Skip to main content

9789048580255.inkijk

Page 1

Het literaire werk van

Sonja Witstein Bekentenis aan Julien Delande en andere verhalen

s

M

A

s

Samenge teld, bezorgd en ingeleid door ad eindert


S.F. WITSTEIN

HET LITERAIRE WERK VAN SONJA WITSTEIN Bekentenis aan Julien Delande en andere verhalen

Samengesteld, bezorgd en ingeleid door Aad Meinderts

Amsterdam University Press

Inkijkexemplaar


Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Eva Tas Fonds en het Jaap Harten Fonds.

Omslag: portret Sonja Witstein, ca. 1937 (collectie Literatuurmuseum) Ontwerp omslag: Margreet van de Burgt Ontwerp binnenwerk: Crius Group, Hulshout isbn 978 90 4858 025 5 e-isbn 978 90 4858 026 2 (toegankelijke epub) doi 10.5117/9789048580255 nur 303 | 611 © Erven S.F. Witstein / Aad Meinderts / Amsterdam University Press B.V., Amsterdam 2026 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 jº het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden.

Inkijkexemplaar


Inhoud 7

Bekentenis aan Julien Delande

Inleiding

41 115

Green Pastures

121

De luchtballon

133

Letters rapen

143

Het bedrog

155

Treinidylle anno 1942

165

De plaat

173

De keuze van de koning

187

Dulce et decorum…

195

De dochter Dorien

201

Vleugels

207

Zeereis

211

229

Het uur van Achabisa

235

Air sylphide

De schuld

255

Verantwoording en dankwoord

271

De keus

Inkijkexemplaar


Inleiding S.F. (‘Sonja’) Witstein (1920-1978) begon als schrijver van verhalen, koos uiteindelijk voor de universiteit, waar ze wetenschappelijk onderzoek verrichtte naar de zestiende- en zeventiende-eeuwse literatuur en manifesteerde zich als actief lid van het C.O.C. Ze had in het begin van de jaren vijftig een korte, maar heftige verhouding met de vijftien jaar oudere Anna Blaman. Witsteins leven is veelbewogen te noemen. Ze was joods en werd met haar ouders in 1944 opgepakt en naar Auschwitz gedeporteerd. Haar ouders werden vermoord; zij overleefde het kamp. In 1946 verscheen haar novelle Bekentenis aan Julien Delande, haar enige afzonderlijk verschenen literaire uitgave, geschreven in 1943. Dit boek was buiten haar medeweten direct na de bevrijding in 1945 voor publicatie naar Uitgeverij Contact gestuurd, in de veronderstelling dat zij vermoord was. In kleine kring kreeg haar debuut waardering, en niet van de minsten. Willem Frederik Hermans, Anna Blaman en W.L.M.E. van Leeuwen waren enthousiast over de Bekentenis. Blaman had er zelfs liefde en ontzag voor. Een confessionele criticus als J. van Doorne was onder de indruk van het schrijftalent waarvan het boek getuigde, maar verwierp het op morele gronden. De Bekentenis kreeg onder neerlandici een cultstatus. De herdruk in 1986 werd door de criticus Frank Ligtvoet in de Volkskrant enigszins betreurd, omdat hij dit kleinood, dat hij als een waardevol persoonlijk bezit koesterde, voortaan met anderen moest delen. Naast de novelle verschenen in de tien literaire jaren van Witstein (1946-1956) nog tien verhalen in verschillende tijdschriften. 7

Inkijkexemplaar


Vijf verhalen bleven in portefeuille. Sonja Witstein wierp zich volledig op de universitaire studie van de historische letterkunde. Ze ontwikkelde zich tot een gezagvol wetenschapper en kreeg in 1956 een aanstelling bij het Instituut De Vooys voor Nederlandse taal- en letterkunde. In 1964 ging zij werken bij het Instituut voor Vergelijkend Literatuuronderzoek. Beide instituten waren gevestigd in Utrecht. Ze promoveerde in 1969 bij W.A.P. Smit op het zeventiende-eeuwse doodsgedicht: Funeraire poëzie in de Nederlandse Renaissance. Met dit proefschrift, waarin ze op basis van de klassieke retorica een theoretisch kader ontwierp voor de analyse van deze poëzie, was Witsteins naam als renaissancist gevestigd. Zes jaar later volgde als kroon op haar werk de benoeming in Leiden als hoogleraar Nederlandse letterkunde tot de Romantiek. Ook algemeen maatschappelijk roerde Witstein zich. Tekenend is dat zij in een recente tentoonstelling, Queer Utrecht Stories, uitgelicht werd als opvallende figuur in het tijdvak 1950-1960. Hieruit blijkt haar belang voor de queergemeenschap. Nadat ze lid geworden was van het C.O.C. werd zij in 1951 gekozen als lid van het afdelingsbestuur. Een jaar later nam ze als eerste vrouw zitting in het hoofdbestuur. Nog geen 10% van de leden van het C.O.C. waren toentertijd vrouw. Sonja Witstein spande zich in om hun positie te vergroten en te versterken. Zij vatte met Anna Blaman in het begin van de jaren vijftig het plan op een studie te schrijven over wat door hen het ‘lesbianisme’ werd genoemd. Helaas is die studie, te schrijven op grond van door lesbiennes in te vullen vragenlijsten, niet van de grond gekomen. Blaman en Witstein wilden de lesbische vrouw ermee in de schijnwerpers zetten. Niettemin ging Witstein onverdroten voort lesbische vrouwen te stimuleren meer op de voorgrond te treden. 8

Inkijkexemplaar


I. Biografie 1. De literaire kring ‘De Wevers’

Op 22 mei 1920 werd in Rotterdam Sonja Fortunette Witstein geboren, enig kind van de vijf jaar eerder in het huwelijk getreden Jacob Samuel Witstein (1879-1944) en Alexandrina Elisabeth Chérie Drunet (1889-1944). Haar moeder deed het huishouden en haar vader was aanvankelijk kleermaker van beroep, maar spoedig werd hij handelsreiziger in slagersartikelen; vanaf omstreeks 1920 handelde hij in confectie. In 1926 verhuisde het gezin naar Scheveningen, waar Witstein de lagere school bezocht. Over deze tijd zou ze later opmerken: ‘Wanneer je als enig kind naar de lagere school gaat, is de confrontatie met die drom andere kinderen op zichzelf al verwarrend, onplezierig.’ Als kind leidde Witstein een geïsoleerd leven; vele uren bracht zij lezend door, volledig opgaand in de wereld van het boek dat ze las. Haar favoriete kinder- en jeugdboeken speelden zich af in het verleden. Op negenjarige leeftijd waagde zij zich aan de ‘grote’ literatuur: Gösta Berling van Selma Lagerlöf. Haar middelbareschooltijd bracht zij gedeeltelijk in Den Haag en, vanaf 1938, in Amersfoort door: ‘Ik vond de tijd die ik heb doorgemaakt op het gymnasium in Amersfoort gezelliger. Amersfoort was destijds een klein stadje, iedereen kende iedereen, je maakte makkelijker contacten. Maar misschien heeft dat ook wel met het ouder worden te maken. In ieder geval ging het mij beter af dan daarvoor.’ Op het Johan van Oldenbarnevelt Gymnasium in Amersfoort bleek zij, afkomstig uit Den Haag, wereldwijzer dan de andere meisjes aldaar. Volgens een toenmalig klasgenootje bracht ze veel nieuws mee: ze introduceerde het hoofddoekje en ze 9

Inkijkexemplaar


‘had pony-haar en allemaal vastgestoken krulrolletjes op haar achterhoofd – ook “nieuw”.’ Ze behaalde het gymnasiumdiploma in juli 1941. Vlak vóór en in de eerste jaren van de oorlog maakte Witstein deel uit van de kunstzinnige kring ‘De Wevers’. Deze kring, bestaande uit twintigers en nog net geen twintigers, is voor haar intellectuele vorming van belang geweest. Mr. W.J.B. Versfelt (1896-1962), advocaat-procureur en hartstochtelijk kunstliefhebber, was de drijvende kracht achter ‘De Wevers’, waartoe behalve Witstein Dick Broekhuizen, Jacques Idserda, Joop Reinboud, Emilie Schade, Louis Tiessen, Bert Thijm en Albert Welling behoorden. Met Louis Tiessen sloot Witstein een hartelijke vriendschap. Uit de 47 lange tot zeer lange brieven die zij in de jaren ’4 1-’46 aan Tiessen schreef, zal ik veelvuldig citeren. Deze brieven, die, in de woorden van Witstein, ‘in ’t licht van litteratuur en betrekkelijke openhartigheid’ stonden, geven namelijk een helder beeld van Witsteins (literatuur) opvattingen, haar literaire voorkeuren en haar zich ontwikkelend schrijverschap. Niet alleen bevatten zij belangrijke gegevens, maar ze laten zich tevens lezen als boeiend literair werk door de gedrevenheid waarmee en de indrukwekkende stijl waarin ze geschreven zijn. Tiessen, over wie Witstein in 1942 opgemerkt heeft, dat hij ‘de grootste van de toekomstige dichtersgeneratie’ zou worden, publiceerde slechts één bundel, Afstand (1948) – latere publicaties in eigen beheer buiten beschouwing gelaten. ‘De Wevers’ kwamen gewoonlijk eenmaal in de twee maanden op zaterdagavond bijeen, vanaf 1940 in Huize Fokkerbosch, Versfelts landgoed bij Leusden. Op deze bijeenkomsten werd gesproken over ‘groote dichters, schrijvers en denkers’ en voorgelezen uit eigen werk. Ook 10

Inkijkexemplaar


werden schrijfopgaven besproken die ‘De Wevers’ met enige regelmaat van Versfelt kregen. De zaterdagavonden duurden van half acht tot tien uur, slechts onderbroken door het zingen van Bretonse liederen door Versfelts echtgenote, baronesse Hermance Marie van Hardenbroek van Ammerstol (18991952). Witstein las op deze culturele avonden onder meer haar verhalen ‘Het bedrog’, ‘Green Pastures’ en ‘Zeereis’ voor en toonde zich in gesprekken een ‘flagrant vereerder’ van S. Vestdijk. Andere schrijvers die zij, blijkens haar brieven aan Tiessen, bewonderde, of aan wie zij zich verwant voelde, waren: Bertus Aafjes, Menno ter Braak, E. du Perron, J. Slauerhoff, André Gide, Thomas Mann (met name diens Buddenbrooks), Edgar Allan Poe en Marcel Proust. 2. Oorlogsjaren

Door de steeds nijpender wordende oorlogssituatie viel de kring ‘De Wevers’ uiteen. Witstein, wier beide ouders joods waren, verhuisde in oktober 1942 met haar ouders van Pascalstraat 8 in Amersfoort naar Uiterwaardenstraat 153 (driehoog) in Amsterdam, en dook een half jaar later onder in Den Haag. Op zolder bij de ouders van een klasgenootje in Amersfoort had het gezin Witstein eerder enkele eigendommen kunnen onderbrengen. Op 30 juni 1943 schreef Witstein aan Tiessen over haar onderduik: ‘Geen superieur isolement, maar een soort laag bij de grondse bewustvernauwing, een constante radeloosheid, die zichzelf niet weet te verlossen en daarom als een slang met de kop in de staart bijt, een ringvormige wanhoop dus, ik zou je niet beter kunnen uitdrukken hoe volslagen ononderbroken en vasthoudend ze is. […] Ik verlang in mijn beste ogenblikken naar een afgelegen studeerkamer en aan 11

Inkijkexemplaar


’t zg. “volle leven”, wat me een jaar terug zo buitengemeen begerenswaardig scheen, heb ik niet de minste behoefte. Ik verlang fijnere emoties dan de grove pathetiek die de tweeeenheid leven-dood me opdringt. Ik wens te analyseren welk een leed een afgesneden luchtballon in ’t kind te weeg kan brengen of beter wat een wellustige wraakgierige vreugde. De nachtmerrie van als een citroengele vlinder een eindeloos lange en donkere trap af te duizelen of waarom de ontdekking van een eerste liefde zo’n onnoembare beschaming met zich meebrengt, boeit me duizend maal meer dan de problemen, die enghartige niet te ontwarren problemen waarmee deze tijd me vervult of beter gezegd zichzelf vervult; en mij, levend nu eenmaal in dit met alles botsende tijdperk, heeft ’t ongevraagd laten meedelen in zijn overvolheid.’ In de brieven aan Tiessen vormt het niet kunnen schrijven en de angst dat ook nooit meer te kunnen, gepaard gaande aan een schrijnend verlangen naar het schrijven, een opvallende constante. Op 1 augustus 1943 schreef ze: ‘Ik ben nog steeds niet aan litterair werk, heb wel een goed onderwerp wat me buitengewoon interesseert, maar kom in de vaart van ’t tijdsgebeuren niet tot rustige overgave.’ Ongetwijfeld tot haar eigen gelukkige verrassing voltooide zij niettemin minder dan twee maanden later de Bekentenis. In een brief aan Tiessen van 30 december 1943 typeerde Witstein, na eerst vastgesteld te hebben wat haar schrijverschap niet inhoudt, het schrijven als voorwaarde voor haar bestaan, waarbij zij uiting geeft aan de angst om ‘onmachtig tot schrijven’ te worden: ‘Ik schep geen schoonheid, ik schep geen geloof, ik schep geen ontroering tot edele machtige ideeën, die als vaste sterren boven de sterveling prijken en waarheen hij vertrouwend zijn koers richt, ik wek afschuw, schaamte en als ’t mee loopt wat bewondering, wat waardering 12

Inkijkexemplaar


omdat “ze ’t zo goed zeggen kan”. Ik heb ook geen angst dat ik geen gehoor bij m’n (of enig) volk zal vinden, ik stel mij tevreden met een kleine kring, maar de angst beslaat een veel breder gebied, want ’t enige waar ik bang voor ben is dat ik niet meer zal kunnen werken. Dat de prikkeling zal ophouden, dat ik verdorren ga, dat ik uitdroog en onmachtig tot schrijven word. Zo hevig kan die angst mij aangrijpen dat zij onder m’n dagelijkse studie me overvalt en ik me wanhopig begin te voelen. Je kunt niet weten hoe intens m’n verlangen is om te schrijven. Op een nacht heb ik ’t lot, de goden wat ’t ook is dat zich iets of niets van de stervelingen aantrekt, gesmeekt (ja lach niet Louk, maar ik kan geen minder pathetisch woord vinden om m’n stemming weer te geven) mij alles waar ik ook maar even aan gehecht ben, zelfs m’n studie als ’t moet, die m’n dagelijkse liefde vergt en uitmaakt, alsjeblieft te willen ontnemen als ik maar m’n leven lang kon blijven schrijven. ’t Schrijven is geen behoefte voor me, ’t is iets veel ergers, ’t is ademen en leven, ’t is doodgaan en geboren worden, iets dat een gruwelijke macht over mij heeft en dat ik bidden moet me te blijven onderdrukken en liefst verpletteren.’ Haar studie – zij wilde Nederlandse letteren gaan studeren aan de Rijksuniversiteit van Utrecht – vond, zo goed en zo kwaad dat onder dergelijke omstandigheden kan, tijdens de onderduik voortgang; zij vluchtte met haar ouders in Den Haag van pension naar pension. Tegen Tiessen verzweeg ze het verzetswerk dat ze verrichtte als koerierster bij de L.O., de Landelijke Organisatie voor Hulp aan onderduikers, die bijvoorbeeld illegaal distributiebonnen en valse persoonsbewijzen distribueerde. In de lente van 1944 meldde ze Tiessen opnieuw, dat ze zich ‘nog steeds niet in iets nieuws gestort heeft’ en dat ze 13

Inkijkexemplaar


sinds een paar maanden een baantje heeft op een ‘geestdodend kantoorbedrijfje’, wat op haar energie een funeste invloed heeft: ‘het doodt ’t beetje scheppingsdrift, dat ik nog in deze tijd heb overgehouden, volkomen.’ Op 11 juni 1944 stuurde Witstein haar voorlopig laatste brief aan Tiessen. Op 7 juli werd zij namelijk met haar ouders gearresteerd door C.J. Kaptein, als wachtmeester in dienst bij de Haagse politie; hij heeft Witstein en haar ouders tijdens het verhoor zwaar mishandeld. Kaptein was lid van de NSB en van de Germaanse SS en chef-rechercheur voor het Judenreferat; een wrede, fanatieke antisemiet, die schuldig is geweest aan de vervolging, mishandeling, deportatie en het bestelen van vele honderden joden. Hiervoor kreeg hij in 1949 de doodstraf. Arie van Nieuwenhuizen, opperwachtmeester / hoofdrechercheur van de Staatspolitie, lid van de NSB, het Rechtsfront en de Germaanse SS, die in wreedheid niet voor Kaptein onderdeed, was ook bij de arrestatie betrokken. Het gezin Witstein maakte op 3 september deel uit van het laatste transport vanuit Westerbork naar Auschwitz-Birkenau, waartoe ook Anne Frank en haar zus Margot behoorden. Sonja’s ouders, Jacob en Alexandrina, werden op 6 september direct na aankomst in Auschwitz vergast. Sonja overleefde het kamp. In Auschwitz had ze contact met Anne Frank (1929-1945) aan wie ze verhaaltjes vertelde om de tijd te doden. Ze raakte bevriend met de twee jaar jongere Henriëtte Sachs (19222015). Beiden maakten deel uit van de ruim 50 Nederlandse vrouwen die op 27 oktober naar het werkkamp Liebau werden getransporteerd. De vrouwen werkten daar onder andere aan de fabricage van sneeuwkettingen. Er werd gesaboteerd door de kettinghaken niet helemaal aan te drukken en het solderen 14

Inkijkexemplaar


achterwege te laten. Ook in Liebau onderhield Witstein bij tijd en wijle haar medegevangenen met verhalen. Op 8 mei 1945 werd Liebau door de Russen bevrijd. Witstein werd door diezelfde bevrijders verkracht. Henriëtte en Sonja besloten met twee andere vrouwen, Julie Verdoler en Lotte Fontein, lopend uit het kamp naar Nederland te vertrekken en kwamen na ongeveer veertien dagen, waarin ze op blote voeten ruim 300 kilometer hadden afgelegd, in Leipzig aan, dat onder Amerikaans bewind stond. Onderweg troffen ze in een onbemande trein kleren aan, waardoor ze zich van hun kampkleren konden ontdoen. In kelders van huizen in gebombardeerde steden vonden ze etenswaren. Vanuit Leipzig zijn ze na enkele dagen in een trein van het Rode Kruis naar Nederland gereisd; de trein kwam met een grote omweg, vanwege de vele kapotte rails, op 14 juli 1945 bij Roermond de grens over. Op 15 augustus 1945 deed Sonja Witstein vanuit haar ouderlijk huis, Pascalstraat 8 in Amersfoort, het schriftelijk verzoek ‘in aanmerking te mogen komen voor extra voeding’. Omdat haar gewicht, zoals zij liet weten, ‘van 125 tot 85 pond is gereduceerd’. 3. Na de oorlog: ‘Ik voel me niet meer thuis in de kunst’

Louis Tiessen waande zijn vriendin Witstein omgekomen en stuurde het manuscript van de Bekentenis in juli 1945 naar de redactie van het tijdschrift Proloog, dat uitgegeven werd door Uitgeverij Contact. De drie redactieleden, Kees Lekkerkerker, H.J. Scheepmaker en Jan Spierdijk, waren alle drie voor opname in het tijdschrift. Lekkerkerker schreef zelfs juichend op het redactieformulier: ‘Opnemen, opnemen, opnemen!!!’ Jan Spierdijk oordeelde: ‘Uitstekend werk. Denk ook aan Proloog-reeks.’ De Bekentenis zou inderdaad als tweede 15

Inkijkexemplaar


deel van de Proloog-reeks verschijnen. Voor opname in het tijdschrift Proloog was de Bekentenis sowieso te omvangrijk. In augustus 1945 ontving Tiessen tot zijn niet te beschrijven vreugde weer een levensteken van Witstein. Voordat haar novelle gedrukt werd, heeft zij zelf de definitieve tekst vastgesteld. Het boek verscheen in april 1946. Haar onderduik en de verschrikkingen van het concentratiekamp bleken haar op een ingrijpende manier veranderd te hebben. ‘Vind me niet belachelijk of sentimenteel maar m’n tranen hebben kwistig gestroomd. Want jij, meer dan iemand anders Louk, belichaamt voor mij het verleden, d.w.z. het geluk, dat ik mij nooit bewust ben geweest. Wij hebben elkaar leren verstaan in een tijd, dat ik me onbezorgd mocht overgeven aan alle schone dingen die het leven in zich borg, aan litteratuur, muziek, wetenschap. Aan al die verrukkelijke luxe die een gecultiveerd mens mocht genieten. Want dat was allemaal voorrecht, zò te mogen leven – en met ieder woord dat je mij geschreven hebt, heb ik m’n verleden – m’n overdadig weelderig verleden – “ingedronken”. Ik voel me als Lucifer, een ten val gebrachte lichtgeest, die in de hoogste hemelregionen heeft vertoefd maar misschien is er in Lucifer toch nog altijd iets voornaams gebleven, iets van zijn vroegere pracht moet hem nog omstraald hebben (anders had hij immers de mensen niet zo licht in zijn strikken kunnen vangen) maar ik heb van m’n vroeger leven alleen maar de verschrikkelijke herinnering overgehouden. Verschrikkelijk omdat ze me dag en nacht vervolgt, m’n enige metgezel in m’n tegenwoordige eenzaamheid.’ Witstein wist zich veranderd, voelde zich door haar eigen wanhoop begrensd. Begrensd omdat zij de werkelijkheid niet anders kon ervaren dan in het teken van leven en dood. ‘Die grens, die benarde horizon moet doorbroken worden 16

Inkijkexemplaar


en ik geloof dat jij alleen weet, hoe ik weer een klein beetje op wijdere zee zal kunnen varen. Want je sprak me over m’n werk, m’n novelle, m’n verhalen. Zou ik niet altijd onmiddellijk geremd worden in ’t besef dat alles wat ik schrijf maar “schimmel van gedachten” is. Erger nog, dat ik beuzel en verwaand doe want dat de dood het enig reëel bestaanbare is; om die te ontwijken moord je, steel je, vertrap je en ook alle andere overige acties en gevoelens zijn alleen op dat ene doel gericht, hoe vlucht ik zo snel en zo ver mogelijk van het onontkoombare van de dood.’ Witstein dwong zich – haar oorlogs- en kampervaringen verdringend – gewoon door te leven. Ze stortte zich op haar studie Nederlands aan de Rijksuniversiteit van Utrecht en verloofde zich met Christiaan Vlam (1916-1999), een student in de fysica. Zij zouden hun verloving na korte tijd verbreken. Ze sloot zich uit principe niet aan bij een vrouwenvereniging, maar werd lid van de studentenvereniging Unitas. In december 1945 verscheen van haar hand in het Utrechts studentenblad Vicos Voco (jaargang 20, nr. 8) het sprookje ‘De keuze van de koning’, haar eerste officiële publicatie. Op het eerste gezicht niets meer dan een niemendalletje dat ze zelf typeerde als een ‘onbeduidend’ stukje. Ze schreef het nadat ze nog geen halfjaar uit het kamp was teruggekeerd en hoe licht van toon het sprookje ook is, de wijze waarop de generaal zich aanbeveelt bij de koning, erop prat gaand dat hij ‘rasecht is, van onaangetaste staat en onvermengd in afstamming’, kan niet anders dan gezien worden als een verwijzing naar de nazi-ideologie. Ze beleefde veel plezier aan haar studie en was actief in verschillende commissies en disputen. Bij het studententoneel vertolkte ze in een stuk over Frédéric Chopin de rol van George Sand, feministe avant la lettre. In januari 17

Inkijkexemplaar


1952 studeerde ze af, nadat ze in mei 1948 haar kandidaats had behaald. ‘De studententijd is heel fijn geweest, werkelijk fantastisch. Als kind voelde ik me geïsoleerd, op het gymnasium minder, maar de grote ontplooiing waar het de sociale contacten betrof, kwam toch pas op de universiteit. Trouwens, mijn verdere leven heb ik, voor een groot deel juist dank zij intensief sociaal verkeer, bepaald als plezierig ervaren.’ Dat laatste gold ook voor haar leraarschap aan het Stedelijk Gymnasium in Utrecht, waaraan ze vanaf 1954 enkele jaren als lerares Nederlands verbonden is geweest. Over de oorlog en het kamp sprak ze nooit. Als studente woonde Witstein in hetzelfde huis als de latere schrijver G.L. Durlacher, bij het echtpaar Sander in de Utrechtse Monseigneur Van de Weteringstraat 61b, nadat ze korte tijd op Springweg 107 en vervolgens in de Brigittenstraat 22 had gewoond. Als ze niet in Utrecht was, kon ze nog steeds terecht in haar ouderlijk huis. Durlacher, die Auschwitz ook had overleefd, schreef over Witstein het verhaal ‘Sonja’ in zijn bundel Niet verstaan (1995). Liefdevol schetst hij daarin een indringend en boeiend beeld van Witsteins persoonlijkheid en van hun vriendschap. Witstein blijkt een humoristische, gedisciplineerd studerende vrouw met vele vrienden, met wie zij op haar Utrechtse zolderkamer over literatuur, politiek en maatschappelijke thema’s discussieert. Witstein toonde zich in die discussies een voorvechter voor gelijke rechten en belangen van vrouwen. Zoals ze zich ook in 1949 in een heftige polemiek stortte in Vivos Voco. In een lang artikel veegde ze de vloer aan met een mannelijke student (schrijvend onder het pseudoniem ‘Libelle’), die laatdunkend en lacherig had gereageerd op een artikel van een studente, die aandacht had gevraagd voor de achterstelling van getrouwde vrouwen na hun academische 18

Inkijkexemplaar


studie, zeker als zij moeder worden. Hun wordt, anders dan academisch gevormde mannen, een maatschappelijke carrière ontzegd. Witstein nam stevig stelling, zoals uit het volgend citaat blijkt. ‘Bovendien weet Libelle evengoed als ik dat een academisch ambt in overeenstemming met ’t vrouw-zijn doodeenvoudig niet bestaat. De wetenschap is nu eenmaal niet verdeeld in vrouwelijke en mannelijke hokjes; noch de advocatuur, noch ’t leraarschap, noch ’t predikantsambt is speciaal en afzonderlijk weggelegd voor een der beide sexen.’ Aanvankelijk was haar studie gericht op eigentijdse literatuur, maar onder invloed van haar hoogleraar W.A.P. Smit, wiens student-assistent ze zou worden, raakte ze onder de bekoring van het onderzoek naar de zestiende- en zeventiende-eeuwse letterkunde, waarvan met name de combinatie van literatuur en geschiedenis haar aantrok. Toch gaf ze als assistent van Smit ook colleges moderne literatuur. Piet Calis, schoolboekschrijver en literatuurhistoricus, herinnerde zich ruim dertig jaar na dato nog haarscherp de colleges die Witstein wijdde aan de poëzie van Gerrit Achterberg. ‘Ze legde allerlei verbanden tussen verschillende verzen, waardoor het werk van deze dichter ineens een dimensie kreeg waarvan ik tot dan toe geen vermoeden had gehad. Ik ben er haar altijd dankbaar voor gebleven.’ Het gevoel nooit meer te kunnen schrijven, dat haar tijdens de oorlog al regelmatig overviel, verhevigde zich na de oorlog. Op 27 januari 1946 schreef ze: ‘Mijn litteraire werkzaamheden zijn helaas nog steeds stopgezet. Ik zit voor een gesch.[iedenis]tentamen en de stof daarvoor neemt m’n belangstelling geheel in beslag. Ik vrees ’t allerergste, nl. dat ik voor de litteratuur, als “scheppend” individu verloren ga. ’t Valt me uiterst zwaar die constatering te doen, maar eerlijkheid tegenover me zelf drijft me ertoe. Ik geloof dat ’t 19

Inkijkexemplaar


een fout is steeds oorzaken hier voor te willen gaan zoeken, en deze dan als ’t ware als verontschuldigingen te gebruiken. Op de oorlog, op m’n familieverlies, op m’n drukke studie, op m’n verliefdheid etc. heb ik die verdorring al trachten te verhalen, maar de reden is veel eenvoudiger. Evenals een boom een tak of blad verliest, zonder merkbare oorzaak, zonder dat windstoot of kapmes er nu direct de schuld van zijn, maar eenvoudig omdat de tijd gekomen is waarop ’t blad af moest vallen, zo zie ik nu ook het einde van mijn artistieke werkzaamheid. Maar zoals ik je al zei ’t afstand doen valt mij moeilijker dan ik je zeggen kan. –’ Deze ‘herfst’ in Witsteins schrijverschap belette haar niet in de lente van 1946 aan Tiessen te vragen of hij meer afwist van een prijsvraag van Ad Interim. Dat tijdschrift zou schrijvers hebben opgeroepen vóór 1 augustus een novelle toe te sturen. In februari 1946 ging een langgekoesterde wens van Witstein en Tiessen in vervulling: samen publiceren in hetzelfde tijdschrift. In 1946 verscheen in het februarinummer van Het Woord Witsteins verhaal ‘Letters rapen’ – geen nieuw verhaal overigens; zij had het, blijkens een brief aan Tiessen van 1 januari 1946, nog in portefeuille – en in datzelfde nummer – hun namen waren op één en dezelfde pagina te lezen – werden twee gedichten van Tiessen opgenomen. Twee maanden later publiceerde Witstein in Proloog het al oudere verhaal ‘De plaat’: ‘[…] daarna stokte ik. ’t In druk zien van oud werk zonder uitzicht op nieuw was te pijnlijk voor me en gaf geen voldoening.’ In de Boekenweek van 1947 verscheen als Boekenweekgeschenk een novelle, zonder dat de auteur ervan vermeld werd, zoals enige tijd gebruikelijk is geweest. Lezers moesten raden 20

Inkijkexemplaar


wie de schrijver was van De ontmoeting, zoals de novelle dat jaar was getiteld. Witstein behoorde met 11 anderen, onder wie Antoon Coolen (die de schrijver was), Henriëtte van Eyk, Jef Last en Jan Mens tot de degenen die een novelle hadden ingestuurd. Met welk verhaal Witstein had meegedongen, is mij niet bekend. Mogelijk ‘Dulce et decorum…’, dat ze in datzelfde jaar voor Kompas der Nederlandse letterkunde afstond. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat haar ‘boekenweektekst’ ook maar bij benadering de omvang van Coolens De ontmoeting – omvangrijker dan haar Bekentenis – zou hebben gehad. Mogelijk heeft ze een verhaal ingestuurd dat ze al had liggen, misschien wel een van de verhalen die in dit boek voor het eerst worden gepubliceerd. 4. Een programmatische brief

Op 5 maart 1946 zond Witstein, ze was toen 26, Tiessen een zeer uitvoerige brief, waarin zij scherp onder woorden brengt, dat zij, om principiële, maar ook om hoogstpersoonlijke redenen (haar oorlogs- en kampervaringen) geen aansluiting vindt bij de naoorlogse culturele en literaire ontwikkelingen, zoals zij die waarnam. Deze intrigerende ‘programmatische’ brief laat ik in zijn geheel volgen, omdat hij enerzijds op welsprekende wijze een beeld geeft van Witsteins poëticale opvattingen en anderzijds illustratief is voor haar analytische geest. ‘Jij bent in staat om het “enjambement” ’40-’45 te maken. De overgang valt je niet moeilijk, je zet voort wat je begonnen bent binnen de perken die de “nieuwe tijd” je stelt. Misschien is dit een van de voornaamste verschillen tussen ons. Jij hebt de souplesse je te hervormen, of beter gezegd de tegenwoordige stroom, cultureel en sociaal bezien, stoort je ontwikkeling niet, integendeel. Ze stimuleert je. 21

Inkijkexemplaar


Ik schep geen schoonheid, ik schep geen geloof, ik schep geen ontroering tot edele machtige ideeën, die als vaste sterren boven de sterveling prijken en waarheen hij vertrouwend zijn koers richt, ik wek afschuw, schaamte en als ’t mee loopt wat bewondering, wat waardering omdat ‘ze ’t zo goed zeggen kan’. S O N J A W I T S T E I N (1920-1978) dankt haar bekendheid voornamelijk aan haar wetenschappelijke verdiensten op het gebied van de zestiende- en zeventiende-eeuwse literatuur. Als schrijver is zij echter vrijwel geheel vergeten. Witsteins literaire carrière duurde slechts tien jaar. Bekentenis aan Julien Delande (1946) schreef ze in 1943 op 23-jarige leeftijd toen ze als Joodse vrouw ondergedoken zat. De novelle kon op lof rekenen van Willem Frederik Hermans, Anna Blaman en de gezaghebbende criticus W.L.M.E. van Leeuwen en verwierf een cultstatus. In haar verhalen, die met uiterste precisie en groot gevoel voor het betekenisvolle detail geschreven zijn, verkent Witstein machtsrelaties tussen mensen en analyseert zij de eenzelvigheid van het individu dat zich buiten de ‘anderen’ geplaatst voelt. Dit boek bevat alle gepubliceerde en ongepubliceerde verhalen van Witstein. Ze worden voorafgegaan door een uitvoerige inleiding van Aad Meinderts, die een beeld schetst van haar leven en werk.

AUP.nl

9 789048 580255


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789048580255.inkijk by WBOOKS - Issuu