[1]
110299_p001_224.indd 1
28-09-11 15:08
110299_p001_224.indd 2
28-09-11 15:08
110299_p001_224.indd 3
28-09-11 15:08
110299_p001_224.indd 4
28-09-11 15:08
Rechte stoelen, rechtschapen burgers Wonen volgens ’t Binnenhuis (1900-1929)
110299_p001_224.indd 5
28-09-11 15:08
[6]
110299_p001_224.indd 6
28-09-11 15:08
Yvonne Brentjens
Rechte stoelen, rechtschapen burgers Wonen volgens ’t Binnenhuis (1900-1929)
Gemeentemuseum Den Haag [7]
110299_p001_224.indd 7
28-09-11 15:08
Inhoud
Voorwoord Een andere kijk op ’t Binnenhuis
De klanten 11
Inleiding ’t Binnenhuis en ‘heel onze Nederlandsche Cultuur’
12
Over goede smaak en een lofzang op de krottenwoning Enkele actuele kwesties ten tijde van de oprichting
20
De grondleggers Architect Hendrik Petrus Berlage Het eerherstel van de ‘Hollandse’ huiskamer
24
Financier Carel Henny Moralisme aan de Scheveningseweg
28
Kunstnijverheidspromotor Willem Hoeker Public relations
32
Boekhandelaar Herman Gerlings Concurrentie in pure vorm
36
Bankier Julius de Gijselaar Volkskunst en kapitaal. De ongemakkelijke paradox Ontwerper en zakenman Jac. van den Bosch Een impressie van het klantenboek
Zenuwarts Pieter Bierens de Haan Filosofische gedachten over schoonheid en geluk
56
Effectenmakelaar Johannes Kerkhoven The aristocracy of the money bag
60
Wereldverbeteraar Jacob van Rees Ziet een christenanarchistische stoel er anders uit dan een socialistische?
64
Textielfabrikant Cornelis Matthijsen ‘Engelse’ stoffen voor Hollandse kamers
68
De familie Fentener van Vlissingen Interieurs met erfstukken
72
Zoutzieder François Bouvy Van oude en Nieuwe Kunst
78
Organisator Leo Simons Berlage-promotor en bewoner van het huis met het handvat
84
Gloeilampfabrikanten Gerard en Anton Philips Ambachtelijke ontwerpen voor elektrische kroonluchters
88
Werkspoor-directeur Maurits Triebels Marxisme en machinedenkers
92
Floris Verster en Albert Verwey Geldige redenen om niet bij ’t Binnenhuis te kopen
96
40
44
Grootgrondbezitter Arnold van Loon De Binnenhuis-definitie van ‘huisraad’
100
De medewerkers
Vakbondsman Henri Polak De verweten status van een landhuis in Laren
104
De medewerkers van ’t Binnenhuis en de kwestie Over bezonnenheid en onbezonnenheid
Historicus Johan Huizinga Het maatschappelijk verbond van kunst en wetenschap
110
110299_p001_224.indd 8
52
28-09-11 15:08
De hervormde familie Hofstede de Groot en de katholieke familie Van Besouw Verzuiling in de zondagse kamer Dichter Carel Adama van Scheltema Armoede inspireert Hingst, Hudig en andere maatschappelijk werkers De woningen van woninghervormers Vlaams literator Emmanuel de Bom De schone schijn van België Armenzorger Louis Blankenberg Liefdadigheid naar Vermogen Assuradeur Jan Everwijn de Graaf Mondriaan en gemeenschapskunst Politicus Florentinus Wibaut De verbetering van de arbeiderswoning
Staalmagnaat Paul Wurth Internationale erkenning in Luxemburg
188
Cargadoor Adriaan van Hengel Het dogma van de rechte rug
192
Bouwvrouwe Hélène Kröller-Müller Veramerikaniseerde boerenstoelen ter afscheid
196
Rijstpeller Jan Vis De wervingskracht van Onze Kunst
200
Dichter Willem de Mérode De Hollandse Oscar Wilde en zijn kamer
204
De vader van Martin Visser Berlage-stoelen van Jac. van den Bosch
208
Econoom Théodore Limperg Efficiency in Amsterdamse School-stijl
212
120
124
130
136
140
146
152
Spoorwegstakers en de H.IJ.S.M. Frederik van Eeden versus Jac. van den Bosch
156
Advocaat Theodore Dentz van Schaick Het verschil tussen ’t Binnenhuis en Van Wisselingh
160
Classicus Ursul Boissevain De restauratie van het verleden
166
Nabeschouwing
Sigarettenfabrikant Johannes van Kerckhof Reconstructie van een interieur
170
Medicus Jacob Rotgans Licht, lucht en ruimte
174
110299_p001_224.indd 9
184
114
De dames van Ons Huis Arm en rijk in de Rozenstraat
Koopman Bernhard Israël Catz De deftig bedoelde Jan Luijkenstraat
Kunsthistoricus Willem van der Pluym De moderne woning in kunsthistorisch perspectief
178
Rechte stoelen voor rechtschapen burgers
218
Catalogus Binnenhuis-objecten
225
De klanten van ’t Binnenhuis en hun aankopen
289
Literatuur Register op personen Colofon
363 366 368
28-09-11 15:08
110299_p001_224.indd 10
28-09-11 15:08
Voorwoord Een andere kijk op ’t Binnenhuis De afgelopen jaren heeft het Gemeentemuseum Den Haag met de regelmaat van de klok aandacht besteed aan de Nederlandse vormgeving uit de tijd van de art nouveau en art deco. De vele tentoonstellingen en publicaties waren vooral monografisch van aard en beschreven het oeuvre van een ontwerper of fabrikant. In de succesvolle tentoonstelling Berlage Totaal! en de daarbij verschenen publicatie H.P. Berlage (1856-1934). Architect en ontwerper werd de aandacht ook gericht op de clientèle van ’t Binnenhuis, de Amsterdamse interieurzaak waar de ontwerpen van Berlage werden verkocht. Deze clientèle behoorde tot de bovenlaag van de Nederlandse samenleving die hoog was opgeleid en veelal sociaal geëngageerd. In deze publicatie en tentoonstelling zijn de rollen nu eens omgedraaid en wordt de focus juist op de kopers, de klanten van ’t Binnenhuis gericht. Uitgaande van het klantenboek dat van ’t Binnenhuis bewaard is gebleven, heeft onderzoeker Yvonne Brentjens in opdracht van het Gemeentemuseum Den Haag de tot nu toe nauwelijks bekende clientèle van ’t Binnenhuis aan de vergetelheid ontrukt. Omdat van een aantal van hen ook hun aankopen bewaard zijn gebleven, kan in de publicatie en tentoonstelling Rechte stoelen, rechtschapen burgers. Wonen volgens ’t Binnenhuis (1900-1929) een fascinerend beeld worden geschetst van de culturele en intellectuele elite van Nederland in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Het Gemeentemuseum Den Haag is Yvonne Brentjens erkentelijk voor de originele en verrassende wijze waarop zij de klantenkring van ’t Binnenhuis in beeld heeft gebracht. Door de idealen van ’t Binnenhuis te toetsen aan de mensen die er kochten, toont zij aan in hoeverre deze idealen zijn gerealiseerd. De publicatie schrijft echter niet alleen de geschiedenis van ’t Binnenhuis, maar geeft ook en vooral een indringende kijk op bekende en minder bekende Nederlanders uit die tijd. Voor de heldere vormgeving van het boek stond Frederik de Wal garant. Onder de bezielende leiding van Carijn Oomkens is de publicatie bij wbooks uitgebracht. Alice de Groot van de afdeling Foto en Vorm heeft samen met collectiemedewerker Erna Onstenk de objecten van ’t Binnenhuis uit de collectie van het Gemeentemuseum vastgelegd, terwijl Jan Zweerts de voorwerpen in particulier bezit op locatie heeft gefotografeerd. Deze publicatie en tentoonstelling zouden nooit tot stand zijn gekomen dankzij de bereidwillige medewerking van de familieleden en verzamelaars van Binnenhuis objecten. Wij zijn hen zeer erkentelijk voor de loyale wijze waarop zij ons tot hun privédomein toelieten en ruimhartig meewerkten om deze andere kijk op ’t Binnenhuis mogelijk te maken. Benno Tempel, directeur
[11]
110299_p001_224.indd 11
28-09-11 15:08
‘Binnenhuisarchitecten weten altijd wat de ideale woning is – dat is de moderne woning. En eeuwenlang is de moderne woning de enige woning geweest die door de beugel kon, het enige houvast.’ Gerrit Komrij, 1978.1
[12]
110299_p001_224.indd 12
28-09-11 15:08
Inleiding ’t Binnenhuis en ‘heel onze Nederlandsche Cultuur’ 1 Komrij
1978, p. 73. Het nieuwe beschavingsoffensief was al enkele decennia eerder in gang gezet, maar de contouren tekenden zich pas rond de eeuwwisseling af. 3 Een uitzondering vormt het hoofdstuk over de klandizie van ’t Binnenhuis (families Veltman en Krijgsman), in: tent.cat. Haarlem 1976, pp. 19-26. 4 Uitnodiging in: Van den Bosch 1937, p. 55. Zie ook p. 47 en 94: zalen op begane grond en eerste verdieping, atelier op derde verdieping, woonhuis van Van den Bosch op tweede verdieping. 5 Van den Bosch 1937, p. 54. Recensies opening, in: rkd, Bosch-archief, inv.nr. 71. 6 Tent.cat. Haarlem 1976, p. 12. 7 Van den Bosch 1937, pp. 47-48. 2
e Leonie Plate-s’Jacob in haar woonkamer aan de Stationsstraat in Alphen aan den Rijn met eetkamerstoel (opus 368) en fauteuil van Jac. van den Bosch, omstreeks 1911, particuliere collectie.
Toen de dichter Gerrit Komrij (geb. 1944) in de jaren zeventig zijn schouders ophaalde over het twintigste-eeuwse belang van de Nieuwe Kunst, sprak hij tegen dovemansoren. De aandacht voor Hendrik Petrus Berlage (1856-1934) ‘en zijn volgelingen’ was zelfs groter dan ooit. In vrijwel ieder boek en iedere tentoonstelling werd de verbroedering van kunst en ambacht gezien als de grondslag van de moderne vormgeving. Gemeenschapskunst was een uiting geweest van en voor mensen die ‘eerlijk’ wilden wonen, een rationalistische missie met als boegbeeld de architect en meubelontwerper Berlage.2 Met liniaal, loodlijn en winkelhaak had hij dat wat ogenschijnlijk krom was gegroeid weer recht getrokken en zo ook had hij soberheid tot credo verheven. De discussie rond Berlages moderniteit is dertig jaar na Komrij’s badinerende uitspraak nog altijd springlevend. De toon is alleen veranderd. In kunsthistorische kringen rijpt de gedachte dat van de architect een mythe is gemaakt en begint men zich af te vragen of de Nieuwe Kunst eigenlijk wel het predicaat ‘nieuw’ of ‘modern’ mag dragen. De vroegtwintigste-eeuwse vormgeving wordt door sommigen liever gekenschetst als een retrospectieve periode in de designgeschiedenis. Bij nader inzien zou zij toch te historiserend en te conserverend van karakter zijn geweest. Deze publicatie wil de discussie graag vanuit een breder perspectief voeren, voorbij de ‘rationele’ constructies en ‘functionele’ ornamenten van Berlages meubelen die vanaf 29 september 1900 bij ’t Binnenhuis in Amsterdam te koop waren. Stoelen zijn er immers niet alleen om op te zitten of om stijlprincipes mee te demonstreren, het zijn ook dragers van een (collectieve) identiteit. Het boek richt zich daarom vooral op de klanten die de ‘verantwoord’ ontworpen huisraad voor hun woonvertrekken kochten, klanten die net als Berlage naarstig op zoek waren naar nieuw Hollands prestige of misschien wel naar zoiets als ‘klassebewuste stoelen’. Ergens in de loop van de twintigste eeuw raakten deze consumenten van de Nieuwe Kunst in de vergetelheid. Niemand die zich nog afvroeg wie die opdrachtgevers nu eigenlijk waren geweest, hoe invloedrijk zij destijds waren en of hun levensstijl ook was zoals hun huisraad.3 ’t Binnenhuis, verkooplokaal ‘ter meubileering en versiering van het interieur’ bevond zich op het Rokin 120, iets voorbij het genootschapsgebouw van Arti et Amicitiae en recht tegenover De Nederlandsche Bank. 4 In de aanloop naar de opening waren er honderden uitnodigingen verstuurd. De opkomst was groot en het publiek vooral deftig. Insiders spraken van een society gebeuren, een evenement voor de upper ten van Amsterdam.5 Er werden vooraanstaande burgers gesignaleerd en van het Spui tot aan de Munt stond de straat die middag vol met equipages.6 Eenmaal binnen, in de toonzaal, moet het dringen zijn geweest want groot was het winkelpand niet. Een smal, maar diep huis, vijf verdiepingen hoog, ingeklemd tussen twee andere herenhuizen en net breed genoeg voor een etalage. Berlage en zijn compagnons hadden lang nagedacht over een passende naam voor de firma. Uithangborden als ‘Het schoone ambacht’ en ‘Nijverheidskunst’ waren overwogen.7 Maar het werd uiteindelijk ’t Binnenhuis. De naam was geniaal in al zijn eenvoud. Bewust of onbewust appelleerde hij aan een roemrijk cultureel verleden: aan de kraakheldere Hollandse binnenkamers zoals Johannes Vermeer (1632-1675) die in
[13]
110299_p001_224.indd 13
28-09-11 15:08
de Gouden Eeuw had vastgelegd, maar ook aan de nederige boerse inkijkjes zoals Larense School-schilders die in 1900 nog krampachtig conserveerden voordat het industriële tijdperk ze definitief van de kaart veegde. In de weken vóór de feestelijke opening was er hard gewerkt aan de inrichting, vooral door de ontwerper en adjunct-directeur Jac. van den Bosch (1868-1948). Voor het opbergen van interieurstoffen was een speciale kast vervaardigd. In de etalage werd een nieuwe achterwand geplaatst en bij de zandstenen haard was een knus zitje gecreëerd. De potsierlijke ornamenten in het plafond waren verwijderd en het stucwerk was volledig vlak gemaakt.8 Twee glas-in-loodramen verenigden de attributen van ‘Kunst’ en ‘Arbeid’.9 Stukje bij beetje was een zo compleet mogelijk woonassortiment bijeen vergaard, een collectie die bol stond van artistieke zin. Nog lang niet alles, zo erkende Van den Bosch later, was even aangenaam voor het gebruik, ‘maar toch bijna vrij van oude herinneringen; als een jeugdig meisje’.10 De verkoopruimte op de begane grond toonde degelijke eiken fauteuils bekleed met een stevige katoen die door middel van houtsneden was bedrukt. Er waren recht-toe-recht-aan tafels en een haardscherm met kronkelende draak. Op de eerste verdieping vonden bezoekers een compleet ingericht vertrek. In vitrines en kasten stonden handgedraaide keramische gebruiksvoorwerpen, vaasjes, beeldjes, koperen en zilveren serviezen. Aan het plafond hingen ambachtelijk gesmede lampen. Er waren kunstzinnig bedrukte tafelkleden en kussens. Elders hingen florale
8 Notulen vergadering d.d. 11 december 1899, in:
rkd, Bosch-archief, inv.nr. 10. 9 Beide paneeltjes zijn bewaard gebleven, particuliere collectie. 10 Van den Bosch 1937, p. 57.
c Presentatiefoto van ’t Binnenhuis met mahonie bank (opus 769) uit 1908 en kamerscherm (opus 76bis) uit 1901 van Jac. van den Bosch, batiks van Chris Lebeau en staand gaslampje (opus 229) van H.P. Berlage, coll. RKD .
[14]
110299_p001_224.indd 14
28-09-11 15:08
11 Anoniem krantenknipsel, in: rkd, Bosch-archief,
inv.nr. 71. 12 Van den Bosch 1937, pp. 156-157. 13 Komrij 1978, p. 74.
cretonnes en zelfs artistieke kinderkleding ontbrak niet in het assortiment. ‘Een man als John Ruskin’, zo schreef een krant daags na de opening, ‘moet zich zoo zijn huizen, aan de kunst gewijd, hebben gedroomd’.11 De euforie rond de oprichting was maar van korte duur. Door een hevig intern conflict tussen directie en medewerkers was van de oorspronkelijke coöperatieve opzet al na een jaar niets meer over. In sterk afgeslankte vorm zette de directie van ’t Binnenhuis haar zelfopgedragen missie voort. Maar anders dan misschien heimelijk was gedroomd, zouden de relatief kostbare, handmatig vervaardigde producten nooit de grote massa bereiken. De meubelen bleven alleen bereikbaar voor welgestelde burgers, zoals in dit boek wordt beschreven. In 1915, toen het verkooplokaal er – door de financiële nasleep van een werkplaatsbrand in 1913 en het uitbreken van de oorlog – niet best voor stond, werd een dringend appèl gedaan op het geweten van de meest trouwe en meest kapitaalkrachtige klanten. In een circulaire werden zij op de hoogte gesteld van een zaak die in het belang van volk en vaderland niet kon en niet mocht verdwijnen. De ‘bekeringsijver’ van het eerste uur, de ‘pedagogische nijverheidsrage’ zoals Komrij het in 1978 formuleerde, klonk nog altijd door in deze brief, die eindigde met de retorische vraag: ‘’t Binnenhuis beteekent toch niet alleen voor ons, maar voor heel onze Nederlandsche Cultuur, meer dan een gewone “Inrichting tot meubileering der Woning”? Naar bedoeling en resultaat is het geworden het levend protest tegen sleur, leelijkheid, vervalsching, ondeugdelijkheid in de inrichting van onze huizen. Wij allen die ons niet willen omringd zien, hetzij van louter-echt of nagemaakte voorwerpen van voorleden tijden, hetzij van gewoon fabriekswerk, zouden ’t Binnenhuis al te zeer missen, indien het ons niet meer kon voorzien van zijn weloverwogen, weluitgevoerde, oorspronkelijke en smaakvolle, echt Nederlandsche meubelkunst. En zouden wij ons tegenover het komende geslacht en tegenover het Buitenland niet schamen, indien te boek gesteld werd, dat zulk een uiting van Nederlandsch kunnen, moest worden gestaakt, omdat belangstellenden niet het kleine benoodigde bedrag van vijf en twintig honderd gulden hadden weten bijeen te brengen, om het in stand te houden?’12 De noodkreet van Van den Bosch had aanvankelijk effect. Vanaf 1916 herstelde de omzet van ’t Binnenhuis zich geleidelijk. De ‘rationalistisch’ ontworpen meubelen waren toen comfortabeler en verfijnder dan ooit, maar in de loop van de jaren twintig trad onvermijdelijk de verburgerlijking in en in 1929 sloot de zaak definitief zijn deuren. Terug naar Komrij, die zich in 1978 in zijn essay ‘Is er een klassebewuste stoel? en andere mijmeringen’ boos maakte over architecten en decorateurs die schier gebukt gingen onder de heiligheid van hun taak. Ze vergaten volgens hem iets wezenlijks dat misschien alleen dichters begrijpen, namelijk dat een huis voor de mens zoiets is als een baarmoeder en een fort tegelijk.13 In uiterste frustratie riep Komrij de lezer op om zijn kamers gerust vol te zetten ‘met frutsels en prutsels, met kwikken en
f Jac. van den Bosch, eikenhouten stoel (opus 3) met gebatikte bekleding van Chris Lebeau, 1900, coll. Faculteit Bouwkunde, TU Delft, fotograaf Hans Schouten. [zie pagina 225]
[15]
110299_p001_224.indd 15
28-09-11 15:08
strikken, zet voor mijn part in elke hoek een koningsvaren in een emalje pispot, en bewaar vooral de ereplaats voor uw knolbegonia in de afgedankte droogtrommel, ik vind het best. U hebt groot gelijk’.14 Het essay is een aanrader voor elke architect of ontwerper die zichzelf al te serieus neemt. Maar ook menig architectuur- of designhistoricus zou er goed aan doen om het stuk eens grondig te lezen. Al was het alleen maar om niet verblind te raken door het aura van de ‘Schepper’ die hij of zij bestudeert en los te komen van de benepen drang om vormgeving alleen maar te willen bestuderen als de uitwerking van functionele eisen en daaruit voortvloeiende compositieschema’s. Alsof dat de enige criteria zijn die vormgeving haar relevantie geven. Het zoeken naar de ‘eeuwigheidswaarde’ van (commerciële) tendensen die per definitie zo veranderlijk zijn als de seizoenen kan bovendien leiden tot een buitenproportionele kijk op de gebruiksvoorwerpen waarmee we ons omringen. Exemplarisch is de manier waarop tot nu toe met de meubelen uit ’t Binnenhuis is omgesprongen, louter besproken in kunsthistorisch jargon en met veel aandacht voor hun rationalistische en ambachtelijke gehalte. Om die reden ook neemt de winkel aan het Rokin, later aan de Raadhuisstraat 48-50, lange tijd een prominente plaats in binnen de geschiedenis van de twintigste-eeuwse vormgeving. Petra Clarijs (1905-1985) spreekt in haar boek Een eeuw Nederlandse woning al in 1941 van een ‘streng-zakelijke Berlage-stijl’ die ook na 1910 nog altijd haar invloed zou doen gelden.15 In het proefschrift van Louis Gans (1930-1991?) uit 1960, getiteld Nieuwe Kunst. De Nederlandse bijdrage tot de Art Nouveau, wordt het initiatief uitgebreid belicht en geprezen als een van de meest geslaagde pogingen van jonge, rationalistische ontwerpers om hun idealen in de praktijk toe te passen.16 Zes jaar eerder beweert de kunsthistoricus Willem van der Pluym (1879-1960) al dat het wiskundig beredeneerde huisraad de grondslagen legt voor het latere functionalisme. In zijn overzichtswerk Vijf eeuwen binnenhuis en meubels in Nederland uit 1954 trekt hij de lijn van het ‘Berlagiaanse Rationalisme’ rechtstreeks door naar ‘de Nieuwe Zakelijkheidsbeweging’ van het interbellum.17 De monografische studie H.P. Berlage. Idea and Style. The quest for modern architecture van Pieter Singelenberg (1918-2007) richt zich in 1972 weliswaar op het architectonische oeuvre van Berlage, maar het gewicht dat deze publicatie toekent aan de bouwmeester, heeft ook zijn weerslag op de faam van diens meubelontwerpen en op zijn rol als spil binnen de vormgevingswereld.18 Enkele jaren later vindt in De Hallen in Haarlem de tentoonstelling Jac. van den Bosch en de vernieuwing van ’t Binnenhuis plaats.19 De titel alleen al spreekt boekdelen en behoeft dan ook geen nadere toelichting. Ook de latere Van den Bosch-monografie en gelijknamige tentoonstelling in het Drents Museum in Assen en Museum Kempenland in Eindhoven prijzen de invloedrijke rol van de (adjunct)directeur in de moderne interieurkunst in Nederland. ‘Zonder twijfel’, zo valt te lezen in de inleiding, ‘is het voor een niet onbelangrijk deel zijn verdienste geweest dat de Nederlandse kunstnijverheidsproductie uit de eerste decennia van deze eeuw op zo’n hoog peil heeft gestaan en tot ver in het buitenland de aandacht heeft getrokken’.20 In 1998 verschijnt de eerste publicatie die een overzicht geeft van Berlages rol als meubelontwerper: H.P. Berlage (1856-1934). Ontwerpen voor het interieur.21 In deze studie nuanceert Titus M. Eliëns voor het eerst het gangbare beeld van de strengrationele Berlage die bovendien afkerig zou zijn geweest van machines. Zijn verbintenis met ’t Binnenhuis wordt belicht in het hoofdstuk ‘Ontwerpen voor de massa’. De drang om goede en betaalbare producten op de markt te brengen, zo stelt Eliëns, kwam voort uit een socialistische levensovertuiging die Berlage met veel van zijn tijdgenoten deelde. In de praktijk echter, zo concludeert hij, kwam van die doelstelling maar weinig terecht, ‘zodat de producten van ’t Binnenhuis hun weg in hoofdzaak naar de beter gesitueerden vonden’.22 Sinds kort wordt de eerbiedwaardige status van de Nieuwe Kunst, en indirect ook die van de Binnenhuis-kamers, steeds vaker in twijfel getrokken. In zijn polemische schrift Sterrenstof. 100 jaar mythologie in de Nederlandse architectuur stelt de Groningse hoogleraar Auke van der Woud in 2008 dat het imago van Berlage al ruim honderd jaar mythische proporties heeft.23 Een gevolg van te eenzijdig en te weinig kritisch architectuurhistorisch onderzoek naar zijn mening. Terecht wijst hij op de gevaren van een ‘verpersoonlijking’ van de kunst- en architectuurgeschiedenis
14 Komrij 1978, p. 81. 15 Clarijs 1941, p. 170. 16 Gans 1966 (handelseditie, het proefschrift
verscheen in 1960). 17 Pluym 1954, p. 324. 18 Singelenberg 1972. 19 Tent.cat. Haarlem 1976. 20 Tent. cat. Assen/Eindhoven 1987, p. 7. 21 Eliëns 1998. 22 Eliëns 1998, p. 40. 23 Van der Woud 2008. Zie ook Van der Woud 1997 en Bosma e.a. 2006.
[16]
110299_p001_224.indd 16
28-09-11 15:08