Waarom plegen mensen geweld en hoe rechtvaardigen zij dit? Religie, identiteit en conflict onderzoekt deze complexe vraag vanuit een vernieuwend perspectief: geweld komt vaak voort uit een moreel oordeel dat is verbonden met (religieuze) gemeenschappen waar daders zich mee identificeren. Deze gemeenschappen worden door de geweldplegers vaak gezien als kwetsbaar en bedreigd, waardoor zij zich genoodzaakt voelen tot actie en hun geweld als rechtvaardig zien. Religie, identiteit en conflict introduceert recente theorieën over geweld vanuit diverse disciplines en biedt aan de hand van korte, prikkelende casestudy’s inzicht in de manieren waarop geweldplegers hun acties legitimeren. Waar veel literatuur geweld, en specifiek religieus geweld, benadert als ontsporing of het gevolg van agressieve overtuigingen, laat dit boek een veel genuanceerder beeld zien. Het is een must-read voor iedereen die dieper wil graven in de onderliggende mechanismen van geweld en zich afvraagt waarom mensen overgaan tot het plegen ervan. Lucien van Liere is universitair hoofddocent aan het departement voor Filosofie en Religiewetenschap aan de Universiteit Utrecht. ‘Lucien van Liere laat aan de hand van een duizelingwekkende reeks gevallen uit verleden en heden overtuigend zien hoe we met religie verbonden geweld kunnen begrijpen zonder telkens in oppervlakkige standpunten en aloude stereotypen te vervallen.’ birgit meyer, hoogleraar religiewetenschap aan de universiteit utrecht
Religie, identiteit en conflict De morele rechtvaardiging van geweld
Lucien van Liere
Amsterdam University Press
Deze publicatie is mede mogelijk gemaakt door de financiële steun van de Onderzoekschool voor Filosofie en Religiewetenschap van de Universiteit Utrecht en de Stichting Zonneweelde.
Afbeelding omslag: De verwoeste kerk van Bohorodychne, Oekraïne, na een Russiche aanval in mei 2022. Foto: Volodymyr Kutsenko. Ontwerp omslag: Bart van den Tooren Ontwerp binnenwerk: Crius Group, Hulshout isbn e-isbn nur
978 90 4857 343 1 978 90 4857 344 8 700 | 735
© L. van Liere / Amsterdam University Press B.V., Amsterdam 2026 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 jº het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden. De uitgeverij heeft ernaar gestreefd alle copyrights van in deze uitgave opgenomen illustraties te achterhalen. Aan hen die desondanks menen alsnog rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht contact op te nemen met Amsterdam University Press.
Inhoud Proloog 9 1. De geschiedenis en actualiteit van religieus geweld 15 Hoe religie verdween in het Westen 15 Religie, revolutie en onderdrukking in Egypte 17 De Afghaanse Oorlog en de opkomst van het internationaal jihadisme 20 Een Iraanse revolutie in 1979 22 De opkomst van de Moral Majority in de Verenigde Staten 25 De roerige jaren tachtig en negentig 29 9/11 en wat erna kwam 33 De vreemde terugkeer van religie 34 Academische strubbelingen met religie 38 De doos van Pandora 40 Kosmische oorlogen? 41 Terreur, terrorisme en de terrorist 45 Europa ontwricht 46 Terreur interpreteren 47 Islamitische Staat 50 Nieuwe evangelicals bestormen het Capitool 52 De Russische patriarch en de gay pride 57 Afsluiting 62 2. De dynamiek en structuur van geweld 65 Geweld en identiteit 65 Wolven of burgers? 68 Autoriteit en verantwoordelijkheid 75 De dynamiek van geweld 79 Morele vakanties 83 Lachen om geweld 87 Frontlinies: geweld, mannen en seks 90 De asymmetrie van dader en slachtoffer 92 Stereotyperingen 94 Casus: De ‘Amerikaan’ van Abu Musab al-Zarqawi 97 Vage daders 100 Afsluiting 103
3. Geweld, zingeving en het heilige 105 Religies als sociale netwerken 105 Trajecten van het heilige 106 Rituelen, symbolen en solidariteit 112 Het heilige en speciale dingen 116 De sociale zenuwbanen van het heilige 122 Religieuze identiteit 127 Casus: Een vergeten massamoord in West-Bosnië 129 Gevulde totems 134 Verbeelde gemeenschappen 136 Gevaarlijke liefde 140 Casus: De moord op Jacques Hamel 145 De betekenis van de dood 149 Traumadrama’s 151 Casus: De Sjoa van historische gruweldaad naar culturele karakteristiek 154 Casus: Waarom de massamoord in Nanking vergeten werd 156 Casus: Heldhaftige daders en perverse slachtoffers in Indonesië 159 Interpretatie: Daders en slachtoffers tussen herinneren en vergeten 162 Collectieve herinnering en politieke actualiteit 164 Het ruige leven van religieuze verhalen 166 Herinnering en stereotypering 174 Hot places 178 Casus: Mariaverschijningen in Herzegovina 180 Gekozen trauma’s 183 Moreel geweld 186 Roddel en geruchten 192 Dehumanisering en de monstertheorie 194 De goddelijke wet en de doodstraf 198 Afsluiting 202 4. Overtuigde daders en de morele rechtvaardiging van geweld Geweldplegers en hun netwerken Al Qaida en de dode kinderen De schreeuwende foto’s van Imam Samudra Geen plaats voor Mohammed Merah Lijden als marketingstrategie De bevroren ethiek van ‘Benjamin’ Het manifest van Brenton Tarrant De kracht van verontwaardiging
205 205 211 216 218 220 224 227 230
Oorlogspropaganda 232 Geweld en gender 235 Kinderen als slachtoffers: woede en vergelding 241 Interpretatie en afsluiting 246 5. De transformerende kracht van framing 253 Taal, beeld en netwerk 253 Religie en framing 255 Casus: De arbeiders, de kruisvaarders en de martelaren 259 Afsluiting 272 Epiloog 275 Dankwoord 283 Noten 285 Bibliografie 303 Register 321
Proloog The more intense the feeling of our goodness, the easier it is to commit evil. – Randall Collins 2022, p. 22.
Op 6 januari 2021 bestormde een bonte groep van republikeinse complotdenkers, bezorgde burgers en evangelicale christenen het Capitool in Washington. Onder hen waren mensen die spandoeken meedroegen met daarop leuzen als ‘Jesus Saves’ (‘Jezus redt’) en ‘In God We Trust’ (‘wij vertrouwen op God’).1 In februari 2023 sprak de Russische president Vladimir Poetin aan de andere kant van de wereld het Russische parlement toe. Hij uitte zijn diepe zorgen over het morele verval van ‘het Westen’, dat volgens hem familiewaarden ondermijnt, pedofilie toestaat en de Russisch-Orthodoxe Kerk bedreigt. Hij citeerde daarbij de woorden van Jezus aan het kruis: ‘Vader, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen.’2 In januari 2024 riep Abu Hudhayfah al-Ansari, de woordvoerder van Islamitische Staat, op tot aanslagen op Joodse gebouwen in de Verenigde Staten en Europa. Deze aanslagen zouden een vergelding moeten zijn voor de vele Palestijnse slachtoffers van het Israëlische leger in de Gaza-oorlog. Hij verklaarde: ‘De strijd tegen de Joden is een religieuze oorlog, geen nationale strijd.’3 Onder meer de aanslag in Solingen datzelfde jaar werd opgeëist door Islamitische Staat en werd in deze context geplaatst. Analisten en wetenschappers constateren dat religieuze groepen en overtuigingen sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw steeds meer invloed hebben op gewelddadige conflicten. 4 Deze conflicten beperken zich zeker niet tot het Midden-Oosten, zoals de opkomst van Al Qaida en Islamitische Staat. Zij spelen ook in Europa, waar rechtsextremisten en ultraconservatieven het opnemen voor een ‘christelijke cultuur’ en proberen de Europese identiteit te herdefiniëren,5 en in de Verenigde Staten, waar conservatief-christelijke groepen grip hebben gekregen op de Amerikaanse nationalistische politiek6 en complottheorieën zoals QAnon doorspekt zijn met religieuze thema’s.7 In dit boek staat de relatie tussen religie, identiteit en gewelddadig conflict centraal. De kernvragen zijn: wanneer plegen mensen geweld, hoe wordt dit geweld gerechtvaardigd en welke rol kunnen religieuze overtuigingen hierbij spelen? Hierbij gaat het dus niet alleen om het plegen van geweld,
10
Religie, identiteit en conflic t
maar ook om de morele rechtvaardiging van geweld. Om deze vragen te beantwoorden onderzoek ik situaties waarin geweld ontstaat en bestudeer ik welke perspectieven er ten grondslag liggen aan het rechtvaardigen van geweld. Hierbij bespreek ik vooral vormen van religiegerelateerd geweld, al beperk ik me hier zeker niet toe. Integendeel, ik gebruik religie juist als een kader om te kunnen onderzoeken hoe de rechtvaardiging van geweld zich verhoudt tot bredere vormen van zingeving en morele opvattingen over goed en kwaad. De centrale these die ik hierbij uiteen zal zetten is dat verontwaardiging over geweld vaak juist leidt tot de rechtvaardiging ervan. Deze wisselwerking tussen de verontwaardiging over, en rechtvaardiging van geweld hangt nauw samen met de gemeenschap waarmee mensen zich verbinden. Religie biedt hierbij een kader om juist deze dynamiek in een breder perspectief te plaatsen en te onderzoeken. In dit boek is religie als zingevingskader het startpunt van de analyse van geweld. De rol van religieuze overtuigingen en symbolen in recente politieke ontwikkelingen – van de Make America Great Again-beweging (MAGA) in de Verenigde Staten tot de religieuze symboliek die het Kremlin gebruikt om de oorlog tegen Oekraïne te legitimeren – wordt alom gesignaleerd. Maar het bestuderen van religie leert ons ook iets over hoe sociale groepen zich überhaupt vormen aan de hand van symbolen en rituelen. Dit maakt het bijzonder interessant om de rol van religieuze perspectieven in conflictsituaties te onderzoeken, omdat dit meer inzicht kan bieden in de bredere invloed van zingeving en levensovertuigingen op gewelddadige conflicten. De Franse socioloog Émile Durkheim schreef tegen het einde van de negentiende eeuw dat wie begrijpt hoe religie functioneert als een set overtuigingen, symbolen en rituelen, ook het functioneren van de samenleving als geheel beter begrijpt. Ervan uitgaande dat Durkheims opmerking nog steeds relevant is (ik kom hier later op terug), beperk ik mij in dit boek niet tot de geïnstitutionaliseerde religies maar bespreek ik een veel breder pallet aan religieuze en seculiere vormen van zingeving. Ik begrijp religie niet alleen als een set van doctrines en overtuigingen, maar vooral als een sociaal fenomeen dat bestaat uit een complex van verhalen, rituelen, netwerken en morele visies die sterk samenhangen met de manier waarop mensen zich in specifieke situaties met elkaar verbinden en uitdrukken. Religie is het geven van zin en betekenis aan actuele situaties vanuit een gedeeld perspectief op wat waar en goed is. Morele interpretaties van sociale verhoudingen zijn vaak de bron van het rechtvaardigen van gewelddadige ‘oplossingen’. Hierin zijn religieuze actoren niet anders dan andere. Maar de inkleuring van deze rechtvaardiging is voor religieuze actoren vaak anders doordat zij staan in een specifieke religieuze traditie
Proloog
11
met een eigen taal, symboliek, rituelen en geschiedenis. Daarbij kunnen religieuze en politieke overtuigingen ook in elkaar overgaan en met elkaar versmelten. Om een helder perspectief te ontwikkelen op de relaties tussen religie, identiteit en gewelddadig conflict zal ik in dit boek de vraag naar geweld apart stellen. Wat ‘is’ geweld, wanneer noemen we iets geweld en wanneer wordt geweld door wie gepleegd? Ik maak hierbij onderscheid tussen geweld als het intentioneel fysiek toebrengen van schade aan het lichaam van anderen met verwonding of dood als gevolg, en het rechtvaardigen van geweld. Geweld plegen is niet eenvoudig. Geweld rechtvaardigen is daarentegen een stuk eenvoudiger en vindt meestal plaats buiten de zone waar geweld wordt gepleegd. In dit boek zal ik onderzoeken op welke manier de rechtvaardiging van geweld is verbonden met morele oordelen over wat goed en fout is. Beide, het plegen en het rechtvaardigen van geweld, beïnvloeden elkaar aanzienlijk. Veruit het meeste geweld is persoonlijk geweld en vindt binnenshuis plaats tussen mensen die elkaar kennen. In dit boek richt ik me vooral op onpersoonlijk geweld.8 Onpersoonlijk geweld houdt in dat geweld wordt gepleegd door mensen die geen persoonlijke band met hun slachtoffer hebben. Hierbij kunnen religieuze, politieke en soms ook culturele factoren een belangrijke rol spelen. Door onpersoonlijk geweld te bestuderen kan de nadruk scherper worden gelegd op de manier waarop morele verhoudingen tussen mensen en groepen worden geïnterpreteerd binnen bredere religieuze of politieke kaders en welke invloed dit heeft op individuele actoren. Bij de bestudering van geweld maak ik onderscheid tussen de oorzaken, de dynamiek en de effecten van geweld. Veel literatuur richt zich op motieven als oorzaken van geweld; sociale uitsluiting, economische malaise, armoede, corruptie, religie, wilde wapenhandel, enzovoort. Maar motieven kunnen niet altijd verklaren waarom in sommige situaties geweld wel en in andere, vergelijkbare situaties geweld niet plaatsvindt. Daarom is het van belang om ook aandacht te schenken aan de dynamiek van geweld. De dynamiek van geweld verwijst naar het plegen van geweld zelf waarbij specifiek aandacht wordt geschonken aan de onderlinge relaties van daders en slachtoffers, en van daders en omstanders, op het moment van geweldpleging. Door de dynamiek van geweld te bestuderen aan de hand van microsociologische observaties analyseer ik de vaak asymmetrische verhouding tussen daders en slachtoffers. Deze dynamiek gebruik ik om aan te tonen hoezeer geweldpleging vaak verloopt volgens vergelijkbare scenario’s. De effecten van geweld tenslotte worden doorgaans vooral ‘gemeten’ op economisch en juridisch terrein. Er wordt veel minder aandacht besteed aan de verhalen,
12
Religie, identiteit en conflic t
interpretaties en geruchtencircuits die na gewelddadige gebeurtenissen door sociale groepen en gemeenschappen worden gedeeld. Deze verhalen kunnen echter een grote invloed hebben. In deze verhalen worden mensen of groepen namelijk vaak scherp tegenover elkaar gezet doordat helder onderscheid wordt gemaakt tussen agressieve daders en machteloze slachtoffers. In religieuze contexten kunnen deze daders en slachtoffers bovendien worden verbonden met stereotiepe figuren en gebeurtenissen uit de eigen traditie. Hierdoor kan een gemeenschap grip krijgen op een conflictsituatie, ontstaat een moreel perspectief op geweld en kan, doordat mensen ‘partij’ kiezen, geweld worden gerechtvaardigd als tegengeweld. Dit boek bestaat uit vijf hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk schetst de sociaalpolitieke context waarin religiegerelateerd geweld bestudeerd wordt. Het laat zien hoe bepaalde vooronderstellingen ten aanzien van religie en religieus geweld vanaf de tweede helft van de vorige eeuw zijn ontstaan, en waarom deze niet hebben geleid tot een betere analyse. Tevens wordt aan de hand van een aantal casussen duidelijk dat religie de afgelopen decennia een belangrijke rol heeft gespeeld bij tal van gewelddadige sociaalmaatschappelijke ontwikkelingen. Het tweede hoofdstuk bestudeert geweld als een sociaal fenomeen. In plaats van de vraag te stellen wat geweld is, wordt hier nagegaan onder welke omstandigheden mensen geweld plegen en hoe we dat kunnen begrijpen. Actuele wetenschappelijke perspectieven op geweld worden hier in kaart gebracht. Het derde hoofdstuk verbindt de analyse van geweld uit het tweede hoofdstuk met de vraag wanneer en hoe overtuigingen een rol spelen bij het tolereren, rechtvaardigen of plegen van geweld. In dit hoofdstuk wordt uitgebreid aandacht besteed aan de vraag naar wat wanneer voor mensen ‘heilig’ is en hoe dit een rol speelt in religieuze en seculiere perspectieven op geweld. In het vierde hoofdstuk wordt geïllustreerd hoe daderschap en slachtofferschap worden verbonden met religieuze en politieke posities waardoor geweld als een rechtvaardige morele reactie wordt begrepen. In dit hoofdstuk worden uitspraken en perspectieven van geweldplegers besproken. Tenslotte illustreer ik in het laatste hoofdstuk hoe daderschap en slachtofferschap verbonden raken met religieuze ideeën. Dit doe ik vooral aan de hand van reacties die kwamen op een video die Islamitische Staat publiceerde in 2015. Ik besteed hierbij in het bijzonder aandacht aan de manier waarop internet een rol speelt bij de ontwikkelingen van deze interpretaties. Wat gaat dit opleveren? Geweld, zo zal ik laten zien, ontstaat zelden vanuit sadisme of kwade wil. Het is meestal een reactie op eerder geweld, waarbij verhalen (berichten, roddel, sociale media) over geweld of de
Proloog
13
visuele confrontatie met geweld (propagandamateriaal zoals films, foto’s, pamfletten, sociale media) een belangrijke rol kunnen spelen bij oplopende sociale spanningen in hedendaagse samenlevingen. De verontwaardiging over het (vermeende) lijden van groepsleden, over onrecht of vernedering, vormt een onderschatte maar uiterst belangrijke wortel van geweldpleging. Hierbij speelt de manier waarop vooral kinderen centraal worden gesteld als slachtoffers van geweld, oorlog of conflict een krachtige voedingsbodem voor deze morele verontwaardiging. De rechtvaardiging van religiegerelateerd geweld is, zo zal ik laten zien, niet veel anders dan die van andere vormen van geweldpleging. De sociale gemeenschap, de morele codes van die gemeenschap en de geschiedenis ervan staan steeds centraal. Door geweld in de context van religieuze groepen en tradities te plaatsen ontstaat er een perspectief op hoe symboliek en moraliteit bijdragen aan de morele rechtvaardiging van geweld. En ook aan het voorkomen ervan. In dit boek geef ik veel voorbeelden uit zeer verschillende contexten en situaties, van Cambodja tot Oekraïne, van China tot de Verenigde Staten, en van Frankrijk tot Egypte. Ondanks het feit dat casussen niet zonder meer met elkaar vergelijkbaar zijn, meen ik toch dat de rituele scenario’s waarlangs geweld wordt gepleegd en wordt gerechtvaardigd in al deze verschillende contexten steeds zeer goed met elkaar vergelijkbaar zijn. Zeker, geen mens is hetzelfde en situaties zijn telkens anders, maar in de manier waarop mensen geweld plegen en rechtvaardigen, lijken zij toch erg op elkaar, ondanks de zeer verschillende culturele en religieuze kaders die zij gebruiken. Wanneer het specifiek over religieus geweld gaat beperk ik mij vooral tot de westerse wereld in de brede betekenis van die term. Geweld is een lastig fenomeen dat zichzelf niet uitlegt. Hierdoor hebben we scherpe analyses nodig vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines die kritisch met elkaar verbonden moeten worden. Gelukkig is er in de afgelopen jaren binnen de academische wereld steeds meer aandacht gekomen voor interdisciplinair onderzoek. Wetenschappers werken samen vanuit diverse disciplines rond specifieke thema’s en vraagstukken. Religiegerelateerd geweld is zo’n onderwerp dat vanwege zijn complexiteit meerdere perspectieven vereist. In deze studie maak ik gebruik van inzichten en benaderingen van sociologen, antropologen, theologen, historici, religiewetenschappers, filosofen en mediaspecialisten om zo tot een gebalanceerde analyse van dit complexe fenomeen te komen. Religie is aan de Nederlandse academies vaak genoeg een onderwerp dat niet kan rekenen op de belangstelling die het verdient. Veel van mijn studenten kiezen voor een cursus als ‘religie en geweld’ omdat hier in hun eigen curriculum geen of weinig aandacht aan wordt besteed. Religiewetenschappen
14
Religie, identiteit en conflic t
is aan slechts enkele universiteiten in Nederland een kleine, vaak bedreigde studie en soms nog slechts een studierichting. Dit leidt helaas tot religieblindheid onder veel wetenschappers en professionals en maakt dat de religieuze dimensies van thema’s als migratie, nieuwe sociale bewegingen, terrorisme, sociale media, internationale betrekkingen, internationaal recht, complottheorieën, medische ethiek, klimaatverandering, Europese politiek, Amerikanistiek, radicalisering en veel andere maatschappelijk urgente thema’s waar onze samenleving mee te maken heeft, onvoldoende worden geanalyseerd. Het gevolg hiervan is dan weer dat in veel overheidsrapporten en analyses religie wordt veronachtzaamd. In publieke debatten wordt de religieuze dimensie van geweld ofwel genegeerd ofwel overdreven. Dit boek neemt de seculiere context waarin de meeste mensen in Nederland leven als uitgangspunt en bespreekt religie als een sociaal fenomeen dat telkens weer in relatie tot andere verschijnselen en ontwikkelingen wordt besproken. Het is geschreven voor studenten, beleidsmakers, politici, wetenschappers, ambtenaren, medewerkers van non-gouvernementele organisaties en anderen die perspectieven ontwikkelen op conflictsituaties waarin religie een rol speelt. Dit boek is bovendien geschreven voor al die mensen die met vragen zitten over geweld, identiteit en religie, en hier maar zelden bevredigende antwoorden op krijgen.
2.
De dynamiek en structuur van geweld
Geweld en identiteit In dit hoofdstuk benader ik geweld vooral vanuit een sociaalpsychologisch perspectief. Ik maak hierbij onderscheid tussen het plegen van geweld en het rechtvaardigen ervan. Het plegen van geweld heeft een eigen dynamiek en is afhankelijk van situationele factoren. Het rechtvaardigen van geweld is verbonden met een moreel oordeel en is als zodanig een vorm van communicatie over thema’s als rechtvaardigheid en proportionaliteit. Met dit laatste ga ik in tegen diverse populaire perspectieven, zoals de opvatting dat geweld zinloos is, dat geweld een vorm van anticommunicatie is, dat vijandigheid tegenover vredelievendheid staat of dat geweld nu eenmaal een impuls is die bij de mens hoort. Er bestaat een rijke literatuur over geweld. Vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines zoals antropologie, politieke filosofie, psychologie, geschiedwetenschap en sociologie wordt vaak en veel geschreven over geweld. Veruit de meeste aandacht gaat hierbij uit naar huiselijk geweld, seksueel geweld, crimineel geweld en geweld op scholen. Veel studies richten zich op specifieke contexten en verklaren geweld vanuit sociale situaties. Op een meer abstract niveau gaat het, afhankelijk van de disciplinaire insteek, over vragen als wanneer en waarom mensen geweld als een oplossing zien, hoe geweld gerechtvaardigd wordt of wanneer het wordt gepleegd. Bij analyses van massageweld en genocide komt nog een ander perspectief aan bod. Daarbij wordt vooral gekeken naar collectieve beeldvorming in historische, politieke en economische verbanden waardoor bevolkingsgroepen tegenover elkaar zijn komen te staan. Deze perspectieven veronderstellen dat het plegen van geweld grotendeels vanuit de sociale en historische context kan worden verklaard. Sociale isolatie of uitsluiting, economische deprivatie, (neo)koloniale machtsverhoudingen en collectieve traumavorming op grond van eerdere ervaringen met massageweld zouden motieven kunnen zijn die verklaren waarom een groep mensen geneigd is om geweld als oplossing te zien. De veronderstelling luidt dan dat mensen zich door motieven en belangen kunnen laten bewegen om anderen pijn te doen of te doden. Geweld wordt in het verlengde hiervan vaak beschouwd als een logisch gevolg van oplopende spanningen die vanuit verschillende sociale posities, motieven, belangen en keuzes te verklaren zijn. Dit leidt echter tot een visie waarin gewelddadig gedrag wordt gezien als een begrijpelijke menselijke reactie die steeds kan worden verstaan vanuit de sociale context of zelfs
66
Religie, identiteit en conflic t
kan worden voorspeld door conflicterende doelen te identificeren. Hoewel deze perspectieven zeker interessant en waardevol zijn, zal ik aantonen dat ze niet zonder problemen zijn. Het idee dat conflicten kunnen ontstaan doordat mensen en groepen doelen nastreven die elkaar uitsluiten valt uiteraard niet te ontkennen en wordt door veel analyses ondersteund. Maar geweld is niet het logische gevolg van conflict. In veruit de meeste situaties leiden conflicten niet tot geweld. Sociale ontbering, uitsluiting en discriminatie kunnen elementen van een gewelddadig conflict zijn, maar in talloze situaties leiden ook deze factoren niet vanzelfsprekend tot geweld. Wat is dan wel de oorzaak van geweld? Of zijn er meerdere oorzaken? Een terugkerend element bij geweldsanalyse is het gegeven dat mensen tijdens conflicten het gevoel hebben hevig van elkaar te verschillen. Soms wordt daarom groepsverschil op zichzelf als een bepalende factor beschouwd. Geweld zou dan het gevolg zijn van sterke ideeën die groepen over elkaar hebben en identiteiten die tegenover elkaar worden gepositioneerd. Deze visie is mede gebaseerd op de zogenaamde social group identity-theorie van Henri Tajfel (1919-1982) en anderen. Zij betoogden in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw dat mensen noodzakelijkerwijs aansluiten bij sociale groepen om gevaar te reduceren. Aan de hand van experimenten lieten zij zien dat ‘sociale identiteit’ steeds de functie heeft om de veiligheid van individuen in de groep te waarborgen. Hierdoor hechten mensen eraan om positief over hun eigen groep te spreken en denken. Bepaalde positieve karakteristieken van een groep worden door groepsleden dan ook ervaren als unieke elementen die andere groepen niet bezitten. In deze experimenten werden mensen geheel willekeurig ingedeeld in verschillende groepen, en niet op grond van een gedeelde eigenschap. Steeds werden er door de groepsleden gemeenschappelijke eigenschappen gezocht waarbij deze elementen als zo uniek en ‘reëel’ voor de eigen groep werden ervaren dat deze aan de andere groepen werden ontzegd. De vorming van identiteit is geen individueel, maar een sociaal proces, zo concludeerden deze wetenschappers. Identiteiten worden beleefd als uniek voor de groep waardoor men zich kan onderscheiden van andere groepen, wat een zekere mate van geborgenheid oplevert.1 Uiteraard leent de theorie van Tajfel en zijn collega’s en leerlingen (zoals John C. Turner) zich uitstekend voor een scherpe conflictanalyse. ‘Unieke’ elementen van groepsidentiteit zoals taal, (verhalen over) geschiedenis, rituelen en religie kunnen in tijden van sociale crises worden versterkt. Sterke meningen over andere groepen ontwikkelen zich in conflictsituaties niet zelden als stereotiepe oordelen. Maar toch loopt een te radicale toepassing
4.
Overtuigde daders en de morele rechtvaardiging van geweld
Geweldplegers en hun netwerken In hoofdstuk twee bekritiseerde ik een interpretatie van geweld waarbij de oorzaak van geweld wordt gezocht in onverenigbare doelen. Deze interpretatie levert uiteindelijk namelijk een te rationele visie op die stuit op de grilligheid van het geweld zelf. Aan de hand van Collins en anderen werd duidelijk dat motieven voor het plegen van geweld divers of zeer complex zijn. Het identificeren van conflicterende motieven kan geweld niet altijd voorspellen. Daarnaast bleek dat een te eenduidige nadruk op deze motieven een scherpere analyse van het geweld zelf en de gevolgen daarvan in de weg kan staan. Óf mensen overgaan tot het plegen van geweld is mede afhankelijk van situaties waarbij persoonlijke overwegingen, verbeeldingen van anderen, impulsen, supporters en omstanders een belangrijke rol spelen. Bovendien hebben we gezien dat in situaties van massageweld de onderlinge solidariteit tussen daders en bystanders (in de brede zin) kan leiden tot een reïficatie van slachtoffers, en dat het gevoel van individuele morele verantwoordelijkheid hierbij vervaagt. Geweld vindt nooit zomaar plaats, maar altijd in specifieke situaties. Wie daarom wil begrijpen waarom mensen geweld plegen moet juist deze bijzondere situaties verbinden met bredere contexten. Waardoor zijn de spanningen tussen groepen opgelopen? Hoe worden (latente) spanningen gemobiliseerd? Hoe zijn groepsidentiteiten verhard door eerdere episodes van geweld of door interpretaties daarvan? Welke (religieuze) narratieven spelen een rol en waarom? Wie definieert een situatie en zet haar zo naar zijn of haar hand? Terwijl oplopende spanningen tussen groepen nog lang geen aanleiding hoeven te zijn voor geweldpleging kan andersom wel worden gesteld dat wanneer er sprake is van geweldpleging er meestal ook sprake is van oplopende spanningen. Deze spanningen kunnen gedurende lange tijd zijn opgebouwd. Maar ook bij langdurig opgebouwde spanningen moeten potentiële daders nog steeds door situationele spanningen heen breken en komen tot een asymmetrische relatie met hun potentiële slachtoffer(s) voordat zij geweld kunnen plegen. In de bredere context van geweldpleging blijken gevoelens van solidariteit een fundamentele rol te spelen. Hierbij is het vooral belangrijk om te noteren dat daders er vaak van overtuigd zijn dat zij een kwetsbare en geschoffeerde gemeenschap dienen of wreken. Schaamte en wraak kunnen hierbij een
206
Religie, identiteit en conflic t
belangrijke rol spelen; zij zijn gekoppeld aan de morele modellen die ik eerder besprak. De kwetsbare en geschoffeerde gemeenschap is de al dan niet verbeelde gemeenschap van bystanders die nodig is om geweld te plegen en te rechtvaardigen. Daders verbinden traumatische gebeurtenissen uit de geschiedenis van de gemeenschap vaak met persoonlijke waarnemingen van geweld en met de huidige (politieke, religieuze, economische) situatie van die gemeenschap, waardoor er een beeld kan ontstaan van een fragiele groep mensen die langdurig wordt gediscrimineerd, achtergesteld of geschoffeerd. We hebben ook gezien dat geweld niet eenvoudig is, dat geweldpleging vaak chaotisch en ongecoördineerd verloopt en dat direct contact tussen daders en slachtoffers geweld lastig maakt. Tijdens ‘morele vakanties’ ontlaadt de spanning zich soms in een frivoliteit waarbij individualiteit is opgeheven in de dynamiek van de groep. Wat Collins constateert – namelijk dat daders hun slachtoffers tijdens geweldpleging meestal niet (kunnen) aankijken – is een belangrijke notitie. We hebben bijvoorbeeld gezien dat relaties tussen daders en slachtoffers in genocidale situaties worden vermeden door slachtoffers te ontdoen van hun medemenselijkheid en daarmee van hun gelijkheid of vergelijkbaarheid met de dader en diens dierbaren. Andere kleding, uithongering, uitputting, enzovoort, zijn elementen die aan het slachtoffer worden ‘toegevoegd’ waardoor de mogelijkheid van een verbinding tussen dader en slachtoffer wordt doorgesneden en er sociale en cognitieve distantie ontstaat. Hierdoor kan het potentiële slachtoffer worden getransformeerd in het zwakke ‘monster’ waarover Jeffrey Cohen en David Smith schrijven (zie hoofdstuk drie) en wordt de mogelijkheid van geweldpleging vereenvoudigd. Daarnaast worden ook in de bredere context van het conflict dader en slachtoffer discursief van elkaar gescheiden; aan slachtoffers worden specifieke eigenschappen toegedacht die de groep waarmee de dader zich verbindt schaden. De relatie tussen beide is zwaar moreel; de dader heeft het ‘recht’ om te doen wat hij of zij doet terwijl het slachtoffer ‘terecht’ wordt bestraft. Het is immers het slachtoffer dat behoort tot een collectiviteit die probeert om de rechtvaardige orde te doorbreken, de groep waarmee de dader zich verbindt te schaden, te schofferen of zelfs uit te moorden. De aanzet tot geweld is dus moreel, maar het geweld zelf veronderstelt het creëren van een asymmetrische relatie tussen de potentiële slachtoffers en daders, waardoor daders uiteindelijk geen morele verantwoordelijkheid dragen voor hun slachtoffers als medemensen. Geweld kan zo worden bestudeerd als het gevolg van dehumanisering van slachtoffers als representanten van een kwaadaardige groep. Maar geweldpleging zelf veronderstelt hoe dan ook het overkomen van intermenselijke spanningen door de vergelijkbaarheid van slachtoffers met hun daders te minimaliseren.
Waarom plegen mensen geweld en hoe rechtvaardigen zij dit? Religie, identiteit en conflict onderzoekt deze complexe vraag vanuit een vernieuwend perspectief: geweld komt vaak voort uit een moreel oordeel dat is verbonden met (religieuze) gemeenschappen waar daders zich mee identificeren. Deze gemeenschappen worden door de geweldplegers vaak gezien als kwetsbaar en bedreigd, waardoor zij zich genoodzaakt voelen tot actie en hun geweld als rechtvaardig zien. Religie, identiteit en conflict introduceert recente theorieën over geweld vanuit diverse disciplines en biedt aan de hand van korte, prikkelende casestudy’s inzicht in de manieren waarop geweldplegers hun acties legitimeren. Waar veel literatuur geweld, en specifiek religieus geweld, benadert als ontsporing of het gevolg van agressieve overtuigingen, laat dit boek een veel genuanceerder beeld zien. Het is een must-read voor iedereen die dieper wil graven in de onderliggende mechanismen van geweld en zich afvraagt waarom mensen overgaan tot het plegen ervan. Lucien van Liere is universitair hoofddocent aan het departement voor Filosofie en Religiewetenschap aan de Universiteit Utrecht. ‘Lucien van Liere laat aan de hand van een duizelingwekkende reeks gevallen uit verleden en heden overtuigend zien hoe we met religie verbonden geweld kunnen begrijpen zonder telkens in oppervlakkige standpunten en aloude stereotypen te vervallen.’ birgit meyer, hoogleraar religiewetenschap aan de universiteit utrecht