Skip to main content

ROBERTS_Stress_INKIJK

Page 1

STRESS IN REMBRANDTS TIJD

benjamin b. roberts


benjamin b. roberts

STRESS IN REMBRANDTS TIJD

Inkijkexemplaar


A

S

afbeelding omslag: Rembrandt als herder met staf en fluit. Govert Flinck (vermeld op object), ca. 1636. Rijksstudio K- -3451. Ontwerp omslag en binnenwerk: Studio Vonk & De Boer isbn 978 90 4857 783 5 nur 685|694 © Benjamin B. Roberts / Amsterdam University Press B.V., Amsterdam 2026 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

B

B

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet 1912 jº het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 K Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden. De uitgeverij heeft ernaar gestreefd alle copyrights van in deze uitgave opgenomen illustraties te achterhalen. Aan hen die desondanks menen alsnog rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht contact op te nemen met Amsterdam University Press.

Inkijkexemplaar


INHOUD Inleiding

7

1

Chaos in Holland

23

2

Eindeloos oorlog

39

3 De stinkende (rijken)

101

4

De hondsdagen van de zomer

207

Epiloog. Mindfulness in de vroegmoderne tijd?

251

Noten

255

Beeldverantwoording

301

Inkijkexemplaar


Voornaemste tyrannijen, moorderijen, ende andere onmenschelycke wreedheden. Uit: Joannes Gysius, Oorspronck ende Voortgang der Neder-landscher Beroerten. Midsgaders, de voornaemste tyrannijen, moorderijen, ende andere onmenschelycke wreedheden (1626).

6

Inkijkexemplaar


INLEIDING

ID

O

Wie kent het niet: je voelt je onrustig, prikkelbaar en opgejaagd. Je hartslag is te hoog, je bent moe, emotioneel en je hebt moeite om je goed te concentreren. Je piekert eindeloos en je slaapt slecht. Kortom, je ervaart stress. Volgens een Gallup-enquête uit 2021, gebaseerd op een onderzoek naar volwassenen in 122 landen, ervaart 41% van de volwassenen ‘veel stress’. De meesten van hen zijn tussen de 20 en 60 jaar oud. Volgens psychologen is dit te wijten aan ‘het snelle tempo van het moderne leven, technologische vooruitgang en maatschappelijke verwachtingen’. Externe factoren, zoals het combineren van meerdere verantwoordelijkheden, constante prikkels en de impact van C V -19 – waardoor mensen hun baan verloren en bedrijven moesten sluiten – hebben stressniveaus verder verhoogd.1 In 1636 schreef de dichter Pieter van Godewijck: ‘Bevrijd ons van de pest, van de oorlog, van deze vulgariteit, zodat we vrij mogen zijn van al het kwaad.’ Hij verwees naar zijn dagelijks leven tijdens een van de ergste pestjaren van de zeventiende eeuw en een van de langste oorlogen in de Nederlandse geschiedenis: de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648).2 Van Godewijck leefde in de periode waarin Amsterdam uitgroeide tot het epicentrum van ongekende rijkdom, cultuur en wetenschap. Toch ervoer hij veel stress, want de stad had 23 grote pandemieën (en lockdowns) meegemaakt. In de zeventiende eeuw kwamen pandemieën veelvuldig voor en waren een belangrijke bron van angst en stress voor inwoners van de Nederlandse Republiek, zeker voor degenen die in dichtbevolkte steden woonden, waar ziekten zich sneller verspreidden. Behalve de pandemieën en bijbehorende lockdowns waren er nog allerlei andere invloeden van buitenaf die stress veroorzaakten. Voordat de Tachtigjarige Oorlog begon, was het land al dichtbevolkt. Een van de gevolgen van de aanhoudende oorlog 7

Inkijkexemplaar


­

was een toestroom van vluchtelingen. Meer dan 150.000 immigranten trokken naar de kleine republiek. Aan het einde van de zeventiende eeuw woonde meer dan een derde van de inwoners in steden, en de regio’s Holland en Zeeland waren voor 45% verstedelijkt. Toentertijd was het de dichtstbevolkte en meest verstedelijkte regio van Europa. Het zou nog 400 jaar duren voordat de rest van de wereld hetzelfde niveau van verstedelijking zou bereiken.3 Binnen korte tijd groeide de bevolking in de steden snel en ontstond er stedelijke wildgroei, terwijl infrastructuur, huisvesting en riolering tekortschoten. Overbevolkte steden en dorpen kampten met sociale onrust, werkloosheid en een groeiende vijandigheid jegens buiten landers en immigranten. Het lawaai van huizenbouw en handel, de stank van vervuilde grachten en straten vol winkels, fabrieken, bedrijven, mensen, dieren (koeien, kippen, varkens, honden en katten), het toenemende aantal snelrijdende koetsen die de rijke burgers vervoerden. Dit alles leidde vaak tot overprikkeling. Met weinig (of bijna geen) groen en open ruimte werden steden in de Republiek stressvolle omgevingen voor hun bewoners.4

STRESS IN DE EGODOCUMENTEN VAN MANNEN Stress is geen modern fenomeen maar de term is dat wel. Pas in 1936 ontdekte de endocrinoloog Hans Selye ongebruikelijk gedrag, namelijk ‘de niet-specifieke reactie van het lichaam op elke stimulus, dat hij opmerkte tijdens een experiment met muizen. Hij noemde dit gedrag ‘stress’. Voor die tijd bestond er geen exact woord voor.5 Dat wil echter niet zeggen dat het niet bestond. Bij mannen treedt angst of stress vaak op tijdens de overgang van de ene levensfase naar de volgende, zoals de jonge volwassenheid naar de middelbare leeftijd. In de hetero-normatieve wereld gebeurt veel tijdens deze levensfase. Het is de overgang van alleenstaand zijn naar getrouwd, van kinderloos naar vader zijn, van financiële afhankelijkheid naar economische onafhankelijkheid, van bij ouders thuiswonend naar een eigen huis, en van 8

Inkijkexemplaar


getrouwd zijn met kinderen naar weduwnaar en alleenstaande ouder. Toen ik in de archieven van de families De la Court, Huijdecoper en Van der Muelen hun brieven en dagboeken bestudeerde, kwam ik veel voorbeelden van stress van het dagelijkse leven tegen. Hoewel deze families tot de allerrijksten van het land behoorden, was de zeventiende en achttiende eeuw geen gemakkelijk tijd, ook niet voor de mannen die deze egodocumenten schreven. De mannen in deze families stonden midden in het leven en moesten zorgen voor de oudere generatie, hun ouders, en de jongere generatie, hun kinderen. Logischerwijs kwam hier de nodige stress bij kijken. In Transitions. Making Sense of Life’s Changes (2004) betoogt William Bridges dat deze overgangen in het moderne leven veel stress veroorzaken.6 Ik stel dat de overgangen in het moderne leven universeel en van alle tijden zijn. Overgangen in de vroegmoderne tijd waren even stressvol, zo niet misschien zelfs stressvoller dan vandaag. Hoe voelden de mannen zich in deze periode? Welke gevoelens kampten zij mee en hoe gingen ze hiermee om? Hoe zochten ze ontspanning en verlichting in een periode waarin de buitenwereld voortdurend bedreigend en onvoorspelbaar was? En hoe vonden ze evenwicht in hun leven? In dit boek volg ik de drie eerder genoemde families in hun levens in de zeventiende en achttiende eeuw. Ze gaven uiting aan stress voordat er een officieel woord voor bestond.7 In plaats van de term stress, gebruikten deze mannen en mensen in het algemeen woorden zoals ‘benauwdheid, bekommeris, zwarigheid, droevernis, angst, onrust of kwelling’.

MANNEN EN HUN ANGSTEN In dit boek worden de angsten besproken die mannen uit de stedelijke elite van de zeventiende en achttiende eeuw ervaren tussen hun twintigste en zestigste levensjaar. De meeste mannen beleven deze periode als de bloei van hun leven: een periode waarin zij trouwen, kinderen krijgen, een carrière najagen. Als bronnen zijn egodocumenten (dagboeken en brieven) van mannen van de stedelijke elite gebruikt. Mannen uit deze groep waren vaak hoogopgeleid, reisden, en schreven vaak hun ervaringen op, inclusief hun angsten en mo9

Inkijkexemplaar


menten dat zij stress ervoeren. Ondanks hun bevoorrechte positie in de samenleving waren ze niet vrijgesteld van ontberingen en leed: de last om ouders tevreden te stellen, geaccepteerd te worden door leeftijdsgenoten, en kinderen te krijgen en op te voeden. Deze is natuurlijk niet uitsluitend een stressfactor van ouders in de zeventiende eeuw geweest maar van ouders van alle tijden. Daarnaast was er de dagelijkse angst voor de grote onderklasse, die in perioden van economische en sociale neergang gewelddadig kon worden en haar frustratie op de elite kon richten. Naast sociale factoren worstelden ze ook met persoonlijke onzekerheden, die voortkwamen uit hun opvoeding, familieverhoudingen, religieuze overtuigingen, maatschappelijke omstandigheden of persoonlijke trauma’s. Het was een worsteling om aan de maatschappelijke verwachtingen te voldoen. Schilderijen uit de zeventiende eeuw gaven de Nederlanders weer als een ‘gezellig, vrolijk en extravert volk dat genoot van het eten, drinken, en roken’. En net zoals ze konden genieten van het eten, drinken en roken, gaven zij zich over aan hun seksuele lusten wanneer ze de kans kregen. Zodra de roes van de vorige avond was uitgewerkt, werd de volgende dag een bron van schaamte (wat zouden de buren wel niet denken?).8 Toen de Engelsman Owen Feltman (1604-1668) tussen 1623 en 1628 drie weken in de republiek der Nederlanden verbleef, bespotte hij de Nederlandse man vanwege zijn gebrek aan mannelijkheid en androgyne uiterlijk. Hij suggereerde zelfs dat als iemand het ware geslacht van een Nederlander wilde vaststellen, men zich helemaal moest uitkleden, seks moest hebben, en aan de hand van de seksuele standjes moest bepalen wie wie was. Natuurlijk overdreef Feltman en zegt zijn beschrijving waarschijnlijk meer over het Engelse idee van gender en de identificatie van een man dan het Nederlandse.9 Niettemin schreven andere mannelijke en vrouwelijke bezoekers aan de Republiek in hun reisverslagen vaak verbaasd over hoe sterk en dominant de Nederlandse vrouwen waren (vooral de huisvrouw) versus de passieve Nederlandse mannen die ze tegenkwamen.10 Op een humoristische wijze illustreerde de Nederlandse schilder en graveur Adriaen van de Venne de stress die Nederlandse echtgenoten ervoeren nadat hun vrouwen boos werden. Met de ets ‘Mansverdriet’ (1630-1640) beeld10

Inkijkexemplaar


Adriaen van de Venne, Mans-verdriet (1630-1640).

de de kunstenaar een echtgenoot af die in alle haast de vloer probeert schoon te maken zodat zijn vrouw niet kwaad op hem wordt, terwijl zij hem streng aanstaart naast een brandend haardvuur, dat symbool staat voor haar eventuele woede. Stiekem achter een gordijn kijkt een andere man toe. Waarschijnlijk was de tekening als een parodie bedoeld, maar de waarheid kon niet ver weg zijn.11 Het belangrijkste hormoon dat mannen tot mannen maakt, is testosteron, dat in de testikels wordt geproduceerd. Het is essentieel voor een goede spierontwikkeling, gezichts- en lichaamsbeharing, een verdikt strottenhoofd, een diepe stem en grote testikels voor de productie van sperma. In The Sex of Men in Premodern Europe vat kunsthistorica Patricia Simons de kernkenmerken van mannelijkheid in de vroegmoderne tijd als volgt samen: ‘Het vermogen tot projectie, dat wil zeggen, het naar buiten duwen van de uitwendige geslachtsdelen (en baarden) door de verhoogde lichaamstemperatuur, het met enige kracht uitstoten van lichaamsvloeistoffen zoals urine en sperma (en surrogaten zoals bier of braaksel), en het zich op een expansieve, openbare, assertieve en gezaghebbende manier gedragen (het bovenop de sekspartner liggen).’12 In 1688 typeerde de Engelsman Randal Holme in zijn werk Academy of 11

Inkijkexemplaar


Armory, or a Store-House of Armory or Blazon, allerlei soorten planten en dieren, van lelies tot dolfijnen. Toen de auteur bij de mens aankwam, beschouwde hij baardgroei bij mannen als een biologisch kenmerk; een volwassen man had dus een baard of een andere vorm van gezichtsbeharing. Holme, die rentmeester was van de Stationers Company in Chester, Engeland, en later wethouder, was een begenadigd genealoog en heraldicus.13 Daarbij had hij een scherp oog voor het herkennen van kenmerken die de volwassenheid bij diersoorten aangaven. In Academy of Armory onderscheidde hij de verschillende stadia van mannelijke ontwikkeling op basis van de hoeveelheid haar. Een kind is bijvoorbeeld kaal en heeft weinig haar, een jongeman heeft ‘haar op het hoofd maar geen in het gezicht’, en een man ‘heeft een baard’. Hij specificeerde verder dat een jongeman tussen de veertien en eenentwintig jaar oud was, terwijl een ‘jonge man’ tussen de tweeëntwintig en dertig jaar oud was. Een man was iemand die ouder was dan dertig jaar. Wat gezichtsbeharing betreft, had een ‘jonge man’ haar op zijn hoofd en een beetje haar op zijn bovenlip, een muschato (snor). Voor Holme was een volwassen man iemand met gezichtsbeharing, in welke vorm dan ook.14 Volgens literatuurhistoricus Will Fisher ‘maakte de baard de man’: voor een jonge volwassen man symboliseerde het hebben van een baard zowel zijn huwelijkse geschiktheid, uitgedrukt in bezit en rijkdom, als zijn vermogen tot voortplanting. Maar hij betoogt: ‘De correlatie tussen baardgroei en voortplantingscapaciteit was niet alleen symbolisch, maar letterlijk’. Medische boeken uit de Renaissance en de vroegmoderne tijd (veertiende tot en met achtiende eeuw) legden vaak expliciet een verband tussen het vermogen van een jonge man om gezichtsbeharing te laten groeien en zijn spermaproductie. En net zoals baardgroei gedeeltelijk gelinkt was aan huwelijksvermogen, symboliseerde het ook de mogelijkheid om zich voort te planten. Medische boeken in de renaissance koppelden de groei van gezichtsbeharing al expliciet aan de spermaproductie.15 In Physiologia Barbae Humanae (1603) betoogde Marcus Ulmus het belang van een baard voor mannen als weerspiegeling van hun viriliteit en merkte hij op dat ‘de natuur de mens een baard heeft gegeven, opdat deze zou blijven dienen als een indicator in het gezicht van het mannelijke voortplantingsvermogen’.16 Mensen in de 12

Inkijkexemplaar


vroegmoderne tijd associeerden de baard vaak met de warmte en het vocht die vrijkwamen bij de productie van sperma in de testikels. Volgens vroegmoderne opvattingen werd een man met gezichtsbeharing (hoe meer, hoe beter), bewust of onbewust, dan ook als viriel beschouwd, terwijl een jongeman met slechts een donzig baardje of helemaal geen baard vaak als een ‘jongen’ of vrouwelijk werd gezien. In Italië tijdens de renaissance en het vroegmoderne Engeland deden jonge mannen er alles aan om hun mannelijke gelaatstrekken te benadrukken, wat vaak nog belangrijker was dan wat tijdgenoten de ‘penis’, de ‘keel’ en de ‘testikels’ beschouwden als uiterlijke kenmerken van mannelijkheid.17 In de Engelse vertaling uit de achttiende eeuw van The Physical Dictionary, waarin de anatomische termen, de namen en oorzaken van ziekten werden beschreven, beschreef de Nederlandse arts Steven Blankaart (1650-1704) de penis als ‘samengesteld uit twee zenuwlichamen, de zaadleider, de eikel, de huid en de voorhuid’.18 Als het echter aankwam op de meest zichtbare vorm van mannelijkheid, beschouwden de meeste artsen – en de maatschappij in het algemeen – de baard en andere gezichtsbeharing nog steeds als het meest opvallende kenmerk. Simons stelt dat de penis in de vroegmoderne tijd een ondergeschikte rol speelde ten opzichte van de testikels, omdat testikels verantwoordelijk waren voor de productie van sperma.19 Verder werd in de vroegmoderne tijd aangenomen, net als nu, dat de geslachtsorganen gevoelig waren, vooral omdat ze beschadigd konden raken door oorlog, ziekte en andere omstandigheden.20 Dit boek gaat onder meer in op de vraag hoe mannen stress ervoeren door hun hormonen en hoe zij hun mannelijkheid uitten via gezichtsbeharing (snorren, baarden, sikjes). Ook wordt de rol van de geslachtsorganen (penis of testikels) in de mannelijke identiteit onderzocht.

VOORTPLANTING In de vroegmoderne hofmakerij was het vrouwelijk lichaam grotendeels verborgen. Het werd van top tot teen bedekt met grote hoeden, soms met pruiken versierd met veren, en handen waren getooid met handschoenen. De enige ‘huid’ die mannen konden zien om 13

Inkijkexemplaar


de schoonheid van een vrouw te beoordelen, was haar gezicht, dat meestal bedekt was met een dikke laag make-up die haar witte huid accentueerde en haar leeftijd en eventuele huidproblemen verborg. In de zestiende eeuw onthulde de Italiaanse geleerde Giambattista della Porta aan zijn mannelijke lezers dat als ze een idee van de geslachtsdelen van een vrouw wilden krijgen, hun mond en lippen een goede afspiegeling waren van de grootte van hun schaamtevolle delen. Voor mannen was het de lengte van hun neus.21 Een grote neus duidde op een grote penis. Als mannen geen kinderen konden krijgen, kon hij zijn rol als echtgenoot niet vervullen en dat gaf dat heel veel stress. Volgens de antropoloog David Gilmore houdt een man als hoofd van het gezin in de meeste samenlevingen in dat hij ‘een vrouw zwanger maakt, beschermt tegen gevaar en voor haar zorgt’.22 De vruchtbaarheid van mannen was overigens ook in eerdere eeuwen een bron van zorg. In The Manly Masquerade. Masculinity, Paternity, and Castration in the Italian Renaissance schrijft Valeria Finucci dat mannelijke potentie in de vijftiende eeuw niet altijd vanzelfsprekend was. En om de kans op bevruchting te vergroten, raadde de zestiende-eeuwse arts Giovanni Marinello uit Venetië aanstaande vaders aan om hun ‘geslachtsdelen’ voor te bereiden met welriekende geuren en ze ‘een uur voor het slapengaan in te smeren met civet, muskus of andere stoffen’. Om het nog spannender te maken, ging Antonio Guainerio (gestorven rond 1440) in zijn Tractatus die matricibus [Verhandeling over de baarmoeder] nog een stap verder. Hij adviseerde mannen om gemalen peper te kauwen en het peperspeeksel op hun mannelijk lid te wrijven vóór de geslachtsgemeenschap. In de zestiende eeuw moedigde de arts en anatoom Gabriele Falloppio (1523-1562) – naar wie later de ‘eileider’ werd vernoemd – ouders aan om de penis van hun zoon te strelen om ervoor te zorgen dat deze ‘voldoende lang en bruikbaar zou blijven met het oog op toekomstige volwassen verplichtingen’.23 Rembrandt was niet onbekend met het afbeelden van mannelijke naaktheid. In zijn ets, ‘Vrouw met een plassende jongen’ (ca. 16571660) liet hij een moeder zien die haar jonge zoon aandachtig aanmoedigt om met zijn penis (en urine) zo te mikken dat hij in een gracht kon plassen, terwijl ze voorzichtig zijn armen vasthoudt. Volgens de 14

Inkijkexemplaar


Rembrandt van Rijn, Vrouw met plassende jongen (ca. 1657-1660).

vroegmoderne geneeskunde werd sperma metaforisch gevormd door urine, en afbeeldingen van jongens die in het openbaar urineerden, bevestigden de heersende normen van mannelijkheid in de zeventiende eeuw.24 Staand en ver plassen, in combinatie, was meer dan alleen het lozen van lichaamsvloeistoffen. Het symboliseerde de mannelijke dominantie in de samenleving ten opzichte van vrouwen die hurkten om te plassen.25 Indirect illustreert Rembrandts ‘Vrouw met een plassende jongen’ ook een andere stressfactor waarmee mannen te maken kregen in hun zoektocht naar mannelijkheid. Nadat ze zich hadden laten verzorgen door hun moeders – die hen voedden, hun luiers ver15

Inkijkexemplaar


schoonden en hen zelfs leerden staand te plassen – kwamen jongens na hun zesde of zevende levensjaar meestal in opstand tegen hun moeders en wilden ze het gedrag van hun vaders en andere mannen nabootsen. Dit gedrag zette zich voort in de adolescentie en jonge volwassenheid.26 Voor de Nederlandse adel, zoals Johan Maurits van Nassau Siegen (1604-1679), was het essentieel om nakomelingen te verwekken (wettige afstammelingen), vanwege het belang van het voortbestaan van de naam van de familie. Kinderloosheid was voor hem een schande, ook voor zijn mannelijkheid. Dat was voor de adel van belang, maar gold dit ook voor de groeiende middenklasse van kooplieden in de Republiek? Was het niet verwekken van nageslacht een blamage van de mannelijkheid? En ervoeren ongetrouwde mannen zich ‘minder man’ dan hun broers die wel trouwden en kinderen kregen? Deze vragen worden beantwoordt in de komende hoofdstukken.

SOCIALE ACCEPTATIE

­

­

Naast het vermogen om zich voort te planten waren er in de vroeg moderne Nederlandse Republiek ook andere factoren die een man tot een ‘echte man’ maakten. En als zij daar niet aan voldeden, resulteerde dat in stress. Een van deze factoren was sociaal geaccepteerd worden door leeftijdsgenoten. In de loop van de zeventiende eeuw veranderde de Republiek van een agrarisch land met kleine steden tot de meest verstedelijkte regio van Europa. Rond 1700 werd Amsterdam de derde grootste stad van het continent. Deze overgang van een agrarische samenleving naar een verstedelijkt en internationaal handelscentrum had niet alleen invloed op het dagelijks leven van de bevolking, maar ook op de opkomst en ontwikkeling van de koopmansklasse. De koopmannen veranderden van kleine kooplui tot spelers op de internationale markt. Deze nieuwe status vereiste dat zij zich moesten spiegelen aan andere heersende families. Zij moesten hun kinderen dezelfde opvoeding geven, wat ook weer stress veroorzaakte. In de tussentijd ontstond voor de nieuwe elite ook een nieuw ideaal van mannelijkheid, wat gepaard ging met sociale angst. Omdat het land vóór de Neder16

Inkijkexemplaar


landse Opstand tegen Spanje waren er slechts enkele etiquetteboeken gepubliceerd. Bezoekers van de Republiek merkten de ‘Batavische molligheid’ op en vonden de Nederlanders onbeschoft. Na de economische bloei in het begin van de zeventiende eeuw en de opkomende elite in de steden, ontstond er na 1650 echter een toenemende vraag naar etiquetteboeken. De Nederlandse elite wilde dezelfde manieren en sociale normen als de elite elders in Europa. In de zeventiende eeuw werd dit een extra zorg voor vaders bij het opvoeden van hun zonen. Vaders wilden dat hun zonen meededen en sociaal geaccepteerd werden, niet alleen door landgenoten maar ook door degenen die ze ontmoetten als zij naar het buitenland reisden. Vaders wilden niet dat hun mannelijke kroost daar voor boer aangezien werd.27 In de vroegmoderne tijd was de materiële cultuur een belangrijke weerspiegeling van iemands identiteit. Voor Engeland onderzochten Tara Hamling en Catherine Richardson welk stempel vrouwen, maar ook mannen, drukten op de inrichting van hun huishoudens in de zestiende en zeventiende eeuw. De twee onderzoekers kregen inzicht in de esthetische waardering voor het interieur van de bewoners van de vroegmoderne tijd. De onderzoekers lieten zien hoe deze bewoners hun huizen inrichtten en welke voorwerpen zij gebruikten, waarmee ze hun identiteit weerspiegelden. Zo kende het Engelse huis, zowel dat van de middenklasse als dat van de elite, gendergebonden ruimtes. De meest voorkomende kamer, die uitsluitend voor mannen was, was de studeerkamer. Daar kon de heer des huizes zich terugtrekken om te lezen en zijn boekhouding te doen. Deze mannenruimte, die meestal afgelegen aan de achterkant van het huis lag, ver van het lawaai en de drukte van de straat, was doorgaans ingericht met een schrijftafel of bureau, boekenkasten en kaarten aan de muur. Om te kunnen werken na zonsondergang was deze kamer voorzien van kaarsen. Dit was de vroegmoderne man cave. In Gender and Space in Early Modern England ontkracht Amanda Flather de geconstrueerde ‘mannelijk/openbare en vrouwelijke/privé- of huiselijke dichotomie’. Zij noemt het ‘onhistorisch’ en een ‘onzinnige toepassing. In het vroegmoderne Engeland schreven huishoudboeken de ruimtes voor mannen en vrouwen voor, in tegenstelling tot het daadwerkelijke gebruik van die ruimtes in het dagelijks leven. 17

Inkijkexemplaar


Het vroegmoderne concept van gendergerelateerde ruimte en het daaruit voortvloeiende verschil tussen mannen en vrouwen vindt zijn oorsprong in Galens humorentheorie.28 Deze theorie stelt, zoals hiervoor al is vermeld, dat het lichaam wordt beheerst door de vier humoren gele en zwarte gal, bloed en slijm. Deze komen overeen met de vier elementen (aarde, lucht, vuur en water) en de bijbehorende eigenschappen: droog, koud, warm en vochtig. Volgens deze opvatting waren mannen droog en warm, wat ze een aanleg gaf voor intellectueel denken. Daarom waren ze beter geschikt voor werk buitenshuis, waarvoor meer intellectuele en rationele capaciteiten nodig waren. Vrouwen hadden een vochtige en koude aard, wat ze meer geschikt maakte voor een rustig leven thuis en het opvoeden van kinderen. Maar, belangrijker nog: Flather suggereert dat er een meer praktische reden was om in eerste instantie een scheiding van de ruimte te propageren, namelijk dat vrouwen in de openbare ruimte onbeschermd waren, terwijl ze in de huiselijke sfeer werden bewaakt en beschermd door het patriarchaal gezag.29 Negentiende-eeuwse historici hebben vaak betoogd dat mannen in de steden van de Republiek het grootste deel van hun tijd buitenshuis en in de openbare ruimte doorbrachten. Mannen waren vooral te vinden op markten, in winkels en in het stadhuis, terwijl vrouwen, met name die uit de hogere kringen, zich in de huiselijke sfeer ophielden. Aan het einde van de twintigste eeuw hebben historici ontdekt dat deze scheiding van de geslachten in de vroegmoderne tijd onjuist is.30 Historica Ariadne Schmidt betoogt dat mannen en vrouwen in Amsterdam zich tijdens de zeventiende en achttiende eeuw overal bevonden, zowel thuis als in het openbaar. Sterker nog, met een verhouding van tachtig tot negentig mannen op honderd vrouwen waren vrouwen in het openbaar zelfs de meerderheid. Vrouwen waren een dominant onderdeel van de beroepsbevolking. In gevallen van echtscheiding waarbij de vrouw meer verdiende dan de man, waren sommige vrouwen verplicht alimentatie aan hun ex-man te betalen.31 De snelle ontwikkelingen in de zeventiende-eeuwse samenleving dwongen burgers zich aan te passen en te veranderen, wat niet alleen fysieke, maar ook psychologische stress veroorzaakte bij de stedelij18

Inkijkexemplaar


ke bevolking.32 Als de dagelijkse aanval op hun ogen, oren en neuzen niet al genoeg angst veroorzaakte, dan deed de toestroom van vluchtelingen uit het buitenland, die bijdroeg aan talloze pestuitbraken, het wel.33 Kleine en krappe woningen waren ideale broedplaatsen voor de pest verspreidende vlooien.34 In de zeventiende eeuw was de dodelijkste epidemie de steeds terugkerende uitbraak van de builenpest.35 Tijdens epidemieën kwam de productie in fabrieken volledig tot stilstand. Markten werden gesloten. Scholen, winkels en werkplaatsen gingen dicht. De plaatselijke economieën raakten volledig in een lockdown. De lichamen van degenen die stierven en niet direct begraven konden worden, werden langs de huizen en kanalen opgestapeld, terwijl anderen die besmet waren – en geen familieleden hadden – aan hun lot werden overgelaten. Zij zwierven door de straten tot ze ter plekke stierven. Steden veranderden regelmatig in ‘stedelijke begraafplaatsen’.36

DE TUSSENJAREN In de vroegmoderne tijd moesten mannen tussen hun 18e en 60ste jaar hun mannelijkheid het meest bewijzen. Dit was ook de leeftijd waarop mannen als lid van de burgerwacht moesten dienen, zoals de heren op Rembrandts Nachtwacht (1642). Mannen onder de 18 jaar werden nog steeds als te jong én onvolwassen beschouwd. Mannen boven de 60 vond men te oud en bejaard. De jaren tussen de 18 en 60 noem ik de sandwich years of tussenjaren: tussen jong en oud zijn. Deze levensfase is de periode waarin een man voor zijn vrouw en kinderen moet zorgen, maar ook voor zijn ouders en andere familieleden. Daarbij werd een man in deze leeftijdsgroep geacht ook de familie-eer en -reputatie beschermen, wat in de Republiek de gouden standaard werd voor overleven. Het is de levensfase waarin mannen tussen twee generaties gevangen zitten en de volle last van de maatschappij op hun schouders rust.37 Net zoals een diamant die onder druk van beide kanten wordt geslepen voordat hij een kostbaar juweel wordt, onthult de ware mannelijkheid van een man zich in deze jaren. In The Differences of the Ages of Man’s Life (1607), onderscheidde Henry Cuff de kenmerken van elke levensfase. Zo ontwikkelde het lichaam van 19

Inkijkexemplaar


een man van middelbare leeftijd zich ergens na zijn 25e levensjaar, bereikte die ontwikkeling zijn hoogtepunt rond zijn 35e tot 40e levensjaar en duurde deze tot ongeveer zijn 50e. Dit was de periode waarin mannen potent waren, kinderen konden verwekken en baardgroei hadden. Voor de Engelsman was dit het moment waarop mannen hun ‘hoogste mate van perfectionisme in de gezondheid van hun lichaam’ hadden. In deze periode hadden mannen minder vocht in hun lichaam dan adolescente jongens, waardoor mannen ‘stabieler’ werden. In dit opzicht beïnvloedde de fysiologie van mannen hun mentale en psychologische toestand.38 Cuff wijst echter niet op de culturele en maatschappelijke denkbeelden van Engelse mannelijkheid in de vroegmoderne periode. Mannelijkheid is niet zomaar op een kaart aan de duiden met afgebakende grenzen. Vandaag de dag zijn de denkbeelden over seksualiteit en gender steeds vloeibaarder geworden en de grenzen vervaagd. Tegelijkertijd moeten we er rekening mee houden dat ideeën over mannelijkheid in de zeventiende eeuw ook voortdurend in beweging waren. En deze voortdurende verandering van de definitie van een ‘echte man’ veroorzaakte veel stress bij mannen. In de zeventiende eeuw heersten er verschillende typen van ‘echte mannen’. Een van hen was de geïdealiseerde edelman, die vooral geassocieerd werd met leiderschap, het dragen van een wapen (zwaard), het goed kunnen vechten en het kunnen leiden van andere mannen op het slagveld. Dit prototype van ‘echte man’ prevaleerde onder de mannen van de aristocratie. In de Republiek, waar een marginale aristocratische klasse bestond, waren de leden van de familie Oranje-Nassau het meest dominant. Deze familie bracht generaties stadhouders voort, gekozen functionarissen van de Nederlandse Republiek wier voornaamste taak was het Nederlandse leger te leiden. In hun jeugd kregen de zonen van de familie Oranje-Nassau een militaire opleiding. Hun kwaliteiten werden voortdurend in de kunst en media afgebeeld: mannen van de familie werden heldhaftig en daadkrachtig geportretteerd, met sterke leiderschapskwaliteiten. Een voorbeeld is Johan Maurits van Oranje. Hij werd door de West-Indische Compagnie (WIC) tot gouverneur van Brazilië benoemd.39 De 20

Inkijkexemplaar


stoere mannelijkheid van Johan Maurits werd bewezen door zijn militaire training, zijn bekwaamheid in de strijd en zijn sterke leiderschapskwaliteiten. om die redenen werd hij benoemd tot gouverneur van de kolonie. Ondanks zijn uitgesproken mannelijkheid voldeed Johan Maurits echter niet aan twee belangrijke voorwaarden om als een volwaardig man gezien te worden: hij was nooit getrouwd en had geen (wettelijk) nageslacht.40 Een ander veelvoorkomend archetype van mannelijkheid was de ‘Mercator Honestus’, oftewel ‘de eerlijke koopman’. Johan de Witt, de raadspensionaris van Holland – vergelijkbaar met de functie van premier vandaag - vertegenwoordigde dit type mannelijkheid. De Witt kwam uit een Dordts regentengeslacht en werd verkozen tot raadspensionaris van Holland toen hij 29 jaar oud was, een leeftijd waarop de meeste mannen pas net aan hun carrière begonnen. In 1655 trouwde De Witt met Wendela Bicker, dochter van de machtige Bicker-familie in Amsterdam. In de Republiek, een staat gedomineerd door een netwerk van koopmansfamilies, handhaafde De Witt een gevoelig machtsevenwicht.41 Hij symboliseerde een nieuwe generatie van mannen die rijkdom hadden vergaard en bekendstonden om hun eerlijkheid, kredietwaardigheid en voorzichtigheid bij het nemen van risico’s. De Witt was tevens de personificatie van een nieuw ideaal van mannelijkheid. Hij was hoogopgeleid, had veel gereisd en was geïnspireerd door humanistisch gedachtegoed. Bovendien werd De Witt benoemd tot raadspensionaris op basis van verdiensten en prestaties, in tegenstelling tot de stadhouders uit het Huis van Oranje.42 Succesvolle mannen in de nieuwe Nederlandse Republiek zoals De Witt, die hadden gestreden voor onafhankelijkheid van de Spaanse monarchie, werden rolmodellen voor mannen uit andere sociale klassen van de samenleving. Zij waren mannen naar wie andere mannen opkeken, niet alleen vanwege hun professionele verdiensten, maar ook vanwege hun voorbeeld als echtgenoten en vaders. In de komende hoofdstukken ontdekken we hoe de mannen in deze drie elitaire families met stress en angst ten gevolge van voortdurende oorlog, pandemieën en open riolering omgingen terwijl zij hun mannelijkheid probeerden te bewijzen. Hoe gingen zij met stress om en hoe vonden zij ontspanning of wat wij vandaag mindfulness noemen? 21

Inkijkexemplaar


Pauwels van Hillegaert, Prins Maurits in de Slag bij Nieuwpoort, 2 juli 1600 (ca. 1632-ca. 1640).

22

Inkijkexemplaar


Wie kent het niet: je voelt je rusteloos en prikkelbaar. Je hartslag is hoog, je bent moe, emotioneel, je piekert, slaapt slecht en hebt moeite om je te concentreren. Kortom: je bent gestrest. Stress is een gangbare term in onze moderne samenleving, maar dat betekent niet dat het een modern fenomeen is.

­

In dagboeken en brieven uit de zeventiende en achttiende eeuw ontdekte historicus Benjamin Roberts hoe mannen uit de stedelijke elite worstelden met stress, lang voordat er een officiële term voor bestond. In een tijd van eindeloos durende oorlog, talrijke pestepidemieën (inclusief lockdowns) en stinkende steden waar grachten als open riolen werden gebruikt, ervaarden de mannen regelmatig stress en moesten ze daarmee leren omgaan. Tegelijkertijd speelden ook allerlei persoonlijke onzekerheden een rol. Lang voordat begrippen als ‘manosphere’ en ‘looksmaxxing’ bestonden, worstelden deze mannen al met de vraag wat het betekende om een ‘echte’ man te zijn. Ze maakten zich zorgen over een sterke kaaklijn, voldoende baardgroei en de grootte van hun penis. Ook werden zij geacht genoeg kinderen te verwekken en aan de verwachtingen van hun vaders te voldoen. STRESS IN REMBRANDTS TIJD werpt nieuw licht op het dagelijks leven in een turbulente periode uit de geschiedenis en laat zien hoe mannen persoonlijke rust en vormen van mindfulness vonden om moeilijke perioden door te komen. Benjamin B. Roberts is historicus en docent aan de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast is hij mindfulness-instructeur en geeft hij yin yoga en yoga nidra.

AUP.nl

9 789048 577835 >


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
ROBERTS_Stress_INKIJK by WBOOKS - Issuu