Westerheem
-W-
-W-
"F
J
"•
XLIII-1-1994
AWN
Colofon
Inhoud jaargang 43 no. 1, februari 1994
Westerheem is het tweemaandelijks orgaan van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN), Postbus 44120, 3006 HC Rotterdam Lidmaatschap/abonnement f65,- per jaar Opgave: Leden- en abonnementen-administratie AWN, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal Opzegging vóór 1 december Redactie: A. Carmiggelt (hoofdredacteur), Harstenhoekweg 139, 2587 SG 's-Gravenhage P. Stuurman (redacteur literatuurrubrieken), Volendamlaan 1094, 2547 CS 's-Gravenhage (tevens centraal redactie-adres) R. van Lit (eindredacteur), Waalsdorperlaan 9, 2244 BM Wassenaar A. M. Numan (redacteur verenigingsnieuws), Jan Bontelaan 11, 2015 EH Haarlem
Roei Evers en Saskia Leupen Romeins Archeon N. C. Kerkhoff Een aanwijzing voor vroege bewoning ten noorden van onze waddenkust
Zierikzee-Roompot. Een geweibijl met een vierkant gat uit de Brons- of Ijzertijd
Een bijzondere lamp uit Nijmegen
J. C. Besteman, J. H. F. Bloemers, J. Buurman, H. Groenendijk, R. C. G. M. Lauwerier, D. Stapert, H. Stoepker, L. B. M. Verhart
Archeologisch onderzoek aan het Spui 173 in Den Haag
11
16
T. de Ridder Een colfje naar mijn hand
24
Kort archeologisch nieuws
29
Reacties van lezers Literatuurbespreking
Druk: Seinen's Grafische Bedrijven, De Krim (Ov.)
9
W. J. H. Willems en P.A.M. Beliën
Gilbert Kempenaar
© AWN 1994. Overname van artikelen en illustraties is slechts toegestaan na voorafgaande schriftelijke toestemming van de redactie
6
Roei C. G. M. Lauwerier
Redactieraad:
Sluitingsdata kopij: 1 januari, 1 maart, 1 mei, I juli, 1 september en I november Aanwijzingen voor auteurs zijn op aanvraag verkrijgbaar bij de hoofdredacteur Voor inlichtingen over advertenties wende men zich tot de eindredacteur
1
.32 ...33
Literatuursignalement
43
Agenda
48
ISSN 0166-4301 Wij verzoeken u adresveranderingen door te geven aan de leden- en abonnementenadministratie AWN, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal. Alleen zo bent u gegarandeerd van de toezending van Westerheem.
Op het omslag: Colfslof uit Heiloo (tek. T. de Ridder). Zie p. 24 e.v.
Romeins Archeon Roei Evers en Saskia Leupen Nog maar een paar maanden en het archeologisch themapark „Archeon" in Alphen aan den Rijn opent zijn poorten voor het publiek. De afgelopen maanden is er hard gewerkt aan de afwerking van de reconstructies en de inrichting van de vele gebouwen. In de voorafgaande jaren is een verantwoorde selectie gemaakt uit een groot aantal archeologische monumenten van Nederland. Bij de keuze voor een bepaalde reconstructie is gekeken in hoeverre een gebouw representatief is voor een bepaalde periode. Ook de hoeveelheid gegevens die per locatie bekend is, heeft een belangrijke rol gespeeld. Archeon beslaat een terrein van ruim 60 hectare. Naast huizen en gebouwen op ware grootte worden ook de bijbehorende landschappen gereconstrueerd. Zo zijn de bodem en de plantengroei aangepast aan de periode van de reconstructie. Een reconstructie van een boerderij uit de Ijzertijd vereist uiteraard een geheel ander landschap dan een jagershut uit de Midden-Steentijd. Het park wordt gerealiseerd in twee fasen. Beide fasen omvatten de drie hoofdperioden: de Prehistorie, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. De eerste fase zal bij opening in april 1994 gerealiseerd zijn. Hutten van de jagers-verzamelaars bij het Bergumermeer (Fr.), een Bandkeramisch dorp van de eerste boeren uit Midden-Limburg en boerderijen uit het Laat Neolithicum, zowel uit de droge als uit de natte delen van Nederland. De Romeinse tijd is vertegenwoordigd door de fictieve stedelijke nederzetting Traiectum ad Rhenum, waarover meer in dit artikel. Gravendam is een 14eeeuwse stad, samengesteld uit reconstructies van middeleeuwse huizen uit onder andere Edam, Delft en Staveren en een Minderbroederklooster uit Dordrecht. Vanaf de opening van Archeon in 1994 wordt aan de tweede fase gewerkt. Dit zal met „authentiek" gereedschap op een „tijd-
eigen" manier gebeuren (in de Bronstijd zal dan gewerkt worden met bronzen bijlen, in de Steentijd met stenen gereedschap, etc). Voor de tweede fase staat een reconstructie van de havenwerken van Dorestad op het programma, een middeleeuws mottekasteel en de veenontginning uit Assendelft. Voor de Romeinse tijd zijn reconstructies van de haven van Velsen en het castellum van Valkenburg (ZH) gepland. De Celtic Fields en een selectie grafheuvels zijn maar een greep uit de Prehistorie. In dit artikel willen we verder aandacht besteden aan de reconstructies in de Romeinse stad in Archeon. De Romeinse stad in Archeon Bij de aanleg van nieuwe steden hielden de Romeinen rekening met een aantal belangrijke factoren. De stad moest op een droge
1. Overzicht van de maquette van de Romeinse stad Traiectum ad Rhenum (schaal 1 : 1000). Met de klok mee: het woonblok, de herberg, het badhuis, het forum met de tempel. Linksonder is nog een gedeelte van het amphitheater (Nijmegen) te zien.
1
plaats (heuvel, oeverwal) gebouwd worden, in de nabijheid van drinkwater. Terwille van de bereikbaarheid was de aanwezigheid van een pad of een (water)weg van belang. Verder zorgden de Romeinen ervoor dat hun steden strategisch goed gesitueerd waren. Geliefde plekken waren op kruispunten van (water)wegen en op de hogere gedeelten. Meestal groeiden steden uit of nabij „oudere" nederzettingen'. Deze principes werden ook gehanteerd voor de Romeinse steden in „Nederland". Een goed voorbeeld daarvan is Ulpia Noviomagus (Nijmegen). Deze Romeinse stad lag op of nabij de hoofdplaats van de Bataven (Oppidum Batavorum). Gelegen aan de Waal op een oeverwal en bij een belangrijke weg „controleerde" de stad het gehele omringende gebied2. De ontstaansgeschiedenis van Traiectum ad Rhenum De Romeinse nederzetting in Archeon is Traiectum ad Rhenum (TAR) genoemd. Deze stad heeft een gefingeerde historische ontwikkeling, die aansluit op de gangbare ontstaanswijze van Romeinse stedelijke nederzettingen in Nederland3. „Traiectum" duidt op de ligging nabij een doorwaadbare of oversteekplaats (aan een zijarm) van de Rijn (Ad Rhenum). Vlakbij deze plaats komen twee oude land-
!
• - -
2. De Gallo-Romeinse tempel uit Cuijk.
2
wegen samen. Op de oeverwal lag reeds een inheems heiligdom. Daarbij ontstond al spoedig een marktcentrum. Al deze omstandigheden maakten de plek bijzonder geschikt voor de bouw van een stad. Na godsdienstige handelingen, waarin om goddelijke bescherming werd gevraagd, komen de landmeters in actie. Zij zetten met hun meetinstrumenten (o.a. de groma) de wegen en poorten uit. Over de doorwaadbare plaats wordt een brug gebouwd, zodat de stad beter bereikbaar is. De bewoners hebben al plannen voor de bouw van stenen muren met torens en poorten. De Romeinen richten hun nieuw te bouwen steden in volgens het zogeheten „schaakbordpatroon". Alle wegen staan haaks op elkaar en verdelen de stad in rechthoekige ruimten die insulae (insula = eiland) worden genoemd. Dit principe is ook in TAR toegepast. De Cardo (noord-zuid) en de Decumanus (oost-west) verdelen de stad in vier insulae, die elk een eigen invulling krijgen4. In één ervan staat het badhuis, in een ander de herberg. De woonhuizen met hun achtererven zijn eveneens in een insula ondergebracht, recht tegenover het forum. De Romeinse tempel is precies over de oude inheemse cultusplaats heengebouwd5. Gallo-Romeins tempelcomplex (2e eeuw) De tempel is opgegraven in Cuijk (Maas-
3. Offerscène voor de tempel. Op een brandaltaar worden vruchten aan Nehalennia geofferd.
boulevard)6. De zogenaamde Gallo-Romeinse tempel bestaat uit een torenachtige cella (de cultusruimte), met daaromheen een zuilengalerij (porticus). Het voorplein van de tempel is opgegraven in Maastricht (Onze Lieve Vrouweplein)7. Een muur met poort omsluit een binnenhof met een bijgebouwtje en een zuil. Op de zuil staat een beeld van Iuppiter. Het is niet bekend aan welke godheid de tempel gewijd was. De tempel in TAR is „gewijd" aan Nehalennia, een vruchtbaarheids- en moedergodin, die in de Romeinse tijd op de Zeeuwse eilanden vereerd werd. Tussen 1970 en 1971 zijn bijna 200 stenen altaren bij Colijnsplaat uit de Oosterschelde opgevist. Op de plaats waar nu de Oosterschelde is, was vroeger een heiligdom, waar schippers en handelaren een altaarsteen aan haar wijdden voor een behouden reis8. In Archeon zullen een priester en zijn dienaren offers en orakels ten uitvoer brengen, zoals dat in die tijd gebruikelijk was.
Herberg (2e eeuw) De Romeinse herberg uit Nijmegen (terrein Canisiuscollege) heeft een oppervlak van 40 bij 25 meter en een hoogte van 10,5 meter'J. Het gebouw bestaat uit een hof, die aan twee zijden geflankeerd wordt door een porticus (galerij) met zware pijlers en aan de andere zijden door een vleugel van het gebouw. De maatverhoudingen in de plattegrond geven aan dat er een verdieping geweest moet zijn. Naast een onderkomen voor reizigers biedt het gebouw ook ruimte voor opslag. Achter de herberg is een tuin met allerlei planten, die door de Romeinen in ons land geïntroduceerd zijn. Hier treffen we bomen aan als de tamme kastanje en de haagbeuk (carpinus betulus) en de voor ons bekende groenten als biet en ui en kruiden als peterselie en koriander. In het gebouw kan er Romeins gegeten worden in de authentiek ingerichte kamers, waarvan de muurschilderingen gebaseerd zijn op originele motieven, zoals die bij tientallen opgravingen in de provincie Germania Inferior (vooral in het Nederlandse gedeelte) zijn aangetroffen.
4. Romeinse soldaten op de binnenplaats van de herberg. 3
de ruimten konden behoorlijk heet gestookt worden, dankzij een ingenieus systeem van vloer- en wandverwarming (hypocaustum).
5. De huizen in Archeon krijgen een complete Romeinse inventaris, waaronder reproducties van Romeins aardewerk. Hierboven is de pottenbakker van Archeon aan het werk.
Badhuis (2e eeuw) Het badhuis van de stad is opgegraven in Heerlen (terrein Smoor)10. De fundamenten daarvan zijn nog te bezichtigen in het Thermenmuseum. De opnieuw opgemeten bouwresten vormen het uitgangspunt voor de reconstructie. Dit badhuis is van het zogenaamde „rijen-type", wat wil zeggen dat de badvertrekken achter elkaar liggen (in de lengte-as van het gebouw), zoals dat gebruikelijk was bij veel badhuizen in de buurt van een Romeinse legerpost. Het bijzondere aan het badhuis uit Heerlen is, dat dit bouwwerk in een stedelijke context is geplaatst. Het badhuis maakt deel uit van een complex met een rij winkels en heeft een ommuring met zuilengalerijen. Het is aldus qua ontwerp een kleine versie van het grote badgebouw van Romeins Xanten (Colonia Ulpia Traiana). De bezoekers van Archeon kunnen hier op Romeinse wijze een bad nemen. Het Romeinse badritueel speelt zich af in verschillende vertrekken en is gebaseerd op een systeem van korte wisselbaden. De verschillen-
Woonhuizen (2e eeuw) Tegenover de tempel en het forum komt een woonblok, bestaande uit een vijftal huizen met de daarbij behorende achtererven. De reconstructie ervan is gebaseerd op een opgraving uit Voorburg". Het Romeinse Voorburg, Forum Hadriani, was de hoofdplaats van de civitas der Cananefaten. Uit de naam valt op te maken dat de nederzetting tijdens de regeringsperiode van keizer Hadrianus (117-138 na Chr.) marktrechten heeft gekregen. Waarschijnlijk gebeurde dat in het jaar 120/121, toen de keizer deze streken bezocht. Wat later, ten tijde van Antoninus Pius of Marcus Aurelius (in ieder geval vóór 162), werd de marktplaats tot een echte stad, een municipium, verheven. Het kreeg toen de officiële naam: Municipium Aelium (of Aurelium) Cananefatium. Deze naam is alleen bekend van een inscriptie die op een mijlpaal, gevonden in Monster of Naaldwijk, staat vermeld12. In het woonblok is te zien hoe de stadsbevolking woont en werkt. De huizen hadden zowel de functie van woonhuis als van werkplaats. Voor de indeling hebben de zuidelijke huizen uit „Insula II" model gestaan13. Elk huis heeft zijn eigen, door houten schuttingen afgeschermde, erf. Hierop vindt men een waterput, latrine, afvalkuilen en een groentetuin. Het erf kan daarnaast in gebruik zijn als werkterrein van een ambachtsman. Zo heeft de pottenbakker er zijn ovens staan. AWN en Archeon Eén van de huizen uit het woonblok is op bijzondere wijze verbonden met de AWN. Het gaat hierbij om het „huis" van de schoenmaker. De bovenverdieping van dit pand zal fungeren als tentoonstellingsruimte. Hier kan de AWN door middel van wisselende exposities een overzicht tonen van de vele werkzaamheden. Op donderdag 26 augustus jl. werd de bestemming van het pand officieel bekrachtigd door de voorzit-
6. Uitzicht op de achtererven van de woonhuizen uit Voorburg. Op de achtergrond van deze maquette staat de herberg (links) en het badhuis (rechts).
ter van de AWN, de heer P. K. J. van der Voorde, en de directeur van Archeon, G. F. IJzereef. Noten 1 Zie over stadsaanleg o.a. Macaulay 1981; Enckevort 1991; Van Es 1981. 2 Over Romeins Nijmegen leze men: Willems 1990; Noviomagus 1979. 3 Enckevort 1991; Bechert 1983, p. 100-119. 4 Vergelijk de indeling van Romeins Xanten, Keulen, Voorburg en wellicht ook Nijmegen. 5 Gallo-Romeinse tempels werden veelal over oudere inheemse cultusplaatsen heengebouwd. Dit is onder meer in Empel aangetoond. Zie: Roymans 1987. 6 Bogaers 1966 a en b. 7 Panhuysen 1987. 8 Deae Nehalenniae. 9 Bogaers en Haalebos 1989. 10 Van Giffen en Glasbergen 1948; Jamar 1981. 11 Holwerda 1923. Meer literatuur over Voorburg is te vinden in: Buijtendorp 1993. 12 Van Es 1981, p. 136-137. 13 Zie voor de afbeelding het artikel van Buijtendorp 1993, p. 111. Literatuur Bechert, T., 1983. De Romeinen tussen Rijn en Maas. Dieren. Bogaers, J. E., 1966a. Opgravingen te Cuijk 1964-1966. NKNOB 1966,65-71. Bogaers, J. E., 1966b. Opgravingen in Cuijk 1964-1966, Brabants Heem 18, 122-136. Bogaers, J. E., en J. K. Haalebos, 1988 en 1989.
Opgravingen op het terrein van het voormalige Canisiuscollege. Numaga 35 en 36. Buijtendorp, T., 1993. De winkelstraat van Forum Hadriani. Analyse en reconstructie. Westerheem 42, 110-119, en 42, 230-240. Deae Nehalennia, 1971 (tentoonstellingscatalogus). Middelburg/Leiden. Enckevort, H. van, 1991. Continuïteit en discontinuïteit: de nederzettingssystemen. In: J. H. F. Bloemers en T. van Dorp (red.), Preen Protohistorie van de Lage Landen. Houten, 277-289. Es, W. A. van, 1981. De Romeinen in Nederland. Bussum. Giffen, A. E. van, en W. Glasbergen, 1948. Thermen en castella te Heerlen-Corriovallum. L'Antiquité classique 17, 199-236. Holwerda, J. H., 1923. Arentsburg, een Romeinsch militair vlootstation bij Voorburg. Leiden. Jamar, T. J. T., 1981. Heerlen, de Romeinse thermen. Zutphen. Macaulay, D., 1981. De stad, het verhaal van de Romeinse stedebouw. Amsterdam. Noviomagus, op het spoor der Romeinen in Nijmegen, 1979. Nijmegen. Panhuysen, T., 1987. Maastricht staat op zijn verleden. Maastricht. Roymans, N., 1987. Tribale samenlevingen in Noord-Gallië (proefschrift). Amsterdam. Willems, W. J. H., 1990. Romeins Nijmegen. Utrecht. Archeon Postbus 600 2400 AP Alphen a/d Rijn
Een aanwijzing voor vroege bewoning ten noorden van onze waddenkust N. C. Kerkhoff najaar van 1990 opgespoten noordelijke strand. Volgens zijn informatie werd het benodigde zand door twee zandzuigers opgezogen uit de Noordzee op ongeveer 20 kilometer ten noorden van de oostpunt van Ameland (afb. 1) met als coördinaten 53°35' NB - 5°54' OL. De Noordzee is ter plaatse 22 tot 24 meter diep. Het zand werd vanuit de zuigplaats naar een tijdelijk onderwaterdepot bij de Amelandse kust getransporteerd, ongeveer 2 kilometer ten noorden van strandpaal 14. Vanuit dit depot werd het zand door een zandzuiger via een persleiding op het strand gespoten. In een artikel in Veld en Vitrine meldt dezelfde auteur vondsten van fossiele zoogdierresten van het wederom in 1992 opgespoten strand2. In dit artikel wordt als plaats van de zandwinning ongeveer 15 kilometer
Door bemiddeling van de heer J. Krol van het Natuurmuseum Ameland ontving ik in januari 1993 enkele fossiele botresten ter determinatie. Deze botresten werden op het noordelijke strand van Ameland gevonden. Dergelijke vondsten waren al van voorgaande zendingen van het Natuurcentrum Ameland en van het Fries Natuurmuseum in Leeuwarden bekend. Het betrof dikwijls goed herkenbare resten van zoogdieren uit de laatste IJstijd (het Weichselien). Eén van de verzamelaars waarmee ik over deze vondsten van gedachten heb gewisseld, de heer Th. W. de Boer uit Jelsum, publiceerde in Het Zeepaard een artikel over bijzondere schelpenvondsten van het Amelandse strand'. Hij gaf daarbij gegevens over de vondstomstandigheden, waaruit blijkt dat de vondsten afkomstig zijn van het in het
2
/
/. Ameland. 1: gebied van de zandwinning; 2: tijdelijk zanddepot onder water en begin persleiding naar het strand; 3: opgespoten strand (naar De Boer 1990).
6
kleur en is goed gefossiliseerd. Aan de top is het materiaal geheel door gebruik weggesleten. Rondom het U-vormig uitgesleten gedeelte (afb. 3) komen veel gebruikskrassen voor. De interne structuur van het gewei wijst erop dat het waarschijnlijk van een eland afkomstig is. Alhoewel de vorm doet vermoeden dat het werktuig als bijl gebruikt werd, moet toch worden aangenomen dat er sprake is van een landbouwwerktuig. Gewei is te zacht om voor kapwerk gebruikt te worden en daarom lijkt een toepassing bij de bewerking van de bodem aannemelijker. Dit soort werktuigen komt in diverse vormen voor en wordt in de literatuur „hak" genoemd.
2. Bovenaanzicht van het uit gewei vervaardigde werktuig. Grootste lengte 117 mm; diameter van het steelgat 27 mm; grootste breedte 41 mm. De hoogte, gemeten door het steelgat, bedraagt 57 mm.
uit de noordkust van het eiland opgegeven. Deze afstand komt beter overeen met de kaartcoĂśrdinaten van het zandwingebied. Bij de botresten die ik in januari 1993 heb bekeken, viel een geweifragment op, dat bij nadere beschouwing sporen van bewerking vertoonde. Het geweifragment is bij de rozenkrans afgesneden, heeft een diep-zwarte
3. Zijaanzicht met bovenaan het uitgesleten uiteinde.
De hier afgebeelde „hak" werd op 14 januari 1993 door de heer J. G. van der Heide uit Nes op het strand van Ameland bij paal 20 gevonden en bevindt zich in zijn collectie. Op de hak komen geen zeepokken en bryozoën voor, hetgeen een aanwijzing is voor slechts een kortstondig verblijf in zee. Daardoor kan gesteld worden dat de hak niet door de zee is aangevoerd, maar afkomstig is uit het suppletiezand. Of het voorwerp afkomstig is uit het oorspronkelijke zandwingebied of uit de omgeving van het secundaire depotgebied, vlak voor de kust, is natuurlijk niet na te gaan. De hak is van verschillende binnen- en buitenlandse neolithische vindplaatsen bekend. In Engeland en Denemarken zijn sporen van primitieve landbouw van circa 5500 jaar geleden gevonden. Er zijn aanwijzingen dat omstreeks dezelfde tijd „kolonisten" uit Noord-Duitsland en Zuid-Scandinavië zich in het noorden van ons land vestigden3. Voor kustbewoners vormde de landbouw slechts een klein onderdeel van de voedselvoorziening. Vooral in de kuststreken was er immers een overvloedig aanbod van voedingsmiddelen, in de vorm van vis, vogels en zoogdieren, waaronder zeezoogdieren. Nog maar 10.000 jaar geleden lag de kustlijn veel noordelijker; van de Noordzee was nog geen sprake. Door het smeltende ijs van
de laatste Ijstijd liep het land geleidelijk onder water en ontstond de Noordzee. Vroege bewoning in het primaire zandwingebied lijkt hierdoor mogelijk; bewoning op de secundaire winplaats is zeker mogelijk geweest. Door deze onzekere factoren is de ouderdom van de hak en daarmee de vroege woonplaats van de gebruiker niet met zekerheid te bepalen. Het is echter wel zeker dat er sprake is van een aanwijzing voor een tot nu toe noordelijkst bekend zijnde woonplaats in Nederland. Noten 1 De Boer 1990. 2 De Boer 1993. 3 Van den Broeke 1991, p. 213-225. Literatuur Boer, Th. W. de, 1990. Schelpen uit de zandopspuiting op Ameland. Het Zeepaard 51, no. 3, 65-69. Boer, Th. W. de, 1993. Botvondsten van zoogdieren op Ameland. Veld en Vitrine. Mededelingen van het Fries Natuurmuseum, 118, 1685-1687. Broeke, P. W. van den, 1991. De introductie van de landbouw: lössboeren en onverstoorbare kustbewoners. In: J. H. F. Bloemers en T. van Dorp (red.), Pre- en protohistorie van de Lage Landen. Houten, 213-225. Nieuwe Damlaan 557 3119 AM Schiedam
Zierikzee - Roompot Een geweibijl met een vierkant gat uit de Brons- of Ijzertijd Roei C. G. M. Lauwerier
In april 1993 werd in een hoop schelpen in Yerseke door de heer R. Rijken uit Middelburg een bijl, gemaakt van gewei, gevonden (afb. 1). De bijl is waarschijnlijk met de mosselen opgevist van een oude woongrond op de plaats waar nu de geul „de Roompot" in de Oosterschelde ligt. Ter nadere bestudering werd het voorwerp door de neef van de vinder, J. de Kuyper, op het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten in Middelburg ter hand gesteld aan de provinciaal archeoloog R. M. van Heeringen. Het voorwerp is gemaakt uit één van de enden van het gaffelvormige gewei van een eland (Alces alces [L.]). De lengte is 138 mm, de grootste breedte 59 mm en de snede ongeveer 22 mm breed en 38 mm lang. Aan het brede uiteinde zijn, zowel aan de bovenkant als de onderkant, enkele duidelijke haksporen zichtbaar. Het snijvlak en de punt zijn zwaar gepolijst. Hetzelfde geldt voor de minst gekromde zijde en de hoek aan het brede uiteinde van de meest gekromde zijde. De boven- en onderkant zijn licht gepolijst. Parallel aan de snede is een min of meer vierkant steelgat aangebracht van ongeveer 22 bij 22 mm. In het gat zijn loodrecht door de stang lopende rechte sporen waar te nemen. De scherpe en rechte haksporen duiden erop dat het stuk gewei met een metalen hakbijl uit de hoofdstang is gekapt. De stompe punt is zo gemaakt, dat deze gevormd wordt door de harde buitenwand van de stang, de cortex. Het binnenste gedeelte van een gewei, het spongiosa, is poreus en daardoor minder geschikt om er een stevig snijvlak van te maken. Voor het steelgat is, gezien de fijne rechte sporen, waarschijnlijk een metalen zaagje gebruikt. De polijsting is waarschijnlijk ontstaan door het gebruik. Omdat deze polijsting duidelijk zichtbaar is over de hele
lengte van de bijl, is het uitgesloten dat de bijl gebruikt is voor de bewerking van redelijk hard materiaal. In dat geval was slechts de punt gepolijst geraakt. Meer voor de hand liggend is dat het werktuig bijvoorbeeld werd gebruikt bij de bewerking van de bodem. De bijl zal daarbij voortdurend geheel in de zachte bodem geslagen worden, waarbij de grond de bijl over het gehele oppervlak polijst. Ook Roes rekent dergelijke artefacten tot de landbouwwerktuigen'. Elzinga is daarentegen van mening dat alleen dissels geschikt zijn als landbouwhak2.
/. Zierikzee - roompot: basisbijl met vierkant gat, gemaakt uit het gewei van een eland.
Dit type bijl wordt basisbijl genoemd3. Deze vorm is zeer lange tijd in gebruik geweest. Meestal worden ze gedateerd in het Mesolithicum of Neolithicum, een enkele maal in Bronstijd of Ijzertijd. Omdat de hak- en zaagsporen zeer waarschijnlijk met een metalen voorwerp gemaakt zijn, dateert de bijl uit de Roompot niet vroeger dan in de Brons- of Ijzertijd. Een dergelijke datering werd ook vastgesteld voor een basisbijl van edelhertgewei uit Roermond4. Over het algemeen hebben basisbijlen een cylindrisch schachtgat. De bijl uit de Roompot met het rechthoekige gat is een uitzondering. Een vergelijkbare uitzondering is een basisbijl van elandgewei uit Odoorn5. Een ander voorbeeld van een rechthoekig steelgat is gevonden in een, overigens geheel ander type, bijl van elandgewei uit Berkel-Rodenrijs6. In dit voorwerp zitten zelfs twee haaks op elkaar staande steelgaten. Deze bijl wordt vanwege snijsporen van metalen gereedschap op het blad in de Late Bronstijd of later gedateerd. Een hiermee vergelijkbare hak is gevonden in de Wieringermeer7. Een stuk gewei met een rechthoekige schacht die in datering hiervan afwijkt, is een uit de trechterbekercultuur daterend stuk edelhertgewei uit Halle in Duitsland8. Er worden in de publicatie echter geen opmerkingen geplaatst over de aanwezigheid en aard van mogelijke snij- of zaagsporen. Aangezien bij de bovengenoemde Nederlandse exemplaren een datering vroeger dan de Bronstijd vanwege de zaag- of snijsporen niet reëel is en omdat in de grote hoeveelheden onderzocht Romeins en Middeleeuws materiaal dit soort bijlen nooit wordt aangetroffen, trekken we voorlopig de conclusie
10
dat rechthoekige schachtgaten met duidelijke zaagsporen kenmerkend zijn voor een datering in de Brons- of Ijzertijd. Noten 1 Roes 1963, p. 49. 2 Elzinga 1962, p. 200. 3 Elzinga 1962; Clason 1983. 4 Bloemers en Willems 1980-'81, p. 34-35. 5 Elzinga 1962, nr. 16. 6 Sarfatij 1980, p. 277. 7 Woltering e.a. 1991, p. 305. 8 Behrens en Schröter 1980, p. 137-138. Literatuur Behrens, H., en E. Schröter, 1980. Siedlungen und Graber der Trichterbecherkultur und Schnurkeramik bei Halle (Saaie) (= Veröffentlichungen des Landesmuseums für Vorgeschichte in Halle 34). Berlin. Bloemers, J. H. F., en W. J. H. Willems, 19801981. Archeologische kroniek van Limburg over de jaren 1977-1979. Publications de la Société Historique et Archéologique dans 1e Limbourg 116-117,7-94. Clason, A. T., 1983. Spoolde. Worked and unworked antlers and bone tools from Spoolde, De Gaste, The IJsselmeerpolders and adjacent areas. Palaeohistoria 25, 77-130. Elzinga, G., 1962. Prehistorische werktuigen van edelhert- en elandgewei uit Drenthe. Nieuwe Drentse Volksalmanak 80, 185-218. Roes, A., 1963. Bone and antler objects from the Frisian terp-mounds. Haarlem. Sarfatij, H., 1980. Archeologische kroniek van Zuid-Holland over 1979. Holland 12, 277289. Woltering, P. J., S. W. Jager en W. A. M. Hessing, 1991. Archeologische kroniek van Holland over 1990. Holland 23, 293-367. ROB Kerkstraat 1 3811 CV Amersfoort
Een bijzondere lamp uit Nijmegen W. J. H. Willems en P. A. M. Beliën Sinds 1986 worden door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek opgravingen uitgevoerd op het Kops Plateau te Nijmegen'. Op het plateau zijn de sporen aangetroffen van drie opeenvolgende legerkampen, die dateren uit het begin van de Romeinse bezetting van Nederland. Het laatste van de kampen is uiterlijk ten tijde van de Bataafse opstand in 69 na Chr. of kort daarna in gebruik geraakt. De opgravingen hebben de afgelopen jaren al talrijke bijzondere vondsten opgeleverd, waaronder met name veel militaire uitrustingsstukken, maar ook aardewerk. Daaronder bevindt zich een in het voorjaar van 1991 gevonden fragment van een olielampje, met op de spiegel de afdruk van een munt2. Wat rest van het lampje, zijn een deel van de bodem en de wand, het grootste deel van de spiegel en een half afgebroken oortje (afb. 1). Het
aardewerk is licht van kleur en overtrokken met een oranje sliblaag, die voor een deel verdwenen is. Het reservoir met het oortje (en misschien de tuit) kan zijn vervaardigd met behulp van een mal van de onderkant van een zogeheten „firmalamp". Firmalampen zijn de produkten van werkplaatsen waarvan de naam is terug te vinden in de firmastempels, die vaak op de bodem in letters met hoog reliëf zijn aangebracht (afb. 2). De rest van de lamp is niet met zekerheid te reconstrueren. Het fragment heeft geen brede, aflopende schouder en een schouderrand, twee elementen die kenmerkend zijn voor firmalampen. De tuit, een karakteristiek onderdeel van Romeinse lampen, ontbreekt en kan dus ook geen uitsluitsel geven. Tuiten maken gewoonlijk ongeveer éénderde deel uit van de totale lengte van
1. Olielampje van het Kops Plateau met reconstructie van de tuit en dwarsdoorsnede. Schaal 1 J. Tekening A. M. Nijs, Nijmegen. il
2. Voorbeeld van een firmalamp met het stempel FORTIS E. Ook deze lamp is gevonden op het Kops Plateau. Hij stamt echter niet uit het legerkamp, maar hoort bij een graf uit later tijd.
een firmalamp. Wanneer de lamp een firmalamptuit heeft gehad, zijn drie a vier variaties mogelijk3. Het "fragment laat dus niets zien dat erop wijst dat er een mal is gebruikt van de bovenkant van een firmalamp. Gezien de vorm van het reservoir, behoort de lamp waarschijnlijk tot de zogenaamde „niet-canonische" voorlopers van de firmalampen". Op de spiegel, die niet verdiept is en geheel horizontaal loopt, is een afbeelding van een munt aangebracht. Het gaat om een dupondius, geslagen onder Caligula, waarvan de voorzijde is gebruikt. Hier is de kop van keizer Augustus naar links te zien, met stralenkrans en het omschrift DIVVS AVGVSTVS. Links en rechts van het portret van de vergoddelijkte keizer staan een S en een C. Munten van dit type zijn geslagen in Rome in de jaren 37-41 n.Chr. (vergelijk RIC.2 56). De S en C worden gedeeltelijk oversneden door twee gaten. Deze zijn zo 12
aangebracht dat ze het portret van de keizer niet beschadigen. Twee vulgaten in de spiegel van een lamp komen vaker voor als de maker de voorstelling hierop niet heeft willen ontsieren. Ook konden het eventueel tegelijkertijd ontluchtingsgaten zijn5. Er zijn drie mogelijkheden voor een reconstructie van de lamp. Ten eerste zouden de boven- en onderzijde allebei vervaardigd kunnen zijn met behulp van een mal, waarbij de munt ingedrukt is in de mal van de bovenzijde van de lamp. Dit zou een negatief beeld van de munt opleveren in de mal en een positieve afdruk van de munt op de spiegel van de lamp. Een tweede optie is dat de onder- en bovenzijde van de lamp wel allebei zijn vervaardigd met een mal, maar dat het gedeelte met de originele spiegel is weggesneden en hiervoor in de plaats de spiegel met muntafdruk is geplaatst. De derde mogelijkheid is dat alleen de onderzijde van de lamp met behulp van een mal is vervaar-
digd. De spiegel is er gewoon op geplaatst en de bovenkant van de tuit is met de hand gevormd. De lamp is waarschijnlijk niet volgens de in de eerste optie beschreven werkwijze gemaakt. Zoals hierboven reeds vermeld, is het onwaarschijnlijk dat de bovenkant vervaardigd is met behulp van de mal van een firmalamp. Ook zijn aan de rand van de bovenzijde „bramen" te zien, die bij een dergelijke aanpak niet verklaard zouden worden. De „bramen" zouden ontstaan kunnen zijn bij het inklemmen van de spiegel. Dit impliceert dat de lamp is gemaakt volgens de in de tweede of derde optie beschreven werkwijze (aan de binnenzijde van het fragment is te zien dat de spiegel een apart onderdeel van de lamp vormde en er los is opgezet). Welke van deze twee opties de juiste is, is echter met het ter beschikking staande fragment niet te achterhalen, omdat teveel van de lamp ontbreekt. Mogelijkerwijs is van de originele munt een stempel van aardewerk gemaakt door het indrukken van deze munt in een stuk klei, dat vervolgens is gebakken. Dit leverde een beeld in negatief op van het geldstuk, zodat na indrukken van het stempel in een stuk klei een positieve afdruk werd verkregen, die vervolgens gebruikt kon worden als spiegel van de lamp. Is deze methode gebruikt, dan zal de munt niet al te zeer versleten zijn geweest, omdat de letters op de lamp nog goed te lezen zijn. Een andere mogelijkheid is, dat de munt zélf niet is gebruikt als stempel, maar dat deze alleen heeft gediend als voorbeeld voor iemand die een stempel in negatief heeft gesneden. Hier is de kwaliteit van de munt niet van groot belang, maar het zou wel een uiterst omslachtige werkwijze zijn. Zeer waarschijnlijk is dus de eerste manier gevolgd. Dat is ook in overeenstemming met het feit dat de afbeelding van de munt op de spiegel wat kleiner is dan een originele munt. Als van de munt een afdruk is gemaakt in een stuk klei, dat vervolgens is gebakken om daarna als stempel te worden gebruikt, is dit te verklaren. Bij het bakken van de stempel krimpt de klei, zodat de afbeelding van de munt kleiner wordt. Ook is
er geen enkel verschil te ontdekken tussen de afbeelding van de munt op de lamp en originele munten. Datering Firmalampen (van het type Loeschcke 9) zijn te vinden vanaf de flavische tijd tot circa 100 n.Chr. Leibundgut is er echter zeker van dat voorvormen van firmalampen al vanaf de Claudische tijd voorkomen6. Als we er vanuit gaan dat de lamp behoort tot de „niet-canonische" voorlopers van de firmalamp, is ons exemplaar te dateren tussen 40 en 70 n.Chr. De munt heeft een terminus post quem van 37 n.Chr., maar munten als deze konden gemakkelijk enige decennia circuleren. De produktieperiode van de lamp valt dus binnen de circulatieperiode van de munt. Gezien de vrij scherpe afdruk op de spiegel, zal de munt overigens niet al te lang hebben gecirculeerd voordat hij werd gebruikt om een stempel mee te maken. De feitelijke produktiedatum zal dus wel niet veel later dan het midden van de eerste eeuw liggen, al valt dat niet met zekerheid te bewijzen. De datering is in overeenstemming met de context van de vondst, die afkomstig is uit de vulling van een 50 cm diepe kuil (doorsnede 110 cm), die behoort bij het laatste legerkamp op het plateau. De kuil leverde nog meer vondstmateriaal op, waaronder twee munten: een keltische AVAVCIA-munt, daterend rond het begin van de jaartelling, maar ook een wat versleten dupondius van keizer Claudius met klop7. Dat duidt er al op dat het materiaal niet al te lang vóór het jaar 70 in de grond geraakt zal zijn. Ook de overige dateerbare vondsten, waaronder terra sigillata, gladwandige kruiken en ruwwandige potten, duiden daarop8. Parallellen Het Nijmeegse lampje lijkt tot dusver een unicum, hoewel er uit de oudheid wel enig vergelijkingsmateriaal voorhanden is. Er is een categorie Romeinse lampen met daarop afdrukken van munten, waarvan alle bekende voorbeelden geproduceerd zijn in NoordAfrika. Het gaat om vroeg-christelijke lampen van het Noordafrikaans type, uit de vijf13
3. Vroeg-christelijke muntenlamp uit particulier bezit (foto Koninklijk Penningkabinet, Leiden).
de eeuw n.Chr. Deze lampen hebben afbeeldingen van solidi op de rand rond de spiegel. Hellmann (1987) kent tien exemplaren9. Zeven stuks, sommige geheel intact en andere als fragmenten gevonden in NoordAfrika; één fragment in Saint-Blaise en twee stuks gevonden in Italië. Hier komt nog één exemplaar bij uit een particuliere collectie in Nederland (afb. 3), afkomstig uit Tunesië. Dit brengt het totale aantal exemplaren dat bekend is van dit type lamp op minstens elf. De afbeeldingen van de munten op deze lampen zijn verkregen volgens de hierboven beschreven procedure, waarbij door het indrukken van een munt in een stuk klei een negatief beeld werd verkregen, dat is gebakken en vervolgens als stempel is gebruikt (op het afgebeelde exemplaar zijn de af14
drukken van de munten aangebracht op appliques). Hellmann beschrijft hoe de vooren keerzijde van de solidus om en om worden weergegeven. Op de voorzijde staat de buste van keizer Theodosius II (402-450) afgebeeld, volledig geharnast, en face en met het omschrift DN THEODOSIVS PF AVG, op de keerzijde staat een Victoria met een groot kruis naar links en de tekst VOT XX MVLT XXX. Hellmann merkt verder op dat de tekst, op de keerzijde van de munten afgebeeld, op de twee exemplaren die gevonden zijn in Italië, anders is, namelijk VOT XX VICTORIA. Beide teksten verwijzen naar de vicennalia (het twintigjarig regeringsjubileum) van Theodosius II in 421 n.Chr. Het geld van Theodosius II heeft volgens haar vrij lang gecirculeerd en de produktie van dit type lamp laat zich daarom plaatsen tussen 421 en 500 n.Chr1". Geen andere exemplaren dan de hier besproken Romeinse lampen met muntafdruk zijn bekend. Hellmann maakt in haar artikel van 1987 onderscheid tussen een aantal categorieën lampen. In de eerste categorie brengt ze de lampen onder met afbeeldingen van munten gereproduceerd door indrukken van deze munten (direct of indirect met behulp van een stempel) op die lampen of de mallen daarvan. Deze groep is hierboven al uitgebreid behandeld". In haar tweede en derde categorie vallen de lampen waarop nabootsingen van indrukken van munten zijn afgebeeld. Dit zijn lampen waarop voorstellingen te zien zijn die een imitatie zijn van voorstellingen die op munten staan, maar die niet direct of indirect op de lampen zijn ingestempeld met behulp van deze munten12. Dat munten gebruikt zijn als inspiratiebron voor voorstellingen is, volgens Hellmann, niet zo verwonderlijk, omdat ook de persoon die de spiegel van de lamp moest voorzien van een decoratie voor hetzelfde probleem stond als een stempelsnijder voor een munt: ook hij moest immers een rond oppervlak vullen13. Er zijn wel vondsten gedaan van andere Romeinse voorwerpen waarop afdrukken van munten voorkomen, maar ook deze zijn zeldzaam14. In feite zijn het allemaal unica
en in veel gevallen lijkt het alsof de maker een speelse inval had. Dat kan ook bij het Nijmeegse lampje het geval zijn geweest, want van een bepaalde versieringstraditie waarbij munten werden gebruikt, is geen sprake. Veeleer zijn verschillende pottenbakkers op verschillende plaatsen en tijden op hetzelfde idee gekomen15. Noten 1 Willems 1990, p. 23 e.v. 2 Nijmegen-Kops Plateau, 40C-43Z, vondst-nr. 378-3-235. 3 Zie bijvoorbeeld Loeschcke 1919 en Leibundgut 1977. 4 Leibundgut 1977, p. 41-43. 5 Zie bijvoorbeeld Leibundgut 1977, no. 762 en 776 (lampen van het type Loeschcke 9), beide met een masker midden op de spiegel. 6 Leibundgut 1977, p. 41-43. 7 Type RIC (2) 92-104, met klop IMP op de voorzijde. 8 Zuidgallische TS-typen Drag. 15/17, 24, 29 en 30, terra nigra-borden, waaronder een exemplaar met het stempel IIISIH.IIIM, gladwandig typen Stuart (1962) 106 en 131, ruwwandig typen Stuart 201, 210, 213 en 215. 9 Hellmann 1987. 10 Hellmann 1987, p. 27. 11 Hellmann 1987, p. 26-28. 12 Zie bijvoorbeeld Bruneau 1965, p. 128, no. 4604 en 4605, met een portret van Hadrianus; Leibundgut 1977, p. 138 (no. 34: Mars Ultor), p. 145 (no. 73: Amor als Herakles), p. 177 (no. 270: adelaar met haas), p. 184 (no. 322: krab); Hellmann 1987, p. 29-37. 13 Hellmann 1987, p. 25-26. 14 Zie o.a.: Lutz 1960, op een Drag. 37, in de ornamentatie een indruk van een munt van Marcus Aurelius (171 n.Chr.); Salomonson 1960, p. 52-53, een peervormig kannetje afkomstig uit El Aouja, Tunis, met een applique waarop een afdruk van een munt van de stad Tarsus in Cilicië (Klein-Azië), geslagen onder Gordianus III (238-244 n.Chr.); Cunliffe 1968, p. 108, een fragment van een dakpan met de afdruk van een sestertius van Nero (RIC 139 e.v. 65-66 n.Chr.); Gabler 1985, p. 81-82, terra sigillata gemaakt in Arezzo, gemerkt door Rodo van de C. Cispius officina, met acht indrukken van een munt van Augustus; een terra sigillata kom in het museum van Bad Kreuznach met een indruk van een iulisch-claudische munt; terra sigillata fragment afkomstig van de opgravingen in Cosa met een muntafdruk en een terra sigillata scherf met de afdruk van een munt van Sabi-
na (128-134 n.Chr.); Hellmann 1986, p. 3336, glazen flessen met op de bodem beeltenissen van keizers, die waarschijnlijk als officiële merktekens hebben gediend; Webster 1968, een afdruk van een follis van Maximianus I (300 n.Chr.) op een scherf Oxfordshireware. 15 De schrijvers danken J. P. van der Vin (Leiden), S. L. Wynia en J. Derksen (Amsterdam) voor hun hulp. Literatuur Bruneau, Ph., 1965. Les Lampes, Exploration archéologique de Délos 26. Cunliffe, B. W. (ed.), 1968. Fifth report on the excavations of the Roman fort at Richborough, Kent. Oxford. Gabler, D., 1985. The dating of terra sigillata: a survey of results, perspectives and limits. Mitteilungen des Archaologischen Instituts der Ungarischen Akademie der Wissenschaften 14,81-92. Hellmann, M. C , 1986. Empreintes de monnaies romaines sur verre. Bulletin de la Société Francaise de Numismatique 4, 33-36. Hellmann, M. C , 1987. Monnaies et lampes romaines: de 1'intérêt des études comparatives. Revue Numismatique 5, 25-37. Leibundgut, A., 1977. Die römischen Lampen in der Schweiz. Bern. Loeschcke, S., 1919. Lampen aus Vindonissa, Ein Beitrag zur Geschichte von Vindonissa und des antiken Beleuchtungswesens. Zürich. Lutz, M., 1960. La céramique de Cibisus a Mittelbronn. Gallia 18, 111-161. Mattingly, H., E. A. Sydenham, C. H. V. Sutherland en R. A. G. Carson (eds.), 1984. Roman Imperial Coinage: I Augustus-Vitellius2. London. Salomonson, J. W., 1960. The „fancy dress banquet", attempt at interpreting a Roman mosaic from El Djem. Bulletin Antieke Beschaving 35, 25-55. Stuart, P., 1962. Gewoon aardewerk uit de Romeinse legerplaats en de bijbehorende grafvelden te Nijmegen. Leiden. Webster, G., 1968. A sherd of pottery from Cirenchester. Antiquaries Journal 48, 102-103. Willems, W. J. H., 1990. Romeins Nijmegen. Vier eeuwen stad en centrum aan de Waal. Utrecht. ROB Kerkstraat 1 3811 CV Amersfoort Troelstralaan 35-c 2104 VM Heemstede
15
Archeologisch onderzoek aan het Spui 173 in Den Haag Gilbert Kempenaar Inleiding In het voorjaar van 1992 is door de Archeologische Werkgroep 's-Gravenhage een archeologisch onderzoek verricht in de voormalige kosters woning aan het Spui 173'. Onder toezicht van de stadsarcheologe en met medewerking van Stadsherstel Den Haag konden we aan de slag. Het feit dat we in een bestaand pand werkten en dus slechts plaatselijk onder de vloer mochten kijken, zorgde voor een onvolledig beeld van de bewoningsgeschiedenis van dit pand (afb. 1 en 2). Dit laatste werd ook veroorzaakt door de moeilijke werkomstandigheden, zoals grondwateroverlast en weinig daglicht. Maar de positieve inzet van de leden van onze werkgroep en het tot tevredenheid stemmende resultaat maakte dat dit enkel een vervelende bijkomstigheid was. Bij dezen wil ik een ieder bedanken die heeft geholpen bij het tot stand brengen van dit verslag. De late middeleeuwen Rond 1370 lag het gebied rond het Spui nog
1. De binnenstad van Den Haag met de ligging van het pand Spui 173.
16
net buiten de grenzen van „het dorp die Haghe"2. Het stond in de 16e eeuw bekend als een drukke havenbuurt met veel herbergen. Het Spui, dat een verbinding vormde tussen de Vliet en het Hofspui, was reeds in 1344 gegraven3. Bij een opgraving aan het Spui in 1988 (tegenover Spui 173) is vast komen te staan dat de oudste huizen gebouwd zijn op ophogingslagen, die aan de hand van het gevonden aardewerk op z'n vroegst aan het einde van de 14e eeuw gedateerd kunnen worden4. Bij één huis kon vastgesteld worden dat het om een houten huis ging, dat in de 15e eeuw is vervangen door een stenen huis5. Iets verderop aan het Spui, op de hoek van de Amsterdamse Veerkade, zijn eind 1990 resten gevonden van 15e-eeuwse vloeren van huizen. Vermoed wordt dat ook de gevels hiervan van hout zijn geweest6. Uit de schaarse archeologische gegevens uit het voorhuis van het pand Spui 173 kan worden geconcludeerd dat de ophogingslaag op het veen bestaat uit huisafval, zoals bot, aardewerk en leer. Deze laag dateert aan de hand van het aardewerk ergens tussen de periode 1375 en 1450. Boven een pakket van circa 35 cm, bestaande uit vuil zand en een kleiband, lagen de resten van een bakstenen vloertje (afb. 3.1). De hiervoor gebruikte misbakken stenen (circa 9 a 10 cm breed) van gele en rode kleur lagen op hun strekzijde. De richting loopt parallel aan de straatgevel. Een aspot in situ en een houtskoollaagje liggen ongeveer op hetzelfde niveau7. Niet duidelijk is of deze gelijktijdig bij het vloertje horen of dat ze van een iets latere datum zijn. De aspot (nog met as gevuld) kan aan de hand van vergelijkbare vondsten van elders het best gedateerd worden in de eerste helft van de 15e eeuw (afb. 3.2 en 3). Deze aspot lag ongeveer in het midden van de huidige voorkamer. Dit zou zeer waarschijnlijk kunnen betekenen dat het huis in
2. Muurwerk van het huidige pand aan het Spui 173. Het gerasterde gedeelte is niet archeologisch onderzocht. Het blanco deel is, afhankelijk van de werkomstandigheden, geheel of ten dele op diepte onderzocht.
het begin van de 15e eeuw nog houten of lemen wanden bezat. Vreemd zou dat Ăźberhaupt niet zijn, want in de stedelijke keuren van die tijd blijkt dat pas laat, vanaf het midden van de 15e eeuw tot in de 16e eeuw, uit angst voor brandgevaar diverse steden ertoe overgingen om bij de nieuw- en herbouw stenen zijmuren te eisen8. Houten voor- en achtergevels werden, omdat ze onder andere minder brandgevaarlijk waren, in
3. De grondsporen van verschillende niveaus, geprojecteerd in het nog bestaande pand: I. vloertje; 2. aspot; 3. muur; 4. plavuizenvloer; 5. plavuizenvloer; 6. zijkamer en vertrek om de haard; 7. muurwerk; 8. gangmuur; 9. vroegere achtergevel; 10. fundament met grondboog; 11. waterput; 12. waterput; 13. waterkelder; M = modern; TR = trappenhuis; T = tuin; arcering = kelder; raster = bijkeukentje. Schaal circa 1 :140.
veel steden nog tot in het begin van de 17e eeuw gebouwd'. De periode tot 1650 Na een ophoging van schoon zand, klei en een ingegraven kuil (met bot en puin als vulling) volgden drie of vier vloerniveaus. Het geheel is zo'n 65 cm opgehoogd. Het 17
voorlaatste vloerniveau bestond uit ongeglazuurde rode plavuizen van 17 x 17 x 2,5/3 cm (afb. 3.4). Tot omstreeks dezelfde periode of iets eerder hoort een zijkamer in het voorhuis. Dit huis had inmiddels in ieder geval stenen zijmuren. De zijkamer was opgebouwd uit ijsselstenen van 19 x 19 x 4/4,5 cm. De ruimte was 4 m lang en zo'n 1,5 a 2 m breed (afb. 3.6). Het laatste vloerniveau voor de grote verbouwing van 1650 had rode ongeglazuurde plavuizen, die om en om lagen, van 16 x 16 x 1,5/2 cm (afb. 3.5). Ook de zijkamer was inmiddels gewijzigd in een klein verdiept, van plavuizen voorzien vertrek, van circa 2 bij 2 m. Met grote zekerheid kunnen we stellen dat de plavuizen om een haardplaats hebben gelegen10. In de huidige achterkamer vonden we de fundamenten van de oude achtergevel, opgetrokken uit secundair verwerkte stenen. In deze ruimte liep langs de zijgevel een gang. Op een dieper niveau vonden we in deze achterkamer ondiep gefundeerde eensteensmuurtjes met rode bakstenen van 20 x 9,5/10 x 4 cm (afb. 3.7). Deze 15e-eeuwse (?) muurtjes kunnen slechts gediend hebben voor lage gebouwtjes met een stenen wand of houten wand op een stenen voeting. Twee waterputten van ijsselstenen behoren eveneens tot de periode tot 1650. Eén ervan stond op twee gemerkte houten tonnen, waarvan de bovenste deels was afgebroken (afb. 3.11). Uit deze put kwam huisafval uit de periode 1625-1650. Zeer waarschijnlijk behoorde deze waterput tot het naastgelegen pand. Een breed fundament met een grondboog is niet nader in een context te plaatsen (afb. 3.10). De periode na 1650 Voor de bouw van de Nieuwe Kerk (16491655) werden voor een deel huizen aan het Spui afgebroken. Het huidige pand kreeg toen de functie van kosterswoning. Voor de bouw hiervan werd gebruik gemaakt van delen van het al bestaande pand". Tevens werd het naastliggende huis erbij betrokken. Het bredere pand kreeg nu een apart trappehuis en een lange gang vanaf de voordeur tot achter, zoals dat voor grote huizen vanaf die tijd gebruikelijk werd. In vergelijking 18
met de 16e eeuw is het loopniveau nog eens 50 cm gestegen. De gebouwde kelder uit deze periode is van binnenaf bereikbaar (afb. 3; arcering). Een kleine bijkeuken van 2,75 x 1,75 m aan de achtergevel is vermoedelijk 18e-eeuws (afb. 3; raster). Het vertrek is gebouwd boven een L-vormige waterkelder met een stenen bodem. Een houten tussenschot verbond beide kelders. Boven dit schot zat een koker van 30 x 40 cm. Rond 1875 is het gebouwtje afgebroken en de dwarskelder gevuld met puin (waaronder natuurstenen platen van de kerkloods), aardewerk en glas. Vondsten Er werden twee gesloten vondstcomplexen aangetroffen. De eerste, uit de waterput, bestrijkt de periode 1625-1650. De tweede, uit de dwarskelder, laat zich, aan de hand van vergelijkbare scherp gedateerde voorwerpen, dateren rond 1875. Enige conclusies over de sociale status kunnen door het beperkt aantal scherven en het ontbreken van archiefonderzoek niet worden gegeven. 1625-1650 (afb. 4 en 5) Het rode aardewerk vormt duidelijk de grootste categorie. Er kwam slechts één (bijna compleet) bord van majolica uit. Enkele
4. Aspot met roetresten aan de binnenzijde. Schaal 1:4.
รณ
5. De vondsten uit de periode 1625-1650. Schaal 1 : 2.
6. De vondsten uit de periode 1625-1650. Schaal 1 : 4. 19
7. ÂŁ)e vondsten
20
uit de periode
rond 1875. Schaal
1:2.
<S. De vondsten uit de periode rond 1875. Schaal 1 : 4.
21
scherven van steengoed en het groene Hafner-ware zijn afkomstig van produkten uit Duitsland. Buiten het aardewerk is er weinig ander materiaal. Voorwerpen van tin, zoals een miniatuur-brandewijnkom, een lepeltje en een lepel (met druppelvormige bak, zeskantige steel en roosmerk) zijn hier voorbeelden van12. Hiertoe behoren ook twee benen en twee houten mesheften. Eén benen heft is fraai versierd met ijzeren pennetjes en inkervingen. Het uiteinde is door middel van een ring verstevigd geweest om de splijtende werking tegen te gaan van de ijzeren angel van het lemmet13.
identieke porseleinen schotels hadden een emailleversiering. Dat deze, waarschijnlijk 18e-eeuwse, voorwerpen als kostbaar werden beschouwd, blijkt uit de reparatie van één schotel met krammen. Een benen borstel, tandenborstel (?), malfragment (?), lepel en een door middel van een mal gevormde bitterwaterkruik uit Bohemen werden eveneens teruggevonden.
Circa 1875 (afb. 6 en 7) Ook in deze tijd is het rode aardewerk naar verhouding nog volop aanwezig. Opvallend is het grote aantal (minimaal 15) testjes, waarvan er zeker vijf een hoofdletter H van slib links naast het oor hebben; een merkteken van de pottenbakker? Een slachtbak heeft een Bergen op Zooms rondmerk aan de zijkant. Een tulbanddeksel van het Frankforter-ware heeft de kenmerkende dubbele zwarte lijnversiering en de gele scherf. Het overige materiaal bestaat uit porselein (kopjes), creamware, glas en veel industrieel wit. Voorbeelden van het laatste zijn een lampetkan en een bord van het Maastrichtse Regoutbedrijf. Naast vele goedkope pijpen is er ook een figurale pijp, vermoedelijk van de firma Goedewaagen te Gouda. Twee
Samenvatting Bewoning aan het Spui blijkt al plaats te vinden in de eerste helft van de 15e eeuw. De houten huizen zijn in de 15e en/of 16e eeuw vervangen door stenen. Niet duidelijk is geworden wanneer dit precies is gebeurd met het pand Spui 173. Dit huis heeft zijn grootste gedaantewisseling gekregen rond 1650.
9. Overige vondsten. Schaal l : 2.
22
Overige vondsten (afb. 8) Twee groene medicijnflesjes, afkomstig uit de waterkelder, dateren uit de 16e of 17e eeuw. Een loden miniatuurkommetje dateert mogelijk uit de 17e eeuw.
Noten 1 Dit artikel is een verkorte bewerking van een intern verslag van mij uit eind 1992. Coördinaten van de vindplaats: 081,56/454,30. 2 Pabon 1924, p. 234. 3 Pabon 1935, p. 212. 4 Magendans/Schuiten 1989, p. 342-344. 5 Magendans/Schuiten 1989, p. 342-344. 6 Van Veen 1991, p. 357-358.
7 Bovenzijde van de aspot ligt op circa -0,60 NAP. 8 Kliick 1990 (voorbeelden van huizen met „open vuren" te Utrecht); Hekker en Kolman 1989, p. 48; Meischke 1988, p. 237 en 249; Meischke en Zantkuyl 1969, p. 35, 36, 111, 112 en 120; Zantkuyl 1973-1986, p. 31 (voorbeelden van huizen met houten wanden te Amsterdam). 9 Meischke en Zantkuyl 1969, p. 120; Janse 1990, p. 9: nog in 1735 wordt in een Haagse keur het maken van houten wanden en het hebben van een „weke" dak (rieten dak) verboden op boete van 50 Guldens. 10 Of er een haard op die plaats heeft gezeten vóór die tijd, is archeologisch niet bekend. 11 Op een foto van rond de eeuwwisseling is te zien dat het huis nog twee daken had. Waarschijnlijk het resultaat van het samenvoegen van de twee huizen rond 1650. 12 Adolfs 1988, p. 78-79: een vergelijkbare miniatuurbrandewijnkom uit Groningen. 13 Ruempol en Van Dongen 1991, p. 197: in Dordrecht is een soortgelijk mesheft gevonden (datering: 1600-1700). Literatuur Adolfs, F., en G. L. G. A. Kortekaas, 1988. Metalen en benen voorwerpen. In: P. H. Broekhuizen e.a. (red.). Kattendiep Deurgraven. Historisch en archeologisch onderzoek aan de noordzijde van het Gedempte Kattendiep te Groningen. Groningen, 62-105. Hekker, R. C , en C. J. Kolman, 1989. Houten gevels in het laat-middeleeuwse stadsbeeld. In: R. C. Hekker en C. J. Kolman, Ter voor-
dele en cieraat van dese stad. Restauratievademecum bijdrage 09, 43-51. Janse, H. (red.), 1990. Het weke dag. Riet- en strobedekkingen. Restauratie-vademecum bijdrage 11. 's-Gravenhage, 9. Klück, B., 1990. Huis en haard. In: H. L. de Groot (red.), Het vuur beschouwd. Utrecht, 55-76. Magendans, J. R., en P. J. W. M. Schuiten, 1989. 's-Gravenhage: Spui/Turfmarkt. In: D. P. Hallewas (red.), Archeologische kroniek van Zuid-Holland, Holland 21, 342-344. Meischke, R., en H. J. Zantkuyl, 1969. Het Nederlandse woonhuis van 1300-1800. Haarlem. Meischke, R., 1988. Huizen en keuren. In: R. Meischke (red.). De gotische bouwtraditie. Studies over opdrachtgevers en bouwmeesters in de Nederlanden. Den Haag, 208-252. Pabon, N. J., 1924. Die Haghe als ambacht, parochie en waterschap tot het einde der 16e eeuw. Jaarboek Die Haghe, 70-244. Pabon, N. J., 1935. Bijdragen over het godsdienstig, zedelijk en maatschappelijk leven in Den Haag tot het einde der 16e eeuw. Jaarboek Die Haghe, 35-258. Ruempol, A. P. E., en A. G. van Dongen, 1991. Pre-industriële gebruiksvoorwerpen 11501800. Rotterdam. Veen, M. M. A. van, 1991. 's-Gravenhage: Spui/Amsterdamse Veerkade. In: W. A. M. Hessing (red.), Archeologische kroniek van Zuid-Holland, Holland 23, 357-358. Zantkuyl, H. J, 1973-1986. Bouwen in Amsterdam. Amsterdam. Volendamlaan 1032 2547 CS Den Haag
23
Een colfje naar mijn hand T. de Ridder In Heiloo (afb. 1) vonden amateur-archeologen in 1988 een bijzonder voorwerp: een colfslof. Dergelijke voorwerpen worden niet vaak gevonden. De colfslof van Heiloo is echter extra bijzonder: deze is namelijk van een koperlegering gemaakt; tot nu toe waren alleen loden exemplaren bekend. Ook zijn in de slof letters gekrast (afb. 3). De vondstomstandigheden dateren het voorwerp als laat 16e- of vroeg 17e-eeuws. Vondstomstandigheden In 1988 verrichtte de Archeologische Werkgroep van Heiloo, in samenwerking met de Archeologische Werkgroep van Oudorp, in de kern van haar dorp een opgraving. In de opgravingsput waren vele grondsporen aanwezig. EĂŠn van de sporen betrof een sloot (afb. 2), die vanaf de 13e eeuw tot in de vroege 17e eeuw in gebruik is geweest. In deze sloot bevond zich een laag waarin as en verbrande 16e-eeuwse aardewerkscherven aanwezig waren. Boven deze laag werd
1. Ligging van Heiloo. 24
de colfslof gevonden. Op dezelfde diepte als dit voorwerp werden enkele laat 16e-eeuwse scherven gevonden (onder andere een fragment van een typisch laat 16e-eeuwse vuurklok, versierd met kantelen). De colfslof zal daarom niet veel jonger zijn dan laat 16eeeuws of vroeg 17e-eeuws. Colf, kolf en golf Colf, kolf en golf zijn drie spelen die nauw met elkaar verwant zijn. Vanuit colf heeft zich namelijk kolf en golf ontwikkeld. Hieronder zal ik in het kort de geschiedenis van colf beschrijven. Onderstaande tekst is grotendeels gebaseerd op het boek van Van Hengel en anderen. Degene die meer over het onderwerp colf, kolf en golf wil weten, verwijs ik daarom naar dat boek. Volgens de overlevering werd op 26 december 1297 de eerste historisch bekende colfpartij gespeeld. Deze partij heeft een belangrijke geschiedkundige achtergrond. Nadat Floris V in 1296 werd vermoord, vluchtte de dader, Gerard van Velsen, naar zijn kasteel Kranenburg. Deze vesting werd vervolgens belegerd. Op 26 december 1297 gaf Gerard van Velsen zich over; dezelfde dag nog werd hij geradbraakt voor zijn eigen kasteel. De „weerwraak" was voldaan. Ter herinnering aan deze wraak werd jaarlijks op de tweede kerstdag een colf-partij gespeeld, tot in 1831 de restanten van het kasteel volledig werden gesloopt. Dat de wraaknemers juist voor het colfspel kozen, geeft aan dat dit spel toen al populair zal zijn geweest. Colf kent talloze varianten. Het spel wordt gespeeld met een stok en een bal. De bedoeling is om de bal in zo min mogelijk slagen van punt a naar punt b te slaan. De afstanden bedragen honderd of meer meter2. De weg die afgelegd werd, kon oplopen tot enkele kilometers (zo bedroeg de totale afgelegde weg van de eerste colfpartij op 26 december 1297 maar liefst 4500 meter). De
/
v
2
r N
3
\
2. Grondsporen in opgravingsput. Legenda: 1. greppels (?), ouder dan de 14e eeuw; 2. 14e-eeuwse waterput; 3. 13e- tot vroeg 17e-eeuwse sloot; 4. 17e- tot 18e-eeuwse moestuinbanen; 5. 18e-eeuwse waterput (tek. T. de Ridder).
grootte van de groep spelers was variabel; ook het aantal ballen waarmee gespeeld werd, varieerde. De bal en stok waren aanvankelijk nog van hout. De houten ballen werden van iepe- of beukehout vervaardigd. Rond 1500 gebruikte men ook ballen die opgevuld waren met koeiehaar, sajet of veren. Deze ballen waren beter bespeelbaar, maar wel duurder. Over
de colfsloffen worden we geïnformeerd door de schriftelijke bronnen; zo lezen we in een keur van Zierikzee van 1429: „dat nyemant.... den bal en sla up de straten met colven, die voren verlood of verijsert sijn". Er werd toen blijkbaar al gespeeld met ijzeren en loden colfsloffen naast geheel houten. Tot in de 17e eeuw bleven er colfsloffen van palmhout in gebruik. Deze waren drie 25
vingers breed en één dik, ze werden aangeduid als „Schotse kliek"; dit doet vermoeden dat ze uit Schotland afkomstig waren. Het spel werd overal gespeeld: op straat, op het ijs, bij de kerk en zelfs op het kerkhof. Tijdens het spel sneuvelden regelmatig ramen en toevallige voorbijgangers konden verwond raken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in verschillende steden het spel binnen de stadsmuren verboden werd. Het oudste verbod en daarmee de vroegste vermelding (1360) van deze sport vinden we in een ordonnantie van Brussel, waarin staat: „Wie met colven tsolt, es om twintich scellinge oft op hare overste cleet". De boodschap is duidelijk: degene die colft, zal een boete moeten betalen of zijn jas verliezen. In Amsterdam pakten de bestuurders de enthousiaste colfspelers harder aan. Zo lezen we in een keur van 29 december 1480: „op die verbuernisse van hoere clederen die ze an hebben". De betrapte overtreder werd dus letterlijk uitgekleed. De populariteit van het colven blijft echter toenemen, ondanks de vele verboden. In de 17e eeuw wordt het spel massaal beoefend. Dit vermaak breidt zich uit in de Nederlanden en verspreidt zich zelfs naar het buitenland. Zo hebben Nederlandse kolonisten het spel meegenomen naar de „Kleine Banck van Justitie voor Fort Orange en het dorp Beverwijck", thans Albany, de hoofdstad van de staat New York in de Verenigde Staten. De sport moest echter ook daar verboden worden; in 1659 werd er een keur uitgevaardigd die het verbood om het spel op de straten te spelen3. Uit de talloze verboden van dit spel blijkt wel hoe populair deze sport was. Ook andere bronnen tonen aan dat het een geliefd tijdverdrijf was. Zo zijn er vele schilderijen, meestal wintertafereeltjes, uit de 16e en 17e eeuw waarop colvers staan afgebeeld. Ook op 17e-, 18e- en zelfs 19e-eeuwse tegeltjes worden vele colvers getoond4. Rond 1700 verdwijnt de populaire sport colf plotseling als openluchtspel. Eeri duidelijke verklaring hiervoor is niet te geven. Het spel was juist in de 17e eeuw toegestaan op bepaalde plaatsen. Misschien dat het verboden spel binnen de stad zijn aantrekkelijke kanten had, want zolang iets verboden is, heeft 26
het een bepaalde aantrekkingskracht op mensen. Het colven werd veel op het ijs gespeeld in de 16e en 17e eeuw. Dit is niet zo verwonderlijk als we bedenken dat juist van deze periode wordt gesproken van de Kleine IJstijd. In de 17e eeuw worden de winters echter weer wanner. Zou dat één van de oorzaken van het verdwijnen van colf als buitenspel kunnen zijn? De 18e-eeuwse cultuurhistoricus Le Francq van Berkhey gaf als verklaring dat de sport in vergetelheid zou zijn geraakt, hetgeen niet erg aannemelijk is5. Volgens Van Hengel werd het colven verdrongen door het biljart. Deze laatste sport paste volgens hem beter bij de fijne 18eeeuwse kledij. Van colven werd men maar vies. Dit biedt ook geen echte goede verklaring. De ontwikkeling van buitensport (colf) naar binnensport (kolf) zal waarschijnlijk met verschillende factoren te maken hebben gehad. ColfslofHeiloo De colfslof van Heiloo is van een koperlegering gemaakt. S. J. H. van Hengel schrijft (in 1982) hoe hij na veel speurwerk slechts tien loden colf sloffen heeft gevonden: vier die bij opgravingen in Amsterdam zijn gevonden en enkele die behoren tot particuliere collecties. Er zullen sinds 1982 vast nog wel meer exemplaren gevonden zijn. Toch is het vreemd dat er nauwelijks iets bekend is over opgegraven colfsloffen. Worden ze niet gepubliceerd of zijn er echt maar zo weinig gevonden? Het spel was vroeger toch zeer populair. Mogelijk waren de meeste van hout en zijn ze dus vergaan, en werden gebruikte metalen exemplaren omgesmolten; zodoende konden de sloffen alleen in het bodemarchief komen als ze per ongeluk verloren werden. De colfslof in Heiloo werd in een slootvulling gevonden; deze is misschien verloren geraakt bij het colven op het ijs. De vele krassen op het slagvlak van de colfslof verraden dat deze ook echt gebruikt is. De eigenaar zal er vast menig uurtje mee hebben gespeeld. Op de colf staat het volgende ingekrast:
P : V : W YK, (zie afb. 3). De „Y" en de „K" zijn aan elkaar verbonden. De letters zijn met een hard, puntig voorwerp in het metaal gegraveerd. De verticale lijnen zijn regelmatig. De horizontale lijnen zijn daarentegen onregelmatiger. Duidelijk is te zien dat de horizontale en kromme lijnen in verscheidene malen geslagen zijn; puntje voor puntje vormen ze een lijn. De letters vormen waarschijnlijk de initialen van de bezitter van de colfslof. Archiefonderzoek kan deze misschien nog opsporen. Helaas is voor dit onderzoek nog geen tijd geweest. Voorlopig blijft de man achter de
/&fë??iï:ï!?ï^:--
v-
initialen de onbekende P. van Wijk. Dergelijke inscripties zijn niet bekend van andere sloffen. Wel blijkt uit een ordonnantie op het Colfmakersgilde te Leiden dat de sloffen die daar gemaakt werden of ingevoerd waren, van twee stempels moesten worden voorzien: één van de maker en één van de stad van herkomst. Op een 17e-eeuwse colfslof, die gevonden is te Haarlem, is het merk, een letter D, van de colfmaker nog te zien6. De colfslof van Heiloo is van een koperlegering gemaakt. De colven werden normaal van lood, ijzer of hout gemaakt, zoals blijkt
y ~:
3. Colfslof Heiloo (tek. T. de Ridder). 27
uit de keuren en de weinige opgegraven exemplaren. De colfsloffen in de late 18e eeuw werden van smeedijzer of koper gemaakt, maar dan hebben we het over een ander spel, namelijk kolven en niet colven. Werden er al rond 1600 sloffen van een koperlegering gemaakt? Het zal niet de eerste keer zijn dat historische geschriften niet overeenkomen met de archeologische bronnen. Er zijn echter nog maar weinig colfsloffen bekend. Het is daarom niet mogelijk om te zeggen of het exemplaar van Heiloo een uitzondering vormt. De vervanging in de loop van de 18e eeuw van lood door koper en smeedijzer doet vermoeden dat een slof van deze laatstgenoemde metalen beter (of goedkoper?) is. Tevens kan het gebruik van koper en smeedijzer te maken hebben met de verandering in de speelwijze. Er is nog een belangrijk verschil met de vier gevonden exemplaren te Amsterdam. Drie zijn uit lood gegoten om de stok en de vierde is uit een blad lood om de stok geslagen. Het hout is bij de colf van Heiloo heel anders bevestigd: de stok werd in de slof geschoven. Om deze verbinding stevigheid te geven, werd een rode substantie toegevoegd, die de holten in de slof zal hebben opgevuld7. De stok werd tevens vastgeklonken met twee ijzeren nagels: één van boven naar beneden (ter hoogte van de letters „P" en „V") en één van opzij in de hiel. In de slof zelf bevinden zich nog restjes hout die geconserveerd zijn dankzij de roestvorming van de ijzeren pennetjes. De vier sloffen van Amsterdam zien er tamelijk slecht afgewerkt uit in vergelijking met de slof uit Heiloo. Dit laatste voorwerp lijkt dan ook een luxere uitvoering te zijn van een colfslof. Ook het materiaal alsmede de zorgvuldige afwerking van de Heilooër colfslof met de aangebrachte initialen van de eigenaar doen dit vermoeden. We moeten echter voorzichtig zijn met conclusies te trekken, daar er maar enkele colfsloffen bekend zijn. Nawoord In Nederland zijn nog maar weinig colfsloffen gevonden. Er is daarom nog maar heel 28
weinig geschreven over deze voorwerpen. Dit bemoeilijkt vergelijkend onderzoek. Misschien zijn er al vaker sloffen gevonden van een koperlegering en met ingeslagen letters, maar zijn ze nog niet gepubliceerd. Mocht u op de hoogte zijn van vergelijkbare exemplaren, of heeft u suggesties, dan horen wij dat natuurlijk graag. U kunt schrijven naar onderstaand adres. Ik hoop dat dit artikel een aanzet zal zijn naar verder onderzoek van colfsloffen8. Noten 1 S. J. H. van Hengel maakt duidelijk onderscheid tussen colf en kolf. Dit onderscheid is nogal kunstmatig. De ontwikkeling van „colf naar „kolf verliep namelijk zeer geleidelijk. De spelen waren in de 16e en 17e eeuw nauw verwant. Omdat er toch enige verschillen bestaan tussen het middeleeuwse colf en het kolf zoals we dat nu nog kennen, wordt voor het gemak dit onderscheid toch aangehouden om verwarring te voorkomen. 2 Het slaan van de bal over lange afstanden wordt ook wel lang-spel genoemd. Bij kortspel wordt de bal over kleine afstanden gespeeld, zoals bij kolven in de 18e eeuw. 3 Van Hengel et al. 1982. 4 Van Hengel et al. 1982. 5 Van Hengel et al. 1982. 6 Van Hengel et al. 1982. 7 Met dank aan Anne Lawant, die mij erop attent maakte dat er nog een rode substantie in de slof aanwezig was. 8 Alle personen, instanties en bedrijven wil ik hierbij bedanken voor de hulp die zij tijdens de opgraving geboden hebben. P. Bitter wil ik bedanken voor het kritisch doorlezen van dit artikel. Literatuur Baart, J., et al., 1977. Opgravingen in Amsterdam. 20 jaar stadskernonderzoek. Amsterdam. Drost, J. W. P., 1914. Het Nederlandsch kinderspel voor de zeventiende eeuw (proefschrift). Leiden. Hengel, S. J. H. van, J. Brengers en T. M. Grosveld-van Balen e.a., 1982. Colf, kolf, golf; van middeleeuws volksspel lot moderne sport. Zutphen. Pluis, J., 1979. Kinderspelen op tegels. Assen. Geestakker 50 1852 EX Heiloo
Kort archeologisch nieuws De archeologie van Nederland in een nieuwe presentatie Maandag 11 oktober 1993: het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) te Leiden biedt de pers gelegenheid tot voorbezichtiging van de vernieuwde afdeling „Archeologie van Nederland". Ook de redactie van Westerheem is - uiteraard - vertegenwoordigd. De drie conservatoren, Marijke Brouwer, Arie Peddemors en Leo Verhart, leiden het gezelschap door ruimte en tijd. In de ruimte wordt nog driftig gehamerd en geschilderd, maar men ligt op schema. Woensdag 13 oktober is de officiële opening en dan moet alles klaar zijn. Er zijn, na afloop van de rondleiding, eerste indrukken. Die moeten, tijdens een tweede bezichtiging, getoetst worden.
Het „mannetje van Willemstad".
Schoenen uit de prehistorie.
Zaterdagmorgen 18 december 1993. Het is rustig in de Taffehzaal en heel rustig op de tweede verdieping. Het is nu zaak de aandacht vooral te richten op het vertelde verhaal, maar het ruimtelijk aspect daarbij niet uit het oog te verliezen. De vormgeving van de wandeling door de tijd is oogstrelend. De wanden zijn pastelkleurig en van fraai aangebrachte schilderingen voorzien. In
combinatie met de wandteksten en de geëxposeerde voorwerpen vertellen zij het verhaal. In dit verhaal zijn, aldus een door het RMO verstrekte toelichting, de voorwerpen de voornaamste vertellers. Dat zijn niet alleen de traditionele „potjes en steentjes", maar - dankzij de huidige conserveringstechnieken - ook een gouden flesje, een leren schoen, een zilveren gesp, een houten wagenwiel en een visfuik. De resultaten van het veeljarig onderzoek in Oss drukken, terecht, een belangrijk stempel op de presentatie van Bronstijd en Ijzertijd. De samenhang tussen de drie componenten van het verhaal - de wandschilderingen, de wandteksten en de geëxposeerde voorwerpen - komt in de presentatie van de Romeinse tijd mijns inziens het beste tot zijn recht. Daar wordt het verhaal heel concreet verteld. Zo concreet, dat de overgang van Prehistorie naar Romeinse tijd tamelijk abrupt is. Mèt het Romeinse leger betreden we een nieuwe ruimte en doet een nieuwe periode in ons verleden zijn intrede, althans in het na verloop van tijd geheel geromaniseerde zuiden. In
29
Gereconstrueerde Romeinse keuken.
het noorden van ons land trekt de terpencultuur haar lijnen van Ijzertijd naar vroege Middeleeuwen ongestoord door, ook in de presentatie. De Middeleeuwen zijn ruimtelijk wat onderbedeeld. Komt het daardoor, dat het verhaal hier als het ware verdrinkt in een veelheid van geëxposeerde voorwerpen, hoe schitterend die op zichzelf ook zijn? De reis door het verleden van ons land is het aanzien alleszins waard. De overzichtelijkheid ervan in figuurlijke zin is in belangrijke mate te danken aan het introduceren van een aantal steeds terugkerende thema's: sociale verhoudingen, economie, leven en dood en de materiële cultuur. Die bieden als het ware een houvast in de verglijdende tijd. Een woord van lof voor de vele duidelijke kaartjes. Die vormen een schril contrast met de voor mijn niet meer zo jonge ogen bijzonder onduidelijke belettering. Dat geldt zowel voor de wandteksten als voor de bijschriften. De effecten van de belichting dragen in niet-onbelangrijke mate aan die onduidelijkheid bij. Misschien kan daaraan nog wat gedokterd worden. P. Stuurman Grafveld in Venray Bij opgravingen tussen Oostrum en Venray zijn in november 1993 de resten van een grafveld uit 30
de Romeinse tijd aangetroffen. De grafresten dateren uit ca. 200 na Chr., zo schat de provinciaal archeoloog H. Stoepker, die de opgravingen leidt. De opgravingen aan de Henri Dunantstraat worden uitgevoerd door beroepskrachten van de ROB, bijgestaan door vrijwilligers van de Archeologische Kring Venray. Volgens Stoepker bestaat het grafveld uit minimaal 15 graven. Er zijn sporen gevonden van de omheiningen die de afzonderlijke graven omringden. Dagblad voor Noord-Limburg, 19 november 1993 Muntschat uit Schagen De muntschat die de archeologische werkgroep Schagen in mei 1993 op het plaatselijke industrieterrein Witte Paal opgroef, was mogelijk een spaarcentje van een Germaans stamhoofd. Die kreeg de zilveren munten van de Romeinen om er zijn soldaten mee te betalen. „Je moet het zien als een vorm van diplomatie. Het afkopen van vrede was voor de Romeinen een onderdeel van hun buitenlandse politiek. Keizer Postumus had in Italië z'n handen vol en voelde niets voor ruzie met Friezen in het noorden. Hij zat eigenlijk ingeklemd tussen twee oorlogszuchtige gebieden", aldus J. van der Vin, conservator antieke munten en gesneden stenen van het Koninklijk Penning-
kabinet in Leiden. Van der Vin maakte uitgebreid studie van de „bonk roest" uit de derde eeuw na Chr., die hij vorig jaar kreeg aangeleverd. Daaruit blijkt nu dat het om twee soorten zilver gaat. De ene partij is duidelijk hoogwaardiger dan de andere. „Hierdoor is er een aantal goed bewaard gebleven, maar van sommige munten zijn slechts enkele fragmenten overgebleven. Het geld was in de grond verborgen. Het zou kunnen dat er plotseling gevaar naderde, maar dat lijkt me vrij onwaarschijnlijk. Ik denk eerder dat het om een spaarpotje gaat, vanwege de kwaliteitsverschillen. Die hoogwaardige partij zilver was namelijk al een tijd uit de roulatie toen die andere munten werden geslagen. Er heerste economische chaos en de gelddevaluatie was onvoorstelbaar; keer op keer werden zilveren munten uit de roulatie genomen om van diezelfde hoeveelheid nog meer munten te slaan, maar met meer koper erin. Deze schat toont aan dat de partij over een langere periode is samengesteld. Dat is op zich een heel verrassend aspect, dat je maar heel weinig tegenkomt", aldus Van der Vin. Schager Courant 11 december 1993 Middeleeuwen in Purmerend Aan het Waagplein in Purmerend is onlangs gestart met de bouw van winkelpanden met daarboven woningen. Voor het zover was, hebben leden van de archeologische werkgroep van de Vereniging Historisch Purmerend in december 1993 gedurende twee weken een archeologisch onderzoek ter plaatse ingesteld. Zoals gebruikelijk, kwamen pas op de laatste dag van de opgraving interessante vondsten tevoorschijn, te weten scherven van middeleeuws aardewerk. Volgens Nico van der Bron van de werkgroep betreft het fragmenten van bezemstreek-aardewerk, vermoedelijk daterend uit de 13e eeuw en wellicht zelfs nog eerder. Ook werd Andenne-waar uit de modder gehaald, evenals Paffrath-aardewerk, dat wellicht uit de 12e eeuw stamt. „Verder vonden we enkele brokken tufsteen", meldt Van der Bron. „En dat betekent dat er hier mogelijk in de dertiende eeuw of eerder een tufstenen gebouwtje heeft gestaan". Nieuwe Noordhollandse Courant 18 december 1993 Romeins-inheemse nederzetting in Heeten Bert Terlouw uit Raalte heeft, bijgestaan door een groep andere amateur-archeologen, sporen van een inheemse nederzetting gevonden op een terrein achter de Geertmansmolen in Heeten (gemeente Raalte). Bert was getipt door medewerkers van de gemeente. Op het terrein wordt een nieuwbouwwijk gerealiseerd in het kader van het plan Hordelman. De vondsten: „Veel scherven,
waaronder twee potjes, waarvan er eentje schitterend versierd was door nagelindrukken, een typisch kenmerk van Germaanse kunst. De ander was kapot, maar kan gerestaureerd worden", aldus Terlouw. Ook werden enkele hutkommen aangetroffen. Terlouw is bijzonder enthousiast over een soort greppelsysteem met botten. Hij vermoedt dat daar „iets ceremonieels gedaan werd". Deventer Dagblad 18 december 1993 Stinsen en states in Friesland Het Argeologysk Wurkferban Fryslan, het Friese zusje van de AWN, heeft het ambitieuze plan opgevat om alle stinsen (versterkte huizen) en states (buitenplaatsen) in haar werkgebied te gaan onderzoeken. In eerste instantie zal dit onderzoek zich afspelen in de diverse archieven en in een later stadium hoopt het AWF ook te gaan opgraven. Hoewel er vele tientallen, en misschien zelfs honderden, gebouwen in Friesland staan en gestaan hebben die de naam „stins" of „state" meegekregen hebben, is er nog maar weinig over deze huizen bekend. De term stins betekent: „stenen huis". De oorsprong is volgens voorzitter J. van der Vaart nog onduidelijk: „Als een wat rijkere boer in de Middeleeuwen besloot zijn boerderij, die tot dan toe in hout was opgetrokken, in steen te laten herbouwen, betekende dat nog niet onmiddellijk dat hij nu een stins bezat". De plannen van het AWF bevinden zich nog in het beginstadium. Bij het vernemen van de plannen hebben de eerste enthousiaste deelnemers zich al opgegeven. Friesch Dagblad 18 december 1993 Beeldhouwwerken in Amsterdam Bij opgravingen in een pand aan de Sint Annenstraat 12 in Amsterdam is zeldzaam beeldhouwwerk tevoorschijn gekomen. Het gaat om een cupido en een door de klassieke oudheid geïnspireerde zandstenen kop, beide uit de 16e eeuw. In het pand zijn ook bijzondere plafondschilderingen, geveldecoraties en vloeren aangetroffen. De vondsten werden gedaan in een woonhuis, dat samen met drie aangrenzende historische panden gedemonteerd wordt in verband met een wel zeer ingrijpende restauratie. Stadsarcheoloog J. Baart noemt de vondsten „een uniek document van de Amsterdamse renaissance". De Sint Annenstraat maakt deel uit van het oudste middeleeuwse stratenpatroon van Amsterdam. Van het huis op nummer 12 zijn vijf vloeren uit vijf verschillende bouwperioden opgegraven. De oudste bebouwing betreft een stenen huis met een plavuizen vloer uit ongeveer 1380. In 1565, zo blijkt uit archiefstukken, werd het
31
huis ingrijpend verbouwd en uitgebreid en in renaissancestijl opgetrokken met in zandsteen uitgevoerd beeldhouwwerk en andere decoraties in de voorgevel. Volgens Baart moeten in Amsterdam tussen 1543 en 1565 ongeveer honderd van dit soort gevels gebouwd zijn. In die periode groeide de stad van ongeveer 3000 tot 6000 huizen. NRC Handelsblad 23 december 1993 Vondst pelgrimsinsigne De collectie van het Drents Museum is sinds kort verrijkt met een zeer fraai, middeleeuws pelgrimsinsigne. Tot nu toe was het museum nog niet in het bezit van dit soort voorwerpen. In de Middeleeuwen gingen de mensen vaak op bedevaart naar een van de vele bedevaartsplaatsen. Ten teken dat men daar geweest was en om zich kenbaar te maken als pelgrim, werd een pelgrimsinsigne op hoed of mantel gedragen. De pelgrimsinsignes waren gemaakt van tin. Veelal stond de heilige, wiens relikwieën men aanbeden had, op het insigne afgebeeld. De nieuwe aanwinst van het museum is ca. 6 cm lang en toont St. Maarten te paard, die zijn mantel met een zwaard door midden snijdt om hem
met een arme bedelaar te delen. Uit welke pelgrimsplaats dit insigne afkomstig is, moet nog nader onderzocht worden. Waarschijnlijk dateert het stuk uit het begin van de 15e eeuw. De vondst kwam aan het licht tijdens graafwerkzaamheden in het hartje van Coevorden. Leden van de Stichting Archeologie en Monument, die de bewuste plek op grondsporen en vondsten inspecteerden, hebben ervoor gezorgd dat het Drents Museum deze fraaie aanwinst in de collectie kon opnemen. Drents Museumjournaal december 1993
Pelgrimsinsigne van St. Maarten, die zijn mantel aan stukken snijdt. Foto: H. van Westing. Robert van Lit
Reacties van lezers De Merida (Alentejo)vondst In het vijfde nummer van 1993 beschreef de heer C. J. van Roon enkele importaardewerktypen, waarvan de vondst uit Wormerveer het interessantst was door zijn voor Nederland vrij zeldzame verschijning. Een vrijwel complete kruik, van exact hetzelfde materiaal als de scherf uit Wormerveer, is gevonden in 1990 en zou afkomstig zijn van het spoortunneltracé te Rotterdam. Ook hier vertoont de buitenzijde een vlekkerig, gedeeltelijk geredu-
0
S
10
ceerd gebakken uiterlijk met de glimmertjes van mica in de vaal roodbruine klei. De ongewone vorm en afmeting intrigeerden mij. Geen alledaags voorwerp, dacht ik. De kruik vertoont enige verwantschap met de dwarsgedraaide tonvormige draagkruiken uit Andenne, maar mist duidelijk de typische kenmerken van deze produkten uit de Maasvallei (R. Borremans et R. Warginaire, La ceramique d'Andenne. Recherches de 1956-1965. Rotterdam, 1966). Het werd mij al snel duidelijk dat we de herkomst ergens in Zuid-
15
„Tonkruik" uit Rotterdam (tekening en foto C. van der Esch).
32
Europa zouden moeten zoeken. De kruik is - op de oren na - vrij gaaf gebleven, hoewel de iets naar binnen gevormde bodem door het gebruik slijtagesporen en een netwerk van barsten vertoont. Gezien de grootte zal de kruik meer op de bodem hebben gestaan dan dat er mee gedragen is. Het ding staat iets scheef, maar is verder vrij zuiver symmetrisch gedraaid. De kruik zou uit twee gedraaide schalen zijn gemaakt, die na lichte droging aan elkaar werden gevoegd, volgens Baart en Lagerwey. Echter, van een mogelijk dichtgesmeerde naad, die dan hier en daar nog zichtbaar zou moeten zijn, is geen enkel spoor te ontdekken. De zeer zwakke draairingen lopen volkomen van de ene helft naar de andere helft over. Alleen aan de hals is overduidelijk te zien dat deze er apart is opgezet. Vergelijken we de bijna complete kruik met de scherf uit Wormerveer, dan zien we veel overeenkomsten, namelijk de stand van het oor (oren) en de lensvormige zijden links en rechts van de oren. De kruik uit Rotterdam echter is langwerpig geweest, verge-
lijkbaar met de kruik uit Plymouth (afb 4. C. J. van Roon). De „tonkruik", om hem zo even te noemen, is hoog 28,5 cm, breed 27 cm, lang 30 cm en heeft een inhoud van ruim 10 liter! Over de vondstomstandigheden valt niets meer te achterhalen. Achteraf blijkt er een flink aantal gebruiksvoorwerpen van bijzondere aard, zowel van metaal als aardewerk-steengoed, door „gravers" aan het licht te zijn gebracht. Van de Spanjaarden in Rotterdam valt voorlopig alleen te vertellen dat deze zich op 9 april 1572 met geweld via de Oostpoort meester hadden gemaakt van de stad, om vervolgens, al plunderend, een bloedbad aan te richten. De kennis omtrent dit niet alledaagse type aardewerk is hiermede naar ik hoop weer wat aangevuld. C. van der Esch Kerkbuurt 16 3354 XK Papendrecht
Literatuurbespreking Willy H. de Vries-Metz. Luchtfoto-archeologie in oostelijk West-Friesland. Mogelijkheden en resultaten van archeologische Remote Sensing in een verdwijnend prehistorisch cultuurlandschap. Amsterdam, 1993. XV, 343 pp., 6 krtn in map. Proefschrift Universiteit van Amsterdam. Remote Sensing (RS) betekent in algemene zin: waarnemen op afstand. De bekendste vorm van RS is de luchtfotografie, maar er zijn ook andere, niet-fotografische technieken waarvan gebruik wordt gemaakt: thermisch-infrarode aftasting, radar, multispectrale afstandstechniek en satellietobservatie. Toegepast in de archeologie, is de luchtfotografie een uitstekend middel voor het verkennen van archeologisch interessante gebieden. Tevens is het een belangrijk hulpmiddel bij het bepalen van de opgravingsstrategie en het inventariseren van archeologische monumenten. Oostelijk West-Friesland was èn is in vele opzichten een uniek archeologisch gebied. Daarop is vooral door medewerkers van het IPP al sinds de vijftiger jaren gewezen. Sinds de zestiger jaren hebben in dit gebied op grote schaal ruilverkavelingswerkzaamheden plaatsgevonden en heeft de verstedelijking toegeslagen. Drie ruilverkavelingsgebieden, te weten Het Grootslag, Westwoud en De Drieban, staan in het proefschrift centraal. Voor de archeologie heeft de
ruilverkaveling desastreuze gevolgen gehad. Het IPP, de ROB en het IPL hebben, in de vorm van opgravingen en veldverkenningen, dit gebeuren zo goed mogelijk begeleid. Na enkele incidentele RS-waarnemingen vanaf een watertoren en vanuit de lucht in de zestiger jaren, werd in 1974 door de schrijfster vanuit het IPP een begin gemaakt met een reeks systematische archeologische luchtverkenningsvluchten. De resultaten van deze verkenningen èn de luchtfoto-interpretatie van reeds beschikbare verticale luchtfoto's hebben aan de archeologische kennis van de prehistorische bewoning - voornamelijk in de Midden- en Late Bronstijd - in oostelijk West-Friesland een dimensie toegevoegd. Het gebied zelf heeft, omdat het tot ver in onze eeuw het prehistorische reliëf heeft weten te bewaren, aan dit succes een belangrijke bijdrage geleverd. Zoals bekend mag worden verondersteld, is Willy de Vries-Metz de eerste en nog steeds enige „vliegende" archeoloog in ons land. Het moet haar veel voldoening hebben geschonken de resultaten van haar eigen verkenningsvluchten te kunnen neerleggen in een proefschrift. Voor de archeologische kennis van oostelijk West-Friesland is dit geschrift van grote waarde. Die ontleent het mijns inziens niet in de eerste plaats aan een geschetst totaalbeeld, maar aan de immense hoeveelheid zeer gedetailleerd weergegeven
33
o
O
o
5m
1. Andijk. Huisplattegrond, waarschijnlijk latere Midden-Bronstijd. Ontleend aan: De Vries-Metz.
iiiaia 2. Het Grootslag. De wijze van grondbewerking ten behoeve van het kavelinrichtingswerk. Fase 1: de oorspronkelijke situatie; fase 2: nadat het grondwaterpeil drastisch verlaagd is, werd door middel van diepploegen de onvruchtbare ondergrond op de teelaarde gebracht; fase 3a: de aan de oppervlakte liggende ondergrond is met behulp van bulldozers in te dempen sloten geschoven, hierdoor ligt de teelaarde weer aan de oppervlakte; fase 3b:1 de huidige situatie. Ontleend aan: De Vries-Metz. 34
brokjes informatie. Ik heb het boek dan ook niet als een eenheid ervaren, maar eerder als een nogal verbrokkelde veelheid. Zo treft men informatie over één vindplaats op vele plaatsen in het boek aan. De geschetste indruk wordt nog versterkt door de neiging van de schrijfster om feiten, gegevens en conclusies puntsgewijs te presenteren. Dat suggereert overzichtelijkheid, maar verbrokkelt in feite het beeld nog meer. In één geval levert dat een ongewild komisch effect op (p. 294), waar een opsomming die tien redenen zou moeten omvatten, niet verder dan negen komt. Het gesignaleerde euvel had in belangrijke mate ondervangen kunnen worden door het toevoegen van een uitgebreid register op vindplaatsen. Het ontbreken van adequate registers in boeken heb ik al dikwijls gesignaleerd. Een publicatie met veel concrete informatie, zoals bijv. proefschriften, zonder register is feitelijk even ontoegankelijk als een collectie archeologica waarvan de gegevens niet zijn geregistreerd. De presentatie van het proefschrift is, ondanks het feit dat het om een gekopieerd exemplaar gaat, zeker geslaagd te noemen. De luchtfoto's zijn redelijk goed te „lezen", de bijgevoegde kaarten zijn van een wat mindere kwaliteit. Het is de bedoeling dat het boek in de toekomst in een professionele uitvoering verschijnt. Dat zal de kwaliteit van de afbeeldingen zeker ten goede komen. De inhoudelijke kwaliteit zou, zoals reeds aangegeven, zeer gebaat zijn met een uitgebreid vindplaatsenregister. De inhoud heeft daar recht op. Dat moge, ondanks mijn op- en aanmerkingen, duidelijk zijn. Herbert Blankesteijn en Louwrens Hacquebord. Op zoek naar het Behouden Huys. Een expeditie naar Nova Zembla in het kielzog van Willem Barentsz. 's-Gravenhage, Uitgeverij BZZTöH, 1993. 128 pp. Prijs ƒ 24,50. De Nederlands-Russische archeologische expeditie naar Nova Zembla, die van 15 augustus tot 5 september 1993 plaatsvond, mag dan de nodige organisatorische problemen hebben opgeleverd, wetenschappelijk is zij een groot succes geworden. Aldus Pieter Floore, een van de deelnemers, in het Algemeen Dagblad van 24 september 1993. In een „finale stofzuigoperatie voor de aanstormende toeristen, amateur-archeologen (!) en andere souvenirjagers" (Karel Knip in de NRC van 16 oktober 1993) zijn alle gegevens en voorwerpen, nodig om het Behouden Huys en het dagelijks leven van zijn bewoners zo getrouw mogelijk te reconstrueren, verzameld. De opgraving betekent de afsluiting van ruim 120 jaar vondsten- en informatievergaring. In 1992 vond door het Arctisch Centrum in Gro-
ningen een verkennend onderzoek plaats. Doel was, te weten te komen wat er nog restte van het reeds genoemde Behouden Huys, het onderkomen waarin Willem Barentsz, Jacob van Heemskerck en hun bemanningsleden in 1596-1597 onder barre omstandigheden overwinterden. De belevenissen tijdens die mini-expeditie zijn door Herbert Blankesteijn (wetenschapsjournalist) en Louwrens Hacquebord (directeur van het Arctisch Centrum van de Rijksuniversiteit Groningen) beschreven in 18 korte hoofdstukken. Elk hoofdstuk begint met een citaat uit het dagboek van Gerrit de Veer, waarin de barre werkelijkheid van toen gestalte krijgt. De schrijvers becommentariëren het citaat en beschrijven vervolgens, in schril contrast met het voorafgaande, hun eigen belevenissen. „In schril contrast", dat zeker. „Wij moeten ons schamen, met onze moderne kampeeruitrusting, onze generator, die Louwrens zelfs inzet om zich elektrisch te scheren, en onze helikopter". Tussen het zich behelpen toen en nu is een wereld van verschil! Het is een vlot geschreven, prettig leesbaar boek geworden. Voor ƒ 24,50 zouden wat meer en wat beter gereproduceerde illustraties niet hebben misstaan. En nu maar wachten op het volgende expeditieverslag. Tonny Vos-Dahmen von Buchholz. Het vlammend halssieraad. Baarn, De Fontein, 1993. 153 pp. Prijs ƒ 27,50. De resultaten van het archeologisch onderzoek, dat in de jaren 1991 tot 1993 bij Wijnaldum heeft plaatsgevonden, hebben het inzicht in bewoning en bewoners van vroegmiddeleeuws Friesland uitgebreid èn verdiept. Ook in Westerheem is de afgelopen jaren veel aandacht aan de terpopgraving bij Wijnaldum besteed. Jan Zijlstra ontwikkelde een hypothese, waarin hij de vondsten van Wijnaldum relateerde aan de legendarische koning Finn Folcwalding en de Finnsburg, die in het Oudengelse Beowulfepos voorkomen (Westerheem 40, 1991, pp. 51-62). Jan Schoneveld deed verslag van de opgravingscampagnes 1991 en 1992 {Westerheem 40, 1991, pp. 198-201 en Westerheem 41, 1992, pp. 255-259). Geconcludeerd kan worden, dat vertegenwoordigers van de Friese elite op de terp hebben gewoond. Of dat „koningen" geweest zijn, blijft onduidelijk. De bekendste vondst uit Wijnaldum, de gouden „konings"fibula, spreekt tot de verbeelding van velen. De schrijfster Tonny Vos behoort tot de weinigen die de verbeelding vorm kunnen geven en het verleden zelf tot spreken kunnen brengen. Zij behoeft in Westerheem geen introductie. Vele van haar (pre)historische jeugdromans heb ik met waardering besproken. Dat de gouden fibula - het „vlammend halssieraad" - haar heeft weten te in-
35
spireren tot een boeiend verhaal, is niet verwonderlijk. Ook nu weer heeft de schrijfster zich grondig voorbereid, reizen gemaakt naar de gebieden waar de terpbewoners handel dreven (het Oostzeegebied en Oost-Engeland), vakliteratuur bestudeerd en gesprekken gevoerd met bij de opgraving betrokken archeologen. „Uiteraard is het verhaal een produkt van mijn fantasie", schrijft Tonny Vos in een nawoord. En dus situeert ze de Finnsburg op de terp bij Wijnaldum. Daar maken we - in het jaar 635 - kennis met koning Finn, zijn gemalin Friburch, zijn zoons en de overige terpbewoners. De schrijfster schetst het dagelijkse leven in het terpenlandschap en volgt de mannen op hun handelsreizen, die door slecht weer en het gevaar van overvallen dikwijls een groot risico inhouden. Hoofdpersoon is de jonge vrouw Vigdis, als kind door rovers ontvoerd en in Zweden als slavin opgegroeid. Als zij in Haithabu aan Arabische handelaren dreigt verkocht te worden, verbergt zij zich op het schip van de Friese handelaren. Als verstekelinge bereikt zij de Finnsburg, waar zij zich, dankzij het Vlammend Halssieraad, tenslotte van haar eigen identiteit bewust wordt: zij behoort tot de familie van de Engelse koningen. In vele boeken van Tonny Vos speelt het zoeken naar de eigen wortels, de eigen identiteit, een belangrijke rol. Ook in dit boek heeft ze dat thema treffend vormgegeven. Ze heeft het verhaal kundig, zonder in overdaad te vervallen, gelardeerd met de verzamelde informatie. Het beeld dat zij oproept, is weinig gewelddadig en zeker niet ruig. Zo acht ik het weinig waarschijnlijk dat een verstekelinge, temidden van een stel geharde kerels, kans ziet om ongeschonden de eindstreep, d.w.z. de Finnsburg, te halen. Laten we het erop houden dat ze het geluk had met Friezen te maken te hebben. Gelukkig toont Tonny Vos keer op keer aan dat ook het „gewone" leven dikwijls heel spannend kan zijn. P. Stuurman Verhart, L. De prehistorie van Nederland. Amsterdam 1993. ISBN 90-6706-325-3. 96 pagina's. Prijs ƒ 27,50. ! Brouwer, M. De Romeinse tijd in Nederland. Amsterdam 1993. ISBN 90-6706-326:-1. 96 pagina's. Prijs ƒ 27,50. Peddemors, A., en A. Carmiggelt. Archeologie van middeleeuws Nederland. Amsterdam 1993. ISBN 90-6706-327-x. 96 pagina's. Prijs ƒ 27,50. In oktober 1993 werd de lang verwaèhte nieuwe Nederlandse afdeling van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden geopend. Tijdens de feestelijkheden waren op de balie in de Taffehzaal drie nieuwe boekjes te zien, die tegelijkertijd werden
36
gepresenteerd en die samen de collectie Nederlandse archeologica van het RMO behandelen: De prehistorie van Nederland, De Romeinse tijd in Nederland en Archeologie van middeleeuws Nederland. De boekjes zijn verschenen in een sinds enige tijd bestaande reeks van het museum, die ooit wel als „RMO-light" is omschreven. Zoals gebruikelijk in deze reeks zijn de deeltjes geschreven door de conservatoren van de betreffende afdelingen (het Middeleeuwen-deeltje samen met een gastconservator/auteur) en geproduceerd en geredigeerd door het Amsterdamse cultuurpresentatiebureau D'Arts. Wat verwacht je nu van zo'n reeks? Persoonlijk dacht ik dat de drie nieuwe deeltjes één geheel zouden vormen, dat ze dezelfde opzet en luxueuze uitvoering zouden hebben als de nieuwe presentatie en bedoeld en geschikt zouden zijn voor een breed publiek. Met stijgende verbazing moest ik bij het bekijken en lezen van de boekjes vaststellen dat die verwachting volkomen ten onrechte was. De drie deeltjes verschillen onderling nogal van benadering en toon. Ze hebben in de verste verte niet de uitstraling van de nieuwe afdeling, sterker nog: qua vormgeving en redactie lijken ze meer te zijn bedoeld als begeleiding bij de vorige Nederlandse afdeling, die, zoals bekend, het „brede publiek" niet vermocht te boeien. Misschien waren mijn verwachtingen te hoog gespannen en was het helemaal de opzet niet dat deze boekjes een afspiegeling zouden zijn van het geëxposeerde, hoe vanzelfsprekend me dat op zich ook lijkt. Laten we dus eens naar de opzet en inhoud kijken. Ieder deeltje heeft een korte, algemene introductie op het behandelde tijdvak. Daarna volgen 39 hoofdstukjes, geschreven rondom evenzoveel (groepen) voorwerpen, die daarbij worden afgebeeld. De opzet van die hoofdstukjes is niet bij alle boekjes hetzelfde: het prehistorie-deel gebruikt die voorwerpen meestal als kapstok voor achtergrondinformatie over een tijdvak of cultuur, terwijl de Romeinse en middeleeuwse voorwerpen in detail worden beschreven. Dit is een tamelijk conventionele opzet voor een catalogus. Let wel: „conventioneel" en „catalogus" zijn geen denigrerende termen en zijn niet synoniem met „saai" en „droog". Provincie van een imperium, de eerder verschenen en nog steeds verkrijgbare RMO-publicatie over de Romeinse collectie, is een voorbeeld van een mooie, boeiende en tegelijkertijd zeer informatieve catalogus, net als Schatkamer van Gelderse oudheden van Museum Kam. Vooral deze laatste publicatie heeft qua opzet grote overeenkomsten met de nieuwe RMO-reeks. Maar wat een verschil in effect! Wie de RMO-deeltjes openslaat,
ziet eerst de opwekkende hoofdstuktitel: „2. Vuurstenen pijlpunten" of: „14. Reliëf, voorstellende een schip" of: „31. Veldfles uit BrunssumSchinveld". Daaronder volgt in twee uitgevulde kolommen de tekst en (meestal) een begeleidende illustratie. Wat die illustratie voorstelt, is niet direct duidelijk, omdat bijschriften ontbreken; die informatie zit in de lopende tekst. De grote foto's, die meestal op de rechterpagina zijn afgedrukt, hebben wel bijschriften. Bij de aangehaalde hoofdstukken luiden die: Hamburg-, Tjongeren Ahrensburgspitsenlh.max. 5 cm; ca. 200 na Chr. Oosterschelde bij Colijnsplaat h. 46,5 cm; 1350-1375, Heerlen h. 18 cm. Duidelijk? Dat zeker. Erg uitnodigend vind ik het persoonlijk niet. Dat geldt ook voor veel van het fotowerk. De RMO-fotografen kennen hun vak en het materiaal is doorgaans fraai opgenomen, maar veel van het kleurenwerk is afgedrukt tegen een meedogenloze, pikzwarte achtergrond, die kleuren en goudglans opslokt (vergelijk de foto van de halsringen uit het Uddelerveen in Schatkamer eens met die in De prehistorie). De kwaliteit van de litho's is wisselend; zo is de Hilversumurn van Budel-Weert geheel onscherp afgebeeld en dat ligt stellig niet aan de fotograaf. De meeste zwart-witfoto's zijn treurig van detail en contrast (vergelijk de foto van de Waternimf uit Roomburg in Provincie van een imperium eens met die in De Romeinse tijd). Nu is er wel meer middelmatig fotowerk in archeologische boekjes te zien; ik kan daar persoonlijk van meepraten. Het RMO staat hierin dus niet alleen. Maar aan een publicatie waarin een museum zijn collectie etaleert, mogen op dit punt strengere maatstaven worden aangelegd, dunkt me. Foto's zijn echter niet het enige aspect van zo'n publicatie. Compenseert de tekst het gebrek aan visuele attractie? Dat wisselt. Ik vind De Prehistorie het aardigst om te lezen. Auteur Verhart heeft zijn best gedaan om de voorwerpen in een ruimere context te plaatsen, de invalshoek van de hoofdstukjes wat te variëren en toch het nodige over de voorwerpen zelf te zeggen. Ook heeft hij hier en daar een wat intrigerender hoofdstuktitel bedacht, zoals: „Grafgiften met een Franse connectie" of: „Het oudste wiel". Dit soort frivoliteiten paste kennelijk niet in het concept. De prehistorie bevat ook meer nieuwe gegevens en inzichten dan de andere deeltjes. Zo had ik nog niet eerder gelezen over het microwear-onderzoek van de vuurstenen „sikkels" uit NoordNederland, waaruit bleek dat er waarschijnlijk plaggen mee werden gesneden (wie onderzoekt eens op vergelijkbare manier bronzen „scheermessen"?). Een merkwaardigheid (en in mijn ogen een te-
kortkoming) is dat in De Prehistorie, in tegenstelling tot de andere deeltjes, maar conform de nieuwe expositie, geen dateringen bij de voorwerpen worden gegeven. In De Romeinse tijd komen zij die alles willen weten over een afgebeelde schaal, zegelsteen of sculptuur, ruimschoots aan hun trekken. Voor wie daaraan toch nog tekort komt, is een wel zeer gedetailleerde bibliografie opgenomen, waaronder artikelen in de Bonner Jahrbücher en Aquileia Nostra. Wat de inhoud betrof, viel mij op dat de vroegere eigenaar van de „Helm van Deurne" nog steeds als „verdronken in het moeras" wordt opgegeven, hoewel Wijnand van der Sanden dat enkele jaren geleden in zijn proefschrift over de veenlijken onaannemelijk maakte. Tenslotte het deeltje over de Middeleeuwen. Opmerkelijk genoeg luidt hier de titel: Archeologie van middeleeuws Nederland. Dat lijkt een precisering, maar is in feite te ruim gesteld: „archeologie" is meer dan alleen „bodemvondsten" en daar gaat het in dit boekje om. Informatie genoeg over die bodemvondsten. Soms krijgt de lezer zelfs een uitgebreide beschrijving van voorwerpen die in het geheel niet worden afgebeeld. Zo krijgen we de volledige bijbeltekst, in het Nederlands èn in het Latijn, waarvan op „een fragment van een mal van een beeld" de letters S.AMICTA te lezen waren; „de tekst verwijst naar een apocriefe voorstelling van Maria". Ook komen we aan de weet wie het graf van Childerik in België beschreef en wie de sociale gelaagdheid bestudeerde van Alemannische grafvelden. Dat een auteur in het vuur van zijn betoog meer kennis tentoonspreidt dan strikt zinvol is, valt te begrijpen. Zulke excursen, die noch het beeld, noch de rest van de tekst ondersteunen, hadden echter door de eindredactie moeten worden weggefilterd. Die eindredactie had zich ook moeten ontfermen over passages als: „De mens heeft altijd geprobeerd zijn bezittingen tegen diefstal te beschermen. Sloten en sleutels zijn al gevonden in het oude Egypte. De Grieken en Romeinen hadden schatkamers ( ). Ook uit de Middeleeuwen kennen we sloten en sleutels". Zo'n begin van een archeologisch verhaal benadert het karikaturale. Ook bevat dit deel nogal wat termen die niet of pas ver achteraf worden verklaard. Neem de zin: „Op de zoom van het doornschild bevindt zich een trapvormig opgebouwd almandijn-cloisonné (....)". Almandijn is weliswaar eerder genoemd, maar wat cloisonné is, wordt pas pagina's later uitgelegd, terwijl de lezer zelf moet reconstrueren wat wel een doornschild mag zijn en wat daarvan de zoom is. Verder valt in alle boekjes de merkwaardige keus van de illustraties in de inleidende hoofdstukken 37
op.... maar laat ik afronden. Na uitvoerig bladeren, lezen en bekijken laten deze publicaties mij met een aantal vragen achter. Waarom heeft het museum niet dezelfde zorg aan deze boekjes besteed als aan de nieuwe Nederlandse afdeling? Voor wie heeft het museum deze boekjes bedoeld? Heeft het RMO wel eens gekeken naar de recente archeologische publicaties van het Drents Museum? En zo ja, vond men niet dat het RMO die kwaliteit op zijn minst moest evenaren? Wat vindt het museum zelf van de kwaliteit van de vormgeving en redactie die het ingehuurde, prestigieuze bureau heeft afgeleverd? Had van de kennis van de auteurs niet een vruchtbaarder en dankbaarder gebruik kunnen worden gemaakt? Is dit niet een beetje een gemiste kans? „Deze intrigerende vragen", om Archeologie van middeleeuws Nederland (p. 59) te citeren, „zullen voorlopig nog wel niet afdoende beantwoord kunnen worden." Evert van Ginkel Sonja Barends e.a. (red.), Over hagelkruisen, banpalen en pestbosjes. Historische landschapselementen in Nederland. Utrecht, Matrijs, 1993. 120 pp. Prijs ƒ 29,95.
de locatie van het beschreven landschapselement aangeeft. Op deze wijze passeren de boo, het daliegat, de hennepakker, de landscheiding, de galgeberg, de grenspaal, de stinswier de meestoof, de ijskelder en vele andere interessante objecten de revue. De teksten zijn goed en helder geschreven door een grote groep specialisten. Het boek biedt een prachtig gezicht op de vaak zeer gevarieerde historische elementen die ons land rijk is. Ook voor menige (amateur-)archeoloog zal het een verrassing zijn dat er in het veld zoveel verschillende historische landschapselementen te vinden zijn. Compleet is het boekje niet. Bij het grand canal, de ijskelder, de slangemuur en het doolhof hadden bijvoorbeeld ook de schelpengrot en de cascade een plaatsje kunnen krijgen. Maar volledigheid is hier niet nagestreefd. De bedoeling van de auteurs was om de belangstelling voor de cultuurhistorische waarde van het landschap te vergroten en daarin slagen zij met dit boek uitstekend. Mede dankzij de fraaie en smaakvolle vormgeving van het boek is het een aantrekkelijke gids voor een onderbelicht onderdeel van het landschap. Een ideaal boek om cadeau te doen of te krijgen. Robert van Lit
Eén van de meest intrigerende „landschapselementen" in Nederland vind ik zelf de pestbosjes, geheimzinnige, geïsoleerde bosschages, ergens op een afgelegen plek in het weiland. In mijn jeugd vroeg ik me vaak af wat de functie van zo'n bosje was en op een gegeven moment kreeg ik te horen dat zulke beboste eilandjes gebruikt werden om dood vee op te begraven. Ik vond het verhaal bevestigd in een alleraardigst boekje, dat gewijd is aan historische landschapselementen in Nederland. Het verscheen bij uitgeverij Matrijs, ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van het Historisch-Geografisch Tijdschrift. Pestbosjes, zo lees ik hier, zijn in feite sporen van vroegere rampen. In de afgelopen eeuwen werd Nederland herhaaldelijk getroffen door besmettelijke rundveeziekten, zoals veepest, longziekte, tuberculose en miltvuur. Verordeningen bepaalden dat alle dieren in een besmette stal moesten worden afgemaakt. De kadavers moesten begraven worden op een afzonderlijk stuk land, waar het overige vee niet bij kon komen. De auteur wijst erop dat miltvuursporen wel honderd jaar in de bodem kunnen sluimeren en dat deze sporen gevaarlijk zijn voor mens en dier. Met miltvuurbosjes is het dus oppassen geblazen; een waarschuwing die ook de archeoloog zich ter harte kan nemen. In het boek worden 53 landschapselementen beknopt beschreven. Ieder object heeft een fraaie foto, met daartegenover een pagina tekst. Op iedere tekstpagina vinden we een klein kaartje, dat
38
Botine Koopmans, Bouke Tuinstra en Bart Westenbroek (red.). Het Huis te Palenstein in Zegwaart. Historisch en archeologisch onderzoek naar een kasteel in het veen. Zoetermeer, Historisch Genootschap Oud Soetermeer, 1993. Gelijktijdig met de opening van een zeer fraaie tentoonstelling over het voormalige Huis te Palenstein in het historisch museum van Zoetermeer verscheen een uitvoerige publicatie van 152 pagina's over het voormalige „kasteel". Het boek is mooi vormgegeven, rijk geïllustreerd en er is duidelijk met een groot team enthousiast aan gewerkt. In het eerste hoofdstuk wordt de vraag opgeworpen of Palenstein al dan niet een kasteel was. De auteurs menen van wel. Nu moest het beestje natuurlijk een naam hebben en een boek over een „huis" of over een „begraven hofstad" klinkt wat minder aantrekkelijk dan over een kasteel. Maar de term „kasteel" lijkt mij toch wel wat erg wijds voor het toch vrij bescheiden gebouwtje dat Palenstein geweest moet zijn. Hoofdstuk 2: Het kasteel Palenstein en zijn bewoners. In dit hoofdstuk wordt uitvoerig ingegaan op de eigenaren van Palenstein. De auteur heeft zeer veel archiefonderzoek verricht en was zo in staat de diverse eigenaren uitgebreid te beschrijven.
Overigens woonden die zelden in het huis. In de 16e eeuw verkeerde Palenstein in een deplorabele toestand; een archiefbron uit 1568 beschrijft het als: „'t huys te Palensteyn, 't welck over lange jaeren vervallen es, mitten cingel, twee huyskens ende twee cameren opten cingel ende op 't nederhoff staende". Hoofdstuk 3: De buitenplaats Palenstein. In 1791 werd Palenstein afgebroken, waarna ter plaatse een nieuw buitenhuis verrees. Dit huis heeft het nog geen honderd jaar uitgehouden: in 1887 werd het gesloopt. Hoofdstuk 4: Palenstein in beeld. Van Palenstein zijn zeven afbeeldingen bekend, die alle in het boek staan afgebeeld en uitgebreid worden beschreven. Met die afbeeldingen nu is iets heel vervelends aan de hand. De oudste is een ongesigneerde tekening, die ook het omslag van het boek siert. De tekening is gedateerd 1569 en wordt door de auteur terecht toegeschreven aan Jacobus Stellingwerf (1667-1727). Maar de tekening geeft waarschijnlijk niet Palenstein weer. Het blijft blijkbaar noodzakelijk om erop te wijzen dat Stellingwerf een uiterst onbetrouwbaar topografisch tekenaar was. E. Pelinck noemde deze kunstenaar reeds in 1952 in Kastelen, ridderhofsteden en buitenplaatsen in Rijnland: „...de beruchte lan Stellingwerf, over welke falsificator wij verder geen woorden vuil willen ma-
ken".... Desondanks noemt hij hem verderop nog een keer: „De met J.S. gemerkte fantasieën van Jan Stellingwerf zijn meestal waardeloos, althans voor ons gebied". Stellingwerf werkte voor verschillende verzamelaars van „kasteelportretten". Had hij van een bepaald kasteel geen afbeelding voorhanden, dan was hij niet te beroerd om zelf maar iets te verzinnen. Zo is waarschijnlijk ook de tekening van Palenstein ontstaan. Soms vallen de fantasieën van Stellingwerf door de mand, omdat er onwaarschijnlijkheden in de afgebeelde architectuur waarneembaar zijn. In het geval van Palenstein zijn dat o.a. de vreemde plaatsing van het kleine gebouwtje, dat los van het linker bouwdeel staat en de vreemde situering van de ramen in de kopse gevel ten opzichte van die in de zijgevel van het meest rechtse bouwdeel. Het is vermakelijk om te zien dat op vier verschillende, latere kopieën van Stellingwerfs weergave van Palenstein deze „fouten" gecorrigeerd zijn. Deze vier 18e- en 19e-eeuwse navolgingen zijn ook in het boek afgebeeld. Tegen de tekening van Stellingwerf pleit ook het gegeven dat het huis in 1568 zwaar vervallen moet zijn geweest. De archieven maken geen melding van herstel en tot in de 18e eeuw staat het huis leeg. Als Stellingwerf een oudere tekening heeft gekopieerd of zelf ter plaatse een schets heeft gemaakt, wat ik niet aanneem, dan nog geeft zijn tekening een zeer vertekend beeld. Tenslotte zijn er nog twee andere tekeningen van
De tekening door J. Stellingwerf, die Palenstein in 1569 zou weergeven. Ontleend aan: Hel Huis te Palenstein.
39
Palenstein; één door Abraham Rademaker, de ander door Andries Schoemaker (en niet door Cornelis Pronk, zoals het onderschrift foutief vermeldt; het gaat hier om een kopie van Schoemaker naar Pronk). Op deze tekeningen is echter niet het „kasteel" zelf afgebeeld, maar een bijgebouw met een deel van de tuinmuur. Helaas moeten we dus concluderen dat van het Huis te Palenstein vermoedelijk geen enkele afbeelding bewaard is gebleven, zo die er al geweest zou zijn. Waarschijnlijk was Palenstein in de 16e eeuw en later te onaanzienlijk om af te beelden. Een niet al te groot ruïneus huis, gelegen binnen een omgrachting, veel meer stel ik mij van het toenmalige Palenstein niet voor. Het maakt het huis er natuurlijk niet minder interessant om. Hoofdstuk 5: De Opgraving. Eén van de allermoeilijkste dingen bij de publicatie van de resultaten van opgravingen (en van bouwhistorisch onderzoek) is het „zichtbaar" maken van de verschijnselen, hun samenhang en ontwikkeling voor mensen die het werk niet ter plaatse gezien hebben. Wil men het gecompliceerde verhaal van een opgraving duidelijk aan de lezer overbrengen, dan moet hij zo min mogelijk hindernissen op zijn weg door een publicatie vinden. Goede foto's en heldere tekeningen zijn, met en naast een beschrijving, een eerste vereiste. Voldoet het verslag van de opgraving van Palenstein aan deze eisen? Maar gedeeltelijk. Ik geef onmiddellijk toe dat het niet eenvoudig is de resultaten van een noodgedwongen versnipperd onderzoek helder voor het voetlicht te brengen. Het volgende moet dan ook vooral als opbouwende kritiek gelezen worden. De lay-out is helder en overzichtelijk, de afbeeldingen in het algemeen van goede kwaliteit. Het taalgebruik is aangenaam eenvoudig, hoewel er soms wel erg veel zeer korte zinnen achter elkaar voorkomen. Dat werkt op den duur vermoeiend. Het ontbreken van foto's van de opgraving, die meer dan tekeningen - een driedimensionaal beeld kunnen geven, kan aan de aard van het onderzoek gelegen hebben. Des temeer is het noodzakelijk de tekeningen zo „didactisch" mogelijk te presenteren. Dat kan door de individuele tekeningen zo leesbaar mogelijk te maken, door bijvoorbeeld begrippen of aanduidingen die in de tekst gebruikt worden, ook op de tekeningen te laten terugkeren. Zo zou het de lezer veel gemakkelijker gemaakt zijn als men zich op de overzichtsplattegrond niet beperkt had tot een noordpijl en het woord Dorpsstraat als enigje oriëntatiepunten. Periodisering door verschillende arcering zou het beeld bovendien aanzienlijk verduidelijkt hebben.
40
Ook de onderlinge samenhang in de presentatie van de opgravingstekeningen verdient de nodige aandacht. Vergelijkbaarheid is daarbij een belangrijke voorwaarde. Gelijkheid van schaal bij vergelijkbare tekeningen is een vereiste. De schaal van de meeste tekeningen van de opgraving van Palenstein moet afgeleid worden uit het voorkomen van de coördinaten. Daarbij blijkt dat afbeeldingen 5.2, 5.9, 5.10 en 5.11 twee maal zo groot als 5.3 en 5.4 zijn weergegeven, afbeelding 5.1 geen standaardverkleining heeft (maar ook geen schaalstok), evenmin als 5.7, die bij nameting dezelfde schaal als 5.1 blijkt te hebben (maar waarom zijn de gereconstrueerde muren daar ineens veel dikker?). Onderschriften en legenda dragen in hoge mate bij tot een beter begrip van de tekeningen. Als onder afbeelding 5.4 medegedeeld wordt dat daarop sporen te zien zijn „die dateren uit de kasteelfase en later", zou die periodisering op de tekening te zien moeten zijn en in legenda verklaard worden. Nu is het enige verschil dat aangegeven wordt dat tussen baksteen en hout en dat feit moet men uit de legenda van afbeelding 5.6 op de volgende bladzijde halen. Dat op tekening 5.4 ook de sporen „die dateren van vóór de kasteelfase" (afb. 5.3) zonder onderscheid met de rest getekend staan, maakt de zaak wel heel verwarrend. Dat het gehele opgravingsterrein uit „grachtvulling" zou bestaan, lijkt wat onwaarschijnlijk, al zou men dat moeten concluderen uit het wit gelaten derde blokje van de legenda van afb. 5.6. Zou het wellicht een idee zijn voor de AWN een cursus over het publiceren van opgravingen te geven? Ik denk dat auteurs en lezers daar veel gemak van zouden kunnen hebben. Laat mij voor alle zekerheid nogmaals zeggen dat ik in principe grote bewondering heb voor de tijd en energie die mensen - en zeker „amateurs" in het publiceren van opgravingen steken en dat de bovenstaande kritische opmerkingen slechts dienen als punten om bij het uitgeven op te letten. Hoofdstuk 6: Het aardewerk. Bij de bespreking van dit hoofdstuk betrek ik meteen de achter in het boek opgenomen „Catalogus van aardewerk". Om te beginnen: er heeft zich in het notenapparaat een kleine ramp voorgedaan. De tekst heeft 49 noten, in de lijst met noten staan er 51. Na uitvoerige raadpleging van de bibliotheek ben ik erachter gekomen dat de noten 8 en 14 uit de lijst niet in de tekst staan, zodat daar de noten 8 t/m 12 gelezen moeten worden als 9 t/m 13 en de noten 13 t/m 49 als 15 t/m 51. Van de missende noten hoort 8 waarschijnlijk geheel onder aan pagina 64 en 14 aan het eind van de vijfde alinea van
de eerste kolom van pagina 66. Het humeur van de recensent wordt er niet beter op als in de notenlijst vanaf noot 22 geen onderscheid meer gemaakt wordt tussen Janssen 1983a en Janssen 1983b, zodat men aan de paginanummering moet zien welke publicatie men moet opslaan. De in de noten terecht op 1988 gedateerde publicatie van H.L. Janssen over steengoed wordt in afbeelding 6.10 en in de literatuurlijst als 1989 aangegeven. Die literatuurlijst zit trouwens vol met slordigheden, waar ik nu maar aan voorbijga. Over de systematiek van het publiceren van aardewerk uit opgravingen van nederzettingen of grote gebouwen kan men verschillend denken. Aan één voorwaarde moet echter wel voldaan worden: het moet voor de lezer een zekere gebruiksvriendelijkheid hebben. Ik ga u nu een verslag doen van de speurtocht die ik heb moeten ondernemen om een opmerking op pag. 69 te verifiëren. De bedoelde tekst luidt: „Van het Bijnasteengoed zijn naast een complete (bier?)kan slechts enkele scherven gevonden. Deze kan is te dateren rond het tweede en derde kwart van de 14e eeuw26 (108-678-1)." Nu is het de datering die enige verwondering wekt en daarom wil men weten waar de auteur zijn wijsheid vandaan heeft. Eerst dus opgezocht waar 108-678-1 zich bevindt. Vermoedelijk op afb. 6.6., derde van links op de foto en op afb. 6.9 geheel links. De bijschriften vermelden echter geen nummers. Dan dus naar de catalogus. Dat wordt even zoeken achter in het boek, want de catalogus bestaat uit een afdeling aardewerk en een afdeling steengoed, die ieder weer onderverdeeld zijn in vindplaatsen van de opgraving. Aangezien we in het onderhoofdstukje „De ophogingslagen onder Palenstein" in het hoofdstuk „Steengoed" bezig zijn, komt „Ophogingslaag, 1325-1375" in aanmerking. Daar vinden we op pag. 146 - naast drie andere kannen - onder „b" een keurige tekening van een laag kannetje met nummer 108-678-1. Verbazingwekkend is, dat alle vier afgebeelde kannen als „steengoed" beschreven worden, terwij bij 108-678-1 toch expliciet vermeld werd dat het om bijna-steengoed ging, een voor de datering wezenlijk verschil. Gelukkig is er een literatuurverwijzing, die wat uitgebreider is dan die onder noot 28 (= 26 in de tekst!). Het is H.L. Janssen 1983b, 200/9.5 (de noot volstaat met Janssen 1983,200). Welaan, Janssen uit de kast gehaald: op pag. 200 staat afbeelding 9 en onder nr. 5 is een bijna-steengoed kruikje van het type dat in Palenstein gevonden is, afgebeeld, dat in het onderschrift gedateerd wordt in XIVA, wat het eerste en tweede kwart van de 14e eeuw betekent! Hoewel het een goed idee is de catalogus per „verschijnsel" in te delen, zet ik een vraagteken bij de splitsing van steengoed en aardewerk
in aparte hoofdstukken. Het liefst had ik bovendien - net als bij de andere groepen materialen gebeurd is - alle keramiek meteen in of onmiddellijk achter het betreffende hoofdstuk opgenomen gezien. De reden voor een en ander zal wel de te grote betekenis zijn die mijns inziens aan de vondsten van aardewerk wordt gehecht. Vooral als indicator voor welvaart wordt het, dunkt me, ernstig overschat. Als middel voor datering van verschijnselen blijft het van groot belang, terwijl er ook handelskontakten mee vastgesteld kunnen worden. Hoofdstuk 7: Tabakspijpen. In 1573 wordt het roken van tabak in Europa voor het eerst vermeld. In de openingsalinea van hoofdstuk 7 van Palenstein komen de volgende zinnen voor: „Helaas komen kleipijpen in Nederland pas vanaf circa 1600 voor. De pijpen die bij Palenstein zijn gevonden, dienen dan ook vooral om de „nieuwe tijd" van het kasteeltijdperk in te kleuren". Moet ik hieruit nu afleiden dat elders (in Europa?) bijvoorbeeld laat-middeleeuwse tabakspijpen te vinden zijn? We zullen er maar niet van uitgaan. In het „Uitgeleide" komt er een (eind)redactioneel probleem aan de orde. De auteur constateert hier een hiaat in het voorkomen van pijpen tussen 1690 en 1715. Nu kan dat bij een dergelijke korte periode natuurlijk gemakkelijk door het geringe aantal van de gevonden pijpresten veroorzaakt zijn, hoewel die mogelijkheid niet expliciet genoemd wordt. Wel wordt de suggestie gedaan dat er een bewoningshiaat tussen 1690 en 1715 is geweest, wat dan „uit ander vondstmateriaal of archiefonderzoek moet blijken". Het eerste lijkt mij volstrekt onmogelijk: als er één categorie vondsten scherp te dateren is, zijn het wel kleipijpen. Bij de beantwoording van de tweede vraag is simpele raadpleging van p. 27 van het boek voldoende: „In deze tijd werd Palenstein bewoond door Beatrix Huyberts, de weduwe van schout Adriaan Hendriks van Broekhoven. Uit een eerder huwelijk had Beatrix een dochter, Jannetje van Zwieten Jansdr. Zij trouwde in 1674 met Teunis Jeroensz van Cappel. Dit paar, en later hun kinderen, woonde ook lange tijd op Palenstein. Pas in 1733 verhuisden ze". Misschien was Teunis Jeroensz een niet-roker, maar Palenstein was bewoond en deze vraag had, bij oplettendheid van de (eind)redacteuren, niet gesteld hoeven te worden. Het hele probleem van het hiaat zal dus wel in de geringe hoeveelheid materiaal en de slechts gedeeltelijke opgraving van het complex zitten! In plaats van een lang en onnodig verhaal over Antonius van Padua had de auteur bij het bespreken van een versierde, in Gouda gemaakte
41
pijp(ekop) uit 1733-1819 beter kunnen vermelden dat het plaatsje Kevelaer, dat erop vermeld staat, een befaamd pelgrimsoord was (en is) en dat de eigenaar van het rookgerei dan ook wel katholiek zal zijn geweest. Niet zo verwonderlijk als men weet dat de katholieke familie Osy in de periode dat de pijp gemaakt kan zijn, op Palenstein de scepter zwaaide. Dat de ontkerstening zo zijn culturele schade berokkent, blijkt uit de beschrijving van de afbeelding op de ketel van deze pijp als „een vrouw met kind", terwijl zij beiden toch namen hebben, namelijk Maria en Jezus; Madonna met Kind had eveneens gemogen. Ook de „mansfiguur", die dan tenminste nog als Antonius van Padua herkend wordt, heeft het Christuskind op zijn arm. Hoofdstuk 8: De metaalvondsten. Gelukkig had het vorige hoofdstuk maar één noot, zodat daar niets mee kon misgaan. Bij hoofdstuk 8 - met wel 13 noten - is het weer geheel mis. U mag het ditmaal zelf uitzoeken. Wel wil ik erop wijzen dat in de noten 9 en 10 Van Heeringen ten onrechte vermeld staat. Het geciteerde artikel is van J. Gaalman en het staat in een bundel die mede door Van Heeringen is geredigeerd. Bij noot 11 hoort p. 126 te staan. Nog wat ander klein vuil: de ophogingslaag onder de voorhof heeft er ineens aan beide zijden 25 jaar bijgekregen (1300-1400 i.p.v. 13251375). Het nut van een omslachtige redenering om tot de datering „14e eeuw" van het pelgrimsinsigne te komen, ontgaat mij dan ook geheel. Het Leidse lakenlood heeft inderdaad een mooie parallel bij Baart 1977, 115-116. Waarom de auteur dan dat in Amsterdam gevonden loodje in de tweede helft van de 17e eeuw dateert, terwijl Baart XVIIA aangeeft, is hemzelf waarschijnlijk ook niet duidelijk. Evenmin trouwens als de lengte van het laken, dat hij als 35,5 el opgeeft, waar Baart duidelijk schrijft dat de '/: betrekking heeft op de kwaliteit van het laken, namelijk half sajet. De beschrijving van de functie van een vingerhoed vervult me met ontroering. Men zou ook kunnen beschrijven dat schoenen meestal(!) aan voeten gedragen worden. Hoofdstuk 9: Het leer. Mijn verhaal wordt knap eentonig: de noten zijn niet in orde, want er staan twee meer in de lijst dan in de tekst. De lust verging me öm de fouten uit te zoeken. Het zijn er overigens weer 13; zou er iets aan de hand zijn met dat getal? De hoeveelheid gevonden leer is inderdaad opmerkelijk klein. Terecht zijn de auteurs terughoudend met het trekken van conclusies. Des te gedetailleerder is de beschrijving van de vondsten. 42
Hoofdstuk 10: De houtvondsten. De schade is gering: alleen noot 1 en 3 zijn omgewisseld. Ik heb mijn twijfels over de tol. Het lijkt in ieder geval niet op de parallellen die bij Baart 1977 aangehaald worden. Op de foto zonder maatbalkje (er is geen tekening) lijkt hij wel erg rond van onderen, zodat hij meer van een knop met een steel heeft. Ook naar de grootte van het houten ei moeten we enigszins gissen, hoewel de gesuggereerde functie van nep-ei voor een kip wat houvast geeft. Zou het ook een maasei kunnen zijn, of werden er in de 15e eeuw nog geen sokken gestopt? Hoofdstuk 11: Het Botmateriaal. Een uitgebreid hoofdstuk met overzichtelijke tabellen, waar de categorie indetermineerbaar (ondetermineerbaar lijkt me beter) een verrassend hoog percentage bereikt. Erger is het feit dat de twee uit de gracht verzamelde complexen bijeengevoegd zijn. Het is toch een algemeen bekend feit dat juist de verspreiding van botmateriaal in een gracht aanwijzingen kan geven voor de functies van aanpalende vertrekken. Vooral na het vurig en geleerd pleidooi voor de zoö-archeologie aan het begin van het hoofdstuk is dat wat verwonderlijk. Geleerdheid bestaat overigens niet uil: het nodeloos gebruik van moeilijke woorden, zoals differentiële verwering; en wat moet ik me in hemelsnaam bij deze zin voorstellen: „Het botfragment van de muisachtige is waarschijnlijk een gevolg van thanatocoenose". Zelfs mijn „moeilijke woordenboek" bracht geen uitkomst, maar het betekent volgens de auteur dat het beest gewoon dood is gegaan. Aan de andere kant staan ontroerende mededelingen, zoals: „De haas kan gejaagd of gestroopt zijn" en: „De kat is waarschijnlijk ook een huisdier geweest en misschien als muizenvanger gehouden. De kat kan per ongeluk in de gracht terecht zijn gekomen of er na zijn dood zijn ingeworpen". Hoofdstuk 12: Zaden en pitten. Gelukkig wordt in dit korte hoofdstuk beknopt en zinnig verslag gedaan van de resultaten van het zeven van een groot monster uit de noordgracht. Hoofdstuk 13: Overige vondsten. Behandeld worden pijpaarden beeldjes, spinsteentjes en dakleien. Een wat wonderlijke redenering vindt plaats naar aanleiding van een - door de auteur kennelijk als verouderd opgevatte opmerking van Hoogewerff (waarom nu ineens geen noten meer, maar verwijzingen vanuit de tekst?) dat het vervaardigen van pijpaarden beeldjes een lokale industrie was. Onmiddellijk
daarop noemt hij dan een aantal lokale industrieën op (Delft, Deventer, Den Haag, Kampen en Leiden) om pas een eindje verder Utrecht als exportplaats te noemen. Kortom, het ene is waar en het andere ook: sommige plaatsen zullen voornamelijk voor de lokale markt geproduceerd hebben, andere ook voor de export. Bij het verhaal over de leien daken kan nog opgemerkt worden dat een dergelijk dak ook erg duur was, omdat dat het maken van een volledig dakbeschot nodig maakte. Hoofdstuk 14: Palenstein nader beschouwd. Dit hoofdstuk geeft de synthese van wat in de voorgaande hoofdstukken aan de orde is gekomen. Hierin komen reconstructieplattegronden van de verschillende fasen van Palenstein voor, die ik graag - voor beter begrip - al bij het hoofdstuk over de opgraving gezien had. Interessant is de poging van de auteur Palenstein een plaats te geven in het Zuidhollandse kastelenlandschap, door het te vergelijken met Kenenburg, Dever en Altena. Toch is daar wel wat op aan te merken. Altena en Palenstein zouden door hun zeer geringe verdedigbaarheid eerder tot de zogenoemde moated sites of „begraven hofsteden" gerekend kunnen worden (zie bijvoorbeeld H. L. Janssen, The archaeology of the medieval castle in the Netherlands. Results and prospects for future research. In: J. C. Besteman et al. (red.), Medieval archaeology in the Netherlands. Assen/Maastricht, 219-264). Kenenburg heeft zeker meer allure nagestreefd en de toren van Dever met zijn twee meter dikke muren en „schietgaten" is toch werkelijk verdedigbaar geweest. Het moet met zijn stenen gewelven een vrij kostbaar gebouw geweest zijn. Mijn kennis van Hollandse adellijke families schiet tekort om te kunnen beoordelen of de ene hoger in de hiërarchie zat dan de andere. Wel is
duidelijk dat - zeker in de tijd van Hoekse en Kabeljauwse twisten - het fortuin van families nogal eens op en neer ging. En dat heeft zijn invloed op de schaal van hun bouwactiviteit gehad. Wat nu te denken van het boek „Het huis te Palenstein in Zegwaart"! Uit het bovenstaande zou men wellicht een negatieve indruk kunnen overhouden. Laat mij dan wederom zeggen dat ik te allen tijde diepe bewondering heb voor mensen die de moed hebben aan een publicatie te beginnen. Destemeer als die publicatie kort na het beëindigen van het onderzoek verschijnt: in 1992 het laatste onderzoek, in 1993 het uitkomen van het boek. Ook de gedrevenheid van redacteuren en auteurs is duidelijk: het boek moet af, deadlines zijn gesteld, de openingsdatum van een begeleidende tentoonstelling is afgesproken. Het is vermoedelijk de daardoor ontstane tijdsdruk die het boek schade berokkend heeft. Er was geen tijd stukken even weg te leggen en ze daarna nog eens door te (laten) lezen, correcties werden haastig uitgevoerd (er staan overigens lofwaardig weinig drukfouten in het boek!). Waarom dan toch op de feilen gewezen? Ik zal het maar bekennen: uit didactische overwegingen! Ik hoop dat er nog veel boeken in de trant van Palenstein mogen verschijnen en ik zou blij zijn als een paar van mijn opmerkingen daarbij van nut konden zijn. Zakelijke kritiek in een bespreking zal - in mijn opvatting - slechts kwaliteitsverhogend kunnen werken. Robert van Lit (hoofdstukken 1 - 4) T. J. Hoekstra (hoofdstukken 5-14) P.S. Een verbeterde notenlijst is gratis aan te vragen bij het Historisch Genootschap Oud Soetermeer, Dorpsstraat 7, 2712 AB Zoetermeer, tel. 079-164735.
Literatuursignalement Nehalennia afl. 95 en 96, 1993: Afl. 95 is geheel gewijd aan het thema: „Archeologie in Zeeland". Zij bevat de teksten van de lezingen, gehouden op de achtste Historische Studiedag van de Werkgroep Historie en Archeologie te Middelburg. De inbreng van Vlaamse sprekers was aanzienlijk. Onderstaande opsomming van de bijdragen vormt daarvan een illustratie: J. Bourgeois en J. Semey. Uit de lucht speuren naar archeologische sporen. Luchtfotografie in Vlaanderen en Zeeland.
J. Geerlink. Archeon. H. Thoen. Maldegem-Vake en Aardenburg, Romeinse verdedigingswerken. R. M. van Heeringen. Burgen, een fenomeen uit de 9e eeuw in Zeeland. B. Hillewaert. Vreemde eenden in de bijt: importaardewerk in de Zwinstreek. A. D. Vos. Archeologie onder water. Hoewel aflevering 96 thematisch niet aan de Zeeuwse archeologie is gewijd, is het aandeel er
43
van in de opgenomen bijdragen groot: L. Goldschmitz en D. Roos. Vondst van een archeologisch waardevol wrakrestant. Stille getuige van een dramatisch einde. R. M. van Heeringen. Archeologisch Nieuws 1992. J. J. B. Kuipers. „De Tempel" bij Zaamslag (een voormalige vestiging van de Tempelieren). Nieuwsbrief Archeologische Vereniging Breda 7, 1993, 3, pp. 2-5: F. de Roode. Archeologisch onderzoek in en bij de Kloosterkazerne. Een overzicht in hoofdlijnen van de eerste fase van het grootscheepse onderzoek naar de resten van het Catharinaklooster, de stadsorriwalling en de 17e-eeuwse militaire barakken. Inmiddels is de tweede fase van het onderzoek in volle gang. Nu staan het hoofdgebouw van het klooster en de middeleeuwse begravingen centraal. Jaarverslag Archeologische Werkgroep Rijswijk 1992: In dit jaarverslag treft men, naast datgene wat des jaarverslags is, twee uitgebreide beschrijvingen aan van verricht archeologisch onderzoek in de verslagperiode en wel naar: 1. de resten van de 14e-eeuwse voorburcht van het kasteel te Blotinghe en de 15e-eeuwse herbouw van het kasteel, en 2. de resten van de voorburcht van het Huis te Werve. Antiquity 67, 1993, nr. 255, pp. 439-445: R. Knoop. Public awareness and archaeology: a task for the voluntary sector. Een warm pleidooi voor een grotere betrokkenheid van de (organisaties van) amateur-archeologen bij het beheer en de bescherming van het cultureel i.c. archeologisch erfgoed. Archeologie is te belangrijk om overgelaten te worden aan ambtenaren, politici en wetenschappers. Het beheer en de bescherming van het archeologisch erfgoed vormen een uitdaging aan de gemeenschap in haar totaliteit. Voor de amateur-archeologen - als vertegenwoordigers van die gemeenschap - is een gewichtige taak weggelegd bij de behartiging van de belangen van dit erfgoed. Spiegel Historiael 28, 1993, 9, pp. 350-355: A. Pol. Schatten van het Vliegend Hert. In 1735 vergingen in de monding van de Schelde twee VOC-schepen: de Anna Catharina en het Vliegend Hert. De ladingen gingen verloren, onder meer een grote hoeveelheid goud- en zilvergeld ter waarde van 133.000 toenmalige guldens. Vanaf 1982 hebben duikers vele schatten naar boven gebracht, waaronder een groot aantal dozen met munten, die niet vermeld stonden in de 44
verzendpapieren, hetgeen op smokkel wijst. Tot nu toe heeft men drie ongeschonden VOC-geldkisten geborgen en ongeveer 5200 van de 6000 geregistreerde gouden munten. De goudstukken zijn nauwelijks aangetast, de zilverstukken zijn daarentegen sterk aangevreten. Archeologie in Limburg 57, september 1993: De hoofdschotel wordt gevormd door een doorwrocht artikel van J. P. de Warrimont en A. J. Groenendijk. 100 jaar Rullenvuursteen: een kleurrijke vuursteensoort nader bekeken. In het Belgisch-Nederlandse grensgebied ten zuidoosten van Maastricht bevindt zich een aantal vuursteenateliers. De ontgonnen vuursteen behoort tot twee vuursteengroepen: Ryckholt- en Rullenvuursteen. De twee auteurs presenteren een determinatiemethode, gebaseerd op cortex-, kleuren randkenmerken, die ook op andere vuursteensoorten kan worden toegepast. F. Engelen geeft een impressie van de resultaten van het archeologisch onderzoek van de kasteelruïne Pietersheim te Lanaken. W. Hendrix herdenkt de onlangs overleden pater Munsters (1906-1993), die zich als historicus en archeoloog tientallen jaren intensief met het verleden van Limburg heeft beziggehouden. Ook in Brabants Heem 45, 1993, 2 wordt een onlangs overleden archeoloog herdacht: Gerrit Beex (1912-1993), de autodidact die tenslotte provinciaal archeoloog van Noord-Brabant werd. Nico Arts wijdt een lezenswaardig artikel aan hem. Indrukwekkend is de opsomming van opgravingen en publicaties. Een welbesteed leven! Arno Verhoeven geeft in „Vroegmiddeleeuws aardewerk in de Kempen" een zeer welkom overzicht van het aardewerk, dat tussen 600 en 1050 in zuidoost Noord-Brabant (onder meer in Dommelen en Geldrop) in omloop is geweest. Vervolgens wordt gekeken naar overeenkomsten en verschillen met het aardewerk uit omringende gebieden. Spiegel Historiael 28, 1993, 10: W. Groenman-van Waateringe. De archeologische betekenis van de man uit het Ötztaler ijs (p. 393-397). De vondst, in 1991, van de man van het Hanslabjoch in het gletsjerijs van de Ötztaler Alpen, heeft heel wat (pennen en anderszins) in beweging gebracht. Een Egyptische mummie, door Reinhold Meisner in het Tiroler hooggebergte gedeponeerd? (p. 398-399). Het wetenschappelijk onderzoek is nog lang niet afgerond, maar uit de beschikbare gegevens kan de „echt"heid van de vondst worden afgeleid. Misschien gaat het om een herder, die - omstreeks 3200 v.Chr. - zijn
dieren had laten grazen op de vette Alpenweiden en op de terugweg was naar zijn nederzetting. E. Ch. L. van der Vliet. Het verloren verleden van het ruimtevaarttijdperk (p. 418-423). De teneur van de boeken van schrijvers als Velikovsky, Von Daniken, Charroux, Kolosimo e.a. is steeds dezelfde. De traditionele wetenschappelijke (door de archeologie gedicteerde) voorstelling van het verre verleden van de mensheid is fundamenteel onjuist, omdat zij voorbijgaat aan allerlei alternatieve verklaringsmogelijkheden. Wetenschappelijke waarde hebben deze boeken volgens de schrijver niet, maar ze zijn cultuurhistorisch interessant vanwege hun onorthodoxe interpretaties. Met Gansen Trou 43, 1993, 9, p. 150-152: F. Somers. Archeologica uit de collectie van Bertus van Gestel. Jarenlang geduldig zoeken in de Drunense Duinen leverde een fraaie collectie vuurstenen artefacten op uit Jong-Paleolithicum (Tjongerien) en Mesolithicum. Een tweede groep vondsten uit de collectie is verrassend, want tamelijk onverwacht: Romeinse en vroegmiddeleeuwse vondsten uit de omgeving van Heesbeen, onder meer een fraai versierde bronzen haarpen. Bulletin KNOB 92, 1993,3 is gewijd aan de dendrochronologische datering van monumenten. A. van Drunen levert een bijdrage over een aantal Bossche gebouwen waarvan, in het kader van bouwhistorisch onderzoek, het bouwhout dendrochronologisch is gedateerd. Veel dateringen komen uit op 1463, het jaar van een grote stadsbrand in 's-Hertogenbosch. D. J. de Vries vervolgt zijn reeks bijdragen over dendrochronologische datering van Nederlandse monumenten, ook hier gerelateerd aan bouwhistorische gegevens. Een groot aantal monumenten passeert de revue. Scarabee 1, 1993, 6 (sept.-okt.) maakt, qua vormgeving, een aantrekkelijke indruk. Vervanging van het archaïserende lettertype voor de „kopjes" door een wat strakker lettertype zou het totaalbeeld, in mijn ogen, wat evenwichtiger maken. Tot zover de „uit"houd. Nu de inhoud. De klassieke archeologie is vertegenwoordigd met bijdragen over Egyptische koningsmummies (M. J. Raven), rituele doding van mensen op Kreta (Th. Toebosch) en een nieuwe speurtocht naar het Ithaka van Odysseus (K. Steehouwer). Het omringende buitenland komt aan bod in een bijdrage over Romeins Tongeren (K. Steehouwer). En wat het binnenland betreft: dat de nieuwe presentatie van de Neder-
landse archeologie in het RMO opvallend present is, zal niemand verbazen (I. Geraerdts). Maar ook het na 60 jaar „hernomen" onderzoek naar de Romeinse nederzetting op Ockenburgh bij Den Haag eist de aandacht op (E. van Ginkel). Verder berichten uit binnen- en buitenland en een aantal vaste rubrieken (onder meer Archeon). O. van den Arend. Zeven lokale baljuwschappen in Holland. Hilversum, Verloren, 1993. 496 pp. (Middeleeuwse studies en bronnen XXXV). In deze interessante rechtshistorische studie - tevens proefschrift - wordt in hoofdstuk 6 uitvoerig aandacht geschonken aan het verschijnsel begraven hofstad (pp. 327-377), voornamelijk in het Westland. De schrijver vat het begrip op als een overkoepelende term voor iedere omgrachte boerderij/verdedigbare woonplaats. De bewoner behoorde tot de weigeborenen, met de daarbij behorende rechten en plichten. Er wordt door de schrijver uitvoerig gebruik gemaakt van de resultaten van het bewoningsonderzoek op archeologische grondslag. RAAP Nieuwsbrief 1993-3: In deze Nieuwsbrief worden in kort bestek de resultaten van twee archeologische karteringen beschreven. De eerste kartering vond in opdracht van de AWN en met subsidie van de provincie Utrecht plaats in een gebied tussen Utrecht en Harmelen. Er werden 47 „nieuwe" vindplaatsen aangeboord, voornamelijk op de stroomruggronden van de Oude Rijn. Zij dateren van Bronstijd tot Late Middeleeuwen. Een tweede veldverkenning vond plaats in opdracht van de gemeenten Beverwijk en Heemskerk in de Broekpolder. Ook hier veel nieuwe vindplaatsen, twaalf in getal, uit Late Ijzertijd en Romeinse tijd. Zij maakten, blijkens booronderzoek, deel uit van één groot nederzettingsterrein. De NJBG bestond in 1993 35 jaar. Met een aardig boekje, getiteld NJBG 1958-1993 (48 pp.) werd dit zevende lustrum gevierd. Mensen van het eerste uur, H. Dijkstra, F. C. J. Ketelaar en A. G. van der Steur, halen herinneringen op. En de „vader van de NBJG", prof. J. G. N. Renaud, vertelt op amusante wijze over een „graaflustig volkje". Vervolgens passeren de jaren zeventig en tachtig de revue. Er treedt een, mede door de omstandigheden voorgeschreven, verzakelijking op. Heden en toekomst dienen in het teken te staan van verdergaande professionalisering. Aldus heeft WVC beschikt Het boekje is voor ƒ 10,- (excl. porto) verkrijgbaar bij: Bureau NJBG, Prins Willem Alexanderhof 5, 2595 BE Den Haag, tel. 070-3476598.
45
Vormen uit vuur 1993/3, nr. 150, p. 2-10: N. Roymans en T. van Rooijen. De voorromeinse glazen armbandproduktie in het Nederrijnse gebied en haar culturele betekenis. In 1988 is gestart met een herinvenarjsatie van de Nederlandse voorromeinse glazen armbanden. In 1975 leverde een inventarisatie door Peddemors ruim 300 fragmenten op, thans zijn er niet minder dan ruim 2000 fragmenten bekend. In de oostelijke helft van het Land van Maas en Waal en de aangrenzende Noordbrabantse Maaskant heeft op ruime schaal glasproduktie plaatsgevonden. Een verband met de aanwezige inheemse elite lijkt waarschijnlijk. Omtrent functie en culturele betekenis bestaat verschil van mening. Sieraad? Ruilmiddel? Bevestiging van culturele identiteit? Gelders Erfgoed 1993-5, pp. 18-20: R. R. Datema. De Archeologische monumentenwacht. Zoals men weet, is in 1990 de Stichting Archeologische Monumentenwacht Nederland (AMW) opgericht. De werkzaamheden variëren van periodieke inspectie van tot het verrichten van klein onderhoud aan archeologische monumenten, d.w.z. „overblijfselen van wonen, werken, religie, strijd en sterven van vroegere samenlevingen". Gelderland telt vele honderden archeologische monumenten, voornamelijk grafheuvels. Veel van deze monumenten dreigen tussen wal en schip te raken, omdat wel de bescherming, maar niet het onderhoud bij de wet is geregeld. Nieuwsbrief Monumentenzorg en archeologie in Gouda 5, okt. 1993: In de Keizerstraat zijn, bij een opgraving, de resten van een 16e-eeuws huis gevonden. Archiefonderzoek zal moeten uitwijzen, wie hier heeft gewoond. Onder deze resten bevonden zich de funderingen van een huis uit de 14e eeuw. Tot de vondsten behoren leerresten, dierlijk bot, houten en benen voorwerpen en aardewerk, onder meer een 14e-eeuwse voorraadpot van grijs, ongeglazuurd aardewerk. Westlands Streekhistorie 2, 1993, 8,' p. 3: H. Groenewegen Bzn. De Broekboomgaard in Naaldwijk. In 1446 stond op een locatie, aangeduid als „de Bruyck Bogart" (d.w.z. boomgaard gelegen in broekland) een kasteel, waarvan de naam onbekend is. In 1947 zijn, bij een opgraving, fundamenten blootgelegd en vervolgens weer toegedekt. Mogelijk heeft in dit kasteel in de 14e eeuw de schout van Naaldwijk gewoond. J. G. M. Stoel. Herwonnen historie. Geschiedkundige en archeologische bijdragen over de ge-
46
meente Arcen en Velden. Met een inleiding van A. J. Geurts. Velden, Historische Werkgroep Arcen-Lomm-Velden, 1993. 69 pp. (Cahiers van de Historische Werkgroep Arcen-Lomm-Velden; nr. 23). Prijs ƒ 12,50 (excl. portokosten). Te bestellen bij: mevr. J. Stoel, Maasveldstraat 1, 5943 AT Lomm. Wat inzet, vasthoudendheid, kennis en kunde, in één persoon verenigd, voor de bestudering van het verleden van een gemeente kunnen betekenen, wordt in deze bundel van de hand van mevr. Jo Stoel op overtuigende wijze geïllustreerd. Lang voordat zij in 1981 bovengenoemde werkgroep oprichtte, hield ze zich al, gravend in de bodem èn in de archieven, met de historie van „haar" dorpen bezig. Deze jubileumbundel, verschenen bij gelegenheid van het 12'/2-jarig bestaan van de Historische Werkgroep, geeft een goede indruk van haar veelzijdige belangstelling. De bijdragen zijn gebundeld in drie categorieën: Graven in het verleden - Kerkgeschiedenis Rondom kasteel Arcen. In eerstgenoemde categorie terecht: „Leven met de geschiedenis. Autobiografische aantekeningen". Nieuwsbrief Archeologische Vereniging Breda 7, 1993, 4: In deze aflevering onder meer bijdragen van Hans de Kievith, Wim Hupperetz en Alex Schut over archeologisch, bouwhistorisch en archivalisch onderzoek naar het verleden van de huizen Catharinastraat 18-28 (16e eeuw) en het huis De Drie Moren (15e eeuw) in Breda. Verder een levendig geschreven eerste aflevering van een verslag, door Yolanda de Bree, van de door de AWN georganiseerde reis door Noordwest-Rusland. Onlangs zijn drie deeltjes verschenen in de reeks Archeologische routes in Nederland, te weten: 2. W. Luys. Swalmen (fietsroute). 32 pp. 3. E. van Ginkel en A. Carmiggelt. Borger (fietsroute). 36 pp. 4. E. van Ginkel en A. Carmiggelt. Rolde (wandelroute). 32 pp. De fiets- en wandelroutes, waarbij bovengenoemde gidsjes de begeleidende informatie leveren, maken deel uit van een TRAP: een Toeristisch Recreatief Archeologisch Project. In samenwerking met regionale instellingen heeft de ROB deze routes uitgezet in gebieden waar veel archeologische en andere cultuurhistorische monumenten dicht bij elkaar aanwezig zijn. Dat de keuze op Borger en Rolde zou vallen, ligt voor de hand. De schrijvers zijn er knap in geslaagd om in hun inleidingen met andere woorden hetzelfde te zeggen. Er is één accentverschil: rond Borger ligt de nadruk op hunebedden, bij Rolde
op grafheuvels. Swalmen is een verrassender, maar zeer terechte keuze. Meermalen heb ik dit tamelijk onbekende, maar prachtige stukje Nederland doorkruist. De boekjes zijn voor ƒ 6,- verkrijgbaar bij plaatselijke VVV's en boekhandels en door overmaking van ƒ 9,- (ƒ 6,- + ƒ 3,- verzendkosten) op girorekening 4792702 t.n.v. de Joan Willems Stichting te Amersfoort, onder vermelding van „1 x Swalmen" (resp. Borger en Rolde). A. van Sprang. Wat aarde bewaarde. Uit de voorgeschiedenis van Ermelo en omgeving. Ermelo, 1993. 108 pp., 135 foto's, 32 tekeningen. Prijs ƒ 35,- (incl. porto), vooruit te voldoen op bankrekening nr. 47.15.75.992 van de ABN/AMRO Bank te Ermelo (girorekening 55099), ten name van de auteur. Gedurende tientallen jaren heeft Van Sprang, in de vorm van opgravingen, verkenningen en waarnemingen, een bijdrage van onschatbare waarde geleverd aan de archeologische kennis van de Noordwest-Veluwe. De nadruk heeft daarbij vooral op de prehistorie, met name het Neolithicum, gelegen. Geen wonder, want dit gedeelte van de Veluwe is rijk aan vondsten uit die periode. Maar zijn belangstelling ging ook uit naar de Bronstijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen. In de Gemeentelijke Oudheidkamer, waarvan hij conservator is, zijn al deze perioden vertegenwoordigd. Wij, (amateur-)archeologen, mogen ons gelukkig prijzen dat Van Sprang zijn kennis van vindplaatsen en vondsten uit zijn omgeving in deze overvloedig geïllustreerde publicatie heeft neergelegd. De Gelderse Archeologische Stichting, de gemeente Ermelo en het Anjerfonds leverden een financiële bijdrage om de uitgave mogelijk te maken.
Literatuursignalement AWN-afdelingsorganen Grondspoor (afd. 3, Zaanstreek e.o.), nr. 109, jan. 1994: C. J. van Roon. De Zaanse Schans. Het Profiel (Afd. 5, Amsterdam e.o.), dec. 1993: J. van Oostveen. Chinees uit Amstelveen. P. Hoogers. De Pastorie (te Diemen). Dl. 3. Renus (afd. 6, Rijnstreek), 1994-1: P. J. M. van Baar. Het zuidelijk rioolgemaal aan de Geregracht. Kwadrant (Afd. 7, Den Haag e.o.), 11, 1993, 4:
P. Stuurman. Aardewerk met streepbandversiering uit de omgeving van Den Haag: oude vondsten in een gewijzigd perspectief. Deel 1. M. Hulscher. Dag Huis: voorlopig verslag van bouwhistorisch onderzoek aan de Loosduinse Hoofdstraat. A. Bakels. Wassenaar/Valkenburg: Ommedijkse polder/Valkenburgse Meer. Terra Nigra (Afd. 8, Helinium), nr. 128, sept. 1993: J. P. ter Brugge. Een messing hoofdnaald uit de 12e eeuw. P. G. Heinsbroek. Kooiwoning exit. M. A. Struijs. Enkele opmerkingen en aanvullingen op de artikelenserie „De Nederlands Hervormde Kerk te Vlaardingen; een monument gevuld met monumentjes", door P. G. Heinsbroek. Zuidwesterheem (Afd. 10, Zeeland), nr. 7, nov. 1993: L. Goldschmitz-Wielinga. Archeologisch onderzoek op de Oude Stadsweide te Biervliet. Grondig bekeken (Afd. 11, Lek- en Merwestreek), 8, 1993, 4: C. van der Esch. Heiligen uit de grond van de Drievriendenhof; correcties. Zie ook de voorafgaande afleveringen van „Grondig bekeken", jrg. 8, 1993. Artikelenserie over pelgrimsinsignes uit Dordrecht. J. Koonings. Historische gegevens van de Berckepoort en omgeving. C. Lugtenburg en T. Koorevaar. Snippers perkament. Mededelingen (Afd. 14, Vallei en Eemland), 17, 1993, 1: A. van Leeuwen. Opgraving Langenoord. J. Mom. De magie van het vuur. D. Stapert, E. Drenth en J. Hulst. Een bladspits van de Leusderheide. De Hunnepers (afd. 18, Zuid-Salland-IJsselstreek-Oost-Veluwezoom), dec. 1993: M. Groothedde. Archeologisch onderzoek Kuiperstraat-'s-Gravenhof op de terreinen van Huize van de Kasteele en voormalig hotel 's-Gravenhof te Zutphen. Aardewerk (Afd. 23, Flevoland), nov. 1993: W.-J. Hogestijn. Een opzienbarende visie over de ontwikkeling van Schokland in de Late Middeleeuwen. P. Stuurman
47
Agenda Tentoonstellingen Almelo, Museum voor Heemkunde 'Rectorhuis', Korte Prinsenstraat 2: Scherven brengen geluk, bodemvondsten uit Almelo en omgeving. T/m 19 maart. Amsterdam, De Nieuwe Kerk, Dam: Het Rijk der Skythen: uit de schatkamers van de Hermitage. T/m 10 april. Amsterdam, Nederlands Scheepvaartmuseum, Kattenburgerplein 1: Schatten van het Zweedse koningsschip Kronan: de Gouden Eeuw in Zweden en Nederland. T/m 13 maart. Groningen, Volkenkundig Museum Gerardus van der Leeuw, Nieuwe Kijk in 't Jatstraat 104: De horizon van het Westen: de oud-Egyptische dodencultus. T/m 6 augustus. Haarlem, Archeologisch Museum, Grote Markt 16: Vier archeologische verzamelingen: Friederich, Van Greevenbroek, Korf en De Raaf. T/m 1 mei. Leeuwarden, Fries Museum, Turfmarkt 24: Bodemschatten uit Noord-Duitsland. T/m 13 maart. Purmerend, Purmerends Museum, Kaasmarkt 20: Scherven van het verleden. T/m 20 maart.
48
Roermond, Gemeentemuseum, Andersonweg 4: Hernieuwde en uitgebreide opstelling archeologische collectie. Onbepaald. Rotterdam, Museum Boymans-van Beuningen, Museumpark 18-20: Haken en ogen; kledingaccessoires uit de collectie Van Beuningen-de Vriese. T/m 31 juli. Studiedag archeologie en publiek Op deze studiedag gaan diverse sprekers in op de presentatie van archeologische vondsten, de publieksbegeleiding en contacten met de media. Allereerst komt de inrichting van tijdelijke en permanente archeologische exposities aan bod. Ook wordt aandacht besteed aan verschillende manieren om informatie aan bezoekers over te dragen (rondleidingen, educatieve projecten, lesbrieven en toeristische routes). Tenslotte worden de public relations van archeologische verenigingen en werkgroepen behandeld. De studiedag wordt afgesloten met een archeologische excursie in Deventer. Datum: zaterdag 19 maart 1994. Plaats: Stadhuis van Deventer, Grote Kerkhof 4. Tijd: 10.00-16.00 uur. Sprekers: de heer R. R. Knoop van het Archeologisch Informatiecentrum te Leiden, de heer E. van Ginkel van Buro T.G.V. te Leiden, de heer Haytsma van de ROB, de heer Holleman, freelance-journalist. Kosten: Ć’ 35,-. Opgave: Culturele Raad Overijssel, Jacob Catsstraat 25, 8023 AE Zwolle, tel. 038-537527.
Adressenlijst hoofdbestuur en afdelingssecretariaten van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland Hoofdbestuur: Alg. voorzitter: P. K. J. van der Voorde, Laan van Vollenhove 560-bis, 3706 AA Zeist, tel. 03404-50189. Vice-voorzitter: H. Wieringa (afdelingen en regio's), Meyerinksberg 16, 7641 RZ Wierden, tel. 05496-71891. Alg. secretaris: Mevr. W. Diemer, Ch. de Bourbonlaan 21-A, 3062 GB Rotterdam, tel. 0102120548. Alg. penningmeester: J. D. F. Hardenberg, Kagertuinen 63, 2172 XK Sassenheim, tel. 02522-11445, gironr. 577808. Bestuursleden: B. Ch. van Hulst (kampen), Graaf Wigboldhof 4, 3434 SM Nieuwegein, tel. 0340260356. Mevr. S. G. van Dockum (contacten vakwereld), Looierstraat 6, 3582 AR Utrecht, tel. 030-540610. Mevr. M. van Ieperen (educatie), Wiekelhorst 24, 2317 ZJ Leiden, tel. 071-225746. P. V.L. Ritmeester (public relations), Straatweg 76, 3621 BR Breukelen, tel. 0346265593. E r e l e d e n : H. J. Calkoen t (Ere-voorz.), E. H. P. Cordfunke, H. J. van Rijn, P. Stuurman, H. Brunsting, R. van Beek, P. Vons, S. Pos. A l g e m e e n s e c r e t a r i a a t A W N : Postbus 44120, 3006 HC Rotterdam, tel. 0102120548. L e d e n - en a b o n n e m e n t e n a d m i n i s t r a t i e A W N : Postbus 714, 3170 AA Poortugaal, tel. 01890-17451 (tijdens kantooruren). Secretariaten Afdelingen: 1. Noord-Nederland: Mevr. C. Raats-de Kuyer, Paaskamp 16, 9301 KL Roden, tel. 0590818735. 2. Noord-Holland Noord: J. W. Loots, Staeleversgracht 7, 1601 NM Enkhuizen, tel. 02280-18300. 3. Zaanstreek en omstreken: Mevr. A. TrompVeeter, T. Slagterstraat 15, 1551 CG Westzaan, tel. 075-283814. 4. Kennemerland (Haarlem e.o.): Mevr. A. A. van Assema, Lange Begijnestraat 22, 201 1 HH Haarlem, tel. 023-320096. 5. Amsterdam en Omstreken: Mevr. K. H. van
Reenen-Stein, Mr. Sixlaan 13, 1181 PK Amstelveen, tel. 020-6451838. 6. Rijnstreek: Mevr. M. F. van Oorsouw, Geregracht 50, 2311 PB Leiden, tel. 071142189. 7. Den Haag en omstreken: Mevr. R. I. Overvliet, Nieuwe Parklaan 132, 2587 BW 's-Gravenhage, tel. 070-3501983. 8. HeĂźnium (Vlaardingen): M. A. Struijs, Groeneweg 22, 3131 VE Vlaardingen, tel. 010-4342191, overdag 010-2484994. 9. De Nieuwe Maas (Rotterdam e.o): Mevr. J. C. Vos-Kranendonk, Verwersdijk 77, 2611 NE Delft, tel. 015-123443. 10. Zeeland: Mevr. L. C. J. Goldschmitz-Wielinga, Verdilaan 35, 4384 LB Vlissingen, tel. 01184-62142. 1 1. Lek- en Merwestreek: Mevr. C. Lugtenburg, Lyra 60, 3328 NH Dordrecht, tel. 078186819. 12. Utrecht en omstreken: A. Mandersloot, Weegbreestraat 175, 3765 XD Soest, tel. 02155-15589. 13. Naerdincklant (Hilversum e.o.): W. H. Wimmers, Roekenbos 67, 2134 VB Hoofddorp, tel. 02503-31497. 14. Vallei en Eemland (Amersfoort e.o.): A. P. de Boer, Frans Tromplaan 22, 3871 EN Hoevelaken, tel. 03495-34729. 15. West- en Midden-Betuwe en Bommerlerwaard: H. Vroon, Henri Dunantstraat 41, 4024 HX Eek en Wiel, tel. 03449-1956. 16. Nijmegen en omstreken: H. J. A. de Wit, Beukenlaan 38, 6584 CR Molenhoek, tel. 080-584617. 17. Zuid-V eluwe en Oost-Gelderland: Mevr. A. M. Baljet-Peters, Bronbeeklaan 40, 6824 PH Arnhem, tel. 085-643080. 18. Zuid-Salland - Usselstreek - Oost-Veluwezoom: J. de Vries, Vossebeltweg 33, 7431 AS Diepenveen, tel. 05709-1996. 19. Twente: Mevr. F. L. Ruizeveld-de Winter, Zevenblad 42, 7623 CG Borne, tel. 074666891. 20. IJ sseldelta-Vechtstreek: J. Assink, Prins Frederikplein 4, 8019 XB Zwolle, tel. 038216418. 23. Flevoland: J. Eelman, Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad, tel. 03200-51969. 24. Midden-Brabant: J. v.d. Hout, Dintel 92, 5032 CS Tilburg, tel. 013-634913.
Uitgaven van de AWN Ieder AWN-lid ontvangt het tijdschrift Westerheem en het blad van de afdeling waarbij men is aangesloten. De AWN geeft echter meer publicaties uit. De volgende uitgaven zijn nog voorradig:
AWN - monografie 3 J. G. N. Renaud Middeleeuwse
Middeleeuwse ceramiek. Enige hoofdlijnen uit de ontwikkeling in Nederland
Z.p. ('s-Gravenhage) 1976, 123 pp., ill. Deze monografie is nog steeds een standaardinleiding tot de vormenrijkdom van de middeleeuwse ceramiek die bij archeologisch onderzoek kan worden aangetroffen. Leden betalen f 15,—, niet-leden f 20,—.
Archeologische streekbesebrijving
AWN - monografie 4 J. M. Bos Archeologische streekbeschrijving; een handleiding
Z.p. (Vlaardingen) 1985, 158 pp., ill., ISBN 90 71312 01 1 Een onmisbare handleiding voor iedereen die met veldverkenningen of regionale inventarisaties wil beginnen, en voor hen die daar al mee bezig zijn. Enthousiast onthaald in de wetenschappelijke en populaire vakpers. Prijs voor leden f 22,50, voor niet-leden f 27,50.
Oude jaargangen Westerheem
1965 - 1969 (klein formaat) f 12,50 per jaargang; losse nummers f2,50 1970 - 1993 (grootformaat). De prijs perjaargang is gelijk aan de voor het betreffende jaar geldende contributie. Speciale nummers (o.a. Nederzettingsarcheologie in Nederland, Stadskernonderzoek in ontwikkeling, en themanummers over het werk van bepaalde afdelingen) f 8,00 tot f 10,00.
Naaldbanden Westerheem
Iedere band kan twee jaargangen bevatten en kost f 12,50.
Alle prijzen zijn exclusief eventuele yerzendkosten. Bij bestelling van 10 of meer exemplaren geldt een korting van 10%. U dient uw bestellingen te richten aan: AWN-Ledenservice, J. C. Bakker, Neckarstraat 10, 8226 LL Lelystad.
Westerheem "^T'W"
~y
M
V
XLIII-2-1994
AWN
Colofon
Inhoud jaargang 43 no. 2, april 1994
Westerheem is het tweemaandelijks orgaan van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN), Postbus 44120, 3006 HC Rotterdam Lidmaatschap/abonnement f 65,- per jaar Opgave: Leden- en abonnementenadministratie AWN, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal Opzegging vóór 1 december
£. Sprietsma Voorwoord D. van der Kooij Overzicht van de belangrijkste archeologische activiteiten van de afdeling „Rijnstreek" in de jaren 1983-1993 50
Redactie:
Suus Sprey
A. Carmiggelt (hoofdredacteur), Harstenhoekweg 139, 2587 SG 's-Gravenhage P. Stuurman (redacteur literatuurrubrieken), Volendamlaan 1094, 2547 CS 's-Gravenhage (tevens centraal redactie-adres) R. van Lit (eindredacteur), Waalsdorperlaan 9, 2244 BM Wassenaar Mevr. M. F. van Oorsouw (redacteur verenigingsnieuws), Buizerdhorst 17, 2317 DA Leiden
Een opgraving in Alphen aan den Rijn (Julianastraat) 1989/1990
Redactieraad: J. C. Besteman, J. H. F. Bloemers, J. Buurman, H. Groenendijk, R. C. G. M. Lauwerier, D. Stapert, H. Stoepker, L. B. M. Verhart Sluitingsdata kopij: 1 januari, 1 maart, I mei, 1 juli, 1 september en I november Aanwijzingen voor auteurs zijn op aanvraag verkrijgbaar bij de hoofdredacteur Voor inlichtingen over advertenties wende men zich tot de eindredacteur
49
56
Suus Sprey Romeinse gebouwen en een waterleiding in Alphen aan den Rijn
57
Alfred Wassink Romeinse munten en metalen uit de opgraving Alphen aan den Rijn 1989 (Julianastraat)
60
Joanna Aldred Romeins aardewerk uit de opgraving „Couvee", Alphen aan den Rijn
63
B. van den Berg Terra sigillata-stempels
67
C. A. Kalee Versierde terra sigillata uit Alphen aan den Rijn
© AWN 1994. Overname van artikelen en illustraties is slechts toegestaan na voorafgaande schriftelijke toestemming van de redactie
iS. van den Berg
Druk: Seinen's Grafische Bedrijven, De Krim (Ov.)
Alfred Wassink
Vermelding van graffiti uit Alphen aan den Rijn
Was er eigenlijk wel een Romeins castellum in Alphen aan den Rijn?
69
80
83
L. A. den Hollander Middeleeuwse sporen en vondstmateriaal
.88
Tentoonstellingsnieuws
100
ISSN 0166-4301 Wij verzoeken u adresveranderingen door te geven aan de leden- en abonnementenadministratie AWN, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal. Alleen zo bent u gegarandeerd van de toezending van Westerheem.
Op het omslag: Versierde terra-sigillata-scherven uit Alphen aan den Rijn. Zie p. 69 e.v.
Voorwoord Het is een voorrecht voorzitter te mogen zijn van een levendige en actieve AWN-afdeling. De afdeling Rijnstreek, nu al twintig jaar oud, heeft vele opgravingen achter de rug, waar de jonge leden met respect naar kijken en de oudere leden (in termen van duur van het lidmaatschap!) met tevredenheid op terug kunnen zien. Het resultaat van een aantal van die opgravingen werd in Westerheem nummer 5 (september 1983) reeds beschreven. Ook toen heeft onze afdeling, ter gelegenheid van haar tienjarig bestaan, een themanummer van Westerheem gevuld. Dat er sinds die tijd al weer veel gebeurd is, kunt u in dit nummer lezen. Na een korte algemene inleiding over ons werk de afgelopen tien jaar treft u een aantal artikelen aan, gegroepeerd rond de opgraving op het Couvee-terrein aan de Julianastraat te Alphen aan den Rijn. Deze opgraving, die zich aan het eind van de jaren tachtig afspeelde, heeft zowel interessant middeleeuws als Romeins materiaal opgeleverd. Aan deze opgraving, en uiteraard alle andere in de afgelopen tien jaar, hebben vele leden hun medewerking verleend. De namen van de meesten van hen zult u niet in de artikelen tegenkomen, maar zonder hun inzet was het maken van dit themanummer niet mogelijk geweest. Houdt u dat in gedachten bij het doornemen van dit nummer! Ik wens u veel leesplezier! E. Sprietsma, voorzitter afdeling Rijnstreek
49
Overzicht van de belangrijkste archeologische activiteiten van de afdeling „Rijnstreek" in de jaren 1983-1993 D. van der Kooij In het „Rijnstreek"-nummer van Westerheem, dat in 1983 verscheen ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de afdeling, werd een kroniek gegeven van de opgravingsactiviteiten gedurende die tien jaar'. Deze geschiedschrijving kon nog vrij volledig zijn; de afgelopen tien jaar daarentegen hebben de werkzaamheden zich zo uitgebreid, dat in het onderstaand overzicht slechts selectief de kleinere, kortdurende onderzoeken of waarnemingen zijn opgenomen. In de jaarverslagen en de meldingen van veldwerkactiviteiten, die regelmatig in het afdelingsorgaan Renus verschijnen, vindt men een volledig beeld. Een levensvoorwaarde voor een archeologische vereniging is het beschikken over een goede werkruimte. Reden om hier kort enige biografische feiten uit het afdelingsbestaan op dit gebied vast te leggen. In 1983 was de afdeling sinds twee jaar gehuisvest in een sobere souterrainruimte van het Gorlaeuslaboratorium van de Rijksuniversiteit Leiden. Dit was een grote verbetering ten opzichte van de jaren ervoor, waarin eerst in de huiselijke privésfeer en daarna in een aantal panden van de gemeente Leiden, die uiteindelijk voor sloop bestemd waren, onderkomen gevonden werd. Zelfs was er een periode van dakloosheid. Aan het zorgeloze, want praktisch kosteloze, bestaan in het laboratorium kwam een ruw einde door de universitaire bezuinigingen en inkrimping van het gebouwenbestand. Wederom bood de gemeente Leiden uitkomst, gelukkig ditmaal op een meer permanente basis. Een voormalig rioolgemaal aan de Geregracht kon door ons betrokken worden, mits het in eigen beheer genomen werd. Dankzij de generositeit van subsidiegevers en sponsors en met de grote inzet van vele leden werd het sterk verwaarloosde interieur opgeknapt en verbouwd tot een werkruimte, waarin de af50
deling sinds 1988 naar tevredenheid thuis is. 1983/'84 - Hoogmadeseweg te Leiderdorp Op een door woningbouw bedreigd terrein werd door grondboringen een bewoningslaag aangetoond. In de omgeving waren in het verleden al een aantal malen sporen uit de vroege middeleeuwen gevonden. Ook op dit terrein bleek de datering van de vondsten merovingisch-karolingisch te zijn. In het eerste jaar werd de laag in een aantal opgravingsputten uitsluitend in het vlak onderzocht, waarbij de aard van de laag niet volledig duidelijk werd. Met subsidie van de gemeente Leiderdorp was het in het tweede seizoen mogelijk machinaal een diep profiel aan te leggen. Hierin zagen wij onze langzaam gegroeide vermoedens bevestigd: de vondstlaag volgde de glooiing van een kreekbedding, uitwiggend naar het midden. Een oudere en jongere kreek in het profiel toonden een natuurlijk milieu, dat onder sterke invloed van de Oude Rijn moet hebben gestaan. Iets dat ook werd aangetoond door een geanalyseerd grondmonster2. De vroegmiddeleeuwse laag representeert waar-
/. Vroegmiddeleeuwse benen kam uit Leiderdorp. (Foto: Albert Egges van Giffen Instituut voor Prae- en Protohistorie, Universiteit van Amsterdam).
schijnlijk de uitworp van een nederzetting op de kreekoever: hiervan zijn geen sporen aangetroffen; het gebied is bovendien ooit afgekleid. In het vondstmateriaal zijn alle categorieĂŤn vertegenwoordigd, die in vroegmiddeleeuwse context gewoonlijk voorkomen, met uitzondering van metaal. De grootste groep was het bot, duidelijk slachtafval. Bewerkt bot, in de vorm van een aantal werktuigen en een glis, was ook aanwezig; de mooiste voorwerpen in deze categorie vormden twee kammen (afb. 1). 1983/'84 - Slot Teylingen te Voorhout In de herfst en winter werden de kademuren van de gracht en de brug, die in 1978 waren teruggevonden, vrijgegraven om tot opmetseling en reconstructie ervan over te gaan en vervolgens het gedempte deel van de slotgracht weer te hergraven. In de achtereenvolgende fasen van dit proces werden grote hoeveelheden vondsten geborgen. Primair in dezen was de voortgang van de bouwkundige werkzaamheden; niet al het machinale graafwerk kon archeologisch gevolgd worden. De vondstgroep aardewerk is zeer omvangrijk; een belangwekkende subgroep hierin vormt het steengoed. In datering begint het in de 13e eeuw en met name het 14e- tot 15e-eeuwse Siegburg is ruim vertegenwoordigd. Aan te nemen is, dat dit materiaal samenhangt met de periode dat het kasteel zelf nog bewoond werd. Maar ook uit de 17e en 18e eeuw, toen op de voorburcht de houtvesters van het graafschap Holland hun ambtswoning hadden, is veel aardewerk voorhanden. Zeer onverwachts vond de scheepsarcheologie hier emplooi: tegen de brug lag het wrak van een 17e-eeuws werkschuitje verzonken3. 1984 - Hoflaan/Julianastraat te Alphen aan den Rijn Binnen een grote loods was het mogelijk twee sleuven te trekken. Naast een aantal waarnemingen uit latere perioden werden hier voor het eerst twee observaties gedaan, die in opgravingen daarna in het centrum van Alphen bevestigd en verder uitgewerkt werden. Ingravingen gevuld met Romeins vondstmateriaal bleken vrijwel op te lijnen
met nog zichtbare perceelscheidingen in de oude bebouwing en bij zorgvuldig uitgraven ook een enkel middeleeuws scherfje te bevatten. Middeleeuwse kavelsloten dus. Een met dunne paaltjes onderheide en rommelig uit mortel- en tufsteenbrokken opgetrokken fundamentje kan zeer wel onderdeel van een groter funderingssysteem uitgemaakt hebben, zoals in 1989 aangetoond werd. 1984/'86 - Huys Dever te Lisse Na het uitzetten van een uitgebreid meetnet en het doen van proefonderzoek werd in het vroege voorjaar van 1985 begonnen met het systematisch vrijleggen van de funderingen van het vroeg 17e-eeuwse voorhuis, de keermuren van de voorburcht en de toegangsbrug. Daarnaast werden sleuven getrokken om de breedte van de grachten rond de voorburcht vast te stellen. Een gedeelte van de grachten aan weerszijden van het voorhuis werd van de bovenlaag ontdaan. Een aantal van de belangrijkste conclusies: van de bebouwing van het voorburchtterrein werd niets teruggevonden. Slechts wat kleine constructies, die direct aan de keermuren vastgebouwd waren, werden hier geregistreerd. Een drastische niveau-verlaging van het voorburchtterrein na de sloop van het grootste deel van het kasteel in de 19e eeuw is hoogstwaarschijnlijk de verklaring. Het 17e-eeuwse voorhuis staat voor een deel op de gedempte gracht tussen voorburcht en donjon. In deze gracht is op een gegeven moment een dam opgeworpen van balken, planken, takkebossen, stenen en houten bouwfragmenten (o.a. een deur met gotische vierpasversiering). De functie hiervan is niet duidelijk geworden, tenzij men aanneemt dat de afdamming een fase van de demping gevormd heeft. In dezelfde gracht werden de staanders van de jukken van de brug tussen donjon en voorburcht aangetroffen. Tenslotte was het bijzonder verrassend te moeten constateren, dat de donjon aan de westzijde nooit tot de voet in de gracht gestaan heeft. Hier bevond zich een rechthoekig terreintje, door een zware grachtmuur omsloten. Binnen deze keermuur bleek het natuurlijk veen bewaard, dat de depressie vult, waarin Dever gebouwd is. In het 51
veen werd laat-ijzertijdaardewerk gevonden. Sinds 1989 zijn de resultaten van de opgraving ter plaatse zichtbaar: de funderingen zijn tot het maaiveld opgemetseld. Een selectie uit de vondsten, grotendeels door leden van de afdeling gerestaureerd, is op de zolder van de toren tentoongesteld". 1985/'86 - Dorpscentrum van Voorschoten Op twee plaatsen in het centrum van het dorp werd de schop ter hand genomen om inzicht te krijgen in de opbouw van de strandwal onder het dorp en dateerbaar materiaal te verwerven, dat de ontwikkeling en groei van het dorp zou kunnen faseren. De archeologische literatuur geeft als vroegste vondsten in het centrum een vondstmelding van karolingische scherven nabij de dorpskerk. Niet te ver hiervan verwijderd, bij onderzoek in en achter Voorstraat 11, boekten wij als oudste resultaat 12e/13e eeuw. Tevens werd hier het steile aflopen van de strandwal aan de oostzijde, direct achter de bebouwing van de Voorstraat, in een profiel vastgelegd. 1987 - Leidse Schouwweg te Alphen aan den Rijn Bij de aanleg van een aansluitingsweg van Rijksweg 11 was het mogelijk op een drietal locaties binnen het werk archeologische waarnemingen te doen. Duidelijke sporen van activiteit uit de Romeinse tijd waren het resultaat. Op één plaats werd een concentratie van zware ingeslagen palen gevonden, geïnterpreteerd als een steiger of beschoeiing, op de tweede locatie een aantal greppels, misschien behorend tot een akkercomplex, en op de laatste locatie een stortplaats, wellicht van een inheems-Romeinse huisplaats. Verspreid over het terrein lagen een paar kuilen met vroegmiddeleeuws aardewerk5. 1987 - Rijksweg 11 te Alphen aan den Rijn Meer zuidelijk, landinwaarts ten opzichte van de Oude Rijn, werd in hetzelfde gebied als bovenstaande vindplaats in het talud van een nieuw gegraven bermsloot een concen52
tratie van Romeins aardewerk opgemerkt. Met medewerking van Rijkswaterstaat werd een strook van het naastliggend zandlichaam van de weg opzijgezet en vier opgravingsputten aangelegd. Snel werd duidelijk, dat de site een inheems-Romeinse huisplaats betrof. Wij waren zelfs zo gelukkig een aantal paalsporen in foto en op tekening te kunnen vastleggen. Helaas was het aantal te gering om een plattegrond te durven suggereren. Door de oorspronkelijke, slechts ondiepe, ligging onder het maaiveld was het vondstmateriaal beperkt tot grotendeels slecht geconserveerd aardewerk. 1988/'90 - Klein-Poelgeest te Koudekerk aan den Rijn In het voorjaar van 1988 kwam het terrein beschikbaar waarop het sinds de 14e eeuw vermelde kasteeltje Klein-Poelgeest gestaan had. Na zorgvuldige bestudering van historisch kaartmateriaal werd een proefsleuf uitgezet op dit terrein, dat inmiddels in een woonwijk was komen te liggen, zodat veel oude referentiepunten verdwenen waren. Spannend is het altijd, wanneer de bak van een graafmachine bij een proefopgraving de grond openscheurt. Gelukkig was er snel zekerheid, want al na een kwartier graven lag er een volgestorte waterput precies in het midden van de sleuf. Later bleek het een waterput te betreffen, die binnen het huis in de westelijke vleugel lag en waarschijnlijk tot de keuken behoorde. Systematisch werd het grote terrein, een voetbalveld met omringende groenstroken, door middel van een net van proefsleuven doorzocht. Op basis van de verworven inzichten werd een groot opgravingsvlak aangelegd, waarin inderdaad drievierde deel van de kasteelplattegrond lag. In tegenstelling tot de ervaringen bij Dever bleek hier praktisch niets van de muurfunderingen bewaard gebleven te zijn en moest worden afgegaan op uitbraaksporen, die meestal ondiep waren en in de snel drogende klei spoedig onzichtbaar. Door afkleiing was het oorspronkelijke maaiveld waarschijnlijk fors verdiept. Ondanks deze tegenslag lukte het een aanvaardbare plattegrond van het gebouw op papier te krijgen, zij het weinig
gedetailleerd en zonder zekerheid van muurdikten. Aanzienlijk duidelijker waren dieper stekende sporen, zoals waterputten, kuilen en uiteraard de grachten, waarin ook de resten van twee bruggen. Van het bouwhuis kon de ligging grotendeels worden vastgesteld door het aanwezig zijn van de funderingsbalken van de westelijke zijgevel. De overgrote meerderheid van het vondstmateriaal komt uit de grachten, in datering
lopend vanaf de 14e/15e eeuw tot het midden van de 19e eeuw en daarmede overeenkomend met de uit schriftelijke bron bekende periode van bestaan van het complex. Iedere opgraving heeft wel ĂŠĂŠn vondst die eruit springt of zelfs uniek is: in dit geval kwam uit de oudste waterput een loden, pauselijk bullezegel van Innocentius VI (Avignon 1352-1362) (afb. 2). Met deze datering is het ruim twintig jaar ouder dan de eerst bekende vermelding van het huis. Zonder steun van vele kanten was deze grote opgraving niet realiseerbaar geweest; genoemd worden hier slechts de gemeente Koudekerk en de NJBG, die vier weken graafkamp organiseerde. Twee vitrines met vondsten staan in permanente opstelling in de Oudheidkamer van het Historisch Genootschap te Koudekerk. 1988 - Het Vierkant te Lisse In een kleine opgraving op een sloopterrein in het centrum van het dorp, dichtbij de dorpskerk, werden middeleeuwse woonsporen aangesneden: een rijtje paalsporen en een afvalkuil. Datering van het scherfmateriaal gaat terug tot de Ue/12e eeuw, een vroege datering voor Lisse. 1989/'90 - Julianastraat-Couvee te Alphen aan den Rijn Een groot kaalslaggebied in het centrum van Alphen bood door uitstel van bouwwerkzaamheden de mogelijkheid het terrein archeologisch uit te kammen. Hieraan wordt elders in dit nummer aandacht besteed.
2. Loden pauselijk bullezegel, gevonden op Klein-Poelgeest. (Foto: Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).
1990/'91 - Roucoop te Voorschoten Dit kleine laat-middeleeuwse kasteel is door de wisselvalligheid der tijden terechtgekomen onder een industrieterrein aan de rand van Voorschoten. Het bedrijf, waaronder het kasteel geacht werd te liggen, ging over tot sloop van het eigen pand en volledige, veel grotere nieuwbouw. Onderzoek werd dus onvermijdelijk. In overleg lukte het om het graven van de bouwput ruimschoots te vervroegen. Ondanks het feit dat het deel van het kasteeleiland, waarop het huis zelf gestaan had, buiten de nieuwe bebouwing viel, waren de resultaten omvangrijk. 53
3. Het huis Roucoop te Voorschoten. Tekening uit 1716. (Foto: Gemeentearchief Leiden).
De oudste vondsten kwamen uit een met veen gevulde, natuurlijke depressie op het kasteeleiland: een kleine afslag van vuursteen en bot, mogelijk daterend uit de bronstijd. De site is gelegen op de oostelijke rand van de strandwal. Uit de stichtingstijd van het kasteel stammen sporen op het kasteeleiland en opvallenderwijs ook aan de westzijde, buiten de gracht, waar een paar greppels en paalsporen werden blootgelegd. Kademuren en de toegangsbrug vallen rond het begin van de 17e eeuw te dateren. De toegangsbrug is in de 18e eeuw verbouwd van een klapbrug tot een vaste, dubbele boogbrug (afb. 3). Houten beschoeiingen aan de noord- en de zuidzijde van de gracht zijn een aantal malen vernieuwd en naar voren geplaatst. Uit de vulling, tussen deze beschoeiingsfasen kwamen vele vondsten tevoorschijn. De gracht zelf was gevuld met een enorme hoeveelheid puin van de afbraak van het huis. Het vondstmateriaal uit de beschoeiingen is in de 17e/18e eeuw te dateren. 54
1991/'93 - Endegeest te Oegstgeest In het kader van de restauratie van het kasteel werden waarnemingen gedaan. Bij vernieuwing van de keermuren van het voorplein kwam een profiel vrij, waaruit bleek dat het kasteeleiland vóór de 17e eeuw aanzienlijk korter moet zijn geweest. In combinatie met waarnemingen, gedaan in sleuven op het voorplein, kon verder geconstateerd worden dat in de oosthoek en langs de oostelijke keermuur van het voorplein een vleugel van één van de voorgangers van het huidige kasteel gestaan moet hebben. 1992 - Hondsdijkse polder te Koudekerk Een bezoek aan een afkleiing diep in de polder was al direct succesvol: in de eerste meters tegen de Molenwetering aan werden inheems-Romeinse scherven gevonden. Dit was het begin van een opgraving, die in nauwe samenwerking met de ROB werd uitgevoerd. Het betrof een zuiver inheems-Romeinse site: slechts één stuk importaardewerk werd aangetroffen. Een sloot met een
bodembedekking van bies of riet vormt een nog niet opgelost raadsel: zowel met betrekking tot de vraag hoe dit technisch tot stand kwam als waarvoor het gediend heeft. Deze sloot lag binnen een iets diepere sloot; beide lopen enigszins rond en lijken een woonplaats omsloten te hebben. Sporen van een gebouw zijn binnen het opgegraven vlak niet aan het licht gekomen. De opstrekkende verkaveling maakt hier de breedte van de percelen gering, daardoor is het meer dan waarschijnlijk dat het huiserf zich over meerdere percelen heeft uitgestrekt. 1993 - Lammermarkt-Parmentier te Leiden Sinds 1990 is de afdeling weer in toenemende mate actief in Leiden. Langzamerhand werden wat kleine onderzoekjes in bouwen restauratieprojecten geëntameerd, met name in de binnenstad. In het voorjaar van 1993 werd een begin gemaakt met de sloop van een groot 19e-eeuws fabriekscomplex, dat vrijwel een volledig bouwblok besloeg. Ondanks meldingen bij de diverse instanties ruim tevoren bleek uiteindelijk geen regeling getroffen voor enig archeologisch onderzoek. Een reden voor de geringe belangstelling was de ligging in de stadswijk, die in 1611 als laatste uitleg aan de stad was toegevoegd en sedertdien in dit kwartier hoofdzakelijk met eenvoudige woningbouw en bedrijfsgebouwen was volgegroeid. Op de valreep lukte het om tot afspraken te komen over een soort archeologische begeleiding van de sloop en het uitgraven van de diepe bouwput. Van echt archeologisch graafwerk kon geen sprake zijn, maar doordat de ontgraving in globaal drie lagen werd uitgevoerd, was het mogelijk sporen in het vlak te tekenen en soms op meer niveaus te volgen, alles zonder archeologische finesses. Dit resulteerde erin, dat de algemene ontwikkeling van het gebied door de eeuwen heen kon worden vastgelegd. In het kort kwam het volgende naar voren: zoals verwacht waren de oudste sporen een aantal (kavel)sloten. Eén ervan bevatte duidelijke misbaksels van kloostermoppen, die in een veldoven in de nabijheid gebakken
zouden kunnen zijn. Iets jonger zijn sloten die vol zaten met 14e-/15e-eeuws materiaal. Slechts één sloot lag, gezien zijn inhoud, nog open ten tijde van de stadsuitbreiding. Het grootste deel van de sporen dateerde uit de tijd na de stadsuitleg van 1611. De ondergrondse voorzieningen van het stadswijkje bestonden uit waterputten en -kelders en diverse typen van riolen. Beerputten waren opvallend afwezig. Uit afgedankte waterputten werden toch enige vondstcomplexen geborgen. Aan de Langegracht bleken bij de sloop, onder de fabrieksgebouwen funderingen en soms nog plavuizen vloeren van de 17e-eeuwse huizen bewaard. Tijdens het vrijleggen van één van de funderingen stootten wij op pottenbakkersafval. Hiervan kon een flinke hoeveelheid verzameld worden, helaas niet op stratigrafische wijze. Een eerste indruk is, dat de pottenbakker een ruim scala aan produkten en vormen vervaardigde. Uit archiefgegevens is inmiddels al vastgesteld, dat direct na de stadsuitleg hier een pottenbakker werkzaam was. Noten 1 Hardenberg en Van Vliet 1983. 2 Pais 1986. 3 Vliermans 1992. 4 Een geïllustreerd verslag van de opgraving en een beschrijving van een deel van de vondsten in: Beenakker e.a. 1988. 5 Dit onderzoek werd gepubliceerd: Aldred e.a. 1992. Literatuur Aldred, J., S. Sprey en A. Wassink, 1992. Romeinse bewoningssporen langs de Oude Rijn ten westen van Alphen. Westerheem 41, 158167. Beenakker, J. J. J. M., B. H. H. Bergman, A. M. Hulkenberg e.a., 1988. Rondom Dever. z.p. Hardenberg, J. D. F., en L. van Vliet, 1983. Overzicht van de belangrijkste archeologische activiteiten van de afdeling „Rijnstreek" in de jaren 1973-1983. Westerheem 32, 254259. Pais, J. P., 1986. Plantenresten uit een vroegmiddeleeuwse kreek te Leiderdorp. Westerheem 35, 236-241. Vlierman, K., 1992. Een werkschuit in de gracht van kasteel Teylingen. Dever Bulletin 3, 364
°'
Welterdreef93 2253 LJ Voorschoten 55
Een opgraving in Alphen aan den Rijn (Julianastraat) 1989/1990 Suus Sprey In het centrum van Alphen, aan de Julianastraat, werd door de Afdeling Rijnstreek met steun van de gemeente Alphen, de provincie Zuid-Holland, de grondeigenaar (Fa. Hoogvliet) en aannemersbedrijf Maasdijken een uitgebreid archeologisch onderzoek verricht. Van dit onderzoek verscheen eerder in Westerheem een kort verslag'. In dit nummer van Westerheem gaan wij nader in op sporen, vondsten en conclusies. De opgraving (1989-'90), opgraving „Couvee" genoemd, vond plaats na de sloop van de panden Julianastraat 61 en lager, waardoor een aaneengesloten terrein van circa 25 x 43 meter vrijkwam voor archeologisch onderzoek. Het onderzoek won aan belang door het feit dat de AWN reeds in 1981 een onderzoek verrichtte op het belendende perceel Julianastraat 632. De bebouwing op het opgravingsterrein dateert uit de Romeinse tijd en de middeleeuwen en loopt dan onafgebroken door tot in onze tijd. Het opgraven was daardoor buitengewoon moeilijk; steeds werden sporen aangesneden uit de verschillende perioden: muurresten, mestkuilen en andere ingravingen, beerputten, waterkelders, greppels en paalsporen doorsneden elkaar en verstoorden het inzicht in oudere verschijnselen. De interpretatie van de gevonden sporen werd hierdoor sterk bemoeilijkt. Zo was de gelaagdheid van de grond door de vele ingravingen slechts op een enkele plaats duidelijk in de profielen waar te nemen.
wen uit het tweede kwart van de 2e eeuw en van een systeem van waterleidingen, helaas nog zonder een echt duidelijke datering. De gebouwen zullen een opslagfunctie hebben gehad. 2. In het artikel „Romeins aardewerk" wordt geconcludeerd dat het scherfmateriaal wijst op een civiele nederzetting van Romeinse kolonisten, waarbij een verandering van het gebruik van het terrein van een oorspronkelijk militaire vestiging denkbaar is. 3. „Graffiti en terra sigillata-stempels". 4. In „Romeinse munten en metalen" worden de vele gevonden munten, gewichten en stili behandeld, die een economische activiteit ter plaatse suggereren. De muntvondsten wijzen op grote bedrijvigheid tussen 50 en 150 na Chr. De opgraving leverde een schat aan informatie: twee gebouwen, een waterleiding, vele scherven, veel munten, gewichten, graffiti en andere voorwerpen. De datering van gebouwen, aardewerk en munten wijst op sterke economische activiteiten in de tweede helft van de 1e eeuw en de eerste helft van de 2e eeuw. Ondanks de aanwezigheid van veel Romeins importmateriaal werden geen sporen van een castellum noch van een duidelijke militaire aanwezigheid gevonden. Het lijkt belangrijk via een Cl 4analyse alsnog tot een datering te komen van het bij deze opgraving wederom aangetroffen Romeinse waterleidingsysteem.
Teneinde enige duidelijkheid te scheppen, laten wij het verslag over deze grote opgraving in twee delen uiteenvallen. De rapportage over de middeleeuwse archeologische sporen vindt u in het artikel „Middeleeuwse sporen en vondstmateriaal" in dit nummer van Westerheem. De Romeinse sporen komen onder meer aan de orde in de volgende bijdragen: 1. „Romeinse gebouwen en een waterleiding" vermeldt de vondst van twee gebou-
Noten 1 Sprey 1991. 2 Van der Most 1983.
56
Literatuur Most, E. van der, 1983. De opgraving Julianastraat 63 te Alphen aan den Rijn. Westerheem 32, 260-302. Sprey, S., 1991. Alphen aan den Rijn, opgraving Couvee. Westerheem 40, 292-295. Burg. Visserpark 14 2405 CR Alphen aan den Rijn
Romeinse gebouwen en een waterleiding in Alphen aan den Rijn Suus Sprey De gebouwen Tot de belangrijkste resultaten van de opgraving „Couvee" aan de Julianastraat te Alphen behoort de vondst van tweemaal twee rijen paalsporen'. Deze restanten van zware palen duiden op de aanwezigheid van twee gebouwen, die niet helemaal evenwijdig aan elkaar lagen. Ten noorden van deze gebouwen werd een watergoot of -leiding aangetroffen, die uitmondde in een tonput.
i
i
i
i
i
i „.
I. Overzicht van de Romeinse sporen aan de Julianastraat. 1. Bestaande bebouwing; 2. trottoir Julianastraat; 3. recente/middeleeuwse verstoringen; 4. middelpunt van een funderingsconstructie; 5. tonput met goot.
Afbeelding 1 toont de gevonden sporen. De spoorrijen 1 en 2 liggen op een afstand van 3,80 tot 4,20 meter van elkaar en omvatten elk 11 of 12 palen. De onderlinge afstand tussen de palen bedraagt 3,50 a 4,20 meter. De spoorrijen 3 en 4 liggen ook op een afstand van 3,80/4,20 meter van elkaar, doch
zijn minder duidelijk, omdat rij 3 maar vijf sporen en rij 4 slechts twee sporen omvat. De afstand tussen de sporen van rij 3 bedragen circa 3,50 meter; die van rij 4 ongeveer 3,00 meter. Beide rijen waren ongetwijfeld langer; diepe verstoringen aan beide uiteinden hebben de sporen uitgewist. De aard van de paalsporen liep uiteen (afb. 2). Zo kan er sprake zijn van liggers, bestaande uit één of meer planken: a. die als fundering hebben dienstgedaan, of b. als fundering dienden voor een, al of niet, ronde staander, of c. als fundering dienden voor een tufstenen pakking (wellicht was de staander hier weggerot), of d. als fundering hebben gediend voor een staander in tufstenen pakking, of e. die rustten op een 10 cm dikke laag tuf, met boven deze planken een concentratie tufstenen, f. die als fundering hebben gediend voor een staander die rustte op een 10 cm dikke laag tufstenen, met boven deze planken ook een concentratie tuf. Ook kan er sprake zijn van: g. een al of niet aangepunte staander in een paalkuil. In de gevallen c, d, e en f kan er sprake zijn van reparaties aan het gebouw en wel van het vervangen van een doorgerotte staander. Dit betekent dan dat de gebouwen vele tientallen jaren in gebruik moeten zijn geweest. De NAP-hoogtes van de liggers van de gebouwen zonder staanders variëren van -0,77 tot -1,29 m. Die van de liggers met staanders van -1,03 tot -1,62 m. Het houtgebruik In rij 1 heeft men consequent gebruik gemaakt van elzehout voor de liggers en van eikehout voor de staanders. Rij 2 laat een gevarieerder beeld zien in het houtgebruik: voor drie staanders is eikehout gebruikt, terwijl twee ronde staanders alsmede één lig57
2. Verschillende funderingsconstructies houten palen.
van de
ger van iepehout zijn. De resterende liggers zijn hier van eike- of elzehout. In rij 3 is voor staanders en liggers, op een enkele kleine uitzondering na, eikehout gebruikt. In rij 4 zijn de staanders en liggers ook van eikehout, hoewel één ligger waarschijnlijk van lijsterbeshout is gemaakt. De datering van de gebouwen Van de houtsporen zijn twintig monsters van eikehout dendrochronologisch onderzocht. Daarbij kon van één monster de exacte kapdatum worden vastgesteld, namelijk 114 na Christus. Zeventien andere monsters vertoonden onderling en met het eerstgenoemde monster zo'n duidelijke samenhang, dat de conclusie gewettigd lijkt dat de 18 monsters van één boomkap afkomstig zijn. Deze 18 monsters zijn afkomstig van beide gebouwen. Wanneer men aanneemt dat het hout niet direct gebruikt is en bij het bouwhout ook secundair gebruikt hout werd verwerkt, moet de constructie van de gebouwen na het jaar 114 hebben plaatsgevonden. Een datering in het tweede kwart van de 2e eeuw ligt dan voor de hand, waarbij de aanwezigheid van reparaties, zoals reeds werd opgemerkt, wijst op een langdurige gebruiksduur. 58
De watergoot Ten noorden van de gebouwen werd, op een diepte van -1,22 m. tot -1,40 m.-NAP, een houten watergoot vrijgelegd (afb. 3). Deze watergoot was over een lengte van 22,5 meter te volgen en liep vanuit het oosten, de Rijnzijde, hellend naar een ton. Deze ton bleek, met bodem en al, te zijn ingegraven en diende waarschijnlijk als waterreservoir. De ton was gefundeerd op een aantal ronde paaltjes en balkjes en was nog van een deksel voorzien. Voor de goot zijn twee houtsoorten gebruikt: het westelijk deel is over twaalf meter van eikehout gemaakt; het overige gedeelte van elzehout. De deksel van de goot en ook de ton zijn gemaakt van hout van de zilverspar. Dendrochronologisch bleek het hout van de goot helaas niet te kunnen worden gedateerd. De aardewerkfragmenten die in de goot en eronder zijn aangetroffen, zijn alle Romeins. In de tonput werden twee fragmenten van inheems-Romeinse zoutcy-
3. Het laatste gedeelte van de waterleiding is vrijgelegd; de ton aan het einde wordt nu ontgraven. De goot is hier van een deksel voorzien. (Foto: J. Aldred).
linders aangetroffen. Tonnen van het hout van de zilverspar komen zowel in de Romeinse tijd als in de middeleeuwen voor. Ook bij de AWN-opgraving in 1981 werd juist ten noorden van het „Couvee"-terrein, op een hoogte van circa -1,20 m NAP, een houten waterleiding aangetroffen2. Het betrof toen een goot, met deksel, met de uitwendige afmetingen van 35 x 17 cm. Het hout was overal 4 cm dik en afkomstig van de zilverspar. Een segment van deze fraaie goot is thans te zien in de nieuwe opstelling van de Nederlandse afdeling van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. De in 1981 gevonden goot had een ZO-NWoriëntatie; de in 1989 gevonden waterleiding was meer O-W georiënteerd. Beide leidingen behoren niet direct bij elkaar, maar zeer wel kunnen zij hun beginpunt hebben gehad bij eenzelfde waterinlaatstation aan de Rijn. Waarvoor dit aangevoerde water gebruikt werd, is nog onduidelijk. Er blijft hier een voor de economische en sociale geschiedenis van Nederland belangrijke vraag onopgelost. Waren er werkelijk in de Romeinse tijd in Nederland grote gebouwen die door een leiding van water werden voorzien? Dat zou kunnen wijzen op de aanwezigheid van een industrie van enige omvang. Het lijkt daarom toch belangrijk de houtmonsters van de goot alsnog aan een Cl 4-
analyse te onderwerpen, teneinde op die manier tot een benadering van de ouderdom te komen. De functie van gebouwen en goot Waartoe de gevonden Romeinse gebouwen hebben gediend, is onzeker. Indien de waterleiding dateert uit dezelfde tijd als de gevonden gebouwen, kan, zoals reeds gesteld, gedacht worden aan een gebruik ten behoeve van een industrieel proces. Doch daarover bestaat geen zekerheid. Doordat rondom de gebouwen veel scherven van amforen en kruiken werden gevonden en gezien de zware funderingen, veronderstellen wij voorlopig dat de gebouwen een opslagfunctie hadden. Noten 1 Hierover werd eerder gerapporteerd in Sprey 1991. 2 Van der Most 1983. Literatuur Most, E. van der, 1983. De opgraving Julianastraat 63 te Alphen aan den Rijn. Westerheem 32, 260-302. Sprey, S., 1991. Alphen aan den Rijn, opgraving Couvee. Westerheem 40, 292-295.
Burg. Visserpark 14 2405 CR Alphen aan den Rijn
59
Romeinse munten en metalen uit de opgraving Alphen aan den Rijn 1989 (Julianastraat) Alfred Wassink De munten Bij de opgraving werden, verspreid over het opgravingsterrein, 39 Romeinse munten gevonden; nagenoeg alle zeer versleten. Zij werden zo goed mogelijk gedetermineerd en gedateerd door het Koninklijk Penningkabinet te Leiden. De verdeling van de munten naar soort was zoals ongeveer mocht worden verwacht: 6 denarii 10 sestertii 6 dupondii 13 assen 4 assen of dupondii 39 munten Hiervan werden er 32 in Rome geslagen en 4 in Lyon, terwijl van drie munten de muntplaats niet kon worden vastgesteld. De portretten van de volgende keizers kwamen op de munten voor: Augustus 1x Tiberius 2x Claudius 1x Nero 2x Galba 1x 3x Vespasianus 1x Titus 5x Domitianus 1x Trajanus 4x Hadrianus 2x Antoninus Pius 1x Caracalla 1 X Severus Alexander 14 x Onduidelijk 39 x Totaal Afbeelding 1 geeft een overzicht van de 35 dateerbare munten per periode van 25 jaar. Bij een ruime datering is een munt in meerdere perioden geteld; bij „Hadrianus 117138" wordt de munt bijvoorbeeld voor de helft toegewezen aan de periode 100-125 en voor de andere helft aan de periode 125150. De afbeelding suggereert dat in de Romeinse tijd de economische activiteiten te Alphen met name tussen 50 en 150 na 60
-25
O
25
50
75 1OO 125 150 175 200 225 250
Datering A.D.
1. De toerekening van de 35 dateerbare munten per kwart eeuw.
Christus zeer groot waren, met een nadruk op het laatste kwart van de 1e eeuw. Bij de munten is een drietal vermeldenswaardig. Zo is er een as van Titus, te dateren 72/73, met het opschrift: JUDEA CAPTA. Deze munt werd dus geslagen ter ere van de verovering van Jeruzalem. Met een as uit 8/10 na Chr. stelt Augustus zijn nieu-
2. Zes loden gewichtjes.
Gewichten 0,5 unica 0,5 unica 2 unica 3 unica 3 unica 4 unica
Theor. gewicht
Werkel. gewicht
Afwijking
13,65 gram 13,65 gram 54,6 gram 81,8 gram 81,8 gram 109,1 gram
12,3 gram 12,4 gram 50,6 gram 80,3 gram 63,1 gram 112,6 gram
-10% -9% -7% -2% (-23%) •
Opmerking
beschadigd
+3%
3. De gevonden Romeinse gewichten en de afwijkingen tussen het werkelijk en het theoretisch gewicht.
we, aangenomen, zoon Tiberius aan het publiek voor; de munt draagt het opschrift: Tiberius Caesar. Tenslotte is er een dupondius van Claudius met liefst twee kloppen: POR en een onleesbare. Kloppen werden vooral gebruikt om de levensduur van oude, versleten munten te verlengen. De loden voorwerpen Bij de opgraving werden zes loden Romeinse gewichten gevonden (zie afb. 2). In Alphen werd, hoewel dat niet overal het geval was, gewerkt met het Romeinse pond (327,3 gram). Dat pond, de libra, werd verdeeld in twaalf unicae van 27,3 gram. Op de meeste gevonden gewichtjes is het aantal unicae door middel van puntjes aangegeven. Naweging levert de conclusie op dat de nauwkeurigheid van de gewichtjes niet bijzonder groot is; de kleine gewichten zijn te licht, maar de afwijking wordt geringer naarmate de zwaarte toeneemt (afb. 3). Het gewicht van vier unicae is iets te zwaar.
4. Een fragment van een loden vetlampje.
Bijzonder lijkt ons de vondst van een fragment van een loden, open olie- of vetlampje (afb. 4). Het betreft een stortvondst, zodat helaas over de vondstomstandigheden weinig kan worden gezegd. De opstaande rand van het lampje is vrij laag, zodat verondersteld mag worden dat in het lampje gestolten vet moet zijn gebrand. Ten slotte werd in Romeinse context een ca. 5 cm brede strook lood gevonden. De bronzen voorwerpen Deze vondsten omvatten: 3 fibulae (afb. 5), te weten: 2 draadfibulae, waarvan één met een stukje speld; 1 kniefibula; 1 naald (afb. 6); 1 spateltje of misschien stilus (afb. 6); 1 fragment van een stilus; 1 speld of haarpen (afb. 6); 1 fragment van bronzen beslag van kistje of meubel; 1 siernagel met een bloemetje van blauwe glaspasta; mogelijk gebruikt als leerbeslag; 1 fragment van de voet van een bronzen beeld. 10 stuks De ijzeren voorwerpen De gevonden ijzeren voorwerpen omvatten naast 12 eenvoudige nagels of spijkers een haak, een stilus en een fragment van een stilus. Een stilus of schrijfstift werd gebruikt om met de puntige zijde op een wastafel te schrijven, dat wil zeggen op een houten plank met een laagje was erover. Het ge61
schrevene kon daarna met de vlakke zijde van de stilus weer worden uitgewist.
5. De fragmenten van twee draadfibulae en een kniefibula.
Conclusie De vondst van 39 munten, 6 gewichten, 2 ijzeren schrijfstiften en wellicht 2 bronzen exemplaren wekt de indruk dat op de opgegraven locatie in de Romeinse tijd handel plaatsvond. Deze indruk wordt bevestigd door de vondst van relatief veel aardewerk met een opslagfunctie, zoals bijvoorbeeld amforen. Johan W. Frisolaan 53 2252 HD Voorschoten
6. Bronzen voorwerpjes: een naald, een stilus en een haarpin.
62
Romeins aardewerk uit de opgraving „Couvee", Alphen aan den Rijn Joanna Aldred In dit artikel worden de aardewerkvondsten uit de opgraving „Couvee" besproken en geanalyseerd. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het één vondstcomplex betreft, immers,
afzonderlijke complexen waren niet te onderscheiden. De individuele Romeinse lagen waren daarom ook niet dateerbaar.
Geverfd
Terra Sigillata
<69
70-150
<69
>150
Giadwandig
70-150
Ruwwandig
1UU
uu
UU
80
80
H
60
1u £
°- 40
40
§§jj
20
20
iji
il
! <69
70-150
>150
n <69
70-150
N >150
/. De datering van vier soorten aardewerk: terra sigillata, geverfd, giadwandig en ruwwandig. Aantal dateerbare stukken: terra sigillata = 757; geverfd = 84; giadwandig = 36; ruwwandig = 64.
63
Het onderzoek Bij het onderzoek zijn alleen de randscherven van het aardewerk gedetermineerd, geteld en gedateerd. Voor de datering werden evenwel ook de dateerbare versierde terra sigillata-scherven meegeteld'. Het onderzoek richtte zich op de volgende drie aspecten: 1. Welke informatie geeft het aardewerk over de datering van de Romeinse bewoning? Daarbij werden de dateringen van de scherven gesplitst in drie perioden: vóór 69 na Chr; 69 tot 150 en na 150 na Chr. 2. Was er sprake van civiele of van militaire bewoning? 3. De functie van het aardewerk; daarbij werd de indeling gekozen die in 1983 door Van Driel-Murray voor de analyse van het aardewerk van het aangrenzende terrein, Julianastraat 63, werd gehanteerd2. De datering In totaal werden 7180 randscherven gevonden, waarvan slechts 348 (4,85%) pasten in de hier gebruikte splitsing. Afbeelding 1 geeft de percentages in de voornoemde periodes voor vier groepen aardewerk: terra sigillata, geverfd aardewerk, gladwandig en ruwwandig aardewerk. Vier andere groepen: Belgische waar, dikwandig aardewerk, Waasland aardewerk en inheems aardewerk, zijn niet getoond. Alleen van het dikwandige aardewerk waren een paar randscherven dateerbaar volgens de door ons gebruikte methode: 1,74% van de randen heeft een datering na 1503. De resultaten tonen aan dat het terrein gedurende een lange periode in gebruik was: vóór 69 na Chr. tot tenminste de tweede helft van de 2e eeuw. Het merendeel van de versierde terra sigillata is Zuidgallisch, afkomstig uit de ateliers van La Graufesenque en dateert uit de 1e eeuw. Hoewel het terra sigillata, net als het gladwandig aardewerk, voornamelijk dateert uit de periode tussen 70 en 150, wijzen het geverfde en ruwwandige aardewerk vooral op een datering na 150. Een mogelijke oorzaak van dit verschil is dat het gebruik van het terrein zich wijzigde van een duidelijke militaire nederzetting in één van meer civiele aard. 64
Aardewerk per soort (N=718C 1OO
TS • BE GV GL Dl RW WL Aardewerktype
INHIMP
2. Procentuele opbouw van het Romeinse aardewerk per soort. TS = terra sigillata; BE = Belgische waar; GV = geverfd aardewerk; GL = gladwandig aardewerk; Dl = dikwandig aardewerk; RW = ruwwandig aardewerk; WL = Waasland (Rupeliaans) aardewerk; IN = inheems Romeins aardewerk; IMP = totaal percentage importaardewerk; N = totaal aantal scherven.
Opvallend is het ontbreken van aardewerk uit de periode die ligt tussen de Romeinse aanwezigheid en de middeleeuwen: slechts één Merovingische/Karolingische scherf werd gevonden. Militaire of civiele bewoning? Voor de beantwoording van deze vraag werden de hoeveelheden import- en inheems aardewerk met elkaar vergeleken. Voorts werd een splitsing gemaakt tussen „traditioneel" import-aardewerk en aardewerk afkomstig uit de Scheldestreek (zg. Waasland of Rupeliaans aardewerk). Daarbij werd een vergelijking gemaakt met de resultaten van de onderzoeken van Brouwer4 en Aldred et al.5. Afbeelding 2 geeft de percentages van de verschillende typen aardewerk. Het hoge percentage import-aardewerk in vergelijking met het inheems-Romeinse is merkwaardig. Dit gegeven, tezamen met het lage percentage Belgische waar in vergelijking tot het percentage terra sigillata, kan erop
wijzen dat hier sprake is geweest van een civiel-Romeinse bewoning. Brouwer zegt in haar studie over Romeinse kolonisten in het Maasmondgebied dat nederzettingen met zulke lage percentages inheems aardewerk door deze kolonisten zullen zijn gesticht6. Alle nederzettingen met zulke lage percentages die Brouwer in haar studie noemt, dateren op zijn vroegst uit het laatste kwart van de 1e eeuw, d.w.z. later dan de bewoning van ons opgravingsterrein. Of deze conclusies zonder meer ook gelden voor de Alphense situatie, waar een civiele bewoning aannemelijk is, lijkt arbitrair. De lage percentages inheems aardewerk geven ook de indruk dat er weinig contact en handel tussen de Romeinen en de inheemse bevolking is geweest. Het percentage „traditioneel" (± 90%) is opvallend veel hoger dan de 10% Waasland. Volgens Brouwer is de beperkte verspreiding van het Waasland aardewerk typisch voor de limescastella langs de Oude Rijn7. Vergelijking met de resultaten van de burgerlijke nederzetting ten westen van Alphen toont ook dat het percentage Waasland aardewerk heel laag is8.
Couvee Julianastr. 63 Aantal Aantal Serviesgoed Terra sigillata Terra nigra borden Geverfde bekers Geverfde borden Geverfde kruiken Schalen
Couvee Julianastr. 63 % %
134
185
18,0
25,9
3 87 15 2 3
3 80 12 3 0
0,4 11,7 2,0 0,3 0,4
0,4 11,2 1,7 0,4 0
244
283
32,7
39,6
108
173
14,5
24,2
93 14 66 26 1
70 28 39 0 0
12,5 1,9 8,8 3,5 0,1
9,8 3,9 5,5 0 0
308
310
41,3
43,4
74 65
44 16
9,9 8,7
6,2 2,2
139
60
18,6
8,4
Opslagvloeistof Amforen
27
43
3,6
6,0
Opslag Gezichtsurn Honingpot Dolium Oorpot
2 8 15 3
6 11 1 0
0,3 1,1 2,0 0,4
0,8 1,5 0,1 0
Totaal
28
18
3,7
2,5
Totaal
746
714
Totaal Kookpotten Kookpotten Kommen en bakken Deksels Wrijfschalen Voorraadpotten Zeef Totaal Schenkwaar Kruiken Kruikamfoor Totaal
De functie van het aardewerk Afbeelding 3 geeft de aantallen randscherven, ingedeeld naar functie, voor zowel die van het „Couvee"-terrein als die van het aangrenzende perceel, Julianastraat 63. Omdat Waasland aardewerk bij de opgraving in 1981 van Julianastraat 63 werd geteld bij de groep ruwwandig aardewerk, is dat voor de opgraving „Couvee" ook gebeurd. De vergelijking toont dat kookpotten en keukengoed het meest vertegenwoordigd zijn, maar dat het serviesgoed ook in grote aantallen aanwezig is. Alleen de hoeveelheid schenkwaar is op het „Couvee"-terrein veel groter dan het geval was op het terrein Julianastraat 63.
3. De determineerbare randen, ingedeeld naar functie van het aardewerk en in vergelijking met de vondsten van het aangrenzende perceel Julianastraat 63 (1981).
Vergelijking met de resultaten van de opgraving Julianastraat 63 Afbeeldingen 3 en 4 laten zien dat de functie van het aardewerk en de percentages van de verschillende aardewerksoorten in beide opgravingen sterk met elkaar overeenko-
men. Merkwaardig is, dat het percentage schenkwaar (en dus ook gladwandig aardewerk) hoger is in de „Couvee"-opgraving en het percentage kookpotten lager. Is dit een indicatie dat het voedsel werd bereid op het 65
terrein van Julianastraat 63 en opgediend op het Couvee-terrein? Helaas is de verstoring op beide terreinen te groot om dit te kunnen zeggen.
Ruw en grofwandig Gladwandig Geverfd Terra sigillata Inheems Merovingisch & Karolingisch
Couvee (%)
Julianastr. 63 (%)
33,62 47,48 8,06 8,69 1,49
51,07 30,09 11,50 5,45 1,79
n ni
n 11
U,U1
U, 1 1
4. Vergelijking van het totaal aantal scherven, gevonden bij de opgravingen „Couvee" (Julianastraat 61) en Julianastraat 63, in percentages uitgedrukt.
De amfoorscherven' Bij de opgraving werden veel amfoorresten gevonden (scherven van zeker 38 amforen) met een totaal gewicht van circa 100 kg! Naar type ingedeeld, betreft het de volgende amforen: Dressel 2/4 2 stuks Pélichet 47 6 stuks Dressel 20 30 stuks 38 stuks Bijna alle amforen zullen met olie uit ZuidSpanje naar onze streken zijn gekomen. De scherven zijn gekenmerkt door een groot aantal secundaire gebruikssporen, zoals graffiti en bewerkingssporen. Graffiti, ingekrast nadat de amfoor hier was aangekomen, wijzen op een secundair gebruik van de amfoor, voor opslag en/of vervoer van bijvoorbeeld graan of meel. Bewerkingssporen, waarbij een kuip of een trechter uit de amfoor is gemaakt, wijzen op een tertiair gebruik. Het intensieve gebruik van tweede- en derdehands amforen op ons opgravingsterrein wijst ongetwijfeld op opslag, vervoer en bewerking van produkten, d.w.z. op economische activiteiten. Conclusie De zeer kleine hoeveelheden inheems en 66
Waasland aardewerk (samen maar 12% van het totaal) geven de indruk van een Romeinse civiele bewoning in plaats van een inheems-Romeinse. Dit past bij de hypothese dat het Romeinse castellum hier in de buurt was gelegen. De Romeinse civiele bewoning lijkt daarbij een sterk economisch karakter te hebben gehad. Het hoge percentage terra sigillata wijst erop dat er oorspronkelijk wel een militaire vestiging is geweest. Een en ander zou kunnen duiden op een verandering van het gebruik van het terrein van een duidelijke militaire vestiging in overwegend civiele bewoning. Als gevolg van de verstoringen in de Romeinse laagjes is het niet mogelijk iets te zeggen over de specifieke periodes van bewoning. Als wij aannemen dat het hier gevonden aardewerk oorspronkelijk ook hier werd gebruikt en niet in latere eeuwen hierheen werd gebracht, dan zou uit de gegevens blijken dat dit terrein in gebruik was van circa 50 na Chr. tot ten minste de tweede helft van de 2e eeuw. Noten 1 De terra sigillata-scherven werden gedateerd door de heer C. A. Kalee. 2 Van Driel-Murray 1983. 3 Persoonlijke mededeling van J. H. van der Werff van de ROB, Amersfoort. 4 Brouwer 1986. 5 Aldredetal. 1992. 6 Brouwer 1986. 7 Brouwer 1986, p. 81. 8 Aldredetal. 1992, p. 163. 9 Zie noot 3. Literatuur Aldred, J. M., Sprey, S., en Wassink, A., 1992. Romeinse bewoningssporen langs de Oude Rijn ten westen van Alphen. Westerheem 41, 158-167. Brouwer, M., 1986. Het „Romeinse" aardewerk in het Maasmondgebied. In: M. C. van Trierum en H. E. Henkes (red.), Rotterdam Papers V. A contribution to prehistorie, modern and medieval archaeology. Rotterdam, 77-90. Driel-Murray, C. van, 1983. Het gewone aardewerk uit Alphen aan den Rijn. Westerheem 32, 275-280. Framaheerd 54 9737 NM Groningen
Terra sigillata-stempels B. van den Berg De opgraving van het Couvee-terrein e.o. te Alphen aan den Rijn leverde in totaal 13 bodems van onversierde terra sigillata op, die voorzien waren van een stempel. Dit op een totaal van 113 scherven, waaronder 2 ongestempelde bodems, die konden worden getypeerd.
Naar schatting gaat het bij deze terra sigillata om ± 80 individuen met de aantekening dat de gehele collectie nog niet is uitgelegd. Het type Drag. 37 overheerst sterk, met 55 exemplaren, direct gevolgd door Drag. 29 met 35 exemplaren. Dit is 80% van de vondsten.
De lijst van stempels ziet er als volgt uit:1 Nr. 1 2 33 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13
VondstStempel nr. BIGA F[E 379 299/8 © FRONTINI MARTALFE 324 M]ARTALFE MEDDICF[E 33 (ME in ligatuur) NICEPHORF 3 [OF AQU]ITAN 63 OF LC VIRILI 99/7 OF NGRI 259 51al 272 6A 2727
OF VITALI SECVNDVS OS 5 ]VSSINI
Pottenbakker Werkplaats
Globale datering2
Type
Biga Frontinus Marti al is Martialis Meddicus
Zuid-Gallië La Graufesenque Faulquemont Faulquemont Faulquemont
Id/IIA ld IIA IIA IIA
Drag. 18/31 Drag. 18 Drag. 18/314 Drag. 18/31 Drag. 27
Nicephor Aquitanus Virilis Niger
Lezoux La Graufesenque La Graufesenque La Graufesenque
IB 1e ld ld
Vitalis Secundinus Sabinus III? ....ussinis?
La Graufesenque La Graufesenque Lezoux La Graufesenque
IB
Drag. 27 Drag. 24/25 Drag. 18 Drag. 15/17 of 18 Ritt. 4a of 2a Drag. 15/17 Drag. 18 Drag. 27 Drag. 15/17 of 18 Ritt. 4a of 2a
Vergeleken met de nabije opgraving Julianastraat 63 uit 1983 leverde Couvee uit veel minder scherven (113 tegen 315) ongeveer evenveel stempels op6. Enerzijds doen zich parallellen voor met de vondsten van de opgraving Julianastraat 63 en wel ten aanzien van de herkomst van de dateringen7. Zuid-Gallië komt ook in Couvee overwegend voor, zo ook de datering tweede helft van de 1e eeuw. De verscheidenheid qua pottenbakker is optimaal, want geen enkel stempel uit Couvee werd eerder gesignaleerd in andere Alphense opgravingen.
ld Ha ld
Noten 1 Voor de lezing van deze stempels mocht ik hulp ontvangen van mevrouw M. Brouwer (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden) en C. A. Kalee. 2 De methode van aanduiden van dateringen werd overgenomen uit Straman 1983, te weten: halve eeuwen aangegeven met A en B, kwart eeuwen als: 0-25: a, 25-50: b, 50-75: c en 75-100: d. 3 Vondstplaats Steeg tussen NMB en Couveeterrein. 4 Beide MARTALFE-stempelingen zijn duidelijk afkomstig van hetzelfde stempel. 5 Het stempel OFS/ORS of dergelijke kent diverse interpretatiemogelijkheden. Gekozen is 67
voor een identiek lijkende afbeelding, afkomstig uit Lezoux, van Sabinus III. 6 Straman 1983, noot 2. 7 Straman 1983. Literatuur Haalebos, J. K, 1977. Zwammerdam-Nigrum Pullum (Cingula III). Amsterdam. Knorr, R., 1952. Terra-Sigillata-Gefasse des ersten Jahrhunderts mit TĂśpfernamen.
68
Stuttgart. Oswald, F., 1931. Index of potters' stamps on Terra Sigillata, „Samian Ware". Margidunum. Straman, A. M., 1983. Terra sigillata uit Alphen aan den Rijn. Opgravingen Julianastraat 63. Westerheem 32,268-274. Annie M. G. Schmidtlaan 38 2343 BH Oegstgeest
Versierde terra sigillata uit Alphen aan den Rijn C. A. Kalee Inleiding Onder de talrijke vondsten die zijn gedaan tijdens het onderzoek van het terrein Couvee aan de Julianastraat', bevinden zich fragmenten van 65 kommen en bekers van met reliëf versierde terra sigillata. Katalogus2 La Graufesenque: 1-42 (afb. 1-3) type nr. vondstnr.
Het grootste deel - nummers 1-42 - stamt uit de fabrieken van La Graufesenque in ZuidGallië, nummer 43 is afkomstig uit Lezoux, Midden-Gallië, en 44-65 zijn in Oostgallische fabrieken vervaardigd.
datering
aantal fragm. 1 1 3 1 1 1
50-60 50-60 50-60 55-65/69 55-65/69 55-65
1 2 3 4 5 6
51a 273 63 217 24c 63
Drag. 29 29 30 29 29 29
7 8 9
35,400 525 99
29 29 29
2 1 1
55-65/69 55-65/69 70-80
10
51a en geen
29
4
70-80
11 12 13
29 29 29
1 8 25
70-80 70-80 70-80
14 15
99 geen 24a,272 en geen 51a 51
29 29
1 1
75-85 75-85
16 17 18
51 99 272
29 29 29
1 1 1
75-85 75-85 75-85
19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
99 550 132 99 51a 51,58 51a 32 38 51
29 29 29 30 30 37 37 37 37 37
1 1 1 1 1 2 1 1 1 1
75-85 75-85 80-90 80-90 80-90 75-85 75-85 75-85 75-85 75-85
opmerkingen
met gat van een antieke reparatie. Van dezelfde kom: Van der Most 1979, afb. 3(!) gedeeltelijk verbrand fabrikaat van Germanus, versiering: Knorr 1912, Taf. XII,3 Knorr 1919, Taf. 37.L (GERNÏANIO) fabrikaat van Germanus, verg. Knorr 1919, Taf. 37,G (GERMANIO); Haalebos 1977, Taf. 34,56
past waarschijnlijk aan Straman 1983, afb. 5 rank o.a. Knorr 1912, Taf. VI,7; Morren 1957-1958, afb. 13,7 stempelrest: ]A R iets verbrand
bloem Atkinson 1914, fig. 4,C 69
1. Alphen aan den Rijn, schaal 1 : 2.
70
2. Alphen aan den Rijn, schaal 1 : 2. Naamstempel 19: schaal 1 : J.
71
3. Alphen aan den Rijn, schaal 1 : 2.
72
4. Alphen aan den Rijn, schaal 1 : 2.
73
5. Alphen aan den Rijn, schaal 1 : 2. 74
nr. vondstnr.
type
aantal fragm.
Drag. 37 37 37 37 37 37 37
1 1 1 1 1 1 1
datering
29 30 31 32 33 34 35
285 272 51a 58 273 51a 99
36
51a
37
37' 38
95(60?) 266
37 37
1 1
90-100 90-100
39 40
51a 51a
37 37
1 1
90-100 95-110
41
97a
37
1
95-110
42
272
Déch. 67
1
70-80
Lezoux: 43 (afb. 3) 43 51a,99 en geen
75-85 75-85 75-85 75-90 75-90 80-90 75-90
90-100
Drag. 37
45 46
37 37
3 1
110-150 110-150
La Madeleine: 47-49 (afb. 4) 47 304 37 48 537 37
1 1
130-150 130-150
49
37
1
140-160?
Lavoy»;: 50-51 (afb. 4) 50 37,99
37
2
120-150
51
37
1
120-150
37
1
140-160
Blickweiler: 52 (afb. 4) 52 602
rechtervoet van krijger Haalebos 1977, Taf. 35, nr. 85 (links en rechts) Peleus (zie 37) en haan Oswald 1948, pi. XXIII,2
standring als Drag. 29; versiering: Delort 1953, p. 152, pi. 68, 23-36, 5421
110-150
324
gladiator Knorr 1952, Taf. 19,F (MCRESTIO);Knorrl919, Taf. 57,E (MERCATO, spiegelschrift) Hercules in gevecht met de negenkoppige hydra (waterslang) van Lerna, o.a. Knorr 1912, Taf. XXVII, 1 en 4 (van Mercato) Peleus Oswald 1936-1937, nr. 883 afsluitende rand o.a. op de scherven Knorr 1919, Taf. 57,B,F,G (MERCATO, spiegelschrift)
fabrikaat van loenalis
1
97a
eierlijst van M. Crestio en Crucuro
100-125
Chémery-Faulquemont: 44-46 (afb. 4) fabrikaat van Satto-Saturninus 44 24 Drag. 37
60 400
opmerkingen
versiering: Haalebos 1977, Taf. 39,165
links: 2 x Bacchus met panter Oswald 1936-1937, nr. 568. Dit type was tot nu toe onbekend in La Madeleine! fabrikaat van Sacer, theatermasker Rieken 1934, Taf. VII.73 versiering: o.a. Fölzer 1913, Taf. VIII, 1 met afwisselend Mars en blad in de arkaden versiering: Ooyevaar 1984, afb. 3
75
nr.
vondstnr.
type
aantal fragm.
datering
opmerkingen
1
130-150
fabrikaat van de eerste anonyme werkplaats, fase D. Rand van hartvormige bladeren Huld-Zetsche 1972, 0 52 fabrikaat van de tweede anonyme werkplaats als 54, verbrand als 54 als 54 fabrikaat van Maiiaaus fabrikaat van Comitialis als 59 fabrikaat van een navolger van Censor. Krijger met rond schild Muller 1968, Taf. 34,939 bogen Fölzer 1913, Taf. XXXI,809, in gebruik geweest bij Censor, Dexter en Criciro fabrikaat van Amator. Verg. Pferdehirt, Taf. 7,A176 fabrikaat van Atillus-Pusso fabrikaat van Dubitatus-Dubitus
Trier: 53-65 (afb. 4-7) 53 232 Drag. 37
150-170
54
529
37
55 56 57 58 59 60 61
217 156 37 geen 232 61 98a
37 37 37 37 37 37 37
62
51a
37
160-210
63
37,60
37
170-200
64 65
220 162
37 37
180-210 225-250
1 4 1 2 1 6 1
Tabel A Aantallen per produktiecentrum opgraving Couvee4 aantal ex.
Zuid-Gallië: La Graufesenque Midden-Gallië: Lezoux Oost-Gallië: ChémeryFaulquemont La Madeleine Lavoye Blickweiler Trier
42
percentages5
64,5 1,5
3 3 2 1 13 65 ex.
35%
Samenvatting en conclusies De bescheiden hoeveelheid versierde terra sigillata van de opgraving Couvee laat slechts enkele voorlopige conclusies toe: - Vóór- en vroeg-Claudische stukken ontbreken. Deze zijn wel gevonden tijdens het onderzoek van Bogaers en Haalebos6. Dit zou volgens hen kunnen wijzen op een aanvang van de nederzetting omstreeks 40 na Chr. 76
150-170 na 180 150-170 170-190 160-180 160-180 170-200
- Produkten uit de jaren 70-90 na Chr. overheersen. In de castella van Zwammerdam en Utrecht is dit eveneens het geval. In eerstgenoemde plaats is vooral in de vicus veel vroeg-Flavische versierde terra sigillata aangetroffen7. - Na circa 90 na Chr. neemt de import uit La Graufesenque naar deze streken sterk af, om rond 110 na Chr. geheel op te houden. In Alphen aan den Rijn dateren slechts zes exemplaren in deze tijd. Men heeft een dergelijke vermindering van de import uit La Graufesenque ook in Zwammerdam, Bodegraven en Woerden vastgesteld8. Tabel B Overzicht van de import uit La Graufesenque in Alphen aan den Rijn - opgraving Couvee periode aantal ex. nummers percencirca tages 50-65/69 8 1-8 19,0% 70-90 28 9-35,42 66,5% 90-110 6 36-41 14,5% 42 ex.
100,0%
6. Alphen aan den Rijn, katalogusnummer
56, schaal
- De vermindering van de import die in de periode 90-110 na Chr. is ingezet, gaat in de 2e eeuw door. Uit die tijd zijn in Alphen aan den Rijn fragmenten van 22 kommen voorhanden. Het betreft produkten uit de fabrieken van Lezoux (43), Chémery-Faulquemont (44-46), La Madeleine (47-49), Lavoye (50-51), Blickweiler (52) en Trier (53-64). De 3e eeuw is slechts vertegenwoordigd met één fragment van een Dragendorff 37, afkomstig uit de fabriek van Dubitatus-Dubitus in Trier (65), datering circa 225-250 na Chr. Produkten van deze fabrikant zijn vrij zeldzaam in ons land. Bijlage Vondstnummers en datering vondstomstandigheden 24 en 24a afvalput 2, bruine vulling, Rom + XV-XVI Rom. en Mid. vulling 32 Rom. grijze klei direct onder afvalkuil Rom 35 Rom + XlVb afvalkuil met o.a. vijzel 37 coupe B, bij huis 1, uit verschillende Rom. en Mid. lagen, Rom + XV bij huis 1 38 Coupe C, bij huis 1, uit verschilRom lende Rom. lagen 51 en 51a vlakvondsten ten westen van spoor K en vlak ten westen Rom van coupe K 58 eerste grote werkput, uitspit
1:2.
Vondstnummers en vondstomstandigheden
datering
Mid/Rom. vlak Rom 60 coupe B, ten westen van afvalkuil (v. 28), grijze Rom. kleilaag boven schelpen Rom 61 onder huis 1, o.a. uit zwarte bovenste Rom. laag en grijze Rom. klei Rom + Mid 63 Rom. vlak tussen coupe D en afvalput 2 Rom 97a huis 1, bovenste Rom. laag in coupe B ten zuiden van oudste muur Rom 98 (geen gegevens) 99 Stortvondsten 132 -werkput 12, vlak 1, spoor 001 uit coupe bij profiel Rom 156- werkput 10, vlak 1, spoor 023 coupe + uitspitten spoor Rom + Mid 162-werkput 10, vlak 2 aanlegvondsten achterste deel Rom 217-werkput 10, vlak 2, spoor 028 uitspitten 1 x 1 meter Rom + Mid 220 - werkput 10, vlak 2, spoor 047 uitspitten + coupe spoor Rom 232 - werkput 10, vlak 2, spoor 057 uitspitten van spoor Rom 259 - werkput 10, vlak 3 aanlegvondsten Rom 266 - werkput 10, vlak 3, 77
7. Alphen aan den Rijn, schaal 1 : 2. Vondstnummers en vondstomstandigheden spoor 047 restant van spoor 272 - werkput ?, vlak 1 aanlegvondsten 273-werkput 13, vlak 2, spoor 003 oostelijk verdiept deel van afvalkuil 285 - werkput 10, vlak 3, spoor 076 uitspitten spoor, laag 2, 1.00 x 1.20x0,30 304 - werkput 10, vlak 3, spoor 047 uitspitten van spoor 324-werkput 11, vlak 2 aanlegvondsten 35-39 meter 400 - werkput 11, vlak 2, spoor 105 uitspitten van spoor ten noorden van lint
78
datering Rom Rom + Mid
XlVb
Mid
Vondstnummers en vondstomstandigheden 525 - werkput 14, vlak 1 coupe G-H uit Rom. laag 529 - werkput 11, profiel noordprofiel, westzijde 537-werkput 14, vlak 1, spoor 151 uit coupe 550 - werkput 14, vlak 1, spoor 139 uitspitten van vak 0,50 x 1,00 x 0,50 meter 602 - werkput 11, profiel, spoor 106 afval, laag 2
datering Rom Rom ? Rom
Rom Rom + Mid
Rom Rom + XV-XVI
Rom
Noten 1 Julianastraat 59-61, mogelijk ook nog 57 (mededeling van de heer B. van den Berg). Zie voor de belangrijkste resultaten: Sprey 1991 en deze aflevering van Westerheem. 2 Van de bolle scherven zijn vlakke gipsafdruk-
3
4
5 6
7 8
ken gemaakt door de heer E. P. Kieft (ROB, Amersfoort) en C. A. Kalee, volgens een methode die beschreven is door KampRoosenburg en Brongers 1978. De gipsafdrukken zijn gefotografeerd door mevrouw L. Verheijen en de heer F. Hoedeman (beiden ROB, Amersfoort). De oorspronkelijke scène, waarbij Vulcanus (god van het vuur en de metaalbewerking) een zwaard (en schild?) geeft aan Peleus, komt zelden voor. Oswald vermeldt bij nr. 883 (= Peleus) een Dragendorff 30 met Vulcanus (nr. 70) en Peleus (nr. 883) uit Le Mans. De samenstelling van de versierde terra sigillata van de opgraving Julianastraat 63 (Straman 1983) lijkt sterk op die van het terrein Couvee: 38 exemplaren (= 71,5%) is import uit La Graufesenque, 15 produkten (= 28,5%) komen uit Midden- en Oostgallische fabrieken. De percentages van de tabellen A en B zijn afgerond op halve procenten. Bogaers en Haalebos 1987, speciaal p. 47 en 49. Op grond van de resultaten van het onderzoek van 1985 en jarenlange waarnemingen, verricht door de leden van de afdeling Rijnstreek van de AWN, mag men aannemen dat in Alphen aan den Rijn, of in de directe omgeving, een militaire nederzetting heeft gelegen. Op het militaire karakter van de nederzetting wijzen onder andere talrijke slingerkogels (Wassink 1986), enkele dakpanstempels van de Cohors VI Breucorum en twee pila muralia (Bogaers en Haalebos, zie boven 42 en 50). Haalebos 1977, p. 56. Haalebos 1977, p. 91 (Zwammerdam); Haalebos 1980, p. 37 (Bodegraven); Bogaers en Haalebos 1975, p. 224 (Woerden).
Literatuur Atkinson, D., 1914. A Hoard of Samian Ware from Pompeii. The Journal of Roman Studies 4, 26-64. Bogaers, J. E., en J. K. Haalebos, 1975. Woerden. Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 74, 223-224. Bogaers, J. E., en J. K. Haalebos, 1987. Opgravingen te Alphen aan den Rijn in 1985 en 1986. Westerheem 36, 40-52. Delort, E., 1953. Vases ornés de la Moselle. Nancy. Fölzer, E., 1913. Die Bilderschüsseln der ostgallischen Sigillata-Manufakturen, Bonn. Ró'mische Keramik in Trier 1.
Haalebos, J. K., 1977. Zwammerdam-Nigrum Pullum. Ein Auxiliarkastell am Niedergermanischen Limes. Amsterdam. Cingula 3. Haalebos, J. K., 1980. Versierde terra sigillata uit Bodegraven. Westerheem 29, 36-45. Huld-Zetsche, I., 1972. Trierer Reliefsigillata, Werkstatt I. Bonn. Materialien zur römischgermanischen Keramik 9. Kamp-Roosenburg, J. C , en J. A. Brongers, 1978. Making Flat Piaster Casts of Decorated Samian Ware. Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 28, 435-440. Knorr, R., 1912. Südgallische Terra-SigillataGefasse von Rottweil. Stuttgart. Knorr, R., 1919. Töpfer und Fabriken verzierter Terra-Sigillata des eisten Jahrhunderts. Stuttgart. Knorr, R., 1952. Terra-Sigillata-Gefasse des ersten Jahrhunderts mit Töpfernamen. Stuttgart. Morren, C. G. A., 1957-1958. Terra sigillata van de Romeinse nederzetting bij Zwammerdam. Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 8, 54-76. Most, E. van der, 1979. Een Romeinse oeverbeschoeiing te Alphen aan den Rijn (ZH). Westerheem 28, 25-28. Muller, G., 1968. Das Lagerdorf des Kastells Butzbach. Die Reliëfverzierte Terra Sigillata. Berlin. Limesforschungen 5. Ooyevaar, R. J., 1984. Enkele vondsten uit de omgeving van de „Plofsluis" in Nieuwegein. Westerheem 33, 142-145. Oswald, F., 1936-1937. Index of Figure-Types on Terra Sigillata („Samian Ware"). Liverpool. The annals of Archaeology and Anthropology (supplement). Oswald, F., 1948. The Terra Sigillata (Samian Ware) of Margidunum. Nottingham. Pferdehirt, B., 1976. Die Keramik des Kastells Holzhausen. Berlin. Limesforschungen 16. Rieken, H., 1934. Die Bilderschüsseln der Kastelle Saaiburg und Zugmantel. Saaiburg JahrbuchS, 130-182. Sprey, S., 1991. Alphen aan den Rijn, opgraving Couvee. Westerheem 40, 292-295. Straman, A. M., 1983. Terra sigillata uit Alphen aan den Rijn. Opgraving Julianastraat 63. Westerheem 32, 268-274. Wassink, A., 1986. Romeinse slingerkogels. Gevonden bij het archeologisch onderzoek naar het castellum Albaniana. Westerheem 35, 197-202. Ulst7 3861 LVNijkerk
79
Vermelding van graffiti uit Alphen aan den Rijn B. van den Berg Tijdens de opgraving van het Couvee-terrein konden vijf graffiti op scherven van gladwandig aardewerk worden geborgen. Slechts in één geval was een typering mogelijk, namelijk bij nummer 2 (afb. 1), hieronder aangegeven. Het gaat om een wrijfschaal type Stuart 149, datering TiberischV, waaraan vanwege de niet buiten de rand
5.
1. Graffiti uit Alphen aan den Rijn. 80
uitstekende schenktuit de nadere aanduiding B dient te worden toegevoegd, die staat voor een quasi schenktuit. Vóór het graffito VIROT hebben zich geen tot dit woord behorende letters kunnen bevinden. De breuk achter het woord laat de mogelijkheid van meerdere letters onverlet. J. E. Bogaers, die bereid werd gevonden alle
getekende graffiti te lezen, concludeerde dat het hier hoogstwaarschijnlijk om de Keltisch/Gallische naam Virotus gaat1. Bij nr. 1 is duidelijk sprake van II ADIVTORIS = soldaat van Centurio? Nr. 3 levert bij extrapolatie van de ontbrekende delen van de letters het woord VALERI (Valerius) op. Graffito I ING zal afkomstig zijn van INGENVI, eveneens een soldaat = ingenius van Centurio? Bij nr. 5 heeft J. E. Bogaers door extrapolatie van de vele gehalveerde letters zeer aannemelijk gemaakt dat het om de tekst RVFINI . CRISPI gaat, m.a.w.: Crispus onder commando van de Centurio Rufinus. Graffiti op amforen2 Op een amfoor Dressel 20/Stuart 138 (afb. 2) zijn volgens Van der Werff, misschien na een pottebakkersparaaf H, te lezen de woorden CEN(turiae) SYNODIA(ni) VECIL(i), hetgeen zou kunnen betekenen: eigendom van Marcus Vecilius, die behoort tot de centurie van Synodianus. Zowel de lezing als de interpretatie van de graffiti zijn aanvechtbaar. Zo is het gebruikelijke afkortingsteken
2. Graffiti op een amfoor Dressel 20/Stuart 138.
voor centuriae een achterstevoren geschreven C of het teken >. In dit geval zou CEN achterstevoren zijn geschreven, terwijl het cognomen Synodianus (of het gentilicium Synodius) nergens bekend is in de literatuur. Ook is de lezing van de tekens die een M zouden kunnen zijn, problematisch. Ten slotte is ook de lezing van VECILI niet absoluut zeker. Verder op een amfoor Dressel 20 op de halsrand: IIV TFL (afb. 3). Afkortingen als TFL worden vaak aangezien voor de initialen van de tria nomina, de drie namen die Romeinse burgers droegen. In dit geval kan ook gedacht worden aan T(ritici) FL(os): tarwebloem. IIV zou dus betekenen dat in de amfoor zeven modii (61,278 liter) tarwebloem aanwezig was.
3. Graffito op een amfoor Dressel 20.
81
V/v / yv 2.
4. Graffiti op terra sigillata en gladwandig aardewerk.
Graffiti op terra sigillata Op een Drag. 33 werd vermoedelijk een tekst, eindigend op ]TANIUS aangebracht (afb. 4;1). Verder werd op een scherf van hetzelfde type terra sigillata de graffiti van afbeelding 4;2 aangetroffen. Tot slot de vermelding van de vondst van graffiti op een wandscherf van gladwandig aardewerk (afb. 4;3).
82
Noten 1 Met dank aan de heer Bogaers voor zijn grote inbreng in dezen. 2 Met dank aan J. H. van der Werff (ROBAmersfoort).
Annie M. G. Schmidtlaan 38 2343 BH Oegstgeest
Was er eigenlijk wel een Romeins castellum in Alphen aan den Rijn? Alfred Wassink Inleiding In het Rijnstreeknummer van Westerheem 1983 no. 5 werd een poging gedaan een hypothese op te stellen met betrekking tot de ligging van het Romeinse castellum te Alphen. Dit gebeurde op basis van de resultaten van achttien archeologische onderzoeken en verkenningen, waarbij tevens de topografische ligging van het veronderstelde castellumterrein werd geanalyseerd'. Het castellum zou liggen binnen een „delta" of op een „eiland", dat omsloten werd door twee alternatieve mondingen van een veen-
afwatering, de Molenvliet, die in de 17e eeuw werden uitgegraven tot één kanaal, dat wij thans kennen als het Kanaal achter Alphen; een merkwaardig U-vormig singeltje, dat in de afgelopen jaren gedeeltelijk werd overbouwd (zie afb. 1). Bij de opstelling van de hypothese speelden de bij de opgravingen 2 (1950), 4 (1950'51), 13 (1970/'71) en 17 (1981) gevonden ingravingen, die als castellumgrachten werden geïnterpreteerd, een rol; tevens werd verondersteld dat het in 1959 gevonden grote stenen gebouw (opgraving 8) wel in het
ARCHEOLOGISCHE WERKGEMEENSCHAP VOO» NEOERLAND ald.RUNSIREEK CENTRUM ALPHEN
1. Het Romeinse Alphen. De in 1983 veronderstelde ligging van het castellum is door het gestippelde grachtenverloop aangegeven. Voor de aangegeven opgravingen 1-18 wordt verwezen naar Wassink 1983. De opgravingen 19-26 worden in dit artikel besproken. De opgravingen 11, 12, 15 en 26 zijn niet meer aangegeven. 83
midden van het castellum zou hebben gelegen2. Na 1983 ontstond er veel belangstelling voor de archeologie van Alphen, hetgeen o.a. leidde tot acht nieuwe onderzoeken in de omgeving van het veronderstelde castellumterrein, alsmede één opgraving, iets verder ervan verwijderd, namelijk de opgraving bij „de Schans", door het Rijksmuseum van Oudheden. Het lijkt zinvol de in 1983 opgestelde hypothese te toetsen aan de nieuw beschikbaar gekomen resultaten en die zonodig nader bij te stellen. Acht recente archeologische onderzoeken naar het castellum Hieronder bespreken wij zeer kort de resultaten van de acht onderzoeken; zij zijn genummerd 19-26 (zie afb. 1). 19. In 1984 verrichtte de AWN een onderzoek achter de percelen Julianastraat 13-17, op het zuidwestelijke punt van het door het Kanaal achter Alphen omsloten terrein. In een Romeinse context werden daar o.a. 57 slingerkogels, een fundament, tien munten daterend uit de 1e eeuw en het begin van de 2e eeuw en sloot- of grachtachtige ingravingen gevonden3. 20. In 1985 werd door de AWN een proefput gegraven in de tuin van perceel St. Jorisstraat 4, juist ten noorden van de, in 1983 veronderstelde, noordelijke binnenste castellumgracht. De grond bleek gedeeltelijk verstoord te zijn; archeologische sporen werden niet aangetroffen4. 21. In 1985 werd door de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN) een werkput gegraven op de hoek Castellumstraat en de Stevinstraat. Dit onderzoek leverde geen grondsporen op uit de Romeinse tijd, maar slechts enige noord-zuid lopende slootachtige ingravingen5. 22. In 1985 werd door de KUN ook een onderzoek gedaan aan de Julianastraat, direct naast de locatie waar in 1953 het onderzoek 6 plaatsvond. Het onderzoek leverde op: de zuidelijke en wellicht ook westelijke rand 84
van een houten gebouw, waarschijnlijk een militaire barak uit het midden van de 1e eeuw na Chr.; houten goten, die de onderzoekers herinneren aan de latrines in de woningen van de centuriones in het oudste castellum van Valkenburg (ZH)5. 23. In 1986 verrichtte de KUN nogmaals een opgraving, nu ten oosten van het Kanaal achter Alphen. Bij dit onderzoek werden slechts weinig grondsporen uit de Romeinse tijd aangetroffen; slechts twee of drie slootjes met een vulling met veel Romeinse scherven, maar ook enkele stukken middeleeuws aardewerk. De onderzoekers denken aan een na-Romeinse verkaveling6. 24. In 1988 voerde E. van der Most een verkenning uit in een grote bouwput op de hoek van de Castellumstraat en de Paradijslaan, d.w.z. direct buiten het door het Kanaal achter Alphen omgeven „eiland". In de bouwput trof hij, in een ondergrond van klei, ten minste vier ronde sporen aan, gevuld met een humusrijk pakket. In dit pakket vond hij Romeins aardewerk, waarbij veel complete exemplaren. De onderzoeker veronderstelt van doen te hebben met de onderzijde van waterputten7. 25. Tussen 1989 en 1990 werd door de AWN een, in dit nummer van Westerheem beschreven, groot onderzoek uitgevoerd aan de Julianastraat; aangrenzend aan de terreinen van de onderzoekingen 17 en 23. Gevonden werden: twee grote gebouwen, waarbij gedacht wordt aan opslagloodsen; een meer dan 25 meter lange watergoot, uitmondend in een tonput; 39 munten; enkele schrijfstiften en relatief veel aardewerk met een opslagfunctie. Kortom: een groot terrein, waarop in de Romeinse tijd economische activiteiten moeten hebben plaatsgevonden". 26. In 1991 werd door de ROB en het Rijksmuseum van Oudheden een noodopgraving uitgevoerd op het terrein van de voormalige Samson-uitgeverij, juist ten noorden van het door het Kanaal achter Alphen omsloten „eiland", doch ten westen van de Wilhelmi-
nalaan, dat is het verlengde van de Julianastraat. Het grootste deel van het terrein bleek ernstig verstoord door postmiddeleeuwse en moderne fundamenten. Alleen aan de Rijnzijde was er onder de verstoorde niveaus nog een donkere laag herkenbaar, die zeer veel Romeins aardewerk en bouwafval bevatte. Tegen de Wilhelminalaan werd dit niveau afgesneden door een opgevulde Rijnbedding, waarin nog resten van houten beschoeiingen aanwezig waren. Bijzonder was de vondst van een bronzen waterspuiter, in de vorm van een leeuwekop, mogelijk ooit een onderdeel van een rijkversierde fontein in het Romeinse Alphen9. Toetsing van de hypothese De vondst (bij opgraving 19) van 57 slingerkogels, veelal duidelijk ingetrapt in het Romeinse loopvlak, doet veronderstellen dat de kogels daar werden gebruikt. Dit zou betekenen dat het door het Kanaal achter Alphen omsloten „eiland" op dat hoekpunt werd bewaakt. Dit bevestigt het belang van het eiland als bewoningscentrum, doch roept onmiddellijk de vraag op waarom daar, en niet bij de veronderstelde castellumgrachten, de bewaking was gesitueerd. Het bij deze opgraving gevonden stevig onderheide fundament met daaromheen liefst tien Romeinse munten wijst op economische activiteiten ter plaatse of, minder waarschijnlijk, de aanwezigheid van een altaar of iets dergelijks. Bij het onderzoek 20 in een tuin ten noorden van de St. Jorisstraat werden in de verstoorde grond geen Romeinse sporen gevonden. Evenmin was dit het geval toen het Biologisch Archaeologisch Instituut (BAI) in 1953 in een andere tuin in dezelfde straat een proefsleuf groef. Deze resultaten bevestigen de hypothese dat het gebied ten noorden van de St. Jorisstraat buiten het castellum was gelegen. Ook het negatieve resultaat van opgraving 21 bevestigt de in 1983 geformuleerde AWN-hypothese. Anders is dat het geval met de interessante opgraving 22; de vondst van de zuidzijde van een soldatenbarak zo
dicht bij de, in de St. Jorisstraat veronderstelde, binnenste castellumgracht zou betekenen dat die gracht noordelijker zou moeten worden gezocht. Het onderzoek 23 leverde weinig op; alleen leidde de vondst van wederom sloot- of grachtachtige ingravingen bij Van der Most tot de conclusie dat de eerder bij de opgravingen 2 en 17 als castellumgracht geïnterpreteerde ingravingen dat niet zijn, maar als gewone afwateringssloten zijn te beschouwen10. Met deze conclusie kunnen wij ons, mede omdat er ook bij de opgraving 25 wederom van dit soort ingravingen zijn gevonden, verenigen. Het graven na 1660 van het Kanaal achter Alphen had immers ook tot doel het probleem van de wateroverlast op te lossen. De verkenning 24 toont interessante, doch onduidelijke bewoningssporen juist buiten het door het Kanaal omsloten „eiland" en zeker buiten de veronderstelde ligging van het castellum. De plek ligt bij de monding van de Molenvliet, in het Kanaal achter Alphen. Theoretisch bestaat de mogelijkheid dat de twee alternatieve mondingen van de Molenvliet iets westelijker uiteengingen dan de rechthoekige vergraving tot Kanaal achter Alphen na 1660 nu suggereert. In dat geval zou de verkende locatie toch nog op het „eiland" hebben gelegen. Ook is het mogelijk dat op deze plaats de toegangspoort tot het „eiland" was gevestigd. Deze poort zou dus eventueel buiten het eiland kunnen hebben gelegen. Anderzijds kunnen het ook sporen zijn van een civiele bewoning buiten het castellum, een vicus. De vondsten van de, voor Alphen, grote opgraving 25 duiden op economische activiteiten: grote loodsen, watergoten, veel munten, veel aardewerk met een opslagfunctie, schrijfstiften. Men denkt al snel aan de aanwezigheid van een forum, een markt, op deze plaats, die juist buiten de veronderstelde ligging van het castellum is gesitueerd. Ten slotte levert de opgraving 26 geen nieuwe inzichten ten aanzien van het Romeinse Alphen. Slechts de vondst van een onder85
deel van een rijkversierde fontein zou erop kunnen wijzen dat er in Albaniana een plein geweest moet zijn waarop een fontein tot zijn recht kwam. Twijfel Hierboven schreven wij reeds dat er bij ons ernstige twijfel bestaat ten aanzien van de bij vroegere opgravingen gevonden, als „castellumgracht" geïnterpreteerde, ingravingen. Zij vormden wel een uitgangspunt bij de opstelling van onze hypothese ten aanzien van de ligging van het castellum. Daarnaast is er ernstige twijfel gerezen ten aanzien van de in 1959 door de ROB gevonden „ingeheide iepehouten palen" van „een groot stenen gebouw" (opgraving 8), dat „dateert uit het laatste kwart van de tweede of het eerste kwart van de derde eeuw"". De bestudering van de betreffende ROB-tekeningen toont funderingsconstructies die overeenkomen met de door Baart c.s. gepubliceerde „Amsterdamse funderingstechniek" en die wordt gedateerd in de 16e eeuw12. Ook zijn de door de ROB getekende steenmaten (29 x 13 x 6/6,5 en 31 x 13 x 8,5 cm) eerder als middeleeuws dan als Romeins te beschouwen. Daarbij komt dat de in 1916 afgebrande N.H.-kerk bijna op de opgegraven plaats stond en hetzelfde patroon in de noordmuur had als de gevonden heipalen op de opgravingstekening aangeven. Vergelijking van de palen van opgraving 8 en de muren van de in 1916 verbrande kerk suggereren wel sterk dat de getekende palen het fundament vormden van bijvoorbeeld de kerk die daar ter plaatse in 1619 eveneens afbrandde13. Bij de opstelling van de hypothese in 1983 werd verondersteld dat het stenen gebouw aan de midden door het castellum lopende Via Principalis zou hebben gelegen. Conclusie Uit het bovenstaande blijkt wel dat de spaarzame archeologische sporen waarover wij in 1983 meenden te beschikken en op basis waarvan wij onze hypothese over de ligging van het castellum Albaniana opstelden, door nader onderzoek anders geïnterpreteerd dienen te worden. De resultaten van de acht 86
nieuwe onderzoekingen of verkenningen verduidelijken ons inzicht ten aanzien van het castellum niet. Wij beschikken thans over de resultaten van 26 archeologische onderzoekingen naar Romeins Alphen, terwijl de AWN zeker de laatste twintig jaar daar zeer actief was, zodat er nauwelijks mogelijkheden van waarneming zijn gemist. En wat weten wij nu? Ten eerste dat de Romeinse bewoning vooral gezocht moet worden op het door het Kanaal achter Alphen omsloten „eiland"; ten tweede dat er sporen van Romeinse militaire aanwezigheid te vinden zijn op een relatief klein gebied tussen de Castellumstraat en de St. Jorisstraat en misschien onder de N.H.-kerk; ten derde dat ten zuiden van de N.H.-kerk wel veel Romeinse sporen zijn te vinden, maar dat die eerder een burgerlijk en economisch karakter dragen dan een militair. Het feit dat de Rijn in de loop der eeuwen enige Romeinse sporen heeft weggespoeld, kan ons inziens het beeld niet belangrijk beïnvloeden, omdat dit hoogstens om een beperkt aantal meters gaat. Wij menen thans dan ook dat er met betrekking tot het Romeinse Alphen nog slechts twee mogelijkheden overblijven: A. Albaniana moet eerder als een marktplaats, een forum, met een daaraan verbonden militair station, worden gezien, dan als een echt castellum. Men zou zich kunnen indenken dat toen in 47 na Chr. de militaire stations langs de Rijn werden omgebouwd tot grotere en meer permanente castella, het militair station te Albaniana ongewijzigd gehandhaafd bleef, bijvoorbeeld omdat het castellum Nigrum Pullum te Zwammerdam maar op een afstand van ruim 3 km verwijderd lag! B. Het castellum Albaniana lag vooral op het terrein ten noorden van de St. Jorisstraat, waar onder meer het postkantoor van Alphen ligt. In dit gebied werd nog weinig archeologisch onderzoek verricht; vondstmeldingen uit deze omgeving zijn zeer schaars. De auteur van dit artikel kiest voor de hypothese A, een keuze die evenwel niet door al zijn werkgroepvrienden wordt gedeeld! De vondst van een onderdeel van een rijkversierde fontein helpt zijn fantasie ook enigs-
zins op weg in de richting van een fraai plein in het voormalige Forum Albanianae 14 . Noten 1 Zie Wassink 1983. 2 De opgravingen 1-18 zijn zeer kort besproken in Wassink 1983; op afbeelding 1 zijn de locaties aangegeven. 3 Zie Intern Rapport over deze opgraving van AWN, Afdeling Rijnstreek en Wassink 1986. 4 Deze opgraving werd niet gepubliceerd. 5 Zie Bogaers en Haalebos 1987. 6 Bogaers en Haalebos 1987. 7 Zie Van der Most 1989. 8 Zie Sprey 1991 en Sprey in dit nummer, pag. 57. 9 Archeologische kroniek Zuid-Holland 1991 in Holland, 24, nr. 6 p. 363. 10 Zie Van der Most 1987. 11 Zie Nieuwsbulletin KNOB, 1959, p. 84 en 98/99; ROB tek. 31C-4N-1/31C-4N-34. 12 ROB-tekeningen 31C-4N-37 en 31C-4N-35. Zie Baart c.s. ill. 34 pag. 46. 13 Zie Regt 1932. 14 Wij danken de provinciaal-archeoloog W. Hessing voor zijn commentaar op het concept van dit artikel.
Literatuur Baart, J., e.a., 1977. Opgravingen in Amsterdam. 20 Jaar stadskernonderzoek. Haarlem. Bogaers, J. E., en J. K. Haalebos, 1987. Opgravingen te Alphen aan den Rijn in 1985 en 1986. Westerheem 36, 40-52. . Most, E. van der, 1987. De gracht die een slootje is. Westerheem 36, 52-54. Most, E. van der, 1989. Romeinse bewoning in Alphen uitgebreider dan gedacht. Westerheem 38, 16-22. Regt, W. M. C , 1932. Gedenkboek ter gelegenheid van het 350-jarig bestaan der Ned. Herv. Gemeente te Alphen aan den Rijn. Sprey, S., 1991. Alphen aan den Rijn, opgraving Couvee. Westerheem 40, 292-295. Wassink, A., 1983. Het Romeinse castellum te Alphen aan den Rijn. Westerheem 32, 296302. Wassink, A., 1986. Romeinse slingerkogels. Westerheem 35, 197-202.
Johan W. Frisolaan 53 2252 HD Voorschoten
87
Middeleeuwse sporen en vondstmateriaal L. A. den Hollander Inleiding De opgraving op het voormalige „Couvee"terrein in Alphen aan den Rijn heeft binnen de verschillende laat-middeleeuwse vondstgroepen een groot aantal vondsten opgeleverd. Zoals gebruikelijk bestaat het leeuwedeel van de vondsten uit aardewerkfragmenten. Dit artikel beoogt door publicatie van de gedateerde vormen een bijdrage te leveren aan de kennis van het laat-middeleeuwse gebruiksaardewerk. Hierbij staat de vondstgroep van röodbakkend gebruiksaardewerk, die is afgebeeld in de afbeeldingen 2 t/m 5, centraal. Vermeldenswaardige metaalvondsten zijn in afbeelding 6 weergegeven. Er is in verband met de brede dateringsband van het vondstmateriaal gekozen voor opsplitsing in twee publicaties. Dit eerste deel behandelt het vondstmateriaal afkomstig uit grondsporen welke zijn te dateren tussen 1175 en 1500. Naast een beknopte beschrijving van de afgebeelde aardewerk- en metaalvondsten wordt het aangetroffen botmateriaal behandeld. De vondstgroep van het laat-middeleeuws röodbakkend gebruiksaardewerk is mede via de sinds 1985 bij de AWN-afdeling Rijnstreek in gebruik zijnde aardewerktypologie gedetermineerd. Deze typologie van laat-middeleeuws aardewerk omvat een catalogus met een groot aantal getekende en geïnventariseerde gebruiksvormen van rood- en witbakkend aardewerk. De samenstelling is gebaseerd op gepubliceerde opgravingsverslagen, aangevuld met drie door de AWNafdeling Rijnstreek uitgevoerde kasteelopgravingen. Het totale aantal bij Couvee opgegraven roodbakkende vormen is beduidend groter dan die hier afgebeeld zijn. Deze afbeeldingen, welke op schaal 1:4 zijn afgedrukt, omvatten uitsluitend de aanvulling van de aardewerktypologie. De locatie Het opgravingsterrein is gelegen ten westen van de Julianastraat. In de laat-middeleeuw-
se situatie ligt het terrein achter de westelijke dijk van de Rijn. Deze dijk zal in dit verslag verder als Rijndijk worden vermeld. Historische gegevens Archiefgegevens welke onze opgravingsgegevens in directe zin completeren, zijn slechts summier aanwezig. Mogelijk zal hernieuwd archiefonderzoek nieuwe informatie verschaffen. De oorkonde, gedicteerd door mr. Hendrik Allerdszoon van Middelburg, clericus van de graaf, is voor het totaalbeeld van de Alphense geschiedschrijving zeker van belang. In deze oorkonde van 30 mei 1273 staat Graaf Floris V het patronaatsrecht van de kerk in „Alfen" af aan de abt van het convent van Sint Paulus te Utrecht. Deze kerk was vermoedelijk voor het gebied rond „Alfen" het middelpunt van de geloofsbeleving en had op de directe omgeving zeker een stimulerende werking. „Alfen" bezat door de aanwezigheid van deze kerk mogelijk enige bestuurlijke en hierdoor economische invloed. Historisch-watei staatkundige gegevens Gezien de opgravingslocatie is enige informatie betreffende de functie van de Rijndijk in de laat-middeleeuwse waterhuishouding in dit deel van het kwetsbare laaggelegen Hollandse land zeker gewenst. Door verzanding van de Rijnmonding bij Katwijk aan Zee ontstaan in de 12e eeuw problemen met de waterhuishouding in het gebied ten oosten van Leiden. Men besluit tot het afdammen van de Rijn op de grens met het Nedersticht (Bisdom Utrecht). Op 25 november 1165 beslist keizer Frederik van Barbarossa dat de dam verwijderd moet worden en de Rijn zijn onbelemmerde loop moet blijven behouden. Hierna werden de bestaande watergangen1 naar de boven Leiden gelegen meren gekanaliseerd. Het in de meren samenkomende Rijnwater werd via het Spaarne op het IJ afgevoerd. De Rijndijk had als waterkering een tweeledige functie. Secun-
dair zorgde het voor bescherming bij verhoogde rivierafvoer. Van groter belang was de functie als slaperdijk (binnendijk) bij doorbraak van één van de noordelijke dijken langs het IJ. In deze situatie beschermde de Rijndijk het zuidelijke achterland tegen het oprukkende water. In omgekeerde volgorde werd bescherming geboden aan het noordelijke achterland bij een doorbraak van de Maas- of Lekdijk. De eerste vermelding van „ene dijck lopende van Zwammerdam tot Catwijc an 't hoge" (hoge gronden) bevindt zich in een keur van „de Hyemraders van Rijnland" van 1330. Tevens vermeldt deze keur de afmetingen van het dijklichaam. De breedte en hoogte waren ieder gesteld op 5 voet2, beide zijden schuin opgaande, „twee voet van den utercant" liggende. De eerste vermelding van deze opgeworpen dijk als Rijndijk vindt plaats in het eerste kwart van
de 15e eeuw. In de jaren 1424 en 1425 blijkt de noodzaak de Rijndijk te verzwaren, de voorgeschreven hoogte- en breedtematen bedroegen resp. 6 en 9 voet. In oktober 1509 breken de Spaarndamse- en de Velzerdijk. Direct blijkt de belangrijke functie van de Rijndijk als vervangende zeedijk. Met de commissaris van het hof als coördinator nemen de belanghebbende steden Rotterdam, Leiden, Delft, Gouda en Oudewater in samenwerking met de Hoogheemraadschappen van Rijnland, Schieland en Delfland het besluit de Rijndijk voor de komende winter op te hogen. De vondstcomplexen Een 12e-/13e-eeuwse greppel De opvulling van een oost/west georiënteerde sloot/greppel (zie afb. 1) bevatte naast
JUtiANASTRAAT
1. Overzicht van de middeleeuwse sporen. 1. Bestaande bebouwing; 2. trottoir Julianastraat; 3. 12e-ll3e-eeuwse greppel/sloot; 4. 14e-ll5e-eeuwse mestkuil; 5. 14e-/J5e-eeuwse kuil; 6. het terrein binnen deze omkadering is niet per vlak opgegraven.
89
2. Middeleeuws aardewerk van het Couvee-tenein. 90
3. Middeleeuws aardewerk van het Couvee-terrein. Romeins aardewerk een klein aantal aardewerkfragmenten, afkomstig uit Pingsdorf (4 ex.), Paffrath (7 ex.) en Andenne (1 ex.). Van deze fragmenten is alleen de Andennetuitpot (afb. 5a) als gebruiksvorm herkenbaar. De eerste aanleg van deze greppel/sloot is door de Andenne tuitpot mogelijk te dateren rond 1175. De doorsnijding van spoor 28 (mestkuil 1375-1425) begrenst de datering tussen 1175 en 1425. De afwezigheid van andere soorten middeleeuws aardewerk wijst op een mogelijk scherpere
datering tussen 1175 en 1225. Algemeen stelt men de datering van het Paffrath-aardewerk tot 12253. De structuur van de opvulling, in combinatie met het geringe aantal middeleeuwse vondsten, bepleit een korte gebruiksperiode. De vermelding uit 1273 van eerdergenoemde kerk completeert de 13e-eeuwse opgravingsgegevens. Kuilen 1375-1500 Deze grondsporen bestaan uit een groot aantal kuilen, die opvallend rechthoekig zijn 91
uitgegraven. De delvers verdiepten de primair voor de kleiwinning gegraven kuilen tot 10 cm boven de grondwater voerende zandlagen (1,40/1,50 m -NAP). Het overblijvende dunne kleilaagje diende als bescherming tegen het opkomende grondwater. Hieruit spreekt een gedegen kennis van de ondergrond. Van het aantal van 31 aangetroffen kuilen zijn er 29 stuks gedetermineerd, 18 kuilen waren geheel of gedeeltelijk met een mestlaag opgevuld. De opvulling van de overige kuilen bestond uit een mengsel van vervuilde klei. In het zuidoostelijke deel van het terrein werd in vijf kuilen (sporen 77/135/136/137/138) produktieafval van een zelflooiende leerbewerker aangetroffen. Het algemene beeld dat de kuilen snel of zo mogelijk direct na het graven geheel zijn opgevuld, is ook op deze vijf kuilen van toepassing. Aardewerk en leervondsten4 dateren de kuilen binnen de volgende perioden: de periode 1375-1425 2 kuilen 6,8% [1] de periode 1375-1450 5 kuilen 17,2% [2] de periode 1400-1450 20 kuilen 68,9% [3] de periode 1400-1500 2 kuilen 6,8% [4] 29 kuilen 99,7% Als begeleiding bij de afbeeldingen 2 t/m 6 is in onderstaand overzicht achter het afbeeldingsnummer de datering van het corresponderende grondspoor vermeld (zie bovenstaand periode-overzicht [ ]). 2.A. [2] 3.D. [2] 4.J1. [3] 4.P4. [3] 5.H2.[3] 2.B. [3] 3.E. [2] 4.J2. [3] 4.P5. [3] 5.1. [3] 2.C. [2] 3.F. [3] 4.J3. [3] 5.D. [3] 5.J. [3] 2.D. [2] 4.A. [3] 4.J4. [3] 5.E. [3] 5.K. [2] 2.E. [2] 4.B. [2] 4.J5. [3] 5.F1. [3] 5.L1.[2] 2.F. [2] 4.C. [3] 4.L. [2] 5.F2. [3] 5.L2. [3] 2.G. [3] 4.D. [3] 4.M. [3] 5.F3. [3] 5.L3. [2] 2.H. [3] 4.E. [3] 3.N. [2] 5.F4. [2] 5.N. [3] 2.1. [2] 4.F. [2] 4.O. [2] 5.G1.[2] 6.A. [2] 3.A. [2] 4.G. [3] 4.P1. [4] 5.G2. [3] 6.B. [2] 3.B. [3] 4.H. [3] 4.P2. [2] 5.G3. [3] 6.C. [3] 3.C. [4] 4.1. [3] 4.P3. [3] 5.HI. [2] 6.D. [3] Roodbakkend aardewerk uit de kuilen Kookpotlgrape Algemeen zijn de kookpotten en grapen spaarzaam geglazuurd, elk exemplaar vertoont roet- of brandsporen. Bij de kookpot92
ten afb. 2A/B/C gaat de schouder vanuit het ronde potlichaam met een scherpe knik in een trechtervormige hals over. De twee haakvormige oren zijn iets boven het eenvoudig afgewerkte randprofiel aangebracht. Deze oren zijn rechthoekig van vorm, ter plaatse van de knik is de doorsnede iets afgeplat. Haakoren zijn vanuit deze opgraving uitsluitend op tweeorige kookpotten aangetroffen; de kuilen waarin haakoren zijn aangetroffen, hebben een datering tussen 1375 en 1450. Parallellen van kookpotten met haakoren zijn voor zover bekend, aangetroffen in de gemeenten Leiden, Delft5, Amsterdam en Alkmaar6. Maar ook in de verdwenen plaatsen Reimerswaal en Nieuwlande (Zeeland) is deze oorvorm aangetroffen. Of deze oorvorm kan worden toegeschreven aan een bepaalde regio of produktieplaats, is mij onbekend (zie afbeelding 2A t/m I). Voorraadkan De aangetroffen voorraadkannen zijn algemeen voorzien van een hals met dekselgeul. Het worstoor is iets verlaagd onder de schenkrand aangebracht. Per kan varieert het aantal lobvinnen tussen de zes en negen stuks. Uitgezonderd de binnenzijde van de halsrand en bodem, zijn de voorraadkannen ongeglazuurd (zie afbeelding 3A/F). Koekepan De koekepannen zijn algemeen aan de binnenzijde geglazuurd en voorzien van een platte steel met duimrust. Van de 27 exemplaren zijn er 17 stuks (63%) met een verdikt omgeslagen rand uitgevoerd. Bij twee stuks (7%) is de omgeslagen rand iets scherp geprofileerd. Van de acht exemplaren met dekselgeul (30%) zijn er twee stuks (afb. 3K) van een gegolfde/geplooide buitenrand voorzien (zie afbeelding 4A/K). Kom/schaal Op de bovenrand van een kom (afb. 4L) zijn als decoratie stippen van witbakkende klei aangebracht. De binnenzijde en bovenrand zijn met loodglazuur bedekt. De kom (afb. 4N) is geheel geglazuurd. Een andere kom (afb. 4M) heeft een scherp uitgedraaide bovenrand, aan de binnenzijde is onder de gla-
4. Middeleeuws aardewerk van het Couvee-terrein. 93
5. Middeleeuws aardewerk van het Couvee-terrein. 94
zuurlaag een witbakkende engobe aanwezig. De uitsluitend aan de binnenzijde geglazuurde schaal (afb. 4O) heeft een doorsnede van 21 cm, staande op de drie uitgeknepen lobvinnen is de totale hoogte 8 cm. Bijzonder aan deze schaal is de tot nu toe weinig aangetroffen decoratie, bestaande uit een gegolfde/geplooide buitenrand. Zie afbeelding 4L/P1/5. Bord Het enige complete bord (afb. 5D) is aangetroffen op de bodem van spoor 138. Het aan de binnenzijde geglazuurde bord heeft een diameter van 27 cm en is staande op de vier schelpvormige lobvinnen 4,5 cm hoog. De lobvinnen vertonen geen slijtsporen. Het doorsnedeprofiel heeft een opvallende gelijkenis met in Utrecht geproduceerde borden. Op de schotelbodem is in witte engobe een vogelafbeelding (afb. 6) aangebracht. De contouren zijn in sgraffito gedetailleerd benadrukt. Aan de buitenzijde van de schotelbodem is de afbeelding omsloten door een brede witte lijn (cirkel). Als omlijsting zijn op de buitenrand zeven korte brede witte strepen aangebracht. Parallellen van deze decoratiestrepen zijn aangetroffen in
Utrecht, Amsterdam en Leiden. Van de drie andere borden zijn slechts kleine randfragmenten aangetroffen. Wijst dit kleine aantal aardewerken borden (zie afbeelding 5D/F1/4) op het veelvuldig gebruik van de houten telor? Deksel De deksel is een gebruiksvorm die in laatmiddeleeuwse opgravingen relatief weinig wordt aangetroffen. Hierop vormt de opgraving „Couvee" met vier exemplaren geen uitzondering. De diameter van de aan de buitenzijde geglazuurde deksels is 11 cm. Bij één exemplaar is de aanzet van het oorhengsel zichtbaar. Zie afbeelding 4,G 1/3. Aspotlvoorraadpot De ongeglazuurde aspot (afb. 51) heeft een opvallend ronde grondvorm. Op de schouder is een gegolfde kamstreekversiering aangebracht. Verder vertoont de binnenzijde de voor aspotten gebruikelijke witte aanslag. Van de twee voorraadpotranden heeft die van afbeelding 5H1 een rechte hals met een iets ingedraaide bovenrand. De rand (afb. 5H2) is zonder hals direct op de schouder geplaatst. Vetvanger De vetvanger (afb. 5J) is aan de binnenzijde geglazuurd. Als decoratie zijn op de bovenrand vingerindrukken aangebracht.
6. Bord, versierd met witte engobe en sgraffito.
Vuurklok Boven de insnoering van de ongeglazuurde onderrand (afb. 5L3) zijn enkele strepen ingekrast. Deze versieringsvorm is verder aangetroffen in de gemeente Leiden (Marktenroute, eind 14e-eeuwse context). Het geglazuurde handvat (afb. 5M) is aan de bovenzijde met vingerindrukken afgewerkt. Op wandfragmenten, afkomstig ter weerszijden van dit handvat, zijn twee opgelegde rozetten (afb 5K) aangetroffen. Eén rozet maskeert het bovenste luchtgat, de andere heeft uitsluitend decoratieve waarde. De parallel van deze decoratievorm, maar dan als maskering voor het onderste luchtgat van een vuurklok, is tevens aangetroffen in de 95
Marktenroute te Leiden. Zie afbeelding 5K, L1/3.M. Kruik Het halsje (afb. 5N) is afkomstig van een kruikje of zuigflesje. Het maakt mogelijk deel uit van de 14e-eeuwse witbakkende produktie van Langerwehe. In de glazuurlaag zijn door toevoeging van koperoxyde tijdens het bakproces groene vlekken ontstaan. Halsfragmenten van dit karakteristieke kruikje/zuigflesje zijn regelmatig in de Leidse regio aangetroffen7. Analyse van de keramiekvondsten De in deze keramiekanalyse vermelde aantallen en procentuele verhoudingen zijn opgebouwd uit de gegevens van de afzonderlijk uitgewerkte kuilen. Het gemiddeld kleine aantal MAE (Minimum Aantal Exemplaren) per kuil, de smalle dateringsband (92,9% tussen 1375 en 1450) en de gedachte dat deze kuilen niet aan bebouwingssporen koppelbaar zijn, ligt aan deze benaderingswijze ten grondslag. Van de drie geïmporteerde aardewerksoorten Pingsdorf, Paffrath en Andenne zijn respectievelijk 67, 93 en 7 fragmenten verzameld. Deze scherven zijn regelmatig in combinatie met Romeins aardewerk als opspit uit later te dateren (1375-1450) kuilen aangetroffen. Een duidelijk voorbeeld van deze opspit werd aangetroffen in spoor 106. In deze gelaagd opgevulde kuil werd het jonger te dateren roodbakkende aardewerk enkele lagen onder het Pingsdorf- en Paffrathaardewerk verzameld. Gemiddeld zijn de grootste concentraties van dit 12e-/13e-eeuwse aardewerk in het oostelijke terreindeel aangetroffen. (Zie voor de Pingsdorf- en Paffrathrandfragmenten de afbeeldingen 5B1/3 en 5C1/7). De grijsbakkende groep bestaat uit 26 fragmenten, slechts één fragment is determineerbaar. Het betreft hier de bodem van een voorraadpot op lobvinnen. Het blauwgrijze baksel is duidelijk als „Elmpter waar" herkenbaar. De datering ligt tussen 1225 en 1300, de overige 25 kleine fragmenten zijn niet verder determineerbaar. In totaal bevatten de kuilen 236 stuks (lees MAE) roodbakkend aardewerk. Tussen de 96
aangetroffen kookpotten (lage brede hals) en grapen (smalle hoge hals) is een verhouding van 1 : 3 aanwezig. Het aantal vondsten per kuil varieert tussen de 2 en 56 exemplaren. Plaatsen wij het roodbakkende aardewerk in functiegroepen, dan ontstaat het volgende beeld. Groep 1: de voedselbereiding. Grape/kookkan 83 ex., koekepan 53 ex., deksel 4 ex., vetvanger 3 ex., totaal 60,3%. Groep 2: het nuttigen van het voedsel. Eetkom 10 ex., bord 8 ex., schaal 2 ex., totaal 8,4%. Groep 3: transport/bewaren. Kannen 34 ex., voorraadpot 16 ex., totaal 21,1%. Groep 4: verwarming. Vuurklok 10 ex., aspot 2 ex., comfoor 2 ex., vuurbak 2 ex., totaal 6,3%. Groep 5: sanitaire doeleinden. Kamerpot 9 ex., totaal 3,7%. Witbakkend aardewerk Van het lokaal vervaardigd witbakkend aardewerk zijn slechts vier fragmenten aangetroffen. Procentueel is deze vondstgroep te verwaarlozen. Steengoed Wanneer wij de verspreiding van de steengoedfragmenten nader bezien, dan blijkt de aanwezigheid in 19 kuilen. De fragmenten proto- en bijna-steengoed zijn als opspit te beschouwen. Van het Siegburg-steengoed zijn te weinig vormbepalende fragmenten aanwezig voor een betrouwbare bepaling van het minimum aantal exemplaren. Het Langerwehe-steengoed geeft een betrouwbaarder beeld. Onder de 44 fragmenten welke alle zijn voorzien van zoutglazuur, bevinden zich zeven standringen. Gezien de diameters (8, 9, 11, 13, 14, 16 en 17 cm) zijn er verschillende grote kruiken in gebruik geweest. Uitsplitsing van het aantal fragmenten naar produktieplaats/-periode geeft het volgende beeld: Siegburg proto-steengoed 4 st. 1,4% Siegburg bijna-steengoed 4 st. 1,4 % Siegburg steengoed 217 st. 79,1% Langerwehe steengoed 44 st. 16 % grijs geglazuurd steengoed 5 st. 1,8 % 274 st. 99,3 %
Metaalvondsten/ovenslakken In Spoor 98 zijn uitsluitend ovenslakken (ongeveer 400 1) met concreties van gesmolten ijzer aangetroffen. De geringe hoeveelheid van dit afvalprodukt wijst op kleinschalige ijzerbewerking. Eén van de drie aangetroffen ijzeren messen (afb. 7A) is af-
7. Enkele metalen voorwerpen van het Couveeterrein.
komstig uit spoor 114. Gezien de afwijkende vorm is het mogelijk voor ambachtelijk snijwerk vervaardigd. De smid heeft het lemmet aan de rugzijde met een „handvat" verlengd. Het snijvlak is aan de achterzijde gedeeltelijk omgeslagen en rond afgewerkt. Hierdoor is het mes tijdens het snijden stevig tussen duim en wijsvinger te klemmen. Het smalle „handvat" zorgt hierbij voor de nodige stabiliteit. De messen (afb. 7B/C) hebben een gebruikelijke vorm. In spoor 3 is het heft van een klein mesje (afb. 7D) aangetroffen, de twee benen angelplaten zijn door middel van vier messing pennetjes aan de plaatangel bevestigd. Aan één zijde is de versiering in de vorm van een messing plaatje nog aanwezig. Dierlijk bot De vondstgroep van het dierlijke bot is uit vijf mestkuilen afkomstig en bestaat uit 144 fragmenten. Een overzicht van de aangetroffen diersoorten volgt hieronder.
Gegeten zoogdieren: fragmenten rund geit/schaap varken Niet gegeten zoogdieren: paard hond bever
125 stuks 6 stuks 5 stuks
1 stuk 1 stuk 1 stuk
Pluimvee: gans 2 stuks kip 2 stuks eend 1 stuk Uitgezonderd één bewerkte ulna van een rund, 2 stuks metatarsus van een rund, één femur van een bever en een penisbotje van een hond zijn alle botten als slachtafval beschouwd. Een deel van de runderbotten kan tot produktieafval van een zelflooiende schoenmaker worden gerekend (de slachter verkocht de huiden compleet met schedeldak aan de leerbewerker). In spoor 114 zijn naast het grote aandeel runderbotten ook fragmenten schaap/geit, varken, kip en gans aangetroffen. Opmerkelijk is hier de botvondst van een bever; verder is een van de twee aangetroffen glissen (metacarpus, paard) uit dit spoor afkomstig. Deze glis heeft een lengte van 25,6 cm. De gewrichtsdelen zijn gedeeltelijk vlak afgesneden, het glijvlak is aan de voor- en achterzijde schuin oplopend afgewerkt. Hierdoor waren kleine oneffenheden in het ijsoppervlak geen obstakel tijdens het gebruik. Aan de voor- en achterzijde van het bot heeft men dwars op de lengterichting een horizontaal doorlopend bevestigingsgat van 5,5 mm doorsnede geboord. De onderlinge afstand van deze gaten bedraagt 21 cm. In het door gebruik gepolijste glijvlak zijn de diepere slijtgroeven in de lengterichting georiënteerd. Dwarsgerichte slijtsporen op het bevestigingsvlak (bovenzijde) wijzen op regelmatig verschuiven tijdens het gebruik. Glissen met horizontale bevestigingsgaten zijn in combinatie met één of meerdere prikstokken de voorganger van onze huidige metalen schaatsen. De tweede glis (lengte 22 cm) heeft door een bewerkingsfout (breuk) nooit 97
Muntvondst Tijdens het machinaal verdiepen van put 14 is op 0,66 m -NAP een vondst van tien zilveren munten gedaan. De munten lagen zonder zichtbare resten van een beurs opgestapeld in de toen zichtbare insteek van spoor 138. Onduidelijkheid bestaat of de munten tot spoor 138 behoren. Een latere ingraving vanuit een hoger vlak is aannemelijk. De betalingswaarde van de gezamenlijke munten was klein, gedacht kan worden aan de inhoud van een beursje voor huishoudelijk gebruik. De muntvondst is als volgt samengesteld: Vlaanderen, Philips de Goede: stuiver 1434/1437 en 1466/1467 - 4 ex. Vlaanderen, Philips de Goede: 1/2 groot 1434/1440 en 1466/1467 - Dordrecht - 2 ex. Holland, Willem VI, 1404/1417: 1/2 leeuw emissie - 1411 - Dordrecht - 1 ex. Holland, Willem VI, 1404/1417: leeuw emissie - 1411 - Dordrecht - 1 ex. Frankrijk, Karel VII, 1422/1461: 1/2 plaque - 1427/1432 - Doornik - 1 ex. Denemarken, Erik van Pommeren, 1396/ 1439: Sterling - ca. 1405/1420 - 1 ex.
8. Zilveren stuiver Philips de Goede, datering 143411435 of 146611467.
als glijder onder een slede dienst gedaan. Het geeft ons wel een inzicht in de bewerkingsvolgorde. Eerst werden de uitstekende gewrichtsdelen vlak afgesneden. Vervolgens werd het bot vanuit8 de onderzijde (toekomstig glijvlak) met twee gaten van 11 mm doorsnede geheel doorboord; de afstand tussen de gaten bedraagt 17 cm. De gaten zijn onderling in spiegelbeeld onder een hoek van 100° op de lengterichting aangebracht. Het onderling schuin boren heeft een mogelijke functie bij de bevestiging van de glis onder de slede. 98
De 14e-/15e-eeuwse Rijndijk In de meest oostelijke profielwand van put 11 (ter hoogte van de westelijke rooilijn van de Julianastraat) is de insteek van spoor 106 gedeeltelijk aangetroffen. Dit impliceert de aanwezigheid van een of meerdere kuilen onder het westelijk deel van de huidige Julianastraat. De ligging van de 14e/15eeeuwse Rijndijk moet hierdoor afwijken van de afbeelding uit 16519. Op deze afbeelding is de Rijndijk ter plaatse van de huidige Julianastraat gesitueerd. Gezien het in de historische waterstaatkundige gegevens geschetste belang van de Rijndijk is het niet aannemelijk dat het graven van kuilen in de directe nabijheid van deze belangrijke waterkering door het Hoogheemraadschap werd toegestaan. De nog niet getraceerde 14e-/15e-eeuwse Rijndijk schuift hierdoor in oostelijke richting op. Bebouwing Er zijn uit het tijdvak tussen 1175 en 1450 geen funderingsresten in steen- of houtbouw
aangetroffen. De reeds eerder genoemde vondsten van aardewerk uit de 12e/13e eeuw doen in deze periode lintbebouwing op het mogelijk in oostelijke richting gelegen hogere deel van de oeverafzetting vermoeden. In deze periode zijn de bewoningsomstandigheden op de oeverafzetting waarschijnlijk identiek aan de omschrijving van de keur uit 1330. Deze vermeldt duidelijk „an 't hoge" (de Hoge gronden). Gezien de horizontale verspreiding van de kuilen in de periode 1375-1450 (92,8%) is het niet aannemelijk dat er ook in deze periode op de opgravingssite bewoning heeft plaatsgevonden. Conclusie Het gebied is aan het einde van de 12e of het begin van de 13e eeuw in cultuur gebracht. Keramiekvondsten dateren een greppel/sloot tussen 1175/1225. In de periode 1375-1450 zijn in het onbebouwde terrein achter de Rijndijk een groot aantal kuilen voor de kleiwinning gegraven. Vondsten uit deze kuilen weerspiegelen naast het boerenbedrijf ook de ambachten van leerbewerker en smid. Dankwoord Veel dank is verschuldigd aan de medewerkers van het Koninklijk Penningkabinet te Leiden voor het schoonmaken en determineren van de munten. Aan F. Laarman van de ROB te Amersfoort voor de determinatie van de botsoorten. Aan P. J. M. de Baar van de gemeentelijke archiefdienst te Leiden voor het archiefonderzoek. Verder aan een ieder die aan dit onderzoek heeft meegewerkt. Noten 1 De Mare, de Zijl, de Does en de Woudwetering. 2 Een Rijnlandse voet meet 31,3 cm. 3 Hallewas, D. P., 1982. 4 Zie publ. mevr. S. Sprey, Westerheem 5/91, blz. 292/295. 5 Mondelinge mededeling van de heer E. J. Bult, stadsarcheoloog van de gemeente Delft. 6 Mondelinge mededeling van de heer P. Bitter, stadsarcheoloog van de gemeente Alk-
7 Rijnstreekopgravingen, 't Huis Dever te Lisse. Dorpskernonderzoek gemeente Hazerswoude. „Klein Poelgeest" te Koudekerk a/d Rijn. 8 Het tweede" niet geheel doorboorde gat (breuk) geeft dit aan. 9 Tekening A298. Hoogheemraadschap van Rijnland, Leiden. Literatuur Baart, J., et al. 1977. Opgravingen in Amsterdam. 20 jaar stadskernonderzoek. Amsterdam. Bruijn, A., 1979. Pottersvuren langs de Vecht. Aardewerk rond 1400 uit Utrecht. Rotterdam Papers III. Bitter, P., 1988. Archeologisch onderzoek naar het Ing. Driesenplein en de ontwikkeling van de oever van de Oude Rijn. Bodemonderzoek in Leiden 10, jaarverslag 1987. Bitter, P., 1992. Keramiekvondsten uit de marktenroute in Leiden. Bodemonderzoek in Leiden 13, 14, jaarverslag 1990/1991, 81-94. Borremans, R., et R. Warginaire, 1966. La Ceramanique D'Andenne. Rotterdam. Dee, C. H., 1879. Memorie betrekkelijk den Hoogen Rijndijk. Groeneweg, G., 1987. Schatten uit de Schelde. Uitgave: Gemeentemuseum Bergen op Zoom. Hallewas, D. P., 1982. Een gat in de Breestraat te Leiden. Bodemonderzoek in Leiden 4, jaarverslag 1981,23-45. Heeringen, R. M. van, 1985. Archeologisch onderzoek van de laat-Middeleeuwse kloosters van St. Agnes en St. Michiel in de stadswijk de Camp in Leiden. Bodemonderzoek in Leiden 7, jaarverslag 1984, 83-126. Kruisheer, J. G., 1992. Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299. III 1256 tot 1278. Ruempol, A. P. E., en A. G. A. van Dongen. Preindustriële gebruiksvoorwerpen 1150-1800. Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam. Sloof, J. M. H., 1993. Facetten uit de geschiedenis van Rijnland en inliggende polders. Rijnlander (april-nummer). Suurmond-van Leeuwen, H., 1984. Twee beerputten onder het provinciaal depot van bodemvondsten in Leiden. Vondsten uit de laat veertiende en vroeg vijftiende eeuw. Bodemonderzoek in Leiden 6, jaarverslag 1983, 27-35. Wijngaarden-Bakker, L. H. van, 1981. Mesheften, kaardekammen en glissen. Bodemonderzoek in Leiden 4, jaarverslag 1980, 61-66. Coornhertstraat 55 2332 AP Leiden 99
Tentoonstellingsnieuws Amsterdam, Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 127: Marmer in beeld, Griekse sculptuur 600-100 voor Christus. T/m 19 juni. Assen, Drents Museum, Brink 1 en 5: Reconstructie veenlijk nadert voltooiing Presentatie mei 1994 Een artikeltje in het tijdschrift Triakel van het Academisch Ziekenhuis te Groningen heeft veel stof doen opwaaien. Al dagenlang staat de telefoon van het Drents Museum roodgloeiend. Heel Nederland schijnt mee te leven met het wel en wee van „het meisje van Yde", het veenlijkje uit het Drents Museum dat voor een reconstructie van haar hoofd al bijna een jaar in Manchester (Engeland) vertoeft. Nu de ontknoping begint te naderen, maakt men zich op voor de onthulling van het ware gezicht van het meisje dat circa 2.000 jaar geleden bij het dorpje Yde in NoordDrenthe de dood vond in het veen. Ze was ten tijde van haar dood amper 16 jaar oud. Aan het einde van de vorige eeuw, op woensdag 12 mei 1897, werd ze gevonden door twee arbeiders die een veenplas uitbaggerden. Nu, bijna een eeuw later, zal ze haar ware gezicht laten zien. Na een reconstructie van haar hoofd - uitgevoerd aan de universiteit van Manchester - kan iedereen getuige zijn van haar metamorfose. Ter vergelijking: de vondstbeschrijving uit 1897 vermeldt het volgende over haar gezicht: „Op het eerste gezicht zou men denken aan een mummie; de huid is blauwachtig (modderkleur), het hoofd nog vrijwel in zijn geheel, alleen de rechterwang is geblesseerd. Mond, ooren, oogen, neus nog in hun gewonen vorm; de mond open, waardoor de tanden zichtbaar zijn. Lang rosachtig haar aan de linkerkant van de schedel; rechts lijkt het hoofd wel gladgeschoren, althans er is geen haartje te bekennen". Haar gebit raakte ze - op een tand na - binnen veertien dagen kwijt. Door sensatie gedreven dorpelingen takelden het veenlijk na de vondst behoorlijk toe. Het haar lag naast het verschrompelde lichaam, geheel verward in heide. Alleen van de linkerarm zat de huid nog aan de romp vast, een paar beenderen van de rechterarm lagen naast het lijk. Andere losse lichaamsdelen waren verdwenen. De reconstructie van het hoofd in was, met echt haar en kunstogen, wordt aan de universiteit van Manchester door de heer R. A. H. Neave ver-
100
vaardigd. Ook voor de heer W. A. B. van der Sanden, conservator van het Drents Museum, is het nog steeds een grote verrassing hoe de reconstructie van het meisje eruit zal komen te zien. Op zaterdag 14 mei, ijs en weder dienende, zal het nieuwe gezicht van het meisje van Yde gepresenteerd worden. Den Haag, Museon, Stadhouderslaan 41: Jurassic Park - de tentoonstelling De dinosaurussen uit de film, nu in het Museon. 30 april t/m 31 juli. Dronten, Rijksmuseum voor Scheepsarcheologie, Vossemeerdijk 21: Kindergoed. (Scheeps)archeologische speelgoedvondsten. T/m 15 mei. Groningen, Volkenkundig Museum Gerardus van der Leeuw, Nieuwe Kijk in 't Jatstraat 104: De horizon van het westen: de Oud-Egyptische dodencultus. T/m 6 augustus. Haltern, Römermuseum. In dit in november 1993 geopende museum wordt een indrukwekkend beeld gegeven van het leven in een Romeins legerkamp. 's-Hertogenbosch, Noordbrabants Museum, Verversstraat 41: Bataven: boeren & bondgenoten. De Maaskant in de Romeinse tijd. T/m 17 juli. Leiden, Rijksmueum van Oudheden, Rapenburg 28: Ooit van (Sigmund) Freud. Een keuze uit zijn archeologische collectie. T/m 10 juli. Roermond, Gemeentemuseum, Andersonweg 4: Hernieuwde en uitgebreide opstelling archeologische collectie. Tot onbepaald. Rotterdam, Museum Boymans-van Beuningen, Museumpark 18-20: Haken en ogen; kledingaccessoires uit de collectie Van Beuningen-de Vriese. T/m 31 juli. Velsen, Museum Beeckesteijn, Rijksweg 136: Vindplaats Velsen. Verlengd t/m 1 september.
Adressenlijst hoofdbestuur en afdelingssecretariaten van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland Hoofdbestuur: Alg. voorzitter: P. K. J. van der Voorde, Laan van Vollenhove 560-bis, 3706 AA Zeist, tel. 03404-50189. Vice-voorzitter: H. Wieringa (afdelingen en regio's), Meyerinksberg 16, 7641 RZ Wierden, tel. 05496-71891. Alg. secretaris: Mevr. W. Dienier, Ch. de Bourbonlaan 21-A, 3062 GB Rotterdam, tel. 0102120548. Alg. penningmeester: J. D. F. Hardenberg, Kagertuinen 63, 2172 XK Sassenheim, tel. 02522-11445, gironr. 577808. Bestuursleden: B. Ch. van Hulst (kampen), Graaf Wigboldhof 4, 3434 SM Nieuwegein, tel. 0340260356. Mevr. S. G. van Dockum (contacten vakwereld), Looierstraat 6, 3582 AR Utrecht, tel. 030-540610. Mevr. M. van Ieperen (educatie), Wiekelhorst 24, 2317 ZJ Leiden, tel. 071 -225746. P. V. L. Ritmeester (public relations), Straatweg 76, 3621 BR Breukelen, tel. 0346265593. E r e l e d e n : H. J. Calkoen + (Ere-voorz.), E. H. P. Cordfunke, H. J. van Rijn, P. Stuurman, H. Brunsting, R. van Beek, P. Vons, S. Pos. A l g e m e e n s e c r e t a r i a a t A W N : Postbus 44120, 3006 HC Rotterdam, tel. 0102120548. L e d e n - en a b o n n e m e n t e n a d m i n i s t r a t i e A W N : Postbus 714, 3170 AA Poortugaal, tel. 01890-17451 (tijdens kantooruren). Secretariaten Afdelingen: 1. Noord-Nederland: Mevr. C. Raats-de Kuyer, Paaskamp 16, 9301 KL Roden, tel. 0590818735. 2. Noord-Holland Noord: J. W. Loots, Staeleversgracht 7, 1601 NM Enkhuizen, tel. 02280-18300. 3. Zaanstreek en omstreken: Mevr. A. TrompVeeter, T. Slagterstraat 15, 1551 CG Westzaan, tel. 075-283814. 4. Kennemerland (Haarlem e.o.): Mevr. A. A. van Assema, Lange Begijnestraat 22, 2011 HH Haarlem, tel. 023-320096. 5. Amsterdam en Omstreken: Mevr. K. H. van
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
23. 24.
Reenen-Stein, Mr. Sixlaan 13, 1181 PK Amstelveen, tel. 020-6451838. Rijnstreek: Mevr. M. F. van Oorsouw, Geregracht 50, 2311 PB Leiden, tel. 071218741. Den Haag en omstreken: Mevr. R. I. Overvliet, Nieuwe Parklaan 132, 2587 BW 's-Gravenhage, tel. 070-3501983. Helinium (V laar dingen): M. A. Struijs, Groeneweg 22, 3131 VE Vlaardingen, tel. 010-4342191, overdag 010-2484994. De Nieuwe Maas (Rotterdam e.o): Mevr. J. C. Vos-Kranendonk, Verwersdijk 77, 2611 NE Delft, tel. 015-123443. Zeeland: Mevr. L. C. J. Goldschmitz-Wielinga, Verdilaan 35, 4384 LB Vlissingen, tel. 01184-62142. Lek- en Merwestreek: Mevr. C. Lugtenburg, Lyra 60, 3328 NH Dordrecht, tel. 078186819. Utrecht en omstreken: A. Mandersloot, Weegbreestraat 175, 3765 XD Soest, tel. 02155-15589. Naerdincklant (Hilversum e.o.): W. H. Wimmers, Roekenbos 67, 2134 VB Hoofddorp, tel. 02503-31497. Vallei en Eemland (Amersfoort e.o.): A. P. de Boer, Frans Tromplaan 22, 3871 EN Hoevelaken, tel. 03495-34729. West- en Midden-Betuwe en Bommerlerwaard: H. Vroon, Henri Dunantstraat 41, 4024 HX Eek en Wiel, tel. 03449-1956. Nijmegen en omstreken: H. J. A. de Wit, Beukenlaan 38, 6584 CR Molenhoek, tel. 080-584617. Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland: Mevr. A. M. Baljet-Peters, Bronbeeklaan 40, 6824 PH Arnhem, tel. 085-643080. Zuid-Salland - IJsselstreek - Oost-V eluwezoom: J. de Vries, Vossebeltweg 33, 7431 AS Diepenveen, tel. 05709-1996. Twente: Mevr. F. L. Ruizeveld-de Winter, Zevenblad 42, 7623 CG Borne, tel. 074666891. IJsseldelta-Vechtstreek: J. Assink, Prins Frederikplein 4, 8019 XB Zwolle, tel. 038216418. Flevoland: J. Eelman, Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad, tel. 03200-51969. Midden-Brabant: J. v.d. Hout, Dintel 92, 5032 CS Tilburg, tel. 013-634913.
Uitgaven van de AWN Ieder AWN-lid ontvangt het tijdschrift Westerheem en het blad van de afdeling waarbij men is aangesloten. De AWN geeft echter meer publicaties uit. De volgende uitgaven zijn nog voorradig:
AWN - monografie 3 J. G. N. Renaud Middeleeuwse ceramiek. Enige hoofdlijnen uit de ontwikkeling in Nederland
Z.p. fs-Gravenhage) 1976, 123 pp., ill. Deze monografie is nog steeds een standaardinleiding tot de vormenrijkdom van de middeleeuwse ceramiek die bij archeologisch onderzoek kan worden aangetroffen. Leden betalen f 15,—, niet-leden f 20,—.
AWN - monografie 5 A. Warringa en G. van Haaff Opgraven. Technieken voor archeologisch veldwerk
Utrecht 1988, 128 pp., ill., ISBN 90 70482 68 1 Practische handleiding voor allen die op verantwoorde wijze willen (helpen) opgraven. Achtereenvolgens komen aan de orde: meetsysteem, graafwerk, tekenen en fotograferen, vondsten en monsters, administratie en documentatie, kartering en bijzondere structuren. Uitgegeven in samenwerking met de NJBG bij Matrijs in Utrecht. Prijs voor leden f 15,00, voor niet-leden f 22,75.
Oude jaargangen Westerheem
1965 - 1969 (klein formaat) f 12,50 per jaargang; losse nummers f2,50 1970 - 1993 (grootformaat). De prijs perjaargang is gelijk aan de voor het betreffende jaar geldende contributie. Speciale nummers (o.a. Nederzettingsarcheologie in Nederland, Stadskernonderzoek in ontwikkeling, en themanummers over het werk van bepaalde afdelingen) f 8,00 tot f 10,00.
Naaldbanden Westerheem
Iedere band kan twee jaargangen bevatten en kost f 12,50.
Alle prijzen zijn exclusief eventuele verzendkosten. Bij bestelling van 10 of meer exemplaren geldt een korting van 10%. U dient uw bestellingen te richten aan: AWN-Ledenservice, J. C. Bakker, Neckarstraat 10, 8226 LL Lelystad.
Westerheem " ^ - -W-
'T
A
'M
XLIII-3-1994
AWN
Colofon
Inhoud jaargang 43 no. 3, juni 1994
Westerheem is het tweemaandelijks orgaan van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN), Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad Lidmaatschap/abonnement f 65,- per jaar Opgave: Leden- en abonnementenadministratie AWN, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal Opzegging vóór 1 december
A. Jager en A. Kooistra-Bokkinga Het Kasteel van Harlingen
101
J. E. Bogaers Een kan met problemen
Redactie:
R. L. Lichtveld
A. Carmiggelt (hoofdredacteur), Harstenhoekweg 139, 2587 SG 's-Gravenhage P. Stuurman (redacteur literatuurrubrieken), Volendamlaan 1094, 2547 CS 's-Gravenhage (tevens centraal redactie-adres) R. van Lit (eindredacteur), Waalsdorperlaan 9, 2244 BM Wassenaar Mevr. M. F. van Oorsouw (redacteur verenigingsnieuws), Buizerdhorst 17, 2317 DA Leiden
Forensische Archeologie: archeologen kunnen de recherche assisteren
112
116
Paul Stuurman Het verleden beleven in het landschap van vandaag
119
Jan Osinga Overpeinzingen van een lid van de AWN . . . 122
Redactieraad: J. C. Besteman, J. H. F. Bloemers, J. Buurman, H. Groenendijk, R. C. G. M. Lauwerier, D. Stapert, H. Stoepker, L. B. M. Verhart Sluitingsdata kopij: 1 januari, 1 maart, 1 mei, 1 juli, 1 september en 1 november Aanwijzingen voor auteurs zijn op aanvraag verkrijgbaar bij de hoofdredacteur Voor inlichtingen over advertenties wende men zich tot de eindredacteur © AWN 1994. Overname van artikelen en illustraties is slechts toegestaan na voorafgaande schriftelijke toestemming van de redactie Druk: Seinen's Grafische Bedrijven, De Krim (Ov.)
Jaarvergadering 1994
124
Kort archeologisch nieuws
130
Runen in Friesland
132
Oproep: rokers op tegels
133
Reacties van lezers
133
Literatuurbespreking
134
Literatuursignalement
142
Agenda
146
Archeologische rondreis Israël
148
ISSN 0166-4301 Wij verzoeken u adresveranderingen door te geven aan de leden- en abonnementenadministratie AWN, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal. Alleen zo bent u gegarandeerd van de toezending van Westerheem.
Op het omslag: Middeleeuwse huizen in het themapark Archeon, Alphen aan den Rijn. Foto: F. D. Zeiler, Kampen.
Het Kasteel van Harlingen A. Jager en A. Kooistra-Bokkinga Over de laat- en post-middeleeuwse vestingbouw in Friesland is maar weinig bekend. Een belangrijk vestingtype uit deze tijd was het vroege artilleriefort1, waarvan er in Friesland verschillende zijn geweest. Omdat er bovengronds niets meer van over is en doordat de Friese artillerieforten in de literatuur op één uitzondering na nog nauwelijks aandacht kregen2, zijn deze vestingen tamelijk onbekend. Te Harlingen moet zich in het westelijk deel van de stad een dergelijke vesting, genaamd het Kasteel, hebben bevonden. Onze interesse hiervoor werd gewekt toen we op het Rijksarchief te Leeuwarden een opmeting uit 1896 vonden van het westelijk deel van het Kasteel. Dit was tevoorschijn gekomen bij de afbraak van de Westerkerk, die op het voormalige kasteelterrein lag. Onder de kerk vond men spectaculaire verschijnselen: massieve funderingsresten, onderaardse gangen en een gevangenis3. Dankzij de opgravingsresultaten, met archivalische en topografische aanvullingen, krijgen we een impressie van de dimensies en de geschiedenis van dit aitilleriefort. Het Kasteel als vestingtype De in archiefstukken afwisselend als blokhuis, huis of kasteel aangeduide sterkte te Harlingen behoort als vestingtype tot de vroege artillerieforten. Deze markeren het einde van het Nederlandse kasteel als vestingwerk. Kastelen hadden altijd een defensieve functie, tot deze in de tweede helft van de 15e eeuw door het zeer verbeterde geschut verloren ging4. Nadien zijn verdedigingssystemen ontworpen die enerzijds bestand zijn tegen geschut, maar anderzijds ook een verdediging hebben die berust op vuurkracht: de artillerieforten. Pas tegen het einde van de 15e eeuw wordt dit fortificatietype geïntroduceerd. Alvorens hiertoe over te gaan, moeten in Nederland in de tweede helft van de 15e eeuw tal van bestaande kastelen eerst met een kogelbestendige aarden wal zijn omgeven. Friesland
heeft weliswaar nauwelijks een traditie in kasteelbouw, maar kent wel versterkte huizen5. Het versterkte steenhuis van Doeke Hemmema te Berlikum, in 1496 eveneens in het bezit van een kogelbestendige aarden wal, toont voor Friesland een vergelijkbare ontwikkeling aan6. Versterkingen vóór 1499 in Friesland aangelegd, zoals die van Albrecht van Beieren rond 1400, van Johan van Beieren omstreeks 1420 en die van de Groningers in de late 15e eeuw7, kunnen door gebrek aan informatie vestingtypologisch niet worden geplaatst. In enkele van deze gevallen, zoals de in 1421 door Friezen geslechte versterking te Lemmer, is sprake van een blokhuis8. Versterkingen vóór ca. 1450 kunnen nog geen artillerieforten zijn geweest. De in 1500 te Harlingen gebouwde sterkte was dat echter wèl, zoals hierna zal worden verduidelijkt. Historische achtergrond Tegen het einde van de 15e eeuw wordt door de gubernator en potestaat over Friesland, Albrecht van Saksen, in 1499 een artilleriefort te Leeuwarden en in 1500 één te Harlingen aangelegd9. Albrecht besloot hiertoe, nadat zijn bezetting op de Uniastins te Leeuwarden in 1498 vrij gemakkelijk door burgers van de stad was overmeesterd10. Hieruit bleek dat de Friese adelshuizen onvoldoende weerbaarheid bezaten om als betrouwbare versterking te dienen. Te Franeker nam hij tot dit doel het in 1446-1449 gebouwde Sjaerdemaslot in gebruik5, het enige Friese adelshuis met kasteelachtige allure en dienovereenkomstige weerbaarheid. Zijn vertrouwen in de versterkingen werd bewaarheid in 1500, toen heel Friesland verloren ging voor de Saksische hertog, behalve de steden met een versterking: Leeuwarden en Franeker. Harlingen wordt hierbij niet genoemd; mogelijk was het fort nog niet gereed". Wanneer de zoon van Albrecht, George van Saksen, in 1515 zijn rechten aan Karel V 101
verkoopt, gaat Friesland weer verloren, met uitzondering van opnieuw de steden met een versterking12. Van uitbreidingen of vernieuwingen van het Kasteel in de periode 1515-1524 door Karel V vernemen we niets. Wel wordt op last van de toenmalige drossaard (stads- en vestingcommandant), Frits van Grombach, in 1517 de bebouwing direct ten oosten van de vesting afgebrand. Zodoende verkreeg men richting stad een vrij schootsveld13. Ook in de oorlog van 1515 tot 1524, toen Karel V zijn soevereine rechten over Friesland moest verdedigen, zullen de artillerieforten een belangrijke rol hebben gespeeld. Het voordeel van versterkingen kunnen we opmaken uit het feit dat te Dokkum, Lemmer en Workum als nieuwe steunpunten artillerieforten van klein formaat zijn aangebracht9. Alleen te Staveren wordt onder Karel V nog een groot artilleriefort aangelegd14. Vanaf 1524 wordt Friesland door de centrale regering der Nederlanden bestuurd. In de rustige periode die daarmee voor Friesland aanbreekt en die tot ca. 1570 zal duren, is
voor de artillerieforten geen urgente taak weggelegd. Begrijpelijk is dan ook het streven van de centrale regering op deze posten te bezuinigen. In 1525 verordent de landvoogdes Margaretha van Oostenrijk het garnizoen van het Kasteel af te slanken van 125 tot 100 man. Verder wordt het soldijstelsel herzien15. De andere Friese artillerieforten worden op soortgelijke wijze gereorganiseerd. De bedoeling was 's winters de bezetting van de vestingen op peil te houden, maar 's zomers, wanneer men snel versterking uit Holland kon laten overkomen, het aantal manschappen te beperken9. Omwille van verdere kostenbesparing worden in 1531 de forten te Sloten en Dokkum opgegeven en gesloopt9. In weerwil van de verslechterde financiële toestand wordt het Kasteel in 1530 door Frits van Grombach uitgebreid met een toren op de binnenplaats, ten westen van het centraal gelegen hoofdgebouw, het zogenaamde Blauwhuis (afb. 1). Deze toren moet zijn opgebouwd van afbraakmateriaal van het in 1515 vernietigde klooster Ludingakerk'6.
^^^>m«^m^^m'?<^i
.r SS f•
j- ;«: 'M. ;
1. Tekening van het Blauwhuis door J. Stellingwerf uit 1723.
102
In 1540 richt Frits van Grombach zich tot Maximiliaan van Egmond met het verzoek de keizer persoonlijk op de hoogte te mogen brengen van de toestand van het Kasteel, aangezien herstelwerkzaamheden dringend nodig waren17. Misschien zijn die werkzaamheden twee jaar later uitgevoerd. We vernemen dan in ieder geval van een bouwmeester op het „huis" in Harlingen18. Vanaf 1566 staat het Spaans gezag in de noordelijke Nederlanden onder druk van een groeiende groep hervormingsgezinden. In Friesland komt het in 1572 tot een opstand, die beteugeld wordt door Caspar de Robles, die over een kleine, maar excellente strijdmacht beschikt, bestaande uit Waalse soldaten. Hij opereert hiermee zowel te land als ter zee tegen de opstandelingen. De artillerieforten te Harlingen en Staveren, die de havens beschermen, zullen eveneens een ondersteunende taak hebben gehad bij acties op zee. In deze periode laat De Robles de vestinggarnizoenen te Staveren en Harlingen, bestaande uit „Laagduitsers" (Friezen), die hij niet vertrouwt, aanvullen met zijn eigen Walen. In Leeuwarden laat hij het garnizoen vrijwel geheel vervangen door Walen19. Ook andere sterktes, onder andere te Blokzijl en Kuinre, worden in gebruik genomen. Verder wordt het Kasteel te Harlingen versterkt20. Zo moet in deze periode aan dit fort een bastion, een aardlichaam in de vorm van een driehoek met teruggetrokken flanken, aan de zuidoostelijke hoek zijn toegevoegd. Waarschijnlijk is dit in 1572 gebeurd, gezien de troebelen in dat jaar. Opmerkelijk is de relatie tussen het Kasteel en de Spaanse acties op zee. Zeker in de jaren 1572 en 1573 zijn er vanuit de haven van Harlingen acties ondernomen tegen de watergeuzen21. Hierbij schermde het Kasteel de oorlogshaven af, en diende het als bevoorradingspunt en administratief centrum voor de vloot. Belangwekkend is, dat in 1573 de taak om een aantal van de schepen van de oorlogsvloot uit te rusten, aan de drossaard van Harlingen was gedelegeerd22. Het valt echter buiten het bestek van dit betoog om diep op de relatie tussen het Kasteel en de oorlogsvloot in te gaan.
Door verschillende oorzaken wordt het Spaans gezag in Friesland verzwakt en in 1577 slagen de Friezen erin de Spaanse bezettingsmacht, het contingent Walen, tot aftocht te bewegen door betaling van achterstallig soldij23. Na de aftocht van de Walen in 1577 wordt George van Rennenberg door de Staten-Generaal als stadhouder over Friesland, Groningen en Overijssel aangesteld. De Friese artillerieforten ressorteren thans onder diens bevoegdheden en hij laat ze opnieuw bemannen en uitrusten. Voor het Kasteel te Harlingen is drossaard Peter Sickingen deze taak opgedragen. Hij laat in juni 1577 de aanwezige voorraden op de sterkte inventariseren24. Uit een rapport van Sickingen aan Rennenberg blijkt dat de drossaard grote moeilijkheden heeft voldoende krijgservaren soldaten te werven en voorraden aan te schaffen24. Toch moet het Kasteel in 1580 op oorlogssterkte zijn gebracht. Ook de sterktes te Leeuwarden en Staveren moeten in dat jaar volledig uitgerust en bemand zijn geweest. Wanneer Rennenberg op 3 maart 1580 onverwacht de Spaanse zijde kiest25, dreigen de artillerieforten te Harlingen, Leeuwarden en Staveren vijandelijke steunpunten te worden. Met de forten kunnen deze steden beheerst worden. Hieruit blijkt waarom Rennenberg zich zoveel moeite getroostte deze forten te bemannen en uit te rusten. De burgers van deze steden slagen er met list en onderhandeling echter in de garnizoenen zonder noemenswaardig geweld te verwijderen uit de sterktes, die vervolgens worden ontmanteld. Het Kasteel wordt gesloopt, op het westelijk deel na, dat in de stadsvesten wordt opgenomen26. De situering van het Kasteel De motivering van Albrecht van Saksen om in 1500 te Harlingen een artilleriefort aan te leggen, moet zijn ingegeven door het belang van de haven van de stad. Doordat het fort ten noordwesten van het toenmalig stadsgebied lag, was het in staat de haveningang te beheersen. Een indruk van deze situatie geeft, ondanks latere wijzigingen, zoals de buitenomwalling, de kaart van Braun (afb. 2). 103
te verminderen. Ook hiertoe lijkt het gecombineerde systeem wal-gracht ontworpen, met wallen met een basisbreedte van zeker 10 tot 15 m, grachten van ca. 20 a 30 m breed28. Aan de vastelandzijde, de oostkant, schijnt geen wal aanwezig te zijn geweest, hetgeen in verband met vrij zicht en een onbelemmerd schootsveld richting stad voor de hand ligt.
2. Afbeelding van het Kasteel te Harlingen op de vogelvluchtkaart van Braun en Hogenberg uit ca. 1580.
Waarschijnlijk heeft het Kasteel in de beginjaren van zijn bestaan geen buitenomwalling met een zeewerende functie gehad; een gemis dat zich wreekte in 1502, toen het fort tijdens een hevige storm flinke schade opliep27. Nadien, stellig nog in de „Saksische" tijd, dus vóór 1514, moet de sterkte voldoende zijn hersteld om in de oorlog van dit, en het volgend jaar, te zijn gebruikt. Stellig is toen de buitenomwalling en omgrachting, zoals weergegeven op de kaart van Braun, tot stand gekomen. Het buitendijks geprojecteerde Kasteel - de oostkant was de oorspronkelijke kustlijn - werd vervolgens omgeven door wallen, waarvan de noordelijke aan de zuidelijke pier van de haveninham grensde. Onder Karel V zijn de buitenwallen van het Kasteel grondig herzien. Als zeewering moeten de buitenwallen afdoende zijn geweest, want na de Allerheiligenvloed in 1570 wordt geen melding gemaakt van schade aan de vesting. Interessant is de vraag of de buitenwal, samen met de gracht, ook een militaire functie heeft gehad. Hierbij valt te denken aan het op afstand houden van een mogelijke tegenstander op zee, om met name de effectiviteit van vijandelijke vuurmonden vanaf schepen 104
De opzet van het Kasteel Het Kasteel had een militaire functie, herbergde een groot aantal mensen en was vanwege het militaire belang tamelijk geïsoleerd ten opzichte van Harlingen en omgeving. Al deze elementen zijn in het Kasteel gedurende ruim 80 jaar met succes geïntegreerd. De hoofdstructuur van het defensief systeem is bijna vierkant. Doordat de buitenwallen en -grachten het eigenlijke fort omgeven, worden de wallen daarvan binnenwallen. Deze hebben in het midden van de oostelijke en westelijke zijde - tegenover elkaar liggende - poorten. De poorten sluiten elk een brug af. Op de twee westelijke hoeken zijn rondelen aangebracht. De noordoostelijke hoek heeft geen uitbouw, terwijl aan de zuidoostelijke hoek een bastion uitsteekt. De gebouwen lijken zoveel mogelijk tegen de zijden te zijn opgetrokken, met uitzondering van het centraal liggende Blauwhuis en een enkel bijgebouw. De geordende plaatsing van de meeste gebouwen, onder een zekere bescherming van de binnenwallen, liet de binnenplaats grotendeels vrij om verplaatsing van manschappen en materieel zo min mogelijk te belemmeren. In tegenstelling tot de overige gebouwen, bleef het Blauwhuis behouden nadat de vesting in 1580 in handen van de Harlingers viel. Het gebouw dankte zijn naam aan een dakbedekking met blauwe leitegels en bleef vrijwel ongewijzigd tot 1650, toen het werd her- of verbouwd tot Westerkerk29. De eerdergenoemde toren, die Frits van Grombach in 1530 aan de westzijde van het Blauwhuis heeft laten optrekken, heeft mede door de opvallende hoogte bijgedragen tot de representativiteit van het gebouw. Het Kasteel had een 100- tot 125-koppige militaire be-
3. Foto van de werkzaamheden tijdens de afgraving van het Kasteel in 1896.
manning, waarvoor voorzieningen, zoals onderkomens en voorraden voor onderhoud, aanwezig dienden te zijn. Naast de militaire componenten van het Kasteel, zoals kazematten, wapenkamers e.d., komen we dan ook „vreedzame" gebouwen tegen, zoals een smederij, een molen en een brouwhuis30. Uiteraard was ter voorbereiding op een eventueel beleg in het Kasteel een enorme hoeveelheid voorraden en levensmiddelen aanwezig31. De goederen zijn, zeker voor een deel, door de burgers van Harlingen geleverd32. Het commando over de troepen op het Kasteel berustte bij de kastelein (= beheerder van een kasteel), die verantwoording schuldig was aan de olderman, tevens drossaard, van Harlingen33. Over de kasteleins wordt in de bronnen nauwelijks iets meegedeeld; van de verschillende drossaards bestaat echter een overzicht34. De opgraving in 1896 In het verleden zijn tijdens werkzaamheden op en rondom het kastèelterrein een paar keer overblijfselen van het Kasteel aangetroffen. Zo stuitte men in 1782, bij de uitdieping van de rond 1600 ten oosten van het kasteelterrein aangelegde Zuiderhaven, op noordoostelijke fundamenten van het Kasteel35. Bij deze gelegenheid is van het aangetroffene niets vastgelegd. Toen echter in 1896, tijdens het graven van de Willemshaven, opnieuw vestingrestanten op het westelijk kasteelterrein tevoorschijn kwamen, zijn deze gedocumenteerd door H. M. Henket (afb. 3)36.
Teruggevonden zijn de twee rondelen, de westelijke poort en enkele verbindingsgangen. Eén gang verbond het noordwestelijk rondeel met een gebouw op de binnenplaats, een andere liep tussen de twee rondelen en een derde passeerde tussen de westelijke poort en de toren ten westen van het Blauwhuis. De rondelen maten elk in doorsnede 12 m en bezaten 3 m dikke muren (afb. 4). De bovenbouw ervan is af te leiden aan de hand van afbeeldingen (afb. 5). Ze missen een overkapping, hetgeen gebruikelijk is voor dergelijke geschuttorens, omdat vooral het dak door mogelijke brandvatting een zwak punt zou zijn. De rondelen hadden inwendig kazematten37. Deze bestonden uit twee op elkaar staande overkluisde etages, waarbij de top was afgedekt met aarde, zodat een platform ontstond. Dit platform was anderhalve meter hoger dan het loopvlak van de aansluitende binnenwallen28. Achter de borstwering van de wallen en de torens kon het geschut worden opgesteld. Het geschut kon niet gemakkelijk verplaatst worden van de binnenwallen naar de torenplatforms of
4. Uitsnede van het kadastraal minuutplan uit 1832 van Harlingen met daarop ingemeten de rondelen. A = Havenplein, B = Zuiderhaven, C = Grote Bredeplaats, D = Westerkerk en E = Oude Israëlische begraafplaats. 105
5. Tekening van de twee rondelen van het Kasteel door J. Stellingwerf uit 1723.
vice versa. In de borstwering van de wallen waren indiepingen, embrasures, aangebracht, waardoor het geschut kon vuren. Een vergelijkbare functie had de kanteling van de rondelen, weergegeven op de afbeelding van J. Stellingwerf uit 1723. Rond of vóór 1860 zijn de rondelen van die kanteling ontdaan; op het schilderij van H. Siderius is deze niet meer aanwezig (afb. 6). Als afvuurmogelijkheid vanuit de kazematten hadden de torens enkele horizontale, spleetvormige openingen. Kwetsbare punten van het Kasteel waren de twee ingangen, die versterkt waren met poorten. Van de westelijke poort beeldt Henket de met een dubbele bakstenen ontlastingsboog afgedekte ingang af (afb. 7). Deze poort, ook ingemeten op de plattegrond van Henket, vertoont een constructie die rekening houdt met een eventuele aanvaller. Gezien het feit dat de ingang vertikaal slechts 1.45 m meet, waardoor rechtop staan bemoeilijkt wordt, en dit vooral ongunstig voor een eventuele aanvaller is, moet de poort uit tactische overweging laag 106
zijn uitgevoerd. Direct achter de ingang is de poort over een lengte van 4 m ongeveer even laag. Daarna wordt het plafond van de poortgang hoger en reikt tot 2.75 m en loopt dan geleidelijk af, zodat het plafond aan het einde van de poortgang 2.15 m hoog is. Vrijwel aan het eind van de poortgang ver-
6. Schilderij van H. Siderius uit ca. 1860, met daarop, gezien vanuit het zuiden, de rondelen van het Kasteel.
7. Plattegrond van de westelijke poort en aangrenzende gang van het Kasteel. Links zijn de dwarsdoorsneden van de gangen en rechts de overlangse doorsneden gegeven. Naar een opmeting van H. M. Henket uit 1896.
leent een 75 cm breed en 1.30 m hoog poortje toegang tot een zuidwaarts parallel aan de poortgang lopende gang. Ook dit poortje moet gedacht zijn als een hindernis voor eventuele aanvallers. De ten zuiden van de poortgang lopende gang kent een tweedeling in een oostelijk en westelijk deel. Dit is een stijgende gang, hetgeen blijkt uit de NAP-hoogtes. Het vloerniveau van het westelijk deel ligt op ca. 1.30-1.55 m boven NAP38. De vloer van het oostelijk deel van de gang loopt van ca. 1.55 tot 2.70 m +NAP op en eindigt bij de toren vóór het Blauwhuis. Ongetwijfeld zal in de stijgende gang een deur hebben gezeten, waardoor men de toren kon betreden. Over het metselwerk van het Kasteel meldt Henket in een begeleidende brief bij de opmetingstekening dat geen verband is te herkennen en dat zogenaamde reuzenmoppen
van 33 x 16 x 8.5 cm zijn toegepast. Waarschijnlijk betreft het hier sloopsteen. De kleur van de steen wordt als geelrood omschreven36. Een reconstructie Dankzij de opmeting van Henket, met aanvullende incidentele waarnemingen en gegevens van het kadastraal minuutplan, kan de oppervlaktegrootte van het Kasteel worden bepaald28. De aldus verkregen „vaste" punten, met gereconstrueerde aanvullingen, zijn over een kaart van de huidige bebouwing geprojecteerd (afb. 8). Met de nodige voorzichtigheid hebben we de rechthoekige omtrek van het Kasteel op ca. 115 bij 145 meter berekend. De totale oppervlakte van het Harlinger Kasteel, met inbegrip van buitengrachten en -wallen, moet ca. 185 bij 215 m zijn geweest. Ter 107
90)
8. Projectie van het opgemeten westelijke deel van het Kasteel over de huidige bebouwing van het voormalige kasteelterrein. Naar een opmeting van H. M. Henket uit 1896.
vergelijking: het in 1505 gebouwde blokhuis te Weerdenbras in Groningen mat inclusief grachten 75 bij 100 m39. De bewapening In de hoedanigheid van artilleriefort moet het Kasteel van Harlingen over een behoorlijke vuurkracht hebben beschikt. In een inventarisatie, daterend van 1577, van de in het fort opgestelde artillerie, wordt een achttiental stukken geschut vermeld, met van de meeste stukken de positie40. De artillerie, 108
welke onevenredig is verdeeld over de hoeken, moet zijn ingepast in een bepaalde defensiestrategie van het garnizoen. Een zware geschutconcentratie ligt met zes stuks op het noordwestelijk rondeel, waarmee dan ook de haveningang bestookt, en zodoende beheerst kan worden. Ook het zuidoostelijk „quartier", het met een bastion versterkt deel, is bezet met zes stukken. Vanaf dit punt kan flankvuur worden afgegeven op de twee naar de stad gerichte, oostelijke en zuidelijke zijden van het Kasteel. Aanmerkelijk
lichter bewapend is het zuidwestelijk rondeel met zijn drie kanonnen. Op de noordoostelijke hoek zijn geen kanonnen opgesteld en wordt een vuurbewapening vermeld, bestaande uit slechts vier lange roeren. De laatstgenoemde twee hoekpunten waren kennelijk van minder strategisch belang. Van vijf van de 18 stukken geschut is geen positie gegeven. Het soort geschut, 10 lichte stukken (kogels van 3-12 pond), drie stukken waarvan de projectielzwaarte onbekend is en twee zware stukken, een kartouw (kogels van 48-56 pond) en een mortier (kogels van 50-100 pond)41, geven de defensiemogelijkheden aan van het garnizoen. Het overwegend lichte, derhalve goed verplaatsbare geschut, moet uitstekend geschikt zijn geweest tegen zowel personeel als vaste doelen, zoals schepen en verplaatsbare schansen. Eventueel kon ook belegeringsvuur op de stad worden gelegd. De artillerie vormde de hoofdbewapening van het Kasteel. Een aanzienlijk deel van het garnizoen moet bij de bediening daarvan betrokken zijn geweest. Het overige, met lichte wapens uitgeruste deel van het garnizoen had een ondersteunende taak. Deze manschappen waren met handvuur- en blanke wapens, 500 pieken, 50 hellebaarden, 10 morgensterren, 24 haakbussen op staander, 32 lange roeren (= geweren) en 45 korte roeren, uitstekend van infanteriewapens voorzien42. De functie van het Kasteel Het Kasteel was een militair steunpunt; een dwangburcht. Wie het in handen had, beheerste de stad. Daarbij vervulde het een representatieve rol. Zo verbleef de stadhouder weliswaar hoofdzakelijk op de sterkte te Leeuwarden, maar wanneer aanwezig in Harlingen, vormde het Kasteel zijn residentie43. De primaire taak van het Kasteel was het beschermen van de haven. Bij een eventuele aanval kon vanuit het Kasteel een uitval worden ondernomen of verdedigde het garnizoen de vesting tot versterking opdaagde. De militaire effectiviteit van het Kasteel is voor het beoogde doel beslist succesvol ge-
weest. Ongetwijfeld heeft het als steunpunt in de oorlogen van 1514-1524 en van 15701576 waarde bewezen. Echt op de proef gesteld is de sterkte, voor zover bekend, nooit. Wel is het fort te Staveren in 1581 belegerd. Het weerstond dit beleg, tot het op de knieën werd gedwongen doordat de aanvallers het fort mineerden44. Wanneer een artilleriefort geïsoleerd raakte en zonder hulp van buitenaf een strijdmacht moest weerstaan, was de ondergang slechts een kwestie van tijd. Om de forten strategisch effectief te benutten, dienden ze in contact te staan met een strijdmacht te velde, die ze als uitvalsbasis en bevoorradingspunt kon gebruiken en zonodig kon ontzetten. Dit was dan ook de krijgstaktiek die Caspar de Robles in de jaren 1572-1576 met succes toepaste45. Waarschijnlijk zijn de artillerieforten in de oorlogen van 1500 en 1514-1524 op dezelfde manier gebruikt. Het einde van het Kasteel Toen de burgers van Harlingen in 1580 het Kasteel in handen hadden gekregen, werd de sterkte afgebroken, op het westelijk deel na. Doordat dit westelijk deel in de vesten van de stad werd opgenomen, bleef het bewaard tot 1896, het jaar waarin de Willemshaven werd aangelegd. De aanleg van de stadsvesten kreeg gestalte door omwalling en omgrachting. Beide werden aangelegd in gebastioneerde vorm; een wijze van vestingbouw die in deze periode opgang maakte in Noord-Nederland46. De meeste Friese steden werden ervan voorzien. Artillerieforten die vanaf de late 16e eeuw in dit gebied werden gebouwd, de schansen, kregen evenals de meeste Friese steden een volledig gebastioneerde omwalling. Het voordeel van de bastionering was de betere mogelijkheid tot het geven van flankvuur, waarbij de wallen zo waren ontworpen, dat ieder deel ervan binnen bereik lag van de vuurwapens der verdedigers47. De vernieuwing in de vestingbouw ging niet voorbij aan het Kasteel te Harlingen, dat waarschijnlijk in 1572 aan de zuidoostzijde een bastion kreeg. De hoofdopzet, die geënt was op middeleeuwse kasteelbouw, bleef echter behouden. Vergeleken met de gebas109
tioneerde Harlinger stadsvesten komt het hybride karakter van het eenvoudige rechthoekige Kasteel dan ook duidelijk naar voren. Zo kunnen we stellen dat het Kasteel in de periode 1570-1580 als een verouderd vestingtype moet hebben gegolden. Desondanks, en dat is een teken van kwaliteit, heeft het in deze periode toch nog succesvol dienstgedaan. Noten 1 Janssen 1990, p. 238-244. 2 Theissen 1909, p. 1-46. 3 Dekker en Nielsen 1984, p. 143. 4 Janssen 1981, p. 302-317. 5 Spahr van der Hoek 1969, p. 96. 6 Van Thabor 1530, p. 143. 7 Vries 1986, p. 32 en 58, en Obreen 1970, p. 84. 8 Vries 1986, p. 58. 9 Theissen 1907, p. 109-110. 10 Eekhoff 1846, p. 106-109. 11 Woltjer 1968, p. 260. 12 Idem en Obreen 1970, p. 85. 13 Obreen 1970, p. 85-86. 14 Schukking 1935, p. 109. 15 Drossaers 1955, Inventaris, nummer 1018. 16 Dekker en Nielsen 1984, p. 28. 17 Drossaers 1955, Regestenlijst van Brieven I, nummer 652. 18 Idem nummer 896. 19 Woltjer 1962, p. 216-217. 20 Obreen 1968, p. 14. 21 Sevenster 1985, p. 37 en 47, Kernkamp 1931, p. 38, en Obreen 1970, p. 14. 22 Gemeentearchief Harlingen (GAH), Rekening van Van Espelbach, 1574: 20. 23 Woltjer 1968, p. 271. 24 Rijksarchief Leeuwarden (RAL), SvVA nr. 589, 1577: 1-5. 25 Woltjer 1962, p. 306-311. 26 Winsemius 1622, p. 655-658. 27 Obreen 1968, p. 5. 28 Jager (in voorbereiding). 29 Obreen 1970, p. 87. 30 RAL, SvVA nr. 588, 1575: 21-22 en idem nr. 589: 1577: 15-17. 31 Rijksarchief Leeuwarden (RAL), SvVA nr. 588, 1575: 20 en Marseille 1984: 25. 32 Gemeentearchief Harlingen (GAH), RvVE, 1574:40-42. 33 Obreen 1970, p. 84. 34 Idem, zie noot 48 aldaar. 35 Ypey en De Boer 1788, p. 90-132. 36 De opmeting van H. M. Henket is te vinden op het RAL: kaart nr. 13.253. Hierbij hoort een toelichtingsbrief, eveneens van Henket.
110
37 RAL, SvVA nr. 588, 1575: 21. 38 De hier gegeven NAP-maten zijn verrekend ten opzichte van het toenmalig Fries Zomerpeil, dat toen nog 60 +NAP bedroeg. Thans is dit 66 cm+. Verder kennen we het peilpunt waaraan Henket de maten heeft gecorreleerd niet, zodat we dit niet kunnen ijken. 39 Baks 1989, p. 129. 40 RAL, SvVA nr. 589, 1577: 16-17. 41 Lusar 1972, p. 33 en 193, en Kist 1982, p. 164. 42 RAL, SvVA n. 588, 1575: 22, 25, 27-28. Met dank aan dhr. J. Post voor de transcriptie en vertaling van dit in het Frans geredigeerde stuk. 43 Ferwerda 1934, p. 14-15. 44 Schotanus 1658, p. 877-878, en Heeringa 1893, p. 115-116. 45 Woltjer 1962, p. 270. 46 De Bruijn en Reinders 1967, p. 7-34. 47 Lepage 1992, p. 34.
Literatuur Baks, P., 1989. Weerdenbras: een Laat-Middeleeuwse versterking in de provincie Groningen. In: M. Bierma en J. M. Bos (red.), Paleo-Aktueen, 126-131. Bruijn, C. A. de, en H. R. Reinders, 1967. Nederlandse Vestingen. Bussum. Dekker, T. W., en C. Nielsen, 1984. Kastelen, Kerken en Kloosters. Harlingen. Drossaers, S. W. A., 1955. Het Archief van de Nassause Domeinraad, deel II, band 1: Inventaris. 's-Gravenhage. Drossaers, S. W. A., 1955. Het Archief van de Nassause Domeinraad, deel II, band 4. Regestenlijst van Brieven I (1467-1542). 's-Gravenhage. Eekhoff, W., 1846. Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden (deel I). Leeuwarden. Ferwerda, S., 1934. Uit Harlingen's Historie. Harlingen. Heeringa, K., 1893. Het Oude Staveren. Groningen. Jager, A. (in voorbereiding). Het Kasteel van Harlingen. Een momentopname in de Friese vestingbouw. Janssen, H. L., 1981. De fortificaties van Ter Eem 1528-1553 en het ontwerp van Rombout Keldermans. In: T. J. Hoekstra, H. L. Janssen en I. W. L. Moerman (eds.), Liber Castellorum, 40 variaties op het thema kasteel. Zutphen, 302-317. Janssen, H. L., 1990. The archaeology of the medieval castle in the Netherlands. Results and prospects for future research. In: J. C. Besteman, J. M. Bos en H. A. Heidinga (eds.), Me-
dieval Archaeology in the Netherlands. Assen/Maastricht, 219-264. Kernkamp, J. H., 1931. De Handel op den Vijand (deell: 1572-1609). Utrecht. Kist, J. B., 1982. De militaire technologie en de vestingbouw. In: Vesting, Vier eeuwen vestingbouw in Nederland. 's-Gravenhage, 161166. Lepage, J. D., 1992. Vesting stap voor stap. Het bastion hoekpunt in oude stadsomwallingen. Lusar, R., 1972. RiesengeschĂźtze und schwere Brummer einst undjetzt. MĂźnchen. Marseille, T., 1984. Harlingen, de Vermaerde Zeestad. Harlingen. Obreen, H. T., 1968. Harlingen. Inventaris deiarchieven. Bolsward. Obreen, H. T., 1970. Harlingen. Bulletin van de 1 Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, 69, 73-88. Schotanus, C , 1658. De Geschiedenissen van Frieslandt oost en de west van d' eerste geheuchenis af, tot op hetjaer 1584. Franeker. Schukking, W., 1935. Bij Leeuwardens Vestingplan. (Eene bijdrage tot de geschiedenis van de vestingwerken der stad). In: Gedenkboek. Uitgegeven in opdracht van de vereniging tot bevordering van vreemdelingenverkeer te Leeuwarden. Leeuwarden, 106-138. Schwartzenberg en Hohenlansberg, G. F. Groot placaat en charterboek van Vriesland (deel III [1778] en deel IV [1782]). Leeuwarden. Sevenster, J., 1985. De Stenen Man. Caspar de
Robles, stadhouder van Friesland, Groningen en Ommelanden van 1572-1576. Zwolle. Spahr van der Hoek, J. J., 1969. Samenleven in Friesland. Drachten. Thabor, P. van, 1530. Historie van Vrieslant (herdruk Leeuwarden 1973). Theissen, J. S., 1907. Centraal gezag en de Friesche Vrijheid. Friesland onder Karel V. Groningen. Theissen, J. S., 1909. Het Leeuwarder blokhuis in de 16e eeuw. De Vrije Fries 21, 1-46. Vries, O., 1986. Het Heilige Roomse Rijk en de Friese Vrijheid. Leeuwarden. Winsemius, P., 1622. Chronique van Vrieslant. Franeker. Woltjer, J. J., 1962. Friesland in Hervormingstijd. Leiden. Woltjer, J. J., 1968. In de Leerschool der Monarchie. In: J. J. Kalma, J. J. Spahr van der Hoek en K. de Vries (eds.), Geschiedenis van Friesland. Drachten. Ypey, N., en J. de Boer, 1788. Slatting enz. der Zuiderhaven te Harlingen. In: Tegenwoordige Staat van Friesland (deel III Westergo en Zevenwouden). Amsterdam, 90-132.
Grote Kerkstraat 224 8911 EG Leeuwarden Merkebuorren 68 9241 GH Wijnjewoude
111
Een kan met problemen J. E. Bogaers Tot de collectie van Museum Hertogsgemaal, dat gelegen is aan de Rosmalensedijk te 's-Hertogenbosch-Gewande, behoort een Romeinse kan van een geelkoperlegering, die om velerlei redenen hoogst merkwaardig mag worden genoemd (afb. 1). Zeer waarschijnlijk is ze in 1984 gevonden in het Gelderse rivierengebied, en wel te IJzendoorn in de gemeente Echteld, naar verluidt bij graafwerkzaamheden in de uiterwaard van de Waal, naast een zanddonk, aan de rand van een baggergat, onder de grondwater-
1. Bronzen kan uit Echteld-IJzendoorn; grootste hoogte: 19 cm. Foto M. van Beers.
112
spiegel'. Het stuk vertoont geen spoor van oxydatie of patina, maar heeft over de gehele oppervlakte een doffe glans („rivierpatina" of „Moorpatina"); dit wijst erop dat het lange tijd in water, althans in een vochtige omgeving, heeft gelegen. De kan, in het Latijn urceus genaamd2, heeft een gewicht van 726,7 gram en een inhoud van ongeveer 0,8 liter. Ze is samengesteld uit vier delen, die afzonderlijk zijn gegoten: de voet, de buik, de hals en het oor. De hoogte is 17,7 cm (inclusief het boveneinde van het oor: 19 cm). De buik heeft een diameter van maximaal 10,5 cm; de middellijn van de monding is aan de bovenkant, buitenwerks gemeten, 7,7 cm groot. Op de schouder - de overgang van de buik naar de hals - is een groef te zien, en vlak boven de voet, aan de onderzijde van de buik, bevindt zich een richel. Deze groef en richel geven de plaatsen aan waar de drie belangrijkste delen van de kan met elkaar zijn verbonden; in de thans aan elkaar aansluitende randen daarvan zijn waarschijnlijk op de draaibank groeven en lijsten aangebracht, die vervolgens op elkaar zijn geklemd3. Aan de onderzijde van de bodem zijn - bij wijze van decoratie? - rondom het verhoogde centerpunt zes cirkelvormige groeven uitgedraaid4. De buik vertoont tal van butsen en is hier en daar lek. Bovendien is hij herhaaldelijk gerepareerd. Daarbij is telkens - ongetwijfeld over een gat heen - een stukje brons gesoldeerd, tweemaal verrassenderwijs in de vorm van een blaadje met steel (afb. 1, links). Rechts van de beneden op het oor afgebeelde vrouw is ter reparatie een reepje brons bevestigd (afb. 2); vergelijk voor iets dergelijks afb. 1, midden onder. Vlak boven de bodem is op een tweetal plaatsen soldeersel te zien, dat zeker ook in een later stadium is aangebracht. Opvallend is verder dat het S-vormige oor niet alleen aan de bovenkant weinig fraai aansluit aan de rand van de monding, maar dat het ook zeer slordig en ongetwijfeld pas
2. Detailopname van het met reliëf versierde oor. Foto M. van Beers.
secundair met soldeer aan de kan is bevestigd. De rand van de monding is - om welke reden dan ook - aan de buitenkant enige malen verticaal ingesneden (afb. 3, links boven); vier van de daardoor ontstane groetjes worden gedeeltelijk bedekt door een van de twee sterk gestileerde vogelkoppen met lange snavels die langs de opening van de kan zijn gelegen en waarin het oor aan de bovenzijde uitloopt5. Wanneer men het oor meerekent, dan behoort het stuk uit Echteld-IJzendoorn tot het type Den Boesterd 2776, dat een trechtervormige monding heeft met een opstaande rand, en een met reliëf versierd, S-vormig oor, maar het is de vraag of onze kan oorspronkelijk wel voorzien is geweest van een (ander, primair?) oor. Tussen de reeds vermelde vogelkoppen is aan de bovenzijde van het oor een kelk van bladeren te zien, waarvan het middelste omhoog is gebogen en als duimsteun dienst kan doen, en twee andere, aan weerszijden daarvan, als voluten op de vogelkoppen liggen (afb. 3). Aan de onderkant is de bladerkelk
begrensd door twee horizontale lijsten (afb. 2). Het reliëf toont vervolgens een naar links gerichte en op een grondlijn gezeten griffioen, het fabeldier, dat een combinatie is van twee koningen onder de dieren: het heeft het lichaam van een gevleugelde leeuw en is bekroond met een adelaarskop. Deze afbeelding kan enkel als ornament zijn bedoeld, maar het is ook mogelijk dat de griffioen hier dienst doet als symbool van de waakzaamheid of als apotropaeisch middel, tot afwering van onheil7. Daaronder bevinden zich twee raadselachtige, kruiselings over elkaar gelegde voorwerpen. Het benedenste lijkt wel een juk, maar het zou ook een boog (zonder pees) kunnen voorstellen. Daarover ligt misschien de punt van een lans of speer. Het onderste deel van het oor was waarschijnlijk versierd met een bladmotief, maar daarvan zijn alleen links en rechts boven nog enige gebogen groetjes waarneembaar. Daartussenin is het vlak gevuld met een wel zeer opmerkelijke vrouwenfiguur. Deze is gekleed in een lang gewaad met klokrok, dat tot vlak boven de voeten neervalt en met een ceintuur is opgeschort. Ze draagt geen
3. Bovenaanzicht met inscriptie in puntschrift; grootste diameter van de monding: 7,7 cm. Foto M. van Beers. 113
lijk aan de binnenzijde van de monding, onder de rand (afb. 3 en 4a; de hoogte van de letters varieert van 3,5 tot 4,5 mm): CRESCENTis VEx(illarii) - van de vaandeldrager Crescens. Het woord vexillarius heeft hier zeer waarschijnlijk betrekking op de vaandeldrager van een Romeinse ruiterafdeling; deze laatste heeft vermoedelijk deel uitgemaakt van de hulptroepen (auxilia)'2. b. De tweede inscriptie is veel moeilijker te zien; deze bevindt zich vlak onder de rand, aan de buitenzijde van de monding13. De letters zijn 3 tot 7,5 mm hoog en de tekst (afb. 4b) luidt: > (centuriae) SECVN(<#[SECVN (diani), SECVN(dini) of een dergelijke bijnaam of cognomen]) CONSTANTIS = van Constans, behorende tot de centuria onder commando van (de centurio) Secundus (Secundianus of Secundinus enz.). Deze Constans is infanterist geweest in een centuria (ter grootte van ongeveer tachtig man), waarschijnlijk de kleinste tactische eenheid van een cohors auxiliaria, een afdeling hulptroepen die een nominale sterkte had van vijfhonderd of duizend man. Namen als Crescens, Secun(dus enz.) en Constans zijn uit het hele Romeinse rijk bekend14 en kunnen in ons geval weinig zeggen over de herkomst van de zo genoemde militairen. Wanneer men let op de plaats van de beide inscripties, dan is het vanzelfsprekend dat die van de ruiter en vaandeldrager Crescens Een tweetal inscripties brengt ons in contact met voormalige eigenaren van het intrigesecundair moet zijn. Nadat de kan eigendom rende stuk vaatwerk uit Uzendoorn. Deze was geweest van de infanterist Constans, is opschriften bestaan min of meer uit kapitaze - om welke reden dan ook - in het bezit len, die zijn samengesteld uit ingeslagen gekomen van Crescens, die daarvan onmispuntjes. kenbaar blijk heeft gegeven. Het is heel goed mogelijk dat Constans en a. Het meest opvallend is de tekst die op een heel vreemde plaats is aangebracht, nameCrescens gediend hebben in dezelfde afdeling hulptroepen. Deze moet dan een cohors auxiliaria equitata zijn geweest ter sterkte van ongeveer vijfhonderd (quingenaria) of duizend (milliarid) man, waarvan niet alleen infanteristen, maar ook respectievelijk ca. 120 of 240 ruiters (equites) deel hebben uitgemaakt'5. Overigens blijft het de vraag, waar en in 4. Twee inscripties in puntschrift; a: aan de bin- welk castellum deze cohors in onze streken gestationeerd is geweest. De uiterwaard aan nenkant van de monding, b: aan de buitenzijde onder de rand. Tek. E. J. Ponten. de noordelijke oever van de Waal te Ech-
hoofddeksel en is verder gehuld in een kort schoudermanteltje of pelerientje. In de linkerhand (rechts) lijkt ze een snaarinstrument vast te houden; als dit juist is, dan kan het benedenwaarts gerichte voorwerp dat ze in de rechterhand (links) heeft, moeilijk iets anders zijn dan een citerpen of plectrum, en is het muziekinstrument een citer. Tot slot dient nog vermeld te worden dat de vrouw gevleugeld is; boven haar rechterschouder (links) is duidelijk een vleugel te zien. Het schoudermanteltje is wellicht het meest verrassende element. Zoiets is uit de klassieke oudheid tot nu toe alleen bekend van de klederdracht van de „Zeeuwse" godin Nehalennia8. Op grond daarvan mag men wel vermoeden dat het pelerientje deel heeft uitgemaakt van de traditionele kleding van inheemse vrouwen in Romeins Zeeland of in het mondingsgebied van de Rijn en de Schelde in de provincies Gallia Belgica en Germania Inferior9. De afgebeelde vrouw lijkt een gevleugelde overwinningsgodin of Victoria te zijn, die gekleed is in een dracht die in de Romeinse tijd in onze streken heeft thuisgehoord10. De kan - of in ieder geval het secundair aangezette oor - moet dan ook wel in Belgisch Gallië of in Neder-Germanië zijn vervaardigd, vermoedelijk in de tweede of derde eeuw na Chr."
114
teld-IJzendoorn kan daarvoor bezwaarlijk in aanmerking komen. Eerder zal men moeten denken aan een der castella van de Nedergermaanse limes, aan de zuidelijke oever van de Rijn in de Neder-Betuwe 16 . Noten 1 Naar mededelingen van A. J. C. E. Verhagen ('s-Hertogenbosch-Empel), conservator van Museum Hertogsgemaal, die de schrijver ook gaarne de gelegenheid heeft geboden om de kan te bestuderen en te publiceren. 2 Hilgers 1969, p. 83-84 (met afb. 77) en 299300, nr. 378; dergelijke kannen of kruiken zijn vooral gebruikt voor het uitgieten van wijn en water. 3 Mutz 1972, p. 45-47. 4 Vgl. Mutz 1972, p. 24-25. 5 Op de vogelkoppen bevinden zich nog sporen van een grotendeels weggesleten versiering. 6 Den Boesterd 1956, p. 77-78 en pi. XII: nr. 277. Vgl. idem, p. 77 en pi. XII: nr. 276; Radnóti 1938, p. 159-162 en Taf. XIV, 77. 7 Vgl. K. Ziegler in: RE VII (1912), 19021929, s.v. Gryps, vooral 1924 e.v. 8 Zie de afbeeldingen in Hondius-Crone 1955 en Deae Neh. 9 Vgl. Hondius-Crone 1955, p. 102; P. Stuart in: Deae Neh., p. 26 en 28; Wild 1968, p. 214-216, en 1985, p. 404-405. 10 In verband hiermee is het opmerkelijk dat tot de vondsten uit het Domburgse heiligdom van Nehalennia ook fragmenten behoren van twee beelden van Victoria in „klassieke" trant; vgl. Hondius-Crone 1955, p. 76-79 en 110-111. Zie overeen waarschijnlijk inheemse Victoria in een inscriptie (CIL XIII 8252) op een altaar uit Keulen: Stolte 1986, 635. 11 Vgl. Radnóti 1938, p. 160-162; Den Boesterd 1956, p. 77, nr. 276, en p. 78, nr. 277; CahenDelhaye 1970, p. 129-131 (type C en D). 12 Vgl. A. Neumann in: RE VIII A (1958), 2439-2442, s.v. vexillarius. 13 De ontdekking is te danken aan A. J. C. E. Verhagen. 14 Vgl. Kajanto 1965, p. 234, 258 en 292; Alföldy 1969, p. 180, 181 en 290-292; Mócsy e.a. 1983, p. 87, 92 en 258. 15 Vgl. Johnson en Baatz 1987, p. 34-36. 16 Met dank aan A. Koster, wetenschappelijk medewerker bij het Provinciaal Museum G. M. Kam, Nijmegen, voor technische en wetenschappelijke adviezen die in dit artikel verwerkt zijn.
Literatuur Alföldy, G., 1969. Die Personennamen in der römischen Provinz Dalmatia. Heidelberg. ANRW. Aufstieg und Niedergang der römischen Welt. Boesterd, Maria H. P. den, 1956. Description of the Collecüons in the Rijksmuseum G. M. Kam at Nijmegen, V. The Bronze Vessels. Nijmegen. Cahen-Delhaye, Anne, 1970. Une buire romaine en bronze découverte a Saint-Mard, Helinium 10, 120-135. CIL. Corpus lnscriptionum Latinarum. Deae Neh. Deae Nehalenniae. Gids bij de tentoonstelling Nehalennia de Zeeuwse godin, Zeeland in de Romeinse tijd, Romeinse monumenten uit de Oosterschelde. Middelburg/Leiden 1971. Hilgers, W., 1969. Lateinische Gefaflnamen. Bezeichnungen, Funktion und Form römischer Gefafle nach den antiken Schriftquellen. Düsseldorf. Hondius-Crone, Ada, 1955. The Tempte of Nehalennia at Domburg. Amsterdam. Johnson, Anne, en D. Baatz, 1987. Römische Kastelle des I. und 2. Jahrhunderts n. Chr. in Britannien und in den germanischen Provinzen des Römerreiches. Mainz am Rhein. Kajanto, I., 1965. The Latin Cognomina. Helsinki. Mócsy, A., e.a., 1983. Nomenclator provinciarum Europae Latinarum et Galliae Cisalpinae cum indice inverso. Budapest. Mutz, A., 1972. Die Kunst des Metalldrehens bei den Römern. Interpretationen antiker Arbeitsverfahren auf Gr und von Werkspuren. Basel/Stuttgart. Radnóti, A., 1938. Die römischen Bronzegefasse von Pannonien. Budapest. RE. Pauly-Wissowa, Realencyclopadie der Classischen A Itertumswissenschaft. Stolte, B. H., 1986. Die religiösen Verhaltnisse in Niedergermanien. In: W. Haase (Hrsg.), ANRW II, 18, 1. Berlin/New York, 591-671. Wild, J. P., 1968. Clothing in the North-West Provinces of the Roman Empire, Bonner Jahrbücher 168, 166-240. Wild, J. P., 1985. The Clothing of Britannia, Gallia Belgica and Germania Inferior. In: Hildegard Temporini (Hrsg.), ANRW II, 12, 3. Berlin/New York, 363-422.
Berg en Dalseweg 150 6522 BZ Nijmegen
115
Forensische Archeologie: archeologen kunnen de recherche assisteren1 R. L. Lichtveld Iedere rechtgeaarde archeoloog bekijkt met ontzetting de foto's in Vrij Nederland (nummer 24 van 19-06-1993), die de puinhopen van een opgraving tonen, mede verricht door de Gravendienst in het kader van het onderzoek naar de incestzaak te Epe. De Gravendienst werkt zonder meetsysteem. Het is zeer de vraag of kleine sporen niet over het hoofd worden gezien. Uit de sporen die wèl worden gevonden, zal waarschijnlijk niet alle potentiële informatie worden gehaald. Het is duidelijk dat archeologen
voor dergelijk werk het best gekwalificeerd zijn. De gerechtelijke consequenties van die expertise kunnen heel groot zijn; bovendien kan een hoop tijd en geld worden bespaard, door deskundig vast te stellen of een bepaalde site is vergraven of niet. In de Amerikaanse staat Florida is het heel gewoon dat archeologen de recherche assisteren, in het geval er een begraven stoffelijk overschot wordt aangetroffen. Maar bijvoorbeeld ook de West Yorkshire Police in Engeland staat in contact met archeologen.
E —W Line Level limit of excavation
1. Het graf van de drie drugsmokkelaars. Uit: Sigler-Eisenberg 1985. 116
Forensische archeologie wordt daar onderwezen op de National Detective Training School in Wakefield. Criminalistische of forensische archeologie kan men definiëren als het gebruik van archeologische methoden en technieken ten dienste van het onderzoek in strafzaken. Het is zeer belangrijk om begraven bewijsmateriaal, met name een begraven slachtoffer van een misdrijf, zo zorgvuldig mogelijk op te graven, om alle sporen die met de misdaad samenhangen te kunnen verzamelen. De opgraving kan het beste geschieden door archeologen in samenwerking met de recherche, of door in archeologische technieken getrainde, technische rechercheurs. Voorbeelden van samenwerking tussen archeologen en recherche zijn bekend uit Amerika en Engeland. Zo werd in Florida van de opgraaf-expertise van de archeologe Brenda Sigler-Eisenberg gebruik gemaakt in de zaak van drie vermoorde drugsmokkelaars2. Door gedurende een week op uiterst systematische wijze het graf bloot te leggen, konden de verklaringen van de verdachten worden bevestigd, hetgeen tot hun veroordeling leidde. Het doorslaggevende bewijs hiervoor werd onder andere geleverd door drie minuscule velletjes plastic: verpakkingsmateriaal van de hagel in de hulzen van de patronen, die waren gebruikt om de drie dood te schieten. Deze velletjes werden aangetroffen op anderhalf a twee meter diepte in de grond en toonden aan dat de drie slachtoffers in de kuil lagen toen zij werden doodgeschoten. De velletjes hebben namelijk geen aërodynamische eigenschappen en dwarrelen na het schot al snel naar de grond, zonder het slachtoffer te penetreren. In Engeland werd in 1988 het geraamte aangetroffen van een kind, Steven Jennings, dat 26 jaar eerder was verdwenen. Door de resten op een archeologisch verantwoorde wijze op te graven, kon onder meer worden aangetoond dat het letsel aan het skelet op het moment van overlijden was opgelopen, en niet in de tussenliggende 26 jaar. De getuigenverklaringen van de archeologen, samen met die van pathologen, orthopedische chirurgen en radiologen, leidden tot de ver-
oordeling van de moordenaar, de vader van Steven, meer dan een kwart eeuw na diens gruwelijke daad. Bij een archeologische opgraving worden zowel de horizontale als verticale relaties van voorwerpen en bodemstructuren (grondsporen) nauwkeurig vastgelegd. Het is essentieel dat dit onderzoek direct goed gebeurt, immers de opgraving kan maar éénmaal plaatsvinden; met het opgraven vernietigt men de grondsporen en de samenhang waarin de sporen zich bevinden. De stratigrafie van de sporen weerspiegelt de chronologie van het ontstaan van deze sporen, en kan daarom behulpzaam zijn bij het vaststellen van de volgorde waarin de verschillende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Door vlakken te schaven, kunnen de horizontale relaties zichtbaar worden gemaakt. Dit gebeurt met een schep, eventueel voorafgegaan door een graafmachine. Op die manier kunnen archeologen tevens relatief grote gebieden snel op vergravingen controleren. Ook de verschillende niet-destructieve onderzoeksmethoden om voorwerpen en bodemstructuren onder het maaiveld zichtbaar te maken, kunnen de recherche tot nut zijn. De bekendste hiervan is natuurlijk de metaaldetector, maar er valt ook te denken aan het meten van elektrische weerstandsverschillen in de grond en magnetometrie. Deze laatste methode is mede geschikt voor het lokaliseren van metalen voorwerpen op grotere diepte, buiten het bereik van de metaaldetector3. Snelle berging van een stoffelijk overschot, met als doel het zo spoedig mogelijk te kunnen identificeren, zal in het geval van een vergevorderde staat van ontbinding geen rol meer spelen. Het belang van een zorgvuldige opgraving, voor het vergaren van zoveel mogelijk informatie, neemt dan de overhand. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot kennis over haarkleur of baardgroei, hetgeen van belang is bij een gelaatsreconstructie aan de hand van een schedelvondst. Ook eventueel gevonden contactlenzen ên dergelijke kunnen een identificatie vereenvoudigen. Eén van de voordelen van het inschakelen van archeologen is, dat zij vanuit hun vak117
gebied in verbinding staan met allerlei hulpwetenschappers, zoals oecologen, biologen, entomologen (insekt-deskundigen), bodemkundigen, etc. Als een misdadiger zijn gedolven kuil weer dichtgooit, zal bijna altijd een gedeelte van de oorspronkelijke bovengrond in de kuil terechtkomen. De hierin aanwezige plantenresten kunnen een botanicus duidelijk maken in welk jaargetijde het graven heeft plaatsgevonden. Ook het ontwikkelingsstadium van de op de omgewerkte aarde opnieuw opgekomen begroeiing kan een indicatie zijn hoe lang geleden de kuil is gegraven. In het geval van een begraven lichaam kunnen insecten en hun nakomelingen, die het stoffelijk overschot bevolken, een aanwijzing vormen voor de wijze van overlijden, het al of niet verplaatst zijn van het stoffelijk overschot en de lengte van de periode sinds het overlijden. Zo kan bijvoorbeeld een grote concentratie van insecten op een andere plaats dan die van de natuurlijke lichaamsopeningen, duiden op een wond aldaar. Het is niet slechts op het gebied van het opgraven dat de archeologie de recherche van dienst kan zijn. Archeologische technieken voor het registreren van de verspreiding van grote hoeveelheden voorwerpen over grote terreinen zijn bruikbaar voor het opnemen van gegevens na een bomexplosie, vliegtuigcrash of andere calamiteit. Remote Sensing-technieken vanuit een vliegtuig en de in de archeologie gebruikelijke verticale en oblique luchtfotografie zijn van potentieel belang voor de recherche. In Engeland heeft men met behulp van deze laatste techniek gestolen goederen kunnen achterhalen, die waren begraven. De sporen van graafwerk, bijvoorbeeld in gewas (erop marks) of in pas geploegde grond (soil marks), kunnen duizenden jaren zichtbaar blijven voor de luchtfoto-archeoloog! In navolging van de forensische odontologie (tandheelkunde) is de mogelijkheid aanwezig om de specifieke technologie van archeologen voor recherchewerk te gebruiken. Archeologen zouden dan als deskundige-getuige kunnen opereren bij misdrijven, waar118
bij het gaat om begraven slachtoffers of bewijsmateriaal4. Dat zou kunnen leiden tot een ontwikkeling van forensische archeologie in Nederland, of het aanstellen van door het gerechtshof beĂŤdigde archeologen. Ook zouden technische rechercheurs kunnen worden opgeleid in relevante archeologische methoden en technieken. Noten 1 Dit artikel is in grote lijnen reeds verschenen in het blad Modus, tijdschrift voor de recherche en forensische wetenschappen. 2 Sigler-Eisenberg 1985. 3 Clark 1990. 4 Egberink 1992. Literatuur Bass, W- M., en W. H. Birkby, 1978. Exhumation: The Method Could Make the Difference. FBI Law Enforcement Bulletin 47, nr. 7 (juli 1978), 12-15. BBC, series editor Roy Davies, 1990 (?), Digging for Clues, (transcript), uit: Timewach. Boyd, R. M., 1979. Burried Body Cases. FBI Law Enforcement Bulletin, feb. 1979. Clark, A., 1990. Seeing Beneath the Soil, prospecting methods in archaeology. London. Egberink, T., 1992. Getuige-Deskundige of Deskundige-Getuige? Modus, Tijdschrift voor Recherche en Forensische Wetenschap, no. 3. Zutphen. Hunter, B., 1990. Digging for Victory. Police Review (23 nov. 1990). Lord, D. W., en J. F. Burger, 1983. CollectiĂłn and Preservation of Forensically Important Entomological Materials. Journal of Forensic Sciences 28, nr. 4 (oktober 1983), 936-944. Mc. Laughlin, J. E., 1974. The Detection of Burried Bodies (a study by Andermac). Yuba City (Calif.). Morse, D., e.a., 1976. Forensic Archaeology. Journal of Forensic Sciences 21, nr. 2, 323332. Schaepman, K., 1993. Epe. Graven naar de Waarheid in een Dorp op de Veluwe. Vrij Nederland, nr. 24 (19 juni 1993). Sigler-Eisenberg, B., 1985. Forensic Research: Expanding the Concept of Applied Archaeology. American Antiquity 50 (3), 650-655. Westveer, A. E., z.j. Death Investigation (US Department of Police, FBI, handboek), 93. Kromboomsloot 28 1011 GX Amsterdam
Het verleden beleven in het landschap van vandaag Paul Stuurman „De wereld van gisteren vandaag beleven". Dat is de slagzin waarmee ARCHEON aan de weg èn aan een aantal reconstructies van verleden (Neder)land timmert en dat voorlopig nog zal blijven doen. Een vroegneolithisch dorp, een hunebed, grafheuvels, een Romeins fort, een Romeinse stad met alles wat daarin thuishoort: tempel, badhuis, herberg, amfitheater en - uiteraard - een huizenblok voor de gewone man. De middeleeuwen zijn vertegenwoordigd met een middeleeuwse stad en - straks - een motte-kasteel. Deze reconstructies liggen gebed in zorgvuldig gereconstrueerde landschappen. Bewoners in „tijdeigen" kleding zijn op au-
thentieke wijze bezig met hetgeen de mensen van toen bezighield: het bewerken van akkers, het vervaardigen van aardewerk, het bouwen van huizen. En het Educatief Erf biedt groepen de mogelijkheid om voor korte tijd zo „natuurlijk" mogelijk te leven in het verleden. Een droom wordt werkelijkheid, zij het een gereconstrueerde werkelijkheid. Wat kunnen amateur-archeologen zoals u en ik zich nog meer wensen? Uiteraard behoren wij, naast dagjesmensen, buitenlandse toeristen, schoolklassen en „vele andere groepen", tot de doelgroepen die men denkt te bereiken. Waaraan is het dan toch te wijten dat de
1. Poster van ARCHEON. (Foto ARCHEON, Alphen aan den Rijn). 119
ideeën achter themaparken als Xanten, Archéodrome, Samara bij Amiens en ARCHEON mij nauwelijks aanspreken en de zichtbare resultaten mij maar matig interesseren? En waarom roept de veelkleurige ARCHEON-poster, met zijn haast schaamteloze verwijzing naar de Dinosaurus-rage die ons land teistert, mijn wrevel op? Het antwoord op die vragen is eenvoudig. Omdat ik onder „De wereld van gisteren vandaag beleven" iets heel anders versta. Dat wil ik in de hiernavolgende impressie graag illustreren. Ik neem daarbij een citaat uit Ton Lemaire's „Filosofie van het landschap" als uitgangspunt: „Doordat de wetenschappelijk beoefende prehistorie het beeld zo scherp mogelijk omlijnt, ontdoet zij juist daardoor dit verleden van zijn grootste fascinatie. Zo is de emancipatie van de vondst... kortom: van de gelukte rekonstruktie de definitieve overwinning op de vage vermoedens en de verbeelding van de amateurs". Het is mei 1987. Ik wandel, onder een grijze lucht, door een leeg en onherbergzaam landschap. Het is de streek ten noorden van Blois, die deel uitmaakt van de Beauce. Korenvelden tot de horizon. De schaarse dorpen in de verte worden niet gemarkeerd door kerktorens, maar door enorme graansilo's. De hoogvlakte wordt doorsneden door een aantal riviertjes, die minuscule dalletjes hebben uitgeslepen. Je merkt ze pas op als je er vlakbij bent. Boomtoppen doemen op,
3. Romeinse weg, ten noorden van Blois.
struikgewas sluit je in. Even waan je je in een paradijs. Maar de weg slingert zich, voorbij het bruggetje, weer omhoog, bereikt opnieuw de hoogvlakte. En opnieuw voel je je verloren in de ruimte. De leegte, de grijze lucht en de stilte omsluiten je, roepen een gevoel van intense beklemming op. Dit eenzame landschap herbergt ontelbare herinneringen aan vroeger: Dolmens en menhirs, tumuli, enkele oppida, een netwerk van Romeinse wegen, karolingische kerkjes. Hiernaar op zoek gaan, in het landschap van nu, is je verliezen in de ruimte, je uitleveren aan de tijd. Het is een eenzaam avontuur. Over afstanden van tientallen kilometers heb ik ze bewandeld, die kaarsrechte
2. Dolmen de la Pierre Levie, bij Blois (foto's: Paul Stuurman). 120
4. Resten van een Romeinse brug in het Forêt de Russy.
Romeinse wegen. Door het zachtglooiende land trekken ze golvende lijnen naar de horizon. Soms worden ze gemarkeerd door wat ijle populieren. Ze snijden dwars door het middeleeuwse bewoningspatroon heen en vermijden de meeste dorpen. Als ze erop aankoersen, mag je ervan uitgaan dat ter plaatse in de Romeinse tijd een nederzetting heeft gelegen. Het plaatsje Verdes is daarvan het mooiste voorbeeld. In het dorpje Averdon, even boven het riviertje de Cisse gelegen, informeert een bezoekster van een rijdende winkel of ik naar iets op zoek ben. Ik bied het oeroude kerkje, bij gebrek aan beter, als antwoord aan. Verbaasd, bijna onthutst, werpt ze een blik op het onooglijke gebouwtje. Het antwoord is dan ook even armzalig als ontoereikend. Waarom verdiep ik me in dit landschap, wandel ik, kilometer na kilometer, over die Romeinse wegen? Niet omdat je het „Romeinse" er aan afziet. Het zijn niet meer dan paden, landwegen op z'n best, soms verhard, maar meestal niet. Maar zij brengen de verbeelding tot leven. Wat Ton Lemaire over de „vinder" zegt, is in gelijke mate van toepassing op de „wandelaar": „Hij is er zich van bewust dat waar hij nu loopt, zoveel vergeten mensen hun sinds lang uitgewiste voetsporen hebben gedrukt, en elk zo
herinnerd leven verwijdert de huidige bewoner verder uit het vertrouwde bestek van zijn tijd". Voel je je in het lege landschap ten noorden van Blois verloren in de ruimte, geborgenheid vind je in de uitgestrekte bossen ten zuiden van de Loire. Het Forêt de Russy, dat zich uitstrekt tussen Loire en Beuvron, herbergt in de buurt van Cellettes méér dan alleen de herinnering aan een Romeinse weg. Want, eenmaal het bos ingedoken, ontdek je het, door bladeren overdekte, plaveisel van dezelfde weg, die je ten noorden van Blois eerder als grasbaan had ontmoet. Het is de verbindingsweg tussen Chartres en Bourges, eens twee belangrijke Romeinse stedelijke centra. Ontelbare karren hebben, in de loop der eeuwen, hun wielsporen diep in het plaveisel uitgesleten. Dieper het bos in, waar een met bladeren gevulde depressie de loop van een voormalige beek aangeeft, steken de schaarse resten van een Romeinse brug uit de bruine bosbodem. De wereld van gisteren neemt hier in het heden concrete vormen aan en geeft houvast aan de verbeelding. Maar het is wel een bedreigd heden. Tractoren slepen boomstammen over een plaveisel, dat daarop zeker niet berekend is. Dat brengt mij terug bij de slagzin: De wereld van gisteren vandaag beleven. En bij die andere: In ARCHEON komt het verleden wel héél dichtbij. Wat moet ik daar nu mee? Voor mij gaat het verleden leven, als ik kan zien en voelen hoe het door de verstreken eeuwen is getekend, overwoekerd en van een laag patina is voorzien. Het is dan héél dichtbij. Ik zal aandachtig en misschien soms zelfs geboeid rondwandelen in de „teruggebouwde schijnwereld" die ARCHEON heet. Naar ik hoop, zullen velen dat mèt mij doen. Misschien is het getoonde verleden voor sommige bezoekers aanleiding öm de verbeelding te mobiliseren en de belangstelling te verdiepen. Dat zou pure winst zijn, mogelijk ook voor de AWN. Maar wat mij betreft: met beleving van het verleden heeft dit alles niets te maken. Volendamlaan 1094 2547 CS 's-Gravenhage 121
Overpeinzingen van een lid van de AWN Jan Osinga
Enige jaren geleden is door de stichting TELEAC een cursus over de Kelten op de televisie verzorgd. Aangezien ik in het kader van variabele werktijden 's morgens vroeg met mijn dagelijkse werk begin en bedoeld televisieprogramma 's avonds laat werd uitgezonden, heb ik moeten volstaan met het lezen van het bij de cursus behorende boek. Dit heeft me toen zo gegrepen, dat ik me vrij kort daarna heb aangemeld als lid van de AWN. De Nederlandse archeologie en ook die van nabijgelegen landen - kreeg vanaf dat moment nog meer mijn belangstelling. Op archeologisch gebied was ik nog een totale leek. Via correspondentie met de heer Stuurman kreeg ik titels van boeken die een beeld geven over een bepaald onderwerp of een bepaalde periode. Nadat ik de benodigde boeken had verslonden - in korte tijd grondig doorgewerkt - was ik echt helemaal voor de archeologie gewonnen. Mijn allereerste kennismaking met leden van de AWN was in Amersfoort. Door de AWN en de ROB was een themadag conserveringstechnieken georganiseerd. Zoals gezegd, was dit mijn eerste kennismaking en ik moet zeggen dat ik deze dag als een zeer boeiende heb ervaren. Wat me opviel, was de openheid waarmee men ook een nieuwkomer tegemoet trad. Tijdens de bezichtiging van de werkruimten 's middags zag ik een kannetje staan met bijbehorende rapportage. Dit kannetje was door de ROB opgegraven in Geldermalsen, de gemeente waarin ik woon. Op dat moment werd archeologie voor mij echt iets tastbaars. Een lezing over deze opgraving, gehouden door de heer Van Klaveren, had ik al eerder bijgewoond. In de zomer van 1993 heb ik deelgenomen aan een veldwerkcursus in Nijmegen. Leuk, als je jezelf op een foto in Westerheem XLIII-1-1994 ziet staan, vergezeld van een 122
zeer positief artikel van Gineke Annink, deelneemster aan een andere week dan ik. Evenals zij heb ik ook deze graafweek als zeer positief ervaren. • Ik was zo door de archeologie gegrepen, dat ik enkele weken later nog aan een tweede opgraving heb deelgenomen, namelijk in Velserbroek. Ditmaal niet het grind van Nijmegen, maar totaal iets anders, namelijk veen. Pompen en pompen dus. Eén deelnemer kende ik nog uit Nijmegen; ook de gastheer van die week kende ik, we hebben namelijk samen bij hetzelfde bedrijf gewerkt. Ook met de andere deelnemers waren de contacten snel gelegd. Wederom een heel fijne week. Nadat de graafweken waren afgelopen, viel ik eigenlijk een beetje in een gat. Op basis van mijn woonplaats val ik onder afdeling 15, West- en Midden-Betuwe en Bommelerwaard. Het werd mij al snel duidelijk dat er op het gebied van actief meegraven weinig mogelijkheden waren. Nu is het zo, dat tijdens de graafweek in Velserbroek een excursie gemaakt is naar het Stadskasteel van Haarlem. Omdat ik toch actief iets wilde doen - dit is steeds een van mijn wensen geweest - heb ik contact gezocht met de afdeling Kennemerland. Men was daar op dat moment op zaterdag bezig met opgraven en als ik dat wilde, kon ik daar gerust meehelpen. Iedere hulp was welkom. Ik ben daar inderdaad enkele zaterdagen wezen graven ik werd er leuk in de groep opgenomen maar ben er toch weer vrij snel mee gestopt, omdat de afstand me eigenlijk toch te groot was. De situatie „Betuwe" heb ik later eens doorgepraat met de voorzitter van afdeling 15, Arie van Herwijnen. Het enig concrete wat hij mij op dat moment kon toezeggen, was dat er binnenkort een enquête gehouden zou worden om de wensen van de leden te inventariseren. Ik heb toen mijn wens, actief
mee te willen graven, kenbaar gemaakt; voor zover mij bekend, was er op dat moment nog één lid dat dezelfde wens had als ik. Het zal duidelijk zijn, dat je hiermee weinig activiteiten kunt opzetten. Als gevolg van mijn kenbaar gemaakte wensen heeft Arie me toen doorgegeven dat ik, als ik dat wilde, via de heer Haalebos in Nijmegen kon gaan graven. Aanvankelijk leek me dit wel wat, aangezien ik al een andere, zeer positieve ervaring met Nijmegen had. Omdat ook Nijmegen voor mij voor een enkele dag eigenlijk toch wat te ver is, heb ik hiervan afgezien. Eind maart heb ik over de activiteiten in de Betuwe - ik spreek eigenlijk liever niet over „niet-activiteiten" - weer contact gehad met Arie en de heer Alink uit Culemborg. Vanuit het bestuur zijn diverse acties ondernomen om te proberen het ledental te vergro.ten - afdeling 15 heeft maar 40 leden - maar alle pogingen zijn op bijna niets uitgelopen. Eén van de problemen in de Betuwe is de verhouding tussen de verschillende Historische Kringen onderling en tussen de Historische Kringen en de AWN. Wat ik begrepen heb, is dat elke Historische Kring binnen het eigen geografische gebied bezig is en over het algemeen niet zoveel van samenwerking moet hebben. Men is bang dat leden van een andere Kring zien waar ze mee bezig zijn. Als gevolg van de komst van de Betuwelijn is de Betuwe een deel van ons land dat ern-
stig bedreigd wordt, terwijl we mogen aannemen dat de bodem hier nog veel waardevolle gegevens bevat. Ik vind het daarom kortzichtig als iedereen voor zichzelf bezig is, in plaats van de krachten te bundelen. Dit kan dus betekenen, dat als hier geen verandering in komt, mogelijk veel waardevolle gegevens verloren gaan. Bij het bestuur van afdeling 15 heb ik mijn wensen en ervaringen ook bekend gemaakt. Ook zij erkennen de zeer vervelende situatie. Zoals ik al eerder heb aangegeven, voelde ik me in een gat vallen na de zeer positieve graafervaringen. Na de laatste positieve contacten met Arie van Herwijnen en de heer Alink voel ik me machteloos. Je wilt iets doen, maar wat? Wat ik dit jaar in ieder geval ga doen, is weer deelnemen aan een graafweek van de AWN. In april heb ik bovendien een week verlof opgenomen om in Nijmegen met de ROB op het Kops Plateau mee te werken. Ik hoop zoiets nog lang te kunnen doen. Om te redden wat er in Nederland te redden valt, moeten we de krachten bundelen, voor het te laat is. Dit moet toch voor iedereen duidelijk zijn!
W. Mechteldsstraat 22 4196 ANTricht
123
Jaarvergadering 1994 Op zaterdag 14 mei jl. kon de jaarlijkse algemene ledenvergadering van de AWN voor het eerst worden gehouden in de nieuw-oude omgeving van het Archeon. In dit met een oerknal geopende archeologische themapark in Alphen aan den Rijn heeft de AWN ook een eigen ruimte verworven. Deze is te vinden in het Romeinse gedeelte, links vooraan, gezien vanuit het hoofdgebouw (onder), en is ook bekend als het „Huis Voorburg" of het „halve huis" (links). De ingang van de AWN-ruimte, die zich op de eerste verdieping bevindt, wordt, als het goed is, inmiddels door een Romeinse mijlpaal aangegeven. Voor niet-ingewijden was het die zaterdag namelijk toch nog wel zoeken...
124
Kind aan huis was in „Voorburg" behalve het hoofdbestuur ook al enige tijd de inrichtingsploeg. Deze heeft, onder de inspirerende leiding van San Vermaas en Carine Tummers (rechts), in maart en april vele overuren gemaakt om de tentoonstellingsruimte op een verantwoorde wijze te vullen. Naast een algemeen, informatief gedeelte over doel en werkwijze van de AWN is er een thematische presentatie te zien over „eten en drinken". Deze is voorbereid door de drie Overijsselse afdelingen (nee, Arnhem was daar niet bij, zoals abusievelijk is gemeld). Toen het grootste gedeelte van de expositie hing en stond, besloot de inrichtingsploeg het Oostnederlandse motto maar even letterlijk te nemen (boven)! 125
Ofschoon „Voorburg" ook een vergaderruimte bevat, moest voor de bijeenkomst van de leden toch worden uitgeweken naar een groter gebouw. Dat werd de naburige Romeinse herberg met zijn stemmige binnenplaats (links). In een der bovenzalen legde het hoofdbestuur verantwoording af over het gevoerde beleid. Hierboven het tableau de la troupe: van links naar rechts Chris van Hulst, Jan Bakker, Hans Hardenberg, Pieter van der Voorde, Henk Wieringa en Saskia van Dockum. Grote afwezige was Willy Diemer, die een maand voor de jaarvergadering besloten had haar (zware) secretariaatsfunctie neer te leggen. Vanuit de zaal kwam onder luid applaus de suggestie haar nog eens namens alle AWN-ers te bedanken voor haar inzet. 126
De zaal was goed gevuld; er waren veel nieuwe gezichten te zien en er klonk in de discussies tijdens en na de vergadering overal het bekende AWN-enthousiasme door. Tot de oude garde behoorden de oudvoorzitter Molhuysen en het erelid Brunsting, op onderstaande foto resp. op de tweede rij midden en de eerste rij links. EĂŠn lid van grote verdiensten werd speciaal in het zonnetje gezet: de winnaar van de jaarlijkse penning. Door te werken met nominaties AKO en Libris maken school! - had het hoofdbestuur het ditmaal extra spannend gemaakt. Winnaar werd, met glans, Wim Tuyn, sinds jaar en dag dĂŠ man achter de afdeling Nijmegen. Zijn dankwoord (rechts) was even aardig en bescheiden als hijzelf!
Na de lunch begon de verkenning van Archeon. Voor de meesten was het immers het eerste bezoek. Begunstigd door fraai voorjaarsweer ging men in groepjes op zoek naar prehistorie, middeleeuwen of sporen van Nehalennia. Onder de bewoners konden experimenteel archeologen van het eerste uur worden aangetroffen, zoals Hans HorreĂźs de Haas (links). Niet alleen de reconstructies, maar ook de kleur die de archeotolken aan het geheel gaven, werden door de kritische AWN-ers druk besproken. Wat uw verslaggever betreft, won de moeder van het vissende meisje van Gravendam (boven) het pleit. Zij liet zich door geen enkele vraag van de wijs brengen en knoopte al pratende rustig door aan haar nieuwe net. 128
De gladiatoren in het Romeinse stadion trokken jong en oud. Al kende een groot deel van het publiek de spelregels niet (en hielden ook de spelers zich daar, gelukkig, niet geheel aan), het olé-olé-geroep was niet van de lucht (onder). Ook de Twentse delegatie genoot met volle teugen (Wim Telleman en Henk Wieringa, rechts). De algehele indruk was dus positief, zowel van de jaarvergadering als van het themapark. En nu maar hopen dat het zo blijft en dat de investering voor AWN èn Archeon zijn geld opbrengt. En bovendien: dat het „grote publiek" enig besef krijgt van geschiedenis en archeologie en enig inzicht verwerft in nut en noodzaak ervan. Bij het zien van de Archeon-shop vol dino-knuffels bekruipen je op dat punt toch wel wat twijfels....
Tekst en foto's: F. D. Zeiler
129
Kort archeologisch nieuws Vrijspraak voor „amateur-archeologen" Op 15 februari sprak kantonrechter B. M. Keulen een 33-jarige man uit Leiden en een 64-jarige Haarlemmer vrij in een zaak van vermeende illegale opgravingen. Volgens de rechter pleegde het tweetal geen strafbaar feit toen de heren in april 1992 bij de Kruisstraat in Haarlem een beerput aan het legen waren. De „schatgravers" werden aangehouden door de politie, in aanwezigheid van de Haarlemse stadsarcheoloog M. Poldermans. De Leidenaar, de hoofdverdachte, ontkende een schatgraver te zijn. Hij verweet de stadsarcheoloog „kwaadwillige stemmingmakerij". De verdachte wist wel degelijk waar hij mee bezig was en hoopte zijn vondsten te kunnen schenken aan een museum. Hij kreeg tijdens de rechtszitting steun van getuige-deskundige L. Molhuysen, oud-voorzitter van de AWN, die wees op een manco in de Monumentenwet. In deze wet staat sinds 1988 dat een opgraving alleen met vergunning mag worden verricht. De 3000 in de AWN verenigde vrijwilligers zijn daar volgens Molhuysen niet blij mee. Er is vaak helemaal geen tijd om een vergunning aan te vragen en sommige steden, zoals Haarlem, zouden zich star opstellen. „De amateurs zijn in Nederland onmisbaar, maar als ze maar een vinger naar een scherf uitsteken, zijn ze al in overtreding". Desondanks achtte de officier van justitie, mevrouw E. M. Vos, bewezen dat beide mannen een strafbaar feit hebben gepleegd. Ze eiste tegen ieder 750 gulden boete. Toch gingen de verdachten vrijuit. De Monumentenwet stelt als eis dat er sprake is van verstoren van de bodem. Hier was dit niet het geval, aangezien de grond waarin de heren bezig waren, eerder was vergraven voor de aanleg van een septic-tank. De kantonrechter was overtuigd en vrijspraak volgde. „Het is wellicht wat onbevredigend en de zaak loopt een beetje als een ballon leeg, maar ik heb nu eenmaal de wet toe te passen".
lijk niet kwijt. Via een ruil kreeg het Drents Museum de bijl onlangs in handen. Volgens archeoloog Jaap Beuker van het museum zijn er in heel Noord-Nederland ongeveer tien van dergelijke bijlen gevonden. De vuistbijl werd gebruikt door Neanderthalers. Het was eigenlijk geen bijl in de gewone zin, maar werd meer gebruikt als snijvoorwerp. „Het is een driehoekige steen, waarvan één kant scherp is. Het is eigenlijk een soort slachtmes. Die konden behoorlijk scherp zijn. In Afrika is een keer een test gedaan met een vuistbijl. Dat exemplaar sneed zonder problemen een olifant in stukken", aldus Beuker. De museummedewerker corrigeert en passant het beeld dat veel mensen van de Neanderthaler hebben. Volgens Beuker liep de Neanderthaler niet krom, had hij geen extreem grote kop en was hij niet overal behaard. „Als je een Neanderthaler nu in een discotheek zou zetten, zou je het verschil met andere mensen nauwelijks zien. Het beeld dat tot voor kort van de Neanderthaler bestond, is die van de man in Frankrijk. Die had last van arthritis, een botontsteking, waardoor hij krom liep". Drentse Courant 1 maart 1994 Kasteelresten beschadigd In Maasdam, in de Hoeksche Waard, ontstond in maart opschudding toen per ongeluk een archeologisch monument beschadigd werd door een graafmachine. In het kader van een ruilverkaveling moest een sloot worden verlegd. Door een communicatiestoornis tussen opdrachtgever en uitvoerder werd daarbij gegraven op het kasteelterrein van het middeleeuwse kasteel van de Heren van Weede. Hierbij werden op enkele plaatsen in de grond zittende fundamenten beschadigd. Beschadigingen van archeologische rijksmonumenten in Nederland komen helaas vaker voor. Provinciaal-archeoloog W. Hessing: „Daarvan zijn er 1500 in Nederland, dus je kunt je voorstellen dat er weieens iets misgaat". Rotterdams Dagblad 11 maart 1994
Haarlems Dagblad 16 februari 1994 Vuistbijl voor Drents Museum Het Drents Museum in Assen is in het bezit gekomen van een bijzondere vuistbijl. Het is de derde, maar tevens meest herkenbare vuistbijl uit de collectie van het museum. Het voorwerp werd in 1992 gevonden door F. Casparie uit Groningen op een zandweg bij het Noorddrentse Peest. De bijl is tussen de 55.000 en 80.000 jaar oud. De gelukkige vinder wilde de vuistbijl aanvanke-
130
Kasteel der Heren van Amstel De vondst van de resten van het kasteel van de Heren van Amstel aan de Nieuwe Zijds Kolk heeft in Amsterdam en ver daarbuiten heel wat stof doen opwaaien. Voor de trotse stadsarcheoloog van Amsterdam, J. Baart, is het de meest spectaculaire vondst van de afgelopen twintig jaar. Op 4 maart werden de muurresten aan het publiek getoond. De bezoekers konden een blik
werpen op een deel van de westmuur van het uit ca. 1200 stammende kasteel. De basis van het muurwerk, dat bestaat uit rode en gele kloostermoppen, is 1.85 meter dik. Ook de plaatselijke politiek toonde zich enthousiast over de vondst. Het college van burgemeester en wethouders besloot op 18 maart de concept-bouwaanvraag van de ABN-AMRO voor onbepaalde tijd aan te houden, zodat Baart en zijn collega's meer tijd zouden hebben om de kasteelresten te onderzoeken. Er wordt aan gedacht de kasteelmuren op te nemen in de hier geplande parkeergarage. Wethouder Saris ziet in de restanten van het kasteel zelfs een toeristische trekpleister. De directeur van de plaatselijke VVV was daar minder zeker van: „Het is en blijft een hoop stenen".... NRC Handelsblad 19 maart 1994 Romeins kerkhof Ter plaatse van de onlangs gesloopte Christus Koningkerk aan de Hengstdalseweg in Nijmegen-Oost lag in de Romeinse tijd een militair grafveld. Dit is gebleken door archeologisch onderzoek, uitgevoerd onder leiding van stadsarcheoloog Jan Thijssen. In tegenstelling tot de Romeinse grafvelden die eerder in Nijmegen-Oost, de binnenstad en in het Waterkwartier waren onderzocht, blijken de graven aan de zuidzijde van de Hengstdalseweg nauwelijks crematie-urnen en bijgaven in de vorm van potten, sieraden of gebruiksvoorwerpen te bevatten. Jan Thijssen veronderstelt dat hier de soldaten van onder meer het Tiende Legioen zijn begraven. In totaal werden zestig kuilen met crematieresten gevonden. Gezien de Romeinse crematie-traditie, is het opvallend dat ook een zestal skeletten is aangetroffen, waarvan één met kist. In één geval werd er een flesje in een graf gevonden. De Romeinse soldaten moeten hier tegen het einde van de eerste eeuw, begin tweede eeuw, begraven zijn. De Gelderlander 21 maart 1994 Middeleeuwse boerderij in Varsseveld Aan de Smoddedijk in Varsseveld is bij graafwerkzaamheden een houten waterput gevonden. Voor leden van de Werkgroep Bodemonderzoek Aalten, Dinxperlo en Wisch was dit de aanleiding om met steun van de gemeente Wisch een archeologisch onderzoek te verrichten. Enkele maanden graven leverden de vrijwel complete plattegrond op van een boerderij annex smidse uit de 1 le/12e eeuw. In de boerderij werden de resten van een vuurkuil gevonden, met daarin veel ijzerslakken, een schaapscheerdersmes, een ruiterspoor en een pijlpunt. Wischpost 29 maart 1994
Romeinse weg in Sittard Op de grens van Sittard en het Duitse Wehr zijn sporen van een Romeinse weg ontdekt. Leden van de plaatselijke heemkundevereniging ontdekten de sporen tijdens de aanleg van riolering voor de uitbreiding van het Europapark, ter hoogte van grenspaal 299. Zij waarschuwden de ROB, die vervolgens een onderzoek instelde. De Romeinse weg werd hierbij getraceerd over een lengte van honderd meter. De onderzoekers sluiten niet uit dat in de buurt van de weg ook bebouwing is geweest. Limburgs Dagblad 13 april 1994 Verdronken dorp Oud-Valkenisse Steeds meer schatgravers komen af op het schor bij Waarde. Door stroomveranderingen in de Westerschelde komen langzaam de fundamenten bloot te liggen van het verdronken dorp OudValkenisse. Provinciaal-archeoloog R. M. van Heeringen wil op korte termijn afspraken maken over het toezicht met Staatsbosbeheer en de Veldpolitie. Uit het hele land stromen schatgravers toe om zich te ontfermen over de blootgespoelde archeologica. Skeletten, delen van
Een bloot gekomen oude waterput in het verdronken dorp Oud-Valkenisse. Foto Willem Mieras. doodskisten, aardewerk, gespen, lepels en pelgrimsinsignes komen aan de oppervlakte. Uitstekend geconserveerd door de lagen klei, waaronder ze eeuwenlang bedolven lagen. De kerk van Valkenisse werd in 1233 gewijd. In 1682 werd het hele dorp verzwolgen door een stormvloed. Van Heeringen wil van de zomer het verdronken dorp samen met de ROB in kaart brengen. Hij wil tevens een eind maken aan de schatgraverij door met name „piepers" die het gebied leegroven. Provinciale Zeeuwse Courant 30 april 1994
131
Vestingwerken in Maastricht Op het terrein van de voormalige Keramiekfabriek in Maastricht zijn eind april de resten blootgelegd van een 15e-eeuws verdedigingswerk. Het gaat om de Recentoren en de aansluitende muren, die ooit onderdeel vormden van de oude verdedigingswerken van Wyck, in de tijd van de tweede omwalling (de eerste stamt uit de 12e eeuw). Het gaat om een zwaar rondeel, een ronde toren op de hoek van een verdedigingswerk. De Recentoren was in het verleden met de stad verbonden via een brug. Aan de andere zijde was de toren verbonden met het Parmabastion. Dit bastion is twee jaar geleden opgegraven. Pogingen om het bastion te behouden, zijn op niets uitgelopen. De Recentoren zal wel behouden blijven als onderdeel van het Charles Eijkpark dat wordt aangelegd. De Limburger 29 april 1994 Boerderijen bij Schipluiden Bij Schipluiden in Midden-Delfland zijn de resten van een vrijwel complete nederzetting uit het
begin van onze jaartelling opgegraven. Volgens archeologe Heleen van Londen, werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam, zijn de opgravingen langs de Oostbuurtseweg van internationale waarde. „Het komt maar zelden voor dat voorwerpen zo goed zijn geconserveerd als hier het geval is". De opgraving is al in 1992 begonnen. De eerste grote verrassing was de aanwezigheid van een terpje, waarop, zo bleek later, vier generaties huizen hebben gestaan, die min of meer over elkaar heen waren gebouwd. Het oudste huis hebben de onderzoekers kunnen dateren rond 30 na Chr. De bewoning loopt door tot ongeveer 260 na Chr. De eerste bewoners waren boeren, terwijl er later waarschijnlijk ambachtslieden zijn komen wonen, onder wie misschien een bronssmid. De indeling van de huizen was goed bewaard gebleven. De haardplaats was duidelijk zichtbaar, evenals de inrichting van de stal, met smalle hokken voor de koeien. Haagsche Courant 21 mei 1994 Robert van Lit
Runen in Friesland Omdat het begrip „runologie" voor de meeste Nederlanders - en ik vermoed zelfs voor heel wat AWN-ers - maar vaag is, leek het mij nuttig iets te zeggen over het eerste runen-symposium, dat ooit in Nederland gehouden werd: een internationaal symposium over Friese runen (in Leeuwarden, januari 1994). Er werden verbanden gelegd tussen de runen en runeninscripties van Friesland - en Groningen - en die van omliggende gebieden, in de eerste plaats Engeland. Die verbanden zijn zo nauw, dat men traditioneel spreekt van de Anglo-Friese runen. Meestal zal men zich de runoloog voorstellen als iemand die aan de hand van de inscripties probeert door te dringen tot de taal van de makers van het geschrevene. Maar er zit veel meer aan de runologie vast. Eigenlijk is het een heel merkwaardige tak van wetenschap, waar veel disciplines samenkomen. Dat bleek op het genoemde symposium heel duidelijk. Zo was de eerste middag bijna geheel gewijd aan de archeologische en historische aspecten. Er werd bijvoorbeeld gesproken - en gediscussieerd - over Friesland en Engeland, gezien door de ogen van de archeoloog, over de bewoning van de terpen, maar ook over de banden met Skandinavië en wel in het bijzonder met Denemarken. In het gebouw van de gastheer van het symposium, het Fries Museum, was door het „Niedersachsisches Institut für
132
historische Küstenforschung" een tentoonstelling ingericht die de resultaten toonde van archeologisch, geologisch en paleobotanisch onderzoek. Op de tweede dag waren er onder andere lezingen over runen en Romeinen, over de - mogelijk - Latijnse oorsprong van het runenschrift en over de Engelse en Friese runen. Op de derde dag hoorde en discussieerde men over bepaalde Friese runenvondsten, over de namen van terpen en over runen en munten en de banden tussen de landen aan de Noordzee, weer gezien door de ogen van de archeoloog. Ook de computer in de runologie kreeg de nodige aandacht. De laatste dag was gereserveerd voor een excursie door het noorden van Friesland en Groningen, met niemand minder dan prof. Waterbolk als gids. Uiteraard viel op deze dag de naam van Van Giffen heel wat keren. Het symposium was een zo groot succes - mede dankzij de bezielde inzet van de runologe-organisatrice Tineke Looijenga - dat besloten werd geregeld Friese runen-symposia te houden. Ongetwijfeld zien allen - taalkundigen, archeologen, historici en natuurlijk de „echte" runologen vol verwachting uit naar het volgende symposium. Jan Meijer Irenestraat 6 8019 XC Zwolle
Oproep: rokers op tegels Antieke wandtegels bieden ons een terugblik op het dagelijks leven in de 17e en 18e eeuw. Vrijwel elk facet komt daarbij aan bod: eten, drinken en de dagelijkse behoefte, muziek en spel, ambacht en handel, scheepvaart en industrie, soldaten en ruiters. Ook het roken, een gebruik dat in de 16e eeuw in ons land ingang vond en zich in de eeuwen daarna onder alle lagen van de bevolking wijd verbreidde, is al vanaf het begin van de 17e eeuw op tegels afgebeeld. Meestal zijn het rokende mannen en vrouwen, maar ook rokende amors, rokende zeewezens en stillevens met pijp en tabak komen voor. Omdat ik bezig ben met de voorbereiding van een publicatie over dit onderwerp, wil ik graag weten welke tegels met rokers e.d. in collecties aanwezig zijn. Ook fragmenten van tegels met (bijna) complete afbeeldingen zijn van belang. Reacties met fotokopieĂŤn, foto's of nauwkeurige beschrijvingen graag naar: Lodewijk van Duuren Theo Thijssenhove 25 2726 CE Zoetermeer
Reacties van lezers Met enige verbazing heb ik kennis genomen van de bespreking door Van Lit en Hoekstra van de tentoonstellingscatalogus/publikatie „Het Huis te Palenstein" (Koopman et al., 1993) in het eerste nummer van Westerheem van dit jaar. Die verbazing zat 'm ten eerste in de lengte (tien kolommen kleine druk!) en ten tweede in de benadering. Over de inhoud van het commentaar wil ik het niet hebben: die zal ongetwijfeld terzake zijn; ik zal vooral op de benadering ingaan. Elke archeologische publikatie, en vooral die van amateur-archeologen, verdient een bespreking in Westerheem, laten we dat vooropstellen, maar dit is duidelijk teveel van het goede. Waarom? Voornamelijk omdat het bij tijd en wijle bespottende en belerende commentaar niet bevorderlijk is voor de uitvoering en met name de afronding van soortgelijke veelomvattende projecten bij andere amateur-archeologische groeperingen. De auteurs van de bespreking geven weliswaar aan dat zij verder alle lof hebben voor de publikatie, maar is er dan nog iets positiefs overgebleven, zo is de huidige stemming in Zoetermeer. De be-
sprekers realiseerden zich blijkbaar toch onvoldoende dat deze door hen ten tonele gevoerde overdaad de beoefening van de amateur-archeologie schaadt. Wat valt hieruit te leren? 1. Amateur-archeologische groeperingen dienen zich te realiseren waarmee zij bezig zijn. Willen zij zich aan een dergelijke ingewikkelde materie wagen, als een onderzoek naar het Huis te Palenstein is, dan dienen zij zich terdege in te dekken door een (bij voorkeur externe) redactie-fase in hun schriftelijke produktie op te nemen. 2. Professioneel in de archeologie actief zijnde besprekers kunnen zich zonder bezwaar terughoudend opstellen. Kritiek is uitstekend, maar niet op deze manier. Gedetailleerde kritiek kan best per brief geleverd worden, en dan nog bij voorkeur in de voorbereidingsfase. Buiten dat zijn er genoeg professionele archeologische publikaties te vinden die nog eerder een dergelijke kritische bespreking verdienen. Daar zie ik nog niet zoveel van komen. Nu is de gehele gebeurtenis van tentoonstelling
133
en publikatie (met uitstekende, niet alleen lokale, PR-waarde voor de archeologie als vrijetijdsbesteding) overschaduwd door het commentaar in Westerheem. Dat verdiende het Zoetermeerse initiatief zeker niet. Bert van der Valk (voorzitter Werkgroep 's-GRAVENhage) Reactie van de recensenten Inderdaad is onze bespreking van het Huis te Palenstein wat lang uitgevallen. Maar dat deze „overdaad" de beoefening van de amateur-archeologie schaadt, zoals Bert van der Valk meent, gaat ons wat ver. Met het onder punt 1 gestelde zijn wij het echter volledig eens. Een redactie-fase is bij de produktie van een serieuze publikatie inderdaad een noodzaak. Ook de onder punt 2 genoemde „gedetailleerde kritiek per brief bij voorkeur in de voorbereidingsfase" lijkt ons een goede zaak. De gedachte van
Van der Valk, dat professionele archeologische publikaties een „mildere" ontvangst in Westerheem ten deel valt dan die van amateurs, moeten wij naar het rijk der fabelen verwijzen. Een ieder die geregeld de boekbesprekingen in Westerheem leest, weet dat de recensenten zonder onderscheid des persoons te werk gaan (zie bijvoorbeeld de bespreking door Hoekstra van „Groningen 1040. Archeologie en oudste geschiedenis van de stad Groningen" in Westerheem 1990 nr. 5). Dat de tentoonstelling en publikatie in Zoetermeer nu „overschaduwd" worden door het commentaar in Westerheem, lijkt ons zwaar overdreven. De goede verstaander heeft naast kritiek ook veel waardering kunnen vernemen in onze recensie. Ons eindoordeel was positief en wij hebben veel waardering voor hetgeen in Zoetermeer tot stand is gebracht. T. J. Hoekstra Robert van Lit
Literatuurbespreking Publieksgerichtheid en publieksvriendelijkheid van archeologische publikaties
bestellen bij: Bureau Voorlichting Provincie Zeeland, Abdij 9, Middelburg, tel. 01180-31400.
J. R. Beuker, W. A. B. van der Sanden, V. T. van Vilsteren. Wonen en werken. Honderdduizend jaar dagelijks leven in Drenthe. Assen, Drents Museum, 1993. 63 pp. (Archeologische monografieën van het Drents Museum 4). Prijs ƒ 25,-.
S. G. van Dockum en E. J. van Ginkel. Romeins Nederland. Archeologie & geschiedenis van een grensgebied. Utrecht/Antwerpen, Kosmos, 1993. 160 pp. (Kosmos Historisch). Prijs ƒ 24,90.
W. A. B. van der Sanden, R. T. J. Cappers, J. R. Beuker, D. Mol (red.). Mens en mammoet. De mammoeten van Orvelte en de vroegste bewoning van Noord-Nederland. Assen, Drents Museum, 1993. 61 pp. (Archeologische monografieën van het Drents Museum 5). Prijs ƒ 20,-. N. Roymans, F. Theuws (red.). Een en al zand. Twee jaar graven naar het Brabantse verleden. 's-Hertogenbosch, Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 1993. 125 pp. (Graven naar het Brabantse verleden 1). Prijs ƒ 32,50 + ƒ 7,verzendkosten. Te bestellen bij bovengenoemde stichting, Antwoordnummer 10032, 5200 VB 's-Hertogenbosch, tel. 073-14693. R. M. van Heeringen, M. P. de Bruin. Karolingische burchten in Zeeland, geplaatst in de Zeeuwse geschiedenis. Middelburg, Provincie Zeeland, Bureau Voorlichting, 1993. 60 pp. Prijs ƒ 5,-. Te
134
H. Fokkens. Oss, Verleden aan het licht. De voorgeschiedenis van Oss, 2500 vóór tot 250 na Christus. Oss, Gemeentelijk Museum Jan Cunen, 1993. 76 pp. Prijs ƒ 20,- (+ verzendkosten). Te bestellen bij: Gemeentelijk Museum Jan Cunen, Molenstraat, 5341 GC Oss, tel. 04120-29328. Evert van Ginkel merkt in zijn bijdrage „Belangstellende leken gevraagd. Archeologie in Nederland en het publiek" (Westerheem 52, 1993, 241251) terecht op, dat in de laatste tien jaar de populair-wetenschapplijke lectuur over Nederlandse archeologie fraaier van uiterlijk en toegankelijker van inhoud is dan ooit tevoren: het is publieksgerichte) lectuur van het goede soort. Nu wil publieksgericht bepaald niet altijd zeggen: publieksvriendelijk. Dan moet mijns inziens aan een aantal voorwaarden zijn voldaan: - De publikatie moet een archeologisch verhaal zijn, geen archeologische verhandeling, waarin theoretische en methodologische uitgangspunten
1. „Offermes" uit Valthe. Ontleend aan: Wonen en werken.
te duidelijk doorklinken. De wat ongelukkige combinatie van beide benaderingen maakte het onder redactie van Bloemers en Van Dorp verschenen handboek Pre- en Protohistorie van de Lage Landen mijns inziens voor een breed publiek minder geschikt dan was bedoeld. - De publikatie moet bevattelijk zijn geschreven. Waar nodig moeten gebruikte vaktermen in de tekst of in een verklarende woordenlijst worden toegelicht. - De tekst moet beknopt zijn, zonder in oppervlakkigheid te vervallen of de wetenschappelijke onderbouwing tekort te doen. Nader ingaan op een welgekozen, dus relevant detail kan het vertelde verhaal waar nodig een extra dimensie geven. - De vormgeving moet tot lezen noden. Veel en goed gekozen illustraties verhogen dit effect. - De verhouding tussen prijs en kwaliteit van het gebodene moet verantwoord zijn. Daarnaast kunnen, voorzover het om museale
publikaties gaat, nog andere overwegingen een rol spelen. Zij hebben vrijwel altijd betrekking op (aspecten van) de museumcollectie of op tentoonstellingen. Ze kunnen „opsommend" zijn of „begeleidend". Opsommend wil zeggen, dat de soms minutieuze - beschrijving van het tentoongestelde materiaal centraal staat. In een - meest korte - inleiding wordt op summiere wijze het kader geschetst, waarin we het tentoongestelde kunnen plaatsen. Begeleidend noem ik publikaties waarin een collectie of een tentoonstelling als aanleiding wordt gebruikt om aspecten van (onderwerpen uit) het verleden te belichten. Het tentoongestelde materiaal wordt - figuurlijk en soms letterlijk - als illustratie gebruikt. Er zijn uiteraard tussenvormen mogelijk. Ik heb een aantal publieksgerichte publikaties van de laatste maanden „bijeengeveegd" en neem de gelegenheid te baat hen op publieksvriendelijkheid te toetsen. Uit de inleidingen resp. voorwoorden citeer ik: „Het doel .... is een breed pu-
2. De helft van een dubbele bronzen gietvorm van kokerbijlen uit Havelte. Ontleend aan: Wonen en werken.
135
3. Bronzen sierplaat uit Erm. Datering: 13e eeuw. Ontleend aan: Wonen en werken.
bliek te informeren", „voor een groot publiek toegankelijk", enz. enz. Hoe is het met de publieksvriendelijkheid gesteld? De beide uitgaven van het Drents Museum zijn voorbeelden van begeleidende publikaties. Wonen en werken belicht een aspect van de thematisch opgezette, vernieuwde opstelling van de archeologische collectie. Mens en mammoet begeleidde de gelijknamige tentoonstelling, die in 1993 in het Drents Museum werd gehouden. De teksten zijn bevattelijk
geschreven, de vormgeving is aantrekkelijk, de illustraties zijn van goede kwaliteit, de prijs/kwaliteit-verhouding is aanvaardbaar. Helemaal tevreden ben ik niet. In Wonen en werken komen teveel termen voor, waarvan de betekenis niet nader wordt verklaard, bijv.: dekzand (p. 12), wikkeldraadversiering (p. 21), lijksilhouet (p. 28), siderietlenzen (p. 33), aardewerk met organische magering (p. 36). En in Mens en mammoet is het „kern"hoofdstuk 3: „De reconstructie van het landschap" té uitgesponnen, met een aantal voor een breed publiek weinig relevante tabellen. In hoofdstuk 5 volgt dan nog eens een kernachtige samenvatting: „Hoe zag het landschap eruit?" Een en al zand laat bij mij gemengde indrukken na. De intenties zijn voortreffelijk: „het lokaal geïnteresseerde publiek informeren over de geschiedenis van hun directe omgeving". Duidelijker ware het geweest te spreken over de „regionaal geïnteresseerde" lezer. Wie alleen maar lokaal geïnteresseerd is, moet wel ƒ 32,50 neerleggen om dat ene hoofdstuk over zijn eigen omgeving in handen te krijgen. De behandelde lokaties zijn: Empel, Eindhoven, Mierlo-Hout, Geldrop, Riethoven, Someren en Weert. In vele bijdragen zijn Late Bronstijd en Ijzertijd prominent aanwezig en dat betekent in schaaktermen soms een „herhaling van zetten". Die zetten zijn overigens stuk voor stuk bekwaam uitgevoerd. Was, in plaats van de afzonderlijke bijdragen of eventueel als aanvulling daarop, een synthese van de opgravingsresultaten niet meer op z'n
4. Reconstructietekening van de tempel van Empel. Ontleend aan: Een en al zand. 136
plaats geweest? Een aantal kleurenfoto's, zoals in de beide publikaties van het Drents Museum, zou het geheel aanmerkelijk hebben opgefleurd. De bladspiegel bevat nu wel erg veel zwart en vooral wit. Dat laatste kan niet worden gezegd van de Karolingische burchten in Zeeland. De tekst is krap bemeten gezet. Inhoudelijk zou hij aanmerkelijk hebben gewonnen als hij - figuurlijk - was ingedikt. Deel II: „Zeeland tussen 1100 en 1900" bevat een grote hoeveelheid van de hak op de tak springende historische informatie, die voor de Zeeuwse lezer best interessant zal zijn, maar ten opzichte van het eigenlijke onderwerp volstrekt irrelevant is. Wat daaraan voorafgaat (De Zeeuwse ringwalburchten 800-1100) en erop volgt (De twintigste eeuw) is daarentegen alleszins de moeite waard. De prijs/kwaliteit-verhouding is dermate gunstig, dat men het teveel aan historische uitweidingen gaarne op de koop toeneemt. De prijs/kwaliteit-verhouding valt voor de volgende publikatie Romeins Nederland (en voor de overige deeltjes uit de reeks „Kosmos Historisch") aanzienlijk ongunstiger uit. Vijfentwintig gulden voor een nogal saai vormgegeven, van grauwe zwart-witfoto's voorziene pocket is rijkelijk veel. Dat is jammer voor de auteurs, die beter hadden verdiend. Centraal in het boekje staat een denkbeeldige voetreis.... niet naar Rome, maar door de provincie. Een aardig idee, dat nog aan waarde gewonnen zou hebben als de auteurs de weinige Romeinse wegtracés, die nog bewandeld kunnen worden (zoals bij Swalmen), in hun verhaal èn voetreis hadden betrokken. In een bespreking door het Archelogisch Informatie Centrum werd het boekje vergeleken met Drusus in de Be-
5. Gereconstrueerd schoeisel uit de Romeinse tijd. Ontleend aan: Oss, verleden aan het licht.
6. Grafgiften uit een Romeins graf in Oss. Ontleend aan: Oss, verleden aan het licht.
tuwe door Lex Lammen. Dat is natuurlijk onzin. Laatstgenoemde publikatie grossierde in een onwaarschijnlijk grote hoeveelheid irrelevante informatie. En daarvan kan men Saskia van Dockum en Evert van Ginkel zeker niet betichten. Zij hebben een onderhoudend, levendig verteld, ietwat oppervlakkig boekje geschreven, dat nauwelijks nieuwe gegevens bevat, maar de bestaande overzichtelijk samenvat. Tenslotte het „vierkantje" met de titel: Oss, verteden aan het licht. Het is, wat mij betreft, met voorsprong de meest publieksvriendelijke van de besproken publikaties. Het: is verschenen naar aanleiding van de vorig jaar in Oss gehouden gelijknamige tentoonstelling. Het belicht op overzichtelijke wijze het hoe en waarom van de archeologie, vervolgens de prehistorie van het Maaskantgebied en tenslotte de bewoningsgeschiedenis, vanaf Laat-Neolithicum tot en met de Romeinse tijd, van Oss en omgeving. Harry Fokkens heeft een glashelder boekje geschreven, evenwichtig van opbouw en educatief in de beste zin van het woord. Waar nodig, licht hij de betekenis van gebruikte begrippen in een paar woorden toe; uitweidingen worden vermeden en tekst en illustraties sluiten naadloos op elkaar aan. Dat brengt mij bij de vormgeving en de vormgever: Reynoud Homan, in samenwerking met Robbert Zweegman. In dit bijzondere geval noem ik
137
graag namen, want de vormgeving van dit vierkantje is een lust voor het oog. Dit alles voor twintig welbestede guldens. Zes publieksgerichte publikaties, die ik op publieksvriendelijkheid heb getoetst. De één scoort wat hoger dan de ander, maar onder de maat zijn ze geen van alle. Er valt inhoudelijk natuurlijk nog veel meer over te zeggen, maar dat was niet de bedoeling van deze samenvattende bespreking. P. Stuurman Via Dolorosa Via Romana: Britannia, Gallia, Germania. Europese culturele route door Frankrijk, de Benelux, Duitsland en Groot-Brittannië. Via Romana: Hispania, Provincia, Italia. Europese culturele route door Spanje, Zuid-Frankrijk en Italië. Brussel, A.I.T., 1993. Prijs ƒ 6,95 per kaart. Verkrijgbaar bij de ANWB. Wie bekend is met de enorme bedragen die met het cultuurhistorische toerisme gemoeid zijn, zal niet verwonderd opkijken bij het verschijnen van twee „kaarten met Via Romana" (sic), zoals ze aangekondigd werden in de ANWB-Kampioen van september 1993 en januari 1994. De Alliance Internationale de Tourisme (AIT) heeft „met een beperkte subsidie van de Europese Commissie, twee toeristische culturele routes ontwikkeld, een door Britannia, Gallia, Germania, en een door Hispania, Provincia, Italia. Tekst en documentatie: Prof. Tony Hackens en Thierry Vermeeren, assistent (Universiteit van Louvain-la-Neuve). Vertaling: RomText. Deze uitgave is met de meeste zorg samengesteld. Er kan echter door de uitgever geen enkele aansprakelijkheid worden aanvaard voor de gevolgen van eventuele in deze uitgave voorkomende onjuistheden of onvolkomenheden". Dat laatste is maar goed ook: de tekst, die de kaarten begeleidt, is een verzameling slordigheden en onjuistheden geworden, die zonder enige redactie, zo te zien, rondom kaartfragmenten is gedrapeerd. Illustratief: beide kaarten beginnen met een tekening van een mijlpaal die daar zonder toelichting bij de inleiding is gezet. Het gaat hier om de bekende mijlpaal uit Isny (Bayern). De op de steen duidelijk leesbare tekst is hier op een misschien als grappig bedoelde wijze weergegeven, zo ongeveer zoals wij vaak buitenlanders in onze taal toespreken (jij Latijn schrijven, ja?). Nu staat er onzin getekend, met ligaturen waar ze op het origineel niet staan en verschrijvingen (COS II wordt OS V), 11 mijl vanaf de plaats GAMB (lees: CAMBoduno, Kempten). De kaart die onze streken betreft, heeft een wat algemene inleiding over Romeinse wegen, Ro138
meins bestuur, en Wegen en economie. In een hoekje staat nog een lexikon, waarin de meeste in de tekst voorkomende technische termen niet verklaard worden. Het zou ondoenlijk zijn alle onzin en alle slordigheden te vermelden, een bloemlezing, geschikt in de volgorde van de kaart, is mooi genoeg. Hadrian's Wall (de muur van Hadrianus) heet hier ook „Valium Hadriani" en ook uit het tekeningetje blijkt dat de auteurs zich vergissen: wat wij nu Hadrian's Wall noemen, werd in de oudheid een „Murus", „muur", genoemd. Het woord valium komt voor het eerst voor in de Notitia Dignitatum, begin 5e eeuw, waar een rijtje forten gegeven wordt, die liggen „per lineam valli". Wonderlijk genoeg komt ook een meer dan 100 km ten zuiden van Hadrian's Wall gelegen fort als Ribchester in dit rijtje voor. Sinds Beda Venerabilis zijn we gewoon het woord valium - terecht of niet - te gebruiken voor de na de constructie van de muur erachter (!) aangelegde combinatie van wal, gracht en wal, over de betekenis waarvan ook nogal eens van mening verschild wordt. De plaatsnamen aan de Hadrian's Wall komen er slecht af: voor Borcovicus lees Borcovicium, Magna is Carvoran, niet Caryoran, Banna wordt tegenwoordig geïdentificeerd met Birdoswald, verder is Camboglanna Castlesteads, Uxel(l)odunum Stanwix, Petriana a „ghostname", een niet bestaande plaatsnaam, waarschijnlijk ontstaan uit de notitie dat hier de Ala Petriana, een ruiterafdeling, gelegen was. Het ziet er naar uit dat hier een (ver)oud(erd)e editie van de Ordnance Survey Map van de Wall gebruikt is, de editie van 1989 heeft de nieuwe identificaties al wel. Houseteads en Housesetads zijn verschrijvingen voor Housesteads, en voor Governor Museum te Chester leze men Grosvenor Museum. De termen fort en fortress (castellum en castra), de laatste ongeveer tien maal de oppervlakte van de eerste, worden regelmatig verwisseld. Antonine Wall wordt natuurlijk vertaald als de „muur van Antonius" en het „best bewaarde stenen gedeelte" zaait verwarring: terecht wordt geschreven dat deze muur van zoden werd opgetrokken op een stenen fundering. De Romeinse gouverneur van Britannia, Q. Petillius Cerialis, heet hier Pet. Pius Cerialis. Voor Walltown leze men Walltown Crags, en het is maar te hopen dat niemand bij Walltown aan een stad aan de wall of zoiets is gaan denken, de Walltown Crags is een steile rotsachtige helling, waarop toch een stuk muur is gebouwd. „Na Diocletianus werd Londen de hoofdstad van Maxima Caesariensis, een van de provincies van Britannia, en van het diocees", lezen we. Wie zonder verdere kennis iets van deze zin snapt, is helderziend: onder Diocletianus en zijn opvol-
gers vonden bestuurshervormingen plaats, die een indeling in (kleinere) provincies ten gevolge had, die dan weer in een groter verband (diocees) werden gebundeld. Voorburg heet Forum Hadrianum. Wat bedoeld wordt met: Van de eerste kampen (in Nijmegen, slw) is weinig over van de oorlog tegen de Germanen in 12 v.Chr., ontgaat me: de kampen zijn juist in deze tijd gebouwd, de oorlogen kwamen tot een eind na de slag in het Teutoburger Woud in 9 n.Chr., of, zo men wil, na het optreden van Germanicus 16 n.Chr. Valkenburg is weer gelijkgesteld met Praetorium Agrippinae, maar dat is geen reden het mini-castellum Valkenburg-Woerd tot „woning van de commandant in Praetorium Agrippinae (reconstructie naar Bult Hallewas)" (sic) te benoemen. Het provinciaal museum Kam te Nijmegen heet nog Rijksmuseum, Fectio (Vechten/Bunnik) wordt soms Vectio, soms correct Fectio geschreven. Bij Xanten vinden we de grafsteen van de centurion (sic, een tank) M. Caelinius, terwijl op de slordige tekening correct M.CAELIO te lezen is; de rest van het Latijn ziet er alleen maar als Latijn uit. Met gruma wordt het landmeetinstrument groma bedoeld. Veel voorkomende namen als Isca, Lugdunum of Noviomagus hadden voorzien moeten worden van de betreffende toevoeging: Isca Silurum, Lugdunum Convenarum, Noviomagus Batavorum, om tot enige duidelijkheid te komen. Mainz: voor „legatus Augusti pr." lees Legatus Augusti pr. pr. = pro praetore (niet in het lexikon). Trier: voor „praefectuur van de Galliërs" lees: Praefectura Galliarum, van de Galliae, een na de bestuurshervorming van Diocletianus gevormde bestuurseenheid. Nfmes: „C. en L. Caesar, de principes iuventutis", een uitleg zoek je vergeefs, wat hebben opmerkingen als deze, en zoveel andere los rondzwervende brokken informatie voor zin? De gouverneur van Britannia, Agricola, heet Gnaeus, niet Caius. Over fabriekscentra van terra sigillata meldt de kaart het volgende: „Later (....) kwamen werkplaatsen tot bloei (....) in Germanië, bijvoorbeeld in Eschweiler (Aken) en Zabern (Mainz)". De werkelijkheid is dat bij Aachen-Schönfort een zeer onbeduidend ts-pottenbakkerijtje gevonden is, dat hier zeker niet bedoeld wordt. Eschweiler (Aken) heeft nu een grote chemische industrie, maar zal ook niet bedoeld zijn. Er had moeten staan: Eschweiler Hof, en dat ligt bij Homburg (Saar). Met Zabern (Mainz) wordt waarschijnlijk Rheinzabern bedoeld, Mainz heette Mogontiacum, zegt de kaart eerder, Rheinzabern is een van de grootste pottenbakkerscentra van de oudheid geweest, maar ligt wel een flink stuk verderop. Sapienti sat? Ik denk het wel, maar het is natuurlijk droevig dat dit soort gebroddel door een zich
serieus nemende toeristenbond op de markt gegooid wordt. De ANWB is direct in september van een en ander op de hoogte gesteld, heeft toen geruststellende geluiden afgegeven, dat het slechts om een prototype ging, en vervolgens een lijstje met correcties en opmerkingen naar de samenstellers gezonden. Daarna werd het stil. S. L. Wynia P.S.: Een korte, aanvullende opmerking van uw „huis'Vecensent. Niet alleen wemelt het op de kaart van onjuistheden, maar bovendien zoekt men er tevergeefs op naar belangrijke plaatsen, waaraan in de begeleidende tekst uitvoerig aandacht wordt besteed, zoals Grand (in Oost-Frankrijk) en Titelberg (Luxemburg). Ze komen niet op de routekaarten voor.... P. Stuurman J. A. de Brabander en C. J. van der Doef. Kruikius in namen. Wateringen, Historische Werkgroep Oud-Wateringen & Kwintsheul, 1993. 50 pp. Prijs ƒ 17,50; verkrijgbaar bij de Historische Werkgroep (Hofboerderij, Heulweg 9, Wateringen), boekhandel Boekent (Vliethof 13, Wateringen) en het Westlands Streek- en Tuinbouwmuseum, Middel Broekweg 154, Honselersdijk. Toezending is mogelijk door storting van ƒ 25,(incl. portokosten) op Postbankrekening 2023675 t.n.v. de Historische Werkgroep in Wateringen. De historische kartografie is voor de (amateur-)archeoloog een belangrijke hulpwetenschap. Dat geldt niet alleen voor archeologen, maar ook voor bijvoorbeeld historici, historischgeografen en geografen. Allen hebben zij, bij het reconstrueren van „verleden land", behoefte aan kartografische bronnen. Een van de voorbeeldigste voortbrengselen op dit gebied is „de" kaart van Cruquius of Kruikius van het Hoogheemraadschap Delfland uit 1712. Een bron van vreugde èn informatie voor degenen die zich bezighouden met het verleden van dit in archeologisch opzicht zo interessante stukje Nederland. Ook het door De Brabander en Van der Doef samengestelde register op deze kaart is een bron van vreugde èn informatie. Meermalen heb ik er in Westerheem op gewezen hoe belangrijk goede registers op de inhoud van publikaties zijn. Welnu, in „Kruikius in namen" zijn de ruim 3200 namen die op de kaart voorkomen, in alfabetische volgorde weergegeven. Namen van polders, waterwegen, boerderijen, buitenplaatsen, enz. enz. In aparte registers zijn de meest voorkomende toponiemen (zoals „blok, „camp" en „hof') en de hoefslagnummering opgenomen. Ook is een verklarende etymologische woordenlijst toegevoegd. Bij een aantal naamsverklaringen zet ik
139
vraagtekens. En over tekens gesproken: bij het toepassen van leestekens in de - uitgebreide - literatuurlijst zou ik voor een ander systeem hebben gekozen. Maar dat zijn opmerkingen in de marge. De Historische Werkgroep verdient alle lof voor de verzorgde presentatie van deze uiterst nuttige publikatie. P. Stuurman J. J. Lenting, H. van Gangelen en H. van Westing (red.). Schans op de grens. Bourtanger bodemvondsten 1580-1850. Sellingen, 1993. ISBN 909006225-4. 632 blz. Prijs: fl. 60,-. Te bestellen bij: REGIO project, Postbus 9160, 9703 LD Groningen of bij de VVV van Bourtange. Wie tien jaar geleden in Nederland een naslagwerk zocht over laat- en postmiddeleeuwse vondsten kwam doorgaans terecht bij het boek Opgravingen in Amsterdam, samengesteld door Jan Baart en anderen en verschenen in 1977. Sindsdien zijn er door de toename van stadsarcheologisch onderzoek, de bestudering van beerputten en het verrichten van (detail)studies m.b.t. specifieke vondstgroepen veel meer publikaties beschikbaar. In 1993 verscheen Schans op de grens, dat in de wandelgangen al wel is aangeduid met „Opgravingen in Amsterdam, nummer twee". Dit is niet zo vreemd, omdat het boek in opzet (door de behandeling van uiteenlopende vondstgroepen en de talrijke afbeeldingen) sterke overeenkomsten vertoont met het genoemde werk van Baart c.s. Schans op de grens bestaat uit 28 hoofdstukken en is geschreven door 25 specialisten, afkomstig uit de beroeps- en amateurgelederen. Het in Oost-Groningen gelegen vestingplaatsje Bourtange is in de afgelopen 25 jaar gereconstrueerd. Deze reconstructie is deels gebaseerd op archeologisch onderzoek. Het Biologisch-Archeologisch Instituut heeft zich vooral beziggehouden met de plaatsbepaling van de grachten, maar de talrijke vondsten zijn met name door één persoon verzameld: mede-redacteur J. J. Lenting. Vooral door zijn inzet zijn zoveel mobilia uit 17e t/m 19e eeuw van deze militaire nederzetting bewaard gebleven. Deze talrijke vondsten worden in Schans op de grens uitgebreid besproken en maken dit boek (van ruim 600 pagina's!) tot een waar naslagwerk. Het zou te ver voeren om in het kader van deze boekbespreking de gevarieerde inhoud te bespreken. Ik wil hier alleen de verschillende vondstgroepen noemen die aan bod komen, te weten: bouwmaterialen, hang- en sluitwerk, wapens, kleipijpen, aardewerk, porselein, industriële keramiek, steengoed, glas, metaal, tabaks- en snuifdozen, lakstempels, munten en penningen, munt-
140
gewichten, merkloden, maten en gewichten, gereedschap, textiel, leer, bestek, een zakzonnewijzertje, botten en zaden. Gezien de ligging en aard van de nederzetting is het niet vreemd dat in de verschillende vondstgroepen Duitse en militaire invloeden herkenbaar zijn. De behandeling van de verschillende vondsten wordt voorafgegaan door een historisch overzicht van Bourtange. Ook wordt in twee hoofdstukken iets gezegd over het archeologisch onderzoek van deze vesting. Een echte archeologische analyse van het vestingplaatsje heeft niet plaatsgevonden, maar dit laatste is gezien de aard van het uitgevoerde onderzoek ook niet echt goed mogelijk. De ondertitel van dit boek („Bourtanger bodemvondsten 1580-1850") dekt dan ook volledig de lading. Als naslagwerk voor post-middeleeuws vondstmateriaal kan ik het een ieder aanraden. Arnold Carmiggelt M. Rappol (red.). In de bodem van Salland en Twente: geologie - archeologie - excursies. Uitgave Lingua Terrae, Amsterdam 1993. ISBN 90.74417.02.7. 268 pagina's, prijs f 39,50. AWN-leden kunnen het boek rechtstreeks en met reductie bestellen door overmaking van f 35,(incl. verzendkosten) op giro 1723729 t.n.v. Lingua Terrae, Amsterdam, o.v.v. 'boek Salland'. Zoals Drente lange tijd het Mekka voor de prehistorici is geweest, zo zijn Salland, Twente en de Achterhoek dat sinds jaar en dag voor de aardkundigen. Een flink deel van de vroege wordingsgeschiedenis van Nederland is hier aan of vlak onder het oppervlak te vinden: in stuwwallen, beekdalen, leemgroeven en dergelijke. Al in de vorige eeuw trokken deze rijkdom en verscheidenheid de aandacht en het is dan ook geen wonder, dat de wetenschappelijke grondslag voor de geologiebeoefening hier werd gelegd door een man uit de streek zelf, W. C. H. Staring. Terecht is de voor belangstellenden toegankelijke groeve met Gildehauser zandsteen in Losser naar hem genoemd. De verzameling gesteenten en fossielen die hij destijds heeft aangelegd, heeft even terecht een plaats gevonden in het Natuurmuseum te Enschede. Sinds Staring is de wetenschap echter niet stil blijven staan. Op regionaal, nationaal en internationaal niveau hebben amateurs en professionals de kennis over aard, opbouw en ouderdom van de formaties in de ondergrond oneindig verdiept en verfijnd. Dat men nog steeds niet alles weet of kan verklaren, is een stimulans om door te gaan, zodat de vakliteratuur nog voortdurend kan worden uitgebreid met nieuwe ontdekkingen en analyses. Net als in de archeologie verschuiven pe-
riodisering en benamingen in een hoog tempo, zodat het voor leken niet gemakkelijk is de ontwikkelingen te blijven volgen. Het is daarom verheugend, dat uitgeverij Lingua Terrae is begonnen met een reeks regionale overzichtswerken, waarin de huidige stand van onderzoek wordt samengevat. Na Drente verscheen vorig jaar ook het deel Salland en Twente. Het opent met een motto van J. B. Bernink, stichter van museum Natura Docet in Denekamp, dat een ieder die geïnteresseerd is in de geschiedenis van het landschap ter harte kan nemen: „Natuur beschouwen, zonder aan geologie te doen, is als van een schoon bouwwerk alleen het ornament te bewonderen". Het boek is chronologisch-thematisch van opzet, lopend van de diepe ondergrond tot het cultuurlandschap. In elk van de hoofdstukken behandelen een of meer specialisten een afgerond onderwerp. Daardoor is het mogelijk, zelf de krenten uit de pap te halen, al naar gelang men is geïnteresseerd in zwerfstenen, sporen van de ijstijden of archeologische vondsten. Het is vanwege de overstelpende hoeveelheid informatie zelfs af te raden, het boek in één ruk te lezen, zoals uw recensent noodzakelijkerwijs heeft moeten doen. Daarbij is natuurlijk wel opgevallen, dat de ene auteur zijn stof toegankelijker presenteert dan de andere. Zo zijn de hoofdstukken 2 en 3 (De diepe ondergrond en het Tertiair) buitengewoon zware kost, temeer omdat een groot aantal vaktermen niet of nauwelijks verklaard wordt. Trouwens, ook woorden met een dubbelzinnige betekenis als „afdekken" en „opheffen" brengen de lezer snel op een dwaalspoor. Een verademing is daarna de bijdrage van P. Venema, directeur van het Enschedees Natuurmuseum, over zwerfstenen uit alle tijden. Het is duidelijk te merken, dat de auteur educatief onderlegd is en zijn doel, de beginnend verzamelaar wegwijs te maken, nimmer uit het oog verliest. De toelichtende foto's, zowel de zwart-witte als die in het kleurkatern, zijn werkelijk schitterend. Wel wekt het enige bevreemding, dat Venema's geologische tijdschaal (p. 82) niet spoort met de door zijn medeauteur Geluk (p. 18) gebruikte; een dergelijke discrepantie had
bij de eindredactie moeten worden weggewerkt. Na Venema's zwerfstenen en een bijdrage over zoogdier- en schildpadfossielen komt het boek op een voor archeologen wat vertrouwder terrein. De beide ijstijden die voor de bodemvorming van Nederland van belang zijn geweest, Saalien en Weichselien, krijgen ieder een eigen hoofdstuk toebedeeld. Daarbij komen de ontwikkelingen in het onderzoek en de verfijning van de onderzoeksmethoden duidelijk tot hun recht. Vooral wat de laatste ijstijd betreft is het nu mogelijk, de verschillende stadia daarvan - en de bijbehorende formaties - tot op enkele eeuwen nauwkeurig te dateren. Naadloos daarop aan sluit de bijdrage van provinciaal archeoloog Verlinde over de sporen van menselijke bewoning en hun relatie met bodem en reliëf. Wie Verlinde's publikaties kent, zal veel vertrouwds tegenkomen, zoals zijn theorie over de bewoonbaarheid van Salland en Twente in de pre- en protohistorie. Of deze in het licht van recente ontdekkingen (Ittersumerbroek, Raalte, Heeten) houdbaar is, zullen we met grote belangstelling afwachten. Na een algemeen gedeelte maakt de schrijver een keuze uit een aantal vondsten, variërend van middenpalaeolithisch materiaal tot de provinciaal-Romeinse nederzetting in Colmschate. Gelukkig wordt dit in de excursies achterin het boek ruimschoot aangevuld met middeleeuwse vondstlocaties. Als laatste bijdrage is een schets opgenomen van de cultuurlandschappelijke ontwikkeling vanaf de vroege middeleeuwen. Auteur Van Zuidam geeft daarin een gemengd historiografisch-nederzettingshistorisch overzicht, vergezeld van een aantal voorbeelden (helaas geen enkel geïllustreerd met recente foto's). De bekende valkuil van de marke, die door veel locale historici nog altijd wordt gezien als een „oeroude" exploitatievorm, terwijl het een publiekrechtelijke organisatie is uit de late dertiende, vroege veertiende eeuw, heeft de schrijver gelukkig vermeden. Zowel uit deze als uit Verlinde's artikel blijkt echter wel, dat op het gebied van de plattelandsgeschiedenis van met name Salland nog heel wat wetenschappelijk werk is te verrichten. F. D. Zeiler
141
Literatuursignalement Spiegel Historiael 29, 1994, pp, 8-9: G. A. M. Offenberg. „Steek je kop eens in het zand". Gerrit Hasendonckx is een heel bijzondere docent geschiedenis. Hij is sinds 1975 verbonden aan de Philips van Horne Scholengemeenschap in Weert. In datzelfde jaar richtte hij een Werkgroep Archeologie op. Klein begonnen (14 leerlingen), is men nu „grootgegroeid" (120 leerlingen en oud-leerlingen). Jaarlijks vindt in België, onder leiding van Guy de Boe, directeur van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium in Vlaanderen, een opgraving plaats. En een vorig jaar voor de basisscholen georganiseerde tentoonstelling trok massale belangstelling. Nieuwsbrief Stichting RAAP 1993-4: Dankzij een uitgekiend computerprogramma is RAAP in staat om levensechte driedimensionale reconstructies van „verleden land" te vervaardigen: gebouwen en landschappen. Vele toepassingen en presentaties zijn mogelijk. Als voorbeeld dienen reconstructies van de tempel van Empel en het Romeinse legerkamp te Nijmegen. Verder wordt verslag gedaan van archeologische verkenningen in het zuidwestelijk deel van de provincie Utrecht en in zuidelijk Flevoland. Tabula Batavorum 11, 1993, 3, pp. 74-83: Th. M. Jansen. Muntgewichten. Tussen 1987 en 1992 zijn op het terrein van het voormalig Canisius-College in Nijmegen met behulp van metaaldetectoren in de bovengrond 37 zogenaamde muntgewichten gevonden. In de late middeleeuwen en daarna (tot ca. 1800) gebruikte men deze om de volledigheid en echtheid van munten te bepalen, in het bijzonder gouden munten. Met gansentrou 43, 1993, 11, pp. 191-198: J. Hendriks. Romeinen in het Benedenland van Heusden. Johan Hendriks studeerde in 1989 af op de „Archeologie en bewoningsgeschiedenis van het Land van Heusden en Altena". Die publikatie bevatte een uitputtende archeologische inventarisatie van dit vooral aan Romeinse vondsten bijzonder rijke gebied. Sindsdien zijn weer vele nieuwe vindplaatsen bekend geworden. De auteur weet alleszins aannemelijk te maken dat de „zuidelijke" Romeinse route over de Velddrielse en - in het verlengde daarvan - de Dussense stroomrug heeft gelopen. In Aalburg, Genderen en Eethen
142
hebben langs deze route belangrijke bewoningskernen gelegen. Maasgouw 112, 1993,4: Uit deze geheel aan het 600-jarige Venlo gewijde aflevering signaleer ik twee bijdragen. Fr. J. Hermans schetst in „Rondom '1343': aspecten van de stadswording van Venlo" op boeiende wijze een proces, dat zich heel geleidelijk, vanaf de 9e eeuw, heeft voltrokken. In de loop van de tweede helft van de 13e eeuw raakte de ontwikkeling in een stroomversnelling, hetgeen in 1343 resulteerde in de formele stadsverheffing. W. Hupperetz behandelt in zijn bijdrage „De Romeinse bewoning in de binnenstad van Venlo" het Romeinse verleden, dat ook al in de bijdrage van Hermans werd aangestipt. Een vroeg-Romeinse militaire nederzetting (ca. 10-70 n.Chr.) en vanaf het einde van de eerste eeuw tot halverwege de derde eeuw een burgerlijke nederzetting. Ook aan de overkant, in Blerick, was een nederzetting. De „bruggehoofd"-functie van deze dubbelnederzetting, gelegen tussen twee belangrijke Romeinse wegen, moet belangrijk zijn geweest. Nieuwsblad Monumentenzorg en Archeologie gemeente Amersfoort, nr. 36, december 1993: Auke de Boer en Timo d'Hollosy doen verslag van archeologisch onderzoek in en in de omgeving van Amersfoort in 1993 en in de voorafgaande periode. Aan het onderzoek in en bij de panden Hof 11-12 wordt de meeste aandacht besteed. Vanaf de 12e eeuw is hier constant gewoond. Hans de Jong beschrijft een bij bestratingswerkzaamheden gevonden pelgrimsampul, een relikwie, dat waarschijnlijk uit de 15e of 16e eeuw dateert.
Gelders Erfgoed 1993-6: Op 1 januari 1992 is, in het kader van het Deltaplan voor Cultuurbehoud, door de Stichting Gelders Oudheidkundig Contact een inventarisatieproject glas en keramiek in Gelderse museumcollecties opgestart. In bijgaande aflevering wordt daarop in een aantal bijdragen nader ingegaan, onder meer in: M. Hanrath. Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast. K. van Lookeren Campagne-Nuttall. Het werk van een keramiek- en glasrestaurator. M.-R. Bogaers. Achttiende-eeuws Arnhems aardewerk.
P. van Boheemen. Jubileumgeschenken voor burgemeester Nairac.
tenlands nieuws, ROB-berichten, ARCHEON,
Bulletin KNOB 92, 1993, 5, p. 129-140: E. Vink. Bosch bouwhout onderweg. Een historisch onderzoek naar de herkomst in de vijftiende en zestiende eeuw. In het omstreeks 1185 door de hertog van Brabant gestichte 's-Hertogenbosch zijn, zoals bekend, nog vele middeleeuwse panden met originele houten kapconstructies aanwezig. De Bouwhistorische en Archeologische Dienst bezit een grote hoeveelheid houtmonsters, die de aanleiding hebben gevormd tot een historisch en dendrochronologisch onderzoek. Doel was, inzicht te verkrijgen in de aanvoerroutes van het Bossche bouwhout, en aan te geven waar de gebieden van herkomst lagen.
Archeologie in Limburg nr. 58, december 1993 staat in het teken van vuurstenen artefacten uit laat-Paleolithicum en Mesolithicum. De laatpaleolithische Federmessercultuur komt aan bod in bijdragen van M. de Bie en J. P. Caspar (Paleoetnografisch onderzoek op de Federmesser-nederzetting van Rekem) en R. Machiels (Een Federmesser-vindplaats in de gemeente Venlo), terwijl het Mesolithicum vertegenwoordigd is in een bijdrage van J. H. M. Smeets (Opgraving Posterholt-164 in juni 1993). Verder korte bijdragen van H. Kwakkemaat (Van Proost tot „Proost"; een voorlopig verslag van het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek naar de resten van het voormalig klooster van Houthem-St. Gerlach) en W. de Vreeze (Opgraving Molenakker, gemeente Weert; nederzettingsresten uit late Ijzertijd en Romeinse tijd).
TMA; onafhankelijk tijdschrift voor Mediterrane Archeologie nr. 12, december 1993: In deze aan „Openbare Werken" gewijde aflevering een interessante bijdrage over een analyse van het Romeinse wegennet op Kreta, onder de titel: „Alle wegen leiden naar Rome" (G. D. R. Sanders en J. Verstraete) Het gebruik van pictogrammen in de vorm van gebouwen op de Tabula Peutingeriana vormt een illustratie van de symbolische waarde, die men toekende aan openbare werken. Onderzocht werd, in welke mate zo'n afbeelding uitsluitsel verschaft over het belang van afgebeelde steden. Daartoe werd het gedeelte van de Tabula, waarop Kreta is afgebeeld, met de computer geanalyseerd. De resultaten zijn verrassend. Scarabee 2, 1993, 1 (nov./dec): Alweer de eerste aflevering van de tweede jaargang. Hoofdredacteur Lou Lichtenberg memoreert de kinderziektes, waaraan het tijdschrift in het eerste jaar van zijn bestaan heeft geleden. De meeste zijn overwonnen en met 3500 abonnees is een goede bodem gelegd voor een succesvolle voortzetting. Scarabee organiseert dit jaar onder meer een reis naar Romeins Engeland. Wat het binnenlandse gebeuren betreft: er wordt aandacht besteed aan de Scythen-tentoonstelling in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, aan Romeins tafelen in het Thermenmuseum in Heerlen en aan de toepassing door RAAP van een nieuw meetsysteem (GPS), dat gebruik maakt van satellietverbindingen. Het buitenland bestaat dit keer uit Turkije (onderwaterarcheologie en Grieks-Romeinse monumenten in Aspendos), Engeland (Romeinse resten), Duitsland (De Alamannenversterking bij Bad Urach en de slag in het Teutoburgerwoud) en België (grafkelders in Brugge). Verder de vaste rubrieken: binnen- en bui-
ROB-overdrukken: 417: Iepie Roorda en Ronald Wiemer. The ARCHIS Project: Towards a New National Archaeological Record in the Netherlands. Overdruk uit: C. U. Larden (Ed.): Sites & Monuments: National Archaeological Records, Copenhagen 1992, pp. 117-122. In Westerheem is meermalen aandacht besteed aan het waarom en hoe van Archis, het expertisecentrum, waarin IPP, IPL, BAI en ROB participeren. Doel is de realisatie en instandhouding van een geautomatiseerd informatiesysteem t.b.v. de Nederlandse archeologische vakwereld en overheidsdiensten, die zich op plaatselijk, provinciaal of landelijk niveau bezighouden met de ruimtelijke ordening en ontwikkeling. 418: Sake W. Jager. De Strubben/Kniphorstbos: Sporen uit een ver verleden. Overdruk uit: Noorderbreedte 16, 1992, nr. 1, pp. 5-13. Ten noorden van Anloo ligt een natuurgebied, dat landschappelijk en cultuurhistorisch van groot belang is. Het gebied telt twee hunebedden en niet minder dan 57 grafheuvels uit Laat-Neolithicum en Bronstijd. Ook zijn er twee urnenveldjes uit de Vroege Ijzertijd. Uit genoemde perioden zijn er tevens bewoningssporen en gebundelde karresporen. De Werkgroep Kniphorstbosde Strubben heeft het initiatief genomen om de natuur- en cultuurhistorische waarden van het gebied veilig te stellen. 419: J. F. P. Kottman. Glasvondsten uit de beerkelder van Cruydenborgh. Overdruk uit: Westerheem A\, 1992, pp. 210-226. 420: J. F. P. Kottman. Zeventiende-eeuws glazen drinkgerei uit het adellijk vrouwenstift van Sus143
teren. Overdruk uit: Vormen uit vuur 146, 1992, pp. 4-15. Reeds in Westerheem 41, 1992, p. 304 gesignaleerd. 421: P. Kooi. In den Oord - Oldenoord. Overdruk uit: Stad en Lande 4, 1992, pp. 12-17. Ter plaatse van de huidige, 19e-eeuwse, boerderij Oldenoord in de omgeving van Middelstum heeft vroeger het laatmiddeleeuwse steenhuis „In den Oord" gestaan. Uit de vulling van een voormalige gracht is onder meer bouwmateriaal en aardewerk uit de 12e t/m 19e eeuw geborgen. 422: A. D. Verlinde. Archeologische kroniek van Overijssel over 1991. Overdruk uit: Overijsselse Historische Bijdragen 107, 1992, pp. 172-205. 423: D. J. de Vries, J. W. Bloemink en R. H. P. Proos. De Proosdij in Deventer. Overdruk uit: Bulletin KNOB 5/6, 1992, pp. 156-181. Op de hoek van de Sandrasteeg en de Stromarkt in Deventer staat een huis, waarvan het opgaande muurwerk, bestaande uit trachiet en tufsteen, uit het midden van de 12e eeuw dateert. Het is een overblijfsel van de Proosdij. Tijdens bouwhistorisch onderzoek in 1992 bleek in het pand een poortgebouw verborgen te zijn, dat toegang moet hebben gegeven tot de immuniteit van het kapittel van de Lebuïnuskerk. 424: J. R. Beuker, E. Drenth, A. E. Lanting en A. P. Schuddebeurs. De stenen bijlen en hamerbijlen van het Drents Museum: een onderzoek naar de gebruikte steensoorten. Overdruk uit: Nieuwe Drentse Volksalmanak 109, 1992, pp. 7 (111)-35(139). Ook voor niet-Drenten een uiterst instructief artikel over bijlen, hamerbijlen en de steensoorten waaruit ze zijn vervaardigd. 425: R. S. Hulst. Archeologische kroniek van Gelderland 1990-1991. Overdruk uit: Bijdragen en mededelingen Vereniging Gelre 83, 1992, pp. 171-188. 426: R. M. van Heeringen. Archeologische kroniek van Zeeland over 1990. 427: R. M. van Heeringen. Archeologische kroniek van Zeeland over 1991. Overdrukken uit: Archief, mededelingen van het Zeeuws Genootschap der Wetenschappen, resp. 1991 pp. 123145 en 1992 pp. 117-143. Alkmaars bodemnieuws 7', 1994, 1: Behalve het archeologisch jaarverslag over 1993 bevat deze aflevering een uitvoerige bijdrage van Rob Roedema over de (unieke) glasvondsten uit beerputten in de Breedstraat (pp. 24-45) en een beschrijving door John Bruin van een succesvolle opgravingsmethode van beer- en waterputten: de herinvoering van het tonnenstelsel in Alkmaar (pp. 46-51). Vermeldenswaard is verder, dat Alk-
144
maar in 1993 opgravingsbevoegdheid heeft gekregen. Metgansen trou 44, 1994, 2, pp. 17-22: G. Peters. De Romeinen leefden in ons heem. Bij de aanleg van de aan- en afritten van de nieuwe brug bij Heusden kwamen, behalve afvalkuilen, haardplekken en paalsporen, ook talrijke Romeinse munten, enkele fibulae en grote hoeveelheden importaardewerk, onder meer terra sigillata, aan het licht. Gelders Erfgoed 1994-1: In deze, aan topografische kaarten en tekeningen van Gelderland gewijde, aflevering een aardige bijdrage van Loes Maas over veldnamenonderzoek in Gelderland (pp. 15-17). Over het belang hiervan voor onder meer de archeologie hoef ik nauwelijks uit te weiden. Archeologie en monumenten te Breda 7/8, 1994: G. van den Eynde en A. Carmiggelt. Het middeleeuwse klooster St. Catharinadal. Opgravingen in en bij de Kloosterkazerne in Breda, 2. Grondplan en bouwgeschiedenis van het oudste klooster van Breda konden, door het combineren van de resultaten van het archeologisch, bouwhistorisch en historisch onderzoek, in grote lijnen worden gereconstrueerd. Spiegel Historiael 29, 1994, 2: G. A. M. Offenberg. Toch een Germaanse kosmologie? (pp. 53-54). Zijn de talrijke kuilen, die bij de opgegraven nederzettingen in Schagen-Muggenburg aan het licht kwamen, uitgezet volgens speciale meetsystemen en kunnen ze worden verbonden tot sterrenbeelden? Hebben deze kuilen met bijzondere inhoud een aan de seizoenen gebonden rituele functie gehad? De archeologe Linda Therkorn is ervan overtuigd dat dit binnen de periode 700 v.Chr.-300 n.Chr. aantoonbaar is. B. van Tilburg. Opgravingen op Nova Zembla (pp. 84-88). In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de bezoeken, al dan niet gepaard gaande met archeologisch onderzoek, die sinds 1871 aan Nova Zembla zijn gebracht. Het laatste in de reeks is de Nederlands-Russische expeditie, die vorig jaar augustus tien dagen onderzoek heeft verricht. Het rapport van de expeditie is in mei verschenen. Spiegel Historiael 29, 1994, 3/4: In deze aflevering aandacht voor het begin april geopende themapark ARCHEON. Gertrudis Offenberg spreekt erover met directeur prof. G. Uzereef (pp. 99-100). Voor de hoofddoelgroep
wil hij een alternatief dagje uit bieden en als men daarvan iets opsteekt, is dat mooi meegenomen. Scarabee 2, 1994, nrs. 2 en 3, februari en april: Opvallend in nr. 2 is vooral de bijdrage over de Zwolse zonnekalenders. Configuraties van paalsporen zijn door amateur-archeologe Harriët Wevers geïnterpreteerd als twee cirkels met zonnekalenders. De wetenschap stond en staat er terughoudend tegenover. Maar op 25 mei jl. werd er in Zwolle een symposium aan gewijd, met sprekers uit binnen- en buitenland. Verder zeer veel buitenland, dichtbij en ver weg. Dichtbij: „Rare jongens, die Vlamingen!", het verslag van een studiedag over het archeologisch beleid in Vlaanderen. Ook de Engelse steden Dover en Richborough, belangrijke steunpunten in Romeins Engeland, liggen in de buurt. En Oost-Duitsland, waar de archeologiebeoefening veel heeft in te halen, is tamelijk dichtbij. Ver weg zijn: Oekraïne (Scythische grafheuvel), Egypte (graf van Inioeia), Turkije (Nederlands Historisch-Archeologisch Instituut) en Syrië (de „heuvel van de witte jongen"). In nr. 3 uiteraard de nodige aandacht voor ARCHEON, dat begin april zijn poorten opende. Gesprekken met directeur prof. IJzereef, Heleen van Londen, coördinator experimentele archeologie, en Hugo Heimer, hoofd onderzoek en educatie. Evert van Ginkel dwaalt door een gereconstrueerd verleden en filosofeert over beeldvor-
ming en geslaagde en minder geslaagde reconstructies. Het binnenland is verder vertegenwoordigd met Zeeuwse vliedbergen, Griekse beelden in een Amsterdams museum, het Kromme Rijngebied en Romeins Nijmegen. In het buitenland vragen onder meer een goed geconserveerd Romeins fort (Hardknott Castle) in Engeland en de ruïnes van Ba'albek in Libanon de aandacht. Verder in beide afleveringen de vaste rubrieken. Kwartaal & Teken 18, 1992-4, pp. 19-34: C. van der Esch, W. A. M. Hessing, F. J. Laarman en J. C. Groeneveld. Een verdronken kerkhof in Dubbeldam. Tussen 7 mei en 5 juni 1990 werd door de ROB, met medewerking van leden van de AWN-afdeling Lek- en Merwestreek, archeologisch onderzoek verricht naar de resten van een verdronken kerkhof nabij het centrum van Dubbeldam. Door de amateur-archeologen waren ter plaatse skeletresten, delen van planken kisten en een complete eiken boomstamkist aangetroffen. Waarschijnlijk gaat het om het kerkhof van het vóór 1421 bestaande dorp Cruyskerck c.q. Erkentrudenkerke, op de noordoever van de Dubbel. Het artikel besteedt niet alleen veel aandacht aan de opgravingsresultaten, maar ook aan de historisch-geografische problematiek van de Groote Waard.
P. Stuurman
145
Agenda Tentoonstellingen Aardenburg, Gemeentelijk Archeologisch Museum, Marktstraat 18: Vroet'n in d'èrde. T/m 30 september. Amsterdam, Amsterdams Historisch Museum, Kalverstraat 92: Bier! Geschiedenis van een volksdrank in Holland. T/m 14 september.
Den Haag, Museon, Stadhouderslaan 41: Jurassic Park. De dino's uit de film, samen met authentieke fossielen. T/m 31 juli. Groningen, Volkenkundig Museum Gerardus van der Leeuw, Nieuwe Kijk in 't Jatstraat 104: De horizon van het Westen: de oud-Egyptische dodencultus. T/m 6 augustus. Haarlem, Archeologisch Museum Haarlem, Grote Markt 18: Stadsarcheologie. T/m 4 september. Leeuwarden, Fries Museum, Turfmarkt 24: Romeinse munten in Friesland. T/m 27 oktober. Leiden, Rijksmuseum van Oudheden, Rapenburg 28: Ooit van Freud (archeologische voorwerpen uit de collectie van Sigmund Freud). T/m 10 juli. Leiden, Rijksmuseum van Oudheden, Rapenburg 28: Vrouwen in de Griekse oudheid. En: Vondst Graf van Inioeia. Tot onbepaald.
*
•
Maastricht, Bonnefantenmuseum, Dominikanerplein 5: Romeinse sculptuur uit Zuid-Limburg. Tot onbepaald.
Tekening ter nagedachtenis aan de brouwer Jorg, die in 1437 overleed. Foto: Hilbinger Nürnberg.
Nijmegen, Provinciaal Museum G. M. Kam, Museum Kamstraat 45: Kunsten van het vuur; Romeinse ambachten in Nijmegen. T/m 30 oktober.
Assen, Drents Museum, Brink 1 en 5: Bier! Geschiedenis van een middeleeuwse volksdrank. T/m 27 augustus.
Rotterdam, Museum Boymans-van Beuningen, Museumpark 18-20: Haken en ogen; kledingaccessoires uit de collectie Van Beuningen-de Vriese. T/m 31 juli.
Den Bosch, Noordbrabants Museum, Verwersstraat 41: Bataven: boeren en bondgenoten - de Maaskant in de Romeinse tijd. T/m 17 juli.
146
Sommelsdijk, Streekmuseum Goeree-Overflakkee, Kerkstraat 2-4: Bodemvondsten uit Goeree-Overflakkee. T/m 31 oktober.
Velsen-Zuid, Museum Beeckestijn, Rijksweg 136: Vindplaats Velsen. Verlengd t/m augustus. Vlaardingen, Archeologisch-Historisch Museum „Hoogstad", Westlandseweg 258: Permanente tentoonstelling over de historie en vooral de archeologie van Vlaardingen. Rondleidingen Den Haag, Camping Ockenburgh, eind Wijndaelerweg: De gemeentelijke afdeling Archeologie organiseert rondleidingen over de opgraving Ockenburgh, waar gegraven wordt naar de resten van een welvarende Romeinse nederzetting. Ooit woonden hier handelslui en ambachtslieden, terwijl er tevens Romeinse soldaten waren gelegerd. De rondleidingen worden gehouden op de woensdagen 17 augustus, 7 september en 21 september. Aanvang steeds om 15.00 uur bij ingang camping. Informatie: Afdeling Archeologie, tel. 070-3533025. Themadag Gemeentelijke archeologie, zand erover ? (Met beperkte middelen naar een verantwoord beleid in middelgrote en kleinere gemeenten) Het is een goede zaak dat de archeologie de laatste jaren steeds meer voor het voetlicht treedt. Opzienbarende bodemvondsten halen zelfs af en toe de landelijke pers en leiden tot enthousiaste reacties. Vooral de grote gemeenten zijn redelijk goed toegerust voor hun taak op het gebied van de archeologie. Zij beschikken meestal over een stadsarcheoloog, een onderzoeksbudget en een afdeling die zorgdraagt voor het bodemonderzoek en het beheer van het bodemarchief.
In middelgrote en kleinere gemeenten is de situatie veel ongunstiger. Daar moet men het vaak hebben van enthousiaste gemeente-ambtenaren en amateur-archeologen. De vraag, die tijdens deze themadag centraal staat, haakt in op deze situatie: Hoe kunnen de middelgrote en kleinere gemeenten het archeologisch bodemonderzoek en bodembeheer op een verantwoorde wijze ter hand nemen? De organisatie heeft geen pasklaar antwoord, maar hoopt wel met deze themadag bij te dragen aan de beantwoording van deze vraag. Verschillende sprekers zullen ingaan op het belang van de archeologie, op actuele ontwikkelingen en vooral op hun praktijkervaringen met gemeentelijke archeologie. Ervaringen met politiek, organisatie, financiën, publiciteit, samenwerking met amateur-archeologen en met meer praktische zaken, zoals de opslag van bodemvondsten. Datum: vrijdag 30 september 1994. Plaats: zaal „Step by step". Turfmarkt 120 in Gouda. Tijdstip: van 9.30 tot ± 17.00 uur. Doelgroep: de themadag is vooral bedoeld voor medewerk(st)ers van gemeenten, die de archeologie in hun takenpakket terugvinden of de archeologie een warm hart toedragen. Kosten: deelname kost ƒ 60,-. Hierbij zijn inbegrepen consumpties, een eenvoudige lunch en een borrel aan het einde van de dag. Tevens ontvangt u een informatiemap en een boek over de opgraving in de Keizerstraat te Gouda. Informatie: voor meer informatie kunt u zich wenden tot de afdeling SVM (Stadsvernieuwing, Volkshuisvesting en Monumentenzorg) van de gemeente Gouda: mevrouw B. v.d. Berg, tel. 01820-88259, of mevrouw A. van den Berg, tel. 01820-88248.
147
Archelogische rondreis door Israël De AWN brengt in december 1994 een zestiendaagse ARCHEOLOGISCHE RONDREIS uit door geheel ISRAËL, van de vroegste steden (Kanaanitische tijd) t/m de Byzantijnse periode, en de SINAÏ. Veel aandacht zal ook worden besteed aan landschap en natuur. REISPROGRAMMA (met eventuele wijzigingen onder voorbehoud): di 13 / wo 14 december 1994: Vertrek van Schiphol vlucht LA 338 14 dec. 0045 v; 06.10 a Ben Goerion; transfer naar Natanya (rustdag). Margoa Hotel, Netanya. do 15: Tel Lakhish, Avdat, Mitzpeh Ramon. Hotel Edomit, Eilat. vy 16: Eilat, o.m. koraalrif met onderwaterobservatorium. Hotel Edomit, Eilat. za 17: St. Catharina-klooster (Sinaï). Hotel Edomit, Eilat. zo 18: Timna-mijnen (koning Salomo) en Hathor-tempel XIII-XII v.C; bijbels dierenpark Hai Bar; Tel Arad (stad, 4e milennium v.C). Hotel Nof, Arad. ma 19: Matsada (burcht der Zeloten); Qumran (Dode Zeerollen); Jericho (oudste stad). Kibbutz Hotel Mitzpeh Rachel, Jeruzalem, di 20: Jeruzalem: Klaagmuur, Skirball Museum, Israël Museum met Shrine ofthe Book, Bible Lands Museum. H. Mitzpeh Rachel, wo 21: Jeruzalem: Herodes Quarter, Burnt House (70 AD), Cardo Maximus, Citadel Museum (Tower of David). H. Mitzpeh Rachel, do 22: Dag ter vrije besteding in Jeruzalem. H. Mitzpeh Rachel, vy 23: Tel Gezer; Caesarea (aquaduct, havenstad, Kruisvaardersburcht). Haïfa, preh. Museum (Karmel-mens); Akko (Kruisvaardersburcht, Caravan Serai en stadswallen). Rosh Hanikra (krijtkliffen aan Libanese grens). Tower Hotel, Haifa. za 24: Hazor (Kanan. stad) en Museum; Banias (Caesarea Philippi), bronnen van de Jordaan; tocht over de Golan Hoogte, Gamla burcht, Katzrin (Golan Museum en 5e-eeuwse synagoge). Tower Hotel, Haïfa. zo 25: Haïfa; Bet Sh'earim (necropolis). Kibbutz GH Hagoshrim. ma 26: Hamat Gader (Rom. badhuizen en theater); rond Yam Kinneret: Capernaüm, Chorazin. Kibbutz Guesthouse Hagoshrim. di 27: Zippori (opgravingen van de Romeinse stad/mozaïekvloeren); de Joodse stad Safed (synagoges en artiestenwijk). KGH Hagoshrim. wo 28: Kruisvaardersburcht Belvoir, Bet Shean (Romeins opgravingscomplex); Tel el-Husn (Egyptische periode, begin 14e eeuw v.C). Bet Alfa (synagogoe met mozaïeken); Megiddo (vanaf 18e eeuw v.C knooppunt van wegen): opgravingen en Museum. Sun Hotel, Bat Yam. do 29: Tel Aviv/Jaffo, Archeologisch Museum en oude stad; Eretz Israël Museum met opgraving van Tel Qasileh. 18.45 Vertrek van Ben Goerion vlucht LA 339, aankomst Schiphol 23.59. TECHNISCHE REISGEGEVENS: * De reis in Israël geschiedt met luxe touringcar. * De rondleidingen gaan met Nederlandstalige Israëlische gids. * Verblijf is in goede Israëlische ***-hotels a Halfpension. * PRIJS: f 3.225,- of BEF 60.000, excl. luchthavenbelasting f 32,50, annuleringsverzekering (4% reissom), reisverzekering f 2,75 p.p. p.d., 1-pers. kamer suppl. f595,-. * OPGAVE VOOR DE REIS: in eerste instantie aanmelden bij de reisleider Arie Peddemors, Rijksmuseum van Oudheden, Postbus 11114, 2301 EC Leiden; tel. 071-163153 (RMO) of 071-890455 (privé); fax RMO 071-149941. * Een kennismakingsbijeenkomst gaat aan de reis vooraf. * De reis vindt doorgang als minimaal 20 personen inschrijven. * De REISORGANISATIE is in handen gegeven van Buro Oppenheim (lid van ANVR, IATA en Stichting Garantiefonds), Minervalaan 26-28, 1077 NZ Amsterdam; tel. 020-6762067, fax 020-793792.
148
Adressenlijst hoofdbestuur en afdelingssecretariaten van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland Hoofdbestuur: Alg. voorzitter: P. K. J. van der Voorde, Laan van Vollenhove 560-bis, 3706 AA Zeist, tel. 03404-50189. Vice-voorzitter: H. Wieringa (afdelingen en regio's), Meyerinksberg 16, 7641 RZ Wierden, tel. 0546-571891. Alg. secretaris: vacature. Waarneming door J. C. Bakker, Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad, tel. 03200-54808. Alg. penningmeester: J. D. F. Hardenberg, Kagertuinen 63, 2172 XK Sassenheim, tel. 02522-11445, gironr. 577808. Bestuursleden: Mevr. S. G. van Dockum (contacten vakwereld), Looierstraat 6, 3582 AR Utrecht, tel. 030-540610. Mevr. M. van Ieperen (educatie), Wiekelhorst 24, 2317 ZJ Leiden, tel. 071-225746. W. Telleman (kampen), Weerselostraat 78, 7623 DB Borne, tel. 074-665132. Vacature (public relations). E r e l e d e n : H. J. Calkoen t (Ere-voorz.), E. H. P. Cordfunke, H. J. van Rijn, P. Stuurman, H. Brunsting, R. van Beek, P. Vons, S. Pos. A l g e m e e n s e c r e t a r i a a t A W N : Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad. L e d e n - en a b o n n e m e n t e n a d m i n i s t r a t i e A W N : Postbus 714, 3170 AA Poortugaal, tel. 01890-17451 (tijdens kantooruren). Secretariaten Afdelingen: 1. Noord-Nederland: Mevr. C. Raats-de Kuyer, Paaskamp 16, 9301 KL Roden, tel. 0590818735. 2. Noord-Holland Noord: J. W. Loots, Staeleversgracht 7, 1601 NM Enkhuizen, tel. 02280-18300. 3. Zaanstreek en omstreken: Mevr. A. TrompVeeter, T. Slagterstraat 15, 1551 CG Westzaan, tel. 075-283814. 4. Kennemerland (Haarlem e.o.): Mevr. A. A. van Assema, Lange Begijnestraat 22, 2011 HH Haarlem, tel. 023-320096. 5. Amsterdam en Omstreken: Mevr. K. H. van Reenen-Stein, Mr. Sixlaan 13, 1181 PK Amstelveen, tel. 020-6451838. 6. Rijnstreek: Mevr. M. F. van Oorsouw, Gere-
gracht 50, 2311 PB Leiden, tel. 071218741. 7. Den Haag en omstreken: A. P. van den Band, Prins Frederiklaan 334, 2263 HM Leidschendam, tel. 070-3175534. 8. Helinium (\'laardingen): M. A. Struijs, Groeneweg 22, 3131 VE Vlaardingen, tel. 010-4342191, overdag 010-2484994. 9. De Nieuwe Maas (Rotterdam e.o): Mevr. J. C. Vos-Kranendonk, Verwersdijk 77, 2611 NE Delft, tel. 015-123443. 10. Zeeland: Mevr. L. C. J. Goldschmitz-Wielinga, Verdilaan 35, 4384 LB Vlissingen, tel. 01184-62142. 11. Lek- en Merwestreek: Mevr. J. C. van Pelt, Adm. de Ruyterweg 19, 3354 XA Papendrecht, tel. 078-151142. 12. Utrecht en omstreken: A. Mandersloot, Weegbreestraat 175, 3765 XD Soest, tel. 02155-15589. 13. Naerdincklant (Hilversum e.o.): W. H. Wimmers, Roekenbos 67, 2134 VB Hoofddorp, tel. 02503-31497. 14. Vallei en Eemland (Amersfoort e.o.): A. P. de Boer, Frans Tromplaan 22, 3871 EN Hoevelaken, tel. 03495-34729. 15. West- en Midden-Betuwe en Bommerlerwaard: H. Vroon, Henri Dunantstraat 41, 4024 HX Eek en Wiel, tel. 03449-1956. 16. Nijmegen en omstreken: H. J. A. de Wit, Beukenlaan 38, 6584 CR Molenhoek, tel. 080-584617. 17. Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland: Mevr. A. M. Baljet-Peters, Bronbeeklaan 40, 6824 PH Arnhem, tel. 085-643080. 18. Zuid-Salland - Usselstreek - Oost-Veluwezoom: J. de Vries, Vossebeltweg 33, 7431 AS Diepenveen, tel. 05709-1996. 19. Twente: Mevr. F. L. Ruizeveld-de Winter, Zevenblad 42, 7623 CG Borne, tel. 074666891. 20. IJsseldelta-Vechtstreek: J. Assink, Prins Frederikplein 4, 8019 XB Zwolle, tel. 038216418. 23. Flevoland: J. Eelman, Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad, tel. 03200-51969. 24. Midden-Brabant: J. v.d. Hout, Dintel 92, 5032 CS Tilburg, tel. 013-634913.
Uitgaven van de AWN Ieder AWN-lid ontvangt het tijdschrift Westerheem en het blad van de afdeling waarbij men is aangesloten. De AWN geeft echter meer publicaties uit. De volgende uitgaven zijn nog voorradig:
AWN - monografie 3
'Sl._ <ifit>t»iiwH<
J. G. N. Renaud Middeleeuwse ceramiek,
t-crauiick
Enige hoofdlijnen uit de ontwikkeling in Nederland
• ». ^_ ¥
Z.p. ('s-Gravenhage) 1976, 123 pp., ill. Deze monografie is nog steeds een standaardinleiding tot de vormenrijkdom van de middeleeuwse ceramiek die bij archeologisch onderzoek kan worden aangetroffen. Leden betalen f 15,—, niet-leden f20,—.
Archeologische strcekbeschrijving
AWN - monografie 4 J. M. Bos Archeologische streekbeschrijving; een handleiding Z.p. (Vlaardingen) 1985, 158 pp., ill., ISBN 90 71312 01 1 Een onmisbare handleiding voor iedereen die met veldverkenningen of regionale inventarisaties wil beginnen, en voor hen die daar al mee bezig zijn. Enthousiast onthaald in de wetenschappelijke en populaire vakpers. Prijs voor leden f 22,50, voor niet-leden f 27,50.
AWN - monografie 5 A. Warringa en G. van Haaff Opgraven. Technieken voor archeologisch veldwerk Utrecht 1988, 128 pp., ill., ISBN 90 70482 68 1 Practische handleiding voor allen die op verantwoorde wijze willen (helpen) opgraven. Achtereenvolgens komen aan de orde: meetsysteem, graafwerk, tekenen en fotograferen, vondsten en monsters, administratie en documentatie, kartering en bijzondere structuren. Uitgegeven in samenwerking met de NJBG bij Matrijs in Utrecht. Prijs voor leden f 15,00, voor niet-leden f22,75.
Oude jaargangen Westerheem 1965 - 1969 (klein formaat) f 12,50 per jaargang; losse nummers f2,50 1970 - 1993 (groot formaat). De prijs per jaargang is gelijk aan de voor het betreffende jaar geldende contributie. Speciale nummers (o.a. Nederzettingsarcheologie in Nederland, Stadskernonderzoek in ontwikkeling, en themanummers over het werk van bepaalde afdelingen) f 8,00 tot f 10,00.
Naaldbanden Westerheem Iedere band kan twee jaargangen bevatten en kost f 12,50. Alle prijzen zijn exclusief eventuele verzendkosten. Bij bestelling van 10 of meer exemplaren geldt een korting van 10%. U dient uw bestellingen te richten aan: AWN-Ledenservice, J. C. Bakker, Neckarstraat 10, 8226 LL Lelystad.
Westerheem •^r-
-^f
-y
.
-wm
xnii-4-1994
AWN
Colofon
Inhoud jaargang 43 no. 4, augustus 1994
Westerheem is het tweemaandelijks orgaan van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN), Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad Lidmaatschap/abonnement f 65,- per jaar Opgave: Leden- en abonnementenadministratie AWN, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal Opzegging vóór 1 december Redactie: A. Carmiggelt (hoofdredacteur), Harstenhoekweg 139, 2587 SG 's-Gravenhage P. Stuurman (redacteur literatuurrubrieken), Volendamlaan 1094, 2547 CS 's-Gravenhage (tevens centraal redactie-adres) R. van Lit (eindredacteur), Waalsdorperlaan 9, 2244 BM Wassenaar Mevr. M. F. van Oorsouw (redacteur verenigingsnieuws), Buizerdhorst 17, 2317 DA Leiden
G. van Haaff Begraven graven. Richtlijnen voor het opgraven en documenteren van begravingen (deel 1)
J. Jongepier Mesolithische vondsten te Aardenburg
164
P. A. M. Beliën 176
Denarii op drift 181 Kort archeologisch nieuws .182
Redactieraad: J. C. Besteman, J. H. F. Bloemers, J. Buurman, H. Groenendijk, R. C. G. M. Lauwerier, D. Stapert, H. Stoepker, L. B. M. Verhart
149
Literatuurbespreking 189 Literatuursignalement
Sluitingsdata kopij: 1 januari, 1 maart, 1 mei, 1 juli, 1 september en 1 november Aanwijzingen voor auteurs zijn op aanvraag verkrijgbaar bij de hoofdredacteur Voor inlichtingen over advertenties wende men zich tot de eindredacteur
195 Agenda
© AWN 1994. Overname van artikelen en illustraties is slechts toegestaan na voorafgaande schriftelijke toestemming van de redactie Druk: Seinen's Grafische Bedrijven, DeKrim(Ov.)
ISSN 0166-4301 Wij verzoeken u adresveranderingen door te geven aan de leden- en abonnementenadministratie AWN, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal. Alleen zo bent u gegarandeerd van de toezending van Westerheem.
Op het omslag: Neoüthisch graf uit Hoogwoud (zie p. 149 e.v.).
Begraven graven (deel 1)' Richtlijnen voor het opgraven en documenteren van begravingen G. van Haaff Inleiding De afgelopen jaren is er bij de ROB gewerkt aan een vernieuwde veldwerk-documentatieprocedure. Het uiteindelijke rapport dat uit deze „bezinning" voortvloeide, kan beschouwd worden als een handleiding voor de registratie en documentatie van opgravingsgegevens. Het eerste deel bevat de zogeheten basisprocedure, terwijl het tweede deel aandacht besteedt aan de meest essentiële extra- of pluselementen van „bijzondere" opgravingen, bijvoorbeeld opgravingen waarbij in het veld de gegevens direct in een computer worden ingevoerd. Het zou té ver zijn gegaan om in dat rapport vele specifieke onderwerpen, zoals bijvoorbeeld stadskern-, steentijd-, grafveldonderzoek, het opgraven van gebouwen (plattegronden) of anderszins tot in details uit te werken en te regelen. Toch lijkt het noodzakelijk en verstandig om ook voor dit soort onderzoeken met een specifieke probleemen vraagstelling tot een eensluidende basisprocedure te komen. Hierbij kunnen dan de minimaal vereiste criteria worden geformuleerd waaraan elk onderzoek in z'n technische uitvoering zou moeten voldoen. Het doel van dit rapport is om met argumenten aan te geven aan welke kwaliteitseisen de technische uitvoering zou moeten voldoen om tot een kwaliteitsprodukt te kunnen komen. Probleemstelling Graven en grafvelden leveren in de meeste gevallen een grote hoeveelheid gegevens op, die zich over verschillende disciplines uitstrekken. Bij het ene onderzoek is de vraagstelling uitputtend en worden de opgravingstechnische maar ook de wetenschappelijke aspecten tot in de kleinste details geregeld, terwijl het soms voorkomt dat bij een ander onderzoek de meest minimale informatieverwerving als voldoende of te-
veel wordt beschouwd door de opgravingsverantwoordelijke. De conclusie kan niet anders zijn, dan dat de minimale onderzoeken de „vergelijkingsschaal" aanzienlijk naar beneden halen ten opzichte van de maximale onderzoeken. Hierdoor zijn ze slechts op een gering aantal uitgangspunten met elkaar te vergelijken. De grote hoeveelheid extra gegevens van de „extra" onderzoeken past niet in dit vergelijkingskader. Om deze gegevens te kunnen vergelijken met de informatie van andere onderzoeken, zal de wijze waarop de gegevens zijn verkregen op min of meer dezelfde basisprincipes moeten berusten. De technische uitvoering van graf(veld)onderzoeken moet er dus een zijn van gelijkwaardigheid en vergelijkbaarheid. Dit houdt in, dat graven en/of grafvelden zoveel mogelijk op gelijkvormige wijze moeten worden opgegraven, opdat de uiteindelijke resultaten met elkaar zijn te vergelijken. De aanwezigheid van een duidelijk omschreven vraagstelling is hierbij van het allergrootste belang, maar dat is niet het enige criterium. Want ongeacht de wetenschappelijke vraagstelling(en), dient men vanuit opgravingstechnisch oogpunt een duidelijke „standaard" in te bouwen. In principe moeten vele vragen reeds vanuit deze standaard informatie-verwerving beantwoord kunnen worden. * Deel 2 van dit artikel verschijnt in Westefheeni no. 5(1994). Graag wil ik dit artikel opdragen aan mijn collega's, zonder wie dit artikel in inhoudelijke en praktische zin niet tot stand zou kunnen zijn gekomen, en in het bijzonder als postuum eerbetoon aan mijn vroegere mentor en voormalig hoofd van de ROBvelddienst: Cees van Duyrt. 149
De huidige opgravingstechnische aanpak (met nadruk op het technische aspect) van een graf(veld) is de afgelopen twintig jaar dusdanig weinig veranderd, dat het niet heeft geleid tot een directe kwaliteitstoename van dit opgravingsprodukt. De kwaliteitstoename die wèl tot stand is gebracht, vloeit voort uit de verdergaande onderzoeksresultaten van de diverse disciplines. Vanuit de natuurwetenschappelijke invalshoek zijn er de laatste decennia de nodige ontwikkelingen geweest. Hierdoor zijn vele nieuwe gegevens aan het licht gekomen. Een reden te meer om een poging te ondernemen om via een soort handleiding een opgraaftechnische werkwijze te formuleren. Een uitvoering waarmee in het veld te werken valt en waarmee onder normale omstandigheden de meest fundamentele gegevens uit elk op te graven graf kunnen worden verkregen. Of dit nu in Groningen of in Zuid-Limburg gebeurt. Tevens is geprobeerd om deze werkwijze niet chronologisch afhankelijk te maken. Dit wil zeggen dat de opgravingstechniek niet afhankelijk is van de archeologische periode waarin wordt gegraven. Veel eerder is het van belang om de opgravingstechnische basisbeginselen vast te leggen en deze waar nodig aan te vullen met een specifieke vraagstelling vanuit de periode waarin men graaft. De uitvoering van deze benaderingswijze zal zeker tot kwaliteitsverbetering leiden, zowel van de in het veld verkregen informatie als van het uitwerktraject. Wat is een graf? Met een onvoorspelbare regelmaat worden we geconfronteerd met gegraven kuilen waarin menselijke of dierlijke resten zijn gedeponeerd. In zo'n situatie spreken we al snel van een „graf. Zijn er meerdere van dit soort begravingen bij elkaar aanwezig, dan spreken we van een necropolis, een graf- of urnenveld, een begraafplaats of een kerkhof. De ouderdom van de begravingen is min of meer bepalend voor de woordkeus. Een „urnenveld" is eerder verbonden met begravingen uit de Ijzertijd en een „kerkhof' met begravingen uit een meer recente christelijke periode. 150
Maar wat is nu eigenlijk een graf? Wat is het primaire verschil tussen een afvalkuil waarin menselijke en/of dierlijke resten terecht zijn gekomen en een kuil die wij een graf noemen? Deze vraag is niet eenvoudig te beantwoorden. De term „graf wordt nog steeds met een ruime mate van subjectiviteit gebruikt en misschien kan dat ook niet anders. Het heeft er alle schijn van dat de ruimte waar de stoffelijke resten van het dode individu zijn achtergelaten, een graf kan worden genoemd. Toch is de herkenning van een kuil of welk fenomeen van antropogene aard dan ook als graf, soms verre van eenvoudig. Reeds eerder in de geschiedenis van de archeologie werd melding gemaakt van mogelijke cenotafen. Dit zijn grafmonumenten voor (vermiste) „personen" die niet ter plekke zijn begraven. In dergelijke graven worden dus geen menselijke (of dierlijke) skeletresten aangetroffen, maar zo nu en dan bijvoorbeeld wel bijgaven. Het onomstotelijke bewijs dat we in dergelijke gevallen echter met een graf van doen hebben, is niet eenvoudig te leveren. Ongetwijfeld zijn voor dergelijke fenomenen ook andere plausibele verklaringen te bedenken. Het mag echter duidelijk zijn, dat men bij de betiteling „graf" bij uitzondering voor vreemde situaties kan worden geplaatst. Niet elk graf laat zich zo eenvoudig bij deze categorie onderbrengen. Moet een „pest- of miltvuurkuil" als een graf worden gezien? Een beest sterft aan een ziekte en wordt begraven! Kunnen we vaststellen of de „begrafenis" plaatsvond uit gezondheidsoverwegingen (bescherming tegen epidemieën, stank, enz.) en/of uit piëteit en respect jegens het gestorven dier? Binnen het kader van een begraafplaats zal een dierlijke begrafenis vrij snel de titel graf meekrijgen, maar gaat het om verspreid voorkomende fenomenen buiten de context van een necropool, dan blijft de interpretatie meestal een lastige en onzekere aangelegenheid. Essentiële criteria Een lichaam behoeft niet per se in de letterlijke zin te worden begraven! Zo kan een dode in een grafkelder of tombe worden ge-
legd, worden gecremeerd, boven de aarde aan elementen en dieren worden toevertrouwd, op de bodem van de zee een „zeemansgraf' vinden, met of zonder schip, of door een uitbarstende vulkaan worden bedolven onder vulkanische sedimenten. Hoe of waar een dode ook terechtkomt en of dit nu door mensenhanden of natuurlijke krachten gebeurt, deze uiteindelijke „rustplaats" noemen we het graf. Voorwaarde hierbij is
wel dat het lijk of het kadaver zo compleet mogelijk is. Indien bij een onderzoek zo her en der menselijke skeletdelen worden gevonden, kan er geen sprake zijn van de term „graf. En dat is ook vrij logisch, want losse onderdelen zoals ledematen (extremiteiten) behoeven nog geen dood individu te betekenen. Dit ligt duidelijk anders met een hoofd of een romp (afb. 1). De betiteling „graf is dus afhankelijk van:
1. Neoliihisch graf uit Hoogwoud. Romp en hoofd zijn hier wel aanwezig, terwijl de extremiteiten grotendeels ontbreken. 151
1. de aanwezigheid van de meest essentiële delen van het dode individu, zoals het hoofd en de romp; 2. de plaats waar deze resten zich bevinden. Indien meerdere graven bij elkaar worden aangetroffen, wordt het natuurlijke en het toevallige element vrijwel uitgesloten. Er moet sprake zijn van een bewuste keuze om meerdere doden of in afzonderlijke graven, of in één graf bij elkaar te leggen. Vanzelfsprekend kunnen omstandigheden als erosie en sedimentatie een dergelijk grafveld aantasten of juist beschermen. Uiteindelijk zijn dat de factoren waar een archeoloog mee te maken krijgt. Een ondergronds grafarchief dat door menselijke en natuurlijke factoren en oorzaken is ontstaan en aan ons is overgeleverd. 3. Een derde criterium voor het benoemen van een graf is de zorg en de aandacht die bij het dodenbestel hoort. Het zijn factoren als religie, betrokkenheid bij en respect voor de dode die van invloed zijn op de manier van begraven. Het geloof in een leven na de dood heeft altijd een belangrijke rol vervuld in het begravingsritueel en dit is nog steeds zo. Voorbeelden hiervan zijn de grote diversiteit aan grafgeschenken die de overledene werden meegegeven voor het leven aan gene zijde of de oriëntatie van het graf c.q. de begravene bij christelijke begravingen (het hoofd liggend in het westen), hetgeen verband houdt met het geloof in de wederopstanding. Vraagstelling Wanneer een necropolis niet meer is te beschermen met behulp van de Monumentenwet en opgraven dus de enige manier wordt om een stukje van het zeer rijke bodemarchief te redden, is een goed geformuleerde vraagstelling van het grootste belang voor een onderzoek. Uit de onderzoeksopzet moet blijken welke criteria er gehanteerd gaan worden, welke bemonsteringsstrategie er wordt gevolgd, welke disciplines erbij betrokken worden en op welke manier, enzovoort. De vraag- of probleemstelling van een laatmiddeleeuwse begraafplaats kan een totaal andere zijn dan die van een Bronstijd-graf152
heuvel of een Merovingisch rijengrafveld. Ook zal een duidelijke vraagstelling noodzakelijk zijn om het onderzoek af te bakenen en daarvan tevens de financiële gevolgen te berekenen. Hierbij dient ook het uitwerktraject redelijkerwijs gecalculeerd te worden, zodat de project-planning van een dergelijk onderzoek duidelijk en overzichtelijk is en het onderzoeksresultaat op niet al te lange termijn gepubliceerd kan worden. Inherent aan deze vraagstelling zijn ook de opgravingstechnische aspecten. Een waterdichte opzet van opgraaftechniek is van tevoren bijna niet te maken. Het getuigt van realiteitszin om - indien dit noodzakelijk mocht blijken te zijn - na de eerste ervaringen de resultaten te evalueren en de zaken ook in technisch opzicht bij te stellen. Inhumaties Algemeen Omwille van de duidelijkheid zijn de diverse manieren van begraven hier zoveel mogelijk van elkaar gescheiden. In de praktijk komen ze in en door elkaar voor en moet de attente opgraver zoveel mogelijk trachten elk onderdeel zo helder mogelijk op papier te krijgen. Dit vergt interpretatie en inzicht en het is soms verre van eenvoudig om per spoor helderheid en duidelijkheid te verschaffen. Toch is het nodig om in het veld die helderheid te verkrijgen, want eenmaal thuis achter de tekentafel of het bureau kan menig probleem niet meer worden opgelost. Het betreft dan met name de interpretatie van wat wordt gezien of wat men denkt te zien. Oversnijdingen van grafkuilen, vage kist- of skeletsporen, een bijna niet te herkennen roofkuil, minitieuze fragmenten gebitsglazuur, enz. Met vage contourschetsen kan men later vrijwel niets beginnen. Men moet proberen zich stap voor stap voor te stellen wat er is gebeurd met de dode en met het graf. Hoe ziet de grafkuil eruit, zijn er nissen, liggen er balken of organisch materiaal onder de kist of kelder, hoe is de oriëntatie van het skelet, waar bevinden de bijgaven zich precies, zijn er kistspijkers, wat is het formaat van kist en/of kuil, van welke kant is het graf dicht gegooid, enz.
Telkens weer stelt een goede opgraver zich de ene vraag na de andere en probeert hij daarop een antwoord te vinden voordat het bewijs met schep en troffel vernietigd wordt. Dag in dag uit! Richtlijnen Afhankelijk van de hoeveelheid kalk in de bodem en de ouderdom van de skeletdelen zijn deze op de ene plaats veel beter geconserveerd dan op de andere. Dit zijn echter niet de enige criteria die van belang zijn. Zo is ook de soort bodem (klei of zand), de zuurgraad en de grondwaterstand, maar ook de concentratie fosfaat of de hoeveelheid bot mede bepalend bij de conservering van skeletdelen. Ongeacht de conservering is het raadzaam een aantal basisregels in acht te nemen die het gehele opgravings- en documentatieproces ten goede komen: - Om onnodige beschadigingen te voorkomen, is het zinvol om zo weinig mogelijk met metalen gereedschappen direct bij of op het bot te werken. - Liefst werken met werktuigen van hout (bamboe) of kunststof. - Steeds vanaf de buitenkant naar een bot of een vondst toewerken en niet omgekeerd! Meestal „breekt" de grond al op het contact met het skelet of het voorwerp af, hoewel dit in vette klei zeker niet altijd het geval zal zijn. - Indien mogelijk op een zo hoog mogelijk vlak aangeven waar de coupes over het graf worden gelegd. - Steeds het volledige graf mee verdiepen tijdens het uitprepareren, zodat de relatie met de omringende sporen en graven zo duidelijk mogelijk is (dit voor zover de coupe(s) over een graf, bijgaven, enz. dit toela(a)t(en). - Elk skelet dusdanig vrijleggen, dat het te tekenen is. Dus „geprofileerd" en duidelijk begrensd, zodat het in lijnen is na te tekenen. Op zandgrond is een kwast goed te gebruiken, maar bij kleigrond valt dit over het algemeen tegen. - Wanneer een skelet op de goede manier is vrijgelegd, dan is het ook op de foto duidelijk en contrastrijk te herkennen.
- Met behulp van een kompas kan de hoek van de grafas ten opzichte van het magnetische noorden worden bepaald. Uitgangspunt hierbij is de positie van de schedel. Van hieruit wordt een (denkbeeldige) lijn naar de voeten getrokken. De hoek tussen deze lijn en het magnetische noorden wordt afgelezen en de hoeveelheden graden genoteerd. Met deze gegevens kunnen groepen met een verschillende graforiëntatie grafisch worden weergegeven. - Indien de afspraak is gemaakt, dat er niet gedetailleerd kan worden getekend, dan dient men in elk geval de ligging van het skelet met de positie van de ledematen vast te leggen. - Het tekenen gebeurt minimaal op schaal 1 : 20, zodat ook de details nog in kaart kunnen worden gebracht. Indien nodig en gewenst, kan zelfs op schaal 1 : 1 worden getekend. De mate van detail hangt samen met de vraagstelling die is geformuleerd. - Het gebruik van een stofzuiger om alle losse uitgegraven grond te verwijderen, kan sterk worden aanbevolen. Dit vergemakkelijkt het uitprepareren aanzienlijk. Om te voorkomen dat er vondsten worden meegezogen, kan er een „zeef" op de zuigmond worden bevestigd. De praktijk leert dat deze methode uitstekend werkt en er veel minder beschadigingen plaatsvinden. Ook kan een „air-jet" (fijn straaltje compressorlucht) of in kleiige sedimenten een „water-jet" prima diensten bewijzen. Het spreekt vanzelf, dat deze hulpmiddelen bij kwetsbare en fragiele vondsten niet of heel beperkt worden gebruikt. - Tijdwinst kan ook geboekt worden door bijvoorbeeld zandige sedimenten iets met een elektrische föhn te drogen en ze daarna weg te blazen of op te zuigen. - Bij het opnemen van het skelet is het aan te bevelen om het botmateriaal in een aantal groepen te verdelen en apart te verpakken (schedel, wervelkolom, linker- en rechterledematen, ribben, handen en voeten). Hierbij is het handig om gebruik te maken van voorbedrukte skelettekeningen, waarop kan worden aangegeven (ingekleurd) welke elementen aanwezig zijn en welke ontbreken (afb. 2). 153
heel wat meer tijd en moeite. Het voordeel van goed geconserveerd skeletmateriaal is, dat de botten gemakkelijk kunnen worden opgenomen en gewassen, niet behoeven te worden verstevigd en goed kunnen worden gedroogd, genummerd en verpakt. Op allerlei manieren kan er aan deze categorie skeletten, zowel in het veld als erna, onderzoek worden gedaan. De noodzaak om het specialistische antropometrische werk (het doen van allerlei metingen aan een skelet) in het veld te verrichten, is hier iets minder aanwezig dan in de volgende categorie.
2. Schematische voorstelling van het menselijke skelet, waarop aanwezige skeletdelen kunnen worden aangegeven.
- Bevindingen en overpeinzingen in het veld steeds noteren! Allerlei opmerkingen over bijvoorbeeld de vulling van de grafkuil bevatten de informatie over (oudere) verstoorde graven, welk materiaal, welke insluitsels, dichtspoelingsverschijnselen in kisten. Noteer ontbrekend skeletmateriaal (zodat later duidelijk is dat zaken niet zijn zoekgeraakt of niet zijn gezien, maar dat ze niet aanwezig waren), splitsing van vondstgroepen (onder, binnen en buiten de kist), enz. Goed geconserveerde skeletdelen Stevig en hard botmateriaal laat zich in zand en zavel meestal probleemloos uitprepareren en vrij leggen, zodat er goede foto's en tekeningen van kunnen worden gemaakt. In de klei vergt het vrij leggen van een skelet 154
Matige of slechte conservering Het uitprepareren van slecht geconserveerd botmateriaal is een beduidend tijdrovender werk dan bij goed geconserveerd materiaal. Indien het bot zich nog laat scheiden van de omringende aarde, kan het na te zijn „aangedroogd", worden behandeld met verdunde houtlijm of paraloid (op te lossen kunststofhars). Dit verstevigt het bot en is later weer op te lossen als dat nodig mocht blijken te zijn. Er is een grote diversiteit aan conserveringsstadia van het skeletmateriaal mogelijk. Dit kan variëren van na „versteviging" nog op te nemen, tot volledig veraarde verkleuringen, waarvan alleen nog een zakje „pulp" is te verzamelen, waarmee wellicht nog een bloedgroepanalyse is uit te voeren. Bij slecht skeletmateriaal is het aan te bevelen om een palaeopatholoog-anatoom en/of een fysisch antropoloog in het veld aanwezig te hebben, die ter plekke gegevens kan verzamelen over geslacht, leeftijd, lichaamslengte, ziektebeelden, afwijkingen, enz. en die monsters kan nemen vanuit een specialistische visie. Zonder een dergelijke specialist gaat er ontegenzeglijk zeer veel informatie verloren bij het vrijleggen en opnemen van dergelijk botmateriaal. Het onderdeel fotografie is bij deze „vondstcategorie" van bijzonder belang. Vele foto's kunnen later bij de uitwerking, maar ook voor de totale documentatie van belang zijn. Skelet verdwenen In situaties waar alleen nog maar sprake is van een lijksilhouet of een lijkschaduw,
loopt de te verwerven informatie van de begravene sterk terug. Door het vlak zo nauwkeurig mogelijk te schaven, de verkleuringen zo goed mogelijk vast te leggen op tekening en door middel van foto's, kunnen er wellicht uitspraken gedaan worden over de oriëntatie en de ligging van het skelet. Aangezien het skelet in deze categorie niet als een tastbare vondst geborgen kan worden, kan overwogen worden om er een lakvlak(film) van te maken (horizontale parallel van een verticaal lakprofiel). Verkleuring verdwenen Indien van de grafkuil zelfs geen verkleuringen meer zijn waar te nemen en toch het vermoeden bestaat dat we met een graf van doen hebben, kan geprobeerd worden om via besproeiing van het vlak de sporen te kleuren. Een combinatie van een „spray" van (20%) zoutzuur en een „spray" van een wateroplossing met 1 % kalium rhodanide (potassium sulfocyanide) afzonderlijk na elkaar aangebracht, zou mogelijk tot een herkennend resultaat kunnen leiden'. Methodes zouden verder ontwikkeld moeten worden om in het veld concentraties van fosfaten en mangaan zichtbaar te maken2. Experimenten met infra-rood warmtedetectie of het besproeien met een oplossing van hygroscopische zouten (calcium- of magnesiumchloride) kunnen hier wellicht ook enige vruchten afwerpen3. Zo ontbrak bijvoorbeeld bij de opgegraven Mesolithische graven van Mariënberg (Ov.) vrijwel elke vorm van verkleuring. Slechts door enkele bijzonderheden op het hoogste vlak werden ze vastgesteld. Zo was de grond iets losser (andere samendrukbaarheid) en waren de graven wat meer bioturbaat verstoord. Het steeds maar blijven voorkomen van vuursteensplinters bij het verdiepen was de laatste indicatie dat we met „verstoorde" grond hadden te maken4. Crematies Algemeen Naast de lijkbegraving komen we ook regelmatig de lijkverbranding of crematie tegen. Eigenlijk zijn beide niet met elkaar te verge-
lijken, omdat ze van een verschillende „grootheid" zijn. Crematie is een handeling; een proces dat ligt tussen het overlijden van het individu en het begraven van de crematieresten. Het beeld is, dat de dode, die al dan niet op een baar ligt, bovenop een houtstapel wordt gelegd, waarna het geheel wordt verbrand. De twee belangrijkste vormen van crematie die we onderscheiden en in de grond kunnen tegenkomen, zijn: 1. De brandstapel op het maaiveld, waarbij de verbrandingsresten aan het oppervlak blijven liggen. Er ontstaat een „brandvlak", waarbij alle of een deel van de crematieresten verspreid over het oppervlak achterblijven. Door de hitte verkleurt de onderliggende bodem meestal oranje-rood. 2. De brandstapel is boven een kuil gebouwd waarin het volledige verbrandingsresidu terechtkomt. De wanden van zo'n „brandkuil" zijn meestal ook oranje-rood uitgegloeid. Hierna is er opnieuw een tweetal basishandelingen mogelijk en voor de opgravingstechnische duidelijkheid laten we hier even de belangrijkste mogelijkheden in het crematieritueel passeren. 3. De resten worden - al dan niet selectief verzameld om elders in een graf gedeponeerd te worden. Er zijn in combinatie met bijgaven en containers vele variaties mogelijk. 4. De crematie blijft aan het oppervlak of in de brandkuil achter. Van een brandkuil zullen we, mits deze maar diep genoeg is ingegraven, de sporen met de bijbehorende kuilvulling in de grond kunnen tegenkomen. Als het materiaal echter aan het oppervlak blijft liggen, zullen we er niet zo snel iets van terugvinden. Het hangt er dan van af of dit oude oppervlak al dan niet aan het heden is overgeleverd. Binnen het crematie-grafritueel bestaan vele variaties. Het zou te ver gaan deze hier alle te behandelen. Belangrijk is dat de opgravingstechniek voorwaardenscheppend is, zodat verder gedetailleerd onderzoek door specialisten mogelijk is. Richtlijnen Door het verbranden van menselijke en 155
dierlijke stoffelijke resten gaat een grote hoeveelheid antropometrische informatie verloren. Dé opgravingstechnische basisregel voor crematieresten en/of crematiegraven is dan ook, dat het graf zo hoog mogelijk wordt afgewerkt en het materiaal zo volledig mogelijk wordt verzameld. Het is wenselijk om brandvlakken en brandkuilen in kwadranten of sectoren op te graven, zodat het te verzamelen materiaal te koppelen is aan de horizontale spreiding. Vervolgens wordt het uitgegraven materiaal gezeefd op zeven met een minimale maaswijdte van 1 a 2 mm, waarna het residu wordt gedroogd en gesorteerd. Alleen deze maaswijdte garandeert dat - indien aanwezig - ook gehoorbeentjes (incus of aambeeld), die zo'n 1,5 tot 2 mm groot zijn, worden teruggevonden (afb. 3). Hiermee kan het minimale aantal
3. Uitvergrote gehoorbeentjes. Boven een linker incus (aanbeeld), onder een linker malleus (hamer).
156
individuen in een crematiegraf bepaald worden5. Tevens kan dit verkoolde zaden, pitten en vruchten opleveren, die anders bij het zeven met een grotere maaswijdte verloren zouden gaan. Die gegevens kunnen informatie opleveren over voedsel dat mogelijk aan de dode werd meegegeven. Via een submonster, dat gezeefd wordt op een maaswijdte van 'h of 'A mm, kan aanvullende informatie worden verkregen. Het totale gewicht van crematieresten kan eveneens een rol spelen bij het bepalen van het aantal individuen. Van één volwassene blijft ca. 2 tot 2,5 kilo aan droge crematieresten over. Het is dus altijd van belang het juiste gewicht aan crematieresten te kennen. Tot slot kan de categorie houtskool veel informatie opleveren over de samenstelling van de brandstapel. Determinaties van de gebruikte houtsoorten kunnen ons iets vertellen over de keus die men maakte uit de omgeving en het milieu. Bovendien biedt houtskool de mogelijkheid om een C14-datering te verkrijgen. Graf zonder container In vele crematiegraven wordt geen „crematiehouder" of container aangetroffen. Nu wil dit niet zeggen dat er geen container was, want deze kan ook van organisch materiaal geweest en vergaan zijn. Mogelijk werden de verbrande botresten in een doek, een kistje of in een mand gedaan. Het is daarom van groot belang om de vorm van de grafkuil en de periferie van de concentratie crematieresten goed te bestuderen. Wellicht worden hier indicaties of bewijzen gevonden over een „vergankelijke" container. Bijgaven komen - al dan niet verbrand - regelmatig in een crematiegraf voor. Waar maar even het idee bestaat dat er in het graf een stratigrafische gelaagdheid bestaat, dient deze zoveel mogelijk het uitgangspunt te zijn om het materiaal gescheiden te verzamelen. Het totale verbrandingsresidu kan in een graf belanden, maar er kan ook heel selectief zijn verzameld en begraven. Zo is het mogelijk dat de skeletresten in de grafkuil worden afgedekt door een laagje zand, waarna vervolgens de overige
resten van de brandstapel erop terechtkomen. Of dat men eerst de resten van voeten en benen, dan romp, armen en handen en tenslotte de schedel in het graf heeft gelegd. Alleen een uiterst nauwkeurig uitgevoerde opgraving kan borg staan voor conclusies over de werkelijke toedracht van een crematiebegraving! Brandskeletgraf Een andere vorm van begraving zonder container is het brandskeletgraf. Dit is een graf met het formaat van een volwassen geïnhumeerde. De crematieresten bevinden zich in een concentratie of in een strooiing in het graf. Bij de concentratie blijft het echter denkbaar dat ook hier gebruik gemaakt is van een (organische) container. Het komt zo nu en dan ook voor, dat een lijk slechts gedeeltelijk is verbrand en als zodanig in een graf terecht komt. Graf met container Een crematiegraf mèt een container is opgravingstechnisch meestal iets eenvoudiger
te behandelen. Veelal zijn de verbrande resten dan opgeborgen in een keramisch produkt: de urn, die opgraaftechnisch concreet te benaderen is (afb. 4). Het zal echter nooit helemaal duidelijk zijn of het hier nu om een container gaat (als parallel van de kist bij de inhumatie) of dat het een grafgift betreft waarin crematieresten zijn opgeborgen. Regelmatig is de opening van zo'n urn afgedekt door middel van een schaal of een deksel. Hoewel in de vulling van de grafkuil waarin de urn is geplaatst, nog allerlei resten en bijgaven kunnen voorkomen, is het toch eenvoudiger om een doorsnede te maken dan bij een crematiegraf met „losse" inhoud. Ook hier wordt het graf vanaf de buitenkant benaderd en geldt opnieuw dat bij de interpretatie van een grafprofiel duidelijk moet zijn hoe het verloop van de diverse processen is geweest. Het resultaat hiervan vormt een basis voor verder onderzoek. Het zeven van de kuilvulling dient standaard te worden uitgevoerd, evenals het drogen en sorteren. Het onderzoek naar de inhoud van de con-
4. Een Romeinse container met crematie uit Valkenburg (ZH). 157
tainer kan belangrijke informatie opleveren over het al dan niet selectief verzamelen van de crematieresten. Daarom mag deze na het bergen nooit zomaar worden leeggeschud, maar dient deze in het laboratorium gedetailleerd te worden „opgegraven"! Desnoods wordt de container opengezaagd! Brandgraf Het onderzoeken van een brandgraf is waarschijnlijk één van de meest uitdagende opgravingstechnische problemen. Het betreft hier meestal een langwerpige kuil, die zich onder de brandstapel bevond en waar het verbrandingsresidu in terecht is gekomen met de al dan niet meeverbrande bijgaven. Een brandgraf kan meerdere keren als „graf dienst doen. Zo werd in Valkenburg (ZH) bij een Romeins brandgraf vastgesteld dat op dezelfde plaats en in dezelfde kuil zeker tien gecremeerde individuen voorkwamen6. De wanden van een brand(graf)kuil zijn door de grote hitte van het crematieresidu meestal oranje-rood uitgegloeid. Het verdient aanbeveling om zo'n graf in kwadranten of sectoren te verdelen en deze sectoren te nummeren. Elk vak kan stratigrafisch worden benaderd. Ook hier geldt weer, dat de opgraver moet trachten om de ontwikkelingen zo helder en zo duidelijk mogelijk op papier te krijgen. De combinatie van horizontale en verticale gegevens moet duidelijk maken wat er aan de hand is geweest en hoe bepaalde processen zich hebben voltrokken. Al het materiaal dient gezeefd, gedroogd en gesorteerd te worden. Brandvlakken Het aantreffen van een intact gebleven brandvlak (oorspronkelijk oppervlak waarop crematie heeft plaatsgevonden) moet gezien worden als een uniek en uiterst bijzonder gegeven. Vanuit dit oogpunt bezien, dient het opgravingstechnisch benaderd te worden als een aparte en uitzonderlijke detailopgraving. Dit houdt in, dat er over zo'n (begrensde) laag een fijnmazig grid (van bijvoorbeeld 0,50 m x 0,50 m) wordt uitgezet, waarna het materiaal zoveel mogelijk stratigrafisch wordt verzameld en vervolgens 158
wordt gezeefd en gesorteerd. Grafstructuren Met grafstructuren worden hier alle bijkomstige fenomenen bedoeld die met een graf of een begraving van doen hebben. Met name deze grafstructuren kunnen ons meer vertellen over het dodenbestel in het verleden en de mogelijk daarachter liggende religieuze gedachten. Grafkuil De vorm van de grafkuil wordt zichtbaar in het horizontale vlak en in de coupe(s) die over het graf is/zijn uitgezet. Men dient zich te realiseren dat er een verschil bestaat tussen de grafinsteek (het grensvlak tussen de ondergrond en de grafkuil) en een grafvulling (de grond die uiteindelijk weer in het graf terecht komt). Met name het chronologische verschil tussen deze twee is van essentieel belang. Met uitzondering van een serie metrische gegevens is er over het algemeen niet veel bijzonders over de vorm van een grafkuil te zeggen. De informatie over de grootte van een grafkuil moet betrouwbaar zijn om een kubieke inhoud te kunnen berekenen7. Verder kan de kuilbodem voorzien zijn van bijzonderheden, zoals een „organisch bed" voor de dode of van dwarsbalkjes om de kist op te laten rusten. In de wanden van de grafkuil kunnen uitgegraven nissen voorkomen, die soms op de hogere vlakken niet zijn te zien. Hierin kunnen bijgaven aanwezig zijn. Een lanspunt kan bijvoorbeeld een stuk in de kuilwand zijn gestoken omdat de totale lengte van de lans iets te groot was. Hoewel dit lang niet altijd mogelijk is, is het belangrijk om het stratigrafische „herkomstniveau" van een grafinsteek te achterhalen. Herbegraving of ruimgraf Soms worden er kuilen aangetroffen, waarin menselijke skeletresten zonder enig anatomisch verband zijn terechtgekomen. In de nabijheid worden soms vergraven graven aangetroffen. Oorspronkelijke gravers die bij het graven van het graf een skelet tegen zijn gekomen, hebben uit piëteit met de
dode de opgegraven resten waarschijnlijk in een apart gegraven kuil(tje) herbegraven. Ook komt het regelmatig voor dat skeletresten uit een ouder graf in een hoekje tussen de kuilwand en de kist van het nieuwe graf worden bijgezet. Zo kan het gebeuren dat in één graf soms twee, drie of meer schedels worden aangetroffen. Begraving zonder kist In veel gevallen zal de dode rechtstreeks in de grafkuil zijn gedeponeerd, al dan niet met bijgaven. Door de conservering van textielresten op en in de nabijheid van metalen voorwerpen in het graf (een fossilisatieproces door de oxydatie van het metaal) blijkt dat de dode veelal in een lijkkleed gehuld moet zijn geweest. In sommige gevallen is de grafkuil van een minimale grootte en voorzien van een hoofdnis. Kisten en kamers In de praktijk kunnen we een grote verscheidenheid aan houten en stenen grafkisten en grafkamers tegenkomen. De grens tussen
kist en kamer is - zoals zal blijken - niet eenvoudig te trekken en kan nog weieens reden tot verwarring geven. De kist is in principe ook als een container te beschouwen. In het algemeen wordt onder een kist vaak het directe omhulsel van de dode verstaan. De essentie van een lijkkist is, dat deze bovengronds bescherming geeft bij langdurige begravingsrituelen (tegen stank, vraat, enz.) en de dode in het graf tegen de in de grafkuil teruggeworpen aarde beschermt. Steenkisten Steenkisten kunnen op diverse manieren voorkomen. Ten eerste een uit één stuk natuursteen vervaardigde lijkkist met een deksel van hetzelfde materiaal. Zowel de kist als de deksel kunnen versierd en/of van teksten voorzien zijn. Deze sarcofagen hebben ook aan de binnenzijde soms een heel rijke decoratie (zoals bijvoorbeeld de beroemde Romeinse „askist" van Simpelveld). Steenkisten kunnen ook opgebouwd zijn uit zwerfkeien, blokken natuursteen (zoals tufen zandsteen) of uit baksteen. Ze kunnen
5. Een steenkist, opgebouwd uit blokken tufsteen uit Wijk bij Duurstede.
159
gestapeld, maar ook gemetseld voorkomen. Soms kan de vorm van de kist trapeziumvormig zijn, al dan niet voorzien van een hoofdnis (afb. 5). Houten kisten De vroegste houten kist is de boomkist, waarbij een boomstam wordt uitgehold. Deze „ronde" kist is vaak aan de vorm en de meestal zeer dikke (uitgegloeide en aangekoolde) wanden te herkennen. De plankenkist is bij lijkbezorging waarschijnlijk de meest voorkomende. Dit kan een kist zijn die d.m.v. houtverbindingen in elkaar is gezet of een gespijkerde kist. Van deze laatste worden de spijkers meestal teruggevonden nadat het hout is vergaan. Het documenteren van de positie van deze spijkers of wat daar nog van over is (richting, hoek, hoogte) is voor de reconstructie en de afmetingen van de kist van groot belang. Ook worden soms kisten aangetroffen waarbij de bodem uit een „open" lattenbodem bestaat. Doordat de wanden van een plankenkist meestal door de omringende grond naar binnen gedrukt worden, geeft dit vaak een vertekend beeld van het werkelijke formaat van de kist. Daarom is het zaak om het kistformaat zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen. Vlak boven de bodem zijn de lengte- en breedtematen veelal het meest betrouwbaar. Bovendien hoeven we niet altijd met een rechthoekige kist te maken te hebben, maar kan deze bijvoorbeeld ook trapeziumvormig zijn. Het mag duidelijk zijn, dat we hier met een „kritiek moment" te maken hebben. Want voor we er erg in hebben, is de mooiste en meest betrouwbare informatie na het „net nog iets verdiepen" verdwenen. Informatie over de hoogte van de kist zal bij het ontbreken van hout meestal uit de coupe van het graf moeten komen. Om dezelfde reden is het aan te bevelen om het niveau van de hoogst waargenomen kistsporen vast te leggen. Soms zijn de omstandigheden dermate gunstig, dat uit de verkleuringen in de grond de hele constructie van de kist (met de houtverbindingen) valt te herleiden, ook al is er geen plank bewaard gebleven. Natuurlijk zijn dit soort resultaten alleen te 160
behalen in een weinig bioturbaat verstoorde grond en dan ook nog met een creatieve en non-routinematige opgravingsaanpak. Grafkamers (kelders) Zoals reeds aangegeven, is de omschrijving voor een grafkamer: een ondergrondse ruimte waarin één (of meerdere) dode(n) in een „bekisting" hun laatste rustplaats hebben gevonden. Het geheel wordt toegedekt door aarde. Zou deze ruimte bovengronds staan, dan spreken we niet meer van een grafkamer, maar eerder van een graftombe. Toch is de omschrijving van een grafkamer in dit verband bijna hetzelfde als die van een kist. Is een hunebed nu een grafkamer, een graftombe, een steenkist of een ganggraf? Het antwoord is niet zo eenvoudig te geven. De categorie grafkamers kunnen we opsplitsen in kamers van hout en kamers (kelders) van steen. Het criterium voor beide is, dat binnen de grafkamerruimte zich een lijkkist en eventueel bijgaven bevinden. Noemt men deze „ruime kist" nog steeds een grafkamer als de dode die erin ligt, zich niet in een lijk-
i,
•
6. Steenkist met een skelet (zonder houten kist!) uit Nijmegen.
kist bevindt? Hoe noemt men een kist waarin zich een urn met crematieresten bevindt? Een grafkamer of een askist? Misschien is de omschrijving van „binnenof lijkkist en buitenkist" juister en zou het gebruik van bijvoorbeeld een vast formaat als criterium wat meer helderheid verschaffen. Zo zou een kistbreedte van méér dan 0,80 m en een (vaak daarmee verbonden) kuilbreedte van méér dan 1,20 m een grafkamer/buitenkist genoemd kunnen worden, terwijl alle graven die smaller zijn, gerelateerd worden aan de lijk- of binnenkist8. Grafkamers (kelders) van hout en steen De omschrijving voor een grafkamer van steen kan vanwege z'n tongewelf beter grafkelder dan grafkamer genoemd worden. Anderzijds wordt dezelfde kelder weer een steenkist als de doden er ongekist in begraven worden (afb. 6). In tegenstelling tot de houten grafkamer, waarvan de deksel het vroeg of laat toch begeeft, zal de opgraver de stenen grafkelders vaak moeten openbreken om de binnenkant en de inhoud te kunnen onderzoeken. Het is raadzaam om hierbij een mondmasker en beschermende handschoenen te dragen, aangezien bepaalde schimmels en/of bacteriën in deze grafkelders niet altijd ongevaarlijk zijn. Ook hier kan het formaat van kamers en kelders van wezenlijk belang zijn bij de interpretatie van dit soort graven. De soms gepleisterde binnenzijde van grafkelders kan religieuze of symbolische beschilderingen bevatten (afb. 7). Heuvels en greppels Zeer veel graven worden vergezeld van een grafstructuur in de vorm van een tumulus (grafterp of -heuvel) en/of de kringgreppel of kuilenkrans die daarbij hoort. Doordat deze omringende fenomenen soms vrij ondiep worden gegraven, vinden we ze lang niet altijd terug. In een tumulus kunnen we een bodemgraf en bijzettingen aantreffen. De eerstgenoemde is de oorspronkelijke begraving waar overheen het heuvellichaam is opgeworpen, terwijl de tweede soort begravingen allemaal in het heuvellichaam plaatsvinden. Zo kunnen we ook als bodemgraf
7. Beschilderd pleisterwerk met religieuze voorstelling aan de binnenzijde van een steenkist uit Aardenburg.
een „bijenkorfgraf' aantreffen. De dode wordt rechtop en gehurkt bijgezet. Het lijk wordt „beschermd" door een gevlochten korf. Hierover wordt de grafheuvel opgeworpen. Met deze structuren en een diversiteit aan andere (zoals bijvoorbeeld paalkransen, ringwallen, enz.) betreden we het gebied van het bovengrondse grafmonument. Heuvels, soms opgeworpen met aangevoerde grond (plaggen) of met grond afkomstig uit omringende greppels en kuilen, met cirkels van palen in een dichte of een ruimere zetting om de tumulus heen. Met een enkele of een dubbele rij palen die bovengronds mogelijk horizontaal met elkaar waren verbonden. Greppels die vierkant of rechthoekig verlopen, soms met de vorm van een sleutelgat of zogenaamde langbedden, ellipsvormige greppels met daarbinnen de paalsporen van dodenhuisjes, enz. Eindelijk leren we iets méér over het bovengrondse uiterlijk van graven, iets meer over de uiting van eerbied en respect voor de dode voorvaderen. 161
8. Reconstructie van een dodenhuisje in het Bargeroosterveld.
Dodenhuisjes
Sporadisch wordt een „paalzetting" bij of rond een graf aangetroffen. De ene keer zes, de andere keer vier paalgaten in een vierkant of een rechthoek om het graf. Een structuur die met redelijke zekerheid een bovengrondse markering van het graf betekent, waarbij deze palen mogelijkerwijs een dak(je) hebben gedragen. Toch zijn het deze grafstructuren die in het heetst van de opgravingsstrijd nog weieens tussen de wal en het schip willen vallen. Soms zijn de opgravingsvlakken dusdanig bioturbaat verstoord, dat dit soort sporen pas op een dieper vlak tevoorschijn komen. Daarom dient een graf dan ook altijd tot 162
ruim buiten de grafinsteek te worden verdiept. In het veengebied van het Bargeroosterveld werd een „gebouwtje" gevonden, omringd door een krans van stenen. Na reconstructie is het vermoeden geopperd dat we hier mogelijk met een dodenhuisje of een klein heiligdom hebben te maken (afb. 8). Roofkuilen De aanwezigheid van begerenswaardige grafgaven heeft in het verleden nogal eens geleid tot grafroof. De ene keer kan worden vastgesteld dat dit vrijwel direct na de teraardebestelling moet zijn gebeurd, terwijl uit andere voorbeelden duidelijk is dat het
graf in een latere periode is geplunderd. Het vaststellen van grafroof is in het algemeen vrij lastig en de roofkuil is lang niet altijd even duidelijk te herkennen. Maar als grafgaven zich op vreemde (verdwaalde) posities in het graf bevinden, kapot zijn of lijken te zijn verdwenen, moet men attent zijn. Met name voor de oorspronkelijke positie van een grafinventaris - waar weer de nodige conclusies uit kunnen worden getrokken - kan dit van groot belang zijn. Grafmonumenten Buiten alle vormen van grafheuvels en paalkransen is het zeer waarschijnlijk dat vele graven een bovengronds herkenningsteken hebben gehad, waaruit bleek dat er iemand op die plaats was begraven. Dit kunnen al dan niet bewerkte gedenkstenen zijn, maar na de invoering van het christendom ook
heel eenvoudige kruisen of uiterst rijk gedecoreerde grafzerken. Op deze latere grafmarkeringen werd veelal de naam en de geboorte- en/of overlijdensdatum van de overledene gezet, soms aangevuld met de gegevens over de huwelijkspartner of met de heraldische kwartieren van aanverwante families van de overledene. Bij het merendeel van de graven die archeologisch werden onderzocht, zal het bovengrondse gedenkteken nooit worden ontdekt, omdat dit van hout was. In een enkele uitzondering wordt soms een grafzerk of de restanten van een staand monument aangetroffen (afb. 9). Noten 1 Brengers 1962-1963, p. 590. 2 Keeley 1977 en Goodyear 1971. 3 Gersbach 1989, p. 105. 4 Verlinde 1980/1981. 5 Smits 1987. 6 Bult en Hallewas 1986, p. 33. 7 Bijvoorbeeld t.b.v. een specifieke klassificatie, zie Proos 1994. 8 Proos 1994. Literatuur Brengers, J. A., 1962-1963. A chemical method for staining planes and profiles in an archaeo-
9. Opgegraven 15e-eeuwse grafzerk uit Nijmegen.
logical excavation. Berichten van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek 12-13. Bult, E., en D. P. Hallewas (red.), 1987. Graven bij Valkenburg II. Het archeologisch onderzoek in 1986. Delft. Gersbach, E., 1989. Ausgrabungen Heute. Methoden und Techniken der Feldgrabung. Darmstadt. Goodyear, F. H., 1971. Archaeological Site Science. Keeley, H. C. M, et al, 1977. TracĂŠ element contents of human bones in various states of preservation. Journal of Archaeological Science 4, 19-24. Proos, R. H. P., 1994. Grafkuilvolume als indicator van rijkdom en status in Merovingische rijengrafvelden? In druk (N.A.R. 15). Smits, L., 1987. Een bijzondere grafkuil uit het Romeinse grafveld. In: Bult en Hallewas 1987, 85-92. Verlinde, A. D, 1980-1981. Mesolithische graven bij MariĂŤnberg. Archeologische Kroniek van Overijssel. ROB Kerkstraat 1 3811 CV Amersfoort 163
Mesolithische vondsten te Aardenburg J. Jongepier Inleiding Onder leiding van de toenmalig provinciaal archeoloog van Zeeland, J. A. Trimpe Burger, zijn in de jaren vijftig, zestig en zeventig in Aardenburg (Zeeuwsch-Vlaanderen) diverse opgravingen verricht, waarbij veel bewoningssporen en restanten uit de Romeinse tijd en de middeleeuwen werden aangetroffen. Direct onder de Romeinse cultuurlagen werden op diverse locaties echter ook vuurstenen artefacten gevonden'. Deze zijn opgeslagen in het magazijn van het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten in Middelburg. Verder is een klein gedeelte tentoongesteld in het gemeentelijk archeologisch museum in Aardenburg. In 1992 zijn de voorwerpen door de auteur
-
1950 -
-
2900 -
-
3700 -
8e eeuw ' na Chr." -
AD
v.1100 Chr. 2100 ' v. Chr.
3850 v. Chr. -
-
5000 -
8000 9000 -
niet precies
-
LAATHOLOCEEN
1250 -
MIDDEN-HOLOCEEN
-
geologische tijdsindeling
VROEGHOLOCEEN
ouderdom C14 werkelijk
Subatlanticum
Subboreaal
Atlanticum
Boreaal Praeboreaal
- 10000 -
LaatPLEISTOWeichselien CEEN /. Overzicht van de indeling van het Holoceen.
164
onderzocht, beschreven en getekend. Ze kunnen op typologische en technologische gronden hoofdzakelijk in het mesolithicum worden gedateerd, maar er zijn waarschijnlijk ook enkele neolithische stukken bij. De onderzochte artefacten zijn afkomstig van vier locaties, te weten „weide Quataert", „perceel Van der Hooft", „Oude Vlasmarkt" en „weide De Smet" (afb. 2). Bij het onderzoek is uitgegaan van de volgende vraagstellingen: a. Hoe kunnen de vindplaatsen chronologisch worden geplaatst en b. Welke economische en sociale functie kunnen de nederzettingen hebben gehad? Geologische context Het vuursteenmateriaal bevond zich boven in pleistoceen dekzand, dat in het LaatWeichselien door de wind is afgezet en geologisch gezien behoort tot de formatie van Twente. Pleistoceen zand komt behalve in de omgeving van Aardenburg ook elders in Zeeuwsch-Vlaanderen aan de oppervlakte voor, zoals in de omgeving van Hulst, Clinge en Koewacht. Ze vormen de meest noordelijke uitlopers van pleistocene afzettingen in België. Het overige gedeelte van Zeeuwsch-Vlaanderen wordt gevormd door holocene afzettingen, gelegen op het pleistocene zand. In de omgeving van Aardenburg bestaan deze holocene afzettingen uit een dunne laag Hollandveen, gevolgd door de afzettingen Duinkerke II en Illb. Door de hoge ligging van het gebied zijn de pleistocene afzettingen niet bedekt met basisveen en afzettingen van Calais2. In het Preboreaal en begin van het Boreaal lag Aardenburg een stuk verder landinwaarts dan tegenwoordig; de zuidelijke Noordzee lag nog droog3. De Aardenburgse vindplaatsen bevinden zich op een zandrug, die zich uitstrekt tot onder de stadskern van Aardenburg. Daarop liggen Romeinse en middeleeuwse ophogingslagen. Mariene afzettingen zijn op de
IN
2. Opgravingsputten. 1. Weide Quataert; 2. Perceel Van der Hooft; 3. Weide De Smet; 4. Oude Vlasmarkt.
plaatsen, waar vuursteen is gevonden, niet aanwezig, behalve in de vindplaats „Oude Vlasmarkt", waar nog kleilagen (Duinkerke II en mogelijk III) zijn aangetroffen4. Ook in laag-België bevinden de mesolithische vindplaatsen zich voornamelijk op droge zandgronden, meestal laatglaciale landduinen of zandige verhevenheden langs een rivier of beek. Vooral van de zandige as Brugge-Eeklo zijn veel vuursteencollecties afkomstig5. Vondstomstandigheden en documentatie Het mesolithische materiaal is veelal aangetroffen in en rondom brandkuilen. Waarschijnlijk zijn dit multifunctionele haardplaatsen geweest6. Vandaar dat vele vuurstenen artefacten verbrand of verhit zijn, hetgeen te zien is aan verkleuringen (rode gloed of helemaal wit door dehydratie) en/of craquelé. Ook komen veelvuldig komvormige breuken voor. Naast deze vuursteenconcentraties werd ook verspreid in de opgravingsputten vuursteen aangetroffen. De vondsten zijn door het ont-
breken van voldoende mankracht en tijd niet afzonderlijk driedimensionaal gemeten, maar direct verzameld, waarbij iedere „cluster" en losse vondst(en) een vondstnummer hebben gekregen. De niveaus waarop de eerste stukken vuursteen werden ontdekt, zijn vervolgens gedeeltelijk met de schep afgeschaafd, tot er geen vondsten meer werden gedaan. Vooral de brandkuilen en de omgeving ervan zijn afgezocht. Het is dus mogelijk, dat daarbuiten nog vuursteen aanwezig is. Er is geen zand gezeefd, waardoor er vrijwel geen zeer klein afvalmateriaal (micro-debitage) aangetroffen is. Het ontbreken van micro-debitage kan ook zijn veroorzaakt door post-depositionele processen, zoals bioturbatie of doordat de kleine splinters bij het schaven met de schep niet zijn opgemerkt. Beschrijving van de vondsten Vanwege de slechte conserveringsomstandigheden zijn alle organische resten, zoals botmateriaal, vergaan. Alleen de vuursteen en wat houtskoolstukjes zijn bewaard geble165
3. Kernen (1 of 2 slagvlakken). 1-9 Weide Quataert. 10 Perceel Van der Hooft (4 slagvlakken). 11-14 Oude Vlasmarkt (14 heeft 3 slagvlakken).
ven. Er valt dus geen uitspraak te doen over de voedseleconomie. Hetzelfde geldt voor de vegetatie: er is een pollenanalyse uitgevoerd, maar in het pollenmonster werd niets aangetroffen7. Het vuursteenmateriaal van de vier locaties is vrijwel uitsluitend ongepatineerd en bestaat uit micro-klingen en fragmenten daarvan, vele afslagen, kernen, maar ook werk166
tuigen, zoals spitsjes en schrabbers. Stekers komen sporadisch voor. De zijden van de klingetjes zijn vrij onregelmatig gevormd; deze vervaardigingswijze wordt de „Coincy style" genoemd". De kernen hebben ook vaak een onregelmatige vorm en zijn meestal volledig opgebruikt (afb. 3). Sommige hebben meer dan één slagvlak.
13
16
17
24
18
25
19
14
15
20
29
4. Spitsen. 1,3,4,6 t/m 22, 28 t/m 32 A-spitsen; 1, 3, 4, 6 t/m 20 weide Quataert; 21 en 22 perceel Van der Hooft; 28 en 29 Oude Vlasmarkt; 30 t/m 32 weide De Smet. 2 C-spits (Oude Vlasmarkt). 5 segment (weide Quataert). 23 t/m 27 spitsen met oppervlakteretouche enfeuilles de gui (Oude Vlasmarkt).
167
De spitsen bestaan in hoofdzaak uit A-spitsen (met één geretoucheerde zijkant). Ook komen onder het materiaal van de vindplaats Oude Vlasmarkt spitsen met oppervlakteretouche voor. Verder zijn er een Cspits (één geretoucheerde zijkant en geretoucheerde basis) en een segment (zie afb. 4). De afslagen en klingetjes werden soms ook als werktuig gebruikt, hetgeen blijkt uit het voorkomen van (gebruiks)retouche of een kerf (afb. 5); ze kunnen voor diverse doeleinden zijn gebruikt. Gekerfde klingen en afslagen kunnen mogelijk hebben gediend om pijlschachten rond te maken9. Uit gebruikssporenanalyse van mesolithische schrabbers is gebleken dat deze in hoofdzaak werden gebruikt voor huid-, hout- of botbewerking, waarschijnlijk afhankelijk van hoe de vorm van de geretoucheerde rand van deze werktuigen is aangebracht (afb. 6)10. Daarnaast komen ook nog grotere stukken vuursteen voor. Dit zijn voornamelijk afslagen, die mogelijk op een neolithische datering wijzen. Hieronder volgt een overzicht van de aantallen en soorten mesolithische vuurstenen voorwerpen. Tussen haakjes is het aantal verbrande artefacten vermeld. Vindplaats weide Quataert Aantal Percentage 74,09% Afslagen 386 (53) Kling(fragment)en 74 (5) 14,20% Schrabbers 1,73% 9 (0) Spitsen 3,84% 20 (1) Stekers 0,77% 4 (0) Kernen 2,69% 14 (1) Kerncorrectie-afslagen 1,15% (0) Kernpreparatie-klingen 0,19% (0) Geretoucheerde of gekerfde klingen 1,34% 7 (0) Totaal: 521 (60) 100% Vindplaats perceel Van der Hooft Aantal Percentage Afslagen 255(138) 70,24% Kling(fragment)en 85 (45) 23,42% 4 (1) Schrabbers 1,10% Spitsen 0,55% 2 (1) Stekers 0,28% 1 (0) 168
Aantal Percentage Kernen 2 (0) 0,55% Kerncorrectie-afslagen 7 (4) 1,93% Kernpreparatie-klingen 3 (1) 0,83% Geretoucheerde of gekerfde klingen 4 (0) 1,10% Totaal: 363(190) 100% Vindplaats Oude Vlasmarkt Percentage Aantal 73,49% 158 (18) Afslagen Kling(fragment)en 14,88% 32 (2) 0,93% Schrabbers 2 (0) 3,26% Spitsen 7 (0) 5,58% Kernen 12 (1) 1,39% 3 (0) Kerncorrectie-afslagen Geretoucheerde of 0,47% gekerfde klingen 1 (0) Totaal: 215 (21) 100% Vindplaats weide De Smet Percentage Aantal 79,20% Afslagen 118(70) 14,77% Kling(fragment)en 22 (14) 0,67% Schrabbers 1 (0) 2,01% Spitsen 3 (0) 0,67% Kernen 1 (0) 0,67% Gekerfde klingen 1 (0) 1,34% Kerncorrectie-afslagen 2 (0) 0,67% Kernpreparatie-klingen 1 (0) Totaal: 149 (84) 100% Grondstofvoorziening De vuursteensoorten die in Aardenburg zijn aangetroffen, zijn waarschijnlijk afkomstig uit de omgeving" en bestaan uit verschillende, voornamelijk fijnkorrelige soorten met een grijze kleur, variërend van witgrijs tot vrijwel zwart. Soms komen ook enkele lichtbruine variëteiten voor. De kernen, waarvan de klingen werden geslagen, zijn in het algemeen zeer klein. De ruwe materialen zijn mogelijk ook afkomstig uit België, bijvoorbeeld uit het gebied van Wachtebeke en St. Kruis-Winkel12, of uit de omgeving van Cadzand, waar veel gerolde vuursteen op het strand aanspoelt13. Aan de hand van sommige cortexafslagen kon namelijk worden vastgesteld dat in ieder geval gerolde vuursteenknolletjes werden gebruikt. Daarnaast zijn in de vindplaats Oude Vlas-
markt ook elf afslagjes gevonden, die vervaardigd zijn van Wommersomkwartsiet, dat voorkomt bij Wommersom in België. In vogelvlucht bedraagt de afstand Wommersom-Aardenburg ruim 110 kilometer. De geringe hoeveelheid van deze grondstof komt geheel overeen met de verspreiding ervan, zoals die is geschetst door Gendel14: vanaf het midden-mesolithicum neemt de verspreiding toe en naarmate de afstand tot de bron groter wordt, neemt de hoeveelheid sterk af. Waarschijnlijk is het in vergelijking met het jong-paleolithicum moeilijker geweest om aan een goede kwaliteit vuursteen te komen, vanwege de aanwezigheid van een vegetatiedek, dat in de koudste fasen van het Weichselien ontbrak, en door dekzandbedekking uit het laatste gedeelte van het glaciaal. Zo komen er enkele knolletjes voor, die langs natuurlijke breuklijnen zijn afgebrokkeld. De ruwe „afslagen" ervan konden eenvoudig „ge-refit" worden. Hieruit blijkt dat de kwaliteit van de vuursteen in de neder-
zetting werd uitgeprobeerd. Ook werden ruwe cortexafslagen door middel van geringe retouchering al tot een schrabber bijgewerkt (zie afb. 6, nrs. 3, 6, 8 en 9). Het veel voorkomen van verbrande vuursteen kan er misschien op wijzen dat de mesolithische mens de kwaliteit van de vuursteen door verhitting probeerde te verbeteren. Deze methode werd ook veel door sommige Noordamerikaanse indiaanse samenlevingen toegepast15. Of men dit in de Aardenburgse vindplaatsen ook heeft toegepast, valt niet te bewijzen. Met name het afvalmateriaal (afslagen en klingfragmenten) kan ook gewoon in het vuur zijn gegooid, of kan daar toevallig tijdens de bewerking terecht zijn gekomen. Bovendien zijn zeer veel fragmenten gedehydreerd en/of gecraqueleerd, waardoor ze verder niet meer geschikt waren voor bewerking. Chronologie In de loop van enkele decennia onderzoek naar het mesolithicum in de Lage Landen
5. Geretoucheerde en gekerfde klingen. 1 t/m 4 en 6 weide Quataert. 5 weide De Smet. 7 perceel Van der Hooft.
169
6. Schrobbers. 1 t/m 4,6 en 7 weide Quataert. 8 Oude Vlasmarkt. 5 en 9 perceel Van der Hooft. 10 weide De Smet.
zijn er verschillende typologische schema's opgesteld, zoals door Newell16, Rozoy17 en Arts18. Voor Nederland en Noord-BelgiĂŤ zijn met name de schema's van Newell en Arts van belang, waarin de mesolithische werktuigen, 170
gekoppeld aan vele C14-dateringen, chronologisch zijn geordend. Typochronologisch gezien zijn vooral de spitsen een belangrijke informatiebron; van de geretoucheerde werktuigen vormen de spitsen namelijk het artefacttype dat het snelst aan veranderingen
in de tijd onderhevig is". Hoewel het bij dit onderzoek niet de eerste opzet is uitgebreid in te gaan op de diverse typologieën, kunnen toch enkele pogingen worden ondernomen het materiaal van Aardenburg chronologisch in te delen. Daarbij kunnen de schema's van Newell en Arts als leidraad dienen, omdat in de eerste plaats stratigrafisch en geologisch bewijs voor een relatieve datering ontbreekt en in de tweede plaats geen C14-dateringen voorhanden zijn. Newell onderscheidt een basaal-, vroeg-, Boreaal- en laat-mesolithicum, gevolgd door een laat-mesolithische overlevering, waarin vrijwel alle mesolithische artefacttypen vertegenwoordigd kunnen zijn. Vooral in het vroeg-mesolithicum komen A-spitsen voor. Arts heeft het schema van Newell enigszins herzien en onderscheidt slechts drie mesolithische fasen (4, 5 en 6; de fasen 1, 2 en 3 behoren tot het jong-paleolithicum). Fase 4 is het vroeg-mesolithicum (10.000-8.700 B.P.), fase 5 het midden-mesolithicum (8.700-6.700 B.P.) en fase 6 het laat-mesolithicum (6.700-6.000 B.P.). Een belangrijke innovatie in fase 5 is oppervlakteretouche; in fase 6 verschijnen de verschillende trapeziumvormige werktuigen. Gendel stelt een vergelijkbaar schema voor, alleen de chronologische begrenzing van de fasen is afwijkend20. Vermeersch onderscheidt voor België slechts een vroeg- en een laat-mesolithicum, waarbij hij uitgaat van respectievelijk de af- of aanwezigheid van trapezia. De scheiding ligt rond 8.000 B.P.21. Volgens de schema's kan het materiaal van de vindplaatsen weide Quataert, weide De Smet en perceel Van der Hooft worden ingedeeld in het vroeg-mesolithicum (Preboreaal). Spitsen met oppervlakteretouche komen daar immers niet voor, evenmin als trapezia. Bovendien is de „Coincy style" van de klingetjes kenmerkend voor de vroegere fasen van het mesolithicum22. Het materiaal van de vindplaats Oude Vlasmarkt zal uit het midden-mesolithicum (Boreaal) dateren, vanwege de aanwezigheid van driehoeken met oppervlakteretouche en maretakspitsen (feuilles de gui), het voorko-
men van Wommersomkwartsiet en de afwezigheid van trapezia, die, zoals gezegd, voornamelijk in het laat-mesolithicum verschijnen. Ook door Gendel worden de spitsen met oppervlakteretouche ingedeeld in het midden-mesolithicum. Hij maakt daarbij wel de kanttekening, dat ze misschien ook al in het vroeg-mesolithicum voorkomen23. Ruimtelijke analyse Doordat de vondsten niet driedimensionaal zijn ingemeten en de vindplaatsen waarschijnlijk niet geheel zijn opgegraven, is een nauwkeurige ruimtelijke analyse van de nederzettingsterreinen helaas niet mogelijk. Van de vindplaatsen weide De Smet en perceel Van der Hooft zijn naast enkele losse vondsten slechts twee grotere clusters bekend, terwijl de opgraving van de vindplaats Oude Vlasmarkt van geringere omvang was. Wel konden de meeste clusters van de vindplaats weide Quataert worden ingetekend (afb. 7). Dit leidt echter niet tot een duidelijk beeld. Hooguit kunnen enkele activi-
7. Verspreidingskaart van de vondsten van de locatie weide Quataert. (x = 19.632; y = 366.538). 171
teitsgebieden worden onderscheiden. Daarnaast is een poging gedaan de afzonderlijke artefacttypen te traceren en na te gaan of inderdaad bepaalde activiteitsgebieden kunnen worden herkend. Hieruit blijkt echter, dat er geen duidelijk afgebakende activiteitslocaties zijn, bijvoorbeeld waar veel schrabbers in gebruik zijn geweest. Schrabbers komen namelijk verspreid over de nederzettingsterreinen voor. Hetzelfde geldt voor alle andere geretoucheerde artefacttypen, inclusief de kernen. Ook kan geen ruimtelijke associatie tussen de verschillende artefacttypen worden waargenomen. Volgens Whallon zou dit wel het geval moeten zijn24. Hij meent dat kan worden aangenomen dat menselijke activiteiten op verschillende plaatsen binnen een nederzetting gelocaliseerd waren. Daarom zouden in die activiteitsgebieden verschillende combinaties van werktuigen zijn gebruikt, waarvan in ieder geval een gedeelte op een bepaalde plek achtergelaten moet zijn. Deze stelling blijkt echter niet altijd juist te zijn. Ook te Havelte in Drenthe (mesolithische opgravingen uit de jaren zeventig), waar een uitgebreide ruimtelijke analyse van de nederzettingsterreinen is uitgevoerd, bleek geen enkele associatie tussen de artefacttypen waarneembaar. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het functionele aspect van de werktuigen. Studies van gebruikssporen op vuursteen, experimenteel gebruik van werktuigen en etnografische vergelijkingen wijzen erop dat één bepaald werktuigtype vaak verschillende functies heeft gehad. Een vormtype hoeft dus geen vaststaand doel te hebben gediend. Het materiaal van Aardenburg is op bovengenoemde studies (nog) niet onderzocht, zodat ook in dit geval het ontbreken van enige ruimtelijke associatie een logische constatering is. Daarnaast dient ook rekening te worden gehouden met reeds eerder genoemde post-depositionele processen, waardoor het materiaal mogelijk niet meer in primaire context werd aangetroffen. Nederzettingstypologie Newell heeft een indeling gemaakt in de nederzettingstypen A, B en C, gebaseerd op 172
een aantal artefacten en de vorm en oppervlakte, waarover ze liggen verspreid25: Bij type A varieert het aantal geretoucheerde werktuigen van 153 tot 400; dit nederzettingstype bezit een trapezoïdale vorm en de omvang is gemiddeld 24,2 x 19,4 m. Type B heeft 34-40 geretoucheerde werktuigen, is ovaal van vorm en heeft een omvang van gemiddeld 8,3 x 4,2 m. Type C heeft 6-37 geretoucheerde werktuigen, is rond van vorm en heeft een omvang van gemiddeld 3,4 x 2,4 m. Dit type komt voor als één enkele concentratie, een dubbele concentratie met een haard in het midden of als drievoudige concentratie. Daarnaast onderscheidt hij nog een type D, dat overeenkomt met grote basiskampen uit het eind van het mesolithicum; dit type kan wat Aardenburg betreft verder buiten beschouwing worden gelaten. Er hangen nogal wat problemen samen met de indeling van de Aardenburgse vindplaatsen in één van de drie bovengenoemde nederzettingstypen. Bijvoorbeeld: a. Hoeveel vuursteenmateriaal is verloren gegaan ten gevolge van post-depositionele processen? b. Buiten de opgravingsputten (en ook nog daarbinnen) kan nog een gedeelte van het vuursteenassemblage aanwezig zijn. Een complete vondstspreiding is dus niet aangetroffen. c. De locaties kunnen meerdere malen bezocht zijn door één enkele groep. Dit kan een gedeelte zijn van een bepaalde groep in de regio gedurende enkele jaren, met de bedoeling om specifieke activiteiten te verrichten, maar ook door de gehele groep enkele keren per jaar, afhankelijk van de economische mogelijkheden binnen het gebied. In het laatste geval is er sprake van nederzettingstype A, waarbij het basiskamp soms werd verplaatst, maar men toch voor een lange periode van het jaar op één plaats verbleef. In zo'n basiskamp werden alle activiteiten verricht die nodig waren om de groep te onderhouden. De locaties van seizoenkampen werden bepaald door de verwachte aanwezigheid van geclusterde voedselbronnen en een geschikte strategische plaats.
Gezien de verschillende aanwezige haarden (niet alle haarden hoeven gelijktijdig te zijn geweest), het aantal en de samenstelling van de geretoucheerde werktuigen en het aantal kernen kan de vindplaats weide Quataert ondanks de bovengenoemde problemen als een type B worden aangemerkt, terwijl de vindplaatsen perceel Van der Hooft, weide De Smet en Oude Vlasmarkt als typen C kunnen worden beschouwd. Beide nederzettingstypen zijn zogenaamde extractiekampen, waarin specifieke activiteiten binnen een territorium door een deel van de groep werden verricht. Gezien de samenstelling van het werktuigenassemblage, zullen het kleine jachtkampjes zijn geweest. De opbrengst was bestemd voor de gehele groep. Een andere mogelijkheid is, dat de vroegmesolithische vondstcomplexen van weide Quataert, perceel Van der Hooft en weide De Smet bij elkaar horen, omdat de afstand tussen deze vondstcomplexen niet groot is (afb. 2). In dat geval zal er toch nog geen sprake zijn van een basiskamp (type A), maar van één type B. Sociale organisatie Hoe is een mesolithische jagers/verzamelaarsgroep sociaal georganiseerd geweest? Deze vraag houdt vele onderzoekers bezig26. Enkele individuele vondstcomplexen, zoals die van Aardenburg, kunnen daarover niet voldoende informatie verschaffen, zodat van theoretische en demografische modellen gebruik zal moeten worden gemaakt. Newell noemt enkele onderzoekers, die aan de hand van etnografische analogieën hebben geschat hoe groot een groep minimaal geweest moet zijn om het economisch systeem in stand te houden en komen daarbij uit op ca. 20-25 personen per groep27. Volgens Constandse-Westermann en Newell is dat getal voor groepen op „band"niveau het absolute geobserveerde minimum, gebaseerd op studies van Noordamerikaan se indianen, die onder vergelijkbare condities leven als de Westeuropese mesolithische populaties28 (een band is een term die gebruikt wordt om een in een bepaald territorium rondtrekkende groep van jagers-verzamelaars aan te duiden29, waarbinnen nog geen
gelaagdheid in de sociale structuur aanwezig is). Soms kan - afhankelijk van het seizoen - de omvang van een groep gevarieerd hebben. De meeste onderzoekers zijn het erover eens dat de gemeenschappen in het vroeg- en midden-mesolithicum bestonden uit enkele kerngezinnen, dat ze waren georganiseerd op bandniveau en dat ze werden gekenmerkt door exogamie. Ook Constandse-Westermann en Newell komen tot deze conclusie, na hun onderzoek van de Noordamerikaanse Indianen, waarbij endogamie bij een groepsgrootte van gemiddeld zo'n 300 individuen niet mogelijk bleek te zijn30. In het vroeg-mesolithicum waren vanwege een vrij geringe bevolkingsdichtheid de nederzettingen klein, hetgeen een sociale organisatie met nog betrekkelijk weinig interactie tot gevolg had31. Dit beeld kan ook van toepassing zijn op de vroeg-mesolithische vindplaatsen in Aardenburg. Vanaf het midden-mesolithicum wordt het sociale systeem complexer, vooral vanwege een grotere bevolkingsdichtheid. Ook de omvang van de territoria nam af, hetgeen betere mogelijkheden inhield voor sociale interactie, zoals een regionaal uitwisselingssysteem van bijvoorbeeld exotische materialen of informatie omtrent de sociale en ecologische omgeving. Archeologische gegevens van veel mesolithische vondstcomplexen uit Noord-Brabant, Limburg en de Belgische Kempen wijzen erop, dat vooral vanaf het midden-mesolithicum de uitwisseling toeneemt32. Een voorbeeld daarvan is Wommersomkwartsiet, dat, hoewel in een zeer kleine hoeveelheid, volgens deze strategie in de nederzetting van de vindplaats Oude Vlasmarkt terecht kan zijn gekomen. Samenvatting Op de zandrug waarop tegenwoordig Aardenburg ligt, zijn in het vroeg- en middenmesolithicum enkele jachtkampementen geweest voor een korte duur, waarbinnen door een gedeelte van een groep op bandniveau specifieke activiteiten werden verricht ten behoeve van de gehele groep. De vuursteenassemblages zijn vrij homogeen van samenstelling. 173
Door dit onderzoek zijn vier nieuwe mesolithische vondstcomplexen toegevoegd aan een regio, waarin in vergelijking tot bijvoorbeeld NoĂśrd-BelgiĂŤ33 en Noord-Brabant nog niet veel onderzoek naar het mesolithicum is verricht. Dat er meer mesolithische bewoning heeft plaatsgevonden, kan worden afgeleid uit de diverse oppervlaktevondsten in de omgeving van Aardenburg, zoals op de pleistocene zandruggen bij Heille en St. Kruis34. Ook in Oost-Zeeuwsch-Vlaanderen zijn diverse mesolithische vondsten gedaan, zoals in Nieuw-Namen35 en Koewacht36. Toekomstig onderzoek zou daarom zeker meer licht kunnen werpen op het mesolithicum in Zeeuwsch-Vlaanderen37. Dankwoord De auteur wil de volgende personen bedanken voor hun medewerking of hulpvaardigheid bij de totstandkoming van dit artikel: J. A. Trimpe Burger, B. Oele, R. M. van Heeringen, H. Hendrikse, J. J. B. Kuipers (allen werkzaam in het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten te Middelburg) en J. Kolen (Stichting Regionaal Archeologisch Archiverings Project te Amsterdam). Noten 1 Trimpe Burger 1961 2 VanRummelen 1965. 3 Zagwijn 1986, p. 30, fig. 25 en 26. 4 Pers. mededeling J. A. Trimpe Burger 1993. 5 Vermeersch 1984, p. 183. 6 Groenendijk en Smit 1990, p. 219. 7 Pers. mededeling J. A. Trimpe Burger 1992. 8 Onder meer Gendel 1984, p. 26. 9 Beuker 1983, p. 107. 10 Dumont 1987, p. 82. 11 Pers. mededeling J. A. Trimpe Burger 1992. 12 Vanmoerkerke 1982, p. 58. 13 Veerman 1977, p. 167. 14 Gendel 1984. 15 Beuker 1983, p. 26. 16 Newell 1975. 17 Rozoy 1978. 18 Arts 1989. 19 Price 1987, p. 234. 20 Gendel 1984. 21 Vermeersch 1984, p. 185. 22 Gendel 1984, p. 26. 23 Gendel 1984, p. 111. 24 Whallon 1978, p. 28. 25 Newell 1973. 174
26 Onder meer Newell 1973, 1975; Gendel 1984; Arts 1989; Constandse-Westermann en Newell 1989. 27 Howell, Hayden; in: Newell 1973, p. 405. 28 Constandse-Westermann en Newell 1989, p. 111. 29 Cf. Kloos 1981, p. 238. 30 Constandse-Westermann en Newell 1989, p. 112. 31 Arts 1989, p. 308. 32 Arts 1989, p. 306. 33 Onder meer Vermeersch 1982. 34 De oppervlaktevondsten zijn verzameld door J. A. Trimpe Burger en M. Kegel in de jaren vijftig en zestig en bevinden zich in het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten te Middelburg. 35 Van Heeringen 1986, 1990. 36 Particuliere collectie; pers. mededeling J. A. Trimpe Burger. 37 Alle tekeningen zijn gemaakt door J. Jongepier, behalve afbeelding 1 (B. Oele, ROB), de nrs. 13 t/m 20 en 23 t/m 27 van afbeelding 3 en nr. 7 van afbeelding 4 (W. Bos, ROB). Literatuur Arts, N., 1989. Archaeology, Environment and the Social Evolution of later Band Societies in a Lowland Area. In: C. Bonsall (ed.), The Mesolithic in Europe. (Papers presented at the third international symposium, Edinburgh 1985). Edinburgh, 291-313. Beuker, J. R., 1983. Vakmanschap in vuursteen. Assen. Constandse-Westermann, T. S., en R. R. Newell, 1989. Social and Biological Aspects of the Western European Mesolithic Population Structure; a Comparison with the Demography of North American Indians. In: C. Bonsall (ed.), The Mesolithic in Europe. (Papers presented at the third international symposium, Edinburgh 1985). Edinburgh, 106-116. Dumont, J. V., 1987. Mesolithic Microwear Research in Northwest Europe. In: P. RowleyConwy, M. Zvelebil en H. P. Blankholm (eds.), Mesolithic Northwest Europe: Recent trends. Huddersfield, 82-89. Gendel, P. A., 1984. Mesolithic Social Territories in North-western Europe. British Archaeological Repons (International Series) 218. Oxford. Groenendijk, H., und J. Smit, 1990. Mesolithische Herdstellen: Erfahrungen eines Brennversuchs. In: Archeologische lnformationen 13 Heft 2. Bonn, 213-221. Heeringen, R. M. van, 1986. Steentijdvondsten op de Kauter in Nieuw-Namen. Grondboor en Hamer 40 nr. 3/4, 72-75.
Heeringen, R. M. van, 1991. Rapport betreffende de resultaten van het archeologisch onderzoek door de werkgroep archeologie van de oudheidkundige kring „De Vier Ambachten" aan de Bakkersdijk te Nieuw-Namen in 1990. Bulletin van de Oudheidkundige Kring „De Vier Ambachten" 10, 9-11. Kloos, P., 1981. Culturele antropologie. Assen. Newell, R. R., 1973. The Post-Glacial adaptations of the indigenous population of the Northwest European Plain. In: S. K. Kozlowski (ed.), The Mesolithic in Europe. Warzaw, University Press, 399-440. Newell, R. R., 1975. Mesolithicum. In: G. J. Verwers (red.), Noord-Brabant in Pre- en Protohistorie. Oosterhout, 39-54. Price, T. D., 1987. The Mesolithic of Western Europe. Journal of World Prehistory, 1, no. 3, 225-305. Rozoy, J.-G., 1978. Les derniers chasseurs. L'Epipaléolithique en France et en Belgique. Charleville. Rummelen, F. F. F. E. van, 1965. Toelichting Geologische Kaart van Nederland. 1 : 50.000, bladen Zeeuw sch-V laander en West en Oost. Haarlem. Trimpe Burger, J. A., 1961. Beknopt overzicht van het oudheidkundig bodemonderzoek in het deltagebied. Berichten van de Rijksdienst
voor het Oudheidkundig
Bodemonderzoek
10-11,195-209. Vanmoerkerke, J., 1982. Het mesolithicum te Mendonk. Gent. Veerman, J. P., 1977. Gerolde vuursteen, goede grondstof voor prehistorisch gereedschap. Enkele nieuwe vondsten van Cadzand-strand. Westerheem 26 no. 4, 167-171. Vermeersch, P. M. (ed.), 1982. Contributions to the Study of the Mesolithic of the Belgian Lowland (Studia Praehistorica Belgica, 1). Tervuren. Vermeersch, P. M., 1984. Du Paléolithique final au mésolithique dans 1e Nord de la Belgique. In: D. Cahen et P. Haesaerts (eds.), Peuples chasseurs de la Belgique Préhistorique dans leur cadre naturel. Bruxelles, Institut royal des sciences naturelles de Belgique, 181-193. Whallon, R., 1978. The spatial analysis of Mesolithic occupation floors: a reappraisal. In: P. Mellars (ed), The Early Postglacial Settlement of Northern Europe. An Ecological Perspective. London, 27-35. Zagwijn, W. H., 1986. Nederland in het Holoceen. 's-Gravenhage. Kloosterstraat 9 4361 AL Westkapelle
175
Denarii op drift P. A. M. Beliën Naast vele honderden los gevonden munten, is er bij de opgraving van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemondezoek (ROB) op het Kops Plateau in Nijmegen in 1992 ook een muntschat gevonden. Op het Plateau wordt sinds 1986 door de ROB onderzoek gedaan naar de Romeinse legerkampen die hier tussen ca. 12 v.Chr. en 70 n.Chr. geweest zijn. De schatvondst die vorig jaar gevonden is, bestaat uit 86 denarii, die verspreid over enkele vierkante meters van het opgravingsterrein werden aangetroffen en zich voor een klein deel nog in een aardewerken potje bevonden'. Deze vondst illustreert op treffende wijze dat Romeinse munten zeer lang in omloop konden blijven. De oudste munt van deze muntschat, tevens de oudste bekende Romeinse munt die in Nederland gevonden is, kan namelijk gedateerd worden tussen 211 en 208 v.Chr. en de
1. Anonieme denarius, 211-208 v.Chr. onbekende muntplaats in Italië, vz.: kop Roma, kz.: de twee Dioscuren te paard13.
sluitmunt is een denarius van Tiberius, geslagen tussen 16 en 21 n.Chr. De schat bevat dus munten die over een periode van zo'n 230 jaar geslagen zijn! De onderstaande tabel geeft een idee van de verdeling van de munten over deze tijdspanne. De indeling in periodes is op de volgende wijze tot stand gekomen: voor het grootste deel, van periode II tot en met periode VI, is in navolging van Van Es gekozen voor een lengte van tijdvakken van twintig jaar2. Voor periode I, beginnend in 211 v.Chr., is een langere tijd gekozen (67 jaar), daar er maar weinig munten waren die in deze periode zouden zijn 176
onder te brengen. Periodes VIII en IX zijn de regeringsperiodes van de keizers Augustus en Tiberius. Voor periode VII bleef na deze indeling nog een lengte van zeventien jaar over.
periode
I II III IV V VI VII VIII IX
aantal percentage munten
211 v.Chr.-145 v.Chr. 2 2,3% 144 v.Chr.-125 v.Chr. 3 3,5% 124 v.Chr.-105 v.Chr. 5 5,8% 104 v.Chr.- 85 v.Chr. 2 2,3% 84 v.Chr.- 65 v.Chr. 15 17,4% 64 v.Chr.- 45 v.Chr. 16 18,6% 44 v.Chr.- 28 v.Chr. 20 23,3% 27 v.Chr.- 14 n.Chr. 20 23,3% 3 3,5% 14 n.Chr.- 37 n.Chr. 86
100%
De meeste denarii zijn in een redelijk goede staat bewaard gebleven, waarbij moet worden aangetekend dat de jongste munten, zoals verwacht kon worden, minder sporen van slijtage vertonen dan de oudere munten. De oudste denarius van de schatvondst is, zoals reeds vermeld, geslagen tussen 211 en 208 v.Chr. Dit is zeer vroeg voor een denarius in een schatvondst met een sluitmunt uit de tijd van Tiberius. Deze oudste munt is dan ook wegens zijn lange circulatieduur meer gesleten dan de andere munten van de vondst. De op één na oudste denarius is aangemunt in 146 v.Chr. Er zit derhalve een pe-
2. Q. Titius, 90 v.Chr. geslagen in Rome, vz.: bebaarde kop met gevleugeld diadeem, kz.: Pegasus.
laatste keizer nog niet in grote aantallen in onze streken circuleerden op het moment dat de schat in de bodem van het Kops Plateau verdween.
3. Caesar, 47-46 v.Chr. geslagen in Afrika, vz.: kop Venus, kz.: Aeneas, vluchtend uit Troje, met beeldje van Athena en zijn vader Anchises op de schouder. 6. Tiberius, 15-16 n.Chr. geslagen in Lyon, vz.: kop Tiberius, kz.: Tiberius in vierspan.
riode van meer dan zestig jaar tussen de oudste munt en de munt die hier het eerst op volgt. De schatvondst uit Nijmegen voldoet goed aan het beeld dat schatvondsten uit de vroege eerste eeuw n.Chr. in het algemeen vertonen. Naar verhouding komen de meeste
4. P. Clodius M.f., 42 v.Chr. geslagen in Rome, vz.: kop Apollo, daarachter zijn lier, kz.: Diana, staande tussen twee toortsen.
munten uit periode VIL De denarii uit deze tijd zijn voor het overgrote deel legioensdenarii van Marcus Antonius, geslagen in 32 en 31 v.Chr., zo'n 50 jaar voor de sluitdatum van de schatvondst. Van Augustus (periode VIII) zijn veel munten in de schat te vinden, maar van Tiberius (periode IX) niet. Dit is te verklaren doordat de munten van deze
5. Augustus, 15-10 v.Chr. geslagen in Lyon, vz.: kop Augustus, kz.: Apollo met lier, deze munt is geslagen om de zeeslag bij Actium te herdenken: hier versloeg Augustus in 31 v.Chr. de vloot van Marcus Antonius en Cleopatra.
De jongste munt is een denarius van Tiberius, geslagen in Lyon tussen 16 en 21 n.Chr. Het lijkt, gezien de structuur van de muntschat, aannemelijk dat deze niet lang hierna verborgen is, misschien al tijdens de regering van Tiberius en waarschijnlijk niet later dan de heerschappij van Claudius (41-54 n.Chr.). Dit is heel goed mogelijk, aangezien de denarius van Tiberius in vergelijking met de andere munten van de schatvondst weinig sporen van slijtage vertoont, daar deze korter heeft gecirculeerd dan de rest van de munten. Bovendien is de muntschat ontdekt in een deel van de opgraving waar munten gevonden werden die voor het grootste deel uit de tijd van Augustus afkomstig zijn en praktisch allemaal niet later te dateren waren dan 41-54 n.Chr. Deze muntschat, gevonden in Nijmegen, lijkt qua samenstelling veel op twee vondsten uit Overijssel en Friesland, te weten de muntschatten van Onna en Fyns (Feins). Deze zijn gevonden in de vorige eeuw, bestrijken ruwweg dezelfde periode en hebben ongeveer eenzelfde sluitdatum. Het grootste deel van de vondst van Onna is ontdekt in maart van het jaar 1884 en bestaat uit 237 denarii3. In 1886 zijn op het terrein waar de schat gevonden werd, nog meer denarii ontdekt. Daar het echter allerminst zeker is dat deze later gevonden munten bij de schatvondst horen, zijn ze niet meegenomen in de hierna volgende analyse. Twee denarii van de vondst van 1884 zijn in een dusdanige staat bewaard gebleven, dat ze niet meer te determineren waren. Deze twee munten 177
zijn evenmin meegeteld bij de verdere bewerking van de vondst. Het totale aantal munten dat bruikbaar is voor dit kleine onderzoek, komt zo op 235. De oudste munt van Onna is een denarius, geslagen in 155 v.Chr. De sluitmunt is er ĂŠĂŠn van Tiberius, geslagen in Lyon tussen 14 en 37 n.Chr. De vondst van Fyns is gedaan in september 1880 en bestaat uit 59 denarii en fragmenten hiervan4. Drie fragmenten waren zo slecht, dat ze niet meer toegeschreven konden worden aan een muntmeester of keizer5. Het totaal aantal munten dat meegenomen kan worden in het onderzoek naar deze schatvondst, komt hiermee op 56. De oudste munt is gemaakt in 121 v.Chr. en de jongste munt is, evenals bij Onna, een denarius van Tiberius, geslagen tussen 14 en 37 n.Chr. Een goed beeld van de muntschatten is te krijgen met behulp van drie histogrammen. Allereerst zijn de twee vondsten uit NoordNederland ingedeeld in dezelfde negen periodes (I t/m IX) als de vondst van Nijmegen en zijn de aantallen munten per periode geteld. Om te zorgen voor uniformiteit in de weergave van de grafieken, teneinde de verschillende periodes en de drie schatvondsten naast elkaar te kunnen zetten, is gebruik gemaakt van de formule: aantal munten per periode 1000 x lengte van de periode totaal aantal munten Door het linker deel van de formule te gebruiken, wordt rekening gehouden met het feit dat de lengtes van de negen periodes niet altijd eender zijn. Door de formule toe te passen, kunnen deze nu onderling vergeleken worden. Het rechter deel maakt het mogelijk de muntschatten, die ieder een verschillend aantal munten hebben, onderling met elkaar te vergelijken. Het getal 1000 is om praktische redenen gekozen om op deze manier niet al te kleine getallen als uitkomst van deze breuk te krijgen6. Het uiteindelijke resultaat is weergegeven in de afbeeldingen 7 t/m 9. Hier is te zien dat uit de drie oudste periodes, zoals te verwachten was, de minste munten komen. De munten uit de tweede eeuw v.Chr. zullen namelijk voor het grootste deel uit de circulatie verdwenen zijn aan het begin van de 178
Nijmegen 18 -;
18-1
ÂŤI 12 10
VI
VII
VIII IX poriodw
7. Staafdiagram Nijmegen. Op de horizontale as de periodes l t/m IX. Op de verticale as de relatieve aantallen munten, verkregen met behulp van de formule: aantal munten per periode lengte van de periode
1000 totaal aantal munten
Fyns
VIII IX periodes
8. Staafdiagram Fyns.
eerste eeuw n.Chr. Moeilijk te verklaren is de piek bij Onna voor periode IV. Dezelfde periode laat voor Nijmegen een kleine daling zien. Gedurende de periodes V t/m VII stijgen de aantallen munten voor alle drie de schatvondsten geleidelijk. Van Augustus (periode VIII) worden vervolgens relatief veel minder munten gevonden. Het patroon in Onna wijkt voor deze periode af van de twee andere vondsten. Hier vinden we namelijk in vergelijking met de andere periodes veel minder munten van Augustus dan
Onna 14 12 10 « t 4 2
I
II
III
IV
V
VI
VII
VIII IX periodes
9. Staafdiagram Onna.
verwacht kon worden. De daling zet zich, wat het aantal munten van Tiberius betreft, bij Nijmegen en Fyns voort (periode IX). Dat er bij de vondst van Onna relatief meer munten van Tiberius zijn dan van Augustus, komt door het betrekkelijk lage aantal augusteïsche munten. Samenvattend kan gezegd worden dat de schatvondsten van Nijmegen en Fyns, wat de samenstelling betreft, goede overeenkomsten vertonen. Onna past wel in het patroon, maar vertoont geheel eigen karakteristieken, o.a. het relatief grote aantal munten in periode IV en het betrekkelijk lage aantal augusteïsche munten (periode VIII). De drie schatvondsten vertonen nog een andere gelijkenis. Het betreft hier de zogenaamde bankiersmerkjes. Op veel van de munten uit Nijmegen (63 van de 86 denarii) komen merktekentjes voor. Wat de precieze betekenis is van deze tekentjes, is niet geheel duidelijk en is nog steeds stof voor veel discussie. Eén verklaring zou kunnen zijn, dat ze werden aangebracht door particulieren om te testen of de zilveren munten geen koperen kern hadden, iets wat af en toe nog weieens voorkwam. Een andere mogelijkheid is, dat de tekentjes op de munten zijn gezet door bankiers of geldwisselaars, die de munten op deze manier van hun persoonlijk merkteken voorzagen en tegelijk de denarii konden toetsen op echtheid. Het is ook denkbaar dat beide theorieën juist zijn. Veel
van de tekentjes zijn namelijk niet meer dan een klein streepje (zie bijvoorbeeld de voorzijde van de munt in afb. 3), het is dus nauwelijks voor te stellen dat deze simpele streepjes hebben gediend als het persoonlijke merkteken van een bankier. Aan de andere kant bestaan er ook vele tekentjes die wel een zeer specifieke vorm hebben, bijvoorbeeld een combinatie van letters. Deze zouden heel goed als persoonlijke merktekens kunnen hebben gefunctioneerd. Veel van de merkjes die op de munten van de schatvondst uit Nijmegen te vinden zijn, hebben dezelfde vorm als de merkjes die voorkomen op de munten uit Onna en Fyns. Volgens Van Es zijn de vondsten van Onna en Fyns te associëren met de activiteiten van Romeinse legioenen in het noorden van Nederland7. Aangezien er toen nog geen handel op grote schaal werd gedreven, kan dit zeker de verklaring zijn voor de aanwezigheid van Romeinse munten in dit gebied in deze vroege periode8. Hierover zegt Van Es: „Alles wijst erop dat in de vroegste periode het verband tussen muntvondsten en de aanwezigheid van Romeinse troepen zeer groot was"9. Nijmegen is vanaf ca. 12 v.Chr. door Drusus als uitvalsbasis voor campagnes in Germanië gebruikt. De Romeinen hadden toen nog het voornemen geheel Germanië tot aan de Elbe te veroveren. Vanwege haar gunstige ligging was Nijmegen het beginpunt van een invalsroute die liep via het Flevomeer richting de Friese kust10. Het gegeven dat Romeinse legioensoldaten vanuit Nijmegen richting Friesland vertrokken, is misschien de verklaring voor het feit dat de schatvondst uit Nijmegen zoveel overeenkomsten vertoont met de twee schatvondsten uit Noord-Nederland. Wellicht kwamen alle denarii van de drie schatvondsten uit de kas die ooit in één van de legerkampen op het Kops Plateau moet hebben gestaan en waar het geld in zat waarmee de Romeinse soldaten werden betaald. Het voorkomen van dezelfde bankiersmerkjes op de munten van Nijmegen, Onna en Fyns lijkt deze veronderstelling te steunen. Na bestudering van de drie verschillende vondsten blijken deze een aantal treffende overeenkomsten te vertonen. In eerste in179
stantie zou men dit niet verwachten bij deze toch ver van elkaar gevonden muntschatten. Een mogelijke verklaring wordt gevonden in de campagnes van de Romeinse legioenen, die plaatsvonden vanuit Nijmegen. Wanneer we de vondsten van Onna en Fyns, zoals betoogd, inderdaad in verband kunnen brengen met de activiteiten van Romeinse soldaten in Noord-Nederland, dan is dit een bevestiging van het idee dat deze twee schatvondsten vóór het jaar 47 n.Chr. verborgen zijn, aangezien Claudius in dit jaar besloot alle Romeinse troepen ten zuiden van de Rijn terug te trekken". Daar de schatvondst van Nijmegen zoveel lijkt op die van Onna en Fyns, is een datum van verbergen voor 47 n.Chr. ook hier waarschijnlijk. Dit wordt nog ondersteund door het hierboven reeds aangehaalde feit dat de schatvondst deel uitmaakte van een partij munten die vrijwel zonder uitzondering niet later te dateren zijn dan de tijd van Claudius (41-54 n.Chr.)12. Noten 1 Dit artikel zal gevolgd worden door een uitvoeriger publikatie, waarin alle munten en het potje beschreven zullen worden. 2 Van Es 1960, 19. 3 Dirks 1886, 3-55; Van Es 1960, 73-81. 4 Dirks 1886, 57-69; Van Es 1960, 82-83; voor een geheel nieuwe bewerking van deze
180
5 6 7 8 9 10 11 12 13
vondst zie Van der Vin 1992, no. 86, Fyns 1-59. Van der Vin 1992, no. 86, Fyns. Voor deze formule zie Casey 1974, 41-43. Van Es 1960, 29-33. Zie Van Es 1960, 31; hij baseert zich hier op Boeles 1951. Van Es 1960, 30. Willems 1990, 14. Zie ook Van Es 1960, 33. Met dank aan J. P. A. van der Vin (Koninklijk Penningkabinet, Leiden) voor zijn adviezen. Afb. 1 t/m 6: foto's Rijksmuseum hel: Koninklijk Penningkabinet, Leiden.
Literatuur Boeles, P. C. J. A., 19511 Friesland tot de elfde eeuw. 's-Gravenhage. Casey, J., 1974. The interpretation of RomanoBritish site finds, British Archaeological Repons 4,37-51. Dirks, J., 1886. De vondsten van Onna en Feins, De Vrije Fries 16,313-385. Es, W. A. van, 1960. De Romeinse muntvondsten uit de drie noordelijke provincies, een periodisering der relaties. Groningen. Willems, W. J. H., 1990. Romeins Nijmegen, vier eeuwen stad en centrum aan de Waal. Utrecht. Vin, J. P. A. van der, 1992. Die Fundmünzen der römischen Zeit in den Niederlanden. Berlin. Troelstralaan 35-c 2104 VM Heemstede
Kort archeologisch nieuws Ijzertijd in Hoeksche Waard Medewerkers van de Stichting Oudheidkundig Bodemonderzoek in de Hoeksche Waard hebben ter hoogte van Strijen en Binnenmaas sporen gevonden van twee nederzettingen van 400 tot 300 voor Christus. Nabij de Groeneweg werd over een lengte van veertig meter een dik pakket scherven, verbrande botten, houtskool en hutteleem aangetroffen. Ook vond men een haardplaats. Volgens de voorzitter van de Stichting SOB, J. van den Bosch, zijn bij Strijen nooit eerder zulke vondsten gedaan. Een tweede nederzetting werd aangetroffen bij Binnenmaas. Ook hier vond men veel scherfmateriaal. Bijzonder is een stuk aardewerk dat voor meer dan 75 procent intact is. Het zou hier gaan om een bouwoffer. „Die pot werd vroeger onder de vloer van een nieuw huis geplaatst om daarmee de goden gunstig te stemmen", aldus Van den Bosch. Reformatorisch Dagblad 3 mei 1994
venwoning aan de Hinthamerstraat 90 in Den Bosch hebben gemeentelijke bouwhistorici middeleeuwse muurschilderingen ontdekt. Het vermoedelijk in de 14e eeuw gebouwde huis bleek tevens een unieke balklaag uit de tweede helft van de 15e eeuw te bezitten. Bouwhistoricus A. van Drunen: „Het is het eerste huis in Den Bosch waarvan we nu weten dat het aan de binnenkant geheel beschilderd is geweest en een dergelijke balklaag met gotische profilering zijn we in Den Bosch nooit tegengekomen". De schilderingen, onder andere in motieven van diamantkoppen en zuiltjes, zijn uitgevoerd in zwart met grijze tinten, terwijl van onder het pleisterwerk ook andere kleuren tevoorschijn komen. Eigenaar F. Tilbosch, die in het pand een stripwinkel drijft, wil de schilderingen (gedeeltelijk) handhaven en restaureren. Het tempo van de verbouwing is aangepast aan dat van het bouwhistorisch onderzoek. Brabants Dagblad 6 mei 1994
Beenderen in Arnhem Bij graafwerkzaamheden in een bouwput naast het Paleis van Justitie in Arnhem zijn meerdere skeletten en beenderen aangetroffen. De botten werden geborgen door leden van de AWN. Volgens afdelingssekretaris A. M. Baljet-Peters is de ouderdom van de botten onzeker. „Er moet nu echt een patholoog-anatoom bijkomen om de beenderen te analyseren". Aanvankelijk werd gedacht dat het hier de resten betrof van in de Tweede Wereldoorlog gesneuvelde militairen. Bij enkele botten werd later echter materiaal aangetroffen uit de 15e eeuw. „Ook zijn deze botten duidelijk donkerder van kleur dan de vondsten van vorige week". L. van der Laar van de AWN was een andere mening toegedaan. Hij had van diverse zijden vernomen dat de botten ook afkomstig kunnen zijn van gefusilleerde gevangenen uit de zomer van 1944. „Een aantal weken voor de luchtlanding in september 1944 is er een gijzeling geweest in de gevangenis. Daarbij is een aantal gevangenen blijkbaar ontsnapt. Als represaille heeft de Duitse SS toen enkele gevangenen gefusilleerd". Justitie heeft de botten inmiddels in beslag genomen en zal een patholooganatoom inschakelen om de beenderen te laten onderzoeken en eventueel de ouderdom te laten vaststellen. De Gelderlander 4 mei 1994
Abortus in Breda Een spontane abortus-epidemie heeft in de 15e eeuw de veestapel van Breda geteisterd. De epidemie werd veroorzaakt door de brucella-bacterie. Ook de boeren raakten besmet en liepen chronische ziekten op. Dit concluderen onderzoekers van de Universiteit Utrecht, van de Oklahoma State University en van de gemeente Breda. Zij onderzochten een zandcompostmonster uit een 15e-eeuwse afvalput van een stadsboerderij en ontdekten dat het DNA van de brucellabacterie erin zat. Brucellose is een infectieziekte die bij dieren abortus veroorzaakt. Hiermee is verklaard waarom in de afvalput zoveel botten van ongeboren kalveren zijn aangetroffen. De onderzoekers gaan ervan uit dat onder de koeien van Breda en omstreken een ware epidemie heeft gewoed. Ook de boeren en hun gezinnen zullen ziek zijn geworden. Zij raakten besmet door de consumptie van besmette ongekookte melk. Hoewel brucellose niet dodelijk is, kan de ziekte wel veel langdurig leed veroorzaken. Het afweersysteem vermindert sterk, waardoor andere ziekten kunnen toeslaan. Mogelijk heeft de ziekte bijgedragen aan de geringe levensduur van de middeleeuwse mens. Opregte Steenwijker Courant 9 mei 1994
Muurschildering in Den Bosch Tijdens de verbouwing van een winkel met bo-
Huys te Oss gevonden in een bouwput aan de Singel '40-'45 zijn funderingen en een gracht gevonden. Volgens Hans Pennings van de Archeologische Werkgroep Oss
181
gaat het hier om de restanten van het Huys te Oss, een laatmiddeleeuws kasteeltje. De vondsten bestaan uit het fundament van een ronde hoektoren met aangrenzende muren en de resten van de kasteelgracht, waarin scherven van kannen werden aangetroffen. De vondst is enige tijd geheim gehouden om een grote toeloop van publiek te voorkomen. Brabants Dagblad 9 mei 1994
Oldambt en het Reiderland tussen 1200 en 1500 wordt het terrein van de verdwenen kerk opnieuw onderzocht. De kerk zou maar liefst vier torens hebben gehad, iets wat volgens Molema duidt op Duitse invloeden; ook in het bisdom Munster (waar deze streek toe behoorde) zag je zoveel torens bij een kerk. Behalve funderingen is ook een sarcofaag aangetroffen. Groninger Dagblad 8 juni 1994
Kasteelheuvel bedreigd De heuvel van een voormalig kasteel in Delwijnen (gemeente Kerkwijk) wordt bedreigd. De kasteelheuvel ligt op het terrein van de Delwijnense tuinder G. van de Werken. Deze wil zijn kassen uitbreiden in de richting van de heuvel. De ROB heeft naar aanleiding hiervan een onderzoek uitgevoerd, dat op 18 maart jl. werd afgerond. Het advies van de ROB laat nog even op zich wachten. Inmiddels is wel duidelijk geworden dat het gaat om de resten van een middeleeuws kasteel. Er werden onder andere sporen aangetroffen van woonlagen uit de 11e of 12e eeuw. Brabants Dagblad 2 juni 1994
Kampen bouwt kogge Het bouwen van replica's van historische sche7 pen, op ware grootte, lijkt een kleine rage te worden. Na de bouw van het VOC-schip „Amsterdam", dat ligt afgemeerd bij het Nationaal Scheepvaartmuseum in de hoofdstad, en de „Batavia", die in Ketelhaven in aanbouw is, is nu de beurt aan een kogge die in de 14e eeuw verging op de Zuiderzee bij Nijkerk en die, sinds haar resten in de polderklei werden aangetroffen, officieel geregistreerd staat als de OZ 36. Dit schip zal worden nagebouwd aan de oever van de IJssel, aan de stadsrand van Kampen. Met de bouw van het schip is inmiddels in het voorjaar een begin gemaakt. Men verwacht dat de bouw twee jaar gaat duren. Het stadsbestuur hoopt dat de werf een toeristische trekpleister zal worden. Tevens is de bouw van het schip een interessant werkgelegenheidsproject; twaalf langdurig werkloze jongeren krijgen op deze manier de mogelijkheid om een vak te leren en hun kans op een baan te vergroten. Ook heeft de bouw een wetenschappelijk doel. Via de reconstructie hoopt men te kunnen achterhalen hoe in het verre verleden een kogge precies gebouwd werd.
Romaanse kerk Midwolda In Midwolda is na meer dan veertig jaar opnieuw een opgraving uitgevoerd van de 12e-eeuwse romaanse kerk aan de Kerkelaan. Al in 1951 legde de bekende archeoloog H. Halbertsma de funderingen van de rond 1700 afgebroken kerk bloot. Aan onderdelen van de plattegrond die Halbertsma liet vervaardigen, wordt getwijfeld door archeoloog Jan Molema, verbonden aan het Archeologish Centrum van de Universiteit van Groningen. In het kader van een grootscheepse studie naar de bewoningsgeschiedenis van het
Het Nieuwe Land 7 juli 1994 Robert van Lit
Literatuurbespreking D. W. Mac Dowall, A. V. M. Hubrecht en W. J. A. de Jong, 1992. The Roman Coins. Republic and Empire to Nerva. (Description of the Collections in the Provinciaal Museum G. M. Kam at Nijmegen; XII). Provincie Gelderland, Nijmegen. 166 pp. Prijs f 125,-. R. W. Reijnen, 1993. Romeinse munten. Museumstukken IV. Vereniging Vrienden van het Museum Kam Nijmegen, Nijmegen. 31 pp. Prijs ƒ 15,-. Nijmegen behoort tot de oudste en rijkste Nederlandse vindplaatsen van Romeinse munten, waar-
182
over kort achter elkaar twee publikaties zijn verschenen. Interessant voor de archeoloog, in vergelijk met de vele andere boekwerken over Romeinse munten, is de Nederlandse invalshoek. Hoewel de Romeinen voor het Westen een vrij uniform muntstelsel hanteerden, waren er toch grote lokale verschillen in bijvoorbeeld gebruiksduur en frequentie van munttypes, bijzonderheden waar de standaardwerken geen aandacht aan kunnen besteden. Ook waren er lokale aanpassingen. Dankzij het grote aantal Nijmeegse munten kunnen de auteurs een vrij compleet algemeen beeld van het Romeinse muntstelsel schetsen,
met tegelijk een goede beschrijving van de regionale component. Hoewel extrapolatie naar andere Nederlandse vindplaatsen niet zonder meer mogelijk is, zijn de waarnemingen van groot belang voor de interpretatie van andere Nederlandse muntvondsten. Johannes Smetius en zijn zoon verzamelden reeds in de zeventiende eeuw meer dan tienduizend munten uit Nijmegen, een verzameling die jammer genoeg in 1703 is verkocht en niet meer voorhanden is. Ook de 4.390 Romeinse munten die de jurist Johan in de Betouw begin negentiende eeuw bijeen bracht, zijn grotendeels verloren gegaan. In de collectie van het museum bevinden zich nog 6.330 Romeinse munten, waarvan een groot aantal met bekende vindplaats in of vlakbij Nijmegen. Het boekje Romeinse munten van R. W. Reijnen (27 pp.) biedt een perfecte inleiding tot het onderwerp, met een verhelderende lokale inkleuring. Zaken als ontwikkeling van het muntstelsel, muntslag en evolutie van de afbeeldingen komen kernachtig aan bod. Het boekje bevat aardige wetenswaardigheden, zoals de verklaring van de veel in inscripties gebruikte afkorting HS voor de munteenheid sestertius. Deze was oorspronkelijk 2,5 (Romeins: II ) as waard. Het cijfer II S verbasterde tot HS en bleef gehandhaafd als afkorting, ook toen de waarde allang vier as was geworden. Waar veel auteurs ingaan op de voortdurende inflatie (geldontwaarding met dus prijsstijgingen), stelt Reijnen dat rond Nijmegen eind eerste eeuw sprake geweest lijkt te zijn van een tegengestelde ontwikkeling (deflatie), wat zou blijken uit de toegenomen rol van de quadrans, het kleinste pasmuntje. Vooral dankzij de inzet van metaaldetectoren heeft dit lastig met het blote oog waar te nemen muntje de aandacht op zich weten te vestigen. Bij opgravingen zonder metaaldetector (of zeef) kan het muntbeeld vertekend zijn door de ondervertegenwoordiging van dergelijke kleine muntjes. Voor de vergelijkbaarheid zou dus in verslagen het gebruik van de metaaldetector opgenomen moeten worden. Dat Reijnen op dit vertekenend effect van de metaaldetector niet ingaat, is gezien het inleidende en beknopte karakter van het boekje begrijpelijk. Maar ook in wetenschappelijke verslagen wordt vaak te weinig over de inzet van metaaldetectoren vermeld. De foto-illustraties van munten op werkelijke grootte, enkele fraai in kleur, zijn doorgaans scherp en zeer verhelderend. Jammer genoeg is niet met bijvoorbeeld een sterretje aangegeven welke munten daadwerkelijk in Nijmegen zijn gevonden. Een deel van de museumcollectie komt namelijk uit Gelderland of zelfs onbekende opgravingen uit het buitenland. En het aardige is
nu juist dat de Nijmeegse vondstmunten het verhaal kunnen vertellen. Het boekje is goed leesbaar geschreven. Vreemd is de opmerking (p. 23) dat de keizers vooral op derde-eeuwse munten een helm droegen, aangezien dit attribuut veel kenmerkender is voor de vierde eeuw. Gezien de hoge inhoudelijke kwaliteit van het boek, moet het om een zetfout gaan. Reijnen kon nog net gebruik maken van het kort ervoor verschenen boek van Mac Dowell, Hubrecht en De Jong (166 pp.). Zij hebben een ook voor archeologen belangwekkend twaalfde deel geschreven in de serie beschrijvingen van de verzameling in het Provinciaal Museum G. M. Kam te Nijmegen. Naast een nuttige inventarisatie van de aanwezige Romeinse munten tot en met keizer Nerva (96-98 na Christus) biedt het boek een handig handvat voor de determinatie van dit soort vroegRomeinse muntvondsten. En in de begeleidende tekst worden wegen bewandeld die tot interessante conclusies voeren, waaronder nieuwe inzichten in het zogeheten kloppen, het instempelen van oude munten. De gepubliceerde catalogus is up to date tot december 1987. Jammer genoeg zijn munten uit opgravingen van Brunsting, Bogaers/Haalebos, Bloemers en Willems nog niet in het provinciaal museum opgenomen en worden ze afzonderlijk gepubliceerd. In een voorpublikatie in de Beeldenaar (1991-2) meldde muntspecialist J. P. A. van der Vin dat alleen al op het Kops Plateau inmiddels zo'n duizend munten zijn opgegraven uit de eerste eeuw na Christus en ouder, vergelijkbaar met het totale aantal Nijmeegse muntvondsten uit dezelfde periode die in het boek zijn opgenomen. Nijmegen heeft daarmee Vechten ingehaald als grootste Nederlandse verzameling vroeg-Romeinse munten. Over de gehele Romeinse periode zijn volgens Reijnen sinds 1985 al zo'n 5.000 munten opgegraven. Het is voor de compleetheid spijtig dat het boek de recente muntvondsten niet bevat, maar het kon organisatorisch kennelijk niet anders. Met de catalogus van munten tot 98 na Christus is ongeveer eenderde van de in 1987 beschikbare Nijmeegse museumcollectie beschreven. De catalogus beschrijft zo'n tweeduizend munten, waarvan bijna duizend met bekende vindplaats in Nijmegen, verder een deel uit vooral Gelderland en de rest met veelal onbekende vindplaats. Er komen 431 verschillende typen aan bod, waarvan de belangrijkste (ongeveer eenderde) met zwartwit foto's zijn geĂŻllustreerd. De munten zijn typerend voor muntvondsten in het noorden van het Romeinse Rijk, zodat het boek de archeoloog een goed handvat biedt bij de determinatie van Romeinse munten die bij Nederlandse opgravingen
183
tevoorschijn komen. Dankzij de verwijzing naar de nummering van het internationale standaardwerk Roman Imperial Coinage (RIC) kan de gebruiker terugvallen op de typologie van dit internationale naslagwerk. Uit oogpunt van uniformiteit (met als voordeel de internationale vergelijkbaarheid) zou het ook onwenselijk zijn indien de Nijmeegse typologie een eigen leven gaat leiden, anders dan voor de beschrijving van uitzonderlijke munten die in de standaardwerken ontbreken. De auteurs beperken zich niet tot een inventarisatie, maar bieden ook een analyse van het materiaal. Zo constateren ze op basis van de munten dat de na de Bataafse opstand gestichte nederzetting in Nijmegen-West (het latere Noviomagus) niet direct na 70 uit de grond schoot, maar na een voorzichtige start later in de Flavische periode pas echt op dreef kwam. Dit relatief lage activiteitenniveau tot ver in de Flavische tijd komt ook terug in de munten uit het bijbehorende grafveld van Hees. Ondergetekende heeft in Westerheem (1988-2) gesuggereerd dat Forum Hadriani, evenals Nijmegen uitgegroeid tot hoofdstad van een civitas (stamgebied), ook pas later in de Flavische periode (onder Domitianus, 81-96 na Christus) een belangrijke bouwkundige impuls gekregen lijkt te hebben. Eerder constateerde Van der Vin in Westerheem (1986-5/6) reeds op basis van de munten voor Voorburg „een periode van expansie tegen het einde van de 1e eeuw". Ondergetekende heeft dat in verband gebracht met de omschakeling onder Domitianus van een militair bestuursgebied naar de provincie Germania Inferior met burgerlijk bestuur, wat meer taken voor regionale centra als Nijmegen en Voorburg kan hebben opgeleverd. Het vergelijkbare patroon in Nijmegen versterkt het beeld van een Domitiaanse impuls. Dat zou zoals gezegd te maken kunnen hebben met de formele oprichting van de burgerlijke provincie Germania Inferior. Zeer interessant is de analyse van de kloppen, kleine letterstempels, die meer duidelijkheid boden over de waarde van een munt. De auteurs geven meer inhoud aan eerdere suggesties van C. M. Kraay dat dit „kloppen" deels in Nijmegen is gebeurd, waarmee in feite de eerste primitieve vorm van muntslag op Nederlandse bodem is getraceerd. Het gaat volgens de auteurs om het monogream CAES, dat waarschijnlijk in de beginjaren van keizer Tiberius (namelijk 15-23 na Christus) is aangebracht op vooral Muntmeesterassen. Ze zijn tot in Noord-Zwitserland (Vindonissa) teruggevonden, maar 62 procent van de bekende vondsten komt uit Nijmegen. Minder duidelijk, maar toch waarschijnlijk is volgens hen dat in de beginjaren van Tiberius (die in 14 na Christus aan de macht kwam) ook de kloppen AUG en de rechthoekige klop TIB in Nijmegen
184
zijn aangebracht. De exacte betekenis van dit soort kloppen was tot nu toe ietwat geheimzinnig. De auteurs denken een deel van het mysterie op te lossen met hun suggestie dat de letters betrekking hebben op kenmerkende onderdelen van het randschrift van munten waaraan ze in waarde gelijkgesteld werden. CAES refereert dan aan de eerste serie Altaarassen met op de voorzijde het randschrift „CAESar pont max" (voor de duidelijkheid zijn hier alleen de in de klop overgenomen letters met hoofdletters geschreven; het echte randschrift bestond geheel uit hoofdletters). AVG refereert dan aan de tweede serie Altaarassen waarin „caesar AVGustus" in het randschrift voorkomt. De vierkante klop TIB, tot slot, verwijst naar de munten van Tiberius, waarvan het randschrift op de voorzijde begon met ,,TI(B) caesar". Voor het waarom van de kloppen geven de auteurs een lokale munthervorming als verklaring. Het kloppen zou noodzakelijk zijn geweest omdat in de beginjaren van Tiberius het gewicht van de munten per serie nogal verschilde, zodat met de klop de gelijke waarde verduidelijkt werd. Daarbij werden volgens de auteurs ook zwaardere munten met behulp van een klop aan lichtere nieuwe emissies gelijkgesteld. De kloppen dienden dus niet uitsluitend voor het langer later circuleren van sterk afgesleten munten. Reijnen merkt in zijn boek op dat wat betreft de CAESklop, de distributie van bepaalde stempelvarianten suggereert dat een deel van deze klop inderdaad in Nijmegen is aangebracht. Elders heeft Reijnen de verklaring van Mac Dowall c.s. aanvechtbaar genoemd. Als mogelijke alternatieve beweegreden noemt hij de geldbetalingen die Germanicus in de jaren 14-16 na Christus in de regio aan zijn soldaten moest doen. Bij zo'n overvloed aan prikkelende analyses is het zoeken naar minpuntjes. Genoemd zouden kunnen worden het reeds eerder aangehaalde ontbreken van de grote hoeveelheid munten die de afgelopen zeven jaar is opgegraven. Verder is de tekst niet altijd even eenduidig, wat zeker met een betere eindredactie verholpen had kunnen worden. Dat neemt niet weg dat de auteurs een zeer belangwekkend boekwerk hebben voortgebracht, dat veel meer is dan een dorre muntcatalogus van een voor Nederland zeldzame omvang. Mede dankzij de ruim vijftig pagina's begeleidende tekst is het spannende kost, ook voor nietnumismaten. Enkele munten uit het boek zijn op dit moment te bezichtigen in het Provinciaal Museum G. M. Kam, zoals de zeer oude Republikeinse denarii (zilverstukken) uit het eind van de tweede eeuw voor Christus, een zeldzame verschijning bij Nederlandse opgravingen. En bijvoorbeeld de au-
reus (goudstuk) van keizer Otho, die slechts drie maanden regeerde (voorjaar 69) en uitsluitend zilveren en gouden munten sloeg. Uiteraard zijn de twee publikaties in het museum te koop. Töm Buijtendorp R. Olivier, Bodemvondsten uit Goeree-Overflakkee. 25 jaar archeologisch en historisch onderzoek door De Motte. Ouddorp, 1994. ISBN 909006867-8. 296 blz. Prijs ƒ 39,50. Te bestellen via de boekhandel. Vijfentwintig jaar geleden, op 27 juni 1969, meldt een streekblad op Goeree-Overflakkee: „Enkele weken geleden is er in Middelharnis een vereniging van amateur-archeologen opgericht, onder auspiciën van de Nederlandse Jeugdbond ter bestudering van de Geschiedenis. Het aantal leden is nog klein, te klein eigenlijk". Bedoeld werd hier de archeologische vereniging De Motte (nu overigens met meer dan driehonderd leden), die dit jaar haar jubileum viert en in dat kader een fraaie publikatie het licht heeft laten zien. De samensteller en schrijver van het boek is Rias Olivier, die overigens ook voor de meeste tekeningen, foto's en layout zorgde. Olivier zelf is meer dan twintig jaar voorzitter geweest van de vereniging en is een stuwende kracht achter het geheel. Dergelijke mensen zijn goud waard voor de Nederlandse (amateur-)archeologie! Na de auteur nu het boek. Bodemvondsten uit Goeree-Overflakkee geeft een overzicht van het archeologisch onderzoek van De Motte; de resultaten van vijfentwintig opgravingen (doorgaans kleinschalig en noodonderzoek) passeren de revue. De locaties en objecten variëren van Ouddorp tot Ooltgensplaat en van een 13e-/14eeeuwse nederzetting aan de boorden van het Volkerak (met sporen van twee plaggenhuizen,
Tinnen pelgrimsteken in de vorm van een veldfles. Ontleend aan: Bodemvondsten uit GoereeOverflakkee.
waarvan er één in Archeon is nagebouwd) tot de vulling van een waterloop met vondsten uit ca. 1900. De hoofdmoot van de publikatie vormt een catalogus met voornamelijk laat- en postmiddeleeuwse vondsten. Deze mobilia (met name aardewerk, maar ook been, hout, leer en metaal) worden uitgebreid beschreven en zijn middels goede tekeningen en foto's weergegeven. De catalogus zal in de toekomst zeker nuttig blijken te zijn als referentie voor vondsten die elders in het land gedaan worden. In een van de laatste hoofdstukken van het boek staan ten slotte nog enkele prehistorische vondsten centraal (o.a. een rolsteenhamer uit de Noordzee, die gedateerd wordt in de „vroege steentijd", terwijl het hierbij om een mesolithisch of vroeg-neolithisch artefact zal gaan). Een deel van de vondsten die in de publikatie besproken worden, is nog tot 31 oktober te bezichtigen in het Streekmuseum Goeree-Overflakkee (Kerkstraat 2-4, Sommelsdijk). Hoewel deze expositie van tijdelijke aard is, zal het boek ongetwijfeld van blijvende waarde zijn. Arnold Carmiggelt H. Gysels e.a.: De landschappen van Vlaanderen en zuidelijk Nederland. Een landschapsecologische studie. Uitgeverij Garant (Leuven, Apeldoorn, 1993). ISBN 90-5350097. 415 pp. Prijs f 98,90. Uitvoering: degelijke paperback. Deze uitgave van een voornamelijk Belgisch collectief van auteurs, onder aanvoering van H. Gijsels, is veelzijdig qua benadering van het onderwerp. De hoofdingang is goed weergegeven door de ondertitel van het boek. Dat is echter alleen de hoofdmoot. Er wordt eveneens aandacht geschonken aan geologie, archeologie, geschiedenis en economie. In dit opzicht is het een leerboek en een streekbeschrijving in optima forma, bijna in de 19e-eeuwse zin van het woord. Die kwalificatie moet echter niet negatief opgevat worden: in dit boek wordt illustratief weergegeven hoe het er met onze zuidelijke landschappen bijstaat. Onvermijdelijk dient zich het conflict aan: wie de foto's bekijkt, zoals ik heb gedaan bij het doorbladeren van het boek, ziet veel hoog-geïndustrialiseerde en sterk van menselijke activiteit doortrokken landschappen. Niet verwonderlijk in de beschreven regio, maar wel opvallend in contrast met de ecologische benadering zoals deze in de tekst wordt gehanteerd. De hoofdstukindeling is volgens landschapseenheden gerangschikt en encyclopedisch uitgewerkt. De tekst is vlot leesbaar en interessant. Een bijzonder aardig element vormen de vele foto's (veel zwart-wit en per
185
hoofdstuk één in kleur). Deze zijn veelal in de winter opgenomen, waardoor een leuk „doorzichf'-effect bereikt wordt. De literatuur (de meeste tot 1990, maar ook nogal eens uit het begin van de eeuw) is overzichtelijk en selectief per hoofdstuk (d.w.z. per landschapseenheid) naar meer recente literatuur verzameld. Een woord van kritiek voor de kaartjes: wat primitief getekend en niet al te barmhartig door de drukker behandeld. Wel met schaalstokken en noordpijlen erbij (op een enkele uitzondering na): de auteurs verloochenen hun aardrijkskundige achtergrond gelukkig niet. Het boek wordt besloten met een verklarende woordenlijst en een lijst-met-fotolocaties, handig! Een register op plaatsnamen zou dit boek bruikbaarder doen zijn. Wellicht iets voor een tweede druk. De reden waarom het boek nu pas uitkomt, wordt door de auteurs verzucht in hun inleiding: allerlei reorganisaties. Dat verklaart de licht verouderde indruk van de landschapsbeschrijvingen. Hun pleidooi voor grensoverschrijdend denken m.b.t. landschapsecologie is echter nog actueel genoeg. Dit boek is een degelijke pleitbezorger in dit opzicht. Het boek is een aanrader voor de fysisch-geografisch geïnteresseerde archeoloog uit de zuidelijke Nederlanden (om nog maar eens zo'n oude term te gebruiken), die verder kijkt dan alleen zijn of haar archeologische neus lang is, maar vondsten graag in hun context plaatst - en dat is toch het landschap, zoals het nu onder onze voeten ligt. L. van der Valk Runen een helder alfabet uit duistere tijden, door Marlies Philippa en Aad Quak, uitgeverij Thomas Rap, 1994. ISBN 90-6005-390-7. Prijs ƒ 27,50. Met het boekje Runen scharen Marlies Philippa en Aad Quak zich in de illustere rij van taaigeleerden die sinds enkele eeuwen proberen door te dringen in de geheimen van het runenschrift. Dat dit geenszins een taaie opgave is, blijkt uit dit vlot geschreven, leesbare werk. Het boek maakt de gecompliceerde materie van het runenschrift toegankelijk voor een groot publiek en dat is een reden om de verschijning ervan toe te juichen. Tot nog toe bestond er geen in het Nederlands geschreven boek over runen, afgezien van het vertaalde boekje van Ray Page (ook Runen geheten, van oorspronkelijk Runes, maar erbarmelijk vertaald, dus lees liever het origineel). Het boek van Philippa en Quak is geschikt voor iedereen die geïnteresseerd is in runen en een eerste verkenning wil maken. Het boek begint heel didactisch met alfabetgeschiedenis, zodat het runen-
186
schrift in een kader te plaatsen valt. Het subhoofdstuk over het ontstaan van het runenschrift zelf komt pas aan de orde op bladzijde 22 en had wel een prominentere plek in het boek mogen hebben. De opbouw van het boek en de volgorde van de hoofdstukken maakt de indruk gebaseerd te zijn op een collegeserie. Dat geeft niets, tenslotte moesten de schrijvers ervan uitgaan dat het publiek dat zij willen bereiken, hoegenaamd niets van runen afweet. Dat brengt wel met zich mee, dat sommige beweringen wat al te boud zijn: Dat „rune" oorspronkelijk „geheim" zou betekenen, is omstreden; er zijn - naar mijn mening - plausibeler verklaringen, zoals deze: runa betekent eenvoudig „geschreven mededeling". De grondbetekenis zou „graven, inkerven" zijn en horen bij de techniek van runen aanbrengen: het snijden of kerven van de letters in hout, bot of metaal. Interessant is de verwantschap met het woord „ruin", voor gecastreerde of „gesneden" hengst. In de bijbel vertal ing van de Gotische bisschop Wulfila uit de 4e eeuw werd runa gebruikt om het Griekse „mysterion" te vertalen. Deze betekenis is het woord rune blijven aankleven door de eeuwen heen en is waarschijnlijk één der oorzaken dat men het runenschrift in verband bracht met geheim, geheime kennis en magie. In manuscripten werd rune vertaald met „mysterie, geheim, raad, advies", maar ook met Lat. sussurium: „fluistering, een gerucht, een roddel". Wat betreft de betekenis „raad, advies" meende men een aanknoping te zien met hetgeen Tacitus in zijn Germania over het voorspellen van de toekomst zegt: „de Germanen snijden een takje van een bloesemdragende boom, kerven er notae in en gooien deze takjes op een wit kleed. De priester of de familievader trekt drie „loten" en kan dan aan de hand van de tekens enige voorspellingen doen". Men kan zich voorstellen dat deze alinea van Tacitus een der meest geciteerde uit de runengeschiedenis is. Helaas is het onbekend of deze notae runen waren. Het woord rune is een homonym: het woord kan meerdere, verschillende, betekenissen hebben en het is van belang die niet met elkaar te verwarren. De Deense geleerde Ole Worm (Wormius) gaf rond 1670 al een etymologie: „runa is afgeleid van ryn of ren; beide hebben vrijwel dezelfde betekenis: ren is een sloot of goot, ryn is een voor in de grond, getrokken door een ploeg... De Saxons noemden hun letters runen naar ryn, de voor, omdat deze als het ware uitgeploegd werden met een scherp voorwerp en getrokken in lange lijnen " Adelung (1793) stelde voor, dat run een connectie zou kunnen hebben met het Duitse dialectwoord runen, dat o.a. snijden betekent.
Wilhelm Grimm verdiepte zich (1821) ook in de semantische problemen van run, Gothisch runa, „mysterie", en Duits raunen, „fluisteren". Hij zag een overeenkomst met Latijn rumor, o.a. „roddelen, via geruchten iets horen". Uiteindelijk kwam hij met de oplossing dat „runen ritsen" wel een geheime kunst was en dat de Germanen hun schrift daarom run noemden. Lorenz Diefenbach (1851) suggereerde een connectie tussen Noordwestgermaans run en Laagduits runen, „castreren", dus: snijden. Weber (1941) kwam met de suggestie dat Noordwestgermaans run gerelateerd was aan Middelduits rune, „ruin": gecastreerd paard. De Deen Moltke (1976) stelde dat de onomatopé ru, „een geluid maken", goed klopt met NwG run, omdat een rune uiteindelijk een symbool is, een teken dat een klank weergeeft. Het Griekse woord mysterion (Gotisch runa) betekende oorspronkelijk „datgene wat verborgen is, uit het zicht is geplaatst". In het Nieuwe Testament duidt mysterion de geheime gedachten van de joods-christelijke God aan, die verborgen zijn voor de mens en slechts aan verlichte geesten c.q. ingewijden worden meegedeeld. Wulfila's runa „mysterion" is dus een theologische term. Net als in andere talen heeft de basisbetekenis van het werkwoord dat bij het object run- hoort, te maken met de techiek van het schrijven, hoe men letters aanbracht, zoals Latijn scribere = krassen. De Germaanse woorden voor „schrijven" waren: *wreitanan, „krassen, ritsen", en *faihijanan, „verven, kleuren", en *talgijan, „beitelen" (Morris 1983). De werkwoorden die van run zijn afgeleid, zijn: „raunen, runa, runen, ruinen" in het Zweeds, Laagduits en Nederlands; zij hebben enerzijds de betekenis snijden bewaard in het castreren van paarden en anderzijds de betekenis fluisteren in het vertellen van roddels. Het is dus eigenlijk een terminus technicus in dialect en er is helaas niets „glamorous, geheim, heidens of magisch" (Fel, 1991) aan dit dialect-gebruik. Helaas is de tekst niet geheel smetteloos. Zo is de fibula van Meldorf, met misschien de oudste runeninscriptie (50 AD), niet in Trier gevonden, maar in een la van museum Gottorf te Sleeswijk. Meldorf is een plaats in Sleeswijk-Holstein. Op de fibula van Gardlösa staat ekunwodR, zonder erilaR. De gegevens zijn niet allemaal up-to-date. Zo ontbreekt de ingenieuze nieuwe interpretatie (1989) van Lillemor Santesson m.b.t. de tekst op de Stentoften steen (Blekinge). De raadselachtige „nieuwe boeren" of „nieuwe gasten" in de tekst heeft zij geïnterpreteerd als: met negen hengsten, met negen bokken, gaf HathuwolafR een goed
jaar. Hier zou sprake zijn van een offer, waarin vanwege het getal negen en het feit dat het om mannelijke dieren gaat, een parallel kan worden gezien met de offerfeesten te Uppsala, waar om de negen jaar gedurende negen dagen telkens negen mannetjesdieren werden geofferd aan o.a. de vruchtbaarheidsgod Freyr. Als Santesson's interpretatie juist is, dan is de Stentoften tekst een zeldzaam en belangrijk monument uit het Germaanse heidendom. Soms moet iets worden nagecheckt: in het hoofdstuk over magie wordt het getal tien als magischerotisch opgevoerd (men citeert Magnus Olsen) en een bewijs daarvoor zou de inscriptie op het mes van Floksand zijn: lina laukaR met tien runen. Nee! De laatste twee runen zijn gevat in een Binderune, dat is één gemeenschappelijk teken voor twee letters. Zodoende zouden er dus maar negen runen staan, overigens ook een getal met magische connotatie. Sommige verhalen zijn onuitroeibaar. Traditioneel vermelden vele runologische handboeken de steen van Kylver (Gotland), waarvan steevast wordt gezegd dat deze een grafsteen was, met het ingeritste futhark naar de dode toegekeerd. Dit om de overledene van rondspoken te weerhouden. Een Bergense runologe nam eens de moeite na te gaan wat er waar was van deze bewering en vond uit, dat de steen weliswaar in de buurt van een graf was gevonden, maar dat het helemaal niet zeker was, dat hij onderdeel van het graf was geweest! Helaas brengen ook Quak en Philippa dit belegen broodje Aap - omdat het een mooi verhaal is en zo goed past in de theorie over de magie van runen? Over de ingewikkelde geschiedenis van het runenschrift in Friesland en Engeland wordt wat gemakkelijk heengehuppeld. Er is een duidelijk verschil tussen enerzijds de oudste Engelse inscripties van de 5e en 6e eeuw èn bijna alle Friese van de 6e tot de 9e eeuw en anderzijds de Engelse inscripties van na de kerstening: vanaf de 7e eeuw. De opmerking dat het runenschrift verdwenen zou zijn door de komst van het christendom, wekt verwarring. Alleen in Duitsland en Friesland zou dat een rol hebben kunnen spelen, maar eerder ligt de oorzaak in verandering van begrafeniszeden: er werden niet langer bijgaven aan de doden meegegeven, zodat geen objecten met runen meer gevonden zijn van na ca. 700 AD in Duitsland en na ca. 800 AD in Friesland. Het ligt voor de hand dat slechts enkele tientallen teksten besproken konden worden. De keuze die de schrijvers hebben gemaakt uit de duizenden runeninscripties, is een voor de hand liggende; de meeste inscripties zijn uit diverse andere boeken en artikelen bekend. Dus kan men soms de
187
wenkbrauwen optrekken bij de interpretaties. Zo worden de drie dochters van Wodurid op de Noorse steen van Tune aangehaald als oprichtsters van de steen, maar expliciet niet als erfgenames, terwijl dat nu juist de aardigheid van deze inscriptie is, dat vrouwen konden erven in de Germaanse oudheid. Het hoofdstuk over de Friese inscripties begint met een moeizaam verhaal over de overname van het schrift: al of niet van, of via, de Angelsaksen. De verwarring wordt veroorzaakt door de tekens voor h, a en o. Er zijn echter zo weinig inscripties uit die oude tijd - 6e, 7e eeuw - dat een conclusie over waar en van wie de Friezen hebben leren runen schrijven, slechts speculatief kan zijn. Bevreemdend is, dat voor de tekst op het houtje van Westeremden de algemeen verworpen interpretatie van de omstreden hoogleraar Kapteyn wordt gegeven. Waarom niet de nieuwe (1990) lezing van Elmar Seebold? Dan geef ik die maar: Auf der Heimstatte bleibt das Glück, durch die Eibe moge sie aufwdrts wachsen, Vemoth (?) besitzt diese. Het taxushoutje zou dan een bouwoffer zijn. De schrijvers zijn duidelijk het best vertrouwd met de Zweedse runeninscripties uit de Vikingtijd, want in dat gedeelte van het boek komen ze flink op dreef. Dat is heel plezierig voor lezers die hun vakantie in Scandinavië willen doorbrengen. Ook het hoofdstuk over de runenhoutjes van Bergen (Noorwegen) vestigt de indruk dat men gekozen heeft voor teksten die opvallend zijn en waar het één en ander over te vertellen is; dit in tegenstelling tot de geheimzinnige en moeilijke teksten uit de oude runentijd van de tweede tot de achtste eeuw. Over het algemeen is het boek zeer instructief, het geeft veelzijdige informatie over een breed terrein. De auteurs hebben het boek opgevrolijkt met aardige „weetjes". Ronduit uitstekend is het hoofdstuk over het runenmisbruik in de Nazitijd. Het is bijzonder nuttig, dat de auteurs deze informatie aan het boek toegevoegd hebben, omdat er nog steeds zoveel onduidelijkheden bestaan over de vermeende connectie van het runenschrift met de pervetering van runen in de Nazi-ideologie. Bovendien is het van belang, dat gewezen wordt op het gebruik van runen in de esoterie, omdat tegenwoordig
188
nogal wat boeken verschijnen over zogenaamde oude „runenwijsheid" en zelfs holistische „runengymnastiek". De verwerpelijke en stapelgekke theorieën van Guido von List uit het begin van deze eeuw worden zelfs weer uitgebracht. Aan het hoofdstuk over runeninscripties in Nederland zou ik het volgende willen toevoegen: de eventuele tekst van Westeremden C (in privébezit) zou buiten beschouwing moeten worden gelaten, aangezien niemand buiten Kapteyn dit voorwerp ooit bestudeerd heeft. Eenum (eigenlijk Eenumerhoogte) draagt geen runen, maar willekeurige krassen. Op het bracteaat van Hitsum staat foRo groba; de taal is Oudnederfrankisch en is daarom de oudste „Nederlandse" tekst (5e eeuw!). Deze interpretatie is voorgesteld door prof. Seebold uit München op het eerste internationale symposium over Friese runen en aanpalende runentradities, gehouden in Leeuwarden, januari 1994, en zal te zijner tijd verschijnen in de „proceedings" van dit symposium. Een groot gemis is, dat, behalve bij de inscripties in Nederland, nergens de verblijfplaatsen van de diverse runenobjecten worden vermeld. Het was toch een kleine moeite geweest om de belangrijkste musea per land op te noemen? Bijvoorbeeld: Denemarken: Museum Moesgard bij Aarhus en Nationalmuseet te Kopenhagen. Zweden: Museum Kuituren te Lund en Statens Historiska Museum te Stockholm. Noorwegen: Oldsaksamlingen te Oslo; in Bergen het Historisk Museum en Bryggen Museum; Engeland: British Museum te Londen. Duitsland: Württembergisches Landesmuseum te Stuttgart; in Sleeswijk het Landesmuseum Schloss Gottorf en het Haithabu Museum. Tineke Looijenga Rijksuniversiteit Groningen Faculteit der Letteren Referenties: Richard Morris: Northwest Germanic Run„Rune", a case of homonymy with Go. runa „mystery", in: Beitrage zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur, Band 107, Tübingen 1985, pp. 344-358. Christine Feil: Runes and Semantics, in: Old English Runes and their Continental Background, Heidelberg 1991, pp. 195-229.
Literatuursignalement De Woonstede door de eeuwen heen 1994, 1e kwartaal, afl. 101, pp. 35-45: G. J. van Andel en W. J. M. van Andel. Den Ham en Loevestein; twee kastelen met hetzelfde grondplan. Vlak naast de spoorbaan Gouda-Utrecht staat bij Vleuten de Hamtoren, een indrukwekkende donjon van zeven verdiepingen hoog. Het laatste overblijfsel van een omvangrijk kasteelcomplex. In de gesignaleerde bijdrage wordt het grondplan ervan vergeleken met dat van Loevestein. Er zijn grote overeenkomsten. De schrijvers komen tot de conclusie dat de grote west-donjon een latere toevoeging is en dat de oorspronkelijke - veel kleinere - oost-donjon te vergelijken is met de woontorens aan de Langbroeker wetering. Met Gansen Trou 44, 1994, nr. 3, pp. 33-37: A. van der Lee. Een raadselachtig stenen werktuig uit Drunen. De schrijver vraagt zich af, wat de functie is van een langwerpig zandstenen werktuig (31,5 cm lang, grootste dikte 4,5 cm, breedte van het afgeplatte ondereinde 3,4 cm), dat in 1973 in Drunen werd gevonden. Hij vermoedt, dat het kan gaan om een onderdeel van een eergetouw, dat al snel na de ingebruikneming is geofferd. Nieuwsbrief Archeologische Vereniging Breda (AVB) 8, 1994, nrs. 1 en 2, resp. pp. 5-9 en 6-9: Yolanda de Bree vervolgt en besluit haar boeiende verslag van de AWN-reis in 1993 naar Noordwest-Rusland. Eerst is de beroemde middeleeuw-
se handelsstad Novgorod aan de beurt. Sinds 1932 worden daar, bij tussenpozen, opgravingen verricht. Een bezoek aan het Archeologisch Museum was een bijzondere belevenis. Vervolgens wordt het verblijf op de Solovetsky-eilanden in de Witte Zee beschreven. Een indrukwekkend 15e-eeuws klooster, mysterieuze steencirkels uit hoogstwaarschijnlijk het 2e millennium voor Chr., waarvan de functie onduidelijk blijft en nederzettingsresten uit ongeveer 1000 voor Chr. vormen de balans. Jaarboek Die Haghe 1993, pp. 285-287: V. L. C. Kersing en J. R. Magendans. Archeologie in Den Haag in 1992. In het verslagjaar werd op een aantal locaties onderzoek verricht. De vondsten dateren uit de Late Bronstijd, Romeinse tijd, Late Middeleeuwen en Postmiddeleeuwen. Opvallend was het onderzoek, dat in en om de te slopen 20e-eeuwse Zorgvlietkerk plaatsvond. Er werden geen sporen van voorgangers gevonden.... Wel werden er resten van een inheems-Romeinse nederzetting aangetroffen. Gelders Erfgoed 1994-2, pp. 18-19: A. van Balveren. Als het kalf verdronken is, dempt men de put. Onderzoek naar middeleeuwse waterputten te Eme. In de Ooyerhoek, een nieuwe stadswijk van Zutphen, ter plaatse van de voormalige buurschap Eme, zijn bij archeologisch onderzoek niet minder dan dertig, vrijwel uitsluitend houten,
n
."f Donjons in het Kromme Rijngebied. V.l.n.r.: Rijnesteyn, Lunenburg, Hindersteyn, Weerdesteyn en Den Ham (oost-donjon). Ontleend aan: Van Andel.
189
waterputten uit de 6e/7e t/m de 14e eeuw blootgelegd. Na het in onbruik raken van de putten werden zij volgestort met afval. Daarbij bevond zich veel aardewerk, maar ook.... het skelet van een kalfje. Ter plaatse werden ook voorwerpen resp. bewoningssporen uit Mesolithicum, Neolithicum, Vroege Bronstijd, Late Ijzertijd en Romeinse tijd aangetroffen. In het Amateursverslag Bodemonderzoek van de Archeologische Vereniging Breda dl. IV, jaargang 1991/1992, verschenen in 1993, neemt het in 1988 uitgevoerde archeologisch onderzoek naar de laat- en postmiddeleeuwse bebouwing aan de Molenstraat 16, 18 en 20 een belangrijke plaats in. Hans de Kievith behandelt in een gedegen bijdrage de geschiedenis van het onderzoek, het begeleidende archiefonderzoek, de stratigrafie, de bebouwingssporen en de vondsten. De resultaten konden worden getoetst aan en worden ingepast in het grootschalig onderzoek, dat in 1991 plaatsvond. Ook Theo de Jong schrijft, onder de titel: „Slachten, eten en huiden looien", over aspecten van de opeenvolgende opgravingscampagnes aan de Molenstraat. Verder komen het kelderonderzoek (Bert Moelands, „Onder de „Vrouwenhoet" ") en een merkwaardig fundament bij Huize Heilaar in Princenhage (ook door Bert Moelands) aan bod. STAA-reeks, april 1994, nr. 3: T. d'Hollosy en F. Snieder. Begravingen in de Lieve Vrouwekerk. In 1986 zijn op het Lieve Vrouwekerkhof in Amersfoort de resten van de voormalige Lieve Vrouwekerk (15e eeuw) resp. Lieve Vrouwekapel (14e eeuw) uitgegraven. Bij dit onderzoek werden binnen en buiten de kerk vele skeletten aangetroffen. Deze zijn in de afgelopen jaren aan een fysisch-antropologisch onderzoek onderworpen. In deze aflevering van de STAA-reeks worden de resultaten van het archeologisch èn van het skeletonderzoek kort besproken. Westlands Streekhistorie 3, 1994, nr. 3, pp. 1113: H. Groenewegen Bzn. De Oudenburg in Monster. De Oudenburg heeft, vanwege zijn naam, al tot veel speculaties geleid. Een karolingische ringwalburcht, die onder het oprukkende duinzand is verdwenen? De schrijver denkt, dat het om een mottekasteel gaat, waarvan hij de juiste plaats meent te kunnen aanwijzen. Vitrine 7, 1994, nr. 3 (april/mei) en nr. 4 (juni/juli): In aflevering 3 schrijft Evert van Ginkel over het
190
Archeologisch Themapark ARCHEON onder de titel: „Dolen door een grijs verleden" (pp. 1617). In aflevering 4 gaat Herman Pleij onder de titel: „Over de noodzaak van bier" nader in op een dubbele expositie in Amsterdam (Amsterdams Historisch Museum: Bier; geschiedenis van een volksdrank in Holland) en Assen (Drents Museum: Bier in de middeleeuwen). Bierbereiding, bier in het dagelijks leven, verbeeldingen van de drinkende mens en... een flink scheutje archeologie. Bulletin van de Stichting Oude Hollandse Kerken 38, lente 1994: Geertruida de Moor en Gerrit Vermeer. De kerk van het Cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst (1261-1574) bij Noordwijkerhout. Archeologen verstaan de kunst om aan de hand van enkele, diep in de grond verborgen, overblijfselen een verder niet meer bestaand gebouw te reconstrueren. Soms echter is zelfs van de fundamenten niets bewaard gebleven. In dat geval kunnen de archieven uitkomst bieden. Het Cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst, ten zuiden van Noordwijkerhout, is zo'n geval. Van het complex is niets meer over, maar dankzij de archieven zijn wij in staat ons een beeld te vormen niet alleen van de kloostergebouwen, maar ook van wat er van binnen te zien en te beleven was. Uit de legpuzzel van diverse gegevens hebben de schrijvers een beeld gereconstrueerd van de in 1573 verwoeste kloosterkerk: een romaanse westtoren, daarachter een romaans schip, gevolgd door een gotische uitbreiding van het romaanse schip, en een gotisch koor. Bulletin KNOB 93, 1994, nr. 1, pp. 19-29: Petra J. E. M. van Dam. Geschiedenis, archeologie en waterbouwkunde: theoretische samenwerkingsmodellen voor interdisciplinair onderzoek met als vertrekpunt de laatmiddeleeuwse uitwateringssluizen van Spaarndam. Achter deze zwaarwichtige titel verbergt zich een ongemeen interessante bijdrage. „Tijdens mijn bezoeken aan de dienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek van de gemeente Rotterdam (BOOR) droegen de archeologen afbeeldingen van de opgraving aan - dia's en tekeningen - en ik deelde afschriften van de bestekken uit. In wezen confronteerde ik de vriendelijk verbaasde archeologen met de klassieke vraag van de historicus of ze me even het plaatje konden leveren van het object waarover mijn bron ging. Waarop zij reageerden met de al even klassieke vraag van de archeoloog aan de historicus hoe mijn object er dan uitzag volgens deze schriftelijke bron? Het heeft even geduurd voordat het duidelijk werd dat we met dezelfde soort problemen te maken
hadden". Een aardige beschrijving van interdisciplinaire verwarring. Om die verwarring weg te nemen en tot samenwerking te komen, zijn modellen nodig. De schrijfster bespreekt er twee: die van de archeologen F. Verhaeghe en H. L. Janssen. Archeologie in Limburg 59, april 1994: Twee bijdragen, beide gewijd aan het bergen, behandelen, conserveren en restaureren van metalen voorwerpen, vragen de aandacht. P. A. Rossèl beschrijft, onder de welsprekende titel: „Van roestklomp tot museumstuk", de wederopstanding van een merovingische gordelgesp, terwijl Jo Kempkes zich in „Opgraven en behandelen van metalen voorwerpen" vooral richt op de werkzaamheden die aan het restaureren voorafgaan. J. H. M. Smeets biedt een beschouwing over de vernieuwde Nederlandse afdeling in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. Een aantal kritische opmerkingen is zeer ter zake. H. Pisters beschrijft een vreemde eend in de bijt: een hamersteen met twee schachtingsgroeven, afkomstig van de Schaesberg bij Valkenburg. Spiegel Historiael 29, 1993, nr 5: H. Fokkens. Palencirkels in Ittersumerbroek: hutten, schaapskooien, zonnekalenders of gewoon fantasie? (pp. 176-178). U kunt het uit de titel al opmaken: Fokkens gelooft niet in tekentafelconstructies en beschouwt de beschreven structuren dan ook als verzinsels. G. A. M. Offenberg. Het kasteel van de Heren van Amstel (pp. 181-185). Het door de stadsarcheoloog Jan Baart ontdekte zware muurwerk aan de Nieuwezijde Kolk is óók omstreden, maar in ieder geval geen verzinsel. Maar is het wel of niet van het kasteel van de Heren van Amstel? Hoe dan ook, uit pr-oogpunt valt er heel wat mee te doen. Eind 1993 verscheen, onder redactie van A. M. J. de Kraker, H. van Roijen en M. E. E. de Smet, een kapitaal boekwerk (in formaat en in dikte: meer dan 1000 pp.), getiteld: „Over den Vier Ambachten". 750 jaar Keure van de Vier Ambachten en ca. 500 jaar Gravejansdijk. Een grensoverschrijdende publikatie in een tijd van verdwijnende grenzen, want het gebied waar het om gaat, is een 750 jaar oud bestuurlijk gebied, dat de voormalige ambachten van Assenede, Axel, Boekhoute en Hulst omvat. ZeeuwschVlaanderen èn Vlaanderen. Het boek bevat een groot aantal archeologische bijdragen. Ik doe een greep: J. A. Trimpe Burger. Vondsten uit de prehistorie in het Nederlandse deel van de Vier Ambachten. R. M. van Heeringen. Archeologisch onderzoek
in Oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen; een korte schets van bereikte en te verwachten resultaten. G. de Smet. Kelten, Romeinen, Germanen. H. Thoen. Romeinen in de Vier Ambachten. J. De Meulemeester. Aarden versterkingen in Noord-Vlaanderen. J. Bourgeois, J. Semey. Kijken over de dijken. H. C. E. M. Rottier. Het middeleeuwse stadsbeeld. Ph. C. M. Haertle. De Karolingische muntenvondst van Zelzate. Het boek is verschenen bij Duerinck BV in Kloosterzande. Helinium 32, 1992, 1/2, pp. 78-109: R. C. G. M. Lauwerier en W. A. M. Hessing. Men, horses and the Miss Blanche effect; Roman horse burials in a cemetary at Resteren, the Netherlands. In de zeventiger jaren werd in Kesteren een militair Romeins grafveld opgegraven. Behalve menselijke crematieresten werden ook vele skeletresten van paarden aangetroffen. De schrijvers betogen, dat het een illusie is (het Miss Blanche effect: er wordt meer gesuggereerd dan te zien is), een rechtstreeks verband te kunnen leggen tussen mens en dier. Er is geen sprake van paardegraven, maar van een „dumpplaats" van paardekadavers. Op dezelfde plaats is later een grafveld in gebruik genomen. Elders langs de Limes ontbreekt dit verband waarschijnlijk eveneens. Archaeofauna 2, 1993: R. C. G. M. Lauwerier. Twenty-eight bird briskets in a pot; Roman preserved food from Nijmegen (pp. 15-19). R. C. G. M. Lauwerier. Bird remains in Roman graves (pp. 75-82). Vogels als voedsel.... voor de levenden en voor de doden. Voor de levenden - Romeinse soldaten in Nijmegen - delicatessen afkomstig uit de Ardennen of de Eifel. Voor de doden als grafgift, een maaltijd op weg naar het dodenrijk. Scientific American 's special issue on Ancient Cities, 1994: Een boeiend voorbeeld van graven in een recent papieren verleden. In de afgelopen 45 jaar zijn in SA talloze artikelen over archeologische onderwerpen verschenen. Een selectie van 17 bijdragen betreffende steden, die met elkaar een periode van meer dan 8000 jaar omspannen, is in deze „special issue" gebundeld. Sommige bijdragen zijn zelf weer „gedateerd", omdat de tijd niet heeft stilgestaan en nieuwe opvattingen en gegevens bekend zijn geworden. Dat maakt het lezen tot een spannend avontuur. Niet alleen Petra en Pompeii, maar ook Cosa en Hambledon Hill zijn
191
in bijdragen vertegenwoordigd. Scarabee nr. 10, juni 1994: De meest opvallende bijdrage is ongetwijfeld die van Cor van der Poel, gewijd aan het in 1944 door de Duitsers uitgemoorde en verwoeste dorp Oradour sur Glane. De resten ervan zijn behouden gebleven en vormen een monument tegen oorlogsmisdaden. Verkeren temidden van deze ruïnes uit een recent verleden is een belevenis die men niet snel vergeet. Het buitenland is verder vertegenwoordigd met bijdragen over de restauratie van de St. Pietersabdij in Gent, Romeinse resten in de Egyptische woestijn en over (de geschiedenis van) het verschijnsel „transhumance" in Thessalië. Het binnenland is present met het tracé van de toekomstige Betuwelijn, de Bataven en de tempel van Empel, afvalverwerking in de Middeleeuwen (beer en bier) en met de zo langzamerhand bekende Romeinse soldaten anno 1994 van het Gemina Project. Verder de vaste rubrieken. Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent; NR, deel 47, 1993: In deze jubileumuitgave ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Maatschappij-met-delange-naam komt de geschiedenis van Gent uitvoerig aan bod. Vooral de bijdrage van de ook in Nederland welbekende prof. A. Verhulst over de stand van het onderzoek naar het ontstaan en de vroegste geschiedenis van Gent is de moeite meer dan waard. Geschiedschrijving, topografie, historische geografie en archeologie gaan hierin op gelukkige wijze samen. Spiegel Historiael 29, 1994, 6, pp. 231-235: F. Meijer. Een slaaf voor een kruik wijn. De wijnhandel tussen Italië en Gallië (200 v.Chr.150n.Chr.). Aanvankelijk kon Italië, waar vanouds veel wijn werd gedronken, in de eigen behoeften voorzien en vanaf het midden van de 2e eeuw v.Chr. zelfs een deel van het overschot naar Gallië exporteren. Vanaf het laatste kwart van de 1e eeuw v.Chr. werden de rollen omgekeerd. Nu moest geïmporteerd worden uit Gallië. Waarom? De wijnbouw in Italië nam in de 1e en 2e eeuw n.Chr. niet af, maar zelfs toe. Maar de bevolkingsgroei nam nog meer toe P. Stuurman F. Scholten. The Edwin van Drecht Collection. Dutch Majolica and Delfware, 1550-J 700. Amsterdam, 1993. 263 blz. ISBN 90-9006612-8. Prijs/ 135,-. Deze catalogus is verschenen naar aanleiding van
192
de tentoonstelling eind 1993/begin 1994 in het Paleis Lange Voorhout in Den Haag. Na een korte inleiding worden 225 majolica- en faienceborden en -schotels afgebeeld en beschreven met referenties naar elders gepubliceerde identieke of vergelijkbare exemplaren. Een uiterst fraaie catalogus, die ongetwijfeld jarenlang als naslagwerk dienst zal doen. A. A. J. J. van Pinxteren e.a. (red.). Pronkstukken. Venlo 650 jaar stad. Venlo, 1993. 340 blz. ISBN 90-73363-06-3. Prijs ƒ 42,50. Om de viering van het 650-jarig bestaan van Venlo extra luister bij te zetten, heeft het gemeentebestuur van deze stad in 1993 een tentoonstelling georganiseerd en daarbij een catalogus doen verschijnen. In de catalogus Pronkstukken staan ruim 350 objecten gerangschikt en belichten ieder voor zich bepaalde facetten uit het verleden van Venlo en haar inwoners. De catalogus begint met 15 catalogusnummers, die betrekking hebben op archeologie. Via vuurstenen artefacten van de Federmesser-cultuur, twee bronstijd-zwaarden, een Hallstatt-ketel en ijzertijdaardewerk belanden we in de Romeinse tijd met onder meer Arretijns aardewerk uit Venlo, gedraaid Romeins aardewerk dat in Venlo vervaardigd is, bronzen beeldjes (Hercules en Osiris) en Romeinse munten. De „archeologische" middeleeuwen worden getoond met een aantal 5e-eeuwse vondsten uit Blerick, een maquette van een 1 le-eeuwse boerderij (eveneens naar aanleiding van een vondst in Blerick) en enkele voorwerpen gevonden bij het voormalige hof van de graven en hertogen van Gelre (voormalige Prinsenhof). W. A. B. van der Sanden (red.). Van rendierjager tot ontginner. Nieuwe oudheidkundige ontdekkingen in Drenthe (XXXVIII) in: Bieleman e.a. (red.). Nieuwe Drentse Volksalmanak 1993. Jaarboek voor geschiedenis en archeologie 110, p. 87-175. ISBN 90-232-2868-5. Prijs ƒ 28,-. „Van rendier tot ontginner" is in tegenstelling tot voorgaande jaren nu geheel gewijd aan middeleeuwse en zelfs post-middeleeuwse zaken (inhoud beerput in Coevorden). De schrijvers komen voornamelijk uit de gelederen van het Drents Museum en Stichting Archeologie en Monument (SAM). Enige vondsten uit een vroegmiddeleeuws grafveld bij Tynaarlo (V. T. van Vilsteren), een keienvloer uit Balloo (W. B. van der Sanden), de opgravingsresultaten van een middeleeuwse spieker bij Zuidbarghe (H. Westing) en de relatie tussen een dump van ongebruikte kloostermoppen in een buitenwijk van Assen en het klooster „Maria in Campis" in deze plaats (door J. R. Beuker en W. A. B. van der Sanden) passeren de revue. J. Molema vraagt
zich ten slotte nog af wat nu de functie is van een 8e-/9e-eeuwse bij Ees (gem. Borger) gevonden langwerpig en smal ijzeren voorwerp: Angelsaksische lanspunt of een Scandinavisch weefzwaard. De auteur geeft uiteindelijk de voorkeur aan het laatste. J. H. N. Elerie, S. W. Jager en Th. Spek, Landschapsgeschiedenis van De StrubbenlKniphorstbos. Archeologische en historisch-ecologische studies van een natuurgebied op de Hondsrug. Groningen (1994). ISBN 90-5028-037-4.236. Prijs ƒ 34,95. Te bestellen bij: REGIO-Project, Postbus 9160, 903 LD Groningen. In deze bundel staat het natuurterrein De Strubben/Kniphorstbos, gelegen tussen Schiphorst en Anloo, centraal. Sake Jager behandelt de archeologie van dit gebied (zijn bijdrage verscheen eerder in de NAR, no. 7). Hans Elerie de cultuurhistorie en ecologie van het terrein. In de bijdrage van Theo Spek (Milieudynamiek en locatiekeuze op het Drents Plateau; 3400 v.Chr.-1850 na Chr.) wordt voornoemd terrein getoetst aan een model, waarin de relaties tussen de bodem, de mogelijkheden voor exploitatie door de mens in verschillende perioden en nederzettingslocaties gepresenteerd worden. Dit model zal in de toekomst zeker een rol gaan spelen bij de interpretatie van de bewoningsgeschiedenis van het Drentse landschap. Travaux du groupe de recherches et d'études sur la céramique dans 1e Nord-Pas-de-Calais. (Actes du colloque d'Outreau, 10-12 avril 1992; la céramique du Vème aux Xème siècle dans 1'Europe du nord-ouest), 1993. Prijs FF 350. ISBN: 09909559. Deze schitterend uitgevoerde bundel bevat ruim 20 artikelen over tal van facetten (produktie, verspreiding, consumptie, datering) m.b.t. vroegmiddeleeuwse ceramiek in Noordwest-Europa. Drie Nederlandse bijdragen: De evolutie van de ceramiek in het zuiden van Nederland voor 1000 (A. Verhoeven); De vroeg-middeleeuwse ceramiek te Maastricht: traditie en vernieuwing (W. Dijkman); De handel in Karolingische ceramiek in Nederland (W. van Es en P. Verwers). De bundel is voorzien van samenvattingen in het Frans, Engels en Nederlands. Arnold Carmiggelt Het nabije buitenland: een bijzonder literatuursignalement Net over onze landsgrenzen heen vinden, in Duitsland en in België, ontwikkelingen plaats op archeologisch gebied, die het vermelden meer dan waard zijn. Ze zijn vastgelegd in een aantal
publikaties, die ik graag onder uw aandacht wil brengen. Kulturlandschaft und Bodendenkmalpflege am unteren Niederrhein. Eine Veröffentlichung des Landschaftsverbandes Rheinland, Rheinisches Amt für Bodendenkmalpflege. Köln, Rheinland Verlag, 1993. 144 pp. In Westerheem 41, 1992, 5, p. 248, wees ik op een bijdrage van Wolfgang Wegener in de Bonner Jahrbücher Bd. 191, 1991. Daarin besprak hij een interdisciplinair onderzoeksproject, „Kulturlandschaftsgenese am unteren Niederrhein", waarin archeologen, historisch-geografen en geologen samenwerkten om inzicht te verkrijgen in de archeologische, historisch-geografische en geologische waarden van een gebied aan weerszijden van de Rijn tussen de Nederlandse grens en Rees. In het bijzonder ging het om een inventarisatie van de gevaren die deze waarden bedreigden èn bedreigen en om een antwoord op de vraag hoever de archeologische erosie al is voortgeschreden. In oktober 1991 werd in Kleef een symposium gehouden over dit onderwerp. De inbreng van Nederlandse en Vlaamse wetenschappers was aanzienlijk: Jan Kolen. Das Landschaftskonzept in der archaologischen Denkmalpflege. Johannes Renes. Angewandte historisch-geographische Untersuchungen in den Niederlanden. Gunter Stoops en Hans Kerrinckx. Die Landschaft im Scheldetal stromaufwarts von Gent. Een heel ander soort boekje is het speelse In der Asche lesen. Archeologische Spurensuche am Alten Steinweg (in Munster). Ein Begleitheft zur Ausstellung in der Stadtbücherei Munster. Munster, Westfalisches Museum für Archaologie, 1993. 39 pp. Van 1986 tot 1989 vond in een in de Tweede Wereldoorlog grotendeels verwoeste stadswijk van Munster, het Asche-Gelande, voorafgaand aan de bouw van een nieuwe stedelijke bibliotheek, archeologisch onderzoek plaats. In de omstreden nieuwbouw, door sommigen oneerbiedig het Droogdok genoemd, werd in 1993 een tentoonstelling ingericht van de resultaten. In het begeleidende boekwerkje is een leuke poster van Frank Heinemann, „Geschichte der Asche erzahlt in Bildern", opgenomen. In het voorjaar van 1994 vond in Brussel onder de titel „kuil 3/Sleuf VI. Archeologisch onderzoek in Vlaanderen" een grote tentoonstelling plaats, waarin een overzicht werd gegeven van de activiteiten van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP), de Vlaamse tegenhanger van „onze" ROB. Ook bij het IAP staan
193
voorbereiding en uitvoering van het beleid inzake het beheer en de bescherming van het archeologisch patrimonium in Vlaanderen voorop, inclusief het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. In een begeleidend boekje, getiteld Instituut voor het Archeologisch Patrimonium. Wetenschappelijke instelling van de Vlaamse Gemeenschap. Asse-Zellik, Doornveld 1, 1994. 15 pp. wordt een kleurig geïllustreerd overzicht gegeven van de activiteiten. Van een heel ander niveau is de wetenschappelijke studie, die R. Nouwen heeft gewijd aan een merkwaardig fenomeen, dat tot de collectie van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren behoort: de pentagon-dodecaëder, een metalen, hol voorwerp, bestaande uit 12 vlakken, 20 hoeken en 30 zijden, waar twee vlakken elkaar raken. In de natuur komt de dodecaëder als kristalvorm voor. Omtrent de betekenis van de „geconstrueerde" dodecaëder, waarschijnlijk een geometrische creatie van Griekse wiskundigen, zijn vele theorieën, verklaringen en hypothesen in omloop. De schrijver biedt een inventaris van de bekende Gallo-Romeinse dodecaëders, legt verbanden met dodecaëders in andere culturen en geeft een overzicht van de meest relevante hypothesen in: De Romeinse Pentagon-dodecaëder: mythe en enigma. Hasselt, Provinciebestuur, 1993. 120 pp. (Publikaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren; 45). De Waalse tegenhanger van het IAP, de Division des Monuments, Sites en Fouilles de la Région Wallonne, behorend tot de Direction Générale de 1'Aménagement du Territoire et de Logement (DGATL), laat zich ook niet onbetuigd. Twee zeer publieksvriendelijke uitgaven bereikten de redactie:
194
l'Archéologie en Région Wallonne 1980-1990. Jambes, DGATL, 1993. 136 pp. (Dossiers de la Commission Royale des Monuments, Sites en Fouilles, 1). J. Plumier. Archeologie d'un quartier namurois. Namur, DGATL, Direction des Fouilles, 1993. 28 pp. Beide publikaties zien er zeer uitnodigend uit, met veel kleurenfoto's. Aan eerstgenoemde publikatie heeft een keur van Waalse archeologen meegewerkt, onder anderen André Matthys, Raymond Brulet, Anne Cahen-Delhaye, Marcel Otte en Jean Plumier. Alle archeologische perioden, van Paleolithicum tot middeleeuwen, passeren de revue. Aan stadsarcheologie en laboratoriumonderzoek zijn afzonderlijke hoofdstukken gewijd. Het stadsarcheologisch onderzoek in Namen heeft niet alleen opheldering gebracht omtrent de ontwikkeling van de laatmiddeleeuwse stad, maar ook en vooral omtrent de omvang van de Romeinse vicus op de noordoever van de Sambre en de daarop volgende merovingische bewoning. Beknopt verteld, voorbeeldig uitgegeven. Tot slot een uitgave van dezelfde overheidsinstelling, samen met de Facultés universitaires Notre-Dame de la Paix, Département d'Histoire de 1'Art et d'Archéologie: M. H. Corbiau en J. Plumier (red.). Actes de la Première Journée d'Archéologie Namuroise; Namur, 27 février 1993. Namur, 1993. 104 pp. Professionele en amateur-archeologen geven in een groot aantal bijdragen een overzicht van hun activiteiten in de provincie Namen. Ook in deze publikatie zijn alle archeologische perioden en vele bekende vindplaatsen vertegenwoordigd: Namen, Han, Montaigle, Jemelle. P. Stuurman
Agenda Tentoonstellingen Aardenburg, Gemeentelijk Archeologisch Museum, Marktstraat 18: Voet'n in d'èrde. T/m 30 september. Amsterdam, Amsterdams Historisch Museum, Kalverstraat 92: Bier! Geschiedenis van een volksdrank in Holland. T/m 14 september. Dronten, Rijksmuseum voor Scheepsarcheologie, Vossemeerdijk 21: Schepen op tegels, tegels uit schepen. T/m 15 november. In samenwerking met het Nederlands Tegelmuseum te Otterlo organiseert het Rijksmuseum voor Scheepsarcheologie een tentoonstelling over de Nederlandse tegel. De blauwe tegel werd eeuwen lang in de Hollandse woonhuizen als decoratie gebruikt. Hij sierde onder meer wanden, vloeren en schouwen. De veelkleurige, ornamentale tegel, waaraan de Moorse invloed duidelijk is af te zien, stamt uit de late 16e eeuw. Onder invloed van de handel met Japan en China werd de blauw beschilderde tegel populair. In de 17e eeuw en in de eeuwen daarna werden tegels vervaardigd met afbeeldingen uit het dagelijks leven of met bijbelse voorstellingen. Het Centrum voor Scheepsarcheologie bezit een aantal Nederlandse tegels. Deze zijn afkomstig uit diverse scheepsopgravingen. Zoals alle andere vondsten zijn óók de tegels gehavend en incompleet. Een aandoenlijke vondst betreft een aantal tegels met spelende kinderen erop afgebeeld. De tegels vormen een deel van de haardplaat van een vistransportschip uit 170Ö.
De oudste tegels betreffen een vloertegel en een plavuis uit de Late Middeleeuwen. De tegelvondsten uit een schip tonen aan dat, net zoals in de woonhuizen, het gebruik van een tegel als decoratie heel gewoon was. Het Nederlands Tegelmuseum te Otterlo bezit een fraaie collectie tegels en tableaus met schepen en havengezichten. Dit feit geeft het Rijksmuseum van Scheepsarcheologie aanleiding om een deel hiervan tijdelijk in bruikleen te nemen. In de tentoonstelling „Schepen op tegels, tegels uit schepen" worden deze tegels naast de tegelcollectie van het Centrum voor Scheepsarcheologie getoond. De bezoeker van het Rijksmuseum voor Scheepsarcheologie kan tevens kennis maken met de vervaardigingswijze en de historie van de Nederlandse tegel. Ens, Museum Schokland, Middelbuurt 3: Roofridders, hun geld en valsemunterij. T/m 24 september. Leeuwarden, Fries Museum, Turfmarkt 24: Romeinse munten in Friesland. T/m 27 oktober. Maassluis, Gemeentemuseum, Zuiddijk 16: De Maas, beeldverhaal van een rivier. T/m 17 september. Nijmegen, Provinciaal Museum G. M. Kam, Museum Kamstraat 45: Kunsten van het vuur; Romeinse ambachten in Nijmegen. T/m 30 oktober. Sommelsdijk, streekmuseum Goeree-Overflakkee, Kerkstraat 2-4: Bodemvondsten uit Goeree-Overflakkee. T/m 31 oktober.
195
(ingezonden mededeling)
Glas zonder glans Vijf eeuwen gebruiksglas uit de bodem van de Lage Landen, 1300-1800 Dit boek bespreekt de glasvondsten die in de laatste decennia uit de bodem van Nederland en België (voornamelijk Vlaanderen) aan het licht zijn gekomen. Momenteel ontbreekt in de glas-archeologie een overzicht, waarin de relatie tussen de vondsten wat betreft datering, waarschijnlijke produktiestreek en regionale invloeden worden geschetst. Uit gesprekken met beroeps- en amateur-archeologen bleek dat aan een dergelijk overzicht behoefte bestaat. Aan bod komen de samenstelling van de verschillende glassoorten, de produktieregio's, de fabricagetechnieken en de veranderingen in vorm en decoratie, in relatie met de periode waarin de objecten zijn ontstaan. Ingedeeld in tijdvakken van honderd jaar wordt de ontwikkeling van de grondvormen (beker, kelkglas, voorraadfles) en de afgeleide vormen nagegaan, waarna bespreking van ca. 600 objecten volgt, die uit de collectie van de auteur (H. E. Henkes), de collectie van het museum Boymans-van Beuningen (de collectie Van Beuningen-de Vriese) en uit depots van verscheidene archeologische diensten (stedelijk, provinciaal, Rijk) zijn geselecteerd. Naast een beschrijving van de objecten wordt aandacht besteed aan de relatie met vondstcomplexen in het buitenland, in het bijzonder in Duitsland en Frankrijk. In aparte, minder tijdgebonden paragrafen, die langere perioden overspannen, wordt aandacht besteed aan medisch/farmaceutisch en huishoudelijk glaswerk en aan vensterglas. In verband met de vaak onzekere datering is gebruik gemaakt van (niet-uitputtend) archivalisch en iconografisch brononderzoek, met name door bestudering van het voorkomen van glazen objecten op schilderijen en prenten, voornamelijk uit het bezit van museum Boymans-van Beuningen. In het catalogusgedeelte worden aan de hand van tekeningen en foto's (deels in kleur) de objecten besproken en getoond, met vermelding van relevante gegevens van vergelijkbare vondsten die elders zijn gedaan. Een uitgebreide samenvatting in het Engels van de inleidende hoofdstukken en korte samenvattingen van de gegevens, vermeld in daaropvolgende paragrafen, maken dit werk ook toegankelijk voor hen die de Nederlandse taal niet beheersen. De publikatie „Glas zonder glans" zal als deel 9 van de serie „Rotterdam Papers" verschijnen. De prijs is ƒ 110,-. Te bestellen bij: BOOR, Postbus 6633, 3002 AP Rotterdam.
196
Adressenlijst hoofdbestuur en afdelingssecretariaten van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland Hoofdbestuur: Alg. voorzitter: P. K. J. van der Voorde, Laan van Vollenhove 560-bis, 3706 AA Zeist, tel. 03404-50189. Vice-voorzitter: H. Wieringa (afdelingen en regio's), Meyerinksberg 16, 7641 RZ Wierden, tel. 0546-571891. Alg. secretaris: vacature. Waarneming door J. C. Bakker, Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad, tel. 03200-54808. Alg. penningmeester: J. D. F. Hardenberg, Kagertuinen 63, 2172 XK Sassenheim, tel. 02522-11445, gironr. 577808. Bestuursleden: Mevr. S. G. van Dockum (contacten vakwereld), Looierstraat 6, 3582 AR Utrecht, tel. 030-540610. Mevr. M. van Ieperen (educatie), Wiekelhorst 24, 2317 ZJ Leiden, tel. 071-225746. W. Telleman (kampen), Weerselostraat 78, 7623 DB Borne, tel. 074-665132. Vacature (public relations). E r e l e d e n : H. J. Calkoen t (Ere-voorz.), E. H. P. Cordfunke, H. J. van Rijn, P. Stuurman, H. Brunsting, R. van Beek, P. Vons, S. Pos. A l g e m e e n s e c r e t a r i a a t AWN : Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad. L e d e n - en a b o n n e m e n t e n a d m i n i s t r a t i e A W N : Postbus 714, 3170 AA Poortugaal, tel. 01890-17451 (tijdens kantooruren). Secretariaten Afdelingen: 1. Noord-Nederland: Mevr. C. Raats-de Kuyer, Paaskamp 16, 9301 KL Roden, tel. 0590818735. 2. Noord-Holtand Noord: J. W. Loots, Staeleversgracht 7, 1601 NM Enkhuizen, tel. 02280-18300. 3. Zaanstreek en omstreken: Mevr. A. TrompVeeter, T. Slagterstraat 15, 1551 CG Westzaan, tel. 075-283814. 4. Kennemerland (Haarlem e.o.): Mevr. A. A. van Assema, Lange Begijnestraat 22, 2011 HH Haarlem, tel. 023-320096. 5. Amsterdam en Omstreken: Mevr. K. H. van Reenen-Stein, Mr. Sixlaan 13, 1181 PK Amstelveen, tel. 020-6451838. 6. Rijnstreek: Mevr. M. F. van Oorsouw, Gere-
gracht 50, 2311 PB 218741.
Leiden, tel. 071-
7. Den Haag en omstreken: A. P. van den Band, Prins Frederiklaan 334, 2263 HM Leidschendam, tel. 070-3175534. 8. Helinium (Vlaardingen): Mevr. P. S. de Wit, Brandewijnpad 5, 3119 ZA Schiedam, tel. 010-2731273. 9. De Nieuwe Maas (Rotterdam e.o): Mevr. J. C. Vos-Kranendonk, Verwersdijk 77, 2611 NE Delft, tel. 015-123443. 10. Zeeland: Mevr. L. C. J. Goldschmitz-Wielinga, Verdilaan 35, 4384 LB Vlissingen, tel. 01184-62142. 11. Lek- en Merwestreek: Mevr. J. C. van Pelt, Adm. de Ruyterweg 19, 3354 XA Papendrecht, tel. 078-151142. 12. Utrecht en omstreken: A. Mandersloot, Weegbreestraat 175, 3765 XD Soest, tel. 02155-15589. 13. Naerdincklant (Hilversum e.o.): W. H. Wimmers, Roekenbos 67, 2134 VB Hoofddorp, tel. 02503-31497. 14. Vallei en Eemland (Amersfoort e.o.): A. P. de Boer, Frans Tromplaan 22, 3871 EN Hoevelaken, tel. 03495-34729. 15. West- en Midden-Betuwe en Bommeiierwaard: H. Vroon, Henri Dunantstraat 41, 4024 HX Eek en Wiel, tel. 03449-1956. 16. Nijmegen en omstreken: H. J. A. de Wit, Beukenlaan 38, 6584 CR Molenhoek, tel. 080-584617. 17. Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland: Mevr. A. M. Baljet-Peters, Bronbeeklaan 40, 6824 PH Arnhem, tel. 085-643080. 18. Zuid-Salland - Usselstreek - Oost-Veluwezoom: J. de Vries, Vossebeltweg 33, 7431 AS Diepenveen, tel. 05709-1996. 19. Twente: Mevr. F. L. Ruizeveld-de Winter, Zevenblad 42, 7623 CG Borne, tel. 074666891. 20. IJsseldelta-Vechtstreek: J. Assink, Prins Frederikplein 4, 8019 XB Zwolle, tel. 038216418. 23. Flevoland: J. Eelman, Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad, tel. 03200-51969. 24. Midden-Brabant: J. v.d. Hout, Dintel 92, 5032 CS Tilburg, tel. 013-634913.
Uitgaven van de AWN Ieder AWN-lid ontvangt het tijdschrift Westerheem en het blad van de afdeling waarbij men is aangesloten. De AWN geeft echter meer publicaties uit. De volgende uitgaven zijn nog voorradig:
"•JJi sl|jl| H.'<£l|
iSüSl^il g ^ ^ ^ ^ litjjÉ jfljjjj §||§j A^SBStii
streckbcschrijving
AWN - monografie 3 J. G. N. Renaud Middeleeuwse ceramiek.
Enige hoofdlijnen uit de ontwikkeling in Nederland Z.p. ('s-Gravenhage) 1976, 123 pp., ill. Deze monografie is nog steeds een standaardinleiding tot de vormenrijkdom van de middeleeuwse ceramiek die bij archeologisch onderzoek kan worden aangetroffen. Leden betalen f 15,—, niet-leden f 20,—.
AWN - monografie 4 J. M. Bos Archeologische streekbeschrijving; een handleiding Z.p. (Vlaardingen) 1985, 158 pp., ill., ISBN 90 71312 01 1 Een onmisbare handleiding voor iedereen die met veldverkenningén of regionale inventarisaties wil beginnen, en voor hen die daar al mee bezig zijn. Enthousiast onthaald in de wetenschappelijke en populaire vakpers. Prijs voor leden f 22,50, voor niet-leden f 27,50.
AWN - monografie 5 A. Warringa en G. van Haaff Opgraven. Technieken voor archeologisch veldwerk Utrecht 1988, 128 pp., ill., ISBN 90 70482 68 1 Practische handleiding voor allen die op verantwoorde wijze willen (helpen) opgraven. Achtereenvolgens komen aan de orde: meetsysteem, graafwerk, tekenen en fotograferen, vondsten en monsters, administratie en documentatie, kartering en bijzondere structuren. Uitgegeven in samenwerking met de NJBG bij Matrijs in Utrecht. Prijs voor leden f 15,00, voor niet-leden f22,75.
Oude jaargangen Westerheem 1965 - 1969 (klein formaat) f 12,50 per jaargang; losse nummers f2,50 1970 - 1993 (grootformaat). De prijs per jaargang is gelijk aan de voorhet betreffende jaar geldende contributie. Speciale nummers (o.a. Nederzettingsarcheologie in Nederland, Stadskernonderzoek in ontwikkeling, en themanummers over het werk van bepaalde afdelingen) f 8,00 tot f 10,00.
Naaldbanden Westerheem Iedere band kan twee jaargangen bevatten en kost f 12,50. Alle prijzen zijn exclusief eventuele verzendkosten. Bij bestelling van 10 of meer exemplaren geldt een korting van 10%. U dient uw bestellingen te richten aan: AWN-Ledenservice, J. C. Bakker, Neckarstraat 10, 8226 LL Lelystad.
Westerheem <w-
-mr
•
J
"•
XLIII-5-1994
AWN
Colofon
Inhoud jaargang 43 no. 5, oktober 1994
Westerheem is het tweemaandelijks orgaan van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN), Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad Lidmaatschap/abonnement f 65,- per jaar Opgave: Leden- en abonnementenadministratie AWN, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal Opzegging vóór 1 december
G. van Haaff Begraven graven. Richtlijnen voor het opgraven en documenteren van begravingen (deel 2)
197
Dimitri De Loecker Redactie: A. Carmiggelt (hoofdredacteur), Harstenhoekweg 139, 2587 SG 's-Gravenhage P. Stuurman (redacteur literatuurrubrieken), Volendamlaan 1094, 2547 CS 's-Gravenhage (tevens centraal redactie-adres) R. van Lit (eindredacteur), Waalsdorperlaan 9, 2244 BM Wassenaar M. F. van Oorsouw (redacteur verenigingsnieuws), Buizerdhorst 17, 2317 DA Leiden
Pemothax: Een handig instrument in de speurtocht naar gedragspatronen (Maastricht-Belvédère, site K) 206
Mathieu Willemsen Archeologische presentaties in Noord-Holland
220
WijnandA. B. van der Sanden Redactieraad: J. C. Besteman, J. H. F. Bloemers, J. Buurman, H. Groenendijk, R. C. G. M. Lauwerier, D. Stapert, H. Stoepker, L. B. M. Verhart Sluitingsdata kopij: 1 januari, 1 maart, 1 mei, 1 juli, 1 september en 1 november Aanwijzingen voor auteurs zijn óp aanvraag verkrijgbaar bij de hoofdredacteur Voor inlichtingen over advertenties wende men zich tot de eindredacteur © AWN 1994. Overname van artikelen en illustraties is slechts toegestaan na voorafgaande schriftelijke toestemming van de redactie
De dood in de tempel. Het meisje van Yde opnieuw vermoord
226
Kort archeologisch nieuws
229
Literatuurbespreking
230
Literatuursignalement
241
Personalia
243
Agenda
244
Druk: Seinen's Grafische Bedrijven, De Krim (Ov.)
ISSN 0166-4301 Wij verzoeken u adresveranderingen door te geven aan de leden- en abonnementenadministratie AWN, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal. Alleen zo bent u gegarandeerd van de toezending van Westerheem.
Op het omslag: Disc kern van vuursteen. Tekening door G. Leroy. Zie p. 206 e. v.
Begraven graven (deel 2)" Richtlijnen voor het opgraven en documenteren van begravingen G. van Haaff Vondsten Net zoals dit met skeletdelen het geval is, is de conservering van vondsten vaak sterk afhankelijk van het sediment waarin ze gebed liggen. De vondsten uit een graf kunnen in vier groepen worden gesplitst. Ten eerste de losse vondsten, ten tweede het skelet, ten derde de vondsten die bewust aan de dode zijn meegegeven en ten vierde de monsters die op de diverse plaatsen in het graf kunnen worden genomen. De nummers van deze laatste groep worden als reguliere vondsten geadministreerd. Bij het opsporen van metaalvondsten behoort de metaaldetector tot de standaardapparatuur. Deze detectievorm voorkomt dat zeer kleine voorwerpen worden gemist, maar zorgt er vooral voor dat de meeste vondsten veel minder beschadigd worden, omdat vooraf duidelijk is waar ze zich bevinden. Losse vondsten Dit zijn over het algemeen vondsten die bij het delven en dichten van een graf per ongeluk in de grafvulling terecht komen. Het merendeel van dit materiaal is afkomstig van het oppervlak ten tijde van het delven van het graf. Toch kan dit „losse" materiaal voor de datering van een graf van belang zijn. Zeker als we verder geen daterende elementen aantreffen. Het graf zal in elk geval even oud of jonger moeten zijn dan de jongst gedateerde scherf uit de grafvulling. Toevalsvondsten worden over het algemeen niet opgemeten en van een afzonderlijke hoogte voorzien. Meestal worden ze onder één verzamelnummer opgenomen in de vondstenlijst. Hierbij kan nog onderscheid worden gemaakt tussen vondsten die onder of boven een kist vandaan komen. Bij de ge-
* Deel 1 verscheen in Westerheem 43 (1994) no. 4.
ringste twijfel is het echter nodig om de vondst volledig (en apart) te documenteren. Skelet Elk skelet krijgt één vondstnummer. Bij berging kunnen de onderdelen deelnummers krijgen, maar noodzakelijk is dit niet. Bij- of graf gaven Vondsten die in het kader van het dodenbestel en vanuit de religieuze beleving bewust aan de dode worden meegegeven, worden bijgaven genoemd. De veel gebruikte term bijgiften of grafgiften dient in deze context als onjuist te worden aangemerkt en kan slechts alleen betrekking hebben op meegegeven geldelijke middelen. In de eerste plaats is het meegeven van grafgeschenken een neerslag van de religieuze en culturele waarden van de dode en/of de nabestaanden. Het verstrekt ons informatie over de gedachten en ideeën die er op het moment van begraving bestaan over het „hiernamaals". Ten tweede zorgt het ervoor, dat we een uitgebreid vorm-, stijl- en tijdsbeeld krijgen van allerlei grafgaven uit een bepaalde periode. Alle bijgaven worden afzonderlijk opgemeten en getekend. Tevens wordt van elk voorwerp de NAP-hoogte bepaald, waarbij het van belang is om ook de hoek (ligging) van het voorwerp vast te leggen en in z-waarden uit te drukken. Deze informatie kan bij het reconstructiebeeld van belang zijn. Tevens dient men te registreren wat de onderkant en de bovenkant van het voorwerp is. Lag die gesp met de doorn naar onderen of naar boven, stond die glazen beker al dan niet ondersteboven, om welke vinger zat die ring? enz. Het gaat er hier niet om, dat het voorwerp in detail wordt getekend, maar dat de locatie en de oriëntatie in samenhang met de andere grafgaven precies bekend is. Voor kleine voorwerpen of voorwerpen met 197
10. Op het conserveringslaboratorium van de ROB gemaakte tekening van een Merovingisch snoer uil Wijchen met kralen, een ring en twee fibulae. Daarnaast een foto van hetzelfde snoer (foto 's: ROB, Amersfoort).
een onderlinge samenhang, zoals kralensnoeren, garnituren e.d., is een schaal van 1 : 1 soms absoluut vereist. Het is verstandig om in deze situaties de vondst(en) te bekisten en ze binnen verder af te werken en te tekenen. Voordat dit kan gebeuren, is het van belang om altijd eerst de NAP-hoogte vast te stellen, het geheel duidelijk te tekenen en aan het meetsysteem vast te leggen. Van elke „blok" grond die wordt opgenomen, moeten de ligging, de oriëntatie en de hoogte exact bekend zijn. Dusdanig, dat het geheel later op papier als het ware is „terug te leggen". In het laboratorium dienen van deze miniopgravingen tekeningen en foto's te worden gemaakt, die duidelijkheid verschaffen over de aard en de ligging van de vondst (afb. 10). Potten, kruiken, bekers, borden of andere „containers" die als grafgaven zijn meegegeven, mogen nooit in het veld leeggemaakt worden! Er bestaat namelijk de 198
mogelijkheid om spijzen en dranken, als deze aanwezig geweest zijn, (gaschromatografisch) te identificeren. En ook al wordt een dergelijk onderzoek niet direct uitgevoerd, toch moet de mogelijkheid worden overwogen om de monsters daarvoor te (kunnen) nemen'. Monsters Sterk gerelateerd aan de probleem-/vraagstelling is de bemonsteringsstrategie. Vanuit diverse disciplines kunnen er monsters worden genomen. We kunnen hierbij denken aan houtskool-, zaden- en fosfaatmonsters, maar bijvoorbeeld ook het bemonsteren van de plek waar de „maaginhoud" van de dode zich moet bevinden. Rondom het skelet kunnen zich „lijkslakjes" bevinden, die een indicatie kunen zijn voor het gedurende een bepaalde periode blootstellen van het lijk aan de elementen. Indien het botmateriaal dusdanig slecht is
dat het niet meer opgenomen kan worden, kunnen monsters hiervan gebruikt worden voor een C14-datering. Soms kan het zelfs nog iets vertellen over de bloedgroep van de dode. Een monster wordt behandeld als een (bijzondere) vondst en krijgt een normaal vondstnummer met een toegevoegde code. Zo staan MA, MZ, MHK voor respectievelijk een Algemeen Monster, een Zaden Monster of een HoutsKool Monster2. Vondstnummers In principe krijgt elke vondst een eigen nummer. Natuurlijk kunnen er afspraken gemaakt worden om bijvoorbeeld een structuurloze hoeveelheid kralen onder één nummer op te bergen. Ook kan een aantal bij en op elkaar liggende vondsten die worden ingekist en naar het laboratorium vervoerd, (voorlopig) één vondstnummer krijgen. Later kunnen dan nieuwe of (deel)vondstnummers worden uitgegeven. Elk uitgegeven vondstnummer moet direct in een vondstenlijst gezet worden of naast de tekening worden geschreven, samen met het spoornummer, de NAP-hoogte en de datum. Gebeurt dit niet consequent, dan is chaos voorspelbaar. Een vondstnummer is héél snel dubbel uitgegeven of vergeten, met alle gevolgen van dien. Met behulp van het spoornummer, de NAP-hoogte en de datum zijn eventuele fouten (verdubbelingen) misschien nog te herstellen. Vondstenlijst Normaliter wordt er van elke opgravingsput een vondstenlijst samengesteld. Te meer daar de vondsten per opgravingsput doorlopend worden genummerd. Het verdient aanbeveling om deze lijst meteen of in elk geval elke dag bij te houden, zodat de vondstadministratie overzichtelijk blijft. Indien er bijzondere vondsten worden afgevoerd naar het laboratorium of elders, is het goed hiervan aantekeningen te maken, zodat duidelijk is waar de vondsten zich bevinden. Bij heel „rijke" graven kan ook worden afgesproken dat er een vondstenlijst per graf wordt gemaakt. Wordt er echter aan meerdere graven tegelijk gewerkt, dan kan het in zo'n situatie betekenen dat de vondstnum-
mering niet opeenvolgend is en door elkaar gaat lopen. Bij de invoer van de vondstgegevens in de computer is het goed om rekening te houden met het feit dat zo'n database later gekoppeld dient te kunnen worden aan een data-base met spoor(= graf)beschrijvingen, NAP-waarden, enz. Voor het technologisch laboratorium is het van belang dat er een overzicht of uitdraai per graf komt. Dit maakt het verwerken van de vondsten een stuk eenvoudiger en overzichtelijker. Coupes of doorsneden Om inzicht te verkrijgen in de verticale structuur van een graf, dienen er vanaf een zo hoog mogelijk niveau profielen te blijven staan. Hiertoe worden coupelijnen uitgezet. Dit kan bij een inhumatiegraf ter hoogte van de halve lengte of de halve breedte zijn. Ook kan een graf via een kruiscoupe in kwadranten opgedeeld worden, zodat een lengte- èn een breedteprofiel ontstaat. Deze coupes of doorsneden worden vastgelegd aan het meetsysteem. Over het algemeen is het couperen van een inhumatiegraf met een goed geconserveerd skelet een vervelende aangelegenheid. Enerzijds moeten we informatie verwerven over de verticale opbouw, aan de andere kant is de aanwezigheid van een coupe(dam) praktisch gezien een lastige sta-in-de-weg bij het uitprepareren van het skelet. De keuze kan van de volgende factoren afhangen: Coupe over inhumatiegraf met goed geconserveerde skeletdelen Voor een (betrekkelijk smal) normaal inhumatiegraf is een coupe over de breedte de meest praktische oplossing. Coupes in de lengterichting of kruiscoupes (vereenvoudigde kwadrantenmethode) blijken in de praktijk al snel „benenbrekers" te worden met gebrekkig zicht op werk, tenzij de mogelijkheid aanwezig is om „ruim" te werken. Men kan de keus maken om het halve graf te ontgraven of het hele graf, met uitzondering van een profieldam. Tijdens het verdiepen worden horizontale vlakken getekend en ook het skelet wordt zo compleet 199
mogelijk op papier gezet. Vervolgens tekent men de doorsnede tot aan het skelet. Als dit gedaan is, zijn er twee mogelijkheden: a. We nemen het skelet op tot aan de coupelijn, completeren de coupe en vullen de tekening aan. Hierna graven we de andere helft van het graf op tot aan het skelet, vullen dit aan op de vlaktekening, nemen de rest van het skelet op en werken het graf verder af. b. Nadat de coupe tot aan het skelet is getekend, wordt eerst het gehele skelet vrijgelegd, zodat dit compleet kan worden getekend en gefotografeerd. De coupelijn wordt met behulp van twee grondpennen „onthouden" of vastgelegd. Na het opnemen van het skelet wordt de coupe vervolgens gecompleteerd. Het voordeel van coupe a is, dat we de complete doorsnede in ÊÊn keer te zien krijgen, terwijl coupe b een compleet horizontaal vlak met het skelet oplevert. Het resultaat op de tekening is uiteindelijk gelijk. Coupe over inhumatiegraf zonder bewaard gebleven skeletdelen Bij graven zonder skeletdelen kunnen de coupes in de lengte- of de breedterichting worden gezet. Ook de kruiscoupe kan hier
11. Een in kwadranten opgegraven grafheuvel.
200
goed worden toegepast, onder voorbehoud dat er voldoende ruimte om het graf aanwezig is, anders worden omringende graven wellicht (onnodig) vergraven. Met enige creativiteit kunnen coupes overigens zonder problemen doorlopen naar andere sporen (graven). Zeker als het om elkaar oversnijdende grafkuilen gaat. Couperen van een crematie graf zonder container Er moet zoveel mogelijk getracht worden om de toch al sterk gefragmenteerde crematieresten niet nog eens verder te fragmenteren, door een crematiegraf te couperen. Het is verstandig om de grond rond het graf voor de helft uit te graven, waarna we de concentratie verbrand bot voorzichtig vanaf de buitenkant benaderen. Door het materiaal gescheiden en stratigrafisch te verzamelen (resten van de schedel kunnen bijvoorbeeld onderin liggen en de voeten aan de bovenzijde of omgekeerd) ontstaat uiteindelijk toch een doorsnede die getekend en gefotografeerd kan worden. Couperen van grafstructuren Paalkuilen, greppels, kuilen e.d. worden op de normale manier gecoupeerd en afgewerkt, al dan niet met kruiscoupes. Het op-
graven (= couperen) van een grafheuvel voeren we uit volgens de door Van Giffen ontwikkelde kwadranten-methode (afb. 11)3. Deze methode is in haar uitgangspunten heel goed, maar ook vrij log en statisch. Met de nodige creativiteit en improvisatie is er veel meer rendement uit te halen. Het gaat er niet alleen om de methode perfect te hanteren, maar ook om een methode dusdanig te „manipuleren", dat deze kwalitatief méér informatie oplevert. Vastleggen en documenteren Tekenen Eén van de eerste dingen die nodig zijn bij het onderzoek van een grafveld, is een overzichtstekening (of een normale 1 : 50 vlaktekening). Op deze tekening moet de positie van elk graf zijn ingemeten. In principe kan worden volstaan met het tekenen van de grafcontour, want per graf volgen er immers nog de nodige detailtekeningen. Het is belangrijk dat de ligging van elk graf ten opzichte van het meetsysteem duidelijk is, met de bijbehorende NAP-hoogte en de noordpijl. Vervolgens krijgt elk graf per opgravingsput een doorlopend (Arabisch) spoornummer. Of het nu een inhumatie- of een crematiegraf is! Dit spoornummer (hoofdletter S plus een getal) is het identificatienummer van elk graf en vergezelt elke tekening, elke vondst, elke notitie van dat graf! Eenmaal uitgegeven, blijft het er onlosmakelijk mee verbonden. Elk graf wordt in de meest praktische werkvolgorde afgewerkt. Dit houdt in, dat het graf waar we het beste bij kunnen en waar de meeste ruimte is voor de afwerkgrond, het eerste aan bod is. Van hieruit wordt dan verder gewerkt. Elk graf wordt vastgelegd aan de meetlijn. Er kan voor ieder graf ook een hulpmeetlijn worden gemaakt, die duidelijk op de overzichtstekening wordt aangegeven. Graftekeningen worden standaard op schaal 1 : 20 gemaakt, maar het kan natuurlijk heel goed voorkomen dat schaal 1 : 10 of zelfs 1 : 1 noodzakelijk is. Bij twijfel of onduidelijkheid wordt de noordpijl altijd aangegeven. Tijdens het schavend verdiepen van elk graf
kan de keus worden gemaakt om steeds opnieuw een vlak te tekenen of om alle informatie in één graftekening te stoppen met alle daarbij behorende NAP-hoogten. De laatste manier geeft meestal alleen maar de uiteindelijke resultaten en informatie. Tussenstadia worden meestal overgeslagen en vrij snel „passend" gemaakt in het eindbeeld. Het steeds opnieuw tekenen van een vlak op het moment dat dit noodzakelijk lijkt, is een stuk tijdrovender, maar beduidend objectiever. Bij dit soort keuzen is van belang hoe gedetailleerd de vraag-probleemstelling is. Wat is het belang van al die tussenstadia? Hoeveel tijd is er? Hetzelfde geldt voor de mate van detail waarin een skelet wordt getekend. Moet dit tot in de kleinste details of kan volstaan worden met geschematiseerde „koppoters"? Om een 1 : 1 tekening te maken, kan gebruik worden gemaakt van een plaat perspex, die op steunen vlak boven het skelet of boven het te tekenen detail „zweeft" (afb. 12). Met een watervaste viltstift kan het skelet worden „overgetrokken". De bedoeling is, dat het oog van de tekenaar zich steeds zo recht mogelijk boven het te tekenen object bevindt. De punt van de viltstift beweegt zich daartussenin. Het is nog beter om met eenvoudige middelen een richtpen te maken, waarbij de viltstift onder 45 graden in een houder wordt geplaatst, die gemakkelijk over de perspexplaat kan bewegen. Precies boven de punt (loodrecht op het tekenvlak) moet dan een kruisdraad worden gemaakt of een zaklaser worden geplaatst. De essentie is, dat kruisdraad (of laser), punt viltstift en te tekenen punt één verticale lijn vormen. De perspextekening kan daarna op een vel maatvast transparant tekenpapier of -polyester worden overgetrokken, waarna de plaat weer kan worden schoongemaakt om opnieuw te worden gebruikt. Een andere mogelijkheid om skeletten betrekkelijk snel op schaal te tekenen, is het gebruik van een veldpantograaf. Indien de afspraak wordt gemaakt om elk skelet en elk graf gedetailleerd op schaal te tekenen, dan is de pantograaf daarvoor een geschikt hulp201
hiervan is, aangezien dit prepareerwerk dagen, zo niet weken kan gaan duren, dat het inmiddels vrijgelegde deel steeds moet worden afgedekt en „fotografeerbaar" moet worden gehouden. Tevens dient het voor allerlei beschadigingen gevrijwaard te worden (afb. 13). De stereo-negatieven kunnen met behulp van een speciale tekenmachine onthoekt en verwerkt worden tot bruikbare tekeningen die in het veld als basis kunnen dienen om de graven af te werken. Tegenover het feit dat het fotogrammetrisch opnemen van een grafveld of een begraafplaats een kostbare aangelegenheid is, staat dat er heel veel tijd bespaard wordt die anders aan het tekenen besteed had moeten worden. Het uiteindelijke resultaat is een nauwkeurige schaaltekening, waarmee uitstekend verder te werken valt.
12. Een skelet wordt op een transparante perspexplaat getekend en later op tekenfolie overge-
middel. De 1 : 1 tekeningen die in het laboratorium worden gemaakt van „geborgen" grafgaven, dienen als veldtekeningen te worden beschouwd en als zodanig te worden gedocumenteerd. Dit houdt in dat ze opgenomen worden in het totale (veld)tekeningenbestand met een ingevulde tekeningsticker met put-, vlak-, tekeningnummer, noordpijl, NAP-hoogten, enz. Fotogrammetrie Een andere mogelijkheid is om met behulp van de stereo-fotografie een volledig uitgewerkte opgravingsplattegrond te krijgen met alle daarin aanwezige skeletten en graven. In plaats van elk graf, elk skelet afzonderlijk te tekenen, kan de keus worden gemaakt om het geheel fotogrammetrisch te laten vastleggen en uitwerken. In het veld houdt dit in, dat alle skeletten eerst optimaal worden uitgeprepareerd, waarna ze fotogrammetrisch zijn vast te leggen. De consequentie 202
Fotograferen Opgraven en fotograferen gaan meestal hand in hand. De laatste decennia heeft de fotografie echter een veel meer documenterend karakter gekregen. Slechts bij uitzondering worden (veld)foto's als illustratie in de uiteindelijke publikatie gebruikt. Opgravingsfoto's zijn in eerste instantie, bedoeld als documentatie, als bewijs van het opgegravene en als hulp bij de uitwerking van de opgraving. Vanuit dit oogpunt dient elke opgravingsfoto aan enkele voorwaarden te voldoen. Uit een meegefotografeerd „fotoformulier" met volgnummer moet duidelijk worden wie wat, waar en wanneer fotografeert. Deze gegevens worden op dit formulier ingevuld. Daarbij dient met een losse, duidelijk zichtbare pijl aangegeven te zijn waar zich het magnetische- of kaartnoorden bevindt en een meegefotografeerde schaalstok vertelt ons iets over de verhoudingen en afmetingen. Het fotoformulier wordt als oorspronkelijk document in de documentatiemap opgeborgen. Aan de hand van dit formulier kan later exact gezien worden wat er onder een specifiek fotonummer is gefotografeerd. Hoewel „magneetborden" met losse letters en cijfers er wellicht vanuit esthetisch oogpunt wat fraaier uitzien, wordt het gebruik
•^;i
13. Ter bescherming van de schedels in een uilgeprepareerd grafveld te Wijk bij Duurstede werden deze „hondehokjes" vervaardigd.
ervan afgeraden, omdat men bij elke wijziging op dit bord het „oorspronkelijke" fotodocument vernietigt. Ook het gebruik van een polaroidcamera wordt afgeraden, omdat er geen negatieven van zijn. Meetsysteem Bij een normaal meetsysteem in een gangbare opgravingsput liggen de meetlijnen (meetbanden of -linten) om de drie meter evenwijdig aan elkaar. Met deze tussenafstand is elk graf probleemloos in te meten. Wellicht moet men zo hier en daar even rekening houden waar de uitgegraven grond terecht komt, maar de grootst te meten afstand bedraagt hier ten hoogste 1,50 m. Men kan ook voor elk graf een afzonderlijke hulpmeetlijn aanleggen, die bijvoorbeeld over de centrale as van het graf ligt. Hierbij dienen de pennen van de hulpmeetlijn die tijdens de afwerking van het graf op hun plaats blijven staan, wel exact in het meetsysteem te worden opgemeten. Ze komen met een kruisje (plusje) zowel op de overzichts- als op de detailtekening te staan.
Waterpassen Bij het opgraven van graven en grafvelden worden vrijwel alle gegevens voorzien van een NAP-hoogte. Veel gedetailleerder dan normaal het geval is, worden met behulp van een waterpasinstrument en een waterpasbaak of een drie-meterduimstok (die ook in een baakuitvoering geleverd kan worden) alle relevante hoogten van elk graf gemeten. De praktijk leert dat er meestal te weinig hoogtemetingen worden gedaan. We kunnen pas van voldoende informatie spreken, indien op elke gewenste plaats over een graf een correct(e) reconstructie-coupe of -vlak is te maken. NAP-waarden zijn nodig van: * elk getekend vlak; * elk vrijgelegd skelet; * alle vondsten die als bijgaven aangemerkt worden; * boven- en onderkanten van bekistingen, de grafkuil, de insteek, enz., voor zover dit niet uit de coupe is op te maken; * van elke coupe de bovenma(a)t(en) of de hoogtemaat van het horizontale meetlint. Behalve het meten van hoogten met een waterpasinstrument kunnen hoogtewaarden ook met behulp van een horizontaal draaiende rotatie-laser en een ontvanger (baak) worden verkregen. Vooral bij graf(veld)onderzoek waar veel metingen gedaan moeten worden, is het werken met de rotatie-laser aanzienlijk efficiënter en sneller. Spoorformulier Een „handige" manier om alle informatie van één graf te bundelen, is deze op een spoorbeschrijvingsformulier te zetten. Hierop kunnen alle van tevoren gedefinieerde „velden" vermeld worden die noodzakelijk zijn om een compleet beeld van het graf te krijgen. Van hieruit kan deze informatie dan worden ingevoerd in een data-bestand en bovendien hoeft niet alles op de veldtekening gezet te worden. Hierdoor wordt het getekende beeld alleen maar overzichtelijker en duidelijker. Vondst-, foto- en tekeningnummers kunnen aan hetzelfde formulier worden toegevoegd. Het door D. Powlesland gepropageerde ge203
bruik van een polaroidcamera moet worden afgeraden, omdat door het ontbreken van negatieven geen mogelijkheid tot reproduktie bestaat, indien er iets met het origineel gebeurt. Dit geldt overigens ook voor originele spoorformulieren. Het is van het grootste belang hier zo snel mogelijk een duplicaatset van te maken die als schaduwarchief fungeert. Bekisten van vondsten Zo nu en dan komt het voor dat er in het veld een situatie wordt aangetroffen die onverantwoord en ongeschikt is om verder in het veld af te handelen. Het gaat dan meestal om vondsten die heel slecht geconserveerd, of heel uniek zijn, of een té grote mate van detail bezitten om in het veld op te graven. In principe kan het van alles zijn: een uniek, maar slecht geconserveerd skelet, een prachtig in situ liggend snoer met kralen en sieraden, resten van leder, hout, vlechtwerk of ander organisch of anorganisch moeilijk op te nemen materiaal. Uitgangspunt is, dat deze vondsten met het „blok"
14. Neolithisch graf uit Sijbekarspel met bekisting. 204
grond dat zich eronder bevindt, worden bekist en op transport naar het laboratorium worden gesteld. Het blok wordt eerst rechthoekig afgestoken. Niet groter dan strikt noodzakelijk is en zodanig, dat de inmiddels daarvoor vervaardigde kist (niet te hoog en zonder bodem) er precies omheen past (afb. 14). Vervolgens kan de vondst met dunne huishoudfolie worden afgedekt. Dit is om de (deels) uitgeprepareerde vondst te beschermen tegen een aanvulling met zand of iets anders tot de bovenkant van de bekisting gelijk is. Als dit is gebeurd, kan de deksel erop worden geschroefd. Bij kleinere bekistingen kan de deksel achterwege worden gelaten. Tot slot dienen er met enige inventiviteit en creativiteit geleiders, hydraulische krikken, enz. en een (metalen) bodem onderdoor geschoven te worden. Voor grotere bekistingen is een geslepen snijrand aan de metalen bodemplaat zeer nuttig, evenals het gebruik van twee geleiders die aan de onderkant van de kist zijn bevestigd en waar de bodemplaat doorheen geleid wordt. Als dit is gebeurd, dient de gehele kist nog op een solide en stijve onderplaat te worden geschoven en vastgezet om doorzakken van de metalen bodem te voorkomen. Natuurlijk bestaan er meerdere manieren om vondsten op te nemen en te transporteren. Het is goed om steeds naar bevind van zaken te handelen en vooral om de specialisten van de diverse laboratoria erbij te betrekken. Meestal mondt dit uit in een simpele maar uiterst probate oplossing. In een aantal gevallen wordt het gebruik van (slappe) vondstbakken afgeraden, omdat ze te flexibel zijn en niet de vereiste steun geven aan het te transporteren voorwerp. Elke bekisting dient voorzien te zijn van een vondstkaartje met alle relevante gegevens, de NAP-hoogte èn de noordpijl. De oriëntatie van de vondst staat daarmee onomstotelijk vast. Dit gegeven is ook van belang bij het tekenen van de vondst in het laboratorium. Het uit te graven blok wordt ten opzichte van de meetlijn opgemeten en duidelijk op de tekening gezet, zodat naast de oriëntatie exact bekend is waar het blok vandaan is gekomen. In de vondstenlijst wordt vermeld
dat de betreffende vondst is afgevoerd naar het laboratorium. Rapportage en verantwoording Bij de documentatie van elk graf behoort, behalve alle tot nog toe genoemde gegevens, ook de beschrijving en informatie die niet direct is vastgelegd op tekeningen, op lijsten of in metingen. Indrukken, waarnemingen, interpretaties, theorieën enz. kunnen belangrijke informatie bevatten. Maar ook hoe er gewerkt is en waarom bepaalde keuzen wel of niet gemaakt zijn. Enige (zelf)kritiek ten aanzien van de technische en wetenschappelijke uitvoering zal in de rapportage niet misstaan. Al deze informatie dient in het dagrapport (of op aparte „grafformulieren", als deze worden gebruikt) te worden vermeld. Een wezenlijk onderdeel van de rapportage is het afleggen van een stuk opgravingstechnische en wetenschappelijke verantwoording. Het hoe, wat en waarom zijn fundamentele vragen, die niet onbeantwoord mogen blijven. Een vrijwel chronisch ontbrekend onderdeel in elke publikatie is de technische verantwoording. Het is uiterst vreemd om vast te stellen dat van een opgraving tot in de kleinste details wèl de resultaten worden gepubliceerd, maar niet hoe die resultaten zijn verkregen. Een niet te rechtvaardigen wijze van handelen. De opgravingstechnische verantwoording dient in elke archeologische publikatie dan ook aan bod te komen. Opgravingsethiek Het opgraven van menselijke resten verlangt de nodige piëteit met en eerbied voor de begravene. De wetenschap dat vrijwel elke dode met zorg, met gevoelens van verdriet, maar ook van hoop ter aarde is besteld, mag de opgraver niet ontgaan. De archeoloog verstoort de oorspronkelijk bedoelde rustplaats. Een nog sterkere band met de begravene komt voort uit de verschillende religieuze gevoelens die de gemeenschap door de tijd heen hebben beheerst en die een stempel drukken op de manier van begraven en het meegeven van grafgeschenken. Geloof in
een „leven na de dood", in het zich voegen bij de voorouders, in een wederopstanding is een oud gegeven, dat millennia de geloofsbeleving van vele generaties heeft beheerst. Toch ontkomt men er niet aan, dat men soms religieuze gevoelens van mensen kwetst als we vanuit een wetenschappelijke vraagstelling het ene na het andere skelet „lichten". Als bevoegde „vernielers" vernietigen we alle sporen die we tegenkomen. Niet vanuit roof- of vernielzucht, maar veel eerder vanuit de maatschappelijke plicht om zoveel mogelijk antwoorden te vinden op de vele specifieke vragen die er in dit geval gesteld kunnen worden vanuit socio-etnografische gebieden. Het besef dat er achter het graf dat we opgraven nog een hele wereld aan geestelijke normen en waarden ligt, maakt dat de opgraving nog meer doordacht wordt. De technische uitvoering zal in dat geval waarschijnlijk zorgvuldiger zijn, evenals het uiteindelijke opgravingsresultaat. In het algemeen kan worden gesteld dat menselijke resten met „eerbied" dienen te worden behandeld, zodat ingezonden brieven naar de krant uitblijven die de aandacht vestigen op het voetballen met schedels of het meppen met dijbeenderen.
Noten 1 Gersbach 1989, p. 108. 2 Een totale coderingslijst is opgenomen in de basisprocedure veldwerkdocumentatie van de ROB. 3 Warringa en Van Haaff 1988, p. 48-49. Literatuur Gersbach, E., 1989. Ausgrabung Heute. Methoden und Techniken der Feldgrabung. Darmstadt. Warringa, A., en G. van Haaff, 1988. Opgraven.
Technieken voor archeologisch veldwerk. Utrecht.
ROB Kerkstraat 1 3811 CV Amersfoort 205
PEMOHTA^C1: Een handig instrument in de speurtocht naar gedragspatronen (Maastricht-Belvédère, site K) Dimitri De Loecker Inleiding Voor de meesten onder ons is het eerste woord in deze titel onleesbaar en daardoor onbegrijpelijk. Als erbij vermeld wordt dat het om een Russisch woord gaat, kunnen we een eind komen bij het ontcijferen van het raadsel. Door bijvoorbeeld een woordenboek te raadplegen, kan het woord vertaald en gelezen worden, maar dat wil nog niet zeggen dat we het begrijpen. Verdere bestudering is nodig. Het woordenboek kan beschouwd worden als een hulpmiddel in onze speurtocht. Eenzelfde gedachtengang is terug te vinden in de archeologie. Als men bijvoorbeeld een assemblage paleolithische artefacten ter bestudering voorgeschoteld krijgt, starten we met een „zelfde" onleesbaar en onbegrijpelijk gegeven; in dit geval een hoeveelheid steentjes. Om in deze wirwar van informatie een verhaal te ontdekken, zijn er in de archeologie hulpmiddelen die te vergelijken zijn met een woordenboek. Eén van de belangrijkste hulpmiddelen-methoden is „refitting"1. Dit is het weer aan elkaar puzzelen en plakken van vuurstenen artefacten, die tijdens de vuursteenbewerking door onze voorouders gefabriceerd zijn. De film over produktie van een artefact wordt teruggedraaid, dus beginnend bij het afgedankte materiaal, de afslagen, restkernen en/of werktuigen. Als een refit-studie „voltooid" is, kan het lithische materiaal worden gelezen, maar daarmee is het nog niet verklaard in termen van menselijk gedrag. Verdere bestudering is nodig. In dit artikel, waarin refitting centraal staat, zal met behulp van de gegevens van Belvédère-Maastricht, site K, getracht worden de relevantie van refitting aan te geven in de archeologische bewijsvoering. De vraag: „Wat zegt de site K-assemblage over midden-paleolithisch hominide gedrag, in 206
termen van het karakter van de site", zal behandeld worden. Omdat refitting een methode is die al langere tijd wordt toegepast, zal eerst een kort historisch overzicht gegeven worden. Refitting historisch en technologisch bekeken Het idee om afslagen weer aan elkaar te passen en te plakken, is reeds een eeuw bekend. Een mooi archeologisch voorbeeld uit de 19e eeuw, waarbij refitting is toegepast, is een site nabij Crayfort, in Kent (Engeland). Aan de voet van een vuursteen bevattend kalkrif, dat ca. 100.000 jaar geleden aangesneden werd door een oude rivierloop van de Thames, vond F. C. J. Spurrell3 in 1880 een vuurstenen restkern. Hij bedacht dat de meeste afslagen, die in het paleolithicum van de kern verwijderd waren, misschien wel eens in de buurt konden liggen. Omdat de site weinig verstoord bleek te zijn, lukte het hem inderdaad deze afslagen te vinden en ze weer op de kern te passen/plakken. Op deze manier kon Spurrell de uitgangsvorm, de knol vuursteen, reconstrueren en kwam hij erachter op welke manier de kern bewerkt was. Refitting werd in de 19e en in een groot deel van de 20e eeuw sporadisch toegepast. Als het al toegepast werd, dan was dit alleen om vuursteentechnologische vraagstellingen te beantwoorden. Sinds het einde van de zestiger jaren, mede door impuls van de New archaeologists", verbeterden de opgravingsmethoden en de manier van documenteren in het veld. Onder invloed van de nieuwe en verbeterde werkwijzen begonnen sommige archeologen de vele mogelijkheden van refitting in te zien. Naast de technologische vraagstukken ging refitting o.a. ook een rol spelen in de bestudering van site-formatieprocessen', ruimte-
lijke patronen en transport van werktuigen en/of kernen. De laatste tien jaar is het refitten van stenen artefacten en botresten een standaardprocedure geworden bij de bestudering van steentijd-sites. Natuurlijk zijn er ook nadelen aan refitten verbonden. Een groot nadeel is dat het een zeer tijdrovende bezigheid is. De personen die het zoek- en plakwerk uitvoeren, moeten een vuursteentechnologische voorkennis hebben en over zeer veel geduld beschikken. Iedereen heeft wel eens een puzzel in elkaar gezet. We weten dat bij deze tweedimensionale bezigheid de vorm bekend is, dat alle stukjes aanwezig zijn en dat de stukjes zeker passen. Bij het puzzelen kijken we naar het afgebeelde voorbeeld en de kleuren om het gewenste resultaat te verkrijgen. We kunnen de stukjes zo in elkaar leggen zonder te plakken. Bij refitting ligt dit duidelijk anders. Het is een driedimensionale puzzel en de vorm van het eindresultaat is niet bekend. We kunnen er tevens zeker van zijn dat niet alle stukjes, de afslagen, aanwezig zijn en dat mogelijk meerdere „puzzels" door elkaar liggen (afslagen van verschillende knollen). Verder kan er niet naar kleur gekeken worden, omdat verschillende artefacten van één en dezelfde knol verschillend gepatineerd kunnen zijn. De artefacten moeten, als ze gepast zijn, meteen geplakt worden, omdat ze niet in elkaar blijven zitten zonder lijm. Het plakken gebeurt meestal met velpon, omdat dit goed uit te smeren is en geen spleten tussen de afslag en het negatief achterlaat. De artefacten zijn bovendien makkelijk los te weken met aceton als dit nodig blijkt te zijn. Doordat refitten zo arbeidsintensief is, is het verstandig die sites te refitten waarvan de artefacten nauwkeurig verzameld zijn en waar relatief weinig verstoring heeft plaatsgevonden. Een aantal voorbeelden waarbij refitting met succes is toegepast, zijn de laat-paleolithische vindplaatsen Meer6 (België), Pincevent7 (Frankrijk) en Etiolles8 (Frankrijk) en de midden-paleolithische sites te Rheindahlen9 (Duitsland) en Maastricht-Belvédère1" (Nederland). Zeker Belvédère-sites C en K
hebben indrukwekkende resultaten opgeleverd. Ligging, beknopte historie en geologie van de groeve Belvédère De grind- en lössgroeve Belvédère bevindt zich op de linkeroever van de Maas, ongeveer 1 km noordwestelijk van Maastricht (afb. 1) en is gesitueerd aan de noordgrens van het Noordwesteuropese lössdek. Tussen 1981 en 1990 zijn de pleistocene sedimenten van de groeve jaarlijks onderzocht door het Instituut voor Prehistorie van de Rijksuniversiteit Leiden. Archeologisch gezien zijn er drie belangrijke niveaus waargenomen, die grofweg dateren uit het Saalien en het Weichselien". In totaal werden in de groeve elf sites opgegraven, die elk een letter meekregen (site A, B, C, etc...), in een gebied van ongeveer 6 ha. Het grootste deel van deze sites is te dateren in een intraSaale-interglaciaal. In dit artikel zal voornamelijk gewerkt worden met de data van het lithisch vondstmateriaal van de in 1986/'87 opgegraven vindplaats K. Het volstaat hier te vermelden dat site K zich bevindt in de top van fijnkorrelige interglaciale rivierafzettingen (unit IV). Deze
1. Ligging van de Maastricht-Belvédèregroeve.
207
>
t-
/i
en
•
•• •• • ••*• • • • • • •• • • • •I • •• - • • • 1 ••
•
|
i. B
gelijk gebied op te graven en zo een goed beeld te verkrijgen van de horizontale spreiding der archeologica. Dit betekende dat de vondsten in vakken van 1 m2 verzameld werden. Een meer gedetailleerd beeld van de horizontale en verticale spreiding van de artefacten, met betrekking tot site-formatieprocessen, werd verkregen door de vondsten in een gebied van ca. 27 m2 driedimensionaal te meten. In totaal werd een oppervlakte van ca. 370 m2 onderzocht (afb. 2). Afgezien van enkele slecht geconserveerde botfragmenten en enkele verspreide houtskoolpartikels bestaat het site K-vondstmateriaal uitsluitend uit vuurstenen artefacten. De assemblage omvat in totaal 10.912 vuurstenen artefacten, te verdelen in 137 complete werktuigen en fragmenten ervan met intentionele en gebruiksretouche, 91 kernen en 10.684 débitageresten en ongeretoucheerde afslagen. In totaal werden 617 artefacten als verbrand geïdentificeerd.
M •1- TB
7» IO0 101 -1B0
81
2. Site K: opgravingsplattegrond met het aantal artefacten per m2.
unit wordt op grond van faunagegevens gedateerd in een periode met een gematigd klimaat tussen het Holstein-interglaciaal en het oprukken van het Saale-landijs12. TL-dateringen leveren een absolute ouderdom van ca. 250.000" jaar op. Voor een meer gedetailleerd overzicht van de pleistocene sequentie in de Belvédère-groeve wordt verwezen naar reeds gepubliceerde werken'4. Site K: Opgravingsstrategie en vondstmateriaal Site K werd ontdekt tijdens één van de regelmatig uitgevoerde profielverkenningen in de groeve. In de winter van 1986 lag de site midden in het commerciële pntginningsfront van de groeve en moest er in de beschikbare tijd onder enorme tijdsdruk opgegraven worden. Besloten werd om een zo groot mo208
Enkele typologische en technologische gegevens (site K) Wat opvalt bij de typologische indeling van de werktuigen is, dat ca. 61% (N = 83) uit schaven bestaat. Binnen deze groep worden schaven van allerlei aard aangetroffen. Zo zijn er vele enkelzijdige, dubbelzijdige en convergerende schaven (afb. 3). Naast deze typerende groep werktuigen zijn ook een aantal rugmessen, getande werktuigen (denticules en encoches), een steker en werktuigen met gebruiksretouche aanwezig. Ook bij de kerntypologie valt direct een aantal punten op. De meest frequent voorkomende typen zijn de „disc" en „discoïde" kernen15, die soms een onregelmatige vorm hebben (afb. 4). Deze groep vertegenwoordigt ca. 57% (N = 52) van het totaal aantal kernen. Duidelijke Levallois-kernen sensu stricto"' ontbreken volledig in de site K-assemblage. Dit is opmerkelijk, te meer daar er zich onder de débitage en voornamelijk de werktuigen enkele tientallen „klassieke" Levallois-afslagen bevinden. Tot op heden kon geen enkel werktuig, gemaakt op een Levallois-afslag sensu stricto, gerefit worden op de rest van de assemblage. Ook de grondstof waaruit deze werktui-
3. Site K: verschillende schaaftypen. 1. enkelvoudige convexe schaaf; 2. dubbelzijdige convexe schaaf; 3. convergerende schaaf; 4 en 5. déjeté-schaaf. Schaal 2 : 3.
209
4. Site K: disc kern. Schaal 2 : 3.
gen vervaardigd zijn, wijkt, in vergelijking tot de andere artefacten, af. Op grond van deze argumenten zou aangenomen kunnen worden dat de genoemde Levallois-afslagen, en voornamelijk de werktuigen, de site zijn binnengekomen als eindprodukten en ter plekke zijn afgedankt. Het lijkt erop, dat de kernen en afslagen het resultaat zijn van een reductie-strategie met „weinig" aandacht voor kernpreparatie. Sporen van preparatie op de (rest)slagvlakken, d.m.v. retouchering of facettering, komen zeer sporadisch voor. Als slagvlak zijn meestal de negatieven van vroegere afslagen in de reductie gebruikt. Ook een centripetaal of radiaal negatievenpatroon op de dorsale zijde van afslagen, welke op geprepareerde kernen zou kunnen wijzen, komt slechts sporadisch voor. Karakteristiek voor de assemblage zijn de grote afmetingen en de „weinige" maar grote dorsale negatieven op kernen en afslagen. Voor een uitgewerkt beeld van de typologie en technologie wordt verwezen naar andere publikaties". 210
Na refitting geeft de site K-assemblage een verhaal prijs In eerdere publikaties is al meerdere malen opgemerkt dat het refitten van artefacten van groot belang is voor de reconstructie van onder meer de (kern)reductie-strategieën18. Tot op heden is voor site K al heel wat tijd in dit arbeidsintensieve werk gestoken en zijn 1.150 (10,5%) van de 10.912 artefacten gerefit. Voor dit artikel zijn twee gerefitte groepen nader bekeken. Met deze voorbeelden zal de relevantie van refitting in het algemeen, en in het bijzonder voor site K, duidelijker worden. Er moet wel bij vermeld worden dat de eerste groep die besproken zal worden, niet representatief is voor de hele assemblage. Het is een uitzondering met een apart verhaal. Deze eerste groep zal technologisch besproken worden. De tweede groep kan iets meer vertellen over ruimtelijke patronen binnen de site. Groep I: het verwerven van technologische informatie dankzij refitting Afbeelding 5 geeft de reductie-sequentie in stappen weer, zoals die gereconstrueerd kon worden uit de afslagen passend op de kern. De letters/cijfers in deze figuur corresponderen zowel met de letters/cijfers in afbeelding 6 als met de hieropvolgende beschrijving van de reductie-sequentie. Afbeelding 5 moet gelezen worden als een zogenaamde „Harris-matrix". Beschrijving volgens de reductie-sequentie: A. Produktie van de kern: van de 91 kernen zijn er 9 vervaardigd op grote, tamelijk dikke, afslagen. De dorsale zijden van deze kernen op afslagen zijn voor 25% tot 50% bedekt met cortex. Gezien hun afmetingen en het hoge precentage cortex wordt aangenomen dat deze afslagen de produkten zijn van de eerste stadia van een kernreductie. Gedacht wordt aan een strategie waarbij de grondstof ruw werd opgedeeld in grote, dikke afslagen, die vervolgens secundair als kern gebruikt werden (afb. 6, afslag 0). B. Convex maken van de „linker" zijde van het afbouwvlak: de ventrale zijde van
de afslag (kern) vertoont een convex oppervlak. Dit oppervlak bleek ongeschikt te zijn. Daarom is d.m.v. vier, naar het midden van de kern lopende, afslagen de convexiteit van het afbouwvlak vergroot. Drie afslagen konden gerefit worden (afb. 6, afslagen 1, 2 en 3). C. Creëren van een slagvlak: vervolgens is d.m.v. een aantal afslagen een slagvlak gecreëerd aan de „distale" zijde van de kern. Twee afslagen konden gerefit worden. Eén afslag is geslagen vanaf de laterale zijde (afb. 6, gebroken afslag 4-5) en één vanaf de „ventrale" zijde van de kern (afb. 6, afslag 6). D. Convex maken van de „rechter" zijde van het afbouwvlak: ook de „rechter"zijde van de kern is meer convex gemaakt, door middel van minstens twee afslagen. Eén daarvan, die ook naar het midden van de kern loopt, kon gerefit worden (afb. 6, afslag 7). E. Verdere preparatie van het slagvlak: opnieuw is er aandacht besteed aan de preparatie van het slagvlak. De enige gebroken afslag die dit aangeeft (afb. 6, gebroken afslag 8-9), is vanaf de „ventrale" zijde van de kern geslagen. F. Opnieuw aandacht voor de convexiteit van de „rechter" zijde van het afbouwvlak: dit is alleen af te leiden uit twee afslagnegatieven. G. Fijnere preparatie van het slagvlak: na het convex maken van het afbouwvlak van de kern en het creëren/prepareren van het slagvlak heeft het slagvlak een fijnere preparatie ondergaan. Dit gebeurde aan de rand slagvlak/ventrale zijde d.m.v. een retouchering. H. Produktie van een grotere afslag: vervolgens is een laatste grotere afslag van de kern verwijderd (afb. 6, afslag 10), die als „doelafslag" geïnterpreteerd kan worden. I. Afdanken van kern en doelafslag: de laatste fase in de reductie-sequentie is het
afdanken van de restkern en de „doelafslag" (afb. 6, afslag 10 en restkern 11), al dan niet na gebruik. Dit gebeurde op de plek waar de kern bewerkt werd. Interpretatie: Uit deze gerefitte groep blijkt dat de grondstof waarschijnlijk ad hoc werd opgedeeld in een aantal grote en dikke afslagen. Deze werden vervolgens secundair als kern gebruikt. In het geval van groep I lijkt er, in vergelijking tot de rest van de assemblage, „uitvoerig" aandacht besteed te zijn aan de preparatie van de kern. Eén van de bekendste vuursteenbewerkingstechnieken in de archeologie, waarbij ruim aandacht besteed wordt aan de preparatie van een kern, is de Leva//ow-techniek'g. Dit is een reductietechniek, die door middel van het op een bepaalde manier prepareren van de kern de bewerker in staat stelt afslagen en klingen te vervaardigen waarvan vorm, afmeting en dikte op voorhand bepaald zijn. Met andere woorden: de hominiden vormden een idee van een bepaalde afslag alvorens deze van de kern verwijderd werd. Dit idee kon gerealiseerd worden door de kern nauwkeurig te prepareren en te bewerken. In het algemeen gelden de volgende kenmerken bij het wel of niet toeschrijven van een artefact aan de Levallois-techniek. De negatieven van vorige afslagen op de dorsale zijde van de Levallois-afslag komen uit verschillende richtingen. Het restslagvlak is soms geprepareerd. Cortex ontbreekt en harde percussie wordt gebruikt. De Levalloiskern wordt, door het dorsale centripetaalpatroon, ook wel „schildpadkern" genoemd. De restkern en doelafslag van groep I zijn morfologisch geen Levallois-produkten sensu stricto, maar de hele gerefitte groep vertoont een pre-determinatie van de „doelafslag". Hoewel er op site K geen Levalloiskernen sensu stricto aanwezig zijn en er tot op heden geen duidelijke morfologische Levallois-afslag gerefit is, wil dat niet zeggen dat deze techniek niet op de site gebruikt kan zijn. Een dergelijke werkwijze kan in dit geval toegepast zijn, maar de eindprodukten zijn atypisch. Deze aanwijzingen voor een kleinschalige planning in de toe211
I I 1 DD 2 CD 3 I
4
5. Site K, groep I: reductie-sequentie van één gerefitte groep artefacten. De cijfers verwijzen naar de individuele afslagen op afbeelding 6. De letters verwijzen naar de stappen in de reductie-sequentie welke beschreven zijn in de tekst en te zien zijn op afbeelding 6. Nummer 1 is de eerste afslag in de „stratigrafische " reductie-sequentie. 1. gerefitte afslag; 2. gerefitte afslag, gebroken in twee delen; 3. negatief van een afslag; 4. beschreven stappen.
212
•
o 4-5
•
6. Site K: groep I in verschillende stadia van reductie/refitting. De cijfers en letters verwijzen naar de tekst en naar afbeelding 5. Letter A is de complete gerefitte groep (foto: links/dorsaal en rechts/ventraal). Letter I is de restkern en de „doelafslag". Schaal 1 : 2. 213
komst op een Levallois-arme site is op site K o.a. achterhaald via deze gerefitte groep artefacten. De afslagen en restkern van groep I liggen binnen een straal van 6 meter. De „doelafslag" ligt een vijftal meter westelijker. Dit wil zeggen dat het mogelijk gebruik en het afdanken van afslagen en kern in de buurt van de produktieplaats gebeurde. Informatie over post-depositionele processen Alvorens groep II ruimtelijk te bespreken, volgen hier eerst enkele opmerkingen betreffende post-depositionelew factoren. Dit is nodig omdat sites waar zware natuurlijke en/of culturele verstoringen voorkomen, niet of minder geschikt zijn om de ruimtelijke neerslag te bestuderen. Als artefacten, die door hominiden zijn achtergelaten, bijvoorbeeld door fluviatiele (rivier)verspoeling verplaatst worden, weerspiegelen deze niet meer de „exacte" neerslag van een bepaalde activiteit. De artefacten, dus ook de puzzel, worden bij wijze van spreken door elkaar geschud en geven een verkeerd beeld. Daarom is het verstandig eerst een site op verstoringsfactoren te bestuderen. De site K-assemblage was ingebed in een lemige, fijnzandige matrix, hetgeen een rustige fluviatiele afzetting van de sedimenten kan weerspiegelen. In zo'n afzettingsmilieu is volgens Roebroeks21 de kans groot dat de artefacten slechts weinig zijn verplaatst, nadat ze zijn achtergelaten door hominiden. Dat lijkt voor site K inderdaad het geval te zijn. Zo bestaat het merendeel van de artefacten uit voor verplaatsing gevoelige afslagen, die kleiner dan 2 cm zijn. Hun ruimtelijke spreiding komt overeen met die van grote afslagen. Verder blijkt uit de refitanalyse dat veel aan elkaar gepaste artefacten, zowel klein als groot, ruimtelijk geassocieerd voorkomen. Illustratief hiervoor is een groepje van elf artefacten, waaronder een zware steker met de gerefitte stekerafslagen (afb. 7). Alle elementen van deze compositie zijn gevonden in een gebied met een straal van ca. 3 meter. Ook de produkten van bepaalde technologi214
7. Site K: gerefitte afslag, dorsaal (boven) en ventraal (onder), waaruit een steker gefabriceerd is. Schaal 1:1.
sche stappen, zoals decorticatie, lijken ruimtelijk geklusterd voor te komen. De hierboven aangehaalde argumenten, waarvan refitting een van de belangrijkste is, maken het waarschijnlijk dat site K slechts aan een minimale verstoring onderhevig is geweest en daardoor uiterst geschikt lijkt om ruimtelijke patronen te bestuderen.
Groep II: Informatie over ruimtelijke neerslag van activiteiten via refitting De grondstof van deze gerefitte groep is waarschijnlijk in de nabijheid van de site uit een rivierbedding gewonnen. De grondstof is vervolgens de site binnengekomen zonder enige vorm van voorbewerking. Dit kan afgeleid worden uit het feit dat bij deze, uit 146 elementen bestaande, compositie een groot deel van de oorspronkelijke buitenkant van de knol, de cortex, gerefit kon worden. Het blok is via grote dikke afslagen en langs natuurlijke scheuren, die reeds in het vuursteen aanwezig waren, opgedeeld in minimaal acht delen of kernen. Deze zijn stuk voor stuk op de site gereduceerd. Van de acht restkernen zijn er vijf teruggevonden. Mogelijk zijn de drie verdwenen exemplaren afgedankt in het zuidoostelijk deel van de site dat niet opgegraven kon worden. Beschrijving van de ruimtelijke neerslag van refitgegevens: Het opdelen van deze knol heeft vermoedelijk in het zuiden van het opgegraven gebied plaatsgevonden. Vervolgens is een aantal verkregen kernen geselecteerd en elders op de vindplaats gereduceerd. Door het plotten van de acht verschillende delen (groepen gerefitte artefacten ofwel „joints" genaamd) zien we dat vijf kernen in het zuiden van het opgegraven gebied, op de plek waar het blok is opgedeeld, verder gereduceerd en afgedankt zijn (afb. 8-1). Het reduceren van de andere drie kernen gebeurde elders op de site. Bepaalde kernen werden kennelijk binnen de site getransporteerd en in andere activiteitsgebieden bewerkt en afgedankt. Van de kern op afbeelding 8-2 is eerst in het zuiden van de site een aantal grote dikke afslagen verwijderd (afb. 8-2, letter A). Vervolgens is de kern een vijftal meter naar het noorden getransporteerd en daar verder gereduceerd en afgedankt (afb. 8-2, letter B). Eén deel van het grote blok (afb. 8-3), dat volledig in het zuiden gereduceerd is d.m.v. een aantal grote afslagen (afb. 8-3, letter A), vertelt ons een verhaal over intra-site-trans-
port van werktuigen. Uit de débitageresten is één afslag geselecteerd. Deze is vervolgens tot enkelvoudige schaaf geretoucheerd, daarna gebroken in drie delen en een zestal meter meer noordelijk afgedankt (afb. 8-3, letter B). De meest duidelijke ruimtelijke neerslag geeft de , joint" die te zien is in afbeelding 8-4. Hiervan zijn eerst een aantal grote cortex-afslagen in het zuiden van de site verwijderd (afb. 8-4, letter A). Vervolgens is de kern een achttal meter naar het noorden getransporteerd, waar nogmaals een aantal grote afslagen geproduceerd is (afb. 8-4, letter B). Nog een viertal meter noordelijker is de kern uiteindelijk volledig afgepeld d.m.v. iets kleinere afslagen en aldaar afgedankt (afb. 8-4, letter C). Interpretatie: Samenvattend kan gesteld worden dat deze éne knol niet voorbewerkt de site is binnengekomen en ergens in het zuiden van het opgegraven gebied is opgedeeld in minimaal acht delen of kernen. Hier zijn tevens de grote cortex-afslagen van de kernen verwijderd. Uit deze informatie blijkt een ander gedragspatroon dan bijvoorbeeld op Belvédère site C22. Op deze site zijn de kernen voorgeprepareerd (zonder cortex) de site binnengekomen en op een totaal andere manier gereduceerd. Op het eerste zicht lijkt site C t.o.v. site K een economischer gedrag te weerspiegelen. Vervolgens zijn op site K een aantal kernen en een werktuig enkele meters naar het noorden getransporteerd en aldaar verder gereduceerd en afgedankt. Als we de ruimtelijke spreiding van de volledige knol bekijken, lijken de acht delen ruimtelijk van elkaar gescheiden. Wat opvalt is, dat de kleine „activiteitszones" een halve cirkel vormen rond een lege zone. Refitting geeft aan dat er een duidelijke interactie is tussen de produktie- en consumptiegebieden. Discussie De refit-analyse, toegepast op een assemblage vuurstenen artefacten, geeft antwoorden 215
O
5
10m
10m
O
5
10 m
10m
8. Site K: 1. Ruimtelijke spreiding van vijf delen/kernen van de gerefute groep II. 2. Ruimtelijke spreiding van één deel/kern van de gerefitte groep II. A: plek waar grote dikke afslagen voorkomen. B: locus waar de kern verder is gereduceerd en afgedankt. 3. Ruimtelijke spreiding van één deel/kern van de gerefitte groep II. A: zone waar de kern volledig gereduceerd is d.m.v. grote, dikke afslagen. B: plek waar een geselecteerde afslag, welke tot enkelvoudige schaaf geretoucheerd is, is afgedankt. 4. Ruimtelijke spreiding van één deel/kern van de gerefitte groep II A: cluster van grote, dikke cortexafslagen. B: plek waar nog een aantal grote afslagen geproduceerd is. C: locus waar de kern d.m.v. kleinere afslagen volledig is afgepeld.
216
op vragen met betrekking tot site-formatieprocessen, technologie en de ruimtelijke neerslag van activiteiten. Meestal is deze arbeidsintensieve methode de beste informatiebron om een beeld te krijgen van hominide gedrag. Als de conserveringstoestand van een site „optimaal" is, kan bestudering van botmateriaal en een gebruikssporenanalyse belangrijke aanvullende informatie verschaffen over de functie en het gebruik van de locatie. Wat leert het Belvédère site Kmateriaal ons nu? Site K is een „rijke" vindplaats, die hoofdzakelijk bestaat uit débitageresten. Refitting geeft aan dat alle fasen van de reductie-strategie, beginnend bij het verzamelen van de grondstof via decorticatie tot en met het afdanken van kernen en werktuigen, zijn vertegenwoordigd. De assemblage kan geïnterpreteerd worden als het resultaat van een grondstof„verspillende" reductie van ongeprepareerde kernen. Toch komt er een aantal goed geprepareerde werktuigen voor, welke uit „exotisch" vuursteen vervaardigd zijn. Doordat de archeologica weinig post-depositioneel verstoord zijn, kan de ruimtelijke studie van de refitgegevens van groot belang zijn voor de site-interpretatie. Een aantal duidelijke „activiteitszones" wordt gesuggereerd. Het in si'fM-karakter en de hoeveelheid refitgegevens maken van site K een belangrijke vindplaats voor het midden-paleolithicumonderzoek in Noordwest-Europa. Tot slot nog enkele opmerkingen over het belang van site K en van de Belvédère-vindplaats in zijn geheel. Om een uitspraak te doen over de gedragspatronen van middenpleistocene hominiden en het nederzettingssysteem waartoe de locatie behoorde, is het verstandig om andere sites in het onderzoek te betrekken. Het belang van het onderzoek wordt met name duidelijk wanneer de gegevens van de diverse opgegraven Belvédère-locaties worden geïntegreerd. Uit het archeologisch databestand van de Belvédère kan een voorlopig model opgesteld worden waarin het opgegraven gebied wordt beschouwd als een fossiel pleistoceen oeverwallandschap. Hierin vinden we ver-
schillende artefactdichtheden, achtergelaten door vroege hominiden in een relatief korte tijdsspanne. Dit „technologisch" landschap bestaat grotendeels uit een dunne „sluier" van vondsten. Bijvoorbeeld geïsoleerde werktuigen en wat vuursteenafval of bot, zoals door het onderzoek van site G en site N is aangetoond. Deze artefacten wijzen erop dat de oevers van de Maas regelmatig door hominiden bezocht werden voor onder andere kortstondige, doelgerichte activiteiten. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het opensnijden van dieren, aaseten of jacht. Binnen de „sluier" constateren we ook dichte concentraties van artefacten, waaronder de hier besproken site K, die op een aantal manieren ontstaan kan zijn. Indien we ervan uitgaan dat deze ,^uursteenrijke" sites gevormd zijn tijdens één continu en consistent gebruik, kunnen we denken aan een soort „centrale plaats" van waaruit dagelijke activiteiten in het riviergebied gepland waren. Deze activiteiten hebben weer geleid tot het ontstaan van de sluier. Een alternatief is dat dergelijke sites geïnterpreteerd kunnen worden als de accumulatie van archeologica van een aantal niet gerelateerde korte bezoeken, verspreid in de tijd, ook wel een palimpsest genoemd. Om tot een aannemelijke interpretatie te komen, moet site K vergeleken worden met de dunne vondstsluier. Belangrijke aspecten daarbij zijn: verschillen in grondstof, verschillen in technologie en de verschillen in aantallen artefacten en vondstdichtheden. Hopelijk kunnen hierover binnen afzienbare tijd meer uitspraken gedaan worden. Dankwoord: De auteur dankt M. van Ieperen, L. Theunissen, W. Roebroeks, M. Verbruggen en J. Verouden voor het commentaar op vroegere versies van dit artikel. De foto's zijn voorbereid door J. Pauptit. De figuren zijn van de hand van: afb. 1, H. Fokkens; afb. 2, H. de Lorm; afb. 3 en 4, G. Leroy; afb. 5, J. A. Schenk. 217
Noten 1 Dit is het Russische woord voor remontage (Frans), zusammenpassen/zusammensetzen (Duits), vuursteencomposities (Nederlands), conjoining/rejoining ofwel refitting (Engels). 2 „ The aim of conjoining artefacts is exactly the inverse of the prehistorie knapper, in that the intention is to reconstruct the original nodulefrom whichflakes were struck." (Cahen 1987: 1). 3 Spurrell 1880. 4 Een aantal jonge Amerikaanse archeologen introduceerde in de zestiger jaren een nieuwe denk- en werkwijze, vanuit de antropologie, binnen de archeologie. Men groef „alleen" om hypotheses te testen. 5 Men tracht een reconstructie te maken van alle fasen/processen die artefacten doorlopen hebben, vanaf het achterlaten door de prehistorische mens, via inbedding door sedimenten, geologische en biologische verstoring van de bodem tot en met het opgraven zelf. 6 Cahen et al. 1979. . 7 Leroi-Gourhan 1984. 8 Olive et al. 1991. 9 Thieme 1983. 10 Roebroeks 1988. 11 Kolfschoten en Roebroeks (eds.) 1985; Roebroeks 1988; Vandenberghe et al. (eds.) 1992. 12 Kolfschoten 1985; Meijer 1985. 13 Huxtable 1992; Meijer 1985. 14 Kolfschoten en Roebroeks (eds.) 1985; Roebroeks 1988; Vandenberghe et al. (eds.) 1992. 15 cf. Isaac 1977. 16 Bordes 1961;Boëda 1988. 17 DeLoeckerl992; 1993. 18 Roebroeks en Hennekens 1987; Roebroeks 1988. 19 „Sera classé comme éclat Levallois tout éclat dom on peut penser que saforme a été prédéterminée, par préparaüon spéciale du nucléus, avant son detachement" (Bordes 1961 : 17). 20 Alles wat er met een nederzetting/archeologica gebeurt, nadat de locatie verlaten is door zijn vroegere bewoners. 21 Roebroeks 1988. 22 Roebroeks 1988. Literatuur Binford, L. R., 1987. Searching lor Camps and Missing the Evidence? Another Look at the Lower Palaeolithic. In: O. Soffer (ed.), The Pleistocene O ld World. Regional Perspectives. New York/London, 17-32.
218
Boëda, E., 1988. Le concept Levallois et évaluation de son champ d'application. In: M. Otte (ed.), L'homme de Néandertal, 4 : LA TECHNIQUE. Etudes et recherches archéologiques de 1'Université de Liège 31, Luik, 13-26. Bordes, F., 1961. Typologie du Paléolithique ancien et moyen. Bordeaux. Cahen, D., 1987. Refitting stone artefacts: why bother? In: G. Sieveking en M. H. Newcomer (eds.), The human uses offlint and chert. Proceedings of the fourth international flint symposium held at Brighton polytechnic 10-15 april 1983. Cambridge, 1-9. Cahen, D., L. H. Keeley en F. L. Van Noten (eds.), 1979. Stone tools, toolkits and human behaviour in prehistory. Current Anthropology 20, 661-683. De Loecker, D., 1992. Site K: A Middle Palaeolithic site at Maastricht-Belvédère (Limburg, the Netherlands). Archaologisches Korrespondenzblatt 22, 449-460. De Loecker, D., 1993. A Saalian riverside settlement: Maastricht-Belvédère Site K. Notae Praehistoricae 12, 7-14. Huxtable, J., 1993 (in druk). Further thermoluminescence dates for burnt flints from Maastricht-Belvédère and a finalised thermoluminescence age for the Unit IV Middle Palaeolithic sites. Mededelingen Rijks Geologische Dienst. Isaac, G. LI., 1977. Olorgesailie. Archaeological studies of a Middle Pleistocene lake basin in Kenya. Chicago/London. Kolfschoten, T. van, 1985. The Middle Pleistocene (Saalian) and Late Pleistocene (Weichselian) mammal faunas from MaastrichtBelvédère (Southern Limburg, the Netherlands). Mededelingen Rijks Geologische Dienst 39-1, 45-74. Kolfschoten, T. van, en W. Roebroeks (eds.), 1985. Maastricht-Belvédère: Stratigraphy, palaeoenvironment and archaeology of the Middle and Late Pleistocene deposits. Mededelingen Rijks Geologische Dienst 39-1 (= Analecta Praehistorica Leidensia 18). Leroi-Gourhan, A., 1984. Pincevent. Campement magdalenien de chasseurs de rennes. Guides archéologiques de la France. Meijer, T., 1985. The pre-Weichselian nonmarine molluscan fauna from MaastrichtBelvédère (Southern Limburg, The Netherlands). Mededelingen Rijks Geologische Dienst 39-1, 75-103." Olive, M., N. Pigeot en Y. Taborin, 1991. Etiolles. Roebroeks, W., 1988. From Find Scatlers lo Early Hominid Behaviour. A Study of Middle Palaeolithic Riverside Settlements al Maas-
tricht-Belvédère (the Netherlands). (Analecta Praehistorica Leidensia 21), Leiden. Roebroeks, W., en P. Hennekens, 1987. Transport of lithics in the Middle Palaeolithic: conjoining evidence from Maastricht-Belvédère (NL). In: N. Arts, E. Cziesla en D. Winter (eds.). The big puzzle, Bonn, 283-295. Roebroeks, W., D. de Loecker, P. Hennekens en M. van Ieperen, 1992 (in druk). On the Archaeology of the Belvédère pit. Mededelingen Rijks Geologische Dienst. Spurrell, F. C. J., 1880. On implements and chips from the floor of' a palaeolithic workshop. Archaeological Journal 37, 249-299. Thieme, H., 1983. Der paleolithische fundplatz Rheindahlen (Dissertatie). Keulen.
Vandenberghe, J., W. Roebroeks en T. van Kolfschoten (eds.), 1992 (in druk). MaastrichtBelvédère: Stratigraphy, palaeoenvironment and archaeology of the Middle and Late Pleistocene deposits. Part II. Mededelingen Rijks Geologische Dienst. Vynckier, P., P. M. Vermeersch en L. Beeckmans, 1988. Le paléolithique Moyen de Vollezele-Congoberg (Brabant, Belgique). Revue archéologique de Picardie 1-2, 133-139.
IPL Postbus 9515 2300 RA Leiden
219
Archeologische presentaties in Noord-Holland Mathieu Willemsen Inleiding Dit artikel is een verkorte weergave van mijn eindscriptie aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, faculteit Museologie (Reinwardt Academie). De doelstelling luidt als volgt: „ een inzicht te krijgen in de wijze waarop archeologica wordt gepresenteerd in Nederlandse musea". Aangezien er in dit land vele archeologische exposities bestaan die door (amateur-)archeologen worden ingericht (onder wie vele AWN-ers), meende ik dat het nuttig zou zijn om hier een kort overzicht te geven van mijn onderzoek met de daaruit getrokken conclusies. In dit artikel wordt allereerst de onderzoeksopzet besproken, gevolgd door de resultaten en de conclusies. Onderzoeksopzet Voordat er begonnen kon worden met het bezoeken van de verschillende exposities, moest er eerst het nodige vooronderzoek verricht worden. Hierbij werd al snel duidelijk dat er zeer veel archeologische tentoonstellingen in Nederland zijn en dat het voor mij fysiek onmogelijk bleek om in een redelijke tijdsmarge alle archeologische exposities te bezoeken. Daarop is besloten om het onderzoek te beperken tot de provincie Noord-Holland. Ten eerste diende bekend te worden waar alle archeologische exposities zich bevonden. Hiervoor zijn verschillende museale, culturele en archeologische instanties geraadpleegd'. De resultaten van deze navraag bleken teleurstellend: niemand kon mij een inventarisatie van tentoonstellingen aanreiken en slechts de provinciaal archeoloog kon mijn lijst, die ik via de literatuur had verkregen, aanvullen2. Dat deze inventarisatie toch niet compleet was, bleek uit het feit dat ik gedurende mijn tochten door het Noordhollandse landschap nog enkele exposities tegenkwam in regionale folders, die mij nog niet bekend waren. Ook thans durf 220
ik nog niet te garanderen dat de door mij verrichte inventarisatie voor honderd procent compleet is (afb. 1).
1. Bezochte archeologische exposities. 1. Amsterdam, Allard Piersonmuseum; 2. Amsterdam, Amsterdams Historisch Museum; 3. Amsterdam, Bijbels Museum; 4. Andijk, Het Grootslag; 5. Assendelft, Icarus et Mars; 6. Assendelft, AWN-ruimte; 7. De Rijp, In 't Houten Huis; 8. Egmond, Abdij van Egmond; 9. Enkhuizen, Stadsgevangenis; 10. Haarlem, Archeologisch Museum; 11. Hilversum, Goois Museum; 12. Hoorn, Westfries Museum; 13. Monnickendam, De Speeltoren; 14. Schagen, Slag aan de Somme; 15. Velsen, Vindplaats Velsen; 16. Westzaan, Collectie Kok-Voogt.
belangrijke elementen
locatie-
hiermee samenhangende vragen • geografische locatie • wat is de aard van het museum • wat is de naam van het museum/de presentatie • is de presentatie tijdelijk of permanent • hoe groot is de presentatie
onderwerp •
waar gaat de presentatie over is er een archeologische invalshoek herkenbaar
story-line—
hoe verloopt de story-line wat is de samenhang van de getoonde objecten
primaire context-
is er aandacht voor de makers/gebruikers van de getoonde objecten wordt er nog op een andere wijze gewezen op de primaire context
methodes/technieken-
- wordt er aandacht besteed aan hulpwetenschappen -is er een definitie van archeologie " wordt er gewezen op specifieke problemen en/of eigenschappen van de archeologie " is er aandacht voor methodes/technieken
presentatiewijze -
-wat is de doelstelling - worden er vaktermen gebruikt - worden er interactieve media gebruikt " wat voor informatie-overdrachtsmiddelen zijn er "is de tentoonstelling synecologisch of autecologisch
2. Opzet van de vragenlijst.
Tegelijkertijd werd er ook een vragenlijst ontworpen aan de hand waarvan de tentoonstellingen konden worden onderzocht (afb. 2). Een dergelijke vragenlijst is een onmisbaar instrument voor de handhaving van zoveel mogelijk objectiviteit in het onderzoek. Nadat de inventarisatie en de vragenlijst gereed waren, kon er begonnen worden met het veldwerk. In het onderzoek werden alleen exposities betrokken die een vloeroppervlakte hadden van ten minste 20 m2. Aangezien ik het merendeel van de exposities niet kende, was het dus noodzaak alle door mij geïnventariseerde exposities te bezoeken. De exposities zijn alle bezocht tussen mei en augustus 1992, waarvan het merendeel in de maanden juli en augustus. Hierna kon er begonnen worden met de verwerking van de antwoorden. De antwoorden
werden vervolgens gecodeerd, ondergebracht in tabellen en geanalyseerd. Uiteindelijk is getracht om de verschillende soorten exposities onder te brengen in verscheidene categorieën. Er zijn in het onderzoek allerlei soorten exposities verwerkt, waarbij het begrip „archeologisch" zeer ruim is opgevat {- waar vondsten uit de bodem worden getoond). Hierdoor is een zeer gevarieerd beeld ontstaan van exposities, waar van alles wordt getoond: van klassieke kunst tot vliegtuigwrakken. Uiteindelijk zijn in het onderzoek in totaal zestien exposities betrokken (afb. 1). Resultaten De resultaten worden behandeld aan de hand van een zestal elementen, te weten: 221
1. de locatie; 2. het onderwerp van de expositie; 3. de story-line; 4. de aandacht voor de primaire context; 5. aandacht voor methodes/technieken; 6. de wijze van presenteren. De locatie Van de zestien exposities bevonden zich er zeven in historische musea, twee musea hielden zich uitsluitend bezig met de archeologie en de overige bevonden zich in een niet-museale context (bijvoorbeeld in de werkruimte van een werkgroep, een kerk of in een abdij). Alle onderzochte exposities waren van (semi-)permanente aard en de omvang varieerde zeer sterk. Bij de grootste exposities (meer dan 200 m2) is niet de gehele expositie, maar slechts één afdeling, die representatief was voor de gehele expositie, onderzocht. Het onderwerp van de expositie In het merendeel van de exposities worden voorwerpen getoond uit alle periodes die in de nabijheid van de tentoonstellingsruimte zijn gevonden (vaak het dorp of de stad waar de expositie zich bevindt). Daarnaast waren er ook verscheidene exposities (vijf in getal) die objecten tonen die elders zijn gevonden en/of zich beperken tot een bepaalde periode. Behalve regionale/locale archeologie werden ook andere invalshoeken aangetroffen, zoals niet-Europese archeologie, slagveldarcheologie, stadskernarcheologie en archeologie in het kader van de historie. De story-line De story-line behelst het verhaal dat in een tentoonstelling wordt verteld. Bij negen van de onderzochte exposities verliep de storyline chronologisch, bij zes verliep deze thematisch, en de overgebleven expositie vertoonde een combinatie van deze twee mogelijkheden. Indien er nu binnen de story-lines gekeken wordt naar de samenhang van de objecten, blijkt dat bij bijna de helft van de exposities de objecten in een samenhang van chronologie/thematiek worden vertoond. De overige exposities verdeelden zich evenwichtig over deze twee mogelijkheden. Ik heb één expo222
sitie bezocht waarbij de samenhang van de objecten mij niet geheel duidelijk is geworden. De aandacht voor de persoonlijke context Persoonlijk vind ik dit een zeer belangrijk aspect, dat eigenlijk bij alle archeologische exposities naar voren zou moeten treden. Het gaat er de archeoloog tenslotte veelal om de primaire context van de vondsten (waar dienden voorwerpen voor, hoe werden ze gebruikt, hoe zag de maatschappij er in het verleden uit, etc.) te achterhalen. Voordat ik aan dit onderzoek begon, had ik het vermoeden dat er in archeologische tentoonstellingen over het algemeen zeer weinig aandacht wordt besteed aan deze primaire context en dat in tentoonstellingen over het algemeen meer aandacht is voor de potten en pannen zelf dan voor de mensen en samenlevingen die zich hieromheen bevinden. Uit het onderzoek blijkt dat bij negen van de exposities in mindere of meerdere mate aandacht wordt besteed aan de makers/gebruikers van de getoonde objecten. Ook is er gekeken of er ook nog op een andere manier aandacht werd geschonken aan de primaire context (hierbij kan gedacht worden aan historische/biologische/geografische/geologische aspecten en dergelijke). Hierbij bleek de verdeling over de exposities hetzelfde te zijn als bij de aandacht voor makers/gebruikers van de objecten. Indien nu deze aspecten gecombineerd worden, blijkt dat er bij drie exposities totaal niets over de primaire context was te vinden. Deze exposities waren wat dit betreft geheel objectgericht. Bij vijf exposities is zowel aandacht besteed aan de makers/gebruikers van de objecten als aan de overige aspecten van de primaire context (de tentoonstelling die wat dit aspect betreft er op positieve wijze uitsprong, was de archeologische expositie in het Goois Museum). De overige acht exposities verdeelden zich evenredig over de beide hiervoor genoemde aspecten. In dit onderzoek is slechts gekeken naar het feit of en niet hoe er aandacht aan deze aspecten werd besteed. Indien de vraag zou
zijn gesteld hoe diepgaand er aan deze aspecten aandacht is besteed, zouden er zeer grote verschillen in de diverse exposities naar voren treden. Aandacht voor methodes/technieken De resultaten van een archeologisch onderzoek zijn grotendeels afhankelijk van de gevolgde werkwijzes tijdens en na het veldwerk. In dit gedeelte wordt bekeken in hoeverre dit terugkeert in de exposities. Deze aandacht blijkt over het algemeen zeer karig te zijn. Zo wordt bijvoorbeeld bij slechts drie exposities iets verteld over de hulpwetenschappen waarvan de archeologie veelal gebruik maakt. Bij zeven van de exposities wordt op enigerlei wijze aandacht besteed aan archeologische methodes/technieken. Vooral voorbeelden van stratigrafie zijn meermaals aangetroffen. Bij twee van de exposities werd iets medegedeeld over de specifieke problemen en eigenschappen van de archeologie, en bij de vraag of er op de expositie een definitie wordt gegeven van het begrip archeologie, komt eenzelfde verdeling over de exposities naar voren. De tentoonstellingsmakers gaan er veelal vanuit dat de bezoeker reeds weet wat archeologie inhoudt. De wijze van presenteren Ook dit kopje is onder te verdelen in meerdere aspecten, die tijdens het onderzoek in het voetlicht hebben gestaan. Allereerst is gekeken of de tentoonstellingen objectgericht (gaat het om het tonen van voorwerpen?) of thematisch (gaat het om het vertellen van een verhaal, waarbij de voorwerpen als gidsobjecten dienen?). Negen van de exposities bleken objectgericht te zijn. Als er nu wordt gekeken of er een samenhang bestaat tussen het soort museum en de aard van de doelstelling, zoals hierboven beschreven, blijkt dat de soorten doelstelling per soort museum geheel in evenwicht zijn. Het is dus niet gebleken dat een bepaald type museum de voorkeur heeft voor een bepaald soort doelstelling. Alleen bij de niet-musea blijkt dat deze alle kiezen voor een objectgerichte doelstelling. Daarnaast is gekeken of er in de tentoonstel-
lingen (vak)termen gebezigd werden die onduidelijk zijn voor mensen die geen archeologische voorkennis bezitten. Vaktermen ben ik bij zeven van de exposities tegengekomen. Het betreft dan met name benamingen van prehistorische culturen, benamingen van aardewerksoorten en aanduidingen van voorwerpen. Ook is er gekeken of er in archeologische tentoonstellingen gebruik wordt gemaakt van interactieve media. Het bleek duidelijk dat deze hier (nog?) niet zijn doorgedrongen. Er is slechts één museum aangetroffen met een interactief medium. Dit betrof het Archeologisch Museum Haarlem, alwaar de bezoeker met behulp van een computer een „opgraving kan verrichten". In de verschillende tentoonstellingen wordt een zeer divers scala van informatie-overdrachtsmiddelen gebruikt, zoals schaalmodellen, reconstructies en rondleidingen. Ook historische voorwerpen werden soms in de tentoonstellingen ter verduidelijking gebruikt. Als laatste is er nog gekeken of de tentoonstellingen synecologisch (hierbij staat het geheel van de tentoonstelling centraal) of autecologisch (hierbij staat het object centraal en zoekt men vanuit dit voorwerp naar samenhangen) waren. Ik vind dit een zeer belangrijke vraag, aangezien er in de archeologie veelal autecologisch gewerkt wordt; men heeft een aantal sporen en voorwerpen en hiervan uitgaand, worden conclusies getrokken. De vraag was of deze systematiek ook in de tentoonstellingen terug te vinden was. Dit bleek duidelijk niet het geval te zijn. Er waren veertien exposities die synecologisch van aard waren, slechts één expositie was autecologisch en de resterende vertoonde een combinatie van de beide voornoemde mogelijkheden. Een kort overzicht van de verschillende soorten tentoonstellingen Hieronder volgt een beknopt schematisch overzicht van de verschillende soorten tentoonstellingen, zoals ik die heb aangetroffen, met hun belangrijkste kenmerken. Deze opzet telt alleen voor de tentoonstellingen zoals ik die heb aangetroffen in Noord-Holland, en het is zeer wel denkbaar dat er bui223
ten dit gebied nog andere soorten te onderscheiden zijn. archeologische presentatie - de archeologische herkomst van de objecten wordt duidelijk aan het publiek getoond - er is aandacht voor de primaire context van de getoonde objecten - er is aandacht voor archeologische methodes/technieken locaal-archeologische presentatie - de objecten zijn in de regio opgegraven - de expositie is objectgericht - er is weinig achtergrondinformatie rondom de objecten - alle aangetroffen periodes worden getoond klassiek-archeologische presentatie - er worden objecten van klassieke beschavingen getoond - de objecten worden opgevat als kunstwerk - er is weinig toelichting bij de objecten militair-archeologische presentatie - de objecten zijn militair van karakter - archeologische voorwerpen worden naast historische voorwerpen getoond - er is aandacht voor de gebruikers van de voorwerpen historische presentatie - archeologica gebruikt als zijnde historische voorwerpen - de presentatie bevindt zich in een historische context - alleen gave resp. grondig gerestaureerde objecten worden getoond locaal-historische archeologische presentatie - de objecten zijn in de regio opgegraven - de expositie is objectgericht - de expositie bevindt zich in een regionaal/ locaal historisch museum - de archeologica wordt gebruikt als aanvulling op een historisch verhaal Eindwoord Het hiervoor beschreven onderzoek was een 224
verkenning op een gebied waarop tot heden bij mijn weten nog geen enkel onderzoek was verricht. Mede hierdoor is het onderzoek achteraf gezien misschien op sommige punten niet erg diepgaand van aard. Wel is duidelijk geworden van wat voor diversiteit sprake is bij de onderzochte tentoonstellingen. Aangezien er slechts zestien exposities zijn onderzocht, zijn er expres geen percentages gebruikt bij de antwoorden; dit zou een te vertekend beeld gegeven hebben. Bovendien moet nog bedacht worden dat de hiervoor genoemde antwoorden met de bijbehorende indeling waarschijnlijk niet representatief zullen blijken voor het gehele land. De situatie in Noord-Holland is zowel archeologisch als geografisch totaal verschillend van andere delen van het land. Ik spreek als laatste de hoop uit dat (toekomstige) tentoonstellingsmakers binnen de AWN-gelederen middels onder andere dit artikel een idee krijgen van wat voor aspecten er allemaal aan de orde kunnen komen bij het samenstellen van een tentoonstelling. Besef van tevoren altijd wat en aan wie je iets wilt vertellen en tonen3. Een tentoonstelling is tenslotte meer dan alleen maar je mooiste vondsten achter glas in een openbare ruimte neerzetten! Noten 1 Het betrof de volgende instanties: - de regionale streekconservator Zuidkennemerland; - de Culturele Raad Noord-Holland; - de provinciaal archeoloog van Noord-Holland; - de VVV te Haarlem; - de Historische en Archeologische Sectie van de Nederlandse Museumvereniging; - het Archeologisch Informatiecentrum. 2 De navolgende literatuur bevatte tentoonstellingen: Culturele Raad Noord-Holland 1992; Elffers e.a. 1982; Molegraaf 1980; Spruit 1987; Stichting Nederland Museumland 1990; Z. N. 1980. 3 Zie Van Ginkel 1990. Literatuur Bartelds, J. F., E. P. W. A. Jansen en Th. H. Joosten, 1989. EnquĂŞteren, het opstellen en gebruiken van vragenlijsten. Groningen.
Bloemers, J. H. F., en T. van Dorp (eds.), 1991. Pre- en protohistorie van de lage landen. Houten. Culturele Raad Noord-Holland en Provinciale VVV Noord-Holland, 1992. Toer-in wijzer. z.p. Elffers, J., M. Schuijt en A. Averbeek (eds.), 1982. Groot museumboek. Amsterdam. Ginkel, E. J. van, 1990. Alle potjes op een rij! Alles wat u over archeologische tentoonstellingen wilde weten, maar nooit durfde te vragen. Westerheem 39, 82-87. Louwe Kooijmans, L. P., 1979. Opgraven in Nederland, het werk van de archeoloog. 's-Gravenhage. Mensch, P. van, 1986. Inleiding in de museologie, Grondslagen J: het object als informatiedrager. Leiden. Mensch, P. van, 1983. Nederlandse museumterminologie. Leiden. Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk, 1982. Archeologie en musea in Nederland. Rijswijk. Molegraaf, R., 1980. De Nederlandse museumgids. 's-Gravenhage.
Shanks, M., en C. Tilley, 1987. Re-constructing archaeology, theory and practice. Cambridge. Spruit, R., 1987. De Nederlandse museumgids. 's-Gravenhage. Stichting Nederland Museumland (ed.), 1990. Nederland museumland 1990. 's-Gravenhage. Swanborn, P. G., 1987. Aspecten van Sociologisch onderzoek. Meppel. University of Leicester (ed.), 1983. Learning goals and bibliography for museumstudies. Leicester. Velarde, G., 1984. Exhibition design, Manual of curatorship, a guide to museumpractice. London, 394-402. Willemsen, M. J. C. Archeologische presentaties in Noord-Holland (eindscriptie AHK, ongepubliceerd). Z. N., 1980. Amsterdam en omgeving, praktische museumwijzer. Amsterdam.
Rijksstraatweg 304 2025 DP Haarlem
225
De dood in de tempel Het meisje van Yde opnieuw vermoord Wijnand A. B. van der Sanden Wat voorafging Op 10 mei 1994 presenteerde het Drents Museum de reconstructie van het hoofd van één van zijn bekendste veenlijken aan het publiek. Deze reconstructie werd vervaardigd door R. A. H. Neave van de Universiteit van Manchester. Op dezelfde dag werd ook een boek over dit veenlijk gepresenteerd met als titel: Het meisje van Yde. Sinds die dinsdag is het niet meer rustig geweest rond haar. Filmploegen uit binnen- en buitenland, journalisten, museumbezoekers, iedereen wilde alles van haar weten. Er werden brieven aan haar geschreven, gedichten aan haar opgedragen, ja, er werd zelfs een „luisterliedje" over haar tragische einde gecomponeerd. De bakker in het dorp waaronder Yde valt - Vries - heeft al een koekje op de markt gebracht met de naam „Yder meisje". En het einde is nog lang niet in zicht. Er komt een fietsroute en misschien nog wel een gedenkteken op de vindplaats. Het zijn allemaal odes, de een poëtisch, de ander commercieel, aan het eerste gezicht van de Nederlandse prehistorie. Over één van die uitingen gaat dit verhaal. We reizen af naar een plaats in Nederland „waar het verleden wel héél dichtbij komt". Een dagje naar het park Op zondag 21 augustus jl. is het meisje van Yde onder grote belangstelling geofferd aan de goden. Deze gebeurtenis vond niet plaats in Yde, maar in Alphen aan den Rijn, in het onlangs geopende archeologische themapark Archeon. Bij de voorstelling die ik bijgewoond heb - die van 14.00 uur - waren naar schatting zo'n duizend mensen aanwezig (de voorstelling van 17.00 uur werd, zo heb ik gehoord, door ca. 700 bezoekers bijgewoond). Wat kregen de bezoekers te zien? Een korte samenvatting. De voorstelling begint met een viertal sjamanen, die op een heuvel geheimzinnige bewegingen en geluiden maken. In het midden 226
brandt een vuurtje. De heuvel is toegankelijk via een plank die over de brede greppel ligt; deze plaats is gemarkeerd door een diereschedel die op een lange stok is geplaatst. Na een minuut of tien komt uit de verte een stoet mensen aan, begeleid door tromgeroffel. Een man met een kromme stok, naar even later blijkt de dorpsoudste, betreedt als eerste „de cirkel". Een meisje met blonde haren, krom- en manklopend, volgt daarna. Zij gaat zitten op de top van de heuvel, aan de voet van de hoofdsjamaan. De man met de staf richt zich vervolgens tot de omstanders. Hij maakt gewag van grote problemen die het dorp sinds lange tijd teisteren. Hij maakt ook duidelijk dat men een schuldige op het oog heeft: hetzelfde meisje met de blonde haren, dat nu triest op de heuvel zit. Moet er niet een offer aan de goden gebracht worden om de problemen op te lossen? Hij roept vervolgens enkele getuigen (klagers) op om de algemene gevoelens van onbehagen met feiten te onderbouwen. De getuigen komen om de beurt in de cirkel en uiten hun beschuldigingen. Die beschuldigingen zijn lang niet mis: misoogsten, de geboorte van een kalf met twee koppen, raadselachtige branden, nederlagen tegen de Romeinen, de dood van een kind: het is allemaal haar schuld, ja zelfs de dood van haar vader komt volgens de klagers voor rekening van het meisje. Maar ook de tegenpartij krijgt het woord. Een jongeman met krullend haar betoogt dat er wel nederlagen tegen de Romeinen geleden zijn, maar dat er evengoed nog handel met hen gedreven wordt. En enig mededogen met het meisje is ook wel op zijn plaats: ze heeft nooit goed en rechtop kunnen lopen. Aan iedereen mankeert toch wel wat? Als laatste mogen de moeder en de zus van het meisje hun zegje doen. De moeder benadrukt de goede kanten van haar dochter, hierbij ondersteund door haar andere dochter (gespeeld door Monique Hos, de „officieel" gekozen dub-
.ar: Het meisje wordt door de hoofdsjamaan veroordeeld (foto: auteur).
belganger van het meisje van Yde). Dan trekt iedereen zich weer terug, het meisje achterlatend bij de sjamanen, die nu de voortekenen moeten interpreteren om te zien of zij geofferd moet worden. Het is voor niemand een verrassing dat het lot in haar nadeel beslist. Zij zal aan de veengoden worden geofferd. De stoet is inmiddels teruggekeerd om het onfortuinlijke meisje op te halen en haar naar de plaats van executie te begeleiden. Het toneel wordt nu verplaatst naar het nabijgelegen vennetje. Als de parkbezoekers een nieuwe plaats veroverd hebben rondom het ven gaat de ceremonie verder. In een houten gebouwtje dat aan de rand van het vennetje staat en er tegelijkertijd ver bovenuit steekt, vindt de levensbeëindiging plaats. Twee sjamanen houden het huilende en tegenspartelende meisje vast, de hoofdsjamaan staat achter haar en wikkelt een bandje tweemaal om haar hals en wurgt haar daarmee. Na enige schokken stort zij ter aarde. De hoofdsjamaan steekt ten slotte ook nog een mes in haar keel. Het meisje is niet meer. Even later wordt zij naar de achterkant van het houten gebouwtje afgevoerd. Dan komen de twee hulpsjamanen met het meisje (inmiddels vervangen door een pop) op een brancard van achter het gebouwtje vandaan en begeven zich over een korte veenweg het vennetje in. Het meisje wordt in een mantel gewikkeld en het water ingeworpen. Omdat het water ter plaatse niet al te diep is, ligt het meisje er maar half in. Dit is het einde van de eigenlijke voorstel-
ling. Wat volgt is een verklaring dat dit maar één van de scenario's van de laatste dag van het meisje van Yde is. Terwijl de bezoekers beginnen weg te lopen, wordt per microfoon medegedeeld dat er verschillende aanpassingen hebben plaatsgevonden. Enkele elementen uit de voorstelling stroken niet met de werkelijkheid. De belangrijkste daarvan zijn het landschap, de lichaamshouding van het meisje en de plaats van executie, het houten gebouwtje. De aanpassingen, zo wordt uitgelegd, zijn gedaan vanwege het „dramatisch effect". Aan het einde wordt er geapplaudisseerd en gaat ieder zijns weegs. In de epiloog wordt ook het Drents Museum bedankt voor de medewerking. „Bij Archeon hebben de reconstructies van de huizen, hutten en het landschap in samenwerking met tal van wetenschappers vorm gekregen. Zo is ook de uitvoering van de laatste dag van het meisje van Yde tot stand gekomen". Bij dit laatste punt wil ik wat langer stilstaan. In hoofdlijnen wist ik wat er gebeuren ging. Ik had immers een scriptvoorstel toegestuurd gekregen met het verzoek hierop commentaar te geven. Dat commentaar heb ik gegeven. Ik wil hier niet op elk detail ingaan, maar alleen de hoofdpunten noemen. Mijn kritiek richtte zich op de in het script genoemde sjamaan (sjamanen horen in een andere sociale wereld thuis), het feit dat men het meisje krom en mank wilde laten lopen (het is maar zeer de vraag of een en ander bij haar duidelijk te zien was) en natuurlijk dat houten gebouwtje (het tempeltje van Barger-Oosterveld, ruim 1500 jaar ouder dan de periode waarin het meisje van Yde leefde!). Kort voor de grote dag zond men mij keurig de tekst van de „verantwoording achteraf' (de tekst dus die na de voorstelling zou worden voorgelezen). Hieruit bleek dat twee van de drie bezwaren niet konden worden gehonoreerd. Het dramatisch effect dat de aanpassingen zouden sorteren, werd belangrijker geacht. Het meisje zou krom en mank gaan lopen en de wurging zou in het tempeltje plaatsvinden. Achteraf zou er uitleg gegeven worden. Het woord werd dus ondergeschikt aan het beeld gemaakt. Over de sjamaan vernam ik niets 227
meer tot het moment dat ik met vrouw en kind aan de rand van de greppel om de heuvel - een ringwalheuvel uit de middenbronstijd, naar een origineel uit de provincie Noord-Brabant - stond. Daar waren opeens niet minder dan vier van dergelijke, in zeer primitieve kleding gehulde mannen bezig met dansen en het uitstoten van geluiden. Indianen zonder veren, zo leek het wel. Afijn, de rest van het verhaal kent u inmiddels. Wat vond ik er nou van? Die vraag is me, als geestelijk vader van het meisje, diverse malen gesteld. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik op de eerste plaats zeer vereerd was te zien dat de reconstructie en het bijbehorende boek zo'n uitwerking hadden. Er komen de laatste tijd veel mensen naar het Drents Museum om de reconstructie te bekijken, maar duizend tegelijk, nee, daar kunnen we alleen nog maar van dromen. Toen dat gevoel wat weggeëbd was, begon het knagen steeds heviger te worden en dat heeft tot aan het schrijven van dit stuk aangehouden. Laat ik vooropstellen dat ik geen principiële bezwaren heb tegen de uitvoering als zodanig. Ik weet dat er pogingen zijn ondernomen om de opvoering van de moord te verhinderen - uit angst voor een soort James Bulger-effect - maar daar til ik niet zo zwaar aan. Een openluchtspel is een manier om mensen op het bestaan van offerpraktijken in het verre verleden te wijzen. Wat me dwarszit, is de incorporatie van elementen die absoluut niets met de periode waarover we praten te maken hebben. Dat Archeon geen door loofbossen omzoomd veentje heeft, accoord. Maar waarom dan de helft van de ceremonie op een heuvel van de Hilversum-cultuur uitgevoerd? Veel is onzeker in het ritueel rond de dood van het meisje, maar één ding weet ik wèl zeker: ze is niet veroordeeld zittend op een ringwalheuvel. Datzelfde geldt mutatis mutandis voor de sjamanen en het houten tempeltje. En waarom de scoleose overdrijven? Dat soort vervormingen verwacht ik eerder van de pers: hoe krommer hoe liever, want gewoon is niet interessant voor de lezers. Ben ik een „precieze"? Dat hangt van de context af. Binnenkort verschijnt er een kinderboek over het meisje van Yde. De schrij228
ver heeft talloze onbekende details zelf maar ingevuld. Als ik hem goed begrepen heb, sterft het meisje in 16 na Chr. Heb ik geen problemen mee. Een hoorspel dat Cocky van Bokhoven thans in opdracht van de TROS voorbereidt, loopt weer heel anders. Het meisje is daarin een zieneres; op een gegeven moment vlucht ze en verschuilt ze zich in een hunebed. Verder krijgt ze ook een naam. In dit verhaal is het jaar 10 na Chr. belangrijk (in verband met de Varusslag). Prima, ook daar heb ik allemaal geen problemen mee. Verder is er nog een toneelstuk voor kinderen in de maak en ongetwijfeld loopt dat weer heel anders. U hoort mij straks niet klagen of zeuren dat we niet weten hoe het meisje heet. In deze contexten is vrijheid geoorloofd. Dramatisch effect? Prima. Maar aan het themapark Archeon stel ik andere eisen. Hier ben ik toch echt minder rekkelijk. Feiten ondergeschikt maken aan dramatische effecten kan hier niet. Daar werken de archeologen niet voor, om hun gegevens door elkaar te laten husselen tot een geheel waarvan men vermoedt dat het zal appelleren aan de gevoelens van het publiek. Waarom is Archeon zo precies als het gaat om technologische details en zo vrij als het gaat om religie? Cocky van Bokhoven heeft zich voor haar hoorspel verdiept in Tacitus' Germania en het proefschrift van Nico Roymans. Ik verdenk er bij Archeon niemand van die boeken ter hand te hebben genomen. Ook voor de vertaling van dit soort zaken moet de Archeon-directie zich een hoge standaard stellen, Dat voorkomt wellicht dat er - zoals in het onderhavige geval - een democratische rechtszaak wordt opgevoerd die meer zegt over ons dan over het verleden. Ik heb die bewuste zondag op de valreep gehoord dat wegens het grote succes de voorstelling in de toekomst herhaald zal gaan worden. Dat brengt mij bij de vraag: must the show go on? Het antwoord is nog steeds ja, maar dan wel in sterk aangepaste vorm. Aan de inzet en het enthousiasme van de spelers hoeft echter niets veranderd te worden. Waardeel 7a 9451 EL Rolde
Kort archeologisch nieuws Vaantje uit de gracht Op het terrein van de voormalige havezathe 't Weleveld, tussen Zenderen en Hertme (Twente), is een aardige vondst gedaan. Bij het opnieuw uitgraven van de grachten werd een windvaan van één van de torens aangetroffen. Het vaantje, dat een halve meter lang is, stamt vermoedelijk uit de 18de eeuw. Er op afgebeeld zijn een wolfskop ('t Wolfsveld is later verbasterd tot 't Weleveld) en de drie rozen van de familie Van Ruinen die de havezathe in de 13de eeuw stichtte. De havezathe is gesloopt in 1804. Er bestaan plannen op het terrein een golfbaan aan te leggen. Dagblad Tubantia 2 augustus 1994
Particuliere collectie naar gemeente Alkmaar De Stichting Behoud Alkmaarse Bodemvondsten heeft bekend gemaakt dat zij de archeologische collectie W. H. Hermans aan de gemeente Alkmaar wil schenken. De heer Hermans, woonachtig in Heiloo, schonk vorig jaar 158 voorwerpen aan de Alkmaarse stichting omdat hij onverwachts moest verhuizen naar een verzorgingstehuis. De collectie bestaat uit voornamelijk onbeschadigde voorwerpen van keramiek, glas, metaal en hout, alsmede 59 versierde wandtegels en diverse vloertegels. De heer Hermans deed zijn vondsten in de periode 1945-1955. Tijdens de naoorlogse wederopbouw in Alkmaar vond op grote schaal grondverzet plaats, zonder dat men zich bekommerde over de bodemvondsten die zo konden worden gedaan. De heer Hermans deed dat wel; hij wist zo een unieke collectie huisraad uit de periode 1200-1900 te verwerven. Alkmaarsche Courant 4 augustus 1994
Metalen vaantje van havezathe 't Weleveld. Hunebed wacht Begin augustus hebben medewerkers van de Emmer Stichting Archeologie en Monumenten het hunebed in de wijk Angelslo in Emmen een flinke wasbeurt gegeven. Met speciale zeep werd het hunebed schoongeschrobt en ontdaan van graffiti. Het 5.000 jaar oude grafmonument ligt midden in een woonwijk en is geregeld het mikpunt van vandalisme. Ruim twee jaar geleden was het zo erg dat de gemeente overwoog om het hunebed opnieuw met een laag zand te bedekken. „We hebben het toen geadopteerd en een hunebedwacht ingesteld. De buurtbewoners staan helemaal achter ons en houden ook een oogje in het zeil", aldus bestuurslid Jan Bakker. Ondanks de hunbedwacht wisten onverlaten het hunebed toch weer met verf te bekladden. „Het was zo erg dat we het hunebed een wasbeurt moesten geven", verzucht Bakker. Volgens hem hebben de oude steenconstructies veel te lijden. Bakker: „Ze slijten hard omdat mensen er op klimmen. Ze denken dat de zwerfkeien onverwoestbaar zijn, maar dat is een vergissing. De 25 ton zware deksteen van het hunebed bij Borger is inmiddels gebarsten". De Telegraaf 4 augustus 1994
Manden uit de Ijzertijd In de Velserbroekpolder zijn twee manden uit de vroege Ijzertijd, ca. 600 voor Chr., opgegraven. De manden van wilgetenen en takken van de jeneverbesstruik, hebben een diameter en hoogte van 40 cm. Organisch materiaal van deze kwaliteit en ouderdom is uniek. Het is nog niet duidelijk of de kuil waarin de manden lagen een gewone of een rituele kuil is geweest. Haarlems Dagblad en Umuider Courant 19 augustus 1994 Vuistbijl uit Belfeld De Tegelenaren Theo Franssen en Frits Beurskens vonden begin september in de kleigroeve Maalbeek in Belfeld een vuurstenen vuistbijl die volgens het tweetal 580.000 tot 750.000 jaar oud moet zijn. De heren speuren al jaren in het Limburgse landschap naar archeologische objecten. Tientallen kilo's stenen hebben ze inmiddels mee naar huis gezeuld. In de groeve Maalbeek onderzochten Franssen en Beurskens de storthoop, waar de stenen worden gestort die vrijkomen bij het zeven van de door bulldozers afgegraven klei. Omdat de klei uit steeds diepere grondlagen wordt gehaald, komen steeds oudere objecten te voorschijn. Franssen: „Woensdag waren we nog geen half uur aan het zoeken en ineens zagen we het: een paar prachtige werktuigen, waarschijnlijk van Neanderthalers die hier door het gebied hebben gezworven". De Venlose gemeente229
archeoloog J. Schotten reageert behoedzaam op de vondst. Hij legt uit dat er in de archeologie twee stromingen zijn: de ene groep denkt dat er in Europa geen sporen van menselijk leven van meer dan 500.000 jaar oud te vinden zijn, de andere groep gelooft wel degelijk dat er in Europa voor die tijd ook al mensen rondliepen. Schotten: „Dat ligt in de wetenschap ontzettend gevoelig. Sommige wetenschappers claimen vondsten in Europa van een miljoen jaar oud, maar die zijn nog altijd omstreden. Als Beurskens en Franssen gelijk hebben met hun schatting, zouden ze echt een unieke vondst hebben gedaan. En persoonlijk sluit ik niets uit voor het tegendeel bewezen is". Dagblad voor Noord-Lintburg 2 september 1994 Kluizenaar doet belangrijke vondsten De in 1992 overleden kluizenaar J. H. Hoogeveen uit Alphen blijkt in stilte een belangrijke bijdrage te nebben geleverd aan de archeologiebeoefening in zijn woonplaats. Tot nu toe waren in Alphen aan den Rijn hoofdzakelijk vondsten uit de Romeinse tijd en uit de late middeleeuwen en later bekend. Over met name de vroege middeleeuwen was met betrekking tot Alphen niets bekend. De in afzondering in de voormalige drogisterij aan de Julianastraat wonende Hoogeveen blijkt nu de restanten van een tiende-eeuwse nederzetting te hebben opgegraven. Bovendien groef hij in zijn achtertuin een Merovingische bronzen armband uit de 5e eeuw op. Hoogeveen opereerde voornamelijk 's nachts en kon zich zo zonder storende belangstelling van derden aan zijn hobby wijden. Zijn erfgenamen, het Leidse echtpaar Roeïeven, hebben de vondsten in de openbaarheid gebracht. In februari '95 zal een belangrijk deel van de vondsten in Alphen worden tentoongesteld.
Kapel in Holten Bij opgravingen in de Nederlands Hervormde kerk in Holten heeft de amateur-archeoloog Henk Rietberg de restanten van een kapel uit de 14e eeuw en een groot aantal middeleeuwse graven ontdekt. De fundering bestaat uit een rij veldkeien die op een diepte van een meter werd aangetroffen. Het gaat om een kapel uit 1350 van 7.60 bij 5.40 m die destijds vanuit Rijssen werd bediend. Onder de veldkeien werden graven aangetroffen, zodat er sprake moet zijn geweest van een eerdere kerk. Dagblad Tubantia 10 september 1994 Huis ter Kleef Tijdens de Open Monumentendag (10 september) bracht uw eindredacteur een bezoek aan de ruïne van het Huis ter Kleef in Haarlem. Dit vermoedelijk uit de 13de eeuw stammende kasteel werd in 1573 verwoest en is sindsdien een ruïne. Gedurende enkele jaren is de ruïne uitgebreid archeologisch onderzocht en zijn de fundamenten blootgelegd. Nu lagen de funderingen er keurig gepoetst bij en kon een ieder ze bekijken, voor ze over enige tijd weer onder het zand zullen verdwijnen. Plannen om de kasteelmuren te consolideren en in het zicht te houden, bleken helaas toch te duur te zijn. De funderingen afdekken is dan ook de enige mogelijkheid om ze te behouden. Tijdens de opgravingen is een schat aan middeleeuwse gebruiksvoorwerpen gevonden. Een kleine selectie hiervan was te zien in een bewaard gebleven dienstgebouw van het kasteel. Ondanks het slechte weer was er veel belangstelling voor de ruïne en de bodemvondsten. Robert van Lit
Rijn en Gouwe 6 september 1994
Literatuurbespreking Wijnand van der Sanden. Het meisje van Yde. Uitgave Drents Museum, Assen 1994. ISBN 9070884-61-5. 128 pagina's. Prijs ƒ 34,50. Bij twee eerdere gelegenheden heb ik me in de kolommen van Westerheem positief uitgelaten over de boeken die het Drents Museum de afgelopen jaren heeft verzorgd als begeleiding bij de nieuwe archeologische afdeling. Helder geschreven, rijk geïllustreerd, goed vormgegeven en met een schat aan concrete informatie vormen de verschenen delen een voorbeeldige reeks populairwetenschappelijke publikaties. Ze worden echter
230
in alle opzichten overtroffen door het laatste produkt uit Assen: Het meisje van Yde door Wijnand van der Sanden. Sterker nog: ik vind dat dit boekje alles in zijn soort overtreft wat er tot nu toe is verschenen, en dat het toekomstige archeologische auteurs moeite zal kosten iets te maken dat tegelijkertijd zo mooi en zo goed is. Zulke uitbundige loftuitingen vragen om een nadere toelichting, die ik hieronder graag geef. Eerst wat meer over het onderwerp, dat het afgelopen voorjaar mocht genieten van een grote publieke belangstelling. Bijna een eeuw geleden haalden veenbaggeraars uit een waterplas tussen
Vries en Yde de geconserveerde resten van een jonge vrouw naar boven: het eerste Nederlandse veenlijk dat na de ontdekking bewaard bleef voor wetenschap en publiek. Het is bovendien het best herkenbare Nederlandse veenlijk en door de duidelijke doodsoorzaak - wurging met een geweven wollen band - het meest tot de verbeelding sprekende. Sinds het jaar van de vondst (1897) is „het meisje van Yde" een hoofdbezienswaardigheid in het Drents Museum. In de loop der jaren werden sommige details van het schamele overschot bestudeerd: de leeftijd van het meisje, de periode waarin zij leefde en om het leven was gebracht en haar wollen mantel. Aan het eind van de jaren '80 werd zij nog eens uitvoerig onderzocht in het kader van Van der Sandens proefschrift over de veenlijken. In zekere zin is Het meisje van Yde te beschouwen als vervolg op dat proefschrift, dat onder de titel Mens en moeras door het Drents Museum werd gepubliceerd in de hierboven genoemde reeks. De auteur heeft zich geconcentreerd op één van de behandelde veenlijken en heeft getracht om op alle mogelijke manieren dieper inzicht te verkrijgen in het leven, dat twintig eeuwen eerder zo bruut werd beëindigd. Net als Mens en moeras is Het meisje van Yde de weerslag van een bij uitstek multidisciplinair onderzoek. Computertomografie, dactyloscopie, de studie van (pre)historische weeftechnieken, naamkunde en stuifmeelonderzoek droegen bij tot een reconstructie van leven en tijd van Het Meisje. Het meest tot ieders verbeelding (inclusief die van de auteur, schat ik) sprak de reconstructie van Het Meisje zelf: een langs gerechtelijk-medische weg tot stand gekomen, wat weemoedig kijkend wassen borstbeeld, dat in een moderne museale presentatie zeker zijn plaats verdient. Het boek laat in veertien hoofdstukken zien waarom en hoe al dit onderzoek is uitgevoerd en wie het uit heeft, is aanzienlijk veel wijzer geworden over veenlijken en over de mogelijkheden en onmogelijkheden van modern archeologisch onderzoek. Daarmee zijn we gekomen bij de beloofde uitleg, waarom ik vind dat dit boek zo goed is. Ten eerste is er de rijkdom aan deelonderwerpen en invalshoeken. Sommige zijn betrekkelijk conventioneel (in positieve zin), zoals de verslagen van de ontdekking zelf, van het skeletonderzoek en van de pollenanalyse. Als ik overigens een zwak punt in het boek zou moeten aanwijzen, dan is dat de nogal schoolse opsomming van de verschillende Romeinse operaties tegen Germanië in het hoofdstuk Een kind in oorlogstijd. Hier viel mij op dat de Cananefaten nog steeds als stamverwanten van de Chatten gelden, hoewel Robert van Heeringen dat enkele jaren geleden in zijn proefschrift over de ijzertijd
in West-Nederland onaannemelijk maakte. Daarentegen komt niet iedereen op de gedachte om het historisch kader zó te schetsen, of om te beschrijven wat voor soort naam het slachtoffer kan hebben gehad, of om haar uiterlijk te reconstrueren. Daarbij valt het op dat de uitkomst van het onderzoek voortdurend wordt gerelativeerd: Van der Sanden weet dat hij slechts een vage glimp van zijn onderwerp kan opvangen, vanuit een verre verte, welke technieken en theorieën hij ook te hulp roept. Door dat steeds op een afgewogen manier te laten doorklinken, zonder dat de rest van zijn verhaal minder fascinerend wordt, geeft hij dat verhaal een bijzondere meerwaarde. Meerwaarde krijgt het boek zeker ook door de stijlvolle vormgeving van Albert Rademaker (ook hij overtreft zichzelf hier) en de luxueuze uitvoering. Het meest bewonder ik echter de manier waarop de auteur zijn onderwerp heeft beschreven. Dat is niet alleen helder en in goed (zelfs mooi) Nederlands, maar in hoge mate creatief. Vaak kiest hij een verrassende invalshoek als begin van een hoofdstuk, zoals de brief uit 1897 van een schoolmeisje dat het pas ontdekte veenlijk in het museum bekijkt (en achteraf de moeder van P. J. R. Modderman blijkt te zijn) of de beschrijving van de manier waarop een finde-siècle-wielrijder de vindplaats zou hebben bezocht. Zijn zinnen zijn vrij van iedere wetenschappelijke stijfheid: „Was het meisje van Yde inderdaad een blondine, lang van stuk en mankeerde ze echt niets?" of, later: „Een lachrimpeltje hier, een moedervlek daar, wellicht een kuiltje in de kin, rode blossen op de wang, een enkel litteken, een favoriet haarbandje, allemaal details die wij nooit zullen leren kennen, maar die onlosmakelijk bij een portret horen". Dat is meer dan alleen begrijpelijk schrijven: dit roept sfeer op en inspireert. Van zo'n auteur verbaast het dan ook niet dat hij gedichten over Het Meisje laat afdrukken als een soort literaire illustratie. Naar mijn stellige overtuiging is hij op een bijzondere manier geraakt door de menselijke dramatiek van zijn onderwerp, wat heeft geleid tot een boek dat, meer dan enig ander boek in zijn soort, een stukje voorgeschiedenis verbeeldt. Een gelukwens en het lezen waard! E. J. van Ginkel Hemmy Clevis & Jan Thijssen, eds. Assembled Articles 1. Symposium on Medieval and PostMedieval Ceramics; Nijmegen 2 and 3 September 1993. Gemeente Nijmegen/Stichting Promotie Archeologie, Lijnbaan 103, Zwolle. 206 pp. Te bestellen door overschrijving van ƒ 15,- op postrekening 703734 t.n.v. SPA te Zwolle. 231
Weinig gelegenheden bieden auteurs meer vrijheid voor het poneren van stellingen en uitgangspunten, het analyseren van problemen of het presenteren van vragen, dan door het leveren van een bijdrage aan een bundel opstellen of voordrachten. Het is dan ook steeds weer een groot genoegen te vernemen, dat zo'n bundel verschenen is. Maar het wordt pas echt interessant, wanneer de bundel geheel gewijd is aan middeleeuwse en postmiddeleeuwse gebruikskeramiek en tal van gerenommeerde archeologen daarbij hun licht laten schijnen over een reeks van actuele onderwerpen. In zijn bijdrage „Medieval and later ceramic studies in Flanders: methods and current problems" schetst Frans Verhaeghe een bijna volledig beeld van het keramologisch onderzoek door Vlaamse archeologen gedurende de laatste jaren. Centraal staat daarbij de vraag in hoeverre er vooruitgang is geboekt ten opzichte van de doelstellingen en uitgangspunten, zoals die op symposia in 1985 en 1987 in Luik en Koblenz werden geformuleerd. Er is sinds die symposia hard gewerkt door de Vlaamse archeologen, ondanks de beperkte professionele en financiële ondersteuning. Een uitvoerige literatuurverwijzing getuigt daarvan. Toch gaat de voortgang te traag. Verhaeghe vergelijkt deze met de processie van Echternach: voor elke drie stappen vooruit worden twee passen teruggegaan. Op slechts enkele terreinen is daadwerkelijk vooruitgang geboekt: het verzamelen van basisgegevens, kwantificering en de bestudering van soorten aardewerk met hun betekenis en evolutie. Incidenteel ook zijn in Vlaanderen chronologische kaders vastgesteld, evenals regionale patronen en socio-economische interpretaties van de steeds groeiende hoeveelheid gegevens. Toch is het verzamelen van gegevens nog te vaak een doel op zich: keramiek is primair van belang als bron voor geschiedkundig- en historisch-antropologische bevindingen. Randvoorwaarde is een strategie van gezamenlijke benadering, planning, gegevensverzameling en -verwerking. Wat de bijdrage van Verhaeghe helaas ontbeert, is een meer concrete aanbeveling voor een snellere route naar Echternach. Het wat pessimistische beeld dat professor Verhaeghe schept, geldt niet specifiek voor Vlaanderen, wellicht om die reden citeert hij aan het einde van zijn voordracht T. J. Hoekstra: „ er is al heel wat gebeurd. Maar de belangrijkste vraag is: waarheen nu?" Een eerste stap in de goede richting zou kunnen worden bereikt, wanneer de Nederlandstalige ar232
cheologen voor het middeleeuws en post-middeleeuws aardewerk toch tenminste dezelfde terminologie zouden gebruiken. Dat aspect vormt één van de belangrijkste ingrediënten van Assembled Articles. „What's in a name?" vroeg Shakespeare (1564-1616) zich al af. En uit de bijdragen van Alexandra van Dongen („Medieval and Post-Medieval Pottery and the Search for Authentic Terminology of Utensils") en van Mieke Smit („Historical Names of Late and Post Medieval Objects") blijkt, dat de bewoners van de Lage Landen in Shakespeare's tijd inderdaad weinig behoefte hadden aan een eenduidige benaming van hun huishoudgerief. Terwijl de bijdrage van Alexandra de lezer laat kennismaken met het „Boymans-Van Beuningen Documentatie-systeem voor Pre-industriële gebruiksvoorwerpen", confronteert Mieke ons met een aantal historische teksten waarin keramische gebruiksvoorwerpen worden genoemd. Niet alleen hedendaagse archeologen gebruiken de meest uiteenlopende benamingen: de schrijvers van laat-middeleeuwse kookboeken deden al niet anders. Dankzij de bijdrage van Mieke Smit kunnen we een relatie leggen tussen vormgeving en historische benaming van laat- en post-middeleeuws gebruiksaardewerk. De relatie tussen vorm, functie en naamgeving staat ook centraal in een drietal bijdragen van Hemmy Clevis: „Form, function and name", „Naam, functie en vorm. Een discussie aan de hand van enkele borden van Werra-keramiek" en „Juggling Jacobakannen". De discussie aan de hand van Werra-waar kennen we reeds uit Westerheem (XLII-4-1993, p. 203-208). De typologie die Clevis hanteert, is bovendien genoegzaam bekend uit publikaties van vondsten uit Deventer, Kampen, Zwolle, Kessel, Nijmegen en Hasselt. Discussie blijft evenwel mogelijk met betrekking tot de naam die we hanteren om vorm en functie van een bepaald gebruiksvoorwerp aan te duiden. Hoewel iedereen het meestal wel eens is met de gebruikte terminologie van de hoofdvorm, is het van groot belang dat deze langs objectieve weg gedefinieerd wordt. Voor het bereiken van een objectieve type-chronologie zou men gebruik kunnen maken van de lineaire relatie tussen de verschillende afmetingen van het voorwerp (bijvoorbeeld diameter rand en basis, hoogte, etc). Op basis van een statistische bewerking van afmetingen van Jacobakannen van de kastelen Hattem, Rosendael en De Voorst toont Clevis aan, dat het inderdaad mogelijk is om langs objectieve wijze tot een nauwkeurig te bepalen typologie te komen. Met behulp van dergelijke statistische bewerkingen is het ook mogelijk om conclusies
te trekken over de evolutie van de vormgeving van de Jacobakan. Het definiëren van hoofdvormen van gebruiksaardewerk langs statistische weg kan een uiterst belangrijk uitgangspunt bieden bij de realisering van een objectieve classificatie van gebruiksaardewerk. Wie of welk instituut neemt de uitdaging aan en gaat aan de slag met de door Clevis gedane voorzet? Ook over de benaming van de sub-vorm, die naar de specifieke functie van het voorwerp verwijst, kunnen de meningen uiteenlopen. Voor die subvorm zou aansluiting kunnen worden gezocht bij de bevindingen van Mieke Smit. Toch hebben we nog een lange weg te gaan, want waar we enerzijds constateren dat de huidige systematiek van Clevis in ons land steeds meer ingang begint te vinden, werken Hans Janssen en Eddie Nijhoff aan de opbouw van een eigen systeem, zoals blijkt uit hun uiterst summiere bijdrage „The 's-Herlogenbosch classification systemfor medieval pottery". In zijn bijdrage „Working with the Groningen model for presenting post-medieval ceramics from closed assemblages" evalueert Hans van Gangelen de in Groningen gebruikte classificatie voor gesloten vondstcomplexen. Eén van zijn conclusies is, dat typologie naar vormgeving uit oogpunt van objectiviteit wellicht de voorkeur verdient boven een typologie naar functie. Peter Bitter richt zich op de details van het potgoed in zijn bijdragen: „Handling pols andpans.
Reflections on applied features on late-medieval earthenware from the western Netherlands" en: „A typology of the applied features on pottery". Bitter geeft daarbij een boeiend beeld van de ontwikkeling van produktie, materiaal en vormgeving van het gebruiksaardewerk gedurende de periode 1300-1650. Ook de produktie van keramiek komt aan bod. Assembled Articles bevat de bijdrage van Alexandra Mars: „Eighteenth-Century Lower Rhine Earthenware from Gennep (Province of Limburg); the Final Stage of the Medieval Redware Tradition". Of met het einde van de aardewerkproduktie in Gennep ook een einde kwam aan de middeleeuwse traditie van rood aardewerk, is mijns inziens voor discussie vatbaar. Voor een uitvoeriger behandeling moge ik u verwijzen naar Alexandra's boek „Genneps aardewerk; een achttiende-eeuwse pottenbakkerij archeologisch onderzocht" (Gennep 1991). Mars besteedt in Assembled Articles onder andere aandacht aan de variatie van vormgeving en afmetingen van enkele typen van het in Gennep geproduceerde potgoed. Eén van de boeiendste bijdragen is afkomstig van Arnold Carmiggelt: „MAE: Wat doen we ermee? Voorlopig verslag van de analyse van aardewerk uit laat- en postmiddeleeuwse vondstcomplexen in Nederland en België (1350-1800)". Wanneer we aardewerkcomplexen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd zinvol willen interpreteren, zo stelt Arnold, moeten we de ge-
Frechen aardewerk uit Nijmegen; datering 16d-17A. Ontleend aan: Assembled Articles 1. 233
kwantificering kan in sommige gevallen ook worden gevormd door de verschillende keramieksoorten te wegen. Zeker bij omvangrijke vondstcomplexen kan die methode voordelen hebben.
Jacobakannetjes. Ontleend aan: Assembled Articles 1.
bruikskeramiek kwantificeren en complexen onderling vergelijken, rekening houdend met tijd en plaats. Een bepaald percentage steengoed kan immers voor het ene gebied afwijkend zijn en voor het andere normaal. De analyse van een aantal door Carmiggelt gepresenteerde vondstcomplexen geeft een interessant beeld van het verdwijnen in de 16e/17e eeuw van verschillende middeleeuwse „keramiek-regio's" in ons land. Aardewerkverhoudingen kunnen ook een middel zijn bij het bepalen van de mate van welstand van de voormalige gebruikers van het aardewerk, mits daartoe afzonderlijke referentiekaders per stad en/of regio worden opgesteld. De relatie tussen de sociaal-economische situatie van degene die ooit zijn huishoudelijk afval in een kuil of put stortte en de samenstelling van de keramiek uit dat afval wordt uiteraard veroorzaakt door de prijs die men bereid was voor zijn serviesgoed te betalen. Die prijs staat centraal in het artikel van Jan Baart: „The price ofpottery". Hierbij krijgen we een waardevol beeld van de prijsverhouding in de zeventiende eeuw tussen Rijnlands, Engels proto-industrieel en gewoon aardewerk, majolica, wit en beschilderd Delfts, Chinees en Europees porselein en het plaatselijk vervaardigde tinnen vaatwerk. Voor het doen van sociaal-economische interpretaties van gebruikskeramiek uit gesloten vondstcomplexen behoeven niet noodzakelijkerwijs steeds de aantallen gebruiksvoorwerpen stuk voor stuk worden geteld, zo concludeert Jan Thijssen in zijn bijdrage: „Status and the weighing of pottery". Een bruikbare manier van 234
Onder de titel: „Pottery remainsfront afire in a J3th century stone building in Deventer" publiceert Michiel Bartels een interessant 13e-eeuws vondstcomplex uit de Polstraat in Deventer. Hij gebruikt het door brand vervormde materiaal van deze vindplaats om weer andere methoden van kwantificering te toetsen: EVE 1, 2 en 3 (Estimated Vessel Equivalents). Zo worden bij EVE 1 de randfragmenten allereerst gesorteerd naar de diameter die de betreffende pot ooit moet hebben gehad. Hoe groot een fragment minimaal moet zijn om dit nog te kunnen bepalen, vermeldt Michiel niet. Eén equivalent bestaat uit een hoeveelheid randfragmenten, die tezamen een cirkel (360°) vormen. EVE 2 vindt toepassing bij meer onregelmatig (bijvoorbeeld handgevormd) potgoed, waarvan de diameter moeilijk uit het randfragment kan worden afgemeten. Bij EVE 3 worden de bovenste aanhechtingsplaatsen van oren of handvatten geteld. Het resultaat van de drie methoden van kwantificering van verschillende soorten kermiek wordt met elkaar vergeleken. Het artikel is helaas beknopt: zo wordt niet vermeld of elk randfragment bruikbaar is (kritische fragmentgrootte) en op welke wijze de fragmenten worden gemeten. De literatuurverwijzing is door de tekstverwerker onbedoeld uitgebreid met enkele niet van toepassing zijnde termen, maar dat stelt de lezer niet voor onoverkomelijke problemen. Over de gebruikskeramiek van onze zuiderburen laat Assembled Articles ons helaas in het ongewisse, maar dit gemis wordt ruimschoots gecompenseerd door bijdragen van Günther Krause en David Gaimster over het materiaal uit het grensgebied met onze oosterburen. Onder de titel „Some pottery groups of the 13th lo lóth centuries from Duisburg, Lower Rhine" toont Günther tal van laat-middeleeuwse keramiekvormen uit goed gedateerde vondstcomplexen in Duisburg. Zo is in Duisburg een boeiende en belangrijke bron van informatie opgebouwd onder de evolutie in vorm, functie en produktie van laat-middeleeuws gebruiksaardewerk. In zijn bijdrage „A survey of the production, distribution and use of ceramics in the Lower Rhineland c. 1400-1800: some methodological notes" rangschikt David Gaimster de gebruikskeramiek uit een veel groter geografisch gebied. Hij benadrukt dan ook het belang van regionaal boven plaatselijk onderzoek.
De bij zijn artikel behorende afbeeldingen van samenvattingen van de typologische en chronologische ontwikkeling van elk van de belangrjkste keramiekvormen die tussen 1400 en 1800 in het gebied van de Nederrijn werden gebruikt, zijn ook heel bruikbaar voor het dateren van materiaal uit bijvoorbeeld het westen van Nederland. David pleit dan ook voor een meer intensieve vorm van samenwerking en voor de opbouw van een regionale referentie-collectie van keramiek, bijvoorbeeld in Duisburg. Maar vooral ook wijst hij op de dringende noodzaak om tot een internationaal herkenbare standaardisering te komen van duidelijk herkenbare produkten en vormen uit het gebied van de Nederrijn. Assembled Articles 1 is een uiterst boeiende bundel geworden, waarin een actueel beeld wordt gegeven van die zaken die thans bij het onderzoek van en naar de laat- en postmiddeleeuwse gebruikskeramiek de hoogste prioriteit hebben: kwantificering, eenduidige terminologie en de functie van gebruikskeramiek als bron voor geschiedkundig en historisch-antropologisch onderzoek. Assembled Articles is een momentopname, maar iedereen die op enigerlei wijze bij het onderzoek van gebruikskeramiek betrokken is, moet toch geacht worden van de huidige prioriteiten, problemen en conclusies op de hoogte te zijn. Assembled Articles 1 biedt die actualiteit in gebundelde vorm aan. De toevoeging van het cijfer „1" suggereert dat er ook nog een tweede symposium met bijbehorende bundel in het vooruitzicht wordt gesteld. Als ik het goed heb begrepen, vindt het symposium van Nijmegen zijn vervolg in Antwerpen in januari 1995. Ik zie dan ook vol spanning uit naar dat symposium en naar Assembled Articles 2. Gerrit Groeneweg Broeke, P. W. van den, en J. K. A. Hagers (red. A. Carmiggelt). Gasleiding als aanleiding. Inventarisatie van archeologische waarden in het gasleidingtracé Monster-Gaag (Zuid-Holland). Den Haag 1994. Uitg.: Gemeente Den Haag, Dienst Stadsbeheer, Afdeling Archeologie. Prijs ƒ 15,-. Beperkte oplage (500 ex.). Algemeen Het was de bedoeling van de gemeente Den Haag en haar archeologische afdeling om met een aanvulling te komen op de bekende VOMreeks. De VOM-reeks is eigenlijk op de geïnteresseerde leek gericht. De nieuwe serie zou detailstudies en min of meer wetenschappelijke verslagen moeten gaan bevatten en dient bij te dragen aan de groei van de archeologische kennis. Daarom lijkt zij op het eerste gezicht wat
Schalen, afkomstig uit het Rijnland; datering 1750-1800. Ontleend aan: Assembled Articles 1.
meer toegesneden op de lezers in het gebied van de amateur- tot en met de beroepsarcheoloog. Uit een begeleidende brief, maar niet uit de inleiding van het boekje, blijkt evenwel dat de serie meer zou zijn bedoeld „voor de archeologische vakwereld". Gezien de aard van het onderwerp en het belangwekkende karakter daarvan, volgt hieronder een bespreking van de eerste publikatie uit de nieuwe serie, de „Haagse Oudheidkundige Publikaties (HOP-reeks, nr. 1): „Gasleiding als aanleiding". Na een bespreking van de opzet, de structuur en de inhoud van het boekje volgen nog een paar punten van aandacht. Opzet en structuur „Gasleiding als aanleiding" bevat de resultaten van een archeologisch veldonderzoek in de gemeenten Monster en Den Haag en in het hart van Delfland. Het tracé van de gasleiding is in 1990 systematisch op vlakvondsten en grondsporen in de werkstrook en de wegcunetten onderzocht, en verder op vondsten en cultuurlagen in de profielen van de sleuf. Door de gezamenlijke inspanningen van de gemeente Den Haag (Afdeling Archeologie), de Rijks Universiteit Leiden (het Instituut voor Prehistorie) en de ROB ontstond er uiteindelijk een beeld van de verspreiding en omvang van woonplaatsen en van de inrichting van de tussenliggende gebieden. Het gaat dus niet om opgravingen in de klassieke betekenis van het begrip, maar in principe meer om een vorm van noodopgraving of, beter nog, noodverkenning. Men schrijft het ook zelf: „Waar een leidingsleuf door bekende vindplaatsen heensnijdt zonder dat 235
^ ^ |
veen
©Klokbeker
At/m F stilstandsfasen
| zand
© Hilversum
I II III stuilfasen
© late bronstijd / _ vroeae ijzertijd ® va. ijzertijd
© _ 0
i ' ' \ humeu» zand t"
] kultuurbodem
kalkhoudend kalkarm
Stratigrafisch model van de duinopbouw in het gebied Monster-Den Haag, naar Van der Valk 1986. Ontleend aan: Gasleiding als aanleiding.
vooraf wetenschappelijk verantwoord onderzoek heeft plaatsgevonden, is archeologische begeleiding te beoordelen als een noodverband. Waar de begeleiding nieuwe vindplaatsen aan het licht brengt, kan diezelfde sleuf worden beschouwd als een zoeksleuf, die door zijn relatief geringe breedte een minimale verstoring van het bodemarchief met zich meebrengt". Wie dit boekje ter hand neemt, moet daarom geen diepgaande beschrijvingen en analyses verwachten. De subtitel is correct: het gaat in de kern van de zaak om een inventarisatie. Er is een keuze gemaakt voor een sobere en zakelijke vormgeving. Er worden een duidelijke typografie en een rustig bladbeeld gebruikt. Men gebruikt een groot type letter. Een overdadig gebruik van illustraties wordt vermeden; de aanwezige illustraties, vooral veel kaartmateriaal, zijn strikt functioneel. De uitgave heeft zo ongeveer hetzelfde formaat als dat van de boekjes uit de VOM-reeks en is daarmee handzaam en niet te dik. Foto's en andere kleuren dan zwart en blauw ontbreken echter.
236
De zakelijkheid komt verder naar voren in de duidelijke en methodische aanpak waarmee men de inhoud heeft geordend. Om te beginnen wordt er eerst een schets van de relevante geologie gegeven. De afzettingen van Duinkerke en Calais, de vorming van de strandwallen, etc. Het wordt allemaal aangestipt. Voor de kenners gaat het hier om niets nieuws, maar voor wie de achtergrond niet heeft, biedt deze informatie een aardige, zij het zeer bondige, introductie op het gebied van de regionale geologie. Vervolgens wordt er aandacht besteed aan de al bekende archeologische gegevens. De kern van het boekje - de inventarisatie van de nieuwe archeologische gegevens - volgt pas daarna. Alle bij die inventarisatie niet direct voor de hoofdlijn relevante informatie is overigens wel naar de bijlagen verplaatst'. Er is aan het boekje een redelijk uitgebreide literatuurlijst toegevoegd. De duidelijke structuur krijgt een sluitstuk in een hoofdstuk met aanbevelingen. De archeologisch waardevolle vindplaatsen worden in een drietal categorieën verdeeld, te weten: wettelijk te be-
schermen terreinen, meldingsgebieden en attentiegebieden2. Daaruit blijkt dat de auteurs zich niet hebben willen beperken tot de doelgroep van de afficionado's, maar dat zij ook de planologisch verantwoordelijken en het betrokken bedrijfsleven op het oog hebben gehad (de NV Nederlandse Gasunie was een belangrijke medefinancier van het onderzoek). Over de inhoud In het hoofdstuk over de nieuwe archeologische gegevens staan de volgende conclusies centraal: a. In het westelijk deel van het onderzochte gebied (dat wil zeggen in de gemeenten Monster en Den Haag) wordt een duidelijke toename geconstateerd van de hoeveelheid archeologische resten uit het einde van de late Ijzertijd en de vroeg-Romeinse tijd ten opzichte van die uit de periode daarvoor. b. Tussen de prehistorie en de Romeinse tijd lijkt er in het duingebied een verandering in de woonplaatsomvang te zijn opgetreden. De nederzettingen uit de Romeinse tijd blijken opmerkelijk veel groter van omvang. Deze verandering moet hebben plaatsgevonden tussen het midden van de late Ijzertijd en het einde van de 1e eeuw na Christus. c. De bewoning van het gebied heeft zich niet beperkt tot de duinen, de geulvullingen en de andere verhogingen in het terrein, maar wordt ook aangetroffen op het veen zelf. Er zijn daar drie middeleeuwse nederzettingen uit de periode van vóór de laatste Duinkerke-transgressie, dat wil zeggen van voor circa 1100, aangetroffen. d. Vanaf het einde van de 1e eeuw na Chr. is er een toename aan verscheidenheid in rijkdom tussen de nederzettingen te constateren. Deze conclusies zijn op zichzelf niet revolutionair. Maar ze maken het beeld dat we van deze tijd en plaats al hadden opnieuw wat vollediger. Hoewel de schrijvers voorzichtigheidshalve nog een slag om de arm hebben gehouden, past de waarneming van de grotere nederzettingen uit de Romeinse tijd goed binnen de al bestaande hypothesen. Ook het kennelijke feit dat de economische groei de verscheidenheid in rijkdom heeft laten toenemen, mocht worden verwacht. Dat binnen een groter wordende welstand de onderlinge verschillen meestal óók toenemen, is uit de moderne economische wetenschap immers een bekend ervaringsgegeven. Dezer dagen niet meer helemaal onverwacht is de conclusie dat de bewoning van de veengebieden zich niet tot de Moderne tijd en de periode van de Romeinen heeft beperkt. Inmiddels beschikken we dus ook over de bewij-
zen voor een relatief vroege Middeleeuwse bewoningsgeschiedenis. Eigenlijk ligt het ook wel voor de hand dat zodra de zee zich gedurende een wat langere periode uit het gebied had teruggetrokken, en de demografische druk de aanleiding gaf, er een migratie in de richting van het veen ontstond. Het roept een vraag op: Als dit in de Middeleeuwen gebeurde, waarom zou het zich dan ook niet eerder kunnen hebben afgespeeld? In de vroege of midden-IJzertijd bijvoorbeeld? Heel uitdagend is de gewaarwording dat de conclusies het toelaten om de geconstateerde groei te dateren in een periode welke voorafgaat aan de komst van de Romeinen. Historisch gezien zou dat niet zonder enige parallel zijn, want het Gallië van de 1e eeuw voor Chr. en het zuiden van Engeland na de mislukte invasie van Caesar vertoonden eveneens een dergelijk beeld. Als men eenmaal zo'n datering zou aandurven, wordt het vervolgens de vraag of de groei heeft samengehangen met de „nadering" van het Romeinse Rijk en de daarbij behorende handelsstromen, of dat zij een daarvan afhankelijk gegeven kan zijn. Misschien mag er een verband worden verondersteld met de introductie van geheel nieuwe stammen en stamverbanden in de lage landen. Problemen bestaan er echter wèl bij deze conclusie, in het bijzonder op het punt van de nauwkeurigheid van de datering. De auteurs hebben voor de datering van het aardewerk aansluiting gezocht bij de door de amateur-archeoloog P. Stuurman uitgewerkte fasering in de ontwikkeling van het aardewerk van het Monsterse Geestje'. De door hem onderscheiden fase 3 (eind Late Uzertijd/Vroeg-Romeinse tijd) wordt door de auteurs geplaatst in een tijdschema, dat deze periode laat doorlopen tot ca. 70 AD. Binnen deze periode kan men het einde van de bewoning met evenveel recht plaatsen op ca. 50 v.Chr. als op 50 AD. Een ander probleem is het toch min of meer speculatieve uitgangspunt dat de nadering van het Romeinse Rijk economische groei zou veroorzaken. In zijn analyse met betrekking tot het ontstaan van de inheemse nederzetting op „De Bult" in Rijswijk betoogt Bloemers zelfs het tegendeel'. Een paar punten van aandacht Het is jammer dat de auteurs hun doelgroep nogal beperkt hebben genomen. Een onderwerp als dit verdient zeker ook de aandacht van de amateur-archeoloog, zo men wil de relatieve leek. Het lijkt er soms trouwens ook wel op of de schrijvers zelf zoeken naar het evenwicht tussen de wetenschappelijke en een wat lichtere en snellere benadering.
237
lm.NAP
1
4
1
1 1
1
5 6B 6A 6C
1
7
1
7
1
7
! 1 1 1 1 1 I 1 1 1 7 8 8 8 8 8 8 E1 8 91
I
I
I
I
I
I
I
I
I
I
I
I
I
I
I
9D 9A 10 11 12 13 13 13 13 13 13 13 13 13 13
Profiel van de vindplaatsen in het duingebied Monster-Den Haag over een lengte van ca. 3000 meter met bewoningssporen en datering. Ontleend aan: Gasleiding als aanleiding. Legenda: 1. recente verstoring; 2. laat-Middeleeuws; 3. Romeins; 4. eind late IJzertijd/vroeg-Romeins; 5. latere late Uzertijd; 6. vroegere late Ijzertijd; 7. midden-Uzertijd; 8. vroege Ijzertijd; 9. Neolithicwn/Bronstijd; 10. stuifzand; 11. bodem.
Ten eerste is het de vraag in hoeverre het niet direct op deze regio betrokken deel van de vakwereld kan omgaan met het nu wel erg summier weergegeven stratigrafische model van de duinopbouw in het gebied Monster-Den Haag' dat men heeft ontleend aan Van der Valk*. Of met de zogenoemde chrono-stratigrafische waarnemingen ten oosten van de Zweth7. De laatste waarnemingen zijn voor de archeologische context niet onbelangrijk, maar de auteurs raken er toch echt een deel van hun publiek kwijt zodra het betoog zich in de ouderdomsafwegingen en de gevolgtrekkingen met betrekking tot de toenmalige hoogteverschillen verliest. Voor het niet expliciet bedoelde deel van de doelgroep, de niet-vakwereld, geldt dat natuurlijk in versterkte mate. De notie dat een onderhavige kleilaag evenzeer een „Al horizont" zou kunnen betreffen, zal de lezer er niet vrolijker op maken. Bovendien, waar staat wat een Al-horizont is (na enig zoeken luidt het antwoord: in het voornoemde stratigrafische model op pagina 9)? Dan wordt er meermalen op een nogal vanzelfsprekende toon met de aardewerk-determinatieen dateringstechnieken omgegaan. Een combinatie van potgruis- en kwartsmagering past goed bij aardewerk uit de Bronstijd; dat is even een weet*.
238
Maar als direct daarop de mededeling volgt dat zoiets „ook bij de jongere perioden van het Monsterse Geestje" past, dan creëren de schrijvers door hun bondigheid een meervoudige complicatie. En niet alleen in de zin dat een Bronstijd-datering discutabel zou zijn. Dat er voor de determinatie nog andere criteria dan de magering bestaan, dat komt hier en op andere plaatsen vaak helemaal niet aan de orde. Althans, niet expliciet. Jammer. Juist bij dit onderwerp waren wat meer tekst en een enkele foto heel instructief geweest. Verder ontbreekt er een systematische beschrijving van de vondsten. Er is in de bijlagen het één en ander geïnventariseerd en in een overzicht gepresenteerd, maar op een enkele uitzondering na zijn de echte beschrijvingen en determinaties vrijwel achterwege gelaten. Hier stuiten we natuurlijk op de beperkte doelstelling van het onderzoek. Dat er door de schrijvers, zoals altijd, bovendien een afweging is gemaakt over het daarmee gepaard gaande verlies aan tijd en actualiteit, valt te billijken. Maar zou een aanvullende inspanning in deze richting werkelijk niet wat meer praktische aangrijpingspunten en concreet vergelijkingsmateriaal kunnen hebben opleveren? Ernstig is het ontbreken van een index. In publi-
katies als deze zou een index een standaardvoorziening moeten zijn. De directe tegen-argumentatie met betrekking tot deze opmerking laat zich bedenken, want het verhaal is logisch opgebouwd en bovendien niet erg lang. Nu is het ook wel zo dat het bij deze kanttekening meer gaat om het principe dan om de direct veroorzaakte last. Maar in het algemeen is het zo, dat wanneer men wil dat nieuwe informatie wetenschappelijke waarde krijgt, dergelijke informatie simpelweg snel en op een gestandaardiseerde wijze toegankelijk moet zijn. Een extra argument voor het bij ontsluiting hanteren van een index is het - óók bij amateur-archeologen - sterk toegenomen belang van de geautomatiseerde ontsluiting. Daarbij kan worden gedacht aan het invoeren en zoeken in bestandsprogramma's op steekwoord. Tenslotte gaan de auteurs er nogal eens vanuit dat de lokale geografie bij de lezersgroep voldoende bekend zal zijn. Mag nu direct worden verwacht dat iedereen weet waar het grote Lierstelsel ligt (nou ja, lag) en dat men weet waar het later gevormde systeem van de Gantel kan worden gevonden9? Dat is niet erg, dan zoekt de lezer het op, op een kaart. Maar op welke kaart? Men vindt de namen in elk geval niet op afbeelding 5 pp. 12 of elders op een kaart in deze uitgave! De hier ingebrachte punten zijn niet fundamenteel. De bruikbaarheid voor de geïnteresseerde beroepsarcheoloog - maar ook die voor de amateur - zou met correcties en toevoegingen zoals hier gesuggereerd, aan kracht kunnen winnen. Het gaat alleen maar om het zoeken naar de juiste afstemming op de juiste groep, een mijns inziens gemakkelijk te bereiken verbreding daarvan. Om de eenvoudig te stellen maar moeilijk te beantwoorden vraag: „Wat is teveel en wat is te weinig?" Samenvatting Het komt erop neer dat we een aantal interessante vondsten en conclusies gepresenteerd hebben gekregen. Het inzicht en overzicht voor wat betreft het nederzettingspatroon en de bewoningsgeschiedenis van Zuidwest-Holland worden zo langzamerhand completer dan we tien jaar geleden hadden durven dromen. Er moeten wèl opmerkingen worden geplaatst bij de richtingsgevoeligheid naar de doelgroep(en) toe. Aan de ene kant kan men een systematische beschrijving van de vondsten en de toevoeging van een index echt niet als overbodige luxe beschouwen. Aan de andere kant zouden wat meer tekst en uitleg op het punt van de geologie en de toegepaste determinatietechnieken de relatieve leek heel gemakkelijk weer wat verder hebben geholpen. Deze kritiek raakt de fundamenten van
de publikatie echter niet. In het algemeen oogt de eersteling in de nieuwe HOP-serie geslaagd. Er ligt een vlot leesbare en helder gestructureerde uitgave. Deze is uw aandacht zeker waard. W. de Jonge Noten 1 Bijlage 1, Catalogus van vindplaatsen. Bijlage 2, Import-aardewerk uit de Romeinse tijd. Bijlage 3, Laat-Middeleeuws aardewerk. Bijlage 4, Verklaring gebruikte termen. 2 Het verschil tussen de drie categorieën wordt in een korte bijlage uiteengezet (nr. 4). Het voornaamste verschil tussen een meldingsgebied en een attentiegebied is niét dat men in het eerste gebied tot melding moet overgaan en dat er in het tweede gebied slechts goed moet worden opgelet. In het eerste geval is de aanwezigheid van archeologisch waardevolle sporen bekend, in het tweede geval kan men die verwachten. Voor een meldingsgebied wordt ook een meer actieve archeologische begeleiding - niet noodzakelijkerwijs een opgraving - aanbevolen. 3 P. Stuurman, 1988. Graven in een recent verleden. Westerheem 37, pp. 75-86. 4 J. H. F. Bloemers, 1978. Rijswijk (ZH), „De Bult". Eine Siedlung der Cananefaten. (Nederlandse Oudheden 8). Amersfoort, pp. 76 en 89. 5 Afbeelding 3, p. 9. 6 L. van der Valk, 1986. Inventarisatie van archeologische waarden van de duinterreinen Solleveld en Ockenburg, Westduinen, gemeente 's-Gravenhage (typeschrift). 7 Hoofdstuk 2.2, pp. 10-11. 8 Hoofdstuk 4.2, p. 19. 9 Hoofdstuk 2.1, p. 10. Joost Vermeulen. Wandelen in archeologisch Nederland. Amsterdam, Architectura & Natura, 1994. 86 pp. Prijs/19,50. In Westerheem 40, 1991, pp. 89-90, besprak ik de publikatie van Hugo Heimer en René Proos: Langs Romeinse en middeleeuwse wegen. Archeologische routes in Nederland en België. Naast veel waardering was er ook plaats voor een aantal kritische opmerkingen. Die heb ik nog, maar als ik het boek vergelijk met Joost Vermeulens Wandelen in archeologisch Nederland, is het niet moeilijk een voorkeur uit te spreken. Want ik heb zelden zo'n oppervlakkig en slordig produkt ter recensie ontvangen als laatstgenoemde publikatie. Ik zal dat harde oordeel nader toelichten.
239
In het voorwoord zegt de auteur dat bij het uitstippelen van de wandelingen als criterium gold, dat zij zowel een landschappelijk als een cultuurhistorisch aantrekkelijk gebied moesten doorkruisen. Men verwacht in het boekje dus, per wandeling, enige informatie over het ontstaan en de ontwikkeling van het landschap en de cultuurhistorische elementen, die het bevat. Ik denk daarbij onder andere aan kerken, kastelen, boerderijen, nederzettingsvormen en verkavelingspatronen. Men zoekt tevergeefs: geen enkel woord. Elders in het voorwoord wordt aangestipt dat het boekje in de eerste plaats een wandelboek is en pas in de tweede plaats een boek over archeologie. Als dat betekent dat de auteur meer verstand heeft van wandelen dan van archeologie, ben ik het daar van harte mee eens. Op pagina 11 begint het al: De eerste mensen die ruwweg 250.000 jaar v.Chr. in ons land rondtrokken, deden dat gedurende het zogeheten Hoogveen-warm (moet zijn Hoogeveen Interstadiaal) en behoorden tot het type Homo Erectus. Toe maar! Nadat deze bewoners vertrokken waren, begon circa 300.000 jaar v.Chr. de Saaie Ijstijd. Merkwaardig! Op p. 13 maken onze voorouders met vuistbijlen jacht op rendieren. Lijkt me niet eenvoudig. In de Romeinse tijd gaat het helemaal mis. Op de Tabula Peutingeriana staan kennelijk alleen Romeinse grensposten (p. 29), de Romeinen vertrekken op p. 32 in het begin van de 6e eeuw, maar op de volgende pagina in het begin van de 5e eeuw uit ons land. Dat de St. Servaasbrug in Maastricht oorspronkelijk van Romeinse makelij is (p. 32), is ook nieuw voor me. En wat de vroege middeleeuwen betreft: er blijken wel erg veel vliedbergen te zijn, zoals de Huneborg bij Almelo (p. 37). En dat fragmenten van het Muiderslot en het kasteel Loevestein nog uit omstreeks 1100 dateren, zal ook menig lezer verbazen. Verder wordt het boekje ontsierd door veel zetfouten: Forum Hadriana, Hunnerbrug in plaats van Hunerberg, Loevenstijn in plaats van Loevestein. Op p. 50 wordt een wandeling beschreven door het Gelderse Sprengengebied, zonder dat in de tekst iets over de betekenis van dit woord te vinden is. Dat geldt ook voor woorden als sedentair, tribale, enz. enz. Deze negatieve lijn wordt doorgetrokken in de literatuurlijst en de lijst van musea met archeologische collecties. Waarom wel een aantal deeltjes vermeld uit de reeks Archeologische monumenten in Nederland, die volstrekt irrelevant zijn ten opzichte van de beschreven routes, terwijl de deeltjes die wèl geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de uitgestippelde wandelingen ontbreken, zoals Marian Addink-Samplonius' Hilversum/Laren, de gemene heide van Gooiland en Heinz Reusinks Leersum, graflieuvels op de Zui240
lensteinsche Kop. Kenmerkend voor het niveau van het boekje is, dat Frits Boms Eerste Nederlandse hunebeddengids wel, en Wil Roebroeks' Oermensen in Nederland niet is opgenomen. Ook de tot nu toe verschenen deeltjes in de door de ROB uitgegeven reeks Archeologische routes in Nederland blijven onvermeld. Dat is bedenkelijk, omdat een deel van de door Vermeulen uitgestippelde wandelroute in Drenthe het door Van Ginkel en Carmiggelt in deel 4 van de reeks beschreven traject in de omgeving van Rolde volgt. En dan de lijst van musea met archeologische collecties. Niet het Archeologisch Museum Haarlem, het Noordbrabants Museum in 's-Hertogenbosch, het Oudheidkundig Museum Frans Bloemen in Wijchen en het Streekmuseum GoereeOverflakkee in Sommelsdijk. Maar wel het Museum Brabantse Mutsen in St. Oedenrode, het Museum Ouddorps Raad- en Polderhuis en het Poldermuseum het Grootslag/Saet & Cruyt Museum in Andijk. In de Archeologische Almanak, die Vermeulen in de literatuurlijst vermeldt, komen ze niet voor. Waarom zoveel aandacht besteed aan zo'n prul? Omdat het Archeologisch Informatie Centrum in een recente Nieuwsbrief een redelijk lovende recensie heeft geplaatst, waarin gewezen wordt op de „gedegen cultuurhistorische informatie". De publikatie wordt, ook uit prijsoverwegingen, gezien als een redelijk alternatief voor de deeltjes uit de reeks Archeologische routes in Nederland. Het AIC geeft duidelijk de voorkeur aan kwantiteit boven kwaliteit: vier wandelingen voor de prijs van één, als u begrijpt wat ik bedoel. Dergelijke recensies worden in het algemeen klakkeloos overgenomen in tijdschriften als Scarabee en Spiegel Historiael. Het is de tweede keer in korte tijd, dat ik het AIC betrap op een oordeel waarvan ik me afvraag: Is dat gebaseerd op werkelijk lezen, op alleen maar doorbladeren of op het bestuderen van de flaptekst? Het is, al met al, een bedenkelijke ontwikkeling, die om een scherpe reactie vraagt. Vandaar dit kwade stuk. Els Lems. Op pad met de Romeinen. Houten, Fibula/Unieboek, 1994. 96 pp. Prijs ƒ 20,-. Anders dan de titel suggereert, is dit boekje geen wandelgids. Ik kan er veel korter over zijn dan over Vermeulens publikatie. Het is dan ook een „kort" boekje, amper honderd wijdbedrukte bladzijden, die men binnen een uur geconsumeerd heeft. Wat de bedoeling van het boekje is, blijft voor mij duister. Men gaat in ieder geval niet „op pad met de Romeinen". Per provincie krijgt men minimale informatie over de periode dat de Romeinen in ons land verbleven: over terpen en terpbewoners, over museumcollecties, over re-
constructies en over de schaarse resten die nog „in situ" te bezichtigen zijn. Ter afwisseling een aantal thematische „tussendoortjes": In het voetspoor van een Romeinse soldaat; Produkten uit het zuiden; Legerforten langs de Rijn; Een Romeinse stad; Wonen; Bij Jupiter! Ik noteerde een aantal slordigheden: dat de Bataven hun vesting Oppidum Batavorum boven op de stuwwal hebben gebouwd, zoals Holwerda meende, gelooft al jaren geen archeoloog meer. En dan die arme Friezen, die uit hun woongebieden op het veen bij Assendelft weggeschreven worden. De nederzetting bij castellum Valkenburg wordt opgevoerd als een badplaats. Valkenburg-aan-zee! De tekeningen sluiten goed aan bij de tekst: elementair en wat de reconstructie van de Romeinse brug in Maastricht betreft er hele-
maal naast. Maar het Romeinse wegfragment bij Swalmen wordt tot mijn vreugde vermeld. Daar kan men inderdaad nog in gedachten met de Romeinen op pad gaan. Ook de opsomming van musea met archeologische collecties is, anders dan bij Vermeulen, correct. Een verklarende woordenlijst behoort eveneens tot de pluspunten. Een literatuurlijst ontbreekt echter. Het is allemaal aardig verteld, zonder pretenties, maar oppervlakkig. Alles staat nog in de grondverf, is onaf. Na Saskia van Dockum en Evert van Ginkels „Romeins Nederland" bestaat aan een boekje als dit nauwelijks behoefte. En zeker niet voor een prijs van ƒ 20,-. Onbegrijpelijk! P. Stuurman
Literatuursignalement Fibula 35, 1994,2: Themanummer: Troep van toen. In een aantal bijdragen wordt nader ingegaan op verschillende voorbeelden van vervuiling van vroeger: Jetta van Genuchten. Foxy comes to town, of: Hoe Schiedamse boeren in de Romeinse tijd hun omgeving deden veranderen. Martin Bosch & Ronald van Kesteren. Van „stinkerd" tot chemische bagger. Watervervuiling in de Lage Landen. Saskia Leupen. De vervuiler betaalt! Milieuwetgeving in Middeleeuws Leiden. Eric van der Most. „Dreck ofte vuylnisse". Milieuverontreiniging en archeologie.
wel zeker om de resten van een brug, die destijds toegang gaf tot de oprijlaan van het door Frederik Hendrik in de eerste helft van de 17e eeuw gebouwde lustslot.
pp. 37-51: J. C. Visser. Gouda, de wording van een polderstad. Door analyse van een tweetal registers van de hofstedegelden, daterend van 1560 en 1598, en het combineren van de resultaten met gegevens, ontleend aan de oudste kadastrale minuutplans, is het mogelijk gebleken de eerste stedelijke kern van Gouda te traceren en te dateren, namelijk halverwege de 13e eeuw of iets later.
Nieuwsbrief Archeologische Vereniging Breda 8, 1994, 3: In deze aflevering doet stadsarcheoloog Guido van den Eynde verslag van recent archeologisch onderzoek in de binnenstad van Breda: 1. Bij onderzoek in de kasteelgracht werd over een lengte van meer dan 85 m de zuidmuur van het middeleeuwse kasteel teruggevonden, geflankeerd door drie torens. Het kasteel moet omstreeks 1500 een van de grootste van ons land zijn geweest. 2. In het kader van het opgravingsproject „Nieuwstraat" wordt, naast archeologisch onderzoek, ook bouwhistorisch en historisch onderzoek verricht. De oudste (pre-)stedelijke nederzetting uit de 12e eeuw is het voornaamste onderzoeksproject. Verrassend genoeg blijkt ook in de Ijzertijd en/of Vroeg-Romeinse tijd ter plaatse bewoning te hebben plaatsgevonden. 3. Bij opgravingen in het park Valkenberg zijn resten van het begijnhof en de eerste stadsversterking, een aarden wal, aangetroffen.
Westlands Streekhistorie 3, 1994, pp. 6-7: T. Immerzeel. Resten van een zeventiende-eeuwse brug aangetroffen in Honselersdijk. Bij verlegging van een voor de waterhuishouding belangrijke waterloop, de Strijp, zijn de resten van muurwerk aangetroffen. Het gaat hierbij vrij-
Nieuwsbrief Monumentenzorg en archeologie in Gouda nr. 6, juni 1994: In het bijzonder wordt nader ingegaan op de recente monumentennota „Gouda, stad van cultuurhistorische kwaliteiten. Voorbereidingen voor een Gouds cultuurhistorisch beleid voor de
Historisch-Geografisch tijdschrift 12, 1994, 2,
241
21e eeuw". Aan bouwhistorisch en archeologisch onderzoek wordt ruimschoots aandacht besteed. De redactie van Scientific American bundelde in Ancient Cities zeventien bijdragen uit meer dan dertig jaargangen. De oudste bijdrage is van Kathleen Kenyon over Ancient Jericho, de jongste van Valentin Yamin over The Archaeology of Novgorod. Daartussenin, in ruimte en tijd: Jerusalem, Petra, Gordion, Knossos en andere Kretensische steden, Pela, Ai Khanum, Pompeii, Ostia, Cosa, Hambledon Hill, York, Maya-steden, Teotihuacan en de Chaco Canyon Community. De archeoloog Norman Hammond, hoogleraar in Boston, schreef een inleiding. Tijdschrift voor Mediterrane Archeologie (TMA) 7, 1994, afl. 13: Themanummer gewijd aan de dood in het licht van de archeologie. De archeologen hebben, aldus de inleiding tot dit themanummer, in de afgelopen tweehonderd jaar zeer uiteenlopende opvattingen gehuldigd over de interpretatie van grafvelden, graven, bijgiften en doden. In onze tijd hebben de cultuurhistorische archeologie, de New Archeology en de contextuele archeologie vanuit uiteenlopende invalshoeken een bijdrage geleverd aan de archeologie van de dood. Hulde voor de bondige wijze waarop die invalshoeken in de inleiding zijn weergegeven! De artikelen zelf, van T. R. Hoekstra, M. Maaskant-Kleibrink en Chr. G. Williamson, R. Olde Dubbelink, A. J. L. van Hooff, A. Willemsen en J. J. Hekman, ontlenen hun onderwerp en inspiratie in het bijzonder aan de Mediterrane wereld. Spiegel Historiael 29, 1994, 7/8: Themanummer: Brandende vragen in de archeologie. Vooruit dan maar: Wie zijn wij? Hoe zien we onze identiteit? Wie beschouwen we als onze „voorvaderen"? De filosoof/antropoloog Raymond Corbey en de archeoloog Hans Kamermans gaan nader op deze vragen in. Een volgende vraag: Wanneer ging de mens varen? Thijs Maarleveld: Waarschijnlijk al heel lang geleden in het Paleolithicum - heeft men, vele malen opnieuw, ermee een begin gemaakt. Waarom stapte de voedselverzamelaar over op voedselverbouwen? L. P. Louwe Kooijmans vermoedt, dat risicospreiding, met als einddoel risicobeheersing, de achterliggende impuls is geweest. Gertrudis Offenberg gaat, in twee korte bijdragen, in op de huidige opvattingen over het ontstaan van de taal en het waarom van de paleolithische kunst. Peter Attema vraagt zich af hoe de antieke mens, met name in de voormalige Pontijnse moerassen ten 242
zuiden van Rome, het landschap in zijn omgeving heeft beleefd. Waarom ging de mens, vanaf de 9e eeuw, ontginnen? Jurjen Bos betoogt dat in de voorafgaande periode daarvoor ruimte werd gecreëerd door een welbewuste economische machtspolitiek, waarin externe expansie werd opgevolgd door interne expansie. Frans Theuws gaat nader in op de mens achter het object, ofwel: Archeologie en materiële cultuur. Conclusies: Historische bronnen zijn ook niet alles: lees maar, er staat wat anders dan je denkt. En archeologische bronnen: ze betekenen iets anders dan ze lijken. W. J. H. Willems stelt de archeologische monumentenzorg centraal en Gerard Uzereef vraagt zich af hoe relevant de archeologie is voor de hedendaagse Nederlander. Misschien kan, aan het eind van het eerste seizoen van ARCHEON, een redelijk relevant antwoord worden gegeven. Scarabee nr. 11, aug. 1994, staat, in de vorm van berichten en artikelen, vooral in het teken van archeologische vakantietips, in binnen- en buitenland. Wat de overige bijdragen betreft: Het Kasteel van Aemstel (?), de steencirkels op het Kops Plateau in Nijmegen en de toekomstige speurtocht naar de resten van het Huys Hengelo zijn, wat het binnenland betreft, present. Het buitenland is vertegenwoordigd met de Egyptische vorstin Teje, het Gouden Huis van Nero in Rome en Anatolië, het land van de Grote Moeder. Van onze zuiderburen zijn beide bevolkingsgroepen vertegenwoordigd: de Walen met een bijdrage over de resultaten'van vijfjaar graven in westelijk Henegouwen, de Vlamingen met het vernieuwde Gallo-Romeinse museum in Tongeren. Een bouwwerk om uitwendig en inwendig te gaan bekijken. Lampas 27, 1994, 2, tijdschrift voor Nederlandse classici, heeft een themanummer gewijd aan archeologie. Riemer Knoop trad daarbij als gastredacteur op. Nederlandse archeologen schrijven over hun werk in binnen- en buitenland. Twee bijdragen zijn aan het binnenland gewijd: Hugo J. Heimer en Ilse Reijgwart schrijven onder de titel: „Ontwerplijnen van ARCHEON's Romeinse stad" (pp. 106-124) over het hoe van de verwerking van wetenschappelijke gegevens tot reconstructies. Het fictieve stadje Traiectum ad Rhenum vervult daarbij een voorbeeldfunctie. Leo B. M. Verhart geeft in „Licht in de duisternis? Een andere kijk op de prehistorie van Nederland" (pp. 125-136) zijn visie op de prehistorie van ons land, zoals die vorm heeft gekregen in de nieuw ingerichte afdeling „Archeologie van Nederland" in het RMO te Leiden.
Bulletin KNOB 93, 1994, 2, pp. 41-52: H. Sarfatij. Het huis Scharlaken te Dordrecht: de oudste Lakenhal van de stad, vervolgens woonhuis en Waag (13e-16e eeuw). Archeologie en geschiedenis van een opmerkelijk huis. Bij opgravingen ter plaatse van de voormalige Waag in Dordrecht werden in 1986/'87 de resten van een groot rechthoekig bakstenen gebouw blootgelegd. Het stond haaks op de Wijnstraat. Er bleek sprake te zijn van twee bouwfasen: fase 1 vanaf ca. 1225, fase 2 vanaf ca. 1360. Uit historische bronnen blijkt dat het gaat om het huis Scharlaken, dat volgens de schrijver tot de tweede bouwfase heeft dienst gedaan als Lakenhal. Hij ondersteunt die stelling met onder meer etymologische argumenten. In 1383 nam een dwars over de Voorstraatshaven geplaatste markthal deze taak over. Deze tweede Lakenhal vormt nog steeds de kern van het huidige stadhuis. In het tweede huis Scharlaken was van 1594 tot 1931 de stedelijke Waag gevestigd. Nieuwsblad Monumentenzorg en archeologie gemeente Amersfoort nr. 38, juli 1994: In deze aflevering korte bijdragen van Auke de Boer. De eerste gaat over prehistorische sporen in het buitengebied Nieuwland, onder meer haardkuilen en een vuursteenbewerkingsplaats uit het Mesolithicum, een fragment van een Veluwse klokbeker en een crematiegraf van nog niet nader te dateren ouderdom. In een tweede aflevering wordt fraai gebruiksglas, afkomstig uit een afvalkuil bij de St. Andriestraat, beschreven. Archeologie in Limburg 60, juli 1994: Ook deze aflevering van het periodiek van onze zustervereniging in Limburg bevat weer een aantal interessante bijdragen. De meest verrassende heeft men tot het slot bewaard. Zoals gewoonlijk is vuursteen ruim vertegenwoordigd: Wil Roebroeks „Een jong-Paleolithische kernsteen uit de Schoone Grubbe (Ryckholt-Sint Geertruid)"; J. P. de Warrimont: „Vuistbijlen uit Valkenburg-
vuursteen"; F. Engelen : „Fred Brounen onderzoekt prehistorische vuursteenmijnen bij Valkenburg a/d Geul". R. van Laere beschrijft een uitzonderlijke middeleeuwse vondst uit de omgeving van Maastricht: een fragment van een leistenen gietvorm met een beeldenaar, die het Lam Gods voorstelt. Tevens besteedt hij aandacht aan enkele andere recent gevonden gietvormen op de Kloosterberg te Webbekom bij Diest in België. W. Dijkman beschrijft een randfragment van een wrijfschaal met een fragment van een stempel van de pottenbakker VICDICIVS. En de verrassing? Drieschepige „Friese" huisplattegronden en „Fries" aardewerk naast tweeschepige „inheemse" huisplattegronden te Blerick bij Venlo. Jacob Schotten schrijft erover. Les sanctuaires de tradition indigène en Caule Romaine; actes de colloque d'Argentomagus (Argenton-sur-Creuse/Saint-Marcel, Indre), 8-10 octobre 1992. Paris, Ed. Errance/St. Marcel, Musée archéologique d'Argentomagus, 1994. 204 pp. 240 FF. Gérard Coulon, conservator van het schitterende museum in St. Marcel, is iemand die binnen de archeologie (en ook daarbuiten) op vele terreinen werkzaam is: als auteur (onder meer van het recente L'enfant en Gaule Romaine) en als organisator.Voor het symposium over inheemse heiligdommen nodigde hij niet alleen Franse, maar ook Belgische, Engelse, Duitse en Zwitserse collega's uit. Dat levert overzichten op van het voorkomen van dergelijke heiligdommen in België, Groot-Brittannië, Duitsland en Zwitserland. Jammer dat Nederland niet vertegenwoordigd is met „de" tempel van Empel! P. Stuurman RECTIFICATIE De publikatie Glas zonder glans (Rotterdam Papers 9) zal niet f 110,- kosten, zoals in de vorige Westerheem stond vermeld, maar f 129,50.
Personalia Provinciaal archeoloog Zuid-Holland Met ingang van 1 augustus 1994 is mevrouw K. van der Graaf, tot voor kort werkzaam bij de stichting RAAP, aangesteld als plaatsvervangend provinciaal archeoloog van Zuid-Holland. De heer W. A. M. Hessing is per I september benoemd tot part-time universitair docent aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en zal vanaf 1 januari a.s. als projectleider op het gebied van de
Archeologie van de Romeinse tijd binnen de sector Onderzoek van de ROB worden aangesteld. Hij zal zijn functie als provinciaal archeoloog van Zuid-Holland dan officieel neerleggen. Tot 1 januari 1995 worden de archeologische belangen namens de provincie Zuid-Holland en de ROB behartigd door zowel mevrouw Van der Graaf als de heer Hessing. 243
Agenda Tentoonstellingen Amersfoort, Museum Flehite, Westsingel 50: Nering en vermaak. De opgraving van een 14eeeuwse markt in Amersfoort. 3 december 1994 t/m 19 februari 1995. Amsterdam, Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 127: Kralen verhalen. Geschiedenis van de kraal vanaf de Prehistorie. Ook aandacht voor de twee grote kralenproducenten van de 17e eeuw: Amsterdam en Venetië. 10 december 1994 t/m ca. 15 maart 1995. Dronten, Rijksmuseum voor Scheepsarcheologie, Vossemeerdijk 21: Schepen op tegels, tegels uit schepen. T/m 15 november. Haarlem, Archeologisch Museum, Grote Markt 18: Spiegelbeelden: Werra-keramiek uit Enkhuizen 1605. T/m 12 maart 1995. Kampen, Stedelijk Museum, Oudestraat 158: De IJssel, ontstaans- en bewoningsgeschiedenis. 19 november t/m 30 december.
Tekeningen van de ruïne van de abdij van Rijnsburg. T/m 7 november. Nijmegen, Provinciaal Museum G. M. Kam, Museum Kamstraat 45: Kunsten van het vuur; Romeinse ambachten in Nijmegen. Verlengd t7m 29 januari 1995. Nijmegen, Provinciaal Museum G. M. Kam, Museum Kamstraat 45: Geschiedenis uit zand en grind. Nieuwe vondsten uit de Oude Rijn bij Xanten. T/m 8 januari 1995. Bij baggerwerkzaamheden en ontgrindingen komen regelmatig voorwerpen uit een ver of recent verleden aan het licht. De enorme hoeveelheid vondsten die vanaf het begin van de jaren tachtig bij grindwinning ten noorden van Xanten kon worden geborgen, is niettemin uitzonderlijk en vormt een van de belangrijkste archeologische vondstcomplexen uit het Duitse Rijnland. In de expositie - samengesteld door het Regionalmuseum/Archaologischer Park Xanten met ondersteuning van het Landschaftsverband Rheinland wordt het geheel nu voor het eerst aan een groot publiek gepresenteerd. Rotterdam, Kunsthal, Westzeedijk 341: De Doem der Daciërs: 6000 jaar archeologische schatten uit Roemenië. T/m 20 november. Rotterdam, Museum Boymans-van Beuningen, Museumpark 18-20: Glas zonder glans. Vijf eeuwen gebruiksglas uit de bodem van de lage landen. T/m 8 januari 1995.
Zeventiende-eeuwse ijspret op de IJssel. Leiden, Museum De Lakenhal, Oude Singel 2832:
244
Utrecht, Centraal Museum, Agnietenstraat 1: Graven in een grensgebied. Archeologische vondsten uit de Kromme-Rijnstreek, 1-1000 na Chr. T/m 20 november.
Adressenlijst hoofdbestuur en afdelingssecretariaten van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland Hoofdbes tuur: Alg. voorzitter: P. K. J. van der Voorde, Laan van Vollenhove 560-bis, 3706 AA Zeist, tel. 03404-50189. Vice-voorzitter: H. Wieringa (afdelingen en regio's), Meyerinksberg 16, 764] RZ Wierden, tel. 0546-571891. Alg. secretaris: vacature. Waarneming door J. C. Bakker, Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad, tel. 03200-54808. Alg. penningmeester: J. D. F. Hardenberg, Kagertuinen 63, 2172 XK Sassenheim, tel. 02522-11445, gironr. 577808. Bestuursleden: Mevr. S. G. van Dockum (contacten vakwereld), Looierstraat 6, 3582 AR Utrecht, tel. 030-540610. Mevr. M. van Ieperen (educatie), Wiekelhorst 24, 2317 ZJ Leiden, tel. 071-225746. W. P. Teileman (kampen), Weerselosestraat 78, 7623 DB Borne, tel. 074-665132. Vacature (public relations). E r e l e d e n : H.J. Calkoen t (Ere-voorz.), E. H. P. Cordfunke, H. J. van Rijn, P. Stuurman, H. Brunsting, R. van Beek, P. Vons, S. Pos. A l g e m e e n s e c r e t a r i a a t AW N : Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad. L e d e n - en a b o n n e m e n t e n a d m i n i s t r a t i e A W N : Postbus 714, 3170 AA Poortugaal, tel. 01890-17451 (tijdens kantooruren). Secretariaten Afdelingen: 1. Noord-Nederland: Mevr. C. Raats-de Kuyer, Paaskamp 16, 9301 KL Roden, tel. 0590818735. 2. Noord-Holland Noord: J. W. Loots, Staeleversgracht 7, 1601 NM Enkhuizen, tel. 02280-18300. 3. Zaanstreek en omstreken: Mevr. A. TrompVeeter, T. Slagterstraat 15, 1551 CG Westzaan, tel. 075-283814. 4. Kennemerland (Haarlem e.o.): Mevr. A. A. van Assema, Lange Begijnestraat 22, 2011 HH Haarlem, tel. 023-320096. 5. Amsterdam en Omstreken: Mevr. K. H. van Reenen-Stein, Mr. Sixlaan 13, 1181 PK Amstelveen, tel. 020-6451838. 6. Rijnstreek: Mevr. M. F. van Oorsouw, Gere-
gracht 50, 2311 PB 218741.
Leiden, tel. 071-
7. Den Haag en omstreken: A. P. van den Band, Prins Frederiklaan 334, 2263 HM Leidschendam, tel. 070-3175534. 8. Helinium (Vlaardingen): Mevr. P. S. de Wit, Brandewijnpad 5, 3119 ZA Schiedam, tel. 010-2731273. 9. De Nieuwe Maas (Rotterdam e.o): Mevr. J. C. Vos-Kranendonk, Verwersdijk 77, 2611 NE Delft, tel. 015-123443. 10. Zeeland: Mevr. L. C. J. Goldschmitz-Wielinga, Verdilaan 35, 4384 LB Vlissingen, tel. 01184-62142. 11. Lek- en Merwestreek: Mevr. J. C. van Pelt, Adm. de Ruyterweg 19, 3354 XA Papendrecht, tel. 078-151142. 12. Utrecht en omstreken: A. Mandersloot, Weegbreestraat 175, 3765 XD Soest, tel. 02155-15589. 13. Naerdincklant (Hilversum e.o.): W. H. Wimmers, Roekenbos 67, 2134 VB Hoofddorp, tel. 02503-31497. 14. Vallei en Eemland (Amersfoort e.o.): A. P. de Boer, Frans Tromplaan 22, 3871 EN Hoevelaken, tel. 03495-34729. 15. West- en Midden-Betuwe en Bommerlerwaard: H. Vroon, Henri Dunantstraat 41, 4024 HX Eek en Wiel, tel. 03449-1956. 16. Nijmegen en omstreken: H. J. A. de Wit, Beukenlaan 38, 6584 CR Molenhoek, tel. 080-584617. 17. Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland: Mevr. A. M. Baljet-Peters, Bronbeeklaan 40, 6824 PH Arnhem, tel. 085-643080. 18. Zuid-Salland - IJsselstreek - Oost-Veluwezoom: J. de Vries, Vossebeltweg 33, 7431 AS Diepenveen, tel. 05709-1996. 19. Twente: Mevr. F. L. Ruizeveld-de Winter, Zevenblad 42, 7623 CG Borne, tel. 074666891. 20. IJsseldelta-Vechlstreek: J. Assink, Prins Frederikplein 4, 8019 XB Zwolle, tel. 038216418. 23. Flevoland: J. Eelman, Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad, tel. 03200-51969. 24. Midden-Brabant: J. v.d. Hout, Dintel 92, 5032 CS Tilburg, tel. 013-634913.
Uitgaven van de AWN Ieder AWN-lid ontvangt het tijdschrift Westerheem en het blad van de afdeling waarbij men is aangesloten. De AWN geeft echter meer publicaties uit. De volgende uitgaven zijn nog voorradig:
AWN - monografie 3 J. G. N. Renaud Middeleeuwse ceramiek. Enige hoofdlijnen uit de ontwikkeling in Nederland Z.p. (VGravenhage) 1976, 123 pp., ill. Deze monografie is nog steeds een standaardinleiding tot de vormenrijkdom van de middeleeuwse ceramiek die bij archeologisch onderzoek kan worden aangetroffen. Leden betalen f 15,—, niet-leden f20,—.
AWN - monografie 4 J. M. Bos Archeologische streekbeschrijving; een handleiding Z.p. (Vlaardingen) 1985, 158 pp., ill., ISBN 90 71312 01 1 Een onmisbare handleiding voor iedereen die met veldverkenningen of regionale inventarisaties wil beginnen, en voor hen die daar al mee bezig zijn. Enthousiast onthaald in de wetenschappelijke en populaire vakpers. Prijs voor leden f 22,50, voor niet-leden f 27,50. .
AWN - monografie 5 A. Warringa én G. van Haaff Opgraven. Technieken voor archeologisch veldwerk Ütfecht 1988, 128 pp., ill., ISBN 90 70482 68 1 Practische handleiding voor allen die op verantwoorde wijze willen (helpen) opgraven. Achtereenvolgens komen aan de orde: meetsysteem, graafwerk, tekenen en fotograferen, vondsten en monsters, administratie en documentatie, kartering en bijzondere structuren. Uitgegeven in samenwerking met de NJBG bij Matrijs in Utrecht. Prijs voor leden f 15,00, voor niet-leden f22,75.
Oude jaargangen Westerheem 1965 - 1969 (klein formaat) f 12,50 per jaargang; losse nummers f2,50 1970 - 1993 (grootformaat). De prijs perjaargang is gelijk aan de voor het betreffende jaar geldende contributie. Speciale nummers (o.a. Nederzettingsarcheologie in Nederland, Stadskernonderzoek in ontwikkeling, en themanummers over het werk van bepaalde afdelingen) f 8,00 tot f 10,00.
Naaldbanden Westerheem Iedere band kan twee jaargangen bevatten en kost f 12,50. Alle prijzen zijn exclusief eventuele verzendkosten. Bij bestelling van 10 of meer exemplaren geldt een korting van 10%. U dient uw bestellingen te richten aan: AWN-Ledenservice, J. C. Bakker, Neckarstraat 10, 8226 LL Lelystad.
Westerheem "^»- -^V" "T"
j
"•
XLm-6-1994
AWN
Colofon
Inhoud jaargang 43 no. 6, december 1994
Westerheem is het tweemaandelijks orgaan van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN), Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad Lidmaatschap/abonnement f70,- per jaar Opgave: Leden- en abonnementenadministratie AWN, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal Opzegging vóór 1 december Redactie: A. Carmiggelt (hoofdredacteur), Harstenhoekweg 139, 2587 SG 's-Gravenhage P. Stuurman (redacteur literatuurrubrieken), Volendamlaan 1094, 2547 CS 's-Gravenhage (tevens centraal redactie-adres) R. van Lit (eindredacteur), Waalsdorperlaan 9, 2244 BM Wassenaar M. F. van Oorsouw (redacteur verenigingsnieuws), Buizerdhorst 17, 2317 DA Leiden
Marco Streefkerk Diep in het veen van Diepenveen
245
Fred G. van den Beemt Een verdronken middeleeuws dorpskerkje bij Heerjansdam
254
Jan Ph. van Oostveen Gebruiksvoorwerpen uit een
Amstelveense sloot
264
Kort archeologisch nieuws
278
J. C. Besteman, J. H. F. Bloemers, J. Buurman, H. Groenendijk, R. C. G. M. Lauwerier, D. Stapert, H. Stoepker, L. B. M. Verhart
Reacties van lezers
280
Sluitingsdata kopij: 1 januari, 1 maart, 1 mei, 1 juli, 1 september en 1 november Aanwijzingen voor auteurs zijn op aanvraag verkrijgbaar bij de hoofdredacteur Voor inlichtingen over advertenties wende men zich tot de eindredacteur
Oproep
282
Literatuurbespreking
282
Redactieraad:
© AWN 1994. Overname van artikelen en illustraties is slechts toegestaan na voorafgaande schriftelijke toestemming van de redactie
Literatuursignalement
288
Agenda
292
Druk: Seinen's Grafische Bedrijven, De Krim (Ov.)
ISSN 0166-4301 Wij verzoeken u adresveranderingen door te geven aan de leden- en abonnementenadministratie AWN, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal. Alleen zo bent u gegarandeerd van de toezending van Westerheem.
Op het omslag: Hengsel-kookpot uit ca. 1350. Foto ROB, Amersfoort. Zie p. 254 e.v.
Diep in het veen van Diepenveen Marco Streefkerk In september 1993 werden nabij het Overijsselse Diepenveen, gemeente Deventer, 106 zilveren Romeinse munten gevonden. De vindplaats bevond zich ongeveer 4,5 kilometer ten noordwesten van de Germaanse nederzetting Colmschate. De muntjes lagen verspreid over ongeveer tien vierkante meter landbouwgrond, maar dat is het resultaat geweest van ploegwerkzaamheden ter plekke. Oorspronkelijk moeten deze munten als partij begraven zijn en spreken we dus van een muntschat. Mogelijk bevinden zich nog exemplaren van de muntschat in de grond, maar gelet op de samenstelling van de nu gevonden munten, kan dat aantal niet groot zijn. De muntschat werd via de provinciaal archeoloog van de provincie Overijssel door de vinders bij het Rijksmuseum Het Koninklijk Penningkabinet in Leiden ter onderzoek aangeboden. De samenstelling De sluitmunt (afb. 1), de munt met de jongste datering, komt in deze muntschat uit een emissie van 192 na Christus, het laatste regeringsjaar van keizer Commodus (180-192 na Chr.)'. De oudste munt is geslagen onder keizer Hadrianus (117-138 na Chr.) in de periode 125-128 (afb. 2)2. De muntschat beslaat dus een tijdvak van ruim 65 jaar. Bijna alle personen waarvoor in die periode officiĂŤle munten geslagen zijn, vinden we in deze muntschat vertegenwoordigd: Hadrianus (2 munten) en zijn eerste beoogde opvolger Lucius Aelius (1 munt), Antoninus Pius (28 x) en zijn vrouw Faustina I (17 x), Marcus Aurelius (26 x), zijn vrouw Faustina
1. Voor- en keerzijde munt 104, sluitmunt van Commodus.
2. Voor- en keerzijde munt 1, oudste exemplaar van Hadrianus.
II (17 x), zijn mede-keizer Lucius Verus (6 x) en diens vrouw Lucilla (3 x ) en ten slotte Commodus (4 x) en zijn echtgenote Crispina (2 x). Opvallend is het feit dat maar liefst 22 munten geslagen zijn ter herdenking van een overleden lid van de keizerlijke familie. Vooral de herinnering aan Faustina I werd na haar dood door haar man Antoninus Pius nog zeer gekoesterd (17 munten van Diva Faustina I). De munten zijn alle denarii; dan reeds gedurende vier eeuwen de standaardmunt waarop het Romeinse muntstelsel was gebaseerd. De denarius werd in de eerste twee eeuwen van onze jaartelling in grote aantallen uitgegeven met bovendien een vrij constant zilvergehalte en een slechts langzaam licht dalend gewicht. Aangezien het zilvergewicht de waarde van de munt als betaalmiddel bepaalde, was er in deze periode sprake van een slechts zeer geringe devaluatie, hetgeen een indicatie is voor de stabiele (economische) situatie van het Romeinse Rijk. We kennen deze periode dan ook uit de bronnen als de tijd van de Pax Romana. De denarius zou in de 2e eeuw officieel nog steeds een gewicht van ongeveer 3,4 gram moeten hebben, conform de standaard van l/96e deel van een Romeins pond (327 gram), vastgesteld ten tijde van keizer Nero (54-69 na Chr.). Het gemiddeld gewicht van de munten in de muntschat, de fragmenten niet meegerekend, ligt met 2,600 gram echter beduidend lager. De oorzaak voor dit verschil is enerzijds te vinden in de slijtage van de munten, anderzijds toch ook in een 245
langzaam teruglopen van het gewicht3. Dit laatste wordt door deze muntschat opnieuw bevestigd. De weinige munten uit de regeerperiode van Hadrianus (118-134) wegen gemiddeld 2,669 gram; onder Antoninus (134161) is dat 2,660 gram; ten tijde van Marcus Aurelius (161-180) is het gemiddelde gezakt naar 2,537 gram en de munten van Commodus (180-192) wegen nog slechts 2,329 gram gemiddeld. Deze geleidelijke teruggang in het gewicht van nieuw geslagen munten was waarschijnlijk onderdeel van de monetaire politiek van de Romeinse overheid. Op deze wijze hielden alle munten in circulatie min of meer hetzelfde gewicht; de nieuwe, geslagen met een iets lager gewicht, en de oude, weliswaar geslagen met een hoger gewicht, maar door slijtage tijdens het dagelijks gebruik, waren zo even zwaar. Wanneer deze politiek niet gevolgd zou zijn, zou de geldcirculatie gevaar lopen, omdat nieuwe munten, ongesleten, zwaarder en dus meer waard, onmiddellijk door spaarders aan de circulatie zouden worden onttrokken4. Een ander kenmerk dat de 106 munten van de muntschat Diepenveen gemeen hebben, is dat alle exemplaren waarschijnlijk afkomstig zijn uit de muntfabriek van Rome. Dit is geen opmerkelijke zaak, aangezien het overgrote deel van alle uitgegeven munten in de 2e eeuw in de hoofdstad van het Rijk werd geslagen. Officiële muntslag in zilver buiten Rome vond slechts zeer incidenteel plaats, vooral ten behoeve van oorlogvoering aan de grenzen van het Rijk. Bovendien werden dergelijke emissies meestal in beperkte omvang uitgegeven en overwegend in het oosten van het Romeinse Rijk, zodat maar weinig munten uit alternatieve muntplaatsen de circulatie in ons land bereikten. De monetaire betekenis Wanneer de munten individueel bekeken worden, valt een aantal eigenaardigheden op, die wel het een en ander vertellen over de produktie en de verspreiding van de Romeinse munten uit deze tijd. Zo zijn er enige exemplaren die foutjes van de stempelsnijders laten zien: bij de munt van afbeelding 3, geslagen ten tijde van Antoninus Pius met 246
3. Keerzijde munt 41, CIRES in plaats van CERES.
4. Keerzijde munt 63, TR V in plaats van TR P.
5. Keerzijde munt 39, S in CERES niet doorgeslagen.
6. Keerzijde 19, enkele letters niet doorgeslagen.
de afbeelding van Diva Faustina I, is op de keerzijde Ceres gespeld als CIRES; en de vergissing zichtbaar op afbeelding 4, TR V in plaats van TR(ibunicia) P(otestate), doet ons vermoeden dat ook in het Latijn van de 2e eeuw de uitspraak van de „v" en de „p" al dusdanig dicht bij elkaar lag, dat deze letters bij de (mondelinge?) opdrachtgeving voor deze munt van Marcus Aurelius door de stempelsnijder verward zijn. Slordigheden bij het slaan van de munten zijn te zien op enkele exemplaren waar letters zijn verdwenen of slechts zeer vaag zichtbaar zijn (afb. 5 en 6). Dit verschijnsel ontstond wanneer tijdens het slaan letters
7. Voorzijde 91 en 92; beide munten geslagen met hetzelfde stempel.
van de legende, die als uitsparingen in het stempel gesneden waren, volliepen met gesmolten metaal van de muntplaatjes. Aangezien met één stempel enkele duizenden munten werden geslagen, kwamen de aldus volgelopen letters van het stempel op de muntplaatjes die daarna geslagen werden, niet goed meer over, totdat het stempel weer werd schoongemaakt of vervangen. Een aanwijzing over de manier van verspreiding van de munten is in deze muntschat aanwezig in de vorm van een stempelkoppeling tussen twee munten (afb. 7). De voorzijdes van deze twee munten van Faustina II vertonen zoveel overeenkomst in detail, dat beide munten waarschijnlijk met hetzelfde stempel geslagen zijn. Hoewel er met één stempel, zoals gezegd, enkele duizenden munten geslagen konden worden, is het toch opmerkelijk dat deze twee exemplaren vanaf de muntfabriek in Rome tot de uithoek van het Romeinse Rijk, die Nederland was, bij elkaar gebleven zijn. Het is echter minder vreemd wanneer we aannemen dat munten in de vorm van grote partijen door de overheid over de verschillende gebieden van het Rijk werden verspreid. In dat geval zijn wellicht alle munten gemaakt met dit bepaalde stempel met Faustina II tezamen ergens in Noordwest-Europa verspreid en is de kans groter dat in een partijtje van 106 munten uit Diepen veen twee stempelgelijke bij elkaar gevonden worden. Ook de aanwezigheid in de muntschat van een zevental fragmenten van afgebroken munten (bijvoorbeeld afb. 8) geeft ons informatie over de verspreiding van munten. Deze exemplaren zijn meestal door de gebruikers opzettelijk verbrokkeld, teneinde kleinere nominaties van bijvoorbeeld een halve of een kwart denarius te creëren.
Blijkbaar was de aanvoer van de koperen sestertius (1/4 denarius), dupondius (1/8 denarius) en as (1/16 denarius), waaraan als kleingeld in de dagelijkse handelstransacties een grote behoefte bestond, in sommige gebieden te gering om aan de lokale behoefte te voldoen. Omdat de eigenaar van de muntschat echter uitsluitend zilveren munten verzameld heeft, beschouwde hij blijkbaar een half exemplaar niet als alternatieve sestertius, maar gewoon als halve zilveren munt. Het lijkt dan ook onwaarschijnlijk dat in dit gebied een tekort aan koperen munten werd gevoeld. Het is te begrijpen dat verknipte denarii wel in dit gebied voorkwamen, als men bedenkt dat ze als betaalmiddel vrij algemeen geaccepteerd werden en dus gewoon konden circuleren. Toch is het onwaarschijnlijk dat de verknipte munten in het officiële muntverkeer werden geaccepteerd. De verspreiding van deze munten moet dus voornamelijk veroorzaakt zijn door de handelscirculatie. Het bereik van deze handelsverspreiding was slechts gering en vandaar dat verknipte exemplaren niet overal gevonden worden, maar uitsluitend in de nabijheid van gebieden waar een tekort aan koperen munten het verknippen van denarii noodzakelijk maakte. Uit de opgravingen in Nijmegen is gebleken dat een dergelijk tekort aan het koperen kleingeld daar bestond, omdat er twee helften van dezelfde munt gevonden zijn, hetgeen bewijst dat het verknippen van geld ter plekke plaatsvond. Dit is ook voor de hand liggend, aangezien in een militair kampement als Nijmegen de soldaten vaak in grote nominaties hun soldij uitbetaald kregen en dit voor de dagelijkse aankopen moesten omwisselen voor kleingeld. In Nijmegen betrof het weliswaar vondsten uit de 1e eeuw, maar ook aan het eind van
8. Voor- en keerzijde halve munt 67 van Marcus Aurelius. 247
9. Voor- en keerzijde munt 5.
10. Voor- en keerzijde munt 59.
de 2e eeuw waren Romeinse legereenheden langs de rivieren gelegerd. Vondsten als deze muntschat tonen aan dat er ook toen nog problemen met de aanvoer van kleingeld bestonden, en dat deze problemen niet uitsluitend optreden in periodes waarin het geldsysteem nog in opbouw is. Twee munten in deze vondst bezitten zoveel eigenaardigheden, dat we moeten aannemen dat ze het resultaat zijn van antiek knoeiwerk. Beide zijn in feite hybride munten: een voor- en keerzijde die qua datering niet bij elkaar passen. Dergelijke fouten ontstonden wanneer oude stempels in de muntfabriek bleven liggen en na verloop van jaren opnieuw gebruikt werden, in combinatie met een in die tijd gebruikt keerzijde-stempel5. Maar in beide gevallen is naast deze verkeerde voor- en keerzijdekoppeling ook aan de afbeeldingen het een en ander mis. Het eerste voorbeeld bestaat uit een voorzijde van Antoninus als caesar (afb. 9), wat wijst op de jaren 138-139, met een keerzijde-type van Hadrianus, gebruikt in de periode 119-122". Het tweede voorbeeld (afb. 10) combineert een geheel gebruikelijke voorzijde met een portret van Marcus Aurelius, gebruikt tussen 165 en 1667, met een keerzijde-type van een staande Minerva van Antoninus Pius, gedateerd 138". De geldcirculatie aan het eind van de 2e eeuw Het beleggen in munten had het voordeel 248
dat een groot kapitaal toch een beperkte omvang hield, waardoor het relatief gemakkelijk te verstoppen of te vervoeren bleef. De zilveren denarius werd daarbij natuurlijk vanwege zijn grótere waarde geprefereerd boven koperen munten. Om dezelfde reden had de eigenaar nog liever gebruik gemaakt van gouden munten, maar de goudmunt van die tijd, de aureus, was lang niet zo gemakkelijk beschikbaar als de denarius. Gelet op de gelijkmatige chronologische opbouw van de muntschat van Diepenveen, mogen we aannemen dat de samensteller de denarii vrij willekeurig heeft verzameld. De eigenaar deed een min of meer willekeurige greep uit het beschikbare aanbod van denarii ter plaatse en de muntschat die op die manier is ontstaan, geeft een beeld van de muntcirculatie van het gebied. We spreken daarom wel van een circulatieschat. Het karakter van een circulatieschat wordt verduidelijkt in afbeelding 11. Hierin is het aantal munten in de muntschat Diepenveen grafisch uitgezet tegen de tijd. De Romeinse munten uit de 2e eeuw na Christus zijn echter veelal niet op één jaar nauwkeurig te dateren. Teneinde toch een zo gedetailleerd mogelijk beeld te krijgen, zijn alle 106 munten gegroepeerd binnen tien periodes. Deze periodes zijn zo gekozen, dat de meeste munten binnen één van deze tien periodes vallen. De munten die niet nauwkeurig kunnen worden gedateerd dan tot de regeerjaren van de keizer onder wiens bewind ze geslagen zijn, zijn evenredig over deze jaren verdeeld. Het aantal munten per periode wordt vervolgens gedeeld door de lengte van de periode, zodat de grafiek het gemiddeld aantal munten per jaar voor elke periode aangeeft. De figuur die we krijgen, geeft een trapvormig beeld*. Vanaf de vroegste periode 125134 wordt het aantal munten per jaar geleidelijk groter. De grafiek bereikt een top in de periode 161-164, waarna het aantal weer afzakt tot aan de sluitmunt van Commodus. Deze grafiek zegt veel over de Romeinse geldcirculatie in het Nederlandse gebied. Alle munten werden, zoals gezegd, geslagen in Rome. Op het moment dat deze schat begraven werd, in of kort na 19210, was de kei-
zer in Rome misschien nog Commodus, maar waarschijnlijk al zijn opvolger Septimius Severus (193-211 na Chr.). De Munt in Rome sloeg natuurlijk munten voor de regerende keizer. Toch komen in Nederland op dat moment nog relatief weinig munten van Commodus en in het geheel niet van Severus voor. Blijkbaar duurde het een tijdje voordat de munten die in Rome geslagen waren, in groten getale de uithoek van het rijk, die Nederland was, bereikten. De piek in de grafiek onder Marcus Aurelius vertelt ons hoe lang het duurde eer de muntslag van een keizer uit Rome de top van de muntcirculatie in Nederland bereikte, namelijk ongeveer dertig jaar. Dertig jaar nadat de produktie ervan in Rome gestaakt werd, waren deze munttypes de meest voorkomende langs de grenzen van het rijk! De munten uit periodes voor de piek in de grafiek kwamen minder voor, omdat de munten geleidelijk toch weer uit de circulatie verdwenen. Dit kon gebeuren door verlies, belasting, omsmelting, verzameling, etc. De grafische weergave, zoals die in afbeelding 11, van een circulatieschat geeft de samenstelling van het circulerende geld in het gebied en de tijd waarin de schat is verzameld weer. Deze muntcirculatie wordt beĂŻnvloed door drie factoren: de produktie in de muntplaats, de verspreiding van muntplaats naar circulatie en het weer verdwijnen uit die circulatie. Wanneer deze drie factoren constant zijn, zullen we een continue grafiek te zien krijgen, die het resultaat is van een, weliswaar zeer complexe, formule, die de muntcirculatie van het gebied als continue functie van die tijd beschrijft. In afbeelding 11 is nog het beeld van continue grafiek te herkennen, hetgeen erop duidt dat de drie factoren, die bepalend waren voor de circulatie waaruit de muntschat Diepenveen is samengesteld, gedurende de 2e eeuw min of meer constant waren. Dit beeld van de grafiek ontstaat echter pas wanneer de munten van Diva Faustina I gedateerd worden in de periode helemaal tot het einde van de regering van Antoninus Pius (161). Deze datering is niet onomstreden. Het is namelijk zeer ongebruikelijk om zo lang een overleden lid van de keizerlijke
familie te herdenken. Zo werden de ook in de muntschat aanwezige munten van Divus Antoninus slechts in het jaar 161, direct na zijn dood, geslagen. Op dezelfde wijze worden de munten van Diva Faustina I ook wel toegeschreven aan de periode direct na haar dood in 141. Wordt een datering in de periode 141-145 ook hier toegepast, dan ontstaat een plek in de grafiek met een waarde die hoger uitkomt dan de top van de grafiek in 161-164 (zie stippellijn in grafiek 1). Deze piek kan alleen ontstaan, wanneer een van bovengenoemde drie factoren in de periode 141-145 een buitengewone invloed had. Nu hebben we geen enkele aanwijzing dat in die periode de muntaanvoer naar onze streken veel groter was, bijvoorbeeld voor het voeren van oorlog ter plekke; en ook lijkt er geen reden om aan te nemen dat de munten van Diva Faustina I minder snel uit de circulatie verloren gingen. Rest alleen nog de produktiefactor. Het is mogelijk en zelfs voor de hand liggend dat in een korte periode volgend op de dood van Faustina I de Munt in Rome grote aantallen munten ter nagedachtenis aan de overledene heeft uitgegeven. Probleem is alleen dat de produktie voor de periode 141-145 dan zeker vier keer hoger moet hebben gelegen dan gebruikelijk voor die tijd. Zo'n enorme uitstoot kan de hele geldeconomie van die tijd ontwrichten. De Romeinse overheid had er juist belang bij te zorgen voor stabiliteit in de geldcirculatie, omdat dit de devaluatie van de munten en de inflatie van de prijzen tegenging. De meest waarschijnlijke verklaring voor het grote aantal munten gewijd aan Diva Faustina I binnen de muntschat Diepenveen, moet derhalve zijn, dat tenminste een belangrijk deel van deze munttypes toch ook nog gedurende de resterende regeerperiode van Antoninus Pius, vanaf 145 tot 161, is geslagen". De historische interpretatie Tot nu toe zijn vooral gegevens met betrekking tot de monetaire geschiedenis behandeld, maar ook informatie over de algemene historische situatie ligt in de vondst van een 249
aantal munten per jaar
5
5.0
4
3.8
3.4
3
2.5
2.4 2.1
2
1.7
1.3 1.2
1
0.9 0.8
0.4
0.1
125
130
135
140
145
150
155
160
165
170
175
180
185
190
195
tijd (na Chr.)
11. Muntschat Diepenveen; chronologische verdeling.
muntschat besloten. Om te beginnen, moet bedacht worden dat de schat buiten Romeins gebied, in het vrije GermaniĂŤ, begraven werd. Pogingen om ook het noorden van ons land te veroveren, waren in het be250
gin van onze jaartelling nog wel ondernomen, maar na de nederlaag van Varus in 9 na Christus werd expansie in noordelijke richting gestaakt en niet veel later, na een korte herleving onder Claudius (41-54), de-
finitief opgegeven. De permanente grens van het Romeinse Rijk werd toen in ons land langs de grote rivieren gevestigd. Toch strekte de Romeinse invloed tot ver over de grenzen. Deze invloed blijkt onder andere uit het voorkomen van de Romeinse denarii in Germanië. De verklaringen hiervoor zijn in de 2e eeuw, waarover we hier spreken, hoofdzakelijk economisch. Talloze Romeinse voorwerpen in Germanië wijzen op handelscontacten met volken buiten het rijk. Bovendien diende een groot aantal Germanen uit deze streken in het Romeinse leger om na hun diensttijd, eventueel met hun spaargeld, naar huis terug te keren. Zo kwamen Romeinse munten ver over de grens van het Romeinse Rijk terecht. Nu was in de tijd vóór het ontstaan van banken het verstoppen van geldbezit een bewaarmethode, maar gewoonlijk werd dit geld, indien nodig, tevoorschijn gehaald en weer uitgegeven. De schatvondsten die heden ten dage gevonden worden, zijn dus het resultaat van een bijzondere situatie, waarbij de eigenaar nooit meer zijn verstopte geld heeft opgegraven. Als reden hiervoor valt te bedenken dat de juiste plaats niet meer kon worden teruggevonden of dat de eigenaar voortijdig overleed. Veel muntschatten zijn door deze individuele oorzaak ontstaan. Anders wordt het wanneer in een bepaalde periode binnen een bepaald gebied een groot aantal muntschatten wordt gevonden. In zo'n geval wordt gesproken van een muntschathorizont. De muntschat van Diepenveen sluit aan bij een dergelijke horizont, die in de laatste jaren van de 2e eeuw in heel Germanië waarneembaar is. In Nederland passen de muntschatten van Tzum (179-180), Ballo (sluitmunt uit 180), Finkum (180-183), Uitgeest (186) en Bargercompascuum (189) in dit beeld. Er was dus iets aan de hand. Helaas missen we aanvullende bronnen om deze horizont met een specifiek historisch gegeven te verbinden. De waarschijnlijke verklaring is dat Germanië in deze tijd zeer onrustig was, doordat verschillende volken op drift waren geraakt. Mogelijk heeft een plotseling verschijnen van een oprukkende stam
ook de oorspronkelijke eigenaar van de muntschat Diepenveen op de vlucht gejaagd. Voor de onlusten hebben we wel indirecte bronnen, doordat enkele door deze volksverhuizingen in het nauw gebrachte volkeren, zoals de Quaden en de Marcomanni, een poging deden het Romeinse Rijk binnen te komen. We lezen verslagen over de strijd die vooral Marcus Aurelius moest leveren teneinde de grenzen van het Romeinse Rijk te beschermen. Dit vormde de inleiding tot de verschrikkelijke 3e eeuw, wanneer regelmatig „barbaren" het rijk bestormden. Het ligt verder voor de hand om deze muntvondst in verband te brengen met de nabijgelegen inheems-Romeinse nederzetting van Colmschate. De archeologische onderzoekingen in Colmschate, waar bewoningsresten zijn gevonden daterend uit de 2e tot en met de 4e eeuw, sluiten deze mogelijkheid niet uit. Maar de onderzoeksverslagen maken geen melding van sporen van verwoesting en er zijn, voor zover bekend, alleen enkele 4e-eeuwse munten binnen de nederzetting gevonden. Curieus is wel de constatering dat in Colmschate één huis binnen de nederzetting getuigt van bijzondere timmermanskunde. Als mogelijke verklaring hiervoor wordt verondersteld dat de bouwer van dit huis het timmermansvak van de Romeinen geleerd moet hebben, als soldaat in het Romeinse leger12. Was de muntschat van Diepenveen dan wellicht het bezit van een voormalige soldaat in het Romeinse leger, die na zijn diensttijd met zijn spaargeld was teruggekeerd en in Colmschate naar Romeins voorbeeld een huis had gebouwd om van zijn pensioen te genieten? Dan was deze opzet misschien wel ruw verstoord door een aanstormende volksstam, waarvoor hij met zijn kapitaaltje is gevlucht en heeft hij uit angst voor beroving de munten onderweg begraven of domweg in de haast verloren. De theorie is interessant, maar bewijzen kunnen we het niet. Feit is wel dat de verborgen munten nooit meer zijn opgegraven en zo in de grond voor ons, als informatiebron voor het Romeinse verleden van ons land, bewaard zijn gebleven. 251
Noten 1 RIC. 235. De munten uit de Romeinse keizertijd worden gewoonlijk aangeduid met een verwijzing naar het type in de standaardcatalogus voor deze periode: Roman Imperial Coinage. 2 RIC. 176. 3 Walker 1977, p. 25-45, stelt, na onderzoek van grote aantallen gevonden munten, dat het gewicht waarop de denarius in de 2e eeuw geslagen werd, tussen de 2,8 en 3,0 gram lag. 4 Mogelijk is toch ook een deel van de gewichtsverlaging doorgevoerd vanuit de noodzaak bij gelijkblijvende beschikbaarheid aan zilver meer munten te slaan om de grotere militaire inspanningen aan het einde van de 2e eeuw bij de verdediging van het Rijk te financieren. Deze praktijk werd de gebruikelijke politiek in de 3e eeuw, toen de keizers door interne en externe strijd voortdurend in geldnood verkeerden. 5 De juiste datering voor de produktie van deze munten kan dan ook het beste gelijkgesteld worden aan de datering van het jongste stempel, al is het natuurlijk mogelijk dat dergelijke munten ontstonden door experimenten met partijen afgedankte stempels. In dat geval zou ook het jongste gebruikte stempel van een hybride munt al een afdankertje van de officiële muntslag zijn en vormt de datering van dit stempel slechts een datering post quem voor de produktiedatum van hybride munten. 6 RIC. 128 van Hadrianus. 7 RIC. 144 van Marcus Aurelius. De tekst op voor- en keerzijde laat zien dat hier meer aan de hand is dan alleen een verkeerde combinatie van twee stempels. Zo leest de voorzijde :IMP(erator) ANTONINUS CAESAR PIUS II, waarbij II een foutieve overname voor PP, pater patriae, is. De keerzijde-tekst zou aan weerszijden van de Libertas-figuur de letters LIB(erator)-PUB(licae) moeten lezen. Deze stempelsnijder heeft echter LVB-PVI overgenomen, een duidelijke aanwijzing voor het feit dat deze stempelsnijders, afkomstig uit de laagste bevolkingsgroepen, vaak ongeletterd waren. Ten slotte staat tussen COS en III in de legende nog omgekeerd IV, waarvoor al helemaal geen verklaring te vinden is. 8 RIC. 9 van Antoninus Pius. 9 Kraftl978,p. 78. 10 Tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn, nemen we aan dat het moment van verbergen van een muntschat wordt gedateerd door de jongste nog in de schat aanwezige munt: de sluitmunt. Het jaar waarin deze munt geslagen werd, vormt in feite een terminus post quem: een muntschat kan niet eerder zijn begraven.
252
De datering van de eerstvolgende emissies die niet meer in de muntschat vertegenwoordigd zijn, vormt een terminus ante quem. Wanneer de muntschat na dat jaar zou zijn begraven, is het waarschijnlijk dat ook deze munten nog zouden zijn toegevoegd. Aangezien in de Romeinse tijd vrijwel continu nieuwe emissies werden geslagen, kunnen in dit geval de terminus post en ante quem hooguit een paar jaar verschillen. 11 Er is ook geen reden aan te nemen dat de eigenaar van deze partij geld een bijzondere voorkeur voor Diva Faustina I had, omdat ook bij andere muntschatten uit deze tijd het aandeel van deze munten hoog ligt. 12 Verlinde 1991, p. 172-177. Literatuur Kraft, K., 1978. Antike Geldgeschichte und Numismatik I. Darmstadt. Mattingly, H., en E. A. Sydenham, 1926. Roman Imperial Coinage, Vol. II, Vespasian to Hadrian. Londen. Mattingly, H., en E. A. Sydenham, 1930. Vol. UI, Antoninus Pius to Commodus. Londen. Verlinde, A. D., 1991. Archeologische kroniek van Overijssel, in Overijsselse Historische Bijdragen 106. Walker, D. R., 1977. The Metrology of the Roman Silver Coinage II. Oxford. Vasco da Gamastraat 61/2 1057 VJ Amsterdam
Bijlage: nununcr RlC-nr.
datering keenijdelypc
gewicht stempel opmerking
Hadrianus(ll7-I3!) 1 1 7 * ) 125-13! staandePrudenüal. 2 345(vai) 134-138 rillende Victoria I.
2.609 6 1894 6
Lucius Aelius (geslagen under Hadrianus) 3 434 137 slaande Pieiasl.
1677 6
ra.
tuttend mantel over Lschnider
Anloninus Pius (geslagen onder Hadrianus) 4 5
447a
138 staande Diana r. 138-139 slaande Libeflasl.
AnloninusPius(l38-l6l) 6 54b 139 7 140-143 61(0 8 76b 140-143 144 9 117 10 129 145-161 II 136 145-161 12 136 145-161 13 137 145-161 14 145-161 137 162 147-148 15 148-149 16 175
ineen geslagen handen slaande Aequitasl. slaande Moneta 1. staande PaiL slaande Concordial. meen geslagen handen ineen geslagen handen gevleugelde bliksem gevleugelde bliksem slaande Annonal. slaande Aimona 1.
1318 1495
5 6
2.612 3.07! 1795 1806 3.002 1807 1189 2.445 3.001 1613 1334
5 7 5 6 6 6 6 7 12 5 5
fragment hybride; vz Antoninus Caesar Piïsll; te PMTRP COSHI; LIBPVI in veld
RIC-nr. I77(d) 21» 211 vgl.222 239 283 299 301
datering 148-149 151-152 151-152 152-153 154-155 157-15! 159-160 159-1(0
305
159-161) staande Salusl. 159-160 slaandeSlhisl.
kemijdetvpe slaande Aequtol. slaande Anima I. staande Tranquillilasr. slaande Fuituna r. slaandeAnnonal. slaande Antoninusl. staande Felicitasl. slaandePail.
Diva Fauslina 1 (geslagen onder Antunhus Pius) 141-160 zes-zuilige tempel 343 27 141-160 slaande Jano(7)l. 344 28 141-160 slaandeForttmal. 348 29 141-160 staande Providenlia(>) 30 351(1) 141-160 slaande ftovidentia I. 31 35l(a) 32 141-160 troon met scepler^auw 353(a) 33 141-160 slaande CcrcoL Mi) 34 141-160 slaande Ccrcsl. 360(a) 35 141-160 slaande Ccrcsl. 362 36 141-160 slaandeCeral. 362 37 141-160 staande Venusl. 366 38 141-160 slaande Vestal. 368 39 141-160 stamde Ceresl. 378(a) 40 141-160 slaandeCeresl. 37!(a) 41 141-160 ziuendeCeresl. 379 42 141-160 staande Ceresl. 382a 43 vgl.3l2a-b 141-160 slaande Ceresl.
445 480e 483 413
158-159 158-159 159-160 159160
slaandePail. slaande Virtuu. aanvallende Minerva r. aanvallende Minemr.
Fauslina II (geslagen onder Anloninus Pius) 51 502a 145-161 zittende Concordial. 52 502a 145-161 rillende Concordiil. 53 502a 145-161 zittende Concordial. Marais Aurelim (161-180) 54 37 161-162 161-162 37 55 162-163 56 64 163-164 57 91 165 142 58 165-166 59 60 61 62 63 64 65 66 67
185 191 203 206 227 227 240 vgl.239
168 168 168-169 168-169 170-171 170-171 170-171 170-171
stempel opmerking 12 12 II 7 kz: legende eindigt PP I I
Divus Antonüm* Pius (geslagen onder Marcus Aurelius) 74 429 161 Slaande adelaar r. 75 430 161 slaande adelaar op altaar 76 436 161 brandstapel, vier lagen 77 438 161 brandstapel, vier lagen
1.323 1601 1443 2.829
12 5 5 5
Lucius Vaut (geslagen onder Marcus Aurelius) 78 457 161 slaande keizer met globe 79 491 162-163 staandeProvidenüal. 80 540 165 rittende Paithr. SI 595 168 tillende Aequilasl. 82 vgl.596 168-169 rillende Fortuna I.
1680 1091 2.952 2613 2.626
6 II 7 6 12
Divus Luriui Venu (geslagen onder Marou Aureliiu) H3 596a 169 slaande adelaar fr.
1633
12
Faimina II (geslagen onder Marcuj Aureliiu) 161-175 slaande Diana 1. 674 84 161-175 staande Fewnditm 1. 676 85 161-175 staande Fecundilas 1. 677 86 161-175 slaande Hilarilasl. 686 87 161-175 staande Junol. 688 81 161-175 slaande Junol. 688 89 161-175 staande Junol. 688 90 161-175 Commixtos en Antoninut 711 91 161-175 rittende Salusl. 714 92 714 161-175 rittende Salusl. 93 161-175 rittende Salusl. 714 94 161-175 rillende Veslal. 737 95 677 va. 161-175 slaande Fecundiuu r. 96
1739 2.533 1569 1535 1572 2.721 1553 2.486 2372 1731 1.180 2.139 2.329
5 6 5 7 7 1
Diva Faustina II (geslagen onder Marcus Aureluis) 744 176-180 staande pauw r. 97
1529
6
Lucilla (geslagen onder Marcus Aurelius) 98 781 164-169 iOendePudicitial. 99 784 164-169 slaande Venus I, 100 786 164-169 staande Venus I.
2.474 2.777 1.772
11 II S
Comdus(l8O.|92) 101 2 var. 102 17 103 19 104 235
rillende Fortuna 1. slaande P u l . slaande Providential. staande FommaFeliil.
2.434 1327 1591 1262
12 6 6 6
Crispina (geslagen onder Commodus) 279 180-183 ineen geslagen handen 105 180-113 ineen ecslaeen handen 106 279
1221 1246
3
nummer 68 69 70 71 72 73
2.944 2.849 2.775 2.579 1817 2.816 2.822 2.516 1674 2.633 1.104 2.768 2.529 2.879 2.579 1447 1461
Marcus Aurelius (geslagen onder Anloninus Pius) 44 423a 140-144 slaande Iuventas I. 2.698 45 429a 145-147 slaande Honos I. 2.859 46 vgl.453 151-152 staande Genius Eiercitus 1470
47 48 49 50
gewicht 2.507 1770 1.962 1776 1396 2.598
gewicht stempel opmerking 2.686 7 1241 2471 Fortuna met staf i.p.v. roer 1499 2732 2.609 2.78! kr aantal letters niet 2.512 doorgeslagen 2.557 1728
1613 2585 1570 2.677
2990 1451 1618
fragmcm(l/3) teCERE teCfRES rcbmlenia gesluierd; legende als R1C.382»
7 7 5
vzAVREUUS CAESAR AKT0N1N1 AVGPIIFIL
6 6 6 12
6 1 7
uitende Concordial. tillende Concordial. zittende Concordial. staande Mars r. slaande Annona 1. staande Minerva 1.
1513 2.438 1450 1435 1449 1697
5 12 6 6 7 12
zittende Fortuna 1. rillende Aequitasl. slaande Feliciusl. staande Libcraliias 1. rillende Jupiterl. zittende Jupilcrl. staande Victoria r. zittende Vidoria/patera
1466 3.210 1782 1.221 2.487 2.478 1149 1.417
12 II II 6 7 7 6 5
re RtC 144, kz: AVO PIVSRPCOSDTS1I
fragment V E T R V X X M
fragment kz; legende niet in RIC; re type RIC239, legende RIC228
RIC-nr. 252 26lof276 314 352var. 377 421
datering 171-172 171-173 174-175 175-176 176-177 176-180
180 181 181 192
kteraktetype slaandeAequilasl. stamde Mars r. slaande Felicilasl. staandeRomal. slaande F c U u L zittendeRomal.
12 12 6 6 6 1 II
fragment
afgebroken
in calalogia allen alxaureus
vc slempelkoppeling met 92 vzslempelkoppelingrnet9l fragment vz: husle met parelsnoer
vz: buste r., lauwerkrans, mantel
stuitmunl
varvarianl 1.: naar links r.: naar rechts fr.: frontaal vz: voorzijde kz: keerzijde vgl.: vergelijk
253
Een verdronken middeleeuws dorpskerkje bij Heerjansdam Fred G. van den Beemt Inleiding Sinds de jaren zestig is bekend dat de Zwijndrechtse Waard een geologisch en archeologisch zeer interessant gebied is. Geologisch is het gebied interessant door de verlande rivierbeddingen en archeologisch vanwege de vele nederzettingssporen. Vanaf de prehistorie tot en met de middeleeuwen heeft men op de oeverwallen van de verlande rivierbeddingen en langs de nog bestaande afgedamde rivieren de Devel en de Waal gewoond. Mede door de oplettendheid van amateur-archeologen en de daaropvolgende archeologische veldverkenningen is het duidelijk geworden dat de bewoning van dit gebied, zover nu bekend is, reeds begint in het neolithicum. In de Romeinse tijd is er, vanaf ca. 50 n.Chr. tot en met de 3e eeuw, op de oeverwallen van onder meer de Devel en afgedamde Waal een vrij intensieve bewoning geweest van een civiele inheemse bevolking. Vanaf de 3e eeuw tot ca. 850 n.Chr. is het, wat betreft de bewoning van dit gebied, stil. Pas in de 9e eeuw wordt het door de lagere zeespiegelstand en de opslibbing van het land weer mogelijk het ruige landschap in gebruik te nemen. De bewoning houdt aan tot het jaar 1318, het jaar waarin de gehele Zwijndrechtse Waard met zijn dorpen en tal van individuele verhoogde woonplaatsen verdronk'. De hier volgende verhandeling betreft een verslag van een archeologisch onderzoek van een kerk met kerkhof, behorende bij een middeleeuws dorp dat in de 14e eeuw tussen Rijsoord en Heerjansdam in de golven verdween. Van molen naar kerk Heerjansdam aan de Oude Maas en aan de oude rivierarm de Waal is een van de weinige resterende schilderachtige plekjes in de Zwijndrechtse Waard (afb. 1). 254
Even ten noorden van het dorp2 staat op een heuvel van ca. vier meter hoog met een huidige oppervlakte van 65 x 50 meter al bijna drie eeuwen lang een korenmolen hoog boven het omringende landschap (afb. 2). De huidige molen, „Landzicht", werd hier in 1868 op de funderingen van een voorganger gebouwd. Blijkens de kaart van de Zwijndrechtse Waard van Abel de Vries stond hier al in 1722 een korenmolen. In dezelfde tijd stond enkele tientallen meters zuidwestelijk, aan de voet van de heuvel, een zogenaamde wip-watermolen, die op een kaart uit 1685 door Abel de Vries staat vermeld als „watermolen van Heer Jansdam"4. Deze maalde tot 1881 het water uit de polder Heerjansdam op de Waal en werd in dat jaar buiten werking gesteld en gesloopt5. Op de bovengenoemde kaart van 1685 wordt bij deze plaats ook de veldnaam „Out Kerckhof' aangegeven. Deze naamgeving, „kerck" en „hof, deed tijdens de archeologische veldverkenningen in 1975 het ver-
/. De situering van Heerjansdam.
2. De verhoogde voormalige kerkplaats, gezien vanaf de Molenweg te Heerjansdam. „Landzicht" (1868) staat deels op de fundering van het kerkje.
moeden rijzen dat hier vóór 1685 een kerk met een begraafplaats moet zijn geweest. Ook het voorvoegsel „Out" is in dit geval interessant. „Out" wil hier zeggen dat tijdens het inmeten en tekenen van de kaart door Abel de Vries deze plaats al lange tijd niet meer in gebruik was als kerkhof en dat tijdens de landmetingen er van de kerk en het kerkhof niets of vrijwel niets meer was te zien. Bij vele Heerjansdammers was het bekend dat er in de molenheuvel al eens overblijfse-
Korenmolen
len waren gevonden van menselijke skeletten. Ook de in Heerjansdam wonende amateur-archeoloog de heer P. Rijken kon zich herinneren dat in de jaren dertig, bij het graven van een kelder in het huis van de molenaar, een menselijke schedel was gevonden. Op aanwijzing van de toenmalige bewoners is er in 1975 door leden van de „Oudheidkundige werkgroep voor de Zwijndrechtse Waard" een onderzoek uitgevoerd naar de herkomst van deze schedel6. Naar aanleiding hiervan werden in 1975 in
3. Kaart van Abel de Vries uit 1685, waarop het „Out kerckhof" staat aangegeven.
255
de nabijheid van het molenaarshuis enkele proefputjes uitgezet en systematisch uitgegraven. Op een diepte van 50 tot 60 cm werd een tweetal gave menselijke skeletten aangetroffen, die op de traditionele christelijke wijze waren begraven. Ook werden in een rioleringssleuf in het heuvellichaam overblijfselen aangetroffen van menselijke begravingen. Behalve deze menselijke overblijfselen werd aan de zuidzijde van het voormalige molenaarshuis een stuk fundering gevonden. Voorts werden in vrijwel alle proefkuilen tufsteenpuin en brokken rode baksteen (kloostermop) aangetroffen van het formaat 30 x 15 x 10 cm. Fundering van het kerkje gevonden Het was wachten op het toeval dat in 1981 het voormalige molenaarshuis op de molenheuvel grondig werd verbouwd. Voor deze verbouwing werden de vloeren opengebroken. De werklieden troffen een rood-plavuizen vloer aan met daaronder een „hinderlijk stuk fundering" van grote rode gemetselde stenen. Na melding aan de ROB te Amersfoort werd op 9 januari 1981 door deze dienst een beperkte verkenning uitgevoerd7. Zover de
L
I
I
Ii
I
I
4. Het westelijk deel van de fundering van het kerkje. Het gearceerde deel geeft het opgegraven gedeelte van de kerkfundering weer. (Tekening: Joop Hulst, ROB, Amersfoort).
256
verbouwing van het huis het toeliet, werd ter plaatse van de voormalige woonkeuken een uit kloostermoppen opgebouwde fundering van 50 cm breed uitgegraven. Al snel werd duidelijk dat hier een deel van de fundering van het middeleeuwse kerkje was gevonden. Alhoewel zich een groot deel van de fundering onder de overige opstallen bevindt, was het toch mogelijk de vorm van het voorportaal/ingangspartij of wellicht de torenfundering van het kerkje vast te stellen (afb. 4). Overigens waren op de beide hoeken aan de westzijde van deze ingangspartij steunberen aangemetseld om eventuele verzakking van het bouwwerk te voorkomen. Het in kettingverband en met schelpenmortel gemetselde muurwerk is bij de aanvang van de bouw opgetrokken vanaf een vrij egaal gemaakte ondergrond van opgebrachte zandige klei. De klei was plaatselijk sterk vermengd met tufsteen, schelpenmortel en baksteenpuin, waarin fragmenten voorkwamen van bakstenen van het formaat 30 x 15 x 10 cm. Het steenformaat van de vrijgekomen fundering bedraagt 28 x 14 x 7,5 cm, hetgeen erop wijst dat de fundering van het kerkje jonger is dan het losse baksteenpuin en het tufsteen. Een loopvlak of vloerniveau kon niet duidelijk worden vastgesteld. Waarschijnlijk is het loopvlak met het wegbreken van het kerkje verdwenen. Tijdens de verkenning van de ROB werden buiten het molenaarshuis grondboringen uitgevoerd. Daarbij kon worden aangetoond dat op verschillende plekken in de voormalige kerkheuvel nog muurresten en begravingen aanwezig zijn. Het kerkje De hieronder volgende beschrijving en de reconstructie van het kerkje berusten op de gevonden muurresten in de molenaarswoning en op grondboringen en kleine proefgaatjes. Aan de hand van de maatvoering van de opgegraven muurresten van de ingangspartij van het kerkje en de proefboringen kunnen de grootte en de vorm van het voormalige bouwwerk bij benadering worden vastgesteld. Gedacht wordt aan een zogenaamd zaal-
ü
n
5. Hypothetische reconstructie van het middeleeuwse kerkje omstreeks 1200. Het gearceerde is de opgegraven fundering. (Tekening: Joop Hulst, ROB, Amersfoort).
kerkje van 14 meter lang en 8 meter breed en tegen de westzijde een ingangspartij (toren?) van 4 x 4 meter. Tijdens het onderzoek8 is vast komen te staan dat de noordelijke zijmuur zich onder de huidige noordmuur van het molenaarshuis bevindt. Op bijgeplaatste afbeelding (afb. 5) is er naar gestreefd een zo verantwoord mogelijke reconstructie van het kerkje te maken. Daarbij wordt opgemerkt dat deze uitsluitend berust op de tot nu toe gevonden muurresten. Datering Het aantreffen van de muurresten van het kerkje en de sporen van het bijbehorende kerkhof roept de vraag op wanneer het stenen kerkje hier is gebouwd en wanneer en waarom het is verlaten. Gezien het voorkomen van tufsteenpuin, kan de eerste stenen fase van. het kerkje zeker in de l l e eeuw en mogelijk in de late 10e eeuw gedateerd worden. Hoewel er (nog) geen archeologische aanwijzingen voor zijn gevonden, is het niet uitgesloten dat een uit hout opgetrokken bedehuis voor-
af ging aan het tufstenen stadium. Deze veronderstelling is gebaseerd op het feit dat het kerkje en het bijbehorende kerkhof zijn gelegen op een opgeworpen heuvel, zoals er in de Zwijndrechtse Waard enkele tientallen als verhoogde woonplaatsen in gebruik zijn geweest. Uit onderzoek van deze woonplaatsen is gebleken dat deze vanaf ca. het jaar 1000 zijn opgeworpen. Het opwerpen hield verband met het feit dat het van wezenlijk belang was om hoog, droog en veilig te blijven wonen, in verband met de steeds vaker voorkomende hoge rivierstanden. Met behulp van de aangetroffen baksteenformaten kan ook de latere fase van het kerkje worden gedateerd. Er zijn bakstenen (kloostermoppen) gevonden met een formaat van ca. 30 x 15 x 10 cm, hetgeen duidt op een datering in de tweede helft van de 12e eeuw. Het overgrote deel van de bakstenen met een formaat van 28 x 14 x 7 cm dateert uit de jaren 1260-1295, hetgeen afgeleid kan worden van bouwwerken uit deze periode. Samengevat betekent dit dat een eerste stenen kerkje van tufsteen hier omstreeks het jaar 1000 kan zijn gebouwd en dat omstreeks 1150-1200 een verbouwing heeft plaatsgevonden. In 1289-1290 volgt de fase waarvan de fundering is aangetroffen. Kort hierna, in 1318, is het kerkje verlaten in verband met de inundatie van de Zwijndrechtse Waard". Thiedradeskerke of Serheienkerc/ Heinkerc10 Uit de verspreiding van de vele oppervlaktevondsten die tijdens de archeologische veldverkenningen werden aangetroffen, blijkt dat in de l l e eeuw het kerkje een onderdeel geweest is van een vrij uitgebreide bewoning. Deze strekte zich naar het zuiden en naar het noorden uit over de oeverwal van de afgedamde Waal, vanaf de dorpskern van het huidige Heerjansdam tot meer dan een kilometer over de grens van Rijsoord, gem. Ridderkerk. Over de gehele lengte van ca. 2200 meter bevond zich hier een lintdorp met enkele tientallen bewoningskernen, die zich tussen 850 en 1000 hebben ontwikkeld. Bij een uitgebreider onderzoek in één van 257
6. Fragment van de topografische kaart 37H (Barendrecht), verkend 1961, met daarop Heerjansdam, afgedamde Waal en het gebied (gearceerd) waar het dorp in de middeleeuwen was gelegen. A = de voormalige kerkplaats en B = de vindplaats Strevelshoek. (Afb. Topografische Dienst, Emmen).
deze woonkernen, bij Strevelshoek", werd de oude en meest oorspronkelijke verkaveling teruggevonden in de vorm van een sloot of perceelscheiding'2. Deze percelering strookt niet met de huidige verkaveling, die daar schuin overheen ligt. De oudste middeleeuwse vondst die werd gevonden, betreft een randscherf van Badorf-aardewerk met radstempelversiering en beschildering. Pingsdorf- en Paffrathaardewerk werd regelmatig aangetroffen (afb. 7). Veelvuldiger waren de vondsten uit 258
de 13e en het begin van de 14e eeuw (afb. 8 en 9). Het gaat hier om randen, bodems, oren en wandscherven van kookpotten, bakpannen, schenkkannen, etc. Het is onder meer aardewerk uit Andenne, Langerwehe, Brunssum-Schinveld en Rijnlands steengoed uit Siegburg. Van de huizen die hier hebben gestaan, werden puinplekken en overblijfselen van muren met een steenformaat gevonden, die overeenkomen met die van het kerkje. Uit de nederzettingssporen, de muurrestan-
ten, het overvloedig voorkomende middeleeuwse aardewerk en gebruiksvoorwerpen, zoals met been ingelegde messen (afb. 10), spinsteentjes, e t c , kan worden geconcludeerd dat er een welgesteld dorp heeft gelegen. Het dorp, dat omstreeks 1300 voornamelijk uit houten huizen bestond, enkele met een stenen onderbouw, en eveneens een stenen kerkje bezat, moet ook een naam hebben gehad. Zoals het er naar uitziet, ligt hier niet het
verdronken dorp Thiedradeskerke, maar Serheienkerc/Heinkerc, als onderdeel van de parochie Thiederadeskerke. Dit betekent dat de fundering van het kerkje de kerk moet zijn geweest van het verdronken dorp Serheienkerc of Heinkerc (d.w.z. de kerk van heer Hein). Thiedradeskerke, alias die Dubbel", bestond reeds als parochie in 1101, toen de kerk aan het kapittel van St. Jan in Utrecht kwam. De parochie Thiedradeskerke omvatte de nabij-
7. Pingsdorfaardewerk (datering ca. 1130), gevonden in het middeleeuwse lintdorp. Vindplaats Strevelshoek.
259
gelegen voormalige plaats Heinkerc en de Groote en de Kleine Lindt onder Zwijndrecht. Er kan worden gesteld dat Heinkerc een onderdeel was van de kerkelijke parochie Thiedradeskerke. Mede gezien het feit dat Thiedradeskerke aan de Dubbel ligt en niet aan de Waal, lijkt het aannemelijk dat Thiedradeskerke zelf op een andere, nog niet gevonden en nog steeds verdronken plek bedolven ligt.
8. Drink-schenkkan van grijs aardewerk (datering 14e eeuw). Vindplaats: B. Strevelshoek. (Foto: ROB, Amersfoort).
Overstromingen In het begin van de 14e eeuw wordt de Zwijndrechtse Waard voortdurend getroffen door overstromingen. De oorzaak hiervan is enerzijds te zoeken in de regelmatig verhoogde rivierstanden en anderzijds in de slechte toestand van de overigens maar bescheiden dijken rondom de Waard. Deze samenloop van omstandigheden is uitgelopen op een regelrechte ramp, die zich voor het eerst manifesteerde in 131814. Het gehele ge-
9. Links drinkbeker van bruin steengoed (datering ca. 1250-1300) en rechts een hengsel-kookpot van grijs aardewerk (datering ca. 1350). Vindplaats: B. Strevelshoek. (Foto: ROB, Amersfoort).
260
11. Een steengoed Siegburg-drinkkannetje (datering ca. 1350-1400). Vindplaats: B. Strevelshoek. (Foto: ROB, Amersfoort).
l'l'l
10. Een gesmeed ijzeren mes met aan elkaar geklonken beslagplaten van been of hoorn (datering ca. 1450). Vindplaats: B. Strevelshoek.
bied overstroomde en werd onbewoonbaar. Voor het lintdorp langs de Waal betekende dit het einde van een geschiedenis van minstens 500 jaar. Pas in 1332 komt de Zwijndrechtse Waard weer definitief uit het water, nadat het gehele gebied weer redelijk was omdijkt15. Er werden vanuit de toenmalige „overheidsinstanties" maatregelen getroffen om het gevaar van nieuwe overstromingen te verkleinen. Zo werd in 1332 de Waal, zowel bij Heerjansdam als bij Hendrik Ido Ambacht, afgedamd. Door de verbeterde situatie kon een nieuw dorp gesticht worden, grenzend aan het oude vernietigde dorp. Men keerde niet meer terug naar de oorspronkelijke woonplaatsen langs de Waal. Het nieuwe dorp, dat ontstond bij de dam in de Waal, werd voortaan Heerjansdam genoemd. De eerste kerk van Heerjansdam wordt als parochiekerk genoemd in 1368. De kerk moet gesticht zijn na 133616. Terugkeer naar het lage land Toch is omstreeks 1332 een aantal voormalige bewoners teruggekeerd naar hun oude woonplaats om daar weer een nieuwe start 261
drechtse Waard, is Gottschalk (1971) op grond van archiefbronnen van mening dat de Waard al geheel overstroomde bij de stormvloed van 1318. 2 Kaartblad 37H coörd. 98.70/428.42. 3 Abel de Vries, geboren op 18 oktober 1652 te Dordrecht en overleden op 6 mei 1732 te Dordrecht, was landmeter-kaarttekenaar, door het Hof van Holland geadmitteerd als landmeter op 26 juli 1674, werkzaam in ZuidHolland, wonende te Dordrecht. 4 ARA, 's-Gravenhage, kaartafdeling VTH, 2175. 12. Koekepan van rood aardewerk (datering ca. 1400). Vindplaats: B. Strevelshoek. (Foto: ROB 5 Het betreft hier een onderzoek van het molenrestant door de heer G. Ottevanger van het Amersfoort). Bureau Molenzaken van de Provinciale Waterstaat van 11 augustus 1980. Tijdens de verbreding van de Molenweg werd de molenfundering opgegraven en ingemeten. Een uitvoete maken. Dat blijkt onder meer uit aarderig verslag van het onderzoek bevindt zich in werkvondsten uit de 14e, 15e en 16e eeuw het archief van de Provinciale Waterstaat, bij Strevelshoek (afb. 11 en 12). Daar ligt in afd. Molenzaken. de haakse bocht van de Waal een verhoogde 6 De heren Gerard en Pim Alders, destijds woafzetting van zand en klei. nende te Alblasserdam, hebben een grondig onderzoek uitgevoerd. Zowel bij het archeoOp deze natuurlijke verhoging heeft vanaf logisch als bij het archiefonderzoek zijn beca. 1332 tot ca. 1550 een boerenbehuizing langwekkende gegevens gevonden. gestaan. Vondsten van na deze periode ont7 Onderzoek door H. Halbertsma en F. G. van breken hier volledig. Daaruit mag worden den Beemt. geconcludeerd dat deze woonplaats om8 Alders; zie noot 6. streeks 1550 definitiefis verlaten. 9 De heer G. Alders maakte onlangs met beDat de meeste bewoners van het oorsprontrekking tot het verlaten van het kerkje in 1318 de opmerking, zonder de bron te noekelijke dorp Heinkerc niet meer in groten men: „Er hebben zich wel belangrijke wijzigetale terugkeerden naar hun oude woongingen voorgedaan in de Zwijndrechtse plaats langs de Waal, houdt naar alle waarWaard, maar het lijkt er op dat het kerkje nog schijnlijkheid verband met het feit dat er tot in de 15e eeuw is gebruikt op deze plek". niets meer restte van wat er eens was. Daar10 Dit is de spelling van de oorkonde uit 1101, naast zullen zij zich in de directe omgeving zie noot 14. . van de ringdijk veiliger hebben gevoeld dan 11 Kaartblad 37H coörd. 99.05/429.80. 12 Onder deze oudste middeleeuwse verkavein de lage verlaten polder. Ook was de Waal lingssloot of perceelscheiding werden aardevanaf het tijdstip van de afdamming in 1332 werk en dakpanfragmenten van Romeinse een „dode" rivier. Het was moeilijk geworoorsprong gevonden. den om met rivierschepen op de Waal te ko13 Koch, nr. 92. men en de rivier te gebruiken als schëep14 Nibbelink, 1860, volgnummer 10, p. 13 en vaartroute. Hieruit volgt de conclusie dat 14. 15 In de tussentijd was het bedijkt, maar nogmen om veiligheidsredenen ofwel uit economaals in 1322 overstroomd. Deze inundatie mische overwegingen geen gebruik meer had waarschijnlijk plaats door bovenwater, in heeft gemaakt van het ca. 500 jaar oude het midden van de zomer (Gottschalk 1971). dorp aan de Waal. 16 De datum 1336 wordt genoemd in een afschrift van een brief d.d. 30 januari 1961 van de heer B. van 't Hoff, Rijksarchivaris der Derde afdeling van het ARA te 's-GravenhaNoten ge, aan mevr. A. C. Fokkema-Siccema te 1 In tegenstelling tot eerdere publikaties, waarHeerjansdam in het correspondentiearchief in het jaartal 1323 wordt genoemd als het jaar van de ROB te Amersfoort. van de totale overstroming van de Zwijn262
Literatuur Alders, G. P., e.a., 1982. Hendrik Ido Ambacht 1332-1982, 650 jaar waard. Hendrik Ido Ambacht. Alders, G. P., 1988. Nieuwe dateringen van het vroegste steengoed. In: Westerheem 37, 306312. Don, P. 1985. Kunstreisboek Zuid-Holland. Weesp. Donkersloot-de Vrij, M., 1981. Topografische kaarten van Nederland vóór 1750; Handgetekende en gedrukte kaarten, aanwezig in de Nederlandse Rijksarchieven. Groningen. Gottschalk, M. K. E., 1971/77. Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland, de periode voor 1400. Assen. Groot, H. L. de (red.), 1990. Het vuur beschouwd. Utrecht. Henderikx, P. A., 1983. De beneden-delta van Rijn en Maas, Landschap en bewoning van de Romeinse tijd tot ca. 1000. Amsterdam. Janssen, H. L., 1983. Van Bos tot Stad, Opgravingen in 's-Hertogenbosch. 's-Hertogenbosch. Koch, A. C. F., 1970. Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299,1. 's-Gravenhage. Molema, J.,1989. Het „01 kerkhof' te Scheemda
(Gr); tussentijds verslag van een opgraving. In: Paleo-Aktueel 1, Groningen, 107-112. Muller Hzn, S., 1915. De indeeling van het bisdom Utrecht. Werken der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht (tweede reeks no. 17). 's-Gravenhage, 247-278. Ramaer, J. C , 1899. Geographische geschiedenis van Holland bezuiden de Lek en Nieuwe Maas in de Middeleeuwen. Amsterdam Trierum, M. C , e.a., 1988. BOORbalans 1. Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied. Rotterdam. Trimpe Burger, J. A., 1964. Ceramiek uit de bloeitijd van Aardenburg (13e en 14e eeuw). Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, 12-13. Amersfoort, 495-558. Vermeulen, F. A. J., 1928. Handboek tot de geschiedenis der Nederlandsche bouwkunst, I. 's-Gravenhage. Witte, H. de, 1988. Brugge onderzocht; Tien jaar stadsarcheologisch onderzoek (Archeo-Brugge\). Brugge. Ruiterakker 19 9407 BE Assen
263
Gebruiksvoorwerpen uit een Amstelveense sloot Jan Ph. van Oostveen1 Heden ten dage is de dorpskern van Amstelveen bijna geheel vernieuwd. Toch kon de AWN nog enkele noodopgravingen in de voormalige dorpskern uitvoeren. In 1982 werd een noodopgraving aan de Dorpsstraat van Amstelveen door de AWN uitgevoerd. Dit was de tijd dat grote delen van het dorp aan stadsvernieuwing onderhevig waren. Daarnaast werd in het begin van de jaren negentig nog een drietal opgravingen aan de Dorpsstraat uitgevoerd. Twee van deze opgravingen vonden plaats vlakbij de dorpskerk, waar enkele panden moesten wijken voor nieuwbouw van een modern museum. Hier werden onder andere laatmiddeleeuwse bewoningssporen en twee beerputten aangetroffen. Ook is er gegraven aan de rand van de voormalige dorpskern en deze opgraving zal in dit artikel centraal staan. De ontstaansgeschiedenis van het dorp Amstelveen Wanneer men spreekt over het ontstaan van het dorp Amstelveen, dan moet men in eerste instantie kijken naar de ontstaansgeschiedenis van Amstelland. De ontginning van Amstelland moet van het eind van de 10e tot in het begin van de 13e eeuw hebben plaatsgevonden. Enerzijds werden deze ontginningen uitgevoerd door pioniers die vertrokken vanuit de Utrechtse Vechtstreek, anderzijds door pioniers vanuit de Hollandse cultuurgronden. In een vlot tempo werd Amstelland ontgonnen en reeds in 1165 was er een twist tussen de landsheren van Holland en Utrecht over het dorpje Kalslagen2. Dit duidt erop dat de ontginners, die vanuit twee richtingen werkten, elkaar in dat jaar genaderd waren. Toch moet men er niet vanuit gaan dat er in die tijd ook al een dorp Amstelveen bestond. Amstelveen ligt in het gebied Nieuwer-Amstel en is, zoals de naam al zegt, pas in een laat stadium ontwikkeld. Een eerste verwijzing naar het gebied Nieuwer-Amstel dateert mogelijk uit 1204. In dat 264
jaar staken de Kennemers de „aggerem Amestelle" door en verwoestten „de venen". Deze venen zouden mogelijk in NieuwerAmstel gelegen hebben3. Het duurt echter nog honderd jaar alvorens in een archiefstuk melding wordt gemaakt van het dorp Amstelveen. We spreken dan over het jaar 13054. Waar het dorp Amstelveen dan ligt, is niet geheel bekend. Deze verwarring wordt veroorzaakt door een kaart van Balthasar Florisz. van Berkenrode uit 1629. Hierop staat in het verlengde van de Amstelveenseweg de „oude wech" getekend. Trekt men deze weg denkbeeldig door, dan komt men op de huidige Bovenkerkerweg richting Thamen uit. Hierdoor wordt de suggestie gewekt dat de oudste bewoningssporen in NieuwerAmstel mogelijk langs deze weg gezocht moeten worden3. Opgravingen uit het begin van de jaren negentig, die vlak bij de dorpskerk uitgevoerd zijn, hebben aangetoond dat
1. Bebouwing in Amstelveen volgens het belastingcohier uit 1732.
hier in de eerste helft van de 14e eeuw sprake van bewoning was. Gehoopt werd dat het hieronder te beschrijven onderzoek meer gegevens over de 14e-eeuwse of vroegere bewoning zou prijsgeven. Het opgravingsterrein Het opgravingsterrein was gelegen aan de zuidwestzijde van de Dorpsstraat tussen het voormalige raadhuis en het pand van de familie Zegwaard. Volgens het belastingcohier uit 1732 zijn dit de huizen met de nummers 712, 713 en 714 (afb. l)6. Over dit terrein was weinig bekend. Het wordt voor het eerst in het belastingcohier van 1732 genoemd. Opvallend is ook dat de huizen ten zuiden van het door ons onderzochte perceel - dit zijn dus de panden met de nummers 705 t/m 711 - voor het eerst in de 18e eeuw worden genoemd. Dit zou erop kunnen duiden dat dit terrein vóór de 18e eeuw onbebouwd was. Aan de zuidkant van perceel 712 ligt het perceel dat nummer 711 draagt. Dit perceel, dat niet vóór 1728 genoemd wordt, werd in augustus 1796 door de curator van de boedel van Adriana van der Veer, weduwe van Pieter Heemskerk, voor ƒ 975,- aan de armmeesters van de Gereformeerde gemeente verkocht. Deze vestigden er een Arm- en Weeshuis in. Dit Arm- en Weeshuis was hier echter niet lang gevestigd. Op 30 juli 1819 werd het pand verkocht aan Izaack van Berkel voor ƒ230,-7.
lag een kleiig humeus ophogingspakket, dat vermoedelijk uit de 18e eeuw dateert8. Aan de zuidkant van perceel 712 werd een sloot aangetroffen. Deze was met 18e-eeuws materiaal gevuld. Tijdens de tweedaagse opgravingscampagne zijn in het geheel geen middeleeuwse scherven tevoorschijn gekomen. De reden hiervoor kan zijn dat de opgraving zich te ver van de Dorpsstraat heeft afgespeeld. Op de stort werd echter naast enkele bijna-steengoed scherven ook een fragment van een 16e-eeuws achtkantig pijpglas gevonden. Het bierglas is voorzien van een blauwgroene glasdraadmanchet en is hoogstwaarschijnlijk in Duitsland geproduceerd9. Een andere minder algemene vondst in een 18e-eeuwse context waren fragmenten van een Jydepot. Dit soort potten werd vaak als containers voor het vervoeren van vloeibare stoffen en kwetsbare spullen gebruikt10. Verreweg de meeste vondsten waren afkomstig uit de sloot welke tussen perceel 711 en 712 moet hebben gelegen. Opvallend was dat alle voorwerpen uit de 18e eeuw dateren en dat sommige artefacten sporen van brand lijken te vertonen. Deze vondsten kunnen naar de grote brand in 1792 in Amstelveen verwijzen". De 18e-eeuwse vondsten geven een beeld van wat er in die tijd aan materiaal werd weggegooid en deze voorwerpen zullen hieronder per categorie behandeld worden.
De opgraving Vanuit de zuidwesthoek werd begonnen met het uitgraven en afvoeren van licht verontreinigde grond. Doordat de werkzaamheden niet snel gingen, was op het eind van de dag slechts een kwart van alle grond verwijderd. Helaas was de dragline net bij de verst weg gelegen hoek van de Dorpsstraat begonnen. Daardoor was het niet mogelijk om een profieltekening van het verloop van de dorpsterp evenwijdig aan de Dorpsstraat te maken. Gekozen werd om een profieltekening zover als mogelijk langs de Dorpsstraat te maken en loodrecht hierop een andere profieltekening. Uit deze profieltekeningen bleek dat bovenop het natuurlijk veen een veenplaggenlaag was aangebracht. Hierop
Rookgerei Kleipijpen spelen bij post-middeleeuwse opgravingen een belangrijke rol. Door hun modegevoeligheid en breekbaarheid zijn zij uitermate geschikt voor het dateren van gesloten vondstcomplexen. Totaal zijn er 171 pijpekoppen gevonden12. Opvallend daarbij is dat 76 kleipijpen van een zijmerk voorzien zijn. Dit zijn overduidelijk de goedkopere produkten geweest, omdat pijpen met een zijmerk tot de zogenaamde groffe pijpen (= goedkoopste soort) behoren. Van de 17 ovoïde pijpen met bijmerk viel een pijp op met een tot nu toe onbekend bijmerk. Het bijmerk bestaat uit drie posthoorns. Kleipijpen met een dergelijk merk zijn eerder gevonden in Amstelveen en Uit265
hoorn. Het exemplaar moet vrijwel zeker van een lokale producent afkomstig zijn en zal ongetwijfeld tot de goedkopere „Gouwenaars" hebben behoord. In het totaal moet meer dan 50% van de aangetroffen kleipijpen tot het goedkopere soort worden gerekend. Voor de datering van het vondstcomplex komen voornamelijk de zijmerkpijpen in aanmerking. 28 Pijpen zijn toe te wijzen aan de Gorinchemse pijpenmaker Wouter Groenenberg, van wie bekend is dat hij voor 1784 overleed". Een ander opmerkelijk feit was dat maar liefst 78 exemplaren ongerookt waren. Met name alle vissepijpen die aan Wouter Groenenberg kunnen worden toegeschreven, in totaal 25, behoorden hiertoe. Dit doet vermoeden dat de sloot kort na 1784 volledig gedempt is. De oudste vondsten uit de sloot zijn moeilijk te dateren. Het lijkt er sterk op dat het merendeel van de produkten in de periode 1750-1790 weggegooid is en daarom zal deze datering voor de gehele slootinhoud gehanteerd worden. Witbakkend aardewerk In het totaal konden er 91 witbakkende scherven geborgen worden. Opvallend is dat 21 scherven van mangaan vlekken voorzien zijn. Dit soort voorwerpen worden over het algemeen aan een Nederlands produktiecentrum toegewezen14. Van witbakkend aardewerk werden onder meer fragmenten van een kaarsenhouder en een komfoor gevonden. De met mangaanvlekken voorziene scherven behoorden tot één tuitpot, twee kannen en één deksel. Majolica Majolica kwam aan het eind van de 16e eeuw in ons land steeds meer voorhanden. Was het in de 16e eeuw nog een luxe-produkt, in de 17e eeuw kwam het algemeen voor. Doordat de VOC in de 17e eeuw grote hoeveelheden porselein importeerde en door de introductie van faience raakten majolicaprodukten uit de mode. In de 18e eeuw komt het materiaal nog maar weinig voor; wel wordt het onder andere nog in Friesland geproduceerd. Aangezien de levensduur van 266
borden over het algemeen meer dan een paar jaar bedraagt en er in de 18e eeuw nog steeds majolica-produkten in Friesland werden gemaakt, is het niet verwonderlijk dat er zeker vijf majolica-borden geborgen konden worden. Deze voorwerpen moeten alle in het laatste kwart van de 17e en de eerste 75 jaar van de 18e eeuw geplaatst worden. Zeker één 18e-eeuws bord moet aan een Fries produktiecentrum worden toegewezen. Faience In de loop van de 17e eeuw verdringt faience de majolica-produkten en krijgen deze voorwerpen de overhand. Daarom hoeft het ons niet te verwonderen dat er zeker twintig verschillende borden en twee verschillende koppen gevonden zijn. Opvallend daarbij is dat er van één type bord (f-bor-1) twee exemplaren zijn aangetroffen. Het andere in de catalogus afgebeelde bord (f-bor-2), met een rozet op de spiegel, blijkt vrij algemeen te zijn en is onder andere bij archeologisch onderzoek in Deventer en Bourtange tevoorschijn gekomen. De faience koppen zijn gebruikt voor het drinken van thee. In de 17e eeuw begon dit gebruik ingeburgerd te raken in Nederland, wat leidde tot de import van kleine porseleinen koppen. Als reactie hierop werden faience koppen door Europese pottenbakkers geproduceerd. De in de catalogus afgebeelde kop (f-kop-1) is hier een fraai voorbeeld van. Cream- en Pearlware In de 18e eeuw werd in Staffordshire een nieuw produkt ontwikkeld, het zogenaamde Creamware. Dit roomkleurige aardewerk werd in de tweede helft van de 18e eeuw zeer populair. Een fabrikant als Wedgwood had rond deze tijd al een zeer grote produktie. Ook naar het continent werden deze produkten uitgevoerd. Het was daarbij niet ongebruikelijk dat onbeschilderde produkten naar ons land werden getransporteerd. Hier aangekomen, werden deze produkten soms beschilderd. Het zo ontstane produkt had een decoratie op het glazuur. Van de twintig Creamware-scherven die zijn aangetroffen, konden minstens vijf verschillende koppen, zes verschillende borden, één kan en één pot
herkend worden. EÊn pot en een kop waren van een op het glazuur aangebrachte decoratie voorzien. Vanuit het Creamware ontwikkelt zich een produkt met een wittere scherf, het zogenaamde Pearlware. Daarbij was het niet ongebruikelijk om deze voorwerpen van een drukdecor te voorzien. Deze methode van „beschilderen" was namelijk halverwege de 18e eeuw uitgevonden en werd sinds die tijd steeds meer toegepast. In het totaal konden er twaalf Pearlware-scherven geborgen worden, die zeker van drie verschillende koppen afkomstig waren. Blackware Naast het Creamware ontwikkelde zich in Engeland een ander soort aardewerk, het zogenaamde Blackware. Van dit aardewerk zijn slechts twee scherven gevonden, waarvan met zekerheid gezegd kan worden dat zij tot een theepot hebben toebehoord. De scherven zijn echter zo fragmentarisch, dat er geen profieltekening van de theepot gemaakt kan worden. Roodbakkend aardewerk Roodbakkend aardewerk was algemeen gangbaar in de 18e eeuw. Het werd veel gebruikt, omdat het het goedkoopst was. Het roodbakkende aardewerk kan in twee groepen onderverdeeld worden. Allereerst is er een groep waarvan het produktiecentrum
niet bekend is. Deze groep wordt vertegenwoordigd door 316 scherven. Daarnaast is er een groep scherven die vanwege de ringeloorversiering in het Nederrijngebied gemaakt is. Hiervan zijn 67 scherven gevonden. Twee Nederrijnse borden konden gereconstrueerd worden. Het eerste bord (r-bor-1) heeft het algemeen bekende honingraatmotief als versiering. Het andere bord (r-bor-2) is voorzien van een bloemversiering. Tot de scherven waarbij het produktiecentrum niet bekend is, behoren dertien voorwerpen, welke voorzien zijn van een engobe-versiering in doorlooptechniek. Van roodbakkend geglazuurd aardewerk werden fragmenten van een comfoor (r-com-1), een vuurtest (r-tes-1), een oorkom (r-kom-1) en een grape (r-gra-1) aangetroffen. Porselein Slechts een klein deel van de vondsten wordt gevormd door porselein. Dit produkt werd sinds het begin van de 17e eeuw in steeds grotere hoeveelheden naar ons land getransporteerd. In de 18e eeuw treden er enkele veranderingen op en werd het mogelijk voorwerpen met polychrome beschilderingen te maken. Voor de Chinese porseleinfabrikanten was dit noodzakelijk, omdat zij sinds het begin van de 18e eeuw te maken hadden met een steeds groter wordende concurrentie vanuit Europa. Het in Europa
2. De verschillende onderdelen en aanzichten van de houten tripmuil. 1. Bovenzijde (nerfzijde) leren kap. 2. Onderzijde (vleeszijde) leren kap. 3. Bovenaanzicht houten zool. 4. Rechteraanzicht houten zool. (Tekeningen O. Goubitz). 267
geproduceerde porselein uit de eerste helft van de 18e eeuw werd hoofdzakelijk voor de elite vervaardigd. Opmerkelijk is dat van dit Europese porselein geen enkele scherf in de sloot is teruggevonden. Wel zijn er twee scherven van een polychroom Chinees schaaltje, zogenaamd Imari-porselein, gevonden. Afgezet tegen 52 monochroom blauwe Chinees porseleinen scherven is dit relatief gezien weinig. In het totaal konden er minimaal 26 verschillende voorwerpen herkend worden. Dit waren 11 borden, 14 koppen en één polychroom schaaltje. Twee voorwerpen konden gereconstrueerd worden (p-kop-1 en p-kop2) en worden in de catalogus beschreven. Steengoed Sinds de middeleeuwen was het gebruik van steengoedvoorwerpen ingeburgerd geraakt. In de 18e eeuw waren er verschillende produktiecentra actief. Naast de bekende Duitse centra als het Westerwald en Frechen werd er ook steengoed in Staffordshire in Engeland gemaakt. Kenmerkend voor produkten uit dit laatstgenoemde produktiecentrum is het roomkleurige uiterlijk en de dunwandige structuur. Van de 57 gevonden scherven blijkt het merendeel uit het Westerwald afkomstig te zijn. Slechts dertien scherven, waaronder een complete voorraadpot (s-voo-1), konden aan produkten uit Fre-
chen worden toegeschreven. Het Engelse steengoed wordt vertegenwoordigd door een scherf van een kop (s-kop-1) en een scherf van een bord (s-bor-1), die naar alle waarschijnlijkheid in Staffordshire zijn geproduceerd. Glas Honderd glasfragmenten zijn in de sloot aangetroffen. Hiertoe behoorden 24 fragmenten vensterglas, 5 bekerglazen, 4 kelkglazen, 1 oor en 57 fragmenten van een fles. Tot deze laatste groep behoort een achtkantige fles (gl-fle-1), die een overgangsmodel is tussen het bolle 18e-eeuwse model en het langgerekte 19e-eeuwse model zoals wij deze nu nog kennen15. Een andere complete wijnfles die werd aangetroffen, is nog van het uivormige type (gl-fle-2). Tot de kelkglazen behoort een slingerglas (gl-klk-1). Het produktiecentrum van dit glas is onbekend, doch in het midden van de 18e eeuw werden er grote hoeveelheden van dit glas uit Engeland aangevoerd16. Het meest opvallende voorwerp betreft een gegraveerd bekerglas (gl-bek-2). Helaas is slechts een klein deel van het glas bewaard gebleven. Duidelijk is echter wel dat het glas gegraveerd is met vier medaillons, die elk door middel van twee gestileerde bladmotieven worden gescheiden. Daarbij is één medaillon niet opgevuld, terwijl in een fragment
3. Aangetroffen onderdelen van een schoen met een met leer beklede hak. 1. Bovenaanzicht binnenzool. 2. Onderaanzicht loopzooi. 3. Doorsnede hak. (Tekeningen O. Goubitz). 268
van een ander medaillon mogelijk een landschap is gegraveerd. Over de andere twee medaillons kan helaas niets gezegd worden. De produktieplaats van dit glas moet hoogstwaarschijnlijk in Noord-Duitsland, het Rijnland of Noorwegen (N0rstetangen) worden gezocht17. Leer Naast afvalresten van leer zijn er zestig verschillende voorwerpen van leer aangetroffen. Over het algemeen was er sprake van fragmentarisch aangetroffen voorwerpen van rundieder. Slechts drie voorwerpen werden als geiteleder en vier voorwerpen als kalfsleder herkend. Drie voorwerpen vielen op door hun compleetheid of functionaliteit. Allereerst zijn er fragmenten van geiteleder gevonden. Mogelijk zijn dit onderdelen van een klep van een pet geweest. Daarnaast zijn er fragmenten van een houten tripmuil gevonden (afb. 2). Bovenop een houten zool die fragmentarisch is aangetroffen, werd een rundlederen kap gemonteerd. Het in Amstelveen aangetroffen kapfragment is versierd met negen tienpuntige sterren. Deze versiering is in het leer geperst. De meest opvallende vondst is een fragment van een schoen met een beklede lederhak (afb. 3). Dit model is minder algemeen en is voor zover bekend alleen in een scheepswrak nabij Yorktown aangetroffen18. Dit schip is in 1781 vergaan. De datering van de Amstelveense schoen en het exemplaar uit het scheepswrak vallen in dezelfde periode. Overige vondsten Tot de overige vondsten uit de sloot behoren onder andere 39 botten. Gezien de willekeur waarmee deze voorwerpen uit de sloot zijn gehaald en het ontbreken van een gezeefd monster, kan hier niet al te veel waarde aan worden gehecht. Opvallend is wel dat er vrij veel schedelfragmenten zijn aangetroffen waaraan het minste vlees heeft gezeten. Daarnaast zijn er een fragment van een vork, tien fragmenten van tegels, een kogel en een bril aangetroffen. De vorm van deze bril, een zogenaamde knijpbril, werd reeds in de late 16e eeuw geïntroduceerd en is vervolgens in de gehele 17e eeuw gangbaar.
In de 18e eeuw raakt de knijpbril echter uit de mode en dit zou een reden kunnen zijn dat de bril is weggegooid". Conclusie Bij de tweedaagse opgravingscampagne zijn geen middeleeuwse scherven gevonden. Van de stort konden daarentegen wel enkele 14e-/15e-eeuwse scherven opgeraapt worden. Omdat deze scherven totaal buiten de context van de opgraving gevonden zijn, kunnen zij niet als bewijs dienen dat op deze plaats in de late middeleeuwen gewoond is. Overduidelijk is wel dat er in de 18e eeuw bewoning op deze plek was, doch dit was al bekend voordat het archeologisch onderzoek startte. Een interessant gegeven vormt echter een sloot die met 18e-eeuws materiaal gevuld was. Aan de hand van de kleipijpen kan de inhoud van de sloot in de periode 17501790 gedateerd worden. Daarbij lijkt het niet aannemelijk dat het afval van één bewoner afkomstig is. Op grond van de kwaliteit van de kleipijpen kan gezegd worden dat er sprake was van een arm milieu. Dit wordt bevestigd door het ontbreken van Europees porselein en het veelvuldig voorkomen van roodbakkende scherven (afb. 4). Wanneer we ervan uitgaan dat dit afval afkomstig is van meerdere huishoudens, kan geconcludeerd worden dat er in de tweede helft van de 18e eeuw sprake was van een relatief arme bewoning op deze plaats in het dorp Amstelveen. Deze vooronderstelling wordt door historische bronnen bevestigd. Roodbakkend volksaardewerk (45,2%)
Tegels (
Fayence (23.0%)
'•' i," w i
Blackware (0,3%) Cream- en peartware (3,8%)
ï,4%)
Witbakkend volksaardewerk (10.7%)
4. Procentuele verdeling van het aardewerk op grond van het aantal aangetroffen scherven.
269
Catalogus De methode die bij de beschrijving van de verschillende voorwerpen gebruikt wordt, is nagenoeg identiek aan die van Clevis en Thijssen20 en ziet er als volgt uit: Aardewerk inventarisatienummer 1 2 typenummer datering 3 4 afmeting maximale breedte/hoogte [cm] baksel 5a glazuur 5b 5c versiering bodem 6a oor 6b diversen 6c 7 functie/naam produktiecentrum 8 literatuur 9
1 2 3 4 5a 5b 5c 6a 6b 6c 7
2 3 4 5a 5b 5c 6a 6b 6c 7 8 9 270
AV91B.20 b-?-l 18 1,0/
AV91B.20 f-bor-1 18 21,3/2,6 faience tinglazuur, blauw spiegel: bessenstruik; daaromheen bessentrossen standvlak
bord West-Nederland?
Voor het beschrijven van het glas wordt ook de methode van Clevis en Kottman21 gehanteerd. Hier is de extra categorie kleur toegevoegd, omdat dit een typische glaseigenschap is. De beschrijving van het glas luidt dan als volgt:
Glas 1 2 3 4 5 6 7 8 9
inventarisatienummer typenummer datering afmetingen maximale breedte/hoogte [cm] kleur versiering bodem functie/naam literatuur
AV91B.20 f-bor-2 18 22,5/3,4 faience tinglazuur, blauw spiegel: rozet; vlag: cirkel standvlak
1 2 3 4 5a 5b 5c
6a 6b 6c 7
„Kardinaalsbord" West-Nederland? Clevis/Kottman 1989, p. 121, afb. 10-120 AV91B.20 f-kop-1 18 6,5/3,6 faience tinglazuur, decoratie: geel, groen, roodbruin en blauw floraal motief standring
1 2 3 4 5a 5b 5c 6a 6b 6c 7
kop West-Nederland?
AV91B.20 f-zal-1 18 5,2/4,1 faience tinglazuur, wit
1 2 3 4 5a 5b 5c 6a 6b 6c 7
1 2 3 4 5 6 7
standvlak
zalfpot
AV91B.20 gl-bek-1 : 18bc : 6,1/8,1 : helder :
vlak 271
8 : beker 9: 1 2 3 4 5 6
7 8 9 1 2 3 4 5 6 7 8 9
1 2 3 4 5 6 7 8 9 1 2 3 4 5 6 7 8 9
AV91B.20 gl-bek-2 18bc 7,2/9,6 helder vier medaillons tussen florale motieven; aan de onderkant begrensd met een golfpatroon vlak beker
AV91B.20 gl-fle-1 18 8,6/20,4
groen achtkantig model opgestoken wijnfles Ruempol/Van Dongen 1991, p. 189, inv.nr. F 5020 AV91B.20 gl-fle-2 18 10,4/13,4 groen opgestoken wijnfles Thijssen 1991, p. 140, afb. 319 AV91B.20 gl-klk-1 18bc helder op twee niveaus gespiraliseerde opaakwitte glasdraden in stam voet slingerglas Ruempol/Van Dongen 1991, p. 240, inv.nr. F 10.048 AV91B.20 gl-klk-2 18bc
272
s-s-
e/
GV
AAA/WV
J
4 5
: : helder : luchtbel in stam : voet : kelkglas : Clevis/Kottman 1989, p. 137, afb. 50-10-23
6 7 8 9
1 2 3 4
: : : :
5a 5b 5c 6a 6b 6c 7 8
: : : : : : : kop : Staffordshire, Engeland
9
โ ข
AV91B.20 i w-kop-1 18bc 7,0/4,7 Creamware opglazuur zwart anjer standring
AV91B.20 m-brl-1 17-18 9,0/4,7
1 2 O
4 5a 5b 5c 6a 6b 6c 7 8 9
:
knijpbril
:
Hasselt/Lenting/Westing 1993, p. 407, afb. 17
: : : : : 5b : 5c : 6a : 6b 6c 7 : 8 : : 9
1
2 3 4 5a
AV91B.20 p-kop-1 18bc 7,6/4,0 porselein onderglazuur blauw de vierjaargetijden van de lotusbloem standring
kop China Jรถrgl993, p. 339, afb. 14
273
1 2 3 4 5a 5b 5c 6a 6b 6c 7 8 9 1 2 3 4 5a 5b 5c 6a 6b 6c 7 8 9 ]
2 3 4 5a 5b 5c 6a 6b 6c 7 8 9 1 2 3 4
5a 5b
274
AV91B.20 p-kop-2 18bc 6,2/3,7 porselein onderglazuur blauw acht vlakken, welke om en om met bomen en personages opgevuld zijn standring
kop China
AV91B.20 r-bor-1 18 18,6/3,0 rood loodglazuur honingraatmotief in gele slib standvlak „afweermotief" bord Rijnland Clevis/Smit 1990, p. 178, afb. 33 AV91B.20 r-bor-2 18 33,0/4,8 rood loodglazuur; begrenzing knop bloem uitgevoerd met loodglazuur en koperoxyde bloem in gele slib; begrenzing knop in groene slib standvlak
bord Rijnland
AV91B.20 r-com-1 18 22,8/10,8 rood buitenzijde loodglazuur
' 'n'f / /
' 'i'l '
u
' Ifl/f 'k\
5c 6a 6b 6c 7 8 9
1 2 3 4 5a 5b 5c 6a 6b 6c 7
1 2 3 4 5a 5b 5c 6a 6b 6c 7
driepoot 2 horizontale worstoren 3 „pootjes" op rand comfoor Ruempol/Van Dongen 1991, p. 223, inv.nr. F 1824 AV91B.20 r-gra-1 18 15,5/9,9 rood loodglazuur binnenzijde deels van witte engobe voorzien driepoot worstoor grape; eenoor
AV91B.20 r-oor-1 18 18,5/7,5 rood loodglazuur standring horizontaal lintoor oorkom Clevis/Kottman 1989, p. 104, afb. 11-99
2 3 4 5a 5b 5c 6a 6b 6c 7
AV91B.20 r-tes-1 18 rood loodglazuur driepoot
vuurtest Clevis/Kottman 1989, p. 111, afb. 11-188
275
1 2 3 4 5a 5b 5c 6a 6b 6c 7 8 9
: AV91B.20 • s-bor-1 : 18bc 10,3/2,5 • Engels steengoed zoutglazuur
1 2 3 4 5a 5b 5c 6a 6b 6c 7 8 9
AV91B.20 s-kop-1 18bc 6,0/3,0 Engels steengoed zoutglazuur
1 2 3 4 5a 5b 5c 6a 6b 6c 7 8 9
standring
bord Staffordshire, Engeland Clevis/Smit 1990, p. 212, afb. 165
standring
kop Staffordshire, Engeland Thijssen 1993, p. 284, afb. 1 AV91B.20 s-voo-1 18 14,0/16,0 steengoed zoutglazuur standvlak
voorraadpot Frechen, Duitsland Ruempol/Van Dongen 1991, p. 222, inv.nr. 2385
Moten 1 Bij dezen wil ik Monique Peters, Karin van Reenen en Ruud Wiggers danken voor het kritisch doorlezen van dit artikel. 2 Van Reenen-Stein 1991, p. 282. 3 Groesbeek 1966, p. 15. 4 Groesbeek 1966, p. 16. Dit is tot op heden de vroegst bekende vermelding van Amstelveen in een archiefstuk. 276
5 6 7 8
Groesbeek 1966, p. 105. Groesbeek 1966, p. 108. Groesbeek 1966, p. 112. De profïeltekeningen zijn uitgebreid in het artikel van Hoogers besproken. Bij de datering van dit pijpglas is gezocht naar een soortgelijk voorwerp. In Utrecht is eenzelfde bierglas gevonden, dat wordt gedateerd in de periode 1500-1550. Dit voorwerp,
10 11
12 13 14 15
16
17
18 19 20 21
met inventarisnummer F 5168, wordt door Ruempol op pagina 136 afgebeeld. In Deventer daarentegen is een drinkglas gevonden met dezelfde manchetversiering, dat gedateerd moet worden in de periode 1425-1475. Dit voorwerp wordt door Hallewas op pagina 74 afgebeeld. Aangezien algemeen wordt aangenomen dat dit type achtkantige bierglazen in de 16e eeuw in gebruik was, is de datering voor dit voorwerp de eerste helft van de 16e eeuw. De aangetroffen jydepot is door Van Reenen op p. 260 afgebeeld. Hoogers 1991, p. 2. Of dit werkelijk zo is, weten we niet. Alleen het oostelijk deel van de Dorpsstraat lijkt grotendeels afgebrand te zijn. De aangetroffen kleipijpen zijn uitvoerig door Van Oostveen (1993) besproken. Van der Meulen 1992, p. 69. Wouter Groenenberg was produktief van ca. 1762 tot 1784 in Gorinchem. Een soortgelijk produkt met inventarisnummer 163 wordt afgebeeld door Ruempol op p. 251. Ruempol beeldt een soortgelijke fles op p. 189 inv.nr. F 5020 af. Vreemd genoeg dateert zij deze fles in de periode 1600-1675. Gezien de Amstelveense vondst en het model van de fles, lijkt het aannemelijk om deze datering met honderd jaar aan te passen. De buitenste slingers van het glas lijken aan het oppervlak te liggen, wat mogelijk op een Engels fabricaat duidt. Zie ook Henkes p. 364. Het aangetroffen glas is amper door het verblijf in de grond aangetast. Dit is het gevolg van de glassamenstelling, die verhoudingsgewijs minder potas en meer soda bevat dan algemeen gebruikelijk was. Op grond van deze eigenschap wordt het glas toegewezen aan het Noorse produktiecentrum N0rstetangen, het Rijnland of Noord-Duitsland. Mondelinge mededeling door O. Goubitz aan M. Peters. Hasselt 1993, p. 407. Clevis/Thijssen 1989, p. 21 Clevis/Kottman 1989, p. 77.
Literatuur Clevis, H., en J. Kottman, 1989. Weggegooid en teruggevonden; Aardewerk en glas uit Deventer vondstcomplexen 1375-1750. Kampen. Clevis, H., en M. Smit, 1990. Verscholen in vuil;
archeologische vondsten uit Kampen 13751925. Kampen. Clevis, H., en J. Thijssen, 1989. Kessel, huisvuil uit een kasteel. Mededelingenblad Nederlandse Vereniging vrienden van de Ceramiek, nr. 136,4-45. Duuren, L. van, 1988. Stadswapens als bijmerk. Pijpelogische Kring Nederland 11, nr. 41, 1622. Groesbeek, J. W., 1966. Amstelveen; acht eeuwen geschiedenis. Haarlem. Hallewas, D. P., 1990. Deventer, Karolingische nederzetting, bisschoppelijke residentie, handelsstad aan rivier. In: H. Sarfatij (red.), Verborgen Steden. Amsterdam, 66-74. Hasselt, J., J. J. Lenting en H. van Westing, 1993. Metalen voorwerpen. In: J. J. Lenting, H. van Gangelen en H. van Westing (red.), Schans op de Grens; Bourtanger bodemvondsten 1580-1850. Bourtange, 403-462. Henkes, H. E., en G. H. Stam, 1993. Glas. In: J. J. Lenting, H. van Gangelen en H. van Westing (red.), Schans op de Grens; Bourtanger bodemvondsten 1580-1850. Bourtange, 351401. Hoogers, P., 1991. Opgraving in Amstelveen. Het Profiel, decembernummer, 2-3. Jörg, C. J. A., 1993. Porselein. In: J. J. Lenting, H. van Gangelen en H. van Westing (red.), Schans op de Grens; Bourtanger bodemvondsten 1580-1850. Bourtange, 333-349. Meulen, J. van der, J. P. Brinkerink en P. von Hout, 1992. Tabaksnijverheid in Gorinchem. Leiden. Oostveen, J. van, 1993. Een opmerkelijke slootvulling. Pijpelogische Kring Nederland, 234237. Reenen, P. van, 1992. Jydepotten in Nederland. Westerheem 41, 260-263. Reenen-Stein, K. H. van, en R. Wiggers, 1991. Vroeger in Diemen. Westerheem 40, 282291. Ruempol, A. P. E., en A. G. A. van Dongen, 1991. Pre-industriële gebruiksvoorwerpen. Amsterdam/Rotterdam. Thijssen, J., 1991. Tot de bodem uitgezocht. Nijmegen. Thijssen, J. R., 1993. „Engelse" Industriële Keramiek. In: J. J. Lenting, H. van Gangelen en H. van Westing (red.), Schans op de Grens; Bourtanger bodemvondsten 1580-1850. Bourtange, 281-308. Asserring 306 1187 KN Amstelveen
277
Kort archeologisch nieuws Huys Kostverloren in Amstelveen In september is in Amstelveen de opgraving gestart van de fundamenten van het Huys Kostverloren, een kasteeltje dat tussen 1340 en 1350 werd gebouwd. Het werd in 1650 door brand verwoest en kort daarna weer hersteld. Nadien is het in verval geraakt en gesloopt. De huidige eigenaar van het kasteelterrein is de welgestelde aannemer en sloper Arie Bakker. Hij wil het kasteel in de oorspronkelijke staat herbouwen om er vervolgens als kasteelheer zijn intrek te nemen. Daartoe moeten eerst de funderingen worden onderzocht, zodat men tot een verantwoorde reconstructie kan komen. Architect P. van Gent heeft het maken van de bouwtekeningen op zich genomen, terwijl archeoloog Gerard Alders en medewerkers van de AWN het archeologisch onderzoek uitvoeren. Eigenaar Bakker is ondertussen al jaren bezig om oude bouwmaterialen te verzamelen, waarmee hij zijn nieuwe kasteel „een authentieke uitstraling" hoopt te geven. Amstelveens Weekblad 7 september en 12 oktober 1994 Tegelvloer in Utrecht Op een terrein tussen de Walsteeg en de Mariaplaats te Utrecht is bij een opgraving een zeldzame tegelvloer uit omstreeks 1325 gevonden. De vloer lag in een voormalige zaal van 12 bij 6,5 meter, een „pronkkamer", waar de bewoner in de 14e eeuw zijn collega-geestelijken van het kapittel van St. Marie en andere hoge gasten heeft ontvangen. Alleen 45 vierkante meter van die tegelvloer en wat muurresten met onder andere de oorspronkelijke ingang zijn overgebleven van wat eens de voorkamer voor ontvangsten in het grote derde claustrale huis van de immuniteit (een afgesloten kerkelijk gebied) van St. Marie was. De vloer bestaat uit kleine tegeltjes, die in mozaïekvorm zijn gelegd. Langs de stookplaats van op hun kant gelegde daktegels ligt een dubbele rij van tegeltjes, die zijn versierd met Franse lelies. De overige zijn eenkleurig rood, zwart en geel en variëren in vorm en formaat. De tegeltjes zijn in vierkanten van verschillende patronen gelegd. De vloer moet lange tijd in gebruik zijn geweest, want de tegels zijn nogal gesleten. Alleen langs de randen, waar veel minder is gelopen, zijn de oorspronkelijke kleuren goed bewaard gebleven. Een vergelijkbare vloer, opgegraven in 1869 op het Janskerkhof, ligt nu in het Centraal Museum in Utrecht. Utrechts Nieuwsblad 16 september 1994
278
Uzertijdhuis in Deventer Leden van de AWN hebben in de wijk Swormink-Zuid in Deventer de huisplattegrond van een boerderij uit de vroege Ijzertijd blootgelegd. Volgens archeoloog Michiel Groothedde gaat het om een wandgreppelhuis van twaalf meter lang en zes meter breed. „Ook vonden we een afvalkuil met scherven van potten. Bij het huis troffen we verbrand materiaal aan, waarvan we monsters hebben genomen. Hieruit kan blijken of het een akkerbouwbedrijf is geweest. In de bodem zaten ook sporen van twee kleine bij gebouwtjes, waarvan de functie nog niet helemaal duidelijk is". Op een steenworp afstand van deze site is al eerder zo'n huis gevonden. Beide woningen stonden langs dezelfde zandrug. „Misschien was er ooit een langwerpig dorp langs die zandrug", aldus Groothedde. Ter plaatse zal binnenkort worden begonnen met woningbouw, het laatste deel van de nieuwbouwwijk Colmschate. Overijssels Dagblad 28 september 1994 Kolfstok uit Alkmaar Bij opgravingen op een terrein aan de Laat, waar tot voor kort de St. Jozefschool stond, is een complete 17e-eeuwse kolfstok gevonden. Detectoramateurs vinden geregeld zogenaamde „kolfsloffen" van lood (of, minder vaak, van messing) die dienden om het uiteinde van de houten kolfstok te verzwaren en te beschermen. De kolfstok is een soort hockeystick, die gebruikt werd bij het kolven, wat vaak op het ijs geschiedde. Vondsten van complete kolfstokken zijn zeer zeldzaam. Op het terrein werden ook enkele beerputten en funderingen van 16e- en 17e-eeuwse panden opgegraven. Alkmaarsche Courant 1 oktober 1994 Kortzwaard uit de Bronstijd? „Ik dacht echt dat het een punt van een hek was", aldus Zwollenaar Harrie Borgmeier, die met zijn metaaldetector op een akker bij Dalfsen een bronzen voorwerp opspoorde. Ruud de Heer in Zalk, bij wie Borgmeier zijn detector had gekocht, raakte echter zeer opgewonden toen hij het stuk metaal onder ogen kreeg. „Een wereldvondst", riep hij. „Dit is uniek in Nederland!" Volgens De Heer betreft het hier zonder twijfel een kortzwaard uit de Bronstijd. Ellen Vreenegoor, de provinciaal archeologe voor Overijssel, reageerde voorzichtig, omdat zij de vondst nog niet heeft gezien. „Het is mogelijk,
want er is eerder iets uit de Bronstijd in die akker gevonden". Ze doelt op een vrij gave, kleine randbijl, die twee jaar geleden door Borgmeier uit de aarde is gevist. Borgmeier heeft beide vondsten bij de ROB aangemeld voor onderzoek. Afstand doen van zijn vondsten wil hij voorlopig niet. Het bijltje prijkt thuis in zijn eigen vitrine. „Het Provinciaal Overijssels Museum kan het in bruikleen krijgen, maar ik hou het zelf. Zoiets vind je maar een keer in je leven. Het is toch schitterend als je aan bezoek een randbijl en een kortzwaard van drieduizend jaar oud kunt laten zien?" Zwolse Courant 6 oktober 1994 Grafheuvels gerestaureerd De grafheuvels rond de Galgenberg in boswachterij Het Sleenerzand te Sleen krijgen momenteel hun oude vorm terug. Werklieden zijn druk bezig in samenwerking met de ROB en Staatsbosbeheer de heuvels te fatsoeneren. De werkzaamheden maken deel uit van het plan om het gebied om te toveren tot een archeologische attractie. Over een jaar kunnen belangstellenden een fietsen wandeltocht langs de grafheuvels maken. Jarenlang waren de grafheuvels aan het oog onttrokken door bomen. Bovendien waren ze door de tand des tijds aangetast. Staatsbosbeheer heeft door het kappen van bomen in een gebied van zes hectare de blik op het gebied verruimd. Nu worden kuilen gedicht en worden de grafheuvels vervolgens met heideplaggen afgedekt. Staatsbosbeheer legt na deze werkzaamheden een wandelpad door het gebied aan. Ook zullen informatiepanelen worden geplaatst. Drentse Courant 7 oktober 1994 Aquaduct in Nijmegen Stadsarcheoloog J. Thijssen denkt aanwijzingen te hebben gevonden voor het bestaan van een aquaduct in Romeins Nijmegen. Het zou water hebben getransporteerd van de Kwakkenberg naar het kamp van het Tiende Legioen op de Hunerberg. Het aquaduct zou vijf- a tienduizend Romeinse soldaten van water hebben voorzien. Als er over enige tijd in het Hengstdal graafwerkzaamheden worden verricht, zullen de archeologen wellicht op de stenen of houten fundamenten van de pijlers stuiten. Gelders Dagblad 22 oktober 1994 Verdwenen stins bij Midwolda Even ten noorden van Midwolda (Oldambt, prov.
Groningen) zijn de resten van een middeleeuwse woontoren (steenhuis of stins genaamd) opgegraven. Van het gebouw restte de grondverbetering, die de basis van de fundering vormde. Het opgaande muurwerk van baksteen was geheel verdwenen. Uit de grondverbetering was af te leiden dat het gebouw een grondplan van ca. 8 x 10 meter heeft gehad. Het was omgeven door een ronde gracht met een maximale breedte van ca. 7 meter. Aan de hand van het gevonden aardewerk is af te leiden dat het steenhuis in de 13e eeuw gebouwd moet zijn. Het stond destijds in een veenlandschap. Aan het begin van de 16e eeuw werd het Oldambster veenlandschap bedekt met een kleipakket ten gevolge van overstromingen door de Dollard. Een forse laag puin op de klei geeft aan dat dit Midwolder steenhuis mogelijk pas in de late 16e eeuw, na het terugtrekken van de Dollard, werd afgebroken. Het is echter niet ondenkbaar dat het gebouw reeds eerder verlaten werd, omdat klink van de veenbodem voor enorme wateroverlast zorgde. Tijdens de opgraving werd aan de noordzijde van het steenhuis, even buiten de gracht, een ophogingspakket van zand met een dikte van zo'n 40 centimeter aangetroffen. Het is zeer goed mogelijk dat dit zand op het veen werd aangebracht om de wateroverlast in de direkte omgeving van het steenhuis te verminderen. Om een idee te krijgen van het uiterlijk van een steenhuis kunnen we bijvoorbeeld kijken naar de Schierstins te Veenwouden of het steenhuis te Bunderhee (Ostfriesland, D.). Standaard is een overwelfde benedenruimte met daarboven twee tot drie verdiepingen. De ingang zat uit veiligheid op de eerste verdieping en was via een houten trap te bereiken. Schietgaten en gracht zorgden ervoor dat men indringers enige tijd buiten de deur kon houden. De afgelopen jaren zijn door veldonderzoek in het oosten van de provincie Groningen (Oldambt) de locaties van een dertigtal steenhuizen aan het licht gekomen. In de middeleeuwen moeten er in dit gebied veel meer steenhuizen gestaan hebben. Toekomstig veldonderzoek is er op gericht de locaties van nu nog onbekende steenhuizen vast te leggen om inzicht te krijgen in de wijze waarop het voormalig veengebied van het Oldambt in de middeleeuwen bewoond werd. Persbericht Vakgroep Archeologie, Rijksuniversiteit Groningen Robert van Lit
279
Reacties van lezers Oss-Ussen en de Midden-Bronstijd Ruud van Beek Naar aanleiding van het in het najaar van 1993 verschenen boekje: Oss, verleden aan het licht, geschreven door H. Fokkens', wil ik enkele opmerkingen maken met betrekking tot de in dit fraai uitgevoerde boekwerkje („vierkantje") beschreven vondsten uit de Midden-Bronstijd. Deze vondsten betreffen o.a. twee gedeeltelijke plattegronden van woonstalhuizen, afgebeeld op fïg. 5 en fïg. 28. Er zouden ook meerdere waterputten uit de Midden-Bronstijd gevonden zijn, waaronder enkele die een uitgeholde boomstam als beschoeiing hadden. De op fïg. 29 afgebeelde fraaie boomstamput dateert echter uit de Late Bronstijd. Het is jammer dat er geen aardewerk uit de context van de Midden-Bronstijd is afgebeeld of beschreven, maar ik veronderstel dat dit pas in het kader van de definitieve publicatie zal geschieden. Wat de twee afgebeelde gedeeltelijke plattegronden van woonstalhuizen uit de Midden-Bronstijd betreft, zijn er duidelijke overeenkomsten met o.a. uit Drente bekende woonstalhuizen2. Opvallend zijn de betrekkelijk kleine compartimenten van ca. 2 meter en de vaak grote lengte van de huizen. Eventuele vondsten van aardewerk uit de paalgaten worden niet beschreven of vermeld. Er is echter met fig. 28, waarop de grootste plattegrond van dit woonstalhuistype wordt afgebeeld, iets merkwaardigs aan de hand. Deze tekening is misleidend, omdat de indruk wordt gewekt dat de plattegrond van het „Elp-type" (Midden-Bronstijd) een plattegrond van een veel kleinere boerderij uit de Vroege Ijzertijd overlapt. Deze suggestie wordt gewekt, doordat de zwart ingekleurde paalgaten van eerstgenoemde boerderij over de niet ingekleurde paalgaten van de Uzertijd-boerderij heen lopen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat de boerderij van het Elp-type jonger is dan die uit de Vroege Ijzertijd. In de tekst bij fïg. 28 wordt er echter vanuit gegaan, dat de plattegrond van de Uzertijdboerderij die van de Midden-Bronstijdboerderij overlapt. De daar gegeven datering van laatstgenoemde boerderij, 800 v.Chr., is volgens mij niet juist. Het zou verstandiger geweest zijn de paalgaten van de Midden-Bronstijdboerderij niet ingekleurd weer te geven en die van de Vroege Uzertijdboerderij zwart ingekleurd.
280
Op pag. 34 (fig. 27) geeft Fokkens een overzicht van bewoningssporen uit de Midden-Bronstijd, ten noorden van de Gewandeweg. Het betreft de plaats van twee niet gelijktijdige huizen, die kennelijk één keer verplaatst zijn. In de begeleidende tekst wordt gesproken van „huizen die telkens werden verplaatst binnen het gerasterde gebied". Het is mij niet duidelijk waarop deze nogal vergaande conclusie gebaseerd is, temeer omdat op pag. 35 gezegd wordt dat er tot nu toe in Ussen twee huizen gevonden zijn. Verwarrend is ook, dat als datering voor de Midden-Bronstijd de periode van 1800 tot 1000 v.Chr. wordt opgegeven (pag. 34), maar elders 1800-1100 v.Chr. (pag. 23) en 1800-1200 v.Chr. (fig. 11, pag. 19). Tenslotte nog iets met betrekking tot het op pag. 58 door Fokkens geuite vermoeden dat men in de Bronstijd nog niet van het staande weefgetouw gebruik maakte, maar van een liggend weefgetouw (zie fig. 57). Het staande weefgetouw zou pas in de Uzertijd voor het eerst in gebruik zijn gekomen. In het boek „Bronstijdboeren in Ittersumerbroek" worden door Verlinde' op pag. 41 dubbele paalsporen gecombineerd met een diepe kuil, afgebeeld bij de plattegrond van een boerderij uit de Late Bronstijd. Een en ander staat volgens hem met een staand weefgetouw in verband. Hij verwijst tevens naar een publikatie waarin de opgraving van resten van een verbrand staand weefgetouw uit de Late Bronstijd wordt beschreven. In het boek „Archeologie en Bouwhistorie in Zwolle 2" wordt door Van Beek en Wevers4 op pag. 59 een weefgewicht afgebeeld uit de Late Bronstijd (afb. 31), dat eveneens wijst op het gebruik van een staand weefgetouw in die tijd. Ook Engelse archeologen5 gaan ervan uit dat het staand weefgetouw al in de Bronstijd in gebruik was, gezien de vondsten ook daar van weefgewichten en de sporen van dubbele paalzettingen uit die tijd.
Noten 1 Zie de literatuurbespreking door P. Stuurman in Westerheem 43-3-1994, p. 134-138. 2 Waterbolk 1987. 3 Verlinde 1991, p. 41. 4 Van Beek en Wevers 1994, p. 59. 5 Parker Pearson 1993, p. 104.
Literatuur Beek, R. van, en H. Wevers, 1994. Bronstijdboeren bij de tijd. In: Archeologie en Bouwhistorie in Zwolle 2. Zwolle. Pearson, M. Parker, 1993. English Heritage: Bronze Age Britain. Verlinde, A. D., 1991. De prehistorische bewoning in Ittersumerbroek. In: H. Clevis en A. D. Verlinde (red.). Bronstijdboeren in Ittersumerbroek. Opgraving van een Bronstijdnederzetting in Zwolle-Ittersumerbroek. Zwolle. Waterbolk, H. T., 1964. The Bronze Age Settlement of Elp. Helinium IV, 97-131. Waterbolk, H. T., 1987. Terug naar Elp. In: De historie herzien. 5e bundel (Historische avonden), uitgegeven door het Historisch Genootschap te Groningen ter gelegenheid van zijn 100-jarig bestaan, 183-215. Van prullen en krullen Het is geruststellend te constateren dat collega's aandacht aan bepaalde zaken besteden, eenvoudig omdat het Archeologisch Informatie Centrum iets publieks deed, sprak of schreef. Minder deugd doet het te vernemen dat men het er niet mee eens was en daarom eens breed gaat zitten om onjuistheden recht te zetten en ernstige bezorgdheden te uiten. Dat was het geval met de aandacht die het AIC in mei van dit jaar besteedde aan Joost Vermeulens gidsje Wandelen in archeologisch Nederland, welke aandacht de recensent van Westerheem in het verkeerde keelgat schoot. Het boekje is in zijn ogen een prul, dat het positieve oordeel van het AIC niet waard is. Erger nog, het feit dat wij „een redelijk lovende recensie" plaatsten zonder er blijk van te geven de zaak werkelijk gelezen te hebben, is „een bedenkelijke ontwikkeling, die om een scherpe reactie vraagt". Daar wil ik graag op ingaan, hoewel het niet onze gewoonte is in gespecialiseerde tijdschriften polemieken te voeren. Allereerst schrijven wij geen recensies, maar doen wij signaleringen. Het AIC constateert dat er iets is, op voorwaarde dat het aardig is, want voor zuurpruimerij hebben we geen tijd. Als er een vlekje aan zit, willen we dat nog wel eens noemen, maar niet dan nadat het feit zelf van het nieuwtje is gemeld. Dat geldt met name voor terreinen waarin de archeologie
ontbreekt of onderbelicht is. Ik heb het dan bij voorkeur over radio, tv, reis- en toeristenwereld, algemene uitgeverijen, kortom overal waar met het grote publiek gecommuniceerd wordt. Dat is precies de doelgroep waarvoor het AIC werkt. De AIC-Nieuwsbrief, zo staat ook in het colofon, is in de eerste plaats bedoeld voor persredacties en politiek/bestuur. Die kunnen hun eigen oordeel wel vellen, dachten wij. Gespecialiseerde kritiek is daarom in onze signaleringen niet op haar plaats. Overigens hebben we juist bij het boek van Vermeulen uitzonderingsgewijs wel een kritische noot in het Nieuwsbriefartikeltje laten doorklinken. Dat gebeurde niet vanuit een inhoudelijk archeologisch standpunt (als we dat zouden doen, zou het weer een vakrecensie worden), maar vanuit de beoogde gebruiker van Vermeulens gidsje. Wat voor waar krijgt die voor zijn of haar geld: volledigheid, bruikbaarheid, wordt de pretentie van de achterflap wel waargemaakt? Dat het gewraakte boekje niet voor archeologen geschreven is, en daarom niet alleen met hun maatstaven gemeten mag worden, staat bij ons voorop. En dat het inmiddels tamelijk succesvol is, zal de Westerheem-xe.ce.nse.rA een gruwel mogen zijn, voor ons is het goed nieuws, zelfs met de zwakke kanten die het wandelboekje ontegenzeggelijk heeft. Beter een half bericht dan geen bericht! Ook hechten wij eraan duidelijk te maken dat het AIC weliswaar namens de archeologische wereld werkt, maar zich er daarom niet mee hoeft te vereenzelvigen. Wij stellen ons op het standpunt van de voorlichter, en brengen gevraagd en ongevraagd al wat de archeologie aan aardigs voortbrengt, of lijkt voort te brengen, onder de aandacht van een groter publiek. Daarvoor is het een eerste vereiste dat in de taal van dat publiek wordt gepraat en geschreven, overigens zonder infantiel te worden, laat dat duidelijk zijn. Dat proberen we in de AIC-Nieuwsbrief, in onze Informatie Cahiers, in de Archeologische Almanak, en in de rubrieken die we vullen in Spiegel Historiael, Bulletin KNOB, Scarabee en andere tijdschriften. Het is altijd hartverwarmend daar eens iets op terug te horen uit „het veld", hoe zuunig ook: het is gezien. Archeologisch Informatie Centrum Riemer Knoop
281
Oproep: een Romeinse tol? In 1985 werd door F. Landzaat van onze Stichting Archeologie en Historie Schalkwijk de volgende oppervlaktevondst gedaan op een perceel landbouwgrond achter de dijk van de Lek in Schalkwijk (gemeente Houten, provincie
Utrecht): een ijzeren voorwerp van 1,15 kg in de vorm van een tol. Omgerekend naar Romeinse maten is dit gewicht ongeveer 3'A libra, ofwel 42 unciae, ofwel 3 libra + 1 gems. Het voorwerp is aangetast door roestvorming; het soortelijk gewicht is 7,4; de hoogte is ca. 7 cm en de diameter ca. l'/i cm. Op en in dit perceel zijn veel voorwerpen aangetroffen van inheems-Romeinse afkomst en bewoning, van een middeleeuwse nederzetting was in dit gebied geen sprake. Een tol zal het zeker niet zijn, gezien het forse gewicht en de Romeinse afkomst is natuurlijk (nog) niet met zekerheid vast te stellen. Wat is het dan wel? (Gewicht of slingerkogel?) Diverse naspeuringen hebben de oplossing nog niet gebracht. In verband met onze naderende expositie „De Romeinen in Schalkwijk", eind januari 1995, zouden wij graag zekerheid hebben over dit voorwerp. Wie kan ons helpen? Gaarne reacties naar: Dick Roetman Valkenkamp 6 3607 LA Maarssen tel. 03465-65677
Literatuurbespreking W. Munsters. Cultuurtoerisme. Leuven/Apeldoorn, Uitgeverij Garant, 1994. 176 pp. ISBN 90-53502823. Prijs ƒ 36,-. Een boek over cultuurtoerisme lijkt een vreemde eend in de bijt van deze rubriek. Toch is het de moeite waard voor de (amateur-)archeoloog om eens kennis te maken met deze discipline. De laatste jaren, zo leert de ervaring, is er steeds meer belangstelling voor de maatschappelijke kanten van de archeologie, en dan met name de commerciële aspecten van het vak, ooit wel „archeonomie" genoemd. De archeonoom ziet archeologie als „produkt", dat in plaats van alleen maar gemeenschapsgeld te kosten, geldstromen genereert, die dan weer ten goede komen aan de wetenschap. Een voor de hand liggende manier om dat produkt te verkopen, is langs toeristische weg. Archeologische musea, een themapark als ARCHEON, een be-
282
zoekerscentrum als het Nationaal Hunebedden Informatiecentrum in Borger, maar ook de vrij in het veld liggende archeologische monumenten, gereconstrueerde versies daarvan en opgravingen lenen zich voor toeristisch bezoek of zijn daar expliciet voor bedoeld. Dat geldt ook voor de archeologische routes, die speciaal voor toeristisch gebruik zijn ontwikkeld. Zulk bezoek is te beschouwen als cultuurhistorisch toerisme en wie archeonomisch denkt, zal trachten dat toerisme te bevorderen om op die manier fondsen en goodwill te kweken. Anderzijds wordt er vanuit de overheid en de toeristisch-recreatieve wereld steeds vaker gevraagd om het archeologisch erfgoed bezoekbaar en beleefbaar te maken, zodat er sprake is van zowel vraag als aanbod. Om ons produkt goed in de markt te zetten, is enige basiskennis van de materie vereist en dat verschaft het hier besproken boek Cultuurtoerisme.
De auteur, Wil Munsters, is onder andere coördinator van de afstudeerrichting Toeristisch Management aan de Hoge Hotelschool in Maastricht. Zijn boek is bedoeld als „handboek voor al degenen die te maken hebben met toerisme en cultuur vanuit hun dagelijkse bezigheden als wetenschapper (....) of als beleidsmedewerker bij de overheid" (dat kunnen dus heel goed archeologen zijn) en belicht het cultuurtoerisme „in al zijn facetten". Daarbij komt ook de archeologie verscheidene malen aan bod. Dat begint al in de inleiding, waar enkele definities worden geformuleerd. Tot onze verrassing beschouwt Munsters archeologische vindplaatsen niet zozeer als objecten van cultuurhistorisch toerisme als wel van kunsttoerisme; in hoofdstuk 1 worden urnenvelden, hunebedden, het Thermenmuseum, maar ook ARCHEON tot het artistieke erfgoed gerekend. Hoewel niet al onze bodemvondsten lelijk en bruin zijn, zullen toch weinigen er veel artistieks in zien. Wat valt er dan onder het cultuurhistorisch erfgoed? Monumenten en musea, zeker, maar ook de Groninger koolzaadroute, de Oostvlaamse jeneverroute en oude Vlaamse volksspelen als pierbol en schuiftafel. Nu kan je regionale gastronomie en sport en spel nog als cultuurhistorie zien, maar of het Volk van Laaf en het Land van Ooit beschouwd moeten worden als directe opvolgers van oude inheemse sprookjes en riddersages, vraag ik me toch af. Mogelijk amusant en zeker commercieel, maar uitingen van cultuurhistorie? Zo wil ik ook best geloven dat de kerstmarkt op het Leidseplein „een belangrijke stimulans voor het dag- en winkeltoerisme in het laagseizoen" vormt, maar als „vermenging van heidense en christelijke symboliek" wordt het toch niet echt beleefd. Verderop in hoofdstuk 1 wordt ARCHEON genoemd, zoals gezegd onder de paragraaf „Toerisme en het artistieke erfgoed". Daar hoort het zeker niet thuis, maar het valt zelfs te bezien of een themapark als ARCHEON, hoe wetenschappelijk ook gefundeerd, wel als cultuurhistorisch element is te beschouwen. Je zou kunnen zeggen dat het park in een cultuurhistorisch kader past. Overigens wordt het park hier slordig behandeld; er is geen „Middeleeuws dorp bij Assendelft" gereconstrueerd en er is geen sprake van een onderverdeling in „drie landschapstypen". Hoofdstukken 2 en 3, De Cultuurtoerist en Cultuur als toeristisch produkt, geven de archeonoom wat meer inzicht in de markt waarin hij zich wenst te begeven. Over de cultuurtoeristen wordt duidelijk dat de beter opgeleide vijftigplussers een groot percentage vormen van de totale doelgroep. Dat zal niemand verbazen, maar
het is desondanks nuttig om wat (globale) cijfers te zien over onze collectieve vrijetijdsbesteding, de ontwikkeling van het bezoek aan musea en monumentendagen en dergelijke. Daar de naoorlogse generatie de vijftig nadert, relatief hoog is opgeleid en nogal wat geld en vrije tijd te besteden heeft, gaat het cultuurtoerisme een zonnige toekomst tegemoet. Door welke mechanismen de verschillende cultuurtoeristische produkten worden aangeboden, leert ons hoofdstuk 3. Hier wordt de lezer ingevoerd in het jargon van de sector. We leren niet alleen gebruikelijke marketingtermen en hun afkortingen kennen, zoals u.s.p.'s, PMC's en de Vijf P's, maar ook vreselijke frases als het fysiek produkt, de herprofilering van het toeristisch produkt Nederland, de differentiëring van het produkt Delft, de valorisatie van het Vlaamse erfgoed en het promotioneel hanteerbaar maken van het aanbod. Gebruik makend van die terminologie, heeft men een woud aan projectbureaus, pilots, plannen, themajaren en routes georganiseerd, allemaal om het de cultuurtoerist makkelijk en/of naar de zin te maken. Zo is er het themajaar Nederland Bloemenland, de KLM Toerisme Trofee, de Europalia, de Culturele Hoofdstad van Europa, het Masterplan Cultuurhistorisch Toerisme, het Europees Jaar van het Toerisme, de Eerste Europese Culturele Route en nog veel meer initiatieven op nationaal en internationaal gebied. Gebakken lucht? Vast niet alles. Als ik me echter beperk tot wat in dit kader de (Nederlandse) archeologie aangaat, zie ik alleen dat het thema „Romeinen in Nederland" zich volgens zo'n Masterplan leent voor dramatisering „rond sites en monumenten in steden als Maastricht, Heerlen, Nijmegen en Voorburg" (lees: ter plekke veel gereconstrueerde legionairs laten rondmarcheren) en dat met subsidie van de Europese Commissie twee informatieve kaarten zijn uitgebracht langs het vroegere Romeinse wegennet door West- en Zuid-Europa. Het erbarmelijke niveau van deze kaarten is in Westerheem 3 van dit jaar afdoende behandeld („Via dolorosa"). Als dit het eindresultaat is van alle prestigieuze schrijfsels en plansels, heeft de archeonoom nog een mooie taak te verrichten bij het kwalitatief opwaarderen van het archeotoeristisch produkt (mijn formulering). Ik wil niet graag de indruk wekken de auteur van Cultuurtoerisme te straffen als boodschapper van het slechte nieuws. Na alle beschreven voorbeelden geeft hij in hoofdstuk 4, Toerisme als kans en als bedreiging voor de cultuur, een afgewogen analyse van voor- en nadelen van het cultuurtoerisme. Wat de nadelen betreft, geeft hij duidelijk weer dat al het gedramatiseer, de toeris-
283
tisch geëntameerde nep-folklore en de als dure vreettent ingerichte kastelen in de plaats dreigen te komen van de authentieke monumenten en ervaringen waar de cultuurtoerist in eerste instantie op af komt. Hij haalt talrijke voorbeelden aan van het uitleveren van historische steden aan horeca en projectontwikkeling en van reële aantasting van monumenten door de massale toeristische druk; hier worden ook onze hunebedden genoemd, die ondanks verboden, voorlichting en waarschuwingen nog steeds beklommen worden door ongetwijfeld welwillende „cultuurtoeristen". Munsters is duidelijk in zijn stellingname: „Cultuur is een te kwetsbaar goed voor massatoerisme. Bij de ontwikkeling van cultuurtoerisme dient kwaliteit voor kwantiteit te gaan ( ). Cultuur en toerisme kunnen elkaar aanvullen en versterken indien ze op harmonieuze wijze worden verbonden. Dan is een evenwichtige en natuurlijke ontwikkeling gewaarborgd en zal cultuurtoerisme nimmer ontaarden in cultuurterrorisme". Persoonlijk denk ik niet dat het Nederlands archeologisch erfgoed snel zal bezwijken onder massale toeristische druk; we mogen blij zijn als er wat meer mensen komen kijken. Om allerlei redenen - commerciële, maar zeker ook ideële doen we er goed aan om dat bezoek te stimuleren. Dat is, gezien het onopvallende karakter van onze archeologica en de noodzaak van goed beheer, geen gemakkelijke taak. Voor de archeoloog of archeonoom die zich daarvoor wil inzetten, is het boek van Munsters een nuttige kennismaking met de wondere wereld van het cultuurtoerisme. E. J. van Ginkel
Grafheuvel uit de Vroege Ijzertijd. Ontleend aan „ De Acht Zaligheden ".
kende er talloze en wist ze smakelijk te brengen. Van 1948 tot 1951 onderzocht hij tussen Toterfout en Halvemijl in de Noordbrabantse Kempen een groot aantal grafheuvels. Bij de interpretatie ervan maakte hij gretig gebruik van de vele volksverhalen die in deze streek in omloop zijn. Hieraan moest ik denken toen ik de deeltjes 5 en 6 uit de reeks Archeologische routes in Nederland doorlas. Men heeft kennelijk een nieuwe formule uitgewerkt. Met een volksverhaal (resp. „Te Halvermiele was 't avondspiele" en: „De
T. Holleman. De Acht Zaligheden; op zoek naar de geschiedenis in het landschap; fietsroute. Amersfoort, ROB, 1994. 39 pp. (Archeologische routes in Nederland 5). T. Holleman. Ede-Renkum; op zoek naar de geschiedenis in het landschap; fietsroute. Amersfoort, ROB, 1994. 36 pp. (Archeologische routes in Nederland 6). Beide deeltjes kosten ƒ 6,- en zijn verkrijgbaar bij de plaatselijke boekhandel en VVV. De boekjes kunnen thuis worden ontvangen door ƒ 9,(ƒ 6,- en ƒ 3,- verzendkosten) over te maken op girorekening 47.92.702 t.n.v. de Joan Willems Stichting te Amersfoort. Hoe ver in de tijd kan een overlevering teruggaan? Wijlen prof. W. Glasbergen besteedde in zijn colleges aan deze vraag en de beantwoording ervan veel aandacht. Overleveringen vinden veelal hun neerslag in volksverhalen. Glasbergen 284
Opgravingsplattegrond van het urnenveld De Heibloem. Ontleend aan „De Acht Zaligheden".
dat begin verwijderd zijn. Enige uniformiteit ware, zeker in dit opzicht, na te streven. Dat lijkt me overigens meer een probleem voor de redactie dan voor de individuele auteurs. Theo Holleman, de auteur van de twee voor ons liggende deeltjes, heeft in ieder geval goed werk geleverd: levendig verteld en uitvoerig gedocumenteerd. En bij de routebeschrijvingen is er gelukkig niet alleen sprake van: linksaf, rechtsaf, rechtdoor P. Stuurman
Mesolithische schrobbers en pijlpunten. Ontleend aan „De Acht Zaligheden". juffer van Kwoadenoord") zet men de toon, die wat informeler is dan in de voorgaande deeltjes. In de routebeschrijvingen komen niet alleen archeologische, maar ook andere cultuurhistorische elementen in het landschap ruimschoots aan bod. Een probleem vormen de inleidingen. En naarmate het aantal deeltjes toeneemt, wordt dat probleem alleen maar groter. Ook nu weer bewonder ik de manier waarop - in dit geval door auteur Holleman - met andere woorden hetzelfde wordt gezegd. Maar bij Van Ginkel en Carmiggelt, verantwoordelijk voor de inleidingen tot de deeltjes 3 en 4, begint het Weichselien 120.000 v.Chr., terwijl we bij Holleman dan nog 60.000 jaar van
Vroege klokbeker, getekend door H. J. Bellen in 1927. Ontleend aan „Ede-Renkum".
T. de Ridder (tekst) en Ch. de Mooij (samenstelling en red..) Bataven: boeren en bondgenoten. De Maaskant in de Romeinse tijd. 's-Hertogenbosch, Noordbrabants Museum, 1994. 32 pp. ISBN 90-71349101. Prijs ƒ 18,50. A. M. Gerhartl, A. Koster en L. J. F. Swinkels (samenstelling). Romeinen in het rivierengebied. Nijmegen, Provinciaal Museum G. M. Kam, 1994. 27 pp. ISBN 90-71923185. Prijs ƒ 10,-. De hier te bespreken publikaties zijn beide uitgaven van een (provinciaal) museum en handelen over de Romeinse tijd in een bepaalde streek; respectievelijk de Noordbrabantse Maaskant en het rivierengebied rond Nijmegen. Terwijl het Noordbrabantse boekje verscheen ter gelegenheid van een tentoonstelling, dient het Nijmeegse exemplaar als begeleidend boekje bij de vaste opstelling. In Noord-Brabant bestaat al sinds lange tijd grote interesse voor de Romeinse tijd. Op basis van drie min of meer recente archeologische onderzoeken (Empel, Cuijk en Oss) is dit voorjaar in het Noordbrabants Museum een tentoonstelling ingericht over de Romeinen in de Maaskant. „Bataven: boeren en bondgenoten" gaf een beeld van de „Bataafse" samenleving en van de contacten tussen de Romeinen en de inheemse bewoners van het gebied net ten zuiden van de Maas. Het bij de opening gepresenteerde gelijknamige boekje is zeker meer dan alleen een tentoonstellingsgids. In de tekst wordt het verhaal over de Romeinse en inheemse Maaskant-bewoners van het begin tot het eind verteld, deels aan de hand van een aantal thema's (o.a. Handel en verkeer, Begraven in de Maaskant). De tempel van Empel, de Cuijkse brug over de Maas en de nederzettingen en graven uit Oss komen daarbij ook aan de orde, maar vormen niet de „kapstok", zoals dat in de tentoonstelling het geval was. Het boekje was dan ook niet bedoeld om mee door de tentoonstelling te lopen, maar is eerder een verder uitgediept verhaal voor de meer geïnteresseerde bezoeker.
285
De opzet en de stijl van het geschrevene zijn helder en prettig leesbaar, de geboden informatie uitgebreid, maar niet nodeloos ingewikkeld. Er is duidelijk geprobeerd een balans te vinden tussen archeologisch/wetenschappelijk juist en publieksvriendelijk. Dit is de schrijver goed gelukt, al valt er voor de archeoloog natuurlijk wel wat te zeuren (Bataafse adel als priester, gezamenlijke graanopslag). Dat betreft echter voornamelijk zaken die zeer waarschijnlijk zijn, maar die we archeologisch niet kunnen bewijzen. Het soms achterwege laten van die onzekerheid komt de leesbaarheid van dit boekje ongetwijfeld ten goede. De wat beladen term „Bataven" (hun aanwezigheid is vaak moeilijk aantoonbaar) is echter zeer correct gebruikt en toegelicht. Dat het een mooi uitgegeven publikatie is, met veel (kleuren)foto's en tekeningen, doet niet af aan het feit dat de prijs wellicht wat hoog is voor de gemiddelde museumbezoeker. Jammer, voor een boekje dat zich juist op het bredere publiek richt. Het ruim 70 jaar oude museum G. M. Kam te Nijmegen is sinds 1987 ook het provinciaal museum van Gelderland. In de vaste opstelling staan de talrijke Romeinse vondsten uit Nijmegen en omgeving centraal en daarover handelt het zojuist uitgekomen museumgidsje. Na een korte inleiding over het museum, de heer Kam en het gebouw volgt wederom een thematische indeling (o.a. Stad en platteland, Dood en begraving). De teksten zijn kort en eenvoudig gesteld, waarbij de nieuwsgierigheid van de lezer wordt gewekt door de afgebeelde voorwerpen. Dat zijn overigens schitterende foto's, die samen met de tekst tot een bijzonder mooi geheel zijn vormgegeven. Door de uitgebreide bijschriften bij de figuren doet het geheel aan als een tentoonstelling op papier. In die zin overlapt het boekje overigens niet met de vaste opstelling: hoewel de meeste afgebeelde voorwerpen ook in het museum te zien zijn, is de thematische indeling daar heel anders. Al met al een zeer fraai vormgegeven, informatief boekje, dat ook voor niet-archeologen en kinderen geschikt is. De prijs vormt daarbij geen belemmering. Beide boekjes bieden globaal dezelfde informatie voor wie kennis wil maken met de Romeinse tijd in Nederland. Het Nijmeegse gidsje is beknopter, maar voor iedereen toegankelijk. Het verhaal over de Romeinen in de Maaskant is uitgebreider en daardoor meer gericht op diegenen die al in archeologie/Romeinse tijd zijn geïnteresseerd. Dieke Wesselingh
286
Stadsarcheologische publikaties 1993-1994 R. Borman. Arnhem onder de grond. Bewoningsgeschiedenis van stad en omgeving. Utrecht, 1993. 87 blz. ISBN 90-53450335. Prijs ƒ 24,95. M. J. A. de Haan. Herberg de Zwaan. Een historisch en archeologisch onderzoek. HardinxveldGiessendam, 1993. 116 blz. ISBN 90-70960346. Prijs ƒ 35,-. W. A. van Ham, C. D. Vanwesenbeeck en M. J. A. Vermunt (red.). Te gast bij Sint-Maarten. Opgravingen bij het Sint-Maartensgasthuis te Bergen op Zoom. Bergen op Zoom, 1993. 62 blz. ISBN 90-74969011. Prijs ƒ 17,50. H. Th. M. Roosenboom, G. van den Eynde en B. D. W. M. Kooien (red.). Het huis „De Valk" (Helmonds Historisch Jaarboek 13). Helmond, 1993. ISBN 90-74012035. Prijs ƒ 35,-. H. Sprokholt e.a. (red.). Een kijkje in de Keizerstraat. Jaarboek 1994 van de archeologische vereniging Golda. Gouda, 1994. 195 blz. ISBN 90-51664109. Prijs ƒ 30,-. R. M. van Heeringen e.a. (red.). Geld uit de belt. Vlissingen, 1993. 104 blz. ISBN 90-72838092. Prijs/19,95. De publikatie Arnhem onder de grond is bedoeld om een overzicht te geven van de bewoningsgeschiedenis van Arnhem en omgeving. Om het een alomvattend overzicht te noemen, zoals de achterflap vermeldt, waarin alle aspecten van de regionale archeologie aan de orde komen, lijkt mij overdreven. Borman vertelt eerder een geschiedverhaal, waarbij vondsten uit Arnhem of omgeving ter illustratie dienen. De doelgroep is ongetwijfeld de geïnteresseerde leek, gezien de schrijfstijl en de uitleg die gegeven wordt. Soms gebeurt dit wat onevenwichtig en krijgt de lezer zonder voorbereiding te maken met: interglacialen, Levallois-techniek en Pingsdorfaardewerk. Een apart hoofdstuk wordt gewijd aan de geschiedenis van het zoeken en verzamelen van archeologica in Arnhem en omstreken. De auteur sluit daarin af met een pleidooi voor de aanstelling van een gemeentelijk archeoloog. Arnhem onder de grond is een rijk geïllustreerde uitgave, waarin in relatief weinig pagina's (te) veel verteld wordt, namelijk het verhaal van de eerste bewoners tot aan het 18e-eeuwse Arnhem. Daardoor zijn sommige zaken wat ongenuanceerd of foutief. Bijvoorbeeld de vermelding dat er in Europa al één miljoen jaar mensen wonen, dat er consequent gesproken wordt over schavers (vuurstenen werktuigtype) i.p.v. schaven en dat in een evocerend verhaal de zonen van een overleden Standvoet-bekerman zojuist eerst een grafheuvel hadden opgeworpen en pas daarna hun vader erin begroeven. Ook de bibliografie is nogal structuurloos. Voor wie is die bedoeld en wat
wil de auteur ermee? Waarom staat bijvoorbeeld Byvancks Nederland in den Romeinschen tijd (1943) wel vermeld, maar het meer recente werk van W. A. van Es niet? En wat doet de dissertatie van Stapert in deze literatuurlijst? Een andere publikatie, die vooral geschreven is voor diegenen met interesse in de lokale geschiedenis, is Herberg de Zwaan. In deze schitterend uitgevoerde uitgave van de Historische Vereniging van Hardinxveld-Giessendam wordt aan de hand van archeologische en historische gegevens de bewonings- en bouwgeschiedenis van een beeldbepalend gebouw in de Giessendamse dorpskern behandeld: het voormalig hotel „De Zwaan". Het onderzoek maakte duidelijk dat het gebouw oorspronkelijk een herberg is geweest en dateert uit het begin van de 17e eeuw. Niet alleen funderingen kwamen tijdens het onderzoek aan het licht, maar er werden ook beerputten aangetroffen, die verscheidene vondsten uit de 17e t/m de 19e eeuw bevatten. De auteur, Arnold de Haan, bestuurslid van de genoemde vereniging en veldtechnicus bij de ROB, weet op onderhoudende wijze de onderzoeksresultaten te bespreken. Ook in Te gast bij Sint-Maarten staat het archeologisch en historisch onderzoek van één gebouw centraal, te weten het in 1770 afgebroken SintMaartensgasthuis te Bergen op Zoom. Dit oudste volledig stenen gasthuis had in de 13e en 14e eeuw de vorm van een zaalkerk: een tweeledige ruimte, bestaande uit een kapel en een langgerekte zaal. Een dergelijke indeling van het gebouw treffen we bij meer gasthuizen aan: de mensen konden vanuit hun bed aan de mis deelnemen. In de publikatie worden de aangetroffen sporen van het gasthuis, de talrijke verbouwingen en de ondergrond nauwkeurig beschreven. Een apart hoofdstuk doet verslag van het onderzoek van skeletten, die in en rond het gasthuis werden aangetroffen. Een meerwaarde verkrijgt de publikatie doordat het onderzochte gasthuis wordt vergeleken met andere gelijksoortige gebouwen. De vormgeving van het boekje is weinig origineel en komt grotendeels overeen met een eerder in 1993 uitgegeven publikatie door de gemeente Breda'. Ook in het Helmonds Historisch Jaarboek (no. 13) staat het onderzoek van één gebouw centraal: het huis „De Valk". Dit pand werd voorafgaande aan de sloop archeologisch en bouwhistorisch onderzocht, waarvan P. Bitter en T. Hermans verslag doen. De bouwgeschiedenis kon worden gereconstrueerd, hoewel veel zaken desalniettemin onduidelijk blijven. De oudste middeleeuwse bewoningssporen op het terrein van De Valk maken deel uit van een nederzetting, waaruit later de stad Helmond zou ontstaan. „De Valk" moet een van de oudste stenen huizen
van Helmond zijn geweest. Vandaar misschien ook dat mederedacteur H. Th. M. Roosenboom een hoofdstuk in het jaarboek wijdt aan het ontstaan van Helmond, waarbij hij zich vooral baseert op de ideeën van J. H. van Hooydonk. De andere redacteur, G. van den Eynde, relativeert en bekritiseert in een eigen bijdrage deze ideeën op zijn beurt weer en stelt de onderzoeksresultaten van het huis De Valk in een wat breder kader van versteningsproces en het daarmee samenhangende prestige-element. N. Arts en T. Huijbers behandelen ten slotte de inhoud van een 16eeeuwse afvalkuil van het erf van De Valk. In het jaarboek is ook de (eerste) archeologische kroniek (1992) van Helmond opgenomen en een nuttige bibliografie van literatuur m.b.t. de archeologie van deze gemeente. In een andere gemeente, namelijk Gouda, wordt ook flink aan de weg getimmerd. De actieve archeologische vereniging ter plaatse, „Golda" genaamd, voert in nauwe samenwerking met de gemeente Gouda opgravingen in de stad uit. Van één zo'n opgraving wordt verslag gedaan in Een kijkje in de Keizerstraat. Het betreft de opgraving van een laat-middeleeuws woonhuis, dat in de loop der tijd talrijke verbouwingen heeft gekend. Men concludeert dat er nog maar weinig bekend is van Goudse stadshuizen. Opmerkelijk is dat de opgraving in 1993 plaatsvond en dat een jaar later dit degelijke boekwerk al kon verschijnen. Een prestatie! Niet alleen de aangetroffen funderingen en vondsten worden hierin behandeld, maar ook wordt uitgebreid ingegaan op de bewoningsgeschiedenis van de Keizerstraat vanaf de late middeleeuwen tot heden. Naar aanleiding van de bouw van een parkeerkelder onder het belastingkantoor aan de Kousteensedijk te Middelburg vond hier in 1992 archeologisch onderzoek plaats. Het verloop van de 14e-eeuwse stadsmuur kon worden opgetekend, evenals een aantal hieraan voorafgaande veenwinputten. Verder werd een kade met een aangrenzende laagte aangetroffen, die in het derde kwart van de 16e eeuw opgevuld werd met straatvuil. Vooral de vondsten van deze vuilnisbelt staan centraal in Geld uit de belt. Naast leeren aardewerkvondsten, die beknopt beschreven worden, wordt vooral uitgebreid ingegaan op de talrijke metalen voorwerpen en munten die bij het onderzoek werden teruggevonden. Met uitzondering van Arnhem onder de grond hebben de besproken publikaties min of meer eenzelfde opzet. Na een verslag van de opgraving en een historisch exposé over de bewoningsgeschiedenis van een gebouw of deel van de stad wordt in meer of mindere mate ingegaan op de verschillende vondstgroepen. Daarmee is er ook sprake van twee verschillende lezersgroe-
287
pen, namelijk diegenen die vooral in lokale geschiedenis geïnteresseerd zijn en de (amateurarcheologen in den lande, die vooral de voorwerp-beschrijvingen kunnen benutten als vergelijkingsmateriaal voor eigen vondsten. Voor de geïnteresseerde leek, waarop veelal door de auteurs ook gemikt wordt (er wordt bijvoorbeeld uitgelegd wat archeologie is), blijven dergelijke publikaties, vanwege de mate van detail (te denken valt aan de behandeling van al die baksteen-
formaten), doorgaans minder geschikt. Een opzet zoals Arnhem onder de grond leent zich in dit opzicht waarschijnlijk beter voor de bediening van deze doelgroep. Arnold Carmiggelt Noot 1 Carmiggelt, A., en G. van den Eynde, 1993. Een 17e-eeuwse tabakspijpenoven in Breda. Breda.
Literatuursignalement Archaeological Dialogues. Dutch Perspectives on Current Issues in Archaeology, vol. 1, nr. 1 January 1994 en nr. 2 August 1994. Assen, Van Gorcum. Prijs per vol. ƒ 70,- (ƒ 40,- voor studenten, ƒ 100,- voor instellingen). Deze jongste loot aan de boom van in Nederland verschijnende archeologische tijdschriften vormt bepaald geen bedreiging voor Westerheem. Ook een ruilabonnement met ons tijdschrift bleek niet mogelijk. Het is voer voor specialisten en wel degenen die een theoretische, interdisciplinair getinte benadering van de archeologie als wetenschap hoog in het vaandel voeren. Processuele archeologie, contextuele archeologie, structuralisme en marxisme buitelen over elkaar heen. In elke aflevering staat een discussiestuk centraal. In afl. 1 is dat „Recent developments in Dutch archaeology. A scientific-historical outline" door Jan Slofstra, in afl. 2 „Tradition and change. Burial practices in the Late Neolithic and Bronze Age in the north-eastern Netherlands", door Eric Lohof. Op beide bijdragen wordt door een keur van Nederlandse en buitenlandse archeologen van naam geopponeerd. Slofstra wordt becommentariseerd door H. Harke, I. Hodder, L. P. Louwe Kooijmans en H. C. D. G. de Regt, terwijl Lohof de pennen c.q. tekstverwerkers van E. Drenth, M. L. Stig S0rensen, S. Shennan en J. Thomas in beweging heeft gebracht. In afl. 1 valt verder een in dialoogvorm gegoten gesprek met de Engelse archeoloog Michael Shanks op, terwijl in afl. 2 twee reacties op de discussie rond de bijdrage van Slofstra in afl. 1 zijn opgenomen: van S. E. van der Leeuw en van Slofstra zelf. Voor de liefhebbers! Spiegel Historiael 29, 1994, 9, pp. 342-344: F. Anzion. Een uitstekend rapport. In april jl. verscheen een in opdracht van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) samengesteld rapport: Ar-
288
chaeological and Historical Research in Dutch Universities 1988-1992. Quality assessment of research. Een internationaal samengestelde onderzoekscommissie, onder leiding van prof. E. H. Kossmann, geeft daarin een beoordeling van de researchprogramma's van alle Nederlandse universiteiten. De archeologie komt, in tegenstelling tot de beleidsmakers van WVC, als „zeer goed" uit de bus. Bericht der Römisch-Germanischen Kommission, Bd. 74, 1993: Na al het getheoretiseer over archeologie als wetenschap komt deze 869 pagina's tellende, wetenschappelijk hoogwaardige turf als een verademing. Ook voer voor specialisten, dat wel. Maar het gaat om andersoortige specialisaties, die ook voor beroeps- en amateur-archeologen in Nederland de moeite waard zijn. Ik maak een keus: D. Schafer. Grundzüge der technologischen Entwicklung und Klassifikation vor-jungpalaolithischer Steinartefakte in Mitteleuropa (pp. 49193). H. Nortmann. Die Westflanke des Rheinischen Gebirges bis zum Einsetzen der „Fürstengraber" (pp. 199-258). A. Jockenhövel. Altere Eisenzeit an der Ostflanke des Rheinischen Schiefergebirges und lokale Eisengewinnung: ArchSometallurgische Untersuchungen zu einer Hypothese (pp. 259-283). M. Euskirchen. Epona (pp. 607-838). Vitrine!, 1994, 6, pp. 12-15: Th. Toebosch. Het raadsel van de dodecaëder. Gallo-Romeins Museum Tongeren in nieuwe behuizing. Het raadsel van de dodecaëder heb ik in Westerheem afl. 4 (p. 194) gesignaleerd. Op deze plaats aandacht voor de nieuwbouw van het Gallo-Romeinse museum. Zowel uit- als inwendig is de vormgeving opvallend. Men heeft de fantasie
van een aantal kunstenaars de vrije loop gelaten. Op die originele manier wordt een bijzonder verhaal over het verleden van Tongeren verteld. Scarabee nr. 12, oktober 1994: Bevat zeer veel buitenland. Dat geeft een variatie van heel dichtbij (de St.-Laurentiuskerk te Ename bij Oudenaarde) tot heel ver weg (de ruïnes van Zimbabwe). Daar tussenin Engeland (de onzekere toekomst van Stonehenge, op weg naar de 21e eeuw), Italië (Romeinse latrines), Libanon (op zoek onder het puin van Beiroet) en Egypte (de garderobe van Toetanchamon). De bijdrage van Cor van de Poel over het Musée de la Civilisation gallo-romaine in Lyon is terecht een eerbetoon aan een bijzonder, want „onzichtbaar" museum. Maar men kijkt vanuit het museum niet op het amphitheater, maar op het theater. De schaarse resten van het amphitheater vindt men elders in Lyon. Een gepast stilzwijgen is op z'n plaats bij de identificatie van Lugdunum Batavorum met Leiden. En over de kwaliteit van de foto die een indruk moet geven van de prachtige belichting in het museum zullen we het verder maar niet hebben. Dat had de vormgever niet mogen laten passeren. Ons eigen land is magertjes vertegenwoordigd met een bijdrage over het wel en wee van de Archeologische Monumentenwacht Nederland: Dweilen met de kraan open. Taeke Stol. Wassend water, dalend land. Geschiedenis van Nederland en het water. Utrecht/Antwerpen, Kosmos, 1993. 168 pp. (Kosmos Historisch). Prijs ƒ 24,90. In dezelfde serie waarin het aardige boek van Saskia van Dockum en Evert van Ginkel over Romeins Nederland eind vorig jaar werd uitgebracht, verscheen gelijktijdig een vlot leesbare studie over Nederland, de bewoners en de strijd tegen het water. In veertien korte hoofdstukken beschrijft de sociaal-geograaf Stol de opeenvolgende fasen van deze strijd. Voor de archeologisch geïnteresseerde lezer zijn vooral de hoofdstukken 1 t/m 8 interessant: het opwerpen en bewonen van terpen; de ontginning van de venen; dijken, dammen, polders en waterschappen; molenbemaling; offensieve bedijkingen; verveningen; droogmakerijen; de grote rivieren. Wat daar verder op volgt, is evenzeer de moeite waard, vooral voor de in industriële archeologie geïnteresseerde lezer. Beknopte, up-to-date literatuurlijst. De vormgeving is ook nu weer het zwakke punt: saai, met slecht gereproduceerde foto's. Jammer! Op deze plaats en op dit moment lijkt het me goed om te signaleren dat eind vorig jaar het eerste deel is verschenen in een reeks publikaties
over het grootschalig archeologisch onderzoek, dat van 1985 tot 1988 in Valkenburg ZH heeft plaatsgevonden: R. M. van Dierendonck, D. P. Hallewas, K. E. Waugh (eds.). The Valkenburg excavations 1985-1988. Introduction and Detail Studies. Amersfoort, ROB, 1993. 419 pp. (Nederlandse Oudheden 15; Valkenburg Project 1). De voor een breed publiek bestemde drie voortgangsrapportages, verschenen onder de titel: „Graven in Valkenburg" (dl. I in 1986, dl. II in 1987 en dl. III in 1990), heb ik destijds in Westerheem besproken. De wetenschappelijke uitwerking van de opgravingsresultaten verdient uiteraard een adequate bespreking. Het lijkt me beter daarmee te wachten totdat een aantal delen is verschenen, zodat een integrale benadering mogelijk is. Fibula 35, 1994, 3, pp. 26-29: E. Weber. Huis ter Kleef, drie jaar speuren naar muren. Sinds 1991 verricht de NJBG, onder deskundige bgeleiding van de Archeologische Werkgroep Haarlem, onderzoek naar de voorburcht van het Huis ter Kleef in Haarlem. In 1993 heeft een laatste campagne plaatsgevonden. Alhoewel de voorburcht niet geheel kon worden blootgelegd, kan hopelijk aan de hand van de verzamelde gegevens de bewoningsgeschiedenis en de plattegrond ervan vrij nauwkeurig worden gereconstrueerd. Holland 25, 1993, 6, pp. 283-369: Archeologische kroniek van Holland over 1992: I: P. J. Woltering en J. K. Hagers. Noord-Holland. II: W. A. M. Hessing. Zuid-Holland. Karolingische burg Oost-Souburg. Uitgave Gemeente Vlissingen. In dit fraai vormgegeven vouwblad geeft Evert van Ginkel in kort bestek veel informatie over deze gereconstrueerde burg (of burcht?). Nederlandse Archeologische Rapporten (NAR): 15. E. Drenth, W. A. M. Hessing en E. Knol (red.). Het tweede leven van onze doden. Amersfoort, 1993. 110 pp. Op 16 mei 1992 werd het 45-jarig bestaan van de ROB gevierd met een symposium over het grafritueel in de pre- en protohistorie van Nederland. Niet alleen archeologen, ook historici en kunsthistorici hielden bij die gelegenheid inleidingen over uiteenlopende aspecten van het grafritueel. Een opsomming van de bijdragen moge hiervan een indruk geven: E. Lohof. Grafritueel en sociale verandering. 289
E. Smits. Het fysisch-antropologisch onderzoek van het Romeinse grafveld te Valkenburg (ZH). W. A. J. Hessing. Ondeugende Bataven en verdwaalde Friezinnen?: enkele gedachten over de onverbrande menselijke resten uit de ijzertijd en Romeinse tijd in West- en Noord-Nederland. R. H. P. Proos. Grafkuilvolume als indicator van rijkdom en status in merovingische rijengrafvelden? W. Prummel. Paarden en honden uit vroeg-middeleeuwse grafvelden. E. Knol. De kerstening van Noord-Nederland in het grafritueel weerspiegeld? C. T. Waslander. Dekselse graven: Noordnederlandse grafsculptuur in de elfde en twaalfde eeuw. D. J. Faber. Van vóór tot voorbij het graf: het voorbeeld van Leiden omstreeks 1400 AD. De meest curieuze bijdrage heeft men, terecht, tot het laatst bewaard: H. L. Kok, conservator van het Nederlands Uitvaart Museum, biedt in „Dodenhuisjes en grafgiften in heden en verleden" een interessante kijk op hedendaagse vormen van grafritueel. 16. S. W. Jager. Odoorn, het landinrichtingsgebied „ Odoorn ": een archeologische kartering, inventarisatie en waardering. Amersfoort, 1993, 100 pp. Na Anloo-De Strubben (NAR 7) en Havelte (NAR 14) archeologisch te hebben geïnventariseerd, biedt regionaal archeoloog Jager nu een overzichtelijke introductie tot de geologische opbouw en bewoningsgeschiedenis van de in archeologisch opzicht bijzonder rijke omgeving van Odoorn. Een kaartbijlage biedt de mogelijkheid de in de tekst vermelde vindplaatsen terug te vinden. In de hoofdstukken 7 en 8 wordt nader ingegaan op het waarderen en selecteren van vindplaatsen. Omzien en rondblikken. 100 keer Nehalennia. De Werkgroep Historie en Archeologie en de Zeeuwsche Vereeniging voor Dialectonderzoek dragen de honderdste aflevering (herfst 1994) van Nehalennia op aan mederedacteur (en na 25 jaar nu ex-penningmeester) Bas Oele en zijn al evenzeer bij het wel en wee van het tijdschrift betrokken echtgenote, mevr. Koos Oele-Leijs. Bas Oele speelt in de Zeeuwse archeologiebeoefening een belangrijke rol. En zover ik me kan herinneren, heeft ROB-correspondent Oele bij de Correspondentenbijeenkomsten in Amersfoort zelden of nooit verstek laten gaan. Bij het omzien en rondblikken is de archeologie niet vergeten. Leida Goldschmitz blikt in haar bijdrage „De amateur-archeoloog" terug, maar ziet ook vooruit: „Van detective van het verleden naar voorvechter van het archeologisch erfgoed". Doeke
290
Roos behandelt in „Monumentenzorg in Zeeuws troebel water" het belang van het particulier initiatief (i.c. de Stichting Behoud Onderwaterschatten in Zeeland) voor het behoud van het cultureel erfgoed onder water. Hoofdredacteur Jan Kuipers sluit de aflevering af met een interessante beschouwing, waarin cultuurhistorisch toerisme een belangrijke rol speelt: „De schepen laten leven". Geschiedenis buiten het boekje in Zeeland. Trefwoorden zijn: het themapark ARCHEON, Sail '94 Vlissingen, de zeeschilder Jan de Quelery, nostalgie, vervreemding. En Bas Oele? Hij neemt de lezer mee naar „zijn" landschap: Bij Kapelle. Spiegel Historiael 29, 1994, 10: H. J. Stevens. Nieuwe VOC-opstelling in het Rijksmuseum (pp. 392-394). In de nieuwe vaste opstelling van de afd. Nederlandse Geschiedenis wordt de VOC gepresenteerd als een veelzijdig bedrijf, dat tegelijkertijd optrad als handelaar, reder en scheepsbouwer en in Azië als militair en bestuurlijk machthebber. De voornaamste bron waaruit is geput voor de inhoud van de vitrines, vormen scheepswrakvondsten, die inzicht verschaffen in de materiële cultuur en het beeld dat uit de schriftelijke bronnen naar voren komt, nuanceren en aanvullen. Verder bestaat de opstelling uit twee interactieve multimediale videoprogramma's, het eerste over VOC-vestigingen in Azië en Afrika, het tweede over de werf Oostenburg in Amsterdam. In de rubriek „Reacties" (pp. 394-395) staan de prehistorische cirkels in Zwolle centraal. J. J. de Jong, hoofd sectie monumentenzorg en archologie gemeente Zwolle, reageert op de afwijzende reactie van H. Fokkens, IPL Leiden, in de vorige aflevering van Spiegel Historiael. Deze laatste reageert op zijn beurt weer op De Jong. Het is duidelijk dat ze het niet eens zullen worden. De archeologische invalshoeken die ze vertegenwoordigen, lopen te ver uiteen. Ik voel iets van een richtingenstrijd. S. T. A. M. Mols. Interieuren in Herculaneum (pp. 401-405). Tot nu toe zijn 41 houten meubelen en meubelfragmenten, afkomstig uit Herculaneum, geconserveerd. Daarbij 12 bedden, 6 tafels, 4 zitmeubelen en 13 bergmeubels. In combinatie met de informatie uit de opgravingsverslagen geven ze een goed beeld van het meubilair dat in 79 n.Chr. in de huizen van Herculaneum heeft gestaan. De auteur gaat nader in op houtgebruik, houtbewerking en op de functie van de meubelen en de plaatsing ervan in de diverse vertrekken. Open monument 1, 1994, 1: In de eerste aflevering van het tijdschrift van de
nieuwe „Vereniging Open Monumenten" is de archeologie goed vertegenwoordigd. Journaliste Ellen Epskamp bracht, samen met man en kinderen, een weekeinde door in het Prehistorisch Openluchtmuseum in Eindhoven. Leven in de ijzertijd.... Het was wel even slikken, vooral voor de kinderen (pp. 6-11). Weer terug in de „beschaving" blijkt de CD-recorder uit de auto te zijn geroofd Th. Toebosch spreekt met de Amsterdamse stadsarcheoloog Jan Baart over diens - omstreden - „ontdekking van het jaar": de resten van het Kasteel van Amstel. Over twee jaar wordt verder gegraven. P. Stuurman
M. Bierma en O. H. Harsema (red.). Paleo-Aktueel 5. Groningen 1994. 156 blz. Prijs ƒ Wie wil weten wat het Archeologisch Centrum Groningen (onder meer het BAI) allemaal doet, moet elk jaar Paleo-Aktueel raadplegen. Korte bijdragen van diverse auteurs over uiteenlopende onderwerpen. Een greep: midden-paleolithicum in Noord-Nederland, mesolithicum bij Slochteren, hunebed D31a bij Exlo, offergebruiken in Midden-Italië, Hellenistisch Halos, ongehoornde runderen in de kuststreken, glasvondsten van Wijnaldum, een steenhuis te Heveskes, Friese middeleeuwse adelshuizen, vergelijking van een archeologische (19e-eeuwse) inventaris met boedelinventarissen. Kortom: Paleo-aktueel is paleodivers.
W. J. H. Verwers e.a. Archeologische Kroniek van Noord-Brabant 1992, Brabants Heem jaargang 1994, p. 21-42. Het archeologisch jaarverslag 1992 behandelt opgravingen en vondsten van prehistorie t/m middeleeuwen. Veel aandacht krijgt de steentijdvindplaats „Westelbeers" en de middeleeuwse site Beek en Donk.
B. R. de Melker. Graven naar de waarheid. Stond het kasteel van de heren Amstel in Amsterdam? Holland 26 (1994) no. 3, p. 135-150. De vraag uit de titel van zijn bijdrage beantwoordt de auteur ontkennend. De door de stadsarcheoloog van Amsterdam, Jan Baart, teruggevonden fundamenten zijn niet van het kasteel van de heren van Amstel, maar van een minder oud aangelegd verdedigingswerk (van Jan Persijn en graaf Floris V) ter bescherming van de Amsteldam. Het kasteel van Amstel lag, aldus de schrijver, in Ouderkerk. Melker meent dat de legende dat het kasteel van Amstel aan de Nieuwezijds Kolk lag (zoals Baart meent), beter weer in de opgravingsput begraven kan worden.
R. R. Knoop e.a. (red.). De plaats van de gemeentelijke arcehologie binnen het archeologisch vakgebied. (Archeologisch Informatie Cahier 7). Leiden, 1994, 32 blz. Prijs ƒ 10,-. De bijdragen van een studiedag, gehouden in Den Haag op 23 maart 1994, zijn gebundeld in het nieuwste cahier van het AIC. De Haagse wethouder Meijer behandelt het belang van archeologie op gemeentelijk niveau en streeft ernaar om archeologie een vaste inbedding te geven in planprocedures. De direkteur van de ROB, W. J. H. Willems, vraagt zich af of rijksarcheologie en gemeentelijke archeologie complementair of supplementair zijn. Hij behandelt vooral de archeologische monumentenzorg vanuit een bestuurlijke invalshoek en hoopt dat de communicatie tussen de verschillende partners in het bestuurlijke krachtenveld geïntensiveerd wordt. Mevrouw I. Günther, Gedeputeerde voor Zuid-Holland en tevens voorzitter van de Stichting voor de Nederlandse Archeologie, beschouwt archeologie als een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor zowel het rijk, provincie, gemeente als particulier initiatief. De gemeentelijk archeologe van Den Haag, mevrouw J. R. Magendans, houdt een pleidooi voor het uitroeien van de Chilopoda geophilida urbana, ofwel de stedelijke gravende duizendpoot, want een gemeentelijk archeoloog is ook maar een mens. Ten slotte plaatst J. H. F. Bloemers de gemeentelijke archeologie tussen de maatschappijgerichte en wetenschappelijke archeologiebeoefening.
Reuver, M. de (red.). Archeologie op school. (Archeologisch Informatie Cahier 6). Leiden, 1994. 72 blz. Prijs ƒ 15,-. In dit AlC-cahier worden leermiddelen geïnventariseerd en gekeken naar welke rol archeologie hierin speelt. Archeologie blijkt, het zal niemand verbazen, vooral binnen de geschiedenislessen aan bod te komen. Bij klassieke talen is er wel veel aandacht voor cultuurhistorische facetten, maar wordt geen inzicht gegeven in de archeologie als methode. De kwaliteit van het educatieve aanbod van musea is wisselend. Aanbevelingen: het onderwijsveld zou meer te rade kunnen gaan bij de archeologische wereld en de educatie-medewerkers uit het archeologisch veld dienen de ontwikkelingen in het onderwijs beter te volgen. J. van der Meulen. De „gecroonde rood" en andere pijpenmakersmerken van Gouda. Leiden, 1994. 109 blz. ISBN 90-80113824. Prijs ƒ 27,50 (excl. porto). Te bestellen bij: PKN, Utrechtse Jaagpad 115, 2314 AT Leiden. Postgiro: 3823478. Na een beknopte inleiding over de Goudse pijpenindustrie en Goudse pijpen bestaat het groot-
291
ste deel van deze publikatie uit een catalogus van pijpenmakers en hun merken. Het belang van deze catalogus (er zijn er meerdere) is, dat de recentelijk, in het British Museum, teruggevonden eerste gildeboeken (1660-1724) erin opgenomen
zijn. Nu is een volledig overzicht van de merken tot stand gekomen, hetgeen voor de determinatie van Goudse pijpen uiteraard belangrijk is. Arnold Carmiggelt
Agenda Tentoonstellingen Amersfoort, Museum Flehite, Westsingel 50: Nering en vermaak. De opgraving van een 14eeeuwse markt in Amersfoort. T/m 19 februari. Amsterdam, Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 127: Kralen verhalen. Geschiedenis van de kraal vanaf de prehistorie. T/m ca. 15 maart. Amsterdam, Amsterdams Historisch Museum, Kalverstraat 932: Het kasteel van Amstel. Kleine expositie naar aanleiding van de spectaculaire maar niet onomstreden vondst van het „kasteel van Amstel". T/m 8 januari. Amsterdam, Universiteitsmuseum De Agnietenkapel, O.Z. Voorburgwal 231: Amsterdamse gasthuizen in de middeleeuwen. T/m 5 februari. Den Haag, Haags Historisch Museum, Korte Vijverberg 7: Kleine expositie van bodemvondsten uit de Haagse binnenstad naar aanleiding van het verschijnen van het boekje van de gemeentelijke afdeling archeologie: „Wonen op het zand en in het veen", dat verslag doet van opgravingen in de Annastraat en de Boekhorststraat. Onbepaald. Haarlem, Archeologisch Museum, Grote Markt 18: Spiegelbeelden: Werra-keramiek uit Enkhuizen 1605. T/m 12 maart. Leiden, Rijksmuseum van Oudheden, Rapenburg
292
28: De kleren van de farao. Textiel uit het oude Egypte. T/m 6 maart. Leiden, Stedelijk Museum De Lakenhal, Oude Singel 28-32: Leids Goed. De textiel in een Hollandse stad. De geschiedenis van de Leidse textielnijverheid van de middeleeuwen tot de 20e eeuw belicht aan de hand van voorwerpen uit binnen- en buitenland en unieke historische werktuigen. De tentoonstelling wordt gehouden in de in 1640 gebouwde Lakenhal, het vroegere centrum van de Leidse lakennijverheid. Hier werd het beroemde laken gekeurd. T/m 6 februari. Nijmegen, Provinciaal Museum G. M. Kam, Museum Kamstraat 45: Geschiedenis uit zand en grind. Nieuwe vondsten uit de Oude Rijn bij Xanten. T/m 8 januari. Nijmegen, Provinciaal Museum G. M. Kam, Museum Kamstraat 45: Kunsten van het vuur: Romeinse ambachten in Nijmegen. Verlengd t/m 29 januari. Rotterdam, Museum Boymans-van Beuningen, Museumpark 18-20: Glas zonder glans. Vijf eeuwen gebruiksglas uit de bodem van de lage landen. T/m 8 januari. Zwolle, Provinciaal Overijssels Museum, Voorstraat 34: Wie de schoen past... Geschiedenis van de schoen en de klomp. T/m 15 januari.
Adressenlijst hoofdbestuur en afdelingssecretariaten van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland Hoofdbestuur: Alg. voorzitter: P. K. J. van der Voorde, Laan van Vollenhove 560-bis, 3706 AA Zeist, tel. 03404-50189. Vice-voorzitter: H. Wieringa (afdelingen en regio's), Meyerinksberg 16, 7641 RZ Wierden, tel. 0546-571891. Alg. secretaris: vacature. Waarneming door J. C. Bakker, Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad, tel. 03200-54808. Alg. penningmeester: J. D. F. Hardenberg, Kagertuinen 63, 2172 XK Sassenheim, tel. 02522-11445, gironr. 577808. Bestuursleden: Mevr. S. G. van Dockum (contacten vakwereld), Looierstraat 6, 3582 AR Utrecht, tel. 030-540610. Mevr. M. van Ieperen (educatie), Wiekelhorst 24, 2317 ZJ Leiden, tel. 071-225746. W. P. Telleman (kampen), Weerselosestraat 78, 7623 DB Borne, tel. 074-665132. P. van der Heijden (public relations), Molkenboerstraat 32, 6524 RP Nijmegen, tel. 080-225634. E r e l e d e n : H. J. Calkoen t (Ere-voorz.), E. H. P. Cordfunke, H. J. van Rijn t, P. Stuurman, H. Brunsting, R. van Beek, P. Vons, S. Pos.
6. Rijnstreek: Mevr. M. F. van Oorsouw, Geregracht 50, 2311 PB Leiden, tel. 071218741. 7. Den Haag en omstreken: Mevr. W. F. van Lidth de Jeude, Balistraat 54, 2585 XV Den Haag, tel. 070-3655713. 8. Helinium (Vlaardingen): Mevr. P. S. de Wit, Brandewijnpad 5, 3119 ZA Schiedam, tel. 010-2731273. 9. De Nieuwe Maas (Rotterdam e.o): Mevr. J. C. Vos-Kranendonk, Verwersdijk 77, 2611 NE Delft, tel. 015-123443. 10. Zeeland: Mevr. L. C. J. Goldschmitz-Wielinga, Verdilaan 35, 4384 LB Vlissingen, tel. 01184-62142. 11. Lek- en Merwestreek: Mevr. J. C. van Pelt, Adm. de Ruyterweg 19, 3354 XA Papendrecht, tel. 078-151142. 12. Utrecht en omstreken: A. Mandersloot, Weegbreestraat 175, 3765 XD Soest, tel. 02155-15589. 13. Naerdincklant (Hilversum e.o.): W. H. Wimmers, Roekenbos 67, 2134 VB Hoofddorp, tel. 02503-31497. 14. Vallei en Eemland (Amersfoort e.o.): A. P. de Boer, Frans Tromplaan 22, 3871 EN Hoevelaken, tel. 03495-34729.
A l g e m e e n s e c r e t a r i a a t AW N : Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad.
15. West- en Midden-Betuwe en Bommerlerwaard: H. Vroon, Henri Dunantstraat 41, 4024 HX Eek en Wiel, tel. 03449-1956.
L e d e n - en a b o n n e m e n t e n a d m i n i s t r a t i e A W N : Postbus 714, 3170 AA Poortugaal, tel. 01890-17451 (tijdens kantooruren). Secretariaten Afdelingen: 1. Noord-Nederland: Mevr. C. Raats-de Kuyer, Paaskamp 16, 9301 KL Roden, tel. 0590818735. 2. Noord-Holland Noord: J. W. Loots, Staeleversgracht 7, 1601 NM Enkhuizen, tel. 02280-18300. 3. Zaanstreek en omstreken: Mevr. A. TrompVeeter, T. Slagterstraat 15, 1551 CG Westzaan, tel. 075-283814. 4. Kennemerland (Haarlem e.o.): Mevr. A. A. van Assema, Lange Begijnestraat 22, 2011 HH Haarlem, tel. 023-320096. 5. Amsterdam en Omstreken: Mevr. K. H. van Reenen-Stein, Mr. Sixlaan 13, 1181 PK Amstelveen, tel. 020-6451838.
16. Nijmegen en omstreken: Mevr. C. Bruins, Bijmansstraat 18c, 6653 BV Deest, tel. 08870-18138. 17. Zuid-Veluwe en Oost-Celderland: Mevr. A. M. Baljet-Peters, Bronbeeklaan 40, 6824 PH Arnhem, tel. 085-643080. 18. Zuid-Salland - Usselstreek - Oost-Veluwezoom: J. de Vries, Vossebeltweg 33, 7431 AS Diepenveen, tel. 05709-1996. 19. Twente: Mevr. F. L. Ruizeveld-de Winter, Zevenblad 42, 7623 CG Borne, tel. 074666891. 20. Usseldelta-Vechtstreek: J. Assink, Prins Frederikplein 4, 8019 XB Zwolle, tel. 038216418. 23. Flevoland: J. Eelman, Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad, tel. 03200-51969. 24. Midden-Brabant: J. v.d. Hout, Dintel 92, 5032 CS Tilburg, tel. 013-634913.
Uitgaven van de AWN Ieder AWN-lid ontvangt het tijdschrift Westerheem en het blad van de afdeling waarbij men is aangesloten. De AWN geeft echter meer publicaties uit. De volgende uitgaven zijn nog voorradig:
AWN - monografie 3 J. G. N. Renaud Middeleeuwse ceramiek. Enige hoofdlijnen uit de ontwikkeling in Nederland
y Archeologische
Z.p. ('s-Gravenhage) 1976, 123 pp., ill. Deze monografie is nog steeds een standaardinleiding tot de vormenrijkdom van de middeleeuwse ceramiek die bij archeologisch onderzoek kan worden aangetroffen. Leden betalen f 15,—, niet-leden f 20,—.
AWN - monografie 4 J. M. Bos Archeologische streekbeschrijving; een handleiding
Z.p. (Vlaardingen) 1985, 158 pp., ill., ISBN 90 71312 01 1 Een onmisbare handleiding voor iedereen die met veldverkenningen of regionale inventarisaties wil beginnen, en voor hen die daar al mee bezig zijn. Enthousiast onthaald in de wetenschappelijke en populaire vakpers. Prijs voor leden f 22,50, voor niet-leden f 27,50.
AWN - monografie 5 A. Warringa en G. van Haaff Opgraven. Technieken voor archeologisch veldwerk
Utrecht 1988, 128 pp., ill., ISBN 90 70482 68 1 Practische handleiding voor allen die op verantwoorde wijze willen (helpen) opgraven. Achtereenvolgens komen aan de orde: meetsysteem, graafwerk, tekenen en fotograferen, vondsten en monsters, administratie en documentatie, kartering en bijzondere structuren. Uitgegeven in samenwerking met de NJBG bij Matrijs in Utrecht. Prijs voor leden f 15,00, voor niet-leden f'22,75.
Oude jaargangen Westerheem
1965 - 1969 (klein formaat) f 12,50 per jaargang; losse nummers f2,50 1970 - 1993 (grootformaat). De prijs per jaargang is gelijk aandevoorhet betreffende jaar geldende contributie. Speciale nummers (o.a. Nederzettingsarcheologie in Nederland, Stadskernonderzoek in ontwikkeling, en themanummers over het werk van bepaalde afdelingen) f 8,00 tot f 10,00.
Naaldbanden Westerheem
Iedere band kan twee jaargangen bevatten en kost f 12,50. Alle prijzen zijn exclusief eventuele verzendkosten. Bij bestelling van 10 of meer exemplaren geldt een korting van 10%. U dient uw bestellingen te richten aan: AWN-Ledenservice, J. C. Bakker, Neckarstraat 10, 8226 LL Lelystad.
VERENIGINGSNIEUWS februari 1994
Ter inleiding In deze nieuwe jaargang van Westerheem wordt een begin gemaakt met een afzonderlijke katern „Verenigingsnieuws". Een nieuw begin welbeschouwd, want van augustus 1985 t/m februari 1987 was al eerder sprake van een dergelijke katern. Hoofdbestuur en redactie streven ernaar de communicatie binnen de vereniging te bevorderen. Communicatie vooronderstelt tweerichtingsverkeer. Voor het hoofdbestuur is het, dankzij deze katern, beter dan tot nu toe mogelijk alle voor de leden relevante informatie daar te brengen waar zij thuishoort, namelijk bij elke Westerheemlezer. Maar ook uit de afdelingen komt nieuws dat waard is algemeen bekend te worden. Activiteiten, plannen en initiatieven van zowel individuele leden als van de afdelingen zelf. Het is van het grootste belang dat deze informatie tijdig en met een zekere regelmaat door de afdelingsbesturen aan de redactie wordt doorgegeven. Zeker in het begin zullen intensieve contacten tussen redactie en afdelingsbesturen nodig zijn om het nieuwe initiatief te doen slagen. De redactie heeft mevr. M. F. van Oorsouw, secretaris van de Afd. Rijnstreek, bereid gevonden tot de redactie toe te treden en de verzorging van de katern „Verenigingsnieuws" op zich te nemen. De tweede aflevering, in april, zal onder haar verantwoordelijkheid verschijnen. De voor u liggende eerste aflevering draagt een min of meer experimenteel karakter en bevat voornamelijk mededelingen van het hoofdbestuur. De redactie
Hoofdbestuursnieuws Tussen midden 1985 en begin 1987 heeft het hoofdbestuur in een centrale katern in Westerheem bestuurs- en afdelingsmededelingen geplaatst. Met een nieuwe redactie is die katern toen verdwenen en de ingestelde redactiegroep opgeheven. En weer vindt u in Westerheem een centrale katern. Waarom? Regelmatig, een vier keer per jaar, stuurt het
hoofdbestuur aan de afdelingen een bulletin met daarin een aantal praktische mededelingen, met aankondigingen, met bestuurlijke vragen. Het is de bedoeling dat bepaalde punten daaruit besproken worden op afdelingsvergaderingen, lezingen en schervenavonden en dat deze informatie zo bij de leden komt. Maar het blijkt dat die alleen terechtkomt bij de actieve leden die tijd vinden om aan de afdelingsactiviteiten deel te nemen. En om nu de overige, minder actieve leden toch te kunnen bereiken, wordt deze katern weer ingevoerd. Dit kan de aantrekkelijkheid van de verenigingsactiviteiten nog eens extra onder uw aandacht brengen en u misschien doen besluiten daaraan van tijd tot tijd eens deel te nemen. Want er staat een hoop op stapel. In de eerste plaats wordt tegen Pasen 1994 het archeologisch themapark Archeon voor het publiek opengesteld. De bouw is dan nog niet compleet, er moeten nog delen geconstrueerd worden, maar ook het zien groeien van een dergelijk uniek park in de loop van de tijd is - voor mij in ieder geval een belevenis. Archeon hoopt duizenden bezoekers te trekken, met motieven variërend van pure nieuwsgierigheid tot begrip van de archeologische situatie. En hoe gaan ze dat nu allemaal doen? Hoe laten ze aan een groot publiek dat nu zien? De AWN-ers weten een deel van de achtergronden: als je alleen een fundering opgraaft, hoe heeft het gebouw er dan uitgezien? Wij hebben besloten om ons als AWN, de grootste vereniging van amateur-archeologen, daar duidelijk te profileren. Een groot deel van de Prins Bernhard Fonds Monumentenprijs 1991, die wij mochten ontvangen bij ons achtste lustrum, wordt daarin gestoken. Wij krijgen de beschikking over de bovenverdieping van het Huis Voorburg en daar zullen de AWN-afdelingen bij toerbeurt aan het publiek kunnen tonen wat zij opgegraven hebben, met de historische achtergrond erbij, waar dat mogelijk is. Een ingestelde Archeon-cornmissie is bezig om de verschillende onderdelen van onze deelname verder uit te werken: tentoonstelling (vitrines, verlichting, verklarende teksten), een vergaderruimte met archiefopslag, een video in het entreegebouw, de bewegwijzering en de „public relations". Uit de afdelingen rond Archeon gelegen, zouden wij graag een aantal vrijwilligers als
„suppoosten" willen betrekken bij het opvangen van bezoekers die meer dan oppervlakkige belangstelling hebben. Elders in deze katern wordt dit verder verduidelijkt. Bij deze voorbereiding bleek dat wij dringend behoefte hebben aan goede dia's of foto's van alle aspecten van het amateurwerk, nodig voor bijv. een nieuwe folder of verklarend bij de tentoonstelling. Er moeten toch echt bij onze leden wel bruikbare foto's zijn van de kampen, van excursies of van schervenavonden. Wilt u zich bekend maken bij de landelijk secretaris? De rest van deze katern wordt ingevuld o.a. met de data, die u voor 1994 moet reserveren in uw agenda. De belangrijkste is de datum van onze algemene ledenvergadering op zaterdag 14 mei 1994 en wel in Archeonl Een uitstekende gelegenheid om uw eerste nieuwsgierigheid te bevredigen en het bezoeken van Archeon te combineren met dat van de algemene ledenvergadering! Pieter van der Voorde landelijk voorzitter
AWN-winkel heet voortaan: Ledenservice Met ingang van 1 januari jongstleden is de naam „Winkel" van de AWN omgedoopt in „Ledenservice". Dit alvast in verband met een te verwachten uitbreiding van dienstverlenende activiteiten naar de leden c.q. de afdelingsbesturen toe. Wij hopen u hierover binnen afzienbare tijd meer informatie te kunnen geven. Nadat eind 1992 de „Winkel" na het vertrek van administrateur Henk Schoorl enige maanden onbeheerd is geweest, nam Jan Bakker (van afdeling Flevoland) de zaak begin 1993 over. Jan heeft het woord „service" hoog in het vaandel staan en hij probeert dan ook al uw bestellingen zo snel mogelijk te behandelen. Dat doet hij in zijn vrije tijd. Overdag werkt hij, wat een enkele keer - in een voor hem drukke periode - ertoe kan leiden dat er wat vertraging in de verzending van uw bestellingen ontstaat. Wij vragen hiervoor in voorkomend geval uw begrip! De AWN-monografieën nummer 3 (Middeleeuwse keramiek) en nummer 4 (Archeologische streekbeschrijving) zijn nog ruim voldoende in voorraad, maar de onder de leden ook zeer populaire monografie „Opgraven. Technieken voor archeologisch veldwerk" is uitverkocht. Een herdruk wordt echter voorbereid. Zodra het boek weer leverbaar is, zullen wij u dat onmiddellijk laten weten.
Naast oude nummers van Westerheem en de naaldbanden daarvoor zijn onder andere nog te koop exemplaren van het Register Westerheem betreffende de jaargangen 1-40 (1952-1991) en exemplaren van „25 jaar AWN", beide voor ƒ 10,- per stuk. In beperkte mate voorradig zijn nog AWN-T-shirts met korte mouw, in de maten M en XL, voor ƒ 15,- per stuk. Bestellingen voor AWN-artikelen kunt u - bij voorkeur schriftelijk - richten aan AWN-Ledenservice, Neckarstraat 10, 8226 LL Lelystad. Let u er daarbij wel op dat u uw naam en adres duidelijk, liefst in blokletters of getypt, vermeldt. Voor informatie over artikelen kunt u ook bellen met Jan Bakker, zijn nummer is 03200-54808. Bij zijn afwezigheid meldt zich een antwoordapparaat. Als u uw vraag en telefoonnummer daarop inspreekt, wordt u zo spoedig mogelijk teruggebeld.
Ledenadministratie Met het vertrek van onze administrateur Henk Schoorl verdween ook de zo vertrouwde „Postbus 100" van de AWN. Onze algemeen secretaris was bereid in Rotterdam voorlopig als „AWNbasis" te fungeren en een postbus te openen om in deze leemte te voorzien. Vanuit Rotterdam wordt de post o.a. gedistribueerd naar onze leden- en abonnementenadministratie te Poortugaal. Om een efficiënte gang van zaken te bevorderen, zullen met ingang van 1 januari 1994 de opgave van nieuwe leden, adreswijzigingen en opzeggingen rechtstreeks gestuurd kunnen worden naar ons administratiekantoor. Ook kan men daar terecht met vragen over contributiebetalingen en toezending van Westerheem. Het adres is: Administratiekantoor N. L. van Dinther Postbus 714 3170 AA Poortugaal tel. 01890-17451 (tijdens kantooruren).
Van de penningmeester Een nieuw verenigingsjaar is begonnen en ook bij u werd de acceptgiro voor de contributie 1994 bezorgd. Op de algemene ledenvergadering in Windesheim in 1993 is de vergadering accoord gegaan met een verhoging van de contributie tot ƒ 65,-. Teneinde onze te kleine reserves aan te vullen, zal in de komende jaren de contributie
met het afgeronde inflatiepercentage worden verhoogd. Het hoofdbestuur verzoekt u om de contributie vóór eind februari over te maken, om de volgende redenen: - de ontvangen contributie wordt op een renterekening geplaatst en daarmee verhogen wij onze inkomsten iets; - u bespaart de administratie veel werk: de controle op late betalers vergt dan minder tijd. Mocht u desondanks op 1 juni de contributie nog niet hebben overgemaakt, dan ontvangt u een herinneringsacceptgiro. Het verzenden daarvan kost de AWN extra geld voor enveloppen, postzegels en de tijd van ons administratiekantoor. Als u dan nog niet betaald heeft, wordt de toezending van Westerheem gestaakt vanaf het nummer 4. Als het u opvalt dat u geen Westerheem meer ontvangt en dan alsnog betaalt, moeten de latere nummers u worden gestuurd en dat kost weer extra geld: onnodige kosten voor de AWN. Zover laat u het toch niet komen? Bij het opstellen van de AWN-begroting voor 1994 wordt uitgegaan van het ledental per 1 december 1993, de datum waarvóór u zou moeten opzeggen, als u dat wilt doen. Helaas houden weinig mensen die de AWN willen verlaten, zich aan deze datum. Daarmee bemoeilijkt u het werk van ondergetekende. Hans Hardenberg
Forum In april 1993 is de AWN lid geworden van het Europese Forum van Erfgoedverenigingen. Forum is een sinds 1989 bestaande koepel van 25 landelijke archeologische en cultuurhistorische verenigingen uit veertien landen. Doel van Forum is te komen tot onderlinge uitwisseling van leden bij opgravingen, restauratie en conservering en het gezamenlijk stelling nemen tegen bedreigingen van het Europese culturele erfgoed. Forum vertegenwoordigt 250.000 Europese vrijwilligers. Elders in deze katern treft u de aankondiging aan voor de AWN-graafweken te Nijmegen. In het kader van de Forum-uitwisselingen stelt de AWN deze graaf weken met ingang van 1994 open voor vijf buitenlandse deelnemers per week. AWN-leden kunnen via Forum ook deelnemen aan activiteiten in het buitenland. Dit kunnen nationale graafkampen zijn of door Forum zelf georganiseerde internationale projecten. In het volgende nummer van Westerheem hopen wij u meer informatie te kunnen geven.
Suppoosten voor Archeon In april 1994 opent Archeon, het archeologisch park in Alphen aan den Rijn, zijn poorten. In één van de Romeinse huizen zal de AWN zich met een kleine tentoonstelling presenteren. Deze expositie zal nog meer „spreken" indien daar AWN-leden bij zijn die het tentoongestelde toelichten. Tevens is er dan bewaking van de voorwerpen. Gelet op de financiële toestand van de AWN, kunnen voor deze „suppoosten" alleen de kosten van het vervoer (op basis van openbaar vervoer) worden vergoed, in het gebouw zelf kan koffie of thee worden gezet. Bovendien hebben de „bewakers" die dag vrije toegang in Archeon zelf! Aangezien het niet mogelijk is de hele week het gebouw door vrijwilligers te laten bewaken, zal dit alleen tijdens de weekeinden en op feestdagen, zoals tweede paasdag, tweede pinksterdag, enz., en op bepaalde hoogtijdagen in het park zelf plaatsvinden. Voor die zaterdagen, zondagen en extra dagen in de periode 2 april t/m 2 oktober 1994 zijn steeds twee mensen nodig. Alle mogelijke informatie omtrent de tentoonstelling en de AWN zelf wordt in een map, die in de AWN-ruimte is, gegeven, zodat u niet met een mond vol tanden hoeft te staan! Gelet op de afstand naar en van Alphen aan den Rijn is gedacht aan AWN-leden uit de afdelingen Zaanstreek e.o., Kennemerland, Amsterdam e.o., Rijnstreek, Den Haag e.o., Helinium, De Nieuwe Maas, Lek en Merwestreek, Utrecht e.o. en Naerdincklant. Als elke afdeling veertien mensen levert, hoeft men in die periode slechts één dag aanwezig te zijn; u kunt er met een bekende best een gezellige dag van maken! Trouwens, wil men meer dagen, dan is dat ook mogelijk! Uw opgave zien we graag zo snel mogelijk tegemoet bij de heer B. C. v. Hulst, Graaf Wigboldhof 4, 3434 SM Nieuwegein, tel. 03402-60356.
Voorjaarsexcursie Onze jaarlijkse excursie trekt steeds ruime belangstelling. Aangezien het aantal deelnemers door de grote belangstelling beperkt moest worden en de afstanden (= reistijd) in ons kleine Nederland toch wel wat groot zijn, hebben wij besloten om ook een voorjaarsexcursie te organiseren, waarvoor de medewerking van de afdelingen dan wel noodzakelijk is. Op ons verzoek bleek de afdeling Zeeland dadelijk bereid een en ander te verzorgen en op zaterdag 2 april 1994 verzorgt zij de volgende
Om 10.00 uur verzamelen wij in de stationsrestauratie van Goes. Na de koffie gaan wij naar Middelburg, voor een bezoek aan de tentoonstelling „Geld uit de Belt" (deskundige begeleiding door de provinciaal archeoloog), 's Middags gaan wij naar het verdronken dorp Nieuwland (laarzen meenemen), met ook hier deskundige begeleiding. Tenslotte wordt het museum van Goes bezocht en omstreeks 17.30 uur zijn wij dan weer op het station van Goes. Het geheel wordt vanzelfsprekend „aangekleed" met koffie- en lunchpauzes. De totale kosten bedragen ƒ 45,- per persoon. Ook hier wordt de grootte van de groep beperkt door de capaciteit van de bus: 54 personen (volgorde van aanmelding). Ook introducés zijn van harte welkom. U kunt zich schriftelijk melden (zie aanmeldingsstrook p. 7) bij H. Wieringa, Meijerinksberg 16, 7641 RZ Wierden. De uiterste datum van onverhoopte afmelding is 19 maart.
De AWN-g raaf weken te Nijmegen, 1993 Het was een gezellige en leervolle week. Alles gebeurde op een ontspannen manier, zoals de uitleg over het hoogtemeten, het intekenen van grondsporen en het herkennen van scherven. De week was te kort om alles te leren, maar te lang
om alles te kunnen verwerken. Van de excursie naar Xanten was vooral het Archeologisch Park indrukwekkend. Wij hebben geluncht in een Amphitheater. Het was leuk om in dit theater je boterham op te eten. Je waande je in een ver verleden. Het was prettig om op een praktische manier inzicht te krijgen in de botanische archeologie, dankzij de lezing van C. Vermeeren. Het bezoek aan de opgraving van de stadsarcheoloog was uniek, omdat de tempelfunderingen nu alweer onder de grond zijn verdwenen. Wat mij speciaal aansprak, was de vondst van een bouwoffer in een paalgat van de tempel. Deze vondst bestond uit pijnboomkegels, vijgen en pitten van dadels, een unieke vondst in Nederland. Naast de archeologische aspecten, die goed verzorgd waren, was het huishoudelijk gedeelte zeer goed voorbereid, hetgeen ook van belang was gezien de intensiviteit van de graafweek. Vooral de catering en het onderkomen waren goed. Daarnaast zorgde de AWN-leiding voor een prettige en ontspannen sfeer binnen de groep, die uit personen met verschillende achtergronden bestond. Het onderlinge contact en de uitwisseling van kennis en ervaring ontstonden spontaan. Het gevolg van deze week was, dat het voor mij nu moeilijk is om niet naar de grond te kijken om naar overblijfselen uit het verleden te zoeken. Gineke Annink, deelneemster aan de tweede week van de graafweken
Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland
U I T N O D I G I N G Het hoofdbestuur van de AWN heeft het genoegen de leden uit te nodigen tot het bijwonen van de
ALGEMENE LEDENVERGADERING die gehouden zal worden op zaterdag 14 mei 1994 in het entreegebouw van het archeologisch themapark Archeon te Alphen aan den Rijn. Voor de treinreizigers is er een busverbinding van de achterzijde van het station Alphen aan den Rijn naar Archeon om 10.10 en 10.40 uur; kosten Ć’ 1 , - per persoon en per rit. Treinreizigers moeten geen NS-dagkaart kopen, omdat de AWN-leden tegen een gereduceerd tarief entree tot het park krijgen voor deze gelegenheid. De automobilisten ontvangen een plattegrond van routes met de jaarstukken. De vergadering zal om 10.45 uur aanvangen in het entreegebouw. De agenda en de jaarstukken zullen na ontvangst van uw betaling en opgave voor de vergadering worden toegezonden door de algemeen secretaris. De lunch zal worden gebruikt in de Romeinse herberg. Daarna kunt u het park op eigen gelegenheid verkennen en o.a. in het Huis Voorburg de tentoonstelling in de AWN-ruimte bekijken. Na afloop van dit middagprogramma biedt het hoofdbestuur u een drankje aan in de bar van het entreegebouw. Leden die alleen de vergadering willen bijwonen en niet aan de lunch of het middagprogramma willen meedoen, worden verzocht dit op het aanmeldingsformulier kenbaar te maken. Behalve vervoerskosten zijn er voor hen geen kosten aan het bijwonen van de vergadering verbonden. Leden die het volledige programma willen volgen, worden verzocht de deelnemerskosten op de hieronder aangegeven wijze te willen voldoen.
De capaciteit van de zalen in Archeon is niet onbeperkt. Daarom vragen wij u uw inschrijving zo spoedig mogelijk te willen regelen. Mocht de belangstelling voor deze dag groter zijn dan de ruimtelijke mogelijkheden, dan zullen voor de jaarvergadering alleen (huisgenoot)leden toegelaten kunnen worden en geen introducÊs. De volgorde van aanmelding zal de toelating bepalen voor de deelname aan de lunch. Wegens organisatorische redenen moeten aanmelding en betaling vóór 15 april 1994 in het bezit zijn van de algemeen secretaris resp. de algemeen penningmeester. Daarna ontvangt u zo spoedig mogelijk de agenda van de vergadering en de jaarstukken. Het dagprogramma is als volgt: 10.15-10.45 uur:
ontvangst met koffie in het entreegebouw
10.45-13.00 uur:
jaarvergadering in het auditorium van het entreegebouw
13.00-14.00 uur:
lunch in de Romeinse herberg
14.00-16.00 uur:
bezoek aan het park
16.00-16.30 uur:
drankje aan de bar van het entreegebouw
Wij hopen u op 14 mei a.s. in Archeon in Alphen a/d Rijn te mogen begroeten.
Namens het hoofdbestuur, P. K. J. van der Voorde, algemeen voorzitter Mw W. Diemer, algemeen secretaris
Aftredende hoofdbestuursleden en kandidaten Op de algemene ledenvergadering op 14 mei 1994 zullen aftreden de penningmeester, de heer J. D. F. Hardenberg, en het lid, belast met de kampen, de heer B. Ch. van Hulst. Na een zesjarige zittingsperiode zijn deze bestuursleden niet herkiesbaar. Het hoofdbestuur stelt kandidaat voor de vacature van penningmeester de heer J. C. Bakker te Lelystad en als lid, belast met de kampen, de heer W. Teileman te Borne. Tegenkandidaten kunnen door tenminste tien stemgerechtigde leden schriftelijk worden ingediend bij de secretaris tot uiterlijk zeven dagen voor de vergadering. Deze kandidaatstelling dient vergezeld te zijn van een schriftelijke akkoordverklaring van de betrokken kandidaat (Artikel 16, lid 2 van de Statuten). De algemeen secretaris
AANMELDING VOOR DE JAARVERGADERING EN/OF HET MIDDAGPROGRAMMA Naam:
Telefoonnummer:
Adres: Postcode en woonplaats: Ik zal (met
huisgenootlid/-leden) deelnemen aan de algemene ledenvergadering van de
AWN op zaterdag 14 mei 1994 in het Archeon te Alphen a/d Rijn en ontvang de jaarstukken (gratis). Ik wil graag
personen introduceren voor de algemene ledenvergadering.
Naam/namen: Ik zal om uur met personen gebruik maken van de busdienst tussen het NS-station en Archeon (kosten ƒ 1 , - per persoon, enkele reis). Ik zal met
huisgenoot/-leden en
introducé(e)s deelnemen aan de lunch.
Naam/namen introducés: De deelnemersbijdrage van
x ƒ 40,- = ƒ
heb ik heden overgemaakt op
postbanknummer 577808 ten name van Algemeen Penningmeester AWN te Sassenheim. Datum:
Handtekening:
Dit formulier vóór 15 april 1994 opsturen aan: Mw W. Diemer, Charlotte de Bourbonlaan 21a, 3062 GB Rotterdam §€Naam:
AANMELDING THEMADAG „ARCHEOMETRIE" ,
,
,„„„
Telefoonnummer:
Adres: Postcode/woonplaats: wil graag deelnemen aan de themadag „Archeometrie" op 26 maart 1994 in Amersfoort en maakt vóór 15 maart 1994 de deelnamekosten ten bedrage van ƒ 20,- (per persoon) over op gironummer 577808, t.a.v. de heer J. D. F. Hardenberg, Kagertuinen 63, 2172 XK Sassenheim, onder vermelding van „Archeometrie". Opsturen vóór 15 maart 1994 aan: mevr. M. van Ieperen, Wiekelhorst 24, 2317 ZJ Leiden.
H-
-
"
"
AANMELDING VOORJAARSEXCURSIE Ondergetekende:
Telefoonnummer:
Adres: Postcode en woonplaats: meldt zich met perso(o)n(en) voor de excursie van 2 april. De kosten (ƒ 45,- per persoon) heb ik overgemaakt op postbankrekening nr. 577808 t.n.v. Penningmeester AWN te Sassenheim. Handtekening: Opsturen vóór 15 maart aan: H. Wieringa, Meijerinksberg 16, 7641 RZ Wierden.
Themadag Archeometrie Op zaterdag 26 maart aanstaande organiseert de AWN in samenwerking met de ROB een themadag over archeometrie in Amersfoort. Onder archeometrie verstaan we de verschillende methoden en technieken die op archeologisch materiaal toegepast kunnen worden om ons een beter inzicht in de technologie van het verleden te geven. Met name de volgende methoden en technieken kunnen onder de archeometrie ondergebracht worden. I. Dendrochronologie Vanzelfsprekend streven archeologen ernaar om een zo nauwkeurig mogelijke absolute datering aan hun vondsten te kunnen geven. De dendrochronologie en de koolstof- 14-methode zijn twee van de methoden die de laatste jaren steeds verder ontwikkeld worden. II. Prospectiemethoden Eén van de prospectiemethoden die in een relatief kort tijdsbestek een schat aan informatie over de onder de grond liggende archeologische resten (patronen) kunnen geven, is de geofysische methode. Dergelijk onderzoek levert een belangrijke bijdrage aan de inventarisatie van archeologische monumenten. Bij het geofysisch onderzoek kunnen verschillende methoden worden toegepast, zoals weerstandsmetingen, magnetometeronderzoek en het onderzoek met gebruik van zogenaamde tomogrammen.
dragen ƒ 20,- per persoon. U wordt verzocht dit bedrag vóór 15 maart 1994 over te maken op gironummer 577808, t.a.v. de heer J. D. F. Hardenberg, Kagertuinen 63, 2172 XK Sassenheim, onder vermelding van „Archeometrie".
AWN-excursie naar Jordanië 8-22 oktober 1994 (voorlopig programma) De AWN-excursie 1994 zal ons voeren naar Jordanië, het gebied waar de neolithische revolutie zo'n 11.000 jaar geleden begon en waar sindsdien veel beschavingen hebben gebloeid en ten onder zijn gegaan. Onze route zal grotendeels samenvallen met de „Weg der Koningen", een vierduizend jaar oude karavaanweg door Oost-Jordanië, die Syrië met de Rode Zee verbond en nog steeds in gebruik is. In de bijbel wordt deze weg al vermeld. Ook deze keer zal de mogelijkheid bestaan zelf aan een opgraving deel te nemen. Vermoedelijk zal dat zijn in Jerash, een zeer goed geconserveerde Romeinse stad ten noorden van Amman. Overige onderdelen van het voorlopige progamma zijn: Amman met het archeologisch museum en met excursies naar o.a. de tells Pella en Deir Alla (de laatste een Nederlands onderzoeksproject), naar de vroeg middeleeuwse woestijnburchten en naar een aantal neolithische vindplaatsen, waaronder een dolmenveld.
III. Mineralogische, fysische en chemische analyse Dergelijke analyses leveren gegevens op met betrekking tot het materiaal waaruit de vondsten bestaan. Hierdoor kan de archeoloog inzicht krijgen in de wijze waarop bijvoorbeeld aardewerk tot stand komt. Wilt u meer over de archeometrie weten, dan is dit dé gelegenheid om met experts op het gebied van de archeometrie van gedachten te wisselen. De themadag begint om 10.00 uur en wordt om ca. 16.30 uur afgesloten met een borrel. De AWN wil u bij deze graag uitnodigen het aanmeldingsstrookje (p. 7) op te sturen vóór 15 maart 1994 aan mevr. M. van Ieperen, Wiekelhorst 24, 2317 ZJ Leiden. U ontvangt dan zo snel mogelijk het programma van de themadag. Schrijf u snel in, want het aantal deelnemers is vanwege de ruimte beperkt. De kosten voor de hele dag, inclusief lunch, be-
De Arabische burcht Qataat er-Rabad, uit de tijd van de kruistochten.
Aan de noordzijde van de „Weg der Koningen" zullen we in Zuid-Syrië Damascus en de Romeinse stad Palmyra bezoeken. Aan de zuidzijde van de weg bezichtigen we Petra, de rozerode stad, die in de rotsen is uitgehouwen. Petra was de hoofdstad in het rijk van de Nabateeërs, een woestijnrijk, dat van de 4e eeuw voor tot de 4e eeuw na Christus heeft bestaan. De archeologische overblijfselen dateren grotendeels uit de Romeinse tijd, maar ook uit de perioden daarvoor en daarna. Eén van de hoogtepunten van de reis zal ongetwijfeld zijn een nacht in de woestijn in Wadi Rum, waar behalve het fascinerende woestijnlandschap ook de resten van een neolithische nederzetting uit dezelfde tijd als Jericho te zien zullen zijn. De reis wordt inhoudelijk begeleid door drs. M. Addink-Samplonius, gemeente-archeoloog van Hilversum. Deelname aan de reis staat open voor AWN-leden en voor hun introducés. De kosten bedragen ƒ 2875,- p.p. op basis van halfpension en tweepersoonskamers. Eenpersoonskamertoeslag is ƒ 385,-. Uitzondering is Wadi Rum, waar de accommodatie eenvoudig, maar comfortabel zal zijn. De technische uitvoering ligt in handen van de reisorganisatie Voyage & Culture (Prinsengracht 783-785, 1017 JZ Amsterdam, tel. 020-6230327), bij wie u zich kunt opgeven en nadere inlichtingen kunt krijgen.
Afdelingsnieuws Afd. 3: De Zaanstreek e.o. Het onderzoek naar de schuilkerk in Akersloot verloopt moeizaam. Er is één kerkmuur gevonden, maar de tweede is tot nu toe spoorloos. De leden van de afdeling gaan als mollen door het terrein, maar de muur blijft zich verschuilen. Is hij volledig uitgebroken of is hij te vinden op het terrein van de buurman? De redactie concludeert dat de schuilkerk haar naam eer aandoet. Afd. 7: Den Haag e.o. De problemen waarop de binnen het werkgebied van de afdeling opererende archeologische werkgroepen stuiten bij het verrichten van onderzoek en het bewerken van vondsten en vondstgegevens, zijn in hoge mate identiek. Zij vragen als
10
het ware om een gezamenlijke aanpak. Door het vormen van „dwarsverbanden", waarin leden van de diverse werkgroepen zijn verenigd op basis van specialisatie en interesse, kan aan de activiteiten van de afzonderlijke werkgroepen een belangrijke meerwaarde worden gegeven. Inmiddels hebben vier werkgroepen in positieve zin gereageerd op een oproep van het afdelingsbestuur en kunnen de noodzakelijke contacten worden gelegd. Afd. 11: Lek- en Merwestreek De Tilburgse archeoloog Johan Hendriks is bezig om in opdracht van het afdelingsbestuur de resultaten van het archeologisch onderzoek, in 1989 en 1990 door de AWN in de kelders van het omvangrijke Berckepoort-complex verricht, uit te werken en daarover te rapporteren. Het eerste deelrapport is inmiddels verschenen. Als de rapportage compleet is, zal een samenvatting worden gepubliceerd. Afd. 17: Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland Op 4 december 1993 is een kleine opgraving gedaan in een pand aan de Varkensstraat 34 te Arnhem. Daarbij werd in een kleine smalle sleuf een middeleeuws pakket grond vastgesteld tot een diepte van ruim 2.50 m. Hieruit werden als schervenmateriaal o.a. geborgen: gladwandig steengoed, protosteengoed, Paffrath, een fragment van een trechterhalskan en een bodem van blauwgrijs aardewerk met standlobben. In het middeleeuws pakket kwamen veel stukken verbrande leem voor, overblijfselen van een gebouw, dat was gebouwd uit hout en leem. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kunnen we concluderen dat het pand als stenen gebouw waarschijnlijk is gebouwd in de tweede helft van de 14e eeuw. Afd. 23: Flevoland Bij de voorbereiding van een geologische excursie op 23 oktober jl. onder leiding van ir. Ute Mencke is tijdens het schaven van een slootkant op een oud rivierduin een aantal grote scherven Swifterbant-aardewerk gevonden, alsmede houtskoolresten, een vuurstenen schrabber en verbrand vuursteen. Het betrof de grootste scherven die tot nu toe in het betreffende gebied zijn gevonden, waardoor van een bijzondere vondst kan worden gesproken. Omdat de vondst werd gedaan op de dag voorafgaand aan de excursie, mochten de scherven in de grond blijven en had de groep van veertien deelnemers de primeur, de archeologische resten met eigen ogen te kunnen zien. Naar alle waarschijnlijkheid mag de AWN Flevoland helpen het gebied in de directe omgeving van de vondst verder te onderzoeken.
Personalia In memoriam Jan de Baan (1930-1993) Tijdens de laatste jaarvergadering van afdeling 9: De Nieuwe Maas, in april 1993, moest ik meedelen dat Jan de Baan tot zijn spijt niet kon komen; hij voelde zich niet zo goed. De volgende ochtend is hij onverwacht overleden. Onverwacht, omdat hij geleidelijk aan bezig was te herstellen van de gevolgen van een aantal hartstilstanden, die hem in het najaar van 1990 getroffen hadden. Hij fietste weer, steeds vaker en steeds verder. Ook verschenen er in de gemeentelijke voorlichtingskrant weer artikelen van hem over de geschiedenis van Spijkenisse. Lange tijd had hij voor die stukjes de energie en de interesse niet kunnen opbrengen, ondanks zijn passie voor archeologie en historie. Als geen ander kende Jan de Baan Spijkenisse en het eiland Putten, zowel in het verleden als in het heden. Het heden accepteerde hij zoals het was. Voor het verleden vroeg hij voortdurend en nadrukkelijk aandacht, gevraagd en ook ongevraagd, als hij vond dat het nodig was. De geschiedenis ontrafelen, de kennis ervan overdragen en zo mogelijk zichtbaar maken, beschouwde hij als zijn taak. Spijkenisse heeft daar een aantal tastbare herinneringen aan overgehouden. Zo werden onder meer de middeleeuwse dorpskerk gerestaureerd, voor de kerktoren een carillon bijeengespaard en een beeld van de laatste dorpsomroeper geplaatst. Vele mensen hebben daaraan meegewerkt, maar bij vrijwel al die activiteiten was Jan de Baan de aanjager of initiatiefnemer zonder wie het nooit voor elkaar was gekomen. De meeste Spijkenissers zullen zich hem toch ook herinneren als de man van het geschiedverhaal. Jarenlang vertelde hij in zijn artikelen in de voorlichtingskrant van hun woonplaats over het verre en nabije verleden, zonder in nostalgie of sentimentaliteit te vervallen. Zijn stukjes waren geen romantische geschiedverhalen, maar feitelijke verslagen, zonder opsmuk, met de bedoeling de Spijkenissers iets van hun historische achtergrond te doen begrijpen. Zo ook hoorden complete jaargangen van eersteklassers van het voortgezet onderwijs van hem, waarschijnlijk voor het eerst, dat de (pre)historie van Putten zo'n 3000 voor Chr. is begonnen. Ongetwijfeld heeft hij ze ook verteld dat straatnamen in de wijk Waterland aan die oudste bewoners bij Hekelingen, van de zogenaamde Vlaardingen-cultuur, herinneren.
Voor het archeologisch onderzoek binnen de gemeente Spijkenisse, maar ook daarbuiten, is Jan van onschatbare waarde geweest. Ook al voor 1979, toen hij de kruidenierszaak aan kant deed en gemeente-ambtenaar voor historische zaken werd, stimuleerde hij dat onderzoek waar hij kon. Na dat jaar werd dat zo mogelijk nog intenser: hij maakte overheden warm, stimuleerde, bemiddelde, streek plooien glad, kortom: hij maakte veel opgravingen mogelijk. Veel instanties op archeologisch gebied zijn hem er nog dankbaar voor. Van al die opgravingen lagen hem er twee bijzonder na aan het hart. Die van de Vlaardingen-cultuur in Hekelingen en die van het Romeinse grafveld in Spijkenisse Hartel-West. Tot zijn verdriet was over „Hekelingen" nog geen definitieve publicatie verschenen, ondanks zijn vriendelijk, maar onophoudelijk aandringen. Het eindverslag over het Romeinse grafveld was al gedrukt, het verschijnen ervan in BOOR-balans II heeft hij niet meer mogen beleven. Al dat organiserende werk op de achtergrond en vooral de manier waarop hij dat deed - vriendelijk, innemend en toch recht op het doel afgaand, vasthoudend - leidden ertoe dat hij een veelgevraagd man was voor allerlei bestuurlijke functies. „Iemand moet het toch doen" heeft hij daarover weieens gezegd. Zo ook werd hij in 1980 bestuurslid van „De Nieuwe Maas"; vanaf 1982 tot zijn afscheid in 1992 was hij afdelingssecretaris. Op AWN-opgravingen zag je hem in die jaren niet zoveel, maar hij wist heel goed wat er allemaal speelde. Binnen het bestuur van de afdeling vervulde Jan een centrale rol. Veel leden zal dat ontgaan zijn, maar wie zijn vragen en opmerkingen bij lezingen heeft gehoord, zal begrijpen waarom. Niet alleen getuigden zij van grote kennis, maar de wijze waarop hij ze naar voren bracht, maakte dat men er niet omheen kon. Zo was het ook in bestuursvergaderingen. Dat in 1986 een speciaal Westerheemnummer, geheel door onze afdeling verzorgd, kon verschijnen, was voor een belangrijk deel aan zijn initiatief toe te schrijven. Die stimulerende rol kon hij helaas door zijn ziekte niet meer vervullen. Als archeologische en historisch geweten van „zijn" Spijkenisse en Putten, maar vooral als mens die een warme belangstelling had voor de ander in verleden en heden, zullen allen die hem hebben gekend, hem zeer missen. Rob de Graad, oud-voorzitter AWN-afd. 9: De Nieuwe Maas
11
Agenda Lezingen 2 maart Afd. Zuid-Salland - IJsselstreek - Oost-Veluwezoom. M. Smit. Opgravingen in Kampen. Gemeente-archief, Klooster 3, Deventer. 20.00 uur. 8 maart Afd. Naerdincklant. A. C. van der Kuyl. Archeologie en DNA. Recent onderzoek naar prehistorische resten van menselijk en dierlijk DNA. Goois Museum, Kerkbrink 6, Hilversum. 20.00
9 maart Afd. Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland. J. Tersteeg. De geschiedenis van het dorp Renkum tijdens de middeleeuwen, in het bijzonder de rol van het Renkumse vrouwenklooster van Onze Lieve Vrouw (1405-1635). Tevens jaarvergadering. Cultureel Centrum de Coehoorn, Coehoornstraat 17, Arnhem. 19.45 uur. Afd. Utrecht e.o. W. Groenman-van Waateringe. De waarde voor de archeologie van de vondst van de gletsjer-man. Pieterskerk, Pieterskerkhof 5, Utrecht. 20.00 uur. 21 maart Afd. Kennemerland. W. Roebroeks. Vroegste Prehistorie van Europa. Archeologisch Museum Haarlem, Grote Markt 18, Haarlem. 20.00 uur. 22 maart Afd. Den Haag e.o. O. Brinkkemper. Landschap, bewoning en voedseleconomie van Voorne-Putten gedurende de Ijzertijd en de Romeinse tijd. Museum Scheveningen, Neptunusstraat 92, Scheveningen. 20.00 uur. Afd. Zaanstreek e.o. A. Derks. De tempel van Empel. Dorpsstraat 370, Assendelft. 20.00 uur. 8 april Afd. Noord-Nederland. N. Roymans. De tempel van Empel. Motel Postillon, Haren. 20.00 uur. 12 april (onder voorbehoud) Afd. Naerdincklant. M. Verbrugge. Archeologisch onderzoek naar donken in West-Nederland. Goois Museum, Kerkbrink 6, Hilversum. 20.00 13 april Afd. Utrecht e.o. M. Smit. De Kok-panden te 12
Kampen. Pieterskerk, Pieterskerkhof 5, Utrecht. 20.00 uur. Afd. Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland. B. Goudswaard. Project „Romeinse Maasbrug te Cuijk". Cultureel Centrum de Coehoorn, Coehoornstraat 17, Arnhem. 19.45 uur. 18 april Afd. Kennemerland. P. Floore. Nova Zembla-expeditie 1993. Archeologisch Museum Haarlem, Grote Markt 18, Haarlem. 20.00 uur. 19 april Afd. Zaanstreek e.o. J. Dijkstra en J. Koning. Vroegmiddeleeuwse nederzettingssporen bij molen De Dog in Uitgeest. Dorpsstraat 370, Assendelft. 20.00 uur. 27 april Afd. Zuid-Salland - IJsselstreek - Oost-Veluwezoom. P. de Graauw. Water en woestijn; leven en dood. Een tocht door Oud-Egypte. Gemeente-archief, Klooster 3, Deventer. 20.00 uur. 11 mei Afd. Utrecht e.o. Sprekers uit de eigen afdeling. Pieterskerk, Pieterskerkhof 5, Utrecht. 20.00 uur. Afd. Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland. M. Groothedde. Archeologisch onderzoek naar de verdwenen nederzetting Eme (bij Zuthpen). Cultureel Centrum de Coehoorn, Coehoornstraat 17, Arnhem. 19.45 uur. Verenigingskalender 26 maart: Themadag archeometrie, ROB, Amersfoort 31 maart: Opening themapark Archeon, Alphen aan den Rijn 2 april: Voorjaarsexcursie Zeeland 18 april t/m 19 mei: Graafkamp gevorderden te Weert: Bronstijd 23 april: Afgevaardigdendag, ROB, Amersfoort 14 mei: Algemene ledenvergadering, Archeon, Alphen aan den Rijn 2 juli t/m 16 juli: Graafkamp beginners te Wijk bij Duurstede: Vroegmiddeleeuws 23 juli t/m 14 augustus: Graafkamp gevorderden te Nijmegen: Romeins (vanaf februari worden vrijwilligers gevraagd. Inlichtingen: W. Telleman, tel. 074-665132) 1 oktober: ,Najaarsexcursie 5 november: Afgevaardigdendag, ROB, Amersfoort Inlichtingen Graafkampen: B. Ch. van Hulst, tel. 03402-60356.
VERENIGINGSNIEUWS april 1994 Redactie: Mevr. M. F. van Oorsouw, Buizerdhorst 17, 2317 DA Leiden
Ter inleiding
Hoofdbestuursnieuws
Even voorstellen: een nieuw katern, een nieuwe redacteur! Met ingang van dit nummer verlaat André Numan onder dankzegging de redactie van Westerheem en zal de redactie van het verenigingskatern voortaan door mij verzorgd worden. Mijn naam is Marie-France van Oorsouw en ik ben secretaris van de afdeling Rijnstreek. In het verleden heb ik verschillende functies binnen de NJBG bekleed, maar zo langzamerhand werd ik te oud voor deze bond. Het is dan tijd om plaats te maken voor nieuw, jong talent. Het lijkt mij daarom interessant om mijn activiteiten te verleggen naar de AWN, een mijns inziens logische overstap. Mijn enthousiasme voor de archeologie in al haar facetten is namelijk nog lang niet bekoeld (ik ben inmiddels afgestudeerd prehistoricus). Het was daarom voor mij een aangename verrassing, toen de redactie mij vroeg om de verzorging van dit katern op mij te nemen. Ik zal dat graag doen, maar ik denk dat mijn rol hierin op de eerste plaats coördinerend zal moeten zijn. Dat wil zeggen: ik ga er vanuit dat de informatie in het katern moet worden aangedragen door het bestuur, de afdelingsbesturen en vooral door de leden zelf. Dat laatste geldt in het bijzonder voor de nieuwe rubriek „Troffeltjes", die met ingang van dit nummer in het katern zal verschijnen. Het is de bedoeling dat dit een service-rubriek wordt, met vraag en aanbod voor leden. Het kan bijvoorbeeld zijn dat iemand graag een ander een plezier wil doen met zijn of haar oude jaargangen Westerheem, of op zoek is naar informatie over het voorkomen van Wommersomkwartsiet in NoordNederland. Kortom, het maakt niet uit, als de inhoud maar direct met de archeologie of de AWN te maken heeft.
Genomineerden bronzen legpenning 1994 De bronzen AWN-legpenning wordt jaarlijks toegekend aan een lid dat zich in het bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt voor de AWN. Dit jaar zal tijdens de algemene ledenvergadering op 14 mei voor de tweede maal deze onderscheiding worden uitgereikt. Bij het hoofdbestuur zijn de volgende leden voorgedragen: mevrouw W. Kreukniet te Emmeloord, door afdeling 23 de heer D. van der Kooij te Voorschoten, door afdeling 6 de heer H. H. J. Lubberding te Twello, door de afdelingen 18, 19 en 20 de heer W. N. Tuijn te Nijmegen, door afdeling 16. Op 14 mei a.s. zal het hoofdbestuur aan u bekend maken aan welke van deze vier kandidaten de bronzen legpenning wordt uitgereikt. Het hoofdbestuur staat voor de zware taak een keuze te moeten maken uit deze vier stuwende krachten binnen de AWN.
Inzendingen gaarne aan het redactie-adres: M. F. van Oorsouw Buizerdhorst 17, 2317 DA Leiden
Archeon Bij het verschijnen van dit nummer zal ARCHEON, na een spectaculaire opening, omlijst door historische manifestaties door heel Nederland en daarbuiten, inmiddels geheel „in bedrijf' zijn. De AWN is in ARCHEON ruim vertegenwoordigd; we hebben de gehele bovenverdieping van het huis van de schoenmaker (Voorburg) ter beschikking, zoals u reeds in het vorige nummer heeft kunnen lezen. Op deze plaats dient zeker nog even gememoreerd te worden, dat de ARCHEON-commissie de laatste maanden keihard gewerkt heeft om alles voor elkaar te krijgen. Complimenten! De eerste tentoonstelling die te zien is, is ver-
1
zorgd door de afdelingen 17, 18 en 19, oftewel Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland, Zuid-SallandIJsselstreek-Oost-Veluwezoom en Twente. Een typisch oostelijke aangelegenheid. Met de verwachte grote bezoekersaantallen biedt ARCHEON een unieke gelegenheid om de aandacht van een zeer groot geïnteresseerd publiek op de AWN te vestigen. Alle suppoosten wordt veel succes toegewenst.
Verenigingskalender 18 april t/m 19 mei: Graafkamp gevorderden te Weert: Bronstijd 14 mei: Algemene ledenvergadering, Archeon, Alphen aan den Rijn 2 juli t/m 16 juli: Graafkamp beginners te Wijk bij Duurstede: Vroegmiddeleeuws 23 juli t/m 13 augustus: Graafkamp gevorderden te Nijmegen: Romeins (vanaf februari worden vrijwilligers gevraagd. Inlichtingen: W. Teileman, tel. 074-665132) 1 oktober: Najaarsexcursie 5 november: Afgevaardigdendag, ROB, Amersfoort Inlichtingen Graafkampen: B. Ch. van Hulst, tel. 03402-60356. (Zie ook elders in dit katern).
Ledenservice Via de AWN-Ledenservice is een klein aantal exemplaren te koop van het boekje Graven naar Friese Koningen, met als ondertitel: De Opgravingen te Wijnaldum. Het werkje is geschreven door J. C. Besteman, J. M. Bos en H. A. HeidingaDe spectaculaire resultaten van de opgravingen in de Wijnaldumer terp spreken tot de verbeelding. Alles wijst erop dat zich hier in de vroege middeleeuwen een belangrijke nederzetting bevond. Woonden hier Friese koningen? Op die vraag is nog geen definitief antwoord te geven. Veel fascinerende vragen kunnen in het rijk geïllustreerde boek, dat geleverd wordt met een speciale Wijnaldum-penning, al wel beantwoord worden. Het boek met de penning kunt u bestellen door een briefkaart te sturen aan AWN-Ledenservice, p/a J. C. Bakker, Neckarstraat 10, 8226 LL Lelystad. De kosten bedragen ƒ 29,50 per exemplaar, inclusief verzendkosten. Zoals gezegd, het aantal exemplaren is beperkt, dus wie het eerst komt, het eerst maalt!
AWN-graaf kampen 1994 Weert 18 april t/m 19 mei Het graafwerk bestaat uit grafheuvelonderzoek, tekenen, waterpassen, administreren en computergebruik. De wetenschappelijke leiding is in handen van J. H. F. Bloemers en zijn assistent A. Numan. Deze graafweken zijn bedoeld voor AWN-ers die tenminste éénmaal aan een studie- of veldwerkcursusweek hebben deelgenomen. (Voor meer informatie over het project zie Westerheem 1 1989, blz. 42). De kosten bedragen ƒ 150,-. Er kan een beperkt aantal AWN-leden aan deze graafweken deelnemen. Aanmelding zo spoedig mogelijk. Wijk bij Duurstede 2 juli t/m 16 juli Deze veldwerkcursus is bestemd voor beginnende veldwerkers. Er wordt tweemaal een cursus van één week gegeven. Tijdens de cursus wordt instructie gegeven in basistechnieken van het archeologisch onderzoek. Daarnaast wordt een lezing- en excursieprogramma samengesteld. De wetenschappelijke leiding is in handen van W. J. H. Willems. De opgraving betreft een vroegmiddeleeuwse agrarische nederzetting bij Dorestad. De kosten bedragen ƒ 255,- per week. Per twee weken: ƒ 475,-. Nijmegen 23 juli-30 juli 30 juli-6 augustus 6 augustus-13 augustus Ook dit graafkamp is bedoeld voor gevorderde AWN-leden die minstens eenmaal aan een veldwerkcursus hebben deelgenomen. De opgraving van de Romeinse nederzetting Ulpia Noviomagus in het zgn. Waterkwartier (een gedeelte van de stad Nijmegen) is het doel van ons graafkamp. De gemeente Nijmegen, in de persoon van J. Thijssen, doet al enkele jaren onderzoek op deze locatie. Het onderzoek heeft niet alleen betrekking op de aard en de ontwikkeling van de Romeinse nederzetting, maar ook op haar bewoners, hun middelen van bestaan, hun handel, hun rijkdom en hun religie. Naast het graven wordt ook hier een excursie- en lezingprogramma verzorgd. De kosten bedragen ƒ 255,- per week. Voor twee weken: ƒ 475,-.
Aanmelding voor Wijk bij Duurstede, Weert en Nijmegen vóór 20 mei aan: B. Ch. v. Hulst, Graaf Wigboldhof 4, 3434 SM Nieuwegein, tel. 03402-32593 (overdag) en 03402-60356 ('s avonds); W. Teileman, Weerselosestraat 78, 7623 DB Borne, tel. 074-665132. Na aanmelding krijgt u een aanmeldingsformulier toegestuurd. Alleen na het storten van het cursusgeld wordt u voor de desbetreffende week ingeschreven en krijgt u op een later tijdstip de benodigde informatie over het kamp.
Graven in het buitenland Van Forum (zie katern februari 1994) ontvingen wij een voorlopige opgave van mogelijkheden om in het buitenland actief te zijn. Belangstellenden kunnen nadere informatie (juiste locatie, kosten, naam en adres contactpersoon) aanvragen door op het AWN-antwoordapparaat naam en adres in te spreken plus het nummer van het gewenste project. Een schriftelijk verzoek aan de algemeen secretaris kan natuurlijk ook. Men dient zelf contact te leggen. Nr. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 II 12 13 14 15 16 17 18 19 20
Land België Slovenië Slovenië Frankrijk Frankrijk Tsjechië Tsjechië Italië Italië Italië Italië Italië Italië Italië Italië Italië Italië Italië Italië Italië
Plaats Pietersh. Podbocje Podbocje Aix Prov. Marseille Praag Ustek Tarquinia Ischia Ischia Falerii Falerii Falerii Tuscania Tuscania Tuscania Tolfa Tolfa Tolfa Tolfa
Datum 9-26/8 4-15/7 18-29/7 10-31/7 10-31/8 10-25/7 10-25/7 11-25/9 9-23/7 23/7-6/8 16-30/7 30/7-13/8 13-27/8 16-30/7 30/7-13/8 13-27/8 23/7-6/8 6-20/8 20/8-3/9 11/9-25/9
Periode midd. kast. midd. kast. midd. kast. gemengd midd. eeu preh. midd. eeu etrusk rom. + midd. rom. + midd. rom. rom. rom. etrusk etrusk etrusk etr. + rom. etr. + rom. etr. + rom. etrusk
Leeftijd min. 18 min. 18 min.18 14-35 rest. 14-30 18-35 research opgr. 18-35 fietstocht min. 14 opgr. min. 14 opgr. min. 14 opgr. min. 14 min. 14 opgr. opgr. min. 14 opgr. min. 14 opgr. min. 14 opgr. min. 14 min.14 opgr. opgr. min. 14 opgr. min. 14 rest. min. 14 Akt. opgr. opgr. opgr.
Afdelingsnieuws Afd. 3: Zaanstreek en omstreken In 1993 zijn in Zaandam en Akersloot wederom
enkele fragmenten van zogenaamde Sevillakruiken gevonden. Ze werden tot nu toe alleen vermeld uit Amsterdam. De kruiken werden gebruikt voor het vervoer van wijn en honing. Afd. 5: Amsterdam en omstreken Het opgraven van een terp blijft, als die gelegenheid zich eens voordoet, altijd een bijzonder boeiende bezigheid. Een terpopgraving aan de Ouddiemerlaan in Diemen leverde, door de venige omstandigheden ter plaatse, onder andere vele mooie houten voorwerpen op. Zo konden er onderdelen van een krukje, een houten lepel, een speelschijfje en een duigenbakje geborgen worden. De vondst van vier essehouten borden was het meest bijzonder. Afd. 6: Rijnstreek Bij een onderzoek aan de Coenesteeg in Leiden is voor het eerst in de binnenstad van deze gemeente Romeins materiaal „in situ" aangetroffen. Een spoor, wat het meest leek op een middeleeuwse kavelsloot of erfscheiding, liep dwars door een Romeinse greppel heen. Hierin werd interessant importaardewerk gevonden. Afd. 11: Lek- en Merwestreek In het najaar van 1993 was de afdeling opnieuw in de gelegenheid een woonheuvel te onderzoeken in Molenaarsgraaf. De eerste bewoning van deze heuvel bleek te beginnen als vlaknederzetting direct op het veen in de eerste helft van de 12e eeuw, met aanwijzingen voor leembouw. Ook in de 13e eeuw is er bewoning aan te tonen. In het laatste kwart van de 13e eeuw wordt er fors opgehoogd, tot grofweg een meter boven het oorspronkelijke nederzettingsniveau. Afd. 18: Zuid-Salland-IJsselstreekOost-Veluwezoom Op het industrieterrein „De Zegge" in Raalte zijn door leden van de afdelingen 18 en 20 de sporen onderzocht van een grafveld uit de midden-ijzertijd en een 1 le-/12e-eeuws boerderijterrein. Het grafveld omsloot 1,1 hectare, met in totaal meer dan 80 door greppels omgeven grafplaatsen. Er werden weinig bijgiften gevonden. Mogelijk bestaat in de toekomst de gelegenheid om de bij het grafveld behorende nederzetting op te sporen; een proefboring hiernaar heeft hoopvolle resultaten opgeleverd. Het boerderijterrein leverde de sporen van drie gebouwen op: een zware 12-palige schuur, een boerderijplattegrond en nog een gebouw. Het complex was in ieder geval aan één zijde omgeven door een palissade.
Agenda 11 mei Afd. Utrecht en omstreken. Sprekers uit de eigen afdeling. Pieterskerk, Pieterskerkhof 5, Utrecht. 20.00 uur. Afd. Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland. M. Groothedde. Archeologisch onderzoek naar de verdwenen nederzetting Eme (bij Zutphen). Cultureel Centrum de Coehoorn, Coehoornstraat 17, Arnhem. 19.45 uur. 19 mei Afd. Lek- en Merwestreek/Vereniging Oud Gorinchem. M. Poldermans. Archeologie in het algemeen en stadsarcheologie in het bijzonder. Wijkgebouw „De Heul", Nieuwe Haven 143, Gorinchem. 20.00 uur. 28 mei Afd. Noord-Nederland. Wandeling langs het Lonerdiep, o.l.v. O. H. Harsema, duur ± 2'A uur. Vertrek vanaf café Labouche, Loon. 13.00 uur.
Symposium: „Cirkels in het gras; rituelen in de bronstijd" 25 mei, Sector Stadsontwikkeling van de gemeente Zwolle. Buitensociëteit (grote zaal), Stationsweg 1, Zwolle. Kosten: ƒ 40,- p.p. inclusief lunch. Meer informatie: J. de Jong, tel. 038-982465.
Troffeltjes Servicerubriek voor en door leden. Inhoud moet direct met de AWN of de archeologie te maken hebben en mag maximaal dertig woorden beslaan. Sluitingsdatum kopij: zie colofon. Opgave: M. F. van Oorsouw Buizerdhorst 17 2317 DA Leiden De redactie behoudt zich het recht voor advertenties te wijzigen of te weigeren.
VERENIGINGSNIEUWS juni 1994 Redactie: Mevr. M. F. van Oorsouw, Buizerdhorst 17, 2317 DA Leiden
Enquête Onlangs is door dhr. H. Blanken, student aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, een enquête gehouden onder leden van de AWN en potentiële leden daarbuiten. Sommigen van u zullen zich ongetwijfeld herinneren hieraan meegewerkt te hebben. De enquête betrof onder andere de mening over de AWN, mate van betrokkenheid en mening over Westerheem. De resultaten zijn samengevat in een boekje, dat tegen kostprijs (ƒ 10,00 per stuk, incl. verzendkosten) besteld kan worden bij de vice-voorzitter, dhr. H. Wieringa, Meyerinksberg 16, 7641 RZ Wierden.
Voorjaarsexcursie Onze voorjaarsexcursie naar Zeeland heeft inmiddels plaatsgevonden. Wij bezochten twee musea, waaronder het Museum voor Noord- en Zuid-Beveland in Goes. Wonderbaarlijk, dat zo'n
betrekkelijk kleine plaats zo'n fraai en groot museum herbergt! Hoofdmoot van de excursie was het verdronken dorp Nieuwlande. Volledig de moeite waard. Dat wij zelf bijna verdronken in een flinke hoosbui, is slechts een kleine kanttekening. De stemming verdronk in elk geval niet. Het geheel werd verzorgd door de afdeling Zeeland (bravo voor de heer Van der Linden!). Dat het een fijne en leerzame dag opleverde, spreekt vanzelf. H. Wieringa
Advertenties in Westerheem Door de stijging van de kosten van het drukken van Westerheem, die sneller gaat dan de gevraagde contributieverhoging, legt Westerheem een steeds groter beslag op de middelen van de AWN. Om toch de kwaliteit van ons blad op peil te kunnen houden, wil de redactie meer advertenties in Westerheem opnemen, maar heeft geen tijd beschikbaar om potentiële adverteerders te benaderen.
AWN'ers op de resten van het Kasteel van Nieuwlande (foto J. Sanders, Eindhoven).
Wellicht is er onder onze leden een aantal met ervaring op dit acquisitiegebied. De vraag van het hoofdbestuur is, of deze leden zich beschikbaar willen stellen om een kleine commissie te vormen en actief adverteerders te benaderen. Als u deze kennis heeft, wilt u zich dan in verbinding stellen, schriftelijk of telefonisch, met de voorzitter, P. K. J. van der Voorde, Laan van Vollenhove 560 bis, 3706 AA Zeist, tel. 0340450189.
Verenigingskalender 2 juli t/m 16 juli: Graafkamp beginners te Wijk bij Duurstede: Vroegmiddeleeuws. 23 juli t/m 13 augustus: Graafkamp gevorderden te Nijmegen: Romeins. Tevens vrijwilligers gevraagd. Inlichtingen graafkampen: W. Teileman, tel. 074-665132. 24 juli t/m 13 augustus: Forum-kamp bij Ede-Renkum, zie elders in dit katern. 8 oktober t/m 22 oktober: AWN-excursie naar Jordanië, zie elders in dit katern. 22 oktober: Najaarsexcursie, zie elders in dit katern. 5 november: Afgevaardigdendag, ROB, Amersfoort.
Najaarsexcursie De datum voor de najaarsexcursie is verschoven van 1 oktober naar 22 oktober. Het voorlopig programma: ± 10.00 u. verzamelen station Alkmaar museumbezoek en/of stadswandeling lunch per bus naar regio voor opgravingsbezoek/museum ± 17.00 u. aankomst station Alkmaar De afdeling Noord-Holland Noord staat in de startblokken om één en ander te organiseren, het definitieve programma komt in nr. 4 van Westerheem. Dan zal er ook gelegenheid zijn om u op te geven.
De definitieve datum wordt nu alvast bekendgemaakt, zodat u deze in uw agenda kunt noteren. Tot ziens!
Forum Kamp bij Ede-Renkum - 24 juli tot 13 augustus Naast de in Westerheem 1994.2 in het katern aangekondigde mogelijkheden om aan kampen in het buitenland deel te nemen, zal in Nederland een kamp voor buitenlanders en Nederlanders worden gehouden op de in de kop genoemde plaatsen en tijden. De deelnemers zullen meewerken aan het realiseren van een TRAP-route (TRAP = Toeristisch Recreatief Archeologisch Project). Vijf ANWBfietsroutes bestaan reeds in dit gebied, elk met een kleine archeologische component, naast andere toeristische elementen. In samenspraak met de beide gemeenten, het Recreatieschap en de Provincie zullen er ook fiets- en wandelroutes worden ontwikkeld met een overwegend cultuurhistorisch karakter. Eén ervan wordt deze zomer in uitvoering genomen: de fietsroute Ede-Renkum. Inmiddels is de route in grote lijnen bekend; er wordt druk overleg gevoerd met de terrein-eigenaren over de consolidatie van de archeologische monumenten. De opzet is dat de deelnemers aan dit internationale zomerkamp de grafheuvels en andere monumenten restaureren en voor het publiek toegankelijk maken. De werkzaamheden bestaan vooral uit maaien, afplaggen, herstellen van wallen en heuvels, verwijderen van opslag en het rooien van bomen. Voor het zware werk zijn machines beschikbaar. Het betreft uitsluitend herstelwerkzaamheden; er worden geen opgravingen verricht. De organisatie is in handen van de ROB, AWN en NJBG. De heer J. Noordam van de ROB is beschikbaar voor de technische begeleiding. De kosten voor de eerste fase van dit project, ruim ƒ 83.000,-, worden deels gedekt door de beide gemeenten en de provincie. Voor het ongedekte deel zal een subsidie worden verstrekt door APARE, een door de Europese Unie gesubsidieerde instelling, en neemt de ROB de rest voor haar rekening. APARE zorgt voor de bekendmaking in het buitenland. De Nederlandse medewerkenden geven via hun organen bekendheid aan dit kamp. AWN-leden kunnen zich voor dit kamp opgeven bij de algemeen secretaris a.i., Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad. Onderdak is mogelijk op een camping nabij het werkterrein en naar een
schoolgebouw wordt nog gezocht. De kosten per week voor de deelnemers zullen 70 ECU bedragen, rond ƒ 150,-. Het hoofdbestuur hoopt op een ruime deelname van AWN-zijde, zonder dat de aandacht voor onze eigen kampen hieronder hoeft te lijden.
Vormontwikkeling van laat- en postmiddeleeuws glas uit opgravingen. Museum Flehite, Westsingel 50, Amersfoort, 20.00 uur.
AWN-excursie 8-22 oktober naar Jordanië
Afdelingsnieuws Afd. 7: Den Haag en omstreken De Werkgroep 's-GRAVENhage van deze afdeling heeft op 27 mei jl. de Anjerstaf 1994 van het Anjerfonds 's-Gravenhage ontvangen. Meer informatie in Westerheem nr. 4. Afd. 11: Lek- en Merwestreek Rectificatie In Westerheem nr. 2 van dit jaar stond in deze rubriek abusievelijk vermeld, dat de woonheuvel in Molenaarsgraaf, die afdeling 11 onlangs onderzocht, voor het eerst bewoond werd in de eerste helft van de twaalfde eeuw. Dit moet echter zijn de tweede helft van de twaalfde eeuw.
Agenda 22 juli t/m 15 augustus Afd. Zuid-Salland-IJsselstreek-Oost-Veluwezoom.
Opgraving Nieuwmarkt Deventer, informatie bij M. Groothedde, tel. 05750-12157. 28 september Afd. Zuid-Salland-IJsselstreek-Oost-Veluwezoom.
H. Bonke (IPP, Amsterdam). „Het Behouden Huys" op Nova Zembla. Gemeente-archief, Klooster 3, Deventer, 20.00 uur. 6 oktober Afd. Vallei en Eemland. Mw. S. G. van Dockum. Hereboeren en keuterboeren langs de Kromme Rijn in de Romeinse tijd. Museum Flehite, Westsingel 50, Amersfoort, 20.00 uur. 29 oktober Afd. Zuid-Salland-IJsselstreek-Oost-Veluwezoom.
Symposium over stadsarcheologie, stadsarchief Zutphen.
Kosten ca. ƒ 7,50 p.p. 24 november Afd. Vallei en Eemland. J. F. P. Kottman (ROB).
De AWN-excursie 1994 zal ons voeren naar Jordanië, het gebied waar de neolithische revolutie zo'n 11.000 jaar geleden begon en waar sindsdien veel beschavingen hebben gebloeid en ten onder zijn gegaan. Jordanië is heel lang een „vergeten" gebied geweest. Vanaf de 13e t/m de 18e eeuw zijn er geen berichten bekend. Pas in de 19e eeuw beginnen de eerste berichten van ontdekkingsreizigers te komen. Samen met het klimaat heeft deze vergetelheid gezorgd dat de oudheden in het land perfect bewaard gebleven zijn. Het toerisme begint nu op gang te komen, maar is nog steeds niet erg omvangrijk. Onze route zal grotendeels samenvallen met de „Weg der Koningen", een vierduizend jaar oude karavaanweg door Oost-Jordanië, die Syrië met de Rode Zee verbond en nog steeds in gebruik is. In de bijbel wordt deze weg al vermeld. Schriftrollen Na de opzienbarende nieuwe ontdekking van verbrande papyrusrollen in Petra in 1993 is een plan voor de restauratie opgesteld, die in september a.s. van start zal gaan in het American Centre for Oriëntal Research (ACOR) in Amman. Ons gezelschap is uitgenodigd in het ACOR, waar wij rondgeleid zullen worden en een uitleg zullen krijgen over de restauratie. De al eerder bekende Dode Zee-rollen zijn voor een deel te zien in het archeologisch museum in Amman op de citadel. Ook de rest van de museumcollectie is zeer de moeite waard. O.a. de vondsten uit Jericho bevinden zich hier en de gepleisterde beelden uit de recent ontdekte vroegneolithische nederzetting Ain Ghazal (7000 v.Chr.), vlakbij Amman. De nederzetting is nog in onderzoek en zal ook door ons bezocht worden. Deir Alla In de Jordaanvallei ligt een groot aantal woonheuvels, of tells, waaronder Deir Alla en vlak daarbij Saidiyeh. Deir Alla is al sinds de jaren vijftig een onderzoeksproject van de universiteit van Leiden en stamt uit de late bronstijd. Vermoedelijk heeft hier een heiligdom gelegen. Van een aantal grote ovens, die hier eerder opgegra-
ven zijn, is de functie niet bekend. In Deir Alla is een aantal geschriften gevonden, die op een gepleisterde muur waren aangebracht in het vroegAramees, de taal die in het hele gebied gesproken werd vanaf circa 1000 v.Chr. Decapolis De Decapolis-steden in Noord-Jordanië en Syrië vormden een vrij zelfstandig Romeins gewest. De steden waren zeer welvarend en zijn uitzonderlijk goed geconserveerd. Extra aandacht krijgt de stad Gadara (tegenwoordig Umm Qeis), waar het Deutsches Evangelisches Institut für Altertumswissenschaft al jarenlang onderzoek verricht. Ten oosten van de Decapolis zullen we een aantal van de vroegmiddeleeuwse woestijnburchten bezoeken. Mozaïeken Nebo is de berg waar Mozes op 120-jarige leeftijd de laatste adem uitblies, nadat hij het Heilige Land had mogen zien. Hij zou hier ook begraven zijn. Zowel hier als in het nabijgelegen Madaba zijn nog zeer fraaie mozaïeken te zien uit Byzantijnse 5e- en 6e-eeuwse kerken. In de Joriskerk in Madaba bevindt zich het bekende mozaïek met de Palestinakaart, waarop o.a. het 5e-eeuwse Jeruzalem is afgebeeld. In Jordanië zijn veel plaatsen waar bijbelse gebeurtenissen plaatsgevonden zouden hebben, zoals de grot van Lot, het kasteel van Herodes, de rots waaruit Mozes een bron deed ontstaan door ertegen te slaan, enz. enz. Petra Meer zuidelijk ligt Petra, de rozerode stad, die in de rotsen is uitgehouwen. Petra was de hoofdstad van het rijk van de Nabateeërs, een Arabisch woestijnrijk, dat van de 4e eeuw voor tot de 4e eeuw na Christus heeft bestaan. De Nabateeërs waren zeer welvarend en leefden aanvankelijk van het beroven c.q. „beschermen" van langskomende karavanen. Later werden zij zelf handelaars. Vanaf 106 n.Chr. vielen zij onder de Romeinse invloedssfeer, maar bleven wel grotendeels zelfstandig. De archeologische overblijfselen dateren grotendeels uit de Romeinse tijd, maar ook uit de perioden daarvoor en daarna. Het Jordaanse Department of Antiquities biedt ons in Petra een „Zarbe" aan; een bedouïenenmaaltijd, waarbij het vlees in hete as begraven en gaar gestoofd wordt. Dit zal gebeuren bij Beidha, een nabijgelegen neolithische nederzetting. De reis wordt inhoudelijk begeleid door drs. M. Addink-Samplonius, gemeente-archeoloog van Hilversum. Deelname aan de reis staat open voor AWN-le-
den en hun introducé(e)s. De kosten bedragen ƒ 2875,- p.p. op basis van halfpension en tweepersoonskamers. Eenpersoonskamertoeslag is ƒ 385,-. Uitzondering is Petra, waar eenpersoonskamers niet gegarandeerd kunnen worden (naar een oplossing hiervoor wordt nog gezocht). De technische uitvoering ligt in handen van de reisorganisatie Voyage & Culture (Prinsengracht 783-785, 1017 JZ Amsterdam, tel. 0206230327), bij wie u zich kunt opgeven en nadere informatie kunt krijgen.
Zijkant van een Byzantijnse Gadara.
sarcophaag uit
Troffeltjes Te Koop: Van rendierjager tot ontginner I (1956) t/m XI (1966). ƒ 35,00, excl. verzendkosten. L. van der Valk, Soestdijksekade 790, 2574 ED Den Haag, tel. 070-3802546. Gezocht: alles (boeken, folders, enz.) over grotten en prehistorische grot- en schilderkunst. Graag uw aanbiedingen aan: H. W. de Swart, Koolstraat 56, 2312 PT Leiden, tel. 071-210152 ('s avonds) of 070-3165450 (overdag). Inhoud van een „troffeltje" moet direct met de AWN of de archeologie te maken hebben en mag max. 30 woorden bevatten. Sluitingsdatum kopij: zie colofon. De redactie behoudt zich het recht voor advertenties te wijzigen of te weigeren.
VERENIGINGSNIEUWS augustus 1994 Redactie: mevr. M. F. van Oorsouw, Buizerdhorst 17, 2317 DA Leiden
Oproep
Verenigingskalender
Op de algemene ledenvergadering in ARCHEON op 14 mei 1994 heeft het hoofdbestuur de aanwezigen helaas moeten mededelen, dat de landelijk secretaris, mevrouw Willy Diemer, per 15 april haar werkzaamheden had beëindigd. Als noodmaatregel nam de kandidaat-penningmeester, J. C. Bakker, het secretariaatswerk over en bleef de aftredende penningmeester, J. D. F. Hardenberg, voorlopig zijn functie voortzetten.
8 oktober t/m 22 oktober: AWN-excursie naar Jordanië, zie katern nr. 31994.
Het hoofdbestuur plaatst daarom deze oproep in Westerheem voor het vervullen van de functie van landelijk secretaris. Als u kandidaat wilt zijn of een door u geschikt geachte kandidaat wilt voorstellen voor deze functie, zal het hoofdbestuur dit gaarne vernemen. De landelijk secretaris verricht het gebruikelijke secretariaatswerk, ontvangt de ingekomen post en verwerkt die in het werkarchief, heeft de AWN-telefoon met antwoordapparaat en fax, notuleert bij de vergaderingen van het hoofdbestuur en dagelijks bestuur, de afgevaardigden- en de algemene ledenvergadering. Verder geeft deze het jaarverslag uit met aanlevering door de andere bestuursleden, levert kopij voor het verenigingskatern, geeft een aantal malen per jaar een bulletin uit voor de afdelingen en verzorgt per 2 jaar het adressenboekje. Verder neemt de algemeen secretaris deel aan de vertegenwoordiging van de AWN naar andere organisaties. In verband met de internationale contacten is kennis van de Engelse taal in woord en geschrift vereist. Het kunnen werken met een tekstverwerker met printer vereenvoudigt het werk. Hoofdbestuursleden ontvangen geen beloning, maar een vergoeding van gemaakte kosten.
Nadere inlichtingen worden verstrekt door de algemeen voorzitter, P. K. J. van der Voorde, tel. 03404-50189, of door de waarnemend algemeen secretaris, J. C. Bakker, tel. 03200-54808.
22 oktober: Najaarsexcursie, zie katern nr. 3-1994. 5 november: Afgevaardigdendag, ROB, Amersfoort.
Anjerstaf-1994 voor de Werkgroep 's-GRAVENhage In het Haags Historisch Museum, gevestigd in de voormalige Sint Sebastiaansdoelen, werd op 27 mei j.1. de Anjerstaf-1994 uitgereikt aan de Werkgroep 's-GRAVENhage, die zich binnen het werkgebied van de AWN-afd. Den Haag e.o. bezighoudt met verkenning en onderzoek van het Haagse grondgebied. In de motivering werd gewezen op de belangrijke bijdrage die de Werkgroep heeft geleverd aan de vermeerdering van de kennis omtrent bewoning en bewoners van het Haagse grondgebied door de eeuwen heen. De secretaris van de Werkgroep, mevr. Ties van Venetië, nam het onderscheidingsteken, met het daaraan verbonden geldbedrag van f 10.000,-, in ontvangst uit handen van de voorzitter van het Anjerfonds 's-Gravenhage, mevr. Cathrien van Herwaarden-Canneman (zie foto). De zaal, waarin de uitreiking plaatsvond, was „aangekleed" met kunstwerken die - in het kader van de tentoonstelling „Sebastiaan, martelaar of mythe" met elkaar een eigentijdse invulling gaven van met name de mythe. Behalve de reeds genoemden voerden ook de voorzitter van de AWN-afd. Den Haag e.o., Bram van den Band, en de stadsarcheologe van Den Haag, mevr. Renée Magendans, het woord. Eerstgenoemde ging in op de
1
hun handen gehad, terwijl veel „buitenstaanders" ook bekend zijn met het in en op de grond voorkomen van gebroken aardewerken pijpjes van onze voorouders . .. De grote populariteit waarin de pijpekop zich1" mag verheugen was in 1975 voor de AWN aanleiding om er een boek over uit te geven. Het werd AWN-monografie nummer 2: Pijpelogie vorm, versiering en datering van de Hollandse kleipijp. Geschreven door F. H. W. Friederich. In 1991 volgde een herdruk, waarvan nu weer een aantal exemplaren bij de AWN-Ledenservice te bestellen is. Het boek telt 134 pagina's, bevat honderden afbeeldingen met beschrijvingen van pijpekopjes en mag daarom gerust als een standaardwerk betiteld worden. Voor AWN-leden is de prijs fl. 22,50 (exclusief portokosten).. Bestellen kunt u op de gebruikelijke wijze, door een kaartje te sturen aan AWN-Ledenservice, Neckarstraat 10, 8226 LL Lelystad.
Impressie kamp Wijk bij Duurstede Mevr. Ties van Venetië (rechts) neemt het onderscheidingsteken in ontvangst uit handen van de voorzitter van het Anjerfonds 's-Gravenhage, mevr. Cathrien van Herwaarden-Canneman. verhouding tussen afdeling en werkgroepen, laatstgenoemde complimenteerde de werkgroepsleden met hun aandeel in de archeologiebeoefening binnen Den Haag. Het bedrag van f 10.000,- zal, in overleg met het Anjerfonds, worden besteed aan onder meer de aanschaf van een computer, de uitgave van een bouwhistorisch getinte publikatie over OudScheveningen, een promotiefilmpje over de activiteiten van de Werkgroep en - zo mogelijk - de aanschaf van materieel. P. Stuurman
AWN-monografie nr. 2 Pijpelogie herdruk opnieuw (beperkt) verkrijbaar Pijpekoppen: wie kent ze niet? De meeste amateur-archeologen hebben er wel eens eentje in
Het is half acht. Ik heb net de deelnemers van de AWN-graaf/studieweken gewekt. Rustig zittend op een muurtje realiseer ik mij dat dit alweer de laatste dag is. Vanmiddag nog naar de ROB in Amersfoort. Tijd om de indrukken eens op papier te zetten voor het katern. Twee weken en twee groepen. Twee geheel verschillende weken. Door de hulp van San (Vermaas) en Carine (Tummers, red.) zijn deze weken een succes geworden. Ondanks de hitte geloof ik, dat de deelnemers veel geleerd hebben. En dat was natuurlijk de bedoeling van deze veldwerkcursus. De deelnemers van de zogenaamde beginnerskampen zijn vaak van geheel verschillend pluimage. Dit maakt deze kampen dan ook zo boeiend. Men kent elkaar in het begin niet, maar onder het genot van een drankje komt men al snel los en zijn de eerste contacten gelegd. De rest van de week gaat men prettig met elkaar om en verbindt de gezamenlijke interesse, „de archeologie", eenieder. Soms zijn de deelnemers niet van het vlak te slaan of is de stort zo aantrekkelijk, dat men bijna vergeet naar het onderkomen terug te gaan.
Niet iedereen die naar een beginnerscursus gaat, is geheel blanco ten aanzien van opgravingen, sommigen gebruiken de cursus om de puntjes op de i te zetten of om bijvoorbeeld het hoogtemeten op te frissen. Andere deelnemers zijn inderdaad blanco wat betreft de kennis van het opgraven, maar het doet mij altijd deugd te zien hoeveel men opsteekt van de gegeven instructie. Vaak zie ik deelnemers terug in de afdelingen of in de andere graafweken. Ik hoop dat dit ook voor de deelnemers van deze weken geldt. Wim Teileman
Herhaalde oproep: Advertenties in Westerheem Door de stijging van de kosten van het drukken van Westerheem, die sneller gaat dan de gevraagde contributieverhoging, legt Westerheem een steeds groter beslag op de middelen van de AWN. Om toch de kwaliteit van ons blad op peil te kunnen houden, wil de redactie meer advertenties in Westerheem opnemen, maar heeft geen tijd beschikbaar om potentiële adverteerders te benade-
6 oktober Afd. Vallei en Eemland. Mw. S. G. van Dockum. Hereboeren en keuterboeren langs de Kromme Rijn in de Romeinse tijd. Museum Flehite, Westsingel 50, Amersfoort, 20.00 uur. 18 oktober Afd. Zaanstreek en omstreken. Mw. W. Groenman-van Waateringe. Bepaling van de culturele context van de gletschermummie aan de hand van zijn uitrusting. Werk- en expositieruimte, Dorpsstraat 370, Assendelft, 20.00 uur. 29 oktober Afd. Zuid-Salland-IJsselstreek-Oost-Veluwezoom. Symposium over stadsarcheologie, stadsarchief, Zutphen. Kosten ca. f 7,50 p.p.. 15 november Afd. Zaanstreek en omstreken. B. L. van Beek. De V'laardingen-cultuur•. Werk- en expositieruimte, Dorpsstraat 370, Assendelft, 20.00 uur. 15 november Afd. Helinium, A. Carmiggelt. Beerputten als archeologische bron. Boerderij Hoogstad, Westlandseweg 258, Vlaardingen, 20.00 uur.
Wellicht zijn er onder onze leden een aantal met ervaring op dit acquisitiegebied. De vraag van het hoofdbestuur is of deze leden zich beschikbaar willen stellen om een kleine commissie te vormen en actief adverteerders te benaderen. Als u deze kennis heeft, wilt u zich dan in verbinding stellen, schriftelijk of telefonisch, met de voorzitter, P. K. J. van der Voorde, Laan van Vollenhove 560 bis, 3706 AA Zeist, tel. 0340450189.
24 november Afd. Vallei en Eemland. J. F. P. Kottman (ROB). Vormontwikkeling van laat- en postmiddeleeuws glas uit opgravingen. Museum Flehite, Westsingel 50, Amersfoort, 20.00 uur.
Agenda
Deelnemers gevraagd voor zeiltocht met klipper, naar scheeparcheologisch museum te Ketelhaven. Periode: tweede weekend van september. Inlichtingen: J. Sanders, Thijmstraat 24, 5643 DW Eindhoven, tel. 040-112061.
13 september Afd. Helinium. B. Klück (Archeologisch en Bouwhistorisch Centrum gemeente Utrecht). Bouwhistorie en archeologie. Boerderij Hoogstad, Westlandseweg 258, Vlaardingen, 20.00 uur. 28 september Afd. Zuid-Salland-IJsselstreek-Oost-Veluwezoom.
H. Bonke (IPP, Amsterdam). „Het Behouden Huys" op Nova Zembla. Gemeente-archief, Klooster 3, Deventer, 20.00 uur.
Troffeltjes
Inhoud van een „troffeltje" moet direct met de AWN of de archeologie te maken hebben en mag max. 30 woorden bevatten. Sluitingsdatum kopij: zie colofon. De redactie behoudt zich het recht voor advertenties te wijzigen of te weigeren.
Najaarsexcursie 15 oktober 1994 in Noord-Holland Noord U ziet het inderdaad goed. Door omstandigheden is het inderdaad noodzakelijk om de najaarsexcursie een week te vervroegen!!! Dus niet op 22 oktober maar op 15 oktober. Het programma ziet er als volgt uit. 10.00-10.30
Aankomst en ontvangst met koffie en koek in de Grote kerk te Alkmaar.
10.30-11.15
Rondleiding door stadsarcheoloog P. Bitter in de Grote kerk. Er zal aandacht worden besteed aan recente opgraving in het koor.
11.15-12.30
Bustocht naar Schagen, over de binnendijkjes, via Bergen, Schoorl, St. Maarten. Onderweg kunnen we Kasteel Nuwendoorn aandoen. Toelichting in de bus wordt verzorgd door F. Diederik.
12.30-13.30
Lunch aan de Markt nr. 20 bij café-restaurant Peetoom te Schagen.
13.30-13.50
Wandelend (via een aantal bezienswaardigheden) of per bus (voor de ouderen) naar werkruimte van de werkgroep Schagen.
13.50-14.50
Bezoek en rondleiding werkruimte (Kievitlaan nr. 63) van werkgroep Schagen. De historische vereniging Schagen e.o. heeft een expositie over de Romeinse bewoningsgeschiedenis van Schagen in de ruimte ernaast ingericht. Er zijn twee lokalen beschikbaar zodat in twee groepen van 25 gewisseld kan worden. Er zal een theepauze zijn.
15.00-15.45
Bustocht naar Petten, via de Zijpe, Groote Sloot, Burgerbrug.
15.45-16.45
Bezoek aan expositie „Dijk te Kijk" in het nieuwe gebouw van het Hoogheemraadschap te Petten aan de Hondsbosse zeewering, met na afloop borrel.
16.45-17.15
Terugtocht per bus naar Alkmaar CS.
De kosten zijn f 45,- per persoon. Hierbij zijn niet inbegrepen de toegangsprijzen van musea e.d. Sommigen hebben nl. een museum-jaarkaart of iets dergelijks. Dit zou problemen kunnen geven. Introducées zijn ook nu weer toegestaan. Het aantal deelnemers kent een minimum en een maximum. Bij minder dan 30 deelnemers gaat de trip niet door. Het maximum ligt bij 55 deelnemers (een bus vol). Laatste datum van aanmelding is 10 september. Betaling dient te geschieden via de rekening van onze penningmeester. Inschrijving alleen schriftelijk via het aanmeldingsformulier. AANMELDING NAJAARSEXCURSIE Ondergetekende:
Telefoonnummer:
Adres: Postcode en woonplaats: meldt zich met
perso(o)n(en) voor de excursie van 15 oktober. De kosten (f45,- per persoon)
heb ik overgemaakt op postbankrekening nr. 577808 t.n.v. penningmeester AWN te Sassenheim. Handtekening: Opsturen vóór 10 september aan: H. Wieringa, Meijerinksberg 16, 7641 RZ Wierden.
VERENIGINGSNIEUWS oktober 1994 Redactie: M. F. van Oorsouw, Buizerdhorst 17, 2317 DA Leiden
Graafweken in Nijmegen Nijmegen, een eldorado voor de archeoloog, de AWN heeft er nu al verschillende kampen georganiseerd. Ook dit jaar zijn we er weer op bezoek geweest. Dit keer om de stadsarcheoloog te helpen in het Waterkwartier. Toch was het dit jaar anders in Nijmegen want het was warm, nee heet, zo zijn de graafweken in Nijmegen 1994 wel te omschrijven. Zo heet zelfs, dat de leiding van de opgraving overging op tropenrooster. Dat hield in om 6 uur op de opgraving en om 14 uur ophouden. Toch heeft ieder zich er doorheen geslagen. De middag werd besteed om de te kort gekomen nachtrust in te halen of om de omgeving te verkennen. Nijmegen 1994 was voor de AWN anders. Dit was het eerste jaar dat buitenlanders konden deelnemen aan de kampen. Ondanks dat dit toch nog enige taalproblemen opleverde, maak ik uit de reacties die ik van de buitenlanders heb mogen ontvangen op dat zij de graafweken als gezellig en leuk ervaren hebben en zijn zeker van plan in de toekomst opnieuw deel te nemen aan de kampen van de AWN. Ook de leiding en de deelnemers hebben de deelname van buitenlanders, voor zover ik weet, als plezierig ervaren. Ik denk dat we ook de volgende jaren buitenlanders op onze graafweken zullen verwelkomen. Op de laatste dag was ook de NJBG present met een groep jongeren die kennis wilden maken met de archeologie. Na een algemene uitleg en een uitleg in het veld werd de groep opgesplitst in kleine groepjes en konden ze ook met troffel en schop aan de gang. Aan paalkuilen ontbrak het niet, zodat iedereen aan zijn trekken kwam. Zo kwam ook aan deze graafweken een eind. Het was erg jammer dat de laatste week niet kon doorgaan. Ik hoop dat ik in de toekomst meer deelnemers mag begroeten op de graafweken. Het is en blijft leuk en gezellig om aan de graafweken van de AWN deel te nemen (en naast het opdoen van kennis kan men er zijn talen misschien ook nog ophalen).
In de volgende Westerheem hoop ik u een fotoimpressie te geven van de graaf- en studieweken 1994. Wim Telleman
Oproep Het Hoofdbestuur is er in geslaagd iemand te vinden die bereid is in de toekomst de zorg voor de Public Relations van onze vereniging op zich te nemen. Het betreft Paul van der Heijden uit Nijmegen, die o.a. deel uitmaakt van het Gemina-legioen en werkt als tekstschrijver. Om zich zo goed mogelijk te kunnen voorbereiden op zijn functie wil Paul graag alle folders en informatievenen die door de afdelingen en werkgroepen worden uitgegeven, ontvangen. Ook wil hij graag in de verzendlijst van alle periodieken worden opgenomen. (Voor dit laatste geldt nog steeds: óók graag naar de redactie van het verenigingsnieuws!). Adres: Paul van der Heijden Molkenboerstraat 32 6524 RP Nijmegen tel. 080-225634
Werkgroepen Op 24 september jl. is in Utrecht de Landelijke Werkgroep Onderwaterarcheologie (LW OWA) opgericht. Geïnteresseerden kunnen contact opnemen met J. C. Bakker, Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad, tel. 03200-54808. De Landelijke Werkgroep Automatisering (LWAU) is bezig met koppeling van AWN-gegevens aan ARCHIS, het geautomatiseerd archeologisch informatiesysteem van de ROB. Ook wordt gewerkt aan een uitbreiding van ARCHIS t.b.v. depotbeheer. Als één en ander gereed is, zal een informatiebijeenkomst georganiseerd worden. Contactpersoon: W. U. Schmidt, Duven-
voordestraat 17, 2033 AA Haarlem, tel. 023325528. Voor de andere Werkgroepen geldt: de redactie is zeer benieuwd naar uw activiteiten. Deze rubriek staat open voor een korte introductie of aankondigingen van activiteiten.
Afdelingsnieuws Afd. Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland In het voorjaar en de zomer van 1994 was Afd. 17 op diverse plaatsen actief. In Westervoort is getracht (n.a.v. een lezing door Hans Fokkens) met de wichelroede funderingen te vinden van Huize Vredenburg. Op de plaatsen die volgens de wichelroede daarvoor in aanmerking kwamen, werd later de bodem nauwgezet afgeprikt. Rein van Balen en zijn ploeg stootten hier inderdaad op veel plaatsen op harde ondergrond. In het jaar 794 komt de naam „Brammen" voor in een oorkonde waarin een graaf Wrachar land aan de evangelieprediker Liudger schenkt. Dit feit wordt dit jaar herdacht in de gemeente Brummen. Naast de oude Ned. Herv. kerk staat het 18e-eeuwse Huis Brunheim volgens velen op het oudste plekje van Brammen. Door de vroegere en huidige bewoners is in de loop der tijd heel wat laat- en zelfs vroegmiddeleeuws materiaal gevonden op het bij Brunheim behorende terrein. Aangezien het huis wordt gerestaureerd en er in de toekomst ook in de tuin het een en ander staat te gebeuren, besloot Afd. 17, in overleg met de provinciaal archeoloog, tot een onderzoek. Rinus Houkes en zijn ploeg boorden voorlopig 25 gaten met een megaboor. Het blijkt dat de vondsten interessanter worden naarmate de boren het wat hoger gelegen huis naderen: o.a. nogal wat laatmiddeleeuws materiaal. Helemaal achterin de tuin werd een sleuf gegraven. De resultaten waren enigszins teleurstellend, toch kwam er wat „badorf' uit. Het onderzoek zal op een later tijdstip worden voortgezet. In Arnhem volgde een groep AWN'ers onder leiding van Leonard van de Laar de werkzaamheden in de grote bouwput van het Paleis van Justitie. De plaats was interessant omdat die goeddeels aansloot bij een eerder onderzoek van Afd. 17 (Prinsenhof). De (verwachte) stadsmuur kwam ook nu heel fraai te voorschijn met daarbij een fundament van een toren. Aan de andere kant van de bouwput kwam een grote hoeveelheid menselijk botmateriaal te voorschijn. De beenderen baarden vanwege de veronderstelde tijd van begraven (WO II) veel opzien in Arnhem en zet-
ten het toch al veel aandacht trekkende archeologisch veldwerk van Afd. 17 op deze plaats extra in het zonnetje. In een van de laatste vakantieweken werd in Wehl een week lang uitgebreid onderzoek verricht op de plaats waar in de Romeinse tijd een nederzetting heeft gelegen. De resultaten van het onderzoek, waaraan ruim 20 leden van Afd. 17 meewerkten, (sporen van omheiningen, paalsporen, hutkommen en vooral fragmenten Romeinse en inheemse keramiek) sluiten goed aan bij eerdere onderzoeken in de naaste omgeving. De leiding van het onderzoek was in handen van Jan Verhagen en Alex Koster. Behalve een week van hard werken was het ook een week van veel gezelligheid. Van al het genoemde onderzoek zal uitgebreid verslag worden gedaan in komende Veldwerkverslagen van Afd. 17. Afd. Flevoland Zes leden van AWN Flevoland hebben eind augustus geassisteerd bij een opgraving in uitbreidingsplan De Staart in Urk. Enkele jaren geleden werden in dit gebied bij een booronderzoek vroege IJzertijd-scherfjes in de guts aangetroffen. Geologisch gezien betreft de vindplaats een oeverwal van de voormalige Overijsselse Vecht. Onder leiding van assistent-provinciaal archeoloog Dick Velthuizen is verder gezocht naar Uzertijd-restanten. Door erosie bleek echter niets meer in situ te liggen en werden er geen grondsporen aangetroffen. Toch leverde de opgraving wat losse vondsten op, die wel op vroegere menselijke activiteit duiden: aardewerkscherven (vermoedelijk van dezelfde pot), vijf aangepunte houten palen, een slijpsteen en enkele bewerkte stukken hout, waaronder een peddelvormige plank met een rechthoekig gat erin.
Agenda 9 november Afd. Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland. A. Peddemors (RMO). Archeologie van Nederland, vroege en late Middeleeuwen. Cultureel Centrum de Coehoorn, Coehoornstraat 17, Arnhem, 19.45 uur. Entree f 2,50 p.p. 12 november Afd. Noord-Nederland. Contactmiddag „Staden Lande". Zaal Concordia, Wier 1, Baflo, 13.0017.30 uur.
15 november Afd. Zaanstreek en omstreken. B. L. van Beek. De Vlaardingen-cultuur. Werk- en expositieruimte, Dorpsstraat 370, Assendelft, 20.00 uur. 15 november Afd. Helinium. A. Carmiggelt. Beerputten als archeologische bron. Boerderij Hoogstad, Westlandseweg 258, Vlaardingen, 20.00 uur. 21 november Afd. Kennemerland. Th. J. Maarleveld (ROB). Archeologie in de Waddenzee. Archeologisch Museum, Grote Markt 18, Haarlem, 20.00 uur. 21 november Afd. Noord-Nederland. H. Groenendijk. De rol van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort en de functie van Provinciaal Archeoloog. Veenkoloniaal Museum, Winkler Prinsstraat 5, Veendam, 19.30 uur. Entree f3,50 p.p. 22 november Afd. Amsterdam en omstreken. J. Baart (gem. archeoloog Amsterdam). Het „Kasteel van Amstel". De Schuilplaats, Mauritslaan 1, Diemen, 20.00 uur. 24 november Afd. Vallei en Eemland. J. F. P. Kottman (ROB). Vormontwikkeling van laat- en postmiddeleeuws glas uit opgravingen. Museum Flehite, Westsingel 50, Amersfoort, 20.00 uur. 30 november Afd. IJsseldelta-Vechtstreek. M. Bartels (ROB). Middeleeuwse en postmiddeleeuwse ceramiek. Tevens gelegenheid tot determiniatie van ceramiek uit de periode 1000 tot 1914. Locatie nader te bepalen, 19.30 uur. 7 december Afd. Nijmegen en omstreken. R. C. G. M. L. Lauwerier (ROB). Romeinse conserven en middeleeuwse drietanden. Provinciaal Museum G. M. Kam, Museum Kamstraat 45, Nijmegen, 19.30 uur. 12 december Afd. Kennemerland. K. J. Steehouwer (bouwhistoricus gem. Den Bosch). Verborgen Geschiedenis boven de Grond. Archeologisch Museum, Grote Markt 18, Haarlem, 20.00 uur. 12 december Afd. Rijnstreek. M. Th. R. M. Dolmans (gem. archeoloog Leiden). Archeologisch onderzoek op
het Vrouwenkerkhof in Leiden. Gemeentearchief, Vliet 45, Leiden, 20.00 uur. 14 december Afd. Noord-Nederland. J. Molema. Midwolda, opgraving van steenhuis en kerk. Veenkoloniaal Museum, Winkler Prinsstraat 5, Veendam, 19.30 uur. Entree f 3,50 p.p. 17 december Afd. Noord-Nederland. Stadswandeling in Dokkum o.l.v. mw. K. van der Meulen (Argeologysk Wurkferban Friesland). 13.00 uur tot ± 15.00 uur, verzamelen grote plein centrum van Dokkum. Aansluitend: naar Tietjerksteradeel, lezing door K. Henstra. De Tjongercultuur. Streekmuseum, Tietjerksteradeel, ± 15.30 uur tot ± 17.00 uur.
Verenigingskalender 5 november: Afgevaardigdendag, ROB, Amersfoort.
Troffeltjes De Archeologische Werkgroep Loevestein nodigt AWN-leden uit om een weekend door te brengen op Slot Loevestein om kennis te maken met het opgravingswerk van de Werkgroep. Inlichtingen: secretaris Anneke Jansen, 013636730. Te koop: Westerheem jaargangen 1977 t/m 1982, incl. Dorestadnummer, f 115,-. Mevr. M. H. Boelen, Den Haag, tel. 070-3550245. Te koop: Westerheem jaargangen 1991 t/m 1993 voor de halve prijs, excl. verzendkosten. Losse nummers f 7,00. J. Buschman, Bellamystraat 26bis, 3514EM Utrecht. Inhoud van een „troffeltje" moet direct met de AWN of de archeologie te maken hebben en mag max. 30 woorden bevatten. Sluitingsdatum kopij: zie colofon. De redactie behoudt zich het recht voor advertenties te wijzigen of te weigeren.
Vereniging Open Monumenten Als u op de Open Monumentendag op 10 september één van de vele opengestelde monumenten heeft bezocht, heeft u ook een aanmeldingsformulier kunnen ontvangen om lid te worden van de pas opgerichte Vereniging Open Monumenten. De AWN is nauw betrokken geweest bij dit initiatief en steunt de oprichting van deze vereniging van harte. Zowel de zichtbare gebouwde monumenten, als de vaak minder zichtbare archeologische monumenten zullen door de VOM voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk worden gemaakt. Het lidmaatschap van de VOM wordt voor AWN-leden aantrekkelijk gemaakt door een korting van f 10,-. Het eerste verenigingsjaar loopt tot 31 december 1995. Volgende jaren vallen samen met het kalenderjaar. In plaats van f 37,50 betaalt u slechts f 27,50. Voor dit bedrag zult u ontvangen: het tweemaandelijks tijdschrift Open Monument; kortingen op publikaties en op artikelen, die in de Erfgoedwinkels te koop zullen zijn; exclusieve toegang tot opengestelde monumenten en een reductie voor veel andere opengestelde monumenten. Met het in dit katern opgenomen opgavestrookje kunt u zich voor lidmaatschap aanmelden. Uw AWN-lidmaatschapsnummer staat vermeld op de omslag van Westerheem, een getal van 4 cijfers. Ook uw afdelingssecretaris moet u uw lidmaatschapsnummer kunnen geven, als u de omslag reeds heeft weggegooid.
Hierbij geef ik mij op als lid van de Vereniging Open Monumenten a f 27,50 per kalenderjaar. Naam:
Voorletters:
Straat:
Nummer:
m/v
Postcode en woonplaats: Geboortedatum:
AWN-lidmaatschapsnummer:
Naar keuze: • Graag ontvang ik een acceptgiro voor contributiebetaling. Q Ik machtig Vereniging Open Monumenten (tot wederopzegging) de verschuldigde contributie van mijn Postbank- of bankrekening af te schrijven. Postbank -/Bankrekening: Datum:
Handtekening:
Producentennummer: P-550470000. Sturen naar: Secretariaat AWN, Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad.
VERENIGINGSNIEUWS december 1994 Redactie: M. F. van Oorsouw, Buizerdhorst 17, 2317 DA Leiden
Legpenning Op de Algemene Ledenvergadering van 13 mei 1995 zal wederom de Bronzen AWN-Legpenning met oorkonde worden uitgereikt aan een lid dat zich verdienstelijk heeft gemaakt voor de AWN. Vóór 31 januari 1995 wil het hoofdbestuur daarom graag de namen ontvangen van kandidaten voor deze penning. De voordracht kan aan het hoofdbestuur worden gedaan door het hoofdbestuur zelf, door afdelingsbesturen of door tien individuele leden. Kandidaten die door u vorig jaar werden ingediend kunnen met een korte verwijzing naar uw brief wederom in de afweging worden betrokken. Het reglement werd opgenomen in Bulletin nr. 3, november 1992. In tegenstelling tot vorig jaar zullen de genomineerden dit jaar niet van tevoren bekendgemaakt worden.
Contributie Op de Algemene Ledenvergadering van 14 mei jl. is het voorstel van het hoofdbestuur om de contributie voor 1995 met ƒ 5,00 te verhogen naar ƒ 70,00, door de leden goedgekeurd. U kunt dientengevolge voor de komende contributie een acceptgiro ï ƒ 70,00 verwachten.
De AWN en belastingen Giften en legaten aan de AWN kunnen voordelige gevolgen hebben voor de heffing van inkomstenbelasting, betaling van schenkingsrecht en successierecht. Hieronder vindt u enige regels die van belang kunnen zijn. De Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland is in fiscale zin een „het algemeen nut
beogende instelling". De gift die u doet (per bank of giro) aan de AWN is voor de inkomstenbelasting aftrekbaar, voorzover deze gift (gezamenlijk met andere aftrekbare giften) meer bedraagt dan 1% van uw onzuiver inkomen en maximaal tot 10% van uw onzuiver inkomen. Bij giften in de vorm van lijfrente vervalt dit maximum en minimum. Deze giften moeten dan wel bij notariële akte zijn aangegaan. Bovendien moeten de termijnen gedurende vijf of meer jaren minimaal eens per jaar worden uitgekeerd. Nu de AWN een algemeen nut beogende instelling is, heeft dit ook voor de AWN voordelen. Zo is schenkingsrecht niet verschuldigd (bij eenmalige giften) indien het bedrag (over een periode van twee jaar voorafgaand aan de schenking) niet hoger is dan ƒ 7468,00. Over een legaat is geen successierecht verschuldigd indien het bedrag niet hoger is dan ƒ 14937,00. (Deze bedragen en percentages worden jaarlijks aangepast; de in dit artikel genoemde bedragen en percentages hebben betrekking op het jaar 1994). Als er toch belasting over uw legaat of gift verschuldigd zou zijn, bedraagt het tarief 11%. De AWN zal deze belasting graag voor zijn rekening nemen. Indien u meer informatie wilt hebben, kunt u terecht bij de belastingeenheid (vestiging) van particulieren of ondernemingen over uw woonplaats, bij de belastingtelefoon 06-0543 (gratis) of bij een notaris.
Werkgroepen Landelijke Werkgroep Onderwaterarcheologie (LVV OWA) definitief in het zadel Op 24 september 1994 is in Utrecht de LW OWA opgericht. Tijdens een prettige bijeenkomst, er waren zo'n veertig mensen op afgekomen, bleek er een aantal van hen bereid zitting te nemen in een voorlopig bestuur. De vergadering werd opgeluisterd door een lezing van J. van den Akker, verbonden aan de Afdeling Archeologie Onder Water (AAO) van de ROB. Ook was dhr. J. Morel aanwezig, directeur 1
van het Centrum voor Scheepsarcheologie in Ketelhaven, evenals verschillende vertegenwoordigers van kustverenigingen, die al aan wrakduiken in zee doen, en de heer Th. Maarleveld van de ROB/AAO. Op de eerste bestuursvergadering van de Werkgroep van 6 oktober 1994 in Amersfoort is er definitief een regioverdeling ingesteld: Noord-Holland en de Waddeneilanden, Zuid-Holland en Zeeland en het binnenland (IJsselmeer, meren en rivieren). Voor deze regio's zijn tegelijkertijd coรถrdinatoren ingesteld. Op het programma van de kersverse werkgroep staan voorlopig het houden van lezingen, museumbezoek en het houden van instructieweekenden, zowel op het droge (een scheepsopgraving in samenwerking met Ketelhaven) als onder water (samen met de ROB/AAO). Op de deze maand in Amsterdam gehouden HISWA heeft de LW OWA (en de AWN zelf) gebruik mogen maken van een deel van de stand van de Nederlandse Onderwatersportbond (NOB), om zichzelf naar het grote publiek toe te promoten. Vanzelfsprekend houden wij u via het verenigingskatern op de hoogte van de verdere ontwikkelingen, activiteiten en dergelijke. Inlichtingen en/of aanmeldingen voor de LW OWA via het secretariaat. J. C. Bakker Neckarstraat 10 8226 LL Lelystad
Tips 4 februari 1995 De vijfde steentijddag met diverse lezingen over uiteenlopende onderwerpen. Rijksmuseum van Oudheden, Leiden. Kosten f 10,-. Opgave en informatie bij L. B. M. Verhart, Rijksmuseum van Oudheden, Postbus 11114, 2301 EC Leiden. 14 februari Tiende Nicolaas van der Monde-lezing: Utrecht, een grensgeval? door H. L. de Groot, stadsarcheoloog. Georganiseerd door de Stichting Archeologie en Bouwhistorie. In de Pieterskerk in Utrecht, aanvang 20.00 uur. De toegang is gratis. 25 maart Tweede symposium van de Mediterraan Archeologische Discussiegroep, getiteld: Te Koop: Mediterrane Archeologie. Het onderwerp is de relatie tussen de archeologie als wetenschap en de archeologie als interessege-
bied van een groter publiek. Op de achtergrond spelen de vragen: Wordt recent verworven wetenschappelijke kennis doorgespeeld naar het niet-archeologisch publiek en zo ja, op welke manier? Wat betekent de archeologie voor mensen buiten de wetenschap? 's Middags vinden er workshops plaats, het geheel wordt afgesloten met een forumdiscussie. Meer informatie bij het contactadres: Instituut voor Pre- en Protohistorie, t.a.v. A. E. de Hingh, Postbus 9515, 2300 RA Leiden.
Verenigingskalender 25 maart 1995: Themadag 22 april: Afgevaardigdendag 13 mei: ALV Lelystad 5 oktober: Lustrumviering
Agenda 11 januari 1995 Afdeling Utrecht en omstreken. Mw. F. Schipper. Onderzoek in Pompei. Dekenkamer Pieterskerk, Pieterskerkhof 5, Utrecht, 20.00 uur, toegang gratis. 8 maart Afd. IJsseldelta-Vechtstreek. W. Roebroeks (IPL). Vroegste prehistorie van Europa. Locatie nader te bepalen, 19.30 uur. 12 april Afd. IJsseldelta-Vechtstreek. M. J. Raven (RMO). Mummies onder het mes. Locatie nader te bepalen, 19.30 uur.
Troffeltjes Gezocht! Wie heeft voor mij (evt. tegen vergoeding) Westerheem nr. 2 april 1986, het speciale nummer over het eiland Putten. Ik zou er erg dankbaar voor zijn. Dhr. J. F. Wijnands, Verdilaan 70, 3208 NH Spijkenisse. Te koop: Westerheem-jaargangen 1970-1994 (zonder 1972, 1973 en 1975) voor de helft van de contributie voor het betreffende jaar (excl. verzendkosten). S. M. E. van Lith, tel. 020-6453773.
Inhoud van een „troffeltje" moet direct met de AWN of de archeologie te maken hebben en mag max. 30 woorden bevatten.
Sluitingsdatum kopij: zie colofon. De redactie behoudt zich het recht voor advertenties te wijzigen of te weigeren.
Personalia
In memoriam mr. J. H. van Overbeek De eerste keer dat ik Van Overbeek ontmoette, was in het begin van de zestiger jaren, aan het einde van de Meppelweg in Den Haag. Daar werd het uitbreidingsplan Zichtenburg gerealiseerd. Dat betekende wegenaanleg en dus grondverzet op grote schaal. Archeologisch bleek het gebied een goudmijn en dankzij onze gemeenschappelijke archeologische interesse kwamen we elkaar tegen. Het was het begin van een tientallen jaren durende periode, waarin we, met tussenpozen, veel met elkaar optrokken. Van mei 1970 tot het voorjaar van 1977 zaten we samen in het hoofdbestuur; Van Overbeek respectievelijk als waarnemend voorzitter en algemeen sekretaris, ik als hoofdredacteur van Westerheem. Na mijn terugtreden in 1977 bleef Van Overbeek nog een jaar actief in het hoofdbestuur als vice-voorzitter. In mei 1978 nam hij afscheid. Het waren acht, dikwijls nogal woelige jaren. De jurist Van Overbeek was in die periode rustgevend aanwezig: laconiek, betrokken en betrouwbaar. Niet alleen landelijk is hij op bestuurlijk gebied actief geweest. Ook de Afdeling Den Haag e.o. en een aantal instanties die zich binnen het werkgebied van de afdeling met archeologie bezighouden, heeft hij in de afgelopen periode met zijn bestuurlijke kennis en kunde bijgestaan. In het Westerheemregister jrg. 1-40, 1952-1991, komt Van Overbeek niet voor. Dat is onrechtvaardig, want hij heeft, zeker in de zeventiger jaren, heel wat aan het tijdschrift bijgedragen. Dat waren meestal verslagen van vergaderingen, congressen en excursies, die in het onderwerpsgerichte register geen plaats hebben gekregen. Toch koester ik een van deze verslagen met bewondering. Onder de titel „Archeologie in Wessex nu" versloeg hij in Westerheem 25, 1976, 3 de zevendaagse AWN-excursie naar de „henge"-monumenten, grafheuvels, heuvelforten en Romeinse wegen in Wessex. De belevenissen van de „nieuwe" dragers van de Wessexcultuur heeft hij beeldend en geestig beschreven; de prachtige tekeningen van Henk Schoorl ondersteunen beide aspecten. Van Overbeek was een echte „excursist", naar Massada in Israël, maar ook - onlangs nog - naar de kastelen aan de Langbroeker Wetering. Hij was nu eenmaal in alles geïnteresseerd en hij kon er boeiend over vertellen. De laatste keer dat ik Van Overbeek tegenkwam, was op zaterdag 8 oktober jl. in het Rijswijks Museum, ook nu weer op basis van onze gemeenschappelijke archeologische interesse. De tentoonstelling „Rijswijk onder de grond, opgravingen in het oude dorp" bracht ons weer samen. Van Overbeek liep moeilijk; de bloeddoorstroming in zijn benen liet het afweten. Hij zei laconiek: Na een half uur lopen trekt de pijn weer weg. Hoe dan ook: het belette hem niet aandachtig de tentoonstelling te bekijken. Het was kenmerkend voor hem: bij alles wat met archeologie te maken had, voelde hij zich zeer betrokken. Minder dan twee weken daarna, op 21 oktober, is hij overleden. P. Stuurman
Arnold Carmiggelt en Dick Stapert vallen in de prijzen De eerste prijsuitreiking van de in 1991 ingestelde H. J. E. van Beuningen-prijs heeft op 25 november in Rotterdam plaatsgevonden. De uitverkorene was onze hoofdredacteur Arnold Carmiggelt, op unanieme voordracht van de jury, die van mening was, dat de laureaat in zijn publikaties een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de moderne visie op de materiële cultuur van de middeleeuwen en postmiddeleeuwen. Tijdens de jaarlijkse Reuvensdagen, dit keer in Archeon, werd de W. A. van Es-prijs 1994 op 18 no-
vember uitgereikt aan Dick Stapert, lid van de redactieraad van Westerheem. Hij ontving de prijs voor zijn proefschrift „Rings and Sectors: Intrasite Spatial Analysis of Stone Age Sites". Een citaat uit het juryrapport: „Het heeft de jury gefrappeerd dat een relatief eenvoudige methode op een dusdanig originele wijze toegepast tot een werkelijk vernieuwend inzicht in tot dusverre nauwelijks bekende sociale patronen uit de oudere fasen van de Steentijd heeft kunnen voeren". Redactie en redactieraad wensen Arnold Carmiggelt en Dick Stapert van harte geluk met hun bekroning.
Graafweken
Een foto-impressie van de graafweken in Wijk bij Duurstede.
Westerheem tweemaandelijks orgaan van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN)
Redactie: A. Carmiggelt (hoofdredacteur), R. van Lit (eindredacteur), M. F. van Oorsouw (verenigingsredacteur), P. Stuurman (literatuurrubrieken) Redactieraad: J. C. Besteman, J. H. F. Bloemers, J. de Cock-Buurman, H. Groenendijk, R. C. G. M. Lauwerier, D. Stapert, H. Stoepker, L. B. M. Verhart Redactie-adres: Volendamlaan 1094, 2547 CS 's-Gravenhage Informatie over het lidmaatschap van de AWN bij de landelijk secretaris: J. C. Bakker (wnd), Postbus 2354, 8203 AJ Lelystad, tel. 03200-54808
INHOUDSOPGAVE JAARGANG 43, 1994
Artikelen Aldred, J., Romeins aardewerk uit de opgraving „Couvee", Alphen aan den Rijn 63-68 Beemt, F. G. van den, Een verdronken middeleeuws dorpskerkje bij Heerjansdam 254-263 Beliën, P. A. M., Denarii op drift 176-180 Berg, B. van den, Vermelding van graffiti uit Alphen aan den Rijn 80-82 Bogaers, J. E., Een kan met problemen 112-115 De Loecker, D., Pemothax: een handig instrument in de speurtocht naar gedragspatronen (Maastricht-Belvédère, site K) ^ 206-219 Evers, R., en S. Leupen, Romeins Archeon 1-5 Haaff, G. van, Begraven graven. Richtlijnen voor het opgraven en documenteren van begravingen (1 en 2) 149-163, 197-205 Hollander, L. A. den, Middeleeuwse sporen en vondstmateriaal 88-99 Jager, A., en A. Kooistra-Bokkinga, Het Kasteel van Harlingen 101-111 Jongepier, ]., Mesolithische vondsten te Aardenburg 164-175 Kalee, C. A., Versierde terra sigillata uit Alphen aan den Rijn 69-79 Kempenaar, G., Archeologisch onderzoek aan het Spui 173 in Den Haag 16-23 Kerkhoff, N. C, Een aanwijzing voor vroege bewoning ten noorden van onze waddenkust 6-8 Kooij, D. van der, Overzicht van de belangrijkste archeologische activiteiten van de afdeling „Rijnstreek" in de jaren 1983-1993 50-55 Lauwerier, R. C. G. M., Zierikzee-Roompot. Een geweibijl met een vierkant gat uit de Brons- of Ijzertijd 9-10 Lichtveld, R., Forensische archeologie: archeologen kunnen de recherche assisteren 116-118 Oostveen, J. Ph. van, Gebruiksvoorwerpen uit een Amstelveense sloot 264-277 Osinga, J., Overpeinzingen van een lid van de AWN 122-123 Ridder, T. de, Een colfje naar mijn hand 24-28 Sanden, W. A. B. van der, De dood in de tempel. Het meisje van Yde opnieuw vermoord 226-228 Spreij, S., Een opgraving in Alphen aan den Rijn (Julianastraat) 1989/1990 56 Spreij, S., Romeinse gebouwen en een waterleiding in Alphen aan den Rijn o 57-59 Sprietsma, E., Voorwoord (bij het Rijnstreeknummer) 49 Streefkerk, M., Diep in het veen van Diepenveen 245-253
Stuurman, P., Het verleden beleven in het landschap van vandaag 119-121 Wassink, A., Romeinse munten en metalen uit de opgraving Alphen aan den Rijn (Julianastraat)... 60-62 Wassink, A., Was er eigenlijk wel een Romeins castellum in Alphen aan den Rijn? 83-87 Willems, W. J. H., en P. A. M. Beilen, Een bijzondere lamp uit Nijmegen 11-15 Willemsen, M., Archeologische presentaties in Noord-Holland 220-225 Literatuurbespreking Barends, S., e.a. (red.), Over hagelkruisen, banpalen en pestbosjes. Historische landschapselementen in Nederland (R. van Lit) 38 Blankesteijn, H., en L. Hacquebord, Op zoek naar het Behouden Huys. Een expeditie naar Nova Zembla in het kielzog van Willem Barentsz (P. Stuurman) 35 Beuker, J. R., W. A. B. van der Sanden en V. T. van Vilsteren, Wonen en werken. Honderdduizend jaar dagelijks leven in Drenthe (P. Stuurman) 134-138 Borman, R., Arnhem onder de grond (A. Carmiggelt) 286-288 Brabander, J. A. de, en C. J. van der Doef, Kruikius in namen (P. Stuurman) 139-140 Broeke, P. W. van den, en J. K. Hagers, Gasleiding als aanleiding. Inventarisatie van archeologische waarden in het gasleidingtracé Monster-Gaag (W. de Jonge) 235-239 Brouwer, M., De Romeinse tijd in Nederland (E. van Ginkel) 36-38 Clevis, H., en J. Thijssen (red.), Assembled Articles I: Symposium on Medieval and Post-Medieval Ceramics; Nijmegen 2 and 3 September 1993 (G. Groeneweg) 231-235 Dockum, S. G. van, en E. J. van Ginkel, Romeins Nederland. Archeologie en geschiedenis van een grensgebied (P. Stuurman) 134-138 Fokkens, H., Oss. Verleden aan het licht. De voorgeschiedenis van Oss, 2500 vóór tot 250 na Christus (P. Stuurman) 134-138 Gerhartl, A. M., A. Koster en L. J. F. Swinkels, Romeinen in het rivierengebied (D. Wesselingh) 285-286 Gysels, H., e.a., De landschappen van Vlaanderen en zuidelijk Nederland. Een landschapsecologische studie (L. van der Valk) 185-186 Haan, M. J. A. de, Herberg De Zwaan (A. Carmiggelt) 286-288 Ham, W. A. van, C. D. Vanwesenbeeck en M. J. A. Vermunt (red.), Te gast bij Sint-Maarten. Opgravingen bij het Sint-Maartensgasthuis te Bergen op Zoom (A. Carmiggelt) 286-288 Heeringen, R. M. van, e.a. (red.), Geld uit de belt (A. Carmiggelt) 286-288 Heeringen, R. M. van, en M. P. de Bruin, Karolingische burchten in Zeeland, geplaatst in de Zeeuwse geschiedenis (P. Stuurman) 134-138 Holleman, T., De Acht Zaligheden (P. Stuurman) 284-285 Holleman, T., Ede-Renkum (P. Stuurman) 284-285 Koopmans, B., B. Tuinstra en B. Westenbroek (red.), Het Huis te Palenstein in Zegwaart. Historisch en archeologisch onderzoek naar een kasteel in het veen (R. van Lit en T. J. Hoekstra). 38-43 Lems, E., Op pad met de Romeinen (P. Stuurman) 240-241 Lenting, J. J., H. van Gangelen en H. van Westing (red.), Schans op de grens. Bourtanger bodemvondsten 1580-1850 (A. Carmiggelt) 140 MacDowall, D. W., A. V. M. Hubrecht en W. J. A. de Jong, The Roman coins. Republic and Empire to Nerva (T. Buijtendorp) 182-185 Munsters, W., Cultuurtoerisme (E. van Ginkel) 282-284 Olivier, R., Bodemvondsten uit Goeree-Overflakkee. 25 jaar archeologisch en historisch onderzoek door De Motte (A. Carmiggelt) 185 Peddemors, A., en A. Carmiggelt, Archeologie van middeleeuws Nederland (E. van Ginkel) 36-38 Philippa, M., en A. Quak, Runen, een helder alfabet uit duistere tijden (T. Looijenga) 186-188 Rappol, M. (red.), In de bodem van Salland en Twente: geologie - archeologie - excursies (F. D. Zeiler) 140-141
Reijnen, R. W., Romeinse munten (T. Buijtendorp) 182-185 Ridder, T. de, en Ch. de Mooy, Bataven: boeren en bondgenoten. De Maaskant in de Romeinse tijd (D. Wesselingh) 285-286 Roosenboom, H. Th. M., G. van den Eynde en B. D. W. M. Kooien (red.), Het huis „De Valk" (A. Carmiggelt) .' 286-288, Roymans, N., en F. Theuws (red.), Een en al zand. Twee jaar graven naar het Brabantse verleden (P. Stuurman) 134-138 Sanden, W. van der, Het meisje van Yde (E. van Ginkel) 230-231 Sanden, W. A. B. van der, R. T. J. Cappers, J. R. Beuker en D. Mol (red.), Mens en mammoet. De mammoeten van Orvelte en de vroegste bewoning van Noord-Nederland (P. Stuurman) 134-138 Sprokholt, H., e.a. (red.), Een kijkje in de Keizerstraat. Jaarboek 1994 van de archeologische vereniging Golda (A. Carmiggelt) 286-288 Verhart, L., De prehistorie van Nederland (E. van Ginkel) 36-38 Vermeulen, J., Wandelen in archeologisch Nederland (P. Stuurman) 239-240 Via Romana: Britannia, Gallia, Germania. Europese culturele route door Frankrijk, de Benelux, Duitsland en Groot-Brittannië idem: Hispania, Provincia, ltalia. Europese culturele route door Spanje, Zuid-Frankrijk en Italië (S. L. Wynia) 138-139 Vos-Dahmen von Buchholz, T., Het vlammend halssieraad (P. Stuurman) 35-36 Vries-Metz, W. de, Luchtfoto-archeologie in oostelijk West-Friesland. Mogelijkheden en resultaten van archeologische Remote Sensing in een verdwijnend prehistorisch cultuurlandschap (P. Stuurman) 33-35
Literatuursignalement (met bijdragen van A. Carmiggelt en P. Stuurman)
43-47, 142-145, 189-194,241-243,288-292
Kort archeologisch nieuws (R. van Lit)
29-32, 130-132, 181-182, 229-230, 278-279
Reacties van lezers R. van Beek over Oss-Ussen en de Midden-Bronstijd C. van der Esch over de Merida (Alentejo)-vondst R. Knoop naar aanleiding van een recensie van P. Stuurman L. van der Valk over een recensie van R. van Lit en T. J. Hoekstra
Diversen Jaarvergadering 1994 (F. D. Zeiler) Oproep: een Romeinse tol? Personalia: W. A. M. Hessing K. van der Graaf Rondleidingen op Ockenburgh Runen in Friesland (J. Meijer) Studiedag archeologie en publiek Tentoonstellingsnieuws Themadag: Gemeentelijke archeologie, zand erover....?
280-281 32-33 280 133-134
124-129 282 243 243 147 132 48 48, 100, 146, 195, 244, 292 147
Katern Verenigingsnieuws 1994 Afdelingsnieuws Agenda Archeon AWN-monografie 2 Pijpelogie herdrukt Bronzen AWN-legpenning EnquĂŞte AWN Excursies: Voorjaarsexcursie Zeeland JordaniĂŤ Najaarsexcursie Noord-Holland Noord Forum Giften en legaten aan de AWN Graafactiviteiten: AWN-graafkampen 1993 AWN-graafkampen 1994 Graven in het buitenland Internationaal zomerkamp Hoofdbestuursnieuws: Advertenties in Westerheem Contributie Ledenadministratie Ledenservice Oproep voor landelijk secretaris Oproep toezending informatie aan pr-functionaris Van de penningmeester Personalia: In memoriam Jan de Baan In memoriam mr. J. H. van Overbeek Prijsuitreikingen: Anjerstaf 1994 aan de Werkgroep 's-GRAVENhage H. J. E. van Beuningen-prijs aan Arnold Carmiggelt W. A. van Es-prijs aan Dick Stapert Themadag Archeometrie Troffeltjes Vereniging Open Monumenten Verenigingskalender Werkgroepen: Landelijke Werkgroep Onderwaterarcheologie (LWOWA) Landelijke Werkgroep Automatisering (LWAU)
1/10, 2/3, 3/3, 5/2-3 1/12, 2/4, 3/3, 4/3, 6/2 1/1-3, 2/1-2 4/2 6/1 3/1 1/3-4, 3/1 1/9-10, 3/3-4 3/2, 4/4 1/3, 3/2-3 6/1 1/4 2/2-3,4/2-3, 5/1,6/4 2/3 3/2-3 1/1-2,2/1 3/1-2, 4/3 6/1 1/2 1/2, 2/2 4/1 5/1 1/2-3 1/11 6/3 4/1-2 6/3 6/3 1/9 2/4, 3/4, 4/3, 5/3, 6/2-3 5/4 1/12, 2/2, 3/2, 4/1, 5/3, 6/2 5/1-2, 6/1-2 5/1-2