

Geloven in vernieuwing

Jaarstukken 2025
Voorwoord college van bestuur
2025 was in meerdere opzichten een bijzonder jaar. In februari werd het transitieproces definitief afgerond, waarbij we van onze vestigingen in Amsterdam en Groningen verhuisden naar de unilocatie in Utrecht: een prachtig pand in het hart van de historische Utrechtse binnenstad. Het concept van de Jansdam, waar leren, werken en vieren onder één dak zijn samengebracht, betekent dat staf en studenten elkaar dagelijks ontmoeten en zo samen één academische gemeenschap vormen. Een ander hoogtepunt van 2025 was het feit dat, na een intensieve periode van voorbereiding, begin september de nieuwe bachelor van start ging, met zeventien studenten. Deze groep studenten heeft zich ontpopt tot enthousiaste ambassadeurs van de theologiestudie en we hopen daarom op een substantiële groep nieuwe bachelorstudenten in september dit jaar.
Maar er gebeurde in 2025 nog veel meer: in augustus startte de nieuwe rector en namen we met waardering en dankbaarheid voor zijn inzet afscheid van waarnemend rector Klaas Spronk. In september begon Jan de Vries, de nieuwe voorzitter van de raad van toezicht zijn werk, en in november werd bekend dat de volgende Theoloog der Nederlanden opnieuw een PThU-collega zou zijn: Mirella Klomp droeg het stokje over aan Arnold Huijgen. Ook een van de twee Jonge Theologen der Nederlanden, masterstudent Nathan Troost-van Diggelen, is aan de PThU verbonden.
Het verslagjaar stond, zoals u zult kunnen lezen, bol van activiteiten op het gebied van onderwijs, onder-
zoek en impact: zo hielden verschillende collega’s (Marjo Korpel, Lieve Teugels en Mirella Klomp) hun oratie, participeerden maar liefst 245 predikanten in het nascholingsaanbod, hield het icoonproject Kerk en Slavernij een grote internationale conferentie, getiteld Christianity and Slavery in the Dutch Caribbean Islands, Surinam, and the Netherlands in Curaçao, werd in samenwerking met de TUU de Theologische Filmclub opgericht en bleek het Bijbelblog een van onze best bezochte PThU-webpagina’s.
Als college van bestuur van de Protestantse Theologische Universiteit kijken we met trots en dankbaarheid terug op dit verslagjaar. We zijn onder de indruk van de ongelooflijke creativiteit en energie die onze studenten en collega’s steeds weer laten zien in hun studie en werk. Dat geeft vertrouwen in de toekomst van de kerk en de theologiebeoefening in Nederland.
Wij bedanken daarom alle studenten en collega’s, alsook onze alumni, onze zusterinstellingen en maatschappelijke partners, het moderamen en de synode van de PKN en allen die zich verbonden weten met de PThU voor hun inspirerende inzet en betrokkenheid.
Wij wensen u veel leesplezier.
Het college van bestuur,
Kees Boele, voorzitter Martha Frederiks, Rector
Geloven in vernieuwing
Geloven in vernieuwing
Inhoudsopgave
Geloven

1. Verslag van de raad van toezicht
1.1 Verantwoordelijkheden, taken en werkwijze van de raad van toezicht
De raad van toezicht houdt toezicht op de uitvoering van de werkzaamheden en op de uitoefening van de bevoegdheden van het college van bestuur, in het bijzonder de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek, oefent het werkgeverschap uit over de bestuurder en is gesprekspartner op strategisch niveau van het college van bestuur. De raad van toezicht ziet toe op de naleving van de op de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) van toepassing zijnde wettelijke voorschriften; op de rechtmatige verwerving en rechtmatige en doelmatige besteding van middelen; alsmede op het systeem van kwaliteitszorg. Ook staat de raad van toezicht het college van bestuur met raad terzijde. Daarbij heeft zij van de generale synode een speciale verantwoordelijkheid gekregen met betrekking tot de instandhouding van de opleiding en vorming van predikanten voor de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Het toezicht op het bestuur van de PThU is in overeenstemming met de Code goed bestuur universiteiten. De raad van toezicht benoemt de externe accountant van de PThU.
De raad van toezicht heeft, vanwege de kerkordelijke plaats en bijzondere functie van de PThU als opleider van de predikanten van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) en de relatie uit dien hoofde met de PKN, de taak toezicht te houden op de inhoud van de predikantsopleiding.
De raad van toezicht vergadert voor de uitoefening van zijn toezichthoudende taak regelmatig met het college van bestuur. De raad hanteert bij zijn toezicht de Code goed bestuur universiteiten. De raad bespreekt jaarlijks gezamenlijk met het college van bestuur de algemene gang van zaken, specifieke aandachtspunten en het onderlinge functioneren. De vergaderingen worden voor wat de aspecten financiën, kwaliteit, organisatie en remuneratie voorbereid in de daartoe ingestelde commissies uit de raad.
1.2
Samenstelling raad van toezicht
De leden van de raad van toezicht worden benoemd, geschorst en ontslagen door de generale synode van de PKN.
De raad van toezicht is zodanig samengesteld dat de leden ten opzichte van elkaar en van het college van bestuur onafhankelijk en kritisch kunnen opereren. Het principe van onafhankelijkheid is daarmee geëerbiedigd. De leden van de raad opereren collegiaal en besluiten in collectiviteit. Tegelijk hebben de leden elk een eigen portefeuille en aandachtsgebied. De leden ontvangen voor hun toezichthoudende taken geen persoonlijke financiële vergoeding anders dan de vergoeding als lid van de raad van toezicht.
Met ingang van 26 september 2025 trad mr. G.C. (Gerard) Endedijk terug als lid en interim voorzitter van de raad van toezicht. Met ingang van die datum werd mr. drs. J.M. (Jan) de Vries door de generale synode benoemd als voorzitter van de raad van toezicht. Met ingang van 1 oktober 2025 trad prof. dr. L.E.C. (Lideweij) van der Sluis MSc PhD om persoonlijke redenen terug als lid van de raad van toezicht.
De raad van toezicht bestaat op 31 december 2025 uit de volgende leden:
• mr. drs. J.M. (Jan) de Vries (voorzitter)
- Benoeming tot en met 26 september 2029 (eerste termijn)
- Hoofdfunctie: burgemeester van Sliedrecht
- Nevenfuncties verbonden aan het burgemeestersambt: lid algemeen bestuur Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid; lid regionaal veiligheidsoverleg politie-eenheid Rotterdam (portefeuille jeugd en veiligheid); lid districtelijk veiligheidsoverleg politie Zuid-Holland Zuid; lid regiegroep Veiligheidsalliantie regio Rotterdam; lid stuurgroep Zorg- en Veiligheidshuis ZuidHolland Zuid; voorzitter regio-overleg Wet verplichte GGZ Zuid-Holland Zuid; lid Economic Development Board Smart Delta Drechtsteden; lid comité van aanbeveling van de Stichting Struikelstenen Sliedrecht; vicevoorzitter Smart Delta Drechtsteden;
- Overige nevenfuncties: voorzitter raad van toezicht van het Juridisch Loket; voorzitter vereniging Woongroep de Groene Wei; lid comité van aanbeveling van Sien, belangenvereniging voor mensen met een verstandelijke beperking
• prof. dr. J.J. (Johan) Graafland (profiel hoogleraar)
- Benoeming tot en met 28 februari 2028 (tweede termijn)
- Hoofdfunctie: hoogleraar economie, onderneming en ethiek aan Tilburg University
- Nevenfuncties: lid bestuur Stichting Verburg Fonds, lid bestuur Thijmgenootschap, ouderling kerkenraad wijk B Sint-Jansgemeente Gouda, lid Raad van Advies Stichting Certificaatshouders Triodos Bank
• dr. J.A. (Sjaak) van den Berg (profiel predikant)
- Benoeming tot en met 30 november 2029 (eerste termijn)
- Hoofdfunctie: predikant Hervormde Gemeenten Bedum en Onderdendam
- Nevenfuncties: afgevaardigde naar de Classis Groningen en Drenthe
• drs. H. (Henriëtte) Bertels MBA (profiel bedrijfsvoering)
- Benoeming tot en met 31 mei 2028 (eerste termijn)
- Hoofdfunctie: voorzitter raad van bestuur Axion Continu
- Nevenfuncties: lid bestuur Stichting Planetree (t/m 1 juni 2025), lid bestuur stichting Reliëf (t/m 1 juni 2025), lid raad van toezicht ASVZ, voorzitter kerkenraad ’t Kruispunt te Linschoten
Vanuit de raad van toezicht onderhoudt dr. J.A. van den Berg het contact met de universiteitsraad.
De raad van toezicht heeft drie voorbereidende en adviserende commissies:
Remuneratiecommissie:
• mr. drs. J.M. (Jan) de Vries – met ingang van 26 september 2025 voorzitter
• drs. H. (Henriëtte) Bertels MBA – met ingang van 1 januari 2025
Auditcommissie:
• drs. H. (Henriëtte) Bertels MBA – met ingang van 1 juni 2024 (met ingang van 22 september 2025 voorzitter)
• dr. J.A. (Sjaak) van den Berg – ad interim lid met ingang van 22 september 2025
Kwaliteitscommissie:
• prof. dr. J.J. (Johan) Graafland - met ingang van 1 juli 2024 voorzitter
• dr. J.A.(Sjaak) van den Berg – met ingang van 1 december 2024
1.3 Verslag raad van toezicht
De raad van toezicht vergaderde in 2025 regulier viermaal. De voorbereiding van de besluiten en bespreekpunten voor de vergadering van de raad in voltallige samenstelling vindt plaats binnen de commissies die de raad heeft geïnstalleerd, te weten een audit-, kwaliteits- en remuneratie/organisatie-commissie. Afhankelijk van de aard en inhoud van het besluit- of bespreekpunt vindt de voorbereiding daarop plaats binnen een van deze commissies en geeft deze de raad ter zake advies.
Het jaar 2025 was het vierde van de beleidsperiode 2022-2026, die in het teken staat van de realisatie van het instellingsplan Theologisch kleur bekennen. Onderdeel van dit plan is de vestiging van de PThU in Utrecht. In 2025 nam de PThU haar intrek in het nieuwe gebouw te Utrecht. Daarmee kwam een einde aan de transitiefase waarin de twee vestigingen in Amsterdam en Groningen werden verplaatst en geïntegreerd tot één vestiging waar al het personeel en alle studenten onderdak vinden. Per september 2025 startte op de nieuwe vestiging de geheel nieuwe bacheloropleiding Theologie. Daarover is de raad van toezicht zeer verheugd, eens te meer omdat de meerwaarde van deze opleiding zich reeds in 2025 heeft bewezen.
In samenhang met de nieuwe huisvesting aan het Janskerkhof stond 2025 in het teken van de voorbereiding van de inbouw van onderwijsruimten in de Janskerk. In deze kerk kan de PThU haar academische plechtigheden en evenementen een plaats geven. De raad van toezicht was in 2025 nauw
betrokken bij de voorbereiding van de bouwwerkzaamheden in de Janskerk.
De Protestantse Kerk besloot in 2025 over de beroepsprofielen van de kerkelijk werker, pastor en predikant. Deze besluiten volgden op eerdere kerkelijke besluitvorming over de visie op het ambt. In afstemming met het college van bestuur heeft de raad het proces dat volgt op deze door de kerk genomen besluiten gevolgd. De PThU is gemotiveerd om uitvoering te geven aan de opdracht van de synode om in gezamenlijkheid met de door de kerk aangewezen hbo-instellingen de opleiding van de predikant en de predikant-pastor in te richten, evenals de nascholing van de predikant en de predikant-pastor. In het gesprek dat daarover met de kerk plaatsvindt staat een helder en voor de betrokken opleidingsinstellingen werkbaar onderscheid in de profielen voor de pastor en predikant centraal.
De belangrijkste besluiten van de raad van toezicht in 2025 waren de bespreking en goedkeuring van:
• het jaarverslag en de jaarrekening 2024;
• de begroting en jaarplan 2026 als onderdeel van het instellingsplan 2021-2026, inclusief de meerjarenbegroting;
• de benoeming van prof. dr. W.M.T. (Wim) Moehn als persoonlijk hoogleraar ‘Geschiedenis van het gereformeerd protestantisme’;
• de benoeming van dr. A. (Aza) Goudriaan tot persoonlijk hoogleraar ‘Wetenschap en Vroomheid. Theologie en Filosofie ten tijde van de Reformatie’;
• het gewijzigde bestuursreglement van de PThU, inclusief de reglementen voor de auditcommissie, kwaliteitscommissie en remuneratiecommissie van de raad van toezicht;
• de benoeming van dr. R. (Robin) ten Hoopen als universitair docent Oude Testament;
• de benoeming van dr. M. (Michaël) van der Meer als universitair docent Oude Testament.
In 2024 heeft de raad van toezicht de procedure voor het benoemen van een opvolgend rector opgestart. Deze procedure kon in 2025 worden afgerond met de benoeming van prof. dr. Martha Frederiks met ingang van 1 september 2025 als rector. Met ingang van die datum trad prof. dr. K. (Klaas) Spronk terug als waarnemend rector.
Ter verantwoording van het uitgeoefend toezicht, worden hieronder specifiek enkele punten benoemd die in het afgelopen jaar de aandacht van de raad van toezicht vergde.
De afronding van het programma voor de uitvoering van de transitie, de inbouw van onderwijsruimten in de Janskerk, de uitvoering van het instellingsplan, in het bijzonder de verbetering van de kwaliteit van de driejarige predikantsopleiding, en de accreditatie van de nieuwe bachelor hebben daarbij in het afgelopen jaar bijzondere aandacht gekregen. Voorts heeft de raad, via het daartoe aangewezen lid, overlegd met de universiteitsraad over de gang van zaken aan de universiteit.
De raad van toezicht heeft periodiek overleg met het moderamen van de generale synode. In 2025 kwam daarbij onder andere de besluitvorming over de beroepsprofielen ter sprake, alsmede de benoeming van de nieuwe rector en de nieuwe voorzitter van de raad van toezicht.
Auditcommissie
De auditcommissie heeft in het afgelopen jaar, naast de reguliere bespreking van de financiële gang van zaken, bijzonder overleg gevoerd met het college van bestuur in verband met: de evaluatie van het controletraject in verband met de jaarrekening 2024; de lopende discussie met de Inspectie Hoger Onderwijs naar aanleiding van de in de jaarrekening 2023 bij wijze van foutherstel doorgevoerde herlabeling van het vermogen; het aangaan van een aanvullende laagrentende lening bij het Restauratiefonds in verband met de kosten van aankoop, verbouw en inrichting van het pand in Utrecht; en de inbouw van onderwijsruimten in de Janskerk.
Kwaliteitscommissie
De kwaliteitscommissie heeft met de rector benoemingen, het onderwijs en de inrichting van het onderzoek besproken. In het jaar 2025 is gesproken over de verbetering van de kwaliteit van het masteronderwijs naar aanleiding van tegenvallende evaluaties door studenten van de in 2021 herziene masteropleiding. Tevens is gesproken over de verbeterpunten naar aanleiding van de onderzoeksvisitatie. In het kader van de transitie naar Utrecht is bijzondere aandacht besteed aan de nieuwe
bacheloropleiding die per september 2025 te Utrecht wordt aangeboden.
Remuneratiecommissie
De remuneratiecommissie heeft met beide leden van het college van bestuur het functioneren besproken. Er heeft geen wijziging van de bezoldiging plaatsgevonden. De bezoldiging van het college voldoet aan de Wet normering topinkomens.
1.4 Zelfevaluatie
Ieder jaar evalueert de raad van toezicht zijn eigen functioneren. En iedere twee jaar evalueert de raad het eigen functioneren en de samenwerking met het college van bestuur met behulp van externe begeleiding. De bevindingen van de externe adviseur worden afzonderlijk en gezamenlijk met het college besproken. Dit gesprek heeft in 2025 plaatsgevonden. De belangrijkste bevindingen en uitkomsten van de evaluatie zijn: 1) dat de raad van toezicht een toezichtvisie onder woorden brengt en op grond daarvan een toezichtskader vaststelt, hetgeen inmiddels is gebeurd; 2) dat voor een goede wederzijdse afbakening van taken en verantwoordelijkheden tussen raad van toezicht en college van bestuur het helpend is om bestaande basisstructuren opnieuw in herinnering te brengen, eventueel te verbeteren of nieuwe aan te leggen. Daarbij is te denken aan: een inhoudelijke jaarplanning inclusief de commissievergaderingen, en een verduidelijking van wat van de raad van toezicht wordt gevraagd bij de agenda-voorbereiding; dat wil zeggen of een dossier ter goedkeuring, bespreking of besluitvorming aan de raad van toezicht wordt voorgelegd.
1.5 Slotbeschouwing raad van toezicht
Door de nieuwe samenstelling van zowel college van bestuur als raad van toezicht is een goede nieuwe samenwerkingsrelatie ontstaan. Daarop baseert – na een onrustige periode – de raad van toezicht vertrouwen voor de toekomst
De raad van toezicht heeft grote waardering voor wat het bestuur heeft bereikt; in het onderwijs,
het onderzoek, de huisvesting, en daarmee voor de positionering van de PThU. We kunnen vanaf nu de vruchten plukken van een jarenlang ontwikkelproces. Er is een nieuwe basis gelegd voor de toekomst en continuïteit van de PThU en daarmee van de opleiding tot predikanten in de PKN. Gezien het tekort aan predikanten en de maatschappelijke uitdagingen waar de kerk voor staat, is de PThU van grote waarde. Een waarde die belichaamd wordt door alle studenten, medewerkers en het bestuur.

2. Verslag van de universiteitsraad
De PThU heeft een universiteitsraad waarin zowel personeelsleden als studenten zitting hebben. De leden worden gekozen via verkiezingen binnen de universitaire gemeenschap. De universiteitsraad vervult een belangrijke rol in de medezeggenschap door advies uit te brengen en, waar wettelijk vereist, instemming te verlenen op voorgenomen besluiten van het college van bestuur.
In 2025 voerde de universiteitsraad negen overlegvergaderingen met het college van bestuur. Ter voorbereiding op deze vergaderingen hield de raad voorafgaand aan iedere vergadering een intern vooroverleg van twee uur. Daarnaast hield de raad drie afzonderlijke interne bijeenkomsten om zich nader te laten informeren over onderwerpen zoals de Onderwijs- en Examenregeling (OER) en de IT-voorzieningen binnen de universiteit.
Samenstelling
Per september 2025 werd de personeelsgeleding uitgebreid van vier naar vijf zetels, waaronder een vaste zetel voor een promovendus. De overige personeelszetels worden bekleed door twee leden van het wetenschappelijk personeel en twee leden van het ondersteunend personeel. Ook de studentgeleding werd uitgebreid naar vijf zetels met vertegenwoordiging vanuit de driejarige master, de bachelor en de premaster. Verder werd het primus-secundus-systeem afgeschaft, waardoor elk lid voortaan zelf verantwoordelijk is voor zijn of haar aanwezigheid.
Met deze aanpassingen beoogt de raad een stabiele bezetting en een brede vertegenwoordiging van de universitaire gemeenschap.
Met ingang van 1 oktober 2025 is de samenstelling van de universiteitsraad als volgt:
• namens het wetenschappelijk personeel: Pieter Vos en Gert van Klinken;
• namens de promovendi: Jonathan Plender;
• namens het ondersteunend personeel: Esmée Troost-van Diggelen en Elsbeth van der Vlist;
• namens de studenten: Eva van Berkel, Carolien de Jong, Pieter van Kuilenburg, Thomas Exalto en Birgit Jaarsma.
In 2025 nam de universiteitsraad afscheid van voorzitter dr. Joyce Rondaij, vicevoorzitter dr. Martijn Stoutjesdijk, studentleden Caspar de Gelder en
Myrthe Brouwer, en prof. dr. Benno van den Toren. Om de zichtbaarheid van de vernieuwde raad te vergroten hebben de leden zich voorgesteld in de interne nieuwsbrief Weekstart.
Belangrijke ontwikkelingen en dossiers
Het jaar 2025 stond in het teken van belangrijke institutionele veranderingen. In februari verhuisde de universiteit naar de binnenstad van Utrecht en in augustus trad een nieuwe rector aan. De UR besteedde aandacht aan de continuïteit en stabiliteit van de organisatie en aan het versterken van het gemeenschapsgevoel binnen de universiteit.
Daarnaast behandelde de UR diverse beleidsdossiers, waaronder een tussenrapportage van het project zij-instromers, een rapport over de uitgangspunten voor het formatieplan voor het wetenschappelijk personeel, het eindrapport over de herziening van het curriculum van de predikantsmaster en de organisatorische herinrichting van de onderwijs- en onderzoeksondersteuning. In deze dossiers bracht de raad aandachtspunten in vanuit het perspectief van medewerkers en studenten. Deze inbreng is door het college van bestuur betrokken bij de verdere uitwerking van het beleid.
Begroting
De universiteitsraad heeft advies uitgebracht over de begroting van de universiteit en aandacht gevraagd voor de studentwerving, de verbouwing van de Janskerk, de optimalisatie van de Jansdam en het IT-landschap, en het welzijn van het personeel. Over de toegankelijkheid van de gebouwen heeft de raad het nadrukkelijke advies uitgesproken om hier experts bij te betrekken die knelpunten in een vroeg stadium zouden kunnen ondervangen.
Vooruitblik
Een eerste kennismaking tussen de universiteitsraad en de nieuwe voorzitter van de raad van toezicht, Jan de Vries, staat gepland voor maart 2026. De raad wil in 2026 verder professionaliseren, onder meer door het volgen van trainingen voor raadsleden en het realiseren van ondersteuning door een ambtelijk secretaris.
Deel 1 Bestuursverslag


3. Protestantse Theologische Universiteit: profiel en kerncijfers
Missie
Ons strategische meerjarenplan Theologisch kleur bekennen. Instellingsplan Protestantse Theologische Universiteit 2021-2026 gaat uit van de volgende missie: ‘Aan de Protestantse Theologische Universiteit weten wij ons aangesproken door het Evangelie van Jezus Christus en de weg die God met Israël en de volken gaat. Van daaruit willen we kerk, academie en samenleving inspireren en vernieuwen. We doen dat door te onderzoeken hoe Schrift en traditie, maar ook opvattingen en praktijken, bijdragen aan het vinden van zin, gerechtigheid en heil.’
Om kerk, academie en samenleving te inspireren en te vernieuwen laten wij ons leiden door vier academische kenmerken: diepgeworteld, breed georienteerd, scherp van geest en rijk aan spiritualiteit. Ze markeren de ruimte waarbinnen we aan de PThU academische theologie bedrijven. Deze missie en kenmerken zijn vertaald in een set ambities voor onderzoek, onderwijs en impact.
De PThU wil zich onderscheiden met internationaal hooggekwalificeerd theologisch onderzoek. Dit onderzoek voedt het onderwijs en draagt bij aan bezinning en debat in kerk, academie en samenleving, die daardoor geïnspireerd en vernieuwd worden. Wij richten ons in ons onderzoek op de grote vragen die in kerk, academie en samenleving leven. Die vragen zijn ons vertrekpunt voor fundamenteel onderzoek naar de vernieuwing en herbronning van de protestantse theologie met als doel om kerk en samenleving te verrijken met nieuwe theologische kennis.
Wij streven ernaar om excellent en inspirerend onderwijs te verzorgen. Ons theologisch onderwijs is er niet alleen op gericht dat studenten hun kennis en vaardigheden vergroten, maar beoogt ook dat studenten een professionele en spirituele beroepshouding ontwikkelen, zodat zij, te midden van een veelheid aan tradities, heldere theologische visies over God en de wereld, en op zin, heil en gerechtigheid kunnen formuleren, en deze visies inspirerend en vernieuwend gestalte kunnen geven. Ons doel is dat onze afgestudeerden de vier academische kenmerken als graduate attributes belichamen in hun dagelijkse praktijk van kerk en samenleving: diepge -
worteld, breed georiënteerd, scherp van geest en rijk aan spiritualiteit.
Als PThU willen wij door onze impact kerk, academie en samenleving inspireren en vernieuwen. Dat doen we door ons onderwijs, via de theologen die wij opleiden; via onze alumni; via kennisdeling en kennisuitwisseling in publicaties, seminars, nascholing en cursussen; via onze rol als adviseurs voor organisaties en via mediaoptredens, waar onze wetenschappers duiding geven aan situaties en gebeurtenissen. Wij zien het als onze taak en roeping om kerk en kerkelijke gemeenten te assisteren bij het reflecteren op de vraagstukken waarmee zij zich geconfronteerd zien en bij het formuleren van mogelijke oplossingen. En ook breder: om beleidsmakers en andere professionals met onze expertise te voeden in hun werk. Omgekeerd wordt ons onderwijs en onderzoek gevoed door de vragen die zij aan ons stellen. Zo willen wij in wisselwerking met kerkelijke en maatschappelijke instellingen wetenschap bedrijven en bijdragen aan het debat rond actuele maatschappelijke en kerkelijke vraagstukken in het publieke en het kerkelijke domein.
3.2 Juridische en interne structuur
Als PThU zijn wij een door de PKN gestichte instelling voor het verzorgen van theologisch wetenschappelijk onderwijs, onderzoek en impact. Als zodanig is onze universiteit een zelfstandig onderdeel van de kerk met rechtspersoonlijkheid.
Tegelijk zijn wij een levensbeschouwelijke universiteit in de zin van artikel 1.3 lid 2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Ons college van bestuur is samengesteld uit twee leden: de voorzitter en de rector. De leden vormen een collegiaal bestuur op basis van een portefeuilleverdeling. De portefeuille van de voorzitter omvat de bedrijfsvoering en de bestuurlijke representatie. Tot de portefeuille van de rector behoren het onderwijs- en onderzoeksbeleid en de academische representatie van de universiteit.
Ons wetenschappelijk personeel is ondergebracht in een zevental leerstoelgroepen, waarvan een leerstoelgroepvoorzitter het hoofd vormt. De ondersteunende medewerkers zijn werkzaam binnen afdelingen onder leiding van een teamleider. De zeven leerstoelgroepvoorzitters en de zeven teamleiders van de ondersteunende afdelingen zijn verantwoording verschuldigd aan het college van bestuur.
Voor de organisatie en coördinatie van het onderwijs zijn twee opleidingsdirecteuren aangewezen voor respectievelijk de bachelor- en de masteropleidingen. Deze directeuren ressorteren onder het college van bestuur. De nascholing en impactprogramma’s
ORGANOGRAM BESTUURSSTRUCTUUR
Universiteitsraad
Opleidingscommissie
Onderwijs, onderzoek en valorisatie
- Leerstoelgroep Dogmatiek & Ethiek
- Leerstoelgroep Interculturele Theologie & Missiologie
- Leerstoelgroep Oude Testament & Judaica
- Leerstoelgroep Nieuwe Testament en Geschiedenis
- Leerstoelgroep Praktische Theologie: Worship & Formation
- Leerstoelgroep Praktische Theologie: Community & Care
- Leerstoelgroep Beroepsvorming & Spiritualiteit
- Kenniscentrum
zijn ondergebracht in het kenniscentrum, aangestuurd door een kennismakelaar.
Het college van bestuur is verantwoording schuldig aan de raad van toezicht, die op zijn beurt verantwoording verschuldigd is aan de generale synode van de PKN. De raad van toezicht ziet toe op de uitvoering van de werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad terzijde. De raad van toezicht heeft in opdracht van de generale synode tot taak de belangen te verzorgen van de opleiding en vorming van predikanten, voor zover dit niet aan anderen is opgedragen.
Ondersteuning
- Afdeling Onderwijs & Onderzoeksondersteuning
- Afdeling Human Researches
- Afdeling Finance
- Afdeling Communicatie & Marketing
Generale Synode
Raad van Toezicht
College van Bestuur
Raad van Advies
Kerncijfers 2025
A. ONDERWIJS
Studenten (peildatum 1 oktober 2025)
* Deze opleiding bevindt zich in een fase van afbouw.
In deze tabel zijn de aantallen vermeld van degenen die als eerstejaarsstudent voor een opleiding staan geregistreerd. De groep van premasterstudenten volgt het onderwijs van het premasterprogramma, op grond waarvan zij zich voorbereiden op de instroom in een van de masteropleidingen.
In deze tabel zijn de aantallen vermeld van degenen die op grond van een inschrijving voor een opleiding staan geregistreerd.
Voor een vergelijking van deze aantallen met voorgaande jaren wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Onderwijs) en de continuïteitsparagraaf in hoofdstuk 9.
De groep premasterstudenten volgt het onderwijs van het premasterprogramma, op grond waarvan zij zich voorbereiden op de instroom in een van de masteropleidingen. Onderscheid in voltijd- en deeltijdinschrijving is niet van toepassing op de groep premasterstudenten, aangezien hun studieprogramma veelal maatwerk is en de studenten zelf hun studeertempo kiezen (ook gedurende het collegejaar).
In 2025 hebben zich in totaal 234 studenten aangemeld bij onze universiteit. Het aantal inschrijvingen voor de master Theologie in studiejaar 2025-2026 ligt lager dan het jaar ervoor, veroorzaakt door een incidenteel
grote groep afstudeerders in het studiejaar ervoor. Het aantal studenten van de premaster is ten opzichte van studiejaar 2024-2025 met 20% gestegen. De dalende trend in studentenaantallen is daarmee nog niet omgebogen, maar de verwachting is dat een groot deel van de premasterstudenten in de komende jaren zal doorstromen naar een van de masteropleidingen en de toestroom daar vergroot wordt. Tevens zullen er komende jaren nog een aantal cohorten in de nieuwe bacheloropleiding bij komen, wat ook daar voor een groei in studentenaantallen zal zorgen. De ontwikkeling van de studentenaantallen heeft de volle aandacht. Samen met de PKN en de door de PKN erkende hbo-opleidingen is een wervingscampagne gestart om de instroom van studenten te vergroten.
Diploma’s (studiejaar 2024-2025)
In deze tabel zijn de aantallen diploma’s vermeld die gedurende studiejaar 2024-2025 zijn uitgereikt.
B. ONDERZOEK
Wetenschappelijke publicaties en promoties
In deze tabel is per leerstoelgroep het aantal wetenschappelijke publicaties (artikelen in bundels, boekhoofdstukken en artikelen in tijdschriften) en het aantal promoties vermeld waarbij een lid van de betreffende leerstoelgroep eerste promotor was. Het aantal fte betreft de voor onderzoek beschikbare onderzoeksformatie (senioronderzoekers).
Voor een vergelijking van deze aantallen met voorgaande jaren wordt verwezen naar hoofdstuk 5 (Onderzoek).
C. PERSONEEL
Medewerkers (peildatum 31 december 2025)
Tot de categorie van wetenschappelijk personeel behoort zowel de wetenschappelijke staf die het onderwijs van de opleidingen verzorgt als de postdoctorale onderzoekers en promovendi die aan de PTHU verbonden zijn op grond van een arbeidsovereenkomst. Oproepkrachten en student-assistenten zijn niet meegenomen in de cijfers.
Voor een vergelijking van deze aantallen met voorgaande jaren wordt verwezen naar de continuïteitsparagraaf in hoofdstuk 9.
Verzuim
Met ingang van 1 januari 2025 heeft de PThU een nieuwe arbodienst: WIM Arbo. De eerste resultaten zijn positief. Bij langdurig verzuim worden leidinggevende en medewerker actief en adequaat vanuit HR ondersteund. Waar nodig wordt extra behandeling ingezet. Dit bleek in het verslagjaar effectief. Het verzuim is met ruim een procentpunt gedaald. Bij de ondersteunende diensten is het verzuim het meest gedaald, maar nog steeds hoger dan gewenst, waarbij aangetekend moet worden dat dit ook verklaard wordt door een relatief hoog aandeel langdurig verzuim. Het aandeel van werkgerelateerd en daarmee beïnvloedbaar verzuim is veel lager dan in 2024. Het verzuim onder het wetenschappelijk personeel ligt in lijn met beschikbare landelijke gegevens.
Verzuim
Diversiteit en inclusie
Als universiteit willen wij ruimte geven aan diversiteit in gender en nationaliteit. De cijfers illustreren dat de PThU daarin succesvol is.
Diversiteit gender
Percentage vrouwelijke hoogleraren (inclusief bijzondere hoogleraren) in fte
Het ondersteunend personeel bestaat voor 58,4% uit vrouwen. Bij het wetenschappelijk personeel is dat percentage 44,2%.
Diversiteit nationaliteit
Percentage wetenschappelijk personeel met een andere nationale achtergrond in fte 15,5 %
Onze universiteit heeft behalve Nederlandse ook werknemers van Afrikaanse, Zuid-Amerikaanse en Europese afkomst. Benchmarkgegevens zijn niet beschikbaar. Interculturele theologie is een belangrijk onderzoeksgebied met een eigen leerstoelgroep.
D. KENGETALLEN FINANCIËN 2025
Kengetallen en ra*o's
Exploita0e

4. Onderwijs
In dit hoofdstuk komt het onderwijs dat wij verzorgen aan de orde. Daarbij gaat het om zowel de bachelorprogramma’s als de masteropleidingen. Onze universiteit neemt geen deel aan het experiment Flexibel hoger onderwijs. Hetzelfde geldt voor het experiment Promotieonderwijs.
Toelating tot de opleidingen geschiedt op basis van de wettelijke toelatingseisen aangevuld met de door het college van bestuur vastgestelde kwalitatieve toelatingseisen zoals die zijn vastgelegd in de opleiding specifieke delen van de onderwijs- en examenregeling voor de betreffende opleidingen. Beoordeling van de toelaatbaarheid van studenten geschiedt, namens het college van bestuur, door de toelatingscommissie.
4.1 Bachelorprogramma’s
4.1.1 Nieuwe bachelor Theologie
In september 2025 zijn we van start gegaan met een eigen bachelor Theologie In Utrecht. Daarmee werd het lange proces van de vestiging van een nieuwe opleiding succesvol afgerond. Op 17 juli 2024 werd het dossier voor de Toets Nieuwe Opleiding bij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) ingediend. Op 20 maart 2025 ontvingen we de positieve uitkomst van de Toets Nieuwe Opleiding en daarmee toestemming tot de vestiging van een nieuwe opleiding. Het oordeel bevatte een lovende typering: de bachelor werd als ‘eigentijds, fris en onderscheidend’ gekenmerkt. De punten van aanbeveling worden meegenomen bij de verdere ontwikkeling van de bachelor. De bachelor Theologie is onderscheidend van andere theologische opleidingen in Nederland doordat er naast leerlijnen voor het verwerven van wetenschappelijke kennis en vaardigheden, veel aandacht in het programma is voor existentiële integratie.
In het academisch jaar 2025-2026 zijn we met zeventien inschrijvingen in Utrecht gestart. Sinds de vestiging in Utrecht stemmen we de data van het academisch jaar en de open dagen voor de bachelor af op die van de Universiteit Utrecht.
4.1.2 Bacheloropleiding Theologie (joint degree
Vrije Universiteit en PThU)
De joint bacheloropleiding is in afbouw. Nieuwe instroom in het programma was met ingang van het academisch jaar 2025-2026 niet meer mogelijk. De afbouwregeling, die door beide besturen is goedgekeurd, is per 1 september 2025 ingegaan en verloopt tot nu toe goed. Studenten weten waar ze onderwijs kunnen volgen en docenten stellen zich flexibel op. Het afbouwprogramma voorziet in een aanbod van onderwijs tot 1 september 2030, waardoor ook het laatste cohort van deeltijdstudenten alle wettelijk voorgeschreven mogelijkheden krijgt om af te studeren. De ene student die zich voor het collegejaar 2024-2025 in de joint bachelor had ingeschreven is overgestapt naar de bachelor Theology, Religion and Society van de VU.
De studenten van de joint bachelor zijn in mei 2025 uitgenodigd op de nieuwe locatie in Utrecht, zodat ze ook een beeld krijgen bij de nieuwe vestigingsplek van de PThU en zij zich welkom weten om ook van faciliteiten in Utrecht gebruik te maken. Zes studenten hebben van deze mogelijkheid tot ontmoeting gebruik gemaakt.
4.1.3 Track bacheloropleiding Theologie RUG
De PThU biedt naast het eigen bacheloraanbod een track van 45 ECTS binnen de bachelor Theologie van de Rijksuniversiteit Groningen aan. Deze bachelor kreeg in de Keuzegids Hoger Onderwijs opnieuw het kwaliteitszegel ‘topopleiding’. De kwaliteitsmeting van de gids is grotendeels gebaseerd op studentenoordelen, afkomstig uit de Nationale Studenten Enquête (NSE) 2025. In 2024-2025 hebben in totaal twintig studenten deelgenomen aan de vakken van het PThU-traject binnen deze bachelor. Deze studenten bevinden zich in verschillende fases van hun studie: Eerstejaars (cohort 2024): negen studenten. Tweedejaars (cohort 2023): drie studenten. Derdejaars (cohort 2022): drie studenten. Studenten die langer dan de nominale studieduur studeren tijdens hun bachelor: vijf studenten.
4.1.4 Instroom, doorstroom en uitstroom
Het rendement ten opzichte van voorgaande jaren ziet er als volgt uit:
1 jaar
Afgegeven diploma’s in studiejaar 6 joint bachelor VU/PThU
4.2 Premaster
Op 1 oktober 2025 stonden er in het totaal negentig studenten ingeschreven voor de premaster; 51 van hen zijn in 1 september 2025 gestart met de premaster.
4.3 Masteropleidingen
In september zijn we met een nieuwe groep masterstudenten van start gegaan, die voor zowel de driejarige als de eenjarige master qua grootte vergelijkbaar was met voorgaande jaren. Opvallend was het hoge aantal masterstudenten dat in 2025 afstudeerde: 56 studenten ontvingen hun bul. Aan het einde van paragraaf 4.3 is een overzichtstabel opgenomen waarin de instroomcijfers voor de masteropleidingen van de afgelopen jaren worden weergegeven.
4.3.1 De driejarige master Theologie (Gemeentepredikant)
Het project om het onderwijs van de driejarige master te verbeteren ging in 2025 de laatste fase in. In de eerste maanden van het jaar hebben docententeams acht nieuwe cursussen ontworpen en is de stage geheel opnieuw opgezet. In plaats van zes themavelden zijn er nu vijf themacursussen (begeleiden, vieren, preken, leren en leidinggeven met visie, elk 7,5 ECTS). Op verzoek van de studenten is er daarnaast meer aandacht voor disciplinaire benaderingen en voor een langere, aaneengesloten stage. De extra ruimte voor disciplinaire scholing vindt plaats in drie disciplinaire cursussen (Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis, Praktische Theologie en Systematische Theologie, elk 7,5 ECTS). De stage beslaat nu twee blokken van elk tien weken, waarin elke week een terugkeermoment is voor een super-
visiebijeenkomst of een training. Vanaf september is de nieuwe programmering van de driejarige master van start gegaan. De eerste reacties van studenten, docenten en stagebegeleiders zijn overwegend positief.
Naast de implementatie van deze wijzigingen in het curriculum hebben we gewerkt aan de coherentie van de toetsing. In samenspraak met de examencommissie zijn er conceptmatrijzen vastgesteld voor toetsing en beoordeling. In het cursusjaar 2025-2026 is er een pilot om deze concepten te toetsen en waar nodig aan te passen. Het is de bedoeling om voor het volgend cursusjaar een vast format voor zowel toetsing als beoordeling in te voeren. Uit de NSE bleek dat de studenten onze inspanningen om het onderwijs te verbeteren positief waardeerden; de masteropleidingen werden aanmerkelijk positiever beoordeeld dan in voorgaande jaren. De NSE score voor algemene tevredenheid kwam uit op 3,71, hetgeen een significante stijging was ten opzichte van de scores uit de periode 2021 tot en met 2024.
4.3.2
De eenjarige master Theology
Het aanbod van het eenjarige programma is deels verweven met het aanbod van de driejarige masteropleiding. Voordat een zinvolle midterm-evaluatie kan worden uitgevoerd moeten zowel de verplaatsingsprocedures van respectievelijk Amsterdam en Groningen naar Utrecht, als de procedure voor verbetering van de driejarige masteropleiding afgerond zijn. In overleg met en met instemming van de opleidingscommissie en de universiteitsraad heeft het college van bestuur de evaluatie van de eenjarige master op de bestuursagenda van het academisch jaar 2025-2026 geplaatst. Een bijkomende factor voor de beslissing om de tussentijdse evaluatie uit te stellen was de Wet internationalisering in balans die in voorbereiding was genomen. De eenjarige mas -
teropleiding bestaat uit een Engelstalig programma en een substantieel deel van de instroom bestaat uit studenten van buiten Europa. Er is inmiddels een projectgroep aan het werk, die in het najaar van 2026 een nieuw programma zal presenteren. We zetten erop in om de ‘international classroom’, waar Nederlandse en internationale studenten met elkaar leren, te behouden en zo mogelijk te versterken. Onderdeel van de evaluatie vormt het verkennend onderzoek naar het belang van afgestudeerden van de eenjarige master Theology voor parakerkelijke organisaties.
Resultaten masteropleidingen
Instroom masteropleiding Theologie (voltijd en deeltijd)
Instroom masteropleiding Theology (voltijd)
Opleidingsrendement voltijd (excl. master Theology) na drie jaar van inschrijving
Opleidingsrendement voltijd (excl. master Theology) na vier jaar van inschrijving
Van het cohort 2022–2023 van de driejarige masteropleidingen in Amsterdam en Groningen hebben veertien voltijdstudenten in studiejaar 2024–2025 hun diploma behaald. Het voltijdcohort 2022–2023 bestond uit 22 studenten. Het aantal voltijdstudenten dat binnen de nominale duur van hun opleiding (drie jaar) het diploma behaalde bedroeg 64% van het totaalcohort voltijdstudenten 2022–2023.
Van het cohort 2021–2022 van alle driejarige masteropleidingen van Amsterdam en Groningen hebben vier voltijdstudenten in studiejaar 2024–2025, vier jaar na te zijn ingestroomd, hun diploma behaald. Dit is 25% van het voltijdcohort 2021–2022, dat uit zestien studenten bestond. Van het voltijdcohort 2021–2022 hebben, na de nominale studieduur vermeerderd met één uitloopjaar, in totaal dertien studenten hun diploma behaald. Dit komt neer op een rendementspercentage van 81%.
4.4 Kwaliteit docentencorps
Om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen is voor alle aan de PThU verbonden docenten het bezit van de Basiskwalificatie Onderwijs (BKO) een vereiste. Beginnende docenten worden in de gelegenheid gesteld de BKO in het jaar na aanstelling te behalen. Seniormedewerkers worden gestimuleerd om de Seniorkwalificatie Onderwijs (SKO) te behalen. Alle docenten beschikken over een BKO. Dertien docenten hebben een SKO behaald. Verder is een begin gemaakt met intervisiebijeenkomsten van docenten. Ook zijn er regelmatig docentbijeenkomsten belegd om gezamenlijk beleid, bijvoorbeeld rond kalibreren of AI en het onderwijs, door te spreken.
Kwaliteitszorg
Ten behoeve van het monitoren van de kwaliteit van het onderwijs en de toetsing hebben we een onderwijskwaliteitsbeleid en een toetsbeleid vastgesteld.
Tussentijds en gedurende het opleidingsprogramma wordt het onderwijs per cursus geëvalueerd door de deelnemende studenten, de coördinerend docent en de opleidingscommissie.
De opleidingscommissie monitort in samenspraak met de opleidingsdirecteur de kwaliteit van het onderwijs. De opleidingsdirecteur geeft daarvan een terugkoppeling aan het college van bestuur. Het college van bestuur neemt kennis van de terugkoppeling en besluit indien nodig – en het advies van de opleidingscommissie daarbij betrekkend – tot het treffen van verbetermaatregelen, die de opleidingsdirecteuren vervolgens in overleg met de onderwijsgevenden doorvoeren. Ten behoeve van de borging van het voor de opleidingen vastgestelde toetsbeleid is voor zowel de bachelor- als de masteropleidingen een examencommissie ingesteld. De examencommissie borgt de kwaliteit van de toetsing en daarmee de diploma‘s.
Onze opleidingen worden volgens het door de NVAO vastgestelde accreditatierooster beoordeeld, op basis van het door de NVAO daartoe gehanteerde kader. Het rooster voorziet in een dergelijke beoordeling in 2028. Dit jaar is gebaseerd op een wijziging van het rooster, die voor onze universiteit inhield dat de herbeoordeling ten opzichte van de gangbare termijn met twee jaar is uitgesteld. Volgens de zesjaars-cyclus van onderwijskwaliteitszorg vindt doorgaans na drie jaar een midterm-evaluatie plaats. Deze hebben wij voor de masteropleidingen in juni 2026 gepland. In het kader van de beslissing tot uitstel van de beoordeling van de opleidingen is de planning van de tussentijdse evaluatie aan de NVAO voorgelegd en door deze goedgekeurd. Een tussentijdse evaluatie van de nieuwe bacheloropleiding vindt over twee jaar plaats in overeenstemming met het protocol voor een opleiding die is geaccrediteerd in het kader van een Toets Nieuwe Opleiding.
Voor de masteropleiding Theologie geldt dat in het jaar 2023 een tussentijdse reflectie op de kwaliteit van de opleiding heeft plaatsgevonden. Bij die
reflectie is zowel een externe onderwijsdeskundige betrokken geweest als de raad van advies, die het werkveld representeert waarop de opleiding studenten voorbereidt.
De masteropleiding Theology is in het kader van de verhuizing van onze universiteit in 2024 verplaatst van Groningen naar Utrecht. Het programma van de masteropleiding Theology was tot aan de verplaatsing geënt op de specifieke opleidingscontext van Groningen, waar wij een driejarige ambtsopleiding aanboden. Als gevolg van de verhuizing naar Utrecht is de Groningse driejarige masteropleiding Theologie beëindigd. De driejarige ambtsopleiding die in Amsterdam werd aangeboden is naar Utrecht verplaatst. De driejarige ambtsopleiding is in de achterliggende periode geëvalueerd en op basis van de evaluatie is een aantal verbetermaatregelen doorgevoerd
4.6 Medezeggenschap: opleidingscommissie
De opleidingscommissie vormt het medezeggenschapsorgaan dat de kwaliteit van de opleidingen bewaakt en bevordert door middel van cursusevaluaties en evaluatie van het programma als geheel.
Voor de nieuwe bacheloropleiding is met ingang van 1 september 2025 een opleidingscommissie van start gegaan. Deze commissie bestaat uit vier leden: dr. Bosco Bangura, prof. dr. Wim Moehn, en de twee studentleden Jannemieke Blok en Aron Mastenbroek. De commissie voor de bacheloropleiding werkt nauw samen met de commissie voor de masteropleidingen.
De opleidingscommissie voor de in afbouw zijnde gezamenlijke bacheloropleiding bestaat uit: prof. dr. Bert Jan Lietaert Peerbolte (voorzitter), dr. mr. Klaas-Willem de Jong, prof. dr. Dirk Martin Grube, dr. Ronella Sonnenberg, Willem van Reijenda (student-lid) en adviserend lid Inger Groesz (studiedecaan).
Er is aan onze universiteit één opleidingscommissie voor de masteropleidingen. Zij behartigt de belangen van de driejarige master en van de eenjarige
(Engelstalige) master. De opleidingscommissie voor de masteropleidingen bestond in 2025 uit zes leden (onder wie een lid dat gedurende het verslagjaar vanwege langdurig ziekteverlof afwezig was). Drie leden zijn gekozen uit en door het personeel, te weten dr. Theo Pleizier, dr. Jan Krans en dr. Theo Boer, en de andere drie leden uit en door de studenten, namelijk Job Burggraaf, Marten ten Dam en Anne Eggink-de Kok. Taken en bevoegdheden van de commissie zijn geregeld in een Reglement voor de opleidingscommissie. De opleidingscommissie voert ten minste tweemaal per jaar overleg met het college van bestuur, dat zich daarbij laat vertegenwoordigen door de opleidingsdirecteur.
In het vergaderjaar 2025-2026 vergaderde de commissie vijfmaal. Gedurende het verslagjaar heeft de commissie specifiek aandacht gegeven aan de evaluatiecyclus voor het masteronderwijs.
Met de start van de nieuwe bachelor heeft de opleidingscommissie van de masteropleidingen zich tot taak gesteld de opleidingscommissie voor de bachelor te begeleiden, en wegwijs te maken in haar (nieuwe) taak.
4.7 Examencommissie
1. Samenstelling, vergadercyclus, werkzaamheden Samenstelling van de examencommissie masteropleidingen 2024-2025:
dr. Erica Meijers (voorzitter), groep Practices
prof. dr. Marjo Korpel (vicevoorzitter), groep Sources
dr. Rob Compaijen (lid), groep Beliefs
prof. dr. Bernhard Reitsma (lid), groep Beliefs
dr. Theo Witkamp (extern lid, voorheen groep B&S)
Willemien Uil-Hoogerwaard, MSc (extern lid, onderwijskundige)
dr. Peter van Egmond (ambtelijk secretaris)
Binnen de examencommissie is een rudimentaire taakverdeling besproken waarbij leden zich richten op een specifiek thema of rol:
• fraude: Rob Compaijen
• College van Beroep voor de Examens (COBEX): Theo Witkamp
• portfoliotoetsing: Erica Meijers
• AI en onderwijs/toetsing: Marjo Korpel
De examencommissie masteropleidingen heeft tijdens het verslagjaar negenmaal vergaderd. De vergaderdata en deadlines voor het indienen van verzoeken zijn via een eigen pagina op onze website bekendgemaakt. Voor het indienen van verzoeken door studenten is een digitaal formulier beschikbaar. De start van een nieuwe examencommissie voor bachelor en master, per 1 september 2025, is aangegrepen om de werkwijze, en dan met name de gangbare cyclus van maandelijkse vergaderingen en de commissiebrede behandeling van studentverzoeken, te heroverwegen. De nieuwe examencommissie zal daar te zijner tijd over rapporteren in een eigen jaarverslag.
Tot de reguliere werkzaamheden van de commissie behoren: het behandelen van studentverzoeken, borging van de toetskwaliteit (toetsen- en scriptiechecks), het aanwijzen van examinatoren, fraudebestrijding en het vaststellen van regels en richtlijnen. Ook adviseert de commissie het college van bestuur over ordinantieverzoeken vanuit de PKN.
Daarnaast speelden enkele specifieke thema’s, zoals de gevolgen van de opkomst van ‘genAI’ en het proces dat leidde tot het instellen van een brede examencommissie voor bachelor en master. In het onderstaande gaan we nader op deze punten in.
2. Studentverzoeken
Tijdens het verslagjaar heeft de examencommissie 72 verzoeken behandeld. Daarmee is de dalende trend van vorig jaar doorgezet (van 103 in 2022-2023 naar negentig in 2023-2024). Het aantal verzoeken lijkt terug te zijn op het niveau van vóór de invoering van de masterherziening (gemiddeld zestig tot zeventig). Mogelijk is dit het gevolg van het feit dat er aan de aanpassingen die per september 2025 zijn ingevoerd, een goede overgangsregeling ten grondslag lag die de gang naar de examencommissie in veel gevallen overbodig maakte. Drie verzoeken zijn afgewezen, één was niet-ontvankelijk. In sommige gevallen werden verzoeken gedeeltelijk gehonoreerd of werden er nadere voorwaarden aan instemming verbonden.
Cijfers per soort verzoek (sommige verzoeken vallen in meerdere categorieën, of bevatten verschillende deelverzoeken):
Enkele ontwikkelingen:
• Het aantal vrijstellingsverzoeken dat betrekking heeft op verplichte examenonderdelen is gedaald van 21 naar twaalf en daarmee terug op het oude niveau. Ook de complexere verzoeken van zij-instromers vallen hieronder. Deels is dat aantal teruggelopen omdat hun vooropleiding en werkervaring deels gehonoreerd kan worden via portfoliotoetsing en daardoor niet meer langs de examencommissie hoeft. In hoeverre dat in de verbeterde driejarige master zo blijft, zal moeten blijken.
• Het aantal verzoeken om een extra tentamenkans blijft hoog. Waarschijnlijk heeft dat te maken met de specifieke aard van de studentenpopulatie in de master (zij-instromers met knelpunten in de thuissituatie, verplichtingen naast de opleiding, enzovoort), gezondheidsontwikkelingen (bijvoorbeeld long covid), en een veranderde werkwijze van de opleiding (striktere handhaving van deadlines). In enkele gevallen was een roosterknelpunt aanleiding om een extra kans toe te kennen.
• Slechts één verzoek hield verband met voorzieningen wegens functiebeperking. In de toekomst zullen de meeste van deze verzoeken terechtkomen bij de bachelorgeleding (bachelor, premaster), zoals rond de start van het nu lopende academiejaar al bleek.
• De commissie ontving zes kerkelijke adviesvragen (ordinantieverzoeken). De helft betrof predikanten die uit het buitenland overkwamen (waaronder opnieuw enkelen vanuit Zuid-Afrika). Omdat dit adviesproces over meerdere schijven loopt, kan de procedure lang duren en blijkt het ingewikkeld om alle benodigde informatie op tafel te krijgen. De ambtelijk secretaris van de commissie en de bestuurssecretaris hebben overlegd met het Dienstencentrum PKN over vereenvoudiging van de procedure en verbetering van de uitvraag van gegevens.
3. Borging van de toetskwaliteit
Toetsenchecks
In de toetsencheck van 12 december 2024 heeft de examencommissie de cursusontwerpen (in het bijzonder de toetsing) bekeken van de aangepaste/ verbeterde master. Het ging dus om een check vooraf, aan de hand van cursusontwerpen die op dat moment beschikbaar waren, in plaats van achteraf, zoals gebruikelijk is bij het checken van toetsen. Voordeel is dat het in dit stadium gemakkelijker is om bij te sturen dan wanneer alles al in detail is uitgewerkt.
De commissie heeft (a) geïnventariseerd welke toetsvormen worden gebruikt en (b) hoe de verbinding
wordt gelegd tussen leerdoelen en toetsvormen. Per cursus zijn suggesties en verbeterpunten aangereikt. Een algemene conclusie was dat papers en presentaties de meest gekozen toetsvormen waren, en dat meer afwisseling wenselijk zou zijn. De commissie heeft aangegeven dat hierop gestuurd moet worden. Verder bleek dat in veel cursussen hetzelfde soort leerdoelen wordt getoetst: academische en analytische vaardigheden en kennis. Ook hierin zou meer gedifferentieerd kunnen worden.
Eerder al had de examencommissie erop gewezen dat juist bij het verschuiven van allerlei ‘inhouden’ van het curriculum scherp in de gaten moet worden gehouden of wat essentieel is (eindtermen, kerkelijke eisen) niet onbedoeld verdwijnt dan wel aan gewicht inboet. De toetscheck was dan ook aanleiding om de directeur masteropleidingen nogmaals te vragen om een beknopt overzicht van welke leerinhouden/ thema’s er mogelijk verdwijnen of wijzigen en welke nieuwe erbij komen. In maart 2025 is zo’n overzicht alsnog voorgelegd aan en goedgekeurd door de examencommissie.
Op 15 mei 2025 is een tweede toetsencheck gehouden, waarin een steekproef van toetsdossiers is geëvalueerd. Hoewel er over de gehele linie geen reden bleek om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en validiteit van de toetsing, vond de commissie wel enkele verbeterpunten. Zo zou de link tussen beoordeling en leerdoelen voortaan explicieter moeten worden gelegd in de toetsmatrijs. Ook is er ruimte om de peer-feedback van docenten op elkaars toetsing te verbeteren.
Scriptiecheck
Op 6 maart 2025 heeft de commissie een scriptiecheck gewijd aan afstudeerwerken van de eenjarige master, als vervolg op een eerdere scriptiecheck van vijf jaar daarvoor. Sinds die vorige check zijn de kaders voor het thesistraject echter gewijzigd en aangescherpt en is ook academische basisvorming opgenomen in het curriculum. Welk effect hebben deze maatregelen gehad voor internationale studenten?
Er zijn zes thesisdossiers geëvalueerd van studenten uit verschillende tracks van de eenjarige master, uit de periode juli-augustus 2024. De meesten
studeerden ook af, op één na (onvoldoende). Deze student is een half jaar later alsnog afgestudeerd. Vijf dossiers zijn van studenten van niet-Westerse afkomt, één is van een student uit Hongarije. Hoewel de examencommissie de gegeven beoordelingen billijk vond, zijn er wel enkele aandachtspunten, die met de thesiscoördinator zijn gecommuniceerd. Ten eerste was de verantwoording van de gegeven beoordeling op het formulier vaak (te) summier en sloot soms het commentaar niet aan bij de gekozen rubriek, of werden delen van verschillende rubrieken gearceerd. Juist omdat de toekenning van thesiscijfers altijd een persoonlijk element bevat, is de toelichting van groot belang. De commissie heeft besloten het woord ‘toelichting’ op het formulier te wijzigen in ‘verantwoording’ om het gewicht van het commentaar van docenten te benadrukken. Ten tweede blijkt onduidelijkheid te bestaan over de omgang met onvoldoendes. De standaardrichtlijn is: ook bij een onvoldoende moet het hele formulier worden ingevuld, met eindbeoordeling, zodat de eerste kans kan worden afgetekend en de student duidelijke feedback ontvangt. Ten derde constateert de commissie dat de voorwaarden voor indiening van de thesis (omvang, spelling, taalgebruik, overzichtelijkheid) wellicht duidelijker kunnen worden omschreven. Tot slot heeft de commissie aanbevolen om het gehele thesistraject van de eenjarige master te evalueren, ook met het oog op de herziening van deze opleiding in 2026. Gezien enkele andere zorgen over deze master, zoals de werkbaarheid van de structuur, de relatie tot de driejarige master, het belang van een goede match tussen docent en student (de docent moet over interculturele vaardigheden beschikken) in het thesistraject en het (on) gelijke speelveld voor internationale en Nederlandse studenten, neemt de commissie zich voor deze herziening, inclusief toerusting van docenten voor deze master, met aandacht te volgen. De commissie wil ook graag bij dit proces betrokken worden.
Overige
Op 6 maart 2025 ontving de examencommissie de opleidingsdirecteur masteropleidingen voor een gesprek over een overgangsregeling (nodig vanwege de wijzigingen in de master, met name het loskoppelen van de stages) en de borging van de eindtermen (zie boven). Ook is gesproken over een nieuwe, geüniformeerde beoordelingsmatrix
voor portfoliotoetsing, bedoeld om de transparantie van de toetsing (een aandachtspunt vanuit de NSE) te verbeteren. Dergelijk overleg is bedoeld om ook proactief bij te dragen aan de verbetering van de toetskwaliteit.
4. Aanwijzen examinatoren
De examencommissie wijst jaarlijks examinatoren aan die bevoegd zijn om toetsing te verzorgen en beoordelingen vast te stellen. Bij de aanvang van het academisch jaar is de lijst van examinatoren voor 2024-2025 vastgesteld en zijn de examinatoren via een aanwijzingsbrief op de hoogte gesteld. Naar aanleiding van deze ronde aanwijzingen rees de vraag of de toetskennis en -vaardigheid voldoende gewaarborgd wordt met alleen een BKO. Zou niet aanvullend om een Basis Kwalificatie Examinering (BKE) moeten worden gevraagd (op zijn minst van één docent per leerstoelgroep, respectievelijk de examencommissie en de onderwijscommissie)?
Of zou op een andere manier de toetskennis kunnen worden vergroot? In afwachting van de totstandkoming van de brede examencommissie en de start van de bachelor is dit punt aangehouden. De intentie is om er in de nieuw te vormen commissie op terug te komen.
5. Fraudebestrijding
De Regeling Fraude is opnieuw vastgesteld, zonder inhoudelijke wijzigingen. Nieuw is dat de regeling vanaf september 2025 ook geldt voor de bacheloropleiding.
Tijdens verslagjaar 2024-2025 is tweemaal melding gedaan van een vermoeden van fraude. In de papers van twee studenten werden onregelmatigheden aangetroffen die wezen op ongeoorloofd gebruik van generatieve AI. De studenten zijn gehoord en gaven aan inderdaad gebruik te hebben gemaakt van ChatGPT. Als sanctie zijn de papers ongeldig verklaard en zijn de studenten ook van de herkansing uitgesloten. Het betrof de eerste casuïstiek met betrekking tot genAI.
In het voorjaar van 2025 ontving de commissie signalen dat de plagiaatscanner Turnitin niet meer functioneerde als gevolg van problemen bij de leverancier. De commissie heeft bij het onderwijsmanagement aangedrongen op snelle actie omdat geen diploma’s konden worden uitgereikt zolang de eindwerken niet op plagiaat gecontroleerd konden worden.
Het onderwijsmanagement heeft daar gevolg aan gegeven. De problemen waren opgelost tegen de tijd dat de masterscripties op plagiaat gescand en beoordeeld moesten worden.
6. Regels en Richtlijnen
Met het oog op de vorming van een nieuwe examencommissie zijn de Regels en Richtlijnen gesplitst in twee afzonderlijke delen: een Huishoudelijk Reglement, en de Regels en Richtlijnen die de gang van zaken rondom de toetsing moeten regelen. Het Huishoudelijk Reglement is voor die gelegenheid geheel herzien.
In de Regels en Richtlijnen zijn geen inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd, met uitzondering van één nieuwe bepaling betreffende de begeleiding van eindscripties van internationale studenten. Vanwege hun specifieke uitgangssituatie en leerbehoeften en de impact van culturele verschillen op het begeleidingsproces – inclusief de beoordeling – heeft de examencommissie bepaald dat de begeleider of de beoordelaar over ervaring met begeleiding/beoordeling in interculturele context moet beschikken (zie onder 3. > Scriptiecheck).
ENKELE SPECIFIEKE THEMA’S
7. GenAI en toetsing
De omgang met ‘generatieve AI’ (genAI) is een terugkerend vraagstuk, en niet alleen aan onze universiteit. Regelmatig verschijnen er berichten in de media over hoe ook andere instellingen worstelen met de ontwikkelingen. Met name papers en eindscripties zijn toetsvormen die onder druk staan. In hoeverre kunnen examencommissies vertrouwen stellen in de toetsing als het steeds moeilijker wordt om te zien of studenten hun schrijf- en denkwerk niet hebben uitbesteed aan een AI-tool?
De opkomst van genAI roept echter ook andere vragen op: wat betekent het voor het werkveld waar we voor opleiden? In hoeverre moeten onze studenten niet juist met genAI leren omgaan? Hoe kunnen AI-tools zinvol worden ingezet in het onderwijs? Welke competenties worden minder belangrijk en welke nieuwe competenties moeten een plaats krijgen in het curriculum? En welke ethische aspecten moeten worden meegewogen? Deze vragen behoren niet direct tot het taakgebied van de
examencommissie (borging toetskwaliteit, voorkomen misbruik genAI), maar vloeien wel voort uit dezelfde ontwikkelingen. De examencommissie is daarom in gesprek gegaan met de opleidingscommissie om tot een integrale omgang met deze problematiek te komen. Twee leden hebben met een afvaardiging van de opleidingscommissie gesproken. Wat de toetsing betreft is het voornemen geweest om aan te sluiten bij de zogeheten ‘tien geboden’ van de RUG en deze te vertalen naar de situatie aan onze universiteit. De verplichting voor studenten om transparant te zijn over hun AI-gebruik is een belangrijk onderdeel hiervan. In het verlengde van dit gesprek is ook een enquête uitgezet om te peilen hoe docenten met genAI-kwesties omgaan en of ze weten wat er moet gebeuren als ze vermoedens van misbruik hebben. Docenten blijken inderdaad behoefte te hebben aan meer informatie en richtlijnen én gesprekken over dit onderwerp. De thematiek heeft inmiddels een structureel karakter en de ontwikkelingen blijven elkaar snel opvolgen. In april 2025 is een overleg opgericht om universiteitbreed nieuwe AI-ontwikkelingen te bespreken. Dit vervangt het bilaterale overleg tussen examencommissie en opleidingscommissie. Een afgevaardigde van de examencommissie maakt hier deel van uit. Het thema zal komende jaren aandacht blijven vragen van de examencommissie. Mede daarom is geopperd om binnen het Netwerk Levensbeschouwelijke Universiteiten (NLU) naar deze thematiek te kijken. Het gaat immers om een gedeeld belang.
8. Naar een nieuwe examencommissie voor bachelor- en masteropleidingen Per 1 september 2025 is de nieuwe bacheloropleiding van onze universiteit van start gegaan. Terwijl de accreditatie voor deze opleiding nog liep, werd ook gewerkt aan een passende structuur voor een nieuwe examencommissie. Er is, na een aantal bijeenkomsten van de huidige commissie masteropleidingen met afgevaardigden van het college van bestuur, het onderwijsmanagement en de examencommissie van de joint bachelor (VU-PThU), gekozen voor een examencommissie met subcommissies voor de masteropleidingen (de huidige examencommissie) en de bachelor. Deze commissie zou enkele keren per jaar gezamenlijk vergaderen om grotere lijnen en overlappende vraagstukken te bespre -
ken, terwijl verzoeken in de afzonderlijke subcommissies, of door de daartoe afgevaardigde leden van beide subcommissies, afgehandeld zouden worden. Het traject begon in januari 2025 met de deelname aan het gesprek met de visitatiecommissie voor de bachelor door prof. dr. Rick Benjamins (examencommissie joint bachelor) en dr. Peter van Egmond (aanstaande examencommissie master). Deze commissie is van start gegaan op 1 september 2025, tegelijk met de start van de nieuwe bachelor. De (PThU-)leden van de examencommissie van de joint bachelor en van de masteropleidingen zijn toegetreden tot de nieuwe commissie, waarin voor het overige de bestaande rollen en functies zijn gecontinueerd. Op weg naar deze uitkomst zijn er een aantal belangrijke aandachtspunten geweest, die we hier kort bespreken.
Inrichting en taakverdeling brede examencommissie
De belangrijkste overweging om als commissie mee te gaan met het voorstel om tot één brede commissie te komen is dat deze kan bijdragen aan een samenhangend en consistent instellingsbreed toetsbeleid voor alle opleidingen (bachelor, premaster, master). Thema’s als fraudebestrijding, het aanwijzen van examinatoren, advisering over de Onderwijs en Examenregeling (OER) en vaststelling Regels en Richtlijnen vallen daarbij onder de brede commissie. Zaken als studentverzoeken, toetsenchecks, scriptiechecks en afhandeling van beroep- en bezwaar vallen onder de subcommissies. De vergaderfrequentie voor de brede examencommissie zou minimaal drie keer per jaar zijn, terwijl de subcommissies daarnaast nog apart kunnen vergaderen.
In juni 2025 heeft de commissie, in de (verwachte) nieuwe samenstelling, een eigen huishoudelijk reglement vastgesteld waarin samenstelling, taken en werkwijze van de nieuwe examencommissie zijn vastgelegd.
9. Beroep en bezwaar
In 2024-2025 is geen beroep ingesteld tegen een besluit van de examencommissie of een beoordeling door een examinator.
10. Kennisinvestering
Aan kennisinvestering is, vanwege de vele thema’s die aandacht vroegen en vanwege onduidelijkheid
over de bekostiging (zie ook het vorige jaarverslag), de afgelopen jaren te weinig tijd genomen. Des te belangrijker was het dat de examencommissie sinds september 2024 expertise op het gebied van toetsing in huis heeft gekregen, in de persoon van extern lid Willemien Uil. Haar komst en inbreng beschouwt de commissie als zeer welkom. Niettemin blijft het van belang dat de overige commissieleden ook aan kennisinvestering blijven doen, temeer omdat de laatste jaren verschillende nieuwe leden zijn aangetreden. In overleg met het bestuur (bekostigingsaspect) is besloten dat een afvaardiging van de commissie in het najaar 2025 een congres over examencommissies en toetsing zou bijwonen. Dit is ook gebeurd.
11. Vooruitblik
Sinds september 2025 gaat de commissie verder met een andere, bredere opdracht: het borgen van de toetskwaliteit van de bachelor, premaster en masteropleidingen. Deze nieuwe start betekent ook dat de werkwijze en processen van de examencommissie herijkt worden en ervaringen vanuit de examencommissie van de joint bachelor worden meegenomen. Het komende jaar zal in het teken staan van gewenning en groeien in de nieuwe rol die de commissie is toebedeeld. De commissie neemt zich voor om dit proces na het eerste jaar te evalueren. De commissie heeft er overigens alle vertrouwen in en ziet uit naar constructieve samenwerking met alle partijen.

5. Onderzoek
5.1
Doelen vanuit het instellingsplan
In mei 2021 aanvaardde onze universiteit een instellingsplan onder de titel Theologisch kleur bekennen Daarin werden aangescherpte doelen gesteld ten aanzien van ons onderzoek. Het overkoepelende doel was een nauwere samenhang binnen ons onderzoek te realiseren, scherper te sturen op de te behalen doelstellingen en beter in te spelen op behoeften aan onderzoek zoals die leven in kerk, academie en samenleving. Na de aanvankelijke keuze voor twee onderzoekslijnen, ‘Mediating Good Life’ en ‘Moving Identities’, werd vanaf 2022 ingezet op het formuleren van concrete interdisciplinaire onderzoeksprojecten, de zogenoemde icoonprojecten. Deze projecten worden in samenwerking met externe partners vormgegeven en sluiten nauw aan bij vragen uit kerk, academie en samenleving.
Het eerste project dat werd uitgewerkt en in 2019 van start ging, was het Moral Compass Project. Het tweede project, dat met name in 2021 en 2022 werd ontwikkeld, is het project ‘Church and Slavery in the Dutch Empire: History, Theology, and Heritage’ (‘Kerk en Slavernij’). Het derde project, dat gedurende 2022 tot ontwikkeling is gekomen, is ‘Grond’ (‘Ground. Towards a Responsible and Embodied Theological View on Our Relationship with the Earth in the Context of 21st-Century Climate and Ecological Problems’). Het vierde project, dat in samenwerking met de dienstenorganisatie van de PKN in 2024 verder werd ontwikkeld, kreeg de naam ‘Future Orientated Church’ (‘Toekomstgericht Kerkzijn’).
Naast onderzoek binnen de icoonprojecten wordt ook disciplinair onderzoek verricht en gewerkt aan doorontwikkeling van de eigen disciplines. In onderstaande wordt eerst het onderzoek op het niveau van de leerstoelgroepen besproken en daarna wordt gerapporteerd over de voortgang van de icoonprojecten.
5.2 Verslag leerstoelgroepen en onderzoeksresultaten over 2025
5.2.1 Leerstoelgroepen
Aan onze universiteit zijn zeven leerstoelgroepen. Elk van de leden van de wetenschappelijke staf maakt deel uit van een leerstoelgroep. De stafleden worden ingedeeld in een leerstoelgroep op basis van een gedeeld onderzoeksdomein.
5.2.1.1 Dogmatiek & Ethiek
De leerstoelgroep Dogmatiek, Ethiek en Kerkrecht (DEK) werd versterkt door de voltijds benoeming van prof. dr. Wim Moehn als hoogleraar voor de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme. Per 1 juli kwam Brecht Crabbe als promovendus kerkrecht in dienst. In november werd prof. dr. Arnold Huijgen benoemd tot Theoloog der Nederlanden.
Leden van de leerstoelgroep Dogmatiek, Ethiek en Kerkrecht doen zowel disciplinair als interdisciplinair onderzoek. Zij zijn onder meer betrokken bij de icoonprojecten Moral Compass, waarvan prof. dr. Petruschka Schaafsma de projectleider is, en Grond. Zowel in de academie als voor een breder publiek deelde de leerstoelgroep resultaten van onderzoek. Naast wetenschappelijke artikelen werden de volgende boeken gepubliceerd: prof. dr. Rick Benjamins, Formerly God: Rethinking God after God (Amsterdam: University Press); prof. dr. Pieter Vos, Het goede in het gewone leven: Protestantse deugdethiek (Buijten&Schipperheijn); en de bundel De Synode van Dordrecht 1574 (Amsterdam: University Press), onder redactie van prof. dr. Leon van den Broeke en dr. Klaas-Willem de Jong. Naar aanleiding van deze boeken werden ook lezingen in binnen- en buitenland gegeven, alsmede een PAO-cursus.
5.2.1.2 Interculturele Theologie & Missiologie Tijdens de dies in januari 2025 hield prof. dr. Bernhard Reitsma zijn inaugurale rede A Clash of Civilizations Revisited. Dr. Charles Christian, die op 24 november zijn proefschrift Mere Materiality. Towards an Indian Theology of Nature verdedigde aan de PThU, is als postdoc in dienst gekomen bij het icoonproject Toekomstgericht Kerkzijn.
De leerstoelgroep Interculturele Theologie & Missiologie verricht zowel disciplinair als interdisciplinair onderzoek. De leerstoelgroep bleef gedurende het afgelopen jaar nadenken over het verder ontwikkelen van (een visie op) interculturele theologie en missiologie, en hield regelmatig samenkomsten van de verschillende researchgroups binnen de leerstoelgroep, ook met bijdragen van buiten, zoals in januari van prof. dr. John Flett (Pilgrim Theological College, Melbourne, Australië). Ook tijdens de jaarlijkse bezinningsdagen van de leerstoelgroep in Leusden (16-17 juni) was de visie op interculturele theologie een aandachtspunt. Met name de vraag naar het eenzijdige Westerse karakter van academische theologie kwam aan de orde, alsook de vraag hoe er meer openheid kan komen voor niet-Westerse modellen en methoden.
De leden van de leerstoelgroep zijn betrokken bij de twee interdisciplinaire icoonprojecten: Toekomstgericht Kerkzijn en Kerk en Slavernij. Prof. dr. Benno van den Toren is projectleider van het icoonproject Toekomstgericht Kerkzijn. Onder de gezamenlijke leiding van Van den Toren en dr. Marten van der Meulen (namens de dienstenorganisatie van de PKN) is verder gewerkt aan het vormgeven van het onderzoek en de onderzoeksgroep, en het integreren van de diverse deelprojecten, door middel van studiedagen en publieksbijeenkomsten. Vanuit de leerstoelgroep dragen prof. dr. Dorottya Nagy, prof. dr. Heleen Zorgdrager en promovenda Donate Philbert-Nieveld MA bij aan het onderzoeksproject Kerk en Slavernij. Mede dankzij de inzet van Donate Philbert-Nieveld heeft dit icoonproject een grote internationale conferentie op Curaçao kunnen organiseren.
De leerstoelgroep is actief betrokken bij de voortgang van de website African Theology Worldwide. In mei 2025 heeft ook de eerste in een reeks van drie conferenties met als thema ‘Where is God in Lived Religion?’ plaatsgevonden. De conferentie werd gehouden in Cluj (Roemenië) en was mede georganiseerd door het Centre For Theology and Christianity Worldwide.
5.2.1.3 Old Testament & Judaism
Voor de leerstoelgroep was dit een jaar met veel veranderingen. Voorzitter, hoogleraar Oude Testa -
ment en waarnemend rector prof. dr. Klaas Spronk ging met emeritaat en dr. Michael van der Meer en dr. Robin ten Hoopen zijn in dienst gekomen als de nieuwe collegae Oude Testament, beide in deeltijd.
Prof. dr. Marjo Korpel en prof. dr. Lieve Teugels hielden beiden hun oratie ter gelegenheid van hun bevordering tot hoogleraar. In mei hield Korpel een rede over de ‘hand van God’ in de Bijbel en de Oudoosterse wereld. De oratie werd voorafgegaan door een symposium. In juni hield Lieve Teugels haar inaugurele rede over het thema ‘Van theologische jood naar joodse theologie: over het belang van joodse studies aan de PThU’. Hierin hield zij een programmatisch betoog over de noodzaak van de studie van het jodendom door theologiestudenten, vanuit historisch perspectief, tegen het licht van de nog steeds sluimerende vervangingstheologie. Ook deze oratie werd voorafgegaan door een symposium, waarvan de bijdragen door dr. Paul Sanders en Teugels worden geredigeerd voor publicatie in een speciale uitgave van Nederlands Theologisch Tijdschrift/ Journal for Theology and the Study of Religion.
De leden van de groep verrichten zowel disciplinair als interdisciplinair onderzoek. Dr. Bärry Hartog is actief binnen het icoonproject Moral Compas Project en werkt daar aan het deelproject over de Bijbel en het antieke jodendom. Als zodanig is hij ook de promotor van Benjamin Bogerd, die binnen de leerstoelgroep is aangesteld om onderzoek te doen naar het morele appel van antiek-joodse en hedendaagse klimaat-apocalyptiek. Sanders, Teugels, Korpel en Cornelius Sinaga (promovendus) dragen bij aan het project Kerk en Slavernij met hun kennis van het Oude Testament en het Hebreeuws, onder meer door publicaties en advies.
Sanders is de trekker van internationale project Semantics of Ancient Hebrew Database (https:// sahd-online.com). Ook andere leden van de leerstoelgroep zijn betrokken bij dit project. Korpel, Van der Meer en gasthoogleraar prof. dr. Willem Smelik zijn lid van de editorial board. Ten Hoopes onderzoek richt zich nu in de eerste plaats op het publiceren over thema’s die voortvloeien uit zijn proefschrift. Van der Meer doet onder andere onderzoek naar de Septuaginta, een nieuwe focus in onze leerstoelgroep, en is betrokken bij het tekstkritisch onder-
zoek ten behoeve van de Biblica Hebraica Quinta, een prestigieus internationaal project. Korpel werkt aan haar commentaar op het boek Ruth, een langjarig project dat nu afgerond gaat worden. Dr. Marco Visser doet als 0.2 fte postdoc onderzoek naar de nalatenschap van de Amsterdamse School, op dit ogenblik vooral gericht op Rochus Zuurmond. Hij plaatst dit onderzoek op leerstoelrochuszuurmond.nl en presenteert resultaten ervan op conferenties.
Een nieuw initiatief van de leerstoelgroepen Sources (OT en NT) sinds 2025 is Re:Sources, bijeenkomsten waar zowel de senior- als junioronderzoekers hun werk presenteren. Ook bij elke Sources-vergadering presenteert een onderzoeker lopend onderzoek.
5.2.1.4 Nieuwe Testament en Kerkgeschiedenis
Op 30 september 2025 sprak prof. dr. Louise Nelstrop als hoogleraar kerkgeschiedenis haar inaugurele rede uit, getiteld ‘Mysticism and the Bible: On the Importance of Church History at the Protestant Theological University’. De oratie werd voorafgegaan door een symposium met binnen- en buitenlandse vakgenoten. In 2025 is prof. dr. Fred van Lieburg benoemd als gasthoogleraar, met als onderzoeksfocus de geschiedenis van de Protestantse Kerk. Vanuit de in mei 2025 gestichte en door de Stichting Fonds Legaat ‘Ad pias causas’ gesponsorde leerstoel ‘Wetenschap en vroomheid’ startte prof. dr. Aza Goudriaan een onderzoeksproject naar het denken van Gisbertus Voetius (1589-1676).
In 2025 participeerden leden van de leerstoelgroep New Testament & Historical Theology vooral in het internationale, door NWO gesubsidieerde onderzoeksproject ‘Church and Slavery in the Dutch Empire: History, Theology, and Heritage’ (PThU, VU, UoC), waarvan de projectleider, prof. dr. Annette Merz, lid is van de leerstoelgroep (en gedurende een deel van 2025 ook leerstoelgroepsvoorzitter).
Daarnaast was dr. Suzan Sierksma betrokken bij het icoonproject Toekomstgericht Kerkzijn; in het najaar van 2025 werd Martine van der Herberg MA als promovenda aangesteld bij de leerstoelgroep voor het uitvoeren van een deelproject binnen ditzelfde icoonproject.
Een door Nelstrop met dr. Tine van Osselaer (Ruusbroec Instituut, Universiteit Antwerpen) aangevraagde subsidie voor het project ‘Peace and Action: Beneficial Ripple Effects of Public Mysticism in Society’ is in 2025 door de Templeton Religion Trust toegekend.
In 2025 publiceerde Merz, samen met dr. Eric Ottenheijm (UU) en dr. Martijn Stoutjesdijk, een geredigeerde en grondig herziene Duitse editie van een Nederlandse bundel (2020) over parabels: Gleichnisse. Jesus und die Rabbiner erschließen Gott und die Welt (Gütersloher Verlag). In dit werk verschenen ook bijdragen van Merz en Stoutjesdijk. Sierksma was één van de auteurs van de (zowel in het Engels als in het Nederlands verschenen) bundel The Intellectual Legacy of Herman Dooyeweerd (18941977). A Hopeful Philosophy for our Time (Amsterdam University Press). Van Egmond en Krans redigeerden (samen met dr. Johanna Tanja) de afscheidsbundel van prof. dr. Riemer Roukema, emeritus-hoogleraar van de leerstoelgroep, die bij uitgeverij Peeters in Leuven verscheen onder de titel ‘If Christ is Preached as Raised from the Dead...’. Vanuit de leerstoelgroep leverden ook dr. Gert van Klinken en Merz bijdragen aan deze bundel. Leden van de leerstoelgroep verrichtten verder onder meer onderzoek op het gebied van de tekstkritiek van het Nieuwe Testament (Krans, die bijdroeg aan The Oxford Handbook of the Textual Criticism of the Bible), de theologie van Pelagius (twee boekprojecten van Van Egmond), en de (middeleeuwse) mystiek (Nelstrop, die mederedacteur was van de bundel Metaphor, Making and Mysticism, waarvoor zij ook diverse bijdragen schreef).
5.2.1.5 Praktische Theologie: Worship & Formation
Begin 2025 startte Allon Makkinga met een promotiestudie rond actieonderzoek naar kerkelijke pacht binnen icoonproject Grond, waardoor het aantal promovendi op de leerstoelgroep uitkwam op acht (waarvan zes in dienst bij de PThU). Vanwege langdurige uitval van een collega nam postdoc dr. Marileen Steyn enkele onderwijstaken waar. Het dienstverband met dr. Hanna Rijken werd beëindigd. Eind 2024 werd dr. Mirella Klomp uitgeroepen tot Theoloog der Nederlanden. In 2025 bezocht zij alle Nederlandse provincies voor haar ‘grondreis’, deed hiervan verslag in video’s en blogs, en sloot af
met het evenement ‘Grondstof’ op 31 oktober 2025, waarna zij haar inaugurele rede uitsprak voor de leeropdracht Praktische Theologie.
Na de leiderschapswisseling in 2024 stond de leerstoelgroep in 2025 voor de taak zich als team opnieuw te vormen. Via onder meer een heidag en teamtraining werd gewerkt aan een gedragen teamcultuur, gekenmerkt door goed onderling contact, onderlinge support en samenwerking, aandacht voor verschillende posities binnen het team, helderheid over verwachtingen en verlangens, en voldoende vertrouwen om elkaar feedback en feed forward te geven. De groep ontdekte dat vooral het vakinhoudelijke gesprek energie geeft. In 2026 zal deze koers worden voortgezet, omdat gebleken is dat een teamcultuur van samenwerking zowel de kwaliteit van de theologiebeoefening als het werkplezier bevordert.
De unilocatie in Utrecht bood begin 2025 gelegenheid om de voorheen op eigen locaties werkende leerstoelgroepen Praktische Theologie (respectievelijk Worship & Formation en Community & Care) nader met elkaar in gesprek te brengen over een gedeeld verstaan van de discipline en intensievere samenwerking. Ook gesprekken over disciplinaire leerlijnen in diverse curricula droegen bij aan dit gezamenlijke fundament.
Op onderzoeksgebied werd halverwege 2025 het veld ‘Theologie en de kunsten’ ondergebracht bij dr. Joyce Rondaij. Zij ontwikkelde samen met auteur Mariken Heitman het project ‘Nieuwe Grondtaal’ en verwierf hiervoor subsidie. Beginnende promovendi werkten aan research proposals en veldwerk; de postdoc en gevorderde promovendi aan de artikelen waarop ze promoveren. De leerstoelgroep is betrokken bij drie van de vier icoonprojecten van de PThU: Grond, Toekomstgericht Kerkzijn en Kerk en Slavernij.
Vanuit de leerstoel Diaconaat werd in 2024 het initiatief genomen voor netwerkorganisatie ELIM, gericht op samenwerking rond kennisontwikkeling en deling over sociale inclusie en levensbeschouwing van mensen met een verstandelijke beperking. ELIM startte op 1 januari 2025 met deelname van belangenorganisaties, zorginstellingen, koepels, opleidingen en geloofsgemeenschappen.
In december 2025 verscheen het Engelstalige open-access handboek Doing Research in Practical Theology van Klomp en prof. dr. Jos de Kock, dat masterstudenten en PhD-studenten en hun begeleiders ondersteunt bij het opzetten en uitvoeren van praktisch-theologisch onderzoek.
5.2.1.6 Praktische Theologie: Community & Care
In februari nam prof. dr. Olsman de rol van leerstoelgroepvoorzitter over van prof. dr. Henk de Roest. In september 2025 startten dr. Rianne Hoopman en dr. Annemarie Foppen als postdocs voor het icoonproject Toekomstgericht Kerkzijn. Verder kwam dr. Elizabeth Marteijn in dienst. Ze voert als postdoc haar VENI onderzoek uit, getiteld ‘Rituals in Flux: Diasporic Religion among Christian Palestinian Refugees, 1948–present’.
Collega’s Meijers, Van der Meulen en Pleizier waren actief binnen icoonprojecten. Meijers deed in het kader van het icoonproject Kerk en Slavernij onderzoek naar de dekolonisering van theologisch onderwijs, de belijdenis van Belhar in het licht van het slavernijverleden, kerkasiel in Nederland, en moderne slavernij en diaconaat, waarover ze op diverse conferenties presentaties gaf. De publicaties van deze presentaties worden in de loop van 2026 verwacht. Verder publiceerde zij in 2025 op het terrein van diaconaat, community development en eucharistie. Zo onderzocht ze de relatie tussen het Avondmaal en diaconale presentie in stedelijke dynamieken en ontwikkelde een methodologie om een continue beweging te creëren tussen beide.
Het onderzoek Toekomstgericht Kerkzijn, waarvan Van der Meulen projectleider is (in diens rol bij het Landelijk Dienstencentrum van de PKN), startte in januari. Van der Meulen gebruikt zijn onderzoekstijd voor onderzoek binnen het deelproject ‘Betekenis Toekomstgericht Kerkzijn’. Hij schreef een aanzet tot een diagnose als basis voor het gesprek tijdens de internationale consultatie (december 2025). Verder doet hij theologisch-etnografisch onderzoek in een buurtcentrum dat verbonden is met verschillende kerken.
In 2025 startte Pleizier de coördinatie van het deelproject Empirische Ecclesiologie, waarbinnen dr. Rianne Hoopman en dr. Annemarie Foppen als
postdocs werden aangesteld. Zij deden (en doen) onderzoek naar het instrument Nieuw Kerkelijk Peil, validatie van de vragenlijst (Hoopman) en impact in de lokale gemeente (Foppen). In december organiseerde Pleizier met Van der Meulen een internationale consultatie van Toekomstgericht Kerkzijn.
In zijn homiletiekonderzoek is Pleizier gestart met het bouwen van een prekendatabank, waarvoor een klein citizen science project is ingericht (digitaliseren van analoge opnames), in samenwerking met het Cornelis Graafland Centrum (dr. Pieter Veerman) en het Historisch Documentatiecentrum (Van Lieburg). In dit kader schreef hij ook een belangrijke publicatie op het terrein van computationele preekanalyse. Begin 2025 kwam de kaartenset ‘Geestelijke vorming’ uit, een valorisatie van eerder gepubliceerd onderzoek (2022), in samenwerking met de CHE en andere partners. Dit product kwam in ScienceGuide als voorbeeld van een best practice samenwerking tussen universiteit en hogeschool.
In het project ‘Een Nieuw Gebed’ van dr. Ilonka Terlouw (tevens de projectleider) stond in 2025 het veldwerk centraal. Met groepen christenen uit elf verschillende gemeentes werden (tussen november 2024 enapril 2026) bezinningstrajecten rondom bidden gehouden. De eerste resultaten werden op conferenties gepresenteerd en uitgewerkt tot publicaties. Een van de opvallende thema’s was de digitale dimensie van hedendaagse gebedspraktijken (gebedspodcasts, WhatsApp, digitale gebedskalenders). De Roest werkte vooral aan de begeleiding van promovendi en aan zijn boek rondom het theologiseren van predikanten in de gemeente, waarvan de eerste conclusies in diens afscheidsrede in juni 2026 te horen zullen zijn. Verschillende aanvragen rondom werk en zingeving, of daaraan gerelateerd, werden door prof. dr. Maroesjka Versantvoort voorbereid.
In zijn onderzoek (vooral als begeleider van promovendi) richtte Olsman zich op diverse aspecten van geestelijke verzorging en op de rol van (geleefde) spiritualiteit bij vrouwen die met traumatisch geweld te maken hebben (gehad). Daarnaast nam hij deel aan de Gezondheidsraadcommissie ‘Transgenderzorg jongeren’, die in 2026 een advies zal formuleren op vragen van de Minister van VWS.
5.2.1.7 Beroepsvorming en Spiritualiteit
Eind 2025 heeft de leerstoelgroep afscheid genomen van dr. Henk van den Bosch, die door de kerk uitgezonden wordt naar Zuid-Soedan, naar het Anglicaanse seminarie te Kajo Keji. Er wordt een vacature uitgeschreven om hem te vervangen.
De in 2023 aangetreden collega’s dr. Christiane van den Berg-Seiffert en dr. Ineke Cornet behaalden hun NKA. In 2025 startte Van den Berg-Seiffert een intensieve opleiding tot KPV-trainer: voor de continuïteit van ons KPV-aanbod is dat cruciaal. Nadine van Hierden MA en dr. Eward Postma volgden (samen met dr. Ciska Stark) de specialisatie Pastorale Supervisie, aangeboden door de Raad voor Klinische Pastorale Vorming in samenwerking met de PThU.
Deze specialisatie voor reeds opgeleide supervisoren is onontbeerlijk voor de professionele en toegespitste begeleiding van predikanten en predikanten in opleiding.
Cornet, Van den Berg, Postma en prof. dr. Edward van ’t Slot zijn, in het kader van icoonproject Toekomstgericht Kerkzijn, gestart met supervisorisch onderzoek onder predikanten, kerkelijk werkers en geestelijk verzorgers (Vitale Roeping). In juni 2025 hield de leerstoelgroep een expertmeeting over Beroepsvorming en Spiritualiteit als discipline en als onderzoeksrichting. Zo’n dertig collega’s van diverse universiteiten, hogescholen, en andere instellingen kwamen op deze bijeenkomst af. We hebben daar gemerkt dat de bezinning op dit vak op vele plaatsen vorm begint te krijgen en dat we hiermee dicht op de actualiteit zitten. Ons werd ook duidelijk dat we op dit terrein een belangrijke speler zijn. Deze expertmeeting krijgt in november 2026 een vervolg. Intussen is het icoonproject Toekomstgericht Kerkzijn van start gegaan. In 2026 wordt de medewerking daaraan geïntensiveerd. Postma onderzoekt daarnaast of zijn belangstelling voor het project Grond ertoe kan leiden dat hij een extern gefinancierd satellietproject vorm kan geven.
Wat het nascholingsaanbod betreft is er veel in beweging: de markt verandert (deeltijdbanen, de opkomst van de pastor) en soms zien we de vraag op het ene terrein toenemen en op een ander terrein minder worden. Dit zal in 2026-2027 om gerichte bezinning en nieuwe plannen vragen.
5.3 Icoonprojecten
5.3.1 Inleiding
Een substantieel deel van het onderzoek van onze universiteit is ondergebracht in vier icoonprojecten. Het Moral Compass Project, het project Kerk en Slavernij, het project Grond en het project Toekomstgericht Kerkzijn. Deze icoonprojecten zijn onderzoeksprojecten die aantoonbaar bijdragen aan de realisatie van de missie van de PThU. Een icoonproject is altijd intra- of interdisciplinair en betrekt expertise uit ten minste twee leerstoelgroepen. Daarnaast wordt er in de projecten nauw samengewerkt met maatschappelijke en/of academische partners. De verschillende projecten zijn onderling complementair in het licht van de missie van onze universiteit en worden deels ontwikkeld rondom grote vraagstukken die opkomen uit de actualiteit van kerk en samenleving. Ze richten zich deels meer op fundamenteel onderzoek.
5.3.1.1 Moral Compass Project
Het jaar 2025 stond voor het Moral Compass Project in het teken van afronden van onderzoeksprojecten die de afgelopen jaren waren gestart en van het ontwikkelen van nieuwe onderzoeksfoci voor de komende periode, aangezien in november 2024 financiering werd toegezegd voor de tweede fase van het project met als titel ‘Het appèl van het goede’. Centraal in deze tweede fase staat onderzoek naar het belang van (goddelijke) aanspraak voor de gezamenlijke zoektocht naar het goede samenleven. Het onderzoeksteam werd uitgebreid met vier nieuw aangestelde onderzoekers. Een van de projecten, dat van promovendus Benjamin Bogerd MA, onderzoekt hoe moraal wordt gethematiseerd in de antieke joodse apocalyptiek. Dit is een onderbelicht thema in de studie van antieke apocalyptische teksten. Het onderzoek vindt plaats tegen de horizon van hedendaagse klimaatapocalyptiek, waarin een krachtig moreel appèl klinkt. Met dit onderzoek is het interdisciplinaire karakter van het MCP versterkt en uitgebouwd. De teambijeenkomsten in 2025 waren voornamelijk gewijd aan de studie van teksten over moraal en ethiek van Bijbelwetenschappers, relevante systematisch-theologische en wijsgerige teksten. In september 2025 werd de Bijbelwetenschappelijke expertise verder versterkt met
de participatie van de PThU-oudtestamentici Korpel en Sanders als senioronderzoekers.
De onderzoekers uit de eerste fase van het project werkten aan de afronding van hun deelprojecten.
De dissertatie van Sophia Höff, onder de titel ‘Finding Meaning in the Family between Givenness and Transcendence. Voices from Theology, Philosophy, and Literature’ werd in december 2025 goedgekeurd door de commissie (promotores Schaafsma en prof. dr. Maarten Wisse) en zal op 28 april 2026 worden verdedigd. Vanuit het subproject ‘Pantheïsme en persoonlijkheid in de klassieke Duitse filosofie’ werd in juni 2025 een internationale expertmeeting georganiseerd door promovendus Ariën Voogt MA, onder de titel ‘Pantheism versus Personhood in Classical German Philosophy’. De sprekers waren afkomstig uit de Verenigde Staten, Duitsland en België; de deelnemers kwamen van tal van Nederlandse en Vlaamse instellingen.
De financier van het project, Stichting Paradosis, maakte in de loop van 2025 bekend het project graag te willen voortzetten, ook na de termijnen van de eerste twee fasen (aflopend in 2026). Deze voortzetting zal zijn beslag krijgen in de vorm van een onderzoekscentrum. Mede met het oog hierop werd in september 2025 een promotieonderzoek gestart naar het overkoepelende thema van het MCP onder de titel: ‘Het belang van vroeg-protestantse visies op “het goede” als transcendent en immanent voor hedendaagse morele vraagstukken’. Hiertoe werd Tijs Ooms MA als promovendus aangesteld (promotores Vos, Schaafsma en Compaijen). Naar verwachting zal het onderzoekscentrum in het najaar van 2026 van start gaan met twee promotieprojecten op het terrein van Oude Testament en ethiek.
5.3.1.2 Project ‘Church and Slavery’
Een flink deel van 2025 stond in het teken van de voorbereiding en uitvoering van de conferentie ‘Christianity and Slavery in the Dutch Caribbean Islands, Surinam, and the Netherlands’, die van 10 tot 14 november plaatsvond op Curaçao. Er was gekozen voor Curaçao, omdat één van de partners van het onderzoeksproject daar gevestigd is (de University of Curaçao) en omdat we zo het gesprek konden voeren op de ‘plaats delict’ van het slavernijverleden. Voor de conferentie ontvingen we aanvullende gelden van
de KNAW (Early Career Partnership voor Stoutjesdijk) en van de Council of World Mission. Gedurende vijf dagen werden er 44 lezingen gegeven in tien panels. De conferentie kon op grote belangstelling van kerkleiders, cultureel specialisten en anderen rekenen. In totaal waren er ruim honderd personen aanwezig. Ook was er veel aandacht vanuit de pers voor de conferentie, met onder meer een hele artikelenreeks op theologie.nl, en later in het Nederlands Dagblad en De Nieuwe Koers. Een deel van de lezingen zal worden gepubliceerd in een conferentiebundel; de voorbereidingen hiervoor zijn begonnen. In 2025 werden ook verschillende nieuwe onderzoeksaanvragen toegekend: de University of Curaçao ontving 150.000 euro vanuit de NWA voor het project ‘Dialoog over geloofsgemeenschappen, slavernij en kolonialisme: verhalen van verleden, heden en toekomst’. Het nieuwe project nodigt jongvolwassenen en volwassenen op Curaçao met theatertechnieken en storytelling uit om in gesprek te gaan over de rol van geloofsgemeenschappen in het slavernijverleden en hoe dit doorwerkt in het heden. Het onderzoeksproject ontving daarnaast 30.000 euro vanuit NWO voor een impact explorer-project over de doop van zwarte slaafgemaakten op Nederlandse bodem en wat dit betekent voor het narratief over de plaats van zwart christendom in de Nederlandse kerkgeschiedenis. Erica Meijers werd onderdeel van het consortium-onderzoek ‘NWA Slavery pasts: (understudied forms of) impacts and perspectives’. Er verscheen ook een aantal publicaties vanuit het onderzoeksproject. Vermeldenswaardig is de monografie van Stoutjesdijk, ‘You Are My Slaves.’ A Comparative Study of the Slavery Metaphor in Early Rabbinic and Early Christian Parables (Leiden: Brill), en daarnaast peer reviewed artikelen in Global Intellectual History, Journal of the Bible and Its Reception (co-publicatie), Church History and Religious Culture, en samen met promovendus Vincent Laarman MA, in BMGN – Low Countries Historical Review. Merz publiceerde verder over slavinnen in de Jezusbeweging, en Nagy schreef over het proces van gesprek en verwerking rondom de thema’s van slavernij, racisme en de kerk in Nederland.
Tot slot produceerde de onderzoeksgroep dit jaar haar midterm-rapport voor NWO. Dit werd met complimenten goedgekeurd en vormt daarmee het uitgangspunt voor bezinning van de projectgroep
op de invulling van de overgebleven projectduur tot eind december 2027. Zie verder: kerkenslavernij.nl.
5.3.1.3 Project ‘Grond’
Het onderzoeksproject Grond richt zich op de opvattingen en omgang met landbouwgrond door christenen en christelijke gemeenschappen die grond bezitten, bewerken of beheren. In samenwerking met betrokkenen – onder wie boeren, ambtsdragers en gemeenteleden – beoogt het project een verantwoorde, contextgevoelige theologische visie op grond te ontwikkelen. Deze visie moet christenen en geloofsgemeenschappen ondersteunen in hun gelovige relatie met de aarde. Het project loopt van 2023 tot 2028 en wordt gesteund door diverse maatschappelijke en kerkelijke partners, waaronder de Maatschappij van Welstand.
In 2025 ontplooide het onderzoeksteam een brede waaier aan activiteiten die duidelijk maakte dat samenwerking en gezamenlijke ideeënuitwisseling de kwaliteit van onderzoek en output versterken. De kennisdeling tussen de deelprojecten leidde tot een verdiept inzicht in de complexe relatie tussen geloof en grond.
Een impuls van buiten kwam in juni 2025 met de komst van systematisch theoloog dr. Calvin Ullrich als research fellow. Ullrich is directeur van het Centre for Interdisciplinary Research in Religion, Community, and Ecologies (CIRCCE) aan de Universiteit van de Vrystaat (Zuid Afrika). In diverse sessies hielp hij het team de eigen interdisciplinariteit scherper te formuleren, onder meer met betrekking tot de in- en uitsluitende werking van taal. De projectleiders van de icoonprojecten en de opleidingsdirecteuren profiteerden van een aparte sessie met hem.
In juli 2025 verzorgden vijf teamleden een panelbijdrage op het congres van Societas Liturgica in Parijs. Het panel introduceerde grond als rituele ruimte onder de titel ‘Turning liturgical space inside out, upside down’. Collega dr. Cas Wepener (Stellenbosch Universiteit) nam deel als gastspreker. Het levendige gesprek dat volgde, benadrukte het belang van context: grondkwesties in Nederland verschillen wezenlijk van die in bijvoorbeeld Australië of Canada. Op basis van het panel verschijnt een publicatie in de internationale reeks Liturgia Condenda, met als titel
Grounded Liturgy, onder redactie van Klomp en dr. Sarah Kathleen Johnson.
Een belangrijke theoretische basis voor het project werd gelegd in de oratie van projectleider Klomp op 31 oktober 2025, over het belang van materie in geloof en theologie. Voorafgaand vond in een Utrechts kassencomplex een publieksevenement plaats rond haar ‘grondreis’ als Theoloog der Nederlanden.
In 2025 kwam de klankbordgroep van het project tweemaal bijeen. De bijdragen van vertegenwoordigers uit kerk en samenleving zijn van grote waarde, zowel inhoudelijk als voor het aanboren van relevante netwerken.
Tot slot wijzigde de teamsamenstelling licht: in maart startte promovendus Allon Makkinga MA in het deelproject ‘Kerken en pacht’, voortbouwend op eerder vooronderzoek. In september werd dr. Marileen Steyn de opvolger van Eveline de Smalen MA als projectmanager; dankzij haar rol als postdoc in deelproject 2 is zij al vertrouwd met het hele project.
5.3.1.4 Project ‘Toekomstgericht Kerkzijn’ Het icoonproject ‘Toekomstgericht Kerkzijn’ is ontwikkeld in samenwerking met de dienstenorganisatie van de PKN. Op 1 januari 2025 ging dit project formeel van start; het heeft een looptijd tot eind 2029. De eerste twee jaar staan in het kader van de diagnose, waarbij we in 2025 een breed verkennende beweging maakten: wat is er aan de hand in kerk en samenleving? Het team van onderzoekers besteedde veel tijd om de deelprojecten op elkaar af te stemmen en om onderzoek en kerkelijke praktijk met elkaar te verweven.
In dit eerste jaar is er een aantal onderzoekers geworven voor de deelprojecten. Er zijn twee postdocs, Foppen en Hoopman, aangesteld voor kwantitatieve data-analyse in het project ‘Empirische ecclesiologie’. Charles Christian, afkomstig uit Noord-India, is aangesteld voor het deelproject ‘Interculturele perspectieven op de toekomst van de kerk in Europa’. Martine van der Herberg MA startte als promovendus Nieuw Testament, over hoe de christelijke gemeente de toekomst van God ‘prefigureert’.
In teambijeenkomsten stond zoals gezegd vooralsnog de diagnose centraal. In december vond er een succesvolle internationale consultatie plaats met academici en kerkelijke beleidsmakers uit andere Europese landen waardoor we scherper zicht kregen op het eigene van die verschillende contexten en wat we van elkaar kunnen leren.
5.4 Onderzoeksresultaten
In deze paragraaf gaan we nader in op de onderzoeksresultaten van onze onderzoekers, gerelateerd aan de omvang van de onderzoeksformatie.
Onderstaande tabel biedt een cijfermatig overzicht van de onderzoeksformatie voor het jaar 2025 in vergelijking met 2024 en 2023. De totale omvang van de seniorstaf is ten opzichte van het vorige verslagjaar toegenomen.
Voor bijzondere leerstoelhouders en promovendi met dienstverband (aio’s) ziet het overzicht er als volgt uit.
Bijzondere hoogleraren met dienstverband
De afname van het aantal bijzonder hoogleraren is het gevolg van het besluit de bijzondere leerstoel diaconaat te beëindigen en per december 2024 te vervangen door een gesponsorde persoonlijke leerstoel diaconaat. Het aantal promovendi is in 2025 wederom toegenomen.
Onderstaande tabel biedt een overzicht van onze wetenschappelijke output voor de PThU als geheel,
Aantallen in fte
gerealiseerd in het jaar 2025 in vergelijking tot het jaar ervoor.
Het aantal wetenschappelijke artikelen in tijdschriften (refereed) is nagenoeg gelijk gebleven in vergelijking met 2024, terwijl het aantal wetenschappelijke artikelen in bundels en boekhoofdstukken in 2025 aanmerkelijk is gestegen ten opzichte van het voorgaande kalenderjaar. Het aantal boekredacties is eveneens licht gestegen ten opzichte van 2024. Het aantal overige wetenschappelijke publicaties nam daarentegen licht af.
Onderstaande tabel biedt een overzicht van de wetenschappelijke output per categorie per fte onderzoek in 2025 in vergelijking met 2024.
De relatieve wetenschappelijke output (per fte onderzoek) was nagenoeg gelijk ten opzichte van het jaar ervoor. Opvallend is met name de stijging in het relatieve aantal boekhoofdstukken/artikelen in bundels.
5.5 Financiering onderzoek
Onderstaande tabel biedt een overzicht van de financiering van onze onderzoeksformatie vanuit de diverse geldstromen (direct funding, research grants, contractonderzoek en overig). De toename van het relatieve aandeel van de externe financiering die in 2023 had plaatsgevonden ten opzichte van 2022 bleef in 2025 gehandhaafd. In 2025 is de financiering van onderzoeksformatie uit de eerste geldstroom licht toegenomen (5% hoger) en die op basis van de derde geldstroom financiering in verhouding is iets afgenomen (5% lager dan in 2024).
De totale omvang van externe financiële middelen groeide wel.
De categorieën geldstromen die in deze tabel zijn opgenomen, worden in het Standard Evaluation Protocol (2021-2027) voor onderzoek onderscheiden.
Deze categorieën zijn:
• eerste geldstroom: direct funding: basisfinanciering / lumpsum budget;
• tweede geldstroom: research grants obtained in national scientific competition (e.g. grants from NWO and KNAW);
• derde geldstroom: research contracts for specific research projects obtained from external
Externe onderzoeksfinanciering (tweede, derde en vierde geldstroom)
5.6 Wetenschappelijke integriteit
Onze universiteit onderschrijft de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (2018) en heeft een eigen vertrouwenspersoon wetenschappelijke integriteit. Klachten worden afgehandeld door de wetenschappelijke integriteitscommissie van het NLU. Kandidaat-promovendi ontvangen als onderdeel van de Initial Graduate School een specifieke training op het gebied van wetenschappelijke integriteit. In 2025 zijn er geen klachten ingediend naar aanleiding van een vermeende schending van de wetenschappelijke integriteit door een onderzoeker die aan onze universiteit is verbonden.
5.7 Kwaliteitszorg
De kwaliteitszorg van het onderzoek kent een zesjarige cyclus, met een tussentijdse evaluatie van de stand van zaken betreffende de verbetermaatregelen die de visitatiecommissie heeft aangereikt. Binnen onze universiteit is het leerstoelgroepvoorzittersoverleg, onder leiding van de rector, verantwoordelijk voor het onderzoeksbeleid, inclusief de interne kwaliteitszorg onderzoek. De projectleiders van de
organisations, such as industry, government ministries, European organisations and charitable organisations;
• vierde geldstroom: funds that do not fit into the other categories.
De tabel op pagina 46 onderaan geeft een overzicht van de financiering van de onderzoeksformatie vanuit de verschillende geldstromen. Onderstaande tabel laat de totale ontwikkeling van de externe onderzoeksfinanciering zien sinds 2019.
icoonprojecten overleggen drie keer per jaar met de rector en rapporteren jaarlijks aan het leerstoelgroepvoorzittersoverleg. Jaarlijks stellen zij aan de hand van kwalitatieve en kwantitatieve criteria vast of de uitvoering van het onderzoeks- en valorisatiebeleid voldoende is in het licht van de beleidskaders en de doelstellingen van het instellingsplan.
5.7.1 Implementatie Onderzoeksvisitatie 2024 Onze universiteit ontving in het voorjaar van 2024 een lovende beoordeling van de internationale commissie die het onderzoek van de afgelopen vijf jaar (2018-2023) onder de loep heeft genomen. Dat gebeurde onder het voorzitterschap van prof. dr. Geurt Henk van Kooten, hoogleraar aan de Universiteit van Cambridge. De commissie was positief over de duidelijke koers van de universiteit, het besluit om op één locatie verder te gaan, de clustering van het onderzoek in icoonprojecten en de begeleiding van promovendi.
In 2025 werd vervolg gegeven aan een aantal aanbevelingen van de onderzoeksvisitatie.
1. Opleiding promovendi. Het opleidingstraject van promovendi werd verder omschreven en geïmplementeerd. Om de opleiding van promovendi te optimaliseren vraagt de PThU van elke
promovendus dat h/zij participeert in de jaarlijkse Initial Graduate School (een samenwerking met de TUU) en drie modules van 5 ECTS behaalt, alvorens h/zij kan worden toegelaten tot de Graduate School. Ook gedurende het dissertatietraject wordt van iedere promovendus gevraagd 10 ECTS aan cursussen te volgen, uit het aanbod van de Graduate School of van NOSTER. Daarnaast organiseert de Graduate School jaarlijks een conferentie waarin promovendi, postdocs en leden van Societas Doctorum Ecclesiae (SDE) hun werk presenteren.
2. Open Science. Open Science beleid wordt ontwikkeld in NLU-verband. Gefinancierd vanuit een OCW-subsidie werd in 27 oktober 2025 een drukbezochte middag over Open Science georganiseerd en werden twee data-stewards aangetrokken. Binnen de PThU werd in 2025 het publiceren in Open Access actief gestimuleerd door (a) een universitair Open Access fund voor boekpublicaties, waardoor er meerdere publicaties in Open Access konden worden gepubliceerd; (b) implementatie van het Taverne amendement en publiceren van pre-publicatie teksten; (c) het aanvragen van Open Access fondsen in de tweede en derde geldstroom; (d) aandacht voor Open Access (en Open Science) binnen de Graduate School.
3. Strategische internationale samenwerkingsverbanden. De aanbeveling om te komen tot strategisch internationaal partnerschap wordt opgevolgd binnen het kader van het instellingsplan.
4. In NLU-verband werd in 2025 een OCW-subsidie aangevraagd en gehonoreerd om de sociale veiligheid van promovendi verder te verbeteren. Deze subsidie wordt onder andere ingezet voor peer-counseling van promovendi rond sociale veiligheid.
5.7.1.2 Voorbeeldige begeleiding promovendi
De commissie prees de begeleiding van promovendi binnen onze Graduate School. Onze universiteit neemt het advies ter harte om promovendi meer te betrekken bij het onderwijs en om werk te maken van de loopbaanbegeleiding en representatie van promovendi in commissies en de universiteitsraad.
5.7.1.3 Sociale veiligheid, diversiteit en inclusie
Het bestuur erkent de aandacht die de commissie vraagt voor beleid en procedures op het gebied van sociale veiligheid, diversiteit en inclusie. Verder wordt de aanmoediging om verder en meer gericht te werken aan internationalisering in onderzoek ter harte genomen.
5.8 Graduate School
Voor degenen die willen promoveren biedt de PThU een Graduate School aan. De Graduate School bestaat uit drie fasen: de initiële fase; de proposal fase; en de dissertatiefase.
De Initial Graduate School (die samen met de TUU wordt verzorgd) duurt zes weken. In deze fase volgen deelnemers drie modules van elk 5 ECTS, die worden afgerond met een paper. De voertaal van het onderwijs is Engels. De cursussen zijn: General theological research skills; Research management and ethics; Research proposal development. Als alle drie de modules voldoende zijn, stromen deelnemers door naar de proposal fase. Tijdens deze fase schrijft de deelnemer onder begeleiding van de beoogde promotor(es) een onderzoeksvoorstel. Als het onderzoeksvoorstel door de toelatingscommissie van de Graduate School is goedgekeurd wordt de student toegelaten tot de promotiestudie, volgt de promovendus nog minimaal 15 ECTS aan onderwijs, verzorgd door de Graduate School of Noster en schrijft een proefschrift. Deze fase ronden promovendi af met de openbare verdediging van het proefschrift. De Graduate School verzorgt daarnaast jaarlijks een tweedaagse voor promovendi. In 2025 namen 32 promovendi deel aan deze jaarlijkse conferentie voor promovendi.
Op peildatum 15 oktober 2025 stonden 87 promovendi ingeschreven, waaronder 24 promovendi die op basis van een dienstverband aan onze universiteit verbonden zijn.
Voor de initiële fase van de Graduate School 2025-2026 stonden op peildatum 1 september 2025 38 deelnemers ingeschreven, waarvan:
• 27 deelnemers die verbonden zijn aan de PThU, waaronder:
- zes herinschrijvingen van het jaar 2024-2025; - vier promovendi die op basis van een dienstverband aan de PThU verbonden zijn; - drie deelnemers op basis van een Erasmus+ uitwisseling;
- veertien aspirant buitenpromovendi.
• Elf deelnemers die verbonden zijn aan de TUU.
Promoties 2025
20 januari 2025 Theo van Leeuwen Prof. dr. Martin Walton PT: Community & Care
24 februari 2025 Marten van den Toren Prof. dr. Dorottya Nagy Interculturele Theologie & Missiologie
31 maart 2025 Robin ten Hoopen Prof. dr. Marjo Korpel Oude Testament & Judaica
17 juni 2025 Cees Stavleu
Prof. dr. Klaas Spronk
30 juni 2025 Dick Schinkelshoek Prof. dr. Theo Boer
Oude Testament & Judaica
Dogmatiek & Ethiek
24 november 2025 Charles Christian Prof. dr. Benno van den Toren Interculturele Theologie & Missiologie

6. Kenniscentrum
6.1 Doelen
In de Kaderbrief 2025 formuleerden we voor het Kenniscentrum de volgende doelen:
1. Het opzetten van een programma voor aansprekende communicatie van ons onderzoek naar een breder publiek.
2. Ten aanzien van de nascholing: het verder ontwikkelen van samenwerking, het creëren van nieuw aanbod en het stimuleren van de permanente educatie in de regio.
En daarnaast: het stimuleren van de externe impact van PhD-onderzoek en onderzoek binnen de SDE.
6.2 Resultaten
1. Aansprekende communicatie van ons onderzoek naar een breder publiek
Naast weer een aantal mooie studiedagen, symposia, boekpresentaties, lezingen en webinars die voornamelijk gericht zijn op theologische professionals, hebben we ook op diverse manieren gewerkt aan het bereiken van een breder publiek van theologisch geïnteresseerden, kerkleden en vrijwilligers in kerken.
Zo startte in maart 2025 de Theologische Filmclub samen met de TUU. De (maandelijkse) filmavond begint met een korte theologische reflectie van een wetenschappelijk medewerker van de PThU of TUU over de film. Vervolgens wordt de film vertoond en vindt er aansluitend een borrel plaats waarbij aanwezigen met elkaar over de film doorpraten. Hiervoor wordt een aantal gespreksvragen aangereikt. Met de filmclub bereiken we vooral theologisch geïnteresseerde studenten (voornamelijk vanuit de geesteswetenschappen) met een binding met Utrecht, dat wil zeggen: ze wonen er en/of studeren er op het hbo of wo en zijn lid van de (Utrechtse) kerken. Daarnaast weten ook veel afgestudeerden de avonden te vinden en komen er mensen uit de buurt of zelfs van buiten Utrecht. Het is qua leeftijd en achtergrond een mooi divers publiek, met een ruim aandeel 25-34 jarigen.
Voor de podcast Heilige Grond in samenwerking met de TUU maakten we in het verslagjaar eenentwintig afleveringen, waarvan elf met PThU-onderzoekers, die daar hun expertise of onderzoek deelden. Onderstaand figuur toont de ontwikkelingen van de aantallen sinds de start in 2021; in de zomer is er altijd een dip omdat we dan geen nieuwe afleveringen maken.
Figuur x. Ontwikkeling luisteraaraantallen podcastafleveringen Heilige Grond per seizoen november 2021september 2025.

In het kader van de Maand van de Bijbel hebben we de Bijbelblog geprofileerd in een met meerdere organisaties geproduceerde glossy. De glossy is onder andere verspreid onder de negenhonderd bezoekers van het Inspiratiefestival op Terschelling, waar we vanuit de PThU in diverse workshops bezoekers lieten proeven van de relevantie van ons onderzoek voor lokale kerken: we presenteerden het werken met de kaartenset ‘Geestelijke Vorming’ (Pleizier), de ‚Bodem-o-scoop‘, voortgekomen uit het Grond-project (Steyn), een workshop over deugden (Compaijen) en een workshop over gebed in het kader van het onderzoek van Terlouw binnen het icoonproject Toekomstgericht Kerkzijn.
Bij de verschillende oraties (Korpel, Teugels, Nelstrop en Klomp) die dit jaar plaatsvonden, hielden we vooraf een publiekssymposium rond het onderwerp.
Zo verbinden we steeds de academische context met onze bredere inbedding in kerk en samenleving en belandden we voor de oratie van Klomp zelfs in een grote kas bij een tuincentrum.
In het kader van 1700 jaar ‘Nicea’ hebben we samen met de TUU en de Tilburg School of Catholic Theology de publieksbundel Nicea voor nu samengesteld, met bijdragen van een groot aantal theologen. De bundel werd gepresenteerd tijdens de Nacht van de Theologie en is verkrijgbaar in de boekhandel.
In november ontwikkelden we het samen met de Nieuwe Bijbelschool ontwikkelde Bijbeldebat door naar het Utrechts Bijbeldebat, waarbij nu ook de TUU en de studentenverenigingen betrokken zijn. Een eerste editie vond plaats in november, met ongeveer veertig bezoekers.
Rondom evenementen hebben we een structuur van werving, event en nazorg waarbij we deelnemers ook wijzen op gerelateerd onderzoek, publicaties en evenementen van de PThU. Zo worden rondom evenementen of publicaties ook interviews gepubliceerd met de betrokken onderzoekers.
Een aantal processen is zo wel beter ingericht, maar er is uiteindelijk nog niet echt een programma of strategie ontwikkeld. Deels heeft dat ook te maken met de overgang naar Utrecht en de onzekerheden rond het ruimtegebruik aan de Jansdam, die maak-
ten dat we vaak nog met veel scenario‘s moesten rekenen en onzekerheid en beperkingen ervoeren in de planning van evenementen.
Enkele hoogtepunten uit de events die we voor professionals organiseerden, waren (a) de tweede editie van ‘Aan tafel met...’ een concept waarbij mensen vanuit praktijk, beleid en onderzoek in het diaconale veld elkaar ontmoeten rondom een maaltijd met een lezing; (b) diverse studiedagen voor professionals: Oorlog en vrede (maart; ruim honderd deelnemers, onder wie predikanten, geestelijk verzorgers en veertig masterstudenten); Kerk zijn vanuit overvloed (juni; ruim honderd deelnemers onder wie predikanten, kerkelijk werkers en studenten vanuit PKN en NGK); Inspiratiebijeenkomst De Toekomst van de kerk met Graham Tomlin (november; ruim zeventig deelnemers).
Ook zagen dit jaar twee innovatieve, op onderzoek gebaseerde, producten het licht.
De eerste is de toolkit Met de Bijbel in gesprek over racisme op basis van het promotieonderzoek van Kirsten van der Ham. De toolkit omvat vijf Bijbelstudies en een handreiking om zelf een contextuele Bijbelstudie te ontwerpen. Deze is gratis toegankelijk voor kerken en groepsleiders via de webpagina van het Kenniscentrum. Elke Bijbelstudie wordt ingeleid met een kort filmpje, dat via diezelfde pagina te bekijken is. Om de Bijbelstudie te downloaden, geeft de aanvrager een mailadres door. Op dit mailadres ontvangen de aanvragers met tussenpozen mail met de vraag of ze ook de volgende Bijbelstudie willen ontvangen. Zo houden we zelf enig zicht op de mate waarin er mee gewerkt wordt en hebben we gegevens van mensen die interesse hebben in deze materie. In de eerste twee maanden na lancering waren er al 317 inschrijvingen, waaruit honderdzestig downloads voortkwamen.
Binnen het project Spiritual Formation/Geestelijke Vorming is de in internationaal verband ontwikkelde methode voor pastoraat, in samenwerking met CHE, PKN en KokBoekencentrum uitgewerkt in een handboek, kaartenset en training. Deze zijn begin 2025 gelanceerd en op allerlei manieren geïntroduceerd: in diverse media-publicaties, via een themanummer van het Ouderlingenblad, een themadag
samen met het Ouderlingenblad en de beroepsvereniging Geestelijke Begeleiding, via een training met zestien deelnemers, in een workshop en bij de stand op het Inspiratiefestival, en uiteraard via onze reguliere kanalen zoals nieuwsbrieven en sociale media.
In 2025 ging ook het Nederlands-Vlaams Netwerk Biblioloog van start, met Biblioloog-begeleiders die in de afgelopen jaren aan onze universiteit zijn opgeleid. Er is een stuurgroep waarvan het penvoerderschap bij het Kenniscentrum ligt, en regiogroepen die zelf activiteiten ontplooien van uitwisseling en samen leren. Met het netwerk, dat nu 35 leden telt, is een website ontwikkeld, biblioloog.nl, met informatie over Biblioloog en Biblioloogbegeleiders. Leden worden regelmatig op de hoogte gehouden via een nieuwsbrief. Het netwerk draagt bij aan de bredere bekendheid en toepassing van Biblioloog in diverse contexten, de doorontwikkeling van de cursussen en het verkennen van mogelijkheden voor verder onderzoek.
2. Doorontwikkeling van de nascholing van predikanten en kerkelijk werkers
In de afgelopen paar jaren is er in relatief korte tijd heel veel ontwikkeld en verbeterd in de nascholing, zowel in het aanbod als in de deelname hieraan, maar vooral in het samenwerken met verschillende partners en het samen realiseren van de doelen.
Er is met name met de PKN en met de TUU een werkwijze ontstaan die zich kenmerkt door vertrouwen, helderheid en gezamenlijkheid, waardoor snel geschakeld kan worden. Met de hbo-instellingen is op regelmatige basis overleg en werden de gezamenlijke cursussen Professionele Identiteit en Intergenerationele geloofsvorming opnieuw aangeboden.
Aanbod
Er zijn in 2025 elf nieuwe korte cursussen gestart, waarvan twee onder ‘Permanente Educatie in de regio’ vallen. Daarmee is sterk gebouwd aan de geformuleerde prioriteiten ‘breedte van de kerk bedienen’ en ‘uitbouwen van de mogelijkheden van maatwerk voor werkgemeenschappen’. Daarnaast zijn er zestien cursussen herhaald, waarvan er drie die uiteindelijk te weinig deelnemers hadden om doorgang te kunnen vinden.
Deelname
Ondanks alle inspanningen laten de deelnemersaantallen slechts een (lichte) totale stijging zien, terwijl de cursusgroepen gemiddeld kleiner waren dan in 2024.
In de Primaire Nascholing zijn in 2025 twee routes gestart, met elk 24 deelnemers. Dat is uitzonderlijk groot; dit heeft te maken met een onevenwichtige verdeling over de jaren (in 2024 was er maar één route met twintig deelnemers).
* Dit betrof in totaal tien belangstellenden die we hebben moeten teleurstellen.
** Daarnaast zijn er ook nog twee deelnemers geweest die een individueel literatuurtraject onder begeleiding hebben afgenomen.
Het optimale aantal cursussen in het aanbod lijkt bij de huidige vraag te liggen rond de twintig tot 25 voor de korte cursussen (daarmee zouden we idealiter rond de driehonderd deelnemers bedienen). Op dit moment moet de doelgroep een tot drie korte cursussen volgen of een lang traject in vijf jaar. Een berekening gemaakt bij de dienstenorganisatie laat zien dat dit met het de gewone aantallen in de Primaire Nascholing Predikanten (32-36) en lange trajecten (ongeveer vijftig) zou betekenen dat we in de korte cursussen ruim vierhonderd predikanten en ongeveer honderd kerkelijk werkers per jaar zouden moeten bedienen.
Communicatie en werving
Vanuit de dienstenorganisatie van de PKN wordt er een nieuwe gepersonaliseerde nieuwsbrief aan alle professionals in de kerk gestuurd. Er is steeds afstemming welke cursussen daarin kunnen worden gepromoot. Zelf hebben we in 2025 zeven nascholingsnieuwsbrieven verstuurd. De brief gaat naar iets meer dan 1900 adressen. Rond de 60% opent de brief, wat een relatief hoog percentage is voor nieuwsbrieven (Benchmark Universiteiten ligt op 23%). Van die 1900 geadresseerden klikt 20-25% ook op links in de nieuwsbrief (Benchmark: 3%). Na het versturen ervan zien we vaak een opleving in de aanmeldingen. Toch blijft het ook zo dat mensen zich vaak last-minute aanmelden.
Cursusevaluaties
Alle cursussen worden volgens eenzelfde format uitgebreid geëvalueerd, waarbij gevraagd wordt naar de mate waarin de cursus aansloot bij de verwachtingen, de ervaren relevantie, waardering van de opzet, studielast, locatie, knelpunten en positieve punten. De cijfers hiernaast hebben betrekking op de kortere cursussen. De twee cursussen van PE in de regio cursussen zijn apart geëvalueerd en dus niet zichtbaar in onderstaande cijfers. Uit de daarvoor ingevulde evaluaties spreekt veel enthousiasme voor de opzet.
Over het algemeen laten deze cijfers en ook de toelichtingen een positief beeld zien: elk van de vragen scoort met ruim 80% goed of hoger. Ten opzichte van 2024 vallen de evaluaties nog licht positiever uit; ver-
schil is dat er dit jaar één negatieve beoordeling bij was van een persoon die met andere verwachtingen aan de cursus was begonnen. Deelnemers zijn vooral positief over casusbesprekingen en oefeningen, wisselwerking tussen literatuur en praktijk, uitwisseling onderling en de kwaliteit van de docenten.
Enkele cijfers:
Is wat u verwacht had van deze cursus waargemaakt?
In welke mate was de cursus relevant voor uw werk in de praktijk?
In welke mate was de cursus relevant voor uw eigen denken?
Wat is uw totaalbeoordeling van deze cursus?
Reacties van deelnemers aan onze cursussen:
‘Postacademisch onderwijs is zeer nuttig omdat hier je werkzaamheden onder de loep worden genomen en verbeterd worden. De beide docenten: bedankt voor het goede onderwijs!’
‘Ik ervaarde het als zeer zinvol om op academisch niveau zo diepgaand van gedachten en visies te kunnen wisselen op het gebied van de ethiek.’
‘Een paar keer per jaar de ruimte en tijd vrij te kunnen maken om met theologie bezig te zijn houdt me “op de been” in mijn werk.’
‘Goede opzet, prettige inleiders, goede kwalitatieve verhouding. Collegiale omgang. Erg prettig.’
‘Een zorgvuldig opgebouwde, leerzame, praktijkgerichte cursus, gegeven door deskundige en zeer toegankelijke mensen.’
‘Ik heb een goede praktische en theoretische pastoraal-theologische ondersteuning gekregen voor mijn werk in de ouderenzorg met mensen met dementie.’
‘De hele cursus was heel erg waardevol. Hele goede docenten, fijne opbouw, open en verdiepende gesprekken. Hele goeie balans van theologie/gemeentepraktijk/persoonlijke inbreng.’
Ervaren knelpunten die vaker terugkomen hebben vooral te maken met:
• planning en tijdsdruk; een enkele keer vanwege de hoeveelheid of het moment van aanbieden van de stof; vaker vanwege het zoeken naar een goede balans tussen het werk en tijd voor de studie;
• de hoeveelheid reistijd of juist de online colleges, wat belangstellenden toch als minder prettig of ingewikkeld ervaren.
Elke cursusevaluatie wordt met de docenten doorgenomen om te kijken wat er verbeterd/aangepast kan worden als er een herhaling van de cursus ingepland wordt.
3. Externe impact van PhD-onderzoek en onderzoek binnen de Societas Doctorum Ecclesiae
De Graduate School en de SDE hebben een gezamenlijke conferentie gehad, waar een workshop is verzorgd over de impact van iemands onderzoek. De hiervoor beschreven toolkit ‘Met de Bijbel in gesprek over racisme’ is een mooi voorbeeld van een product op basis van promotieonderzoek. Daarnaast is naar aanleiding van de promotie van Henk Vogel
een symposium georganiseerd over kunst, erfgoed en geloof, in een mooie samenwerking met Irilis en het Dominicanenklooster Zwolle. Daar waren zo‘n zestig deelnemers, zowel theologen als professionals in de erfgoedsector.
Een SDE-deelnemer heeft een cursus gegeven in de nascholing naar aanleiding van zijn onderzoek naar verzoening bij Anselmus. Met twee andere gepromoveerde predikanten is een initiatief gestart, samen met de TU Apeldoorn en de TUU, om een academische leeskring en conferentie te organiseren rondom het werk van Oliver O‘Donovan. Deze gaat begin 2026 van start.
6.3
Conclusie
In het verslagjaar is verder gewerkt aan het uitbouwen en versterken van het Kenniscentrum, intern en naar buiten toe. Het uitte zich vooral in een groot aantal activiteiten, initiatieven, publicaties en nieuwe cursussen. Het was daarmee een dynamisch jaar, met veel bereik, mooie samenwerkingen en positieve ontmoetingen. Het daadwerkelijk uitwerken van strategieën en programma‘s daarin moet in 2026 verder zijn beslag krijgen.
7. Horizontale dialoog
Ten behoeve van een goede aansluiting van het onderwijs op de omliggende academische, kerkelijke en maatschappelijke ontwikkelingen, onderhoudt het college van bestuur van onze universiteit verschillende externe bestuurlijke relaties. Wij beoefenen de theologie immers in wisselwerking met en ten dienste van de academie, de kerk en de samenleving. Dit kunnen we alleen maar waarmaken als we bij het vormen en uitvoeren van beleid in contact staan met onze interne en externe stakeholders. Dat is ook in het verslagjaar gebeurd.
7.1 Raad van advies
Het college kan de raad van advies om advies vragen over alle zaken die de universiteit aangaan. Met het oog op het onderwijsbeleid fungeert de raad als werkveldadviescommissie. Het college van bestuur vraagt de raad in elk geval om advies over het strategisch beleid dat de predikantsopleidingen en de relevante beroepenvelden aangaat.
De raad van advies bestaat uit leden die deskundig zijn op de verschillende terreinen waarop de dienstdoende predikanten werkzaam zijn. De raad van advies wordt zo samengesteld, dat de breedte van de kerk erin is vertegenwoordigd. In 2025 bestond de raad van advies uit de volgende leden:
• Ds. Kees van Ekris (t/m 10 april 2025)
Predikant te Zeist, studieleider Areopagus
• Ds. Wim de Bruin
Krijgsmachtpredikant bij dienst Geestelijke
Verzorging van Defensie
• Ds. Jantine Veenhof
Predikant te Wageningen, redactielid Woord & Dienst
• Ds. Geert van Meijeren
Predikant te Zeist
• Ds. Gertine Blom
Predikant te Sauwert
• Vincenza la Porta
Directeur uitgever Nederlands Dagblad
In 2024 hebben enkele intensieve sessies plaatsgevonden met betrekking tot de verbreding van het profiel van de bacheloropleiding. Ook de voorgenomen besluitvorming van de generale synode met betrekking tot de visie op het ambt is door de raad van advies besproken met het college van bestuur.
Hetzelfde geldt voor de uitkomst van de onderzoeksvisitatie.
7.2 Protestantse Kerk in Nederland
Onze belangrijkste partner is vanzelfsprekend de PKN, die onze universiteit in 2007 heeft gesticht. In de afgelopen jaren is ook de inhoudelijke samenwerking met de kerk geïntensiveerd. Dat gebeurt langs drie lijnen: onderwijs, onderzoek en nascholing. Op elk van die drie sporen zijn tandems van medewerkers van enerzijds de dienstenorganisatie en anderzijds onze universiteit verantwoordelijk voor concrete samenwerkingsactiviteiten en projecten. Op het spoor onderwijs wordt bijvoorbeeld voortdurend gesproken over de afstemming van onze predikantsmaster op de eisen die de kerk stelt aan het predikantschap. Voorts kan hier de succesvolle gezamenlijke studentwervingscampagne van de PKN met de drie door haar aangewezen opleiders (PThU, Christelijke Hogeschool Ede en Hogeschool Windesheim) worden genoemd, alsmede het door de PKN gecreëerde studiefonds voor zij-instromers (zodat studenten die al een masteropleiding hebben en dus niet door de overheid bekostigd worden, het hoge instellingscollegegeld vergoed kunnen krijgen door dit fonds). Op het spoor onderzoek is door PKN en PThU een groot gezamenlijk onderzoeksproject gestart: ‘Toekomstgericht Kerkzijn’. En ook de nascholing is in alle opzichten sterk verbeterd (zie hoofdstuk 6).
7.3 Zusterinstellingen
Daarnaast vonden in het verslagjaar periodiek bestuurlijke overleggen plaats met het bestuur van de faculteit Religie, Cultuur en Maatschappij van de RUG, de TUU en de Evangelische Theologische Faculteit (ETF) in Leuven, en participeerde onze universiteit in het landelijke Discipline Overleg voor Religiewetenschap en Theologie en in het bestuur van Noster. In het kader van kennismaking bezocht de nieuwe rector een breed scala aan partnerinstellingen en maatschappelijke partners.
7.4. Samenwerkingsplan Nederlandse levensbeschouwelijke universiteiten
Onze universiteit participeerde ook in het verslagjaar actief in het NLU; dit ten behoeve van de behartiging van de bijzondere belangen van de levensbeschouwelijke universiteiten met betrekking tot beleidsont-
wikkelingen die op het niveau van het ministerie van OCW tot stand komen. Via dit netwerk onderhouden wij contact met de Universiteiten van Nederland (UNL), waardoor we direct zicht houden op bredere universitaire ontwikkelingen.
Sinds 2023 ontvangen de levensbeschouwelijke universiteiten aanvullende middelen via de rijksbijdragen. De levensbeschouwelijke universiteiten zetten de middelen in voor een toename van vaste contracten in onderwijs en onderzoek, een afname van de ervaren werkdruk, toename in ervaren werkplezier en een toename van het studentenwelzijn. Beoogd wordt om de onderlinge samenwerking te vergroten en waar mogelijk krachten te bundelen. Dit door:
• opstarten gezamenlijke onderzoekstrajecten;
• samenwerking tussen verschillende graduate schools;
• doelmatig aanvragen van subsidies;
• oriëntatie op meer samenwerking tussen de bacheloropleidingen.
De bestuurders van het NLU komen meermaals per jaar samen om de voortgang te bespreken. Sinds 2023 hebben de controllers van de vier betrokken universiteiten een gezamenlijk overleg, waarbij de focus ligt op het vaststellen van een gezamenlijke visie op verantwoording in het jaarverslag. In 2026 vindt er een evaluatie plaats op de gestelde doelstellingen.
De NLU-partners werken nauw samen op het gebied van beleid rond Erkennen en Waarderen en op het gebied van Open Science. Zo werd er in het najaar van 2025 een goed bezocht NLU-symposium rond Open Science gehouden. Verder werd in NLU verband een OCW-subsidie toegekend die tot doel heeft de sociale veiligheid van promovendi te verbeteren.

8. Ondersteuning
De ondersteuning van het onderwijs, onderzoek en de valorisatie is ingericht op basis van twee organisatorische eenheden: de afdeling HR & Financiën en de afdeling Onderwijs- en onderzoeksondersteuning. Daarnaast is er een afdeling Bestuursondersteuning.
8.1 HR en Financiën
Personele ontwikkelingen op de afdeling Er zijn in 2025 geen personele wijzigingen geweest bij deze afdeling. Beide in 2024 benoemde collega’s hebben in 2025 een vaste aanstelling gekregen. Daarmee is er een stabiele basis in de personeelsgerelateerde en financiële ondersteuning van de universiteit. Er is veel aandacht voor goede onderlinge afstemming en heldere werkafspraken om de dienstverlening aan de collega’s te optimaliseren.
HR2day
Na de implementatie van de basisfunctionaliteit van HR2day is eind 2024 een plan opgesteld om in 2025 verschillende functionaliteiten te gaan invoeren. Daarbij gaat het om digitale dossiers, workflows voor flexibele arbeidsvoorwaarden, aanvragen geboorte- en ouderschapsverlof en vastleggen van BKO/SKO-registraties, vereenvoudigde verlofregistratie en signaleringen. De verbeteringen zorgen voor efficiëntere processen, meer duidelijkheid en beter beheer.
De PThU als civitas
Na de vertraagde verbouwing van de locatie Jansdam, die veel flexibiliteit van mensen heeft gevraagd, zijn we in februari 2025 dan eindelijk geland op onze plek, op loopafstand van het station en met twee van de drie NLU-collega-instellingen (TUU en Universiteit voor Humanistiek) vlak om de hoek. Dat bevordert de mogelijkheden tot samenwerking, die plezierig verloopt. Het beheer van een eigen pand vraagt veel. In de loop van het jaar werd de facilitaire ondersteuning opgebouwd, werden studentwachten aangesteld, waardoor ruimere openingstijden mogelijk werden, werd de binnentuin aangelegd en werd de PThU steeds meer een thuis voor medewerkers en studenten. Het jaar werd feestelijk afgesloten met een viering en maaltijd, waarin de civitas die de PThU graag wil zijn ten volle zichtbaar werd.
Formatie en personeelsplanning
De personele bezetting en inzet van met name het wetenschappelijk personeel vroeg in het verslagjaar veel aandacht. De PThU heeft in het verslagjaar inzettabellen gemaakt, waarin voor alle wetenschappelijke personeelsleden zichtbaar is op welke activiteiten tegen hoeveel werkuren zij individueel werden ingezet. De controller maakte inzichtelijk hoeveel uren er aan onderzoek, onderwijs en overige activiteiten werden besteed. Deze tabellen helpen om meer grip te krijgen op personele lasten en een evenwichtige verdeling van onderwijs- en onderzoekstaken over het beschikbare personeel. Een vrucht daarvan werd al zichtbaar doordat de in 2025 nieuw gestarte bacheloropleiding niet heeft geleid tot uitbreiding van de personele formatie. In de komende jaren zal steeds meer vanuit deze tabellen gestuurd gaan worden op de inzet van personeel.
Internationals
De internationale ambitie van de PThU brengt grensoverschrijdend werken met zich mee. Geconstateerd is dat de PThU zich van de consequenties hiervan in het verleden onvoldoende rekenschap heeft gegeven. Belasting, pensioen en sociale zekerheid vragen zorgvuldige beoordeling van individuele situaties en veelvuldig overleg en afstemming met externe adviseurs en administrateurs. Voor enkele in België woonachtige collega’s wordt daarom sinds 2025 de salarisberekening naar Belgische maatstaven door een lokaal administratiekantoor gedaan. Voor niet-EU onderdanen moesten verblijfs- en tewerkstellingsvergunningen worden aangevraagd. Dit legde een groot tijdsbeslag op de afdeling. Daarnaast ervaren internationale collega’s (en studenten) de nodige sociale, culturele en communicatieve barrières.
8.2 Onderwijs- en onderzoeksondersteuning
In 2025 is de afdeling Onderwijs- en Onderzoeksondersteuning geherstructureerd. Belangrijkste doelen voor de herstructurering waren de optimalisatie van de dienstverlening door a) het bevorderen van samenwerking; b) het werken aan een verbeterd samenspel tussen opleidingsdirecteuren en onder-
steuning; c) een transitie van ‘afdeling’ naar ‘team’; en d) een afdelingsstructuur die zowel beantwoordt aan de ondersteuningsbehoefte vanuit het primair proces als een gezonde werkdruk voor iedereen bevordert. Halverwege het verslagjaar werd een hoofd Onderwijs- en onderzoeksondersteuning aangesteld, die rechtstreeks vijf teams aanstuurt. De basis van deze vereenvoudiging is het principe van zelforganiserende teams, onder leiding van een teamleider die de coördinerende rol heeft op gebied van de operationele processen, projecten en werkzaamheden. Hiermee geven we inhoud aan de in hoofdstuk 6 beschreven opdracht uit het instellingsplan over leiderschap en teams. De hoogtepunten uit het verslagjaar worden hieronder per team gepresenteerd.
Team IT-services
IT-Services is verantwoordelijk voor de continuïteit, veiligheid, ondersteuning en regie van de ICT en informatievoorziening van de PThU. Dit team fungeert als schakel tussen techniek (leveranciers, zoals Brunel) en organisatie (onderwijs, onderzoek, bedrijfsvoering). De verantwoordelijkheid strekt zich uit van operationeel beheer tot strategisch advies, informatiemanagement en beleid. Na een onrustige periode met veel uitval in de personele bezetting is de stabiliteit in dit team teruggekeerd. De samenwerking met de IT-partner Brunel werd in 2025 verder geoptimaliseerd, evenals de inrichting van het PThU-IT-netwerk, de applicaties en de IT-veiligheid. Ook de verhuizing naar de nieuwe locatie en de fysieke inrichting van het IT-netwerk had verschillende technische uitdagingen tot gevolg. Team IT-Services ontwikkelde zich, naast de bestaande helpdeskfunctie, steeds verder richting IT-advies en strategie op gebied van onderwijs- en onderzoeksondersteuning, cybersecurity en AI. Het formaliseren van IT-governance, waaronder rolafbakening, eigenaarschap per applicatie, architectuurkaders en besluitvormingsafspraken, krijgt steeds meer vorm zodat IT Services structureel vanuit regie kan opereren en minder afhankelijk is van informele afstemming. Nieuw is de organisatie van de rol van Applicatie Key-User (AKU). Dat is de specialist binnen een gebruikersafdeling die de betreffende applicatie volledig beheerst en daar alle kennis van heeft en de schakel is tussen gebruikers (het team) en IT-Services. Waar de functioneel beheerder verantwoorde -
lijk is voor de technische kant van applicaties, zoals systemen en koppelingen, is de AKU verantwoordelijk voor het optimale gebruik (inhoud en structuur) van de betreffende applicatie.
Team Bibliotheek Services
De bibliotheek van de PThU is een plek voor iedereen uit academie, kerk en samenleving om te leren, samen te werken en kennis te delen. Het team
Bibliotheek Services draagt met zijn unieke kennis en kunde zorg voor een duurzame theologische collectie en behoud van theologisch erfgoed. De medewerkers van het team vervullen een gidsfunctie in de omgang met informatie in een digitale samenleving. Zo dragen zij bij aan succes van onderzoekers en studenten.
Na een onrustige, en voor de bibliotheek intensieve periode met twee verhuizingen, lag de focus in het verslagjaar op stabiliteit en ruimte voor het optimaliseren van de dienstverlening. Het team richtte zich dit jaar voornamelijk op de nieuwe situatie, de collectie en de archieven. Daarnaast is er veel aandacht besteed aan de herverdeling van taken en verantwoordelijkheden zoals met betrekking tot Pure, research datamanagement en informatievaardigheden. In samenwerking met de drie andere levensbeschouwelijke universiteiten werd veel aandacht besteed aan Open Science. Er is een kickoff georganiseerd met een studiemiddag over Open Science, die zeer positief geëvalueerd is door de projectleden en deelnemers en die op hun wens een vervolg zal krijgen. Daarnaast is een Open Science Communitychat opgericht, waar inmiddels de eerste NLU-brede ideeën zijn gegenereerd. De medewerkers van de PThU weten inmiddels ook meer over de mogelijkheden en ze weten de weg naar het team van de bibliotheek voor ondersteuning rondom Open Science steeds beter te vinden.
Team Facilitaire Services
Team Facilitaire services richt zich op het optimaal gebruik, beheer en onderhoud van de locaties Jansdam en Janskerk en daarnaast de studentenhuisvesting. Gegeven het feit dat de PThU eigenaar (van de Jansdam) en hoofdgebruiker (van de Janskerk) werd, werd de facilitaire functie de verantwoordelijkheid van de PThU zelf. Daarom moest ook een facilitair team worden aangesteld.
Het jaar 2025 stond geheel in het teken van de verhuizing en het landen van de PThU-gemeenschap op de nieuwe locatie Jansdam. Deze locatie ging in de loop van het verslagjaar steeds meer als een thuis voelen. De ervaring leerde dat de nieuwe locatie op facilitair gebied complex is, mede door het feit dat het een monumentaal pand is, net als de tegenover liggende Janskerk, die de PThU in 2026 in gebruik zal nemen. De werkzaamheden en verantwoordelijkheden zijn zeer divers, variërend van het beheer van de gebouwen en de installaties, tot klein en groot onderhoud, veiligheid en kwaliteitsverbetering, management van leveranciers en het coördineren van uitbesteed werk. Halverwege 2025 werd geconcludeerd dat het noodzakelijk was om een professionaliseringsslag te maken. Er is een ervaren interimmanager Facilitaire Services aangetrokken. Dit heeft onder meer geleid tot een vernieuwde opzet van het team en is het contractmanagement professioneel ingericht. Eind 2025 zijn de voorbereidingen getroffen voor de verbouwingswerkzaamheden van en in de Janskerk. Nieuw is dat studenthuisvesting ook onder facilitaire services gaat vallen. Dit gaat in 2026 verder vorm krijgen.
Team Student- en Onderwijszaken
Team Student- en Onderwijszaken richt zich op de ondersteunende processen voor onderwijs, onderzoek en valorisatie. Dit team onderhoudt, verbetert en voert de noodzakelijke basisprocessen uit, zoals de aanmeld-, toelating- en inschrijfprocessen van studenten, studievoortgangs- en examenprocessen, roostering en administratie, cursusorganisatie en promoties, bekostigingscontrole, studieadvies, stagecoördinatie en academiepastoraat.
Ook voor dit team was 2025 een onrustige periode. De voormalige afdeling Bureau Studentenzaken is opgegaan in het nieuwe team Student- en Onderwijszaken, samen met de studieadviseur, stagecoördinator en academiepastor. Het was in het verslagjaar vooral zoeken naar de vorm in dit gemêleerde gezelschap. Dat is grotendeels gelukt en er werd gewerkt aan het doorgroeien naar een professioneel, zelforganiserend team. Belangrijke speerpunten in 2025 waren de doorontwikkeling van processen en het zorgdragen voor actuele en correcte uitvoering van taken volgens wet- en regelgeving/beleidskaders. Voor de nieuwe bachelor is een
aanmeld-, toelatings- en inschrijvingsproces opgezet en geoptimaliseerd.
De komst van de nieuwe bachelorstudenten vroeg om een andere aanpak van studieadvies, naast de bestaande aandacht voor de masterstudenten in de pre-master en de een- en driejarige master. Er is gestart met het inrichten van studentmentoraat voor alle opleidingen en met beleid rondom studeren met een functiebeperking. Stagecoördinatie stond in 2025 vooral in het teken van de onderwijsvernieuwing van de master, waarbij vooral ook de stages een andere opzet kregen. Het was een jaar lang pionieren. De focus ligt inmiddels op het evalueren van de nieuwe stageopzet in samenwerking met de stagedocenten. Het academiepastoraat is op de nieuwe locatie opnieuw vormgegeven. Het richt zich voornamelijk op pastorale gesprekken met studenten, het inhoud geven aan het themaveld ‘vieren’ in het masterprogramma, de PThU-kapelvieringen en de civitasvorming.
Team Onderzoeksondersteuning
Dit team bestaat uit de beleidsmedewerker Internationalisering en onderzoeksondersteuning en de grants officer. De volgende internationaliseringsprojecten zijn gerealiseerd in 2025:
• Erasmus+ (KA171) aanvraag voor samenwerking met Universiteit van Stellenbosch ingediend en gehonoreerd (score: 86; toegekend bedrag €42.000; periode augustus 2025 – juli 2028);
• Erasmus+ (KA131) aanvraag voor uitgaande, intraEuropese mobiliteit van studenten, docenten en ondersteunende staf ingediend en gehonoreerd (toegekend bedrag €20.000; periode augustus 2025 – juli 2027);
• Erasmus+ Blended Intensive Programme (intensieve studieweek) georganiseerd in Utrecht met partnerinstellingen uit Hongarije en Roemenië in oktober 2025 (financieringsaanvraag en -afhandeling en administratieve ondersteuning) in samenwerking met dr. Klaas-Willem de Jong, prof. dr. Wim Moehn en Team Marketing & Communicatie;
• implementatie Erasmus+ projecten met Ukrainian Catholic University (Lviv, Oekraïne), onder meer delegatiebezoek in juli, en St Paul’s University (Limuru, Kenia), onder meer inkomende mobiliteit van promovendi.
Vanwege de verhuizing naar Utrecht is in 2025 ook veel aandacht besteed aan huisvesting van internationale studenten en gasten.
Naast de projectgerichte fondsenwerving is een traject gestart voor oriëntatie op Europese onderzoeksfinanciering in samenwerking met de grants officer. IGS-deelnemers en promovendi werden begeleid bij financieringsaanvragen; en de administratie op het gebied van Erasmus+ en promovendi is verder geoptimaliseerd.
De Grants officer heeft zich in 2025 voornamelijk gericht op de eigen positionering binnen de universiteit en bij de nieuwe leerstoelgroepen. Zij initieerde en monitorde de fondsenaanvragen voor projecten. Zij initieerde tevens een schrijftraining voor promovendi voor het aanvragen van fondsen.
Team Marketing en communicatie
De afdeling Marketing & communicatie is binnen onze universiteit verantwoordelijk voor het signaleren van communicatieve vraagstukken, het adviseren over de aanpak ervan en het vorm en inhoud geven aan de uitvoering van communicatieprojecten. De primaire focus is gericht op het positioneren van onze universiteit, studentwerving en valorisatie. De resultaten van de inspanningen zijn verdeeld in persmedia, offline- en online marketingactiviteiten.
Offline marketing:
In 2025 zijn ruim dertig persberichten verstuurd. De PThU en PThU-medewerkers zorgden samen voor zo’n 250 berichten in de media. De verkiezing van prof. dr. Mirella Klomp tot Theoloog der Nederlanden (2024-2025) leverde veel publiciteit op, evenals de verkiezing van haar opvolger in die hoedanigheid, prof. dr. Arnold Huijgen . Ook leverde PThU de Jonge Theoloog der Nederlanden, te weten Nathan Troost-Van Diggelen, die samen met Rozamaryn Orsel van de Christelijke Hogeschool Ede dit jaar de titel mag dragen.
Ten behoeve van de studentwerving werd regelmatig geadverteerd in doelgroepmedia zoals Sestra, Eva, EO-Beam, De Waarheidsvriend, Petrus, Opwekking, De Nieuwe Koers en evenementen als de HGJB-kerstconferentie en het Strandheem Festival; dit heeft bijgedragen aan de bekendheid van de PThU en haar
opleidingen. De keuze voor deze media was gebaseerd op gerichte werving voor de premaster en de introductie van de nieuwe bachelor. Aandacht voor de PThU-track in de bachelor Theologie van de RUG vond plaats via een gezamenlijke wervingscampagne met de RUG. In 2025 zijn vier voorlichtingsdagen georganiseerd, naast de online wervingsmomenten. Het gemiddeld aantal aanwezige belangstellenden tijdens deze voorlichtingsmomenten varieerde van 25-35 personen.
Dit jaar werden veel kleinschalige events georganiseerd, zoals studiedagen, expert meetings en themamomenten. Naast de kleinschalige events vonden ook grote events plaats, zoals de oraties van Klomp, Korpel, Teugels en het afscheid van Zorgdrager. Het aantal bezoekers varieerde hier van negentig tot tweehonderd.
Online marketing:
De afdeling Marketing & Communicatie van de PThU had zich voor 2025 een aantal doelen gesteld om bij te dragen aan de hoofddoelen van de universiteit.
De realisatie daarvan was als volgt:
• belangstelling voor de PThU algemeen - bezoek van de website. Doel +25% > resultaat 2025: +16%;
• bereidheid te kiezen voor PThU-opleidingenklikken op inschrijfknop. Doel +30% > resultaat +33%;
• nationale betrokkenheid bij PThU - abonnees PThU Nieuws. Doel +25% > resultaat 2025: +51%;
• internationale betrokkenheid bij de PThU –abonnees PThU News. Doel +35% > resultaat 2025 +24%;
• deelname aan PThU-events - bezoekers evenementen. Doel + 18% > resultaat 2025 +4%;
• De meest bezochte pagina op de site is, na de homepage, die van de Bijbelblogs: 34%. Ook is er een toename van het bezoek aan de pagina’s scholarships (Engelstalig), cursusaanbod nascholing, de opleidingspagina’s en de nieuwe bacheloropleiding (een overall stijging van 9,28% in weergaven).
In 2025 werd een sterke toename zichtbaar van het aantal abonnees op de nieuwsbrieven en de bezoekers van de website. Wel nam de gemiddelde betrokkenheid licht af. Dat betekent dat meer mensen de website bezoeken maar minder geïnteresseerd
zijn in interactie en conversie. Een oorzaak is onder meer dat ‘algemeen’ nieuws meer mensen aantrekt die alleen het bericht willen lezen en niet doorklikken naar specifieke informatie over onderwijs of onderzoek.
In 2025 is een aantal campagnes ingezet. Naast de ‘branded search’ (jaarlijkse betaalde Google Ads-campagne op onze organisatienaam) en de ‘non-branded search’ (jaarlijkse betaalde Google Ads-campagne op zoektermen als ‘theologie studeren’ of ‘bachelor theologie’) hebben we het gehele jaar door social mediacampagnes rondom events (agenda), nieuws vanuit de PThU, bijbelblogs en nascholingscursussen ingezet. De grote specifieke campagnes waren ‘Bezieling’ (premaster-wervingscampagne waarin video-interviews met (pre)masterstudenten een beeld gaven van de studie) en de collectieve campagne ‘Kom theologie studeren’: de gezamenlijke wervingscampagne met PKN, CHE en Windesheim.
8.3 Informatievoorziening & IT
Terugblik 2025: Van transitie naar consolidatie Het jaar 2025 stond voor de PThU in het teken van de verzelfstandiging van de IT-infrastructuur en de landing in het nieuwe IT-landschap. Na de loskoppeling van de VU en de verhuizing naar de eigen locaties in Utrecht, is de focus verschoven van implementatie naar beheer en optimalisatie.
De afdeling, die in 2025 een naamswijziging onderging van Functioneel Beheer naar IT-Services, heeft zich geconcentreerd op het borgen van de continuïteit en het versterken van de regiefunctie op de externe dienstverlening. Waar de eerste helft van het jaar nog gekenmerkt werd door ‘kinderziektes’ behorend bij een nieuw landschap (zoals optimalisatie van wifi-connectiviteit en inrichting van hybride werkplekken), is in de tweede helft van het jaar de stabiliteit aanzienlijk toegenomen.
Informatiebeveiliging en privacy (Security & Compliance)
Informatiebeveiliging was in 2025 een topprioriteit. Mede naar aanleiding van de periodieke accountantscontrole en interne risicoanalyses zijn gerichte
stappen gezet om de digitale weerbaarheid van de PThU te verhogen.
Concreet zijn de volgende maatregelen genomen:
• Verbeterslag Identity & Access Management (IAM): de processen rondom in- en uitdiensttreding en de toekenning van autorisaties zijn aangescherpt. Dit minimaliseert het risico op ongeautoriseerde toegang.
• Toetsing aan SURF-normenkader: er is actief gestuurd op compliance met het SURFtoetsingskader voor informatiebeveiliging. Bevindingen uit audits zijn vertaald naar een concreet verbeterplan dat in samenwerking met onze IT-partner wordt uitgevoerd.
• Awareness: er is blijvend ingezet op bewustwording onder medewerkers en studenten, onder andere door aangescherpt beleid rondom dataclassificatie en veilig werken in de cloud.
Samenwerking en regie
De PThU hanteert een regiemodel waarbij de operationele IT is uitbesteed aan een strategische partner (Brunel). In 2025 is de aansturing hiervan geïntensiveerd. Er zijn strakke afspraken gemaakt over Service Level Agreements (SLA’s) en de kwaliteit van de dienstverlening.
De focus van IT Services lag hierbij op:
1. Het monitoren van de prestaties van de leverancier.
2. Het vertalen van de onderwijs- en onderzoeksbehoefte naar technische oplossingen.
3. Het borgen van eigenaarschap op data en applicaties binnen de eigen organisatie.
Financieel- en toekomstperspectief
De IT-kosten zijn in 2025 gestabiliseerd na de initiële investeringen van de verhuizing. Hierna ligt de focus op verdere professionalisering en kostenbeheersing door standaardisatie. Tevens bereidt de organisatie zich voor op beleidsmatige kaders rondom de inzet van AI in onderwijs en onderzoek, waarbij ethiek en dataveiligheid centraal staan.
Duurzaamheid
In het verslagjaar is er veel gebeurd op het gebied van huisvesting van de PThU.
Het pand aan het Janskerkhof 12 (inmiddels met als officieel adres Jansdam 14) is grondig verbouwd. Er is maximaal geprobeerd om aan moderne duurzaamheidseisen te voldoen. Dit betreft onder meer het duurzame hergebruik van religieus erfgoed, het aanbrengen van installaties en voorzieningen ten gunste van een hoge energie-efficiëntie, en een hoogwaardig ventilatiesysteem. Maar ook in het praktische gebruik van de nieuwe locatie is duurzaamheid een belangrijk uitgangspunt geweest, zoals onder meer tot uiting komt in gescheiden inzameling van afvalstoffen en goeddeels vegetarische catering.
Sinds 1 augustus 2024 is de PThU hoofdhuurder van de Janskerk. Op 31 augustus 2026 zal deze in gebruik zal worden genomen, na een verbouwing in gecombineerd opdrachtgeverschap van de eigenaar (de Protestantse Gemeente Utrecht) en de PThU. In de Janskerk zal rondom de verbouwing veel geïnvesteerd worden in duurzaamheid. Het gaat hierbij onder meer om het verbeteren van de gebouwschil van de kerk door middel van het plaatsen van voorzetglas voor alle vensters en het isoleren van de kap. Daarnaast wordt de bestaande klimaatinstallatie energiezuiniger gemaakt door goede regeling en sturing. De verlichting wordt verduurzaamd en de aanvullende klimaatinstallaties zijn ook bedoeld om het energieverbruik te verlagen. Verder wordt hout van de kerkbanken van de Hervormde Kerk te Renkum hergebruikt bij het verwerken van bouwdelen in de Janskerk. Tenslotte zal ook een deel van het aan te schaffen meubilair refurbished zijn. Zodoende krijgt een bijna duizend jaar oud gebouw een nieuwe bijfunctie, waarmee de economische volhoudbaarheid van de Janskerk geborgd is voor de komende decennia en hopelijk langer.

9. Financiën
9.1
Resultaat jaarrekening 2025
Het jaarrekeningresultaat 2025 van de PThU is € 247k positief. Begroot was een resultaat van € 265k. Een analyse van dit resultaat is weer te geven
Analyse resultaat ten opzichte van de begro6ng
in een uitsplitsing van resultaten uit (reguliere) bedrijfsvoering en eenmalige resultaten. Een overzicht hiervan is opgenomen in onderstaande tabel (bedragen x € 1.000).
Bedrijfsvoering Eenmalig
Hogere rijksbijdrage 447,9Hogere baten collegegelden 120,5Hogere baten derden 215,4 -
Hogere personeelslasten extern gefinancierde projecten 140,0-Hogere personeelslasten CAO indexaAe en meer in dienst 430,0-Eenmalige addiAonele personeelslasten - 230,0Hogere personeelslasten inhuur 127,5-Vrijval personeelsvoorzieningen 266,2Hogere kosten markeAng en werving 110,0- -
Hogere huisvesAngs- en -transiAelasten door later Jansdam - 76,2Lagere afschrijvingen - 73,8
Hogere lasten locaAehuur externe cursussen en onderhoudskosten 71,4-Hogere kosten klein onderhoud - 47,5Overige effecten 55,5-Lagere rentelasten 85,1 85,1
Totaal 200,7 194,8-
9.2 Eigen vermogen, liquiditeit, voorzieningen
Per 31 december van het verslagjaar bedroeg het eigen vermogen van de PThU € 8,9 miljoen. De hoogte van de liquide middelen was op die datum € 1,3 miljoen. De hoogte van de voorzieningen was € 0,7 miljoen, bestaande uit personeelsvoorzieningen (€ 585k) en een voorziening groot onderhoud (€ 125k). Voor kortlopende schulden stond op 31 december een bedrag van € 2,7 miljoen gesaldeerd.
Het publieke eigen vermogen van de PThU is lager dan de door de onderwijsinspectie genormeerde signaleringswaarde. Dit zal in de toekomst zo blijven. In het licht van de verhuizing naar Utrecht wordt geïnvesteerd in de nieuwe locatie. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het publieke eigen vermogen en gedeeltelijk van externe financiering.
9.3 Financiële ratio’s
Een en ander leidde tot een solvabiliteitsratio van 0,51. Ten opzichte van 2024 is deze ratio gelijk gebleven. De current ratio van 0,78 (2024: 1,18) is met name afgenomen door de investeringen in de nieuwe locatie.
9.4 Treasury
De niet voor de bedrijfsuitoefening benodigde liquiditeiten van de PThU worden op basis van het Financierings- en Beleggingsstatuut, in lijn met het Algemeen Verbindend Voorschrift van het ministerie van OCW rondom ‘beleggen en belenen’, uitgezet in de vorm van vastrentende waarden met hoofdsomgarantie, waarbij een zeer defensieve beleggingsstrategie wordt gehanteerd. De beleggingen worden tevens getoetst aan het criterium ‘duurzaam en maatschappelijk verantwoord’.
In 2025 zijn er geen (nieuwe) beleggingen en beleningen geweest.
9.5
Investeringen
De verbouwing van het pand aan Janskerkhof 12 / Jansdam 14 is per 31 december 2025 afgerond. De verbouwing van de Janskerk is eind 2025 van start gegaan en wordt naar verwachting eind augustus 2026 afgerond.
9.6 Private activiteiten waarin met publieke middelen is geïnvesteerd
Evenals de andere levensbeschouwelijke universiteiten opereert de PThU met haar onderwijs en onderzoek in een unieke markt. Hierdoor kan er geen sprake zijn van concurrentie met eventuele private aanbieders. Een groot deel van haar financiering ontvangt de PThU van het ministerie van OCW. Vanwege de bijzondere aard van de PThU zijn deze publieke baten niet voldoende om de personele lasten voor onderwijs en onderzoek te dekken. Voor zover deze publieke baten niet voldoende zijn bekostigen private partijen een deel van de publieke taak van de PThU. Het omgekeerde – PThU investeert publiek geld in private activiteiten – vindt niet plaats.
De thema’s 1 (Uitbesteding), 4 (Bekostiging van buitenlandse studenten) en 8 (Bekostiging maatwerktrajecten) uit de notitie ‘Helderheid in de bekostiging van het hoger onderwijs’ zijn aan de PThU niet van toepassing.
9.6.1 Verantwoording
In het kader van de beleidsregel ‘Investeren met publieke middelen in private activiteiten’ legt de PThU hieronder verantwoording af van activiteiten die vallen onder deze beleidsregel. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen activiteiten waarvoor respectievelijk geen, versoepelde en volledige verantwoording noodzakelijk is.
9.6.2 Geen verantwoording onder beleidsregel
Niet van toepassing.
9.6.3 Versoepelde verantwoording onder beleidsregel
Private valorisatieactiviteiten hebben in 2025 niet plaatsgevonden.
9.6.4 Volledige verantwoording onder beleidsregel
Voor de PThU komen met betrekking tot het investeren van publieke middelen in private activiteiten de volgende onderwerpen in aanmerking:
1. verhuur van ruimten;
2. contractonderwijs;
3. privaat onderzoek;
4. nascholing;
5. fonds internationale studenten.
Conform de ‘Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten’ wordt voor deze onderwerpen een aantal punten toegelicht.
Ad 1. Verhuur ruimten
Dit heeft in 2025 niet plaatsgevonden.
1. Omvang van de baten.
De omvang van de baten uit zaalhuur bedraagt € 0
2. De omvang van de geïnvesteerde publieke middelen in het verslagjaar.
Voor deze zaalhuur zijn geen middelen geïnvesteerd, anders dan de al gebruikelijke huisvestingslasten die de PThU zónder de verhuur ook had gehad. De toe te rekenen lasten op basis van de kostprijs bedragen € 0, waardoor een ‘winst’ van € 0 resteert.
3. Een beschrijving van het risicobeleid en beheer. Private activiteiten worden zo efficiënt mogelijk georganiseerd zonder externe financieringen in de vorm van leningen, dit op basis van het treasury-beleid.
4. Een beschrijving van de juridische en organisatorische inbedding van de soort private activiteit, inclusief een beschrijving van de verantwoordelijkheidstoebedeling.
De zaalhuur vindt plaats op aanvraag. Door middel van kostenplaatsen worden aan verhuuractiviteiten baten en lasten toegerekend. De ondersteuning kijkt of er zalen beschikbaar zijn die op dat moment niet door de PThU zelf gebruikt worden. De afdeling Financiën verstuurt een factuur voor de zaalhuur.
5. Een beschrijving van de meerwaarde van de soort private activiteit voor de bekostigde wettelijke taak.
De activiteit vereist geen extra investeringen. Doordat tijdelijk leegstaande ruimtes verhuurd worden, kan de opbrengst die hiervoor wordt verkregen weer geïnvesteerd worden in de publieke taak. Ook zorgt dit ervoor dat de maatschappij meer in contact komt met de PThU.
Ad 2. Contractonderwijs
1. Omvang van de baten
De omvang van de baten uit contractonderwijs bedraagt € 10.646. De toe te rekenen lasten op basis van de kostprijs bedragen € 9.114, waardoor een ’winst’ van € 1.526 resteert.
2. De omvang van de geïnvesteerde publieke middelen in het verslag jaar.
Zie de gepresenteerde lasten onder punt 1. De verwachting is dat het ‘verlies’ de komende jaren wordt omgebogen door het hanteren van een hoger tarief.
3. Een beschrijving van het risicobeleid en beheer. Private activiteiten worden zo efficiënt mogelijk georganiseerd zonder externe financieringen in de vorm van leningen, dit op basis van het treasury-beleid.
4. Een beschrijving van de juridische en organisatorische inbedding van de soort private activiteit, inclusief een beschrijving van de verant woordelijkheids toebedeling.
Het contractonderwijs vindt plaats op aanvraag. Hierbij worden dan de reguliere vakken die de PThU aanbiedt binnen haar bekostigde onderwijs, aangeboden tegen een tarief hoger dan het wettelijk collegegeld.
5. Een beschrijving van de meerwaarde van de soort private activiteit voor de bekostigde wettelijke taak.
De activiteit vereist geen extra investeringen. Door het aanbieden van deze vakken wordt een instroom in de bekostigde master mogelijk gemaakt. De in rekening gebrachte prijs voor het contractonderwijs wordt de komende tijd geëvalueerd.
Ad 3. Privaat onderzoek
1. Omvang van de baten
De omvang van de baten uit ‘privaat’ onderzoek bedraagt € 8.194.
2. De omvang van de geïnvesteerde publieke middelen in het verslagjaar.
De toe te rekenen lasten op basis van de kostprijs bedragen € 7.792, waardoor een ‘winst’ van € 402 resteert.
3. Een beschrijving van het risicobeleid en beheer. Private activiteiten worden zo efficiënt mogelijk georganiseerd zonder externe financieringen in de vorm van leningen, dit op basis van het treasury-beleid.
4. Een beschrijving van de juridische en organisatorische inbedding van de soort private activiteit, inclusief een beschrijving van de verantwoordelijk heids toebedeling.
Het onderzoek vindt plaats op aanvraag, en gaat alleen door als het past bij de publieke onderzoekstaak die de PThU heeft. Alleen als privaat onderzoek kwalificeert het onderzoek waarvan de onderzoeksresultaten niet publiekelijk toegankelijk zijn.
5. Een beschrijving van de meerwaarde van de soort private activiteit voor de bekostigde wettelijke taak.
Het onderzoek dat onder deze post valt, is: - Nieuw Kerkelijk Peil; Dit onderzoek past binnen het bekostigde onderzoek van de PThU, maar is doordat de onderzoeksresultaten niet (geheel) publiekelijk toegankelijk zijn, als ‘privaat’ aangemerkt, en wordt derhalve hier verantwoord.
Ad 4. Nascholing
1. Omvang van de baten
De omvang van de baten uit nascholing (Leven Lang Ontwikkelen) bedraagt €704.914.
2. De omvang van de geïnvesteerde publieke middelen in het verslagjaar.
De toe te rekenen lasten op basis van de kostprijs bedragen €706.440, waardoor een ‘verlies’ van €1.526 resteert (vorig jaar: ‘winst’ van €34.804).
3. Een beschrijving van het risicobeleid en beheer. Private activiteiten worden zo efficiënt mogelijk georganiseerd zonder externe financieringen in de vorm van leningen, dit op basis van het treasury-beleid.
4. Een beschrijving van de juridische en organisatorische inbedding van de soort private activiteit, inclusief een beschrijving van de verant woordelijkheids toebedeling.
Met het postacademisch onderwijs kunnen afgestudeerde predikanten nascholing volgen, en daarmee ook hun PE-punten halen. Gezien het soort onderwijs en de doelgroep sluit dit soort onderwijs aan op het Leven Lang Ontwikkelen.
5. Een beschrijving van de meerwaarde van de soort private activiteit voor de bekostigde wettelijke taak.
Door dit onderwijs versterken afgestudeerde predikanten en geestelijk werkers hun kennis, vaardigheden en professionaliteit. Het behalen van een voldoende aantal PE-punten is door de PKN verplicht gesteld.
Ad 5. Fonds internationale studenten
1. Omvang van de baten
De omvang van de baten voor het fonds internationale studenten bedraagt €103.414.
2. De omvang van de geïnvesteerde publieke middelen in het verslagjaar.
De toe te rekenen lasten op basis van de kostprijs bedragen €232.957, waardoor een ‘verlies’ van € 129.543 resteert. Hier tegenover staat een onttrekking van de private bestemmingsreserve internationale studenten á € 129.543.
3. Een beschrijving van het risicobeleid en beheer. Private activiteiten worden zo efficiënt mogelijk georganiseerd zonder externe financieringen in de vorm van leningen, dit op basis van het treasury-beleid.
4. Een beschrijving van de juridische en organisatorische inbedding van de soort private activiteit, inclusief een beschrijving van de verant woordelijkheids toebedeling. Vanuit het fonds internationale studenten worden al jarenlang studiebeurzen verstrekt waardoor het mogelijk wordt voor internationale studenten uit Afrika, Azië, Latijns-Amerika en Oost-Europa die zelf niet over de benodigde middelen beschikken, om bij de PThU te studeren
of te promoveren. Voorheen werden deze lasten altijd uit de private bestemmingsreserve gefinancierd, waardoor een negatief resultaat ook ten laste viel van deze private bestemmingsreserve. Met ingang van 2024 is het door de ‘richtlijn publiek privaat’ niet mogelijk om een positief resultaat van deze activiteit ten gunste van deze private bestemmingsreserve te brengen, maar een negatief resultaat mag wel ten laste van de private bestemmingsreserve worden gebracht.
5. Een beschrijving van de meerwaarde van de soort private activiteit voor de bekostigde wettelijke taak. De aanwezigheid van buitenlandse studenten en hun inbreng draagt bij aan het veelkleurige en internationale karakter van ons theologisch onderwijs en onderzoek. Dit is essentieel voor de vorming van de Nederlandse predikant die werkt in een toenemende multiculturele omgeving. Momenteel wordt ingezet op fondswerving. Daarnaast zal worden nagegaan of er een boekhoudkundige mogelijkheid bestaat onze private reserves toch weer aan te wenden voor dit doel, waarbij een eventueel negatief resultaat van deze activiteit weer ten laste gaat van onze private bestemmingsreserve.
Alle onderzoeksactiviteiten die worden gefinancierd uit de tweede, derde en/of vierde geldstroom zijn beoordeeld om vast te stellen of hier sprake is van private activiteiten. Hieruit is gebleken dat deze activiteiten allemaal onderdeel zijn van de wettelijke bekostigde taak van de PThU, dan wel een verlengstuk daarvan. Dit is ook het geval bij de Initial Graduate School, die als voorbereiding dient tot het promotietraject (Graduate School).
9.7 Studentenondersteuningsfonds
Onze universiteit kent een studentenondersteuningsfonds waaruit we aan studenten die te maken hebben met bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 7.51 WHW, een financiële bijdrage kunnen verstrekken. In 2025 is aan één student voor een bedrag van € 1.884 aan bijdragen uit dit fonds verstrekt. Deze hebben voor € 1.884 betrekking op overmachtssituaties en voor € 0 op vergoedingen voor deelname aan bestuurlijke commissies.
Omschrijving Aantal studenten Totaal toekenningen
Studenten in overmachtssituaties
Bestuurders van studieof studentenverenigingen of MR
hoogte toekenningen
duur toekenningen
Aanvragen:
Toewijzingen:
Aanvragen:
Toewijzingen:
9.8 Continuïteitsparagraaf
9.8.1 Personeel
Ons personeelsbestand (gemeten in fte) heeft zich in de jaren 2021-2025 als volgt ontwikkeld:
De aanstelling van nieuwe medewerkers heeft plaatsgevonden binnen de meerjarige kaders van de personeelsbegroting.
De prognose van de personele bezetting 2026-2030 laat het volgende beeld zien:
9.8.2 Studenten
De recente ontwikkeling van het totaal aantal studenten (exclusief premasterstudenten) in de jaren 2022-2025 (peildatum 1 oktober) is als volgt:
Bachelor
Het totaal aantal bachelorstudenten is in de periode 2022–2024 geleidelijk afgenomen, van 61 studenten in 2022–2023 tot 21 studenten in 2024–2025. Deze daling is een direct gevolg van het in 2020 genomen besluit om naar Utrecht te verhuizen, omdat toen besloten is de gezamenlijke bacheloropleiding met de VU gefaseerd af te bouwen. De instroom van nieuwe studenten werd vanaf dat moment beperkt. De laatste lichting eerstejaars van de joint bachelor startte in 2024–2025 (met slechts een paar studenten). In 2025–2026 is er binnen deze opleiding uitsluitend sprake van herinschrijvers en uitstroom door diplomering.
Voorts moet aangetekend worden dat de rijksbijdrage voor de joint-bachelor studenten gelijkelijk wordt verdeeld over VU en PThU. Met andere woorden: slechts de helft van het aantal joint bachelorstudenten levert bekostiging op voor de PThU.
Met de start van de nieuwe bacheloropleiding van de PThU in Utrecht is er vanaf 2025–2026 weer sprake van nieuwe instroom. In totaal zijn zeventien studenten aan deze opleiding begonnen, een relatief hoog en veelbelovend aantal gezien het feit dat de PThU pas heel laat (in april 2025) kon beginnen met de actieve werving van studenten voor deze nieuwe bachelor. Hiermee ontstaat een kentering in de neerwaartse trend van de voorgaande jaren en
Prognose
dat was ook de ambitie met en voor deze opleiding, ook als extra ‘aanvoerlijn’ naar de ambtsopleiding. In de komende jaren wordt een geleidelijke groei verwacht, mede dankzij de zichtbaarheid van de nieuwe opleiding in Utrecht en de gerichte wervingsinspanningen.
Masters
De masteropleidingen laten de afgelopen jaren een afname in studentenaantallen zien.
De instroom van internationale studenten in de eenjarige Engelstalige master Theology is beperkt gebleven door de terughoudendheid in de werving. Dit hangt samen met de landelijke politieke discussie over internationalisering en de aangekondigde Wet internationalisering in balans, evenals met interne onzekerheden rond huisvesting tijdens de overgang naar Utrecht. Het studierendement binnen deze opleiding blijft echter hoog: vrijwel alle studenten behalen binnen een jaar hun diploma.
Ook in de driejarige ambtsopleiding is de instroom iets lager dan in voorgaande jaren. In 2024–2025 zijn bovendien relatief veel diploma’s uitgereikt, waardoor de uitstroom hoger lag dan de instroom. Samen leidt dit tot een daling van het totale aantal ingeschreven masterstudenten in 2025–2026.
Onze prognose voor het aantal ingeschreven studenten is als volgt.
Voor de komende jaren wordt een gematigde groei van het totale aantal studenten verwacht, al worden de prognoses naar beneden bijgesteld ten opzichte van eerdere jaren. Dit is het gevolg van zowel de afbouw van oudere programma’s als van wijzigingen in de instroompatronen van de huidige opleidingen.
Bachelor
Met de start van de nieuwe bacheloropleiding in 2025–2026 groeit de studentpopulatie door de opbouw van opeenvolgende cohorten de eerste jaren vanzelf. Wij gaan er daarbij vanuit dat minstens 90% van de eerstejaars doorgaat naar het tweede jaar.
Wij prognosticeren voor de komende jaren een stijgende nieuwe eerstejaarsinstroom, oplopend van twintig in 2026-2027 naar dertig in 2030-2031. Die prognose is gebaseerd op a) de eerste zeer positieve ervaringen van studenten met de nieuwe bachelor en de uitstralingseffecten die dat in de markt heeft, b) toenemende belangstelling voor theologie en zingeving, wat naar verwachting een positieve invloed heeft op de instroom, c) de positieve effecten van de gezamenlijke studentwervingscampagne met de PKN.
Een (tijdelijk) beperkt drukkend effect op het aantal is gelegen in het feit dat de laatste studenten van de joint bacheloropleiding de komende jaren nog afstuderen.
Vanaf circa 2030-2031 wordt stabilisatie van het aantal studenten in de bachelor verwacht, tenzij de opleiding in die periode substantieel populairder wordt dan vergelijkbare opleidingen in Nederland; dit doordat men bekend raakt met de goede ervaringen van de huidige studenten.
Masters
De instroom in de internationale eenjarige master blijft vooralsnog laag, mede door de herziening van het programma en de terughoudendheid in de werving van studenten die afhankelijk zijn van een PThU beurs. De invoering van het herziene programma per september 2028 zou kunnen leiden tot een toename in het aantal Nederlandse studenten, aangezien dat één van de ambities is van de herziening.
De prognose voor de instroom in driejarige master is met enkele onzekerheden omgeven.
De generale synode van de PKN heeft besloten om naast de predikant de functie van predikant-pastor in het leven te roepen. Aangezien een hbo-bachelor theologie kwalificeert voor predikant-pastor, met dezelfde bevoegdheden als de predikant, wordt er rekening mee gehouden dat dit een remmende uitwerking op de instroom in de driejarige master kan hebben. Tegelijkertijd wordt door de kerk gesti -
muleerd dat er doorstroom is van predikant-pastor naar predikant, hetgeen een compenserend effect hierop kan hebben. Het netto-effect hiervan laat zich moeilijk voorspellen.
Parallel hieraan zijn er enkele ontwikkelingen die de instroom in de driejarige master naar verwachting een positieve impuls zullen geven:
a. de gerealiseerde verbeteringen in het curriculum met eerste positieve ervaringen van studenten, die positieve uitstralingseffecten hebben naar aspirant-studenten;
b. versoepelingen in de toelating tot de premaster plus verbeteringen in het premaster-onderwijs plus de grote instroom in de premaster;
c. onze prachtige nieuwe locatie in Utrecht, die aantrekkelijk is om te studeren en goed bereikbaar vanuit een groot deel van Nederland;
d. de instroom vanuit onze nieuwe bachelor (vanaf 2028), die wij prognosticeren op 65 % van de bachelorstudenten (ter vergelijking: vanuit de joint bachelor stroomde in de periode 2022-2025 slechts 20 % door naar de PThU-ambtsopleiding);
e. de uitstekend functionerende PThU-track in de theologiebachelor van de RUG (bijv. in 2025-2026 negen van de elf eerstejaarsstudenten aldaar).
Ten slotte is het onze ambitie om een toenemend aantal studenten binnen te krijgen in de driejarige master, vooral vanwege het grote en oplopende tekort aan predikanten in de PKN.
Al met al koersen wij op een jaarlijkse eerstejaarsinstroom van dertig.
Totale ontwikkeling
In totaal wordt uitgegaan van een geleidelijke groei van de studentenpopulatie gedurende de opbouw van de nieuwe bachelorcohorten en de verwachte groei binnen de masteropleidingen. Deze groei is wel geringer dan eerder voorzien en blijft onzeker door externe factoren zoals landelijke beleidsontwikkelingen en de impact van de ambtsdiscussie binnen de PKN. Een stabielere situatie wordt verwacht vanaf 2028–2029, wanneer de bachelorstructuur is uitgekristalliseerd en de effecten van het herzien mastercurriculum zichtbaarder worden.
9.8.3 Meerjarenbalans en meerjarenbegroting
Balans
De liquide middelen hebben in verband met de investeringen in Utrecht in de Janskerk gedurende 2025 een verdere teruggang laten zien, waarna vanaf 2026 een geleidelijke stijging is voorzien. Voor de
investeringen in Utrecht zijn leningen bij Stichting Kerkelijk Geldbeheer en bij het Restauratiefonds aangegaan. Deze leningen zullen vanaf 2027 worden afgelost. Ook heeft de PThU een roodstand-faciliteit bij het ministerie van Financiën ter grootte van 1,15 miljoen euro.
Staat van baten en lasten
Toelichting
Batenstructuur
De financieringsstructuur is opgebouwd uit de volgende onderdelen:
Rijksbijdrage
De rijksbijdrage die onze universiteit ontvangt is opgebouwd uit een vaste voetbijdrage voor onderzoek en onderwijs, een dynamisch deel voor onderwijs (gebaseerd op aantal bekostigde inschrijvingen
Onderdeel 2025 (x €1.000)
en behaalde graden), een dynamisch deel voor onderzoek (gebaseerd op het aantal bekostigde graden en het aantal promoties), een deel gekoppeld aan de gemaakte prestatieafspraak, en een bijdrage in het kader van de subsidieregeling tweede graden.
€
Rijksbijdrage OCW onderwijs vast 6.757
Rijksbijdrage OCW onderwijsgebonden dynamisch 386
Rijksbijdrage OCW onderzoek vast 4.528
Rijksbijdrage OCW onderzoek gebonden dynamisch 587
Rijksbijdrage kwaliteitsbekosCgingTotaal 12.258
Ontwikkelingen met betrekking tot de staat van baten en lasten 2027 tot en met 2030
Deze meerjarenbegroting is opgesteld op basis van de volgende uitgangspunten:
1. De Rijksbijdragen worden in 2026 niet geïndexeerd. Er is uitgegaan van de zogenoemde 0de Rijksbrief 2026. Vanaf 2027 is uitgegaan van een jaarlijkse indexatie van 2%. We gaan hierbij uit van een geleidelijke terugloop in middelen van OCW oplopend tot ruwweg 10% minder bijdragen OCW per 2030.
2. De college- en examengelden zullen stijgen vanwege de groei van het aantal bachelorstudenten en deze gelden indexeren met 2% per jaar.
3. Bij de personeelslasten is zowel de autonome groei (periodieke groei in salaristreden) als loonkostenontwikkeling vanuit de CAO verwerkt. Er is gerekend met een CAO-stijging van 2% in juli 2026 en met 2% per jaar voor 2027 tot en met 2030. De CAO-stijging wordt normaliter gecompenseerd door een hogere rijksbijdrage, waardoor deze post uiteindelijk geen effect heeft op het exploitatiesaldo.
4. De organisatielasten, onderwijslasten en onderzoekslasten indexeren vanaf 2027 met 2% per jaar. De organisatielasten zijn de materiële lasten die met name betrekking hebben op de ondersteuning. De onderwijslasten bestaan uit studietoelages internationale studenten, lasten kwaliteitsgelden, inhuur externe docenten, en
overige studentenvoorzieningen. De onderzoekslasten zijn de materiële lasten die betrekking hebben op onderzoek en bestaan uit kosten voor conferenties, persoonsgebonden budget promovendi en internationale samenwerking.
5. Ten aanzien van de overige begrotingsposten is per post met de desbetreffende budgethouder een inschatting gemaakt voor de kosten van 2026. Voor de jaren daarna zijn de kosten doorgetrokken met een inflatiecorrectie van 2% per jaar.
6. Vanaf 2025 is in de afschrijvingslasten rekening gehouden met de aanschaf van het pand aan de Jansdam in Utrecht. Vanaf ingebruikname van het pand in februari 2025 wordt de aanschaf van het pand afgeschreven. De afschrijving van de verbouwing van de Janskerk begroten we vanaf september 2026.
7. Voor de financiële lasten zijn de verwachte rentelasten meegenomen zoals deze uit de overeenkomst met Stichting Kerkelijk Geldbeheer en het Nationaal Restauratiefonds blijken. De rentelasten zullen vanaf 2027 afnemen door de start van de aflossing.
9.9 Declaraties bestuur
Overzicht declaraties bestuursleden verslagjaar 2025 (bedragen in €)
Bestuurder Prof. dr. M.T. Frederiks Prof. Dr. K. Spronk dr. C.P. Boele *)
Bovenstaande tabel is ingevuld op basis van de Declaratieregeling CvB-leden Nederlandse Universiteiten die met ingang van 1 januari 2018 van kracht is geworden.
9.10 Beheersing van ontslagvergoeding
Onze universiteit hanteert met betrekking tot vergoeding bij ontslag een beleid dat overeenkomt met de maximale norm van de per 2013 geldende Wet normering topinkomens (WNT). Dit betekent dat wanneer sprake zou zijn van ontslag van een (top) functionaris, de maximale ontslagvergoeding gelijk is aan de som van de beloning en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn over de twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband, maar niet meer dan € 75.000.

10. Intern risicobeheersingsen controlesysteem
10.1 Verantwoordelijkheid en uitgangspunten
Het college van bestuur is verantwoordelijk voor de inrichting, implementatie en werking van het systeem van interne risicobeheersing en controle. Dit systeem heeft tot doel:
• het identificeren en beheersen van risico’s die het realiseren van de strategische, tactische en operationele doelstellingen kunnen belemmeren;
• het waarborgen van een rechtmatige en doelmatige besteding van publieke middelen;
• het bevorderen van betrouwbare financiële verslaggeving;
• het naleven van toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), subsidieregelingen en relevante governancecodes.
Het door ons gehanteerde systeem biedt een redelijke mate van zekerheid dat de genoemde doelen worden gerealiseerd. Absolute zekerheid kan, gelet op de inherente beperkingen van interne beheersingssystemen, niet worden gegeven.
De raad van toezicht houdt toezicht op de effectiviteit van het systeem van risicobeheersing en interne controle.
10.2 Inrichting van het risicomanagementproces
Het risicomanagement is integraal onderdeel van de planning- en controlcyclus en kent de volgende structurele elementen:
1. jaarlijkse integrale risicoanalyse, gekoppeld aan het instellingsplan, de begroting en de meerjarenraming;
2. periodieke monitoring via halfjaarlijkse bestuurlijke rapportages en financiële kwartaalrapportages (voor college van bestuur en raad van toezicht) en financiële maandrapportages (voor het bestuur);
3. interne controlemaatregelen gericht op rechtmatigheid, doelmatigheid en getrouwheid van de financiële verslaggeving;
4. kwaliteitszorgsystematiek voor onderwijs en onderzoek conform accreditatievereisten;
5. follow-up op bevindingen van de externe accountant, inclusief managementletter en controleverklaring.
Risico’s worden systematisch geclassificeerd naar strategisch, tactisch en operationeel niveau en beoordeeld op kans en impact.
10.3 Strategische risico’s
10.3.1
Risico
Ontwikkeling studentenaantallen
Schommelingen of structurele daling van studentenaantallen kunnen leiden tot lagere rijksbijdragen en druk op exploitatie en continuïteit.
Kans/impact
Laag/middel.
Beheersingsmaatregelen
• Financiële meerjarenramingen met scenarioanalyses (basis-, optimistisch en voorzichtig scenario, waarbij sinds 2021 begroot wordt op basis van het voorzichtige scenario);
• bewaking van het weerstandsvermogen en passende omvang van de algemene reserve;
• actief wervings- en positioneringsbeleid, onder meer via een gezamenlijke campagne met de Protestantse Kerk in Nederland;
• ontwikkeling van flexibel en modulair onderwijsaanbod, in het bijzonder voor zijinstromers.
10.3.2 Bekostiging
Risico
Onze huidige bekostiging is enerzijds gebaseerd op integratie van de systematiek van bekostiging in het bekostigingsstelsel, zoals dit voor het hoger onderwijs in Nederland is vastgesteld. Anderzijds is voor de vaststelling van de hoogte van de onderdelen in de toe te kennen financiering, een aantal specifiek op onze situatie bij introductie in het stelsel toegesneden parameters bepaald. Dit heeft bijvoorbeeld geleid tot een relatief hoog vaste voetpercentage in de bekostiging. Er zijn allerlei ontwikkelingen gaande, deels vanwege de initiatieven van het nieuwe kabi -
net, die financiële onzekerheid met zich meebrengen. Voor zover het relatieve aandeel van het vaste voetpercentage daarbij betrokken wordt, vormt dit voor ons een risico.
Kans/impact
Laag/hoog.
Beheersingsmaatregelen
• Normalisatie van onze exploitatie, dat wil zeggen de onderwijslasten meer in verhouding brengen met wat aan andere universiteiten gebruikelijk is;
• stimuleren van kosten- en batenbewustzijn van wetenschappelijk personeel, in het bijzonder van de leerstoelgroepsvoorzitters (tevens budgethouders).
10.3.3 Strategische positionering en academische kwaliteit
Risico
Onvoldoende academische profilering of negatieve accreditatie-uitkomsten kunnen de reputatie en aantrekkelijkheid van de PThU aantasten.
Kans/impact
Laag/hoog.
Beheersingsmaatregelen
• Periodieke herijking van het instellingsplan;
• interne kwaliteitszorg (PDCA-cyclus), rondom a) periodieke onderwijsevaluaties, b) de jaarlijkse vaststelling van Onderwijs- en Examenregeling en het Studentenstatuut, c) de zesjaarlijkse externe evaluatie- en kwaliteitscyclus (onderwijs- en onderzoeksvisitaties);
• structurele opvolging van visitatie- en accreditatieaanbevelingen;
• investering in onderzoekskwaliteit en internationale samenwerking.
10.3.4 Governance en stakeholders
Risico
Onvoldoende heldere rolverdeling of spanningen tussen academische, kerkelijke en wettelijke kaders kunnen leiden tot bestuurlijke risico’s of reputatieschade.
Kans/impact
Laag/middel.
Beheersingsmaatregelen
• Vastgelegde governance-structuur met duidelijke scheiding tussen bestuur en toezicht;
• reglementen en statuten die rollen en bevoegdheden expliciteren;
• periodieke zelfevaluatie van college van bestuur en raad van toezicht;
• regelmatige afstemming met (het moderamen van) de Protestantse Kerk in Nederland over de fijnmazige governance-verhouding;
• transparante verslaglegging.
10.4 Tactische risico’s
10.4.1 Personele continuïteit
Risico
Door de beperkte omvang van de PThU, maar ook vanwege de krappe arbeidsmarkt, kan werkdruk bij en/of vertrek of uitval van sleutelmedewerkers leiden tot verstoring van primaire en ondersteuningsprocessen.
Kans/impact
Middel/middel.
Beheersingsmaatregelen
• Strategische personeelsplanning;
• inzettabellen voor wetenschappelijk personeel;
• een retentieregeling;
• ‘Erkennen en Waarderen’;
• samenwerking met andere levensbeschouwelijke universiteiten (Utrechtse partners in het bijzonder) op het gebied van bedrijfsvoering;
• strategische samenwerking met de RUG, die ons bijzondere deskundigheid levert op stafniveau;
• opbouw van kennisdeling en vervangingscapaciteit;
• actieve sturing op verlofopname;
• monitoring van werkdruk en duurzame inzetbaarheid;
• gerichte professionalisering.
10.4.2 Financieel beheer en rechtmatigheid
Risico
Onvoldoende naleving van wet- en regelgeving of tekortschietende interne controles kan leiden tot onrechtmatigheden of correcties.
Kans/impact
Laag/middel.
Beheersingsmaatregelen
• Functiescheiding binnen financiële processen;
• een procuratieregeling;
• periodieke interne controles;
• maandelijkse budgetbewaking;
• een nieuw declaratiereglement;
• een vastgelegd inkoop- en aanbestedingsbeleid;
• een contractenregister;
• periodieke frauderisicoanalyse;
• treasury statuut.
10.4.3 Verbouw Janskerk
Risico
Het in gebruik nemen van de nieuwe locatie aan de Jansdam en de aanstaande verbouwing van de Janskerk zijn omvangrijke operaties (geweest). Door tegenvallers op gebied van huisvesting kan een grote onverwachte cash-outflow ontstaan. Hierdoor kunnen liquiditeitsproblemen ontstaan.
Kans/impact
Laag/middel.
Beheersingsmaatregelen
• Een meerjarig financieel huisvestingskader waarbinnen de realisatie plaatsvindt;
• extern bouwprojectmanagement, dat verantwoordelijk is om de verbouwing binnen het stichtingsbudget te realiseren;
• maandelijkse projectteamvergaderingen waarin financiën worden gemonitord door het bestuur;
• het liquiditeitsrisico beheersen door de liquiditeit nauwgezet te monitoren. Op maandbasis wordt een liquiditeitsrapportage gedeeld met het college van bestuur, waarbij een inschatting wordt gemaakt voor de ontwikkeling van de liquiditeit in de komende 24 maanden.
10.4.4 IT en informatievoorziening
Risico
Onvoldoende beveiliging of continuïteit van IT-systemen kan leiden tot verstoring van onderwijs en datalekken.
Kans/impact
Middel/hoog.
Beheersingsmaatregelen
• Informatiebeveiligingsbeleid, onder meer door middel van een Strategisch Kader Informatiebeveiliging & IT-Regie, dat sturend is naar Brunel;
• back-up- en herstelprocedures;
• toegangsbeheer en autorisatiestructuur;
• functionaris Gegevensbescherming;
• bewustwordingstrainingen.
10.4.5 Kunstmatige intelligentie
Risico
De snelle ontwikkelingen op het gebied van AI brengen diverse risico’s met zich mee, zoals de verspreiding van onvolledige of onjuiste informatie, auteursrechten en eigenaarschap van zowel de input als de output, met mogelijk juridische gevolgen.
AI kan daarnaast door studenten worden ingezet om werk (bijna) volledig te laten genereren, wat de behoefte aan nieuwe toets- en detectiemethodes vergroot.
Kans/impact
Middel/hoog.
Beheersingsmaatregelen
• Bewustwordingsbijeenkomsten met wetenschappelijk personeel;
• werkgroep ‘AI in onderzoek en onderwijs’;
• docenten en medewerkers handvatten aanreiken door het in kaart brengen en verbeteren van de bestaande richtlijnen over het gebruik van AI (tooling);
• kennisdeling met NLU-instellingen.
10.5 Operationele risico’s
10.5.1 Continuïteit onderwijsprocessen
Risico
Calamiteiten of systeemuitval kunnen onderwijs en toetsing verstoren.
Kans/impact Laag/laag.
Beheersingsmaatregelen
• Beschikbaarheid van een digitale leeromgeving, die in 2027 wordt vervangen;
• een crisismanagementplan.
10.5.2 Integriteit en sociale veiligheid
Risico
Integriteitsschendingen of sociale onveiligheid kunnen leiden tot schadelijke gevolgen voor studenten en/of medewerkers en bovendien reputatie- en aansprakelijkheidsrisico’s.
Kans/impact
Laag/hoog.
Beheersingsmaatregelen
• Een reglement Ombudsfunctionaris;
• een gedragscode Wetenschappelijke integriteit;
• een externe vertrouwenspersoon;
• een klachtenprocedure Ongewenst gedrag;
• periodieke aandacht voor sociale veiligheid;
• aanstelling van een academiepastor;
• intern project sociale veiligheid en inclusie.
10.5.3 Kennisveiligheid
Risico
Ongewenste overdracht van gevoelige kennis of technologie.
Kans/impact Laag/hoog.
Beheersingsmaatregelen
• Toepassing van de Leidraad Kennisveiligheid van de Rijksoverheid;
• kennisdeling met NLU-universiteiten;
• kritische evaluatie van internationale samenwerkingsverbanden.
10.5.4 Fysieke veiligheid
Risico
Persoonlijke en fysieke veiligheid van medewerkers en studenten kan in het gedrang komen tijdens reizen in het kader van internationale samenwerkingsverbanden.
Kans/impact
Middel/hoog.
Beheersingsmaatregelen
• Protocol Reizen naar en verblijf in risicogebieden.
10.5.5 Wet- en regelgeving
Risico
Onze universiteit heeft als rechtspersoon in het algemeen en als bekostigde universiteit in het bijzonder de verplichting te voldoen aan de op haar van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Deze is uitgebreid en complex. Als kleine instelling met een beperkte stafomvang vormt het compliant zijn en blijven een risico.
Kans/impact
Laag/middel.
Beheersingsmaatregelen
• Afspraken met de UNL om te worden meegenomen in de interuniversitaire informatievoorziening met betrekking tot de implementatie van nieuwe of gewijzigde wet- en regelgeving aan de universiteiten;
• de rechtstreekse toegang tot een voor de levensbeschouwelijke universiteiten aangewezen beleidsambtenaar van het ministerie van OCW;
• een contractafspraak met een advocatenkantoor dat uiteenlopende en relevante juridische expertise beschikbaar stelt;
• ten behoeve van de rechtmatige aanwending van publieke middelen hanteert de PThU het uitgangspunt dat alle private activiteiten (zoals de nascholing van predikanten) worden ondergebracht in het Kenniscentrum, met een eigen kostenplaats en exploitatie. Op die wijze maken we strikte
scheiding tussen private en publieke activiteiten. De private activiteiten worden minimaal kostendekkend en bij voorkeur winstgevend uitgevoerd. Een eventueel verlies wordt gedekt vanuit de private reserves.
10.6 Verklaring van het college van bestuur
Het college van bestuur verklaart dat:
• het systeem van interne risicobeheersing en controle in 2025 adequaat heeft gefunctioneerd;
• het systeem een redelijke mate van zekerheid biedt dat financiële verslaggeving geen materiële onjuistheden bevat;
• de in dit hoofdstuk beschreven risico’s de voornaamste risico’s betreffen die de realisatie van de doelstellingen van de PThU kunnen beïnvloeden.
Het college van bestuur zal het risicobeheersingssysteem in 2026 verder ontwikkelen, mede op basis van interne evaluaties en de bevindingen van de externe accountant.
11. Bestuursverklaring
Het college van bestuur bevestigt hierbij (conform de Regeling jaarverslaggeving onderwijs) dat alle bij het college van bestuur bekende informatie, van belang voor de controleverklaring bij de jaarrekening en de bekostigingsgegevens, ter beschikking heeft gestaan aan de certificerend accountant. Tevens verklaart het college van bestuur niet betrokken te zijn geweest bij onregelmatigheden, zoals bedoeld in de hiervoor genoemde regeling.
Utrecht, juni 2026
Deel 2 Jaarrekening
De balans is opgesteld na resultaatbestemming.
Balans PThU per 31-12-2025
Balans PThU per 31-12-2025
Staat van baten en lasten PThU per 31-12-2025
Het financiële jaarresultaat 2025 komt uit op € 271k positief, en is daardoor € 6k hoger dan begroot. Dit wordt met name veroorzaakt door de volgende factoren:
Analyse resultaat ten opzichte van de begro6ng
Hogere rijksbijdrage
Hogere baten collegegelden
Hogere baten derden
Hogere personeelslasten extern gefinancierde projecten
Hogere personeelslasten CAO indexaAe en meer in dienst
Eenmalige addiAonele personeelslasten -
Hogere personeelslasten inhuur
Vrijval personeelsvoorzieningen
Hogere kosten markeAng en werving
Hogere huisvesAngs- en -transiAelasten door later Jansdam -
Lagere afschrijvingen
Hogere lasten locaAehuur externe cursussen en onderhoudskosten
Hogere kosten klein onderhoud
Overige effecten
Kasstroomoverzicht per 31-12-2025
Kasstroomoverzicht per 31-12-2025 Kasstroomoverzicht
-
-
-
Veranderingen in vlo1ende middelen:
Kasstroom uit investeringsac-viteiten
De negatieve mutatie in de liquide middelen is voornamelijk veroorzaakt door de verbouwing van het pand in Utrecht, gedeeltelijk opgeheven door het opnemen van een gedeelte van de lening bij Stichting Kerkelijk Geldbeheer (SKG) en het Restauratiefonds.
Grondslagen
Algemene grondslagen voor de opstelling van de jaarrekening
De Protestantse Theologische Universiteit is een levensbeschouwelijke universiteit zoals bedoeld in artikel 1.3 lid 2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en is gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs voor een levensbeschouwelijk ambt of beroep. Zij verricht wetenschappelijk onderzoek op levensbeschouwelijk terrein, voorziet in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker en draagt kennis over ten behoeve van de maatschappij. In het bijzonder is aan de Protestantse Theologische Universiteit krachtens Ordinantie 13 van de Kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland door de generale synode van de Protestantse Kerk de opleiding en vorming van de predikanten van de Protestantse Kerk toevertrouwd. De PThU heeft als KvK nummer 08205747, als statutaire naam “Protestantse Theologische Universiteit (PThU)” en is statutair gevestigd te Kampen.
De jaarrekening van de PThU is opgesteld conform de richtlijnen van de Regeling Jaarverslaggeving onderwijs en overeenkomstig de verslaggevingsvoorschriften en bepalingen zoals weergegeven in Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Tevens is Richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving gevolgd. In deze richtlijn zijn voor de sector presentatie-, waarderings- en verslaggevingsvoorschriften opgenomen.
De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vinden plaats op basis van historische kosten. De activa en passiva worden gewaardeerd volgens het kostprijsmodel, tenzij bij de betreffende grondslag voor de specifieke balanspost anders wordt vermeld.
Baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop ze betrekking hebben. Winsten worden slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verplichtingen en mogelijke verliezen die hun oorsprong vinden voor het einde van het verslagjaar, worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden.
De bedragen in de tabellen worden gepresenteerd in duizenden euro's. Als gevolg van afrondingen zijn in sommige gevallen geringe verschillen ontstaan. Deze verschillen tasten het getrouwe beeld van de jaarrekening niet aan en zijn geen belemmering voor het verkrijgen van het vereiste inzicht.
Financiële instrumenten
Algemeen
Onder financiële instrumenten worden zowel primaire financiële instrumenten (zoals vorderingen en schulden) als financiële derivaten verstaan. In de toelichting op de op de balans wordt de reële waarde van het betreffende instrument toegelicht als die afwijkt van de boekwaarde. Indien het financiële
instrument niet in de balans is opgenomen wordt de informatie over de reële waarde gegeven in de toelichting onder de ‘Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen’.
De PThU heeft als beleid om geen financiële derivaten te gebruiken.
Voor de grondslagen van primaire financiële instrumenten wordt verwezen naar de behandeling per balanspost.
Kredietrisico
Het kredietrisico ten aanzien van de overige vorderingen van de PThU is beperkt aangezien de grootste vorderingen debiteuren met een hoge betrouwbaarheid betreffen.
Reële waarde
De reële waarde van de meeste in de balans verantwoorde financiële instrumenten, waaronder vorderingen, liquide middelen en kortlopende schulden, benadert de boekwaarde ervan. De reële waarde van de overige in de balans verantwoorde financiële instrumenten wijkt niet materieel af van de boekwaarde
Waarderingsgrondslagen
Kasstroomoverzicht
Het kasstroomoverzicht is opgesteld volgens de indirecte methode.
Materiële vaste activa
De materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs, verminderd met de cumulatieve afschrijvingen en, indien van toepassing, met bijzondere waardeverminderingen. De afschrijvingen worden gebaseerd op de geschatte economische levensduur en worden berekend op basis van een vast percentage van de verkrijgingsprijs, rekening houdend met een eventuele restwaarde. Er wordt afgeschreven vanaf het moment van ingebruikname. Afschrijving vindt lineair plaats op grond van vastgestelde afschrijvingstermijnen:
Gebouwen en verbouwingen 3,33%
Installaties, keuken en stoffering en maatwerkmeubilair
Inventaris
Computerapparatuur en software
Materiële vaste activa die niet meer in gebruik is, wordt gewaardeerd tegen de kostprijs of de lagere opbrengstwaarde. Een materieel vast actief wordt niet langer in de balans opgenomen na vervreemding of indien geen toekomstige prestatie-eenheden van het gebruik of vervreemding te verwachten zijn.
Vorderingen en overlopende activa
De vorderingen en overlopende activa worden bij eerste verwerking opgenomen tegen de reële waarde en vervolgens gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs. De reële waarde en geamortiseerde kostprijs zijn gelijk aan de nominale waarde. Noodzakelijk geachte voorzieningen voor het risico van oninbaarheid worden in mindering gebracht. Deze voorzieningen worden bepaald op basis van individuele beoordeling van de vorderingen.
Liquide middelen
De liquide middelen zijn gewaardeerd tegen nominale waarde.
Voorzieningen
Voorziening wachtgelden
De PThU is eigen risicodrager voor de WW en de bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen.
Met het oog daarop is een voorziening wachtgelden gevormd. De voorziening omvat de per balansdatum bestaande verplichting.
Voorziening jubileumuitkeringen
Op basis van richtlijn 271 wordt het risico inzake de jubileumuitbetaling voortvloeiend uit de arbeidsvoorwaardenregeling gedekt. De bedragen zijn tegen contante waarde opgenomen.
Voorziening verlofsparen
Conform eigen personeelsbeleid is ter zake van door personeelsleden gespaarde verlofuren het tegoed onder voorzieningen opgenomen.
Voorziening langdurig zieken
6,67%
Overige apparatuur 20,0%
Voor personeelsleden waarvan verwacht wordt dat zij langdurig ziek zijn, is een voorziening langdurig zieken opgenomen. De hoogte van de voorziening wordt gebaseerd op het ziektepercentage en de nog verwachte ziekteduur.
Voorziening groot onderhoud
In de jaarrekening van 2025 is een voorziening voor groot onderhoud gevormd voor het pand aan het Janskerkhof 12 / Jansdam 14. De gehanteerde waarderingsmethode is de componentenmethode.
Langlopende schulden
Dit betreffen schulden die zijn aangegaan voor een looptijd van langer dan één jaar. Langlopende schulden worden opgenomen tegen de nominale waarde van de schuld. De schulden worden bij eerste verwerking worden gewaardeerd tegen reële waarde en na eerste verwerking tegen geamortiseerde kostprijs
Kortlopende schulden
Dit betreffen schulden met een op balansdatum resterende looptijd van ten hoogste één jaar. Kortlopende schulden worden bij eerste verwerking opgenomen tegen de reële waarde en vervolgens gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs. De reële waarde en geamortiseerde kostprijs zijn gelijk aan de nominale waarde van de schuld.
Overlopende passiva
De overlopende passiva betreffen vooruit ontvangen bedragen die aan opvolgende perioden worden toegerekend en nog te betalen bedragen, voor zover ze niet onder andere kortlopende schulden zijn te plaatsen.
3. Bepaling van het resultaat
Algemeen
Voor de vaststelling van het resultaat wordt het baten- en lastenstelsel gehanteerd. Voorts worden in de bijlage baten en lasten toegerekend aan de soort exploitatie waarop ze betrekking hebben, te weten subsidiabele en niet subsidiabele exploitatie.
Waar nodig zijn de cijfers voorgaand jaar aangepast aan de classificatie in het lopende jaar.
Rijksbijdrage
De ontvangen (normatieve) rijksbijdrage en de niet-geoormerkte OCW-subsidies worden in het jaar waarop de toekenningen betrekking hebben volledig verwerkt als bate in de staat van baten en lasten. Geoormerkte subsidies worden in het jaar waarop toekenningen betrekking hebben verwerkt als bate in de staat van baten en lasten. De besteding wordt verwerkt op de betreffende posten aan de lastenkant. Indien sprake is van een te verrekenen voorschot wordt dit opgenomen onder kortlopende schulden.
College- en examengeld
De baten van de collegegelden worden als volgt verantwoord: 1/3 komt ten gunste van het lopend jaar; 2/3 komt ten gunste van het volgende boekjaar en is als vooruitbetaalde collegegelden op de balans onder de kortlopende schulden opgenomen.
Bijdragen derden
Hieronder zijn de baten verantwoord die buiten de primaire bekostiging vallen.
Resultaten worden ten gunste of ten laste van de exploitatierekening gebracht naar rato van de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten. Het deel van de subsidies waar nog geen activiteiten voor zijn verricht per balansdatum worden verantwoord onder de overlopende passiva.
Giften
Giften worden gewaardeerd tegen de reële waarde in de staat van baten en lasten.
Toelichting op de balans
1.1.1
Alle materiële vaste activa zijn investeringen met publieke middelen.
De verzekerde waarde van de gebouwen te Utrecht bedraagt € 18,4 miljoen.
In juli 2023 is het pand Janskerkhof 12 / Jansdam 14 aangekocht. Dit pand is gedurende 2024 verbouwd, en is half februari 2025 in gebruik genomen. Conform 273.302 RJ is de hiervoor betaalde rente tijdens de verbouwing geactiveerd.
Debiteuren: de openstaande vorderingen waaronder in rekening gebrachte bedragen inzake 2de, 3 de en 4 de geldstroom projecten.
Overlopende activa: In de overlopende activa zijn vooruitbetaalde bedragen opgenomen, alle vorderingen hebben een verwachte looptijd van minder dan 1 jaar.
1.3.1 Tegoeden op bank- en girorekeningen: Banktegoeden aangehouden bij de schatkist, ING bank en voor € 36k bij de Postbank Hamburg. De liquide middelen staan ter vrije beschikking. Bij de Schatkist heeft de PThU nog een roodstandfaciliteit waardoor de PThU tot een bedrag van € 1,15 miljoen rood kan staan. Het bedrag dat is gestald bij de Schatkistbankieren bedraagt per balansdatum € 1,0 miljoen positief.
Het eigen vermogen is gesplitst in de algemene reserve de bestemmingsreserve publiek (gevormd met rijksmiddelen) en de bestemmingsreserves privaat (gevormd met niet-subsidiabele middelen).
Bestemmingsreserve publiek: Het fonds Graduate school is vastgelegd vermogen ten behoeve van excellente studenten (o.a. studiebeurzen).
Bestemmingsreserve privaat:
- De Reserve niet-subsidiabele activiteiten is de algemene reserve ontstaan uit saldering van niet-subsidiabele resultaten.
- De Reserve buitenlandse studenten is een speciaal voor dit doel bedoeld studiefonds die in het verleden o.a. werd opgebouwd uit particuliere en kerkelijke vrijwillige contributies.
- Het bestemmingsfonds ‘Schutte d’Orville Bernard Vrouwe Backer’ is bij resultaatbestemming 2023 gevormd met middelen ontvangen van de opgeheven Stichting ‘Schutte d’Orville Bernard Vrouwe Backer’. De stichting had ondersteuning van studenten van de Protestantse Theologische Universiteit tot doel. De PThU zal de middelen ook voor dit onderwerp aanwenden.
2.2 Voorzieningen
Het verloop van de voorzieningen is als volgt:
2.2.1 Voorziening jubileumuitkeringen: op basis van RJ 271 is een voorziening voor jubileumuitkeringen opgenomen. Deze voorziening geeft inzicht in de financiële verplichting per ultimo boekjaar inzake de uitbetaling van jubileumuitkeringen hetgeen voortvloeit bij toepassing van de arbeidsvoorwaardenregeling.
2.2.2 Voorziening verlofsparen: Dit betreft gespaarde verlofuren vermenigvuldigd met het ultimo vorig boekjaar geldende bruto uurtarief (inclusief sociale lasten).
2.2.3 Voorziening wachtgelden: De verplichting heeft betrekking op ex-werknemers niet vallende onder de reorganisatievoorziening. In rekening gebrachte uitkeringen gedurende het jaar worden als onttrekking van deze voorziening gebracht.
2.2.4 Voorziening langdurig ziek: voor langdurig zieken waarvan de verwachting is dat zij niet (geheel) herstellen binnen twee jaar, is per jaareinde een voorzien bedrag opgenomen.
2.2.5 Voorziening groot onderhoud: deze verplichting heeft betrekking op het groot onderhoud van het pand aan de Jansdam te Utrecht.
2.3
2.3.1 Langlopende schulden
Overige langlopende schulden
2.3.2
De langlopende schulden betreffen een aantal hypothecaire leningen aangegaan bij Stichting Kerkelijk Geldbeheer (SKG) en bij het restauratiefonds voor de financiering van de aanschaf van het pand aan het Janskerkhof 12 / Jansdam 14, en de beoogde verbouwingen in dat pand en de Janskerk. Hiervoor is recht van hypotheek gegeven op het pand aan het Janskerkhof 12/ Jansdam 14. Aan de SKG is ook een pandrecht op vorderingen afgegeven als zekerheid. Bij de SKG is nog een resterend rekening-courant krediet á €2,2m.
2.4 Kortlopende schulden
31-12-2025
31-12-2024
Crediteuren 470,7 601,0
Belas4ngen 0,4 0,1
Premies sociale verzekeringen 255,0 242,8
Pensioenen 165,3 127,3
Derden en gelieerde instellingen 397,9 579,3
Vakan4etoelage / eindejaarsuitkering 398,3 382,5
Vakan4edagen 394,7 465,9
Vooruitontvangen collegegelden 182,7 181,6
Overige overlopende passiva 621,3 548,3
Onder Derden en gelieerde instellingen zijn onder andere schulden opgenomen wegens nog te besteden geoormerkte gelden van het Erasmus-Socrates programma, het Templeton Charity Foundation project en het Moral Compass Project, het Slavernij Project en het Grond Project.
De Vakantietoelage / eindejaarsuitkering en Vakantiedagen zijn personele verplichtingen welke berekend zijn op basis van nog uit te betalen bedragen op rapportagedatum.
De overige overlopende passiva bestaat uit diverse vooruit ontvangen bedragen.
In de kortlopende schulden is geen sprake van OC&W-subsidies die in model G behoeven te worden opgenomen. Over de schulden is geen rente verschuldigd.
Van de kortlopende schulden is een bedrag van € 13k als langlopend te kwalificeren (2026 tot en met 2029). Het betreft vooruit gefactureerde omzet.
Niet uit de balans blijkende verplichtingen
De NWO heeft in 2022 een beurs toegekend voor het onderzoek ‘kerk en slavernij’ ad € 750k. Eerder in 2018 is een schenkingsovereenkomst afgesloten met een stichting t.b.v. uitvoering van een 8-jarig project met de titel "Moral Compass" ad. € 1,9 mln. welke is opgedeeld in jaarlijkse tranches en de voornamelijk personele kosten voor inzet in dit project jaarlijks ten laste van dit project worden gebracht.
Bij de verbouwingen in het panden in Utrecht is de verwachting dat voor ongeveer 9 miljoen euro wordt geïnvesteerd buiten de aanschaf van het pand, waarvan per ultimo boekjaar nog € 3,0 miljoen aan verplichtingen resteerde voor de Janskerk, waarvoor nog geen verplichtingen zijn aangegaan. In juni 2024 is er een huurovereenkomst aangegaan met de Protestantse Gemeente Utrecht, voor de huur van de Janskerk voor het bedrag van 253k op jaarbasis. Het contract heeft een looptijd van 30 jaar. De eerder genoemde 9 miljoen is inclusief investeringen in de Materiële Vaste Activa in de Janskerk. Relaterend aan de nieuwe huisvesting in Utrecht zijn ook contracten aangegaan met SURF (44k per jaar), Brunel (243k per jaar) en Stedin (2k per jaar).
Gebeurtenissen na balansdatum
De PThU heeft in maart 2025 van de NVAO toestemming gekregen te starten met de nieuwe bachelor Theologie.
Verbonden partijen
Er zijn geen verbonden partijen bekend waar de bestuurders van de PThU bestuurlijke invloed ofwel deelneming in hebben.
Kengetallen en ratio’s
Kengetallen en ra*o's (bedragen
Exploita0e
Staat van baten en lasten
Toelich(ng op de staat
De beschikking van DUO inzake de Rijksbijdrage 2025 is eind 2025 voor de PThU vastgesteld op € 12.258, hetgeen € 448k hoger is dan begroot.
Het dynamische deel van de Rijksbijdrage is gerelateerd aan de vastgestelde bekostigde aantallen uit 2022 (jaar n-2), zijnde het aantal gewogen bekostigde inschrijvingen (61), waarvan bekostigde bachelorinschrijvingen (7) en masterinschrijvingen (54) en daarnaast graden onderwijs (24) inclusief joint degrees, het gewogen aantal bekostigde graden onderzoek (53) en het driejarig gemiddeld aantal promoties (6).
Deze bijdrage betreft de doorberekening van de cursuskosten omtrent de Primaire Nascholing Predikanten (PNP) en Permanente Educatie (PE) op basis van het aantal cursussen en deelnemers aan het Protestants
Centrum Toerusting & Educatie (PCTE) van de Dienstenorganisatie PKN en overige deelnemers.
3.2 PKN en
Het aantal ingeschreven studenten per 1 oktober 2025 is 144 bestaande uit 114 masterstudenten en 30 bachelorstudenten. Het aantal studenten met een Bewijs Betaald Collegegeld (BBC) in deze cijfers is 0. Het aantal pre-masterstudenten bedraagt 90.
Studenten met een BBC hebben aan een andere universiteit collegegelden betaald, en zijn voor de PThU dus onbekostigde studenten.
De baten uit de 2de, 3 de en 4 de geldstroom zijn hoger dan begroot mede doordat een aantal projecten zijn gestart gedurende 2025.
De post Overige bijdragen bestaat o.a. uit; een bijdrage van Stichting de Zending inzake bijzonder hoogleraarschap prof. dr. Nagy en een aantal overige bijdragen van o.a. de Gereformeerde Bond, de Nieuwe Bijbelschool, Stichting Rotterdam, Dienstenorganisatie PKN, en het Luthers Diakonessenfonds.
De kosten van werk in opdracht van derden staan verantwoord onder 4.1 personeelslasten en 4.4 Overige kosten Onderzoek.
Enige overige baten die zijn ontvangen, bestaan voornamelijk uit bijdragen van diverse (samenwerkings-) partners alsmede niet-subsidiabele ontvangsten van buitenlandse instellingen voor studiebeurzen buitenlandse studenten. Steun in financiële vorm voor internationale studenten, ontvangen van particulieren, is verantwoord onder ‘Contributies’. Tevens zijn hieronder verantwoord de financiële ondersteuning door organisaties t.b.v. internationale studenten.
3.4 Bijdragen derden
3.5 Overige baten
4.1 Personeelslasten
Lonen en salarissen: Hierin is het personeel opgenomen dat op basis van een arbeidscontract in het salarissysteem van de PThU wordt verloond, inclusief de tijdelijke arbeidsovereenkomsten van medewerkers welke aan projecten zijn gekoppeld.
Dotaties personele voorzieningen: Ultimo boekjaar zijn bedragen gedoteerd aan de voorziening verlofsparen, langdurig zieken, voorziening wachtgelden en voorziening jubileumuitkering.
Personeel niet in loondienst: betreft de tijdelijke vervanging van ondersteunend personeel (OBP) i.v.m. (langdurige) ziekte, vertrekkend personeel en projecten. De inzet heeft op meerdere afdelingen plaatsgehad.
De post Overig bestaat uit o.a. de kosten voor studie en opleiding en meerdere onderdelen zoals werving en selectie, reiskosten woon/werk en arbodiensten.
Voor het pand in Utrecht is gestart met afschrijven op moment van ingebruikname (maart 2025).
In de subsidiabele huisvestingslasten zijn de contractuele huurkosten voor de Janskerk en het tijdelijke kantoor in Rijnsweerd (tot en met februari 2026) opgenomen, naast de huisvestingslasten voor het in februari betrokken pand aan de Jansdam/Janskerkhof. Daarnaast is in de huisvestingslasten externe locatiehuur opgenomen voor extern gegeven themavelden en nascholing (310k).
4.4 Overige lasten
De overige lasten bestaan uit materiële organisatielasten, onderwijslasten, onderzoekslasten en lasten voor internationalisering, de Graduate School, en NPO bestedingen.
De financiële lasten bestaan uit betaalde rente en bankkosten. Ontvangen rente en betaalde rente zijn geactiveerd conform RJ 273.302.

Per 1 januari 2013 is de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) ingegaan. Deze verantwoording is opgesteld op basis van de volgende op PThU van toepassing zijnde regelgeving: Het WNT-maximum voor het onderwijs, klasse D en complexiteitspunten per criterium: dit houdt in dat minimum aantal complexiteitspunten 9 bedraagt. Het bezoldigingsmaximum voor de PThU is voor een fulltime bestuurder € 191.000. Dit geldt naar rato van de duur en/of omvang van het dienstverband.
* Er is sprake van een overschrijding van € 7.716 welke het gevolg is van in 2025 verloonde verlofuren.
5 Financiële baten en lasten subsidiabel niet-subsid. Realisa3e 2025 Begro3ng
Omdat de opbouw van deze verlofuren volledig heeft plaatsgevonden voor de aanstelling van K. Sponk als topfunctionaris is deze bezoldigingscomponent in overeenstemming met artikel 3.2 van de Uitvoeringsregeling WNT toegerekend aan het kalenderjaar waarin het recht is ontstaan. Daarmee is voor dit deel geen sprake van een overschrijding van het toepasselijke bezoldigingsmaximum.
Toezichthoudende topfunc/onarissen Bedragen
De vergoedingen aan de raad van toezicht betreffen vacatiegelden excl. BTW op basis van ingediende facturen en blijven onder de WNT-norm van toezichthouders van resp. 15% en 10% t.a.v. voorzitterschap en lid.
Vermelding accountantshonorarium
De accountantshonoraria, inclusief BTW, zijn als volgt:
Van Ree Accountants uit Barneveld is de huisaccountant van de PThU. De in de jaarrekening 2025 verantwoorde accountantskosten hebben betrekking op de jaarrekening- en bekostigingscontrole 2025.
Overzicht van de subsidiabele en niet-subsidiabele Exploita7erekeningen.
De niet-subsidiabele resultaten zijn als volgt te specificeren.
Bijdragen derden
Bijdrage PKN en deelnemersbijdragen
Overige baten
Financiële lasten/baten
Totaal baten
Personeelslasten
Studietoelage buitenlandse student
Overige lasten
Totaal lasten
Resultaat
Overige gegevens
De jaarrekening 2025 is door de raad van toezicht goedgekeurd op 15 juni 2026.
Het college van bestuur stelt de resultaatbestemming over het boekjaar 2025 als volgt vast:
Vaststelling van de resultaatbestemming over het boekjaar 2025
Het College van Bestuur stelt de resultaatbestemming over het boekjaar 2025 als volgt vast:
Dit voorstel is in de jaarrekening verwerkt.
Model G. Verantwoording subsidies
G1. Subsidies waarbij het eventueeel niet aangewende deel van de subsidie, mits de ac?viteiten volledig zijn uitgevoerd, kan worden besteed aan andere ac?viteiten waarvoor bekos?ging wordt verstrekt.
Model G. Verantwoording Subsidies
G2A. Subsidies die uitsluitend mogen worden aangewend voor het doel waarvoor de subsidie is verstrekt, aflopend Omschrijving
Geen posten
Controleverklaring
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant

Aan: de raad van toezicht van Protestantse Theologische Universiteit
Verklaring over de in het jaarverslag opgenomen jaarrekening 2025
Ons oordeel
Wij hebben de jaarrekening 2025 van Protestantse Theologische Universiteit te Utrecht gecontroleerd.
Naar ons oordeel:
▪ geeft de in dit jaarverslag opgenomen jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en de samenstelling van het vermogen van Protestantse Theologische Universiteit op 31 december 2025 en van het resultaat over 2025 in overeenstemming met de Regeling jaarverslaggeving onderwijs;
▪ zijn de in deze jaarrekening verantwoorde baten en lasten, alsmede de balansmutaties over 2025, in alle van materieel belang zijnde aspecten rechtmatig tot stand gekomen in overeenstemming met de in de relevante wet - en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals opgenomen in paragraaf 2.3.1. ‘Referentiekader’ van het Onderwijsaccountantsprotocol OCW 2025
De jaarrekening bestaat uit:
1. de balans per 31 december 2025;
2. de staat van baten en lasten over 2025; en
3. de toelichting met een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen.
De basis voor ons oordeel
Wij hebben onze controle uitgevoerd volgens het Nederlands recht, waaronder ook de Nederlandse controlestandaarden en het Onderwijsaccountantsprotocol OCW 2025 vallen. Onze verantwoordelijkheden op grond hiervan zijn beschreven in de sectie ‘Onze verantwoordelijkheden voor de controle van de jaarrekening’.
Wij zijn onafhankelijk van Protestantse Theologische Universiteit zoals vereist in de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten (ViO) en andere voor de opdracht relevante onafhankelijkheidsregels in Nederland. Verder hebben wij voldaan aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).
Wij vinden dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel.
Naleving anticumulatiebepaling WNT niet gecontroleerd
In overeenstemming met het Controleprotocol WNT 2025 hebben wij de anticumulatiebepaling, bedoeld in artikel 1.6a WNT en artikel 5, lid 1 sub n en o Uitvoeringsregeling WNT, niet gecontroleerd . Dit betekent dat wij niet hebben gecontroleerd of er wel of niet sprake is van een normoverschrijding door een

leidinggevende topfunctionaris vanwege eventuele dienstbetrekkingen als leidinggevende topfunctionaris bij andere WNT-plichtige instellingen , alsmede of de in dit kader vereiste toelichting juist en volledig is.
Verklaring over de in het jaarverslag opgenomen andere informatie Het jaarverslag omvat andere informatie, naast de jaarrekening en onze controleverklaring daarbij.
Op grond van onderstaande werkzaamheden zijn wij van mening dat de andere informatie:
▪ met de jaarrekening verenigbaar is en geen materiële afwijkingen bevat;
▪ alle informatie bevat die op grond van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs en op grond van de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals opgenomen in paragraaf 2.2.2 'Bestuursverslag' van het Onderwijsaccountantsprotocol OCW 2025 is vereist.
Wij hebben de andere informatie gelezen en hebben op basis van onze kennis en ons begrip, verkregen vanuit de jaarrekeningcontrole of anderszins, overwogen of de andere informatie materiële afwijkingen bevat.
Met onze werkzaamheden hebben wij voldaan aan de vereisten in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, paragraaf 2.2.2 ‘Bestuursverslag’ van het Onderwijsaccountantsprotocol OCW 2025 en de Nederlandse Standaard 720. Deze werkzaamheden hebben niet dezelfde diepgang als onze controlewerkzaamheden bij de jaarrekening.
Het bestuur is verantwoordelijk voor het opstellen van de andere informatie, waaronder het bestuursverslag en de overige gegevens in overeenstemming met de Regeling jaarverslaggeving onderwijs en met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals opgenomen in paragraaf 2.2.2 ‘Bestuursverslag’ van het Onderwijsaccountantsprotocol OCW 2025
Beschrijving van verantwoordelijkheden met betrekking tot de jaarrekening Verantwoordelijkheden van het bestuur en de raad van toezicht voor de jaarrekening
Het bestuur is verantwoordelijk voor het opmaken en getrouw weergeven van de jaarrekening, in overeenstemming met de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. Het bestuur is ook verantwoordelijk voor het rechtmatig tot stand komen van de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten alsmede de balansmutaties, in overeenstemming met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals opgenomen in paragraaf 2.3.1 ‘Referentiekader’ van het Onderwijsaccountantprotocol OCW 2025. In dit kader is het bestuur tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing die het bestuur noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van die relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten

Bij het opmaken van de jaarrekening moet het bestuur afwegen of de onderwijsinstelling in staat is haar activiteiten in continuïteit voort te zetten. Op grond van genoemd verslaggevingsstelsel moet het bestuur de jaarrekening opmaken op basis van de continuïteitsveronderstelling, tenzij het bestuur het voornemen heeft om de onderwijsinstelling te liquideren of de activiteiten te beëindigen of als beëindiging het enige realistische alternatief is. Het bestuur moet gebeurtenissen en omstandigheden waardoor gerede twijfel zou kunnen bestaan of de instelling haar activiteiten in continuïteit kan voortzetten toelichten in de jaarrekening.
De raad van toezicht is verantwoordelijk voor het uitoefenen van toezicht op het proces van financiële verslaggeving van de onderwijsinstelling.
Onze verantwoordelijkheden voor de controle van de jaarrekening Onze verantwoordelijkheid is het zodanig plannen en uitvoeren van een controleopdracht dat wij daarmee voldoende en geschikte controle-informatie verkrijgen voor het door ons af te geven oordeel.
Onze controle is uitgevoerd met een hoge mate maar geen absolute mate van zekerheid waardoor het mogelijk is dat wij tijdens onze controle niet alle afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten ontdekken.
Afwijkingen kunnen ontstaan als gevolg van fraude of fouten en zijn materieel indien redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze, afzonderlijk of gezamenlijk, van invloed kunnen zijn op de economische beslissingen die gebruikers op basis van deze jaarrekening nemen. De materialiteit beïnvloedt de aard, timing en om vang van onze controlewerkzaamheden en de evaluatie van het effect van onderkende afwijkingen op ons oordeel.
Wij hebben deze accountantscontrole professioneel kritisch uitgevoerd en hebben waar relevant professionele oordeelsvorming toegepast in overeenstemming met de Nederlandse controlestandaarden, het Onderwijsaccountantsprotocol OCW 2025, ethische voorschriften en de onafhankelijkheidseisen. Onze controle bestond onder andere uit:
▪ het identificeren en inschatten van de risico’s
▪ dat de jaarrekening afwijkingen van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten,
▪ van het niet rechtmatig tot stand komen van baten en lasten alsmede de balansmutaties, die van materieel belang zijn,
▪ het in reactie op deze risico’s bepalen en uitvoeren van controlewerkzaamheden en het verkrijgen van controle-informatie die voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel. Bij fraude is het risico dat een afwijking van materieel belang niet ontdekt wordt groter dan bij fouten. Bij fraude kan sprake zijn van samenspanning, valsheid in geschrifte, het opzettelijk nalaten transacties vast te leggen, het opzettelijk verkeerd voorstellen van zaken of het doorbreken van de interne beheersing;

▪ het verkrijgen van inzicht in de interne beheersing die relevant is voor de controle met als doel controlewerkzaamheden te selecteren die passend zijn in de omstandigheden. Deze werkzaamheden hebben niet als doel om een oordeel uit te spreken over de effectiviteit van de interne beheersing van de onderwijsinstelling;
▪ het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving, de gebruikte financiële rechtmatigheidscriteria en het evalueren van de redelijkheid van schattingen door het bestuur en de toelichtingen die daarover in de jaarrekening staan;
▪ het vaststellen dat de door het bestuur gehanteerde continuïteitsveronderstelling aanvaardbaar is. Tevens het op basis van de verkregen controle -informatie vaststellen of er gebeurtenissen en omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel zou kunnen bestaan of de onderwijsinstelling haar activiteit en in continuïteit kan voortzetten. Als wij concluderen dat er een onzekerheid van materieel belang bestaat, zijn wij verplicht om aandacht in onze controleverklaring te vestigen op de relevante gerelateerde toelichtingen in de jaarrekening. Als de toelich tingen inadequaat zijn, moeten wij onze verklaring aanpassen. Onze conclusies zijn gebaseerd op de controle-informatie die verkregen is tot de datum van onze controleverklaring. Toekomstige gebeurtenissen of omstandigheden kunnen er echter toe leiden dat een instelling haar continuïteit niet langer kan handhaven;
▪ het evalueren van de presentatie, structuur en inhoud van de jaarrekening en de daarin opgenomen toelichtingen; en
▪ het evalueren of de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de onderliggende transacties en gebeurtenissen en of de in deze jaarrekening verantwoorde baten en lasten alsmede de balansmutaties in alle van materieel belang zijnde aspecten rechtmatig tot stand zijn gekomen.
Wij communiceren met de raad van toezicht onder andere over de geplande reikwijdte en timing van de controle en over de significante bevindingen die uit onze controle naar voren zijn gekomen, waaronder eventuele significante tekortkomingen in de interne beheersing.
Barneveld, 14 juli 2026
Van Ree Accountants
Digitaal ondertekend met Hix door
M.A. Rozendaal RA op 14-07-2026 23:14 vanaf IP x.x.x.224
M.A. Rozendaal RA