Vlaamse Miniaturen 1404-1482
001_125_flamands_.indd 1
21/08/11 20:55
Vlaamse Miniaturen © Bibliothèque nationale de France / Koninklijke Bibliotheek van België en Uitgeverij Davidsfonds NV
Davidsfonds Uitgeverij nv Blijde Inkomststraat 79-81, 3000 Leuven www.davidsfondsuitgeverij.be www.twitter.com/davidsfonds www.facebook.com/davidsfondsuitgeverij
D/2011/0204/82 ISBN 978-90-5826-842-6 NUR 680-684
Exploitatierecht Nederland WBOOKS info@wbooks.com www.wbooks.com
1404-1482
Onder leiding van Bernard Bousmanne et Thierry Delcourt Catalogus onder redactie van Ilona Hans-Collas, Pascal Schandel, Céline Van Hoorebeeck en Michiel Verweij Nederlandse versie onder coördinatie van Ann Kelders en Michiel Verweij met medewerking van Charlotte Belayew
ISBN 978-90-4000-294-6 NUR 680-684 Eindredactie: Dimitri De Maesschalck Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
001_125_flamands_.indd 2-3
Bibliothèque nationale de France / Koninklijke Bibliotheek van België
21/08/11 20:55
Deze publicatie werd uitgegeven naar aanleiding van de tentoonstelling ‘Vlaamse miniaturen 1404-1482’, die plaatsvindt in de Koninklijke Bibliotheek van België Houyouxgalerij en Nassaukapel, Kunstberg, 1000 Brussel van 30 september tot 30 december 2011 en in de Bibliothèque nationale de France Galerie François Ier, site François-Mitterrand, quai François-Mauriac, 75013 Parijs van 6 maart tot 10 juni 2012 In herinnering aan Melvin R. Seiden.
Tentoonstelling in Parijs Curatoren
Ilona Hans-Collas, Pascal Schandel, wetenschappelijk medewerkers BNF Algemene coördinatie
Tentoonstellingsdienst van de Bibliothèque nationale de France, onder leiding van Ariane James-Sarazin Tentoonstellingsverantwoordelijke
Anne-Hélène Rigogne Regie werken
Vincent Desjardins
Curatoren en algemene coördinatie
Bernard Bousmanne, Directeur Handschriftenkabinet Sara Lammens, Directrice tentoonstellingen en communicatie Museografie
Christophe Gaeta
Regie tentoonstellingen, onder leiding van Serge Derouault Atelier voor het voorbereiden van de documenten
Christine Julien, Éric Rousseau, onder leiding van Éric Vannereau Museografie
Véronique Dollfus Grafisme
Jeanne Bovier-Lapierre
Grafisme
Luc Vandensteene, Ex Nihilo
Bruiklenen
Bruiklenen
Dijon, Musée des Beaux-Arts Rijsel, Archives départementales du Nord
Frankrijk
Frankrijk
Dijon, Musée des Beaux-Arts Rijsel, Archives départementales du Nord België
Brugge, Groeningemuseum (Musea Brugge) Brugge, Gruuthusemuseum (Musea Brugge) Brugge, Stadsarchief Brugge, Openbare bibliotheek Brussel, Algemeen Rijksarchief Brussel, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis
Auteurs
Directie van de uitgave
BNF: Pierrette Crouzet KBR: Bernard Bousmanne Opvolging van de uitgave
Licht en technische regie
Tentoonstelling in Brussel
Uitgave
BNF (Dienst publicaties): Jacqueline Michelet en Isabelle Degrange met de medewerking van Véronique Charlet en Anne-Marike Linnebank KBR: Charlotte Belayew, Ann Kelders, Sara Lammens en Michiel Verweij Iconografie
BNF: Laurianne Bossis, Céline Delétang, Caterina D’Agostino, Frédérique Savona KBR: Anne Richard Vormgeving
Ursula Held Productieleider
Ridha Tabai
Dit boek is gepubliceerd onder leiding van Bernard Bousmanne en Thierry Delcourt en onder redactie van Ilona Hans-Collas, Pascal Schandel, Céline Van Hoorebeeck en Michiel Verweij François Avril
François Avril is oud-student van de École des chartes en voormalig lid van de École française de Rome. Hij is een van de grote specialisten van de middeleeuwse miniatuurkunst. Als conservateur général op het Handschriftendepartement van de Bibliothèque nationale de France waar hij zijn hele carrière heeft gewerkt (van 1967 tot 2003) publiceerde hij talrijke artikelen en boeken en nam hij deel aan vele tentoonstellingen, o.m. Dix siècles d’enluminure italienne (1984), Quand la peinture était dans les livres. Les manuscrits à peintures en France, 1440-1520 (1993) (catalogus bekroond met de prix Minda de Gunzburg), Jean Fouquet, peintre et enlumineur du xve siècle (catalogus Bibliothèque nationale de France / Hazan, 2003) en recent Enluminures du Louvre. Moyen Âge et Renaissance (catalogus Hazan / musée du Louvre Éditions, 2011). Marc Boone
Marc Boone is specialist in de geschiedenis van de late middeleeuwen, geschiedenis van het Bourgondische tijdperk en stedelijke geschiedenis. Hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit Gent waar hij tevens onderwijsdirecteur voor de Faculteit Letteren is, en lid van de Koninklijke Vlaamse academie van België, klasse der menswetenschappen. Naast verscheidene bijdragen in Cultural exchange in early modern Europe, vol. II, Cities and cultural exchange in Europe, 1400-1700 (ed. Donatella Calabi en Stephen Turk Christensen, Cambridge, Cambridge University Press, 2007), heeft hij recent nog À la recherche d’une modernité civique. La société urbaine des anciens Pays-Bas au bas Moyen Âge (Bruxelles, Éd. de l’université de Bruxelles, 2010) gepubliceerd.
le mécénat des ducs de Bourgogne Philippe le Bon et Charles le Téméraire (Brepols, 1997). Met Céline Van Hoorebeeck en Tania Van Hemelryck leidt hij de reeks La Librairie des ducs de Bourgogne (Brepols). Zijn onderzoek en publicaties betreffen eveneens de Franse literatuur (Arthur Rimbaud, Paul Verlaine). Lorne Campbell
Dr Lorne Campbell was Reader aan het Courtauld Institute of Art in Londen. Sinds 2000 is hij George Beaumont Senior Research Curator op de National Gallery in dezelfde stad. Naast talrijke artikelen publiceerde hij verscheidene boeken, waaronder National Gallery Catalogues: The Fifteenth Century Netherlandish Schools (Londen, 1998) en (met Jan Van der Stock), Rogier van der Weyden 1400-1464, De passie van de meester (Zwolle-Leuven, 2009). Gregory T. Clark
Gregory T. Clark is hoogleraar kunstgeschiedenis aan de University of the South in Sewanee, Tennessee, Verenigde Staten. Hij heeft talrijke bijdragen over Noord-Franse en Zuid-Nederlandse miniatuurkunst uit de 15de eeuw gepubliceerd. Zijn twee recentste boeken zijn The Spitz Master: A Parisian Book of Hours (2003) en Das Da Costa-Stundenbuch: Commentary/Kommentar (2010). Maria Colombo Timelli
Maria Colombo Timelli is hoogleraar Geschiedenis van de Franse taal en Middeleeuws-Franse letterkunde aan de Universiteit van Milaan. Zij heeft zich in het kader van haar onderzoek naar de literatuur aan het hof van de Bourgondische hertogen beziggehouden met Jean Miélot. Zij gaf, samen met Anne Schoysman, een bundel artikelen uit (Le moyen français, 67, 2010) en publiceerde nog ‘Les proverbes en francois de Jean Miélot’ (Romania, 125, 2007) en ‘Jean Miélot, Les VII sacremens de l’Eglise’ (Studi francesi, 163, 2011). Lieve De Kesel
Bernard Bousmanne
Illustratie op de kaft ‘Eva in het Paradijs’, Les Sept Âges du monde Brussel, KBR, ms. 9047, f.1v, detail, zie cat. 113 Illustratie op de achterflap ‘Adam en Eva in het Paradijs’, Les Sept Âges du monde Brussel, KBR, ms. 9047, f.1v, detail, zie cat. 113
001_125_flamands_.indd 4-5
Bernard Bousmanne is doctor in de middeleeuwse geschiedenis. Hij leidt het Handschriftendepartement van de Koninklijke Bibliotheek van België en is voorzitter van het Centre international de codicologie. Als specialist van de miniatuurkunst in de Zuidelijke Nederlanden heeft hij tal van artikelen over dit onderwerp gepubliceerd en met name ook een monografie « Item à Guillaume Wyelant aussi enlumineur ». Willem Vrelant. Un aspect de l’enluminure dans les Pays-Bas méridionaux sous
Lieve De Kesel is zelfstandig onderzoeker, gespecialiseerd in de Vlaamse miniatuurkunst van de 15de en 16de eeuw. Een deel van haar onderzoek werd gepubliceerd in Transactions of the Cambridge Bibliographical Society en in Jahrbuch der Berliner Museen. Ze gaf lezingen in binnen- en buitenland en is co-auteur van de te verschijnen catalogus van de handschriften in het Calouste Gulbenkian Museum in Lissabon. Momenteel voltooit ze een doctoraatsverhandeling over het oeuvre van de ‘Meester van de Gebedenboeken van omstreeks 1500’.
Thierry Delcourt
Thierry Delcourt is oud-student van de École des chartes en doctor in de letteren. Sinds 2006 staat hij aan het hoofd van het Handschriftendepartement van de Bibliothèque nationale de France, nadat hij eerder de Médiathèque van Troyes leidde, alwaar hij verschillende tentoonstellingen rond de middeleeuwen georganiseerd heeft. Hij is lid van de Société internationale arthurienne. Hij publiceerde tal van werken en werkte o.m. mee aan verschillende delen van de editie van de Roman de Tristan en prose o.l.v. Philippe Ménard (Droz, vol. II, 1990 en vol. V, 1992; Champion, Version du manuscrit français 757, vol. II, 1999) en aan vol. VI van de editie van de Franse versie van het reisverslag van Marco Polo (Droz, 2009). Hij publiceerde een volume in de reeks Que sais-je over de Arthurliteratuur (PUF, 2000) en werkte mee aan Mémoire des chevaliers : édition, diffusion et réception des romans de chevalerie du xviie au xxe siècle (École des chartes, 2007). Tot zijn recente publicaties horen verder Trésors enluminés de Troyes (cd-rom, Nouveau Monde éditions, 2005), Un livre d’heures à l’usage de Troyes, peint par Jean Colombe : une acquisition récente de la Médiathèque de Troyes (Cercle de la librairie, 2006), Les Croisades, la plus grande aventure du Moyen Âge (Nouveau Monde éditions, 2007) en Sébastien Mamerot, une chronique des croisades : les Passages d’Outremer (Taschen, 2009). Dominique Deneffe
Dominique Deneffe is licentiate in de Kunstwetenschappen aan de K.U.Leuven (1984) met een thesis over margeversieringen in Brugse en Bergense handschriften tussen 1445 en 1475. Ze was nauw betrokken bij het onderzoeksproject rond pre-Eyckiaanse miniatuurkunst en de tentoonstelling Vlaamse miniaturen vóór Van Eyck (ca. 1380 – ca. 1420) te Leuven in 1993. Van 2003-2009 wetenschappelijk medewerkster bij het project rond pre-Eyckiaanse paneelschilderkunst aan het KIK. Co-auteur van de publicatie Pre-Eyckian Panel Painting in the Low Countries (Contributions to Fifteenth-Century Painting in the Southern Netherlands and the Principality of Liège, vol. 9) uitg. C. Stroo, Brussel, 2009. In hetzelfde Instituut actief in het Studiecentrum Vlaamse Primitieven. Anne Dubois
Anne Dubois is doctor in de kunstgeschiedenis (Université Catholique de Louvain). Van 1989 tot 1999 was zij assistente aan het Laboratorium voor de studie van kunstwerken door wetenschappelijke methoden van de UCL en van 1997 tot 2009 medewerkster aan
21/08/11 20:55
de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (Brussel - wetenschappelijke catalogus van de 15de-eeuwse schilderijen). Sinds 2008 is zij universitair docente aan de UCL en sinds 2010 neemt zij deel aan het onderzoeksproject ‘De schilderstechniek in paneelschilderijen en miniaturen in de tweede helft van de 15de en de eerste helft van de 16de eeuw. Wederzijdse invloeden en resultaten van natuurwetenschappelijke methoden’ van het FRS-FNRS. Marc Gil
Marc Gil is specialist van de beeldende kunst en de kunst van het boek, alsmede van het functioneren van de kunstambachten ten noorden van de Alpen (12de-16de eeuw). Hij is maître de conférences in de kunstgeschiedenis aan de Université Lille 3. Tot zijn recente publicaties horen Saint-Omer Gothique (samen met Ludovic Nys, Presses universitaires de Valenciennes, 2004), Catalogue des livres de dévotion manuscrits et imprimés (xiie-xvie siècle) de la Bibliothèque municipale de Lille (2006) en Pourquoi les sceaux ? La sigillographie nouvel enjeu de l’histoire de l’art (congresakten uitgegeven samen met J.-L. Chassel, te verschijnen in 2011). Hij heeft bovendien bijdragen geleverd aan Saint-Riquier, une grande abbaye bénédictine, o.l.v. A. Magnien (Picard, 2009) en Jean Pucelle, a Medieval Artist: Innovation and Collaboration in Manuscript Painting, o.l.v. K. Pyun en A. Russakoff (te verschijnen in 2011). Ilona Hans-Collas
Ilona Hans-Collas is doctor in de kunstgeschiedenis (Université Marc Bloch, Straatsburg). Zij is wetenschappelijk medewerker aan de Bibliothèque nationale de France en aan het Koninklijke Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel. Zij is specialiste van de muurschilderkunst van het eind van de middeleeuwen en maakt deel uit van de Groupe de recherches sur la peinture murale (GRPM). Zij is, samen met Pascal Schandel, de auteur van de beredeneerde catalogus van de verluchte handschriften uit de Zuidelijke Nederlanden van de Bibliothèque nationale de France (4 volumes, uitgegeven door de BNF met ondersteuning van de J. Paul Getty Foundation). Thomas Kren
Thomas Kren is Senior Curator voor de handschriften in het J. Paul Getty Museum (Los Angeles). Als conservator was hij betrokken bij de totstandkoming van de handschriftenverzameling van het Getty Museum door de aankoop in 1983 van meer dan honderd verluchte manuscripten uit de middeleeuwen en Renaissance uit de collectie van Peter en Irene Ludwig. Samen met Scot McKendrick organiseerde hij de tentoonstelling
001_125_flamands_.indd 6-7
Illuminating the Renaissance: the Triumph of Flemish Manuscript Painting in Europe in het Getty Museum en in de Royal Academy in Londen in 2003-2004. Kren en McKendrick ontvingen de Eric Mitchell Prize voor de beste Engelstalige tentoonstellingscatalogus voor het jaar 20032004 evenals de International Eugène Baie Award, die de provincie Antwerpen hun voor dezelfde publicatie toekende. Marie-Pierre Laffitte
Marie-Pierre Laffitte, algemeen conservator, afdelingshoofd middeleeuwen van het handschriftendepartement van de Bibliothèque nationale de France, specialist in oude boekbanden en bibliotheekgeschiedenis. Zij was curator van de tentoonstellingen ‘Des livres et des rois. La Bibliothèque royale de Blois’ (samen met Ursula Baurmeister, BN, 1992), ‘Reliures royales de la Renaissance. La Librairie de Fontainebleau, 1544-1570’ (samen met Fabienne Le Bars, BNF, 1999), ‘Le Trésor de la Sainte-Chapelle’ (samen met Jannic Durand, musée du Louvre, 2001), ‘Trésors carolingiens’ (samen met Charlotte Denoël, BNF, 2007), en was tevens mede verantwoordelijk voor de catalogi van deze exposities. Daarnaast publiceerde zij Reliures royales du département des Manuscrits (1515-1559) (BNF, ‘Conférences Léopold Delisle’, 2001), alsmede artikelen in talrijke tijdschriften en bijdragen op verschillende colloquia, o.m. ‘Les manuscrits chez les amateurs, fin xvie – fin xviie s.’, in Mazarin, les lettres et les arts (acta van het colloquium uit 2002, Bibliothèque Mazarine, 2006) en ‘La redécouverte des manuscrits carolingiens par les érudits et les collectionneurs français (xvie-xviiie s.)’, in Les Manuscrits carolingiens (acta van het colloquium BNF 2007, Turnhout, Brepols, 2009). Onlangs redigeerde zij een ‘Introduction codicologique’ voor de fac-similé van de Grandes Heures d’Anne de Bretagne (Barcelona, Moleiro, 2008-2010).
tentoonstellingen en is als curator opgetreden van Richesses de l’Arsenal (BNF, 1997) en Madame du Châtelet. La femme des Lumières (BNF, 2006). Als specialiste van de bibliotheekgeschiedenis in de 18de eeuw heeft zij verschillende artikelen aan dit onderwerp gewijd. Michel Pastoureau
Michel Pastoureau, directeur d’études aan de École pratique des hautes études, is specialist in de geschiedenis van kleuren, beelden, emblemen en symbolen. Van zijn meest recente boeken over heraldiek en emblematiek dienen te worden vermeld Armorial des chevaliers de la Table ronde. Étude sur l’héraldique imaginaire à la fin du Moyen Âge (Le Léopard d’or, 2006); Noir. Histoire d’une couleur (Seuil, 2009); L’Art héraldique au Moyen Âge (Seuil, 2010) Bestiaires du Moyen Âge (Seuil, 2011). Pascal Schandel
Pascal Schandel is doctor in de kunstgeschiedenis (Université Marc Bloch, Straatsburg) en specialist van de miniatuurkunst in de Zuidelijke Nederlanden. Als wetenschappelijk medewerker aan de Bibliothèque nationale de France bereidt hij samen met Ilona Hans-Collas de beredeneerde catalogus voor van de Manuscrits enluminés des anciens Pays-Bas méridionaux van deze instelling. Het eerste deel was gewijd aan de handschriften van Lodewijk van Gruuthuse en verscheen in 2009. Bertrand Schnerb
Bertrand Schnerb is hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Université Charlesde-Gaulle – Lille 3. Hij publiceerde L’État bourguignon, 1363-1477 (Perrin, 1999; prix de la culture bourguignonne en prix Thiers van de Académie française), « L’honneur de la maréchaussée ». Maréchaux et maréchalat en Bourgogne des origines à la fin du Moyen Âge (Turnhout, Brepols, 2000) en Jean sans Peur. Le prince meurtrier (Payot & Rivages, 2005).
James H. Marrow
James H. Marrow is emeritus hoogleraar kunstgeschiedenis aan Princeton University en Honorary Keeper of Illuminated Manuscripts aan het Fitzwilliam Museum (Cambridge, Engeland). Hij is specialist in laatmiddeleeuwse kunst, vooral uit Noord-Europa, met bijzondere belangstelling voor verluchte handschriften en kwesties van betekenis in religieuze kunst. Danielle Muzerelle
Danielle Muzerelle is oud-student van de Ecole des chartes en is conservateur honoraire aan de Bibliothèque nationale de France, nadat zij belast was met de leiding van het handschriftenfonds van de Bibliothèque de l’Arsenal. Zij heeft meegewerkt aan tal van
Chastelain (Champion, 2006). Naast haar onderzoeksactiviteiten leidt zij de reeks Texte, codex et contexte (Brepols) en vormt zij deel van de redactie van het tijdschrift Les Lettres romanes en de reeks La Librairie des ducs de Bourgogne, terwijl ze ook het wetenschappelijk secretariaat van het tijdschrift Le Moyen français (Brepols) verzorgt.
Tania Van Hemelryck
Tania Van Hemelryck is hoogleraar middeleeuwse taal- en letterkunde en bevoegdverklaard navorser van het FRS-FNRS aan de Université catholique de Louvain en tegelijk directrice van de onderzoeksgroep Middelfrans (GRMF-INCAL). Als specialiste van de periode van het Middelfrans (14de-15de eeuw), van de Bourgondische literatuur en van de techniek van de teksteditie interesseert zij zich ook voor de materiële en contextuele analyse van het middeleeuwse literaire feit. Zij heeft verschillende kritische edities gepubliceerd, o.m. Le Miroir de mort de George Chastelain (Brepols, 1995), Les Proverbes illustrés (samen met E. Rassart, CERES, 2001), Le Livre de paix de George
Céline Van Hoorebeeck
Céline Van Hoorebeeck wijdde haar doctoraatsverhandeling geschiedenis aan de boeken en leespraktijken van de ‘beambten’ van de hertogen van Bourgondië (ca. 14201520), welke verhandeling zij voorbereidde op de Handschriftenafdeling van de Koninklijke Bibliotheek van België in het kader van het federaal Belgisch onderzoeksprogramma ‘Inter-Universitaire Attractiepool’. Haar onderzoek en publicaties hebben met name betrekking op de geschiedenis van het boek in de Nederlanden en in Frankrijk (14de-16de eeuw), en op de politieke en institutionele geschiedenis van de Bourgondisch-Habsburgse staat. Zij is mede-uitgeefster van de reeks ‘La librairie des Ducs de Bourgogne’ (Brepols) en heeft o.m. uitgegeven L’Écrit et le manuscrit à la fin du Moyen Âge (samen met T. Van Hemelryck, Turnhout, Brepols, 2006) alsmede de acta van het internationaal colloquium Entre la ville, la noblesse et l’État. Philippe de Clèves (1456-1528), homme politique et bibliophile (samen met J. Haemers en H. Wijsman, Turnhout, Brepols, 2007). Verder heeft zij nog meegewerkt aan verscheidene tentoonstellingscatalogi, tijdschriften en collectieve werken. Op dit moment is zij conservator op de afdeling Kostbare werken van de Bibliothèque universitaire Moretus Plantin (Facultés universitaires Notre-Dame de la Paix, Namen). Dominique Vanwijnsberghe
Dominique Vanwijnsberghe is doctor kunstgeschiedenis (KU Leuven) en ‘habilité à diriger des recherches’ (Lille 3). Hij is specialist in de schilderkunst en de miniatuurkunst in de Zuidelijke Nederlanden, maar interesseert zich ook voor de receptie van de middeleeuwse kunst in de moderne tijd. Hij is de auteur
van twee werken over de miniatuurkunst in Doornik aan het eind van de middeleeuwen: « De fin or et d’azur ». Les commanditaires de livres et le métier de l’enluminure à Tournai à la fin du Moyen Âge (Leuven, Peeters, 2001) en « Moult bons et notables ». L’enluminure tournaisienne à l’époque de Robert Campin (1380-1430) (Leuven, Peeters, 2007). Hij heeft de acta van het internationaal colloquium over de schilder Robert Campin uit 2006 gepubliceerd: Campin in Context. Peinture et société dans la vallée de l’Escaut à l’époque de Robert Campin, 1375-1445 (samen met Ludovic Nys, Valenciennes / Brussel / Doornik, Presses universitaires de Valenciennes / KIK IRPA / Association des guides de Tournai, 2007) alsmede, over de restaurateur en vervalser Jef Van der Veken, Autour de la Madeleine Renders. Un aspect de l’histoire des collections, de la restauration et de la contrefaçon en Belgique dans la première moitié du xxe siècle (Brussel, KIK, 2008). Hij is op dit moment werkleider aan het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel.
Bibliotheek van België te Brussel. In 2002, 2003-04 en 2010 was hij gastdocent aan de KULeuven. Hij is de auteur van talrijke publicaties, o.m. (2011) Adrianus VI (1459-1523). De tragische paus uit de Nederlanden. Lieve Watteeuw
Lieve Watteeuw studeerde Kunstwetenschappen aan de KULeuven (2002) en is sinds 1989 conservator-restorator van boeken, manuscripten en bibliotheekmateriaal. Haar academisch werk concentreert zich rond middeleeuwse verluchte handschriften, boekproductie, kunsttechnologisch onderzoek en conservatiestrategieën voor erfgoedbibliotheken. Lieve Watteeuw doceert aan de departementen Kunstwetenschappen en Geschiedenis van de KULeuven (Technologie en Laboratoriumonderzoek van de Beeldende Kunsten & Codicologie) en is senior researcher aan Illuminare – Studiecentrum voor Middeleeuwse Kunst, KULeuven. Hanno Wijsman
Erik Verroken
Erik Verroken is een zelfstandig wetenschappelijk onderzoeker. Zijn aandacht gaat vooral uit naar kunstenaars en hun opdrachtgevers in de Lage Landen tijdens de Bourgondische Periode (1384-1530), met name de schilders, verluchters en boekschrijvers in Gent en Oudenaarde. Hij is de auteur van een reeks artikelen in de Handelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Oudenaarde (HGOKO), zoals ‘Saladin de Stoevere (ca. 1397-1474) een Gents schilder in Oudenaarde’, HGOKO, Deel XLIII, 2006, p. 37-63, en ‘De verluchter Jakob de Tavernier (1428-1454) en zijn zoon de bekende miniaturist Jan de Tavernier. Een archiefonderzoek naar de kunstenaarsfamilie de Tavernier’, HGOKO, XLIII, 2006, p. 65-124. Michiel Verweij
Michiel Verweij, classicus, mediëvist, neolatinist en Latijns dichter, is sinds 2004 wetenschappelijk medewerker op het Handschriftenkabinet van de Koninklijke
Hanno Wijsman is verbonden als ‘ingénieur d’études’ aan het Institut de Recherche et d’Histoire des Textes (IRHT-CNRS) in Parijs. Zijn onderzoek betreft de culturele geschiedenis van Frankrijk en de Lage Landen, met speciale aandacht voor de geschiedenis van boek, bibliotheek en hofcultuur (14de-16de eeuw). In 2010 verscheen bij Brepols Publishers: Luxury Bound. Illustrated Manuscript Production and Noble and Princely Book Ownership in the Burgundian Netherlands (1400-1550).
Vertalingen
Pierre Cornil Ann Kelders Benedikt Perquy Patricia Stirnemann Carine Van Bellingen Christiane Van den Bergen-Pantens Michiel Verweij Bibliografie
Ann Kelders
21/08/11 20:55
Inhoudstafel
Woord vooraf Patrick Lefèvre en Bruno Racine
2 Voorwoord Bernard Bousmanne en Thierry Delcourt
5 Vlaams is niet altijd Vlaams Bedenkingen bij een naam Michiel Verweij
Catalogus 28 40 48 66 74 78 83 88
9 De ‘Vlaamse’ miniatuur Route naar een verfijnde kaart van een transregionale productie Dominique Vanwijnsberghe
38 De Bourgondische hertogen en hun ‘landen van herwaarts over’ in de 15de eeuw Bertrand Schnerb 47
De Bourgondische Nederlanden ‘Terres de promission’ en/of ‘creative environments’? Marc Boone
55 Geschenken, roofbuit, aankopen Een overzicht van de ‘Parijse’ handschriften uit het bezit van de Bourgondische hertogen en hun entourage Marie-Pierre Laffitte
66 Opdrachtscènes aan het hof van de Bourgondische hertogen Bronnen en intenties van een genre Pascal Schandel
8 Bibliofielen en opdrachtgevers Wie waren de klanten van de miniaturisten? Céline Van Hoorebeeck
89 Wapens, spreuken, emblemen Heraldische gewoonten en motieven in de Zuidelijke Nederlanden en aan het Bourgondisch hof in de 15de eeuw Michel Pastoureau 03
204 22 238 256 259 264 266 278 283 287 295 3 323 33 338 345 35 358 367 372 378
385 389 394 4 04 409 42 425
De Franse literatuur in de Bourgondische Nederlanden Thierry Delcourt
2
De Wereld in wanorde Aan de grenzen van de middeleeuwse marges Bernard Bousmanne
001_125_flamands_.indd 8-9
202
De pre-Eyckiaanse miniatuurkunst De Meesters van de goudranken De Meesters van Guillebert de Mets De Eyckiaanse miniatuurkunst Rogier van der Weyden De Meester van de Alexandre van Wauquelin De Meester van de Privileges van Gent en Vlaanderen De Meester van de Girart de Roussillon (Dreux Jehan) De Meester van Johannes Gielemans Jean Hennecart Jan De Tavernier Willem Vrelant De Meester van de Vraie cronicque descoce De Meester van de Kroniek van Pisa De Meester van de Hiero Loyset Liédet De Meester van Maria van Bourgondië De Meester van de spraakzame handen Lieven van Lathem De Meester van Margaretha van York De Meester van Antoon van Bourgondië De Meester van de Kroniek van Engeland Philippe de Mazerolles De Meester met de witte inscripties De Brugse Meester van 1482 Jean Miélot De Meester van Wavrin De Meester van de Champion des dames De Meester van de geleliede grisailles De Meester van het Gulden Vlies van Wenen en Kopenhagen De Meester van het Missaal van Paul Beye (Barthélemy Poignare?) De Manselmeester Simon Marmion De Meester van Rambures De Meester van het Gebedenboek van Dresden De Meester van de stichtelijke traktaten De Meester van de Vlaamse Boëthius
Appendices
Bewaarplaatsen van de handschriften Algemene bibliografie 456 Index van persoonsnamen 4 60 Index van vermelde handschriften en incunabelen 435
436
21/08/11 20:55
De 15de eeuw, de Gouden Eeuw van de Vlaamse miniatuurkunst, vormt een keerpunt in de geschiedenis van het handschrift. Tussen het begin van de regering van Jan zonder Vrees en de dood van Maria van Bourgondië waren tal van miniaturisten, kopiisten, auteurs en boekbinders actief in steden als Brugge, Gent, Hesdin, Oudenaarde, Brussel, Rijsel of Doornik. Het geschreven woord komt dan buiten de kloosters en doet zijn intrede in de stedelijke milieus. Filips de Goede, de ‘Grote Hertog van het Westen’, en zijn zoon, de ambitieuze en ongeduldige Karel de Stoute, geven een definitieve impuls aan de verschillende kunsten van het boek. Zij doen een beroep op de beste verluchters van hun landen van herwaarts over, wat zowel overeenkomt met hun persoonlijke smaak als met hun politieke ambities die ze hierdoor in de ogen van hun buren bevestigen. In hun voetspoor volgen de ridders van de orde van het Gulden Vlies, zoals Lodewijk van Gruuthuse of Antoon de Grote Bastaard van Bourgondië, leden van de geestelijkheid, kooplieden, bankiers en ‘ambtenaren’. De verluchte codices worden met honderden tegelijk geproduceerd. Kunstenaars als Lieven van Lathem, Jan De Tavernier, de Meester van Wavrin of Simon Marmion waren in hun tijd even beroemd als Rogier van der Weyden of de gebroeders Van Eyck. Zij zullen dan een van de mooiste pagina’s van de geschiedenis van de ‘schilderkunst in het boek’ schrijven. Bovendien illustreert de miniatuurkunst van deze periode ook nieuwe teksten of werken die tot dan toe tot een kleine kring beperkt waren gebleven. Uiteraard blijven de devotionele werken talrijk, maar het lekenpubliek interesseert zich nu voor kronieken, ridderepiek en romans. De literatuur van dit ‘Herfststij der middeleeuwen’ telt tal van teksten in de volkstaal (gezien het publiek meestal Frans) waarvan de titels alleen al tot reizen uitnodigen: de Geschiedenis van Jason, de Douze Dames de Rhétorique van Georges Chastellain, de Decamerone van Boccaccio, de Conquestes et croniques de Charlemaine gekopieerd door David Aubert, de Faicts et Conquestes d’Alexandre, de Roman de Girart de Nevers of de Metamorphoses van Ovidius. Om dit uitzonderlijk moment in de ontwikkeling van het boek te tonen hebben onze twee bibliotheken hun schatkamers geopend. Meer dan honderd prestigieuze handschriften worden in Brussel en Parijs aan het publiek voorgesteld. Sommige hiervan waren tot nog toe enkel aan een paar bevoorrechte personen bekend. De lotgevallen van de Koninklijke Bibliotheek van België en de Bibliothèque nationale de France hebben elkaar in de loop der eeuwen herhaaldelijk gekruist. Onze twee instellingen delen hetzelfde geheugen. Een rijke en boeiende geschiedenis, soms ook bewogen, zeker als men denkt aan de agenten van de Republiek die in 1794 de mooiste handschriften van de Bourgondische Librije naar Parijs overbrachten. Pas na de nederlaag van de legers van Napoleon kwamen deze boeken op hun oorspronkelijke planken terug. De tentoonstelling Vlaamse Miniaturen, 1404-1482 ziet zichzelf ook als de uitdrukking en ymaiges van de sterke en nauwe banden die sinds tal van jaren tussen onze twee nationale instellingen bestaan. Banden die bijvoorbeeld ook blijken in Europeana Regia, ons gemeenschappelijk project voor de digitalisering van middeleeuwse handschriften. Tot slot is elke ambitieuze tentoonstelling het ook aan zichzelf verplicht een dialoog te openen en het onderzoek nieuwe kansen te bieden. Meer dan twintig specialisten hebben bijgedragen aan de catalogus die steunt op recent onderzoek dat in onze bibliotheken plaatsvond. Dit boek biedt de lezer een globaal en panoramisch zicht op de miniatuurkunst in de Zuidelijke Nederlanden in de 15de eeuw. Zonder twijfel vindt men hier tal van nieuwe en stimulerende ideeën en de aanzet tot nieuwe inzichten. Patrick Lefèvre algemeen directeur van de Koninklijke Bibliotheek van België
001_125_flamands_.indd 10-11
Bruno Racine president van de Bibliothèque nationale de France
21/08/11 20:55
Voorwoord
In 1959 bood Léon Delaissé het publiek in Brussel, Amsterdam en Parijs een van de mooiste en meest ambitieuze tentoonstellingen die ooit aan de Vlaamse miniatuur waren gewijd. Deze expositie maakte grote indruk en de catalogus is nog altijd een onmisbaar werkinstrument. Vijftig jaar later nemen de Koninklijke Bibliotheek van België en de Bibliothèque nationale de France de draad weer op en organiseren deze twee instellingen gezamenlijk een evenement van internationaal belang. Door de mooiste stukken uit hun collecties samen te brengen geven onze twee instellingen welker geschiedenis tal van raakvlakken vertoont, een vervolg aan een oude traditie van samenwerking en uitwisseling. Het idee van een gemeenschappelijk project ontstond in 2007 en kreeg meteen steun van Patrick Lefèvre, algemeen directeur, en François de Callataÿ, directeur van de patrimoniale departementen, voor de KBR, en van Bruno Racine, president, Jacqueline Sanson, algemeen directeur, en Denis Bruckmann, directeur van de collecties, voor de BNF. Hun enthousiasme voor dit project is nooit verflauwd. Met klem willen wij hen danken voor hun aanmoediging en het vertrouwen dat zij in ons hebben gesteld. Zoals bekend, is het niet mogelijk een tentoonstelling als ‘Vlaamse miniaturen, 1404-1482’ te organiseren zonder de medewerking van tal van personen. Het is ons een groot genoegen om aan het begin van dit boek aan hen, eindelijk, onze dank te betuigen. Verschillende collega’s hebben ons terzijde gestaan door prestigieuze werken uit te lenen. Onze hartelijke dank gaat dan ook in het bijzonder naar Rosine Cleyet-Michaud (Rijsel, Archives départementales du Nord), Claudine Deltour-Levie (Brussel, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis), Hubert Dewitte (Brugge, Gruuthusemuseum), Noël Geirnaert (Brugge, Stadsarchief), Till Holger-Borchert (Brugge, Groeningemuseum), Sophie Jugie (Dijon, Musée des Beaux-Arts), Ludo Vandamme (Brugge, Openbare Bibliotheek), en Karel Velle (Brussel, Algemeen Rijksarchief). De BNF dankt eveneens het J. Paul Getty Museum voor de ondersteuning voor het onderzoek en de tentoonstelling. Tot onze grote voldoening werd de tentoonstelling voor Parijs toevertrouwd aan Ilona HansCollas en Pascal Schandel, wetenschappelijk medewerkers aan de BNF, als curatoren, terwijl wij voor Brussel terzijde gestaan werden door Sara Lammens, directrice voor de tentoonstellingen en de communicatie aan de KBR. Zij konden op de onmisbare medewerking van hun collega’s in de departementen voor conservering, communicatie en digitalisering rekenen. Iedereen in zo weinig regels noemen is onmogelijk, maar we kunnen er niet omheen tenminste te vermelden: Anne-Sophie Delhaye, Marie-Pierre Laffitte en Charlotte Denoël, conservatoren en successievelijk directrices van de afdeling middeleeuwen van het departement Handschriften van de BNF, Nathalie
001_125_flamands_.indd 12-13
Coilly van de Bibliothèque de l’Arsenal, Ariane James-Sarazin en Anne-Hélène Rigogne van de dienst tentoonstellingen, Françoise Juhel van de dienst multimedia, Marc Rassat van de commissie voor de communicatie en Kara Lennon Casanova van de commissie voor het mecenaat. De catalogus van deze ‘tweehoofdige’ tentoonstelling werd onder onze leiding samengesteld door vier erkende specialisten: Ilona Hans-Collas en Pascal Schandel, beiden al genoemd, Céline Van Hoorebeeck, conservator van de Afdeling Handschriften en Oude drukken van de Bibliothèque Moretus Plantin in Namen, en Michiel Verweij, wetenschappelijk medewerker op het Handschriftenkabinet van de KBR. Het resultaat van hun samenwerking heeft onze verwachtingen verre overtroffen. Uiteraard gaat onze dankbaarheid eveneens (en bovenal) uit naar de andere ‘kopiisten’ zonder wie deze publicatie een dode letter zou zijn gebleven: François Avril, Marc Boone, Lorne Campbell, Gregory T. Clark, Maria Colombo Timelli, Lieve De Kesel, Dominique Deneffe, Anne Dubois, Marc Gil, Thomas Kren, Marie-Pierre Laffitte, James H. Marrow, Danielle Muzerelle, Michel Pastoureau, Bertrand Schnerb, Tania Van Hemelryck, Dominique Vanwijnsberghe, Erik Verroken, Lieve Watteeuw en Hanno Wijsman. Geen van hen heeft moeite gespaard om aan deze monografie, die tegelijk wetenschappelijk én bestemd voor een breder publiek beoogt te zijn, mee te bouwen, een grondige synthese van de miniatuurkunst in de Zuidelijke Nederlanden in de 15de eeuw te bieden en tegelijk uitdagende nieuwe onderzoeksperspectieven te openen. Om deze wereld van ideeën leven te geven konden de twee editoriale redacties, onder de welwillende roede van Pierrette Crouzet-Daurat, rekenen op de ongeëvenaarde correctoren Jacqueline Michelet, Isabelle Degrange, Charlotte Belayew, Ann Kelders, Sabine Jaucot en Christiane Van den Bergen-Pantens. Hun bekwaamheid is essentieel gebleken, evenals die van Patricia Stirnemann, Benedikt Perquy, Carine Van Bellinghen en Pierre Cornil, die voor een deel van de vertalingen tekenden. Ook Caterina D’Agostino, Céline Delétang en Anne Richard dienen te worden vermeld: geduldig en vastberaden hebben zij de honderden illustraties verzameld die onmisbaar waren voor het betoog van de auteurs. Ursula Held heeft dan met talent de vormgeving en de opmaak ter hand genomen. Laat ieder in deze paar woorden aanmerkelijk meer dan enkel een woord van dank vinden. Bernard Bousmanne Directeur van het Handschriftenkabinet Koninklijke Bibliotheek van België
Thierry Delcourt Directeur van het Handschriftenkabinet Bibliothèque nationale de France
21/08/11 20:55
Vlaams is niet altijd Vlaams Bedenkingen bij een naam* Michiel Verweij
Geografische namen zijn gevaarlijke dingen. Ze veranderen in de loop van tijd van inhoud, soms haast ongemerkt, dan weer bewust gemanipuleerd; ze krijgen soms een politiek gekleurde lading die er aanvankelijk aan ontbrak; ze verschuiven letterlijk over de kaart. In deze bijdrage wil ik proberen wat duidelijkheid te scheppen in de verschillende betekenissen van de benamingen ‘Vlaanderen’ en ‘Vlaams’. Omdat het begrip ‘Vlaanderen’ in België – anders dan in Frankrijk – een duidelijk politieke betekenis gekregen heeft en er ook nationale en zelfs nationalistische elementen in meespelen, is de verleiding groot hedendaagse afbakeningen en namen ongewijzigd in het verleden te projecteren en zaken met elkaar te identificeren die eigenlijk los van elkaar staan. In het geval van de benamingen ‘Vlaanderen’ en ‘Vlaams’ gaat het in principe om drie verschillende betekenissen die deels uit elkaar volgen en elkaar deels overlappen. Toen de centrale macht in het laat-Karolingische rijk stilaan verdween ontwikkelden de bestuursdistricten die de naam van ‘gouw’ (Latijn: pagus) gekregen hadden, zich geleidelijk tot de feodale vorstendommen van de hoge en de late middeleeuwen. Een van deze gouwen zou vanaf de tiende eeuw uitgroeien tot een machtig en rijk graafschap dat zijn naam ontleende aan de pagus Flandrensis, die tegen de Noordzee gelegen was. De juiste ligging van deze gouw schijnt niet helemaal zeker: op kaarten vindt men deze pagus nu eens in de omgeving van Veurne en Nieuwpoort (maar daar bestond ook een gouw die zijn naam aan de rivier de IJzer ontleende), soms meer naar het noorden, in de omgeving van Brugge en het Zwin (maar direct ten oosten daarvan lag de gouw van Aardenburg, de pagus Rodaniensis). Dit graafschap Vlaanderen was een van de voornaamste en rijkste feodale territoria van het Franse koninkrijk dat zijn economische kracht met name ontleende aan de lakenindustrie in Gent en Ieper en de internationale handelsplaats Brugge. In het oosten lagen enkele gebieden ervan aan de Duitse kant | ill. 1 Brussel, KBR, Kostbare Werken, VH 14348 a E RP, Mercator, Kaart van de Nederlanden.
van de Schelde: dit was Rijksvlaanderen (Land van Aalst en Vier Ambachten), wat betekende dat de graaf van Vlaanderen zowel leenman van de Franse koning als van de Duitse keizer was. In het zuiden liep het graafschap door tot in het huidige Franse departement Nord (zowel de omgeving van Duinkerke en Kassel als die van Rijsel), terwijl de graven van Vlaanderen eveneens grote invloed bezaten in Artesië, nu in het departement Pas-de-Calais. In het grootste deel van dit graafschap werden in de middeleeuwen Middelnederlandse dialecten gesproken, maar in het zuiden, met name in de omgeving van Rijsel, waren Romaanse (Picardische) dialecten inheems, zodat het graafschap in de praktijk tweetalig was. De naam van dit graafschap leeft nog steeds op directe wijze voort in de benaming van de Belgische provincies Oost- en West-Vlaanderen en als streeknaam in ZeeuwsVlaanderen, in de Nederlandse provincie Zeeland, en in Flandre, in het Franse departement Nord. Naast dit graafschap vond men in de geografische regio rond de benedenloop van Schelde, Rijn en Maas in de middeleeuwen nog een reeks andere feodale vorstendommen: de hertogdommen Brabant, Limburg, Luxemburg en Gelre, de graafschappen Artesië, Henegouwen, Namen, Zeeland en Holland, de bisdommen Kamerijk, Luik, Doornik en Utrecht, de heerlijkheid Mechelen en de Friese landen. Daarbij sloten bovendien ook nog de hertogdommen Kleef en Gulik, de vrije rijksstad Aken en het aartsbisdom Keulen aan, die in de 13de en 14de eeuw even goed in deze regio meespeelden. Ons begrip van de ‘Nederlanden’, de ‘Pays-Bas’, de ‘Low Countries’, is sterk bepaald door het politieke proces van de ‘Bourgondische staatsvorming’ dat in de 15de en 16de eeuw tot een zekere politieke afbakening tegenover het Franse koninkrijk en de aangrenzende Duitse vorstendommen heeft geleid. Dit gebied komt overeen met de drie staten van de Benelux (België, Nederland en Luxemburg), waaraan de door Lodewijk xiv veroverde gebieden in de huidige Franse departementen Nord en Pas-de-Calais moeten worden toegevoegd. Vóór deze Bourgondische penetratie was het begrip ‘Nederlanden’ veel vager: het post-karolingische begrip Neder-Lotharingen heeft niet echt standgehouden.
*In de literatuur over dit onderwerp wordt het begrip ‘Vlaams’ zeer vaak op enigerlei wijze verbonden met identiteit. Het is de bedoeling van deze bijdrage om strikt semantisch te blijven en dus na te gaan wat precies de betekenissen zijn (geweest) van dit begrip, zonder verder enige waardebepaling te doen. Men zie uit de recente literatuur o.m.: De Groof 1988; De Schepper 2003; De Schryver 1987; Smeyers 1987; Willemyns 2003, o.m. p. 15-16.
001_125_flamands_.indd 14-15
21/08/11 20:55
16
vla am s e m i ni atu ren 1 4 0 4 - 1 4 8 2
Er verscheen daarentegen wel een benaming die in het ‘buitenland’ gebruikt werd voor inwoners van deze gewesten. Zoals vaak het geval is, diende de naam van het belangrijkste gewest, het gewest ook dat juist de belangrijkste commerciële contacten (en havens) had, als model: op die manier werden, zeker in Spanje en Italië, de inwoners van Brabant en Henegouwen, zelfs die van Luik en Holland, als ‘Vlamingen’, ‘Flamencos’, ‘Fiamminghi’ betiteld. Geleidelijk, in de 15de en 16de eeuw, tekent dit uitgebreide gebruik van deze benaming zich steeds duidelijker af. Daarmee krijgen we dus de tweede basisbetekenis van de namen ‘Vlaanderen’ en ‘Vlaams’ in de zin van verzamelnaam voor de Nederlanden in hun geheel of, beperkter, voor het zuidelijk gedeelte daarvan, een benaming die dus in het (verre) buitenland is ontstaan, niet in onze contreien zelf. Aanvankelijk had deze benaming betrekking op het geheel van de Nederlanden: de gezanten van Karel v die tussen 1516 en 1522 Spanje in zijn naam bestuurden, werden aangeduid met de naam Flamencos, of het daarbij nu ging om Adriaan van Utrecht (de latere paus Adrianus vi) of de Henegouwer Willem de Croÿ. Pas later, ten gevolge van de scheuring van de Nederlanden in de zogenaamde Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), zou het gebruik van de aanduiding ‘Vlaams’ zich eerder tot het zuidelijk gedeelte van de Nederlanden beperken. Dezelfde behoefte aan een aanduiding voor het geheel van de Bourgondisch-Habsburgse landen ziet men ten onzent geleidelijk in de 16de eeuw ontwaken. Daarbij speelt de aanduiding ‘Vlaanderen’ slechts een ondergeschikte rol. De benamingen die zich wel doorzetten, doen een beroep op het beeld van de Lage Landen bij de zee, van de Nederlanden, soms ook op het begrip Bourgondië, zoals in de benaming ‘Bourgondische kreits’ in het Heilig Roomse Rijk (vanaf 1548). Het stamhertogdom Bourgondië is op dat moment echter al jaren verloren gegaan. De benaming ‘Nederlanden’, ‘Pays-Bas’, ‘Paesi Bassi’ komt het meest voor, getuige ook de eerste grote specifieke beschrijving van onze landen, de Descrittione di tutti i Paesi Bassi altrimenti detti Germania Inferiore van Lodovico Guicciardini (1567). Daarnaast duiken twee klassiek-Romeinse namen voor dit territorium op, beide ontleend aan namen van Romeinse provinciae, nl. Germania Inferior en Belgica. Beide worden vanaf het einde van de 15de en het begin van de 16de eeuw zonder onderscheid gebruikt. Germania Inferior komt overeen met het adjectief ‘Nederduits’ dat in de 16de tot en met 18de eeuw vaak gebruikt wordt als benaming van de Nederlandse taal. Belgica bleek echter hanteerbaarder, omdat het korter is. Het adjectief Belgicus en de inwonersnaam Belga zullen in het Latijn en soms ook in de volkstaal tot aan het eind van de 18de eeuw in gebruik blijven om het geheel van de Nederlanden (dus de huidige Benelux) te benoemen. De formele Latijnse benaming van de Nederlandse taal is, enigszins verrassend misschien, sermo Belgicus. Zo ook bevat het vierde volume van
001_125_flamands_.indd 16-17
vla a ms is nie t a lt ij d vla a ms
de Atlas maior van Joan Blaeu (Amsterdam, 1665), dat aan de Nederlanden gewijd is, twee onderdelen (libri), een met de titel Belgica regia voor de Spaanse Nederlanden, het ander met de naam Belgica foederata voor de Republiek (in de Franse vertaling: La Belgique royale en La Belgique fédérée). Deze gehele periode zijn dus ‘Nederlanden’, ‘Pays-Bas’ en ‘Belgica’ synoniem. Het probleem begint pas als men constateert dat deze benamingen in feite voor drie begrippen gebruikt worden, nl. voor het oude geheel van de Zeventien Provinciën van Karel v (dus de huidige Benelux als geheel), voor de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën (dus de voorloper van het huidige Nederland) en voor de Spaanse, later Oostenrijkse Nederlanden (dus de voorloper van het huidige België). Pas met en na het uiteenvallen van het kortstondige Koninkrijk der Nederlanden van Willem i (1815-1830) zullen deze begrippen hun huidige beperkte betekenis krijgen: Nederland(en) voor Nederland en België voor België. Sindsdien beschikt enkel het Engels nog over een term om het geheel aan te duiden, nl. the Low Countries (the Netherlands is beperkt tot de staat Nederland). In het Nederlands kunnen we nog iets doen met de Lage Landen, maar ook dat is niet geheel vrij van ambiguïteit omdat het ook vaak enkel in de betekenis van het huidige Nederland wordt gebruikt, en bovendien ontbreekt het adjectief. In andere talen is het hopeloos, al behelpt men zich in het Frans met een uitdrukking als les anciens Pays-Bas. Toch was er sinds het begin van de 17de eeuw een feitelijke staatkundige scheiding tussen Noord en Zuid, die dan in 1648 met de Vrede van Münster bekrachtigd werd. Daardoor ontstond de behoefte om ook een taalkundig onderscheid te maken tussen het Noorden en het Zuiden, zelfs al bleven de algemene aanduidingen voor het geheel in gebruik. Daarmee verandert de betekenis van het adjectief ‘Vlaams’ in de verschillende talen licht en gaat wat beperkter steeds vaker enkel de Zuidelijke Nederlanden aanduiden, terwijl tegelijk de woorden ‘Hollands’ en ‘Holland’ specifiek voor het Noorden gaan staan. Het is dit gebruik dat aan de basis ligt van de aanduidingen ‘Vlaamse kunst’, ‘Vlaamse primitieven’ en ook ‘Vlaamse miniaturen’, al stammen deze begrippen pas uit de 19de eeuw. In wezen is ‘Vlaams’ in deze gevallen dus synoniem voor ‘Belgisch’ of ‘Zuid-Nederlands’. Het begrip ‘Zuidelijke Nederlanden’ is in wezen ook relatief modern. Meestal duidt men er inderdaad het territorium van het huidige België mee aan, maar dan voor de periode vóór 1830, dus vóór het ontstaan van het onafhankelijke koninkrijk België. Toch kunnen er bij dat gebruik vragen worden gesteld, zeker waar het veel vroegere perioden betreft. De soms scherp getrokken scheiding tussen Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden berust nl. in wezen op het later ontstane politieke verschil tussen Nederland en België. Het graafschap Holland vormde in de 14de-15de eeuw een soort periferie van Vlaanderen en Brabant: de meeste steden in het noorden van het graafschap, zoals Haarlem, hebben het Leuvense stadsrecht ontvangen en de gotische
kerken in de Hollandse steden volgen meestal, zij het wat provincialer, de Brabants-gotische bouwtrant. Het noordoosten van het huidige Nederland had dan weer directer verband met het huidige Noord-Duitsland. In die zin bestond er in de middeleeuwen niet echt iets specifieks als ‘de noordelijke Nederlanden’. De kern van de gebieden die de ‘Zuidelijke Nederlanden’ worden genoemd, zijn de graafschappen Vlaanderen en Henegouwen, het hertogdom Brabant, het graafschap Namen en het prinsbisdom Luik. Maar juist deze territoria hebben in de 17de eeuw grote territoriale verliezen geleden: Brabant raakte zijn hele noordelijke helft in 1648 aan de Republiek kwijt, terwijl Vlaanderen en Henegouwen in de tweede helft van de 17de eeuw ernstig werden aangetast door de veroveringen van Lodewijk xiv. Bovendien verloor Vlaanderen in 1648 nog een smalle strook aan de Republiek, het huidige Zeeuws-Vlaanderen. Cultureel vertonen deze gebieden echter voor de middeleeuwen en de 16de tot en met de 18de eeuw duidelijk gemeenschappelijke kenmerken en banden met wat onder Spaanse, resp. Oostenrijkse heerschappij bleef. Dit geldt zowel voor het Vlaamse Rijsel en het Henegouwse Valenciennes, de bisschopszetel Kamerijk en het Vlaamse Douai, als voor het huidige Nederlands-Limburg met Maastricht en Roermond en Noord-Brabant met ‘s-Hertogenbosch, Breda en Bergen op Zoom. In die zin is Hiëronymus Bosch dus niet een ‘Hollandse’, maar een ‘Vlaamse’ schilder. Duidelijk blijkt dat ook uit het feit dat de overweldigende meerderheid van de universiteitsstudenten uit deze streken tot aan het einde van de 18de eeuw naar Leuven ging. Een van de begrippen die met het adjectief of begrip ‘Vlaams’ in bredere zin werden verbonden, was de taal. In de middeleeuwen was de term Dietsch (of Duutsch), in het Frans Thiois, een veel gebruikte term om deze Middelnederlandse dialecten aan te duiden. Vlaemsch had eerst en vooral de betekenis van de dialecten in het graafschap Vlaanderen. Door de grote culturele uitstraling en het prestige van dat graafschap oefenden ook vormen uit de Vlaamse dialecten invloed uit in andere dialectgebieden als het Brabants en het Hollands. Parallel met de ontwikkeling van het begrip ‘Vlaams’ in zijn brede zin, ontstond geleidelijk ook de gewoonte om de taal als ‘Vlaams’ te betitelen, naast de term ‘Neder-Duits’. In toenemende mate wordt ‘Vlaams’ bovendien de specifieke aanduiding voor de Nederlandse taalvormen in het zuiden, tegenover het noordelijke Hollands of de zich ontwikkelende standaardtaal uit de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën. Hierbij treedt dus een beperktere betekenis van het omvattender gebruik op, waarbij de beperking echter een stap verder gaat, omdat de Franstalige gebieden in de Zuidelijke Nederlanden niet in dit gebruik betrokken werden. Deze inperking van het uitgebreid gebruik van ‘Vlaams’ ligt aan de basis van de derde hoofdbetekenis. In de 18de eeuw werd het Nederlands door de zgn. hogere standen steeds minder gebruikt. Net als elders in Europa
17
– ook in de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën! – was het Frans de toonaangevende taal van adel, patriciaat en hogere bourgeoisie, ook in de oorspronkelijk Nederlandstalige steden van Vlaanderen en Brabant. Een van de weinige reacties daarop was de Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden (1788) van Jan-Baptist Verlooy (1746-1797). Tijdens de Franse periode (1794-1815) was het Frans zonder meer de enige officiële taal. Bij de nieuwe ordening van Europa op het Congres van Wenen werden de oude Republiek, de Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik samengevoegd in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden onder Willem i. In een poging om van deze streken een ‘perfect amalgaam’ te maken werd het Nederlands (de taal van het noorden) verplicht gesteld voor wat men toen voor het eerst betitelde als de ‘Vlaamse provincies van het rijk’, zijnde West- en Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Limburg en de arrondissementen Brussel en Leuven van de provincie Zuid-Brabant. De liberale bourgeoisie die in die periode tegelijk de politieke elite vormde, verzette zich daartegen. Het gevolg was dat na de Belgische revolutie van 1830 officieel het gebruik van de talen vrij was, wat in de praktijk betekende dat het Frans de normale taal in de administratie en het bestuur werd, want in deze domeinen werd de toon gezet door de net genoemde bourgeoisie. Het overgrote deel van de bevolking bleef zijn Vlaamse, resp. Waalse en Picardische dialecten spreken. Deze situatie gaf aanleiding tot het ontstaan van een beweging die zich juist inzette ten voordele van het Nederlands, in eerste instantie als literaire en cultuurtaal, waarbij de Nederlandstalige literatuur in het net onafhankelijke België een eerste heropleving kende. De idealen van deze dichters en schrijvers stonden uiteraard sterk onder invloed van de romantiek met haar zucht naar de volksgeest en haar belangstelling voor en heimwee naar het eigen verleden en de moedertaal. Naast deze zuiver taalkundige en literaire richting ziet men in de tweede helft van de 19de eeuw ook een sociale dimensie in deze ‘Vlaamse beweging’, die uiteraard samenhangt met de emancipatie van andere groepen dan de traditionele elite. In deze periode werd het ijveren voor aanvaarding van het Nederlands als taal in onderwijs, administratie, bestuur en rechtspraak ook deel van een zekere democratisering, waarbij men stelde dat het Nederlandstalige deel van de bevolking recht had op deze diensten in de eigen taal. Overigens woedde er nog een discussie over de vraag of men de taal van het noorden, dus het Nederlands van Nederland, als model moest nemen of dat men een eigen Vlaamse taal moest nastreven. Iemand als de dichter Guido Gezelle (18311899) ijverde in feite voor het laatste en zijn gedichten zijn sterk door het West-Vlaams dialect gekleurd. Als resultaat van dit streven naar gelijkberechtiging voor de Nederlandse taal ontstond er vanaf 1898 een reeks wetten die het taalgebruik moesten regelen. Tegelijk ontwikkelde deze Vlaamse stroming zich tot een, overigens rijk geschakeerde,
21/08/11 20:55