Skip to main content

Wageningen World 01 2026

Page 1


WAGENINGEN WORLD

Tussen smeltend ijs en massatoerisme

Pagina 32: Onderzoek op Antarctica

Kweekvlees komt eraan

Minder dierenleed en uitstoot, maar wordt het ook geaccepteerd?

Het beste noodpakket?

Dat zijn je buren, zegt Jori Kalkman. ‘Investeer in sociale relaties’

Vogelgriep bij koeien

Hoe zorgelijk is dat? Is er kans op een pandemie?

KWEEKVLEES KOMT ERAAN

Wat begint als een vloeistof met spiercellen, moet op ons bord belanden als vlees. Kweekvlees belooft veel: minder dierenleed, minder landgebruik en lagere maatschappelijke kosten. Maar is het betaalbaar en wordt het geaccepteerd?

‘EEN RAMP IS EEN SOCIALE GEBEURTENIS’

Nederlanders slaan waterflessen en batterijen in om voorbereid te zijn op een noodsituatie. Maar wie wil overleven bij een ramp, kan beter investeren in sociale relaties, zegt crisiswetenschapper Jori Kalkman.

SMELTEND IJS EN MASSATOERISME

Antarctica is afgelegen, maar niet onaangetast. Terwijl Wageningse ecologen er onder extreme omstandigheden krill, vogels en zeezoogdieren bestuderen, groeit het toerisme snel. Dat heeft grote ecologische gvolgen.

COLOFON Wageningen World is het halfjaarlijkse magazine voor relaties en alumni van Wageningen University & Research Uitgever Wageningen University & Research Eindredactie Miranda Bettonville Tekstredactie Rik Nijland Artdirection & vormgeving Petra Siebelink Vormgeving Monique Chermin Coverbeeld iStock Druk Tuijtel, Werkendam ISSN 2210-7908 Redactieadres Wageningen Campus, Droevendaalsesteeg 4, 6708 PB Wageningen, Telefoon 0317 48 40 20, wageningen.world@wur.nl Adreswijzigingen alumni alumni@wur.nl Adreswijziging relaties wageningen.world@wur.nl, o.v.v. code adreslabel Wijziging loopbaangegevens alumni@wur.nl

De missie van Wageningen University & Research is ‘To explore the potential of nature to improve the quality of life’. Binnen Wageningen University & Research bundelen Wageningen University en gespecialiseerde onderzoeksinstituten van Stichting Wageningen Research hun krachten om bij te dragen aan de oplossing van belangrijke vragen in het domein van gezonde voeding en leefomgeving. Met ongeveer 30 vestigingen, 7.900 medewerkers (7.100 fte), 2.500 PhD- en EngD-kandidaten, 12.700 studenten en ruim 80.000 Leven Lang Leren-deelnemers behoort Wageningen University & Research wereldwijd tot de aansprekende kennisinstellingen binnen haar domein. De integrale benadering van de vraagstukken en de samenwerking tussen verschillende disciplines vormen het hart van de unieke Wageningen aanpak.

WAGENINGEN WORLD ONLINE Wageningen World is ook online te lezen. Op www.wur.nl/wageningen-world zijn alle nummers als bladerbare pdf beschikbaar. Digitale abonnees ontvangen het magazine twee keer per jaar in de mailbox. Online lezen vermindert de belasting van milieu en klimaat. Voor het omzetten van uw papieren abonnement in een digitaal abonnement kunt u terecht op: www.wur.nl/ww-abonnement

klimaatneutraal natureOffice.com | NL-077-434311 gedrukt

UPDATE

Kort nieuws over onderzoek en ontwikkelingen bij Wageningen University & Research.

HOBBYTUINDERS HELPEN WETENSCHAPPERS

In project MoestuinMix verzamelen tuinders data over de groei van hun gewassen. Daarmee helpen ze onderzoekers optimale gewascombinaties te vinden.

VOGELGRIEP BIJ KOEIEN

Het vogelgriepvirus heeft dit jaar in Nederland voor het eerst een koe besmet. Dat roept vele vragen op: Kunnen mensen elkaar besmetten? Is er kans op een pandemie?

ONDERZOEK IN DE MARSSIMULATOR

Astrobioloog Rebeca Gonçalves onderzocht in het Mars Desert Research Station in de Amerikaanse staat Utah hoe je groente kunt verbouwen op Mars.

KADERRICHTLIJN WATER NADERT

De Europese deadline voor schoon water nadert, maar Nederland ligt niet op koers.

BOLLEN MET MINDER BESTRIJDINGSMIDDELEN

Onderzoekers werken aan manieren om bollen gezonder te kweken, met minder bestrijdingsmiddelen.

ALUMNI

LEVEN NA WAGENINGEN

Journalist en schrijver Frank Westerman vertrok als idealistische tropenstudent naar de Cariben, maar verloor gaandeweg zijn zekerheden.

UNIVERSITY FUND WAGENINGEN

In de Wageningse Student Challenges groeien studentideeën uit tot oplossingen met impact.

ALUMNINIEUWS

Nieuws voor en over Wageningse alumni.

PERSONALIA

Informatie over leven en loopbaan van Wageningse afgestudeerden.

DE SWITCH

Lucas Janssen koos na een carrière in de geo-informatica voor het vak van smid.

Wereldwerk uit Wageningen

‘Van Antarctica tot Mars, van kweekvlees tot vogelgriep bij koeien, dit nummer van Wageningen World laat zien hoe breed en tegelijk hoe concreet Wageningse wetenschap is. We lezen over crisismanagement en de Kaderrichtlijn

Water – hopelijk zetten we met die laatste genoeg stappen om het eerste te voorkomen.

‘Van de diepste lagen van de Weddellzee tot de rode woestijn van Utah: Wageningers zijn er, stellen vragen en werken aan antwoorden. Maar ook gewoon op Nederlandse bodem: om pesticiden- en fungicidengebruik tegen te gaan wordt hard gewerkt aan slimmere gewasmixen voor de professionele teler – met hulp van de moestuinhobbyist – én aan een schonere bollenteelt.

‘Maar dit nummer raakt me ook op een andere manier. Het verhaal van Frank Westerman, Wagenings ingenieur, journalist en schrijver, laat zien hoe een alumnus als buitenlandcorrespondent de wereld over reist om uiteindelijk weer bij Hotel De Wereld te belanden. Ik herken het: hoe je studietijd je vormt, hoe idealisme toch vaak blijkt te botsen met de realiteit, en hoe reflectie daarop je – sadder but wiser – weer verder brengt.

‘Die vorming eindigt dus zeker niet bij de diplomauitreiking. Kijk bijvoorbeeld naar onze Student Challenges. In dit nummer lees je hoe studenten doorgroeien naar ondernemers, beleidsmakers en responsible changemakers. WUR als startpunt van iets groters; je mag er op zijn minst van dromen. Hoe dat kan lopen, lees je in de interviews met deelnemers van diverse Student Challenges over waar die hen hebben gebracht. ‘Precies daarom wil ik hier ook uw aandacht vragen voor een initiatief: het Wageningen Pre-Seed en Seed Fund van Graduate Ventures, opgezet in samenwerking met het University Fund Wageningen. Een groeiende groep alumni heeft hierin al geïnvesteerd en we naderen de beoogde 10 miljoen euro. In dit initiatief wordt niet alleen kapitaal beschikbaar gesteld, maar ook het netwerk en de ondernemerservaring van alumni die zelf die stap hebben gezet. Samen met onder meer StartHub en StartLife zetten we zo Wageningse kennis aan het werk.’

Sjoukje Heimovaara, bestuursvoorzitter Wageningen University & Research

ORGANISATIE

Bezuiniging van 80 miljoen

Wageningen University & Research staat voor de opgave 80 miljoen euro te bezuinigen per 2028. Dit is een gevolg van landelijke bezuinigingen bij de ministeries van OCW en LVVN, dalende studentenaantallen en stijgende loonkosten. Ook de samenwerkingspartners van WUR staan onder financiële druk, wat invloed heeft op de onderzoeksfinanciering. 45 miljoen bezuiniging moet worden gevonden in onderzoek en onderwijs, 35 miljoen wordt bij de stafafdelingen gerealiseerd. De kostenbesparing wordt onder meer gezocht in organisatorische aanpassingen en het concentreren en het stoppen van activiteiten. De bezuinigingen hebben tot nu toe geleid tot een vermindering van circa 55 formatieplaatsen. Voor getroffen medewerkers wordt intern of extern een nieuwe functie gezocht. Info: janwillem.bol@wur.nl

IMPACT

Hulp bij duurzaam verpakken

Onderzoekers van Wageningen Food & Biobased Research presenteerden in maart de keuzehulp Duurzaam Verpakken. Dit digitale naslagwerk biedt de industrie handvatten om producten zo duurzaam mogelijk te verpakken. Er bestaan geen universele ‘juiste’ keuzes, aldus de opstellers. Verpakken vraagt om maatwerk en een zorgvuldige afweging van voor- en nadelen, zoals de uitstoot van broeikasgassen, het ontstaan van zwerfafval en het voorkomen van bederf en voedselverspilling. Info: ulphard.thodenvanvelzen@wur.nl Pdf Duurzaam verpakken: www.wur.nl/duurzaam-verpakken

MICROBIOLOGIE

CRISPR-Cas tegen leverkanker

Emeritus hoogleraar en microbioloog John van der Oost werkt aan een nieuwe variant van de CRISPR-Cas-techniek. Hij ontving de ERC Proof of Concept-beurs om de potentie ervan voor de behandeling van leverkanker te onderzoeken.

Met de nieuwe techniek kan gericht een gen in het DNA van kankercellen kapot worden geknipt, terwijl deze ‘schaar’ gezonde cellen ongemoeid laat.

De resultaten van het onderzoek naar deze methode verschenen half april in Nature. Die laten zien dat het systeem selectief kan knippen, maar nog niet dat dit ook voldoende is om tumorcellen te doden. Dat moet vervolgonderzoek aantonen.

Van der Oost ontving begin dit jaar een Proof of Concept-beurs van 150 duizend euro van

de Europese onderzoeksraad ERC om de potentie te onderzoeken van deze nieuwe techniek bij de behandeling van leverkanker. Met het geld van de beurs kunnen Van der Oost en postdoc Christian Südfeld anderhalf jaar experimenten doen. Van der Oost: ‘Het is een opstap naar meer kennis. Daarmee kunnen we samenwerkingen opstarten met kankerspecialisten van andere instituten, een grotere beurs binnenhalen en mogelijk zelfs een start-up oprichten.’

Info: christian.sudfeld@wur.nl

GEZONDHEID MENS EN DIER

Doekje toont antibioticagebruik aan

Antibioticagebruik in de veehouderij is effectief aan te tonen door met een vochtig doekje over een dier te vegen. Dat blijkt uit een praktijkstudie bij vleeskalverbedrijven in opdracht van het ministerie van LVVN en de NVWA.

Het gebruik van antibiotica is in de Nederlandse veehouderij aan strikte regels gebonden om te voorkomen dat bacteriën resistent worden – een groeiend gezondheidsrisico

voor dier en mens. Er was geen handzame manier om antibioticagebruik op te sporen bij levende dieren. Toezichthouder NVWA controleert dan ook vooral in het slachthuis. Onderzoeker Milou van de Schans van Wageningen Food Safety Research ontdekte dat met een simpel nat doekje en aanvullend laboratorium-onderzoek dat antibiotica ook al op de boerderij zijn aan te tonen. De ‘doekjestechniek’ bestond al om bepaalde bacteriën in stallen te detecteren. De methode werkt ook bij varkens, schapen, kippen en paarden.

Info: milou.vandeschans@wur.nl

Zeespiegel langs veel kusten hoger dan gedacht

Langs een groot deel van de kusten wereldwijd staat de zeespiegel hoger dan tot nu toe in de meeste onderzoeken werd aangenomen. Gemiddeld gaat het om twintig tot dertig centimeter, met uitschieters tot meer dan een meter in Zuidoost-Azië en de Pacific.

Dat blijkt uit een studie van Philip Minderhoud, universitair hoofddocent Bodemdaling en relatieve zeespiegelstijging bij de leerstoelgroep Bodemgeografie en Landschap, en ook verbonden aan Deltares. De aanleiding voor het onderzoek, waarvan de resultaten in maart verschenen in Nature, was een bezoek jaren geleden aan de Mekong-delta in Vietnam. Daar viel het Minderhoud op dat het waterpeil veel hoger stond dan internationale studies aangaven. In de jaren die volgden bleek dit op veel meer plekken zo te zijn.

ONDERWIJS VOOR PROFESSIONALS

Om te achterhalen waar deze verschillen vandaan komen, nam hij met promovendus Katharina Seeger 385 studies onder de loep over de impact van zeespiegelstijging op kustgebieden. In meer dan 90 procent daarvan zijn geen zeespiegelmetingen gebruikt maar berekende zeeniveaus, op basis van mondiale gravitatiemodellen. Omdat die geen rekening houden met de effecten van stromingen, wind en temperatuur, wijkt dat zeeniveau vaak flink af van de daadwerkelijke zeespiegel aan de kust. De grootste afwijkingen treden op in de

Verdiep je expertise deze zomer

Wat gebeurt er als je een paar dagen volledig uit je dagelijkse werk stapt en je onderdompelt in nieuwe kennis, internationale perspectieven en praktijkgerichte inzichten?

Voor Juan Fernández-Mellado, deelnemer aan de Summer School Greenhouse Horticulture van WUR, betekende het nieuwe inspiratie voor zijn saffraanbedrijf in Spanje, waardevolle contacten met experts en investeerders, en ideeën die zijn onderneming ‘naar een hoger niveau’ brachten.

Indo-Pacifische regio. Daar worden dan ook miljoenen mensen meer dan eerder gedacht bedreigd in hun bestaanszekerheid. Om de impact van zeespiegelstijging in te schatten, moet je ook weten hoe hoog het land staat ten opzichte van de zee, aldus de Wageningse onderzoekers. Zeespiegel en landhoogte worden door verschillende satellieten gemeten en ten opzichte van een ander referentievlak. Bij de koppeling van de gegevens wordt daar onvoldoende rekening mee gehouden. De onderzoekers hebben nu vier wereldwijde hoogtemodellen gekoppeld aan de meest recente zeemetingen. ‘We hopen hiermee realistischere analyses mogelijk te maken’, aldus Minderhoud. Info: philip.minderhoud@wur.nl

Video: www.wur.eu/vimeo-sea-level-rise

Ook deze zomer brengt WUR in diverse Summer Schools weer professionals en onderzoekers samen rond actuele thema’s binnen agriculture, food systems, technology en sustainability. In deze weken volgen de deelnemers colleges, werken ze aan praktijkgerichte vraagstukken en bouwen aan een internationaal netwerk.

Wil je deze zomer je expertise verdiepen en met frisse energie terugkeren naar het werk? Ontdek welke Summer School bij jou past: wur.eu/summer-schools

LANDBOUW EN BODEM

Kleilaag maakt zandgrond veel productiever

Door klei door de bovenlaag van zandgrond te mengen gaat de gewasopbrengst van mais flink omhoog. Ook verbetert de bodemstructuur en de droogtebestendigheid.

Dat blijkt uit onderzoek bij agro-innovatiecentrum De Markein Hengelo, onderdeel van Wageningen University & Research, in opdracht van de provincie Gelderland. In 2019 werden daar proefvelden met schrale

ENTOMOLOGIE

Twee vijanden voor suzuki-fruitvlieg

Een Aziatische sluipwesp die parasiteert op de larven van de suzuki-fruitvlieg heeft zich spontaan op meerdere plekken in Nederland op bramen en vlierbessen gevestigd. Dat blijkt uit veldonderzoek van Wageningen Plant Research in de zomer van 2025, waarvan de resultaten in maart zijn bekendgemaakt. Daarmee krijgt de biologische bestrijding van de fruitvlieg – een exoot uit Azië die schade veroorzaakt aan kersen en zacht fruit –mogelijk een steuntje in de rug. De komst van de sluipwesp is een verrassing. WUR introduceerde in 2025 op vijf locaties in Nederland een andere Aziatische sluipwesp die parasiteert op de fruitvlieg. Of de beide soorten sluipwespen zich in Nederland handhaven en of ze de populatie van de suzuki-fruitvlieg onder de duim kunnen houden, wordt verder onderzocht.

Info: herman.helsen@wur.nl

zandgrond verbeterd met een laag van vijf centimeter lichte of zware klei die elders over was. Voor het onderzoek werd de gewasopbrengst gemeten op basis van snijmais. Vooral de toevoeging van zware klei gaf spectaculaire resultaten. Zo steeg het percentage droge stof van mais met 7 tot 19 procent en werd tussen 2022 en 2025 een gemiddeld 19 procent hoger zetmeelgehalte gemeten – met uitschieters tot wel 35 procent.

Ook verbeterde de bodemkwaliteit. Het vochtpercentage steeg met 1 tot 2 procentpunt en het gehalte organische stof nam toe met 0,3 procentpunt. De proefvelden konden daardoor tot vier dagen langer zonder beregening dan de ‘gewone’ maispercelen. De positieve effecten zijn lang jarig, verwacht onderzoeker Robin Walvoort: ‘Over honderd jaar vind je de klei nog steeds terug.’

Info: robin.walvoort@wur.nl

LANDBOUWBELEID

Reden boerenprotest verschilt per land

De motivaties van deelnemers aan de boerenprotesten van 2024 zijn per land verschillend. Dat blijkt uit een analyse van een team van Europese onderzoekers, op basis van vragenlijsten die boeren beantwoordden.

Om inzicht te krijgen in de zorgen die ten grondslag lagen aan de onvrede bij de agrariërs kregen 2230 protesterende en nietprotesterende boeren uit vier landen open vragen voorgelegd door de onderzoekers, waaronder Yann de Mey en Jaap Sok van de leerstoelgroep Bedrijfseconomie. Duitse boeren klaagden vooral over bureaucratische regels, Franse boeren hadden veel financiële grieven, Nederlandse boeren gingen primair de straat op uit onvrede met de politiek, de Belgische boeren noemden een scala aan redenen. Opvallend is dat de antwoorden van de Nederlandse en Duitse agrariërs veel grimmiger van toon waren dan die van hun Franse en Belgische collega’s. De resultaten zijn in januari gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Food policy. Info: yann.demey@wur.nl

DIES NATALIS CHEMIE

Dies: verbeter de wereld, leer van het verleden

‘Een oprechte reflectie op het verleden zal ons helpen bouwen aan een rechtvaardiger wereld.’ Met die woorden leidde rector magnificus Carolien Kroeze op 6 maart de viering in van de 108ste Wageningse dies natalis.

Het thema voor het verjaardagsfeest van de universiteit was dit jaar: WUR in the World: Past, Present, and Future. Kroeze benadrukte dat er veel is bereikt waarop we trots kunnen zijn. Wageningen is uitgegroeid tot een sterk internationaal merk; ‘Wageningen University & Research wordt gezien als een topuniversiteit op het gebied van landbouw, voedsel en leefmilieu. Maar in ons verleden zijn ook oncomfortabele waarheden die vragen om reflectie en misschien wel schaamte.’

Historicus Larissa Schulte Nordholt van de leerstoelgroep Economic and Environmental History reflecteerde op het koloniale verleden van de universiteit. De instelling leidde begin vorige eeuw studenten op voor functies in het koloniaal bestuur, op onderzoeksstations en plantages. Daarmee vormde zij een schakel tussen Nederland en de koloniën, aldus de onderzoekster. Wetenschappelijk onderzoek werd gebruikt om koloniale landbouw te legitimeren en de

exploitatie van natuurlijke hulpbronnen in Indonesië en Suriname te ondersteunen. Bovendien droegen onderwijs en onderzoek bij aan een wereldbeeld waarin Europese kennis en expertise centraal stonden. Na de onafhankelijkheid van Indonesië en Suriname veranderden de politieke systemen, maar de onderliggende structuren bleven deels intact, constateerde Schulte Nordholt.

Zij memoreerde tijdens de dies dat het strategisch plan 2025-2028 van WUR medewerkers en studenten oproept tot reflectie en verantwoordelijkheid. Die ambitie begint bij eerlijkheid over het fundament waarop ze rust, aldus de onderzoekster. ‘WUR als instelling draagt een koloniaal verleden met zich mee. De mensen die hier nu werken en studeren zijn daar niet verantwoordelijk voor. Maar zij kunnen wel verantwoordelijkheid nemen voor wat ze ermee doen.’ Info: vincent.koperdraat@wur.nl

Furanon maken zonder giftig broom

Wageningse en Utrechtse chemici hebben een veiliger manier ontwikkeld om uit biomassa furanon te maken. Dat is een belangrijke bouwsteen voor plastics, medicijnen en geur- en smaakstoffen. Voor de productie uit biomassa is vloeibaar broom nodig, een gevaarlijke stof. Door in de reactor met stroom broom vrij te maken uit bromidezouten, hoeft geen vloeibaar broom meer te worden toegepast; het ontstaat in de reactor. De resultaten zijn in maart gepubliceerd in ChemSusChem.

Info: harry.bitter@wur.nl

Herkomst banaan controleren met AI

Onderzoeker Yamine Bouzembrak ontwikkelt een AI-model dat voedselinspecteurs kan helpen bij het verifiëren van de herkomst van bananen. Daarmee is mogelijk voedselfraude op te sporen. Bouzembrak, specialist kunstmatige intelligentie bij de leerstoelgroep Toegepaste informatiekunde, maakt daarvoor gebruik van een neuraal netwerk; een AI-systeem dat leert patronen te herkennen in kleur, vorm en textuur van gefotografeerde bananen. Na een succesvolle proef met foto’s van gebruikers van de app iNaturalist, traint zijn team nu een prototype met behulp van duizenden bananenfoto’s, om subtiele regionale verschillen te herkennen. ‘Controleurs kunnen hiermee sneller bepalen welke partijen bananen extra aandacht verdienen. Inspecteurs en laboratoria blijven essentieel om fraude definitief vast te stellen.’

Bouzembrak denkt dat me thode ook geschikt is voor bijvoorbeeld saffraan, vanille of noten, dure producten met herkenbare visuele verschillen.

Info: yamine.bouzembrak@wur.nl

MICROBIOLOGIE

Medicijn uit spons

Microbioloog Detmer Sipkema heeft van NWO ruim vier ton subsidie gekregen om interessante stoffen te winnen uit cellen van zeesponzen. Deze dieren verdedigen zich tegen belagers met een breed scala aan bioactieve stoffen, zoals antibiotica en moleculen die de celdeling remmen. Die kunnen van pas komen in de geneeskunde, maar onderzoek stagneerde doordat sponzen of losse sponscellen in het lab wegkwijnden. In 2023 lukte het Sipkema met collega’s uit Wageningen en Florida om sponscellen langdurig in leven te houden. Info: detmer.sipkema@wur.nl

AKKERBOUW

Boeren halen niet alles uit hun tarwe

Door betere keuzes te maken bij gewasrotatie, bodembeheer en teelt, kan de tarweopbrengst in Noordwest-Europa jaarlijks met 67 tot 114 kilo per hectare omhoog. Dat blijkt uit onderzoek van hoogleraar Plantaardige productiesystemen Martin van Ittersum.

Tot halverwege de jaren negentig namen de tarweopbrengsten in Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Nederland, België en Denemarken toe met gemiddeld 120 kilo per hectare per jaar. Daarna vlakte die groei af. Om de oorzaak te achterhalen, combineerde Van Ittersum experimenten en praktijkgegevens met gewasmodellen. Hij keek naar de bijdrage van genetische vooruitgang, historische klimaatverandering en agronomisch management op het boerenerf. Zowel veredeling als klimaat blijken nog ruimte te bieden voor opbrengstgroei. De oorzaak van de afvlakking is het management op het bedrijf. Info: martin.vanittersum@wur.nl

DIERECOLOGIE

Wolf beweegt zich soepel door het Nederlandse landschap

Een gezenderde wolf legde in drie maanden tijd in Nederland ruim 2500 kilometer af. Tijdens die tocht stak hij meermalen een snelweg over en zwom twee keer over de IJssel.

Dat blijkt uit onderzoek van Frank van Langevelde, hoogleraar Wildlife Ecology and Conservation. In het najaar van 2025 kreeg de mannetjeswolf een GPS-tracker om in Het Nationale Park De Hoge Veluwe, om de interactie tussen wolven, mensen en prooidieren in het park te onderzoeken. De wolf dacht daar anders over. Het dier vertrok voor een lange tocht door Overijssel en Drenthe, keerde daarna wel terug naar de Veluwe, maar naar de Veluwezoom en

Kroondomein Het Loo. Vervolgens reisde de wolf verder naar de Utrechtse Heuvelrug. ‘De gezenderde wolf laat zien hoe goed wolven zich kunnen bewegen door het Nederlandse landschap’, aldus Van Langevelde. Hij is vooral actief in de avond en nacht. Overdag schuilt het dier in dichte, jonge dennenbossen of kleinere bosschages, soms op korte afstand van wandelpaden.

Info: vincent.koperdraat@wur.nl

BIOTECHNOLOGIE

Verplaatsing overdag Verplaatsing avond en nacht

Oer-enzymen vervangen cannabisplant

Wageningse plantenwetenschappers hebben uitgestorven enzymen gereconstrueerd die miljoenen jaren geleden voorkwamen in voorouders van de cannabisplant. De enzymen speelden een rol bij de vorming van de cannabinoïden, de medicinale werkzame stoffen. In moderne cannabisplanten worden de stoffen THC, CBD en CBC geproduceerd door gespecialiseerde enzymen. De Wageningse onderzoekers laten zien dat de voorouders van deze enzymen meerdere cannabinoïden tegelijk konden produceren. De onderzoekers gebruikten voor de recon-

structie een techniek waarmee op basis van DNA van moderne planten berekend wordt hoe enzymen er miljoenen jaren geleden uitzagen. Die ‘oer-enzymen’ zijn vervolgens in het lab nagemaakt en getest. ‘Deze voorouderlijke enzymen zijn robuuster en flexibeler dan hun nazaten en dat maakt ze aantrekkelijk als startpunt voor nieuwe toepassingen in de biotechnologie en farmacie’, aldus onderzoeker Robin van Velzen. Deze enzymen blijken ook eenvoudiger te produceren in micro-organismen. Info: robin.vanvelzen@wur.nl

‘Geef ondernemers ruimte en keuzevrijheid om stikstofcrisis aan te pakken’

Vertrouwen geven aan ondernemers is een belangrijke stap om uit de stikstofcrisis te komen. Ook moet de vergunningverlening voor bedrijven op de schop. Tot die conclusies komen Wageningse stikstofonderzoekers.

Zij zetten hun visie om de patstelling rond stikstofregels te doorbreken uiteen in het rapport De Nederlandse stikstofcrisis: Van verwarring naar verbinding, dat in maart verscheen. Om de ecologische problemen als gevolg van stikstof aan te pakken, zijn ambitieuze beheerplannen nodig voor alle Natura 2000-gebieden, aldus de onderzoekers. Die moeten gericht zijn op actieve herstelmaatregelen zoals het verbeteren van de waterhuishouding en de bodemkwaliteit. Daarnaast dient er een stikstofparagraaf in de beheerplannen te staan die verwijst naar de vastgelegde vermindering van de totale stikstofuitstoot rondom elk Natura 2000-gebied. Verder moet de vergunningverlening op een andere leest worden geschoeid. De koppeling met de onzekere depositieberekeningen is achterhaald, vinden de auteurs. In plaats daarvan moet de overheid sturen op een aantoonbare bijdrage aan de wettelijk vastgelegde vermindering van de totale stikstofuitstoot per gebied. ‘Deel die toe aan bedrijven’, zegt Wim de Vries, hoogleraar Integrale stikstofeffectanalyse. ‘Geef onder-

FYSISCHE CHEMIE

nemers, boeren voorop, de verantwoordelijkheid en de keuzevrijheid om binnen die emissieruimte te komen met de meest passende maatregelen. Binnen die ruimte zijn mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling. Dit stimuleert vakmanschap en innovatie en draagt bij aan een schonere leefomgeving.’

Gerard Ros, onderzoeker bij de leerstoelgroep Earth Systems and Global Change, ziet herstel van vertrouwen als de meest fundamentele ommezwaai om uit de problemen te komen. ‘Geef boeren, beheerders en bouwers de ruimte en het vertrouwen om hun werk te doen, en vraag hen om zich daarover te verantwoorden. Zo maken we de transitie van een cultuur van wantrouwen naar een cultuur van ‘geborgd vertrouwen’. Info: janwillem.bol@wur.nl

Nieuw plastic is zowel sterk als kneedbaar

Wageningse onderzoekers hebben een nieuw type plastic ontwikkeld. Dit zogenoemde compleximeer is zowel sterk als makkelijk repareerbaar.

In gangbare plastics zijn lange molecuulketens met chemische dwarsverbindingen aan elkaar geklonken. In de nieuw ontwikkelde variant is de helft van de kettingen positief geladen, de andere helft heeft een negatieve lading. Die trekken elkaar aan. ‘Zo blijven de ketens bij elkaar, zonder

dat ze chemisch vastzitten’, vertelt Sophie van Lange van de leerstoelgroep Physical Chemistry and Soft Matter, auteur van een publicatie over het nieuwe materiaal in Nature Communications. Het plastic heeft verrassende eigenschappen waar veel van wordt verwacht: het is sterk maar toch makkelijk te vervormen. Dat opent de deur naar plastics die zich eenvoudig laten repareren of die snel biologisch afbreken.

Info: jasper.vandergucht@wur.nl

VLEES UIT DE BIOREACTOR

Kweekvlees komt era maar niet vanzelf

Wat begint als een vloeistof waarin spiercellen zich vermenigvuldigen, moet uiteindelijk op ons bord belanden als vlees. Kweekvlees belooft veel: minder dierenleed, minder landgebruik en lagere maatschappelijke kosten. De vraag is niet langer of het kan, maar of het betaalbaar is en geaccepteerd wordt.

an,

In een laboratorium van de leerstoelgroep Bioprocestechnologie in Wageningen staat sinds een paar

maanden een kleine bioreactor te pruttelen. De onderzoekers noemen het apparaat van het kaliber pizzaoven ‘Isabella’. ‘Hierin kweken we vleescellen’, zegt researchmanager Affif Grazette. ‘Daarvoor nemen we biopten van de spieren van een koe, varken of vis. We scheiden dit weefsel met enzymen en leggen de geïsoleerde spiercellen in een groeimedium. Dat is een soep van aminozuren, water, suikers en mineralen. De cellen gaan zich vervolgens delen en dan hebben we binnen een week een hompje vleescellen van honderd gram’, vertelt hij. De leerstoelgroep werkt aan het optimaliseren van het proces in de bioreactor.

Eenzelfde bioreactor staat sinds een half jaar op de melkveehouderij van Corné van Leeuwen in Schipluiden, die in de media het predicaat ‘eerste kweekvleesboerderij ter wereld’ kreeg. Het is een project van het CRAFT-consortium, met onder meer initiatiefnemer RespectFarms, Wageningen University & Research en bedrijven als Mosa Meat en Kipster. Grazette en ook de leerstoelgroep Food Quality and Design dragen bij aan het project. ‘Wij willen met de vierjarige pilot op de melkveehouderij aantonen dat kweekvlees op kleine schaal rechtstreeks op de boerderij geproduceerd kan worden’, legt Grazette uit. ‘Food Quality and Design probeert er een mooie ham-

burger, worst of gehaktbal van te maken. We onderzoeken samen met RespectFarms of we met kweekvlees de diversiteit in het business-model van individuele boeren kunnen vergroten.’

GROEIENDE EIWITVRAAG

Het idee achter kweekvlees is dat het op een duurzame, diervriendelijke manier tegemoet kan komen aan de wereldwijd groeiende eiwitbehoefte. Ondanks jaren van overheidscampagnes om minder vlees te eten en een grote stijging van het aanbod van plantaardige vleesvervangers, daalde de gemiddelde vleesconsumptie per persoon in Nederland amper, van 39 kg per persoon in 2019 tot 37 kg in 2024. Wereldwijd groeit de vleesconsumptie zelfs elk jaar met 3 procent.

De voordelen van gekweekt vlees ten opzichte van gangbaar vlees lijken evident. Er is geen intensieve veehouderij voor nodig, geen import van soja uit Brazilië en er wordt geen mest geproduceerd; het is dus geen bron van stikstof of watervervuiling. De productie is efficienter, want er hoeft tijdens de groei van de cellen geen energie naar botten en pezen te gaan. Er is minder land voor nodig, en de milieuwinst is groot als de aminozuren in het groeimedium niet uit soja komen maar uit lokaal beschikbare eiwitrijke biomassa zoals algen of gras. Er is wel meer energie nodig voor kweekvlees. Zolang dit geheel of gedeeltelijk fossiele energie is, is de milieu-

‘Een vleesklompje uit de bioreactor is steeds beter tot een gehaktballetje of worst te vormen’

impact daarvan hoger dan van conventioneel vlees. Grazette verwacht dat kweekvlees een vooraanstaande plaats kan innemen in de eiwittransitie. ‘Dat vlees- of vetklompje uit de bioreactor is steeds beter tot een lookalike gehaktballetje of worst te vormen. Ook paté of een hamburger is geen probleem’, zegt hij. In Singapore, Israël, de Verenigde Staten en ook in Engeland is dergelijk kweekvlees op de markt toegestaan. Grazette proefde in Singapore kweek-kwartelvlees, vertelt hij.

‘Het smaakte naar kip.’

In de EU is het nog niet zover. Wel hebben tal van start-ups een aanvraag voor toelating van hun kweekvleesproducten gedaan bij de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA). Daarna moet ook het Europees Parlement groen licht geven.

Een gehaktbal, worst of paté is relatief gemakkelijk te produceren, maar de weg naar een gekweekte steak is een stuk lastiger. ‘Een steak vergt een structuur van spierweefsel en een mooie dooradering van vetcellen.

We moeten daarvoor bovendien een vorm of matrix hebben waarin de verschillende cellen kunnen groeien. Die matrix zelf moet verteerbaar zijn, en liefst ook lekker’, zegt Grazette. Hij verwacht dat zo’n steak over vijf tot tien jaar op de markt kan zijn.

PRIJS OMLAAG

Meer dan de technoligie zullen de kosten waarschijnlijk een hobbel vormen om op de markt door te dringen, zegt René Wijffels, hoogleraar bioprocestechnologie in Wageningen. ‘De eerste kweekvleeshamburger, in 2013 ontwikkeld door weefselkweekexpert Mark Post van de Universiteit van Maastricht, kostte 250 duizend euro. Nu is de prijs gezakt tot 50 euro per kilo, maar dat moet nog veel minder worden. Posts start-upbedrijf Mosa Meat stelt dat de prijs van een conventionele hamburger te benaderen is.’

Wat niet helpt, is dat er van de circa 120 start-ups die zich richten op kweekvlees wereldwijd al ettelijke zijn omgevallen, waaronder Meatable in Leiden. Het bedrijf haalde aanvankelijk veel geld op bij durfinvesteerders die werden aangelokt door de voordelen van kweekvlees. Maar snelle winsten bleven uit, omdat er tijd nodig is voor de technologieontwikkeling en door de zeker in Europa langdurige toelatingsprocedures van de voedsel- en

warenautoriteiten. Wat de snelheid evenmin bespoedigde, is dat Meatable werkte met genetisch gemodificeerde stamcellen, geen pluspunt in Europa. De andere bekende Nederlandse kweekvlees-start-up Mosa Meat heeft meer betrokken investeerders, waaronder Nutreco. Ook Grazette en Wijffels zitten voorlopig goed. ‘We kregen in 2022 zestig miljoen euro uit het toenmalige Groeifonds voor de ontwikkeling van cellulaire agricultuur, zoals kweekvlees en precisiefermentatie, om de transitie naar duurzame voedselproductie te versnellen’, zegt Wijffels. In het Groeifondsconsortium Cellulaire Agricultuur in Nederland (CAN), met ook onderzoek naar celkweek van zalm, inktvis en kabeljauw, werken Wageningen, Maastricht en ook de TU Delft nauw samen.

SLAGERSVAKSCHOLEN

Wijffels roemt ook de ontwikkelingen in het onderwijs. ‘Negentig studenten volgen vakken in precisiefermentatie, kweekvlees, consumentenacceptatie en regelgeving. Zij kunnen ook afstudeeronderzoek doen in deze richtingen en werken aan het ontwerpen van processen. Alleen al in Wageningen doen tien aio’s onderzoek op deze vlakken. Maar ook in het hbo en mbo is veel belangstelling. Zo gaan de twintig slagersvakscholen in Nederland kweekvlees in het onderwijs meenemen. De slagerij zal in de toekomst steeds meer innovatieve producten in het assortiment hebben en ook combinaties van plantaardig en vlees.’

Hoewel Wijffels het onderzoek naar de ultieme kweeksteak niet wil afvallen, denkt hij dat de doorbraak eerder zal liggen in de bijdrage van gekweekt vlees aan verbetering van plantaardige vleesvervangers. Wijffels proefde ooit een kweekvleesburger. ‘Het was een plantaardige burger waarvan bijna een vijfde deel uit gekweekte vetcellen bestond. Het smaakte als een normale hamburger, heel anders dan een vegaburger.’ Door de vetcellen worden de plantaardige burgers smeuïger, zegt hij. ‘Dat zal meer mensen over de streep trekken. Dergelijke hybride producten hebben de toekomst. Uit onderzoek van Good Food Institute blijkt dat zestig tot zeventig procent van de Nederlandse consumenten hybride producten wil accepteren. In landen als Italië en vooral Frankrijk ligt die acceptatie overigens lager, vanwege de

‘Dat boeren zowel vee houden als kweekvlees maken, kun je zien als de comeback van het gemengd bedrijf’

angst bij zowel consumenten als producenten dat de traditionele vleessector zal verdwijnen.’

De vleessector kan ook op maatschappelijke kosten worden geklopt, blijkt uit onderzoek van Wageningen Social & Economic Research. ‘Als we de verwachte maatschappelijke kosten in gekweekt vlees voor het jaar 2030 afzetten tegen die van conventioneel vlees, dan kan de kiloprijs van kweekvlees tegen die tijd meer dan twee tot vier keer lager zijn’, zegt Jonna Snoek, onderzoeker duurzaamheid. Daarbij gaat ze ervan uit dat alle boerderijen, zowel conventionele als kweekvleesboerderijen, zijn voorzien van zonnepanelen op het dak en een duurzamere energiemix aan het net onttrekken.

Snoek is gespecialiseerd in maatschappelijke kostenanalyse, de zogenoemde true cost accounting (TCA). ‘Daarbij worden de nu niet meegerekende maatschappelijke kosten als landgebruik, mest, stikstof, energie, klimaat, dierenwelzijn en arbeidsomstandigheden in de prijs van vlees verdisconteerd’, zegt ze. Kweekvlees scoort op papier op vrijwel alle fronten beter, behalve op het gebruik van energie en water. ‘Bij de productie van kweekvlees wordt leidingwater gebruikt, terwijl de teelt

GROW MEAT, NOT ANIMALS

De internationale stichting RespectFarms is de initiatiefnemer en drijvende kracht van het concept ‘kweekvlees op de boerderij’, met ‘Grow meat, not animals’ als slogan. Het consortium CRAFT (Cellulair Revolution in Agriculture and Farming Technology) dat naast RespectFarms bestaat uit Wageningen University & Research, Mosa Meat, Aleph Farms, Multus, Kipster en Royal Kuijpers, levert de technologie en expertise om kweekvlees op boerderijschaal te produceren. Onder meer ontwerpen, bouwen en optimaliseren de consortiumleden de bioreactoren. De kweekvleesboerderij in Schipluiden wordt gezien als de eerste poging ter wereld om celkweek en traditionele landbouw te combineren. Het pilotproject moet een bedrijfsmodel opleveren dat enerzijds fundamenteel nieuw is en anderzijds stoelt op de eeuwenoude cultuur van het gemengd bedrijf.

van veevoer voornamelijk regenwater vergt’, aldus Snoek. Arnout Fischer van de leerstoelgroep Marktkunde en Consumentengedrag constateert op basis van eigen onderzoek ‘gemengde gevoelens’ bij consumenten. ‘Kweekvlees is een lastig begrip’, zegt hij. ‘Het suggereert ‘vlees’ en dat staat in de beleving van mensen gelijk aan het doden van dieren, maar dat is niet aan de orde. Tegelijkertijd wil kweekvlees niet worden geassocieerd met plantaardige vleesvervangers omdat het immers wel dierlijk weefsel bevat.’

En er speelt nog een ongerijmdheid als ook melkveehouders zich gaan toeleggen op kweekvlees. ‘Bij de consument blijft het beeld bestaan van een boer op klompen, met een emmer en een riek. En dat associeert slecht met kweekvlees uit een bioreactor.’

Belangrijk is dat gekweekt vlees, wil het succesvol doordringen in de consumentenmarkt, aan drie belangrijke voorwaarden voldoet, doceert Fischer, die is gespecialiseerd in mens-voedselrelaties. ‘Kweekvlees moet smaak hebben, gemakkelijk te vinden zijn en een billijke prijs hebben.’

Hij is op dit punt ook kritisch op de plantaardige vleesvervangers. ‘De smaak is weliswaar steeds verbeterd, maar de smeuïgheid kan beter. Consumenten zien de prijs bovendien als best pittig, al komen de huismerken sterk opzetten met vervangers met een goede prijs-kwaliteitverhouding. Bovendien zijn ze steeds beter zichtbaar in de schappen van de supermarkt en doen ze mee met populaire aanbiedingen als ‘tweede halve prijs’.’

IN DE SUPERMARKT

Kweekvlees is nog lang niet zover. De betrokkenen denken dat het nog vijf tot tien jaar duurt eer het in de EU is toegelaten en in het koelvak van de supermarkt ligt. Tegen die tijd zal de prijs flink lager moeten zijn dan de 50 euro per kilo die het nu kost, denkt ook Fischer. Deze kostprijs betekent dat een consument in de supermarkt 200 euro voor een kilootje kweekvlees zou moeten neertellen. ‘De kweekvleessector moet er bovendien in slagen producten te maken met een vezelige structuur die eruit zien als een mooi stuk vlees.’

De Wageningse marktkundige adviseert de kweekvleespioniers zich daarom ook toe te leggen op een niche als foie gras, ‘vette lever’ van eend en gans. ‘De romige

smaak en textuur en het zachte vet zijn relatief makkelijk te kweken. De gangbare producten zijn peperduur en omstreden vanwege de dieronvriendelijke productie, waarbij dieren via dwangvoeding worden vetgemest.’ Net als Wijffels ziet Fischer ook kansen in het mengen van gekweekte vetcellen met plantaardige producten.

KLEINSCHALIGE TOEPASSING

Bij de gedachte aan kweekvleesproductie komt waarschijnlijk een beeld op van een industriële setting met cleane omstandigheden, waar bioreactoren staan te pruttelen. Het RespectFarms-onderzoek zich nadrukkelijk op kleinschalige toepassingen, zoals de melkveehouder die naast zijn koeien ook bioreactoren heeft staan. Dat past in het streven van het verbreden van de inkomstenbronnen in de veehouderij. Hoogleraar Wijffels kan niet zeggen welke richting gaat winnen; opschalen naar groot of ‘uitschalen’ naar klein. ‘Misschien is er ruimte voor allebei’, denkt hij. Hij trekt een parallel met bier. ‘Er is ruimte voor grote multinationale bierproducenten, maar ook voor de vele regionale en zelfs lokale bierbrouwerijen. Als boeren zowel veehouder als kweekvleesmaker worden, kun je dat zien als de comeback van het gemengd bedrijf, zeker als ze grondstoffen uit reststromen van de akkerbouw weten te maken. Het staat of valt met een business-model voor boeren.’ Op de eerste kweekvleesboerderij ter wereld in Schipluiden gaat melkveehouder Corné van Leeuwen voor zo’n gemengd bedrijf. In een pilotproject voor vier jaar, tot 2030, kweekt hij vlees met de cellen van zijn koeien.

‘Wij denken dat niet alleen melkveehouders als Corné, maar ook akkerbouwers kweekvle es kunnen maken en daarmee jaarrond inkomen hebben’, zegt Ira van Eelen, een van de initiatiefnemers van RespectFarms. ‘Ze kunnen dan elke week oogsten uit de bioreactor.’ Van Eelen is de dochter van Willem van Eelen, die tijdens zijn studie geneeskunde in 1948 als eerste in Nederland een lans brak voor kweekvlees. ‘Wij hadden het er rond 1975 thuis al over dat er vier planeten nodig zouden zijn als China een economische grootmacht zou worden en ze evenveel vlees zouden gaan eten als wij’, zegt Van Eelen. Later verwierf haar vader een patent op het proces dat toen ‘in vitro meat’ heette.

Ze denkt dat kweekvlees heel goed mogelijk is op een boerderij. ‘In veel veehouderijen, zoals bij kippen en varkens, heersen al strenge hygiënische eisen. Het staat of valt ermee of we er een goed verdienmodel van weten te maken. Dan krijgen we de boeren wel mee’, is haar overtuiging. Van Leeuwen ziet de toekomst alvast zonnig tegemoet, zo meldde hij bij de opening van zijn kweekvleesboerderij. Hij heeft ook een traditie hoog te houden. ‘Wij hadden de eerste melkrobot ter wereld. Ik zie hier straks ook het eerste kweekvlees van Europa in de schappen van regionale supermarkten liggen. Mijn kaas ligt daar ook, dus waarom niet ook kweekvlees. Er zal in deze regio met Den Haag, Rotterdam, Delft en Leiden in de buurt best een markt voor zijn.’ W

Meer informatie: www.wur.nl/cellulaire-agricultuur

Moestuinier zoekt uit welke gewassen elkaar versterken

Welke gewassen doen het beter naast elkaar – en waarom?

In project MoestuinMix verzamelen duizenden hobbytuinders data over groei, opbrengst en insecten op hun gewassen. Hun observaties helpen onderzoekers optimale gewascombinaties te vinden.

TEKST TEFKE VAN DIJK

Duizenden moestuiniers in Nederland zijn dit voorjaar weer in de weer gegaan met zaaien, meten en wegen van tuinbonen en rode biet, voor het project Moestuinmix. Ze registreren de opkomst, planthoogte, bloeitijd en de opbrengst. Met ruim 2.300 aanmeldingen is de derde editie een recordjaar. ‘We werden overvallen door ons eigen succes’,

zegt projectleider Yvonne Florissen. Het doel van het project is achterhalen welke gewascombinaties elkaar versterken. ‘Elke deelnemer test dit jaar de combinatie tuinboon-rode biet en daarnaast tuinboon met een gewas naar keuze. Deze twee paren worden vervolgens vergeleken, om de prestaties van de tuinbonen met verschillende buren te kunnen meten.’ Fanatieke deelnemers

kunnen ook melden welke insecten ze zien: bestuivers zoals bijen en zweefvliegen, maar ook plagen zoals bladluizen. Ook ziekten, schimmels en algemene groeiproblemen leggen ze vast. Al deze gegevens samen laten zien welke combinaties goed werken. Florissen en haar collega Zoë Delamore leiden dit citizen scienceproject vanuit het Laboratorium voor Entomologie. Iedere

Deelnemers aan het project Moestuinmix kweken tuinbonen naast een ander gewas en registreren onder meer planthoogte, ziektes en opbrengst.

deelnemende moestuinier ontvangt zaden en een uitgebreide handleiding met instructies voor het registreren van alle meetgegevens, en geeft in ruil kennis terug. Uiteindelijk vormen alle stukjes kennis samen het geheel waarmee onderzoekers beter begrijpen hoe gewassen elkaar kunnen versterken.

PLAAGONDERDRUKKING

MoestuinMix maakt deel uit van het vijfarige onderzoeksprogramma CropMix, dat onderzoekt hoe gewasdiversiteit kan bijdragen aan duurzamere landbouw. Het programma richt zich op ecologische teeltmethoden, biodiversiteit en natuurlijke plaagonderdrukking; processen die door jaren van monocultuur in de landbouw grotendeels zijn verdwenen. ‘CropMix bestaat uit zo’n 70 onderzoekers, 35 consortiumpartners en een netwerk van ongeveer 25 boeren die allemaal een vorm van strokenteelt toepassen’, vertelt Florissen. ‘Maar we wilden ook burgers betrekken, en moestuiniers zijn daarvoor bij uitstek geschikt.’

In tegenstelling tot moderne akkerbouwers werken moestuiniers van nature al met gewasdiversiteit. Ze wisselen gewassen af, combineren soorten en letten op plagen. Vaak op basis van ervaring die generaties teruggaat. ‘Er zit veel inheemse kennis bij moestuiniers’, aldus Delamore. ‘Mensen zeggen bijvoorbeeld al jaren dat uien en wortels goed samengaan. Maar werkt dat écht? En waarom?’

De eerste twee jaren van het project leverden al opvallende inzichten. Zo doet de tuinboon het beter naast snijbiet dan naast rode biet, ondanks de nauwe verwantschap van die twee gewassen. Delamore: ‘Dat roept vragen op. Waarom is het ene gewas een betere buur dan het andere? We zien bovendien dat gewascombinaties niet op alle aspecten even goed scoren. Zo kan een bepaalde combinatie goed zijn tegen plaaginsecten, maar tegelijk ook minder bestuivers aantrekken.’ Werken met duizenden burgerwetenschappers brengt onvermijdelijk variatie met zich mee. Niet iedereen zaait, meet of rapporteert precies volgens de richtlijnen. ‘We geven deelnemers bewust veel vrijheid, zodat het past in hun tuin. Maar dat betekent ook dat er veel variabelen zijn’, legt Florissen uit. ‘Toch levert het een enorme waarde: we krijgen data vanuit heel Nederland, op verschillende grondsoorten en in uiteenlopende omstandigheden.’

DE TUIN ALS LESLOKAAL

Voor deelnemer Jeroen Piël uit Blaricum is het de combinatie van wetenschap en educatie die MoestuinMix bijzonder maakt. Hij werkt als vrijwilliger op de Educatieve Moestuin in Eemnes en ontvangt jaarlijks basisschoolkinderen, middelbare scholieren en dit jaar zelfs kleuters. De tuin doet dit voorjaar voor de derde keer mee aan MoestuinMix. Piël laat de bezoekers zien hoe hij bijdraagt aan het onderzoek. ‘We

‘Er zit veel inheemse kennis bij moestuiniers’

meten hoe hoog planten worden, wanneer ze bloeien en hoeveel peulen eraan zitten. Kinderen vinden het prachtig dat deze gegevens naar Wageningen gaan.’

De inzichten uit MoestuinMix vormen ook input voor vervolgonderzoek. Op basis van veelbelovende combinaties wil het CropMixteam experimenten opzetten in gecontroleerde, akkerbouwachtige omstandigheden. ‘Dan kunnen we zien welke combinaties opschaalbaar zijn naar professionele teelt’, legt Florissen uit. Delamore hoopt bovendien dat de grote hoeveelheid nieuwe data in 2026 leidt tot scherpere inzichten: ‘We willen uiteindelijk adviezen kunnen formuleren die ook telers kunnen gebruiken.’

Voor boeren kan combinatieteelt een manier zijn om risico’s te spreiden, een strategie die in een veranderend klimaat steeds belangrijker wordt. ‘Bij monoculturen is de kwetsbaarheid groot’, zegt Florissen. ‘Door gewassen te combineren, kun je schade door plagen of extreme weersomstandigheden beperken.’

Voor deelnemers is het inspirerend om te zien hoe hun kleine bijdrage onderdeel wordt van een groter geheel. ‘Het idee dat je als moestuinier meewerkt aan onderzoek dat invloed kan hebben op de landbouw van de toekomst, vind ik geweldig’, zegt Piël. ‘Al is het maar op kleine schaal.’ W

Meer informatie: www.cropmix.nl

Vogelgriep bij koeien:

Het vogelgriepvirus heeft dit jaar in Nederland voor het eerst een koe besmet. Bij de vogelgriepgolf onder koeien in de VS raken ook mensen besmet. Kan dat in Europa ook gebeuren? Kunnen mensen elkaar besmetten? Is er kans op een pandemie?

TEKST PAULINE VAN SCHAYCK FOTO'S SHUTTERSTOCK

hoe zorgelijk is dat?

Lange tijd trof het vogelgriepvirus H5N1 vrijwel alleen wilde vogels en pluimvee, maar zo’n vijf jaar geleden kregen nieuwe, zeer besmettelijke varianten van het virus de overhand. De sterfte onder vogels nam flink toe maar ook zoogdieren begonnen de ziekte te krijgen, zoals vossen, dassen en zeehonden die geïnfecteerde vogels aten of in contact kwamen met vogelpoep. Ook werden besmettingen en sterfgevallen onder huiskatten vastgesteld. ‘Al die gevallen staan op zichzelf en zijn relatief zeldzaam. We zagen tot voor kort geen verspreiding van zoogdier naar zoogdier’, zegt Mónika Ballmann, viroloog bij Wageningen Bioveterinary

Research (WBVR). Als hoofd van het Nationaal Referentielaboratorium voor Aviaire Influenza is zij verantwoordelijk voor de diagnostiek van vogelgriep. In 2024 veranderde het beeld, toen in de VS een golf van besmettingen onder koeien rondging. ‘Dat was de eerste grootschalige uitbraak onder zoogdieren, veroorzaakt door een Amerikaanse vogelgriepstam’, zegt onderzoeker Luca Bordes, die zich bij WBVR richt op vogelgriepinfecties bij zoogdieren. Hij ontdekte dat ook de Europese H5N1-stammen zich kunnen vermenigvuldigen in het luchtwegepitheelcellen van runderen. Het werd al snel duidelijk dat koeien van het virus

‘Tot nu toe is dit de enige infectie bij koeien buiten de VS’

meestal alleen milde griepverschijnselen krijgen. De melk ondergaat een standaard behandeling die het virus onschadelijk maakt voor consumenten.

In de VS werden echter niet alleen koeien, maar ook mensen besmet. Het aantal besmettingen ligt inmiddels rond de zeventig. Net als bij koeien, verloopt de ziekte bij de meeste mensen relatief mild. Zij krijgen vaak een oogontsteking. Wereldwijd nemen nu de zorgen toe dat vogelgriep zich steeds meer aanpast aan zoogdieren. Dat betekent dat meer wilde zoogdieren, landbouwhuisdieren en mensen getroffen kunnen worden. ‘Als dat gebeurt, ligt een pandemie op de loer’, zegt Bordes. Nederland werd in januari 2026 voor het eerst opgeschrikt door het bericht dat er antilichamen tegen vogelgriep waren aangetroffen bij een koe. Ballmann en Bordes beantwoorden enkele van de vragen die dit oproept.

Hoe is ontdekt dat deze Nederlandse koe besmet was met het vogelgriepvirus?

Ballmann: ‘Dat gebeurde via een zieke kat, die toegang had tot het weiland en de stal van de koeien. Toen deze kat in december 2025 aan griepverschijnselen overleed, ontstond het vermoeden van vogelgriep. Een PCR-test bevestigde dit. Mogelijk heeft de kat vogelgriep opgelopen door het eten van een dode vogel. Op dit Friese bedrijf had één koe ook vlak daarvoor symptomen van uierontsteking gehad. De melk van deze koe was ook dikker dan normaal en gelig van kleur. Dat was geen alarmsignaal voor de boer of de dierenarts, omdat uierontsteking ook vaak door andere ziekten wordt veroorzaakt. Maar zodra vogelgriep in vogels wordt vastgesteld, testen we ook andere gevoelige diersoorten, zoals melkkoeien.

‘In eerste instantie werden melkmonsters onderzocht. Deze testen waren negatief, wat betekende dat er op dat moment geen actieve virusinfectie was. Maar één monster testte duidelijk positief op antilichamen tegen het H5N1-virus. Dit wijst op een eerdere infectie. Er waren

nog een paar twijfelgevallen, daarom volgde een tweede bemonstering. Van alle koeien verzamelden we bloedmonsters, en van alle melkgevende koeien verzamelden we melkmonsters. Daaruit bleek dat er meerdere koeien besmet waren geweest.‘

Hoe kunnen koeien het virus oplopen?

Ballmann: ‘Nederland had in die periode te maken met een duidelijke piek in vogelgriepgevallen bij wilde vogels. De eigenaar van het bedrijf had ook veel dode wilde vogels gezien in de omgeving. Dus de kans was groot dat er virusdeeltjes in de omgeving aanwezig waren. Die kunnen via verschillende routes de stal binnenkomen. Het virus kan meeliften met schoenen of bijvoorbeeld in de vacht van ratten en muizen zitten. Overdracht is ook mogelijk via het voer en het drinkwater. Maar in dit geval is het waarschijnlijker dat de koeien besmet zijn geraakt door contact met vogelpoep of met dode vogels in het weiland. De koeien op dit bedrijf hadden tot eind november in de wei gelopen.’

Bordes: ‘We weten uit experimenten dat de infectie bij koeien ook via de uier kan gaan. De melkmachine speelt daarbij waarschijnlijk een belangrijke rol. Tijdens het melken komen uiers, melk en apparatuur voortdurend met elkaar in contact. Al deze factoren kunnen bijdragen aan de verspreiding van het virus tussen koeien. We onderzoeken nog welke route in de praktijk het belangrijkst is. We doen dit in de streng beveiligde laboratoria in de High Containment Unit van WBVR in Lelystad.’

Verspreidt het vogelgriepvirus zich nu onder koeien in Nederland?

Ballman: ‘We hebben geen actieve virusinfectie meer gevonden op het getroffen bedrijf en er zijn nog geen andere bedrijven waar koeien positief testen op antilichamen tegen het virus. Bij een infectie onder pluimvee testen we namelijk ook bij melkvee in de buurt. Tot nu toe is dit de enige infectie bij koeien buiten de VS.’

In Amerika verspreidt het virus zich wel onder runderen. Waarin verschilt de situatie daar van die in Nederland?

Ballmann: ‘De vogelgriep in Amerika komt net als hier door een H5N1-virus, maar de genetische samenstelling verschilt van de Europese variant. In 2021 is een Europese stam in Amerika terechtgekomen, die zich daar sterk verspreidde en genen ging uitwisselen met Amerikaanse stammen. Dat doen vogelgriepvirussen vaker; het is een snelle vorm van evolutie. Daaruit zijn virusvarianten ontstaan die makkelijk onder koeien rondgaan. We hebben deze varianten in Europa nog niet gezien.’

Bordes: ‘In Amerika ging het ontzettend hard. Er zijn inmiddels meer dan duizend melkveebedrijven besmet geraakt, verspreid over achttien staten. Nu is de bedrijfsstructuur in Amerika wel anders. Daar wordt veel gehandeld tussen bedrijven. Hier proberen we het vervoer van dieren zoveel mogelijk te beperken uit ethisch oogpunt.

In Nederland zijn de bedrijven bovendien kleiner, met ongeveer honderd tot tweehonderd koeien.’

In de VS raakten koeien én mensen besmet en in Azië zijn eerder zelfs doden gevallen. Zijn mensen net zo vatbaar voor vogelgriep als koeien?

Bordes: ‘In de VS werden de ziektegevallen waarschijnlijk veroorzaakt door intensief contact tussen koeien en mensen en in Azië tussen kippen en mensen. Maar het virus is niet optimaal aangepast aan zoogdiercellen. Er zijn nog geen aanwijzingen dat mensen elkaar kunnen besmetten. Als dat wel gebeurt, dan hebben jonge kinderen, ouderen en mensen met een verzwakt immuunsysteem meer kans op ernstigere ziekte, net als bij elke griep. Niet iedereen die besmet raakt wordt ziek.’

Is het mogelijk dat er een vogelgriepvirus ontstaat dat wel van mens naar mens overspringt?

Ballmann: ‘Nu vogelgriep zich onder koeien in Amerika verspreidt, neemt het risico toe dat het virus zich verder

aanpast aan zoogdiercellen. Dan kan het efficiënter zoogdieren infecteren en makkelijker overdraagbaar worden. Dat scenario is de belangrijkste zorg bij de huidige ontwikkelingen.’

Bordes: ‘Wat het vooral lastig maakt, is dat het virus voortdurend verandert. Het vogelgriepvirus is bovendien grotendeels gelijk aan de virussen die griep veroorzaken bij mensen en varkens. Als vogelgriep, varkensgriep of mensengriep dezelfde gastheer infecteren, kunnen gensegmenten worden uitgewisseld, waardoor een volledig nieuw virus ontstaat met potentieel gevaarlijke eigenschappen. Op die manier zijn eerdere grote grieppandemieën begonnen, zoals de Spaanse griep.’

Overal ter wereld komen mensen en dieren veel met elkaar in contact. Wat kunnen we doen om uitbraken onder mensen te voorkomen?

Ballmann: ‘Het is moeilijk te voorspellen hoe het virus zich zal ontwikkelen. Daarom blijven we de situatie goed monitoren. In Nederland worden dood gevonden wilde vogels onderzocht om veranderingen in het virus vroegtijdig te detecteren. Ook levende, wilde vogels worden gemonitord door het Vogeltrekstation en het Erasmus MC. Door beide methoden krijgen we een beter beeld van de virusvarianten die rondgaan in de natuur. Daarnaast zijn we bezig met het screenen van koeien uit verschillende gebieden in Nederland om te achterhalen of er meer besmettingsgevallen zijn geweest. En verder moeten we het hebben van onze snelle diagnostiek bij elke verdenking van vogelgriep, bij vogels én zoogdieren.’ W

Meer informatie: www.wur.nl/vogelgriep

LUCA BORDES

Onderzoeker bij Wageningen Bioveterinary Research

‘Het virus is niet optimaal aangepast aan zoogdiercellen’

‘Het belangrijkste noodpakket? Dat zijn je buren’

Nederlanders slaan waterflessen en batterijen in om voorbereid te zijn op een noodsituatie. Begrijpelijk, zegt crisiswetenschapper Jori Kalkman.

Maar wie echt wil overleven bij een ramp, kan beter investeren in iets anders: sociale relaties. ‘Rampen zijn in de kern sociale gebeurtenissen.’

TEKST TESSA LOUWERENS FOTOGRAFIE DESIREE VAN DEN BOGAARD

‘Wat doen we als de stroom drie dagen uitvalt?’ Tijdens wijksessies van de veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond komen buurtbewoners samen om daarover na te denken. In eerste instantie gaat het dan over de praktische basis om te overleven: houdbaar voedsel, zaklampen en batterijen; de ingrediënten van een klassiek noodpakket. Maar al snel komt de focus op iets anders te liggen. Iemand denkt aan een oudere buurvrouw die slecht ter been is en zonder stroom haar traplift niet kan gebruiken. En wat te doen met medicijnen die in de koelkast bewaard moeten worden? De aandacht verschuift: Wie heeft hulp nodig? Wie kan iets doen voor een ander?

Dit soort sessies zijn volgens Jori Kalkman misschien wel de beste voorbereiding op

een ramp. ‘We denken vaak individueel. Maar ook al ben je het politiek totaal oneens met je buurman, als er iets gebeurt, heb je elkaar nodig. Het belangrijkste noodpakket, dat zijn je buren.’

WIE

WORDT VERGETEN?

Kalkman is verbonden aan de Nederlandse Defensie Academie en sinds juli 2025 universitair hoofddocent bij de leerstoelgroep Sociology of Development and Change in Wageningen. Hij onderzoekt hoe de samenleving, hulpdiensten en krijgsmachten omgaan met rampen en crises. Hoe reageren gemeenschappen als het gewone leven plotseling stilvalt? Wie helpt wie, hoe organiseren mensen zich en wie wordt mogelijk vergeten? ‘In de overheidscampagnes ligt de nadruk

vooral op individuele voorbereiding: zorg dat je jezelf 72 uur kunt redden’, zegt hij.

‘Dat klinkt logisch, maar de wetenschappelijke literatuur laat iets anders zien. Mensen komen crises meestal niet door dankzij hun individuele paraatheid, maar dankzij de hulp van anderen. In buurten waar mensen elkaar kennen en vertrouwen, zie je dat ze elkaar sneller helpen. Als je weet wie er naast je woont en wat iemand nodig kan hebben, sta je veel sterker. Zeker omdat vrienden of familie vaak verder weg wonen. Je buren zijn meestal als eerste ter plaatse.

‘Bovendien kan die nadruk op individuele voorbereiding ongelijkheid vergroten. Voor mensen met een laag inkomen is een noodpakket van honderd euro een grote uitgave. Juist zij zijn dan minder voorbereid, terwijl ze vaak al kwetsbaarder zijn.’

In films zie je vaak chaos en plunderingen na rampen.

Dat oogt niet heel hulpvaardig?

‘In ongeveer 95 procent van de gevallen gebeurt het tegenovergestelde: mensen worden socialer en meer empathisch. Na grote rampen vertellen mensen soms zelfs dat ze heimwee hebben naar het gevoel van verbondenheid dat direct na de ramp ontstond. Tijdens de aardbevingen in Turkije redden buren en lokale vrijwilligers de meeste slachtoffers nog voordat internationale teams arriveerden. Mijnwerkers groeven tunnels om mensen onder het puin vandaan te halen. Ook tijdens de coronacrisis ontstonden allerlei initiatieven om elkaar te helpen. ‘Dat laat zien hoe veerkrachtig samenlevingen kunnen zijn. Dat betekent ook dat overheden daarop moeten aansluiten. Bijvoorbeeld door ruimte te geven aan lokale buurtinitiatieven en vrijwilligersnetwerken, in plaats van alleen in te zetten op controleren en handhaven.’

Je stelt dat rampen de verschillen tussen mensen kunnen vergroten. Hoe werkt dat?

‘Neem orkaan Dorian op de Bahama’s in 2019. Veel inwoners konden evacueren of kregen hulp. Maar illegale migranten durfden daar soms niet om te vragen, uit angst om te worden uitgezet. Zij waren daardoor veel kwetsbaarder en ontvingen ook minder ondersteuning.

‘Dat patroon zien we steeds terug. Mensen met een lagere sociaaleconomische status wonen vaker in risicogebieden, hebben minder middelen om zich voor te bereiden en doen er langer over om weer op te krabbelen. Ook krijgen groepen met betere netwerken en communicatiemiddelen vaak als eerste hulp. Na een ramp liggen communicatiesystemen vaak plat. De wijken waar die het snelst weer werken, zijn meestal welvarender. Daar komen hulpdiensten dus als eerste terecht, terwijl kwetsbare groepen vaak harder geraakt zijn.

‘Hetzelfde natuurverschijnsel kan dus heel verschillende gevolgen hebben, afhankelijk van de sociale context. Politieke keuzes, ongelijkheid en vertrouwen in instituties bepalen mede wie het hardst geraakt wordt. Rampen kunnen zo de verschillen vergroten die er al waren.’

Hoe is rampenhulp inclusiever en rechtvaardiger te maken?

‘Diversiteit in crisisteams is cruciaal. Als beslissingen alleen worden genomen door mensen met een vergelijkbare achtergrond, nemen zij onbewust zichzelf als norm. Dat zie je terug in praktische dingen. Zo is er in crisisrespons vaak weinig aandacht voor problemen die vooral vrouwen treffen, zoals de toename van huiselijk geweld na rampen. Ook loopt noodhulp in sommige gevallen nog via mannen, omdat zij worden gezien als hoofd van het gezin. Daardoor krijgen vrouwen, zeker alleenstaande vrouwen, niet altijd de juiste ondersteuning. Noodpakketten zijn bovendien vaak ontworpen met de gemiddelde man in gedachten. Lange tijd ontbraken bijvoorbeeld menstruatieproducten of poedermelk. ‘Daarnaast is het belangrijk om mensen zelf te betrekken. Vraag wat ze nodig hebben. Na orkaan Dorian brachten hulporganisaties grote hoeveelheden voedsel en water, terwijl de grootste behoefte brandstof was. Door mensen serieus te nemen, maak je hulp effectiever én respecteer je hun waardigheid.’

Wat trok jou persoonlijk aan in dit vakgebied?

‘Ik ben altijd gefascineerd geweest door situaties waarin het gewone leven plotseling wordt onderbroken. Hoe reageren mensen dan? Hoe organiseren gemeenschappen zich? Als kind volgde ik al het nieuws over de tsunami in Azië. Later ontdekte ik dat je dat ook kunt bestuderen.

‘Al ben je het politiek oneens met je buurman, als er iets gebeurt, heb je elkaar nodig’

‘In Wageningen ligt veel nadruk op lokale gemeenschappen en hoe zij zelf oplossingen vinden. Dat vind ik inspirerend. Na rampen zie je soms bijna utopische momenten van solidariteit. Mensen denken ineens meer in het gemeenschappelijk belang, zoals bij de aardbevingen in Turkije waar we het eerder over hadden. Ik vraag me vaak af hoe je dat gevoel kunt vasthouden, ook als er geen crisis is.’

Je werkt ook bij de Nederlandse Defensie Academie. Niet per se een logische plek voor een Wageninger. ‘De krijgsmacht speelt vaak een belangrijke rol bij grote rampen – hoewel humanitaire hulpverlening geen kerntaak is voor militairen. De Nederlandse Defensie Academie is een soort mini-universiteit binnen defensie, waar wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan en waar ook academische onafhankelijkheid belangrijk is. Dat maakt het een interessante plek om deze vraagstukken te bestuderen. Ik krijg veel toegang tot praktijkervaringen en operaties, die ik kan analyseren vanuit sociaalwetenschappelijk perspectief. Militairen hebben enorm veel ervaring met opereren onder druk en in onzekere omstandigheden, maar sociaalwetenschappelijke kennis over crises ontbreekt soms nog. Daar kan onderzoek echt

verschil maken. Bijvoorbeeld door inzicht te geven in hoe hulp beter kan aansluiten op de behoeften van getroffenen.’

Je schreef een boek over hoe hulpdiensten en krijgsmachten reageren op crises. Met welke dilemma’s krijgen zij te maken?

‘Je moet beslissingen nemen die levens kunnen redden, terwijl je weinig informatie hebt. Toch zijn hulpdiensten vaak zo georganiseerd dat overleg en coördinatie vooropstaan. Bij orkaan Katrina stemde het Amerikaanse leger bijvoorbeeld eerst uitgebreid af met civiele organisaties, waardoor hulp laat op gang kwam. De kustwacht koos voor directe inzet en redde veel mensen van daken en uit overstroomde huizen. Dat was misschien minder efficiënt, maar wel doeltreffend. De belangrijkste les is dat organisaties adaptief moeten zijn. Plannen zijn nuttig, maar je moet ze ook durven loslaten.’

Nederlanders voelen zich relatief veilig. Zijn we wel goed voorbereid? ‘We hebben de luxe dat er snel iemand op de stoep staat als we 112 bellen. Daardoor voelen we ons misschien niet zo kwetsbaar. We hebben weinig grote rampen meegemaakt, dus het risicobewustzijn is beperkt.

JORI KALKMAN (34)

‘Maar risico’s nemen toe. Door klimaatverandering nemen extreme weersomstandigheden toe, met als gevolg meer natuurbranden en overstromingen. Zulke gebeurtenissen kunnen ook vitale infrastructuur beschadigen en leiden tot langdurige stroomstoringen. Tegelijk investeert Nederland vooral in militaire paraatheid. Mijn zorg is dat we straks goed voorbereid zijn op oorlog, maar onvoldoende op klimaatgerelateerde crises. Die kunnen ons hard raken.’

Als je beleidsmakers één advies zou mogen geven, wat zou dat zijn?

‘Investeer in sociale cohesie. Nu creëer je het beeld dat het straks ieder voor zich is. Dat moet je niet willen. Dan zijn sommige mensen wél goed voorbereid en zijn kwetsbare groepen de pineut.

‘Zorg dat mensen elkaar ontmoeten en zich verbonden voelen met hun buurt. Het ergste wat je kan overkomen tijdens een ramp is het gevoel dat je er alleen voor staat. Gemeenten kunnen daar veel in betekenen: buurtcentra, sportverenigingen toegankelijk maken, straatinitiatieven stimuleren. Uiteindelijk heb je er meer aan dat mensen zich zorgen om je maken dan aan een noodpakket waar je niet bij kunt omdat je huis is ingestort.’ W

2025: Universitair hoofddocent, Sociology of Development and Change, Wageningen University & Research.

2023: Boek Frontline Crisis Response: Operational Dilemmas in Emergency Services, Armed Forces, and Humanitarian Organizations.

2019–heden: Universitair (hoofd)docent, Nederlandse Defensie Academie. 2019: Promotie, Vrije Universiteit.

2015: MSc International Development Studies, Wageningen University & Research. 2013: BSc Politicologie, Vrije Universiteit.

Leven op Mars, zonder de aarde te verlaten

In de uitgestrekte rode woestijn in de Amerikaanse staat Utah, ligt het Mars Desert Research Station. Hier wordt het leven op een andere planeet nagebootst. Astrobioloog Rebeca Gonçalves leefde twee weken in de afgelegen koepel, om te onderzoeken hoe je groente kunt verbouwen op Mars.

TEKST TESSA LOUWERENS

Toen ze voor het eerst de witte koepels zag oprijzen uit het rode zand, tegen de kale heuvels van de woestijn in Utah, had alumnus Rebeca Gonçalves het gevoel dat ze een andere wereld betrad. ‘Het ziet er buitenaards uit’, vertelt ze. ‘Maar ook heel mooi.’ Het was het begin van twee weken leven en werken in het Marssimulatiestation, als hoofdwetenschapper en ‘Marstuinier’.

De Braziliaanse Gonçalves leidde er twee teeltexperimenten die ze in samenwerking met de Wageningse onderzoeker Wieger Wamelink had ontwikkeld. De experimenten werden financieel ondersteund door Wamelinks organisatie B.A.S.E. (Bioregenerative Astrofood & Sustenance Engineering), die zich richt op duurzame voedselproductie voor toekomstige ruimtemissies.

Ze onderzocht hoe je van steriel regoliet, het losse minerale materiaal dat het Marsoppervlak bedekt, grond kunt maken waarop planten kunnen groeien. Ook vergeleek ze de teelt van radijs in verschillende systemen, zoals op namaak regoliet en in

‘Op Mars moet je ook kunnen omgaan met psychische druk’

hydrocultuur, waarbij planten groeien op water met voedingsstoffen.

In een ander experiment onderzocht ze tomatenzaden die zestig dagen aan boord van het internationale ruimtestation ISS hadden doorgebracht. ‘Een reis van de aarde naar Mars duurt ongeveer zeven maanden. In die tijd worden zaden blootgesteld aan vrijwel gewichtsloze omstandigheden en hogere kosmische straling’, legt ze uit. ‘We wilden weten of ze nog kiemen als ze daar aankomen. En dat deden ze.’

Onderzoek doen in een dergelijke geïsoleerde koepel is belangrijk, benadrukt ze. ‘Op Mars ben je niet alleen wetenschapper, je moet ook apparatuur onderhouden en repareren, en omgaan met psychische druk. We moeten weten of dat haalbaar is voordat we er daadwerkelijk naartoe gaan.’

OP RANTSOEN

Onderzoek doen is één ding, maar leven in de simulatiekoepel is iets heel anders. Vanaf het moment dat de vijfkoppige bemanning de deuren had gesloten, begon het leven op een strenge rantsoenering van water en energie. Op Mars zal elk druppeltje water gerecycled of gewonnen moeten worden uit lokale ijsafzettingen. ‘Je wordt je er ongelooflijk bewust van hoeveel water je normaal verspilt’, aldus Gonçalves. ‘Zelfs twee slokken koffie weggooien voelde ineens onmogelijk, en we hebben in die twee weken maar één keer gedoucht.’ De maaltijden bestonden grotendeels uit gevriesdroogd voedsel; vers eten was een kleine luxe. ‘Toen we sla

oogstten uit de kas, voelde dat geweldig.’ De psychologische uitdagingen bleken het zwaarst. ‘Ik was gewaarschuwd, maar het was veel moeilijker dan ik had verwacht.’ De bemanning bestond uit onderzoekers uit verschillende landen, elk met hun eigen experimenten en gewoontes. ‘Zo dicht op elkaar leven zorgt onvermijdelijk voor spanningen. Het is een snelkookpan’, zegt Gonçalves. ‘Je merkt al snel hoe belangrijk het is om elkaars persoonlijkheden te begrijpen, conflicten op te lossen en verwachtingen te managen. Maar er ontstonden ook onverwachte banden. We zijn voor het leven verbonden door dit gezamenlijke trauma’, lacht ze.

ASTRONAUT WORDEN

Voor Gonçalves was de intense ervaring in de dome het resultaat van een lange reis, die begon in haar jeugd in Brazilië. Als kind had ze met haar oom urenlange gesprekken over sterrenkunde. Toch koos ze voor een studie biologie. ‘Zoals veel mensen dacht ik dat werken in de ruimtevaartindustrie bete-

kent dat je astronaut moet worden, en dat leek me niet haalbaar.’

Jaren later dook haar fascinatie voor de ruimtevaart weer op. In haar zoektocht naar opleidingsmogelijkheden kwam ze uiteindelijk Wageningen University & Research tegen, met onderzoeker Wieger Wamelink die zichzelf omschreef als ‘ruimteboer’. ‘Ik dacht: dát is het. Dus nam ik contact met hem op.’

Ze begon in 2020 aan haar masterstudie biologie in Wageningen, en werkte mee aan Wamelinks onderzoek naar het kweken van groente op gesimuleerde Marsgrond. De samenwerking met Wamelink bleek doorslaggevend. Daardoor kon ze al vroeg onderzoek publiceren over het kweken van Marsgroente. ‘Het gaf mijn carrière een enorme impuls.’

LEZINGEN GEVEN

Sinds 2023 maakt Gonçalves deel uit van het Space Farming Brazil Network, dat binnen het Artemis-programma van NASA werkt aan landbouwtechnologieën voor toekomstige maanmissies. Daarnaast reist ze door

Brazilië om lezingen te geven op scholen, vaak in achtergestelde gebieden, om jongeren, en vooral meisjes, aan te moedigen een loopbaan in de wetenschap te kiezen. ‘Deze kinderen ontmoeten zelden wetenschappers. Als ze iemand als ik zien, beseffen ze dat het mogelijk is.’

Voor Gonçalves hangt onderzoek naar ruimtelandbouw samen met de uitdagingen op onze planeet. ‘In de ruimtevaartsector heerst de cultuur dat elke innovatie ook iets moet opleveren voor het leven op aarde’, vertelt ze. ‘Technologieën zoals zonnepanelen, gps, geavanceerde waterzuivering en zelfs luiers zijn allemaal voortgekomen uit ruimteonderzoek.’ Haar werk aan het omzetten van steriel regoliet in vruchtbare grond zou kunnen helpen uitgeputte landbouwgrond op aarde te herstellen. ‘Het verkennen van andere werelden gaat niet over ontsnappen aan de aarde’, zegt ze. ‘Het gaat erom te leren hoe we beter voor ons enige thuis kunnen zorgen.’ W

www.rebecagoncalves.org, https://wur-base.nl

Alumnus Rebeca Gonçalves en de crew van het Mars Desert Research Staion in Utah, VS.

KADERRICHTLIJN WATER:

Deadline nadert, aanpak blijft achter

De Europese deadline voor schoon water nadert, maar Nederland ligt niet op koers. Zo bevat nog bijna de helft van het oppervlaktewater te veel stikstof of fosfor. Veel mogelijke maatregelen zijn al voorhanden, maar vinden nog onvoldoende hun weg naar de praktijk.

Al in 2000 werd de deadline vastgesteld: eind 2027 moeten alle EU-landen voldoen aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). Dan moeten de wateren ecologisch op orde zijn en gelden maximale waardes voor verontreinigingen zoals meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten en chemische stoffen als vlamvertragers en PFAS. Daarbij geldt het ‘one-out-all-out’-principe, waarbij een waterlichaam – van rivier tot beek – pas een goede beoordeling krijgt als het aan alle eisen voldoet. Nederland voldoet intussen wel aan ruim tachtig procent van de normen, maar nergens worden alle parameters samen afgetikt. Nederland bungelt al jaren onderaan de Europese waterkwaliteitslijstjes en gaat de KRW-deadline volgens experts niet halen. Eén van de grootste opgaves voor Nederland is de eutrofiëring, een teveel aan stikstof en

fosfor in het oppervlaktewater. Ondanks decennia aan maatregelen bevat nog altijd bijna de helft van de oppervlaktewateren te veel stikstof of fosfor, of beide. Uitspoeling van meststoffen vanuit de landbouw naar het oppervlaktewater is één van de belangrijkste bronnen.

Daarnaast speelt ook menselijke mest een rol. Rioolwaterzuiveringsinstallaties verwijderen inmiddels het grootste deel van de stikstof en fosfor uit het rioolwater, met rendementen boven de tachtig procent, vertelt onderzoeker Peter Schipper van Wageningen Environmental Research. ‘Maar wat overblijft kan nog steeds te veel zijn. In sommige wateren loopt dit aandeel op tot vijftig procent van het totaal.’

Ten slotte is er de invloed van buitenlandse wateraanvoer. Schipper: ‘Het water dat vanuit België en Duitsland naar Nederland

stroomt via beken en rivieren bevat vaak al concentraties boven de KRW-normen.’

BRONNENANALYSE

Schipper rekent met zijn collega’s van het team Duurzaam Bodembeheer aan de stikstof- en fosforwaardes in het oppervlaktewater. Daarvoor werken zij al jaren aan de ontwikkeling van een zogeheten bronnenanalysemodel. Het model werkt met gegevens uit het hele land, onder meer van de Emissieregistratie van het RIVM, en van de waterschappen over de aan- en afvoer van oppervlaktewater. Daarmee kan Schipper de bijdragen van landbouw en andere bronnen in kaart brengen, de restopgave bepalen voor het halen van de KRW-doelen en de effecten van nieuw mestbeleid doorrekenen. De modellen laten vooralsnog zien dat het huidige mestbeleid niet voldoende is om >

‘De oplossing zit niet in één groot masterplan, het gaat om heel veel kleine stapjes’

Metingen aan de hoeveelheid stikstof in de bodem en in het water kunnen inzicht geven in de mate van uitspoeling.

de fosfor- en stikstofgehaltes in het oppervlaktewater voldoende naar beneden te brengen en dat er meer maatregelen nodig zijn. De situatie kan per stroomgebied flink verschillen. Een voordeel van deze modellen, aldus Schipper, is dat beleidsmakers kunnen gaan werken vanuit het principe van de vervuiler betaalt. ‘De vraag om reductie van stikstof en fosfaat kunnen we zo eerlijk verdelen naar rato van de bijdrage per vervuiler.’ De onderzoekers kregen daarover ook kritische vragen. ‘Over het effect van ganzen bijvoorbeeld, die soms een weiland volpoepen, en of we wel rekening houden met natuurlijk vrijkomend stikstof en fosfaat uit veengebieden. Maar ook die bronnen zitten in het model en worden apart uitgerekend.’

SEIZOENSMETINGEN

Onderzoeker Janjo de Haan van Wageningen Plant Research inventariseerde uitgebreid wat akkerbouwers zouden kunnen doen om bij te dragen aan het halen van de doelen. Een van de onderzoeken in de praktijk was het project Akkerbouw voor Waterkwaliteit, dat in 2023 van start ging en waaraan veertien akkerbouwers uit Noordoost- en Zuidoost-Nederland meewerkten. Het resulteerde onder meer in een hand-out

met daarin de belangrijkste adviezen, zoals direct na de oogst inzaaien van vanggewassen, bemesting op basis van bodemmetingen, minder ploegen en rassen gebruiken met een lage stikstofbehoefte. De Haan: ‘Het is niet per se heel vernieuwend, het gaat erom dat je de dingen die je doet, gewoon goed doet voor jouw specifieke bedrijfssituatie.’

De uitdaging voor de Haan en collega’s is nu om de beschikbare kennis zo aan te bieden dat akkerbouwers deze ook eenvoudig kunnen toepassen. ‘Veel akkerbouwers hebben nog het idee dat als de opbrengst goed is, het verder ook wel goed zal zijn. Daarbij bemesten ze ruim, om ervan verzekerd te zijn dat ze geen tekorten hebben.’

De Haan benadrukt vooral het advies om vaker metingen te doen aan de hoeveelheid minerale stikstof in de bodem. ‘Door voor en tijdens het seizoen te meten kun je de bemesting bijsturen; met een eindmeting zie je of de teelt inderdaad tot minder uitspoeling heeft geleid.’

Een ander probleem dat meespeelt, vooral in het Zuidoosten van Nederland, is het mestoverschot bij veehouders. Akkerbouwers nemen die extra mest soms af als ze nog plaatsingsruimte hebben. ‘Ook als het niet nodig is voor het gewas en het tot veel uit-

spoeling leidt. Het levert de akkerbouwer geld op en hij helpt de veehouder van diens mest af. De bewustwording dat dat slecht is voor de waterkwaliteit moet nog groeien.’

BEMESTINGSLICENTIE

Dat het mogelijk is om de normen voor nitraatuitspoeling te halen, bewees De Haan met collega’s op de proeflocatie Vredepeel, Noord-Limburg. ‘Met de juiste vruchtwisselingsopzet – naast aardappelen, suikerbieten, mais en groenten ook rustgewassen als gras en graan – en met maximale inzet van groenbemesters, konden de onderzoekers uiteindelijk aan de norm voldoen. Daarbij is het ook nodig op het scherpst van de snede te bemesten.’ Dat succes weet hij ook te nuanceren. ‘Het is een uitdaging voor een teler in die regio om daarmee een goed inkomen te hebben. Toch zijn er best veel knoppen waaraan je kunt draaien als teler. Ik hoop dat akkerbouwers er meer lol in gaan krijgen om dat uit te proberen.’

De Haan: ‘Als teler moet je goed begrijpen wat er speelt en je hebt voldoende kennis nodig om de bemesting ende rest van de teelt goed uit te voeren, zodat je een goede opbrengst hebt met weinig uitspoeling. We hebben wel eens gefilosofeerd over het

‘Een teler heeft best veel knoppen om aan te draaien’

instellen van een bemestingslicentie, naast een spuitlicentie. Zodat de teler jaarlijks verplicht op bijscholing moet.’

Schipper onderzocht in het project Kennisimpuls Waterkwaliteit nog twee knoppen om aan te draaien, die werden ingehaald door het beleid. In twee stroomgebieden analyseerde hij het effect van het gebruik van een houtsnipperbed, waar het drainagewater van de akkers doorheen loopt voordat het uitmondt in de sloot of beek.

‘Daarmee verwijder je maar liefst veertig tot zestig procent van het nitraat uit het drainwater.’ De tweede maatregel die werd onderzocht is een kleine stuw in de sloot zetten, om het waterpeil te kunnen verhogen.

De maatregelen hebben een effect, maar actuele ontwikkelingen haalden het project in. Het einde van de derogatie, de vrijstelling voor Nederlandse boeren om meer mest te mogen uitrijden, diende zich aan, en aanvullende regels als verplichte bufferstroken en een lager gebruik van mest werden ingevoerd. En die hebben waarschijnlijk een veel groter effect. ‘We zetten nu voor beide stroomgebieden detailmodellen op om de effecten van de derogatie en andere maatregelen nauwkeurig te berekenen.’

KLEINE STAPJES

Het is aan het beleid en bestuur in Nederland om al die opties om te zetten in resultaten. Maar de politiek heeft ‘het monster’ van de KRW-doelen onvoldoende in de bek gekeken, zegt hoogleraar bestuurskunde Katrien Termeer. In november 2025 publiceerde zij het boek ‘Kleine stapjes, grote veranderingen’ over haar onderzoek naar goed bestuur. ‘Betrokkenen reageren vaak onhandig op complexe problemen waarin alles met elkaar samenhangt. Ze kijken weg, polariseren, verlammen of versimpelen. Dit zie je ook rondom de KRW, er gebeurt dan uiteindelijk veel te weinig. De oplossing zit niet in één groot masterplan. Het gaat om heel veel kleine stapjes.

Kleinschalige initiatieven die laten zien hoe landbouw, industrie en schoon water samengaan, kunnen bij elkaar tot een grote verandering leiden.’

Termeer noemt als voorbeeld de samenwerking tussen bierbrouwerij Bavaria en boeren uit die omgeving. ‘Samen bedachten ze het idee om restwater van Bavaria te gebruiken voor beregening. Dat kan een uitkomst zijn in droge periodes, maar mag normaal niet, omdat het water de status heeft van afvalwater. Door afspraken met lokale overheden als de gemeente en het waterschap, en goede kwaliteitscontroles, is het toch gelukt.’ Het initiatief moet een gezonde bodem en wateren opleveren. De boeren hebben daarvoor extra afspraken gemaakt over het gebruik van minder mest en gewasbeschermingsmiddelen. ‘Dit soort veranderingen zijn ingewikkelde processen die het moeten hebben van volhouders en bestuurders met lef. Met enkele kleine stapjes ben je er natuurlijk niet. Deze moeten elkaar versterken, zodat ze uiteindelijk tot systeemveranderingen leiden.’

HANDELINGSPERSPECTIEF

Ook nu de KRW-deadline snel nadert, pleit Termeer voor het blijven nemen van kleine stapjes. En daarnaast voor het snel verspreiden en verbinden van alle goede initiatieven. ‘Heel strenge wetgeving opstellen en invoeren duurt ook lang. Je kunt bijvoorbeeld niet alle pesticiden in één dag afschaffen. Dat gebeurde in Sri Lanka in 2021, met desastreuze consequenties voor de voedselzekerheid, zodat het verbod weer snel werd ingetrokken. Bovendien, als er geen handelingsperspectief is, geen andere oplossing voor telers, krijg je alleen maar verzet. Wanneer kleine stapjes uitgroeien en er veel alternatieve oplossingen zijn, kan wetgeving helpen om de ‘achterhoede’ over de streep te trekken.’ W

www.wur.nl/duurzaam-water-en-landgebruik

PETER SCHIPPER

Onderzoeker Wageningen

Environmental Research

KATRIEN TERMEER

Hoogleraar bestuurskunde

Wageningen University & Research

JANJO DE HAAN

Onderzoeker

Wageningen Plant Research

ONDERZOEK OP ANTARCTICA:

Tussen smeltend ijs en massatoerisme

Antarctica is afgelegen, maar niet onaangetast. Terwijl ecologen er onder extreme omstandigheden krill, vogels en zeezoogdieren bestuderen, groeit het toerisme snel — met luxe cruises en helikoptervluchten.

TEKST KOEN JANSSEN FOTO SUSANNE KÜHN

‘We proberen erachter te komen hoe krill, zoöplankton en vissen zich verspreiden onder het ijs’

Het valt niet mee om contact te leggen met Fokje Schaafsma en Susanne Kühn. De Wageningse onderzoekers bevinden zich maandenlang op een ijsbreker bij Antarctica, honderden kilometers van de bewoonde wereld. De internetverbinding op het schip is niet altijd stabiel, en bovendien moeten ze 24 uur per dag klaarstaan om in actie te komen. Bijvoorbeeld om op krill te vissen, zodra er genoeg ruimte is tussen het zware ijs. Hun planning is even grillig als het weer.

Schaafsma en Kühn, beiden marien ecoloog bij Wageningen Marine Research, varen dit voorjaar met een team van zes Wageningse collega’s mee aan boord van het Duitse onderzoekschip Polarstern. Samen met internationale collega’s werken ze op deze ijsbreker aan het opzetten van een langetermijnmonitoringsprogramma in de Weddellzee, een van de zeeën rond Antarctica. De informatie die de wetenschappers verzamelen, wordt gebruikt om het instellen van een natuurgebied te onderbouwen. Ook onderzoeken ze de verspreiding van onder meer krill en zoöplankton in het noordoosten. Water stroomt daar de Weddellzee uit en zee-ijs en afgebroken

stukken gletsjer uit het gebied komen daar samen. Door de moeilijke omstandigheden is hier nog weinig onderzoek gedaan.

CHAOS EN STRUCTUUR

‘Het leven aan boord is een combinatie van chaos en structuur’, vertelt Schaafsma als zij en Kühn even de tijd hebben. ‘Er zijn ongeveer vijftig wetenschappers uit de hele wereld aan boord, die verschillende werkzaamheden uitvoeren. Sommige onderzoekers hebben er baat bij dat het schip stil ligt aan een ijsschots, zodat ze van boord kunnen. Andere onderzoeken vereisen juist dat het schip op een bepaalde snelheid vaart. Er is elke dag een werkplan dat bepaalt wat we gaan doen en op welk tijdstip. Maar door de wisselende omstandigheden moet die planning continu worden aangepast. Soms staan wij op het werkplan en lukt het niet, en soms is het andersom: dan belt de Fahrtleiter ineens om te zeggen dat we aan de slag kunnen.’ Alleen het eten gebeurt op vaste tijden: drie keer per dag staat er voor de onderzoekers een warme maaltijd klaar.

De dagelijkse werkzaamheden van Schaafsma en Kühn bestaan vooral uit het tellen van zeevogels en zeezoogdieren en het

vangen en analyseren van krill, zoöplankton, vis en ander onderwaterleven. De weersomstandigheden en de conditie van het ijs bepalen of ze die taken kunnen uitvoeren. Vogels tellen kan bijvoorbeeld alleen bij helder weer. Schaafsma: ‘En als het niet mogelijk is om te tellen of vissen, hebben we genoeg ander werk te doen. Netten repareren, water en ijs filteren, monsters uitzoeken, data invoeren en af en toe eens uitrusten.’ ‘We werken ook vaak ’s nachts’, vult Kühn aan. ‘Vissen kun je ook in het donker. En tussen december en februari hadden we middernachtszon, toen konden we ‘s nachts vogels en zeezoogdieren tellen.’ Omdat de onderzoekers van elke gelegenheid gebruik willen maken, moeten ze het wel eens 24 uur zonder slaap stellen. ‘Je wordt heel goed in je rustmomenten pakken. Je slaapt heel diep, dus 20 minuten je ogen sluiten kan al fijn zijn. Maar het gaat af en toe wel richting zombie’, lacht Kühn.

OPWARMING VERSNELT

Onderzoek op het meest afgelegen continent van de wereld gaat niet alleen over Antarctica zelf, maar eigenlijk over de hele planeet. De Zuidpool heeft – net als de

Wageningse wetenschappers op het Duitse onderzoeksschip Polarstern op Antarctica tellen vogels, vangen zoöplankton en analyseren de vangst in het lab aan boord.

Noordpool – een grote invloed op het wereldwijde klimaat. Het aangroeien en smelten van zee-ijs zorgt voor oceaanstromingen die overal ter wereld hun weerslag hebben op het klimaat. Door klimaatverandering neemt de aangroei van zee-ijs in de wintermaanden af, waardoor er ook minder smelt in de zomermaanden. Dat versnelt de opwarming van de aarde.

Daarnaast kent Antarctica een unieke biodiversiteit. In dit onherbergzame gebied komen geen landzoogdieren, reptielen of amfibieën voor. Wel leven er uiteenlopende soorten die zich hebben kunnen aanpassen aan de extreme omstandigheden, zoals walvissen, pinguïns, stormvogels en plankton. Planten en dieren uit gematigde regio’s schuiven de laatste jaren echter steeds verder op naar de Noord- en Zuidpool, als gevolg van de opwarming van de aarde.

Tijdens hun expedities onderzoeken Schaafsma en Kühn het belang van zee-ijs voor het leven van dieren. ‘We proberen erachter te komen hoe kleine dieren zoals krill, zoöplankton en vislarven zich verspreiden in het water met en zonder ijsbedekking. Die vormen de voedselbron voor de meeste vogels en zeezoogdieren in het gebied. We

King George-eiland

ZUIDELIJKE OCEAAN

IJsplateau

ANTARTICA

ZUIDELIJKE OCEAAN

proberen te voorspellen welke gevolgen veranderingen aan het zee-ijs kunnen hebben op de verspreiding van kleine en grote dieren en op de structuur van het voedselweb.’ Op het bovenste dek van het schip tellen Kühn en collega-onderzoeker Bram Feij de vogels en zeezoogdieren. Daar staan twee houten kisten zo groot als een telefooncel. ‘In die kisten staat een bankje, een tafeltje en een kacheltje om je voeten warm te houden’, zegt Kühn. ‘Met een verrekijker tellen we alle dieren die we zien, en letten we op hun gedrag. Dat doen we zes uur achter elkaar, daarna wisselen we. Zo kunnen we het 24 uur per dag volhouden.’ Als het weer het toelaat, tellen de onderzoekers ook vanuit een helikopter. Op die manier kunnen ze een

veel groter gebied bestrijken, inclusief gebieden waar het schip door het dikke ijs niet kan komen. Met de verzamelde gegevens kunnen wetenschappers de verspreiding van verschillende soorten bepalen en koppelen aan bijvoorbeeld milieuomstandigheden en de beschikbaarheid van voedsel. Om krill, vis en zoöplankton te tellen, maken de Wageningse onderzoekers voornamelijk gebruik van speciale visnetten: de Surface and Under Ice Trawl (SUIT) en de Rectangular Midwater Trawl (RMT). ‘Met de SUIT bemonsteren we in open water en in de bovenste twee meter onder het ijs’, legt Schaafsma uit. ‘Het is een stalen frame waar twee netten aan hangen. Die trekken we onder het ijs door. Zo vangen we de soorten

Weddellzee
Zuidpool

die vlak onder het ijs leven.’ De RMT wordt gebruikt voor diepere waterlagen, tot wel duizend meter diep. Beide vistuigen hebben netten met kleinere en grotere mazen, zodat diertjes van verschillende groottes gevangen kunnen worden. De kleinste zijn slechts 0,3 millimeter groot. Aan het frame van de SUIT hangt apparatuur die onder meer de temperatuur, het zoutgehalte en de stroming meet. Andere sensoren meten de dikte van het ijs en de hoeveelheid licht die erdoorheen komt. Met die sensoren kunnen de onderzoekers inschatten hoeveel algen er aanwezig zijn in het ijs. Die vormen een mogelijke voedselbron voor het leven eronder. Door op verschillende dieptes te vissen, komen de onderzoekers te weten welke dieren dicht bij het ijs blijven en welke liever in dieper water zitten.

PFAS EN VOGELGRIEP

De vangst wordt geanalyseerd in een van de laboratoria aan boord. Dit wordt al jaren op dezelfde manier gedaan, zodat onderzoekers geleidelijk aan een beeld krijgen van het leven onder het ijs. Verder meten de

wetenschappers dit jaar voor het eerst het PFAS-gehalte van de dieren die ze vangen. ‘En bij vogels die per ongeluk aan dek geland zijn, testen we nu ook op vogelgriep’, zegt Kühn. ‘Die speelde hier eerst niet, maar komt de laatste jaren keihard binnen.’

In 2023 werd er voor het eerst vogelgriep vastgesteld in Antarctica. Sindsdien heeft het virus veel sterfte veroorzaakt onder zeevogels, inclusief pinguïns, en zeehonden.

Binnen het Nederlandse NWO-project PolarFlu proberen wetenschappers van WUR en andere kennisinstellingen beter te begrijpen hoe de griep zich in het zuidpoolgebied verspreidt.

Het geeft nog maar eens aan hoe kwetsbaar het leven op de afgelegen Zuidpool is voor invloeden van buitenaf. Schaafsma en Kühn hopen met hun onderzoek te kunnen bijdragen aan een wetenschappelijke onderbouwing voor de bescherming van soorten, habitats en ecosystemen. Zo zou de Weddellzee kunnen worden uitgeroepen tot een beschermd zeereservaat. Daarnaast is kennis van de populaties nodig voor het visserijmanagement. ‘Het is bijvoorbeeld be-

langrijk om ervoor te zorgen dat jonge dieren, die zich nog niet hebben voortgeplant, niet worden weggevist’, zegt Schaafsma. Terwijl Schaafsma en Kühn rond de zuidpool varen om vogels en vissen te bestuderen, houdt Machiel Lamers zich in Wageningen bezig met een heel andere diersoort: toeristen. Als hoogleraar Tourism and Environmental Change onderzoekt hij de ontwikkeling, impact en regulering van het toerisme rond Antarctica. Vier keer bezocht hij het gebied, dat hij omschrijft als een ‘magische plek’.

CRUISESCHEPEN EN JACHTEN

Steeds meer mensen willen die magie met eigen ogen zien. Het aantal toeristen op Antarctica is de afgelopen decennia exponentieel gestegen. In 1990 reisden er zo’n 7.500 toeristen naar het gebied; in het seizoen 2023-2024 waren het er bijna 125.000. ‘Vliegtuigen vol toeristen vliegen af en aan’, zegt Lamers. ‘En de baai van King George-eiland, een Antarctisch eiland met een landingsbaan, ligt soms vol met cruiseschepen en jachten. Er zijn gewoon steeds

Machiel Lamers, hoogleraar Tourism and Environmental Change, onderzoekt de ontwikkeling, impact en regulering van het toerisme rond Antarctica.
‘Vliegtuigen vol toeristen vliegen af en aan’

meer mensen op de wereld die 15.000 euro over hebben voor dit soort reizen.’

Een groeiende groep toeristen op Antarctica wil daar bovendien steeds meer beleven. ‘Voorheen zag je dat mensen tevreden waren om er te zijn, om de natuur te bewonderen. Nu willen ze ook dingen meemaken: kajakken, duiken, kamperen, klimmen, een wereldrecord verbreken, noem maar op. Er worden marathons en helikoptervluchten georganiseerd. En de touroperators springen daar graag op in. Ze organiseren allerlei themacruises: een reis voor kunstliefhebbers, fotografen, LGBTQ-reizen. Er zijn zelfs cruises voor swingers.’

Tijdens een expeditie belandde Lamers eens op een luxe cruise. ‘We lieten ons oppikken door een cruiseschip, zoals wetenschappers daar wel vaker doen. Dat is logistiek handig, want dan hoeft er geen apart schip te varen om ons te vervoeren. En het kan ons nieuwe inzichten opleveren. Wat we daar aantroffen: dansers, muzikanten, champagne, luxe buffetten. Ik wist niet wat ik meemaakte!’ Lamers maakt zich zorgen over deze ontwikkelingen. De toestroom van al die toeristen brengt grote ecologische gevolgen met zich mee. ‘De broeikasuitstoot van cruiseschepen is gigantisch. We hebben uitgerekend dat een toerist op een cruise van twaalf dagen naar Antarctica net zoveel uitstoot als een gemiddelde Europeaan in een heel jaar.’ Bij het verbranden van brandstof komt ook zwarte koolstof vrij, kleine deeltjes rook en roet. Die deeltjes landen op het ijs en absorberen meer zonlicht dan de witte omgeving, waardoor de sneeuw sneller smelt. Ook kunnen de toeristen het broedseizoen van vogelkolonies verstoren.

MILIEUMAATREGELEN

WUR en andere kennisinstellingen proberen de groeiende impact van het toerisme in kaart te brengen. Zo geeft Lamers leiding aan het internationale project ANTARCSHIP, dat wordt gefinancierd door NWO.

Binnen dit project bestuderen onderzoekers op welke manieren verschillende belanghebbenden, zoals staten, wetenschappers en touroperators, invulling geven aan milieumaatregelen. ‘Hoe bijvoorbeeld bereiden touroperators toeristen voor op hun bezoek aan Antarctica, op het gebied van regels en milieubewustzijn? In de laatste twee expedities hebben we uitgezocht hoe wetenschappers en personeel van onderzoeksstations dichtbij drukbezochte toeristische hubs, zoals King George-eiland, aankijken tegen de groei van het toerisme. Zijn ze er bezorgd over, of hebben ze er misschien juist baat bij?’ De conclusies van dat onderzoek waren best opvallend, zegt Lamers: ‘Veel wetenschappers en personeel reageren eigenlijk vrij gelaten op het toerisme. Dat komt door de sociale situatie: ze verblijven er tijdelijk, misschien maar een paar weken of maanden. Ze hebben een bepaald doel voor ogen en zijn al blij om er te zijn. Daardoor voelt niet iedereen zich geroepen om de groei van toerisme aan de orde te stellen.’

ANTARCTICA-VERGADERING

De volgende stap die Lamers wil zetten: wetenschappelijke inzichten vertalen naar beleid. Dat is het doel van project TRANS-ACT, dat begin 2026 van start ging. ‘Hiermee willen we beleidsmakers een wetenschappelijke basis geven om beslissingen te kunnen nemen over het reguleren van toerisme. We doen dit door recente onderzoeksresultaten te verzamelen en samen te voegen. Deze beleidssamenvattingen worden namens Nederland aangeboden in de jaarlijkse internationale Antarctica-vergadering.’ Antarctica wordt bestuurd door een groep van 29 landen, waaronder Nederland, die zich hebben gebonden aan het Antarctisch Verdrag en het bijbehorende Milieuprotocol. Dit verdrag uit 1959 bepaalt dat de Zuidpool mag worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek, maar niet voor bijvoorbeeld

militaire activiteiten of mijnbouw. Toerisme komt in het verdrag niet expliciet aan bod. ‘De besluitvorming verloopt traag, omdat die 29 landen over sommige onderwerpen heel verschillend denken. Europese landen vinden natuurbescherming heel belangrijk, terwijl de Verenigde Staten niet te veel regels willen opleggen. Chili en Argentinië zitten er een beetje tussenin, maar die hebben dan weer economische belangen bij het toerisme, bijvoorbeeld via het vervoer van en naar Antarctica.’

Door de stroperigheid van de besluitvorming is het op dit moment vooral aan de toeristische sector zelf om de grenzen van het toerisme te bepalen. ‘Zelfregulering is heel belangrijk, en de touroperators doen ook echt wel dingen om hun impact te verminderen. Maar de groei van het aantal toeristen en van de diversiteit aan activiteiten kunnen ze niet beteugelen. Daar is toch echt regelgeving voor nodig.’

De landen die de Zuidpool besturen, werken momenteel aan een reguleringskader waarin beperkingen kunnen worden gesteld aan het aantal toeristen, schepen of operators. ‘Dat zijn heel lastige onderhandelingen. Er lijkt wel animo te zijn voor het principe dat de gebruiker betaalt, waarbij elke toerist bijvoorbeeld een toegangskaartje moet kopen.

Wat dat betreft kunnen we leren van andere beschermde gebieden, zoals Spitsbergen, de Galapagoseilanden en het Great Barrier Reef. Maar die gebieden worden bestuurd door een soevereine staat, en dat is hier niet zo.

Dat maakt het allemaal extra ingewikkeld. Toeristische activiteiten moeten wat mij betreft in dienst staan van een groter doel. Dan denk ik aan activiteiten die iets bijdragen aan educatie, in plaats van sport en vermaak. Zodat het gebied er op termijn zelf nog iets aan heeft. Want als we ongebreidelde groei en gekkigheid blijven toestaan, gaat het unieke karakter van Antarctica verloren.’ W

Meer informatie: www.wur.nl/marien-onderzoek

Bollen telen met minder bestrijdingsmiddelen

Achter elke bloeiende lelie of tulp gaat een jarenlang kweekproces schuil. Onderweg kunnen virussen en schimmels veel schade veroorzaken. Onderzoekers werken aan manieren om de bollen gezonder te kweken, om minder bestrijdingsmiddelen nodig te hebben.

TEKST RENÉ DIDDE FOTO ISTOCK

De meeste bezoekers van de wereldberoemde jaarlijkse bloemenpracht in de bollenstreek zullen er wellicht geen weet van hebben dat de bloemen in het veld niet meer dan een fase zijn in de productie van bollen voor de export en verkoop – een proces dat vele jaren in beslag neemt. De vermeerdering verloopt in meerdere stappen, van piepklein bolletje in de kas, in meerdere cycli naar grotere bollen, en dan naar de volle grond, waar toeristen de bloe-

men zien bloeien. Daar groeien de bollen uit tot verhandelbaar formaat. Al met al duurt dat proces vijf tot zeven jaar. De kweek is daardoor kostbaar en kwetsbaar. De opbrengsten zijn lucratief, maar de risico’s zijn groot. ‘Als er ergens in dat proces een plaag ontstaat, hebben de telers er jarenlang last van’, zegt onderzoeker Paul Ruigrok van Wageningen Plant Research in het proefkassencomplex in Bleiswijk. Naast schimmels liggen vooral virussen op de loer.

‘Vooral potyvirussen leiden tot aanzienlijke schade, zoals fors minder groeikracht, lagere opbrengsten en misvormde, of helemaal geen bloemen. Veel bloembollen worden geexporteerd en daarbij worden strenge eisen gesteld aan de maximale viruspercentages.’

ONDER VUUR

Nederland is koploper bollenteelt met 60 procent van de wereldproductie en 85 procent van de wereldhandel. Het gaat vooral

‘Als er een plaag ontstaat, hebben telers er jarenlang last van’

om tulpen, op afstand gevolgd door lelies. De rest bestaat uit onder meer hyacinten, narcissen en gladiolen. Mede ter beteugeling van de risico’s worden relatief grote hoeveelheden gewasbeschermingsmiddelen ingezet. De bollenteelt ligt vanwege het gebruik ervan al jaren onder vuur, waarbij in de media ook de link met ziektes als Parkinson wordt gelegd. Lopend onderzoek van Universiteit Utrecht en RadboudUmc moet duidelijk maken of dat verband er inderdaad is. Intussen neemt het middelengebruik de laatste jaren af, laten CBS-cijfers zien, en er zijn steeds minder middelen toegelaten. Op de cijfers over het gebruik valt overigens nog wel wat af te dingen, zegt Ruigrok. ‘In de lelieteelt wordt virusverspreiding door bladluizen tegengegaan met een minerale olie, tot zes liter per hectare per week. Dat lijkt veel, maar de milieu-impact ervan is klein. Het zonlicht breekt de olie snel af en er blijven geen persistente afbraakproducten over.’

Zijn collega, tulpenonderzoeker Sjoerd van Vilsteren voegt toe: ‘Als de huidige trend aanhoudt, zijn er over tien jaar bijna geen chemische bestrijdingsmiddelen meer toegestaan. Ziekten zullen dan moeten worden bestreden door een integrale benadering met sterke rassen, schoon plantmateriaal, biologische middelen, groenbemesters,

ruime gewasrotatie, slimme en hygiënische bedrijfsvoering en robotica.’

Ruigrok en Van Vilsteren hopen hun steentje daaraan bij te dragen, onder meer door een groter deel van de vermeerdering in de kas te laten plaatsvinden, beginnend met weefselkweek. Door deze schone start zijn de bollen gezonder, waardoor in theorie minder middelen nodig zijn.

VIRUSVRIJE KLONEN

Met de lelie hebben ze al resultaat geboekt. ‘Er wordt al gewerkt met weefselkweek’, aldus Ruigrok. Daarbij worden kleine stukjes weefsel in een lab opgekweekt tot virusvrije klonen, die uitgroeien tot bollen. ‘Een innovatie waar wij nu aan werken is dat we met led-licht in een verwarmde kas in tien maanden tot een grote bol komen. Daarop volgen maanden met meerdere rondes schone vermeerdering. Pas daarna gaan de bolletjes op zo geïsoleerd mogelijke locaties naar het open veld, waar ze in een tot twee jaar tot een grote bol groeien’, legt Ruigrok uit. ‘We hebben dan veel sneller een grotere en virusvrije bol. Dit moet nu in de praktijk worden getoetst.’

Vanaf dit punt is het proces gelijk aan de conventionele teelt. De grote leliebol wordt ‘geschubd’: tot wel dertig vlezige schubben worden met de hand van de bol gehaald.

Die groeien in enkele jaren uit tot grote, verkoopbare bollen. Eén bol levert uiteindelijk maximaal zestig nieuwe bollen op.

ANDERS WERKEN

Het vermeerderingsproces van tulpenbollen verloopt iets anders, zegt Van Vilsteren. ‘Maar ook hier duurt het vermeerderingsproces vier tot vijf jaar, en ook tulpen zijn vatbaar voor virussen. Net als bij lelies richt het onderzoek zich op een langere kasfase, met gerichte belichting en voeding, om de bollen vrij van ziektes en plagen naar het veld te kunnen brengen.’

Voor de bollentelers betekent deze methode een andere manier van werken. Bovendien moet het verdienmodel zich in de praktijk nog bewijzen. ‘Telers hebben belangstelling. Als dit concept wordt opgepakt, kunnen de kosten voor arbeid, bestrijdingsmiddelen en kassen dalen’, aldus Ruigrok.

In Heerhugowaard ziet lelieteler Arnold Duijn al goede resultaten met deze methode. ‘Vooral de gecontroleerde super hygiënische werkwijze houdt de virussen buiten de deur. Door de belichting met LED te verfijnen, zowel in tijd als in het spectrum van golflengtes, verwacht ik dat we het totale proces kunnen verkorten van vijf naar vier jaar.’ W

Meer informatie: www.wur.nl/bollenteelt

JOURNALIST

‘Ik

EN SCHRIJVER FRANK WESTERMAN:

koos partij voor de slachtoffers’

Frank Westerman vertrok als idealistische tropenstudent naar de Cariben, maar verloor gaandeweg zijn zekerheden. Zijn ervaringen vormden hem

tot journalist en schrijver. ‘Ik wist niet meer wat het goede was.’

TEKST KOEN JANSSEN FOTOGRAFIE JUDITH JOCKEL

Na een meeloopdag in Wageningen, ergens in 1983, wist Frank Westerman dat hij de ideale studie had gevonden. Hij was goed in bètavakken, maar vond dat die te ver van de realiteit af stonden. Westerman wilde de wereld verbeteren. ‘Ik kwam uit bij Tropische Cultuurtechniek. Daar zat wel techniek in, maar omzwachteld met engagement en betrokkenheid’, herinnert hij zich. In zijn woonplaats Assen vertelde hij enthousiast over zijn keuze – zó enthousiast dat een hele trits scholieren hem volgde. ‘Ik was een soort scout’, lacht Westerman. De vrienden uit Assen vormden in Wageningen een hecht clubje. Ze woonden bij elkaar in de buurt, volgden dezelfde vakken en hadden dezelfde idealen. ‘Binnen de tropenstudies was iedereen links. Van oorsprong waren dat

‘koloniale’ vakken, daar kwam na de dekolonisatie een reactie op. Daar zat ik middenin. We wilden armoede en honger bestrijden, opkomen voor de onderdrukten, de landlozen, de kleine boeren in de Derde Wereld. ‘Ik ging naar de Universiteit van Amsterdam om een vak te volgen, met diezelfde jongens uit Assen in de auto. We kregen les van André Gunder Frank, een uitgesproken linkse professor. Die zei dat Latijns-Amerika maar twee opties had: onderontwikkeling of revolutie.’ Westermans jeugdige idealisme leidde hem in 1985 naar de Cariben. ‘Ik had me volgezogen met theorie. Maar ik wilde weten hoe de wereld er echt uitziet, hoe het ruikt. Noem het naïef, maar ik wilde het communistische Cuba vergelijken met het kapitalistische Jamaica.’

Wat kwam er uit die vergelijking tussen communisme en kapitalisme? ‘Het was zo vormend. Ik bezocht allerlei landbouwprojecten: een koffieplantage in Cuba, een rijstplantage in Jamaica. Alles wat je op die leeftijd leert, gaat onder je huid zitten. ‘In Cuba had ik echt worstelingen, ik wist niet wat ik ervan moest vinden. Ik wilde een stuk schrijven over de poder popular, een vorm van democratie op wijkniveau. In openbare bijeenkomsten op het plein konden Cubanen hun lokale bestuurders bekritiseren. Dat klinkt heel mooi, maar dat was het niet. Want als je op zo’n plein zei dat je het niet eens was met het buitenlandbeleid van Fidel Castro, werd je meteen in de gevangenis gegooid. Dus die bijeenkomsten waren niet veel meer dan zoethoudertjes.’

>

‘Wanneer slaat de droom om in een nachtmerrie?

Dat blijft me fascineren’

Voor zijn afstudeerscriptie onderzocht Westerman het irrigatiestelsel van de Aymara-indianen in een Peruaans dorpje. De traditionele, aarden waterkanaaltjes moesten regelmatig worden schoongemaakt, in tegenstelling tot moderne, betonnen kanalen. Toch adviseerde Westerman om ze niet te vervangen: ‘Het leegscheppen van die kanalen, dat waren hun feestdagen. Als je dat zou weghalen, zou je de hele sociale structuur afbreken.’ Met deze nogal ongebruikelijke conclusie behaalde Westerman zijn ingenieurstitel. ‘Ik was juist opgeleid om betonnen irrigatiesystemen aan te leggen’, lacht hij.

Hoe kwam je vervolgens in de journalistiek terecht?

‘Ik wilde iets doen, iets goeds doen. Maar door mijn ervaringen in Latijns-Amerika wist ik niet meer wat het goede was. Laat ik dan een stap terugzetten, dacht ik. Laat ik mijn engagement op de snijtafel leggen. Zo viel ik terug op het schrijven. Dat deed ik op

de middelbare school al heel graag. Tijdens mijn studie wilde ik overstappen naar journalistiek, maar ik werd twee keer uitgeloot.’

Westerman trok in 1989 opnieuw naar Latijns-Amerika. Die reizen bekostigde hij door stukken aan te bieden aan Nederlandse media. ‘Na een tijdje kreeg ik een telefoontje van de chef buitenland van de Volkskrant. Hij had mijn artikelen over het Lichtend Pad gelezen, een gewelddadige maoïstische guerrillabeweging in Peru. ‘Wil je voor ons naar Joegoslavië?’, vroeg hij. ‘Daar gaat het er ook bloederig aan toe.’

Joegoslavië werd begin jaren negentig verscheurd door oorlogen en etnisch geweld. Toch niet helemaal hetzelfde als Latijns-Amerika.

‘In de Balkan heb je ook bergen, maar daar hield de vergelijking wel op. Ik nam me voor: ik ga verslag doen van wat ik zie, ruik, lees en hoor. En that’s it. Zonder toe-

gevoegde kleur- of smaakstoffen. Maar zo makkelijk was dat natuurlijk niet.

‘Op een gegeven moment kwam ik in contact met een deserteur, een BosnischServische jongen die niet wilde vechten voor de troepen van Mladic. Hij was in gevaar en vroeg of hij in Belgrado bij mij thuis mocht verblijven. Daar heeft hij drie maanden gezeten. Hij maakte kennis met andere journalisten, heeft zelfs gevoetbald met ons correspondentenelftal. Maar wat bleek? Hij had al die tijd informatie over mij en mijn collega’s doorgespeeld aan de Serviërs. Die wisten dat hij ons kende, en hadden hem onder druk gezet om ons te bespioneren. Toen hij bekende, barstte hij in tranen uit. ‘Als verslaggever kun je niet onpartijdig zijn, je wordt vanzelf partij. Je bent ook maar gewoon een mens. Maar daardoor heb ik wel mijn heilige vuur teruggevonden: ik heb partij gekozen voor de vervolgden, voor de slachtoffers.’

Je hebt toen verslag gedaan van de val van Srebrenica. Hoe heb je dat ervaren?

‘Ik ben als correspondent van de Volkskrant twee keer in de enclave geweest toen die omsingeld werd, uitgehongerd werd, bestookt werd. Dat was heel heftig. Kort daarna ging ik bij NRC werken, waar ik bijna twee jaar de tijd kreeg om het drama te reconstrueren. De onderste steen moest boven. Ik wilde weten wat daar gebeurd is, welke misdaden daar gepleegd zijn.’

Het resulteerde in een boek: Srebrenica, het zwartste scenario. Westerman schreef daarna nog meer dan vijftien boeken, waarvoor hij meerdere literaire prijzen won. Zijn nieuwste boek, Hotel de Wereld, heeft een hoog Wageningen-gehalte. Het boek bevat reisreportages uit zijn studententijd en Wageningse thema’s als landbouw en ontwikkelingssamenwerking.

‘Ik wilde weten hoe de wereld er echt uitziet’

Veel verhalen in Hotel de Wereld gaan over mooie idealen die compleet ontsporen. Word je daar niet cynisch van?

‘Nee, want ik blijf benieuwd naar waar het mis ging. Wat is het omslagpunt, wanneer slaat de droom om in een nachtmerrie? Dat blijft me fascineren.

‘Het titelverhaal van het boek gaat over Suriname. Toen het land in 1975 onafankelijk werd, zeiden de ontwikkelingseconomen: ‘Ze moeten zich vooral niet leeg laten roven door de multinationals.’ Maar wat gebeurt er? Er komt een sergeant aan de macht, die vermoordt de oppositie, er breekt een binnenlandse oorlog uit, het leger gaat drugs verhandelen. Mensen hadden allerlei redelijke scenario’s bedacht, maar het werkelijke scenario is dat er een despoot opstaat die het land vijftig jaar op achterstand zet.

‘Wij zaten er gewoon helemaal naast, in die linkse Wageningse wereld. Het kader dat we meekregen was klassenstrijd: de massa tegen het kapitaal. Was het maar zo overzichtelijk. Was het maar een marxistische strijd, in plaats van een shakespeareaans drama.’

In het boek beschrijf je een bezoek aan het Surinaamse dorp Wageningen. Wat trof je daar aan? ‘Een bouwval. Het dorp is in de jaren vijftig door Nederlandse landbouwingenieurs opgericht rond een rijstplantage, met een rijstpellerij en -drogerij en een aanlegsteiger voor zeeschepen. Na de onafhankelijkheid is het hele dorp vervallen. Het hotel, het zwembad, de sporthal, de rijstpellerij; het is nu een verzameling schroot. En dat is heel triest om te zien. Het is de nek omgedraaid.’

In zijn boek spreekt Westerman meerdere Surinamers die het koloniale project van dichtbij meemaakten. Tot zijn verbazing kijken die met weemoed terug op die vervlogen tijden. ‘We kwamen niets tekort’, zegt een van de oud-bewoners in het boek.

In universiteitsblad Resource werd je over het boek geïnterviewd, waarna een aantal onderzoekers kritiek uitte. Ze vonden dat je een eenzijdig beeld geeft, het koloniale verleden ophemelt. ‘Grote onzin. Ik citeer mensen die het zelf hebben meegemaakt, het is niet mijn eigen mening. Zij noemden Wageningen de parel van Suriname, de beste plek van het land om te wonen. Als die oud-bewoners unaniem een klaagzang aanheffen over de verloedering, waarom zou je dat dan niet serieus nemen? Hebben die mensen dan geen recht van spreken?

‘Wat ik in mijn boek schrijf, past in sommige Wageningse kringen gewoon niet in het discours. In mijn studententijd waren er veel dogma’s, en ik zou willen zeggen: maak van dekolonisatie geen dogma. Maar dat gebeurt wel.’

Je bekendste boek, De Graanrepubliek, gaat ook over een heel Wagenings onderwerp.

‘Dat klopt. Het gaat over de heftige strijd tussen herenboeren en landarbeiders in Oost-Groningen. Voor dat boek heb ik Sicco Mansholt geïnterviewd, een van de grondleggers van het Europese landbouwbeleid. Mansholt had een nobel streven na de Tweede Wereldoorlog: nooit meer een hongerwinter. Maar de verhoging van de landbouwproductie heeft grote gevolgen gehad voor natuur en milieu. Tijdens de gesprekken zat hij in zak en as tegenover me. Hij voelde dat hij zich had vergist.’

De Graanrepubliek (1999) is inmiddels toe aan de 38e druk. Het boek wordt nu omgezet in een theatervoorstelling, vertelt Westerman met trots. ‘In augustus en september worden er 25 voorstellingen gespeeld. Middenin het koren in Oost-Groningen, met 1.300 zitplaatsen en 35 musici. Daar heb ik heel veel zin in.’ W

FRANK WESTERMAN

Frank Westerman is journalist en bekroond schrijver van verhalende non-fictie, auteur van meer dan vijftien boeken. 1989: Cum laude afgestudeerd, Tropische Cultuurtechniek, Wageningen University & Research 1992: Volkskrantcorrespondent in Belgrado 1994: Publicatie eerste boek, De Brug over de Tara 1997: NRC-correspondent in Moskou 2013: Debuut als tv-presentator NTR Nederland in 7 overstromingen 2017: Een woord een woord bekroond met Brusse-prijs en Bob den Uyl-prijs 2026: De Graanrepubliek als theatervoorstelling

STUDENT CHALLENGES:

Van studentidee naar impact

Van wetlands in Nepal tot duurzame kweekpotjes in Suriname; in de Wageningse Student Challenges groeien studentideeën uit tot oplossingen met impact. Drie oud-deelnemers vertellen wat de challenge voor hen betekende.

TEKST ILSE BOS-NAUS

In de Wageningse Student Challenges werken studenten aan oplossingen voor vraagstukken rond voeding, klimaat en natuur. Tijdens intensieve maanden werken ze in internationaal samengestelde, multidisciplinaire teams hun ideeën uit, onder begeleiding van experts. Niet zelden leidt dat tot innovatieve producten en start-ups. De Nepalese Anu Rai deed in 2022 mee aan de Nature-based Solutions Challenge. In deze competitie zochten studenten naar natuurgebaseerde oplossingen voor het tegengaan van biodiversiteitsverlies en de gevolgen van klimaatverandering. Rai, destijds student Environmental Science aan Kathmandu University in Nepal, werkte met haar team van vijf studenten aan een plan om de waterkwaliteit van lokale wetlands te verbeteren.

HERSTELD LANDSCHAP

Hun oplossing bestond uit retentiebekkens die voorkomen dat vervuild sediment de wetlands instroomt. Na hun afstuderen werkte het team verder aan de toepassing van het systeem. Inmiddels heeft dat geleid tot bijna vijftig kilometer hersteld landschap, met wetlands en regeneratieve landbouw, vertelt Rai. ‘Alles wat we hebben geleerd over het herstellen van wetlands komt voort uit de student challenge. Mede dankzij de begelei-

ding die we kregen vanuit de universiteit is het ons echt gelukt om lokale problemen op te lossen. Naast een mentor in Nederland kregen we een mentor in Nepal, die ons advies gaf over de lokale problemen waar we tegenaan liepen. In het begin hadden we bijvoorbeeld moeite om geschikt land te vinden om mogelijke oplossingen te testen, er was geen openbare ruimte beschikbaar. Gelukkig vonden we privégrond die we konden huren. De problemen waren te overzien, maar we raakten er wel door gefrustreerd. In chatsessies van dertig minuten kwamen de mentoren met oplossingen en die hielpen ons de rust weer terug te vinden.’ De challenge opende ook deuren naar internationale subsidiefondsen, aldus Rai: ‘In het begin hadden we nog geen track record. Toch hebben we inmiddels via verschillende fondsen meer dan 30.000 Amerikaanse dollar ontvangen voor herstel van wetlands en landschap via onze cocreatieve aanpak, waarbij we samen met lokale bewoners oplossingen ontwikkelen. Ik ben ervan overtuigd dat dit te danken is aan de student challenge.’

AFBREEKBARE KWEEKPOTJES

Ook de Surinaamse Wiraisha Gauri van de Anton de Kom University in Paramaribo wijst

op de grote waarde van de ondersteuning vanuit de universiteit en betrokken partners. Gauri nam in 2025 deel aan de Food Systems Innovation Challenge, gericht op duurzame oplossingen om het voedselsysteem te verbeteren. Zij ontwikkelde met haar team biologisch afbreekbare, plantbare kweekpotjes, als alternatief voor plastic. Het idee groeide uit tot de start-up Waste2Wonders. De hulp van experts was daarbij onmisbaar, stelt Gauri. ‘Op een gegeven moment zaten we vast in het ontwerpproces. Onze potjes stortten elke keer in. Na advies van mentors lukte het ons het product te versterken door de deeltjesgrootte van onze grondstoffen aan te passen. Daardoor kunnen we onze productie nu opschalen en testen met boeren in Suriname. Ik rond momenteel mijn bacheloropleiding af en werk intussen verder aan het project.’

ZELFVERZEKERDER

Ook op persoonlijk vlak maakte Gauri een ontwikkeling door, vertelt ze. ‘Ik was altijd vrij verlegen en introvert en stond niet echt open voor wedstrijden. Maar na de student challenge voelde ik me zelfverzekerder en wist ik beter hoe ik moest omgaan met werken in teams en met netwerken. Het heeft mij op een positieve manier veranderd. Ik

‘Ik kan iedereen aanraden om aan een challenge mee te doen’
EDGAR SUAREZ GARCIA
‘Ik moest leren mijn ideeën te verkopen’

Van boven naar beneden: Edgar Suarez Garcia (Rethink Protein Challenge 2019), Anu Rai (Nature Based Solutions Challenge 2022) Wiraisha Gauri, tweede van links, (Food Systems Innovation Challenge 2025).

ANU RAI
‘Het is echt gelukt om lokale problemen op te lossen’

STEUN ONTWIKKELING VAN TALENT

University Fund Wageningen ondersteunt de Wageningse Student Challenges, die onderwijs, innovatie en ondernemerschap combineren en tot doel hebben bij te dragen aan maatschappelijke transities. Studenten leren hun academische kennis toe te passen op een realistische probleemstelling. Voor partners bieden de competities kansen om talent te ontdekken en zich te laten inspireren door de energie en de ideeën van jonge denkers.

Meer informatie over het steunen van University Fund Wageningen – en daarmee onder meer bijdragen aan de ontwikkeling van jong talent – is te vinden op: universityfundwageningen.nl/talent

kan iedere student aanraden om ook aan zo’n challenge mee te doen.’

De Colombiaanse Edgar Suarez Garcia kan zich zijn bedrijf Revyve nauwelijks voorstellen zonder zijn deelname aan de Rethink Protein Challenge in 2019, die gericht was op duurzame nieuwe eiwitbronnen. Revyve produceert eiwitten met micro-organismen, ter vervanging van kippenei-eiwitten in voedingsmiddelen. ‘De deelname aan de student challenge hielp mij vooral om door te gaan naar de volgende fase van mijn idee om algen te gebruiken voor de productie van eiwitten’, vertelt Suarez. ‘Nadat we de tweede plaats behaalden in de categorie ‘prototype’, kreeg ik waardevolle positieve feedback van de jury. Die zag grote potentie voor toepassing van de eiwitten in de voedingsindustrie, iets wat ik op dat moment zelf nog niet zag. Voor mij was de meest waardevolle les de overgang van academicus naar ondernemer. Opeens was de markt belangrijker dan wetenschappelijke data. Ik moest ook leren om mijn ideeën te verkopen. Die overgang was voor mij echt moeilijk, maar ook noodzakelijk om een succesvolle ondernemer te worden.’ Revyve opende vorig jaar een fabriek in het West-Brabantse Dinteloord, heeft klanten over de hele wereld en haalde onlangs nog 24 miljoen euro financiering op voor doorontwikkeling. W

WIRAISHA GAURI

WAARDECREATIE

Alumni

steunen

Een nieuw Wagenings fonds geeft alumni de mogelijkheid veelbelovende start-ups in de vroegste fase te ondersteunen.

Dit Wageningen Pre-seed Fonds verstrekt leningen aan Wageningse start-ups of spin-offs, bijvoorbeeld voor de ontwikkeling van een idee tot een werkbaar prototype. WUR zoekt alumni die bereid zijn hieraan te doneren. Het streven is dat het fonds 1,5 miljoen euro gaat bevatten. Alumni kunnen bijdragen met geld, maar ook met hun expertise en netwerk. ‘We zien veel enthousiasme’, zegt Sebastiaan Berendse, directeur Waardecreatie bij WUR.

Reünie 25ste- en 50stejaars

WUR organiseert jaarlijks een reünie voor alumni die 50 of 25 jaar geleden aan hun opleiding begonnen. Als gevolg van de invoering van de bachelor-masterstructuur in 2002, gaan de uitnodigingen voor de 25stejaarsreünie dit jaar voor het eerst niet alleen naar alumni die 25 jaar geleden van start gingen met hun bachelor, maar ook naar de alumni die drie jaar later instroomden bij een master. Die zijn vanaf dat moment studiegenoten van de bachelorstarters. Dit jaar gaat dat om de alumni die in 2001 hun bachelor begonnen en in 2004 hun master. De 25ste jaars- en de 50stejaarsreünie (startjaar 1976) vinden beide plaats op zaterdag 31 oktober 2026.

Info: www.wur.nl/reunie2001_2004 en www.wur.nl/reunie1976

beginnende ondernemers

‘Meerdere mensen hebben al hun steun toegezegd.’

Met de oprichting van het fonds wil WUR het aantal Wageningse start-ups en spin-offs verhogen. Er bestaat al een programma dat studenten en onderzoekers naar een start-up begeleidt. Maar de stap van een veelbelovend idee naar een onderneming is groot, zegt Berendse: ‘Venture-capitalfondsen vinden die eerste fase vaak nog te spannend. Er is nog geen bewezen product, er zijn nog geen klanten, er is nog geen omzet. Maar er zijn wel gedreven mensen met een goed idee dat is voortgekomen uit goed onderzoek.’

Het pre-seed-fonds is opgericht door het University Fund Wageningen in samen-

werking met Graduate Ventures, een door alumni van de TU Delft en de Erasmus Universiteit Rotterdam opgezet platform voor ondersteuning van startende ondernemers die voortkomen uit de universiteit. Graduate Ventures beheert daarnaast een investeringsfonds, gericht op de volgende fase van een start-up, zoals het lanceren van een product. WUR heeft zich bij dit Graduate Ventures Seed Fonds aangesloten. Ook Wageningse alumni helpen mee met investeringen – van in principe 250.000 euro. WUR streeft naar een totale bijdrage van 8,5 miljoen euro.

Mail voor meer informatie naar: valuecreation@wur.nl

Universiteitsfonds viert lustrum met giften

University Fund Wageningen (UFW) bestaat 75 jaar. Ter gelegenheid van dit jubileum heeft het fonds tijdens de dies natalis van de universiteit op 6 maart 75.000 euro gedoneerd aan Wageningse doelen. Het ‘cadeau’ van UFW is bijeengebracht door donaties, vooral van alumni. In overleg met rector magnificus Carolien Kroeze zijn drie

doelen gekozen die elk 25.000 euro ontvangen: Scientific Diving, een training die studenten leert onderzoek te doen in zee; het Storm-van der Chijs Fonds, voor excellente vrouwelijke promovendi; en Social Entrepreneurship, voor maatschappelijke ondernemingen zonder winstoogmerk. In zijn 75-jarige bestaan heeft het fonds meer dan 70 miljoen euro geschonken om talent te ondersteunen, baanbrekend onderzoek mede mogelijk te maken en ondernemerschap te versterken. ‘Dankzij de betrokkenheid van alumni en andere donateurs en partners krijgen initiatieven kansen die anders niet mogelijk zouden zijn’, aldus UFW-directeur Lies Boelrijk. Het is nog steeds mogelijk een bijdrage te leveren aan deze doelen. Scan de QR-code of ga naar www.universityfundwageningen.nl

FOTO

Scholieren warm maken voor techniek

4TU, het samenwerkingsverband van de vier technische universiteiten in Nederland – waaronder WUR – zoekt alumni die gastlessen willen geven op basis- en middelbare scholen.

Daarmee wil 4TU meer jongeren interesseren voor techniekopleidingen. ‘We hebben in april enquêtes gestuurd naar oud-studenten, met de vraag of ze interesse hebben om op vrijwillige basis gastlessen te geven over techniek’, zegt Denise Spiekerman, coördinator Alumnirelaties bij WUR en betrokken bij het initiatief van 4TU. ‘Eerder ontwikkelde 4TU al bètalessen waar scholen gratis gebruik van kunnen maken. Dit sluit daar mooi bij aan.’ Het lesmateriaal is te vinden op www.4tuschools.nl. 4TU wil ook internationale talenten behouden voor de Nederlandse technieksector.

NETWERKEN

Om internationale alumni van de vier technische universiteiten met elkaar in contact te brengen werd in 2025 het 4TU Alumni NL Internationals Network opgezet. Info: denise.spiekerman@wur.nl, www.4tu.nl

Regiokring denkt mee met Rijkswaterstaat

Meer dan tachtig alumni dachten op 13 maart mee over de ruimtelijke ontwikkeling in Nederland. Dat gebeurde tijdens de bijeenkomst van regiokring Midden bij Rijkswaterstaat Utrecht.

In ‘Hoe Kunnen We-sessies’ bespraken zij hoe Rijkswaterstaat in een steeds voller Nederland een toekomstbestendige infrastructuur en sterk ecologisch netwerk kan integreren.

Het was een nieuwe opzet van een regiokringbijeenkomst. Die worden ieder jaar in vijf regio’s georganiseerd door alumni zelf, met ondersteuning vanuit het alumnibureau van de universiteit. Dit keer kregen de deelnemers naast de gebruikelijke presentaties vanuit het gastbedrijf (landschapsarchitect Adam Hofland, Landscape Architecture and Planning 2008) en vanuit de universi-

teit (ecoloog Edgar van der Grift, Biologie 1992) de gelegenheid in groepssessies mee te denken. De opzet zorgde voor een grote opkomst met relatief veel jonge alumni. Voor de 26-jarige alumnus Guy Vuurman, Sustainable Business and Innovation 2025, was het zijn eerste regiokringbijeenkomst. ‘Het onderwerp sprak me meteen aan. Ik deed mee aan een sessie over het landelijk gebied en het was interessant om te zien dat het al snel heel complex werd. Ik vond het ook leuk om verschillende Wageningse alumni te ontmoeten.’ Info: alumni@wur.nl

Wageningse alumni vormen een wereldwijd netwerk van ruim 70 duizend afgestudeerden en gepromoveerden. Contact houden kan via verschillende kanalen:

LinkedIn

De LinkedIngroep Alumni

@Wageningen University & Research telt meer dan 17.000 leden. In deze groep verschijnen onder meer vacatures en evenementen. Ook is er aandacht voor alumni met een bijzonder verhaal. linkedin.com/groups/39958

WUR.nl

Op de website van WUR kunnen alumni terecht voor informatie over de regiokringbijeenkomsten en andere activiteiten, zoals het Summervibes festival op 18 juni. wur.nl/alumni

Netwerken

De alumnigemeenschap omvat 13 zelfstandige studiekringen en netwerken. Links en activiteiten zijn te vinden via wur.nl/alumnievenementen

Alumninieuwsbrief

De alumninieuwsbrief houdt afgestudeerden op de hoogte van interessante Wageningse ontwikkelingen, activiteiten en verhalen. Aanmelden kan op: wur.nl/alumninieuwsbrief

4TU.Alumni

4TU.Alumni is een wereldwijd netwerk dat bijna 350.000 afgestudeerden van de vier technische universiteiten in Nederland verbindt. 4TU.nl/Alumni

Verhuisd of nieuwe baan? Geef wijzigingen in werk- of contactgegevens door via wur.nl/gegevenswijzigen

CONNECT! FOTO

Prof. dr. ir. Hans Brug, Voeding van de mens 1989, is benoemd als voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit Utrecht. Daarvoor was hij directeur-generaal van het RIVM en hoogleraar Health Behaviour aan de UvA. 1 januari 2026

Maite den Butter MSc, Economics of Sustainability 2025, heeft de REmagine Award van de Nederlandse Raad van Decanen in Economie en Bedrijfskunde gewonnen voor haar scriptie over de effecten van natuurbescherming op het dagelijks leven van kustgemeenschappen in Indonesië. 2 december 2025

Prof. dr. Roy van Grunsven, WURgepromoveerd 2008, is benoemd tot buitengewoon hoogleraar Resilience of Insect Populations under Climate Change bij de leerstoelgroep Plantenecologie en Natuurbeheer. 1 april 2026

Dr. ir. Sjoukje Heimovaara, Plantenveredeling 1989, is voor vier jaar herbenoemd als voorzitter van de raad van bestuur van Wageningen University & Research. In 2022 volgde zij Louise Fresco op. 1 juli 2026

Prof. dr. Renate Wesselink, WURgepromoveerd 2010, is benoemd tot persoonlijk hoogleraar Responsible Learning Organisations bij de leerstoelgroep Education & Learning Sciences. 1 december 2025

Prof. dr. ir. Ellen Kampman, Voeding en gezondheid 1988, hoogleraar Voeding en gezondheid, is benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau, als erkenning voor haar decennialange inzet voor kankeronderzoek en publieksvoorlichting over voeding bij kanker.

4 februari 2026

‘Docenten zijn superbelangrijk in deze tijden van AI’

Landelijk docent van het jaar

Anneke Valk MSc, WUR-gepromoveerd 2010, is uitgeroepen tot de landelijke Docent van het Jaar. Valk krijgt een beurs van 50 duizend euro om te besteden aan onderwijsvernieuwing.

‘Ongelofelijk waanzinnig. Het is namelijk niet alleen landelijke erkenning – dat is al geweldig – maar dit opent ook deuren’, zei Valk na de uitreiking. ‘Zo krijg ik de kans om de wereld een stukje beter te maken en daar heb ik ongekend veel zin in!’

Afgelopen december won Valk al de prijs voor de beste docent van Wageningen University & Research. De studentenjury omschreef de biologiedocent toen als ‘een

Dr. ir. Cathelijne Stoof, Bodem, Water en Atmosfeer 1988, universitair hoofddocent bij de leerstoelgroep Bodemfysica en Landbeheer, ontving de Stairway to Impact Award van NWO voor de invloed van haar werk op nationaal en Europees beleid rond natuurbranden. Ze ontvangt 50.000 euro voor het verder uitrollen van haar werk.

26 november 2025

uitstekende docent met een missie om mensen te verbinden met de wonderen van het leven’.

‘Zelf heb ik ook docenten gehad die een verschil hebben gemaakt in mijn leven’ zei Valk in universiteitsblad Resource. ‘Docenten zijn superbelangrijk. Juist in deze tijden van AI, dat van alles verandert aan ons en hoe onze hersenen werken, is menselijke verbinding echt waardevol.’ 30 maart 2026

Alumni vragen WUR banden met Israël te verbreken

Ruim 750 Wageningse alumni hebben de raad van bestuur van Wageningen University & Research in een open brief opgeroepen de institutionele banden met Israëlische instellingen te verbreken.

De brief werd eind februari persoonlijk aan het bestuur overhandigd door ir. Corrie Roeper (Bodemkunde en bemestingsleer 1980), prof. dr. ir. Jan Douwe van der Ploeg (Agrarische sociologie van de nietwesterse gebieden 1979) en prof. dr. ir. Eric Smaling (Bodemkunde en bemestingsleer 1982). Een van de grootste bezwaren ligt volgens de brief bij Hebrew University. Deze

staat deels op bezet Palestijns gebied en heeft banden met het leger en de veiligheidsdiensten. ‘Volgens de eigen ‘principles of collaboration’ van WUR mag er geen samenwerking zijn met instellingen die fundamentele mensenrechten schenden’, schrijven de alumni. ‘Toch blijft de universiteit in verschillende projecten en een studentenuitwisselingsprogramma met Hebrew

University samenwerken, en helpt zo mee aan het normaliseren van deze praktijken.’ ‘Het is goed dat onze alumni zich zo betrokken voelen bij de WUR-gemeenschap', aldus een woordvoerder van WUR in universiteitsblad Resource. ‘De zorgen over de situatie in Gaza delen we. We verschillen wel fundamenteel van mening over de rol die onze universiteit heeft in geopolitieke conflicten. Wij geloven dat het onze opdracht is om onderzoek te doen en kennis te delen; niet om positie in te nemen. Dat is echt aan de politiek.’

Alumni en (oud-)medewerkers van Wageningen University & Research die onlangs zijn overleden.

Dhr. ir. P. van Ast, Zoötechniek 1975. 22 oktober 2025.

Dhr. Prof. dr. ir. H. Bakker, Zoötechniek 1968. 18 mei 2026.

Dhr. ir. J.A. Beukeboom, Zoötechniek 1965. 20 maart 2026.

Dhr. dr. ir. H.J. Blokhuis, Zoötechniek 1979. 7 februari 2026.

Dhr. ir. H. Bolluyt, Huishoudwetenschappen 1983. 31 december 2025.

Mw. ir. C.J.V. Boot – de Korte, Huishoudwetenschappen 1972. 13 oktober 2025.

Dhr. dr. ir. J.J.G.C. van den Borne, Zoötechniek 2001. 31 januari 2026.

Mw. ir. T.W. Brascamp-van der Lee, Levensmiddelentechnologie 1973. 31 oktober 2025.

Dhr. ir. W.G. Cath, Tropische landhuishoudkunde 1967. 1 oktober 2025.

Dhr. ir. W.M. Geluk, Landbouwplantenteelt 1961. 28 januari 2026.

Dhr. dr. ir. T.H.J. Geurts, Zuivelbereiding 1963. 29 oktober 2025.

Dhr. ir. P.B. Greeven, Bosbouw 1983. 12 november 2025.

Dhr. ir. A.J. Grijseels, Planteziektenkunde, 1964. 12 maart 2026.

Dhr. ir. P.J.M. Hillegers, Tropische bosbouw 1974. 25 januari 2026

Dhr. ir. P.C. van den Hoven, Tropische cultuurtechniek 1971. 9 december 2025.

Dhr. ir. A.A.M. Jansen, Landbouwplantenteelt 1960. 9 februari 2026.

Dhr. prof. dr. ir. K.J. Keesman, Cultuurtechniek B, 1984. 5 mei 2026.

Dhr. ir. P. Koomans, Landbouwplantenteelt 1959. 13 januari 2026.

Dhr. ir. J.M. Koopman, Zuivelbereiding 1956. 28 november 2025.

Dhr. ir. P.A. Koopman, Bosbouw 1972. 24 oktober 2025.

Dhr. prof. dr. ir. C.S.A. van Koppen, Milieuhygiëne 1981, 28 april 2026

Mw. ir. G. Krol-Benedictus, Tropische huishoudwetenschappen 1959. 25 december 2025.

Dhr. ir. J. van Liere, Landschapsarchitectuur 1973. 2 november 2025.

Dhr. dr. ir. B.P.M. Menco, Planteziektenkunde 1972. 25 juni 2025.

Dhr. Dr. ir. H.A. Oostindie, Rurale Sociologie 1989. 21 mei 2026.

Dhr. ir. R.A. Ponsen, Waterzuivering, 1972. 5 februari 2026.

Dhr. ir. S.A.P. Rietbergen, Bosbouw 1989. 19 september 2025.

Dhr. ir. F.P.H. du Rieu, Landhuishoudkunde 1967. 25 december 2025.

Dhr. ir. C.J.M. Rombouts, Zoötechniek 1986. 18 oktober 2025.

Dhr. ir. R.M. Schelhaas, Bodemkunde en bemestingsleer 1968. 13 december 2025.

Mw. ir. A. Siebenga-Duin, Voeding van de mens 1978. 7 juli 2025.

Dhr. ir. H. Siebering, Bosbouw 1974. 21 juni 2025.

Dhr. dr. ir. C.H. van Silfhout, Planteziektekunde 1974. 4 april 2026.

Dhr. prof. dr. ir. L. Speelman, Landbouwtechniek 1968. 8 december 2025.

Dhr. ir. J.P.H. van der Veen, Tropische landhuishoudkunde 1954. 24 oktober 2025.

Dhr. ir. P.W.M. Verhagen, Zuivelbereiding 1968. 30 december 2025.

Dhr. ir. F.J. de Vet, Cultuurtechniek B, 1982. 24 maart 2026.

Dhr. ir. J.W.J. Vissers, Landbouwtechniek 1976. 4 november 2025.

Dhr. ir. A. van Westhreenen, Zuivelbereiding 1967. 20 februari 2026.

Dhr. ir. A. Wever, Zoötechniek 1975. 27 januari 2026.

Dhr. dr. ir. P. de Willigen, Tropische plantenteelt 1970. 11 februari 2026.

Dhr. prof. dr. C.M.J. van Woerkum, WUR-gepromoveerd 1982. 5 maart 2026.

Mw. ir. R. van der Zijpp, Huishoudwetenschappen 1962. 28 september 2025.

Voor het doorgeven van het overlijden van een studiegenoot of familielid kunt u mailen naar alumni@wur.nl, of een overlijdensbericht sturen naar:

Wageningen University & Research, Afdeling Alumnirelaties, Droevendaalsesteeg 4, 6708 PB Wageningen

IN MEMORIAM

Vier Vici’s

Dr. ir. Vera Ros, Biologie 2003, universitair hoofddocent bij het Laboratorium voor Virologie, heeft een Vici-beurs toegekend gekregen van NWO voor haar onderzoek naar hoe virusinfecties het insectenleven beïnvloeden. Daarmee kan zij de komende vijf jaar haar onderzoeksgroep verder uitbouwen. De Vici is een van de grootste persoonsgebonden onderzoekbeurzen van Nederland.

Drie andere Vici-toekenningen in Wageningen gingen naar dr. Eveline Verhulst voor haar onderzoek naar de genen die de vrouwelijke ontwikkeling bij insecten aansturen, dr. David Ludwig voor zijn onderzoek naar de rol van wetenschap in tijden van complexe crises, en dr. Sanne Boesveldt voor onderzoek naar de invloed van reuk op gezondheid en eetgedrag.

Samenlevingseconomie

In deze economische verhandeling schetst de 101-jarige auteur ir. Jan Lindenbergh, Landbouwplantenteelt 1951, een alternatief macro-economisch model dat breekt met klassieke marktmechanismen, en dat herverdeling van koopkracht, evenwichtige groei en sociaal welzijn centraal stelt. Voor beleidsmakers, wetenschappers en studenten die zoeken naar structurele oplossingen voor economische en maatschappelijke scheefgroei.

MraCle Uitgeverij. 16,95 euro

Going Viral

Dit Engelstalige boek van viroloog prof. dr. ir. Herman Scholthof, Plantenziektekunde 1986, laat de verrassende en zelfs nuttige kant van virussen zien en toont hoe onderzoek in de plantenvirologie heeft geleid tot belangrijke doorbraken in de biologische wetenschappen, van moleculaire biologie tot ecologie en de humane geneeskunde. ‘Al met al hoop ik waardering over te brengen voor de ‘slimheid’ van virussen. Klein zijn vormt geen belemmering voor grootsheid.’ Springer 39,99 euro

InnovateSmart / Partnerships

Speelnatuur in tuin & stad

Natuur is geen ‘extraatje’ voor op zondagmiddag, het is een fundamentele bouwsteen voor een gezonde ontwikkeling, stelt Denise Enthoven MSc, Biologie 2018, in haar boek. Modder tussen de tenen en takken in de handen dragen bij aan motoriek, zelfvertrouwen en mentale rust van kinderen. Het boek geeft antwoord op praktische vragen over het dichterbij brengen van natuur, van achtertuin tot schoolplein. KNNV uitgeverij, 26,95 euro

De Vonk van de Vuurjuffer

Vonk van de Vuurjuffer

De gedichten van ir. Marieke Leentvaar, Landschapsarchitectuur 1993, zijn geïnspireerd door haar werk op de Veluwe en in het veenweidegebied. Ze knipogen naar de wereld van waterschappen, provincies, boeren en burgers en roepen op tot bezinning. De verzameling is een reflectie van haar kijk op de wereld en haar ervaringen in het werkveld van water, ruimte, klimaat en landbouw. devuurjuffer.nl, 19,95 euro

De drie zussen Ekkens uit Warfhuizen

Het Engelstalige boek van innovatie- en tranformatiestrateeg Mike Vermeer MBA, biedt een praktische gids voor wie innovatie wil versterken door middel van samenwerking. Het toont hoe start-ups, multinationals, kennisinstituten en overheden gezamenlijk baanbrekende oplossingen creëren. Naast meer theoretische beschouwingen, komen ook praktijkinzichten aan de orde van onder meer Heineken, Novo Nordisk, IKEA, Philips en Unilever. BoekenGilde, 24,75 euro

In het boek vertelt auteur ir. Berend Wierenga, Landhuishoudkunde 1968, met zijn nichtje Ida Wierenga, de saga van een Groninger boerenfamilie, het verhaal van zijn grootmoeder en haar twee zussen uit Warfhuizen. De zussen Ekkens herstelden met hard werken de positie van de familie binnen de boerenstand. Het boek schetst een beeld van het leven op het Groninger platteland tussen 1870 en 1970, met grote thema’s als de landbouwcrises, wereldoorlogen, de economische crisis van de jaren dertig en de ingrijpende mechanisatie van de landbouw na 1950. Profiel, 25 euro

BOEKEN VAN ALUMNI
‘De liefde voor metaal kreeg ik mee van mijn overgrootvader’

Lucas Janssen, smid

Cultuurtechniek A, 1987

‘Ik studeerde af in de cultuurtechniek in 1987, in een periode van hoge werkloosheid. Ik zocht iets op het gebied van remote sensing, maar daar waren nauwelijks vacatures. Ik werd 'vrijwilliger met behoud van uitkering' bij de leerstoelgroep Landmeetkunde en Teledetectie, waar ik me verder kon verdiepen in programmeren. Na een paar maanden kreeg ik de kans om promotieonderzoek te doen. Daarna heb ik onder meer mooie functies gehad bij Rijkswaterstaat en onderzoeksinstituut Deltares, met als belangrijkste aspecten informatica en modellering in de blauwe en groene ruimte. Rond mijn 55e begon ik na te denken over de toekomst, over een volgende stap. Ik wilde iets creatiefs, praktisch, met direct klantcontact, én eigen baas zijn. Uiteindelijk kwam ik uit bij het vak van smid. De liefde voor metaal heb ik meekregen van mijn overgrootvader die smid was. Op vakanties fotografeerde ik veel siersmeedwerk, zoals de prachtige hekken in grote Zuid-Europese kerken. In eerste instantie volgde ik naast mijn baan cursussen en deed ik een stage; in 2020 heb ik mijn eigen bedrijf opgericht. Mijn werkruimte bevindt zich in de voormalige steenfabriek in Wageningen. Een ideale plek met uitzicht op de Rijn, ik heb de oude schoorsteen weer in gebruik genomen. De basis van mijn werk is ijzer, vuur en water. Meer heb je als smid eigenlijk niet nodig om de mooiste objecten te maken. Mijn specialiteiten zijn deuren raamroosters, maar ik heb al veel verschillende projecten uitgevoerd. En ik geef inmiddels ook workshops, om mijn enthousiasme te delen.’

Keutels van Afrikaanse hyena’s geven inzicht in dieet

‘In poep zit verrassend veel informatie’, vertelt Dora Schouten. Voor haar masteronderzoek bij de leerstoelgroep Wildlife Ecologie en Beheer reisde ze naar Kenia en Botswana om het dieet van hyena’s te bestuderen via het DNA in de uitwerpselen.

Hyena’s komen in vier soorten voor in Azië en in Afrika ten zuiden van de Sahara. Het zijn slimme jagers en aaseters, en belangrijke opruimers in het ecosysteem. Toch is over hun dieet nog veel onbekend, zegt Schouten. ‘Zijn het alleen vleeseters, of eten ze ook fruit en plan-

ten? En hoe vaak eten ze vee?’ Die kennis kan helpen bij natuurbeheer en bij aanvallen van hyena’s op vee, bijvoorbeeld bij het bepalen van financiële compensatie voor veehouders. Lokale rangers verzamelden tijdens hun patrouilles de poepmonsters, samen met Schouten. Daarna volgde het labwerk. ‘Voor het analyseren van het DNA moet het sequencing-apparaat drie dagen blijven draaien. We zaten met ons kamp in the middle of nowhere, dus het apparaat stond op mijn kamer, naast mijn tandenborstel. Daar was stroom en ik kon

de deur goed afsluiten tegen bavianen. Die hadden eerder al mijn samples geruïneerd.’ Uit de eerste resultaten blijkt dat het uiterlijk van hyenakeutels, herkenbaar aan hun witte, krijtachtige kleur, niet altijd verraadt van welke soort ze zijn. Met het DNA uit de poep kan dit wel vastgesteld worden. Dat is relevant, omdat de soorten ecologisch sterk verschillen: de gevlekte hyena is een sociale jager en toppredator, terwijl bruine en gestreepte hyena’s solitaire aaseters zijn. Info: francisca.virtuoso@wur.nl

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Wageningen World 01 2026 by Wageningen University & Research - Issuu