

Renate Heru Utomo
![]()


Renate Heru Utomo
Ontwerp omslag Bart van den Tooren Ontwerp binnenwerk Sander Pinkse
isbn 9789464566178 nur 440/680
© 2026 Renate Heru Utomo, p/a Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen © 2026 Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen www.walburgpers.nl
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Zoveel mogelijk is getracht de eventuele rechthebbenden van de afbeeldingen te achterhalen. Rechthebbenden die in dit verband niet zijn benaderd wordt verzocht zich met de uitgever in verbinding te stellen.
Voorwoord 9
Deel I China
1 De theeplant ontwaakt 13
2 De oerboom 17
3 Bittere oorsprong 25
4 Tussen hemel en aarde 33
5 Het theeboek van Lu Yu 41
6 Thee als ruilmiddel: de Tea Horse Road 47
7 Keizerlijke dorst 55
8 Van poeder naar blad 63
9 De laatste dynastie 75
10 In het theehuis van duizend stemmen 85
11 Geurige bladeren en zoete rook 91
Deel II Indonesië
12 Over zee 101
13 Aan land 109
14 Onder een open hemel 119
15 Tussen de theestruiken 127
16 Het hart van Javathee 135
17 Smaaktaal 142
18 Tussen ontwaken en afscheid 149
19 De theepot, de meepot en het afzakkertje 159
20 De theestrijd van Bontekoe 167
21 Tussen gebruik en betekenis 174
22 Van theekoepel naar kippenpaleis 183
23 Een kommetje melkthee 193
24 Het afgemeten kopje thee 201
25 Tussen etalage en fabriek 212
26 Langs oude en nieuwe theepaden 227
Nawoord 241
Verder lezen 243
Beeldverantwoording 245
Thee komt oorspronkelijk uit China, waar de theeplant al duizenden jaren groeit. In de loop der eeuwen heeft de Chinese theecultuur zich enorm ontwikkeld, tot de verfijnde, lekkere thee die tegenwoordig wordt geserveerd. Inmiddels wordt thee allang niet meer uitsluitend in China geproduceerd en vinden we theeplantages in onder meer India, Sri Lanka en Argentinië.
Uiteindelijk komt de thee via vele verschillende wegen in ons kopje terecht.
Een van de meest fascinerende routes die thee historisch heeft afgelegd, begint in China en eindigt in Nederland, met Indonesië als tussenstation. Eerst verbouwd in China, vervolgens geteeld op Java, en uiteindelijk geschonken in Nederlandse kopjes.
Die beweging weerspiegelt mijn eigen familiegeschiedenis. Mijn voorouders komen oorspronkelijk uit China en trokken, generaties later, via Indonesië naar Nederland, waar ik ben geboren.
China was voor mij lange tijd een onbekend land. Er woont allang geen familie van mij meer, en mijn ouders zijn er niet geboren; ze spreken ook geen Chinees, op een paar namen van hapjes en gerechten na. De keuken van mijn oma ademde een Indonesische sfeer, vol romige kokos, geurige pandanbladeren en aromatische kruiden en specerijen, met hier en daar invloeden uit de Chinese keuken. Die geuren en smaken voelden altijd vertrouwd, als een stukje thuis met ingrediënten van ver.
Toen ik dertien was ging ik met mijn ouders en zus op vakan-
tie naar China, waar alles anders smaakte, ook de thee. Sindsdien groeide mijn nieuwsgierigheid naar culinaire verhalen. Die nieuwsgierigheid bracht me verder: via een studie sinologie in Leiden naar een certificaat als theesommelier, tot ik uiteindelijk door de Chinese overheid werd erkend als ‘Chinese Tea Taster’. Langzaam ontdekte ik de route die theebladeren afleggen voordat ze hier in de winkels terechtkomen, een route die, in ritme en beweging, soms doet denken aan de reizen van mijn familie.
Dit boek is geen wetenschappelijk werk maar een persoonlijke reis langs smaken, geuren en verhalen van en over thee. Ik heb verschillende bronnen geraadpleegd academische artikelen, oude handboeken van lokale theeproducenten, historische krantenadvertenties en oude kookboeken —, om de verhalen en routes zo zorgvuldig mogelijk in kaart te brengen. De vertalingen van klassieke Chinese teksten zijn van mijn hand.
Maar bovenal is dit boek een uitnodiging om te ontdekken hoe geschiedenis, tradities en smaken samenkomen in een kopje thee.
Renate Heru Utomo Leiden, 1 juni 2026

Fragment uit een herdruk van het Boek der Oden, met toelichting van de 12de-eeuwse geleerde Zhu Xi
Dat
mensen in de Tang-dynastie thee als meer dan alleen een dorstlesser zagen, is niet verrassend. De fascinatie voor planten, rituelen en symboliek bestond al lang, nog voordat thee werd geconsumeerd. Daarom gaan we meer dan duizend jaar terug, naar wat waarschijnlijk de oudste literaire bron van China is: het Boek der Oden (Shijing). Eeuwenlang werden de gedichten daarin mondeling doorgegeven, van generatie op generatie, tot ze in de zesde en zevende eeuw v.Chr. voor het eerst werden opgeschreven. Van oudsher wordt aangenomen dat Confucius een belangrijke rol heeft gespeeld bij het verzamelen van de teksten en dat hij ze gebruikte om zijn leerlingen iets te leren over gedrag, emoties en traditie.
De gedichten werden gezongen door boeren, herders en edelen. Ze gaan over liefde en verlangen, over de oogst, maar ook over planten en kruiden, waaronder één die tu wordt genoemd, vaak vertaald als ‘bitter kruid’. Destijds was tu een verzamelnaam voor verschillende soorten bittere kruiden. Sommige geleerden denken dat daar ook de theeplant onder werd geschaard. Of dat klopt, weet niemand zeker, maar het zou goed kunnen. Dat zou betekenen dat in dit boekwerk de allereerste schriftelijke verwijzing naar thee is te vinden.

Shennong, de mythische ontdekker van thee in de Chinese traditie
Het Boek der Oden lezen is een uitdaging, want het klassieke Chinees laat ruimte voor verschillende interpretaties. Toch valt er juist daardoor zoveel te ontdekken. Zo krijgt het woord ‘tu’ in een van de passages een bijzondere betekenis:
Ik kom door de Oostpoort naar buiten, daar zijn meisjes als wolken.
Al zijn ze als wolken, zij zijn niet degenen naar wie ik verlang

Wit gekleed met donkerblauwe hoofddoek, zij alleen verblijdt mijn hart.
Ik ga door de Achterpoort, daar zijn meisjes als tu.
Al zijn ze als tu, zij zijn niet degene naar wie ik verlang.
Wit gekleed met rode sjaal, met haar wil ik zijn.
Er zijn meisjes als wolken en als bittere kruiden (‘tu’), maar zijn hart gaat uiteindelijk uit naar één ander. Hoe dan ook vind ik het een prachtig idee dat mensen duizenden jaren geleden zongen
over meisjes als wolken of als bittere kruiden. Misschien bedoelde de dichter wel dat hij niet viel voor een verbitterd iemand.
Het Chinese woord voor thee dat we tegenwoordig gebruiken, 茶 (cha), ontstond pas vele eeuwen later. Opvallend is dat dit teken bijna gelijk is aan het oudere 荼 (tu), met slechts één horizontale streep verschil. Zo ontwikkelde het specifieke woord voor thee zich uit een algemene term voor bittere kruiden, van 荼 (tu) naar 茶 (cha). Maar onder die taalkundige verschuiving schuilt hetzelfde oeroude verhaal: van durven proberen en leren van planten. Het is een wereld waarin mythes tot leven komen, bevolkt door figuren die ons iets leren over de mens, de natuur en hun wederzijdse verbinding, en waarbinnen een mythische figuur genaamd Shennong een onmiskenbare plaats inneemt.
Deze Shennong duikt pas in latere teksten op, eeuwen na het Boek der Oden, en wordt door velen beschouwd als de legendarische ontdekker van de thee. Zonder theepotten, zonder theezakjes, en vooral zonder plan. Volgens het verhaal zat hij onder een boom met een pot kokend water, toen daar toevallig een blaadje in waaide. Zo zou in 2737 v.Chr. per ongeluk thee zijn ontstaan. Het zou waar kunnen zijn als Shennong in de beschrijvingen niet twee hoorns en een doorzichtige maag zou hebben gehad.
Volgens de mythe proefde Shennong dagelijks wilde kruiden en planten, waarbij hij zichzelf vaak vergiftigde; zijn maag werd dan zwart. Wanneer hij thee dronk, werd zijn maag weer transparant. Zo werd thee in de oudste verhalen al gezien als een medicijn.
Het verhaal over de ontdekking van Shennong ging van mond tot mond, van tekst tot tekst, totdat het uiteindelijk meer dan duizend jaar later terechtkwam in het beroemde theeboek van Lu Yu (733–804 n.Chr.). Net als veel andere schrijvers uit de Tang-dynastie koppelde hij de ontdekking van thee aan Shennong, waardoor de mythe een vaste plek kreeg in de Chinese cultuurgeschiedenis.
Tegenwoordig klinkt er steeds vaker een ander geluid, vooral vanuit Chinese wetenschappelijke hoek. Niet langer wordt de ontdekking van thee toegeschreven aan één legendarische persoon, Shennong, maar aan de collectieve kennis van bergvolkeren. Waarschijnlijk gaat het om etnische groepen in bergachtige gebieden van zuidwest-China, zoals de Ba langs de bovenloop van de rivier de Yangzi, en de Bulang, Wa en Hani in de bossen van het huidige Yunnan.
In het Drieklovendistrict, waar de grootste rivier van Azië door het landschap slingert en waar de Ba-stam ooit leefde, zijn sporen van hun cultuur teruggevonden, zoals graven, aardewerk en wapens. De grote vraag is of zij thee dronken, hoewel we weten dat ze leefden in een gebied waar van nature talloze theebomen groeiden. Dit gebied was ooit het thuis van bijzondere dieren, zoals de witte rivierdolfijn en de reuzenweekschildpad. In harmonie met de natuur verzamelden de Ba kruiden, noten en bessen, niet alleen als voedsel maar ook als medicijn. Ginseng versterkte het lichaam en kastanjes gaven warmte in de strenge winters van het ruige landschap. Zouden de Ba thee hebben gezet van wilde bladeren? Hun diepe kennis van het bos weerspiegelde immers een nauwe band tussen mens en natuur.
Een andere aannemelijke theorie over het begin van de theeconsumptie is dat mensen in de prehistorie, nog ver voor de tijd van de Ba, uit nieuwsgierigheid op theebladeren kauwden of het sap eruit zogen. Het kan zijn dat ze dit gedrag afkeken van wilde dieren. In dezelfde omgeving leefden makaken, gibbons, Aziatische zwarte beren en civetkatten die op bladeren, schors en kruiden kauwden om aan water, vezels of geneeskrachtige stoffen te komen.
Omdat in China zeer vroeg gebruik werd gemaakt van vuur is het ook goed denkbaar dat al in de prehistorie wilde theebladeren werden gekookt. Vooral in gebieden waar vlees werd bereid in potten met water, en waar de wilde theestruik overvloedig groeide, klinkt die gedachte logisch. Tijdens de Zhou-dynastie (ca. 1046–256 v.Chr.) was vuur volledig ingebed in het dagelijks

Bronzen plengbeker, gebruikt voor rituele drankoffers, China, late Shang-dynastie, ca. 1300–1050 v.Chr.
leven, in rituelen en in productieprocessen. Werd thee toen al als soep of als aftreksel bereid?
Hoewel we nu alleen maar kunnen gissen over een eventuele theeconsumptie van de Ba en in de prehistorie, kunnen zulke vragen toch ineens worden beantwoord dankzij moderne technieken en vondsten. Zo werd lange tijd gedacht dat noedels pas rond de Han-dynastie (206 v.Chr.-220 n.Chr.) waren ontstaan, toen tarweverwerkingstechnieken, zoals kneden en trekken, zich begonnen te ontwikkelen. In 2005 werd die veronderstelling on-
verwacht op zijn kop gezet. In Lajia, aan de Gele Rivier, werd onder het puin van een aardbeving en een daaropvolgende modderstroom een kom met versteende, gele noedels gevonden. Na onderzoek werd de datering van noedels in één klap met bijna tweeduizend jaar verschoven, terug naar circa 2000 v.Chr.
Het oudste fysieke bewijs van theegebruik dateert van ruim 2100 jaar geleden en is afkomstig uit het graf van keizer Jing van de Han-dynastie, nabij Xi’an. Daar werden resten van de theeplant aangetroffen. In hetzelfde graf werden ook zaden van rijst en gierst, geneeskrachtige kruiden, jaden voorwerpen en gelakte kommetjes gevonden. Deze grafgaven symboliseerden voorspoed, bescherming en status in het hiernamaals. Hoewel niet duidelijk is of thee daadwerkelijk als drank werd gebruikt of als offer, ondersteunt dit onderzoek wel het vroegst bekende gebruik van de theeplant. Er zijn zelfs nog oudere theeresten gevonden in graven uit de tijd van de Strijdende Staten in Shandong (ca. vijfde eeuw v.Chr.), al wachten de datering daarvan nog op een definitieve bevestiging. Elke nieuwe vondst kan ons beeld weer doen verschuiven, net zoals versteende gierstnoedels ooit onze culinaire tijdlijn voor noedels herschreven.
Hoewel in de loop van de tijd veel kennis verloren is gegaan, kunnen we de geschiedenis misschien op een andere manier benaderen, en wel door te proeven. Shennong krijgt in de verhalen steevast de eer, terwijl het alledaagse gebruik van planten door lokale berggemeenschappen zelden werd vastgelegd. Niemand weet precies waar het verhaal van thee begon, en ook de manier waarop deze groepen hun kruiden en bladeren bereidden, is grotendeels onbekend. Wel is duidelijk dat zij proefden, experimenteerden en leerden van wat de natuur hun gaf.
Het volgende recept laat je proeven hoe vroege theegebruikers het aanpakten: ze gebruikten thee als voedzame basis voor een eenvoudige soep met rijst en kruiden.
Ingred I ënten voor 4 personen
½ kop rijst
1 liter water
2 grote eetlepels pu’er-theebladeren stukje verse gember
1 teentje knoflook
1 lente-ui
kleine hoeveelheid wild vlees of gezouten varkensvlees
1 tl zout
Bere I d I ng
Š Was de rijst en spoel deze meerdere keren totdat het water helder is.
Š Breng het water aan de kook en voeg de gewassen rijst en de thee toe.
Š Snijd de gember in dunne schijfjes, kneus de knoflook en snijd de lente-ui in stukjes. Snijd ook het vlees in kleine stukjes.
Š Voeg de schijfjes gember, de gekneusde knoflook, de stukjes lente-ui, het vlees en het zout toe aan rijst in de pan. Laat het geheel ongeveer 60 minuten zachtjes koken, zodat alle smaken goed in de soep trekken.
Š Verwijder voor het serveren de gember. De theebladeren zijn eetbaar, maar je kunt grotere bladeren eventueel verwijderen als je dat prettiger vindt.
Š Schep de voedzame soep in kleine kommen en serveer hem warm.