Skip to main content

Bladerboekje overleef pg

Page 1

HOE OVERLEEF IK MIJN VAKANTIE?

“Jouw naam” “Achternaam” Special

“Jouw tekstregel - 1” “Jouw tekstregel - 2” “Jouw tekstregel - 3” “Groet afzender”


Francine Oomen

met tekeningen van Annet Schaap

Amsterdam · Antwerpen Em. Querido’s Uitgeverij BV


In dit spannende boek speelt “Jouw naam” de rol van Rosa, hoofdpersoon in de Hoe overleef ik...-serie. Deze gepersonaliseerde versie is mede mogelijk gemaakt in ­samenwerking met Personalgifts.nl Bestellen: www.personalgifts.nl Druk: ARSprintmedia Alle Hoe overleef ik...-artikelen zijn te koop in de webshop: www.hoeoverleefikwebshop.nl Copyright text © 1999 by Francine Oomen Copyright illustrations © 1999 by Annet Schaap Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Em. Querido’s Uitgeverij BV, Singel 262, 1016 AC Amsterdam. Omslag Studio 100% www.hoeoverleefik.nl www.queridokinderboeken.nl


“Naam jongen” en “Jouw naam”

‘“Jouw naam”! Voor de laatste keer: eet dat vlees op!’ “Naam jongen” gluurt over zijn schouder en kijkt dan met een rood hoofd gauw weer voor zich uit. Het meisje heeft in de gaten dat hij naar haar staart. Ze steekt haar tong naar hem uit. Zijn vader en moeder zijn druk bezig met eten en hebben niks in de gaten van de fikse ruzie die zich achter hun rug afspeelt. “Naam jongen” roert in zijn soep en spitst zijn oren. ‘“Jouw naam”! En nu is het genoeg!’ Pets! klinkt het door het restaurant. “Naam jongen” draait zich om.“Jouw naam” springt overeind en drukt een hand tegen haar wang. Ze heeft tranen in haar ogen. De stoel waarop ze zat klettert achterover op de grond. Een langslopende ober zet hem met een uitgestreken gezicht gauw weer overeind. Het geroezemoes in het restaurant verstomt en alle gezichten keren zich naar de tafel van “Jouw naam” en haar ouders.‘Stom mens!’ gilt “Jouw naam”.‘Ik haat je, ik haat je!’Woedend geeft ze een schop tegen de tafelpoot. Het glas wijn dat op tafel staat valt om en gulpt leeg over haar moeders witte jurk. “Jouw naam” draait zich om en rent de zaal uit. De vader van “Jouw naam” wil opstaan om haar achterna te lopen, maar haar moeder houdt hem tegen en zegt net iets te hard: ‘Laat haar maar in haar sop gaarkoken, dat vreselijke kind! Help mij liever met mijn jurk, Alexander!’ Ze werpt een kwade blik naar “Naam jongen”, die zich snel weer over zijn soep buigt. ‘Nou, als ik zo’n moeder had, zou ik het ook wel weten,’

5


mompelt hij. Zijn vader legt zijn mes en vork neer en veegt zijn mond af met een servet. ‘Ken jij dat meisje dan, “Naam jongen”?’ “Naam jongen” schudt zijn hoofd.‘Nee, maar haar moeder zat al de hele maaltijd op haar te mopperen, en gisteren heb ik ze in Bastia zien lopen. De vader en moeder liepen heel verliefd arm in arm en dat meisje sjokte met een gezicht als een oorwurm een heel eind achter ze aan.’ “Naam jongen” schuift zijn bord weg.‘Mag ik van tafel, mam?’ “Naam jongen”’ moeder aait hem door zijn krullen. ‘Ja hoor, schat. Ik begrijp best dat het saai voor je is om met twee van die oude sokken aan tafel te zitten.’ ‘Ho, ho,’ zegt zijn vader grinnikend en hij knijpt zijn vrouw in haar wang. ‘Correctie: één oude sok! Wil je geen ijsje meer, jongen?’ ‘Nee,’ zegt “Naam jongen”. ‘Ik ga even naar buiten, tot straks.’ Aan het tafeltje van de ouders van “Jouw naam” zit alleen nog de v­ ader; hij heeft een glas wijn in zijn hand en kijkt somber voor zich uit. Buiten haalt “Naam jongen” diep adem. De lucht is fris, de warmte van de dag begint weg te trekken. Het hotel waar ze logeren, ligt wat in de bergen, zodat het ’s avonds lekker afkoelt. Halverwege de trap zit een in elkaar gedoken figuurtje met een pet op: “Jouw naam”. “Naam jongen” aarzelt. Dan loopt hij naar haar toe en gaat naast haar zitten. ‘Ga weg!’ zegt “Jouw naam” kwaad. ‘Waarom? Ik mag hier toch ook zitten? Deze trap is niet van jou hoor.’ ‘Ik heb een pestbui en ik wil alleen zijn. Donder op!’ “Naam jongen” schuift een stukje van haar af en kijkt om-

7


hoog. ‘Mooie lucht, hè? En het ruikt hier zo lekker. Ik vraag me af hoe dat komt.’ “Jouw naam” zwijgt. “Naam jongen” keert zich naar haar toe. ‘Mijn vader en moeder zeggen dat het altijd goed is om te praten over wat je dwarszit. Dat lucht op.’ ‘Pffft,’ blaast “Jouw naam”.‘Bof jij even. Als ik een pestbui heb, zegt mijn moeder dat ik bij haar uit de buurt moet blijven.’ “Naam jongen” zet zijn brilletje af en ademt op de glazen, dan

8


poetst hij ze schoon met de rand van zijn T-shirt. ‘Zijn ze echt zo erg?’ vraagt hij voorzichtig. “Jouw naam” kijkt de andere kant op. ‘Mijn moeder is vreselijk. Mijn vader is hartstikke aardig, maar die is er niet.’ Haar stem klinkt een beetje raar. ‘Hij zit gewoon binnen aan tafel hoor,’ zegt “Naam jongen”. “Jouw naam” kijkt hem fel aan. ‘Die kerel is mijn vader niet.’ ‘Wie is hij dan?’ “Jouw naam” haalt met veel lawaai haar neus op. ‘Die kwijlebal is de vriend van mijn moeder. Ze is verliefd op hem geworden en toen moest mijn vader weg van haar. Hij woont niet meer bij ons. Zo, nou weet je het.’ “Naam jongen” zet zijn bril weer op. ‘Wat rot voor je.’ “Jouw naam” veegt haar neus af aan haar blote arm. Hij hoort haar slikken. ‘Dan mis je je vader nu zeker wel,’ zegt “Naam jongen”. “Jouw naam” staat op en steekt haar hand tussen de kaken van de ­stenen leeuw die op het terras staat. ‘Pffff, helemaal niet. Ik red me prima in mijn eentje, hoor! Ik heb niemand nodig.’ “Naam jongen” springt overeind. ‘Pas op, “Jouw naam”, kijk uit!’ gilt hij. Geschrokken trekt “Jouw naam” haar hand terug en ze kijkt om zich heen. ‘Corsicaanse leeuwen zijn ongelofelijk bloeddorstig,’ grinnikt “Naam jongen”. ‘Bedank me maar, want ik heb je leven gered!’ “Jouw naam” schiet in de lach.‘Haha! Zo’n klein mannetje en dan een mensenredder zeker!’ ‘Zo kan-ie wel weer,’ zegt “Naam jongen” en hij recht zijn rug. ‘Ik ben dan wel niet zo groot, maar mijn herseninhoud is enorm. In ieder geval kun je nog lachen.’ “Jouw naam” gaat weer zitten. Ze friemelt aan iets in haar zak.

9


‘Ik verveel me te pletter hier. Mama heeft alleen maar aandacht voor die stomme vent en mij laat ze stikken. Ze zitten de hele dag met zijn tweeën te slijmen en te zoenen. Getver, op hun leeftijd. Ik schaam me dood.’ Ze zucht en gluurt naar “Naam jongen”. ‘En jij? Hoe zijn jouw ouders?’ ‘Best tof,’ antwoordt “Naam jongen”. ‘Maar ik vind het hier ook nogal saai.Vakanties zijn meestal saai. Mijn vader is al best oud. Hij zit het liefst in een boek of krant te lezen, samen met mijn moeder. En ze kletsen over van alles en nog wat waar ik niks van snap. Maar ze zijn wel lief, hoor. Ze praten ook veel met mij. En je kunt best met ze lachen.’ “Naam jongen” springt overeind en maakt een karateschop in de lucht. ‘Maar ik, ik wil avontuur! Spanning en sensatie. Ik wil van alles meemaken! Met mijn blote handen slangen wurgen, op be­renjacht gaan, diepzeeduiken, parelvissen, op kamelen rijden...’ ‘Er zijn geen kamelen op Corsica, slimmerd. En parels volgens mij ook niet. Het is hier alleen maar duf, suf en saai. O, hoe overleef ik deze vakantie?’ kreunt “Jouw naam”. “Naam jongen” springt vier treden naar beneden, struikelt in het gras, krabbelt weer overeind en zegt met een stralend gezicht: ‘We gaan er zelf iets leuks van maken. Met zijn tweeën.’ ‘Hoe dan?’ vraagt “Jouw naam” ongelovig. ‘Samen schelpen zoeken op het strand zeker.’ ‘Nee,’ zegt “Naam jongen” geheimzinnig.‘Ik heb een veel beter plan.’ Hij draait zich langzaam om en wijst naar de donkere bergen.

10


Vertrek

‘Nee, joh, niet zoveel. Dat valt op!’ “Naam jongen” legt twee croissantjes terug op de schaal en steekt snel nog een handvol jambakjes in zijn rugzak. ‘Kom op,’ sist “Jouw naam” en ze trekt “Naam jongen” weg van het ontbijtbuffet. ‘Zo is het wel genoeg, dadelijk komt er iemand binnen!’ “Naam jongen” en “Jouw naam” hollen de ontbijtzaal uit. Als ze buiten het hotel in een steegje staan, zegt “Naam jongen” hijgend:‘Wat zeur je nou? We stelen toch niet? Dit is gewoon ons ontbijt!’ “Jouw naam” haalt twee blikjes cola uit de zak van haar trainingsjack. ‘Hier, doe open, deze heb ik uit het ijskastje van onze hotelkamer gejat.’ Nieuwsgierig kijkt ze in de rugzak van “Naam jongen”. ‘En wat heb jij allemaal meegenomen voor onze overlevingstocht? Chocola, mmm. Een stuk touw, lucifers. Wow, wat een gaaf zakmes!’ ‘Er zitten wel tien dingen in,’ zegt “Naam jongen” trots. ‘Heb ik voor mijn verjaardag gekregen. Mijn pa en ma sliepen nog, ik heb een briefje achtergelaten. Jij ook?’ “Jouw naam” kijkt met een kwaad gezicht de andere kant op. ‘Nee, mijn moeder interesseert het toch niet waar ik uithang. Die heeft het veel te druk met Alexander. Waar gaan we eigenlijk naartoe?’ “Naam jongen” diept uit zijn rugzak een boekje op. ‘We gaan een stuk van de GR 20 lopen. Dat is een wandelpad dat door heel Europa en ook over Corsica loopt. Je kunt het herkennen

11


aan de rood-witte strepen die overal op geverfd zijn.Volgens het boekje begint het pad achter de kerk.’ ‘Puf, ik ben nou al moe,’ zucht “Jouw naam” een halfuur later. Ze staan op een rotsblok en kijken uit over Calenzana dat aan hun voeten ligt. ‘Geef mij eens een stuk chocola.’ “Naam jongen” protesteert: ‘Maar we zijn net onderweg! Het avontuur begint pas!’ Hij breekt de reep chocola doormidden en geeft “Jouw naam” de helft. ‘Mijn helft bewaar ik, voor als ik echt energie nodig heb.’ ‘Ik hou eigenlijk helemaal niet van lopen,’ zegt “Jouw naam”. ‘Je wordt er alleen maar moe van.’ ‘Pff, jij bent zeker zo’n tv-zuignap. Kom op, we klimmen nog een stuk verder.Volgens het boekje gaat de weg dadelijk steil omhoog. Lekker spannend!’ “Jouw naam” kijkt bezorgd naar de lucht.‘Wat jij lekker spannend noemt. Heb je die wolken daarachter gezien?’ “Naam jongen” doet zijn rugzak weer om en begint te lopen. ‘Ach wat, het is hier altijd mooi weer. Jij laat je toch zeker niet bang maken door een buitje?’ Even later vraagt hij: ‘Hoor jij wat ik hoor?’ “Jouw naam” kijkt om zich heen. ‘Ik hoor niks. De krekels maken een hoop herrie, maar dat is alles.’ “Naam jongen” kijkt in zijn boek en naar het rood-witte teken dat op een rotsblok naast de weg is geverfd.‘Ik hoor water,’ zegt hij.‘En dat klopt, want het staat ook in het boek. Het is de rivier de Arg... Arghioa of zoiets.’ ‘Ik wil terug,’ zegt “Jouw naam” dreinerig. ‘Mijn voeten doen pijn.’ ‘Zeurpiet, kom op, ik wil het water zien!’ roept “Naam jongen”. Even later staan ze voor de rivier. Het water is glashelder en

12


overal steken er grote rotsblokken bovenuit. Langs de randen staan bloemen. Het water stroomt snel en vormt hier en daar diepe poelen. “Jouw naam” gaat op haar buik op een warme steen liggen en steekt haar hand in het ijskoude water. ‘Hé “Naam jongen”, kom eens kijken! Er zitten hier hele grote vissen.’ “Naam jongen” knielt naast haar neer. ‘Wow, te gek, wat zouden dat zijn? Kabeljauwen?’ ‘Nee, joh,’ zegt “Jouw naam” lachend. ‘Die zitten toch alleen in zout water?!’ “Naam jongen” moet er ook om lachen. ‘En in vissticks.’ Hij doet zijn gympen uit en stopt ze in de rugzak. ‘Ik ga de rivier oversteken. De GR gaat aan de overkant verder.’ ‘Wacht even!’ roept “Jouw naam” opgewonden. ‘Hier ben ik

13


goed in, in stenen springen.’ “Jouw naam” en “Naam jongen” springen van steen tot steen en spetteren elkaar nat. Ze gillen van het lachen en gaan via de rotsblokken steeds verder de rivier op. ‘Joho! Ik ben een berggeit!’ gilt “Jouw naam” en ze maakt een geweldige sprong.‘En ik een rivierkangoeroe!’ roept “Naam jongen”. Plons! Daar belandt hij met een been in het water.‘Natte broek! Tien strafpunten!’ hijgt “Jouw naam” als ze aan de overkant zijn.‘Ik vind het toch wel leuk,“Naam jongen”.Als het spannend is, vind ik het tof. Als we moeten klimmen en springen, niet saai rechtuit lopen.Waar gaat de weg nu verder?’ “Naam jongen” kijkt in zijn boek. ‘Uuuh...’ Zoekend laat hij zijn blik ronddwalen. Ze zijn in een dal en voor hen rijst een groot bos op. ‘Ik denk dat het pad tussen de bomen daar loopt,’ zegt hij weifelend. ‘Zie jij de tekens?’ “Jouw naam” trekt haar gymschoenen weer aan. ‘Volgens mij zie ik daar iets, achter die rotsen.We lopen nog een klein stukje en dan draaien we om, goed?’ ‘Luister eens,’ zegt “Jouw naam”. ‘Wat gek, de krekels zijn uit.’ Ze staan midden tussen de bomen en het is heel stil. De lucht is zwaar en geurig. ‘En donker is het ook,’ zegt “Naam jongen”. Plotseling schiet er een felle bliksemflits door de bomen, die wordt gevolgd door een krakende donderslag. ‘Shit! Daar is je buitje, “Naam jongen”! Leuk, hoor!’ roept “Jouw naam”. “Naam jongen” grijpt haar arm. ‘Ik ben bang voor onweer! Dadelijk worden we nog door een bliksemstraal getroffen, daar kun je hartstikke dood aan gaan. Wat moeten we nou doen?’

14


Als je een flinke wandeltocht gaat maken, zijn goede schoenen erg belangrijk. Stevige gympen kunnen ermee door, maar hoge bergschoenen met een paar dikke sokken zijn beter.

Trek in de zomer dunne katoenen kleren aan. Een korte broek en een T-shirt zijn prima om in te wandelen. Als de zon erg fel is, is het verstandig om een dun T-shirt met lange mouwen en een dunne lange broek te dragen. Zo verbrand je minder snel. Neem een dikke trui mee voor als het ’s avonds afkoelt. Als je niet zeker bent van het weer, neem je ook een lichtgewicht regenpak mee.

Neem alleen het hoogst noodzakelijke mee en zorg dat alle dingen waterdicht verpakt zijn. De dingen waar je snel bij moet kunnen, zoals je mes en je kompas, stop je in de zijvakjes.De zware spullen stop je onderin, de lichtere boven. Hier zijn wat dingen die je niet mag vergeten.


Cola en jam

“Naam jongen” krimpt in elkaar en houdt zijn rugzak boven zijn hoofd. Opnieuw doorklieft een bliksemflits de lucht en een oorverdovende donderslag davert in hun oren. ‘We moeten schuilen!’ roept hij.‘Getver, ik ben nu al helemaal doorweekt. Kom onder deze boom, “Jouw naam”. Hier is het droger.’ Klabam! Weer een flits, met een enorme klap meteen erna. “Jouw naam” gilt naar “Naam jongen”: ‘Nee, joh! Stommerd! Niet onder een boom! Je mag nooit bij iets hoogs gaan staan als het onweert.’ Verschrikt springt “Naam jongen” bij de boom weg. ‘Maar waar moeten we dan heen? Er zijn hier alleen maar hoge dingen! We zitten midden in een groot klere-bos!’ “Jouw naam” pakt hem bij zijn hand.‘Kom mee, rennen! Hier, de helling af, naar een lager punt. Pas op!’ “Naam jongen” glijdt uit in een stroom modder die van de berg af komt en trekt “Jouw naam” in zijn val mee. Een paar meter lager komen ze tegen een boomstronk tot stilstand. De donderslagen en de bliksemflitsen volgen elkaar steeds sneller op. “Jouw naam” drukt haar handen tegen haar oren. ‘Blijven liggen! Plat op de grond!’ roept ze boven het lawaai uit. ‘Het onweer is nu recht boven ons!’ Angstig drukt “Naam jongen” zijn gezicht in de modder. De regen klettert met grote, lauwe druppels op hen neer. Het lijkt eeuwen te duren voordat het onweer afneemt. Hij hoort “Jouw naam” zachtjes naast zich tellen. Na een tijdje gaat ze rechtop zitten en schudt hem aan zijn schouder. ‘Kom maar weer overeind, meneer de avonturier,

16


het trekt weg. Het is nu niet gevaarlijk meer.’ “Naam jongen” kruipt kreunend overeind. “Jouw naam” moet hard lachen. “Naam jongen”’ bril zit onder de modder. ‘Haha, onze held, een moddermonster met bril!’ Boos geeft “Naam jongen” haar een stomp. ‘Doe niet zo suf, mens. We hadden wel in tweeën gekliefd kunnen worden door die rotbliksem!’ ‘Kom op, laten we geen ruziemaken nu, ik wil naar huis,’ zegt “Jouw naam”. Ze trekt “Naam jongen” overeind.‘Ik vond het ook hartstikke eng, hoor.Weet jij waar de rivier is?’ “Naam jongen” poetst zijn bril schoon en zet hem weer op zijn neus. ‘Ik denk verder naar beneden, daar komen we ’m vast weer tegen.’ ‘Ik draag de rugzak wel,’ zegt “Jouw naam”. Het regent gestaag door, maar niet meer zo hard als in het begin. “Jouw naam” en “Naam jongen” klappertanden in hun dunne zomerkleren. Na een halfuurtje staan ze bleek en bibberend voor een woeste, bulderende, bruine massa. ‘Dit is een andere rivier!’ roept “Jouw naam” geschrokken. ‘We zijn fout gelopen! Dit kan helemaal niet! Het was een mooie, rustig kabbelende stroom. En moet je dit nu zien!’ “Naam jongen” staart met open mond naar het kolkende water. ‘Het is geen andere rivier, dat kan niet. Er stond helemaal geen andere rivier op de kaart!’ Hij vist het natte boekje uit de druipende rugzak van “Jouw naam”. ‘Gatver! De rugzak is niet waterdicht. Hier hebben we niks meer aan!’ Woedend smijt hij het boekje op de grond. ‘En dit en dit!’ Zompige, uit elkaar vallende croissantjes vliegen in het

17


rond. ‘Stom rotavontuur!’ gilt “Naam jongen”. ‘Ik wil voor de tv zitten en naar cartoons kijken! Avontuur is helemaal niet leuk in het echt!’ “Jouw naam” raapt het boekje op. ‘Rustig nou maar. Kom op, we gaan een schuilplaats zoeken. Ik heb het ijskoud. Volgens mij zijn daar spleten tussen de rotsen; daar kunnen we zitten tot het droog wordt.’ Ze trekt “Naam jongen”, die woedend in de natte croissantjes staat te trappen, met zich mee. “Jouw naam” bukt zich en tuurt naar binnen.‘“Naam jongen” kom! Dit is een grot, hier is het droog!’ “Naam jongen” bukt zich ook en kruipt naar binnen. Hij trekt zijn sweater over zijn hoofd en wringt hem uit. ‘Brrr,’ bibbert hij. ‘Kkk... koud... en


het stinkt hier.’ ‘Het is in ieder geval droog,’ zegt “Jouw naam”. Ze kijkt rond. Het is schemerdonker, overal liggen stukken hout en grote keien en het lijkt of de grot naar achteren toe hoger wordt. ‘We zouden een vuurtje kunnen stoken,’ zegt ze rillend. ‘Om onze kleren te drogen.’ Ze graait in de rugzak en haalt er een plakkerig doosje lucifers uit. ‘Nou “Naam jongen”, kom maar op met je tondeldoos, want hier hebben we niks meer aan. Dat wordt dus picknicken. Met cola en jam.’ ‘Op,’ zegt “Naam jongen” en hij knijpt het blikje in elkaar. ‘Hoe wist jij dat eigenlijk, van die bliksem en wat je dan moet doen?’ “Jouw naam” likt een jambakje uit. ‘Van mijn vader, wij gingen wel eens wandelen in de Ardennen. Met zijn tweetjes.’ Haar gezicht betrekt en ze knippert een paar keer met haar ogen. “Naam jongen” ziet het. ‘Zie je je vader nog wel eens?’ vraagt hij voorzichtig. “Jouw naam” springt op en stoot meteen haar hoofd. ‘Au!’ roept ze.‘Klotestenen! Klote-Corsica!’ Ze klapt dubbel en met tranen in haar ogen wrijft ze heftig over haar hoofd. “Naam jongen” slaat een arm om haar heen. ‘Hé “Jouw naam”, huil je?’ “Jouw naam” wurmt zich los. ‘Nee, natuurlijk niet. Hoe kom je erbij? Ik lach me een ongeluk. Mijn kop doet gewoon pijn, dat begrijp je toch wel?’ Ze komt half overeind en kruipt verder de grot in. ‘Ik ga even kijken wat daar is.’ ‘Pas maar op,’ zegt “Naam jongen”. ‘Ik vind dat het hier raar ruikt. In zulke grotten zitten wel eens sabeltandtijgers of wolven.’ ‘Pfff, schijterd! Wie wilde er met beren vechten?’ schampert 19


Je kunt een heleboel over het weer te weten komen door goed naar de lucht te kijken. Eerst een paar algemene tips: * Als de insectenetende vogels (zoals zwaluwen) hoog vliegen, wordt het mooi weer.Vliegen ze laag, dan is er slecht weer op komst. * Een rode ochtendhemel kan op regen duiden. * Een dennenappel gaat open bij mooi weer en dicht bij slecht weer. * Hoge wolken betekenen goed weer, lage wolken slecht weer.

* De eerste regel bij onweer is: zorg dat je uit de buurt van hoge dingen blijft, zoals bomen. * Bliksem treft altijd het hoogste object. Begeef je snel naar een zo laag mogelijk punt en ga plat op de grond liggen. * Hou geen metalen voorwerpen in je hand en blijf weg van metalen bouwsels en hekken. * Een grot is een goede plek om te schuilen, maar ga er zo diep mogelijk in zitten. Blijf niet bij de opening, dat is gevaarlijk.


“Jouw naam” en ze verdwijnt in het schemerdonker van de grot.

21


De oversteek

“Naam jongen” zit ineengedoken bij een steen. Hij probeert een bladzijde van het natte Corsica-boekje om te slaan, maar de pagina is doorweekt en scheurt. Stik, denkt hij. Ik heb “Jouw naam” niet verteld dat er twee routes w ­ aren. Een makkelijke en een zware. En dat wij die zware hebben genomen. En er stond ook dat het heel gevaarlijk is om met slecht weer op het pad te lopen en dat je makkelijk kunt verdwalen als je de tekens kwijtraakt... Plotseling klinkt er een ijselijke gil van achter uit de grot. De kreet weerkaatst tegen de wanden en vermenigvuldigt zich. Dan klinkt er een enorm geraas. ‘Iiiieek! Help!’ schreeuwt “Jouw naam”. ‘“Naam jongen”! Bukken!’ Wooooesj! Opeens is “Naam jongen” omhuld door een wolk van wild klapperende en fladderende vleugels. Hij laat zich op de grond vallen en slaat zijn armen om zijn hoofd. Meer en meer zwarte dingen komen er op hem af, scheren rakelings langs hem heen en verdwijnen door de opening van de grot naar buiten. Het hart van “Naam jongen” bonst in zijn keel en hij durft zich niet te verroeren van angst. Dan voelt hij een por in zijn rug. ‘Huuu!’ gilt hij met overslaande stem. ‘Mamaaaa! Hééélp!’ ‘Hé, joh! Kom overeind, ik ben het maar,’ zegt “Jouw naam” grinnikend. “Naam jongen” doet zijn ogen open. ‘W... wa... wa...’ ‘Vleermuizen,’ zegt “Jouw naam”. ‘Ik schrok me ook een ongeluk. Er hing daar een hele kudde vleermuizen ondersteboven te maffen. Ze zijn nog erger geschrokken dan wij, denk 22


ik.’ “Naam jongen” komt met een kwaad gezicht overeind. ‘Jij ook altijd met je stomme geintjes. Kon je niet gewoon hier blijven zitten!’ ‘Jij wou toch avontuur?’ vraagt “Jouw naam” met een onschuldig gezicht. ‘Nou, een avontuur zul je hebben,’ snauwt “Naam jongen”.‘Wat jij alleen niet weet, is dat avontuur pas leuk is als je het kan navertellen! Kom op, volgens mij regent het niet meer.’ Een waterig zonnetje breekt door de wolken heen. “Naam jongen” en “Jouw naam” staan rillend in hun natte kleren aan de rand van de rivier en staren naar het bruisende, bruine wa-

23


ter. ‘Hier komen we nooit overheen,’ zegt “Jouw naam” met een somber gezicht. ‘We moeten wel, de weg terug naar het dorp ligt aan de andere kant. Als we dat pad niet vinden, verdwalen we geheid.’ “Naam jongen” loopt een stuk naar beneden naar een plek waar een aantal door de stroom meegespoelde boomstammen dwars op het water liggen. ‘Misschien hier?’ ‘En dan?’ vraagt “Jouw naam”. ‘Verderop zijn rotsen, maar ze liggen een heel eind uit elkaar en het water stroomt enorm hard!’ ‘Ja, ik weet het ook niet.We kunnen hier moeilijk gaan z­ itten wachten tot het water weer zakt. Misschien duurt dat wel ­dagen!’“Naam jongen” kijkt op zijn horloge.‘En het is al halfdrie, we moeten echt terug. Het is nog een heel stuk lopen.’ ‘Ik heb honger,’ kreunt “Jouw naam”. ‘Hebben we nog iets?’ “Naam jongen” grijpt in de natte rugzak en haalt een doosje pinda’s tevoorschijn. ‘We hebben geluk, deze zijn vacuüm verpakt.’ “Naam jongen” pakt zijn zakmes en wipt er een mesje uit. Hij prikt het harde plastic zakje door en schudt de helft van de nootjes in de hand van “Jouw naam”. Ze kauwen zwijgend en kijken somber naar het water. Ten slotte zegt “Naam jongen”: ‘Nou, we moeten het maar proberen.’ Hij gooit het plastic en het doosje van de pinda’s op de grond en doet de rugzak weer om. ‘Hé, ben jij nou gek? Je gooit toch geen rommel in de natuur!’ roept “Jouw naam” verontwaardigd. Met een rood hoofd raapt “Naam jongen” de spullen op en stopt ze in zijn zak. “Jouw naam” springt op de eerste kei. Spetters water en schuim vliegen om haar oren. ‘Nou, nat zijn we toch al,’ roept ze over haar schouder. ‘Dat scheelt.’ Voorzichtig test ze met haar voet de boomstammen die tussen de volgende keien in 24


Allereerst: een rivier oversteken kan heel gevaarlijk zijn. Doe het dus niet als het niet nodig is. Probeer vooral niet door het water te waden of te zwemmen als de temperatuur erg laag is. IJskoud water kan fataal zijn! Als je toch een rivier moet oversteken, bestudeer de volgende dingen dan eerst goed: * Kijk eerst of er aan de overkant een geschikte plek is om eruit te klimmen. Een kiezel- of een zandstrandje, of takken waaraan je je kunt optrekken. * Stel de kracht van het stromende water vast door er een stuk drijfhout in te gooien. Zo zie je ook of er draaikolken of verborgen obstakels zijn.

Een golfrand die op dezelfde plaats blijft. Hier ligt iets onder water, bijvoorbeeld een rotsblok.

Een ding dichter onder de waterspiegel zorgt voor wer­ velingen aan het wateropper­ vlak. Er kan een gevaarlijke, naar beneden gerichte tegenstroom zijn.

* Steek altijd tegen de stroom in over, dan word je minder makkelijk omgetrokken. * Schuifel zijwaarts, met je rug naar de stroom toe, en neem geen grote stappen. *Test iedere plek waar je je voeten wilt zetten. * Probeer je kleren droog te houden. * Steek een flink stuk verder stroomopwaarts over dan waar je wilt uitkomen, omdat de stroom je meetrekt.


het water liggen. ‘Pas op,’ waarschuwt “Naam jongen”. Hij springt achter haar aan. ‘Het houdt wel, hoor!’ roept “Jouw naam”. De rivier maakt zo veel lawaai dat ze elkaar nauwelijks kunnen verstaan. ‘En hoe nu verder?’ vraagt “Naam jongen”. Ze zijn ongeveer halverwege de rivier en staan op een grote platte steen. Vlak in de buurt zijn geen keien meer te zien waarop ze kunnen springen. ‘Terug?’ roept “Jouw naam” met een benauwd gezicht. Ze klemt zich aan “Naam jongen” vast. ‘Laat los!’ roept “Naam jongen”, die bijna zijn evenwicht verliest. ‘Nee, niet terug, we zijn nu al op de helft.’ Hij bukt zich, houdt zich vast aan de rand van de steen en stapt met één been in het water. ‘Gek! Wat ga je doen?’ gilt “Jouw naam” geschrokken. ‘Ik ga door het water waden. Het kan, kijk, het komt maar tot mijn bovenbeen!’ roept “Naam jongen” terug. ‘Kom, geef me je hand.’ Aarzelend zet hij zijn andere been in de bruisende massa. ‘Maar pas op, het is heel glad!’ ‘Jezus, wat is het water koud! Ik bevries!’ gilt “Jouw naam”. ‘Het komt ook rechtstreeks uit de bergen. Hou me goed vast!’ Plotseling staat “Naam jongen” tot zijn middel in het water. “Jouw naam” gilt. ‘Ik durf niet verder! Stop “Naam jongen”, ik wil terug!’ ‘Nog een klein stukje, we zijn er bijna!’ schreeuwt “Naam jongen” boven het lawaai van het brullende water uit. ‘Jij bent langer dan ik. Kom maar, het gaat best, nog drie stappen...’ Op dat moment glijdt “Jouw naam” uit. Haar hand schiet uit die van “Naam jongen”, ze gaat kopje-onder en wordt dan meegesleurd door de kolkende stroom...

26


Gered

‘“Jouw naam”! “Jouw naam”!’ gilt “Naam jongen” in paniek. Hij doet een paar grote stappen, glijdt ook uit, weet zich nog net vast te houden aan een boomstam en klautert tegen de steile kant van de rivier op. Meteen begint hij stroomafwaarts te rennen. ‘“Jouw naam”, “Jouw naam”!’ Hij staat stil en kijkt om zich heen. Door de tranen in zijn ogen kan hij bijna niets meer zien. Dan ziet hij een stuk verderop het hoofd van “Jouw naam” boven water ­komen. ‘“Jouw naam”! Hou je vast! Aan de stenen! Ik kom eraan!’ “Naam jongen” ziet dat “Jouw naam” door de stroming met een smak tegen een grote kei aan gegooid wordt. Ze schreeuwt en er loopt bloed over haar voorhoofd. “Naam jongen” springt glibberend en glijdend van steen tot steen. ‘Hééélp! “Naam jongen”! Ik hou het niet meer!’ schreeuwt “Jouw naam” wanhopig. ‘Hou vast, ik kom eraan!’ “Naam jongen” bukt zich. De steen waar “Jouw naam” tegenaan hangt, is te ver weg. Hij moet weer het water in. Haastig laat hij zich zakken. Het water zuigt met een enorme kracht aan zijn benen en haalt hem bijna onderuit. ‘“Naam jongen”! Ik krijg kramp!’ huilt “Jouw naam”. “Naam jongen” steekt zijn hand uit. Bijna, bijna... Dan schiet “Jouw naam” los van de steen, ze spoelt tussen twee rotsen door en wordt een heel eind naar beneden gesleurd. ‘“Jouw naam”!’ gilt “Naam jongen”. 27


Hij hijst zich met veel moeite uit het water. Zijn handen en voeten zijn stijf van de kou; er zit bijna geen gevoel meer in. Hij klimt over een grote rots heen en kijkt naar beneden. Twee meter lager ligt “Jouw naam”. Ze heeft zich half uit het water getrokken en klampt zich vast aan een grote boomstam. Tot zijn verbazing zit haar pet nog op haar hoofd. ‘“Jouw naam”! Ik kom eraan!’ “Naam jongen” laat zich van de rots af glijden en springt het laatste stuk naar beneden. Kraaatsj! doet zijn T-shirt als hij achter een tak blijft hangen. Hij bukt zich en sjort “Jouw naam” omhoog. ‘Au! Mijn been, voorzichtig!’ gilt “Jouw naam”. “Naam jongen” trekt haar verder op de kant. Geschrokken staart hij naar

28


haar kuit. Behalve dat die blauw van de kou is, loopt er een diepe, rafelige, hevig bloedende snee over. ‘“Jouw naam”, je bloedt ook op je hoofd!’ roept hij half huilend. ‘Wat moeten we nou doen?’ “Jouw naam” veegt het bloed van haar gezicht en voelt aan haar hoofd. ‘Dit is niet zo erg, geloof ik, ik voel er nauwelijks iets van. Maar mijn been doet pijn!’ Ze drukt de randen van de snee tegen elkaar aan. ‘“Naam jongen”, we moeten het verbinden, het bloedt hartstikke!’ “Naam jongen” rukt zijn T-shirt over zijn hoofd en trekt het langs de scheur die er al in zat in twee stukken. Hij kijkt met afgrijzen naar de snee. ‘Bind het er nou omheen!’ zegt “Jouw naam”. “Naam jongen” bijt op zijn lippen. Met één deel van het T-shirt veegt hij het bloed rondom de wond weg. ‘Au!’ gilt “Jouw naam”, ‘schiet op! Niet frunniken, maar dichtbinden!’ Ze pakt het stuk T-shirt uit “Naam jongen”’ hand en trekt het stijf om haar been heen. Haar gezicht is vertrokken van de pijn. “Naam jongen” bindt ook het andere stuk van zijn Tshirt strak om het been van “Jouw naam”. “Jouw naam” slaakt een diepe zucht en schuift wat omhoog, naar een droger stuk grond. ‘Pfff, ik dacht echt dat ik er was geweest.’ Ze tast naar haar rug. ‘O, jee, de rugzak is weg... Je zakmes...’ “Naam jongen” voelt in zijn zak. ‘Dat heb ik nog, ik heb het na die pinda’s niet teruggedaan. Die rugzak is helemaal niet erg. Er zat alleen nog maar een halve reep chocola in en dat doorweekte boekje... Jee “Jouw naam”, wat ben ik blij dat je nog leeft.’ ‘Onkruid vergaat niet,’ grinnikt “Jouw naam” met een zuur gezicht. ‘Weet je nog dat ik me gisteren afvroeg hoe ik mijn vakantie zou overleven?’ 29


Haal altijd hulp als het ernstig is. Kleine verwondingen kun je zelf behandelen.

Maak de wond schoon met een antiseptisch gaasje of (gekookt) water en zeep.

Druk met een steriel gaas­je even op de wond om het bloeden te stelpen.

Doe op de wond een pleister die groot genoeg is om de hele wond te bedekken.

Als een snijwond diep is en er is niemand in de buurt die je kan helpen, kun je hem zelf dichttrekken door middel van zwaluwstaartjes. Die knip je uit een pleister, zoals op het voorbeeld is aangegeven. Plak het zwaluwstaartje aan één kant van de snee en trek hem van daaruit strak naar de andere kant, zodat de twee wondhelften tegen elkaar aan komen.Wikkel er daarna een verband omheen.Werk altijd met schone handen! Draag goed passende schoenen en dikke sokken om blaren te voorkomen.Als je een blaar hebt en er zit erg veel vocht in, kun je hem doorprikken met een steriele naald. (Haal een veiligheidsspeld een paar keer door een vlam.) Maak de blaar schoon en druk het vocht er met een antiseptisch gaasje uit. Bescherm de blaar met een pleister die groot genoeg is om de hele blaar te bedekken.


“Naam jongen” grinnikt ook. Dan betrekt zijn gezicht. ‘Maar we zijn er nog niet.’ “Jouw naam” schudt haar hoofd. ‘Nee, we moeten zo snel mogelijk proberen het pad terug te vinden. Maar eerst wil ik even op-drogen. Ik ben blij dat de zon weer schijnt.’ Dan valt haar blik op “Naam jongen” blote bovenlijf.‘Hé, waar zijn jouw kleren gebleven?’ ‘Mijn T-shirt houdt het vel van jouw been op zijn plaats en, en... en mijn sweater heb ik in de grot laten liggen...’ ‘Handig,’ zegt “Jouw naam”. ‘Ik doe mijn T-shirt en mijn trainingsjack wel even uit, dan leggen we die te drogen op die rots daar. Jij mag dadelijk wel een van de twee aan.’ “Naam jongen” bloost als hij ziet hoe “Jouw naam” haar natte spullen uittrekt. ‘Au, mijn hoofd,’ kreunt “Jouw naam”. ‘Het doet toch wel pijn.’ Ze trekken ook allebei hun broek uit en leggen die naast het jack en het T-shirt in de zon. “Naam jongen” doet zijn best om niet naar “Jouw naam” te staren, maar hij kan het niet laten. “Jouw naam” merkt het.‘Hé joh, kijk een andere kant op. Heb je nog nooit een bloot meisje gezien?’ ‘Alleen mijn moeder,’ zegt “Naam jongen”. ‘Ik heb geen zus. Ben jij ook enig kind?’ ‘Ja,’ zegt “Jouw naam” en voelt aan haar been. De lap stof die eromheen zit, is inmiddels al flink doordrenkt met bloed. Ze hijst zichzelf moeizaam overeind. ‘Kun je erop staan?’ vraagt “Naam jongen” bezorgd. ‘Het is niet gebroken,’ zegt “Jouw naam” bleekjes. ‘Het gaat wel. Kom, laten we ons aankleden. Dan kunnen we het pad gaan zoeken.’

31


Ruzie

‘Ik wou dat ik een kompas had,’ zegt “Naam jongen”. ‘Dan wisten we tenminste welke kant we op moeten. Ik heb het ge-

voel dat we rondjes lopen.’ ‘Het schijnt dat je ook met een horloge je koers kunt bepalen,’ zegt “Jouw naam”. ‘Geef het jouwe eens.’ Ze houdt het horloge van “Naam jongen” rechtop voor zich en draait het dan ondersteboven. ‘Uuuhm, dan moet je, geloof ik, de grote wijzer naar de zon richten, offe... juist omgekeerd, de kleine

32


wijzer...’ “Naam jongen” kijkt haar hoopvol aan. Zijn gezicht is roodverbrand door de zon en zijn krullen plakken op zijn voorhoofd. ‘Ik weet het eigenlijk niet,’ zucht “Jouw naam”. ‘Mijn vader heeft het me wel eens verteld, maar ik ben het vergeten.’ “Naam jongen” doet met een teleurgesteld gezicht zijn horloge weer om. ‘Laten we naar een hoger punt gaan, want hier in het dal zien we niks. Overal bossen en rotsen, en alles lijkt op elkaar.’ ‘Oké, maar niet te snel, die wond doet hartstikke pijn.’ “Naam jongen” kijkt naar haar been. ‘Het bloeden is volgens mij wel gestopt,’ zegt hij. ‘Kom nou maar,’ zegt “Jouw naam”. ‘Ik red me wel.’ ‘Waar is dat prachtige uitzicht nou?’ moppert “Jouw naam” na een uur. Het zweet loopt in straaltjes van haar voorhoofd af en vermengt zich met de opgedroogde bloedstrepen. ‘Wat een waardeloos idee. Nu zijn we vast en zeker nog verder van het pad af. En we zijn al die tijd nog niemand tegengekomen. Hoe kan dat nou? Het hele eiland zit vol toeristen en uitgerekend hier is geen kip te bekennen!’ ‘Die zitten allemaal aan het strand.’ “Naam jongen” voelt voorzichtig aan zijn verbrande nek. ‘Als gebraden kippetjes. En zo voel ik mij ook. Als een gebraden kip met een zonnesteek. Ik zou trouwens een moord doen voor een gebraden kip. Ik verrek van de honger.’ ‘Kom eens, hier staan bramen,’ roept “Jouw naam”. “Naam jongen” rent naar haar toe. ‘Niet doen, gek! Die dingen kunnen wel giftig zijn! Ze zien er heel anders uit dan thuis.’ ‘Ik ken deze, het zijn dauwbramen,’ antwoordt “Jouw naam”

33


met volle mond. Nadat ze een poosje zwijgend hun mond volgepropt hebben, mompelt “Naam jongen”: ‘Ik neem terug dat je een saaie tvzuignap bent,“Jouw naam”. Jij weet hartstikke veel van de natuur.’ “Jouw naam” gaat zitten en veegt haar mond af. ‘Tjonge, wat had ik een honger. Eigenlijk rammel ik nog steeds. En ik heb ook enorme dorst.’ ‘Wat dacht je van mij?’ zegt “Naam jongen”. ‘Ik word een beetje misselijk van die dingen. Misschien zijn ze toch giftig.’ ‘Ja, dat zijn ze ook, over een kwartier val je na vreselijke buikkrampen morsdood neer.’ “Naam jongen” verslikt zich en spuugt een mondvol blauwe prut uit. ‘Grapje.’ “Naam jongen” haalt opgelucht adem en gaat naast haar zitten. ‘Jij bent zeker de leukste thuis. Dus je vader heeft je al die dingen over de natuur geleerd?’ ‘Ja,’ antwoordt “Jouw naam” en ze peutert een pitje tussen haar tanden uit. “Naam jongen” gaat naast haar zitten en pakt zijn zakmes. Na veel gezoek trekt hij er een klein pincetje uit en begint daarmee in zijn hand te pulken. “Jouw naam” kijkt hem vragend aan. ‘Doorn,’ zegt “Naam jongen” en hij steekt zijn duim omhoog.‘Vertel eens wat over je vader, “Jouw naam”. Hoe ziet hij eruit?’ “Jouw naam” aarzelt. Dan diept ze uit haar broekzak een sleutelhanger op. Er zit een plastic fotolijstje aan. Ze kijkt er zelf even naar en geeft hem dan aan “Naam jongen”. ‘Deze sleutelhanger brengt me geluk.’ In het lijstje zit een pasfoto van een vriendelijk uitziende man.

34


Hij heeft hetzelfde haar als “Jouw naam”, en een brede glimlach. “Naam jongen” geeft hem terug. ‘Ziet er aardig uit. Lijkt me wel een toffe gozer.’ ‘Hij is hartstikke aardig,’ zegt “Jouw naam”. ‘Hij begrijpt mij tenminste. Mijn moeder begrijpt me helemaal niet. “Jouw naam” doe dit,“Jouw naam” doe dat,“Jouw naam” gedraag je, “Jouw naam” trek iets netters aan, “Jouw naam” eet die biefstuk op. Het interesseert haar geen bal wat ík wil of wat ík vind. Ik doe nooit iets goed in haar ogen. Ik moet zijn zoals zij wil dat ik ben...’ “Jouw naam” is steeds harder gaan praten. Plotseling houdt ze op. Ze veegt boos een traan weg uit haar ooghoek. ‘Ach, laat ook maar.Wat kan jou het schelen?’ Ze stopt de sleutelhanger weer in haar zak. ‘Zullen we verder gaan?’ “Naam jongen” knikt. ‘Het kan me wel wat schelen, hoor. Daar zijn vrienden toch voor? Om mee te praten?’ “Jouw naam” kijkt alsof ze hem niet gelooft en krabbelt overeind. ­“Naam jongen” wil haar omhoogtrekken. “Jouw naam” schudt zich los.‘Blijf van me af. Ik heb niemand nodig.’ “Naam jongen” haalt zijn schouders op. ‘Zoals je wilt. Welke kant zullen we opgaan?’ Hij kijkt om zich heen. De zon staat laag boven de bergen en het begint al af te koelen. ‘Zal ik je eens wat vertellen? We zijn hartstikke verdwaald.’ ‘Alsof ik dat niet weet,’ antwoordt “Jouw naam” nors. ‘En het is jouw schuld.’ ‘Hoe kom je erbij?’ roept “Naam jongen” boos. ‘Trut! Jij zit altijd te zeuren en andere mensen de schuld te geven. Ik heb toevallig wel je leven gered, of ben je dat alweer vergeten? Je hebt me er niet eens voor bedankt!’ ‘Puh, ik was er zelf ook wel uitgekomen, hoor!’

35


Als je een horloge draagt, is het heel makkelijk om daarmee het noorden en het zuiden te bepalen. Dat gaat zo: Richt de kleine wijzer naar de zon. Het zuiden ligt precies tussen de kleine wijzer en de twaalf-uurpositie in. Het noorden ligt dus daar tegenover Als je je op het zuidelijk halfrond bevindt, is het precies omgekeerd.

Al deze vruchten zijn in Europa in het wild te vinden en heel gezond. Maar bij twijfel... niet opeten!


‘Jeetje, wat ben jij een ondankbaar monster!’ ‘En jij bent een stomme opschepper, die denkt dat-ie alles het beste weet! Kwal! Mislukte spoorzoeker!’ Als twee kemphanen staan “Jouw naam” en “Naam jongen” tegenover elkaar, met hun armen in hun zij. ‘En je moet niet denken dat ik nog één keer doe wat jij zegt!’ schreeuwt “Jouw naam”. ‘Je lijkt mijn moeder wel! Ik zoek het verder zelf wel uit! Als we hier doodgaan in de bergen is het jouw schuld!’ ‘Fijn, zoek het maar uit, tuthola! Ga je gang, ik hoop dat je opgevreten wordt door een beer! Alhoewel die je waarschijnlijk niet eens zal lusten!’ “Naam jongen” draait zich om en beent met een woedend gezicht weg.

37


De val

“Jouw naam” gaat op een grote kei zitten en verbergt haar gezicht in haar handen. Ze huilt van woede en moeheid. De wond op haar been klopt. Na een poosje veegt ze de tranen uit haar ogen en kijkt om zich heen. De laatste stralen van de zon werpen lange schaduwen en de lucht begint dieproze te kleuren. Ze snuift. Het ruikt heerlijk. Een zware, kruidige geur. Als ze niet verdwaald was, zou ze het hier prachtig vinden. Die stomme “Naam jongen” met zijn stomme ideeën. Was haar vader er maar, die zou zeker weten wat ze moesten doen. Dan hoort ze geritsel in een bosje verderop. ‘Ja “Naam jongen”, leuk hoor, kom maar tevoorschijn!’ Er gebeurt niets. “Jouw naam” staat op en gooit een steen naar het bosje. Plotseling staat ze oog in oog met een groot stekelig beest. Het houdt zijn kop laag bij de grond en kijkt haar met kleine oogjes woest aan. Het heeft enorme slagtanden aan weerszijden van zijn bek. “Jouw naam” verstijft van schrik. Is het een beer? Nee, het lijkt meer op een varken. Een wild, woest varken. Ze doet een stap achteruit. Het beest krabt met zijn hoef op de grond en snuift. Uit de bosjes klinkt nog meer geritsel. Het hart van “Jouw naam” klopt in haar keel. Ze denkt snel na. Weglopen? Dat beest is natuurlijk veel sneller dan ik. En als ik zo’n slagtand in mijn buik krijg... Naast het wilde varken steekt nu een klein, nieuwsgierig snoetje tussen de bladeren door, gevolgd door nog een, en nog een.“Jouw naam” laat haar adem ontsnappen en grinnikt. Maar het moederbeest geeft een grauw en komt op “Jouw 38


naam” af. “Jouw naam” deinst achteruit. ‘S... sorry... ik doe je kinderen niks, hoor... Ik... ik ben vegeta­riër...’ Dan klinkt er opeens een harde schreeuw verderop. Het wilde zwijn schrikt, maakt rechtsomkeert en verdwijnt in de bosjes, gevolgd door haar zwart-wit gestreepte kroost. “Jouw naam” haalt opgelucht adem. Opnieuw klinkt de gil. ‘“Jouw naam”, hèèèlp!’ klinkt het van ver weg. Het is de stem van “Naam jongen”. “Jouw naam” keert zich

39


om en hinkt zo snel als ze kan in de richting van het geluid. Ze glijdt uit over een losliggende kei en kan zich nog net met haar handen opvangen. ‘Au, shit!’ mompelt ze. ‘“Jouw naam”!’ “Naam jongen” stem klinkt heel raar. “Jouw naam” schreeuwt: ‘Ik kom, ik kom!’ De stem van “Naam jongen” komt van tussen de bomen. “Jouw naam” baant zich een weg door het struikgewas. ‘Waar ben je, “Naam jongen”?’ ‘Hèèèlp, hier!’ “Jouw naam” staat stil en kijkt hijgend om zich heen. ‘Waar?’ roept ze. ‘Ik zie je niet!’ ‘Hier!’ gilt “Naam jongen” met overslaande stem. ‘Schiet nou op!’ Dan ziet “Jouw naam” hem. “Naam jongen” hangt ondersteboven en bungelt ongeveer een meter van de grond in de lucht. “Jouw naam” barst in lachen uit. ‘Hé, “Naam jongen”, grote indiaan! Wat ben je aan het doen? Speel je voor Tarzan? Hier is Jane, ik kom je redden!’ ‘Maak me onmiddellijk los!’ Het gezicht van “Naam jongen” is vuurrood en hij heeft geen bril meer op. Het trainingsjack hangt half over zijn gezicht heen. ‘Stomme trut! Dit doet pijn, hoor! Ik zit in een val! Au! Maak me los! Dadelijk knapt mijn voet af!’ “Jouw naam” houdt op met lachen. ‘Maar hoe maak ik je dan los?’ ‘Met mijn zakmes, natuurlijk! Schiet op, ik hou het niet meer!’ “Naam jongen” graait in zijn zak. Gelukkig zit het mes er nog in. “Jouw naam” pakt het aan.‘Ik krijg het niet open, au, mijn nagel.’ De ogen van “Naam jongen” puilen nu bijna uit zijn hoofd. ‘“Jouw naam”, schiet nou op!’ 40


Dieren zijn aan hun pootafdrukken te herkennen. Hier zijn een paar voorbeelden.

Jonas was terechtgekomen in een val die bestemd was voor grotere dieren, zoals zwijnen en herten. Hij werkt zo: Wanneer een dier het aas aan het uiteinde van de stok pakt of ertegenaan loopt, komt deze stok los en vliegt het kleine stokje met de strop en het dier omhoog.

Dit is een eenvoudige konijnenstrik. Maak hem van ijzerdraad. De lus moet een vuistbreedte wijd zijn. Bevestig hem vier vingers boven de grond. Zet natuurlijk nooit vallen voor de lol, alleen als je echt dringend voedsel nodig hebt.


‘Aha, nee, fout, kurkentrekker, daar hebben we nu niks aan,’ mompelt “Jouw naam”. ‘Er zit een zaag aan! Zoek de zaag!’ roept “Naam jongen” wanhopig. ‘Ik heb hem, ik heb hem. Hang even stil!’ “Jouw naam” begint aan het touw te zagen. Het is nylonkoord en dat is erg taai.‘Zoek de zaag, zoek de zaag,’ zingt ze. Dan knapt het touw. Bonk! Met een dreun komt “Naam jongen” op de harde rotsgrond terecht. Hij maakt een halve koprol en blijft dan doodstil met zijn gezicht in de bladeren liggen. “Jouw naam” ziet wat bloed op zijn hoofd. Ze schudt hem door elkaar. ‘“Naam jongen”, “Naam jongen”, hoor je me?’ “Naam jongen” reageert niet. Ze barst in tranen uit. ‘“Naam jongen”! “Naam jongen”, niet doodgaan! “Naam jongen”! Laat me niet alleen!’Voorzichtig probeert ze hem op zijn zij te ­rollen. Dan ziet ze dat “Naam jongen” een brede grijns op zijn gezicht heeft. Ze geeft hem een stomp. ‘Zak pinda’s! Je bent heus niet leuk, hoor! Ik ben me een ­ongeluk geschrokken!’ “Naam jongen” gaat grinnikend overeind zitten en wrijft over zijn pijnlijke enkel. Hij stroopt zijn sok omlaag. Er zit een ­diepe, blauwpaarse striem op. ‘Had je mij maar niet moeten uitlachen, Jane.’ “Jouw naam” gaat met haar rug tegen een boom zitten en werpt hem een vernietigende blik toe. “Naam jongen” tast om zich heen. ‘Hé, boze tor, help even mijn bril zoeken, ik zie helemaal niks zo.’ ‘Net goed,’ zegt “Jouw naam”. Ze draait zich demonstratief om en vouwt haar armen over elkaar. “Naam jongen” kruipt op handen en voeten tussen de struiken door. ‘Stik, waar is die bril nou. Als-ie maar niet kapot is...’

42


Plotseling voelen zijn handen iets glads, iets vreemds. Geschrokken kijkt “Naam jongen� omhoog.

43


Pierre

Boven “Naam jongen” uit torent een man. In zijn ene hand heeft hij een geweer. In zijn andere hand bungelt het brilletje van “Naam jongen”. “Naam jongen” verstijft van schrik. “Jouw naam” springt overeind. De man zwijgt en kijkt de kinderen vragend aan. Hij heeft zware wenkbrauwen, die zijn gezicht een vervaarlijke uitdrukking geven. Zijn gezicht is ongeschoren, hij heeft een ­oude strohoed op en zijn kleren zijn vele malen hersteld. Over 44


zijn wang loopt een lang, wit litteken. “Naam jongen” graait de bril uit zijn handen en krabbelt naar “Jouw naam” toe. De man zet zijn rugzak neer, keert zijn rug naar hen toe en loopt naar de kapotgesneden strik. “Jouw naam” wijst met een trillende vinger naar de rugzak. ‘K... kijk “Naam jongen”,’ fluistert ze bijna onhoorbaar. “Naam jongen” ziet het ook. Er zit bloed aan de rugzak. ‘“Naam jongen”... het is een moordenaar...’ “Jouw naam” grijpt de hand van ­“Naam jongen”. ‘Ssst... niet zeggen!’ sist “Naam jongen”. ‘Het is een Fransman, hij kan ons toch niet verstaan. We ­moeten ervandoor,“Naam jongen”, snel, voordat het te laat is.’ De man zit nu gebukt op de grond en is met een mes bij het andere gedeelte van de val bezig. Zijn geweer ligt naast hem op de grond. ‘Zal ik zijn geweer pakken?’ sist “Naam jongen”. ‘Doe niet zo idioot, gek! Je bent James Bond niet. Rennen!’ “Jouw naam” draait zich om en zet het op een lopen. “Naam jongen” aarzelt even en holt dan achter haar aan. ‘Arrêtez! Stop, alt of iek skiet!’ galmt opeens een zware stem door het bos. “Naam jongen” en “Jouw naam” blijven stokstijf staan en steken hun handen in de lucht. In de verte klinkt alleen het schreeuwen van een uil. Dan barst er vlak achter hen een bulderend gelach los. ‘Krapje, hahaha!’ “Jouw naam” kijkt “Naam jongen” niet-begrijpend aan. Ze houdt nog steeds haar armen omhoog. ‘Krapje?’ fluistert ze. ‘Hij is getikt!’ sist “Naam jongen”. ‘Een gevaarlijke gek!’ Ze horen hoe de man dichterbij komt. Plotseling worden ze allebei onder hun armen gekieteld. “Jouw naam” geeft een gil. ‘Ieiek! Blijf van me af, griezel!’

45


“Naam jongen” draait zich razendsnel om en springt in een ­karatehouding. De man staat met zijn handen in zijn zij te lachen. Zijn geweer hangt over zijn schouder. ‘Kienderen, niet bang zijn. Iek ben keen moordenaar en ook keen kriezel! Iek ben Pierre.’ Hij grijpt in zijn rugzak en trekt er een dode haas uit. Uit de bek van het beest druppelt een straaltje bloed. ‘Getverdemme, dierenbeul!’ roept “Jouw naam”. “Naam jongen” geeft haar een duw. ‘Dimmen, joh!’ De man legt zijn geweer en de haas op de grond. ‘Pierre moet ook eten,’ zegt hij verontschuldigend. Dan wijst hij naar de bergrug, waar net de zon achter verdwenen is. ‘Kienderen moeten niet weklopen, ies koud ’s nakts in de berken.Verdwalen ies balen.’ “Jouw naam” en “Naam jongen” schieten in de lach. ‘Hoe komt het dat jij Nederlands kunt?’ vraagt “Jouw naam”. Pierre grijnst.‘Iek ben jarenlang kraanmakiniest keweest, in de avens van Rotterdam. Daar eb iek Nederlands keleerd.’ ‘Ik ben “Naam jongen” en zij heet “Jouw naam”,’ zegt “Naam jongen”.‘Wij zijn verdwaald en we moeten terug naar Calenzana, naar onze ouders. Die zijn vast heel ongerust.’ Pierre schudt zijn hoofd. ‘Kan niet meer.’ ‘Hoezo niet?’ vraagt “Jouw naam” wantrouwig en ze doet een stap achteruit. ‘Ies te laat, Calenzana ies nok eel lang lopen. Ien donker lopen ies kevaarlijk.’ Hij wijst naar de bebloede lap om het been van “Jouw naam”. ‘Ben jij kewond?’ ‘Nee, hoor, schrammetje,’ antwoordt “Jouw naam”. ‘Niet waar,’ zegt “Naam jongen” verontwaardigd. ‘Ze heeft een heel ­diepe snee in haar been. Ze was bijna verdronken in de rivier.’ ‘Ai, Arghioa veel water. Eel veel water uit berken naar benee.’

46


Als je door onverwachte omstandigheden een nacht moet doorbrengen in de natuur, is het heel belangrijk om een goede schuilplaats te vinden of te maken, als bescherming tegen wind, regen en kou. * Zoek eerst een geschikte plek: uit de wind, op een zo droog mogelijk terrein. * Niet te dicht bij water, omdat dat plotseling kan stijgen. * Ga niet bij mieren- of bijennesten liggen, en ook niet op een wildspoor. Als je helemaal geen materiaal bij je hebt, maak je gebruik van wat er voorhanden is. Een jonge naaldboom kun je ombreken zoals op de tekening.Weef er andere takken doorheen om de afdekking te verdichten.

Een omgevallen boomstam kan goede bescherming bieden. Graaf een kuil aan de kant die uit de wind ligt en maak er een dak tegenaan van takken en graspollen. Als je een stuk plastic bij je hebt, kun je zo een tent maken.


Pierre knielt naast “Jouw naam” neer en wikkelt voorzichtig de lappen eraf. Het gezicht van “Jouw naam” vertrekt van de pijn maar ze geeft geen kik. ‘Ai, dat ziet er niet koed uit, meisje. Even zitten.’ Gehoorzaam gaat “Jouw naam” op een boomstam zitten. Pierre loopt terug naar zijn rugzak en haalt uit een zijvak een blikken trommeltje met een elastiekje eromheen. Hij gaat naast haar zitten en maakt het open. ‘Altijd verband­ spullen meenemen ien berken.’ Hij bekijkt de wond van dichtbij. ‘Moeten eikenlijk een paar ektingen in,’ zegt hij hoofdschuddend. “Jouw naam” trekt haar been verschrikt terug. ‘Ammehoela! Jij gaat mijn been niet dichtnaaien, hoor!’ ‘Nee, nee, keen bang,’ zegt Pierre. Hij pakt een schaartje en een rolletje pleister.Van de pleister knipt hij vijf zwaluwstaartjes. ‘Eerst ien beetje priek,’ zegt Pierre en hij houdt een flesje ­jodium omhoog. ‘Tandjes op elkaar!’ “Jouw naam” doet haar ogen dicht en klemt haar kiezen op elkaar. ‘Eel flienk,’ zegt Pierre goedkeurend. “Naam jongen” klopt “Jouw naam” op haar schouder. ‘Flienke meisje!’ “Jouw naam” werpt hem een kwaaie blik toe. Dan plakt Pierre vaardig de wond met de pleisters aan elkaar en draait er een schoon verband omheen. ‘Dank je wel,’ zegt “Jouw naam” bijna onhoorbaar. Terwijl Pierre zijn spullen opbergt, kijken “Jouw naam” en “Naam jongen” ­elkaar aan. ‘En nu?’ vragen ze allebei tegelijk.

48


De villa van Pierre

‘En noe kaan kienderen met mij mee,’ zegt Pierre en hij hijst de rugzak op zijn rug. Het geweer zwaait hij over zijn schouder. ‘Waarheen?’ vraagt “Jouw naam”. ‘Naar de mooie villa van Pierre,’ antwoordt Pierre met een brede grijns. ‘Vannakt zijn joellie mijn kasten.’ ‘Jouw kasten?’ lacht “Naam jongen”. ‘Ja, mijn kasten. Pierre keeft joellie eten, dan slapen en dan morkenvroek afdalen naar Calenzana.’ “Naam jongen” en “Jouw naam” kijken elkaar aan. ‘Nou, graag,’ zegt “Naam jongen”. “Jouw naam” stoot “Naam jongen” aan en schudt heftig van nee. ‘Wat moeten we dan?’ sist “Naam jongen”. ‘In het donker ronddwalen en in een ravijn vallen?’ “Jouw naam” trekt “Naam jongen” een stuk achteruit, zodat Pierre niet kan


horen wat ze zegt. ‘Ik vertrouw die vent niet. Ik vind het eng.’ ‘We zijn toch met zijn tweeën? We hebben geen keus, “Jouw naam”.’ “Naam jongen” loopt naar Pierre toe. ‘We gaan graag mee. We zijn heel moe en we hebben de hele dag bijna niks gegeten en gedronken.’ Pierre trekt uit een ander zijvakje van zijn rugzak een ­veldfles tevoorschijn en biedt die hun aan.‘Ien berken moet je ook altijd water bij ebben. Berkstroompjes zijn vaak opkedrookt ien zomer.’ “Naam jongen” en “Jouw naam” drinken om de beurt gulzig. ‘Kom, noe kaan we,’ zegt Pierre. ‘Ies nok alfuurtje stappen.’ Pierre loopt voorop. Hij lijkt de weg feilloos te kennen. ‘Ik ben benieuwd naar die villa van hem,’ fluistert “Jouw naam”. “Naam jongen” fluistert terug: ‘Ik hoop dat er een zwembad bij zit.’ ‘En een mooie badkamer, ik voel me ongelofelijk smerig!’ Na een kwartier begint “Jouw naam” achterop te raken. ‘Pierre, wacht even,’ roept “Naam jongen”. ‘“Jouw naam” houdt het niet bij.’ Pierre draait zich om. “Jouw naam” staat dubbelgebogen en houdt kreunend haar been vast. Pierre doet zijn rugzak af en geeft die aan “Naam jongen”. ‘Kom maar op de ruk van Pierre.’ “Jouw naam” schudt haar hoofd. ‘Ik kan best lopen. Ik moet gewoon even uitrusten.’ ‘Toe nou,“Jouw naam”, doe niet zo stom. Het is al bijna donker,’ zegt “Naam jongen”. Pierre knielt en “Jouw naam” klimt met tegenzin op zijn rug. Ze trekt haar neus op. Pierre maakt een sprongetje en “Jouw naam” geeft een gil. ‘Op, paardje, op!’ roept hij.

50


“Jouw naam” kijkt naar “Naam jongen”, trekt een gezicht en tikt op haar voorhoofd. Na nog een kwartier steil omhooggeklommen te hebben, laat Pierre “Jouw naam” zakken. ‘We zijn er. Welkom ien de villa van ­Pierre.’ ‘Waar dan, ik zie geen villa.’ Verbaasd kijkt “Jouw naam” om zich heen. Ze zijn aangekomen op een weitje hoog in de bergen.Aan de ene kant rijzen de rotsen omhoog en aan de andere kant gaat het steil naar beneden. Het schemert en de maan is laag aan de paarsblauwe hemel verschenen. In de diepte liggen uitgestrekte bossen. In een hoek van het weitje, verscholen achter een paar bomen en struiken, staat een schuurtje. Pierre loopt ernaartoe. “Naam jongen” kijkt “Jouw naam” aan en barst in lachen uit. ‘Ik denk... dat hij zelfs gouden kranen heeft in de badkamer, “Jouw naam”!’ Het hutje van Pierre is klein maar schoon. In een hoek ligt een bed van strozakken met een paar dekens en er staat een ­tafeltje met een stoel erbij. Aan een balk hangt een olielamp en op een plank staan verschillende dozen en potjes. In een andere hoek staat een grote kist. Pierre pakt een groot mes uit een doos en loopt ermee naar buiten. Naast de schuur staat een emmer, die hij aan “Jouw naam” geeft. ‘Ka jij maar even water alen, “Jouw naam”.’ Pierre wijst naar een plek achter het schuurtje.‘“Naam jongen” mak elpen met beestje villen.’ “Naam jongen” steekt zijn tong uit. ‘Zal ik water halen?’ ‘Ik ben al weg,’ zegt “Jouw naam”. ‘Uuuuhm, kan ik misschien wat anders doen?’ vraagt “Naam jongen” en hij kijkt gauw de andere kant uit. Pierre heeft de haas aan zijn achterpoten opgehangen en de slagader in de 51


Stel je nou voor: je bent verdwaald, je hebt vreselijke honger, je hebt een val in elkaar geknutseld en er is na lang wachten ook nog een konijn in komen te zitten... wat doe je dan? Juist: slachten en opeten. Geen leuk karweitje, maar als je niets anders hebt, is het goed om te weten hoe je hem moet schoon- en klaarmaken. Laat het dier leegbloeden: maak een snede in de halsslagader en hou ’m op zijn kop. Maak een kleine insnijding in de buik. Steek je duimen erin en trek de huid naar buiten en eraf. (Dit heet villen.) Maak de poten vrij en draai de kop eraf. Haal vervolgens de ingewanden uit de buik. Snij het konijn in stukken en rooster het op een vuurtje.

Waarschuwing: het is beter geen paddestoelen te eten, want er zijn vele giftige en zelfs dodelijke soorten.Als het niet anders kan: eet UITSLUITEND paddestoelen waarvan je zeker bent dat ze eetbaar zijn! Dit zijn twee makkelijk herkenbare:


nek doorgesneden, zodat het bloed eruit loopt. Pierre grijnst. ‘Maak jij maar vuurtje, James Bond. Hout liekt daar.’ “Naam jongen” loopt naar de zijkant van de schuur. Onder een afdakje ligt een flinke houtvoorraad, keurig opgestapeld. Hij laadt zijn armen vol met stammetjes en kijkt om zich heen. Waar moet hij eigenlijk vuur maken? Dan valt zijn blik op een verzameling grote stenen die in een cirkel liggen. Er staat een driepoot tussen en een ijzeren ketel naast. “Naam jongen” laat de stammetjes naast de vuurplaats vallen. ‘Heb je lucifers voor me, Pierre?’ Pierre veegt zijn bebloede handen aan het gras af en haalt een doosje lucifers uit zijn zak. ‘Altijd eel zuinig zijn met lucifers, “Naam jongen”. Kijk.’ Pierre haalt een lucifer uit het doosje en krabt met zijn nagel een laagje van het kopje van de lucifer. ‘Ies kaarsvet, dan kan de zwavel niet nat worden.’ Hij geeft het doosje aan “Naam jongen”.“Naam jongen” kijkt


vol afgrijzen naar het hoopje ingewanden dat naast de haas ligt.‘Poe, dat ziet er wel wat anders uit dan een Wiener schnitzel!’ Pierre lacht. ‘Wil je elpen? Nu moet et velletje eraf.’ ‘Nee, dank je.’ “Jouw naam” komt aanlopen met een volle emmer. Haar haar is vochtig en ze ziet er een stuk schoner uit. ‘Gaaf, joh, vlak achter het huis is een watervalletje, met heel helder, koud water. Het smaakt heerlijk!’ ‘Is het wel drinkwater, Pierre?’ vraagt “Naam jongen” gealarmeerd. ‘Moet het niet eerst gekookt worden?’ ‘Ies eel skoon,’ zegt Pierre geruststellend. ‘Komt rekt uit de berken. Ies allerbeste drinkwater van de wereld.’ ‘Okenblikje dan,’ zegt “Naam jongen”, ‘iek ka mij ook even verfriessen!’ en hij rent weg.

54


Een feestmaal

“Jouw naam” is nu alleen met Pierre en voelt zich helemaal niet op haar gemak. Ze gaat een eindje verderop op een steen ­zitten, zo ver mogelijk van de bloederige haas vandaan. Ze rammelt van de honger, maar een dooie haas eten... nooit. Als “Naam jongen” nou maar gauw terugkomt. Ze schrikt als Pierre iets tegen haar zegt. ‘W... wat zegt u?’ ‘“Jouw naam” mak ook elpen met vuur. Daar zijn lucifers.’ “Jouw naam” knielt bij de vuurplaats neer en legt een paar houtblokken op elkaar. Ze heeft nog nooit een vuur gemaakt. Thuis is er centrale verwarming. Plotseling staat Pierre achter haar. Ze heeft hem niet horen aankomen. “Jouw naam” verstijft. ‘Zo kaat et niet, meisje. Pierre zal voordoen oe je vuur maakt. De rekel met vuur is, eerst klein, dan kroot en tentje bouwen.’ “Jouw naam” schuift een eindje opzij. Pierre ruikt alsof hij de afgelopen drie jaar niet in bad is geweest. En hij heeft bloedvlekken op zijn handen. ‘Wacht, wacht, ik wil het ook zien,’ roept “Naam jongen”, die aan komt hollen. Pierre staat op en loopt naar de houtplaats. Hij komt terug met een kistje waarin hout en droog stro zit. Binnen vijf minuten brandt er een heerlijk warm vuurtje. Pierre heeft water in de ketel gedaan en die boven het vuur gehangen. Dan sleept hij een grote boomstronk bij het vuur. ‘Voila, ier ies de canapé! En daar ies de televisie!’ Met een weids armgebaar wijst hij op het dal, de bergen en de hemel, waaraan de eerste sterren verschenen zijn. ‘Dit prokramma 55


verveelt nooit! En nu moet iek aasje nog even kietelen.’ Hij loopt terug naar de haas. “Jouw naam” en “Naam jongen” gaan op de boomstam zitten. ‘Zie je nou wel dat hij aardig is?’ fluistert “Naam jongen”. ‘Ik vertrouw het niet,’ fluistert “Jouw naam”. ‘Wat doet die man hier alleen in de bergen? Dat is toch niet normaal?’ ‘Misschien houdt hij gewoon van de eenzaamheid. Hoe heet zo iemand? Een kluizenaar.’ ‘Ammehoela, kluizenaar. Móórdenaar zul je bedoelen. In ieder geval vermoordt hij dieren.’ ‘Doe niet zo stom! Hij moet toch eten? Als jij bij de slager vlees koopt, ben jij dan geen moordenaar?’ ‘Ik koop geen vlees bij de slager,’ sist “Jouw naam” boos. ‘Zo, aasje is klaar. Nu kaan wij em lekker roosteren. Pierre kaat feestmaal maken. Iek krijk niet zo vaak bezoekers!’ Pierre heeft een lange, dunne stok door de gestroopte haas gestoken. “Jouw naam” draait walgend haar gezicht af. Pierre kijkt heel verbaasd. ‘Ze is vegetariër,’ verduidelijkt “Naam jongen”. ‘Maar ik niet, hoor.’ ‘Aha!’ zegt Pierre vrolijk en hij springt op.‘Végétarienne, keen probleem, Pierre maakt iets anders lekker. Soepje, koed?’ “Jouw naam” knikt verlegen. ‘Van de staart van de aas, koed?’ “Jouw naam” schudt geschrokken van nee.“Naam jongen” en Pierre barsten in lachen uit. ‘Krapje!’ roept “Naam jongen”. Even later komt Pierre terug met een doos. ‘Kienderen ebben keluk. Kiesteren zijn erders keweest met eten voor Pierre.’ ‘Wat zijn erders?’ vraagt “Naam jongen”. ‘Erders, erders met skaapjes, weet je wel?’

56


Waarschuwing: maak nooit vuur als er gevaar bestaat voor bosbrand. Blijf erbij en maak het goed uit als je vertrekt. Je maakt snel een goed vuurtje door te beginnen met dunne takjes en droog gras of bladeren.Voeg langzamerhand grotere takken en daarna houtblokken toe. Zorg dat je het hout hebt klaarliggen. De beste manier om vuur te maken is door een wigwam te bouwen. Leg op een open plek, uit de wind en niet in de buurt van andere bomen of struiken, wat korte takken naast elkaar op de grond. Dat is de basis van het vuur. Leg daarop de aanmaakhoutjes. Bouw dan met iets dikkere takken een wigwam eromheen. Duw ten slotte het droge gras en de bladeren tussen het aanmaakhout en steek het aan.

Je kunt lucifers waterdicht maken door op elke kop een druppeltje kaarsvet te laten vallen.Als je de lucifer wilt gebruiken, krab je het er met je nagel af. Erg handig zijn lucifers die je overal langs kunt aanstrijken. Die koop je in een winkel met kampeerspullen.

Je kunt bij mooi weer ook vuur maken door middel van een vergrootglas. Zorg dat je flink wat droog gras en dorre bladeren bij de hand hebt. Richt het vergrootglas zodanig dat de zonnestralen een heel klein lichtpuntje vormen op het aanmaakmateriaal. Blaas zachtjes als het gaat gloeien en voeg dunne takjes toe als het vlam vat.


‘Herders,’ zegt “Jouw naam”.‘Komen die u dan eten brengen?’ ‘Ja,’ zegt Pierre. Hij pakt de doos uit.‘Kijk, lekkere skapenkaas, mmm. Corsicaanse fromage de chèvre, de allerlekkerste die er ies. Brood en oning. En... très délicieux: pâté de grives! En diet zijn kedrookte paddestoelen, en kruiden. Die eeft Pierre zelf keplukt.Voor lekkere soep.’ ‘Groeit dat spul hier in de bergen?’ vraagt “Naam jongen” en hij gooit nog een paar stammetjes op het vuur. Het water in de pan kookt. Pierre laat de gedroogde padde­ stoelen en de kruiden in de pan water vallen en strooit er uit een glazen potje wat zout bij. ‘Ja, kroeit overal. Kruiden in soepje zijn eel belangrijk.’ Hij houdt “Jouw naam” een takje onder haar neus. ‘Rozemarijn, en diet ies tijm, laurier, oregano...’ “Jouw naam” snuift. ‘Mmm, lekker. Zo ruikt het eigenlijk op heel Corsica.’ Pierre straalt van trots. ‘Dat klopt. Dat ies de keur van de ­Maquis. Iek kan Corse erkennen met mijn oken dikt!’ Het is nu pikdonker geworden. Het eten begint heerlijke geuren te verspreiden; “Jouw naam” en “Naam jongen” rammelen van de honger. Pierre snijdt een groot rond brood aan en geeft de kinderen een snee. Dan loopt hij weg om de hazenrommel op te ruimen. “Jouw naam” knabbelt aan haar stuk brood en staart in het vuur. Het is heerlijk warm en eigenlijk voelt ze zich veilig en gelukkig. Zou haar moeder zich nu zorgen maken? Of zou ze juist blij zijn dat ze van haar af is?

58


Twiet, twiet

‘Ik vraag me af hoe het met papa en mama is,’ zegt “Naam jongen”, die haar gedachten lijkt te raden. ‘Volgens mij zijn ze onderhand gek van ongerustheid. En jij hebt niet eens een briefje achtergelaten, “Jouw naam”.’ ‘Ja, dat was wel stom. Maar misschien hebben ze met jouw ouders gepraat,’ zegt “Jouw naam”. ‘Eigenlijk heb ik er wel een beetje spijt van dat ik zo rot tegen mama heb gedaan. Maar ik vond het vreselijk dat ze zo naar deed tegen papa, dat ze altijd ruzie­maakten. Toen heeft zij gezegd dat hij ergens anders moest gaan wonen. Niemand vroeg wat ík wilde. Het is allemaal háár schuld. En toen kwam die stomme Alexander en daar deed ze wél hartstikke lief tegen. Zo lief heeft ze tegen papa nooit gedaan. Ik vind het zo zielig voor hem.’ 59


Er lopen dikke tranen over de wangen van “Jouw naam”. “Naam jongen” legt een arm om haar schouder. Deze keer schudt “Jouw naam” hem niet af. ‘Weet je, “Naam jongen”,’ snikt ze. ‘Soms denk ik dat het allemaal mijn schuld is. Dat dit allemaal niet gebeurd was als ik meer mijn best had gedaan, of liever was geweest...’ de schouders van ­“Jouw naam” schokken. ‘Stil nou maar...’ zegt “Naam jongen”. ‘Het is helemaal niet jouw schuld. Jij had er niks aan kunnen doen. Het is iets tussen jouw ouders. Mijn vader en moeder zeggen altijd: als er twee ruzie maken, hebben er twee schuld.’ ‘Maar het komt nooit meer goed...’ snikt “Jouw naam”. ‘Dat weet je niet, misschien gaan ze over een tijdje wel weer aardiger tegen elkaar doen en houden ze op met ruziemaken. Ik denk dat ze er gewoon over moeten praten.’ ‘Praten, jij altijd met je praten. Alsof dat een wondermiddel is... Het gaat niet om wat mensen zeggen, maar om wat ze doen.’ “Jouw naam” slaakt een diepe, trillende zucht en veegt de tranen van haar wangen. ‘Gaat het weer een beetje?’ vraagt “Naam jongen”. ‘Ja, het gaat wel.’ Ze knijpt even in de arm van “Naam jongen” en trekt haar hand dan gauw weer terug. ‘Kijk eens even wat de chef-kok kemaakt eeft! Speciaal voor onze keëerde veketarische kast!’ Pierre houdt trots een bord voor de neus van “Jouw naam”. Als een ober heeft hij een oude theedoek over zijn arm gedrapeerd. “Jouw naam” giechelt. ‘Wat zijn dat?’ ‘Dat zijn eerlijke verse vijgen, met een sausje van room en ­oning, met een takje munt! Spécialité de la maison!’ zegt Pierre trots en hij zet het bord voor “Jouw naam” en “Naam jongen” neer. ‘En nu kaan wij bekinnen!’

60


Hoog op de berg, bij het warme vuur onder de sterrenhemel, wordt dit het lekkerste maal dat “Naam jongen” en “Jouw naam” ooit hebben gegeten. ‘Mmm, wat lekker! Wat is dit eigenlijk?’ vraagt “Naam jongen” met volle mond. ‘Pâté de grives, eeft Pierre zelf kemaakt.’ ‘Maar wat is dat dan?’ ‘Pate de uuh... vokeltjes, twiet, twiet, vokeltjes met bruine vlekjes...’ “Naam jongen” springt verschrikt op, rent naar een bosje toe en spuugt uit wat hij nog in zijn mond heeft. ‘Jasses, eet jij vogels, Pierre?’ ‘Ja, ies eel kewoon op Corse, ies tock lekker? Kiep ies tok ook vokel?’ ‘Volgens mij bedoelt hij lijsters. Bah, wat gemeen,’ zegt “Jouw naam” met een vies gezicht. ‘Twiet, twiet, rare jongens die Corsicanen.’ Ze stopt nog een heerlijk zoete vijg in haar mond. Pierre staat op en loopt naar de hut. Hij komt terug met een strik.‘Kijk, ies val, eeft Pierre zelf kemaakt.Vokeltje kaat z­ itten, flap, flap, kan niet meer wek. Maar kan ook vokeltjes vangen met lijm op een stokje. En nu kaan wij voor et slapen kaan nok even televisiekijken.’ Pierre loopt naar de andere kant van het weilandje, waar het pikdonker is en gaat op zijn rug op de grond liggen. “Jouw naam” en “Naam jongen” kijken elkaar verbaasd aan. ‘Kom maar,’ roept Pierre. “Jouw naam” en “Naam jongen” lopen naar hem toe en gaan grinnikend naast hem liggen. De grond is koud en een beetje vochtig. Pierre wijst zwijgend naar boven. Verbaasd kijken ze naar de diepblauwe sterrenhemel. Het is ontzettend helder en hoog en groots. “Jouw naam” krijgt het gevoel dat ze er langzaam in verdwijnt.

61


De belangrijkste sterrengroep om te leren herkennen is de Grote Beer. De zeven sterren die de romp van de Grote Beer vormen, worden ook wel het steelpannetje genoemd. De twee sterren aan het uiteinde van het steelpannetje wijzen precies naar de Poolster, en daar bevindt zich ook het noorden.

Kruiden zijn onmisbaar als je lekker wilt koken. Je hoeft er niet voor naar de winkel, want je kunt ze in de natuur vinden. Hier zijn er een paar.Als er een sterretje voor staat, groeien ze ook in Nederland in het wild. De rest vind je in landen die wat zuidelijker liggen.


‘Ik voel me ineens piepklein,’ fluistert “Naam jongen”. ‘Zo veel sterren heb ik nog nooit gezien.’ ‘Dat komt omdat er ier verder keen liekt ies,’ zegt Pierre.‘Zien jullie die wiette strook?’ “Jouw naam” en “Naam jongen” knikken. Boven hen loopt een langgerekte witte band, een soort nevel. ‘Dat ies nou de melkwek, et sterrenstelsel waar onze planeet deel van uitmaakt,’ zegt Pierre. ‘Al die wiet zijn sterren, eel veel sterren.’ ‘Het zijn er zoveel, zoveel...’ fluistert “Naam jongen”. ‘Ik voel mij zo onbelangrijk en nietig als een miertje.’ ‘Alles ies belangrijk,’ zegt Pierre. ‘Ieder klein dinketje ies belangrijk, want alle klein dinketjes vormen samen et krote.’ “Jouw naam” zucht. ‘Kijk, nou zal iek joellie iets leren,’ zegt Pierre en hij wijst ­omhoog. ‘Zien joellie dat pannetje daarboven? Die twee sterren aan de ene kant van et pannetje wijzen naar die eldere ster daar, zien joellie?’ “Jouw naam” en “Naam jongen” knikken. ‘Dat ies de Poolster en daar ies et noorden. Dat is koed om te weten als je verdwaald bent. En morken, als wij naar Calenzana kaan, zal iek joellie leren oe joellie op een kompas kunnen lopen, dan kunnen joellie voortaan altijd de wek vienden.’

63


De kist

“Jouw naam” rilt. Ze gaat zitten en staart naar de donkere bergen in de verte.‘Waarom woon jij eigenlijk hier, Pierre, en niet bij de mensen in het dorp?’ Het is even stil. “Jouw naam” hoort dat Pierre slikt. ‘Pierre woont ier omdat ij van de berken en van de vrijheid oudt,’ zegt Pierre. ‘En omdat ij veel van Corse oudt.’ ‘Maar voel je je dan nooit eenzaam? Heb jij geen vrouw en kinderen?’ vraagt “Naam jongen”. ‘Iek eb twee kinderen en die wonen in Marseille,’ antwoordt Pierre.‘En vrouw van Pierre ies al eel lang dood. Is daarbo­ven, tussen de sterren. Ver wek en eel diktbij.’ Pierres stem klinkt een beetje schor. ‘En waar leef je dan van?’ vraagt “Jouw naam” door. ‘Van wat Corse mij keeft en wat de erders mij brengen.’ Moeizaam komt Pierre overeind en wrijft over zijn rug. ‘En noe ies vrakenuurtje voorbij. Ies bedtijd.’ Met een gebogen rug loopt hij terug naar het smeulende vuur. “Jouw naam” en “Naam jongen” liggen naast elkaar op de strozakken. Pierre legt nog een extra deken over hen heen. Het is een ruwe paardendeken en “Jouw naam” moet ervan niezen. ‘Waar ga jij nou slapen?’ vraagt “Naam jongen” bezorgd aan Pierre. ­Pierre doet de kist open en haalt er een slaapzak en een hang­mat uit. ‘Pierre kaat lekker buiten slapen, tussen de sterren. Dan komen de mooiste dromen. Ier ies zaklamp, voor als iemand pipi moet. Ebben jullie lekker warm?’ 64


“Jouw naam” en “Naam jongen” knikken. ‘Alors, bonne nuit,’ zegt Pierre vriendelijk. Hij pakt de olielamp en loopt naar buiten. ‘Welterusten Pierre,’ zeggen “Jouw naam” en “Naam jongen”. ‘Hatsjie!’ niest “Jouw naam” weer. ‘Brrr, die deken kriebelt.’ ‘Zie je nou wel dat hij hartstikke aardig is?’ mompelt “Naam jongen”. “Jouw naam” geeft geen antwoord en staart met wijdopen

65


ogen in het donker naar boven. ‘Schuif eens op, “Naam jongen”, ik val bijna van die zak stro af.’ ‘Hmm...’ “Jouw naam” geeft hem een duw. ‘Hé, je gaat toch nog niet slapen?’ ‘Hè? Wat? Jawel, ik ben doodmoe.’ ‘“Naam jongen”,’ fluistert “Jouw naam”. ‘Ik ga kijken wat er in die kist zit.’ ‘Dat laat je, dat is onbeschoft.’ ‘Ik vind het een raar verhaal,’ zegt “Jouw naam”. ‘Ik snap nog steeds niet wat die Pierre hier in zijn eentje doet. Er zit iets achter. En volgens mij zit er iets in die kist.’ ‘Hmmm, laat nou maar,’ kreunt “Naam jongen” en hij draait zich op zijn zij. “Jouw naam” zwijgt weer even. Buiten klinkt er geen geluid meer. Het is zo stil dat de oren van “Jouw naam” ervan suizen. De wond op haar been schrijnt. Ze voelt aan het verband. Dat zit nog goed vast. De deken kriebelt. “Jouw naam” tast naast zich naar de zaklamp. ‘“Naam jongen”...’ “Naam jongen” geeft geen antwoord meer. “Jouw naam” duwt de deken van zich af en kruipt voorzichtig over “Naam jongen” heen. Ze sluipt naar het raampje en kijkt naar buiten. Verderop ziet ze Pierre in zijn hangmat liggen. Hij schommelt zachtjes in de wind. Ze knipt de zaklamp aan. Hij geeft maar weinig licht. Ze loopt op haar tenen naar de kist toe en trekt aan de deksel. Ze trekt nog een keer, maar hij gaat niet open. Hij zit op slot. “Jouw naam” laat de zaklamp in het schuurtje rondschijnen. De sleutel... waar zou de sleutel zijn? Ze sluipt naar de plank waarop de dozen staan... niks. De lichtstraal glijdt over het geweer dat

66


in een hoek staat. Ook op de tafel ligt niks. Dan valt de lichtstraal op een balk in de hoek. Aan een roestige spijker hangt een streng knoflook. “Jouw naam” schuift de streng opzij en ziet dat er een sleutel onder hangt. ‘Haha,’ fluistert “Jouw naam” zachtjes. ‘Sleuteltje kevonden...’ Voorzichtig haalt ze hem van de spijker af. Ze legt de zaklamp naast de kist en probeert de sleutel in het slot. Pieiep, knarst het. Het klinkt heel luid in de stilte. “Jouw naam” verstijft. Als Pierre dit hoort, is ze erbij. Ze sluipt naar het raam. De hangmat beweegt niet.“Naam jongen” mompelt in zijn slaap. ‘Zoek... zoek de zaag... Mmm, vokeltjes...’ Ze sluipt terug naar de kist en doet de deksel heel langzaam open. Haar buik kriebelt van de zenuwen. Ze houdt haar adem in en raapt de zaklamp op om beter te kunnen zien... Plotseling hoort ze buiten Pierre uit zijn hangmat op de grond springen. Van schrik glijdt de zaklamp uit haar handen en gaat uit. De zware klep van de kist valt met een klap dicht.“Naam jongen” komt overeind in zijn bed. ‘Hé, “Jouw naam”! Waar ben je?’ ‘Sssjjt! Stil!’ sist “Jouw naam”. Haar hart bonkt in haar keel. Door het raam ziet ze dat Pierre in hun richting komt. ‘“Jouw naam”, wat doe je?’ vraagt “Naam jongen” nog een keer in het donker. “Jouw naam” grijpt de lamp en doet hem aan. Dan gaat de deur van de schuur open en steekt Pierre zijn hoofd naar binnen...

67


Betrapt?

‘Alles koed?’ vraagt Pierre. Het grote litteken op zijn wang blinkt in het licht van de zaklamp. ‘Pierre moest pipi en toen oorde ij klap.’ ‘Jjja, ja hoor,’ stottert “Jouw naam”. ‘Ik moest plassen en... en toen struikelde ik en viel ik tegen de kist aan.’ “Jouw naam” ziet dat Pierres blik naar de kist toe gaat. Ze schrikt. De sleutel... de sleutel zit er nog in. Maar vanaf waar Pierre staat kan hij dat net niet zien. “Jouw naam” buigt zich over haar been heen om hem af te leiden. ‘Au, au, ik heb mijn been gestoten.Volgens mij is de wond weer open.’ Pierre loopt naar haar toe, pakt de zaklamp uit haar handen en laat het licht op het verband schijnen.Voorzichtig voelt hij of het nog goed vastzit. ‘Mmm, iek zie keen bloed, verband zit prima. Morken doen wij een skoon eromeen.’ “Jouw naam” gaat gauw naast “Naam jongen” liggen en trekt de deken over zich heen. ‘Moet jij niet meer pipi maken?’ vraagt Pierre verbaasd. ‘Nee... nee, het is al over. Het hoeft niet meer, van de schrik,’ zegt “Jouw naam” met een zenuwachtige giechel. ‘Ik ga nu gauw lekker slapen.’ Ze doet demonstratief haar ogen dicht. ‘Weltrusten, Pierre.’ ‘Bonne nuit,’ zegt Pierre en hij knipt de lamp uit. “Jouw naam” haalt opgelucht adem als hij de deur achter zich dicht doet. “Naam jongen” slaapt alweer. Pierre heeft de zaklamp meegenomen... en eigenlijk moet ze nu opeens wel plassen.

68


De volgende ochtend wordt “Jouw naam” wakker van het zonlicht dat op haar gezicht schijnt. Ze kijkt slaperig naar de stofjes die in het licht dansen. “Naam jongen” ligt in elkaar gerold naast haar en snurkt een beetje. Dan herinnert ze zich de kist opeens weer. “Jouw naam” schiet overeind. De sleutel is weg. Ze schudt “Naam jongen” wakker en wijst naar de kist. ‘Hé, “Naam jongen”, word wakker, slaapkop. Kijk, de sleutel is verdwenen, hij zat gisteren nog in het slot. Er is hier echt iets niet pluis...’ ‘Hè, mens, tetter niet zo, ik ben net wakker...’ “Naam jongen” wrijft in zijn ogen en gaapt. Buiten klinkt het gekletter van een pannetje op steen. “Naam jongen” springt overeind en trekt zijn gymschoenen aan.‘Je ziet spoken, er is helemaal niks aan de hand.’ ‘Toen ik de kist opendeed, zag ik rare dingen liggen,’ fluistert

69


“Jouw naam” dringend. ‘Draden en iets gekleurds...’ Maar “Naam jongen” is al buiten. ‘Stomme dropveter,’ moppert “Jouw naam”. Uit haar broekzak haalt ze de sleutelhanger en ze kijkt naar de foto.‘Goeiemorgen pap,’ fluistert ze en ze geeft de foto een kus. Dan staat ze op en loopt ook naar buiten. De zon schijnt al heerlijk warm en de lucht is vergeet-mij-nietjesblauw. Het uitzicht is overdag nog mooier dan ’s nachts. “Jouw naam” ontdekt nu pas dat de wei vol met paarse en gele bloemen staat. Pierre is bezig boven het vuurtje water te koken. ‘Bonjour!’ roept hij vrolijk. ‘Koede morken!’ ‘Ook goeiemorgen,’ mompelt “Jouw naam”. Ze durft hem niet goed aan te kijken. Heeft hij nou wel of niet in de gaten dat ze rondgesnuffeld heeft? “Jouw naam” loopt achter het huisje langs, plast tussen een paar bosjes en wast zich in het ijskoude stroompje. “Naam jongen” zit al naast Pierre op de boomstronk en hapt hongerig in een grote homp brood met honing. Pierre geeft “Jouw naam” ook een snee. ‘Koed eten,’ zegt hij. ‘Wij moeten een flienk eind lopen.’ Hij doet zijn rugzak open en haalt er een kompas en een kaart uit. ‘Pierre zal nu uitlekken oe joellie kaart moeten lezen en kompas kebruiken. Dan kunnen joellie et dadelijk zelf uitproebieren.’ Als Pierre klaar is met uitleggen pakt hij zijn verbandtrommel en wikkelt het verband van het been van “Jouw naam”.“Jouw naam” buigt zich naar “Naam jongen” toe.‘Snap jij er iets van, van dat kaartlezen?’ fluistert ze. ‘Natuurlijk,’ antwoordt “Naam jongen”. ‘Jij niet? ’t Is toch simpel?’ “Jouw naam” vertrekt haar gezicht van pijn. ‘Au! Pas op, Pier-

70


Een van de belangrijkste dingen om bij je te hebben als je gaat wandelen is een kompas. Zo werkt het.


re, het verband zit vastgeplakt!’ Pierre trekt het heel voorzichtig los en bekijkt de wond. ‘Ziet er eel mooi uit, “Jouw naam”. De snee zit koed dikt.’ Hij legt er een steriel gaasje op en wikkelt er een schoon verband omheen. ‘Kan jij wel lopen, denk je?’ “Jouw naam” knikt. Pierre geeft hun allebei een kommetje dampende thee en pakt zijn rugzak in. ‘Als wij koed doorstappen, ies et onkeveer drieënalf uur naar Calenzana,’ zegt hij. ‘Wij kaan nu meteen wek, want et wordt een ele warme dak.’ Pierre maakt het vuur uit en sluit het schuurtje af. “Jouw naam” kijkt nog een keer om zich heen en haalt diep adem. Wat een mooie plek is dit. Zou ze hier ooit nog eens terugkomen?

72


De terugweg

Pierre loopt achter “Naam jongen” en “Jouw naam” aan. “Naam jongen” heeft de kaart in zijn handen en “Jouw naam” het kompas. Het pad is smal en daalt sterk. Hier zijn veel meer bomen, struiken en bloemen dan toen ze hoger op de berg waren. Zo nu en dan schieten er kleine salamandertjes voor hun voeten weg, die op de warme stenen liggen te zonnebaden. ‘En noe, welke kant noe op?’ vraagt Pierre, als ze bij een splitsing van het paadje komen. “Jouw naam” legt het kompas op de kaart, zoals Pierre het hun uitgelegd heeft. ‘Uuuhm, hier zijn wij...’ Ze draait aan de kompasroos en gaat met haar vinger naar ­Calenzana. ‘En dan moeten we daar...’“Naam jongen” draait behulpzaam de kaart om, zodat hij in de goede richting ligt. ‘Die kant op!’ zegt “Jouw naam” trots en ze wijst naar het pad dat naar rechts loopt. ‘Eel knap, eel koed!’ zegt Pierre.‘“Naam jongen” snapt et ook?’ “Naam jongen” knikt stralend. ‘Joellie zijn keslaakd voor de kompastest! Verdwalen oeft nu nooit meer! Joellie moeten koed ontouden: er zijn vier diengen die joellie de wek wijzen...’ ‘De sterren,’ zegt “Naam jongen”. ‘Het kompas en de zon...’ zegt “Jouw naam”. ‘En je art...’ zegt Pierre met een glimlach. Hij klopt met zijn hand op zijn hart. ‘Ien et leven moet je altijd de wek van het art volken. Dat ies et allerbelangrijkste.’ ‘Pierre, Pierre, kunnen we even stoppen?’ Pierre, die nu weer 73


vooroploopt, draait zich om. ‘Ben jij moe, “Naam jongen”?’ ‘Nee,’ zegt “Naam jongen” verlegen. ‘Ik moet uh... ik moet poepen.’ Pierre grijnst en gaat op een kei zitten. ‘Dat moet iek ook wel iens. Ka maar kauw, ien de bosjes daar.’ “Naam jongen” bloost. ‘Maar ik heb geen wc-papier.’ Pierre bukt zich en plukt een groot ovaal blad af. ‘Met bladeren kaat et ook,’ zegt hij. ‘Dit ies de weekbree. Prima plee­ plantje. Ies trouwens ook eel koed voor andere dingen.’ “Naam jongen” baant zich een weg door de struiken, op zoek naar een geschikte plek. Plassen in de openlucht is geen probleem, maar poepen... Hij plukt alvast een paar bladeren, doet zijn broek naar beneden en hurkt neer. De zon schijnt fel en de krekels tjirpen luidruchtig. In de verte hoort hij Pierre en “Jouw naam” met elkaar praten. Plotseling hoort “Naam jongen” iets ritselen. Zijn adem stokt in zijn keel. Op nog geen dertig centimeter afstand ligt een slang. Het dier kijkt hem aan en zijn tong flitst uit zijn bek. “Naam jongen” durft zijn blik niet af te wenden.Wat moet hij doen? Zou hij giftig zijn? De slang kronkelt een stukje dichterbij. “Naam jongen” ziet zijn oogjes vervaarlijk glinsteren. Hij geeft een luide gil en wil opspringen, maar valt achterover doordat zijn broek tussen zijn benen hangt.

74


‘Pierre, hééélp!’ gilt hij. ‘Hééélp! Een slang!’ Binnen een paar seconden staat Pierre naast hem en helpt hem over­eind. “Naam jongen” sjort zijn broek omhoog en kijkt angstig om zich heen. ‘Er was een slang, een slang, een grote dikke groene, en ik ­geloof dat ik gebeten ben!’ Hij betast zijn benen. Er zitten blauwe plekken en krassen op. Pierre bekijkt zijn kuiten nauwkeurig. “Jouw naam” komt ook aangerend. ‘Wat is er, is er een slang? Ben je gebeten?’ roept ze angstig. ‘Keen paniek, keen paniek,’ zegt Pierre geruststellend.‘“Naam jongen” ies niet kebeten. Nieks aan de and.’ Pierre kijkt om zich heen. ‘Stielstaan...’ fluistert hij. Pierre wijst naar een pol hoog gras. ‘Sjjjt, daar liekt die kroene krappenmaker, Pierre kaat em ­vangen.’ ‘Nee,’ fluistert “Jouw naam”. ‘Niet doen, ik ben bang.’ Pierre bukt zich heel langzaam en raapt een lange stok op. Hij breekt er een paar takjes af, zodat aan het uiteinde ervan een V-vorm ontstaat. Dan doet hij een stap naar voren en slaat de stok, met de V naar beneden, boven de kop van de slang in de grond. ‘Kepakt!’ zegt hij triomfantelijk. ‘Ies maar klein slangketje!’ Met een snelle handbeweging pakt Pierre de slang achter zijn kop beet en tilt hem op. Het beest kronkelt heftig en sist kwaad. “Jouw naam” en “Naam jongen” komen aarzelend dichterbij. ‘Hoe weet je nou dat hij niet giftig is?’ vraagt “Naam jongen”. ‘Op Corse zijn keen kiftige slangen. Dit is een ringkslang, doet nieks. Ies mooi, vienden joellie ook? Ies ook eetbaar!’ lacht Pierre en hij steekt hem uit naar “Jouw naam”. “Jouw naam” springt achteruit. ‘Brrr! Eng beest, gooi hem weg!’ Pierre legt de slang een stukje verder in het gras neer. 75


In de natuur komen een heleboel planten voor die een geneeskrachtige werking hebben. Deze groeien ook in Nederland!

Eerst wat algemene regels voor het geval dat je op vakantie bent in een gebied waar (giftige) slangen voorkomen: * Als je een slang tegenkomt: blijf kalm. * Ga langzaam achteruit. * Kijk goed uit als je door struikgewas loopt. * Controleer je beddengoed. Slangen kunnen dit als schuilplaats gebruiken. * Als je een slang per se moet doden: sla hem met een lange stok achter op zijn kop. Het moet in ĂŠĂŠn keer raak zijn want een gewonde slang is erg gevaarlijk.Als het niet hoeft, probeer het dan niet. In noordelijk Europa is de enige giftige slang de adder. Hij is 30 tot 75 cm lang en olijfgrijs tot roodachtig bruin met een zigzagpatroon in een donkerdere tint. De beet is vrijwel nooit dodelijk. In zuidelijk Europa komen grotere en gevaarlijkere soortgenoten voor.


‘Ben jij klaar?’ vraagt hij aan “Naam jongen”. “Naam jongen” rilt, ondanks de warmte.‘Ik hoef niet meer, ik wacht wel tot we in het dorp zijn.’ ‘Zoals jij wilt,’ zegt Pierre. ‘Kom, wij lopen nok een alfuurtje en dan komen wij bij de rivier. Dan ies er verrassing.’ Pierre leidt hen verder langs het smalle, nauwelijks zichtbare pad. Langs de kanten groeien heerlijk geurende tijm en ­wilde lavendel. Het gaat nu steil naar beneden, en “Jouw naam” en “Naam jongen” moeten zich goed vasthouden aan rotsuitsteeksels en takken. ‘Vond jij het eigenlijk leuk in Nederland?’ vraagt “Jouw naam” als ze op een steen zitten uit te puffen. Ze is nog steeds erg nieuwsgierig naar Pierre en de reden waarom hij in de bergen woont. Ook de inhoud van de kist laat haar niet met rust. Pierre haalt de veldfles uit zijn rugzak en laat hem rondgaan. ‘Nee, brrr, ien Holland altijd krijs en koud. Maar mensen wel aardik.’ ‘Waarom ging je er dan werken?’ ‘Om keld te verdienen,’ antwoordt Pierre. ‘Op Corse is maar weinik werk. Pierre eeft zijn vrouw ontmoet in Rotterdam.’ Hij staart treurig in de verte. ‘Wat is er dan met je vrouw gebeurd?’ vraagt “Naam jongen” zachtjes. ‘Zij heeft onkeluk toen kindertjes nok eel klein waren. Toen ben iek teruk kekaan naar Corse en eb zij alleen krootkebrakt.’ Pierre zucht diep. ‘Wat naar voor je,’ zegt “Jouw naam”. “Naam jongen” legt even zijn hand op de grote ruwe hand van Pierre.‘Woon jij nu in je eentje in de bergen omdat je nog steeds verdrietig bent?’ Pierre kijkt “Naam jongen” vanonder zijn strohoed aan. Dan wrijft hij over het litteken op zijn wang. ‘Nee, dat eeft andere reden,’ zegt hij kortaf. ‘Kom, wij zijn bijna bij de rivier. Daar

77


kaan wij apje eten... als wij tenmienste keluk ebben.’

79


Lunch

De rivier is een stuk minder wild dan de dag ervoor, maar het water is nog steeds bruin van de modder. Pierre zet zijn ­rugzak neer en loopt naar een smal gedeelte. Zonder veel moeite ­steken ze over. Pierre wijst naar een plek tussen twee rotsen.Vlak onder het oppervlak van het snelstromende water is een lijn gespannen. Er hangen een paar drijvers aan. ‘Er angt een net onder,’ legt Pierre uit. ‘En et net ziet met ­stenen vast op de bodem van de rivier.Viesjes kunnen daar niet dooreen.’ Hij steekt zijn hand onder water. Met zijn ­andere hand neemt hij zijn hoed af. ‘Ja, ebbes! Pierre eeft lunch kevangen!’ roept hij vrolijk. In zijn hand heeft hij een grote, spartelende vis. Hij pakt een steen, geeft de vis een klap op zijn kop en gooit hem in zijn hoed. ‘Getver!’ roept “Jouw naam”. ‘Dat is zielig! Als je maar niet denkt dat ik die eet!’ Ze springt op en gaat een eind verderop op een steen zitten. Ze doet haar schoenen uit en laat haar voeten in het koude water bengelen. Dan bekijkt ze haar pijnlijke hielen. Blaren, ook dat nog. “Jouw naam” voelt zich alleen. Was ze maar nooit aan dit ­rotavontuur begonnen. Het was sowieso al waardeloos dat ze per se met mama en die soepstengel op vakantie moest. Ze was veel liever naar papa gegaan. Nu zit zij hier midden in de ­wildernis opgescheept met “Naam jongen” en die barbaar. Wie weet, brengt hij hen helemaal niet terug naar het dorp, maar gaat hij hen verkopen als slaven of zo, of nog erger... En er is natuurlijk niks te eten voor haar, terwijl ze rammelt van de honger. “Jouw naam” schrikt op uit haar sombere gedachten door een opgewonden kreet van “Naam jongen”. 80


‘Ik heb er ook een, ik heb er ook een!’ ‘Stelletje dierenbeulen,’ moppert “Jouw naam” in zichzelf. Ze voelt aan het verband om haar been. Dan ze pakt de sleutelhanger uit haar zak en bekijkt het portret van haar vader. “Naam jongen” loopt naar haar toe. “Jouw naam” verbergt de sleutelhanger gauw in haar handpalm. ‘Kijk eens,’ zegt “Naam jongen” trots en hij houdt de strohoed onder haar neus. Er zitten twee dode vissen in. “Jouw naam” duwt de hoed van zich af. ‘Het zijn forellen,’ zegt “Naam jongen”. ‘Pierre gaat mij leren hoe ze klaargemaakt moeten worden. We gaan ze roosteren. Mmm, heerlijk.’ ‘Wat jij heerlijk noemt,’ zegt “Jouw naam”. ‘Die Pierre is een gemene stroper en jij ook.’ “Naam jongen” haalt zijn schouders op en brengt de vissen naar Pierre, die bezig is een tak te bewerken met zijn zakmes. ‘Iek eb ook wat voor jou, “Jouw naam”,’ roept hij. ‘Jij oeft keen onger te lijden.’ Hij staat op en komt naar haar toe. ‘Ier, een stuk stokbrood en een pakje kedrookte banaan, dat ies eel koed voor de energie.’ “Jouw naam” pakt het eten met een hooghartig gezicht aan. ‘Ik ga een eind lopen,’ zegt ze. ‘Ik hoef niet te zien hoe jullie die arme beesten opensnijden.’ Pierre houdt haar tegen. ‘Niet boos zijn,’ zegt hij. ‘Dat ies ook vrijheid: andere mensen laten eten wat ze willen.’ “Jouw naam” trekt zich los en loopt weg. ‘Niet te ver, “Jouw naam”. Niet verdwalen, anders moet Pierre jou weer komen redden!’ roept “Naam jongen” haar achterna. Pierre heeft samen met “Naam jongen” een driepoot gebouwd.

81


Er zijn verschillende mogelijkheden om boven vuur te koken. Ook hier geldt: wees heel voorzichtig!

Als je in een gebied bent waar riviertjes met stromend water zijn, kun je een visval maken. De visval van Pierre ziet er zo uit:

De vissen blijven er met hun kaken in steken. Ze gaan dood als ze eenmaal vastzitten. Gebruik deze val dus alleen in overlevings­ situaties. Snijd de vis zijn keel door en laat hem leegbloeden. Snijd de onderzijde van de buik in de lengte open en haal de ingewanden eruit. Je kunt de schubben eraf schrapen, maar het is meestal niet nodig. Rooster hem op de driepoot.


‘Kijk, nu leg jij zo kleine stokjes en dan kunnen wij daarop de viesjes roosteren. Maar eerst moeten wij ze skoonmaken. Iek zal een voordoen, dan “Naam jongen” probieren, koed?’ “Naam jongen” knikt. Hij vindt het allemaal erg interessant. Wat een verhalen zal hij straks te vertellen hebben als ze weer thuis zijn! Pierre doet voor hoe hij een vis schoonmaakt. Het lijkt heel makkelijk. “Naam jongen” rilt als hij zelf het scherpe mes in de buik van het dier zet. Brrr, kop eraf, de ingewanden eruit... Jakkes, wat een gefriemel. Maar even later liggen de twee vissen keurig naast elkaar boven het vuurtje te roosteren. Pierre heeft er wat takjes kruiden op gelegd en ze verspreiden een heerlijke geur. ‘Woon jij al lang in de bergen?’ vraagt “Naam jongen”. Pierre fronst zijn wenkbrauwen en draait de vissen om. ‘Wat ies lang? Ies twee weken lang? Ies twee jaren lang? Ies een leven lang of kort?’ Pierre staat op en loopt naar de rugzak om het brood te ­pakken. “Naam jongen” voelt wel dat Pierre niet graag over zichzelf praat, maar hij is nog steeds nieuwsgierig. Hij gooit een paar takjes op het vuur. ‘Niet te veel vlammen maken,’ waarschuwt Pierre.‘Viesje moet lekker roosteren, niet verbranden.’ “Naam jongen” kijkt Pierre zijdelings aan. Pierre zit op zijn hurken voor het vuur en wakkert met zijn hoed de gloeiende kooltjes aan. Hij ziet er bruin en gezond uit, maar hij heeft al heel veel rimpels en vlekken op zijn handen. Hoe oud zou hij zijn? Zestig, zeventig? “Naam jongen” vindt het altijd moeilijk de leeftijd van grote mensen te schatten. Iedereen boven de dertig lijkt hem stokoud. Net zoals zijn eigen vader. Die is eenenvijftig en in de ogen van “Naam jongen” hoogbejaard. ‘Pierre, hoe kom jij eigenlijk aan dat grote litteken op je wang?’

83


Pierre lacht. Zijn witte tanden steken wit af tegen zijn bruine huid. ‘Jij weet ook niet van opouden, jij bent een nieuwskierik mannetje!’ ‘Ja, maar jij keeft nooit antwoorden!’ Pierre lacht nog harder en strijkt over zijn wang. ‘Ies litteken van de strijd.’ ‘Welke strijd?’ vraagt “Naam jongen” door. ‘Van de oorlog?’ Pierre kijkt “Naam jongen” aan. Hij aarzelt. Dan springt hij op. ‘Jij past op de viesjes. Iek ben onkeroest over “Jouw naam”. Iek ka even kijken.’ Pierre beent met grote stappen weg in de richting waarin “Jouw naam” verdwenen is. “Naam jongen” probeert een vis om te draaien, maar brandt zijn vingers. Au! Hoe deed Pierre dat nou? Hij scheurt een stuk van het brood en steekt het in zijn mond. Het is erg warm in de zon. De krekels tjirpen luid en de rivier kabbelt slaapverwekkend. “Naam jongen” laat zich loom achterover tegen een boom zakken. Misschien ga ik later ook wel in de bergen wonen, in mijn eentje, denkt hij. Dan ga ik wilde varkens en


vissen vangen en misschien komt “Jouw naam” dan wel bij me wonen. Of iemand anders, want “Jouw naam” maakt de hele tijd ruzie en ze is ook nog vegetariër... ‘“Naam jongen”! “Naam jongen”!’ klinkt opeens de stem van Pierre uit de verte. ‘“Naam jongen”, kom kauw! Er ies een onkeluk kebeurd!’

85


Een ongeluk

“Naam jongen” rent in de richting van het geluid. ‘“Naam jongen”! Deze kant, ier ben iek.’ “Naam jongen” kijkt om zich heen. Voor hem ligt een ravijn. De wanden gaan steil omlaag en zijn bezaaid met grote keien en doornige struiken. Heel ver in de diepte schittert water. Dan ontdekt hij Pierre. Hij ligt een stuk verderop in het gras, vlak aan de rand van de afgrond. Hij holt naar hem toe. ‘Wat is er, Pierre? Ben je gevallen?’ “Naam jongen” knielt buiten adem naast hem neer. Pierre schudt zijn hoofd. ‘Héélp!’ hoort hij nu een dun stemmetje. ‘Hééélp! Pierre, ­“Naam jongen”, ik kan niet meer naar boven!’ “Naam jongen” gaat ook op zijn buik liggen en kijkt naar beneden. Een heel stuk lager ligt “Jouw naam”, op een uitstekende richel. Haar gezicht is rood en betraand en ze houdt zich vast aan een uitstekende tak. ‘“Jouw naam”, wat is er gebeurd? Ben je gewond?’ schreeuwt “Naam jongen”.‘Nee, niet erg! Mijn sleutelhanger was gevallen en toen wilde ik hem gaan pakken. Ik kon er bijna bij... en toen ben ik uitgegleden...’ ‘“Jouw naam”, stiel blijven zitten,’ waarschuwt Pierre. ‘Niet beweken, stenen kunnen kaan rollen. Pierre kaat touw alen uit roekzak.’ ‘Niet weggaan! Ik ben bang!’ schreeuwt “Jouw naam”. Ze begint weer te huilen, maar Pierre is al weg. ‘Ik ben er nog,’ roept “Naam jongen”. ‘Niet bewegen, “Jouw naam”! Pierre komt zo terug. Hij zal je eruit halen. Kijk maar niet naar beneden!’ “Naam jongen” krijgt zelf een draaierig 86


gevoel als hij naar “Jouw naam” en die enorme diepte onder haar kijkt. Wat een idioot om langs zo’n steile wand naar beneden te klimmen! ‘Heb je je pijn gedaan?’ roept hij. ‘Mijn handen. En de wond op mijn been.“Naam jongen”, die tak kraakt! Ik ben bang...’ “Jouw naam” probeert zich met haar voeten wat op te duwen. Een los­liggende steen klettert met veel lawaai naar beneden. “Jouw naam” gilt.‘Niet bewegen!’ schreeuwt “Naam jongen”. ‘“Naam jongen”, ik hou het bijna niet meer. Ik krijg kramp in mijn armen!’ ‘Jawel, jij bent hartstikke sterk! Onkruid vergaat niet, dat heb je zelf gezegd. Hou vol, “Jouw naam”!’ Pierre komt aangehold met een opgerold touw in zijn hand. Hij knielt neer bij een boomstronk en wikkelt het los. ‘Iek oop dat et lang kenoeg ies,’ zegt hij. Met een paar ­vlugge bewegingen knoopt Pierre het touw aan de stronk vast en trekt er een paar keer stevig aan, om te testen of het houdt. ‘“Jouw naam”!’ roept hij over de rand.‘Et touw komt naar beneden. Jij moet et pakken, dan ijs iek jou omoog!’ Pierre laat het touw zakken. “Naam jongen” ligt op zijn buik naast hem. Hij heeft nu echt pijn in zijn buik van de zenuwen. Hij beseft heel goed dat als “Jouw naam” verder naar beneden valt, het niet goed met haar afloopt. ‘Ik kan er niet bij!’ gilt “Jouw naam”.‘Ik durf de tak niet los te laten, hij kraakt...’ Op dat moment breekt de tak af. “Jouw naam” geeft een ijselijke gil en glijdt een paar meter verder naar beneden. Ze grijpt zich vast aan een struik. ‘Au!’ gilt ze. ‘Doornen, au! Hééélp!’ Een groot aantal stenen klettert achter elkaar de diepte in. Een paar meter onder “Jouw naam” gaapt een kloof; de wanden gaan steil en zonder richels naar beneden, naar het kol-

87


Het is altijd handig om een stuk touw bij je te hebben als je een flinke tocht gaat maken. Je kunt kunstvezeltouw nemen, dat rot niet zo snel, of natuurvezeltouw, dat beter te hanteren is als het koud is. Bewaar je touw netjes, dan heb je er meer plezier van:

Een platte knoop maken met twee stukken touw. (Niet gebruiken voor touw van verschillende diktes; dat gaat glijden)

De paalsteek Deze knoop maakt een lus die niet kan worden aangetrokken en niet zal slippen. Je kan ’m dus gebruiken aan het eind van een reddingslijn. De achtlus Deze knoop gebruik je om een stuk touw aan een paal of boom te bevestigen.


kende water. ‘Vastouden, “Jouw naam”! Iek kom je alen!’ ‘Wat?’ vraagt “Naam jongen” geschrokken. ‘Ga jij naar beneden? Dat is toch veel te gevaarlijk?’ ‘Et zal moeten,’ zegt Pierre. ‘Keen andere keuze. Pierre kan berkklimmen. Maar “Naam jongen” moet elpen. Kijk, iek ka nu naar ­beneden en doe touw om de borst van “Jouw naam”.’ Pierre trekt het touw omhoog. ‘En dan moet jij elpen met “Jouw naam” omook te trekken, dat doe jij zo.’ Pierre doet voor hoe “Naam jongen” het touw moet houden. ‘Bekrijp jij et?’ “Naam jongen” knikt, maar vraagt dan: ‘Kan ik dat dan wel houden?’ ‘Touw ies verankerd aan boom, kan nieks kebeuren.’ Hij haalt het tussen zijn benen door en slaat het met een lus over zijn schouders. Daarna controleert hij de knoop om de boom nog een keer en loopt dan naar de rand van het ravijn toe. “Naam jongen” pakt Pierre bij zijn mouw.‘Maar jij dan, Pierre, hoe kom jij naar boven?’ ‘Joellie laten et touw weer zakken en dan komt Pierre zelf omook,’ antwoordt Pierre. Hij geeft “Naam jongen” een knipoog. ‘Et zal koed kaan, wees maar niet onkeroest.’ ‘Pierre, schiet nou op, alsjeblieft, die struik houdt mij niet!’ schreeuwt “Jouw naam”. Er klinkt doodsangst in haar stem. Pierre geeft zijn strohoed aan “Naam jongen” en klimt voorzichtig over de rand. Hij laat zichzelf naar achteren glijden, totdat het touw strak staat. Dan laat hij zichzelf voetje voor voetje naar beneden zakken, terwijl hij het touw telkens een stukje laat vieren. “Naam jongen” kijkt angstig naar de boomstronk. Houdt die

89


het wel? Lager en lager gaat Pierre. Hoewel hij zich heel voorzichtig beweegt, kan hij niet voorkomen dat er zo nu en dan een losliggende steen naar beneden rolt. “Naam jongen” ligt op zijn buik naast de rand. Het zweet staat hem in zijn handen en hij is misselijk van angst. Als Pierre nu ook valt, wat moet hij dan? Nog een paar meter en dan is Pierre bij “Jouw naam”.Voorzichtig laat hij zich tot vlak naast haar zakken en plant zijn voeten stevig op een richel. ‘Nu moet jij eel roestiek blijven, “Jouw naam”. Iek ka et touw om jouw borst binden en dan ben jij veilik. “Naam jongen” trekt jou omook.’ “Jouw naam” knikt. Haar handen zitten onder het bloed en ze heeft een grote schram over haar wang. ‘Pierre, en jij dan...’ ‘Touw komt weer omlaak als jij boven bent. Pierre kan eel koed klimmen. Niet bang zijn,’ zegt Pierre en hij glimlacht geruststellend. Handig en snel maakt hij met één hand het touw om “Jouw naam” vast, terwijl hij zichzelf met de andere hand aan een uitstekende rotspunt vasthoudt. ‘Zo, ies koed. “Naam jongen”, trekken maar!’

90


Nog een ongeluk

“Naam jongen” doet het touw achter zijn rug langs zoals Pierre heeft voorgedaan. Dan haalt hij het in tot hij het strak voelt staan. ‘Koed zo,’ zegt Pierre. ‘Nu ka jij zelf klimmen, “Jouw naam”. Zet daar je voet neer en pak die steen daar vast.’ ‘Ik durf niet, ik durf de struik niet los te laten.’ ‘Jij durft dat wel, Pierre elpt je, toe maar.’ Hij ondersteunt haar voet en brengt haar hand omhoog. ‘Als jij uitklijdt, blijft jij ­angen aan et touw. “Naam jongen” oudt et vast en et zit ver91


ankerd aan een boom.’ “Jouw naam” klautert voetje voor voetje omhoog, terwijl “Naam jongen” er boven voor zorgt dat het touw strak blijft staan. Het gewicht is minder dan hij verwacht had. ‘Het kaat prima!’ roept Pierre bemoedigend.‘Trekken,“Naam jongen”, oud et touw kespannen.’ “Jouw naam” nadert langzaam de rand. Dan houdt ze stil om naar beneden te kijken. ‘Ka door!’ roept Pierre. ‘Je bent er bijna! Flienke meid!’ “Jouw naam” lacht door haar tranen heen. ‘Hup “Jouw naam”, nog een klein stukje!’ roept “Naam jongen” van boven. Op dat moment zet “Jouw naam” haar voet neer op een grote losliggende kei. De steen schiet weg en ketst naar beneden, gevolgd door nog een heel stel grote keien. Pierre geeft een harde schreeuw en “Jouw naam” glijdt een stuk omlaag. “Naam jongen” voelt een flinke ruk aan het touw maar kan zich nog op tijd schrap zetten. ‘“Jouw naam”, ik heb je! Gaat het goed?’ ‘Ja,’ gilt “Jouw naam” terug.‘Maar er is iets met Pierre... Ik geloof dat een stuk rots op hem is terechtgekomen!’ Met veel moeite hijst “Jouw naam” haar bovenlijf over de rand. “Naam jongen” laat het touw los en helpt haar verder. Als ze veilig naast hem zit, laat hij zich op zijn buik vallen en kijkt naar benden. ‘Pierre, Pierre, is alles goed?’ “Naam jongen” hoort Pierre kreunen. Hij ligt in elkaar gedoken tegen de rotswand aangedrukt. ‘Pierre, geef antwoord! Ben je gewond? Pierre!’ ‘Kooi touw naar beneden!’ roept Pierre. ‘Steen op skouder. Ies kebroken!’ ‘O, nee,’ roept “Jouw naam” in tranen. Ze grijpt “Naam jongen” bij zijn armen. ‘Mijn schuld. Allemaal mijn schuld. Hij 92


Deze techniek van afdalen heet abseilen. Doe het alleen als je door een deskundige begeleid wordt of in een situatie van leven of dood bent. Leg de lijn om een stevig ankerpunt. Test de knoop met je volle lichaams­ gewicht. Let op dat het touw niet over scherpe randen schuurt.

Houd het touw voor je vast met je linkerhand en achter je met je rechter. Laat de lijn rond je lichaam het gewicht dragen. Stap langzaam omlaag. Vier de lijn met één hand tegelijk.

Maak het touw met een paalsteek vast om de borst van de op te hijsen persoon. Zorg dat het touw boven goed verankerd is. Degene die hijst, doet dat zoals op de tekening.

Haal telkens met je rechterhand het touw in, trek met de linkerhand door. De klimmer klimt langzaam omhoog en degene boven zorgt dat de lijn gespannen blijft.


heeft mij gered en d­ adelijk valt hij naar beneden en dan is hij dood! “Naam jongen”, wat moeten we doen? Hoe kan hij nou klimmen met een gebroken schouder?’ ‘Hou op met dat gegil, mens! We moeten Pierre helpen.’ “Naam jongen” maakt de knoop om de borst van “Jouw naam” los en laat het touw naar beneden zakken. ‘Pierre, maak het touw om je borst vast, net zoals bij “Jouw naam”.’ Pierre heft zijn hoofd op en kijkt naar boven. Zijn gezicht is vertrokken van de pijn. Hij omklemt zijn gewonde schouder en “Naam jongen” ziet dat er bloed uit stroomt. ‘Pierre, hoor je me? Bind het touw vast om je borst.’ ‘“Naam jongen”, Pierre is toch veel te zwaar voor ons, dat houden we niet! We moeten hulp gaan halen!’ De stem van “Jouw naam” klinkt schril van paniek. ‘Idioot, waar dan? Weet jij de weg naar beneden? En Pierre houdt het niet lang vol daar! Kom naast me staan, touw achter je rug langs net als ik, en niet loslaten als je het inhaalt.’ “Naam jongen” knielt neer bij de rand. ‘Pierre, lukt het? Zit je vast?’ Pierre schudt zijn hoofd. ‘Kom op, Pierre! Je kunt het. Maak er een stevige knoop in!’ roept “Naam jongen”. ‘We gaan je ophijsen.’ Op dat moment schuift er een steen onder Pierres voeten weg. Hij slaakt een kreet. Ook “Jouw naam” gilt het uit en ze slaat haar handen voor haar ogen. Pierre heeft zich nog net op tijd vastgegrepen aan dezelfde doornstruik waar “Jouw naam” eerder aan hing. Het zweet loopt in stralen over zijn voorhoofd zijn hals in. ‘Pierre, pak het touw, het hangt vlak naast je,’ schreeuwt ­“Naam jongen”. Pierre duwt zich met één been op en grijpt met zijn goede arm het touw. Moeizaam en langzaam schuift hij het

94


onder zijn oksels door. “Naam jongen” hoort hem kreunen. ‘Goed zo. De knoop, Pierre! Zit je vast?’ Pierre knikt. ‘Probeer te klimmen, wij hijsen je op.’ Pierre knikt weer. “Naam jongen” springt op en loopt naar achteren. ‘Oké, “Jouw naam”, nu is het onze beurt. Zet je schrap.’ “Naam jongen” en “Jouw naam” halen zwetend en puffend het touw c­ entimeter voor centimeter in. De zon brandt op hun gezicht en er is geen zuchtje wind. Ze horen Pierre beneden zwoegen en ­hijgen. ‘“Naam jongen”, ik hou het bijna niet meer,’ roept “Jouw naam” benauwd. ‘Je moet, hou vol, trekken!’ hijgt “Naam jongen”.‘Hij is er bijna. Haal in die lijn.’ Het touw snijdt in zijn handen en ook “Naam jongen” kan het gewicht van Pierre nauwelijks dragen. Zijn knieën trillen vervaarlijk. Dan ziet hij tot zijn opluchting een hand aan de rand verschijnen. ‘Hou vast, Pierre!’ roept “Naam jongen”. Met de hulp van “Jouw naam” slaat hij het touw net zo lang om de stronk tot het weer strak staat. Dan rennen ze naar hem toe en trekken hem het laatste stuk omhoog. Pierre laat zich hijgend op zijn rug rollen en klampt zijn hand om zijn gewonde schouder. “Jouw naam” en “Naam jongen” knielen bij hem neer en kijken hem angstig aan. Pierre doet zijn ogen open. ‘Dat hebben joellie eel knap kedaan!’ zegt hij met een brede glimlach. “Jouw naam” lacht opgelucht. Uit haar zak haalt ze de sleutelhanger. Ze geeft er een klapzoen op en roept: ‘Zie je wel dat hij ­geluk brengt!’

95


Rood-witte strepen

‘Hé, kijk!’ roept “Jouw naam” opgewonden.‘Rood-witte strepen! We zijn weer op de GR.’ Pierre gaat op een boomstam aan de kant van de weg zitten. Ze hebben een uur of twee gelopen en hij ziet er bleek en vermoeid uit. “Naam jongen” doet de rugzak af en geeft de veldfles aan Pierre. ‘Gaat het wel?’ vraagt hij bezorgd. Pierre grijnst. ‘Kaat koed! Joellie ebben een eel mooi verband aankelekd!’ Hij klopt op zijn arm, die met een noodverband 96


op zijn borst vastgebonden is. ‘Gelukkig had jij je verbandspullen bij je,’ zegt “Jouw naam”. ‘Joellie zijn eel, eel dapper keweest. Joellie ebben mijn leven kered, Pierre ies zeer dankbaar en zal joellie nooit verketen!’ Zijn stem klinkt verdrietig. Hij wijst tussen de bomen door naar beneden. Tussen de bladeren, in de verte, is een kerktoren te zien. ‘Daar liekt Calenzana. Ies nok een kwartiertje lopen. Kienderen moeten nu alleen verder kaan.’ ‘Maar Pierre!’ roept “Naam jongen”.‘Je bent gewond! Je moet naar het ziekenhuis! Wij laten jou hier niet alleen achter.’ Pierre schudt zijn hoofd. ‘Nee, kienderen. Pierre kaat ier afskeid nemen van zijn lieve kasten!’ Hij staat op en probeert zijn rugzak om te doen. Op dat moment klinkt er luid geblaf. Pierre springt geschrokken overeind. “Jouw naam” grijpt zijn arm. ‘Pierre, wat is er?’ Het geblaf van de honden komt razendsnel dichterbij. Pierre ziet heel bleek. Drie herdershonden stormen woest blaffend de bocht van de weg om. “Jouw naam” en “Naam jongen” klampen zich geschrokken aan Pierre vast. Dan zien ze dat de honden aan lange lijnen vast zitten en gevolgd worden door politieagenten. Pierre doet twee stappen achteruit, alsof hij wil vluchten. ‘Merde, les flics,’ fluistert hij. Een uurtje later zitten “Jouw naam” en “Naam jongen” stralend achter een groot glas limonade en een schaal croissantjes op het politiebureau. De deur van het kantoortje vliegt open en de moeder van “Jouw naam” en Alexander stormen naar binnen, gevolgd door de ouders van “Naam jongen”. ‘“Jouw naam”!’ roept de moeder van “Jouw naam” en ze

97


klemt haar dochter tegen zich aan. De tranen lopen over haar wangen. ‘“Jouw naam”, lieverd, ik ben zo ongerust geweest! Ik was zo bang dat er iets met je gebeurd was! O, het spijt me zo dat ik zo naar tegen je gedaan heb!’ Dan ziet ze het verband om het been van “Jouw naam”. ‘Kind, je bent gewond!’ “Jouw naam” grijnst en bevrijdt zich uit haar moeders greep. ‘O, dat is niks hoor, enkel een schrammetje.’ De vader en moeder van “Naam jongen” rennen op hun zoon af en omhelzen hem stevig. ‘“Naam jongen”, jongen, wat ben ik blij dat je terecht bent!’ zegt zijn moeder, ook met tranen in haar ogen. ‘Waar waren jullie in hemelsnaam? Wat is er gebeurd?’ “Naam jongen” zet zijn bril recht en propt nog een croissantje in zijn mond.‘We waren in de bergen, verdwaald! En we hebben het overleefd dankzij onze vriend Pierre!’ ‘Pierre?’ vraagt zijn vader verbaasd. ‘Ja,’ zegt “Jouw naam” glunderend. ‘We werden overvallen door noodweer en toen ben ik bijna verdronken en toen heb ik “Naam jongen” ­gered uit een wilde-zwijnenval...’ ‘En ik heb jou uit het water gehaald...’ onderbreekt “Naam jongen” haar. ‘Nou, en we waren dus hartstikke de weg kwijt en het werd al avond, en toen kwamen we Pierre tegen, en die heeft ons meegenomen naar zijn hut, en ons te eten en te drinken gegeven! En ik dacht eerst dat hij een boef was, omdat hij een geweer had en een litteken en in zijn eentje in de bergen woont, en een kist met rare spullen had, maar hij is geen boef, hij is heel aardig en dapper en hij heeft mijn leven gered,’ besluit “Jouw naam” ademloos. Ze neemt een grote slok koude limonade. De grote mensen kijken elkaar verbaasd aan. ‘En toen hebben wij hém gered, uit het ravijn!’ roept “Naam

98


Als je op medische hulp moet wachten, of nog moet lopen, zoals Pierre, zorg dan dat gesloten breuken onbeweeglijk blijven. Gebruik een mitella als draagdoek.Als je die niet hebt, gebruik dan een trui of riem. Spalk nooit direct op een wond en laat knopen niet tegen het lichaam drukken. Hou de bloedcirculatie in de gaten.

Leg een draagdoek aan om het gewicht van het gebroken bot te verminderen. Maak de arm onbeweeglijk met een riem of verband.

Maak de onderarm onbeweeglijk met een spalk. Leg een mitella aan of gebruik een trui, zoals op de tekening. De arm moet schuin omhooggehouden worden om zwelling te voorkomen.

Spalk zoals op de tekening. Plaats wat zacht materiaal in de oksel. Maak een smalle draagdoek om de pols en bind de arm vast aan het lichaam.


jongen” triom­fantelijk. ‘Zo, zo... wat een avonturen!’ zegt de vader van “Naam jongen”. ‘Jullie moeten het straks allemaal nog maar eens rustig vertellen. En waar is die nieuwe vriend van jullie nu dan? Ik wil hem graag be­danken.’ ‘De gendarmes hebben hem meegenomen naar het ziekenhuis,’ antwoordt “Jouw naam”. ‘Hij wilde helemaal niet. Hij zei dat het vanzelf wel overging.’ ‘Wat overging?’ vraagt de moeder van “Jouw naam”. ‘Zijn schouder. Ik was in een ravijn gekieperd en toen hij mij kwam redden, kreeg hij een steen op zijn schouder.’ Het roodverbrande gezicht van “Jouw naam” vertrekt. ‘Dat was mijn schuld, maar ik deed het niet expres.’ Ze kijkt naar haar moeder. Die geeft haar een zoen. ‘Nee, natuurlijk niet, schat. Ik ben zo blij dat ik je weer heelhuids terug heb,“Jouw naam”. En ik heb zoveel nagedacht over ons...’ ‘Waar kwamen die honden eigenlijk vandaan?’ vraagt “Naam jongen”. ‘Toen jullie tegen de middag nog niet terug waren, hebben we de politie gewaarschuwd,’ zegt de moeder van “Jouw naam”. ‘De ober uit de ontbijt­zaal had jullie zien wegrennen. Wij zijn eerst samen gaan zoeken, maar we konden jullie niet vinden. Toen heeft de politie ook gezocht. Maar we vonden geen spoor...’ ‘Toen is er met een helikopter een stel speurhonden uit Calvi overgevlogen, want die hadden ze niet in Calenzana...’ vult de vader van “Naam jongen” aan. ‘Wow, wat spannend! Speciaal voor ons!’ zegt “Naam jongen” met schitterende ogen. ‘En toen?’ ‘Toen moesten we kleren van jullie halen, voor de geur, en hebben we met de honden gezocht tot het donker werd. En toen ging het niet meer, want er lag te veel dauw en de hon-

100


den konden het spoor niet goed meer ruiken.’ ‘We zijn ook de rivier over geweest,’ zegt “Jouw naam”.‘Daardoor raakten ze natuurlijk het spoor kwijt.’ ‘We hebben vannacht geen oog dichtgedaan,’ zegt de moeder van “Jouw naam”. ‘En vanmorgen vroeg zijn we weer gaan zoeken.’ ‘En toen liepen de agenten zo tegen ons aan!’ zegt “Naam jongen” stralend. ‘Allemaal dankzij Pierre! Als die ons niet gevonden had...’ Alexander, die tot nu toe nog niets gezegd heeft, schraapt zijn keel.‘Ik vind dat we met zijn allen naar het ziekenhuis moeten gaan, om die Pierre te bedanken!’ ‘Ja!’ juicht “Naam jongen”. “Jouw naam” staat op en klopt Alexander onhandig op zijn arm. ‘Het spijt me dat ik zo afschuwelijk tegen je gedaan heb, Alexander. Ik baalde gewoon en miste mijn vader.’ Alexander aait over de haren van “Jouw naam”. ‘Ik vind dat een prima idee,’ zegt de vader van “Naam jongen”. ‘We gaan de grootste en lekkerste taart kopen die we kunnen vinden en ook een paar flessen wijn en die maken we daar soldaat.We maken er een feestje van!’ Hij trekt beide kinderen lachend tegen zich aan. ‘Jongens, wat ben ik blij dat jullie weer veilig terug zijn. Maar doe dit nooit, nooit meer.’ De moeder van “Jouw naam” strijkt “Naam jongen” door zijn krullen. ‘Ik denk dat ze hun lesje wel geleerd hebben, hè “Naam jongen”?’ ‘Nou en of,’ zegt “Naam jongen” en hij grijnst naar “Jouw naam”. ‘Wij hebben hartstikke veel geleerd!’

101


Afscheid

“Naam jongen” en “Jouw naam” dragen ieder een grote doos met taart. De vader van “Naam jongen” heeft een fles champagne en Alexander draagt een ­hele doos met wijn. “Naam jongen” en “Jouw naam” hebben schone kleren aan. Ze zijn in het hotel in bad geweest en hebben een heerlijke warme maaltijd gekregen. En natuurlijk hebben ze in geuren en kleuren het hele verhaal verteld. ‘We moeten zijn op kamer...’ De vader van “Naam jongen” kijkt op het kaartje dat de receptioniste van het ziekenhuis hun heeft gegeven. ‘Op kamer E 32.’ ‘Dat is die gang in!’ roept “Naam jongen” en hij begint te rennen. Hij kan bijna niet wachten om Pierre voor te stellen aan zijn ouders. Hoe zou het met hem zijn? 102


‘Ho, ho, mannetje!’ roept zijn vader hem achterna. ‘Niet zo snel, dadelijk lig je met je neus in de slagroom!’ Plotseling staat “Naam jongen” stil. Voor kamer E 32 zit een politieagent op een stoel. Hij leest een krant. ‘Hè?’ zegt “Jouw naam”, die hem ingehaald heeft. ‘Een gendarme? Wat doet die hier nou?’ Een naar gevoel bekruipt haar. ‘Dat is inderdaad vreemd,’ zegt Alexander, die ook is komen aanlopen.‘Ik zal hem wel eens vragen of dit de goeie kamer is. Misschien heeft de receptioniste een fout gemaakt.’ Alexander loopt naar de agent toe, die meteen in de houding springt. Alexander en de man praten met elkaar, in het Frans. “Naam jongen” en “Jouw naam” verstaan er niets van, maar ze zien wel dat Alexander schrikt. Hij stelt op dringende toon een vraag. De agent aarzelt en kijkt naar de kinderen. Dan knikt hij. Alexander komt naar hen toegelopen. ‘Kom maar,’ zegt hij. ‘De schouder van Pierre is vanmorgen gezet en hij maakt het goed.We mogen naar binnen.’ ‘Waarom zit die agent voor zijn deur?’ vraagt “Jouw naam” ­argwanend. Alexander werpt een blik naar de andere grote mensen. ‘Dat vertel ik later wel. Kom, we gaan naar Pierre toe.’ “Naam jongen” en “Jouw naam” kijken elkaar met grote ogen aan. “Naam jongen” gooit de deur open. ‘Pierre!’ roept hij. ‘Hier zijn we, we komen je...’ Meteen klapt zijn mond dicht. Hij kijkt stomverbaasd rond. De anderen komen nu ook binnen. ‘Hij is weg!’ roept “Jouw naam”. De kamer is inderdaad leeg. Het raam staat open. “Naam jon-

103


Š Gerlinde de Geus

Na de Design Academy in Eindhoven vestigde Francine (Laren, 27 maart 1960) zich als zelfstandig industrieel ontwerper. Ze begon in 1990 met het ontwerpen, schrijven en illustreren van kinderboeken. Haar grote doorbraak kwam met de Hoe overleef ik...-serie. Ze heeft er negen keer op een rij de prijs van de Kinderjury mee gewonnen, vijf keer de Jonge Jury, plus verschillende andere prijzen. Naast de 13-delige serie zijn er o.a. Hoe overleef ik...taalgidsjes, survivalgidsen, een kookboek, spellen, schoolartikelen, (natuurlijke) lichaamsverzorgingsproducten en een tijdschrift. De Hoe overleef ik...-serie is verfilmd voor ­televisie en bioscoop en bewerkt als musical. In 2012 verscheen Hoe overleeft Rosa in New York? het eerste deel in de serie Rosa & Co, de opvolger van de Hoe overleef ik...serie. Meer informatie over Francine en haar werk vind je op www.hoeoverleefik.nl en op www.rosa-en-co.nl


In de webshop van Hoe overleef ik staan niet alleen de boeken, maar ook het tijdschrift, de school- en schrijfspullen, de spellen, de dvd, de kalenders en nog veel meer!


Andere boeken van Francine Oomen HOE OVERLEEF IK...

Hoe overleef ik mijn vakantie? (1998) Hoe overleef ik het jaar 2000? (1999) Hoe overleef ik de brugklas? (2000) Genomineerd door de Jonge Jury 2002 Hoe overleef ik mijn eerste zoen? (2001) Genomineerd door de Kinderjury 2002, Genomineerd door de Jonge Jury 2003 Hoe overleef ik mezelf? (2002) Prijs van de Kinderjury 2003, Hotze de Roosprijs 2004, Prijs van de Jonge Jury 2004 Hoe overleef ik een gebroken hart? (2003) Prijs van de Kinderjury 2004, Hotze de Roosprijs 2004, Prijs van de Jonge Jury 2005 Hoe overleef ik met/zonder jou? (2004) Prijs van de Kinderjury 2005, Hotze de Roosprijs 2005,Tina-Bruna-award 2005, Nickelodeon Award Best Children’s Book, Prijs van de Jonge Jury 2006 Hoe overleef ik mijn ouders? (en zij mij!) (2005) Prijs van de Kinderjury 2006, Genomineerd door de Jonge Jury 2007 Hoe overleef ik (zonder) liefde? (2006) Prijs van de Kinderjury 2007, Genomineerd door de Jonge Jury 2008 Hoe overleef ik met/zonder vrienden? (2007) Prijs van de Kinderjury 2008, Genomineerd door de Jonge Jury 2009 Hoe overleef ik mijn vriendje? (en hij mij!) (2008) Prijs van de Kinderjury 2009, Prijs van de Jonge Jury 2010 Hoe overleef ik (zonder) dromen? (2009) Prijs van de Kinderjury 2010, Prijs van de Jonge Jury 2011 Hoe overleef ik mijn vader? (en hij mij!) (2010) Prijs van de Kinderjury 2011, Genomineerd door de Jonge Jury 2012 Deze boeken zijn o.a. te koop via www.hoeoverleefikwebshop.nl


HOE OVERLEEF IK-STRIPBOEK

Annet Schaap maakte in 2012 een stripboek van het derde deel van de serie: Hoe overleef ik de brugklas? Lees en bekijk Rosa’s ­belevenissen in kleur!

ROSA & CO

Hoe overleeft Rosa in New York? is het eerste deel van de opvolger van de Hoe overleef ik...serie. Rosa werkt als au pair in New York en Neuz probeert in Berlijn zijn leven weer op de rails te zetten.Voor iedereen die wil weten hoe het verder gaat met Rosa en haar vrienden.

HOE OVERLEEF IK DE PUBERTEIT?

Voor alle pubers en degenen die van plan zijn dat te worden is er Hoe overleef ik de puberteit? Rosa geeft je goede raad en veel info over je buitenkant én je binnenkant. Met veel strips, mails, msn, tests, invulpagina’s, enquête-uitslagen en een ­heleboel onmisbare survivaltips.

HOE OVERLEEF IK VRIENDSCHAP & LIEFDE?

Rosa (die zelf al heel wat heeft meegemaakt) geeft goede raad over ruzie, nieuwe vrienden maken, jaloezie, pesten, onzekerheid, verliefdheid, je eerste én je laatste zoen en alles daartussenin! Opnieuw met veel strips, testjes, mails, msn, enquête-uitslagen en invulpagina’s! En natuurlijk heel veel onmisbare survivaltips.


HOE OVERLEEF IK SCHOOL?

Hoe overleef je stapels huiswerk, vervelende klasgenoten en saaie lessen? Kortom: hoe overleef je school? Met behulp van dit boek! Rosa geeft je goede raad en laat zien hoe je van je schooltijd een leuke tijd kunt maken. Met veel strips, mails, testjes en invulpagina’s. En natuurlijk een heleboel onmisbare survivaltips!

HOE OVERLEEF IK (ZONDER) GROEP 8?

Een invulboek voor iedereen die de basisschool gaat verlaten. Voor jezelf, om je eigen herinneringen in op te schrijven. En natuurlijk voor al je klasgenoten, je juffen en meesters. Zodat je ze nooit zult vergeten! Verder staat het boek boordevol survivaltips (voor de Cito-toets, het schoolkamp, de eindmusical, brugklas-stress en nog veel meer), mails met vragen en antwoorden en leuke tekeningen van Annet Schaap.

HOE OVERLEEF IK (ZONDER) VAKANTIEDAGBOEK?

Een dagboek vol inspirerende invulpagina’s. Met plaats om je vakantiebelevenissen op te schrijven, foto’s en andere herinneringen in te plakken, een handige vakantiekalender, ruimte voor adressen van je vakantievrienden en -vriendinnen, leuke ideeën en recepten en natuurlijk veel onmisbare survivaltips.Voor een onvergetelijke vakantie!


HOE OVERLEEF IK DOE-HET-ZELF KNUTSELBOEK

Borrel en bruis je van de creativiteit? (Of juist even niet?) Vind je het leuk om dingen zelf te maken, zoals cadeautjes? Knip, plak, knutsel en frutsel je graag? Dan is het nieuwe Hoe overleef ik...-doe-het-zelf knutselboek echt iets voor jou! In het boek staan meer dan twintig originele ideeën waarmee je meteen aan de slag kunt.

HOE OVERLEEF IK DOE-HET-ZELF MODEBOEK

Hou je van leuke, hippe kleren en accessoires, maar heb je ­weinig geld? Is je T-shirt, broek, of bloesje te klein, kapot of ben je erop uitgekeken? Vind je het leuk om je eigen kleding te ­ontwerpen en te maken? Dan is dit boek zeker iets voor jou! Geef je kleding een tweede leven. Pimp, combineer, ­versier, knip, naai, verleng, verkort en verander! Laat je creativiteit ­stromen en maak je eigen mode!

HOE OVERLEEF IK VAKANTIEGIDSJES

In deze vakantiegidsjes staat alles wat je nodig hebt om je ­zelfstandig te redden tijdens je vakantie in Frankrijk, Italië of Spanje. Met heel veel survivaltips!


HOE OVERLEEF IK...TIJDSCHRIFT

Hoe overleef ik zonder Hoe overleef ik...? Niet! Gelukkig verschijnt zes keer per jaar het Hoe overleef ik...-tijdschrift! Met verhalen over Rosa en haar vrienden, Ezzie’s eigen pagina’s, een strip over Rosa, een horoscoop, quizzen, testjes, interviews, leestips, inspirerende knutsel-ideeën, wedstrijden en weggeefacties. Superleuk vormgegeven en natuurlijk met veel survivaltips van Francine. Twee keer per jaar zijn er extra specials, zoals het zomer‑ en winter-doe-boek. Het tijdschrift is te koop in de supermarkt of tijdschriften­ winkel. Kijk voor abonnement-aanbiedingen (met welkomst­ cadeaus) op hoeoverleefik.nl/abonnementen.


600076284_176705_1.9.1.H


HOE OVERLEEF IK MIJN VAKANTIE?

“Jouw naam” “Achternaam” Special

“Jouw tekstregel - 1” “Jouw tekstregel - 2” “Jouw tekstregel - 3” “Groet afzender”


Francine Oomen

met tekeningen van Annet Schaap

Amsterdam · Antwerpen Em. Querido’s Uitgeverij BV


In dit spannende boek speelt “Jouw naam” de rol van Rosa, hoofdpersoon in de Hoe overleef ik...-serie. Deze gepersonaliseerde versie is mede mogelijk gemaakt in ­samenwerking met Personalgifts.nl Bestellen: www.personalgifts.nl Druk: ARSprintmedia Alle Hoe overleef ik...-artikelen zijn te koop in de webshop: www.hoeoverleefikwebshop.nl Copyright text © 1999 by Francine Oomen Copyright illustrations © 1999 by Annet Schaap Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Em. Querido’s Uitgeverij BV, Singel 262, 1016 AC Amsterdam. Omslag Studio 100% www.hoeoverleefik.nl www.queridokinderboeken.nl


“Naam jongen” en “Jouw naam”

‘“Jouw naam”! Voor de laatste keer: eet dat vlees op!’ “Naam jongen” gluurt over zijn schouder en kijkt dan met een rood hoofd gauw weer voor zich uit. Het meisje heeft in de gaten dat hij naar haar staart. Ze steekt haar tong naar hem uit. Zijn vader en moeder zijn druk bezig met eten en hebben niks in de gaten van de fikse ruzie die zich achter hun rug afspeelt. “Naam jongen” roert in zijn soep en spitst zijn oren. ‘“Jouw naam”! En nu is het genoeg!’ Pets! klinkt het door het restaurant. “Naam jongen” draait zich om.“Jouw naam” springt overeind en drukt een hand tegen haar wang. Ze heeft tranen in haar ogen. De stoel waarop ze zat klettert achterover op de grond. Een langslopende ober zet hem met een uitgestreken gezicht gauw weer overeind. Het geroezemoes in het restaurant verstomt en alle gezichten keren zich naar de tafel van “Jouw naam” en haar ouders.‘Stom mens!’ gilt “Jouw naam”.‘Ik haat je, ik haat je!’Woedend geeft ze een schop tegen de tafelpoot. Het glas wijn dat op tafel staat valt om en gulpt leeg over haar moeders witte jurk. “Jouw naam” draait zich om en rent de zaal uit. De vader van “Jouw naam” wil opstaan om haar achterna te lopen, maar haar moeder houdt hem tegen en zegt net iets te hard: ‘Laat haar maar in haar sop gaarkoken, dat vreselijke kind! Help mij liever met mijn jurk, Alexander!’ Ze werpt een kwade blik naar “Naam jongen”, die zich snel weer over zijn soep buigt. ‘Nou, als ik zo’n moeder had, zou ik het ook wel weten,’

5


mompelt hij. Zijn vader legt zijn mes en vork neer en veegt zijn mond af met een servet. ‘Ken jij dat meisje dan, “Naam jongen”?’ “Naam jongen” schudt zijn hoofd.‘Nee, maar haar moeder zat al de hele maaltijd op haar te mopperen, en gisteren heb ik ze in Bastia zien lopen. De vader en moeder liepen heel verliefd arm in arm en dat meisje sjokte met een gezicht als een oorwurm een heel eind achter ze aan.’ “Naam jongen” schuift zijn bord weg.‘Mag ik van tafel, mam?’ “Naam jongen”’ moeder aait hem door zijn krullen. ‘Ja hoor, schat. Ik begrijp best dat het saai voor je is om met twee van die oude sokken aan tafel te zitten.’ ‘Ho, ho,’ zegt zijn vader grinnikend en hij knijpt zijn vrouw in haar wang. ‘Correctie: één oude sok! Wil je geen ijsje meer, jongen?’ ‘Nee,’ zegt “Naam jongen”. ‘Ik ga even naar buiten, tot straks.’ Aan het tafeltje van de ouders van “Jouw naam” zit alleen nog de v­ ader; hij heeft een glas wijn in zijn hand en kijkt somber voor zich uit. Buiten haalt “Naam jongen” diep adem. De lucht is fris, de warmte van de dag begint weg te trekken. Het hotel waar ze logeren, ligt wat in de bergen, zodat het ’s avonds lekker afkoelt. Halverwege de trap zit een in elkaar gedoken figuurtje met een pet op: “Jouw naam”. “Naam jongen” aarzelt. Dan loopt hij naar haar toe en gaat naast haar zitten. ‘Ga weg!’ zegt “Jouw naam” kwaad. ‘Waarom? Ik mag hier toch ook zitten? Deze trap is niet van jou hoor.’ ‘Ik heb een pestbui en ik wil alleen zijn. Donder op!’ “Naam jongen” schuift een stukje van haar af en kijkt om-

7


hoog. ‘Mooie lucht, hè? En het ruikt hier zo lekker. Ik vraag me af hoe dat komt.’ “Jouw naam” zwijgt. “Naam jongen” keert zich naar haar toe. ‘Mijn vader en moeder zeggen dat het altijd goed is om te praten over wat je dwarszit. Dat lucht op.’ ‘Pffft,’ blaast “Jouw naam”.‘Bof jij even. Als ik een pestbui heb, zegt mijn moeder dat ik bij haar uit de buurt moet blijven.’ “Naam jongen” zet zijn brilletje af en ademt op de glazen, dan

8


poetst hij ze schoon met de rand van zijn T-shirt. ‘Zijn ze echt zo erg?’ vraagt hij voorzichtig. “Jouw naam” kijkt de andere kant op. ‘Mijn moeder is vreselijk. Mijn vader is hartstikke aardig, maar die is er niet.’ Haar stem klinkt een beetje raar. ‘Hij zit gewoon binnen aan tafel hoor,’ zegt “Naam jongen”. “Jouw naam” kijkt hem fel aan. ‘Die kerel is mijn vader niet.’ ‘Wie is hij dan?’ “Jouw naam” haalt met veel lawaai haar neus op. ‘Die kwijlebal is de vriend van mijn moeder. Ze is verliefd op hem geworden en toen moest mijn vader weg van haar. Hij woont niet meer bij ons. Zo, nou weet je het.’ “Naam jongen” zet zijn bril weer op. ‘Wat rot voor je.’ “Jouw naam” veegt haar neus af aan haar blote arm. Hij hoort haar slikken. ‘Dan mis je je vader nu zeker wel,’ zegt “Naam jongen”. “Jouw naam” staat op en steekt haar hand tussen de kaken van de ­stenen leeuw die op het terras staat. ‘Pffff, helemaal niet. Ik red me prima in mijn eentje, hoor! Ik heb niemand nodig.’ “Naam jongen” springt overeind. ‘Pas op, “Jouw naam”, kijk uit!’ gilt hij. Geschrokken trekt “Jouw naam” haar hand terug en ze kijkt om zich heen. ‘Corsicaanse leeuwen zijn ongelofelijk bloeddorstig,’ grinnikt “Naam jongen”. ‘Bedank me maar, want ik heb je leven gered!’ “Jouw naam” schiet in de lach.‘Haha! Zo’n klein mannetje en dan een mensenredder zeker!’ ‘Zo kan-ie wel weer,’ zegt “Naam jongen” en hij recht zijn rug. ‘Ik ben dan wel niet zo groot, maar mijn herseninhoud is enorm. In ieder geval kun je nog lachen.’ “Jouw naam” gaat weer zitten. Ze friemelt aan iets in haar zak.

9


‘Ik verveel me te pletter hier. Mama heeft alleen maar aandacht voor die stomme vent en mij laat ze stikken. Ze zitten de hele dag met zijn tweeën te slijmen en te zoenen. Getver, op hun leeftijd. Ik schaam me dood.’ Ze zucht en gluurt naar “Naam jongen”. ‘En jij? Hoe zijn jouw ouders?’ ‘Best tof,’ antwoordt “Naam jongen”. ‘Maar ik vind het hier ook nogal saai.Vakanties zijn meestal saai. Mijn vader is al best oud. Hij zit het liefst in een boek of krant te lezen, samen met mijn moeder. En ze kletsen over van alles en nog wat waar ik niks van snap. Maar ze zijn wel lief, hoor. Ze praten ook veel met mij. En je kunt best met ze lachen.’ “Naam jongen” springt overeind en maakt een karateschop in de lucht. ‘Maar ik, ik wil avontuur! Spanning en sensatie. Ik wil van alles meemaken! Met mijn blote handen slangen wurgen, op be­renjacht gaan, diepzeeduiken, parelvissen, op kamelen rijden...’ ‘Er zijn geen kamelen op Corsica, slimmerd. En parels volgens mij ook niet. Het is hier alleen maar duf, suf en saai. O, hoe overleef ik deze vakantie?’ kreunt “Jouw naam”. “Naam jongen” springt vier treden naar beneden, struikelt in het gras, krabbelt weer overeind en zegt met een stralend gezicht: ‘We gaan er zelf iets leuks van maken. Met zijn tweeën.’ ‘Hoe dan?’ vraagt “Jouw naam” ongelovig. ‘Samen schelpen zoeken op het strand zeker.’ ‘Nee,’ zegt “Naam jongen” geheimzinnig.‘Ik heb een veel beter plan.’ Hij draait zich langzaam om en wijst naar de donkere bergen.

10


Vertrek

‘Nee, joh, niet zoveel. Dat valt op!’ “Naam jongen” legt twee croissantjes terug op de schaal en steekt snel nog een handvol jambakjes in zijn rugzak. ‘Kom op,’ sist “Jouw naam” en ze trekt “Naam jongen” weg van het ontbijtbuffet. ‘Zo is het wel genoeg, dadelijk komt er iemand binnen!’ “Naam jongen” en “Jouw naam” hollen de ontbijtzaal uit. Als ze buiten het hotel in een steegje staan, zegt “Naam jongen” hijgend:‘Wat zeur je nou? We stelen toch niet? Dit is gewoon ons ontbijt!’ “Jouw naam” haalt twee blikjes cola uit de zak van haar trainingsjack. ‘Hier, doe open, deze heb ik uit het ijskastje van onze hotelkamer gejat.’ Nieuwsgierig kijkt ze in de rugzak van “Naam jongen”. ‘En wat heb jij allemaal meegenomen voor onze overlevingstocht? Chocola, mmm. Een stuk touw, lucifers. Wow, wat een gaaf zakmes!’ ‘Er zitten wel tien dingen in,’ zegt “Naam jongen” trots. ‘Heb ik voor mijn verjaardag gekregen. Mijn pa en ma sliepen nog, ik heb een briefje achtergelaten. Jij ook?’ “Jouw naam” kijkt met een kwaad gezicht de andere kant op. ‘Nee, mijn moeder interesseert het toch niet waar ik uithang. Die heeft het veel te druk met Alexander. Waar gaan we eigenlijk naartoe?’ “Naam jongen” diept uit zijn rugzak een boekje op. ‘We gaan een stuk van de GR 20 lopen. Dat is een wandelpad dat door heel Europa en ook over Corsica loopt. Je kunt het herkennen

11


aan de rood-witte strepen die overal op geverfd zijn.Volgens het boekje begint het pad achter de kerk.’ ‘Puf, ik ben nou al moe,’ zucht “Jouw naam” een halfuur later. Ze staan op een rotsblok en kijken uit over Calenzana dat aan hun voeten ligt. ‘Geef mij eens een stuk chocola.’ “Naam jongen” protesteert: ‘Maar we zijn net onderweg! Het avontuur begint pas!’ Hij breekt de reep chocola doormidden en geeft “Jouw naam” de helft. ‘Mijn helft bewaar ik, voor als ik echt energie nodig heb.’ ‘Ik hou eigenlijk helemaal niet van lopen,’ zegt “Jouw naam”. ‘Je wordt er alleen maar moe van.’ ‘Pff, jij bent zeker zo’n tv-zuignap. Kom op, we klimmen nog een stuk verder.Volgens het boekje gaat de weg dadelijk steil omhoog. Lekker spannend!’ “Jouw naam” kijkt bezorgd naar de lucht.‘Wat jij lekker spannend noemt. Heb je die wolken daarachter gezien?’ “Naam jongen” doet zijn rugzak weer om en begint te lopen. ‘Ach wat, het is hier altijd mooi weer. Jij laat je toch zeker niet bang maken door een buitje?’ Even later vraagt hij: ‘Hoor jij wat ik hoor?’ “Jouw naam” kijkt om zich heen. ‘Ik hoor niks. De krekels maken een hoop herrie, maar dat is alles.’ “Naam jongen” kijkt in zijn boek en naar het rood-witte teken dat op een rotsblok naast de weg is geverfd.‘Ik hoor water,’ zegt hij.‘En dat klopt, want het staat ook in het boek. Het is de rivier de Arg... Arghioa of zoiets.’ ‘Ik wil terug,’ zegt “Jouw naam” dreinerig. ‘Mijn voeten doen pijn.’ ‘Zeurpiet, kom op, ik wil het water zien!’ roept “Naam jongen”. Even later staan ze voor de rivier. Het water is glashelder en

12


overal steken er grote rotsblokken bovenuit. Langs de randen staan bloemen. Het water stroomt snel en vormt hier en daar diepe poelen. “Jouw naam” gaat op haar buik op een warme steen liggen en steekt haar hand in het ijskoude water. ‘Hé “Naam jongen”, kom eens kijken! Er zitten hier hele grote vissen.’ “Naam jongen” knielt naast haar neer. ‘Wow, te gek, wat zouden dat zijn? Kabeljauwen?’ ‘Nee, joh,’ zegt “Jouw naam” lachend. ‘Die zitten toch alleen in zout water?!’ “Naam jongen” moet er ook om lachen. ‘En in vissticks.’ Hij doet zijn gympen uit en stopt ze in de rugzak. ‘Ik ga de rivier oversteken. De GR gaat aan de overkant verder.’ ‘Wacht even!’ roept “Jouw naam” opgewonden. ‘Hier ben ik

13


goed in, in stenen springen.’ “Jouw naam” en “Naam jongen” springen van steen tot steen en spetteren elkaar nat. Ze gillen van het lachen en gaan via de rotsblokken steeds verder de rivier op. ‘Joho! Ik ben een berggeit!’ gilt “Jouw naam” en ze maakt een geweldige sprong.‘En ik een rivierkangoeroe!’ roept “Naam jongen”. Plons! Daar belandt hij met een been in het water.‘Natte broek! Tien strafpunten!’ hijgt “Jouw naam” als ze aan de overkant zijn.‘Ik vind het toch wel leuk,“Naam jongen”.Als het spannend is, vind ik het tof. Als we moeten klimmen en springen, niet saai rechtuit lopen.Waar gaat de weg nu verder?’ “Naam jongen” kijkt in zijn boek. ‘Uuuh...’ Zoekend laat hij zijn blik ronddwalen. Ze zijn in een dal en voor hen rijst een groot bos op. ‘Ik denk dat het pad tussen de bomen daar loopt,’ zegt hij weifelend. ‘Zie jij de tekens?’ “Jouw naam” trekt haar gymschoenen weer aan. ‘Volgens mij zie ik daar iets, achter die rotsen.We lopen nog een klein stukje en dan draaien we om, goed?’ ‘Luister eens,’ zegt “Jouw naam”. ‘Wat gek, de krekels zijn uit.’ Ze staan midden tussen de bomen en het is heel stil. De lucht is zwaar en geurig. ‘En donker is het ook,’ zegt “Naam jongen”. Plotseling schiet er een felle bliksemflits door de bomen, die wordt gevolgd door een krakende donderslag. ‘Shit! Daar is je buitje, “Naam jongen”! Leuk, hoor!’ roept “Jouw naam”. “Naam jongen” grijpt haar arm. ‘Ik ben bang voor onweer! Dadelijk worden we nog door een bliksemstraal getroffen, daar kun je hartstikke dood aan gaan. Wat moeten we nou doen?’

14


Als je een flinke wandeltocht gaat maken, zijn goede schoenen erg belangrijk. Stevige gympen kunnen ermee door, maar hoge bergschoenen met een paar dikke sokken zijn beter.

Trek in de zomer dunne katoenen kleren aan. Een korte broek en een T-shirt zijn prima om in te wandelen. Als de zon erg fel is, is het verstandig om een dun T-shirt met lange mouwen en een dunne lange broek te dragen. Zo verbrand je minder snel. Neem een dikke trui mee voor als het ’s avonds afkoelt. Als je niet zeker bent van het weer, neem je ook een lichtgewicht regenpak mee.

Neem alleen het hoogst noodzakelijke mee en zorg dat alle dingen waterdicht verpakt zijn. De dingen waar je snel bij moet kunnen, zoals je mes en je kompas, stop je in de zijvakjes.De zware spullen stop je onderin, de lichtere boven. Hier zijn wat dingen die je niet mag vergeten.


Cola en jam

“Naam jongen” krimpt in elkaar en houdt zijn rugzak boven zijn hoofd. Opnieuw doorklieft een bliksemflits de lucht en een oorverdovende donderslag davert in hun oren. ‘We moeten schuilen!’ roept hij.‘Getver, ik ben nu al helemaal doorweekt. Kom onder deze boom, “Jouw naam”. Hier is het droger.’ Klabam! Weer een flits, met een enorme klap meteen erna. “Jouw naam” gilt naar “Naam jongen”: ‘Nee, joh! Stommerd! Niet onder een boom! Je mag nooit bij iets hoogs gaan staan als het onweert.’ Verschrikt springt “Naam jongen” bij de boom weg. ‘Maar waar moeten we dan heen? Er zijn hier alleen maar hoge dingen! We zitten midden in een groot klere-bos!’ “Jouw naam” pakt hem bij zijn hand.‘Kom mee, rennen! Hier, de helling af, naar een lager punt. Pas op!’ “Naam jongen” glijdt uit in een stroom modder die van de berg af komt en trekt “Jouw naam” in zijn val mee. Een paar meter lager komen ze tegen een boomstronk tot stilstand. De donderslagen en de bliksemflitsen volgen elkaar steeds sneller op. “Jouw naam” drukt haar handen tegen haar oren. ‘Blijven liggen! Plat op de grond!’ roept ze boven het lawaai uit. ‘Het onweer is nu recht boven ons!’ Angstig drukt “Naam jongen” zijn gezicht in de modder. De regen klettert met grote, lauwe druppels op hen neer. Het lijkt eeuwen te duren voordat het onweer afneemt. Hij hoort “Jouw naam” zachtjes naast zich tellen. Na een tijdje gaat ze rechtop zitten en schudt hem aan zijn schouder. ‘Kom maar weer overeind, meneer de avonturier,

16


het trekt weg. Het is nu niet gevaarlijk meer.’ “Naam jongen” kruipt kreunend overeind. “Jouw naam” moet hard lachen. “Naam jongen”’ bril zit onder de modder. ‘Haha, onze held, een moddermonster met bril!’ Boos geeft “Naam jongen” haar een stomp. ‘Doe niet zo suf, mens. We hadden wel in tweeën gekliefd kunnen worden door die rotbliksem!’ ‘Kom op, laten we geen ruziemaken nu, ik wil naar huis,’ zegt “Jouw naam”. Ze trekt “Naam jongen” overeind.‘Ik vond het ook hartstikke eng, hoor.Weet jij waar de rivier is?’ “Naam jongen” poetst zijn bril schoon en zet hem weer op zijn neus. ‘Ik denk verder naar beneden, daar komen we ’m vast weer tegen.’ ‘Ik draag de rugzak wel,’ zegt “Jouw naam”. Het regent gestaag door, maar niet meer zo hard als in het begin. “Jouw naam” en “Naam jongen” klappertanden in hun dunne zomerkleren. Na een halfuurtje staan ze bleek en bibberend voor een woeste, bulderende, bruine massa. ‘Dit is een andere rivier!’ roept “Jouw naam” geschrokken. ‘We zijn fout gelopen! Dit kan helemaal niet! Het was een mooie, rustig kabbelende stroom. En moet je dit nu zien!’ “Naam jongen” staart met open mond naar het kolkende water. ‘Het is geen andere rivier, dat kan niet. Er stond helemaal geen andere rivier op de kaart!’ Hij vist het natte boekje uit de druipende rugzak van “Jouw naam”. ‘Gatver! De rugzak is niet waterdicht. Hier hebben we niks meer aan!’ Woedend smijt hij het boekje op de grond. ‘En dit en dit!’ Zompige, uit elkaar vallende croissantjes vliegen in het

17


rond. ‘Stom rotavontuur!’ gilt “Naam jongen”. ‘Ik wil voor de tv zitten en naar cartoons kijken! Avontuur is helemaal niet leuk in het echt!’ “Jouw naam” raapt het boekje op. ‘Rustig nou maar. Kom op, we gaan een schuilplaats zoeken. Ik heb het ijskoud. Volgens mij zijn daar spleten tussen de rotsen; daar kunnen we zitten tot het droog wordt.’ Ze trekt “Naam jongen”, die woedend in de natte croissantjes staat te trappen, met zich mee. “Jouw naam” bukt zich en tuurt naar binnen.‘“Naam jongen” kom! Dit is een grot, hier is het droog!’ “Naam jongen” bukt zich ook en kruipt naar binnen. Hij trekt zijn sweater over zijn hoofd en wringt hem uit. ‘Brrr,’ bibbert hij. ‘Kkk... koud... en


het stinkt hier.’ ‘Het is in ieder geval droog,’ zegt “Jouw naam”. Ze kijkt rond. Het is schemerdonker, overal liggen stukken hout en grote keien en het lijkt of de grot naar achteren toe hoger wordt. ‘We zouden een vuurtje kunnen stoken,’ zegt ze rillend. ‘Om onze kleren te drogen.’ Ze graait in de rugzak en haalt er een plakkerig doosje lucifers uit. ‘Nou “Naam jongen”, kom maar op met je tondeldoos, want hier hebben we niks meer aan. Dat wordt dus picknicken. Met cola en jam.’ ‘Op,’ zegt “Naam jongen” en hij knijpt het blikje in elkaar. ‘Hoe wist jij dat eigenlijk, van die bliksem en wat je dan moet doen?’ “Jouw naam” likt een jambakje uit. ‘Van mijn vader, wij gingen wel eens wandelen in de Ardennen. Met zijn tweetjes.’ Haar gezicht betrekt en ze knippert een paar keer met haar ogen. “Naam jongen” ziet het. ‘Zie je je vader nog wel eens?’ vraagt hij voorzichtig. “Jouw naam” springt op en stoot meteen haar hoofd. ‘Au!’ roept ze.‘Klotestenen! Klote-Corsica!’ Ze klapt dubbel en met tranen in haar ogen wrijft ze heftig over haar hoofd. “Naam jongen” slaat een arm om haar heen. ‘Hé “Jouw naam”, huil je?’ “Jouw naam” wurmt zich los. ‘Nee, natuurlijk niet. Hoe kom je erbij? Ik lach me een ongeluk. Mijn kop doet gewoon pijn, dat begrijp je toch wel?’ Ze komt half overeind en kruipt verder de grot in. ‘Ik ga even kijken wat daar is.’ ‘Pas maar op,’ zegt “Naam jongen”. ‘Ik vind dat het hier raar ruikt. In zulke grotten zitten wel eens sabeltandtijgers of wolven.’ ‘Pfff, schijterd! Wie wilde er met beren vechten?’ schampert 19


Je kunt een heleboel over het weer te weten komen door goed naar de lucht te kijken. Eerst een paar algemene tips: * Als de insectenetende vogels (zoals zwaluwen) hoog vliegen, wordt het mooi weer.Vliegen ze laag, dan is er slecht weer op komst. * Een rode ochtendhemel kan op regen duiden. * Een dennenappel gaat open bij mooi weer en dicht bij slecht weer. * Hoge wolken betekenen goed weer, lage wolken slecht weer.

* De eerste regel bij onweer is: zorg dat je uit de buurt van hoge dingen blijft, zoals bomen. * Bliksem treft altijd het hoogste object. Begeef je snel naar een zo laag mogelijk punt en ga plat op de grond liggen. * Hou geen metalen voorwerpen in je hand en blijf weg van metalen bouwsels en hekken. * Een grot is een goede plek om te schuilen, maar ga er zo diep mogelijk in zitten. Blijf niet bij de opening, dat is gevaarlijk.


“Jouw naam” en ze verdwijnt in het schemerdonker van de grot.

21


De oversteek

“Naam jongen” zit ineengedoken bij een steen. Hij probeert een bladzijde van het natte Corsica-boekje om te slaan, maar de pagina is doorweekt en scheurt. Stik, denkt hij. Ik heb “Jouw naam” niet verteld dat er twee routes w ­ aren. Een makkelijke en een zware. En dat wij die zware hebben genomen. En er stond ook dat het heel gevaarlijk is om met slecht weer op het pad te lopen en dat je makkelijk kunt verdwalen als je de tekens kwijtraakt... Plotseling klinkt er een ijselijke gil van achter uit de grot. De kreet weerkaatst tegen de wanden en vermenigvuldigt zich. Dan klinkt er een enorm geraas. ‘Iiiieek! Help!’ schreeuwt “Jouw naam”. ‘“Naam jongen”! Bukken!’ Wooooesj! Opeens is “Naam jongen” omhuld door een wolk van wild klapperende en fladderende vleugels. Hij laat zich op de grond vallen en slaat zijn armen om zijn hoofd. Meer en meer zwarte dingen komen er op hem af, scheren rakelings langs hem heen en verdwijnen door de opening van de grot naar buiten. Het hart van “Naam jongen” bonst in zijn keel en hij durft zich niet te verroeren van angst. Dan voelt hij een por in zijn rug. ‘Huuu!’ gilt hij met overslaande stem. ‘Mamaaaa! Hééélp!’ ‘Hé, joh! Kom overeind, ik ben het maar,’ zegt “Jouw naam” grinnikend. “Naam jongen” doet zijn ogen open. ‘W... wa... wa...’ ‘Vleermuizen,’ zegt “Jouw naam”. ‘Ik schrok me ook een ongeluk. Er hing daar een hele kudde vleermuizen ondersteboven te maffen. Ze zijn nog erger geschrokken dan wij, denk 22


ik.’ “Naam jongen” komt met een kwaad gezicht overeind. ‘Jij ook altijd met je stomme geintjes. Kon je niet gewoon hier blijven zitten!’ ‘Jij wou toch avontuur?’ vraagt “Jouw naam” met een onschuldig gezicht. ‘Nou, een avontuur zul je hebben,’ snauwt “Naam jongen”.‘Wat jij alleen niet weet, is dat avontuur pas leuk is als je het kan navertellen! Kom op, volgens mij regent het niet meer.’ Een waterig zonnetje breekt door de wolken heen. “Naam jongen” en “Jouw naam” staan rillend in hun natte kleren aan de rand van de rivier en staren naar het bruisende, bruine wa-

23


ter. ‘Hier komen we nooit overheen,’ zegt “Jouw naam” met een somber gezicht. ‘We moeten wel, de weg terug naar het dorp ligt aan de andere kant. Als we dat pad niet vinden, verdwalen we geheid.’ “Naam jongen” loopt een stuk naar beneden naar een plek waar een aantal door de stroom meegespoelde boomstammen dwars op het water liggen. ‘Misschien hier?’ ‘En dan?’ vraagt “Jouw naam”. ‘Verderop zijn rotsen, maar ze liggen een heel eind uit elkaar en het water stroomt enorm hard!’ ‘Ja, ik weet het ook niet.We kunnen hier moeilijk gaan z­ itten wachten tot het water weer zakt. Misschien duurt dat wel ­dagen!’“Naam jongen” kijkt op zijn horloge.‘En het is al halfdrie, we moeten echt terug. Het is nog een heel stuk lopen.’ ‘Ik heb honger,’ kreunt “Jouw naam”. ‘Hebben we nog iets?’ “Naam jongen” grijpt in de natte rugzak en haalt een doosje pinda’s tevoorschijn. ‘We hebben geluk, deze zijn vacuüm verpakt.’ “Naam jongen” pakt zijn zakmes en wipt er een mesje uit. Hij prikt het harde plastic zakje door en schudt de helft van de nootjes in de hand van “Jouw naam”. Ze kauwen zwijgend en kijken somber naar het water. Ten slotte zegt “Naam jongen”: ‘Nou, we moeten het maar proberen.’ Hij gooit het plastic en het doosje van de pinda’s op de grond en doet de rugzak weer om. ‘Hé, ben jij nou gek? Je gooit toch geen rommel in de natuur!’ roept “Jouw naam” verontwaardigd. Met een rood hoofd raapt “Naam jongen” de spullen op en stopt ze in zijn zak. “Jouw naam” springt op de eerste kei. Spetters water en schuim vliegen om haar oren. ‘Nou, nat zijn we toch al,’ roept ze over haar schouder. ‘Dat scheelt.’ Voorzichtig test ze met haar voet de boomstammen die tussen de volgende keien in 24


Allereerst: een rivier oversteken kan heel gevaarlijk zijn. Doe het dus niet als het niet nodig is. Probeer vooral niet door het water te waden of te zwemmen als de temperatuur erg laag is. IJskoud water kan fataal zijn! Als je toch een rivier moet oversteken, bestudeer de volgende dingen dan eerst goed: * Kijk eerst of er aan de overkant een geschikte plek is om eruit te klimmen. Een kiezel- of een zandstrandje, of takken waaraan je je kunt optrekken. * Stel de kracht van het stromende water vast door er een stuk drijfhout in te gooien. Zo zie je ook of er draaikolken of verborgen obstakels zijn.

Een golfrand die op dezelfde plaats blijft. Hier ligt iets onder water, bijvoorbeeld een rotsblok.

Een ding dichter onder de waterspiegel zorgt voor wer­ velingen aan het wateropper­ vlak. Er kan een gevaarlijke, naar beneden gerichte tegenstroom zijn.

* Steek altijd tegen de stroom in over, dan word je minder makkelijk omgetrokken. * Schuifel zijwaarts, met je rug naar de stroom toe, en neem geen grote stappen. *Test iedere plek waar je je voeten wilt zetten. * Probeer je kleren droog te houden. * Steek een flink stuk verder stroomopwaarts over dan waar je wilt uitkomen, omdat de stroom je meetrekt.


het water liggen. ‘Pas op,’ waarschuwt “Naam jongen”. Hij springt achter haar aan. ‘Het houdt wel, hoor!’ roept “Jouw naam”. De rivier maakt zo veel lawaai dat ze elkaar nauwelijks kunnen verstaan. ‘En hoe nu verder?’ vraagt “Naam jongen”. Ze zijn ongeveer halverwege de rivier en staan op een grote platte steen. Vlak in de buurt zijn geen keien meer te zien waarop ze kunnen springen. ‘Terug?’ roept “Jouw naam” met een benauwd gezicht. Ze klemt zich aan “Naam jongen” vast. ‘Laat los!’ roept “Naam jongen”, die bijna zijn evenwicht verliest. ‘Nee, niet terug, we zijn nu al op de helft.’ Hij bukt zich, houdt zich vast aan de rand van de steen en stapt met één been in het water. ‘Gek! Wat ga je doen?’ gilt “Jouw naam” geschrokken. ‘Ik ga door het water waden. Het kan, kijk, het komt maar tot mijn bovenbeen!’ roept “Naam jongen” terug. ‘Kom, geef me je hand.’ Aarzelend zet hij zijn andere been in de bruisende massa. ‘Maar pas op, het is heel glad!’ ‘Jezus, wat is het water koud! Ik bevries!’ gilt “Jouw naam”. ‘Het komt ook rechtstreeks uit de bergen. Hou me goed vast!’ Plotseling staat “Naam jongen” tot zijn middel in het water. “Jouw naam” gilt. ‘Ik durf niet verder! Stop “Naam jongen”, ik wil terug!’ ‘Nog een klein stukje, we zijn er bijna!’ schreeuwt “Naam jongen” boven het lawaai van het brullende water uit. ‘Jij bent langer dan ik. Kom maar, het gaat best, nog drie stappen...’ Op dat moment glijdt “Jouw naam” uit. Haar hand schiet uit die van “Naam jongen”, ze gaat kopje-onder en wordt dan meegesleurd door de kolkende stroom...

26


Gered

‘“Jouw naam”! “Jouw naam”!’ gilt “Naam jongen” in paniek. Hij doet een paar grote stappen, glijdt ook uit, weet zich nog net vast te houden aan een boomstam en klautert tegen de steile kant van de rivier op. Meteen begint hij stroomafwaarts te rennen. ‘“Jouw naam”, “Jouw naam”!’ Hij staat stil en kijkt om zich heen. Door de tranen in zijn ogen kan hij bijna niets meer zien. Dan ziet hij een stuk verderop het hoofd van “Jouw naam” boven water ­komen. ‘“Jouw naam”! Hou je vast! Aan de stenen! Ik kom eraan!’ “Naam jongen” ziet dat “Jouw naam” door de stroming met een smak tegen een grote kei aan gegooid wordt. Ze schreeuwt en er loopt bloed over haar voorhoofd. “Naam jongen” springt glibberend en glijdend van steen tot steen. ‘Hééélp! “Naam jongen”! Ik hou het niet meer!’ schreeuwt “Jouw naam” wanhopig. ‘Hou vast, ik kom eraan!’ “Naam jongen” bukt zich. De steen waar “Jouw naam” tegenaan hangt, is te ver weg. Hij moet weer het water in. Haastig laat hij zich zakken. Het water zuigt met een enorme kracht aan zijn benen en haalt hem bijna onderuit. ‘“Naam jongen”! Ik krijg kramp!’ huilt “Jouw naam”. “Naam jongen” steekt zijn hand uit. Bijna, bijna... Dan schiet “Jouw naam” los van de steen, ze spoelt tussen twee rotsen door en wordt een heel eind naar beneden gesleurd. ‘“Jouw naam”!’ gilt “Naam jongen”. 27


Hij hijst zich met veel moeite uit het water. Zijn handen en voeten zijn stijf van de kou; er zit bijna geen gevoel meer in. Hij klimt over een grote rots heen en kijkt naar beneden. Twee meter lager ligt “Jouw naam”. Ze heeft zich half uit het water getrokken en klampt zich vast aan een grote boomstam. Tot zijn verbazing zit haar pet nog op haar hoofd. ‘“Jouw naam”! Ik kom eraan!’ “Naam jongen” laat zich van de rots af glijden en springt het laatste stuk naar beneden. Kraaatsj! doet zijn T-shirt als hij achter een tak blijft hangen. Hij bukt zich en sjort “Jouw naam” omhoog. ‘Au! Mijn been, voorzichtig!’ gilt “Jouw naam”. “Naam jongen” trekt haar verder op de kant. Geschrokken staart hij naar

28


haar kuit. Behalve dat die blauw van de kou is, loopt er een diepe, rafelige, hevig bloedende snee over. ‘“Jouw naam”, je bloedt ook op je hoofd!’ roept hij half huilend. ‘Wat moeten we nou doen?’ “Jouw naam” veegt het bloed van haar gezicht en voelt aan haar hoofd. ‘Dit is niet zo erg, geloof ik, ik voel er nauwelijks iets van. Maar mijn been doet pijn!’ Ze drukt de randen van de snee tegen elkaar aan. ‘“Naam jongen”, we moeten het verbinden, het bloedt hartstikke!’ “Naam jongen” rukt zijn T-shirt over zijn hoofd en trekt het langs de scheur die er al in zat in twee stukken. Hij kijkt met afgrijzen naar de snee. ‘Bind het er nou omheen!’ zegt “Jouw naam”. “Naam jongen” bijt op zijn lippen. Met één deel van het T-shirt veegt hij het bloed rondom de wond weg. ‘Au!’ gilt “Jouw naam”, ‘schiet op! Niet frunniken, maar dichtbinden!’ Ze pakt het stuk T-shirt uit “Naam jongen”’ hand en trekt het stijf om haar been heen. Haar gezicht is vertrokken van de pijn. “Naam jongen” bindt ook het andere stuk van zijn Tshirt strak om het been van “Jouw naam”. “Jouw naam” slaakt een diepe zucht en schuift wat omhoog, naar een droger stuk grond. ‘Pfff, ik dacht echt dat ik er was geweest.’ Ze tast naar haar rug. ‘O, jee, de rugzak is weg... Je zakmes...’ “Naam jongen” voelt in zijn zak. ‘Dat heb ik nog, ik heb het na die pinda’s niet teruggedaan. Die rugzak is helemaal niet erg. Er zat alleen nog maar een halve reep chocola in en dat doorweekte boekje... Jee “Jouw naam”, wat ben ik blij dat je nog leeft.’ ‘Onkruid vergaat niet,’ grinnikt “Jouw naam” met een zuur gezicht. ‘Weet je nog dat ik me gisteren afvroeg hoe ik mijn vakantie zou overleven?’ 29


Haal altijd hulp als het ernstig is. Kleine verwondingen kun je zelf behandelen.

Maak de wond schoon met een antiseptisch gaasje of (gekookt) water en zeep.

Druk met een steriel gaas­je even op de wond om het bloeden te stelpen.

Doe op de wond een pleister die groot genoeg is om de hele wond te bedekken.

Als een snijwond diep is en er is niemand in de buurt die je kan helpen, kun je hem zelf dichttrekken door middel van zwaluwstaartjes. Die knip je uit een pleister, zoals op het voorbeeld is aangegeven. Plak het zwaluwstaartje aan één kant van de snee en trek hem van daaruit strak naar de andere kant, zodat de twee wondhelften tegen elkaar aan komen.Wikkel er daarna een verband omheen.Werk altijd met schone handen! Draag goed passende schoenen en dikke sokken om blaren te voorkomen.Als je een blaar hebt en er zit erg veel vocht in, kun je hem doorprikken met een steriele naald. (Haal een veiligheidsspeld een paar keer door een vlam.) Maak de blaar schoon en druk het vocht er met een antiseptisch gaasje uit. Bescherm de blaar met een pleister die groot genoeg is om de hele blaar te bedekken.


“Naam jongen” grinnikt ook. Dan betrekt zijn gezicht. ‘Maar we zijn er nog niet.’ “Jouw naam” schudt haar hoofd. ‘Nee, we moeten zo snel mogelijk proberen het pad terug te vinden. Maar eerst wil ik even op-drogen. Ik ben blij dat de zon weer schijnt.’ Dan valt haar blik op “Naam jongen” blote bovenlijf.‘Hé, waar zijn jouw kleren gebleven?’ ‘Mijn T-shirt houdt het vel van jouw been op zijn plaats en, en... en mijn sweater heb ik in de grot laten liggen...’ ‘Handig,’ zegt “Jouw naam”. ‘Ik doe mijn T-shirt en mijn trainingsjack wel even uit, dan leggen we die te drogen op die rots daar. Jij mag dadelijk wel een van de twee aan.’ “Naam jongen” bloost als hij ziet hoe “Jouw naam” haar natte spullen uittrekt. ‘Au, mijn hoofd,’ kreunt “Jouw naam”. ‘Het doet toch wel pijn.’ Ze trekken ook allebei hun broek uit en leggen die naast het jack en het T-shirt in de zon. “Naam jongen” doet zijn best om niet naar “Jouw naam” te staren, maar hij kan het niet laten. “Jouw naam” merkt het.‘Hé joh, kijk een andere kant op. Heb je nog nooit een bloot meisje gezien?’ ‘Alleen mijn moeder,’ zegt “Naam jongen”. ‘Ik heb geen zus. Ben jij ook enig kind?’ ‘Ja,’ zegt “Jouw naam” en voelt aan haar been. De lap stof die eromheen zit, is inmiddels al flink doordrenkt met bloed. Ze hijst zichzelf moeizaam overeind. ‘Kun je erop staan?’ vraagt “Naam jongen” bezorgd. ‘Het is niet gebroken,’ zegt “Jouw naam” bleekjes. ‘Het gaat wel. Kom, laten we ons aankleden. Dan kunnen we het pad gaan zoeken.’

31


Ruzie

‘Ik wou dat ik een kompas had,’ zegt “Naam jongen”. ‘Dan wisten we tenminste welke kant we op moeten. Ik heb het ge-

voel dat we rondjes lopen.’ ‘Het schijnt dat je ook met een horloge je koers kunt bepalen,’ zegt “Jouw naam”. ‘Geef het jouwe eens.’ Ze houdt het horloge van “Naam jongen” rechtop voor zich en draait het dan ondersteboven. ‘Uuuhm, dan moet je, geloof ik, de grote wijzer naar de zon richten, offe... juist omgekeerd, de kleine

32


wijzer...’ “Naam jongen” kijkt haar hoopvol aan. Zijn gezicht is roodverbrand door de zon en zijn krullen plakken op zijn voorhoofd. ‘Ik weet het eigenlijk niet,’ zucht “Jouw naam”. ‘Mijn vader heeft het me wel eens verteld, maar ik ben het vergeten.’ “Naam jongen” doet met een teleurgesteld gezicht zijn horloge weer om. ‘Laten we naar een hoger punt gaan, want hier in het dal zien we niks. Overal bossen en rotsen, en alles lijkt op elkaar.’ ‘Oké, maar niet te snel, die wond doet hartstikke pijn.’ “Naam jongen” kijkt naar haar been. ‘Het bloeden is volgens mij wel gestopt,’ zegt hij. ‘Kom nou maar,’ zegt “Jouw naam”. ‘Ik red me wel.’ ‘Waar is dat prachtige uitzicht nou?’ moppert “Jouw naam” na een uur. Het zweet loopt in straaltjes van haar voorhoofd af en vermengt zich met de opgedroogde bloedstrepen. ‘Wat een waardeloos idee. Nu zijn we vast en zeker nog verder van het pad af. En we zijn al die tijd nog niemand tegengekomen. Hoe kan dat nou? Het hele eiland zit vol toeristen en uitgerekend hier is geen kip te bekennen!’ ‘Die zitten allemaal aan het strand.’ “Naam jongen” voelt voorzichtig aan zijn verbrande nek. ‘Als gebraden kippetjes. En zo voel ik mij ook. Als een gebraden kip met een zonnesteek. Ik zou trouwens een moord doen voor een gebraden kip. Ik verrek van de honger.’ ‘Kom eens, hier staan bramen,’ roept “Jouw naam”. “Naam jongen” rent naar haar toe. ‘Niet doen, gek! Die dingen kunnen wel giftig zijn! Ze zien er heel anders uit dan thuis.’ ‘Ik ken deze, het zijn dauwbramen,’ antwoordt “Jouw naam”

33


met volle mond. Nadat ze een poosje zwijgend hun mond volgepropt hebben, mompelt “Naam jongen”: ‘Ik neem terug dat je een saaie tvzuignap bent,“Jouw naam”. Jij weet hartstikke veel van de natuur.’ “Jouw naam” gaat zitten en veegt haar mond af. ‘Tjonge, wat had ik een honger. Eigenlijk rammel ik nog steeds. En ik heb ook enorme dorst.’ ‘Wat dacht je van mij?’ zegt “Naam jongen”. ‘Ik word een beetje misselijk van die dingen. Misschien zijn ze toch giftig.’ ‘Ja, dat zijn ze ook, over een kwartier val je na vreselijke buikkrampen morsdood neer.’ “Naam jongen” verslikt zich en spuugt een mondvol blauwe prut uit. ‘Grapje.’ “Naam jongen” haalt opgelucht adem en gaat naast haar zitten. ‘Jij bent zeker de leukste thuis. Dus je vader heeft je al die dingen over de natuur geleerd?’ ‘Ja,’ antwoordt “Jouw naam” en ze peutert een pitje tussen haar tanden uit. “Naam jongen” gaat naast haar zitten en pakt zijn zakmes. Na veel gezoek trekt hij er een klein pincetje uit en begint daarmee in zijn hand te pulken. “Jouw naam” kijkt hem vragend aan. ‘Doorn,’ zegt “Naam jongen” en hij steekt zijn duim omhoog.‘Vertel eens wat over je vader, “Jouw naam”. Hoe ziet hij eruit?’ “Jouw naam” aarzelt. Dan diept ze uit haar broekzak een sleutelhanger op. Er zit een plastic fotolijstje aan. Ze kijkt er zelf even naar en geeft hem dan aan “Naam jongen”. ‘Deze sleutelhanger brengt me geluk.’ In het lijstje zit een pasfoto van een vriendelijk uitziende man.

34


Hij heeft hetzelfde haar als “Jouw naam”, en een brede glimlach. “Naam jongen” geeft hem terug. ‘Ziet er aardig uit. Lijkt me wel een toffe gozer.’ ‘Hij is hartstikke aardig,’ zegt “Jouw naam”. ‘Hij begrijpt mij tenminste. Mijn moeder begrijpt me helemaal niet. “Jouw naam” doe dit,“Jouw naam” doe dat,“Jouw naam” gedraag je, “Jouw naam” trek iets netters aan, “Jouw naam” eet die biefstuk op. Het interesseert haar geen bal wat ík wil of wat ík vind. Ik doe nooit iets goed in haar ogen. Ik moet zijn zoals zij wil dat ik ben...’ “Jouw naam” is steeds harder gaan praten. Plotseling houdt ze op. Ze veegt boos een traan weg uit haar ooghoek. ‘Ach, laat ook maar.Wat kan jou het schelen?’ Ze stopt de sleutelhanger weer in haar zak. ‘Zullen we verder gaan?’ “Naam jongen” knikt. ‘Het kan me wel wat schelen, hoor. Daar zijn vrienden toch voor? Om mee te praten?’ “Jouw naam” kijkt alsof ze hem niet gelooft en krabbelt overeind. ­“Naam jongen” wil haar omhoogtrekken. “Jouw naam” schudt zich los.‘Blijf van me af. Ik heb niemand nodig.’ “Naam jongen” haalt zijn schouders op. ‘Zoals je wilt. Welke kant zullen we opgaan?’ Hij kijkt om zich heen. De zon staat laag boven de bergen en het begint al af te koelen. ‘Zal ik je eens wat vertellen? We zijn hartstikke verdwaald.’ ‘Alsof ik dat niet weet,’ antwoordt “Jouw naam” nors. ‘En het is jouw schuld.’ ‘Hoe kom je erbij?’ roept “Naam jongen” boos. ‘Trut! Jij zit altijd te zeuren en andere mensen de schuld te geven. Ik heb toevallig wel je leven gered, of ben je dat alweer vergeten? Je hebt me er niet eens voor bedankt!’ ‘Puh, ik was er zelf ook wel uitgekomen, hoor!’

35


Als je een horloge draagt, is het heel makkelijk om daarmee het noorden en het zuiden te bepalen. Dat gaat zo: Richt de kleine wijzer naar de zon. Het zuiden ligt precies tussen de kleine wijzer en de twaalf-uurpositie in. Het noorden ligt dus daar tegenover Als je je op het zuidelijk halfrond bevindt, is het precies omgekeerd.

Al deze vruchten zijn in Europa in het wild te vinden en heel gezond. Maar bij twijfel... niet opeten!


‘Jeetje, wat ben jij een ondankbaar monster!’ ‘En jij bent een stomme opschepper, die denkt dat-ie alles het beste weet! Kwal! Mislukte spoorzoeker!’ Als twee kemphanen staan “Jouw naam” en “Naam jongen” tegenover elkaar, met hun armen in hun zij. ‘En je moet niet denken dat ik nog één keer doe wat jij zegt!’ schreeuwt “Jouw naam”. ‘Je lijkt mijn moeder wel! Ik zoek het verder zelf wel uit! Als we hier doodgaan in de bergen is het jouw schuld!’ ‘Fijn, zoek het maar uit, tuthola! Ga je gang, ik hoop dat je opgevreten wordt door een beer! Alhoewel die je waarschijnlijk niet eens zal lusten!’ “Naam jongen” draait zich om en beent met een woedend gezicht weg.

37


De val

“Jouw naam” gaat op een grote kei zitten en verbergt haar gezicht in haar handen. Ze huilt van woede en moeheid. De wond op haar been klopt. Na een poosje veegt ze de tranen uit haar ogen en kijkt om zich heen. De laatste stralen van de zon werpen lange schaduwen en de lucht begint dieproze te kleuren. Ze snuift. Het ruikt heerlijk. Een zware, kruidige geur. Als ze niet verdwaald was, zou ze het hier prachtig vinden. Die stomme “Naam jongen” met zijn stomme ideeën. Was haar vader er maar, die zou zeker weten wat ze moesten doen. Dan hoort ze geritsel in een bosje verderop. ‘Ja “Naam jongen”, leuk hoor, kom maar tevoorschijn!’ Er gebeurt niets. “Jouw naam” staat op en gooit een steen naar het bosje. Plotseling staat ze oog in oog met een groot stekelig beest. Het houdt zijn kop laag bij de grond en kijkt haar met kleine oogjes woest aan. Het heeft enorme slagtanden aan weerszijden van zijn bek. “Jouw naam” verstijft van schrik. Is het een beer? Nee, het lijkt meer op een varken. Een wild, woest varken. Ze doet een stap achteruit. Het beest krabt met zijn hoef op de grond en snuift. Uit de bosjes klinkt nog meer geritsel. Het hart van “Jouw naam” klopt in haar keel. Ze denkt snel na. Weglopen? Dat beest is natuurlijk veel sneller dan ik. En als ik zo’n slagtand in mijn buik krijg... Naast het wilde varken steekt nu een klein, nieuwsgierig snoetje tussen de bladeren door, gevolgd door nog een, en nog een.“Jouw naam” laat haar adem ontsnappen en grinnikt. Maar het moederbeest geeft een grauw en komt op “Jouw 38


naam” af. “Jouw naam” deinst achteruit. ‘S... sorry... ik doe je kinderen niks, hoor... Ik... ik ben vegeta­riër...’ Dan klinkt er opeens een harde schreeuw verderop. Het wilde zwijn schrikt, maakt rechtsomkeert en verdwijnt in de bosjes, gevolgd door haar zwart-wit gestreepte kroost. “Jouw naam” haalt opgelucht adem. Opnieuw klinkt de gil. ‘“Jouw naam”, hèèèlp!’ klinkt het van ver weg. Het is de stem van “Naam jongen”. “Jouw naam” keert zich

39


om en hinkt zo snel als ze kan in de richting van het geluid. Ze glijdt uit over een losliggende kei en kan zich nog net met haar handen opvangen. ‘Au, shit!’ mompelt ze. ‘“Jouw naam”!’ “Naam jongen” stem klinkt heel raar. “Jouw naam” schreeuwt: ‘Ik kom, ik kom!’ De stem van “Naam jongen” komt van tussen de bomen. “Jouw naam” baant zich een weg door het struikgewas. ‘Waar ben je, “Naam jongen”?’ ‘Hèèèlp, hier!’ “Jouw naam” staat stil en kijkt hijgend om zich heen. ‘Waar?’ roept ze. ‘Ik zie je niet!’ ‘Hier!’ gilt “Naam jongen” met overslaande stem. ‘Schiet nou op!’ Dan ziet “Jouw naam” hem. “Naam jongen” hangt ondersteboven en bungelt ongeveer een meter van de grond in de lucht. “Jouw naam” barst in lachen uit. ‘Hé, “Naam jongen”, grote indiaan! Wat ben je aan het doen? Speel je voor Tarzan? Hier is Jane, ik kom je redden!’ ‘Maak me onmiddellijk los!’ Het gezicht van “Naam jongen” is vuurrood en hij heeft geen bril meer op. Het trainingsjack hangt half over zijn gezicht heen. ‘Stomme trut! Dit doet pijn, hoor! Ik zit in een val! Au! Maak me los! Dadelijk knapt mijn voet af!’ “Jouw naam” houdt op met lachen. ‘Maar hoe maak ik je dan los?’ ‘Met mijn zakmes, natuurlijk! Schiet op, ik hou het niet meer!’ “Naam jongen” graait in zijn zak. Gelukkig zit het mes er nog in. “Jouw naam” pakt het aan.‘Ik krijg het niet open, au, mijn nagel.’ De ogen van “Naam jongen” puilen nu bijna uit zijn hoofd. ‘“Jouw naam”, schiet nou op!’ 40


Dieren zijn aan hun pootafdrukken te herkennen. Hier zijn een paar voorbeelden.

Jonas was terechtgekomen in een val die bestemd was voor grotere dieren, zoals zwijnen en herten. Hij werkt zo: Wanneer een dier het aas aan het uiteinde van de stok pakt of ertegenaan loopt, komt deze stok los en vliegt het kleine stokje met de strop en het dier omhoog.

Dit is een eenvoudige konijnenstrik. Maak hem van ijzerdraad. De lus moet een vuistbreedte wijd zijn. Bevestig hem vier vingers boven de grond. Zet natuurlijk nooit vallen voor de lol, alleen als je echt dringend voedsel nodig hebt.


‘Aha, nee, fout, kurkentrekker, daar hebben we nu niks aan,’ mompelt “Jouw naam”. ‘Er zit een zaag aan! Zoek de zaag!’ roept “Naam jongen” wanhopig. ‘Ik heb hem, ik heb hem. Hang even stil!’ “Jouw naam” begint aan het touw te zagen. Het is nylonkoord en dat is erg taai.‘Zoek de zaag, zoek de zaag,’ zingt ze. Dan knapt het touw. Bonk! Met een dreun komt “Naam jongen” op de harde rotsgrond terecht. Hij maakt een halve koprol en blijft dan doodstil met zijn gezicht in de bladeren liggen. “Jouw naam” ziet wat bloed op zijn hoofd. Ze schudt hem door elkaar. ‘“Naam jongen”, “Naam jongen”, hoor je me?’ “Naam jongen” reageert niet. Ze barst in tranen uit. ‘“Naam jongen”! “Naam jongen”, niet doodgaan! “Naam jongen”! Laat me niet alleen!’Voorzichtig probeert ze hem op zijn zij te ­rollen. Dan ziet ze dat “Naam jongen” een brede grijns op zijn gezicht heeft. Ze geeft hem een stomp. ‘Zak pinda’s! Je bent heus niet leuk, hoor! Ik ben me een ­ongeluk geschrokken!’ “Naam jongen” gaat grinnikend overeind zitten en wrijft over zijn pijnlijke enkel. Hij stroopt zijn sok omlaag. Er zit een ­diepe, blauwpaarse striem op. ‘Had je mij maar niet moeten uitlachen, Jane.’ “Jouw naam” gaat met haar rug tegen een boom zitten en werpt hem een vernietigende blik toe. “Naam jongen” tast om zich heen. ‘Hé, boze tor, help even mijn bril zoeken, ik zie helemaal niks zo.’ ‘Net goed,’ zegt “Jouw naam”. Ze draait zich demonstratief om en vouwt haar armen over elkaar. “Naam jongen” kruipt op handen en voeten tussen de struiken door. ‘Stik, waar is die bril nou. Als-ie maar niet kapot is...’

42


Plotseling voelen zijn handen iets glads, iets vreemds. Geschrokken kijkt “Naam jongen� omhoog.

43


Pierre

Boven “Naam jongen” uit torent een man. In zijn ene hand heeft hij een geweer. In zijn andere hand bungelt het brilletje van “Naam jongen”. “Naam jongen” verstijft van schrik. “Jouw naam” springt overeind. De man zwijgt en kijkt de kinderen vragend aan. Hij heeft zware wenkbrauwen, die zijn gezicht een vervaarlijke uitdrukking geven. Zijn gezicht is ongeschoren, hij heeft een ­oude strohoed op en zijn kleren zijn vele malen hersteld. Over 44


zijn wang loopt een lang, wit litteken. “Naam jongen” graait de bril uit zijn handen en krabbelt naar “Jouw naam” toe. De man zet zijn rugzak neer, keert zijn rug naar hen toe en loopt naar de kapotgesneden strik. “Jouw naam” wijst met een trillende vinger naar de rugzak. ‘K... kijk “Naam jongen”,’ fluistert ze bijna onhoorbaar. “Naam jongen” ziet het ook. Er zit bloed aan de rugzak. ‘“Naam jongen”... het is een moordenaar...’ “Jouw naam” grijpt de hand van ­“Naam jongen”. ‘Ssst... niet zeggen!’ sist “Naam jongen”. ‘Het is een Fransman, hij kan ons toch niet verstaan. We ­moeten ervandoor,“Naam jongen”, snel, voordat het te laat is.’ De man zit nu gebukt op de grond en is met een mes bij het andere gedeelte van de val bezig. Zijn geweer ligt naast hem op de grond. ‘Zal ik zijn geweer pakken?’ sist “Naam jongen”. ‘Doe niet zo idioot, gek! Je bent James Bond niet. Rennen!’ “Jouw naam” draait zich om en zet het op een lopen. “Naam jongen” aarzelt even en holt dan achter haar aan. ‘Arrêtez! Stop, alt of iek skiet!’ galmt opeens een zware stem door het bos. “Naam jongen” en “Jouw naam” blijven stokstijf staan en steken hun handen in de lucht. In de verte klinkt alleen het schreeuwen van een uil. Dan barst er vlak achter hen een bulderend gelach los. ‘Krapje, hahaha!’ “Jouw naam” kijkt “Naam jongen” niet-begrijpend aan. Ze houdt nog steeds haar armen omhoog. ‘Krapje?’ fluistert ze. ‘Hij is getikt!’ sist “Naam jongen”. ‘Een gevaarlijke gek!’ Ze horen hoe de man dichterbij komt. Plotseling worden ze allebei onder hun armen gekieteld. “Jouw naam” geeft een gil. ‘Ieiek! Blijf van me af, griezel!’

45


“Naam jongen” draait zich razendsnel om en springt in een ­karatehouding. De man staat met zijn handen in zijn zij te lachen. Zijn geweer hangt over zijn schouder. ‘Kienderen, niet bang zijn. Iek ben keen moordenaar en ook keen kriezel! Iek ben Pierre.’ Hij grijpt in zijn rugzak en trekt er een dode haas uit. Uit de bek van het beest druppelt een straaltje bloed. ‘Getverdemme, dierenbeul!’ roept “Jouw naam”. “Naam jongen” geeft haar een duw. ‘Dimmen, joh!’ De man legt zijn geweer en de haas op de grond. ‘Pierre moet ook eten,’ zegt hij verontschuldigend. Dan wijst hij naar de bergrug, waar net de zon achter verdwenen is. ‘Kienderen moeten niet weklopen, ies koud ’s nakts in de berken.Verdwalen ies balen.’ “Jouw naam” en “Naam jongen” schieten in de lach. ‘Hoe komt het dat jij Nederlands kunt?’ vraagt “Jouw naam”. Pierre grijnst.‘Iek ben jarenlang kraanmakiniest keweest, in de avens van Rotterdam. Daar eb iek Nederlands keleerd.’ ‘Ik ben “Naam jongen” en zij heet “Jouw naam”,’ zegt “Naam jongen”.‘Wij zijn verdwaald en we moeten terug naar Calenzana, naar onze ouders. Die zijn vast heel ongerust.’ Pierre schudt zijn hoofd. ‘Kan niet meer.’ ‘Hoezo niet?’ vraagt “Jouw naam” wantrouwig en ze doet een stap achteruit. ‘Ies te laat, Calenzana ies nok eel lang lopen. Ien donker lopen ies kevaarlijk.’ Hij wijst naar de bebloede lap om het been van “Jouw naam”. ‘Ben jij kewond?’ ‘Nee, hoor, schrammetje,’ antwoordt “Jouw naam”. ‘Niet waar,’ zegt “Naam jongen” verontwaardigd. ‘Ze heeft een heel ­diepe snee in haar been. Ze was bijna verdronken in de rivier.’ ‘Ai, Arghioa veel water. Eel veel water uit berken naar benee.’

46


Als je door onverwachte omstandigheden een nacht moet doorbrengen in de natuur, is het heel belangrijk om een goede schuilplaats te vinden of te maken, als bescherming tegen wind, regen en kou. * Zoek eerst een geschikte plek: uit de wind, op een zo droog mogelijk terrein. * Niet te dicht bij water, omdat dat plotseling kan stijgen. * Ga niet bij mieren- of bijennesten liggen, en ook niet op een wildspoor. Als je helemaal geen materiaal bij je hebt, maak je gebruik van wat er voorhanden is. Een jonge naaldboom kun je ombreken zoals op de tekening.Weef er andere takken doorheen om de afdekking te verdichten.

Een omgevallen boomstam kan goede bescherming bieden. Graaf een kuil aan de kant die uit de wind ligt en maak er een dak tegenaan van takken en graspollen. Als je een stuk plastic bij je hebt, kun je zo een tent maken.


Pierre knielt naast “Jouw naam” neer en wikkelt voorzichtig de lappen eraf. Het gezicht van “Jouw naam” vertrekt van de pijn maar ze geeft geen kik. ‘Ai, dat ziet er niet koed uit, meisje. Even zitten.’ Gehoorzaam gaat “Jouw naam” op een boomstam zitten. Pierre loopt terug naar zijn rugzak en haalt uit een zijvak een blikken trommeltje met een elastiekje eromheen. Hij gaat naast haar zitten en maakt het open. ‘Altijd verband­ spullen meenemen ien berken.’ Hij bekijkt de wond van dichtbij. ‘Moeten eikenlijk een paar ektingen in,’ zegt hij hoofdschuddend. “Jouw naam” trekt haar been verschrikt terug. ‘Ammehoela! Jij gaat mijn been niet dichtnaaien, hoor!’ ‘Nee, nee, keen bang,’ zegt Pierre. Hij pakt een schaartje en een rolletje pleister.Van de pleister knipt hij vijf zwaluwstaartjes. ‘Eerst ien beetje priek,’ zegt Pierre en hij houdt een flesje ­jodium omhoog. ‘Tandjes op elkaar!’ “Jouw naam” doet haar ogen dicht en klemt haar kiezen op elkaar. ‘Eel flienk,’ zegt Pierre goedkeurend. “Naam jongen” klopt “Jouw naam” op haar schouder. ‘Flienke meisje!’ “Jouw naam” werpt hem een kwaaie blik toe. Dan plakt Pierre vaardig de wond met de pleisters aan elkaar en draait er een schoon verband omheen. ‘Dank je wel,’ zegt “Jouw naam” bijna onhoorbaar. Terwijl Pierre zijn spullen opbergt, kijken “Jouw naam” en “Naam jongen” ­elkaar aan. ‘En nu?’ vragen ze allebei tegelijk.

48


De villa van Pierre

‘En noe kaan kienderen met mij mee,’ zegt Pierre en hij hijst de rugzak op zijn rug. Het geweer zwaait hij over zijn schouder. ‘Waarheen?’ vraagt “Jouw naam”. ‘Naar de mooie villa van Pierre,’ antwoordt Pierre met een brede grijns. ‘Vannakt zijn joellie mijn kasten.’ ‘Jouw kasten?’ lacht “Naam jongen”. ‘Ja, mijn kasten. Pierre keeft joellie eten, dan slapen en dan morkenvroek afdalen naar Calenzana.’ “Naam jongen” en “Jouw naam” kijken elkaar aan. ‘Nou, graag,’ zegt “Naam jongen”. “Jouw naam” stoot “Naam jongen” aan en schudt heftig van nee. ‘Wat moeten we dan?’ sist “Naam jongen”. ‘In het donker ronddwalen en in een ravijn vallen?’ “Jouw naam” trekt “Naam jongen” een stuk achteruit, zodat Pierre niet kan


horen wat ze zegt. ‘Ik vertrouw die vent niet. Ik vind het eng.’ ‘We zijn toch met zijn tweeën? We hebben geen keus, “Jouw naam”.’ “Naam jongen” loopt naar Pierre toe. ‘We gaan graag mee. We zijn heel moe en we hebben de hele dag bijna niks gegeten en gedronken.’ Pierre trekt uit een ander zijvakje van zijn rugzak een ­veldfles tevoorschijn en biedt die hun aan.‘Ien berken moet je ook altijd water bij ebben. Berkstroompjes zijn vaak opkedrookt ien zomer.’ “Naam jongen” en “Jouw naam” drinken om de beurt gulzig. ‘Kom, noe kaan we,’ zegt Pierre. ‘Ies nok alfuurtje stappen.’ Pierre loopt voorop. Hij lijkt de weg feilloos te kennen. ‘Ik ben benieuwd naar die villa van hem,’ fluistert “Jouw naam”. “Naam jongen” fluistert terug: ‘Ik hoop dat er een zwembad bij zit.’ ‘En een mooie badkamer, ik voel me ongelofelijk smerig!’ Na een kwartier begint “Jouw naam” achterop te raken. ‘Pierre, wacht even,’ roept “Naam jongen”. ‘“Jouw naam” houdt het niet bij.’ Pierre draait zich om. “Jouw naam” staat dubbelgebogen en houdt kreunend haar been vast. Pierre doet zijn rugzak af en geeft die aan “Naam jongen”. ‘Kom maar op de ruk van Pierre.’ “Jouw naam” schudt haar hoofd. ‘Ik kan best lopen. Ik moet gewoon even uitrusten.’ ‘Toe nou,“Jouw naam”, doe niet zo stom. Het is al bijna donker,’ zegt “Naam jongen”. Pierre knielt en “Jouw naam” klimt met tegenzin op zijn rug. Ze trekt haar neus op. Pierre maakt een sprongetje en “Jouw naam” geeft een gil. ‘Op, paardje, op!’ roept hij.

50


“Jouw naam” kijkt naar “Naam jongen”, trekt een gezicht en tikt op haar voorhoofd. Na nog een kwartier steil omhooggeklommen te hebben, laat Pierre “Jouw naam” zakken. ‘We zijn er. Welkom ien de villa van ­Pierre.’ ‘Waar dan, ik zie geen villa.’ Verbaasd kijkt “Jouw naam” om zich heen. Ze zijn aangekomen op een weitje hoog in de bergen.Aan de ene kant rijzen de rotsen omhoog en aan de andere kant gaat het steil naar beneden. Het schemert en de maan is laag aan de paarsblauwe hemel verschenen. In de diepte liggen uitgestrekte bossen. In een hoek van het weitje, verscholen achter een paar bomen en struiken, staat een schuurtje. Pierre loopt ernaartoe. “Naam jongen” kijkt “Jouw naam” aan en barst in lachen uit. ‘Ik denk... dat hij zelfs gouden kranen heeft in de badkamer, “Jouw naam”!’ Het hutje van Pierre is klein maar schoon. In een hoek ligt een bed van strozakken met een paar dekens en er staat een ­tafeltje met een stoel erbij. Aan een balk hangt een olielamp en op een plank staan verschillende dozen en potjes. In een andere hoek staat een grote kist. Pierre pakt een groot mes uit een doos en loopt ermee naar buiten. Naast de schuur staat een emmer, die hij aan “Jouw naam” geeft. ‘Ka jij maar even water alen, “Jouw naam”.’ Pierre wijst naar een plek achter het schuurtje.‘“Naam jongen” mak elpen met beestje villen.’ “Naam jongen” steekt zijn tong uit. ‘Zal ik water halen?’ ‘Ik ben al weg,’ zegt “Jouw naam”. ‘Uuuuhm, kan ik misschien wat anders doen?’ vraagt “Naam jongen” en hij kijkt gauw de andere kant uit. Pierre heeft de haas aan zijn achterpoten opgehangen en de slagader in de 51


Stel je nou voor: je bent verdwaald, je hebt vreselijke honger, je hebt een val in elkaar geknutseld en er is na lang wachten ook nog een konijn in komen te zitten... wat doe je dan? Juist: slachten en opeten. Geen leuk karweitje, maar als je niets anders hebt, is het goed om te weten hoe je hem moet schoon- en klaarmaken. Laat het dier leegbloeden: maak een snede in de halsslagader en hou ’m op zijn kop. Maak een kleine insnijding in de buik. Steek je duimen erin en trek de huid naar buiten en eraf. (Dit heet villen.) Maak de poten vrij en draai de kop eraf. Haal vervolgens de ingewanden uit de buik. Snij het konijn in stukken en rooster het op een vuurtje.

Waarschuwing: het is beter geen paddestoelen te eten, want er zijn vele giftige en zelfs dodelijke soorten.Als het niet anders kan: eet UITSLUITEND paddestoelen waarvan je zeker bent dat ze eetbaar zijn! Dit zijn twee makkelijk herkenbare:


nek doorgesneden, zodat het bloed eruit loopt. Pierre grijnst. ‘Maak jij maar vuurtje, James Bond. Hout liekt daar.’ “Naam jongen” loopt naar de zijkant van de schuur. Onder een afdakje ligt een flinke houtvoorraad, keurig opgestapeld. Hij laadt zijn armen vol met stammetjes en kijkt om zich heen. Waar moet hij eigenlijk vuur maken? Dan valt zijn blik op een verzameling grote stenen die in een cirkel liggen. Er staat een driepoot tussen en een ijzeren ketel naast. “Naam jongen” laat de stammetjes naast de vuurplaats vallen. ‘Heb je lucifers voor me, Pierre?’ Pierre veegt zijn bebloede handen aan het gras af en haalt een doosje lucifers uit zijn zak. ‘Altijd eel zuinig zijn met lucifers, “Naam jongen”. Kijk.’ Pierre haalt een lucifer uit het doosje en krabt met zijn nagel een laagje van het kopje van de lucifer. ‘Ies kaarsvet, dan kan de zwavel niet nat worden.’ Hij geeft het doosje aan “Naam jongen”.“Naam jongen” kijkt


vol afgrijzen naar het hoopje ingewanden dat naast de haas ligt.‘Poe, dat ziet er wel wat anders uit dan een Wiener schnitzel!’ Pierre lacht. ‘Wil je elpen? Nu moet et velletje eraf.’ ‘Nee, dank je.’ “Jouw naam” komt aanlopen met een volle emmer. Haar haar is vochtig en ze ziet er een stuk schoner uit. ‘Gaaf, joh, vlak achter het huis is een watervalletje, met heel helder, koud water. Het smaakt heerlijk!’ ‘Is het wel drinkwater, Pierre?’ vraagt “Naam jongen” gealarmeerd. ‘Moet het niet eerst gekookt worden?’ ‘Ies eel skoon,’ zegt Pierre geruststellend. ‘Komt rekt uit de berken. Ies allerbeste drinkwater van de wereld.’ ‘Okenblikje dan,’ zegt “Naam jongen”, ‘iek ka mij ook even verfriessen!’ en hij rent weg.

54


Een feestmaal

“Jouw naam” is nu alleen met Pierre en voelt zich helemaal niet op haar gemak. Ze gaat een eindje verderop op een steen ­zitten, zo ver mogelijk van de bloederige haas vandaan. Ze rammelt van de honger, maar een dooie haas eten... nooit. Als “Naam jongen” nou maar gauw terugkomt. Ze schrikt als Pierre iets tegen haar zegt. ‘W... wat zegt u?’ ‘“Jouw naam” mak ook elpen met vuur. Daar zijn lucifers.’ “Jouw naam” knielt bij de vuurplaats neer en legt een paar houtblokken op elkaar. Ze heeft nog nooit een vuur gemaakt. Thuis is er centrale verwarming. Plotseling staat Pierre achter haar. Ze heeft hem niet horen aankomen. “Jouw naam” verstijft. ‘Zo kaat et niet, meisje. Pierre zal voordoen oe je vuur maakt. De rekel met vuur is, eerst klein, dan kroot en tentje bouwen.’ “Jouw naam” schuift een eindje opzij. Pierre ruikt alsof hij de afgelopen drie jaar niet in bad is geweest. En hij heeft bloedvlekken op zijn handen. ‘Wacht, wacht, ik wil het ook zien,’ roept “Naam jongen”, die aan komt hollen. Pierre staat op en loopt naar de houtplaats. Hij komt terug met een kistje waarin hout en droog stro zit. Binnen vijf minuten brandt er een heerlijk warm vuurtje. Pierre heeft water in de ketel gedaan en die boven het vuur gehangen. Dan sleept hij een grote boomstronk bij het vuur. ‘Voila, ier ies de canapé! En daar ies de televisie!’ Met een weids armgebaar wijst hij op het dal, de bergen en de hemel, waaraan de eerste sterren verschenen zijn. ‘Dit prokramma 55


verveelt nooit! En nu moet iek aasje nog even kietelen.’ Hij loopt terug naar de haas. “Jouw naam” en “Naam jongen” gaan op de boomstam zitten. ‘Zie je nou wel dat hij aardig is?’ fluistert “Naam jongen”. ‘Ik vertrouw het niet,’ fluistert “Jouw naam”. ‘Wat doet die man hier alleen in de bergen? Dat is toch niet normaal?’ ‘Misschien houdt hij gewoon van de eenzaamheid. Hoe heet zo iemand? Een kluizenaar.’ ‘Ammehoela, kluizenaar. Móórdenaar zul je bedoelen. In ieder geval vermoordt hij dieren.’ ‘Doe niet zo stom! Hij moet toch eten? Als jij bij de slager vlees koopt, ben jij dan geen moordenaar?’ ‘Ik koop geen vlees bij de slager,’ sist “Jouw naam” boos. ‘Zo, aasje is klaar. Nu kaan wij em lekker roosteren. Pierre kaat feestmaal maken. Iek krijk niet zo vaak bezoekers!’ Pierre heeft een lange, dunne stok door de gestroopte haas gestoken. “Jouw naam” draait walgend haar gezicht af. Pierre kijkt heel verbaasd. ‘Ze is vegetariër,’ verduidelijkt “Naam jongen”. ‘Maar ik niet, hoor.’ ‘Aha!’ zegt Pierre vrolijk en hij springt op.‘Végétarienne, keen probleem, Pierre maakt iets anders lekker. Soepje, koed?’ “Jouw naam” knikt verlegen. ‘Van de staart van de aas, koed?’ “Jouw naam” schudt geschrokken van nee.“Naam jongen” en Pierre barsten in lachen uit. ‘Krapje!’ roept “Naam jongen”. Even later komt Pierre terug met een doos. ‘Kienderen ebben keluk. Kiesteren zijn erders keweest met eten voor Pierre.’ ‘Wat zijn erders?’ vraagt “Naam jongen”. ‘Erders, erders met skaapjes, weet je wel?’

56


Waarschuwing: maak nooit vuur als er gevaar bestaat voor bosbrand. Blijf erbij en maak het goed uit als je vertrekt. Je maakt snel een goed vuurtje door te beginnen met dunne takjes en droog gras of bladeren.Voeg langzamerhand grotere takken en daarna houtblokken toe. Zorg dat je het hout hebt klaarliggen. De beste manier om vuur te maken is door een wigwam te bouwen. Leg op een open plek, uit de wind en niet in de buurt van andere bomen of struiken, wat korte takken naast elkaar op de grond. Dat is de basis van het vuur. Leg daarop de aanmaakhoutjes. Bouw dan met iets dikkere takken een wigwam eromheen. Duw ten slotte het droge gras en de bladeren tussen het aanmaakhout en steek het aan.

Je kunt lucifers waterdicht maken door op elke kop een druppeltje kaarsvet te laten vallen.Als je de lucifer wilt gebruiken, krab je het er met je nagel af. Erg handig zijn lucifers die je overal langs kunt aanstrijken. Die koop je in een winkel met kampeerspullen.

Je kunt bij mooi weer ook vuur maken door middel van een vergrootglas. Zorg dat je flink wat droog gras en dorre bladeren bij de hand hebt. Richt het vergrootglas zodanig dat de zonnestralen een heel klein lichtpuntje vormen op het aanmaakmateriaal. Blaas zachtjes als het gaat gloeien en voeg dunne takjes toe als het vlam vat.


‘Herders,’ zegt “Jouw naam”.‘Komen die u dan eten brengen?’ ‘Ja,’ zegt Pierre. Hij pakt de doos uit.‘Kijk, lekkere skapenkaas, mmm. Corsicaanse fromage de chèvre, de allerlekkerste die er ies. Brood en oning. En... très délicieux: pâté de grives! En diet zijn kedrookte paddestoelen, en kruiden. Die eeft Pierre zelf keplukt.Voor lekkere soep.’ ‘Groeit dat spul hier in de bergen?’ vraagt “Naam jongen” en hij gooit nog een paar stammetjes op het vuur. Het water in de pan kookt. Pierre laat de gedroogde padde­ stoelen en de kruiden in de pan water vallen en strooit er uit een glazen potje wat zout bij. ‘Ja, kroeit overal. Kruiden in soepje zijn eel belangrijk.’ Hij houdt “Jouw naam” een takje onder haar neus. ‘Rozemarijn, en diet ies tijm, laurier, oregano...’ “Jouw naam” snuift. ‘Mmm, lekker. Zo ruikt het eigenlijk op heel Corsica.’ Pierre straalt van trots. ‘Dat klopt. Dat ies de keur van de ­Maquis. Iek kan Corse erkennen met mijn oken dikt!’ Het is nu pikdonker geworden. Het eten begint heerlijke geuren te verspreiden; “Jouw naam” en “Naam jongen” rammelen van de honger. Pierre snijdt een groot rond brood aan en geeft de kinderen een snee. Dan loopt hij weg om de hazenrommel op te ruimen. “Jouw naam” knabbelt aan haar stuk brood en staart in het vuur. Het is heerlijk warm en eigenlijk voelt ze zich veilig en gelukkig. Zou haar moeder zich nu zorgen maken? Of zou ze juist blij zijn dat ze van haar af is?

58


Twiet, twiet

‘Ik vraag me af hoe het met papa en mama is,’ zegt “Naam jongen”, die haar gedachten lijkt te raden. ‘Volgens mij zijn ze onderhand gek van ongerustheid. En jij hebt niet eens een briefje achtergelaten, “Jouw naam”.’ ‘Ja, dat was wel stom. Maar misschien hebben ze met jouw ouders gepraat,’ zegt “Jouw naam”. ‘Eigenlijk heb ik er wel een beetje spijt van dat ik zo rot tegen mama heb gedaan. Maar ik vond het vreselijk dat ze zo naar deed tegen papa, dat ze altijd ruzie­maakten. Toen heeft zij gezegd dat hij ergens anders moest gaan wonen. Niemand vroeg wat ík wilde. Het is allemaal háár schuld. En toen kwam die stomme Alexander en daar deed ze wél hartstikke lief tegen. Zo lief heeft ze tegen papa nooit gedaan. Ik vind het zo zielig voor hem.’ 59


Er lopen dikke tranen over de wangen van “Jouw naam”. “Naam jongen” legt een arm om haar schouder. Deze keer schudt “Jouw naam” hem niet af. ‘Weet je, “Naam jongen”,’ snikt ze. ‘Soms denk ik dat het allemaal mijn schuld is. Dat dit allemaal niet gebeurd was als ik meer mijn best had gedaan, of liever was geweest...’ de schouders van ­“Jouw naam” schokken. ‘Stil nou maar...’ zegt “Naam jongen”. ‘Het is helemaal niet jouw schuld. Jij had er niks aan kunnen doen. Het is iets tussen jouw ouders. Mijn vader en moeder zeggen altijd: als er twee ruzie maken, hebben er twee schuld.’ ‘Maar het komt nooit meer goed...’ snikt “Jouw naam”. ‘Dat weet je niet, misschien gaan ze over een tijdje wel weer aardiger tegen elkaar doen en houden ze op met ruziemaken. Ik denk dat ze er gewoon over moeten praten.’ ‘Praten, jij altijd met je praten. Alsof dat een wondermiddel is... Het gaat niet om wat mensen zeggen, maar om wat ze doen.’ “Jouw naam” slaakt een diepe, trillende zucht en veegt de tranen van haar wangen. ‘Gaat het weer een beetje?’ vraagt “Naam jongen”. ‘Ja, het gaat wel.’ Ze knijpt even in de arm van “Naam jongen” en trekt haar hand dan gauw weer terug. ‘Kijk eens even wat de chef-kok kemaakt eeft! Speciaal voor onze keëerde veketarische kast!’ Pierre houdt trots een bord voor de neus van “Jouw naam”. Als een ober heeft hij een oude theedoek over zijn arm gedrapeerd. “Jouw naam” giechelt. ‘Wat zijn dat?’ ‘Dat zijn eerlijke verse vijgen, met een sausje van room en ­oning, met een takje munt! Spécialité de la maison!’ zegt Pierre trots en hij zet het bord voor “Jouw naam” en “Naam jongen” neer. ‘En nu kaan wij bekinnen!’

60


Hoog op de berg, bij het warme vuur onder de sterrenhemel, wordt dit het lekkerste maal dat “Naam jongen” en “Jouw naam” ooit hebben gegeten. ‘Mmm, wat lekker! Wat is dit eigenlijk?’ vraagt “Naam jongen” met volle mond. ‘Pâté de grives, eeft Pierre zelf kemaakt.’ ‘Maar wat is dat dan?’ ‘Pate de uuh... vokeltjes, twiet, twiet, vokeltjes met bruine vlekjes...’ “Naam jongen” springt verschrikt op, rent naar een bosje toe en spuugt uit wat hij nog in zijn mond heeft. ‘Jasses, eet jij vogels, Pierre?’ ‘Ja, ies eel kewoon op Corse, ies tock lekker? Kiep ies tok ook vokel?’ ‘Volgens mij bedoelt hij lijsters. Bah, wat gemeen,’ zegt “Jouw naam” met een vies gezicht. ‘Twiet, twiet, rare jongens die Corsicanen.’ Ze stopt nog een heerlijk zoete vijg in haar mond. Pierre staat op en loopt naar de hut. Hij komt terug met een strik.‘Kijk, ies val, eeft Pierre zelf kemaakt.Vokeltje kaat z­ itten, flap, flap, kan niet meer wek. Maar kan ook vokeltjes vangen met lijm op een stokje. En nu kaan wij voor et slapen kaan nok even televisiekijken.’ Pierre loopt naar de andere kant van het weilandje, waar het pikdonker is en gaat op zijn rug op de grond liggen. “Jouw naam” en “Naam jongen” kijken elkaar verbaasd aan. ‘Kom maar,’ roept Pierre. “Jouw naam” en “Naam jongen” lopen naar hem toe en gaan grinnikend naast hem liggen. De grond is koud en een beetje vochtig. Pierre wijst zwijgend naar boven. Verbaasd kijken ze naar de diepblauwe sterrenhemel. Het is ontzettend helder en hoog en groots. “Jouw naam” krijgt het gevoel dat ze er langzaam in verdwijnt.

61


De belangrijkste sterrengroep om te leren herkennen is de Grote Beer. De zeven sterren die de romp van de Grote Beer vormen, worden ook wel het steelpannetje genoemd. De twee sterren aan het uiteinde van het steelpannetje wijzen precies naar de Poolster, en daar bevindt zich ook het noorden.

Kruiden zijn onmisbaar als je lekker wilt koken. Je hoeft er niet voor naar de winkel, want je kunt ze in de natuur vinden. Hier zijn er een paar.Als er een sterretje voor staat, groeien ze ook in Nederland in het wild. De rest vind je in landen die wat zuidelijker liggen.


‘Ik voel me ineens piepklein,’ fluistert “Naam jongen”. ‘Zo veel sterren heb ik nog nooit gezien.’ ‘Dat komt omdat er ier verder keen liekt ies,’ zegt Pierre.‘Zien jullie die wiette strook?’ “Jouw naam” en “Naam jongen” knikken. Boven hen loopt een langgerekte witte band, een soort nevel. ‘Dat ies nou de melkwek, et sterrenstelsel waar onze planeet deel van uitmaakt,’ zegt Pierre. ‘Al die wiet zijn sterren, eel veel sterren.’ ‘Het zijn er zoveel, zoveel...’ fluistert “Naam jongen”. ‘Ik voel mij zo onbelangrijk en nietig als een miertje.’ ‘Alles ies belangrijk,’ zegt Pierre. ‘Ieder klein dinketje ies belangrijk, want alle klein dinketjes vormen samen et krote.’ “Jouw naam” zucht. ‘Kijk, nou zal iek joellie iets leren,’ zegt Pierre en hij wijst ­omhoog. ‘Zien joellie dat pannetje daarboven? Die twee sterren aan de ene kant van et pannetje wijzen naar die eldere ster daar, zien joellie?’ “Jouw naam” en “Naam jongen” knikken. ‘Dat ies de Poolster en daar ies et noorden. Dat is koed om te weten als je verdwaald bent. En morken, als wij naar Calenzana kaan, zal iek joellie leren oe joellie op een kompas kunnen lopen, dan kunnen joellie voortaan altijd de wek vienden.’

63


De kist

“Jouw naam” rilt. Ze gaat zitten en staart naar de donkere bergen in de verte.‘Waarom woon jij eigenlijk hier, Pierre, en niet bij de mensen in het dorp?’ Het is even stil. “Jouw naam” hoort dat Pierre slikt. ‘Pierre woont ier omdat ij van de berken en van de vrijheid oudt,’ zegt Pierre. ‘En omdat ij veel van Corse oudt.’ ‘Maar voel je je dan nooit eenzaam? Heb jij geen vrouw en kinderen?’ vraagt “Naam jongen”. ‘Iek eb twee kinderen en die wonen in Marseille,’ antwoordt Pierre.‘En vrouw van Pierre ies al eel lang dood. Is daarbo­ven, tussen de sterren. Ver wek en eel diktbij.’ Pierres stem klinkt een beetje schor. ‘En waar leef je dan van?’ vraagt “Jouw naam” door. ‘Van wat Corse mij keeft en wat de erders mij brengen.’ Moeizaam komt Pierre overeind en wrijft over zijn rug. ‘En noe ies vrakenuurtje voorbij. Ies bedtijd.’ Met een gebogen rug loopt hij terug naar het smeulende vuur. “Jouw naam” en “Naam jongen” liggen naast elkaar op de strozakken. Pierre legt nog een extra deken over hen heen. Het is een ruwe paardendeken en “Jouw naam” moet ervan niezen. ‘Waar ga jij nou slapen?’ vraagt “Naam jongen” bezorgd aan Pierre. ­Pierre doet de kist open en haalt er een slaapzak en een hang­mat uit. ‘Pierre kaat lekker buiten slapen, tussen de sterren. Dan komen de mooiste dromen. Ier ies zaklamp, voor als iemand pipi moet. Ebben jullie lekker warm?’ 64


“Jouw naam” en “Naam jongen” knikken. ‘Alors, bonne nuit,’ zegt Pierre vriendelijk. Hij pakt de olielamp en loopt naar buiten. ‘Welterusten Pierre,’ zeggen “Jouw naam” en “Naam jongen”. ‘Hatsjie!’ niest “Jouw naam” weer. ‘Brrr, die deken kriebelt.’ ‘Zie je nou wel dat hij hartstikke aardig is?’ mompelt “Naam jongen”. “Jouw naam” geeft geen antwoord en staart met wijdopen

65


ogen in het donker naar boven. ‘Schuif eens op, “Naam jongen”, ik val bijna van die zak stro af.’ ‘Hmm...’ “Jouw naam” geeft hem een duw. ‘Hé, je gaat toch nog niet slapen?’ ‘Hè? Wat? Jawel, ik ben doodmoe.’ ‘“Naam jongen”,’ fluistert “Jouw naam”. ‘Ik ga kijken wat er in die kist zit.’ ‘Dat laat je, dat is onbeschoft.’ ‘Ik vind het een raar verhaal,’ zegt “Jouw naam”. ‘Ik snap nog steeds niet wat die Pierre hier in zijn eentje doet. Er zit iets achter. En volgens mij zit er iets in die kist.’ ‘Hmmm, laat nou maar,’ kreunt “Naam jongen” en hij draait zich op zijn zij. “Jouw naam” zwijgt weer even. Buiten klinkt er geen geluid meer. Het is zo stil dat de oren van “Jouw naam” ervan suizen. De wond op haar been schrijnt. Ze voelt aan het verband. Dat zit nog goed vast. De deken kriebelt. “Jouw naam” tast naast zich naar de zaklamp. ‘“Naam jongen”...’ “Naam jongen” geeft geen antwoord meer. “Jouw naam” duwt de deken van zich af en kruipt voorzichtig over “Naam jongen” heen. Ze sluipt naar het raampje en kijkt naar buiten. Verderop ziet ze Pierre in zijn hangmat liggen. Hij schommelt zachtjes in de wind. Ze knipt de zaklamp aan. Hij geeft maar weinig licht. Ze loopt op haar tenen naar de kist toe en trekt aan de deksel. Ze trekt nog een keer, maar hij gaat niet open. Hij zit op slot. “Jouw naam” laat de zaklamp in het schuurtje rondschijnen. De sleutel... waar zou de sleutel zijn? Ze sluipt naar de plank waarop de dozen staan... niks. De lichtstraal glijdt over het geweer dat

66


in een hoek staat. Ook op de tafel ligt niks. Dan valt de lichtstraal op een balk in de hoek. Aan een roestige spijker hangt een streng knoflook. “Jouw naam” schuift de streng opzij en ziet dat er een sleutel onder hangt. ‘Haha,’ fluistert “Jouw naam” zachtjes. ‘Sleuteltje kevonden...’ Voorzichtig haalt ze hem van de spijker af. Ze legt de zaklamp naast de kist en probeert de sleutel in het slot. Pieiep, knarst het. Het klinkt heel luid in de stilte. “Jouw naam” verstijft. Als Pierre dit hoort, is ze erbij. Ze sluipt naar het raam. De hangmat beweegt niet.“Naam jongen” mompelt in zijn slaap. ‘Zoek... zoek de zaag... Mmm, vokeltjes...’ Ze sluipt terug naar de kist en doet de deksel heel langzaam open. Haar buik kriebelt van de zenuwen. Ze houdt haar adem in en raapt de zaklamp op om beter te kunnen zien... Plotseling hoort ze buiten Pierre uit zijn hangmat op de grond springen. Van schrik glijdt de zaklamp uit haar handen en gaat uit. De zware klep van de kist valt met een klap dicht.“Naam jongen” komt overeind in zijn bed. ‘Hé, “Jouw naam”! Waar ben je?’ ‘Sssjjt! Stil!’ sist “Jouw naam”. Haar hart bonkt in haar keel. Door het raam ziet ze dat Pierre in hun richting komt. ‘“Jouw naam”, wat doe je?’ vraagt “Naam jongen” nog een keer in het donker. “Jouw naam” grijpt de lamp en doet hem aan. Dan gaat de deur van de schuur open en steekt Pierre zijn hoofd naar binnen...

67


Betrapt?

‘Alles koed?’ vraagt Pierre. Het grote litteken op zijn wang blinkt in het licht van de zaklamp. ‘Pierre moest pipi en toen oorde ij klap.’ ‘Jjja, ja hoor,’ stottert “Jouw naam”. ‘Ik moest plassen en... en toen struikelde ik en viel ik tegen de kist aan.’ “Jouw naam” ziet dat Pierres blik naar de kist toe gaat. Ze schrikt. De sleutel... de sleutel zit er nog in. Maar vanaf waar Pierre staat kan hij dat net niet zien. “Jouw naam” buigt zich over haar been heen om hem af te leiden. ‘Au, au, ik heb mijn been gestoten.Volgens mij is de wond weer open.’ Pierre loopt naar haar toe, pakt de zaklamp uit haar handen en laat het licht op het verband schijnen.Voorzichtig voelt hij of het nog goed vastzit. ‘Mmm, iek zie keen bloed, verband zit prima. Morken doen wij een skoon eromeen.’ “Jouw naam” gaat gauw naast “Naam jongen” liggen en trekt de deken over zich heen. ‘Moet jij niet meer pipi maken?’ vraagt Pierre verbaasd. ‘Nee... nee, het is al over. Het hoeft niet meer, van de schrik,’ zegt “Jouw naam” met een zenuwachtige giechel. ‘Ik ga nu gauw lekker slapen.’ Ze doet demonstratief haar ogen dicht. ‘Weltrusten, Pierre.’ ‘Bonne nuit,’ zegt Pierre en hij knipt de lamp uit. “Jouw naam” haalt opgelucht adem als hij de deur achter zich dicht doet. “Naam jongen” slaapt alweer. Pierre heeft de zaklamp meegenomen... en eigenlijk moet ze nu opeens wel plassen.

68


De volgende ochtend wordt “Jouw naam” wakker van het zonlicht dat op haar gezicht schijnt. Ze kijkt slaperig naar de stofjes die in het licht dansen. “Naam jongen” ligt in elkaar gerold naast haar en snurkt een beetje. Dan herinnert ze zich de kist opeens weer. “Jouw naam” schiet overeind. De sleutel is weg. Ze schudt “Naam jongen” wakker en wijst naar de kist. ‘Hé, “Naam jongen”, word wakker, slaapkop. Kijk, de sleutel is verdwenen, hij zat gisteren nog in het slot. Er is hier echt iets niet pluis...’ ‘Hè, mens, tetter niet zo, ik ben net wakker...’ “Naam jongen” wrijft in zijn ogen en gaapt. Buiten klinkt het gekletter van een pannetje op steen. “Naam jongen” springt overeind en trekt zijn gymschoenen aan.‘Je ziet spoken, er is helemaal niks aan de hand.’ ‘Toen ik de kist opendeed, zag ik rare dingen liggen,’ fluistert

69


“Jouw naam” dringend. ‘Draden en iets gekleurds...’ Maar “Naam jongen” is al buiten. ‘Stomme dropveter,’ moppert “Jouw naam”. Uit haar broekzak haalt ze de sleutelhanger en ze kijkt naar de foto.‘Goeiemorgen pap,’ fluistert ze en ze geeft de foto een kus. Dan staat ze op en loopt ook naar buiten. De zon schijnt al heerlijk warm en de lucht is vergeet-mij-nietjesblauw. Het uitzicht is overdag nog mooier dan ’s nachts. “Jouw naam” ontdekt nu pas dat de wei vol met paarse en gele bloemen staat. Pierre is bezig boven het vuurtje water te koken. ‘Bonjour!’ roept hij vrolijk. ‘Koede morken!’ ‘Ook goeiemorgen,’ mompelt “Jouw naam”. Ze durft hem niet goed aan te kijken. Heeft hij nou wel of niet in de gaten dat ze rondgesnuffeld heeft? “Jouw naam” loopt achter het huisje langs, plast tussen een paar bosjes en wast zich in het ijskoude stroompje. “Naam jongen” zit al naast Pierre op de boomstronk en hapt hongerig in een grote homp brood met honing. Pierre geeft “Jouw naam” ook een snee. ‘Koed eten,’ zegt hij. ‘Wij moeten een flienk eind lopen.’ Hij doet zijn rugzak open en haalt er een kompas en een kaart uit. ‘Pierre zal nu uitlekken oe joellie kaart moeten lezen en kompas kebruiken. Dan kunnen joellie et dadelijk zelf uitproebieren.’ Als Pierre klaar is met uitleggen pakt hij zijn verbandtrommel en wikkelt het verband van het been van “Jouw naam”.“Jouw naam” buigt zich naar “Naam jongen” toe.‘Snap jij er iets van, van dat kaartlezen?’ fluistert ze. ‘Natuurlijk,’ antwoordt “Naam jongen”. ‘Jij niet? ’t Is toch simpel?’ “Jouw naam” vertrekt haar gezicht van pijn. ‘Au! Pas op, Pier-

70


Een van de belangrijkste dingen om bij je te hebben als je gaat wandelen is een kompas. Zo werkt het.


re, het verband zit vastgeplakt!’ Pierre trekt het heel voorzichtig los en bekijkt de wond. ‘Ziet er eel mooi uit, “Jouw naam”. De snee zit koed dikt.’ Hij legt er een steriel gaasje op en wikkelt er een schoon verband omheen. ‘Kan jij wel lopen, denk je?’ “Jouw naam” knikt. Pierre geeft hun allebei een kommetje dampende thee en pakt zijn rugzak in. ‘Als wij koed doorstappen, ies et onkeveer drieënalf uur naar Calenzana,’ zegt hij. ‘Wij kaan nu meteen wek, want et wordt een ele warme dak.’ Pierre maakt het vuur uit en sluit het schuurtje af. “Jouw naam” kijkt nog een keer om zich heen en haalt diep adem. Wat een mooie plek is dit. Zou ze hier ooit nog eens terugkomen?

72


De terugweg

Pierre loopt achter “Naam jongen” en “Jouw naam” aan. “Naam jongen” heeft de kaart in zijn handen en “Jouw naam” het kompas. Het pad is smal en daalt sterk. Hier zijn veel meer bomen, struiken en bloemen dan toen ze hoger op de berg waren. Zo nu en dan schieten er kleine salamandertjes voor hun voeten weg, die op de warme stenen liggen te zonnebaden. ‘En noe, welke kant noe op?’ vraagt Pierre, als ze bij een splitsing van het paadje komen. “Jouw naam” legt het kompas op de kaart, zoals Pierre het hun uitgelegd heeft. ‘Uuuhm, hier zijn wij...’ Ze draait aan de kompasroos en gaat met haar vinger naar ­Calenzana. ‘En dan moeten we daar...’“Naam jongen” draait behulpzaam de kaart om, zodat hij in de goede richting ligt. ‘Die kant op!’ zegt “Jouw naam” trots en ze wijst naar het pad dat naar rechts loopt. ‘Eel knap, eel koed!’ zegt Pierre.‘“Naam jongen” snapt et ook?’ “Naam jongen” knikt stralend. ‘Joellie zijn keslaakd voor de kompastest! Verdwalen oeft nu nooit meer! Joellie moeten koed ontouden: er zijn vier diengen die joellie de wek wijzen...’ ‘De sterren,’ zegt “Naam jongen”. ‘Het kompas en de zon...’ zegt “Jouw naam”. ‘En je art...’ zegt Pierre met een glimlach. Hij klopt met zijn hand op zijn hart. ‘Ien et leven moet je altijd de wek van het art volken. Dat ies et allerbelangrijkste.’ ‘Pierre, Pierre, kunnen we even stoppen?’ Pierre, die nu weer 73


vooroploopt, draait zich om. ‘Ben jij moe, “Naam jongen”?’ ‘Nee,’ zegt “Naam jongen” verlegen. ‘Ik moet uh... ik moet poepen.’ Pierre grijnst en gaat op een kei zitten. ‘Dat moet iek ook wel iens. Ka maar kauw, ien de bosjes daar.’ “Naam jongen” bloost. ‘Maar ik heb geen wc-papier.’ Pierre bukt zich en plukt een groot ovaal blad af. ‘Met bladeren kaat et ook,’ zegt hij. ‘Dit ies de weekbree. Prima plee­ plantje. Ies trouwens ook eel koed voor andere dingen.’ “Naam jongen” baant zich een weg door de struiken, op zoek naar een geschikte plek. Plassen in de openlucht is geen probleem, maar poepen... Hij plukt alvast een paar bladeren, doet zijn broek naar beneden en hurkt neer. De zon schijnt fel en de krekels tjirpen luidruchtig. In de verte hoort hij Pierre en “Jouw naam” met elkaar praten. Plotseling hoort “Naam jongen” iets ritselen. Zijn adem stokt in zijn keel. Op nog geen dertig centimeter afstand ligt een slang. Het dier kijkt hem aan en zijn tong flitst uit zijn bek. “Naam jongen” durft zijn blik niet af te wenden.Wat moet hij doen? Zou hij giftig zijn? De slang kronkelt een stukje dichterbij. “Naam jongen” ziet zijn oogjes vervaarlijk glinsteren. Hij geeft een luide gil en wil opspringen, maar valt achterover doordat zijn broek tussen zijn benen hangt.

74


‘Pierre, hééélp!’ gilt hij. ‘Hééélp! Een slang!’ Binnen een paar seconden staat Pierre naast hem en helpt hem over­eind. “Naam jongen” sjort zijn broek omhoog en kijkt angstig om zich heen. ‘Er was een slang, een slang, een grote dikke groene, en ik ­geloof dat ik gebeten ben!’ Hij betast zijn benen. Er zitten blauwe plekken en krassen op. Pierre bekijkt zijn kuiten nauwkeurig. “Jouw naam” komt ook aangerend. ‘Wat is er, is er een slang? Ben je gebeten?’ roept ze angstig. ‘Keen paniek, keen paniek,’ zegt Pierre geruststellend.‘“Naam jongen” ies niet kebeten. Nieks aan de and.’ Pierre kijkt om zich heen. ‘Stielstaan...’ fluistert hij. Pierre wijst naar een pol hoog gras. ‘Sjjjt, daar liekt die kroene krappenmaker, Pierre kaat em ­vangen.’ ‘Nee,’ fluistert “Jouw naam”. ‘Niet doen, ik ben bang.’ Pierre bukt zich heel langzaam en raapt een lange stok op. Hij breekt er een paar takjes af, zodat aan het uiteinde ervan een V-vorm ontstaat. Dan doet hij een stap naar voren en slaat de stok, met de V naar beneden, boven de kop van de slang in de grond. ‘Kepakt!’ zegt hij triomfantelijk. ‘Ies maar klein slangketje!’ Met een snelle handbeweging pakt Pierre de slang achter zijn kop beet en tilt hem op. Het beest kronkelt heftig en sist kwaad. “Jouw naam” en “Naam jongen” komen aarzelend dichterbij. ‘Hoe weet je nou dat hij niet giftig is?’ vraagt “Naam jongen”. ‘Op Corse zijn keen kiftige slangen. Dit is een ringkslang, doet nieks. Ies mooi, vienden joellie ook? Ies ook eetbaar!’ lacht Pierre en hij steekt hem uit naar “Jouw naam”. “Jouw naam” springt achteruit. ‘Brrr! Eng beest, gooi hem weg!’ Pierre legt de slang een stukje verder in het gras neer. 75


In de natuur komen een heleboel planten voor die een geneeskrachtige werking hebben. Deze groeien ook in Nederland!

Eerst wat algemene regels voor het geval dat je op vakantie bent in een gebied waar (giftige) slangen voorkomen: * Als je een slang tegenkomt: blijf kalm. * Ga langzaam achteruit. * Kijk goed uit als je door struikgewas loopt. * Controleer je beddengoed. Slangen kunnen dit als schuilplaats gebruiken. * Als je een slang per se moet doden: sla hem met een lange stok achter op zijn kop. Het moet in ĂŠĂŠn keer raak zijn want een gewonde slang is erg gevaarlijk.Als het niet hoeft, probeer het dan niet. In noordelijk Europa is de enige giftige slang de adder. Hij is 30 tot 75 cm lang en olijfgrijs tot roodachtig bruin met een zigzagpatroon in een donkerdere tint. De beet is vrijwel nooit dodelijk. In zuidelijk Europa komen grotere en gevaarlijkere soortgenoten voor.


‘Ben jij klaar?’ vraagt hij aan “Naam jongen”. “Naam jongen” rilt, ondanks de warmte.‘Ik hoef niet meer, ik wacht wel tot we in het dorp zijn.’ ‘Zoals jij wilt,’ zegt Pierre. ‘Kom, wij lopen nok een alfuurtje en dan komen wij bij de rivier. Dan ies er verrassing.’ Pierre leidt hen verder langs het smalle, nauwelijks zichtbare pad. Langs de kanten groeien heerlijk geurende tijm en ­wilde lavendel. Het gaat nu steil naar beneden, en “Jouw naam” en “Naam jongen” moeten zich goed vasthouden aan rotsuitsteeksels en takken. ‘Vond jij het eigenlijk leuk in Nederland?’ vraagt “Jouw naam” als ze op een steen zitten uit te puffen. Ze is nog steeds erg nieuwsgierig naar Pierre en de reden waarom hij in de bergen woont. Ook de inhoud van de kist laat haar niet met rust. Pierre haalt de veldfles uit zijn rugzak en laat hem rondgaan. ‘Nee, brrr, ien Holland altijd krijs en koud. Maar mensen wel aardik.’ ‘Waarom ging je er dan werken?’ ‘Om keld te verdienen,’ antwoordt Pierre. ‘Op Corse is maar weinik werk. Pierre eeft zijn vrouw ontmoet in Rotterdam.’ Hij staart treurig in de verte. ‘Wat is er dan met je vrouw gebeurd?’ vraagt “Naam jongen” zachtjes. ‘Zij heeft onkeluk toen kindertjes nok eel klein waren. Toen ben iek teruk kekaan naar Corse en eb zij alleen krootkebrakt.’ Pierre zucht diep. ‘Wat naar voor je,’ zegt “Jouw naam”. “Naam jongen” legt even zijn hand op de grote ruwe hand van Pierre.‘Woon jij nu in je eentje in de bergen omdat je nog steeds verdrietig bent?’ Pierre kijkt “Naam jongen” vanonder zijn strohoed aan. Dan wrijft hij over het litteken op zijn wang. ‘Nee, dat eeft andere reden,’ zegt hij kortaf. ‘Kom, wij zijn bijna bij de rivier. Daar

77


kaan wij apje eten... als wij tenmienste keluk ebben.’

79


Lunch

De rivier is een stuk minder wild dan de dag ervoor, maar het water is nog steeds bruin van de modder. Pierre zet zijn ­rugzak neer en loopt naar een smal gedeelte. Zonder veel moeite ­steken ze over. Pierre wijst naar een plek tussen twee rotsen.Vlak onder het oppervlak van het snelstromende water is een lijn gespannen. Er hangen een paar drijvers aan. ‘Er angt een net onder,’ legt Pierre uit. ‘En et net ziet met ­stenen vast op de bodem van de rivier.Viesjes kunnen daar niet dooreen.’ Hij steekt zijn hand onder water. Met zijn ­andere hand neemt hij zijn hoed af. ‘Ja, ebbes! Pierre eeft lunch kevangen!’ roept hij vrolijk. In zijn hand heeft hij een grote, spartelende vis. Hij pakt een steen, geeft de vis een klap op zijn kop en gooit hem in zijn hoed. ‘Getver!’ roept “Jouw naam”. ‘Dat is zielig! Als je maar niet denkt dat ik die eet!’ Ze springt op en gaat een eind verderop op een steen zitten. Ze doet haar schoenen uit en laat haar voeten in het koude water bengelen. Dan bekijkt ze haar pijnlijke hielen. Blaren, ook dat nog. “Jouw naam” voelt zich alleen. Was ze maar nooit aan dit ­rotavontuur begonnen. Het was sowieso al waardeloos dat ze per se met mama en die soepstengel op vakantie moest. Ze was veel liever naar papa gegaan. Nu zit zij hier midden in de ­wildernis opgescheept met “Naam jongen” en die barbaar. Wie weet, brengt hij hen helemaal niet terug naar het dorp, maar gaat hij hen verkopen als slaven of zo, of nog erger... En er is natuurlijk niks te eten voor haar, terwijl ze rammelt van de honger. “Jouw naam” schrikt op uit haar sombere gedachten door een opgewonden kreet van “Naam jongen”. 80


‘Ik heb er ook een, ik heb er ook een!’ ‘Stelletje dierenbeulen,’ moppert “Jouw naam” in zichzelf. Ze voelt aan het verband om haar been. Dan ze pakt de sleutelhanger uit haar zak en bekijkt het portret van haar vader. “Naam jongen” loopt naar haar toe. “Jouw naam” verbergt de sleutelhanger gauw in haar handpalm. ‘Kijk eens,’ zegt “Naam jongen” trots en hij houdt de strohoed onder haar neus. Er zitten twee dode vissen in. “Jouw naam” duwt de hoed van zich af. ‘Het zijn forellen,’ zegt “Naam jongen”. ‘Pierre gaat mij leren hoe ze klaargemaakt moeten worden. We gaan ze roosteren. Mmm, heerlijk.’ ‘Wat jij heerlijk noemt,’ zegt “Jouw naam”. ‘Die Pierre is een gemene stroper en jij ook.’ “Naam jongen” haalt zijn schouders op en brengt de vissen naar Pierre, die bezig is een tak te bewerken met zijn zakmes. ‘Iek eb ook wat voor jou, “Jouw naam”,’ roept hij. ‘Jij oeft keen onger te lijden.’ Hij staat op en komt naar haar toe. ‘Ier, een stuk stokbrood en een pakje kedrookte banaan, dat ies eel koed voor de energie.’ “Jouw naam” pakt het eten met een hooghartig gezicht aan. ‘Ik ga een eind lopen,’ zegt ze. ‘Ik hoef niet te zien hoe jullie die arme beesten opensnijden.’ Pierre houdt haar tegen. ‘Niet boos zijn,’ zegt hij. ‘Dat ies ook vrijheid: andere mensen laten eten wat ze willen.’ “Jouw naam” trekt zich los en loopt weg. ‘Niet te ver, “Jouw naam”. Niet verdwalen, anders moet Pierre jou weer komen redden!’ roept “Naam jongen” haar achterna. Pierre heeft samen met “Naam jongen” een driepoot gebouwd.

81


Er zijn verschillende mogelijkheden om boven vuur te koken. Ook hier geldt: wees heel voorzichtig!

Als je in een gebied bent waar riviertjes met stromend water zijn, kun je een visval maken. De visval van Pierre ziet er zo uit:

De vissen blijven er met hun kaken in steken. Ze gaan dood als ze eenmaal vastzitten. Gebruik deze val dus alleen in overlevings­ situaties. Snijd de vis zijn keel door en laat hem leegbloeden. Snijd de onderzijde van de buik in de lengte open en haal de ingewanden eruit. Je kunt de schubben eraf schrapen, maar het is meestal niet nodig. Rooster hem op de driepoot.


‘Kijk, nu leg jij zo kleine stokjes en dan kunnen wij daarop de viesjes roosteren. Maar eerst moeten wij ze skoonmaken. Iek zal een voordoen, dan “Naam jongen” probieren, koed?’ “Naam jongen” knikt. Hij vindt het allemaal erg interessant. Wat een verhalen zal hij straks te vertellen hebben als ze weer thuis zijn! Pierre doet voor hoe hij een vis schoonmaakt. Het lijkt heel makkelijk. “Naam jongen” rilt als hij zelf het scherpe mes in de buik van het dier zet. Brrr, kop eraf, de ingewanden eruit... Jakkes, wat een gefriemel. Maar even later liggen de twee vissen keurig naast elkaar boven het vuurtje te roosteren. Pierre heeft er wat takjes kruiden op gelegd en ze verspreiden een heerlijke geur. ‘Woon jij al lang in de bergen?’ vraagt “Naam jongen”. Pierre fronst zijn wenkbrauwen en draait de vissen om. ‘Wat ies lang? Ies twee weken lang? Ies twee jaren lang? Ies een leven lang of kort?’ Pierre staat op en loopt naar de rugzak om het brood te ­pakken. “Naam jongen” voelt wel dat Pierre niet graag over zichzelf praat, maar hij is nog steeds nieuwsgierig. Hij gooit een paar takjes op het vuur. ‘Niet te veel vlammen maken,’ waarschuwt Pierre.‘Viesje moet lekker roosteren, niet verbranden.’ “Naam jongen” kijkt Pierre zijdelings aan. Pierre zit op zijn hurken voor het vuur en wakkert met zijn hoed de gloeiende kooltjes aan. Hij ziet er bruin en gezond uit, maar hij heeft al heel veel rimpels en vlekken op zijn handen. Hoe oud zou hij zijn? Zestig, zeventig? “Naam jongen” vindt het altijd moeilijk de leeftijd van grote mensen te schatten. Iedereen boven de dertig lijkt hem stokoud. Net zoals zijn eigen vader. Die is eenenvijftig en in de ogen van “Naam jongen” hoogbejaard. ‘Pierre, hoe kom jij eigenlijk aan dat grote litteken op je wang?’

83


Pierre lacht. Zijn witte tanden steken wit af tegen zijn bruine huid. ‘Jij weet ook niet van opouden, jij bent een nieuwskierik mannetje!’ ‘Ja, maar jij keeft nooit antwoorden!’ Pierre lacht nog harder en strijkt over zijn wang. ‘Ies litteken van de strijd.’ ‘Welke strijd?’ vraagt “Naam jongen” door. ‘Van de oorlog?’ Pierre kijkt “Naam jongen” aan. Hij aarzelt. Dan springt hij op. ‘Jij past op de viesjes. Iek ben onkeroest over “Jouw naam”. Iek ka even kijken.’ Pierre beent met grote stappen weg in de richting waarin “Jouw naam” verdwenen is. “Naam jongen” probeert een vis om te draaien, maar brandt zijn vingers. Au! Hoe deed Pierre dat nou? Hij scheurt een stuk van het brood en steekt het in zijn mond. Het is erg warm in de zon. De krekels tjirpen luid en de rivier kabbelt slaapverwekkend. “Naam jongen” laat zich loom achterover tegen een boom zakken. Misschien ga ik later ook wel in de bergen wonen, in mijn eentje, denkt hij. Dan ga ik wilde varkens en


vissen vangen en misschien komt “Jouw naam” dan wel bij me wonen. Of iemand anders, want “Jouw naam” maakt de hele tijd ruzie en ze is ook nog vegetariër... ‘“Naam jongen”! “Naam jongen”!’ klinkt opeens de stem van Pierre uit de verte. ‘“Naam jongen”, kom kauw! Er ies een onkeluk kebeurd!’

85


Een ongeluk

“Naam jongen” rent in de richting van het geluid. ‘“Naam jongen”! Deze kant, ier ben iek.’ “Naam jongen” kijkt om zich heen. Voor hem ligt een ravijn. De wanden gaan steil omlaag en zijn bezaaid met grote keien en doornige struiken. Heel ver in de diepte schittert water. Dan ontdekt hij Pierre. Hij ligt een stuk verderop in het gras, vlak aan de rand van de afgrond. Hij holt naar hem toe. ‘Wat is er, Pierre? Ben je gevallen?’ “Naam jongen” knielt buiten adem naast hem neer. Pierre schudt zijn hoofd. ‘Héélp!’ hoort hij nu een dun stemmetje. ‘Hééélp! Pierre, ­“Naam jongen”, ik kan niet meer naar boven!’ “Naam jongen” gaat ook op zijn buik liggen en kijkt naar beneden. Een heel stuk lager ligt “Jouw naam”, op een uitstekende richel. Haar gezicht is rood en betraand en ze houdt zich vast aan een uitstekende tak. ‘“Jouw naam”, wat is er gebeurd? Ben je gewond?’ schreeuwt “Naam jongen”.‘Nee, niet erg! Mijn sleutelhanger was gevallen en toen wilde ik hem gaan pakken. Ik kon er bijna bij... en toen ben ik uitgegleden...’ ‘“Jouw naam”, stiel blijven zitten,’ waarschuwt Pierre. ‘Niet beweken, stenen kunnen kaan rollen. Pierre kaat touw alen uit roekzak.’ ‘Niet weggaan! Ik ben bang!’ schreeuwt “Jouw naam”. Ze begint weer te huilen, maar Pierre is al weg. ‘Ik ben er nog,’ roept “Naam jongen”. ‘Niet bewegen, “Jouw naam”! Pierre komt zo terug. Hij zal je eruit halen. Kijk maar niet naar beneden!’ “Naam jongen” krijgt zelf een draaierig 86


gevoel als hij naar “Jouw naam” en die enorme diepte onder haar kijkt. Wat een idioot om langs zo’n steile wand naar beneden te klimmen! ‘Heb je je pijn gedaan?’ roept hij. ‘Mijn handen. En de wond op mijn been.“Naam jongen”, die tak kraakt! Ik ben bang...’ “Jouw naam” probeert zich met haar voeten wat op te duwen. Een los­liggende steen klettert met veel lawaai naar beneden. “Jouw naam” gilt.‘Niet bewegen!’ schreeuwt “Naam jongen”. ‘“Naam jongen”, ik hou het bijna niet meer. Ik krijg kramp in mijn armen!’ ‘Jawel, jij bent hartstikke sterk! Onkruid vergaat niet, dat heb je zelf gezegd. Hou vol, “Jouw naam”!’ Pierre komt aangehold met een opgerold touw in zijn hand. Hij knielt neer bij een boomstronk en wikkelt het los. ‘Iek oop dat et lang kenoeg ies,’ zegt hij. Met een paar ­vlugge bewegingen knoopt Pierre het touw aan de stronk vast en trekt er een paar keer stevig aan, om te testen of het houdt. ‘“Jouw naam”!’ roept hij over de rand.‘Et touw komt naar beneden. Jij moet et pakken, dan ijs iek jou omoog!’ Pierre laat het touw zakken. “Naam jongen” ligt op zijn buik naast hem. Hij heeft nu echt pijn in zijn buik van de zenuwen. Hij beseft heel goed dat als “Jouw naam” verder naar beneden valt, het niet goed met haar afloopt. ‘Ik kan er niet bij!’ gilt “Jouw naam”.‘Ik durf de tak niet los te laten, hij kraakt...’ Op dat moment breekt de tak af. “Jouw naam” geeft een ijselijke gil en glijdt een paar meter verder naar beneden. Ze grijpt zich vast aan een struik. ‘Au!’ gilt ze. ‘Doornen, au! Hééélp!’ Een groot aantal stenen klettert achter elkaar de diepte in. Een paar meter onder “Jouw naam” gaapt een kloof; de wanden gaan steil en zonder richels naar beneden, naar het kol-

87


Het is altijd handig om een stuk touw bij je te hebben als je een flinke tocht gaat maken. Je kunt kunstvezeltouw nemen, dat rot niet zo snel, of natuurvezeltouw, dat beter te hanteren is als het koud is. Bewaar je touw netjes, dan heb je er meer plezier van:

Een platte knoop maken met twee stukken touw. (Niet gebruiken voor touw van verschillende diktes; dat gaat glijden)

De paalsteek Deze knoop maakt een lus die niet kan worden aangetrokken en niet zal slippen. Je kan ’m dus gebruiken aan het eind van een reddingslijn. De achtlus Deze knoop gebruik je om een stuk touw aan een paal of boom te bevestigen.


kende water. ‘Vastouden, “Jouw naam”! Iek kom je alen!’ ‘Wat?’ vraagt “Naam jongen” geschrokken. ‘Ga jij naar beneden? Dat is toch veel te gevaarlijk?’ ‘Et zal moeten,’ zegt Pierre. ‘Keen andere keuze. Pierre kan berkklimmen. Maar “Naam jongen” moet elpen. Kijk, iek ka nu naar ­beneden en doe touw om de borst van “Jouw naam”.’ Pierre trekt het touw omhoog. ‘En dan moet jij elpen met “Jouw naam” omook te trekken, dat doe jij zo.’ Pierre doet voor hoe “Naam jongen” het touw moet houden. ‘Bekrijp jij et?’ “Naam jongen” knikt, maar vraagt dan: ‘Kan ik dat dan wel houden?’ ‘Touw ies verankerd aan boom, kan nieks kebeuren.’ Hij haalt het tussen zijn benen door en slaat het met een lus over zijn schouders. Daarna controleert hij de knoop om de boom nog een keer en loopt dan naar de rand van het ravijn toe. “Naam jongen” pakt Pierre bij zijn mouw.‘Maar jij dan, Pierre, hoe kom jij naar boven?’ ‘Joellie laten et touw weer zakken en dan komt Pierre zelf omook,’ antwoordt Pierre. Hij geeft “Naam jongen” een knipoog. ‘Et zal koed kaan, wees maar niet onkeroest.’ ‘Pierre, schiet nou op, alsjeblieft, die struik houdt mij niet!’ schreeuwt “Jouw naam”. Er klinkt doodsangst in haar stem. Pierre geeft zijn strohoed aan “Naam jongen” en klimt voorzichtig over de rand. Hij laat zichzelf naar achteren glijden, totdat het touw strak staat. Dan laat hij zichzelf voetje voor voetje naar beneden zakken, terwijl hij het touw telkens een stukje laat vieren. “Naam jongen” kijkt angstig naar de boomstronk. Houdt die

89


het wel? Lager en lager gaat Pierre. Hoewel hij zich heel voorzichtig beweegt, kan hij niet voorkomen dat er zo nu en dan een losliggende steen naar beneden rolt. “Naam jongen” ligt op zijn buik naast de rand. Het zweet staat hem in zijn handen en hij is misselijk van angst. Als Pierre nu ook valt, wat moet hij dan? Nog een paar meter en dan is Pierre bij “Jouw naam”.Voorzichtig laat hij zich tot vlak naast haar zakken en plant zijn voeten stevig op een richel. ‘Nu moet jij eel roestiek blijven, “Jouw naam”. Iek ka et touw om jouw borst binden en dan ben jij veilik. “Naam jongen” trekt jou omook.’ “Jouw naam” knikt. Haar handen zitten onder het bloed en ze heeft een grote schram over haar wang. ‘Pierre, en jij dan...’ ‘Touw komt weer omlaak als jij boven bent. Pierre kan eel koed klimmen. Niet bang zijn,’ zegt Pierre en hij glimlacht geruststellend. Handig en snel maakt hij met één hand het touw om “Jouw naam” vast, terwijl hij zichzelf met de andere hand aan een uitstekende rotspunt vasthoudt. ‘Zo, ies koed. “Naam jongen”, trekken maar!’

90


Nog een ongeluk

“Naam jongen” doet het touw achter zijn rug langs zoals Pierre heeft voorgedaan. Dan haalt hij het in tot hij het strak voelt staan. ‘Koed zo,’ zegt Pierre. ‘Nu ka jij zelf klimmen, “Jouw naam”. Zet daar je voet neer en pak die steen daar vast.’ ‘Ik durf niet, ik durf de struik niet los te laten.’ ‘Jij durft dat wel, Pierre elpt je, toe maar.’ Hij ondersteunt haar voet en brengt haar hand omhoog. ‘Als jij uitklijdt, blijft jij ­angen aan et touw. “Naam jongen” oudt et vast en et zit ver91


ankerd aan een boom.’ “Jouw naam” klautert voetje voor voetje omhoog, terwijl “Naam jongen” er boven voor zorgt dat het touw strak blijft staan. Het gewicht is minder dan hij verwacht had. ‘Het kaat prima!’ roept Pierre bemoedigend.‘Trekken,“Naam jongen”, oud et touw kespannen.’ “Jouw naam” nadert langzaam de rand. Dan houdt ze stil om naar beneden te kijken. ‘Ka door!’ roept Pierre. ‘Je bent er bijna! Flienke meid!’ “Jouw naam” lacht door haar tranen heen. ‘Hup “Jouw naam”, nog een klein stukje!’ roept “Naam jongen” van boven. Op dat moment zet “Jouw naam” haar voet neer op een grote losliggende kei. De steen schiet weg en ketst naar beneden, gevolgd door nog een heel stel grote keien. Pierre geeft een harde schreeuw en “Jouw naam” glijdt een stuk omlaag. “Naam jongen” voelt een flinke ruk aan het touw maar kan zich nog op tijd schrap zetten. ‘“Jouw naam”, ik heb je! Gaat het goed?’ ‘Ja,’ gilt “Jouw naam” terug.‘Maar er is iets met Pierre... Ik geloof dat een stuk rots op hem is terechtgekomen!’ Met veel moeite hijst “Jouw naam” haar bovenlijf over de rand. “Naam jongen” laat het touw los en helpt haar verder. Als ze veilig naast hem zit, laat hij zich op zijn buik vallen en kijkt naar benden. ‘Pierre, Pierre, is alles goed?’ “Naam jongen” hoort Pierre kreunen. Hij ligt in elkaar gedoken tegen de rotswand aangedrukt. ‘Pierre, geef antwoord! Ben je gewond? Pierre!’ ‘Kooi touw naar beneden!’ roept Pierre. ‘Steen op skouder. Ies kebroken!’ ‘O, nee,’ roept “Jouw naam” in tranen. Ze grijpt “Naam jongen” bij zijn armen. ‘Mijn schuld. Allemaal mijn schuld. Hij 92


Deze techniek van afdalen heet abseilen. Doe het alleen als je door een deskundige begeleid wordt of in een situatie van leven of dood bent. Leg de lijn om een stevig ankerpunt. Test de knoop met je volle lichaams­ gewicht. Let op dat het touw niet over scherpe randen schuurt.

Houd het touw voor je vast met je linkerhand en achter je met je rechter. Laat de lijn rond je lichaam het gewicht dragen. Stap langzaam omlaag. Vier de lijn met één hand tegelijk.

Maak het touw met een paalsteek vast om de borst van de op te hijsen persoon. Zorg dat het touw boven goed verankerd is. Degene die hijst, doet dat zoals op de tekening.

Haal telkens met je rechterhand het touw in, trek met de linkerhand door. De klimmer klimt langzaam omhoog en degene boven zorgt dat de lijn gespannen blijft.


heeft mij gered en d­ adelijk valt hij naar beneden en dan is hij dood! “Naam jongen”, wat moeten we doen? Hoe kan hij nou klimmen met een gebroken schouder?’ ‘Hou op met dat gegil, mens! We moeten Pierre helpen.’ “Naam jongen” maakt de knoop om de borst van “Jouw naam” los en laat het touw naar beneden zakken. ‘Pierre, maak het touw om je borst vast, net zoals bij “Jouw naam”.’ Pierre heft zijn hoofd op en kijkt naar boven. Zijn gezicht is vertrokken van de pijn. Hij omklemt zijn gewonde schouder en “Naam jongen” ziet dat er bloed uit stroomt. ‘Pierre, hoor je me? Bind het touw vast om je borst.’ ‘“Naam jongen”, Pierre is toch veel te zwaar voor ons, dat houden we niet! We moeten hulp gaan halen!’ De stem van “Jouw naam” klinkt schril van paniek. ‘Idioot, waar dan? Weet jij de weg naar beneden? En Pierre houdt het niet lang vol daar! Kom naast me staan, touw achter je rug langs net als ik, en niet loslaten als je het inhaalt.’ “Naam jongen” knielt neer bij de rand. ‘Pierre, lukt het? Zit je vast?’ Pierre schudt zijn hoofd. ‘Kom op, Pierre! Je kunt het. Maak er een stevige knoop in!’ roept “Naam jongen”. ‘We gaan je ophijsen.’ Op dat moment schuift er een steen onder Pierres voeten weg. Hij slaakt een kreet. Ook “Jouw naam” gilt het uit en ze slaat haar handen voor haar ogen. Pierre heeft zich nog net op tijd vastgegrepen aan dezelfde doornstruik waar “Jouw naam” eerder aan hing. Het zweet loopt in stralen over zijn voorhoofd zijn hals in. ‘Pierre, pak het touw, het hangt vlak naast je,’ schreeuwt ­“Naam jongen”. Pierre duwt zich met één been op en grijpt met zijn goede arm het touw. Moeizaam en langzaam schuift hij het

94


onder zijn oksels door. “Naam jongen” hoort hem kreunen. ‘Goed zo. De knoop, Pierre! Zit je vast?’ Pierre knikt. ‘Probeer te klimmen, wij hijsen je op.’ Pierre knikt weer. “Naam jongen” springt op en loopt naar achteren. ‘Oké, “Jouw naam”, nu is het onze beurt. Zet je schrap.’ “Naam jongen” en “Jouw naam” halen zwetend en puffend het touw c­ entimeter voor centimeter in. De zon brandt op hun gezicht en er is geen zuchtje wind. Ze horen Pierre beneden zwoegen en ­hijgen. ‘“Naam jongen”, ik hou het bijna niet meer,’ roept “Jouw naam” benauwd. ‘Je moet, hou vol, trekken!’ hijgt “Naam jongen”.‘Hij is er bijna. Haal in die lijn.’ Het touw snijdt in zijn handen en ook “Naam jongen” kan het gewicht van Pierre nauwelijks dragen. Zijn knieën trillen vervaarlijk. Dan ziet hij tot zijn opluchting een hand aan de rand verschijnen. ‘Hou vast, Pierre!’ roept “Naam jongen”. Met de hulp van “Jouw naam” slaat hij het touw net zo lang om de stronk tot het weer strak staat. Dan rennen ze naar hem toe en trekken hem het laatste stuk omhoog. Pierre laat zich hijgend op zijn rug rollen en klampt zijn hand om zijn gewonde schouder. “Jouw naam” en “Naam jongen” knielen bij hem neer en kijken hem angstig aan. Pierre doet zijn ogen open. ‘Dat hebben joellie eel knap kedaan!’ zegt hij met een brede glimlach. “Jouw naam” lacht opgelucht. Uit haar zak haalt ze de sleutelhanger. Ze geeft er een klapzoen op en roept: ‘Zie je wel dat hij ­geluk brengt!’

95


Rood-witte strepen

‘Hé, kijk!’ roept “Jouw naam” opgewonden.‘Rood-witte strepen! We zijn weer op de GR.’ Pierre gaat op een boomstam aan de kant van de weg zitten. Ze hebben een uur of twee gelopen en hij ziet er bleek en vermoeid uit. “Naam jongen” doet de rugzak af en geeft de veldfles aan Pierre. ‘Gaat het wel?’ vraagt hij bezorgd. Pierre grijnst. ‘Kaat koed! Joellie ebben een eel mooi verband aankelekd!’ Hij klopt op zijn arm, die met een noodverband 96


op zijn borst vastgebonden is. ‘Gelukkig had jij je verbandspullen bij je,’ zegt “Jouw naam”. ‘Joellie zijn eel, eel dapper keweest. Joellie ebben mijn leven kered, Pierre ies zeer dankbaar en zal joellie nooit verketen!’ Zijn stem klinkt verdrietig. Hij wijst tussen de bomen door naar beneden. Tussen de bladeren, in de verte, is een kerktoren te zien. ‘Daar liekt Calenzana. Ies nok een kwartiertje lopen. Kienderen moeten nu alleen verder kaan.’ ‘Maar Pierre!’ roept “Naam jongen”.‘Je bent gewond! Je moet naar het ziekenhuis! Wij laten jou hier niet alleen achter.’ Pierre schudt zijn hoofd. ‘Nee, kienderen. Pierre kaat ier afskeid nemen van zijn lieve kasten!’ Hij staat op en probeert zijn rugzak om te doen. Op dat moment klinkt er luid geblaf. Pierre springt geschrokken overeind. “Jouw naam” grijpt zijn arm. ‘Pierre, wat is er?’ Het geblaf van de honden komt razendsnel dichterbij. Pierre ziet heel bleek. Drie herdershonden stormen woest blaffend de bocht van de weg om. “Jouw naam” en “Naam jongen” klampen zich geschrokken aan Pierre vast. Dan zien ze dat de honden aan lange lijnen vast zitten en gevolgd worden door politieagenten. Pierre doet twee stappen achteruit, alsof hij wil vluchten. ‘Merde, les flics,’ fluistert hij. Een uurtje later zitten “Jouw naam” en “Naam jongen” stralend achter een groot glas limonade en een schaal croissantjes op het politiebureau. De deur van het kantoortje vliegt open en de moeder van “Jouw naam” en Alexander stormen naar binnen, gevolgd door de ouders van “Naam jongen”. ‘“Jouw naam”!’ roept de moeder van “Jouw naam” en ze

97


klemt haar dochter tegen zich aan. De tranen lopen over haar wangen. ‘“Jouw naam”, lieverd, ik ben zo ongerust geweest! Ik was zo bang dat er iets met je gebeurd was! O, het spijt me zo dat ik zo naar tegen je gedaan heb!’ Dan ziet ze het verband om het been van “Jouw naam”. ‘Kind, je bent gewond!’ “Jouw naam” grijnst en bevrijdt zich uit haar moeders greep. ‘O, dat is niks hoor, enkel een schrammetje.’ De vader en moeder van “Naam jongen” rennen op hun zoon af en omhelzen hem stevig. ‘“Naam jongen”, jongen, wat ben ik blij dat je terecht bent!’ zegt zijn moeder, ook met tranen in haar ogen. ‘Waar waren jullie in hemelsnaam? Wat is er gebeurd?’ “Naam jongen” zet zijn bril recht en propt nog een croissantje in zijn mond.‘We waren in de bergen, verdwaald! En we hebben het overleefd dankzij onze vriend Pierre!’ ‘Pierre?’ vraagt zijn vader verbaasd. ‘Ja,’ zegt “Jouw naam” glunderend. ‘We werden overvallen door noodweer en toen ben ik bijna verdronken en toen heb ik “Naam jongen” ­gered uit een wilde-zwijnenval...’ ‘En ik heb jou uit het water gehaald...’ onderbreekt “Naam jongen” haar. ‘Nou, en we waren dus hartstikke de weg kwijt en het werd al avond, en toen kwamen we Pierre tegen, en die heeft ons meegenomen naar zijn hut, en ons te eten en te drinken gegeven! En ik dacht eerst dat hij een boef was, omdat hij een geweer had en een litteken en in zijn eentje in de bergen woont, en een kist met rare spullen had, maar hij is geen boef, hij is heel aardig en dapper en hij heeft mijn leven gered,’ besluit “Jouw naam” ademloos. Ze neemt een grote slok koude limonade. De grote mensen kijken elkaar verbaasd aan. ‘En toen hebben wij hém gered, uit het ravijn!’ roept “Naam

98


Als je op medische hulp moet wachten, of nog moet lopen, zoals Pierre, zorg dan dat gesloten breuken onbeweeglijk blijven. Gebruik een mitella als draagdoek.Als je die niet hebt, gebruik dan een trui of riem. Spalk nooit direct op een wond en laat knopen niet tegen het lichaam drukken. Hou de bloedcirculatie in de gaten.

Leg een draagdoek aan om het gewicht van het gebroken bot te verminderen. Maak de arm onbeweeglijk met een riem of verband.

Maak de onderarm onbeweeglijk met een spalk. Leg een mitella aan of gebruik een trui, zoals op de tekening. De arm moet schuin omhooggehouden worden om zwelling te voorkomen.

Spalk zoals op de tekening. Plaats wat zacht materiaal in de oksel. Maak een smalle draagdoek om de pols en bind de arm vast aan het lichaam.


jongen” triom­fantelijk. ‘Zo, zo... wat een avonturen!’ zegt de vader van “Naam jongen”. ‘Jullie moeten het straks allemaal nog maar eens rustig vertellen. En waar is die nieuwe vriend van jullie nu dan? Ik wil hem graag be­danken.’ ‘De gendarmes hebben hem meegenomen naar het ziekenhuis,’ antwoordt “Jouw naam”. ‘Hij wilde helemaal niet. Hij zei dat het vanzelf wel overging.’ ‘Wat overging?’ vraagt de moeder van “Jouw naam”. ‘Zijn schouder. Ik was in een ravijn gekieperd en toen hij mij kwam redden, kreeg hij een steen op zijn schouder.’ Het roodverbrande gezicht van “Jouw naam” vertrekt. ‘Dat was mijn schuld, maar ik deed het niet expres.’ Ze kijkt naar haar moeder. Die geeft haar een zoen. ‘Nee, natuurlijk niet, schat. Ik ben zo blij dat ik je weer heelhuids terug heb,“Jouw naam”. En ik heb zoveel nagedacht over ons...’ ‘Waar kwamen die honden eigenlijk vandaan?’ vraagt “Naam jongen”. ‘Toen jullie tegen de middag nog niet terug waren, hebben we de politie gewaarschuwd,’ zegt de moeder van “Jouw naam”. ‘De ober uit de ontbijt­zaal had jullie zien wegrennen. Wij zijn eerst samen gaan zoeken, maar we konden jullie niet vinden. Toen heeft de politie ook gezocht. Maar we vonden geen spoor...’ ‘Toen is er met een helikopter een stel speurhonden uit Calvi overgevlogen, want die hadden ze niet in Calenzana...’ vult de vader van “Naam jongen” aan. ‘Wow, wat spannend! Speciaal voor ons!’ zegt “Naam jongen” met schitterende ogen. ‘En toen?’ ‘Toen moesten we kleren van jullie halen, voor de geur, en hebben we met de honden gezocht tot het donker werd. En toen ging het niet meer, want er lag te veel dauw en de hon-

100


den konden het spoor niet goed meer ruiken.’ ‘We zijn ook de rivier over geweest,’ zegt “Jouw naam”.‘Daardoor raakten ze natuurlijk het spoor kwijt.’ ‘We hebben vannacht geen oog dichtgedaan,’ zegt de moeder van “Jouw naam”. ‘En vanmorgen vroeg zijn we weer gaan zoeken.’ ‘En toen liepen de agenten zo tegen ons aan!’ zegt “Naam jongen” stralend. ‘Allemaal dankzij Pierre! Als die ons niet gevonden had...’ Alexander, die tot nu toe nog niets gezegd heeft, schraapt zijn keel.‘Ik vind dat we met zijn allen naar het ziekenhuis moeten gaan, om die Pierre te bedanken!’ ‘Ja!’ juicht “Naam jongen”. “Jouw naam” staat op en klopt Alexander onhandig op zijn arm. ‘Het spijt me dat ik zo afschuwelijk tegen je gedaan heb, Alexander. Ik baalde gewoon en miste mijn vader.’ Alexander aait over de haren van “Jouw naam”. ‘Ik vind dat een prima idee,’ zegt de vader van “Naam jongen”. ‘We gaan de grootste en lekkerste taart kopen die we kunnen vinden en ook een paar flessen wijn en die maken we daar soldaat.We maken er een feestje van!’ Hij trekt beide kinderen lachend tegen zich aan. ‘Jongens, wat ben ik blij dat jullie weer veilig terug zijn. Maar doe dit nooit, nooit meer.’ De moeder van “Jouw naam” strijkt “Naam jongen” door zijn krullen. ‘Ik denk dat ze hun lesje wel geleerd hebben, hè “Naam jongen”?’ ‘Nou en of,’ zegt “Naam jongen” en hij grijnst naar “Jouw naam”. ‘Wij hebben hartstikke veel geleerd!’

101


Afscheid

“Naam jongen” en “Jouw naam” dragen ieder een grote doos met taart. De vader van “Naam jongen” heeft een fles champagne en Alexander draagt een ­hele doos met wijn. “Naam jongen” en “Jouw naam” hebben schone kleren aan. Ze zijn in het hotel in bad geweest en hebben een heerlijke warme maaltijd gekregen. En natuurlijk hebben ze in geuren en kleuren het hele verhaal verteld. ‘We moeten zijn op kamer...’ De vader van “Naam jongen” kijkt op het kaartje dat de receptioniste van het ziekenhuis hun heeft gegeven. ‘Op kamer E 32.’ ‘Dat is die gang in!’ roept “Naam jongen” en hij begint te rennen. Hij kan bijna niet wachten om Pierre voor te stellen aan zijn ouders. Hoe zou het met hem zijn? 102


‘Ho, ho, mannetje!’ roept zijn vader hem achterna. ‘Niet zo snel, dadelijk lig je met je neus in de slagroom!’ Plotseling staat “Naam jongen” stil. Voor kamer E 32 zit een politieagent op een stoel. Hij leest een krant. ‘Hè?’ zegt “Jouw naam”, die hem ingehaald heeft. ‘Een gendarme? Wat doet die hier nou?’ Een naar gevoel bekruipt haar. ‘Dat is inderdaad vreemd,’ zegt Alexander, die ook is komen aanlopen.‘Ik zal hem wel eens vragen of dit de goeie kamer is. Misschien heeft de receptioniste een fout gemaakt.’ Alexander loopt naar de agent toe, die meteen in de houding springt. Alexander en de man praten met elkaar, in het Frans. “Naam jongen” en “Jouw naam” verstaan er niets van, maar ze zien wel dat Alexander schrikt. Hij stelt op dringende toon een vraag. De agent aarzelt en kijkt naar de kinderen. Dan knikt hij. Alexander komt naar hen toegelopen. ‘Kom maar,’ zegt hij. ‘De schouder van Pierre is vanmorgen gezet en hij maakt het goed.We mogen naar binnen.’ ‘Waarom zit die agent voor zijn deur?’ vraagt “Jouw naam” ­argwanend. Alexander werpt een blik naar de andere grote mensen. ‘Dat vertel ik later wel. Kom, we gaan naar Pierre toe.’ “Naam jongen” en “Jouw naam” kijken elkaar met grote ogen aan. “Naam jongen” gooit de deur open. ‘Pierre!’ roept hij. ‘Hier zijn we, we komen je...’ Meteen klapt zijn mond dicht. Hij kijkt stomverbaasd rond. De anderen komen nu ook binnen. ‘Hij is weg!’ roept “Jouw naam”. De kamer is inderdaad leeg. Het raam staat open. “Naam jon-

103


Š Gerlinde de Geus

Na de Design Academy in Eindhoven vestigde Francine (Laren, 27 maart 1960) zich als zelfstandig industrieel ontwerper. Ze begon in 1990 met het ontwerpen, schrijven en illustreren van kinderboeken. Haar grote doorbraak kwam met de Hoe overleef ik...-serie. Ze heeft er negen keer op een rij de prijs van de Kinderjury mee gewonnen, vijf keer de Jonge Jury, plus verschillende andere prijzen. Naast de 13-delige serie zijn er o.a. Hoe overleef ik...taalgidsjes, survivalgidsen, een kookboek, spellen, schoolartikelen, (natuurlijke) lichaamsverzorgingsproducten en een tijdschrift. De Hoe overleef ik...-serie is verfilmd voor ­televisie en bioscoop en bewerkt als musical. In 2012 verscheen Hoe overleeft Rosa in New York? het eerste deel in de serie Rosa & Co, de opvolger van de Hoe overleef ik...serie. Meer informatie over Francine en haar werk vind je op www.hoeoverleefik.nl en op www.rosa-en-co.nl


In de webshop van Hoe overleef ik staan niet alleen de boeken, maar ook het tijdschrift, de school- en schrijfspullen, de spellen, de dvd, de kalenders en nog veel meer!


Andere boeken van Francine Oomen HOE OVERLEEF IK...

Hoe overleef ik mijn vakantie? (1998) Hoe overleef ik het jaar 2000? (1999) Hoe overleef ik de brugklas? (2000) Genomineerd door de Jonge Jury 2002 Hoe overleef ik mijn eerste zoen? (2001) Genomineerd door de Kinderjury 2002, Genomineerd door de Jonge Jury 2003 Hoe overleef ik mezelf? (2002) Prijs van de Kinderjury 2003, Hotze de Roosprijs 2004, Prijs van de Jonge Jury 2004 Hoe overleef ik een gebroken hart? (2003) Prijs van de Kinderjury 2004, Hotze de Roosprijs 2004, Prijs van de Jonge Jury 2005 Hoe overleef ik met/zonder jou? (2004) Prijs van de Kinderjury 2005, Hotze de Roosprijs 2005,Tina-Bruna-award 2005, Nickelodeon Award Best Children’s Book, Prijs van de Jonge Jury 2006 Hoe overleef ik mijn ouders? (en zij mij!) (2005) Prijs van de Kinderjury 2006, Genomineerd door de Jonge Jury 2007 Hoe overleef ik (zonder) liefde? (2006) Prijs van de Kinderjury 2007, Genomineerd door de Jonge Jury 2008 Hoe overleef ik met/zonder vrienden? (2007) Prijs van de Kinderjury 2008, Genomineerd door de Jonge Jury 2009 Hoe overleef ik mijn vriendje? (en hij mij!) (2008) Prijs van de Kinderjury 2009, Prijs van de Jonge Jury 2010 Hoe overleef ik (zonder) dromen? (2009) Prijs van de Kinderjury 2010, Prijs van de Jonge Jury 2011 Hoe overleef ik mijn vader? (en hij mij!) (2010) Prijs van de Kinderjury 2011, Genomineerd door de Jonge Jury 2012 Deze boeken zijn o.a. te koop via www.hoeoverleefikwebshop.nl


HOE OVERLEEF IK-STRIPBOEK

Annet Schaap maakte in 2012 een stripboek van het derde deel van de serie: Hoe overleef ik de brugklas? Lees en bekijk Rosa’s ­belevenissen in kleur!

ROSA & CO

Hoe overleeft Rosa in New York? is het eerste deel van de opvolger van de Hoe overleef ik...serie. Rosa werkt als au pair in New York en Neuz probeert in Berlijn zijn leven weer op de rails te zetten.Voor iedereen die wil weten hoe het verder gaat met Rosa en haar vrienden.

HOE OVERLEEF IK DE PUBERTEIT?

Voor alle pubers en degenen die van plan zijn dat te worden is er Hoe overleef ik de puberteit? Rosa geeft je goede raad en veel info over je buitenkant én je binnenkant. Met veel strips, mails, msn, tests, invulpagina’s, enquête-uitslagen en een ­heleboel onmisbare survivaltips.

HOE OVERLEEF IK VRIENDSCHAP & LIEFDE?

Rosa (die zelf al heel wat heeft meegemaakt) geeft goede raad over ruzie, nieuwe vrienden maken, jaloezie, pesten, onzekerheid, verliefdheid, je eerste én je laatste zoen en alles daartussenin! Opnieuw met veel strips, testjes, mails, msn, enquête-uitslagen en invulpagina’s! En natuurlijk heel veel onmisbare survivaltips.


HOE OVERLEEF IK SCHOOL?

Hoe overleef je stapels huiswerk, vervelende klasgenoten en saaie lessen? Kortom: hoe overleef je school? Met behulp van dit boek! Rosa geeft je goede raad en laat zien hoe je van je schooltijd een leuke tijd kunt maken. Met veel strips, mails, testjes en invulpagina’s. En natuurlijk een heleboel onmisbare survivaltips!

HOE OVERLEEF IK (ZONDER) GROEP 8?

Een invulboek voor iedereen die de basisschool gaat verlaten. Voor jezelf, om je eigen herinneringen in op te schrijven. En natuurlijk voor al je klasgenoten, je juffen en meesters. Zodat je ze nooit zult vergeten! Verder staat het boek boordevol survivaltips (voor de Cito-toets, het schoolkamp, de eindmusical, brugklas-stress en nog veel meer), mails met vragen en antwoorden en leuke tekeningen van Annet Schaap.

HOE OVERLEEF IK (ZONDER) VAKANTIEDAGBOEK?

Een dagboek vol inspirerende invulpagina’s. Met plaats om je vakantiebelevenissen op te schrijven, foto’s en andere herinneringen in te plakken, een handige vakantiekalender, ruimte voor adressen van je vakantievrienden en -vriendinnen, leuke ideeën en recepten en natuurlijk veel onmisbare survivaltips.Voor een onvergetelijke vakantie!


HOE OVERLEEF IK DOE-HET-ZELF KNUTSELBOEK

Borrel en bruis je van de creativiteit? (Of juist even niet?) Vind je het leuk om dingen zelf te maken, zoals cadeautjes? Knip, plak, knutsel en frutsel je graag? Dan is het nieuwe Hoe overleef ik...-doe-het-zelf knutselboek echt iets voor jou! In het boek staan meer dan twintig originele ideeën waarmee je meteen aan de slag kunt.

HOE OVERLEEF IK DOE-HET-ZELF MODEBOEK

Hou je van leuke, hippe kleren en accessoires, maar heb je ­weinig geld? Is je T-shirt, broek, of bloesje te klein, kapot of ben je erop uitgekeken? Vind je het leuk om je eigen kleding te ­ontwerpen en te maken? Dan is dit boek zeker iets voor jou! Geef je kleding een tweede leven. Pimp, combineer, ­versier, knip, naai, verleng, verkort en verander! Laat je creativiteit ­stromen en maak je eigen mode!

HOE OVERLEEF IK VAKANTIEGIDSJES

In deze vakantiegidsjes staat alles wat je nodig hebt om je ­zelfstandig te redden tijdens je vakantie in Frankrijk, Italië of Spanje. Met heel veel survivaltips!


HOE OVERLEEF IK...TIJDSCHRIFT

Hoe overleef ik zonder Hoe overleef ik...? Niet! Gelukkig verschijnt zes keer per jaar het Hoe overleef ik...-tijdschrift! Met verhalen over Rosa en haar vrienden, Ezzie’s eigen pagina’s, een strip over Rosa, een horoscoop, quizzen, testjes, interviews, leestips, inspirerende knutsel-ideeën, wedstrijden en weggeefacties. Superleuk vormgegeven en natuurlijk met veel survivaltips van Francine. Twee keer per jaar zijn er extra specials, zoals het zomer‑ en winter-doe-boek. Het tijdschrift is te koop in de supermarkt of tijdschriften­ winkel. Kijk voor abonnement-aanbiedingen (met welkomst­ cadeaus) op hoeoverleefik.nl/abonnementen.


600076285_176706_2.9.1.H


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Bladerboekje overleef pg by YourSurprise.com - Issuu