antoon Roossens ertoe Uilenspiegel als inspiratiebron naar voren te schuiven met het oog op een heroriëntering van de Vlaamse arbeidersklasse. Wilde deze aanspraak maken op de rol van leidende klasse, dan moest ‘zij - als arbeidersklasse - ook de kulturele en nationale problemen van het gehele Vlaamse volk tot de hare maken’. Nationale en sociale noden waren dus inherent met elkaar verweven en de oplossing van de eerste zou niet mogelijk zijn zonder de oplossing van de tweede, net zomin als omgekeerd.233 Toch bleef ook de deze ‘klein-linkse’ Uilenspiegel, die leven-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


116 dig werd uitgebeeld in het poppenspel Een vuist in het hart van Freek Neirynck en Paul Berkenman uit 1979, meer een vrijheidsdan een gelijkheidsheld. Daarom waren zijn propagandisten er niet over te spreken dat niemand minder dan Bert Peleman, een vertegenwoordiger van het rechts-katholieke Vlaanderen, naast minister van cultuur Rika De Backer op de ereplaats mocht zitten bij de inhuldiging van het Damse Uilenspiegel-museum in 1979. Daarmee had De Backer, aldus De Rode Vaan, niet gekozen voor de echte Tijl, strijder tegen verdrukking en achterlijkheid, maar voor ‘zijn tegenvoeter, de pseudo-Tijl, die, ook tijdens de Duitse bezetting, door de pseudo-Vlamingen werd ingezet om ons volk beter te ketenen’.234. Uit deze eenzijdige gelijkstelling van Peleman met fascisme en collaboratie bleek dat een fundamentele ontwikkeling, niet alleen in de denkwereld van Peleman, maar ook in de Vlaamse Uilenspiegel-traditie en meer algemeen in de Vlaamse cultuurwereld als geheel, de redacteurs van De Rode Vaan was ontgaan. Want sinds omstreeks 1960, nadat de ideologische spanningen ten gevolge van het Schoolpact waren geluwd en het Vlaams-nationalisme door het federaliseringsproces werd voorbijgestoken, was in Vlaanderen een nieuw soort Uilenspiegel-liefhebber opgestaan. Of liever, deze had zich eindelijk hoorbaar kunnen maken doorheen al het politieke wapengekletter. Deze nieuwe Uilenspiegel-liefhebber behandelde Uilenspiegel niet meer in de eerste plaats als een politiek, maar wel als een cultureel gegeven. Of, om met Nietzsche te spreken, hij of zij behandelde Uilenspiegel niet meer monumentaal, maar wel antiquarisch.235 Het ging deze mensen, die zich gaandeweg verzamelden in Uilenspiegel-genootschappen allerhande, niet om het politieke gebruik van de Uilenspiegel-figuur, maar wel om het opzoeken, verzamelen en eventueel tentoonstellen van alle Uilenspiegel-manifestaties doorheen alle tijden en alle landen. Zij creëerden zelfs een nieuwe wetenschap, de ‘Uilenspiegelkunde’, waarvan de resultaten sinds 1991 verschijnen in de vaak antiquarisch-repertoriërende artikels die het door Walter De Decker opgerichte tijdschriftje Ulieden Spiegel bevolken. Deze nieuwe wetenschap voedde zich enigszins aan de oudere traditie van filologisch onderzoek naar het Uilenspiegel-volksboek, maar populariseerde ze

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


117 en vulde ze aan met onderzoek naar de modernere Uilenspiegelmanifestaties in de literatuur en in de kunst. Deze wending impliceerde dus een gedeeltelijk teruggrijpen, over De Coster heen, naar de vroegere held uit de volksboeken. Tegelijkertijd impliceerde ze ook een wending naar het boek van De Coster. Want in de mate waarin deze Uilenspiegel-liefhebbers zich wél met de Légende bezighielden, besteedden ze meer aandacht aan de literaire waarde, minder aan de politieke of nationale bruikbaarheid van het boek. De fixatie op een aantal motieven uit de Légende maakte plaats voor een meer open en veelvormige benadering van het boek. Daardoor werd iedere politieke, maar in de eerste plaats de Vlaams-nationale inlijving van het boek sterk geproblematiseerd, want precies in de ‘academische marge’ van de Vlaamse Beweging waren al langer vraagtekens geplaatst bij het intrinsiek ‘Vlaamse’ karakter van de Costers Uilenspiegel. De Leuvense germanist R. Willemijns had bijvoorbeeld al in maart 1942 in Nieuw Vlaanderen te kennen gegeven dat volgens hem de Costers Uilenspiegel geen ‘integrale uitbeelding van de taaie, onwrikbare Vlaamsche ziel’ was, maar wel ‘vooral de zuiverste incarnatie van 's schrijvers diepste eigenheid’. Daarmee doelde hij in de eerste plaats op Uilenspiegels felle antiklerikalisme dat niets gemeen had met de Vlaamse volksaard, wel met De Costers persoonlijke overtuiging.236 In 1960 uitte ook de toonaangevende Leuvense neerlandicus Albert Westerlinck (pseudoniem van José Aerts) zijn scepsis over de stelling dat Uilenspiegel een incarnatie was van het Vlaamse wezen. Hij achtte het Vlaamse volk te sterk cultureel ontwikkeld om te worden vereenzelvigd met ‘een primitief ras met ruwe zeden en instinctieve reacties, met een brutale aanleg om zich uit te leven in animale gevoelens en met een taal “naïef, romantisch en wild.”’ De ophemeling van de Légende d'Ulenspiegel als nationaal Vlaams epos kon dit misverstand alleen maar helpen in stand houden.237 Dergelijke uitspraken van een in Vlaamsgezinde kringen gezaghebbend auteur als Westerlinck maakten, samen met de hernieuwde aandacht voor het volksboek, de vereenzelviging van Uilenspiegel met Vlaanderen minder evident dan voorheen. De nieuwe, ‘culturele’ of ‘antiquarische’ Uilenspiegel-verering ledge dan ook een groeiende aandacht voor buitenlandse Uilensplegel-tradities aan de dag, en zocht ook steeds meer contact met buiten-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


118 landse Uilenspiegel-genootschappen, die omstreeks dezelfde tijd op verschillende plaatsen in Europa - maar vooral in Duitsland - tot stand kwamen. Om die internationale samenwerking te bevorderen, werd en wordt het gebruik van de meest geavanceerde media niet geschuwd. De ‘collectors of Ulenspiegel and other Ulenspiegel-maniaks’, waaronder ook de ‘Uylenspieghel's Kring’ uit Damme, openden recent een eigen website op internet, waarop zij een vloeiende kennis van het meest trendy computerjargon aan de dag leggen. ‘Wanna meet with other Ulenspiegel-fans?’ De oplossing is eenvoudig: ‘Give your nickname and connect to the Ulenspiegel chat-box.’238 Bij een louter vrijblijvend, antiquarisch verzamelen van Uilenspiegeliana wilden deze collectionneurs het evenwel niet laten. Ook zij wilden (en willen) wel degelijk de ‘geest van Uilenspiegel’ levendig houden, maar daarbij wordt Uilenspiegel niet a priori in verband gebracht met één welbepaalde politieke of nationale overtuiging. De vraag ‘Wil de echte Tijl opstaan?’, die in 1990 in het Davidsfondsblad Omtrent gesteld werd, kan en mag volgens hen principieel niet beantwoord worden omdat zij de charme van Tijl juist in zijn veelvormigheid situeren.239 Een veelvormigheid waar niettemin een universaliteit achter schuilging, aangezien Uilenspiegel in deze nieuwe, antiquarische traditie, net zoals in de Franstalige, liberale traditie, de universele waarden van tolerantie en optimisme incarneerde. In die zin kan de ‘antiquarische’ Tijl gezien worden als een weerspiegeling van de brede democratische consensus die in West-Europa, of althans in NoordWest-Europa, heerst sinds de Tweede Wereldoorlog. Daardoor kon Uilenspiegel nu ook verwezenlijken wat hij vóór de jaren '60 niet kon: terwijl hij voordien wel zélf een wonderbaar talent aan de dag legde om allerlei politieke en ideologische kloven te overbruggen, slaagde hij er nu in mensen uit verschillende politieke strekkingen samen te brengen rond zijn persoon. Zo werd het peterschap van de Uilenspiegel-gezellen, waarvan Bert Peleman één van de drijvende krachten was, aanvaard door socialisten als Camille Huysmans, Frans Masereel en Lode Craeybeckx. Peleman zelf bracht trouwens, net zoals die andere Vlaams-nationalist Roger Gheyselinck, vaak zijn bewondering tot uitdrukking voor de succesrijke Uilenspiegelpropaganda in de Sovjet-Unie.240 De journalist die in februari 1968

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


119 de bijeenkomst van de internationale Uilenspiegel-gezellen voor 't Pallieterke versloeg, kon dan ook vaststellen ‘dat onze Tijl één der weinigen is die alle kleuren van de regenboog in harmonie kan brengen’.241 Net zoals het Belgische politieke landschap als geheel, raakte Tijl ‘ontzuild’. Of juister, hij verloor zijn segmentering op levensbeschouwelijke basis.242 Op een meer algemeen niveau zouden we deze nieuwe Uilenspiegel-versie dan ook ‘geseculariseerd’ kunnen noemen, want zij kon maar tot stand komen in een wereld waarin levensbeschouwingen hun karakter van homogene religieuze of pseudo-religieuze dogma's hadden verloren. Zoals ieder individu zijn overtuiging kon samenstellen op basis van het brede gamma dat werd aangeboden op de markt van ideeën, zo kon ook iedereen zich een eigen Uilenspiegel creëren. Eind jaren '90 heeft deze ideologische ‘ruimdenkendheid’ zodanige proporties aangenomen dat de Uilenspiegel-fanaten via Internet worden gemobiliseerd onder de op het communistische adagium geïnspireerde leuze: ‘All collectors of Ulenspiegel: Unify Thouselves!’ Tegelijk kwam de genoemde journalist van 't Pallieterke ook tot de voor hem verblijdende constatatie dat Uilenspiegel er niet in slaagde Vlamingen en Franstaligen nader tot elkaar te brengen. Het is typerend voor het feit dat sinds 1960 de communautaire breuklijn in België weer allesoverheersend was geworden, maar misschien niet minder voor de ondanks alles nationale gerichtheid van de ‘nieuwe’ Uilenspiegel-liefhebbers. Telkens opnieuw pleitten zij tegen een eng-Vlaamse interpretatie van de universele Uilenspiegel en kaderden zij hem in bredere verbanden. Zo beschouwde Huysmans - en na hem Gheyselinck - Uilenspiegel als een pleitbezorger avant la lettre van de Benelux-gedachte, en noemde de Kortrijkse romanist Vic Nachtergaele hem niet lang geleden de eerste Europeeër, omdat hij het resultaat was van een verregaande métissage tussen de Romaanse en de Germaanse cultuur.243 Maar ondanks deze pleidooien voor een meer open benadering, bleef ook bij deze Uilenspiegel-antiquaren de Vlaamse reflex prominent aanwezig: Uilenspiegel was weliswaar een incarnatie van universele waarden, maar deze waarden hadden zich bij uitstek gemanifesteerd in het Vlaanderen dat eeuwenlang tegen onderdrukking had moeten strijden en dat doorheen de tijd een soort etnische smeltkroes was geworden. Daarom was ook de Europese Uilen-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


120 spiegel zo door en door Vlaams.244 Voor Lode Craeybeckx, die als burgemeester van Antwerpen de in 1968 in die stad georganiseerde tentoonstelling onder de veelzeggende titel Tijl Uilenspiegel Wereldburger mocht inleiden, riep Uilenspiegel vooral dat op ‘wat voor ons de edelste schoonheid van Vlaanderen uitmaakt,’ namelijk het blijmoedige verzet tegen elke onderdrukking.245 Voor Vic Nachtergaele moest hij, juist in zijn ‘multiculturaliteit’ een ‘toonbeeld voor de Vlamingen van vandaag’ blijven: ‘Laten zij bewust blijven dat onze culturele rijkdom vele vaders heeft, en beseffen dat de permanente confrontatie met andere culturen essentieel is voor een dynamische volksgemeenschap’. Tijl was ‘bij uitstek de Vlaming zonder grenzen’.246 Binnen een dergelijke tegelijk universalistische én regionalistiísche gedachtegang was wél plaats voor Wallonië - één van de regio's van het nieuwe Europa -247, maar veel minder voor een ‘staatse’ constructie als België. Iemand als Nachtergaele, nochtans een van de grote pleitbezorgers van deze ‘open’ interpretatie van Uilenspiegel, was dan ook zodanig beducht voor een Belgische recuperatie van de Légende dat hij zelfs de individualistische en universalistische Uilenspiegel-benadering van Jean-Pierre Verheggen interpreteerde als een uiting van het Frans-Belgische meerderwaardigheidsgevoel.248 Deze geüniversaliseerde en tegelijk particularistische Uilenspiegel is degene die tot op de dag van vandaag aan de basis ligt van nieuwe artistieke vormgevingen. Motieven uit de oudere flamingantische retoriek keren daarin geregeld terug, zoals in het Uilenspiegel-lied uit 1969 van de Antwerpse folksinger Wannes Van de Velde: Al eeuwen, wat droevig lot, wordt hij versleten voor een zot, maar ik geloof dat voor geen geld. Voor mij blijft hij de bittere held. Van Vlaanderen, van dat droevig land en maak je van Uilenspiegel een zot, daar krijg je zijn ziel niet mee kapot.249

In deze strategie om Uilenspiegel van zijn schalkse karakter te ontdoen en te identificeren met de geest van Vlaanderen, was

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


121 Wannes Van de Velde al voorafgegaan door zijn naam- en stadsgenoot Anton Van de Velde.250 Hoewel Wannes Van de Velde met deze laatste wel een zeker cultuurpessimisme gemeen had, vertaalde zich dat bij hem in een heel andere politieke stellingname. Zijn politiek programma wordt geleid door progressieve thema's als de milieuproblematiek, de arbeidersemancipatie, en recent nog de directe democratie door middel van het referendum.251 Het Vlaanderen van zijn Tijl Uilenspiegel was dus niet, zoals dat van Anton Van de Velde, een onafhankelijk, katholiek, moreelen etnischzuiver en autoritair geleid Vlaanderen, maar wel een Vlaanderen waarin zoveel mogelijk mensen op een zo democratisch mogelijke wijze aan de macht konden deelnemen. Wannes Van de Veldes evenknie uit de Westhoek, Willem Vermandere, heeft ook bekendheid verworven door zijn ludieke, maar tegelijkertijd doodernstige pleidooien voor een multiculturele samenleving. Toch gaat deze politieke bewogenheid ook bij hem gepaard met een weemoedig-gestemde liefde voor zijn Vlaanderen, dat hij ruimer ziet dan alleen ‘de Vlaanders’. Op de meest uitvoerige wijze heeft hij deze liefde bezongen in zijn lied ‘M'n Vlaanderland’ uit 1995, waarin hij het begrip Vlaanderen samenbalt in een lijst van zijn meest diverse typerende karakteristieken. Daarin verwerkte hij heel wat kritiek op het rechtse karakter van het Vlaams-nationalisme (‘mijn onverteerd repressieland, mijn nog eeuwig smeulend naziland’) en op de landschappelijke verloedering van Vlaanderen (‘mijn Mercedes-, mijn lederland, mijn shoppingland, mijn carpetland’), maar herhaalde hij daarnaast ook een reeks klassieke iconen uit het Vlaamsgezinde zelfbeeld. Vlaanderen werd niet alleen ‘mijn Ruusbroek- en mijn Rubensland, mijn gezellige Gezelleland’, maar ook ‘Mijn Tijl en Lamme-Goedzakland’ genoemd. Uit Vermanderes eindoordeel op basis van deze veelzijdige inventaris sprak een grote liefde voor Vlaanderen, dat hij typeerde als ‘mijn nie beter of nie slechter land, [...] mijn ondanks alles liefste land’.252 Deze mix van distantie en affectie kan typerend genoemd worden voor een hedendaagse vorm van cultuurflamingantisme en dus ook voor de nieuwe omgang met een figuur als Tijl Uilenspiegel.

Eindnoten: 198 Zie hierover: Bart De Wever, ‘Het Vlaams-nationalisme na de Tweede Wereldoorlog. Verrijzenis of herrijzenis?’, Bijdragen tot de eigentijdse Geschiedenis, nr. 3 (themanummer nationalisme) (1997), 277-290. 199 Pieter Lagrou, ‘Welk Vaderland voor de Vaderlandslievende verenigingen? Oorlogsslachtoffers en verzetsveteranen en de nationale kwestie, 1945-1958’, Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, nr. 3 (1997), 143-161. M.n. p.156-159. 200 Themakampvuren. Kampvuurrepertorium, nr 5. (Brussel, 1946), 9. 201 Kampvuurkreten, -verhalen en -gebeden. Kampvuurrepertorium, nr. 4 (Brussel, 1946), 52. 202 Zo gaf Kan. C. Claes, nationaal proost van de BJB, een liederenbundel uit onder de titel Met Tijl door Vlaanderen, Leuven, 4de druk, 1961. 203 Willy Kuijpers, ‘Rodenbach- en Lutgartkring’, in: Jozef Deleu e.a. (ed.), Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, deel 2 (Tielt-Utrecht, 1975), 1341. 204 Tijl en Nele, resp. jg. 2, nr. 2 (feb. 1955), 12, en jg. 2, nr. 4 (april 1955), 15.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


205 Meegedeeld door Carlos Van Louwe. 206 Hetzelfde teken, een soort naar boven gerichte drietand, verscheen in de jaren '70 als logo van Revolte, het orgaan van de drukkingsgroep Voorpost. 207 Over Tijl Uilenspiegel in het KVHV verschijnt in het najaar van 1998 een artikel van Carlos Van Louwe in Ulieden Spiegel, onder de titel ‘Van student tot soldaat’. 208 Daarop alludeerde de Antwerpse schepen van bevolking, Patsy Sörensen, tijdens de gemeenteraad van 29 april 1996, toen zij in het kader van het graffitidebat Vlaams-Blok-raadslid Brouwers voor de voeten gooide dat het niet alleen onwettig is graffiti te spuiten, maar ook bronzen beelden te plaatsen op de openbare weg, zelfs als dat beelden van Tijl en Nele zijn. 209 Jeanne De Bruyn, De speelman en zijn zoon, 233-234. 210 Pascal Vanbremeersch, Radio Uylenspieghel. Une Radio libre on Flandre (Dunkerque, 1979), 63. 211 Régis De Mol, ‘Préface’ bij Ibidem, 7-8. 212 De vergelijking tussen de duo's Tijl-Lamme en Don Quichoue-Sancho Pancha werd al gemaakt door Camille Huysmans in 1927 (in de Renaissance d'Occident). In zijn inleiding tot de Amerikaanse editie van La Légende herneernt hij de stelling dat De Coster het structurele schema van Cervantes' roman overnam, maar dat de karakters zelf al te zeer van mekaar verschillen om de vergelijking verder te drijven. Zo leefde Tijl volop in de realiteit, terwijl Don Quichotte de held van een droomwereld was. De parallel werd opnieuw sterker benadrukt door Edmond Vandercammen, De Don Quichotte à Thyl Ulenspiegel. Lecture faite à la séance du 8 maí 1954. Brussel, Académie Royale de Langue et de Littérature Françaises de Belgique, 1954; Joseph Hanse echter, ‘Le centenaire’, 4, noemt de vergelijking simplistisch. 213 Hugo De Ridder, ‘Uilenspiegelprijs’, in: Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, deel 2, 1695. 214 Zie De Standaard, 21 oktober 1994. 215 ‘Kritiek op “Lamme Goedzak” Peeters’, De Standaard, 9 juli 1998. 216 Geciteerd door Michel B. Fincoeur, ‘De uitgeverswereld in België tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het voorbeeld van de “Éditions de la Toison d'Or”’ in: P. Aron e.a (ed.), Hun kleine oorlog. De invloed van de Tweede Wereldoorlog op het literaire leven in België (Leuven, 1998), 131-154. Cfr. met name p. 69, voetnoot 99. 217 Zie daarover Gheyselinck, o.c., 148. 218 ‘Institut des hautes études: Hooger Instituut voor Fransche Cultuur’, Programme de l' Année Académique 1946-1947: lezingenreeks van Henri Maldiney over ‘la pensée française d'aujourd'hui’, met daarin o.m.: ‘Le miroir d'Uylenspieghel. Sang et Lumière dans le Monde contemporain’, Universiteitsarchief Gent, 4 A2/6, 143/30, doos 1. 219 Louis Daubier, ‘La dernière chanson de Thyl?’, Le Thyrse, jg. 70, nr. 3 (1968), 3-4. 220 Dat het territorialiteitsbeginsel in de Vlaamse Beweging pas is binnengedrongen als reactie op het vroege federalisme van wallinganten als Destrée, wordt benadrukt door Harry Van Velthoven, De Vlaamse kwestie 1830-1914. Macht en onmacht der Vlaamsgezinden. Standen en Landen, 82. Kortrijk, 1982. 221 Francis, o.c., 38. 222 Le Matin, januari 1968. 223 R.V. in De Nieuwe Gazet, 29 januari 1968; ook in 't Pallieterke van 5 februari 1968 werd door ene ‘Jan’ gereageerd op de uitlatingen in Le Matin. 224 Zie R. Mortier, ‘La Légende d'Ulenspiegel, une épopéede la liberté’, Revue de l'Université de Bruxelles, nouvele série, jg. 22, nr. 1 (1968), 35-46. 225 Jean-Pierre Verheggen, ‘Préface’, in: Charles De Coster, La Lógende d'Ulenspiegel (Brussel, 1983-1984), deel 1, 9. 226 Twee andere DDR-auteurs, Christa en Gerhart Wolf stelden Uilenspiegel wél voor als de heraut van de klassenstrijd in hun toneelstuk Eulenspiegel (zie daarover: Bärbel Lersch en Franz-Josef Lersch, ‘Die Eulenspiegel-Bearbeitung von Christa und Gerhart Wolf. Bedeutung und Funktion im Entwicklungszusammenhang der DDR-Literatur’, in: Joachim Bumke e.a., Till Eulenspiegel in Geschiche und Gegenwart (Bern-Frankfurt-Las Vegas, 1978), 119-147. 227 ‘Studiekring “Uilenspiegel” stak van wal’, De Rode Vaan, 20 november 1952. 228 Voor een analyse van de parallellen en verschillen tussen de Uilenspiegel van Claus en het origineel van De Coster, zie Vic Nachtergaele, ‘La Légende d'Ulenspiegel in de spiegel van de Vlaamse auteurs (deel 2)’, Ulieden Spiegel, jg 2, nummer 2 (december 1993), 3-15. Op één punt kan ik Nachtergaeles analyse niet volgen, namelijk waar hij het zogenaamde anti-wallingantisme uit Claus' stuk aanziet als een eigen toevoeging van Claus. Claus' uitspraak dat, na het vertrek van Alva. ‘Vlaanderen, aan zijn lot overgelaten, [werd] verwoest door de

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


229 230 231 232 233 234 235

236 237 238 239

240 241 242

243 244

245 246 247

248 249 250

251 252

Walen’, verschilt alleen in zover van De Costers Légende dat deze niet Vlaanderen, maar België liet geteisterd worden door de Walen (boek 5, hoofdstuk 2). Zie Jacques De Decker, ‘Les trois Tijl de Hugo Claus’, Le Thyrse, 70/3 (1968), 45-47. Zie Rudi Van Vlaanderen, ‘Uilenspiegel en Tand om Tand van Hugo Claus’, Ulieden Spiegel, jg. 3, nr. 3 (Zomer 1994), 39-41 (artikel overgenomen uit De scène, 25 april 1994). De Rode Vaan, jg. 58, nr. 34, 23 augustus 1979: ‘Uilenspiegel leeft en Damme is zijn hoofdkwartier’. Eddy Rosseel, ‘Charles de Coster en het socio-culturele gegeven van zijn tijd’, Vlaams Marxistisch Tijdschrift, jg. 13, nr. 1 (1979). (Uilenspiegelnummer), 13-29. Antoon Roossens, ‘Uilenspiegel 1980’ in Tijl Uilenspiegel 1979. Uitgave van het Masereelfonds (1979), 14-17. De Rode Vaan, jg. 58, nr. 34, 23 augustus 1979: ‘Uilenspiegel leeft en Damme is zijn hoofdkwartier’. In zijn essay Over nut en nadeel van geschiedenis voor het leven. Tweede traktaat tegen de keer (1874, zie de Nederlandse vertaling die in 1984 bij de Historische Uitgeverij Groningen het licht zag), maakt Nietzsche het onderscheid tussen een monumentale, een antiquarische en een kritische houding tegenover de geschiedenis. In hun meest zuivere vorm verwerpt hij ze alle drie, omdat de eerste een tekort, de tweede en de derde een teveel aan geschiedenis impliceren. R. Willemijns, ‘Fransch-Belgische Letteren. Charles De Coster’, Nieuw Vlaanderen, 21 september 1942. Albert Westerlinck, ‘Charles De Coster en het Vlaamse wezen’, Dietsche Warande en Belfort, jg. 105, nr. 10 (december 1960), 715-725. Citaat p. 718. http://wwwi.tip.nl/ t127752/uil2a.htm. De homepage werd opgesteld door de Nederlandse Uilenspiegel-liefhebber Jaap Vogel. I. Moons, ‘Wil de echte Tijl opstaan? Uilenspiegel is niet voor één interpretatie vatbaar’, Omtrent (januari 1990), 18-20. In het al eerder aangehaalde voorwoord tot Uilenspiegel, wie ben jij?, waarschuwden de samenstellers hun lezers vanaf het begin dat ‘deze uitgave dan ook zeker niet de pretentie heeft volledig te zijn of U dé Uilenspiegel voor te stellen, hij bestaat gewoon niet!’ Zie bv. Bert Peleman, ‘Uilenspiegel ook voor de Russen een vrijheidsheld. De Costers legende zit in vele boekenkasten’, De Standaard, 18 februari 1969; Gheyselinck, o.c., 177. Jan, Tijl Uilenspiegel te Antwerpen ... en verder’, 't Pallieterke, 15 februari 1968. Dat de zuilen, omgevormd tot ‘politieke concerns’, bleven voortbestaan nadat ze van hun levensbeschouwelijke grondslag waren beroofd, benadrukt onder meer Luc Huyse, De Verzuiling voorbij. Leuven, 1987. Zie Gheyselinck, o.c., 223; Vic Nachtergaele, ‘Tijl Uilenspiegel: een Europeaan avant la lettre’, Ulieden Spiegel, jg. 3, nr. 1 (zomer 1994), 28-31. Zie in dat verband onder meer Guy Segers' Ten Geleide' bij Ulieden Spiegel, jg. 4, nr. 2 (winter 1995), 3: ‘Zijn wij dan ‘on-Vlaams’? Helemaal niet. Maar het universele karakter van Uilenspiegel - de wereldburger - behoedt ons voor het dragen van oogkleppen. De boodschap van de Legende is er een van verdraagzaamheid en niet van enggeestigheid.’ Lode Craeybeckx, ‘Ten Geleide’ in de tentoonstellingscatalogus Tijl Uilenspiegel Wereldburger (Antwerpen, 1968), 3. Nachtergaele, ‘Europeaan avant la lettre’, 29. Vandaar de aandacht van deze Uilenspiegel-liefhebbers voor het Luikse volksfiguur Tchantchès, dat onder enig voorbehoud werd voorgesteld als een Waals equivalent van Uilenspiegel. Zie Monique Maton, ‘Tchantchès, een Waalse Uilenspiegel?’, Ulieden Spiegel, jg. 5, nr. 2 (winter 1996), 28-33. Nachtergaele, ‘La Légende d'Ulenspiegel in de spiegel van de Vlaamse auteurs (deel 2)’, 15. Op de LP M'n beste, 1969. Vergelijk Anton Van de Velde, Tijl II, 119: ‘Luister: Er werden duzend boeken over mijn avonturen geschreven./ Zotternij! 't Was alles logen!/Ze hebben van Tijl 'n zotskap gemaakt.../ Nele! Nele! Gij wist het beter!/ Eens zal 'n zoekende idioot/ m'n testament in 't muzeum zetten./ Dat krijgt de gemeente dan te zien/ onder 'n meter geslepen glas./ 't Onsterfelijke stambewustzijn ('k heb dat gehoord in 'n redevoering), neergepend op 'n ezelsvel! Goddank dat er nog ezels zijn.’ Zo behoort hij tot de ondertekenaars van de in 1997 door het ‘Wit comité voor directe democratie’ gelanceerde petitie voor directe democratie. Op de CD Mijn Vlaanderland, 1995.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


122

Als ‘geest van Vlaanderen’ werd Uilenspiegel geacht uit te rijzen boven verleden, heden en toekomst van Vlaanderen. Dat deed hij zowel voor de Vlaamsgezinde beeldhouwer Herman De Cuyper (zie p. 136) als voor de Vlaamse Hitlerjeugd.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


123

5 Hoe Uilenspiegels bizarre tocht door het Belgische politieke landschap te verklaren is. Doorheen deze lange genealogie van het Tijlmotief ben ik tot de wat paradoxale vaststelling gekomen dat zonder de Franstalige, antiklerikale en progressief-liberale Uilenspiegel-bewerking van De Coster de katholiek-flamingantische en zelfs de reactionairnationalistische Uilenspiegel nooit hadden kunnen ontstaan. Of om het met een misschien wat gechargeerde boutade te zeggen: Uilenspiegel had De Coster niet nodig om een verzetsheld, wél om een collaborateur te worden. Dat maakt mijn initiële vraag, hoe het succes van Uilenspiegel in het katholieke Vlaams-nationale discours te verklaren is, nog prangender. Temeer daar de liberale en vooral de communistisch-anarchistische Tijl-versies, die op het eerste gezicht beter aansluiten bij de ideologie van De Coster, veel meer blijken terug te gaan op het pre-Decosteriaanse motief van de subversieve nar. Bij het beantwoorden van deze vraag zouden verschillende paden kunnen bewandeld worden. Een eerste mogelijkheid zou zijn dat ik mij aansluit bij de sociaal-darwinistische interpretatie van Ernst August Roloff, die in tegenstelling tot andere, soms literair-superieure volkshelden uit de literatuurgeschiedenis, het hardnekkig voortleven van Uilenspiegel wijt aan diens intrinsieke levenskracht: ‘Want niet wat fijner of spiritueler of gewoon “beter” is blijft boven, maar alleen wat levenskrachtiger (lebenstüchtiger) is.’253 Niet alleen omwille van het racistische potentieel van deze interpretatie - Uilenspiegel was levenskrachtig omdat hij het zuiverst de Germaanse rasziel vertegenwoordigde - wijs ik haar af. Een dergelijke verzelfstandiging van een legendarisch figuur kan name-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


124 lijk hooguit een metaforische waarde hebben, en dus nooit als verklaring dienen. Een tweede weg die ik níet wil volgen, is de benadering die in én buiten het Vlaams-nationale discours zeer lang gangbaar is geweest, en dat nog steeds in zekere mate is, ook voor de pleitbezorgers van een ‘universalistische’ benadering van Uilenspiegel. De benadering namelijk die de Zeeuws-Vlaamse, nationaal-socialistisch-gezinde schrijver Jan Eekhout ertoe bracht zijn Uilenspiegel, net als De Coster en Teirlinck dat vóór hem hadden gedaan, als ‘ras-Vlaming’ in Vlaanderen te situeren, al was Uilenspiegel oorspronkelijk een Neder-Sakser. Hij had immers vastgesteld dat ‘de Tijlgestalte perfect te passen blijkt in het Vlaamsch raam’ en hij stelde zich daarbij de semi-retorische vraag: ‘Ligt de verklaring hierin: dat wij, zooals René De Clercq eenmaal nadrukkelijk zong: Germanen zijn en geen Latijnen?’254 Een dergelijke benadering, stelt (in tegenstelling tot bij Roloff) niet Uilenspiegel zélf centraal, maar wel het Vlaamse volk, waarvan de volksaard nu eenmaal perfect zou aansluiten bij de eigenschappen die door het trio Tijl-Lamme-Nele worden vertegenwoordigd: het Vlaamse volk dat tegelijk vrijheidslievend, genotzuchtig en mystiek aangelegd zou zijn. Deze benadering, die zowel voor zelfverheerlijking als voor zelfkritiek een ideaal uitgangspunt vormt, berust op een essentialistische opvatting van wat nationaliteit is: het volk of de natie is binnen die optiek een vooraf gegeven entiteit met bepaalde onvergankelijke karaktertrekken en dat volk is slechts ontvankelijk voor die cultuurproducten die een emanatie zijn van, of toch minstens stroken met, zijn ‘volksaard’. Tegenover deze interpretatie heeft sinds enkele decennia een andere benadering van het natiebegrip steeds meer veld gewonnen: de natie bestaat níet voor er vorm aan gegeven wordt in allerlei culturele producten die hetzij door een bestaande staat, hetzij door een groep nationalistische activisten worden gepropageerd. In haar gematigde vorm (Ernest Gellner, Benedict Anderson) kan deze benadering ‘constructivistisch’ of ‘modernistisch’ genoemd worden, in haar meer radicale gedaante moet ze eerder als ‘deconstructivistisch’ of ‘postmodern’ bestempeld worden (Eric Hobsbawm; voor het Nederlandse taalgebied Mon Detrez, Jan Blommaert, Marc Reynebeau). Hoewel zeer recent een zekere herwaar-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


125 dering valt waar te nemen van een min of meer essentialistisch discours255, zijn de inzichten van constructivisten en deconstructivisten toch incontournable geworden voor wie zich wetenschappelijk met nationaliteit en nationalisme wil bezighouden. Overigens lijkt het meningsverschil tussen de zogenaamde essentialisten en de zogenaamde constructivisten veel meer een verschil in waardering van de feiten dan wel een fundamenteel verschillende interpretatie van de historische werkelijkheid. Zelfs de voornaamste woordvoerder van de ‘neo-essentialisten’ of ‘primordialisten’, de Londense hoogleraar Anthony Smith, erkent dat ‘naties kunnen beschouwd worden als constructies en visies van nationalistische (of andere) elites, maar evengoed als reële, historische formaties die een aantal analytisch te onderscheiden processen over langere tijdsspannes belichamen’.256 Louis Vos, de voornaamste pleitbezorger van Smith in Vlaanderen, drukte het nog bondiger uit: ‘Uiteraard is de natie een constructie, maar is zij daarom minder reëel?’257 Het grote verschil tussen de hedendaagse ‘primordialisten’ en de (de)constructivisten is, dat de gesconstrueerde natie door de eersten als iets positiefs, door de laatsten als iets verwerpelijks wordt beschouwd. Mij lijkt de relatie tussen essentie en constructie best op te vatten als een voortdurende wisselwerking, waarbij constructies weinig duurzaam zijn wanneer zij iedere band met een (sociale en/of culturele) werkelijkheid missen, maar waarbij die werkelijkheid zelf grotendeels gevormd wordt door verwachtingspatronen, die door culturele constructies zijn bepaald. Zo kan ongetwijfeld niet ontkend worden dat het bon vivantisme dat in de Légende wordt beschreven een reële voedingsbodem heeft in de Belgische cultuur zoals deze zich doorheen de eeuwen - als een product van onder meer de Contrareformatie - had gevormd. Maar tegelijk is diezelfde Légende gaan gelden als een vast referentiepunt waarmee de idee van het ‘Bourgondische België’ zich kan consolideren, enerzijds doordat men de werkelijkheid eraan kan doen beantwoorden, anderzijds doordat men, zelfs los van de concrete werkelijkheid, Tijl Uilenspiegel kan aanhalen als bewijs, of toch minstens als illustratie van die ‘waarheid’. De Légende d'Ulenspiegel was dus tegelijk een product en een producent van nationale identiteit. Afgezien nog van het feit dat ‘nationale’ eigenschappen zeer

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


126 moeilijk te meten zijn - a fortiori in historisch opzicht - lijkt de keuze voor een constructivistische benadering in dit geval principieel te verkiezen. Alleen al de talloze intertekstuele dwarsverbindingen die doorheen de Vlaamse Uilenspiegel-traditie lopen, wijzen op een hoog ‘constructiegehalte’.258 De vraag naar het succes van het Uilenspiegel-motief in het Vlaams-nationale discours moet dus als volgt geherformuleerd worden: op welke manier sloot dat motief aan bij een ruimer Vlaamsgezind of Vlaams-nationaal, identificatorisch discours - en meer bepaald dan bij het discours over de Vlaamse helden uit verleden en heden, uit Wahrheit und Dichtung? Hoe functioneerde de Uilenspiegel-figuur binnen dat discours, welke plaats nam hij in binnen het pantheon van Vlaamse helden en halfgoden? In de eerste plaats wil ik dit onderzoeken voor het Uilenspiegel-motief zoals het zich in de 20ste eeuw, min of meer vanuit De Costers Légende, heeft ontwikkeld. Toch zal ik daarbij ook steeds nagaan in hoeverre die Légende inderdaad de bouwstoffen leverde waarmee Uilenspiegel binnen dat Vlaamsnationaal discours geïntegreerd kon worden. Het Vlaams-nationale discours mag, net zomin als welk ander nationalistisch discours ook, als een homogene, door één centraal brein uitgedachte constructie worden beschouwd. Veeleer constitueerde (en constitueert) het zich doorheen een ontzaglijke hoeveelheid teksten en visuele verbeeldingen, die in hoge mate aan elkaar refereren, waarin bepaalde motieven worden overgenomen, uitvergroot, aangepast aan nieuwe omstandigheden, terwijl andere worden afgezwakt of helemaal achterwege gelaten. Een dergelijk proces is nooit ‘af’ en geen enkele tekst kan er ooit aanspraak op maken hét Vlaams-nationale discours te vertegenwoordigen, al zijn bepaalde teksten wel in hogere mate gecanoniseerd dan andere. De oorsprong van dit Vlaamsgezinde discours, waaruit het Vlaams-nationalistische zich zou ontwikkelen, ligt bij de geboorte omstreeks 1830 van de Vlaamse Beweging zelf. Geheel conform het romantische paradigma van die tijd was het een discours dat zich in hoge mate beriep op het verleden om de rechten en de plichten van het actuele Vlaanderen - aanvankelijk als essentieel onderdeel, later als vijand van België - te articuleren. Het verhaal dat werd opgebouwd was - zoals ieder nationalistisch verhaal - dat

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


127 van een eeuwenlange, defensieve strijd van het Vlaamse volk tegen vreemde onderdrukkers. Door van Uilenspiegel een (defensieve) strijdersfiguur te maken had De Coster de belangrijkste voorwaarde gecreëerd voor de latere inkapseling van zijn held in het Vlaams-nationale discours. Dat Uilenspiegel daarbij werd getransformeerd van een verdediger van het Belgische, naar een verdediger van het Vlaamse volk, was niet uitzonderlijk. Het Vlaamsnationalisme erfde van het Belgische nationalisme heel ‘de mythe van de buitenlandse overheersingen’ en dus ook de meeste helden van de strijd tegen die overheersingen. Breydel en De Coninck, Artevelde, de ‘Kerels van Vlaanderen’ en in mindere mate ook Aneessens maakten dezelfde evolutie van Belg naar Vlaming.259 Uilenspiegel had zijn bijzondere positie en populariteit binnen de Vlaamse retoriek evenwel meer aan de zwakten dan aan de sterkte van het Vlaamse discours te danken. En die zwakten waren van tweeërlei aard. Enerzijds was het te eenzijdig, anderzijds kende het een zekere interne incoherentie. Eenzijdig was het omdat het zich vrijwel alléén richtte op het negatieve moment in de Vlaamse strijd, namelijk de afweer tegen de bedreiging van buitenaf, terwijl het de positieve constructie van een eigen Vlaamse identiteit onderbelicht liet. Hoe de Uilenspiegel-figuur dit manco verhielp, door behalve als strijder ook als pionier van een eigen Vlaamse humor op te treden, waardoor hij ook buiten de radicale kern van Vlaams-nationalisten hoogst populair kon blijven, heb ik al behandeld in hoofdstuk 3. Minstens zo belangrijk was mijns inziens de incoherentie van het Vlaamse discours. Aangezien het nationalistische grand récit van de Vlaamse strijd zeer disparate gegevens uit een reëel en fictief verleden samenbracht en daarbij zonder vooraf vastgesteld, theoretisch plan tewerk ging, slopen er vele interne contradicties en potentiële conflicten in dit vertoog binnen. Daardoor werd het van binnenuit ondermijnd. De kracht van het Tijl Uilenspiegel-motief was precies hierin gelegen, dat het tot op zekere hoogte deze contradicties wist te overschrijden en zodoende eenheid kon verschaffen aan het gefragmenteerde Vlaamse vertoog. Welke waren nu de inconsistenties van het romantisch-flamingantisch discours, die gedeeltelijk door Uilenspiegel werden geneutraliseerd? Eerst en vooral lijkt er mij een zekere onbeslistheid te

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


128 hebben bestaan over het type held dat moest worden geëerd en bezongen. Moest men opteren voor de bijna goddelijke gestalten van individuele helden als Pieter de Coninck en Jan Breydel, Zannekin, Jacob van Artevelde, of - in een Groot-Nederlands discours - Willem van Oranje, van wie de grootheid juist bestond in het verheven zijn boven de massa?260 Of moest integendeel de voorkeur uitgaan naar de anonieme helden, die zich als groepen, maar zelden als individuen profileerden, zoals de Klauwaerts, de Kerels, de Geuzen en de Brigands, een lijstje dat door sommigen nog werd aangevuld met de activisten, door anderen met de Frontsoldaten?261 Dergelijke groepen leenden zich misschien minder goed tot verheerlijking, maar des te beter tot identificatie. Uilenspiegel nu kon dit dilemma oplossen omdat hij in zekere zin allebei was. Hij was een man uit het volk, die zich op geen enkel moment een leidende functie aanmat en die het leed van het volk te allen tijde mee onderging, maar die wel door zijn talenten zodanig uitblonk dat hij de werkelijke leider, de bezieler van het volk én de adviseur van de groten werd. Enerzijds gaf hij hierdoor aan de anonieme helden een naam, anderzijds bracht hij de reuzengestalten terug tot iets menselijker proporties. Dat eerste element werd sterk bespeeld door Auctor in zijn Tyl Uilenspiegel in Vlaanderen. Nadat Uilenspiegel samen met een groep Brigands was gefusilleerd door de Fransen, riep Auctor uit: ‘De boerenhelden hadden geleefd... En de geschiedenis vermeldt niet eens hunne namen!’ In de fel anti-Pruisische roman Thijl Sperreman van René Vermandere, die Tijl net als Auctor liet sneuvelen tijdens zijn dappere strijd tegen de Duitsers, wordt dit thema van het benoemen der naamlozen op een andere manier bespeeld. Tien jaar na Tijls dood immers herkent Tijls zoon zijn vader in het graf van de Onbekende Soldaat, waarop zijn moeder hem doet beloven ‘die man daar [d.i. de Onbekende Soldaat], zoo geerne te zien, hem zoo te achten en te eerbiedigen, alsof hij inderdaad ons vake ware.’262 Uilenspiegel was het gezicht geworden van de Onbekende Soldaat en daardoor van alle anonieme strijders voor België. Het tweede element vinden we onder meer terug in de geromanceerde biografie van Willem van Oranje, die de Oost-Vlaamse VNV'er Marcel Boey tijdens de Tweede Wereldoorlog in de reeks Dietsche Gestalten liet verschijnen. Op het ogenblik dat Willem

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


129 gekweld wordt door het dilemma of hij zich al dan niet tegen zijn soeverein mag verzetten, verschijnt Uilenspiegel voor hem en fluistert hem in het oor wat hem te doen staat. En Tijl, dat betekende volgens Boey ‘de duizenden die kampen uit liefde tot de vrijheid’.263 Op die manier worden de grootse heldendaden van De Zwijger teruggebracht tot de uitvoering van wat het gewone volk hem bij monde van Uilenspiegel had ingegeven. Beide facetten - het benoemen van de naamlozen en het vermenselijken van het goddelijke - zijn min of meer terug te vinden in La Légende, waar Uilenspiegel enerzijds de dagdagelijkse strijd van de Geuzen meemaakt, maar anderzijds de meest vertrouwelijke omgang heeft met de groten uit het verzet. Een tweede dilemma waarmee vrijwel ieder nationalistisch vertoog gepaard gaat, is dat tussen de tragische en de triomferende held.264 Terwijl de triomferende held dankzij zijn onstuwbare daadkracht belangwekkende zaken verwezenlijkt, gaat de tragische held ten onder aan de kleinheid van zijn omgeving vóór hij de vruchten van zijn strijd kan plukken. Terwijl Breydel en De Coninck, maar ook wel iemand als Rubens, tot de triomferende helden van het Vlaamse pantheon kunnen worden gerekend, zijn Jacob van Artevelde en Willem de Zwijger eerder als tragisch te typeren. Hoewel het offer dat door de tragische held gebracht wordt enerzijds een bijzonder grote mobiliserende kracht heeft - door zijn dood is zijn nageslacht immers verplícht zijn taak voort te zetten -, toch loert bij de tragische heroïek ook steeds het gevaar van het fatalisme om de hoek. Ook hier kan Uilenspiegel soelaas brengen: hij sterft immers nog vóór zijn taak volbracht is, maar zijn verrijzenis bevat zeer expliciet een boodschap van onverwoestbaar optimisme. Ook deze elementen konden rechtstreeks uit de Légende zelf gehaald worden, al was Tijls ‘schijndood’ bij De Coster niet te wijten aan het rechtsreekse ingrijpen van de vijand, of aan de vijandigheid van zijn omgeving. Auctor - en na hem onder meer Teirlinck - had echter niet veel moeite om dit tragische element, gecombineerd met een boodschap van hoop, te introduceren. Meer algemeen nog onttrok Tijl Uilenspiegel zich aan de tekortkomingen die aan alle historische helden kleefden, precies omwille van hun historiciteit zélf. Het verleden reikt immers geën perfecte modellen aan en historisch onderzoek kan in ieders ge-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


130 drag wel inconsequenties of schrijnende gebreken blootleggen. Is Ian Breydel eigenlijk wel op de Groeningekouter aanwezig geweest? En was hij niet een paar jaar na de Guldensporenslag verbannen op beschuldiging van doodslag: was hij dus eigenlijk wel meer dan een simpele bandiet? En zijn zogeheten compaan De Coninck? Was die niet te intellectualistisch om in een mobiliserend nationalistisch vertoog te worden opgenomen?265 Volk en Kultuur-redacteur Herman Snekkaert vond Breydel en (vooral) De Coninck wel ‘groot, maar er hangt teveel romantisme rond om ze levensecht te kunnen vatten’. Hij verkoos dan ook de meer zakelijke en krachtdadige Artevelde, maar was die dan weer niet te tiranniek voor de democraten, te Engelsgezind of te pragmatisch voor de nationalisten?266 Pragmatisme was overigens een verwijt dat ook aan Willem de Zwijger gericht kon worden, wiens religieuze overtuigingen met de militaire kansen schijnen gedraaid te zijn. Maar daarnaast was De Zwijger ook, zoals De Coninck, een twijfelende natuur, die op belangrijke ogenblikken zijn kans heeft laten voorbijgaan en daardoor de Nederlandse zaak veel leed berokkend heeft.267 Zelfs Rembrandt, die ooit opgevoerd werd als het prototype van de Germaan, moest het tijdens de oorlogsjaren precies bij de SS-gezinden ontgelden omdat men joods bloed in zijn voorvaderen ontdekt had!268 Ook de anonieme groepen helden bleken bij nadere beschouwing vaak niet veel meer dan een zootje ongeregeld, waar men liever niet mee te maken had. Al deze en dergelijke verwijten konden niet worden gericht aan Tijl Uilenspiegel. Ook hij had uiteraard zijn kleine kantjes. Soms waren zijn schelmenstreken wel erg laag-bij-de-gronds, of zelfs niet helemaal onschuldig269, en natuurlijk was er ook zijn fel antiklerikalisme. Maar deze eigenschappen waren immuun voor het verwetenschappelijkende historisch onderzoek dat hen meedogenloos zou openbaren. De enig echte, historische Tijl Uilenspiegel bestond immers niet. En als hij al bestaan heeft, dan heeft hij geen historische sporen nagelaten. Een heikele vraag in verband met de zogenaamde nationale historische figuren, is of zij wel degelijk nationale motieven hebben gehad bij hun handelen. Die vraag moest vrijwel steevast negatief worden beantwoord. De Guldensporenslag, de opstand van de Kerels en de rebellie van Artevelde, het waren allemaal sociale

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


131 conflicten waarbij wel een zeker particularisme een rol heeft kunnen spelen, maar zeker niet wat men in de hedendaagse betekenis van het woord ‘nationalisme’ zou kunnen noemen. En Willem de Zwijger mag dan wel een droombeeld van de Verenigde Nederlanden voor ogen hebben gehad, hij heeft zich na Farneses heroveringen teruggeplooid op de provincies Holland en Zeeland. Ook deze gebrekkige nationale motivatie maakte deze helden gevoelig voor demystificatie. De Costers Uilenspiegel, die in de eeuw van het opkomende nationalisme tot stand kwarn, motiveerde zijn strijd wél nationaal, al was ook het sociale element bij hem aanwezig. Maar zoals ik in hoofdstuk 1 aantoonde was het er de Coster niet om te doen geweest het territoriale kader van Uilenspiegels strijd precies aan te geven. Doorheen Uilenspiegels lofzangen op het beperktere Vlaanderen en de ruimere 17 Provinciën, had vooral De Costers liefde voor (het zelden vermelde) België doorgeklonken. Deze nationale vaagheid en flexibiliteit maakte het voor Uilenspiegel mogelijk zonder veel moeite de bokkesprongen van het meest radicale deel van de Vlaamse Beweging te volgen. De Neder-Duitse afkomst van de volksheld Uilenspiegel vergemakkelijkte bovendien zijn inkapseling binnen een Groot-Germaans discours. Opnieuw had hij het grote voordeel dat zijn werkelijke bedoelingen nergens in de bronnen achterhaald konden worden, want bronnen over de historische Uilenspiegel bestonden niet. Door deze kwestie van de historiciteit heb ik het meest cruciale punt van mijn betoog bereikt, de meest fundamentele verklaring voor het succes van Uilenspiegel in het Vlaams-nationalistisch discours, de verklaring die alle andere verklaringen in zekere zin in zich opneemt: de Uilenspiegel-figuur, zoals zij door De Coster was neergezet, droeg in zich precies die combinatie van historiciteit en anti-historiciteit die het romantisch-nationalistisch spreken - en in zeer sterke mate ook het Vlaams-nationalistisch spreken - over het verleden kenmerkte. Dat nationalistisch discours kan worden getypeerd als tweesporig, omdat er een voortdurende spanning in wordt aangebracht tussen enerzijds het eeuwige en transhistorische en anderzijds het contingente en tijdelijke. Het eeuwige wordt daarbij als het essentiële beschouwd, terwijl het contingente een accidenteel en dus secundair karakter wordt toegedicht. Het

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


132 is immers in het beste geval een emanatie van, in het slechtste geval een belemmering voor het eeuwige.270 Achter een luid verkondigde gerichtheid op het verleden gaat in een dergelijk discours een sterk misprijzen schuil voor het specifiek-historische, dat contingent is. Het nationalisme moet er immers op gericht zijn opnieuw een soort oertoestand te creëren, waarin het eeuwige zo weinig mogelijk door het historische wordt belemmerd, waarin de spanning tussen het eeuwige en het contingente met andere woorden zoveel mogelijk wordt opgeheven, zodat het historische zijn autonomie verliest. Het historische wordt slechts gewaardeerd in de mate dat het een stukje van de eeuwigheid openbaart. Het mag duidelijk zijn dat de elementen van dit romantische schema volop aanwezig zijn in het boek van De Coster. Door de creatie van de figuur van Lamme Goedzak bijvoorbeeld gaf hij, waarschijnlijk onbedoeld, aan dit schema een zeer concrete invulling. De goede heks Katelyne had Lamme in de Légende de ‘maag’ van het edele Vlaamse volk genoemd. Terwijl De Coster hierdoor ongetwijfeld een positieve karaktertrek van het Vlaamse volk had willen aanduiden, kon deze omschrijving binnen de anti-materialistische consensus die de Vlaamse Beweging tijdens het interbellum beheerste, alleen maar negatieve connotaties meekrijgen. Zo werd Lamme een verpersoonlijking van het contingente Vlaanderen, het feitelijke Vlaanderen zoals men het dagelijks te zien kreeg, het Vlaanderen dat na zijn grote bloei in jammerlijk verval was geraakt. De spanning tussen het eeuwige principe Tijl en de concrete werkelijkheid Lamme stond in verschillende Uilenspiegel-bewerkingen centraal. Het wekken van Lamme uit zijn lethargie werd, zoals veelvuldig uit het voorgaande is gebleken, een wijdverbreid motief om de Vlamingen tot strijdlust aan te sporen. Toch was het niet altijd Lamme die als symbool van het concrete, slabakkende Vlaanderen had gefungeerd. In Moortgats Uilespiegel had Soetkin (in dit geval niet de moeder maar de geliefde van Uilenspiegel) die functie op zich genomen door zich te prostitueren met een Franse edelman. En in Tijl I van Anton Van de Velde hadden Nele en Lammes vrouw Belle zich uit winstbejag aan de vreemde machten overgeleverd. Het ‘Lamme Ontwaak’-motief lijkt zich voor de eerste keer te hebben voorgedaan in de pro-Godsvrede-brochure uit 1919 van Multafero alias Pol de Mont en

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


133 werd in de daaropvolgende jaren scheepsrecht. In Anton Van de Veldes tweede Tijl-versie was hét cruciale ogenblik dan ook datgene waarop Uilenspiegel Lamme Goedzak inderdaad kon overtuigen mee te strijden, waarop het diep vervallen, vegeterende Vlaamse Volk dus besliste zelf aan zijn heropstanding, aan de terugkeer tot zijn wezen, te zullen werken.271 Deze tegenstelling werd in 1930 uitvoerig gethematiseerd door Urbain Van de Voorde in zijn boekje over Charles de Coster en de Vlaamse idee en groeide snel uit tot een zeer herkenbaar topos in het Vlaamse discours. Harop nu, Lamme, roffel op den trommel, dat Vlaanderen ontwake uit zijn dommel, en opstaand uit zijn knechtschap meester wordt.

Zo klonk het in Het lied van Tijl, dat in de zomer van 1942 in Volk en Kultuur verscheen en door ‘Uilenspiegel’ werd ondertekend.272 En ook Bert Peleman wakkerde met dat motief zijn Dietsche Militie/Zwarte Brigade aan tot de strijd. Dat het als strijdkreet tot op de dag van vandaag zijn herkenbaarheid heeft behouden, bleek ook uit de creatie van de Lamme Goedzak-prijs en uit de uitspraak van de TAK-militanten die ik bij het begin van dit betoog citeerde. Overigens kreeg de dualiteit Tijl-Lamme ook een geseculariseerde, socialistische vertaling in het poppenspel Een vuist in het hart. De auteurs, Neirynck en Berkenman, stelden Tijl voor als type van de kritische arbeider, terwijl Lamme die arbeider uitbeeldde ‘die enkel gaat reageren op het ogenblik dat zijn hebben en houden in gevaar is’.273 Opnieuw bleek de socialistische Uilenspiegel-retoriek meer geënt te zijn op een Vlaams-nationalistisch motief dan op een eigen interpretatie van de Légende. Maar belangrijker nog was dat De Coster een dualiteit tussen historiciteit en anti-historiciteit binnen de Uilenspiegel-figuur zélf had gesitueerd. Door Uilenspiegel in een goed gedocumenteerde (zij het eenzijdig geïnterpreteerde) historische context te plaatsen, temidden van echte historische figuren, was de auteur volop tegemoetgekomen aan de romantische drang naar het verleden. In de latere Uilenspiegel-bewerkingen zou deze historiciteit steeds zeer centraal geplaatst worden, wat mijns inziens verklaart waarom Uilenspiegel gemakkelijker tot het pantheon van nationale heiden

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


134 kon doordringen dan zijn ‘verwanten’ Reinaert de Vos, die te allegorisch, en Pallieter, die te literair van aard was. Anders dan deze figuren kon Uilenspiegel immers naadloos worden opgenomen in het continue historische verhaal dat de actuele Vlaamse strijd moest legitimeren. Tegelijk had De Coster op verschillende plaatsen benadrukt dat Uilenspiegel een eeuwig principe is, en zich daardoor fundamenteel aan elke historiciteit onttrekt. Vooral de eerder aangehaalde slotzinnen van het boek lijken een bijna perfecte verwoording van wat Ernest Gellner, een van de pausen van het constructivistische nationalisme-onderzoek, het ‘Schone Slaapstermotief’ heeft genoemd: het in alle nationale bewegingen gebruikte thema dat volkeren wel kunnen slapen - dat wil zeggen hun eeuwige karakter kan onder contingente factoren worden bedolvenmaar nooit kunnen sterven, aangezien zij eeuwig zijn.274 Het is dan ook geen wonder dat precies deze zin telkens opnieuw werd aangehaald bij de Vlaamsgezinde Uilenspiegel-recuperatie en dat het eeuwigheidskarakter zowat de meest aan Uilenspiegel toegeschreven karaktertrek werd. Dankzij dit eeuwigheidsaspect was het hem mogelijk in de meest verschillende perioden zijn opwachting te maken. Zo zagen we hem niet alleen optreden als Geus in de 16de eeuw, maar ook als Brigand tijdens de Boerenkrijg, als Frontsoldaat of oorlogsvliegenier tijdens de Eerste Wereldoorlog en als Vlaamsnationalistisch strijder in een nabije toekomst. Vaak nam hij daarbij alle uiterlijke kenmerken aan van de tijd waarin hij werd opgevoerd, wat zijn historiciteit benadrukte. Zijn eeuwigheidskarakter kwam daarentegen eerder in allusies, suggesties of zijdelingse opmerkingen aan bod. Opnieuw was dit een element waarvoor de auteurs in kwestie niet fundamenteel van De Coster moesten afwijken, want ook hij had het plan gekoesterd om zijn Uilenspiegel te laten optreden in de Boerenkrijg.275 Overigens was de transhistorische mobiliteit van Uilenspiegel al ouder dan De Coster, zoals mocht blijken uit het in hoofdstuk 1 besproken pamflet van Louis Defré.276 Net zoals in de latere Vlaams-nationale doorwerking, bleef Uilenspiegel in al die verschillende perioden dezelfde gezonde jongeling. Hij en Nele waren immers niet alleen eeuwig, maar ook eeuwig jong, wat zij ook al voor De Coster waren geweest.277 Deze cultus van de jeugd was ook een romantisch principe, dat later gretig werd overgenomen in conservatief-revolutionaire, fascistische en nationaal-socialistische vertogen.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


135 Werd in dergelijke voorstellingen het historisch veranderlijke karakter van Uilenspiegel op de voorgrond geplaatst en zijn transhistorische identiteit eerder verondersteld of gesuggereerd, dan kwam tijdens het interbellum, met name in het Vlaams-nationale discours, een voorstellingswijze in zwang die deze verhouding omkeerde. In plaats van ‘historisch kostümiert’ werd hij ‘zeitlos überhoht’.278 Hij werd dan bij voorkeur getoond in zijn middeleeuws plunje, met zijn Robin Hood-achtig vilthoedje, maar kreeg daarbovenop attributen toebedeeld uit verschillende episoden van de Vlaamse of Groot-Nederlandse strijd. Of hij werd rechtstreeks in contact gebracht met die verschillende episoden. In zekere zin was dit element al aanwezig in de modernistische roman van Teirlinck uit 1920, waar Uilenspiegel de Vlaamse Leeuw zingt, zijn oorlogsvliegtuig de Blauwvoet noemt en Piet Hein ontmoet tijdens zijn overtocht naar Engeland nadat hij wegens brandstoftekort in zee was neergestort. Veel duidelijker nog deed deze mobiliteit doorheen de tijd zich voor in de Vlaams-nationalistische imagerie uit de periode tussen pakweg 1930 en 1960, waarin de in middeleeuwse kleding uitgedoste Uilenspiegel verscheen met de blauwvoet op zijn schouder in plaats van een uil, met een zwaard of een goedendag in zijn handen en met op de achtergrond de IJzertoren of enkele middeleeuwse torens. Dat Uilenspiegel op die manier een verbindingsfiguur werd tussen de verschillende episoden uit de geschiedenis van de Vlaamse strijd, werd theatraal gevisualiseerd door Jos Van der Velden in zijn massaspel Vlaanderen, dat werd opgevoerd tijdens de Antwerpse Guldensporenfeesten van 1942. De drie bedrijven speelden zich respectievelijk af tijdens de Guldensporenslag, tijdens het Zevenjarig Bewind van Jacob van Artevelde en in het heden, waar de Vlaams-nationalistische jongeren streden voor het ‘Dietsche ideaal’. Daartoe werden zij in staat gesteld door Tijl en Nele, die hen tot nieuw leven moesten wekken. Dat konden zij doen omdat zij expliciet fungeerden als brug tussen het grootse Vlaamse verleden en het heden: ‘Robrecht van Bethune, de Leeuw van Vlaanderen, schenkt zijn vlag aan de meisjes door de hand van Tijl. Tijl schenkt zijn blauwvoetvlag aan de knapen. Allen zijn thans bereid, klaart schoon de dag!’279 In Jeanne De Bruyns Uilenspiegel-versie kreeg Uilenspiegels zoon Michiel de dolk toegestopt waarmee Jacob van Artevelde was vermoord. Hij kuste hem

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


136 als teken dat ook hij bereid was zijn leven te offeren om Vlaanderen naar zijn toekomst te geleiden.280 Een plastische uitdrukking kreeg diezelfde idee in het beeldhouwwerk ‘Tijl’ van Herman De Cuyper. Tijls gestalte rees er uit boven een vierhoekige beeldengroep met scènes uit het Vlaamse verleden en het Vlaamse landschap.281 ‘Uitrijzen boven’ Vlaanderen en zijn geschiedenis deed Tijl Uilenspiegel ook in een artikel

van een zekere Snekke (pseudoniem van Herman Snekkaert?), dat in 1942 in Volk en Kultuur verscheen. De auteur stelde daarin een wezensgelijkheid vast tussen de Klauwaerts, Geuzen en Brigands, maar zag boven die drie de reuzengestalte van Tijl Uilenspiegel uitsteken, als incarnatie van de eeuwige Dietse geest.282 Door dergelijke voorstellingen werd Uilenspiegel niet alleen zeer nadrukkelijk voorgesteld als het verbindingsteken dat het disparate Vlaams-nationalistische discours aaneen moest smeden, hij werd ook de manende stem die Vlaanderen tot trouw aan zijn wezen en dus aan zijn voorouders moest aanzetten. Dat was ook de boodschap die de manende Tijl op de voorflap van het blaadje Tijl van de Hitler-Jugend moest kenbaar maken aan de Hitlerjongen die voor hem stond afgebeeld. Dit element van trouw aan de voorouders, een rechtstreeks uitvloeisel van de tweesporige geschiedvisie, was ook een fundamenteel element van elk romantisch-nationalistisch discours, een element dat trouwens vervat lag in De Costers bezwerende formule ‘Les cendres de Claes battent sur mon coeur’. Dat precies deze zin-

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


137 snede doorheen de jaren '30 zo vaak herhaald werd in Vlaams-nationalistische kringen, is typerend voor het toenemende reactionaire klimaat dat er heerste. Het betekende immers zoveel als een omkering van het vadermoord-motief dat in het revolutionaire klimaat van de jaren '20 zo centraal had gestaan, onder meer bij de expressionisten. In dat opzicht is Teirlincks Nieuwe Uilenspiegel een interessante poging om Uilenspiegel uit deze romantische gerichtheid op het verleden los te rukken en resoluut in te schakelen in een progressief maatschappij-ideaal. Niet toevallig liet Teirlinck Uilenspiegel geboren worden als een ‘hoerenjong’, dat te vondeling werd gelegd en nooit één van zijn beide ouders zou kennen. Toch slingerde Teirlincks Uilenspiegel voortdurend heen en weer tussen een romantisch-flamingantisch ideaal, dat hem was bijgebracht door zijn schoolmeester Ranke - ‘ziek aan de romantiek’-, en een meer universeel revolutionair ideaal. In zoverre hij dat ideaal tot uitdrukking bracht, behelsde het een afrekening met de patriarchaal gestructureerde maatschappij en een pleidooi voor een matriarchaat. Niet de assen van Claes klopten op zijn borst, maar de ‘melk van alle moeders brandde op zijn lippen’.283 Zelfs in het meest vooruitstrevende Vlaamse artistieke tijdschrift van dat ogenblik, het expressionistische Ruimte, werd deze onrechtstreekse vadermoord Teirlinck niet in dank afgenomen. Zijn Uilenspiegelinterpretatie werd er door hoofdredacteur Eugène De Bock verworpen als de ‘uiting van een gederacineerd grootstedeling’.284 Hoewel elementen uit Teirlincks Uilenspiegel-versie doordrongen tot in de braaf-conservatieve bewerking van de nationaal-socialistische schrijver Jan H. Eekhout (al was het maar omdat ook diens Uilenspiegel roodharig was), bleef hij met zijn radicaal-progressieve benadering ook in de volgende decennia vrijwel alleen staan.285 ‘De asse van Claes klopt op mijn borst’ bleef tot het einde van de jaren '70 een veelgehoorde leuze, óók in Russische en Belgische communistische kringen en in het revolutionaire Tand om Tand van Hugo Claus.286 Het intrinsiek reactionaire karakter van deze formule werd niet begrepen. Zo vreemd is deze vaststelling niet, want tot tenminste 1960 was in West-Europa het historische beself diepgaand beïnvloed door het axioma dat er een onlosmakelijke band was - en moest zijn tussen heden en verleden, dar met andere woorden ‘de doden in ons leven’ en wij dus ook trouw

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


138 moeten zijn aan de doden. Dit axioma, dat door Jo Tollebeek fundamenteel anti-modern is genoemd287, heeft ongetwijfeld in hoge mate de richting bepaald waarin het Uilenspiegel-motief in de Vleamse geschiedenis heeft gewerkt. Binnen een dergelijk paradigma werden eenmaligheid en historiciteit gedeeltelijk ontkoppeld (‘de doden’ leefden immers telkens en telkens opnieuw) en was het mogelijk Uilenspiegels eeuwigheidskarakter tegelijk met zijn historiciteit te bewijzen. Symptomatisch hiervoor was het al eerder genoemde blijspel Tijl Herleeft van Aloïs Pas, waarin een uitgever en zijn knecht in discussie treden over de vraag of Uilenspiegel al dan niet heeft bestaan. Volgens de uitgever was Uilenspiegel alleen maar een symbool voor ‘de Vlaamse guitigheid, de vriendschappelijke poetsenbakkerij, tevens de gulle openhartigheid en de opstand tegen alle onrecht’, terwijl zijn knecht staande houdt dat Uilenspiegel echt geleefd heeft. Om dit conflict tussen historiciteit en a-historiciteit, tussen het reële en het louter symbolische karakter van Uilenspiegel te beslechten, wordt besloten een spiritistische seance te beleggen. Nog voor deze kan beginnen, treedt de échte Tijl Uilenspiegel binnen, die honderdvijftig jaar ‘in dodenslaap’ had gelegen, maar nu weer was opgestaan ‘omdat ik voelde dat de zaken hier in 't honderd liepen’. Met andere woorden, de twist tussen historiciteit en anti-historiciteit bleef onbeslecht, want Uilenspiegel was beide tegelijk. Een ‘anachronistische figuur’, zoals Sonja Zöller de Uilenspiegel van het volksboek heeft genoemd, kon de Uilenspiegel van Aloïs Pas dan ook niet zijn, want als emanatie van het eeuwige hoorde hij per definitie in alle perioden thuis.288 Overigens beleed Pas hiermee natuurlijk niet zijn geloof in de historische en eeuwige werkelijkheid van de figuur Uilenspiegel, maar wel in het historische en eeuwige karakter van een ‘Vlaamse geest’. Zoals het historische besef vanaf de jaren '60 gaandeweg van gedaante veranderde doordat steeds meer de onoverbrugbare kloof tussen heden en verleden werd benadrukt, zo veranderde ook de Uilenspiegel-figuur grondig van karakter. In de praktijk werd deze verandering doorgevoerd door de eerder vermelde Uilenspiegel-antiquaren, die in zekere zin zowel zijn historiciteit als zijn transhistoriciteit overboord wierpen en ten volle het literaire, geconstrueerde karakter van Uilenspiegel aanvaardden. Typerend in

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


139 dit opzicht is de oproep van de samenstellers van het boekje Uilenspiegel, wie ben jij?, dat in 1978 verscheen. Volgens hen had Vlaanderen dringend nood aan een Uilenspiegel-figuur ‘die de actualiteit vlijmscherp observeert en meedogenloos in de toekomst blikt’, maar de zoektocht naar de historisch authentieke Uilenspiegel was in dat opzicht zinloos. De Tijl-figuur kon immers slechts symbolisch functioneel zijn als zij ‘tijdkritisch inwerkte’. En zij vervolgden: ‘Laat Uilenspiegel zijn wie hij is, niet wie hij was! Als Uilenspiegel zijn lied wil blijven zingen, laat hem dan telkens opnieuw geboren worden, in Kneitlingen, in Damme, of waar dan ook....’ Met andere woorden, voor de Uilenspiegel-liefhebbers was het symbolische karakter van Uilenspiegel essentieel, zijn werkelijkheidsaanspraken secundair. Dit werd ook tot uitdrukking gebracht in een nieuwe iconografische tendens, die Uilenspiegel liefst naakt voorstelde, als teken van zijn ‘tijdeloosheid’, een begrip dat in tegenstelling tot de notie ‘eeuwigheid’ volledig van ontologische aanspraken lijkt te zijn ontdaan.289 Meteen lijken we ook het antwoord gevonden te hebben op de vraag waarom Uilenspiegel als nationaal symbool, zij het in een sterk gewijzigde gedaante, kon blijven voortbestaan nadat het historisch gefundeerde nationaal-identificatorische discours zijn voedingsbodem had verloren. Immers, terwijl Artevelde, Robrecht de Fries, de Kerels en de Brigands niets meer te zeggen hebben aan de hedendaagse jeugd en de Guldensporenslag alleen door zijn ingrijpende institutionele verankering zijn plaats in het collectieve geheugen heeft kunnen behouden, kan Uilenspiegel in Vlaanderen nog steeds bogen op een relatief hoog herkenningsgehalte. Dit was alleen mogelijk doordat Uilenspiegel, nadat zijn historisch fundament was weggevallen, kon terugvallen op een krachtige literaire en folkloristische traditie. Daardoor is de vraag naar zijn historiciteit overbodig geworden. Artevelde en Zannekin daarentegen konden als nationale symbolen alleen gedijen zolang het axioma dat ‘de doden in ons leven’ de grenzen tussen historiciteit en anti-historiciteit deed vervagen en zodoende de bestaande mythen immuun maakte voor historische kritiek. Vroeger waren zij eeuwig omdat zij historisch waren, nu maakt hun historiciteit het hen onmogelijk nog langer als ‘eeuwige gestalten’ op te treden.

Eindnoten: 253 Roloff, o.c., 59. 254 Jan H. Eekhout, ‘Verantwoording’ bij: De waarachtige historie van Tijl Uilenspiegel in Vlaanderen (Antwerpen-Amsterdam, 1943), 447-448. 255 Anthony Smith kan, met name door zijn boek The ethnic origin of nations, zowat gezien worden als de theoreticus van dit neo-essentialisme. In het Nederlandse taalgebied hebben recent Stokvis, ‘Nationale identiteit, beeldvorming, stereotypen en karakteristieken’, Theoretische Geschiedenis, jg. 24, nr. 3 (1997), 279-299, en Louis Vos, ‘Nationalisme: reflecties van een historicus’, Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, nr. 3 (1997), 291-320, een lans gebroken voor een gematigd primordialisme. 256 Anthony Smith, The origins of nations’, Ethnic and Racial Studies, jg. 12, nr. 3 (juli 1989), 340-367. Ook opgenomen in: Geoff Eley en Ronald Suny (ed.), Becoming National. A reader (Oxford-New York, 1996), 105-130. Citaat p. 109. 257 Interview met Louis Vos in De Standaard der Letteren, 25 april 1998.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


258 Het belang van de intertekstualiteit bij de constructie van een nationale identiteit, werd o.m benadrukt door Joep Leerssen, ‘Over nationale identiteit’, Theoretische Geschiedenis, jg. 15, nr. 4 (1988), 417-430. 259 Over deze verschuivingen van nationale symbolen, zie o.m. Jo Tollebeek, ‘De Guldensporenslag. De cultus van 1302 en de Vlaamse strijd’ in: Anne Morelli (ed.), De grote mythen uit de geschiedenis van België, Vlaanderen en Wallonië (Berchem, 1996), 191-202; Sophie Rottiers, ‘Jacob van Artevelde, de Belgische Willem Tell?’ in Ibidem, 77-93. 260 Een op Freud gebaseerde verklaring voor de aantrekkingskracht van de ‘grote mannen’, geeft Gita Deneckere. ‘De resurrectie van Jacob van Artevelde in de 19de-eeuwse Gentse arbeidersbeweging. Over het verlangen naar ‘De Grote Man’’, Handelingen der Maatschappij voor geschiedenis en oudheidkunde te Gent, jg. 50 (1996), 155-187. 261 Over dat dilemma, zie: Dirk De Geest e.a., Collaboratie of Cultuur?, 54 en 117-118. 262 René Vermandere, Thijl Sperreman, deel 2 (Antwerpen, 1927), 496. 263 Marcel Boey, Willem van Oranje. Dietsche Gestalten, nr. 2 (Lannoo, 1941), 53-55 264 Cfr. U.K. Ketelsen, Von heroischem sein und völkischem Tod. Bonn, 1971. Meer specifiek over het heroïsme in het (toneel) discours van de DeVlag, cfr. Eveline Vanfraussen,’ ‘Etwas ist los mit ihr!’ Over de visie op het ernstige drama in het blad DeVlag’, in: P. Aron (e.a.), Hun kleine oorlog. De invloed van de Tweede Wereldoorlog op het literaire leven in België (Leuven, 1998), 131-154. Over dit dilemma in het historische discours van Volk en Kultuur, zie: De Geest e.a., Collaboratie of cultuur?, 51-52. 265 Over heel de verschillende interpretaties van de Guldensporenslag doorheen de geschiedenis, zie o.m.: J.F. Verbruggen, ‘De historiografie van de guldensporenslag’, De Leiegauw, jg. 19, nr. 3 (juli 1977), 245-272; Jo Tollebeek, ‘De Guldensporenslag’; het beeld van de weifelende en krachteloze De Coninck kan onder meer worden teruggevonden in: Anton Van de Velde, Willem van Saeftingen, Dietsche Gestalten, nr 4. Tielt, 1942. 266 Het verwijt als zou Artevelde te dictatoriaal geweest zijn kon trouwens al worden teruggevonden in het tijdschrift Uylenspiegel, waar Noël Tisserand de flaminganten verweet teveel te dwepen met deze dictator (jg. 5, nr. 17, 27 mei 1860). Over de Artevelde-historiografie, zie voorts o.m.: Rottiers, o.c.; De Geest e.a., o.c., 108-112; Patricia Carson, Jacob van Artevelde. Davidsfonds-Historische Reeks, 27 (Leuven, 1996), 114-148; De Neckere, o.c. 267 Zie verschillende bijdragen in E.O.G. Haitsma Mulier en A.E.M. Janssen (ed.), Willem van Oranje in de historie 1584-1984. Vier eeuwen beeldvorming en geschiedschrijving. Utrecht, 1984. Zie ook: De Geest e.a., 113-115. 268 Zie K. Bruin, ‘Hoe fout was Rembrandt in de oorlog?’, De Gids (nov. 1994), 839-852. Rembrandt was natuurlijk in de eerste plaats een Nederlands nationaal symbool, maar precies door zijn ‘Germaanse’ recuperatie, werd hij ook in het rechts-radicale kamp in Vlaanderen ingelijfd. Zie o.m. De Geest e.a., o.c., 214-215. 269 Bernd Hucker gaat zelfs zover te beweren dat de Uilenspiegel uit het volksboek een diabolisch en destructief figuur was en precies omwille van zijn boosaardigheid zo populair werd. Cfr. Eulenspiegel-Jahrbuch 1978. Ook in de Légende van De Coster komen, althans in het eerste deel, kluchten voor die ten koste gaan van de zwakkeren. In katholieke en Vlaams-nationalistische Uilenspiegel-bewerkingen kan men vaak een poging waarnemen om het destructieve karakter van Uilenspiegels grappen af te zwakken, bv. door hem de negatieve gevolgen van die grappen achteraf te doen rechttrekken. Een goed voorbeeld daarvan is het al eerder vermelde Uilenspiegel-boek van Jan H. Eekhout. 270 Cfr. Marnix Beyen, ‘Spijts de geschiedenis...’ Het discours over het nationale verleden in een aantal ‘historische belijdenissen’, verschenen in Vlaanderen tijdens de Tweede Wereldoorlog’ in: P. Aron e.a., Hun kleine oorlog (Leuven-Brussel, 1998), 155-197. Zie ook: Idem, ‘Levet scone! of de ambiguïteit van een Vlaams-katholieke geschiedvisie tijdens de Tweede Wereldoorlog’, Handelingen der Koninlijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, jg. 50 (1998), 19-45. 271 Van de Velde, Tijl H, 20-21. 272 Volk en Kultuur, jg. 2, nr. 28 (8 augustus 1942), 15. 273 Interview met Neirynck en Berkenman, Vlaams Marxistisch Tijdschrift, jg. 13, nr. 1 (1979), 86-88. Ook geciteerd in Van Louwe, ‘Is Uilenspiegel links...?’, 10. 274 Ernest Gellner, Naties en Nationalisme (Amsterdam, 1990), 68. 275 Cfr. supra, hoofdstuk 1. 276 Boniface, o.c., 18-19.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


277 Dat De Costers Uilenspiegel ‘ein strahlender Jüngling war, der auch in Jahrzehnten nicht im geringsten altert’, wordt ook benadrukt door Wolfgang Virmond, o.c., 8-11. 278 De termen zijn ontleend aan Georg Bollenbeck, o.c., 272-275. 279 Cfr. daarover Volk en Kultuur, jg. 23, nr. 9 (4 juli 1942), 9. 280 De Bruyn, De speelman en zijn zoon, 225. 281 Flor Lenaerts, ‘Wij stellen u voor: Werk van Herman De Cuyper’, jg. 1, nr. 35 (27 september 1941). 282 Snekke, ‘Onze Geuzen’, Volk en Kultuur, jg. 2, nr. 24 (11 juli 1942). 283 Teirlinck, o.c., 288. 284 Ruimte, jg. 2, nr. 1-2 (feb. 1921), 14. 285 Dat ook zijn progressiviteit niet geheel onproblematisch was, gaf ik al aan in hoofdstuk 3. 286 Van den Hende-Levine, o.c., 49, wijst erop dat in Sovjet-Rusland een uitgesproken voorkeur voor deze leuze bestond. En in de inleiding tot het Uilenspiegel-nummer van het Masereelfonds uit 1979, schreef Marc Braet: ‘Laten we, zo lang de as van Klaas klopt, rust noch duur kennen tot wanneer het Vlaamse volk die werkelijke vrijheid zal kennen dat elk volk dat georganiseerd en met gebundelde kracht weet te strijden, vroeg of laat zal verwerven.’ 287 Zie Tollebeek, ‘Vanuit de aangrenzende kamer. Over geschiedenis, traditie en geheugen’, Handelingen der Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, jg. 49 (1997), 5-21. 288 Sonja Zöller, ‘Der Schalk in der entfremdeten Gesellschaft. Dil Eulenspiegel als anachronistische Figur’ in: Joachim Bumke e.a. (ed.), Till Eulenspiegel in Geschichte und Gesellschaft, 8-28. 289 Deze uitleg werd althans gegeven door Guy Segers, ‘Ten Geleide’ bij Ulieden Spiegel, jg. 4, nr. 2 (winter 1995), 3, naar aanleiding van een Uilenspiegel-beeld door Bertrand Catteuw.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


141

Nawoord: Een moraal voor het verhaal? Na de Tweede Wereldoorlog hebben goedmenende Uilenspiegel-liefhebbers tot treurens toe uitgeroepen dat de reactionairnationalistische en de nationaal-socialistische Uilenspiegel-recuperatie niets te maken had met de échte Uilenspiegel.290 Die échte Uilenspiegel meenden zij te vinden in De Costers Légende d'Ulenspiegel. Zelfs de samenstellers van het boekje Uilenspiegel, wie ben jij?, die nochtans het bestaan van dé Uilenspiegel ontkenden, pleitten voor een terugkeer naar de échte Uilenspiegel, die van De Coster. Afgezien van het feit dat De Costers boek eigenlijk slechts één manifestatie was van een eeuwenoude Uilenspiegel-traditie en dus bezwaarlijk als de échte of zelfs maar als ‘het definitieve gelaat’ van Uilenspiegel kan gelden291, is er het bevreemdende feit dat precies de verketterde reactionaire nationalisten - en zelfs de nationaalsocialisten - in hoge mate een beroep hadden gedaan op de Uilenspiegel van De Coster, terwijl verzetsgezinde auteurs al sneller teruggrepen naar de motieven uit het oude volksboek. Hoewel de extreem-nationalistische Uilenspiegel-interpretaties inderdaad kunnen worden beschouwd als indruisend tegen de ideologie van Charles De Coster, blijken zij niettemin een aantal zeer treffende structurele verwantschappen met zijn Légende te vertonen. Trachtte hij inhoudelijk een boodschap over te brengen die antiklerikaal en progressief liberaal was, dan bevatte zijn boek fundamenteel een aantal romantische, anti-moderne elementen, die een sterk reactionair potentieel in zich droegen. Men moest trouwens geen verstokte Vlaams-nationalist zijn om door dit reactionaire element in de Légende d'Ulenspiegel te worden aangetrokken. De Franstalige volkskundige Eugène Herdies bijvoorbeeld bewonderde dat boek vooral, aldus zijn getuigenis uit 1927, omdat de auteur had geput uit de bronnen van zijn eigen ras, wat hem tot de volgende

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


142 wensdroom verleidde: ‘En men moet zich niet verwonderen indien de generatie van morgen, moe van alle ingewikkelde gemoedstoestanden, walgend van de epilepsie van de dancings en van de negermuziek, van de hallucinaties van de lichtreclame, men moet zich niet verwonderen indien dëe jeugd vlucht uit die bizarre atmosfeer, en de zeldzame psychosen ontvlucht evenals de ophemeling van het freudisme dat even conventioneel is als de wanhoop van de romantici, - en indien zij zich komt verfrissen aan heilzame, steeds opborrelende en versterkende wateren van de folklore, om er de eenvoudige oprechtheid, het kinderhart, het levend hart van het ras terug te vinden.’292 Dat reactionaire residu in de Légende d'Ulenspiegel maakte het mogelijk voor katholieken en Vlaams-nationalisten om zich, vanuit een gezamenlijke anti-moderne bekommernis, rond het Uilenspiegel-motief te scharen en dit motief verder uit te werken in de door hen gewenste richting. Daarom lijkt het mij zelfs in dit verband niet juist om van een ‘misbruik’ van het Uilenspiegel-motief of van een afwijking ten opzichte van de ‘echte’ Uilenspiegel te spreken. Die échte Uilenspiegel bestaat niet en zelfs als De Costers Légende als ijkpunt daarvoor zou dienen, kan een reactionaire lezing net zo goed worden verantwoord als een progressieve. Als er dan toch een moraal uit dit verhaal moet worden gedistilleerd, laat het dan deze zijn dat goede literatuur best uitsluitend als goede literatuur wordt gelezen.

Eindnoten: 290 Zo werd in de eerste naoorlogse Almanak van Uilenspiegel, in 1945 uitgegeven door Het Laatste Nieuws, afstand genomen van de oorlogsnummers van de Almanak, die niet door de ‘echte’ Uilenspiegel waren geconcipieerd. 291 Redactionele inleiding tot het De Coster-nummer van Le Thyrse, jg. 70, nr. 3 (1968), 1-2. 292 Eugène Herdies, ‘Les rapports du folklore et de la Littérature’, Le Folklore Brgbançon, jg. 7, nr. 37-38 (aug.okt. 1927), 10-14. Citaat p. 12.

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


158

Register Aerts, José (‘Albert Westerlinck) 117 Albert 1 49, 53, 55 Altmeyer, Jean-Jacques 15, 16, 21, 37 Arneye, Marcel 84 Anderson, Benedict 124 Aneessens, Frans 24, 127 Arnould, Victor 25 Artevelde, Filips van 24 Artevelde, Jacob van 24, 94, 127, 128, 129, 135, 139 Auctor: zie Jan Bruylants Bagritski, Eduard 56 Bartier, John 15 Bel, Bert 72 Benoit, Peter 41 Berkenman, Paul 116, 133 Beys, R. 88 Blommaert, Jan 124 Boey, Marcel 128, 129 Boniface, Joseph: zie Louis Defré Borginon, Hendrik 64 Borms, August 61, 62 Bosschaerts, Eugène 91 Bostelmann, Ilse-Marie 87 Bote, Hermann 19 Brecht, Bertolt 112 Brederode, Hendrik 26 Breydel, Jan 24, 94, 127, 128, 129, 130 Bruggen, Staf 62, 63 Brun, Édouard 16, 18 Bruylants, Jan ('Auctor) 41, 42, 43, 44, 53, 54, 88, 92, 98, 128, 129 Cartreul, Anne-Marie 14 Cervantes Saavedra, Miguel de 108 Claes, Ernest 72, 92, Claus, Hugo 113, 114, 115, 137 Collard, Léo 105 Conscience, Hendrik 42, 49, 69, 89, 109 Contryn, Jozef 95, 96 Coopman, Hendrik Thzn 47 Coppieters, Maurits 103 Craeybeckx, Lode 110, 118, 120 Darciel, Elza 91 Daubier, Louis: zie Louis Dupont De Backer, Rika 116

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


Debaene, Luc 89 De Bock, Eugène 137 De Bom, Emmanuel 74 De Bruyn, Jeanne 69, 106, 135 De Bruyne, Arthur 47, 89 De Bruyne, Paul 104 De Clercq, René 124 De Clercq, Staf 84, 94 De Coninck, Pieter 24, 127, 128, 129, 130 De Coster, Augustin-Joseph 14 De Cuyper, Herman 122, 136 De Decker, Jacques 114 De Decker, Walter 116 De Ghelderode, Michel 96 Defré, Louis 23, 24, 25, 134 Dehaene, Jean-Luc 108 Delbecq, Richard 43 Delepierre, Joseph Octave 17, 19, 20 Delmotte, Henri 18

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


159 De Meester, Johan 62 De Mol, Régis 107 De Mont, Pol ('Multafero) 49, 50, 51, 69, 132 Denis, Hector 16, 25 Deprez, Firmin 50 De Raet, Lodewijk 39 De Schuyter, Jan 96, 98 Des Ombiaux, Maurice 53 Destrée, Jules 7 Detrez, Mon 124 De Vries Reilingh, H.L. 103 Dewale, Joris 95 Dillens, Adolf 21, 31 Drieu, Herman 103 Dupont, Louis 110, 111, 112 Eekhout, Jan H. 72, 124, 137 Elias, Hendrik J. 64 Enklaar, D. Th. 18 Farnese, Alexander 131 Fassotte, Joris ('Liederik) 81 Filips II 26, 28, 111 Florquin, Joos 69, 70 Fosty, Jean 104 Francis, Jean 30, 111, 112 Franck, Louis 45 Gellner, Ernest 124, 134 Gerlo, Aloïs 9, 10, 115 Gevers, Marie 53 Gezelle, Guido 22 Gheyselinck, Roge 9, 10, 34, 81, 118, 119 Gijssels, Willem 47 Godhard, Folker 99, 101 Grammens, Flor 72, 73, 104 Grassin, Renaat 63, 84 Grauls, Willem 86 Graverson 84 Guiette, Robert 53 Hanse, Joseph 14, 74 Hendrickx, Frans 63 Herdies, Eugène 141 Heyns, Pol 89 Himmler, Heinrich 82 Hitler, Adolf 64, 97

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


Hobsbawm, Eric 124 Huysmans, Camille 34, 45, 74, 75, 95, 118, 119 Juin, Hubert 28 Karel V 28 Klinkenberg, Jean-Marie 27, 28, 34 Lacroix, Albert 13, 23 Lagrou, René 82, 83 Lemonnier, Camille 38, 74 Leopold I 34 Liederik: zie Joris Fassotte Löffler 92 Lunasjarski, Anatoli V. 56 MacLeod, Julius 39 Magits, Leo 47 Maldiney, Henri 110 Mandelsjtam, Osip 56 Maria van Portugal 31 Marinus, Albert 64 Marnix, heer van Sint-Aldegonde, Filips van 24, 26 Masereel, Frans 60, 73-74, 118 Mercy d'Argenteau, Charles 14 Moens, Wies 46, 47, 65, 67, 71 Molotov, Vjatsjeslav 79 Monteyne, Lode 21, 74 Moortgat, Antoon 40, 41, 132 Mulier, Arthur 46 Multafero: zie Pol De Mont Nackaerts, Hein 102 Nachtergaele, Vic 15, 119, 120 Napoleon III Bonaparte 15, 22, 28, 32, 42 Nautet, François 7 Neirynck, Freek 116, 133 Nietzsche, Friedrich 116 Nuyens, Pieter Jozef 88 Orts, Auguste 42 Osten, Peter 87 Panis, Armand ('Pik) 70, 72, 77, 82, 138

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


160 Pas, Aloïs 99, 101, 138 Peeters, Edward 69 Peeters, Jan 108 Peeters, Jozef 91 Peleman, Bert 86, 116, 118, 133 Perquaet, Jules 93 Pik: zie Armand Panis Pius IX 22 Potvin, Charles 38 Proudhon, Pierre-Joseph 25 Rembrandt Harmensz. van Rijn 130 Reynaert, Maurice 94 Reynebeau, Marc 124 Robrecht de Fries 139 Rodenbach, Albrecht 50, 73, 103 Rogier, Charles 21, 34 Rolland, Romain 7 Roloff, Ernst August 87, 123, 124 Rooses, Max 49, 50 Roossens, Antoon 115 Rops, Félicien 15, 16, 17 Rubens, Pieter Paul 129 Simoens, Leo 90 Smith, Anthony 125 Snekkaert, Herman 130, 136 Snieders, August 42 Solovjev, Vladimir 113 Strauss, Richard 91 Streuvels, Stijn 53 Teirlinck, Herman 54, 69, 124, 137 Thiriar, James 52 Tollebeek, Jo 138 Tollenaere, Reimond 85 Van Arenbergh, Émile 38 Van Bemmel, Eugène 15, 16 Vanbremeersch, Pascal 107 Van Cauwelaert, Frans 45 Vanderheyden, Jan 72 Vanderkindere, Léon 37 Vandersteen, Willy 85, 113 Van der Velden, Jos 135 Van de Velde, Anton 58, 59, 60, 61, 63, 64, 70, 91, 96, 102, 121, 132, 133 Van de Velde, Wannes 120, 121

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


Van de Voorde, Urbain 7, 8, 9, 10, 64, 89, 133 Van de Wiele, Jef 83, 84 Van Duyse, Prudens 16, 17 Van Extergem, Jef 76 Van Haver, Frans 78 Van Maerlant, Jacob 19 Vanmechelen, Gard 85, 86 Van Paemel, Leander en Isabella Carolina 16 Van Severen, Joris 64, 67 Van Werveke, Hans 93 Vauthier, M. 74 Verheggen, Jean-Pierre 112, 120 Verheyen, Renaat 63 Verhulst, Raf 40, 71 Vermandere, René 54, 128 Vermandere, Willem 121 Verstraete, Luk 103 Von Bissing, Moritz Ferdinand 46 Von Ribbentrop, Joachim 79 Vos, Louis 125 Walschap, Gerard 96 Westerlinck, Albert: zie José Aerts Willem III 34 Willem van Oranje 26, 33, 113, 128, 129, 130 Willemijns, R. 117 Willems, Jan Frans 19 Withworth, Geoffrey 53 Zannekin 128, 139 Zöller, Sonja 138

Marnix Beyen, Held voor alle werk. De vele gedaanten van Tijl Uilenspiegel


Uilenspiegel