Een maandelijkse uitgave van Voka vzw | Verschijnt niet in juli en augustus | Jaargang 2 - november 2018 Koningsstraat 154-158, 1000 Brussel P912687
VOKA
PAPER NOVEMBER 2018
K R T ApE
IEDEREEN AAN DE SLAG
De krapte voorbij
R T pE IEDEREEN AAN DE SLAG INHOUD
Iedereen aan de slag De krapte voorbij
De essentie
..................................................
3
Een structureel krappe arbeidsmarkt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5
Arbeidspotentieel: wie zijn ze en waar vinden we ze? . . . . . . . . . . . . . . . 10 Waar loopt het mis in de activering? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15 Naar een hogere werkzaamheidsgraad: voorstellen per cluster . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17 Naar een hogere werkzaamheidsgraad: structurele voorstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
colofon Voka-kenniscentrum Niko Demeester | Secretaris-generaal Bart Van Craeynest | Hoofdeconoom Sonja Teughels | Arbeidsmarkt Veronique Leroy | Arbeidsmarkt en arbeidsverhouding Vincent Thoen | Innovatie en economie Jonas De Raeve | Onderwijs Goedele Sannen | Mobiliteit en logistiek Ellen Vanassche | Milieu en klimaat Klaas Nijs | Energie en klimaat Steven Betz | Ruimtelijke ordening en milieu Karl Collaerts | Fiscaliteit en begroting Pieter Van Herck | Welzijns- en gezondheidsbeleid Gilles Suply | EU en internationaal ondernemen
2 VOKA PAPER NOVEMBER 2018
Eindredactie Sandy Panis, Katrien Stragier, Zoë Vandekerckhove Foto’s Chak López en Shutterstock Vormgeving Martinique Salomons Druk INNI Group, Heule
‘Iedereen aan de slag - De krapte voorbij’ is een brochure van Voka – Vlaams netwerk van ondernemingen. De overname of het citeren van tekst uit deze Voka Paper wordt aangemoedigd, mits bronvermelding. Verantwoordelijke uitgever Hans Maertens i.o.v. Voka vzw Burgemeester Callewaertlaan 6 8810 Lichtervelde info@voka.be - www.voka.be
VOKA.BE
De essentie De Vlaamse arbeidsmarkt gaat gebukt onder krapte. Vele en soms lang openstaande vacatures dwingen ondernemingen om bijzonder creatief te werk te gaan in het vinden en binden van mensen. Die krapte kent meerdere oorzaken. Vooreerst gaat het economisch goed, waardoor er veel nieuwe jobs gecreëerd worden. Tegelijk treden door de vergrijzing veel mensen uit en zijn er in de kering te weinig die zich aanbieden en dus werk zoeken. De komende legislatuur zullen ruim 380.000 jobs in Vlaanderen vervangen moeten worden omwille van de babyboomgeneratie die uitstapt. Daar tegenover staat dat jongeren alsmaar later en minder de arbeidsmarkt op komen. Toch zijn het heus niet de jongeren alleen die achterblijven. Van de laaggeschoolden is slechts de helft aan het werk en onze loopbanen behoren nog steeds tot de kortste van Europa.
I
n Vlaanderen is een kwart van de mensen op beroepsactieve leeftijd niet aan het werk.Die groep bestaat uit werklozen maar vooral uit niet-beroepsactieven die noch werkend noch werkzoekend zijn. Dat is niet goed want een aanzienlijk deel van hen kan wellicht wel nog aan het werk. Een activering gericht op laaggeschoolden, mensen met een beperking, langdurig zieken, mensen van allochtone a�omst, vrouwen, ouderen, jongeren, … zou de werkzaamheidsgraad aanzienlijk kunnen laten stijgen, zodat Vlaanderen alsnog
“Een gebrek aan scholing loopt als een rode draad door alle groepen van niet-werkenden.” kan aansluiten bij de best presterende landen in Europa. Bijzondere aandacht moet daarbij uitgaan naar het gebrek aan scholing dat als een rode draad door de huidige niet-werkende groepen loopt.
Structurele partner:
De gevolgen van die krapte laten zich op alle vlakken voelen. Vooreerst blijft de financiering van de verzorgingsstaat zorgwekkend als niet meer mensen aan de slag gaan. Daarnaast zijn er uiteraard ook economische gevolgen. Denken we maar aan investeringen die Vlaanderen mogelijks misloopt omdat men de schaarste vreest of het risico op loondrift. Ondernemingen moeten tegen elkaar
opboksen om mensen te vinden. Werknemers afsnoepen van elkaar is echter geen oplossing: het leidt tot excessen en verschuift het probleem van de krapte alleen maar tussen ondernemingen. We kunnen meer groeien en iedereen een zinvolle job bieden, als we inzetten op maatregelen die werken aanmoedigen (wortel) en niet werken ontmoedigen (stok). We moeten dus een volgende stap zetten, zowel ten aanzien van de te activeren groepen, als in de aanpak van die activering. De huidige arbeidsreserve kan nog het beste omschreven worden als een ijsberg waarvan enkel de werklozen of typische uitkeringsgerechtigde werkzoekenden boven het wateroppervlak uitsteken. Daaronder zijn er nog vele niet beroepsactieven die in een of ander stelsel aan de kant van de arbeidsmarkt staan. ➜
WIE?
SONJA TEUGHELS Senior adviseur arbeidsmarkt sonja.teughels@voka.be Sonja Teughels volgt op het Vokakenniscentrum de dossiers op rond arbeidsmarkt.
NOVEMBER 2018 VOKA PAPER 3
IEDEREEN AAN DE SLAG DE ESSENTIE
We moeten veel meer dan vandaag weten wie ze zijn, wat hen motiveert, welke studie of ervaring ze hebben, wat hun achtergrond is, … Een effectieve aanpak van wortel en stok voor inactiviteit start immers met een goede analyse. De activering moet niet enkel verbreden naar nieuwe groepen. Het activeringsbeleid zelf moet ook aangepast worden. Zo is een totaalaanpak over alle overheden en beleidsdomeinen heen noodzakelijk willen we communicerende vaten vermijden. De aangescherpte controle en de daling van de werklozen vertaalde zich immers de laatste jaren in een gedeeltelijke toename van langdurig zieken en bijstandsgerechtigden. Controle en opvolging blijken niet overal even consequent en prioritair te zijn. Ook de responsabilisering van alle betrokken overheden en actoren om tot een hogere werkzaamheid te komen is in datzelfde bedje ziek. In die zin is er nog veel verbetering mogelijk, in het bijzonder door een grondig debat over een efficiënte invulling van de ‘activeringsregie’. Een meer afgestemde en gecoördineerde profi lering en inschatting van capaciteit tot werken, zou soelaas kunnen brengen om – los van verworven rechten of stelsel – in te schatten wat de kans op tewerkstelling is. Zo vallen er parallellen te trekken tussen mensen die worden ingeschaald richting sociale economie, langdurig zieken die gereïntegreerd worden op de arbeidsmarkt of mensen met een handicap die een inkomensvervangende tegemoetkoming krijgen. Idem als het gaat om mensen die lokaal op bijstand beroep doen en quasi onmiddellijk 4 VOKA PAPER NOVEMBER 2018
“Vlaanderen kan zijn autonomie aanwenden met een Vlaamse ‘jobstimulans’ en zodoende nieuwe groepen aan het werk krijgen.” of op termijn activeerbaar zijn en behalve de bijstand soms in niets verschillen van een uitkeringsgerechtigde werkzoekende. Tot slot volstaat het niet om enkel in te zetten op een versterkte regie, controle en een coherente en uniforme inschatting. De werklozen en niet-beroepsactieven moeten ook gestimuleerd worden om te willen werken. Velen onder hen zijn al jaren niet meer aan het werk of hebben nooit gewerkt. Ze zijn veelal laaggeschoold en lopen vast in de vele inactiviteitsvallen. Vlaanderen kan daarbij zijn autonomie aanwenden met een Vlaamse ‘jobstimulans’ en zodoende gericht inzetten op deze groepen die starten in de laagste lonen. Een Vlaamse jobstimulans maakt werken rendabeler voor allerlei inactieven en zorgt er mee voor dat meer mensen (opnieuw) aan de slag gaan en dit zonder de loonkost voor werkgevers te verhogen.
VOKA.BE
1. Een structureel krappe arbeidsmarkt Vlaanderen kampt al vele jaren met een aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt en het ziet er niet naar uit dat dit snel verdwijnt. Enerzijds is er een gestage toename van de vacatures, anderzijds kenmerkt de Vlaamse arbeidsmarkt zich door een vergrijzende, uittredende beroepsbevolking. Vooral de uittocht van de babyboomers zal het thema van krapte en dus ook activering nog vele jaren op de beleidsagenda houden.
D
e krapte is overwegend een Vlaams fenomeen, sterk gekleurd door een vergrijzende beroepsbevolking. Er waren immers nog nooit zoveel ouderen op onze arbeidsmarkt actief, mede onder impuls van het beleid van de afgelopen jaren. Waar in 1996 de Vlaamse arbeidsmarkt 380.800 werkende 50-plussers telde, is dit intussen verdubbeld tot 798.000 in 2016 en zou dit naar schatting oplopen tot 814.000 in 2017. 1 De toegenomen activiteit binnen deze leeftijdsgroep is zonder meer een goede zaak, maar vergroot paradoxaal wel de vervangingsvraag die er snel aankomt.
Figuur 1. Oplopende vervangingsvraag in Vlaanderen 500000
400000
300000
200000
100000
De komende legislatuur 2019-2024 zullen tot 382.300 jobs vrijkomen die ingevuld moeten worden. Dat loopt verder op tot 406.000 in de daaropvolgende 5 jaar. In de overige gewesten ligt dit aanzienlijk lager, respectievelijk 51.000 jobs in het Brussels Gewest en 186.000 jobs in het Waals Gewest. Het maakt meteen duidelijk dat het beleid gericht op langer werken en activeren van ouderen onverkort moet worden voortgezet en versterkt.
0
1999-2004
2004-2009
Vlaanderen
2009-2014
WalloniĂŤ
2014-2019
2019-2024
2024-2029
Brussel
Bron: Steunpunt Werk
NOVEMBER 2018 VOKA PAPER 5
IEDEREEN AAN DE SLAG STRUCTURELE KRAPTE
Dat die enorme vervangingsvraag de krapte van de arbeidsmarkt op scherp zet, mag blijken uit de vacaturegraad. Dit is een internationale maatstaf waar Vlaanderen zich kan positioneren binnen de EU28. Zo kent Vlaanderen een veel groter aandeel jobs die vacant zijn ten opzichte van het totaal aantal jobs in loondienst. In het laatste kwartaal van 2018 stonden er 3,9% jobs in loondienst open of vacant. Dit bevestigt het beeld van veel maar eveneens lang openstaande vacatures.
382.300
De komende legislatuur zullen tot 382.300 jobs vrijkomen die ingevuld moeten worden.
“De toegenomen activering van 50-plussers is zonder meer een goede zaak, maar vergroot wel de snel aankomende vervangingsvraag.”
Bovendien blijkt de beschrijving van vacatures niet altijd de gevraagde realiteit te weerspielgen. Zo benadrukken vele werkgevers het belang van bijvoorbeeld leervermogen zonder het op te nemen in de vacaturebeschrijving. Waar men het wel opneemt, is het soms niet gespecifi eerd met misverstanden tot gevolg. Ook ontbreekt het wel eens aan het onderscheid tussen ‘nice to have’ en ‘need to have’. Zo kan ‘zelfstandig werken’, ‘teamplayer’ of ‘aanpassingsvermogen’ verschillende betekenissen hebben in functie van de context waarin het gevraagd is. Dit alles draagt niet bij tot een matchingsproces: het schrikt mogelijks goede kandidaten af of trekt verkeerde profielen aan. Een goede arbeidsbemiddelaar kan dit evenwel deels bijsturen.
Case: Alpro
Figuur 2. Spanning op de arbeidsmarkt verdubbeld 4,5
10
4,0 9
3,5
8
3,0 2,5
7
2,0
6
1,5
5
1,0
4
0,5
Bron: Eurostat Job Vacancy Rate
6 VOKA PAPER NOVEMBER 2018
VL spanningsindicator
2018III
2018 II
2018 I
2017 III
2017 IV
2017 I
2017 II
2016 III België
2016 IV
2016 I
EU 28
2016 II
2015 IV
2015 II
2015 III
2015 I
2014 III
2014 IV
2014 I
2014 II
3
Vlaanderen
Het aantal (openstaande) vacatures blijft maand na maand records verbreken. De voorbije twaalf maanden ontving de VDAB ruim 280.000 vacatures waarvan 41% geen scholingsvereiste vooropstelde en 20% noch scholing noch ervaring vooropstelde. Zelfs in deze groep rapporteren ondernemingen over de moeilijkheid om geschikte én gemotiveerde mensen te vinden. Anderzijds wees recent VIONA-onderzoek 2 uit dat de voorbije jaren signifi cant hogere eisen worden gesteld. Niet alleen de vraag naar hard skills neemt toe, ook deze naar zogenaamde soft skills. De oorzaak ligt in de ruimere impact van technologie en globalisering. De onzekerheid over wat er technisch nodig is in de toekomst, doet het belang aan soft skills toenemen.
Tegelijk is de spanningsindicator, die de werkzoekenden afzet tegenover het aantal beschikbare vacatures, op bijna 4 jaar tijd verdubbeld van ruim 9 naar 4,5: er zijn dus de helft minder werklozen beschikbaar per vacature. Er wordt algemeen van uitgegaan dat het vlot invullen van een vacature zes beschikbare kandidaten vraagt. Bepaalde regio’s zoals West-Vlaanderen kennen momenteel een regionale spanningsindicator van 3,3 (oktober 2018).
0,0
Vele vacatures – te veel gevraagd?
Alpro, gelegen in Zuid-West-Vlaanderen, waar de werkloosheid Vlaanderen zeer laag is, zoekt op een creatieve Vlaanderen manier naar nieuwe mensen. Dit jaar rekruteerde de onderneming al 120 mensen en voor volgend jaar zoekt men nog eens 100 operatoren en technici. De vestiging in Wevelgem stelt in totaal 780 mensen tewerk, wat een verdubbeling is ten opzichte van 5 jaar geleden. Om de vraag kenbaar te maken werd een ludieke actie opgezet met tv-presentator James Cooke die via sociale media ruim wordt verspreid. Sinds kort lopen er eveneens gerichte spots in de bioscopen. Daarnaast belooft de onderneming een aanwervingspremie van 1.000 euro aan werknemers die een nieuwe arbeidskracht aanbrengen.
VOKA.BE
Figuur 3. Bevolking op arbeidsleeftijd daalt in Vlaanderen vanaf 2020 70000 60000 50000 40000 30000 20000 10000 0
Vlaanderen
Wallonië
2050
2048
2046
2044
2042
2040
2038
2036
2034
2032
2030
2028
2026
2024
2022
2020
2018
2016
2014
2012
2010
2008
2006
2004
2000
-20000
2002
-10000
Brussel
Bron: federaal planbureau
Een te beperkt en krimpend aanbod De toekomstige pensionering van de babyboomers drukt het beschikbare aanbod, maar ten gronde is er een veel structureler probleem. Te veel mensen op beroepsactieve leeftijd zijn noch werkend, noch werkloos en dienen zich (nog) niet (meer) aan op de arbeidsmarkt. In Vlaanderen is dit meer dan een kwart, op Belgisch niveau stijgt dit zelfs tot bijna een derde tot 40% in Brussel. De pensioneringsgolf vergroot enkel maar de urgentie om dit structurele manco aan te pakken. De bevolking op arbeidsleeftijd neemt nog lichtjes toe om vanaf 2019 te dalen. Die daling laat zich vooral voelen in Vlaanderen en zorgt ervoor dat de komende legislatuur de bevolking tussen 20 en 64 krimpt met ongeveer 51.000. Dat lijkt relatief beperkt, maar het moet gelezen worden in het licht van een eveneens dalende activiteitsgraad3 bij jongeren. Waar in 1985 nog 45% van de 15 tot -24 jarige zich aanbood op de arbeidsmarkt, is dit gedaald tot 38% in 2000 en vandaag is dat nog maar een derde. Het Steunpunt Werk verwacht een verdere daling tot een kwart op de lange termijn. De verklaring voor die daling ligt onder meer in een toenemende scholarisatie en de langere duurtijd ervan. Zo behaalde in 2013 minder dan 30% van de bachelorstudenten zijn diploma binnen de 3 jaar. 5 jaar eerder was dit bijna 40%. 4 Als te weinig mensen werken en/of werk zoeken als werkloze, ligt de werkzaamheidsgraad laag. In Vlaanderen is slechts 72% van de bevolking
tussen de 20 en 64 jaar aan het werk. De doelstelling van 76% in 2020 wordt hiermee niet gehaald en maakt duidelijk dat hoeraberichten over een dalende werkloosheid niet aan de orde zijn. Meer zelfs, als Vlaanderen zich vergelijkt met bijvoorbeeld Zweden, Nederland of Duitsland die een werkzaamheid optekenen van bijna 80%, wordt de zwakke prestatie nog duidelijker. Mocht Vlaanderen een ‘Zweedse prestatie’ neerzetten op haar arbeidsmarkt, dan zouden er tot 300.000 werkenden meer aan de slag zijn. Dit is zelfs meer dan het aantal Vlaamse werklozen en kan maar gerealiseerd worden als we meer activeren dan enkel de groep van werklozen. NOVEMBER 2018 VOKA PAPER 7
IEDEREEN AAN DE SLAG STRUCTURELE KRAPTE
R T
Gevolgen voor ondernemingen
8 VOKA PAPER NOVEMBER 2018
12 10 8 6 4 2
Bron: Eurostat EUROIND
2018-I
2018-II
2017-I
2017-III
2016-I
2016-III
2015-I
2015-III
2014-I
2014-III
2013-I
2013-III
2012-I
2012-III
2011-I
2011-III
2010-I
0 2010-III
Bij productiebelemmeringen kunnen werkgevers ervoor opteren om te anticiperen op de tekorten door (versneld) in te zetten op automatisering en arbeidsvervangende technologie. Vanuit eďŹƒciĂŤntieoogpunt is dit mogelijks een goede zaak maar op korte termijn is dit maatschappelijk wellicht minder gewenst.
14
2009-I
Een illustratieve maatstaf voor de krapte zijn de ondernemingen uit de verwerkende industrie, die aangeven dat het tekort aan geschoolde arbeidskrachten leidt tot productiebelemmeringen.
Figuur 4. Verloop van de productiebelemmeringen door tekort aan geschoolde arbeidskrachten (verwerkende nijverheid)
2009-III
De schaarste is in vele opzichten problematisch. In de eerste plaats voor het functioneren van de verzorgingsstaat en sociale zekerheid die voornamelijk gebouwd is op bijdragen betaald op arbeid. Daarnaast fnuikt het de groei van ondernemingen en schrikt het mogelijks ook investeerders af om voor Vlaanderen te kiezen in de uitrol van nieuwe activiteiten.
Bron: Lorem ipsum dolo euismod tincidunt ut la veniam, quis nostrud commodo consequat.
VOKA.BE
Een illustratie hiervan zijn alvast de geannuleerde of stopgezette vacatures.
Case: ON Semiconductor
In 2017 werden er van de vacatures waarbij de werkgever expliciet beroep doet op de VDAB voor bemiddeling, ruim 20.000 (of 28%) geannuleerd of stopgezet. 72% werd ingevuld, zij het soms pas na meer dan 6 maanden. Ter vergelijking, in 2014 was de vervullingsgraad nog 81%. In realiteit ligt het aantal niet-gerealiseerde vacatures wellicht veel hoger doordat bijvoorbeeld het werk intern wordt herverdeeld, functies worden herschikt of men een oplossing zoekt in flexibiliteit, overuren, uitbesteding, ...
ON Semiconductor ontwerpt en produceert microchips. De onderneming werkt in haar productieafdeling in Oudenaarde met ongeveer een 225-tal operatoren en 75-tal techniekers in een 5-ploegensysteem. Ze stelde vast dat de aanwerving van techniekers quasi onmogelijk werd en zocht aanvankelijk een uitweg in de creatie van een tussenliggende functie van cleantechniekers voor operatoren met technische aanleg. Toch volstond dit niet omdat de aard van activiteiten een aantal competenties vraagt op bachelorniveau. Bij gebrek aan dergelijke profi elen, werkte de onderneming met een partner een opleiding uit wat toeliet dat finaal acht intern geselecteerde kandidaten gedurende 2 jaar een job als operator of cleantechnieker konden combineren met de opleiding. De opleiding werd gevolgd in het kader van Betaald Educatief Verlof en de onderneming fi nancierde de opleidingskosten en zorgde voor de nodige flexibiliteit in uurroosters. Zij zijn recent met succes afgestudeerd en zijn allen doorgegroeid tot techniekers. De onderneming zal dit opleidingstraject herhalen.
“Het tekort aan geschoolde arbeidskrachten leidt tot productiebelemmeringen.” Ongetwijfeld zal de schaarste aan arbeid ook een impact hebben op de loonevolutie en de loonkost de hoogte in jagen. Zo blijkt uit een recente studie van Hudson dat de lonen tussen 2017 en 2018 met bijna 4% stegen: bovenop de indexering kenden de werkgevers uit de privé hun medewerkers gemiddeld 2,2% extra toe waarvan 0,5% variabel loon.5 Het lijkt er dus op dat zeker voor een aantal profielen de rekruteringsnood zo hoog is dat ze de (loonnorm) wet breekt.
Case: Jan De Nul
Figuur 5. In Vlaanderen werkt 1 op 4 op beroepsactieve leeftijd niet, in België 4 op 10 85,0
72,5
60,0
2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 België
EU-15
Nederland
Zweden
Vlaams Gewest
Het baggerbedrijf Jan De Nul is wereldwijd actief in civiele, bagger-, milieu- en offshore- werken. De onderneming telt ruim 7.000 werknemers, heeft het hoofdkantoor in Groothertogdom Luxemburg, een grote vestiging in België en diverse internationale kantoren in onder meer Taiwan en Singapore. De onderneming werkt voornamelijk met technische profielen waaronder industrieel en burgerlijk ingenieurs. Om zoveel mogelijk profi elen te bereiken, presenteert de onderneming zich internationaal op (gespecialiseerde) jobbeurzen, zet ze in op stages, geeft ze gastcolleges, organiseert ze bedrijfsbezoeken en werkt ze samen met het hoger onderwijs en universiteiten waaronder ook buitenlandse.
1 Werk.focus Steunpunt Werk: Leidt de hoge vervangingsvraag van 50-plussers tot een structurele krapte op de arbeidsmarkt?, 1 maart 2018 2 Antwerp Management School en Actonomy: Wijziging in jobs, vacatures en vaardigheden, januari 2018 3 Het aantal werkende en werkloze jongeren tov de totale groep jongeren 4 Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen 5 Hudson: Salarisstudie 2018
Duitsland
Bron: Statbel - EAK, Eurostat - LFS (Bewerking Steunpunt Werk/Departement WSE)
NOVEMBER 2018 VOKA PAPER 9
IEDEREEN AAN DE SLAG ARBEIDSPOTENTIEEL
2. Arbeidspotentieel: wie zijn ze en waar vinden we hen? Om de werkzaamheidsgraad te verhogen en de krapte op de arbeidsmarkt terug te dringen, moet elkeen die kan werken maximaal daartoe worden aangespoord. Er is nog een potentiële arbeidsreserve aanwezig in de groep van niet-beroepsactieven die geactiveerd kan worden en veel ruimer is dan de groep van officiële werklozen.
D
e potentiële reserve werd door het Steunpunt Werk in kaart gebracht aan de hand van de Europese enquête naar arbeidskrachten en een internationaal gehanteerde standaard die bepaalt wie wel en niet werkloos is 1 2. De analyse bracht voor Vlaanderen een nietberoepsactieve bevolking van ruim 930.000 mensen in kaart van wie een deel nog kan werken, al dan niet mits aangepaste begeleiding of ondersteuning. Zo zijn er mensen die perfect in staat zijn tot arbeid, maar onderweg de moed en de motivatie hebben verloren of moeten opboksen tegen vooroordelen. Anderen maken de afweging tussen werken en niet werken en struikelen over barrières en inactiviteitsvallen zoals de kost voor kinderopvang en mobiliteit of een hoge belasting op arbeid. Daarnaast zijn er ook mensen die deeltijds aan de slag zijn, maar mits de juiste incentives wellicht voltijds kunnen werken. Het Steunpunt schat in dat als we de groepen die buiten de traditionele groep van ‘werklozen’ vallen kunnen activeren, Vlaanderen wel een fors hogere werkzaamheid kan realiseren van 76% of 10 VOKA PAPER NOVEMBER 2018
meer. Zo kan er zeker nog bijkomende tewerkstelling worden gerealiseerd in diverse kansengroepen zoals mensen met een handicap of mensen van allochtone a�omst. Maar uit de analyses van de niet-beroepsactieven blijkt alvast wel dat de lage scholingsgraad als een rode draad door de heterogene groep van niet-beroepsactieven
“De VDAB telde in 2017 bijna 213.000 ingeschreven werkzoekenden.” loopt. Laaggeschoolden (maximum tweede graad secundair onderwijs) hebben zowat de overhand in alle groepen van de potentiële reserve. Waar zij in de totale bevolking op beroepsactieve leeftijd 22,6% vertegenwoordigen, stijgt hun aandeel tot een derde bij de actieve, ingeschreven werklozen en tot ongeveer 50% bij de andere niet-beroepsactieven die nog worden geacht inzetbaar te zijn. Ook in termen
VOKA.BE
Figuur 6. Zeven clusters van inactieven
werkenden Beroepsbevolking werklozen
213.000� Werkzoekende werklozen
263.000 Werkloos maar niet werkzoekend 211.000 Tijdelijk niet werkend
320.000 Mensen met ziekte of beperking
Niet-beroepsactieve bevolking 64.000 In bijstand (leefloon, vluchteling)
370.000 Jongeren en studenten
155.000 Inactief
* Cijfers inschatting voor Vlaanderen
van werkzaamheid weten we dat laaggeschoolden voor nauwelijks de helft aan het werk zijn. Mathematisch is een hogere ambitie qua tewerkstelling dus zeker mogelijk en is er geen reden om aan te nemen waarom Vlaanderen en België niet zouden kunnen wat Zweden, Duitsland en Nederland ons tonen. Om dit te kunnen realiseren is een volgende stap in de analyse nodig. Om de groep goed in beeld te krijgen, hanteren we hieronder het beeld van een ijsberg. Slechts het topje van die berg dat boven het water uitsteekt zijn de werklozen en maakt het voorwerp uit van het huidig activeringsbeleid. Maar deze groep volstaat niet om de werkzaamheidsgraad op te krikken en de krapte structureel te remediëren. De scope van het activeringsbeleid
68.000
Van de 213.000 werkzoekenden zijn er 68.000 werkloos zonder uitkering.
moet dus dringend verruimd worden naar de tot hiertoe deels verborgen reserve van nietberoepsactieven. Op basis van administratieve data van jaargang 2017 trachten we voor Vlaanderen een beeld te schetsen van de groep onder de waterlijn en dit in zeven coherente clusters en stelsels. De diverse stelsels hebben een eigen logica met regels voor beschikbaarheid, toelating tot werk, controle, mogelijkheid tot werkhervatting, … Bovendien zijn heel wat groepen vandaag niet of nauwelijks gericht op (her)tewerkstelling.
1
WERKZOEKENDE WERKLOZEN
De VDAB telde in 2017 bijna 213.000 ingeschreven werkzoekenden.3 Dit zijn de werklozen boven de waterlijn die worden gevat met het activeringsbeleid. 145.000 onder hen zijn uitkeringsgerechtigd, bijgevolg verplicht NOVEMBER 2018 VOKA PAPER 11
IEDEREEN AAN DE SLAG ARBEIDSPOTENTIEEL
ingeschreven bij de VDAB en worden volgens de federale wetgeving gecontroleerd en zo nodig gesanctioneerd. Tegenover het recht op een uitkering staat immers de plicht tot beschikbaarheid. Bijna de helft van de uitkeringstrekkers is minder dan een jaar werkzoekend en stroomt relatief gemakkelijk terug uit naar werk. Bijna een derde daarentegen is langer dan 2 jaar werkloos, waarvan de helft langer dan 5 jaar, met een bijzonder kleine kans op hertewerkstelling. Hierin vinden we vooral oudere werkzoekenden en meer dan de helft lagergeschoolden (52%). Ruim 40.000 ingeschreven werklozen zijn 55 jaar of ouder, maar de heterogeniteit is groot. Bijna 4.500 vallen onder het stelsel van SWT en kennen minder verregaande plichten om werk te zoeken. Van de niet-SWT’ers zijn er ruim 23.000 actief beschikbaar. De rest is voornamelijk aangepast beschikbaar en kent dus minder plichten en moet niet actief op zoek naar werk. Van de 213.000 werkzoekenden zijn er 68.000 werkloos zonder uitkering. Een vijfde daarvan zijn jongeren in de beroepsinschakeltijd (voorheen de wachttijd) en 44% zijn vrijwillig ingeschreven zoals mensen in opzeg. De rest zijn onder meer geschorste werklozen of mensen die een leefloon genieten. Met uitzondering van de jongeren in de beroepsinschakeltijd zijn ook hier weer de meeste lagergeschoold.
Opgelet, de ene werkloze is de andere niet Van de ingeschreven werklozen waarvan de nood is ingeschat door de VDAB, is voor 10% onder hen geen dienstverlening meer mogelijk of zelfs uitgeput (maximaal 16.500). Van minimaal 7.500 werklozen wordt zelfs gesteld dat ze niet meer toeleidbaar zijn. Zij kunnen niet aan het werk maar passen evenmin onder de stelsels van bijvoorbeeld het RIZIV of de FOD Sociale Zekerheid. Bij gebrek aan perspectief, blijft de groep soms jarenlang in begeleiding.
2
WERKLOOS MAAR NIET WERKZOEKEND Na de werklozen volgen de beroeps-
inactieven. Het gaat om een groep die heel sterk lijkt op werklozen, maar die in tegenstelling tot die voorgaande groep geen werk zoekt en ook niet is ingeschreven bij de VDAB. Het betreft de niet-werkzoekende uitkeringsgerechtigde werklozen. Ruim 75.000 Vlamingen krijgen via de RVA een uitkering waarvan drie kwart verblijft in het stelsel van SWT mét vrijstelling. Uiteraard vinden we hier vooral ouderen terug waarvan 40% 61 jaar of jonger. Daarnaast zijn er nog eens 15.000 die ge12 VOKA PAPER NOVEMBER 2018
nieten van een vrijstelling op basis van gewerkte jaren en leeftijd waarvan de helft 63 jaar en ouder. Deze aantallen komen voort uit een traditionele praktijk van herstructurering die met oog op sociale vrede koos voor leeftijd als ontslagcriterium. 4 Een tweede groep zijn 58.000 mensen die voor een bepaalde periode tijdelijk werkloos waren. Er zijn daarvoor diverse redenen, waarbij ‘economische werkloosheid’ de belangrijkste is (bijna 39.000) gevolgd door ‘slecht weer‘ (bijna 16.000). Hiermee werd het laagste niveau opgetekend in de afgelopen 10 jaar. Een laatste en tevens grote groep zijn gepensioneerden op beroepsactieve leeftijd (64 jaar of jonger). Begin 2018 telde Vlaanderen 130.000 gepensioneerden (in de regel werknemers of zelfstandigen) jonger dan 65 jaar, hoofdzakelijk in de groep 60-64 jaar en dit in diverse stelsels zoals rust- en/of overlevingspensioen, zeevaart, burgerluchtvaart, ... 5
K R Ap VOKA.BE
Ondanks het feit dat deze groepen geen werk zoeken, kan het wel gestimuleerd worden Uit de uitstroomcijfers van de VDAB blijkt dat van de ingeschreven werkzoekenden tussen 55-59 jaar na een jaar bijna een derde opnieuw aan het werk gaat. In het totaal aantal indiensttredingen nemen 50-plussers bijna 9% voor hun rekening ten opzichte van 5,5% in 2006.
3
ONDERBREKING LOOPBAAN
Gemiddeld 211.000 mensen in Vlaanderen hebben in 2017 hun loopbaan onderbroken, quasi allen vergoed en dit via loopbaanonderbreking (publieke sector), tijdskrediet (privésector) of thematisch verlof. 6 Al naargelang het motief zijn de gebruikers eerder midcareers dan wel 55+. Ongeveer 90.000 onder hen werken deeltijds in eindeloopbaanonderbreking. Nog eens ruim 43.000 Vlamingen stoppen tijdelijk met werken voor ouderschapsverlof waarvan de meeste met een vermindering van één vijfde. Gemiddeld 7.000 namen het afgelopen jaar een volledige maand ouderschapsverlof; dit liep op tot 14.000 en 18.000 tijdens respectievelijk juli en augustus.
Leidt minder werken tot langer werken? Recent onderzoek toonde aan dat formules van gesubsidieerde arbeidsduurvermindering de eerste jaren de kans verhoogt om aan het werk te blijven. Maar wanneer werknemers recht krijgen op vervoegd pensioen, treedt een omgekeerd effect op en draagt het er net toe bij dat deze mensen sneller uittreden. Het wordt dan als het ware een ‘pre-prepensioen’.7
4
ZIEKTE OF HANDICAP
Ruim 270.000 Vlamingen blijken omwille van ziekte of beperking tijdelijk of permanent niet (meer) aan de slag te kunnen. Bijna 212.000 Vlamingen waren vorig jaar invalide (langer dan een jaar ziek ) en hun aantal neemt jaar na jaar toe. Door de verscherpte beleidsaandacht de laatste jaren, wordt er ingezet op reïntegratie via onder meer preventiediensten en samenwerking met de VDAB, zij het nog met bescheiden volumes. Daarnaast waren er in 2017 nog eens ongeveer 50.000 mensen die omwille van een handicap een inkomensvervangende tegemoetkoming kregen in de bijstandsregeling van de FOD Sociale Zekerheid. ➜
NOVEMBER 2018 VOKA PAPER 13
E T A
IEDEREEN AAN DE SLAG ARBEIDSPOTENTIEEL
De wegen naar werk lopen ongelijk
Een meer en meer gebruikte formule is de ‘progressieve werkhervatting’, die toelaat dat mensen terug aan het werk gaan met behoud van hun verzekeringsuitkering. Op bijna 5 jaar tijd is het aantal Belgen in dergelijke werkhervatting verdubbeld van 28.000 naar 47.500, wat echter nog steeds beperkt is in het licht van het totaal aantal RIZIV-gerechtigden. Ook voor mensen met een handicap is er een mogelijkheid tot combinatie van (bijstands)tegemoetkoming met werk maar minder dan 3.000 Vlamingen doen dit.
5
BIJSTAND, LEEFLOON, VLUCHTELINGEN
Onze verzorgingsstaat kent een groeiend residuair stelsel, met name de bijstand als laatste vangnet. In het kader van het recht op maatschappelijke integratie en hulp kunnen mensen via het OCMW een leefloon ontvangen of een equivalent daarvan (voor bijvoorbeeld erkende vluchtelingen). In totaal telde Vlaanderen in 2017 bijna 64.000 gerechtigden op een leefloon of equivalent daarvan. Daarnaast waren er nog eens ongeveer 10.000 in een tewerkstellingsproject gericht op de prestatie van voldoende dagen voor het verkrijgen van een werkloosheidsuitkering.8
Soms een zelfde problematiek, steeds een andere aanpak en niet altijd transparant Een deel van de leefloners vertoont nauwelijks verschillen met typische werkzoekenden behalve het ontbreken van een verzekerde uitkering. Denk hierbij aan jongeren in de beroepsinschakeltijd. Toch worden ze anders geactiveerd via andere actoren en tot voor kort andere instrumenten. In het totaal schreven er slechts 16.000 zich in bij de VDAB.
6
JONGEREN EN STUDENTEN
Een voorlaatste groep die deel uitmaakt van de niet-beroepsactieven, zijn uiteraard scholieren en studenten vanaf 18 jaar. Vlaanderen telt grofweg 370.000 jongeren die hetzij in de derde graad van het secundair onderwijs verblijven, hetzij in het hoger onderwijs verder studeren.
7
INACTIEF
De restgroep omvat tot slot inactieven. Het gaat hier om mensen die in geen van de vorige verzekerings- of bijstandsstelsels terug te 14 VOKA PAPER NOVEMBER 2018
vinden zijn en nog het best omschreven worden als huisman of huisvrouw. Door gebrek aan systematische registratie van deze groep refereren we naar de inschatting van het Steunpunt Werk die de groep raamt om 155.000. Het is totaal onduidelijk in welke mate deze mensen ooit terug aan het werk willen of kunnen. Naar schatting bestaat de groep voor 47,5% uit laaggeschoolden, voor bijna 37% uit middengeschoolden en gaat het in hoofdzaak om vrouwen, veelal op oudere leeftijd. De massale afwezigheid op de arbeidsmarkt werd reeds meermaals aangekaart in adviezen van de Commissie Diversiteit en de Hoge Raad voor Werkgelegenheid.8 1 ILO-definitie van actieve werkloze: geen werk, de afgelopen 4 weken werk gezocht en binnen de 2 weken beschikbaar voor een nieuwe job. 2 Sourbron M., Vansteenkiste S.: De arbeidsreserve op de Vlaamse arbeidsmarkt ontleed, in Overwerk 2018 nr. 1 3 Arvastat 4 RVA, Jaarverslag 2017 5 Federale Pensioendienst, Jaarlijkse statistiek 2018 6 RVA, Jaarverslag 2017 7 Cockx B, Dejemeppe M. en Vanderlinden B.: Werk voor ouderen in België, werkt het beleid?, 2017 8 Commissie Diversiteit: Advies laaggeschoolde vrouwen met een migratie-achtergrond, 2018
VOKA.BE
3. Waar loopt het mis bij de activering? Het aanboren en activeren van alle potentiële werkkrachten vraagt om een structureel meersporenbeleid dat rekening houdt met de specifieke werking van alle stelsels en maatregelen, alsook met de diverse profielen van werklozen en inactieven. Een dergelijke aanpak ontbreekt nog.
E
r is nood aan een totaalaanpak. Want naarmate activering binnen de werkloosheid wordt verstrengd, neemt het aantal mensen in bijvoorbeeld bijstand of ziekteverzekering toe. Dat leidt dus tot een zero sum game. Zo is de forse toename van het aantal mensen in invaliditeit bijzonder zorgwekkend. Ook de toename van jongeren in de bijstand is opmerkelijk en maakt duidelijk dat activering een totaalwerf moet zijn. Stilaan is er beleidsmatig gelukkig een evolutie richting activering van invaliden en leefloners, al is hier nog een lange weg te gaan.
Figuur 7. Communicerende vaten tussen ziekte, handicap, werkloosheid en bijstand (in duizendtallen) 800 700 600 500 400 300 200 100 0
2006
2007
Federaal, Vlaams of toch maar lokaal? Al naargelang de groep die we aan het werk willen, treden
2009
2010
2011
2012
2013
2014
vergoede werklozen
personen in invaliditeit (WN)
leefloon
personen met handicap (IVT-IT)
2015
2016
2017
Bron: RVA, POD MI, RIZIV en FOD SZ
“Er is nood aan een totaalaanpak, want naarmate de activering verstrengt, neemt het aantal mensen in ziekteverzekering toe.” Mazen in het net van opvolging en controle. Bij de roep om activering en de zoektocht naar een oplossing voor de krapte, zijn alle beleidsogen gericht op de bemiddelings- en opvolgingsaanpak van de VDAB. Niettegenstaande haar rol als arbeidsmarktregisseur, is ze strikt beschouwd enkel bevoegd voor de bij haar ingeschreven werkzoekenden en dan nog in het bijzonder beperkt tot diegenen met een uitkering (of jongeren in beroepsinschakeltijd). In het begin bleek het niet evident om de rol van controle te verenigen met deze van bemiddelaar. Bijsturing was dus noodzakelijk. De systematische en periodieke opvolging zoals ze is uitgewerkt de voorbije 10 jaar staat evenwel nog in de kinderschoenen voor niet-beroepsactieven zoals leefloners of langdurig zieken.
2008
verschillende overheidsniveaus (soms gelijktijdig) op. Zo voert Vlaanderen de controle van de werklozen uit binnen federaal vastgelegde spelregels wat af en toe aanleiding geef tot discussie over aanpak en cijfers. Daarnaast rolt Vlaanderen een beleid omtrent werkplekleren uit met diverse stageformules waaronder IBO wat evenmin spoort met tal van restricties op vlak van cumul met uitkeringen. Ook voor langdurig zieken of mensen met een handicap die beroep doen op federale tegemoetkomingen, spelen diverse overheden een rol die eigen regels hanteren in wie wat nog mag presteren of verdienen. In het geval van de groeiende groep in de bijstand, zijn dan weer de steden en gemeenten aan zet om mensen te ondersteunen richting integratie en werk. Door het bos aan samenwerkingsakkoorden de bomen trachten te zien. De institutionele lasagne die ons land kenmerkt, vertaalt zich in vele samenwerkingsakkoorden zoals deze van de VDAB met het RIZIV en de mutualiteiten, de VVSG, de Agentschappen voor Integratie en Inburgering en uiteraard ook de andere gewestelijke bemiddelingsdiensten in het kader van interregionale mobiliteit. Die samenwerking blijkt in de praktijk nog te veel af te hangen van mensen op het terrein en te weinig van structuur, indicatoren en duidelijke doelstellingen. Meer systematiek maar bovenal meer sturing op NOVEMBER 2018 VOKA PAPER 15
IEDEREEN AAN DE SLAG WAT ER MISLOOPT
“Een gericht activeringsbeleid begint bij het in beeld brengen van het potentieel, inclusief in profiel, scholing, leeftijd en ervaring.” resultaten zijn noodzakelijk. In dat verband is het overigens een lacune dat er nog geen samenwerkingsakkoord met de FOD Sociale Zekerheid tot stand is gekomen. Mensen met een handicap zouden immers net zo goed begeleid kunnen worden naar werk. Te weinig data en geen kennis of inzicht. Een gericht activeringsbeleid begint bij het in beeld brengen van het potentieel aan arbeid, inclusief inzicht in profiel, scholing, leeftijd en eventuele ervaringen. Met de digitale contactstrategie zal de VDAB met behulp van ‘big data’ zijn werkzoekenden analyseren en profileren. Het doel is om gericht te kunnen interveniëren en te differentiëren naar timing en aanpak. De datagedreven aanpak is nodig om efficiëntie, waaronder snelheid en effectiviteit, te verhogen. De aanpak steekt schril af met de kennis die voorhanden is in andere stelsels. Zo moest Vlaanderen bij de regionalisering van het PWA-stelsel een studie uitvoeren om zicht te krijgen op de basiskenmerken: wie zijn ze, wat doen ze? Een zelfde vaststelling doet zich voor ten aanzien van leefloners, vluchtelingen, zieken of gehandicapten, … waar op globaal en gecoördineerd niveau te weinig geweten is in welke mate deze groepen geschoold zijn, wat hun ervaring is of over welke capaciteiten zij beschikken om te kunnen werken. De inschatting wordt gemaakt binnen de discretionaire ruimte van alle betrokken overheden en diensten maar één activerende beleidsvisie ontbreekt, laat staan één methode, bril of raamwerk om de groepen systematisch in kaart te brengen.
Activeren ondanks in plaats van dankzij beleid. Het regelgevend kader zelfs is dermate complex dat het soms activering in de weg staat in plaats van dat het de activering vooruit helpt. Zo kunnen langdurig zieken via de weg van progressieve tewerkstelling gradueel terug aan de slag, maar een soortgelijk instrument ontbreekt voor bijvoorbeeld langdurig werklozen. Mensen met een handicap die een inkomensvervangende tegemoetkoming krijgen, kunnen nauwelijks aan het werk of verliezen de uitkering. De cumulbepalingen die aangeven wat mag verdiend worden op de tegemoetkoming zijn dermate complex dat bemiddelaars niet met zekerheid kunnen zeggen wat het effect is van werk op iemands inkomen. Een andere illustratie is dat asielzoekers in het kader van hun erkenningsprocedure reeds na vier maanden een arbeidskaart C kunnen verkrijgen. Toch worden ze bij aflevering van die kaart niet systematisch doorverwezen naar de bemiddelingsdiensten. En tot slot, ook in de werkloosheidsreglementering is verbetering mogelijk. Er zijn drie soorten beschikbaarheden voor uitkeringsgerechtigde werklozen die 55 jaar zijn of ouder. Dit was een compromis voor de reacties van de federale sociale partners op de oorspronkelijk voorgestelde strengere beschikbaarheidsregels. Drie definities van beschikbaarheid voor werklozen is absurd en fnuikt een snelle bemiddeling die moet vertrekken van iemands potentieel en capaciteit in plaats van iemands uitzonderingsregime.
Gebrek aan responsabilisering. De activering van de groepen buiten de werkloosheid is nog te vrijblijvend. Een gerichte benchmark zou kunnen duide-
Actieve beschikbaarheid (aantallen mei 2018)
lijk maken in welke mate bijvoorbeeld lokale besturen onderling van elkaar verschillen in het gebruik van de tewerkstellingsmaatregelen zoals tijdelijke werkervaring, de inzet van artikel 60 of de mate van controle en toezicht. Men kan bijvoorbeeld ook nagaan in welke mate bepaalde artsen meer dan andere langdurig ziekteverlof voorschrijven. In die zin is het recente initiatief van minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid omtrent het bepalen van richtlijnen voor ziekteduur alvast hoopgevend. Ook hier geldt dat analyse en kennis de eerste stap is om te komen tot duidelijke ijkpunten waardoor alle actoren en instellingen kunnen worden aangespoord om bij te dragen aan de doelstelling van meer mensen aan het werk.
Aangepaste beschikbaarheid
Passieve beschikbaarheid
Moeten ingeschreven zijn bij de VDAB Moeten ingaan op een uitnodiging Moeten zelf actief op zoek naar werk
Moeten niet zelf actief op zoek naar werk
Moeten meewerken aan een begeleidingsplan
Moeten meewerken aan een aangepast begeleidingsplan
Moeten niet meewerken aan een begeleidingsplan
23.385
15.873
2.246
16 VOKA PAPER NOVEMBER 2018
VOKA.BE
4. Naar een hogere werkzaamheidsgraad: voorstellen per cluster Om iedereen aan de slag te krijgen, moet er ingegrepen worden op het niveau van de afzonderlijke groepen of clusters. In dit hoofdstuk overlopen we diverse denkpistes, al zullen die op zich niet volstaan. Er is ook een globale transversale aanpak nodig die verbindt: daarover zullen we het hebben in hoofdstuk 5. Figuur 8. Er is zowel een aanpak per cluster als een globale aanpak nodig
Werkzoekend
Werkloos maar niet werkzoekend
o Vo rzi
Tijdelijk niet werkend
ei nc
i ss re g gs ve
na
ri n
efi ep ri k
In bijstand (leefloon, vluchteling)
ië l
ct i
nd
na
oe
Éé
ol d
eu
r
nv
Mensen met ziekte of beperking
ke ls
Jongeren en studenten
Inactief
Werklozen • Iedereen moet actief beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, zodat het voortaan voor eenieder duidelijk is dat tegenover een werkloosheidsuitkering de plicht staat om actief mee te werken, in te gaan op het aanbod en ook zelf werk te zoeken. Uiteraard mag men rekenen op een uitmuntende kwalitatieve arbeidsbemiddeling die inspeelt op wat men nodig heeft. • Bemiddeling vertrekt idealiter van eenieders capaciteit en competenties in plaats van leeftijd, statuut of uitzonderingsregime. Ook ondernemingen moeten de blik scherp stellen op competenties en hun rekruteringsbeleid daarop bijsturen.
•
•
Waar mogelijk wordt meer ingezet op beroepsopleiding en opleiding op de vloer om de grote kwalitatieve mismatch tegen te gaan. De Individuele Beroepsopleiding (IBO) met 20.000 cursisten moet verdubbeld en dus meer gepromoot worden, vooral ten opzichte van kmo’s. Langdurig werklozen moeten aan het werk kunnen via progressieve werkhervatting zoals langdurig zieken. Voor de groep die al jaren niet meer heeft gewerkt, blijkt een voltijdse, vaste aanwerving immers niet direct haalbaar en kan er beter in stapjes worden opgebouwd.
NOVEMBER 2018 VOKA PAPER 17
IEDEREEN AAN DE SLAG VOORSTELLEN PER CLUSTER
“Langdurig werklozen moeten aan het werk kunnen via progressieve werkhervatting.” Werkloos maar niet werkzoekend • De grote omvang van deze groep noopt tot een creatief debat over hoe zij opnieuw verleid kunnen worden om aan de slag te gaan. Niet zozeer door in te grijpen op verworven rechten, wel door te stimuleren richting (her)tewerkstelling. Zo kunnen de toegelaten inkomens bovenop het pensioen verder opgetrokken worden, in het bijzonder voor de groep jonger dan 65 of degenen die geen 45 jaar hebben gewerkt. • Laat toe dat tijdelijke werkloosheid wordt ingevuld met tijdelijk werk elders en versoepel de voorwaarden hiertoe op het vlak van uren en toegelaten activiteit. • Schaf voor de werkloosheidsuitkeringen de vrijstellingen van beschikbaarheid af. Het is een artefact dat werklozen (veelal ouderen) toelaat niet langer werkzoekend te zijn. Voor zij die er momenteel onder vallen, zullen er ongetwijfeld nog zijn die kunnen en willen werken mits de juiste prikkels en incentives. Zo kan een deel mogelijks met behoud van uitkering nog (deeltijds) aan de slag. De flexi18 VOKA PAPER NOVEMBER 2018
jobs tonen alvast aan dat ook ouderen, na pensionering, nog actief willen zijn. Ziekte of beperking • De samenwerking tussen de VDAB, het RIZIV en de mutualiteiten is gericht op 4.000 langdurig zieken die men terug aan het werk wil krijgen. Nu blijkt dat na afloop van het traject 41% dit ook doet. Hiermee is een stap in de goede richting gezet maar het volstaat niet. Ambitieuzere doelstellingen kunnen worden uitgezet richting 40.000. • Het moet niet alleen meer, het moet ook sneller. Onderzoek heeft uitgewezen dat snel ingrijpen binnen het jaar in de eerste periode van primaire arbeidsongeschiktheid aangewezen is om langdurige ziekte (langer dan een jaar) te vermijden. Tot op vandaag is er quasi geen toeleiding van de preventiediensten richting de VDAB. Nochtans stroomden er in 2017 in Vlaanderen ongeveer 30.000 mensen door van primaire arbeidsongeschiktheid naar invaliditeit. • Er is heel wat expertise aanwezig bij preventiediensten, bij de VDAB en de GTB, in de sociale economie, bij de outplacementbedrijven en andere gespecialiseerde bemiddelaars. Daarin wordt nog te veel naast elkaar gewerkt en dus moet samenwerking aangemoedigd worden om creatieve formules te bedenken zodat werkgevers en werkzoekenden worden bijgestaan in het activeringsbeleid.
VOKA.BE
•
•
Naar analogie van de samenwerking met het RIZIV, dient een parallelle werking te worden uitgebouwd met de FOD Sociale zekerheid voor mensen met een handicap. Zij kampen immers ook met een problematiek waarbij kan worden nagegaan hoe en onder welke voorwaarden men nog aan de slag kan. De bestaande expertise hierover in Vlaanderen kan daarvoor worden aangewend. Vereenvoudig en moedig flexibel werken aan. De tegemoetkoming aan gehandicapten is een categoriale bijstandsregeling waar elk verdiend inkomen in rekening wordt gebracht en het mensen eerder afraadt dan aanmoedigt om te werken. In 2015 waren er slechts 3.000 mensen in Vlaanderen die een tegemoetkoming wisten te combineren met een inkomen als bijvoorbeeld zelfstandige of werknemer. De inactiviteitsvallen en complexiteit zijn dermate groot, dat quasi niemand die stap zet. Een piste van flexibele, deeltijdse of progressieve tewerkstelling zou aangemoedigd moeten worden.
Onderbreking loopbaan • De opname van het voltijds ouderschapsverlof piekt gedurende de zomermaanden. De vraag kan gesteld worden of kortere, maar meer gespreide vakanties bijgevolg niet te verkiezen zijn met daarbij voldoende opvangmogelijkheden tijdens die periodes? Het zou de drempel naar werk voor veeleer kwetsbare of alleenstaande ouders wellicht kunnen verlagen. • Bouw de garantie in bij loopbaanonderbreking en tijdskrediet dat minder werken nu wordt gecompenseerd met langer werken. Nu blijft het risico te groot dat de onderbreking leidt tot deconnectie en finaal snellere en vervroegde uittreding. Ook systemen van loopbaansparen kunnen de loopbanen mee vorm geven waarbij elkeen wordt geresponsabiliseerd in zijn keuze tussen werken, studeren, vrije tijd, ... Bijstand • Gezien werk de voornaamste hefboom is voor maatschappelijke integratie, zou elkeen die aanklopt bij het OCMW en beroep doet op een leefloon automatisch ingeschreven moeten worden als werkzoekende. Zodoende komt de groep in beeld en worden eventuele draaideureffecten (van werkloosheid naar bijstand en terug) aangepakt. Dit geldt zeker voor nieuwkomers waar een te grote groep onder de radar blijft van activering. • Leg scherpe doelstellingen vast waardoor alle vormen van tewerkstelling (art. 60§7), werkervaring (TWE) alsook wijk-werken leiden tot meer jobs in het normale econo-
misch circuit. Momenteel is er een (te) grote lokale autonomie en discretionaire ruimte waarbij de aanpak en de visie op activering al eens verschilt op het terrein. Onderzoek over Antwerpen wees ooit uit dat 65% van alle mensen met een leefloon onmiddellijk of op termijn bemiddelbaar was naar werk. 1 Maar de praktijk van wijk-werken wijst intussen uit dat de activering soms wijkt voor het lokaal inspelen op de noden van de gemeente. Bovendien hebben kleine of middelgrote OCMW’s niet altijd de tijd, ruimte of expertise om volop in te zetten op arbeidsbemiddeling. Een sterkere centrale regie én het inschakelen van partners met schaal en expertise kan de efficiëntie in het activeringsbeleid verhogen.2
“Vereenvoudig en moedig flexibel werken aan.” Jongeren en studenten • Dring de doorgeschoten flexibilisering in het hoger onderwijs terug en zet studenten er opnieuw toe aan om hun studies te voltooien binnen de vooropgezette tijd. Meer oriënterende proeven en studiebegeleiding kunnen die eerste verloren jaren van zittenblijven en heroriëntering vermijden. Ook het opstapelen van hogere diploma’s moet worden ontraden. Het is beter om tijdens de loopbaan te voorzien in voldoende mogelijkheden tot levenslang leren. • Daarnaast kan het duaal leren sneller en breder uitgerold worden in het hoger onderwijs om meer jongeren binnen de realiteit van de ondernemingen te laten leren. Ook projectmatig werken in samenwerking met ondernemingen verkleint de kloof tussen werk en onderwijs.
K
1 Struyven L., Heylen V., Van Hemel L.: De (nog) niet bemiddelbaren. Een verloren groep op de Antwerpse arbeidsmarkt, Hiva, 2010 2 De Bie M., De Wilde M., Cantillon B., Vandenbroucke F.: 40 jaar OCMW en bijstand, 2016
NOVEMBER 2018 VOKA PAPER 19
IEDEREEN AAN DE SLAG STRUCTURELE VOORSTELLEN
5. Naar een hogere werkzaamheidsgraad: structurele voorstellen Dwars door alle clusters, stelsels en maatregelen heen die van toepassing zijn op de werklozen en niet-beroepsactieven, moet er ook globaal een beleidsimpuls komen. Enerzijds kan dit door het verschil tussen werken en niet werken te verhogen met een welgerichte stimulans. Anderzijds door een vernieuwde invulling en rol voor de activeringsregisseur. Twee buitenlandse voorbeelden bieden alvast inspiratie voor verdere reflectie. Spoor 1: Vlaamse jobstimulans De voorbije decennia is beleidsmatig en financieel sterk ingezet op het stimuleren van de vraag naar arbeid bij werkgevers: hetzij generiek (lineair), hetzij gericht (doelgroepen). Die aanpak was een antwoord op de loonkostenhandicap die ons land de markt uit prees en jobs vernietigde. Ook al is de competitiviteit nog steeds een zorgenkind, een ander vraagstuk is dat zo mogelijk nog meer. Te veel mensen dienen zich niet aan op de arbeidsmarkt. Hoe kunnen we hen overhalen om dat toch te doen? De controle van werklozen moet sowieso coherent en consequent worden uitgevoerd, maar ze is ontoereikend om er alle vacatures mee in te vullen. Niet iedereen valt immers onder de toepassing van dit controlebeleid, denken we maar aan de RIZIV- of bijstandsgerechtigden. Uiteraard is ook daar controle en opvolging op zijn plaats. Toch zal ook dit niet volstaan. Voor velen is het verschil tussen werken en niet werken te beperkt. Dat lijkt paradoxaal in een land waar sectorale minimumlonen zich soms ver boven het algemene minimum bevinden. De verklaring ligt in de inactiviteitsvallen en de hoge belastingdruk waarbij we ons in internationale vergelijking aan de absolute top bevinden. Wanneer een alleenstaande zonder kinderen als arbeider aan het werk gaat met een brutomaandloon van 2.000 euro, dan wordt de helft van zijn jaarlijks inkomen gevat in de belastingsschijf van 25%, de andere helft in deze van 40%. Met inbegrip van forfaitaire beroepsonkosten, werkbonus en gemeentelijke opcentiemen, correspondeert dit ongeveer met 1.590 euro netto per maand. Ter vergelijking, mocht hij genieten van een werkloosheidsuitkering en daarvoor gewerkt hebben aan datzelfde loon, dan bedraagt zijn werkloosheidsuitkering in de eerste fase 1.300 euro. Het verschil houdt uiteraard geen rekening met 20 VOKA PAPER NOVEMBER 2018
Figuur 9. Hoge belastingsdruk op lage lonen Totale belastingdruk voor een alleenstaande met een loon van 67% van het gemiddelde (2017) 50
40
30
20
10
0
Bel Dui Oos Fra Zwe
It
Fin Por Spa Pol
Dk Nor OESO Ned VS Lux VK Aus Ier Zwi
Bron: OESO
het wegvallen van bepaalde voordelen of extra kosten zoals voor mobiliteit. Een verhoging van de lonen met een hogere loonkost is niet realistisch, want dat zou onze competitiviteit schaden en jobs vernietigen. Het dichten van de loonwig en het stimuleren van een job kan wel een activerend effect hebben, in het bijzonder voor die groepen die vandaag aanlopen tegen inactiviteitsvallen door kosten voor mobiliteit, kinderopvang of het wegvallen van bepaalde voordelen door het feit dat ze werken. Zo werd in het verleden al de werkbonus uitgewerkt. Die voorziet in een verlaging van de sociale bijdrage voor werknemers alsook in een fiscaal voordeel. De sociale werkbonus geldt vanaf 1 september niet langer voor bruto maandlonen boven de 2.560 euro per maand. Is een verdere versterking van die werkbonus mogelijk om meer mensen op de arbeidsmarkt te krijgen? Algemeen geldt dat hoe lager het loon, hoe beperkter de
VOKA.BE
Een Vlaamse ‘jobstimulans’ gericht op lage lonen kan ertoe leiden dat de tewerkstelling meer netto-voordeel oplevert. Uit eerder evaluatieonderzoek van de inmiddels afgeschafte jobkorting in 2009 onthouden we dat het voordeel voldoende substantieel en gefocust moet zijn. De toenmalige korting gaf gemiddeld een voordeel van 14 euro per maand en werd als belastingverlaging aangeboden aan alle werkenden, waaronder ook hogere inkomens. Door dit beperkt bedrag en de openstelling voor hogere inkomens was er geen activerend effect. Voor hogere inkomens werd het immers aantrekkelijker om minder uren te werken en voor de andere inkomens bracht het niet genoeg op om (extra) te werken. Uit een recente studie naar de mogelijkheden van een groene taxshift onthouden we dat een gericht fi scaal voordeel op lagere lonen het meest activerend effect zou kunnen hebben in termen van extra tewerkstelling. Zo kan als basisscenario worden onderzocht wat het activerend effect is van een bedrag van 100 euro netto-inkomen dat gradueel afneemt bij een laag loon (minder dan 2.500 euro). marge om bijkomend vrij te stellen. Rekening houdend met de sectorale minimumlonen moet een startende arbeider of bediende in de zelfstandige kleinhandel na aftrek van de werkbonus nog respectievelijk 6,37 en 39,42 euro aan bijdragen betalen. Voor een startende arbeider en bediende in de voedingssector blijven er na de sociale werkbonus nog tot 64,64 euro en 117,40 euro aan bijdragen te betalen.
“Een Vlaamse ‘jobstimulans’ gericht op lage lonen kan ertoe leiden dat de tewerkstelling meer netto-voordeel oplevert.” De analyses van het Steunpunt Werk toonden alvast een oververtegenwoordiging aan van lagergeschoolden in de inactiviteit. Het valt dus te verwachten dat bij (her)tewerkstelling zij vooral in lagere loonschijven zullen terechtkomen waar de werkbonus nu reeds geldt maar nauwelijks nog kan uitbreiden. Verder stimuleren via die weg lukt niet of te weinig. Vlaanderen heeft met de opeenvolgende staatshervormingen wel een autonomie verworven die het kan aanwenden voor deze problematiek. Zij kan daarbij inzetten op de onderkant van de arbeidsmarkt waar nu minder dan 50% van laaggeschoolden werkt.
Spoor 2: Eén activeringsregisseur Willen we iedereen aan de slag krijgen, dan is de herdenking van een activeringsregisseur cruciaal. In de regel beperkt die zich niet tot de klassieke werklozen maar vormt deze de spil in de activering van alle andere niet-beroepsactieven. Wie kan deze rol volledig opnemen en beschikt over voldoende legitimiteit ten aanzien van alle betrokken stakeholders en overheden? De VDAB als arbeidsmarktregisseur tracht nu reeds die rol breed in te vullen via partnerschappen en samenwerkingsverbanden. Ze draagt de volle verantwoordelijkheid ten aanzien van uitkeringsgerechtigde werklozen, maar zit niet aan het stuur voor de rest en dat is een probleem. Alles start immers met registratie en inschrijving als werkzoekende en het goed in kaart brengen van het profiel van elkeen. Dit vormt immers het startpunt van de juiste dienstverlening. Een sterkere gerichtheid van alle instanties op tewerkstelling kan die inschrijvingen doen verhogen, geschraagd door meer registratie en meer automatische gegevensuitwisseling zoals nu al zal gebeuren voor schoolverlaters. De huidige digitale contactstrategie die wordt uitgerold binnen de VDAB heeft de ambitie om datagedreven en met de hulp van artificiële intelligentie, het profiel van elkeen juist in beeld te krijgen en de kans op tewerkstelling in te schatten. Wie is relatief zelfredzaam en wie moet snel worden geholpen? Wat is de juiste dienstverlening? Helpen om het jobdoelwit te bepalen, sollicitatietraining, werkervaring, opleiding, ... NOVEMBER 2018 VOKA PAPER 21
IEDEREEN AAN DE SLAG STRUCTURELE VOORSTELLEN
Figuur 10. Het Australische arbeidsmarktbeleid
Alle werklozen en nietberoepsactieven
Weinig tot geen drempels naar werk.
Centrelink
Enkele drempels naar werk, begeleiding vereist Veel drempels
Diverse beleidsdomeinen
Australië: Eén poortwachter die inschat, doorverwijst en opvolgt Het Australische arbeidsmarktbeleid is vrij uniek in de manier waarop dienstverlening gericht op werklozen is uitgebouwd. Niet alleen is die volledig toevertrouwd via marktwerking aan private actoren. Ten gronde is er ook één centrale weg of gateway waarlangs bepaald wordt waar iemand recht op heeft op het vlak van ondersteuning en dienstverlening. In de jaren 90 centraliseerde de Australische overheid met de oprichting van Centrelink de toegang tot diverse sociale voorzieningen waaronder deze gericht op bijstand alsook diensten voor werkzoekenden. Ze treedt op als poortwachter en bepaalt wie aanspraak kan maken op financiële ondersteuning en/of dienstverlening en verwijst door naar diverse programma’s en aanbieders op de markt. Die worden via een eigen kwaliteitskeurmerk van ‘star rating’ op periodieke wijze gegund. De overheid neemt geen enkele actorrol meer op in arbeidsbemiddeling en begeleiding van werkzoekenden. Centraal in dit verhaal is het Job Seeker Classification Instrument (JSCI). Het is een classifi catiemethode
22 VOKA PAPER NOVEMBER 2018
Arbeidsbemiddelaars
Assessment
Gespecialiseerde arbeidsbemiddeling
die elkeen positioneert, profileert en inschat wat de kans is op werk aan de hand van achttien factoren zoals leeftijd, recente werkervaring, eerdere sollicitatie-ervaring, kwalifi caties, medische condities, toegang tot mobiliteit of herkomst. Het is niet enkel een inschattingstool die moet vaststellen waar men behoefte aan heeft. Hij bepaalt ook de verwachte outcome voor de dienstverlener en bepaalt inputen resultaatsfinanciering. Waar administratieve data voorhanden zijn, worden die gebruikt. Waar gegevens ontbreken, hanteert men een uniforme vragenlijst om snel een zicht te krijgen op het type en het profiel van de werkzoekende. Door het feit dat een breed pallet aan voorzieningen en diensten voor diverse groepen vanuit één centrale weg worden aangeboden, kan er geïntegreerd worden gewerkt. Ondersteuning naar werk kan dan velerlei vormen aannemen en wordt bepaald in functie van de behoefte en het profi el. Het laat ook coördinatie toe over de diverse programma’s van diverse beleidsdomeinen en vermijdt dat mensen van het ene stelsel naar het andere getransfereerd worden.
VOKA.BE
One-stop-shop voor tewerkstelling van asielzoekers in Duitsland Bij aanvang van de vluchtelingencrisis enkele jaren geleden stelde zich de vraag hoe die verhoogde instroom van asielzoekers en later erkende vluchtelingen snel zijn weg zou vinden naar de arbeidsmarkt. Een scala aan Belgische, Vlaamse en lokale overheden en organisaties werd uitgedaagd om snel en geïntegreerd te werken (Fedasil, Dienst Vreemdelingenzaken, de 308 lokale besturen, Agentschappen voor Integratie en Inburgering, de VDAB alsook NARIC in het kader van de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma’s). Ondanks alle samenwerking op het terrein is de weg van aankomst tot tewerkstelling nog steeds traag en verloopt die lineair langs diverse diensten. Interessant in dit licht is de Duitse aanpak, in het bijzonder deze van Noordrijn-Westfalen. Daar is via ‘integration points’ een one-stop-shop uitgebouwd. Diverse diensten zijn er gehuisvest op één locatie en het dossier van de betrokken asielzoeker wordt gedeeld en doorgestuurd in plaats van dat de betrokkene zelf alle diensten moet langslopen. Die integration points beperken zich niet tot werk, taal of integratie maar zoeken ook aansluiting bij welzijnsdiensten en werkgeversorganisaties alsook diensten gericht op de erkenning van buitenlandse diploma’s.
De investeringen van de VDAB die momenteel gebeuren kunnen een zekere vergelijking doorstaan met het Australische JSCI. Maar waar de JSCI beleids- en domeinoverschrijdend werkt via één centrale poortwachter, is de digitale contactstrategie gericht op ingeschreven werkzoekenden en werklozen. Dit is een eerste goede stap maar de ambitie moet hoger liggen: we moeten komen tot één inschattings- en classificatiemethode voor alle andere niet-beroepsactieve groepen die nog aan het werk kunnen. Het zou zelfs een verademing zijn om voortaan één analysebril te hanteren voor verschillende groepen op het vlak van inschatting van iemands kans op werk. Om die rol terdege te kunnen invullen is een grondige reflectie nodig over de invulling van de regierol en meer in het bijzonder over de verhouding regisseur/actor. Een goede regisseur is immers dataregisseur alsook regisseur van alle partners en netwerken op het terrein. Dit vraagt vertrouwen van elkeen. Zo mag en kan er geen verwarring bestaan over die rol omdat de organisatie die de regie opneemt ook een dienstverlenende actor is op het terrein. Bijkomend moet er nog meer dan nu worden ingezet op innovatieve
dienstverlening, specialisatie alsook synergie en expertisedeling tussen alle actoren met ruimte voor experiment. De heterogeniteit van de arbeidsreserve vraagt immers om een gedifferentieerde aanpak waarop diverse dienstverleners zich kunnen ontwikkelen mits de juiste incentives, richtlijnen of ijkpunten uitgezet door een sturende en centrale regie.
1 Decoster A, De Swert K. en Vanleenhove P.: Een ex ante evaluatie van de Jobkorting, 2011 2 Transport en Mobility Leuven, Onderzoek belastingen op arbeid verschuiven naar milieu, eindrapport voor Departement Omgeving, 2018 3 Sinclair S.: The Australian Employment Service System, in ManaginWorkforce Potential, 2017 4 Job Seeker Classification Instrument, Overview and Factors, version 2.0, februari 2018
NOVEMBER 2018 VOKA PAPER 23
IEDEREEN AAN DE SLAG De krapte voorbij