Skip to main content

Wellemeersen finaal rapport_compressed.pdf

Page 1

NATUURINRICHTINGSPROJECT WELLEMEERSEN, ECOHYDROLOGISCHE STUDIE EINDRAPPORT

Opdrachtgever:

VLM

Datum:

07-10-2015


Titel

Natuurinrichtingsproject Wellemeersen, ecohydrologische studie

Opdrachtgever

VLM

Contactpersoon opdrachtgever

Ir. Jan De Bie of Ria De Dyn

Indiener

Technum (Tractebel Engineering n.v.) Coveliersstraat 15 - 2600 AntwerpenCoveliersstraat 15 - 2600 Antwerpen T +32 3 270 92 92 - info@technum-tractebel.beT +32 3 270 92 92 - info@technumtractebel.be

Contactpersoon indiener

Nele Aerts

Datum

07/10/2015

Versienummer

7

Projectnummer

P.006184

KWALITEIT DOCUMENTGESCHIEDENIS Versie

Datum

Opmerkingen

7

07-10-2015

Eindrapport oplevering

6

10-07-2015

Eindrapport

5

29-05-2015

Luik 4

4

11-03-2015

Definitieve versie Luik 1, 2 & 3

3

09-01-2015

Ontwerpversie Luik 1, 2 & 3

2

01-12-2014

Ontwerpversie Luik 1, 2 & 3

1

01-10-2014

Ontwerpversie Luik 1 & 2

DOCUMENTVERANTWOORDELIJKHEID Datum Auteur(s)

Ilf Jacobs, Roosmarijn Steeman, Jan Walravens, Nele Aerts, Sarah Rousseaux

07-10-2015

Datum Documentscreener(s)

Nele Aerts

BESTANDSINFORMATIE Bestandsnaam

P.006184-07 Wellemeersen finaal rapport.docx

Laatst opgeslagen

15/12/2020

07-10-2015


INHOUD 1.

Inleiding .......................................................................................................................1 1.1

2.

3.

4.

5.

Interpretatie van de opdracht .............................................................................1

Luik 1 – Biotiek .............................................................................................................4 2.1

Inleiding ............................................................................................................4

2.2

Methodologie .....................................................................................................4

2.3

Resultaten ....................................................................................................... 12

2.4

Besluit ............................................................................................................. 50

Luik 2 – Abiotiek .........................................................................................................52 3.1

Inleiding .......................................................................................................... 52

3.2

Registratie grondwater en oppervlaktewaterstanden .......................................... 52

3.3

Hydrologische modelering ................................................................................. 59

3.4

Tijdreeksenanalyse Grondwaterstanden ............................................................. 67

3.5

Grondwatermodellering .................................................................................. 115

3.6

Conclusies abiotische kwantitatieve aspecten ................................................... 144

3.7

Grond- en oppervlaktewaterkwalitatieve aspecten ............................................ 145

3.8

Conclusie ....................................................................................................... 171

Luik 3 – Interactie abiotiek en biotiek .................................................................... 172 4.1

Abiotische en biotische samenhang, gekaderd in de evolutie van het gebied...... 172

4.2

Ecohydrologische dwarsprofielen ..................................................................... 173

4.3

Standplaatseisen ............................................................................................ 179

Luik 4 – Conceptvisie – ontwikkelingsscenario’s .................................................... 208 5.1

Doelstelling .................................................................................................... 208

5.2

Beschrijving 2 ontwikkelingsscenario’s ............................................................. 208

5.3

Grondwatermodellering 2 ontwikkelingsscenario’s ............................................ 221

5.4

Toetsen ontwikkelingsscenario’s aan beoogde natuurdoeltypen ........................ 233

5.5

Overzicht maatregelen ................................................................................... 245

6.

Referenties .............................................................................................................. 250

7.

Bijlagen.................................................................................................................... 253 Bijlage 1. Kaartenbundel Wellemeersen: luik biotiek........................................................ 253 Bijlage 2. Tabellen vegetatieopnamen ............................................................................ 253 Bijlage 3. Overzicht permanente kwadraten (PQ’s) .......................................................... 253 Bijlage 4. Beschrijving van de gekarteerde vegetaties ..................................................... 253 Bijlage 5. Inventaris waterlopen..................................................................................... 253 Bijlage 6. Staalnameschema grond- en oppervlaktewater ................................................ 253 Bijlage 7. Ruimtelijke spreiding natuurdoeltypen ............................................................. 253

i


LIJST VAN FIGUREN Figuur 1-1

Vernatting en aanwezigheid van Pitrus in het centrale gedeelte van het natuurgebied (Foto Nele Aerts, 2013) ................................................................................................. 2

Figuur 1-2

Iteratief proces: het schuiven met parameters van het grond- en oppervlaktesysteem en de daarop gebaseerde vegetatievoorspelling leidt uiteindelijk tot gewenste scenario’s voor natuurinrichting. ........................................................................................................... 3

Figuur 2-1

Afbakening van het kerngebied waarbinnen de vegetatiekarteringen in de loop van 2014 werden uitgevoerd........................................................................................................ 4

Figuur 2-2

Als basis voor de veldkaarten werden de meest recente luchtfoto’s (2012) en de laatste BWK (versie 2.2) gebruikt. ............................................................................................ 5

Figuur 2-3

Vegetatiepolygonen van de in 1990 en 1991 uitgevoerde vegetatiekarteringen ................ 12

Figuur 2-4

Afgebakende karteringseenheden van de vegetatiekartering in 2014 ............................... 13

Figuur 2-5

Weergave van de gekarteerde eenheden in het kerngebied van de Wellemeersen – BWK 2014 (kartering ikv dit project) ...................................................................................... 5

Figuur 2-6

Weergave van de gekarteerde eenheden (BWK 2014) met weergave van de Vlaamse vegetatietypologie. ....................................................................................................... 6

Figuur 2-7

Weergave van aanwezige Beschermde Europese en Vlaamse habitats aanwezig binnen de gekarteerde eenheden in het kerngebied van de Wellemeersen – BWK 2014. .................. 7

Figuur 2-8

Vergelijkingskaarten van de verschillende BWK-karteringen voor de kernzone van de Wellemeersen (bron: BWK 1, BWK 2.2, BWK 2014) ........................................................ 17

Figuur 2-9

Vergelijkingskaarten van de soortenrijkdom voor de kernzone van de Wellemeersen ........ 18

Figuur 2-10 Vergelijkingskaarten ‘Rode Lijstsoorten’ voor de kernzone van de Wellemeersen .............. 19 Figuur 2-11 Vergelijkingskaarten ‘positieve aandachtsoorten’ in de kernzone van de Wellemeersen ..... 20 Figuur 2-12 Vergelijkingskaarten ‘negatieve aandachtsoorten’ voor de kernzone van de Wellemeersen 21 Figuur 2-13 Vergelijkingskaarten ‘Hydrofyten voor de kernzone van de Wellemeersen ........................ 23 Figuur 2-14 Vergelijkingskaarten ‘Obligaat freatofyten voor de kernzone van de Wellemeersen ........... 24 Figuur 2-15 Vergelijkingskaarten Natte obligaat freatofyten voor de kernzone van de Wellemeersen ... 24 Figuur 2-16 Vergelijkingskaarten Kalk-afreatofyten voor de kernzone van de Wellemeersen ................ 25 Figuur 2-17 Vergelijkingskaarten Oud bos indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen............ 28 Figuur 2-18 Vergelijkingskaarten ‘Bron- en bronbosindicatoren’ voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 29 Figuur 2-19 Vergelijkingskaarten ‘Elzenbroekbosindicatoren’ voor de kernzone van de Wellemeersen .. 30

ii


Figuur 2-20 Vergelijkingskaarten ‘Voedselrijk Eiken-Beukenbos indicatoren’ voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 30 Figuur 2-21 Vergelijkingskaarten Dotterbloemgrasland-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 32 Figuur 2-22 Vergelijkingskaarten Kleine zeggenvegetatie-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 33 Figuur 2-23 Vergelijkingskaarten Glanshavergrasland-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 34 Figuur 2-24 Vergelijkingskaarten Zilverschoongrasland-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 35 Figuur 2-25 Vergelijkingskaarten indicatoren voor Droge graslanden op zandbodem de kernzone van de Wellemeersen .......................................................................................................... 36 Figuur 2-26 Vergelijkingskaarten indicatoren voor Dwergbiezenklasse in de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 36 Figuur 2-27 Vergelijkingskaarten Eendenkroosklasse (Eutroof water)-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen ................................................................................................... 37 Figuur 2-28 Vergelijkingskaarten Fonteinkruidklasse (mesotroof water)-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen ................................................................................................... 38 Figuur 2-29 Vergelijkingskaarten Natte strooiselruigte-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 40 Figuur 2-30 Vergelijkingskaarten Nitrofiele zomen-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen 40 Figuur 2-31 Vergelijkingskaarten Rietklasse-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen ......... 41 Figuur 2-32 Vergelijkingskaarten Tandzaadklasse-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen 42 Figuur 2-33 Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Licht voor de kernzone van de Wellemeersen ......... 45 Figuur 2-34 Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Stikstof voor de kernzone van de Wellemeersen ..... 46 Figuur 2-35 Standplaatskaarten voor trofiegraad, historisch (links) en actueel (rechts), met de methode met rechtstreekse BWK-vertaling (Wouters J., 2013). ....................................... 46 Figuur 2-36 Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Vocht voor de kernzone van de Wellemeersen ....... 47 Figuur 2-37 Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Zuurtegraad voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 48 Figuur 3-1

Locatie grond- en oppervlaktewaterstandsmetingen 02/2014 - 02/2015 .......................... 55

Figuur 3-2

Registratie grondwaterstanden peilbuizen 20/02/2014 – 24/02/2015 ............................... 57

Figuur 3-3

Registratie oppervlaktewaterstanden Rijtbeek 20/02/2014 – 24/02/2015 ......................... 57

iii


Figuur 3-4

Maandtotalen neerslagstation Liedekerke vs. Gemiddelde Ukkel ...................................... 58

Figuur 3-5

Registratie grondwaterstanden Peilbuis 01 1992 – 02/2015 ............................................. 58

Figuur 3-6

Registratie grondwaterstanden Peilbuis 32 1992 – 02/2015 ............................................. 58

Figuur 3-7

Registratie grondwaterstanden Peilbuis 35 1992 – 02/2015 ............................................. 59

Figuur 3-8

Overstortschema Aquafin .............................................................................................. 61

Figuur 3-9

Onderverdeling stroomgebied van de Rijtbeek ................................................................ 63

Figuur 3-10 Maaiveldprofiel langs as Rijtbeek, waterloop van 3e categorie.......................................... 63 Figuur 3-11 Berekende daggemiddelde afvoer met PDM van de Rijtbeek ........................................... 64 Figuur 3-12 Tijdsverdeling berekende afvoer Rijtbeek met PDM......................................................... 65 Figuur 3-13 Compartimentering vallei Wellemeersen ......................................................................... 65 Figuur 3-14 Tijdsverdeling van de waterstanden in deelgebied van de Wellemeersen ......................... 66 Figuur 3-15 Maaiveldhoogte t.h.v. de peilbuizen ............................................................................... 70 Figuur 3-16 Waterpeil Teralfene EMT (stroomafwaarts) (MOW-HIC 2014) .......................................... 71 Figuur 3-17 Waterpeil Aalst/Dender (stroomopwaarts) (MOW-HIC 2014) ........................................... 72 Figuur 3-18 Maandgemiddelde waterstanden en tijdsverdeling te Aalst en Teralfene .......................... 72 Figuur 3-19 Situering limnigrafen Aalst en Teralfene EMT ................................................................. 72 Figuur 3-20 Opgemeten waterpeilen in het studiegebied ................................................................... 73 Figuur 3-21 Situering kunstwerken in het studiegebied ..................................................................... 74 Figuur 3-22 Neerslag en Evaporatie te Ukkel (mm/jaar) .................................................................... 75 Figuur 3-23 Afwijking Neerslag/Evaporatie t.o.v. gemiddelde (1992-2012) ......................................... 75 Figuur 3-24 Neerslagdeficit hydrologische jaren 1992 -2012 .............................................................. 75 Figuur 3-25 # dagen met meer dan 100 mm deficit in massabalans .................................................. 75 Figuur 3-26 Bodemtextuurkaart van het studiegebied ....................................................................... 76 Figuur 3-27 Luchtfoto 1988-1990 (OC GIS-Vlaanderen, 1998) ........................................................... 78 Figuur 3-28 Luchtfoto 2002 (VLM/OC en prov.O.-Vl., 2002) ............................................................... 79 Figuur 3-29 Luchtfoto 2006 (Prov. O.-Vl.(AGIV-product), 2006) ......................................................... 80 Figuur 3-30 Luchtfoto 2009 (Prov. O.-Vl.(AGIV-product), 2009) ......................................................... 81 Figuur 3-31 Luchtfoto 2012 (Prov. O.-Vl. – Z., 2012) ........................................................................ 82

iv


Figuur 3-32 Gecorrigeerde grondwaterstanden WELP004 .................................................................. 84 Figuur 3-33 Grondwaterstanden WELP006 en vgl met WELP003 ........................................................ 84 Figuur 3-34 Gecorrigeerde grondwaterstanden WELP007 .................................................................. 84 Figuur 3-35 Gecorrigeerde grondwaterstanden WELP009 .................................................................. 85 Figuur 3-36 Gecorrigeerde grondwaterstand WELP010 ...................................................................... 85 Figuur 3-37 Gecorrigeerde grondwaterstand WELP018 ...................................................................... 85 Figuur 3-38 Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstand WELP019 ........................... 86 Figuur 3-39 Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstanden WELP030 ....................... 87 Figuur 3-40 Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstanden WELP039 ....................... 88 Figuur 3-41 Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstanden WELP040 ....................... 89 Figuur 3-42 Grondwaterfluctuaties (GHG-GLG in meters) in functie van de afstand tot de Dender voor de 45 geobserveerde grondwatermeetreeksen ............................................................... 90 Figuur 3-43 Geobserveerd verschil tussen GHG en GLG..................................................................... 90 Figuur 3-44 Evolutie jaargemiddelde grondwaterstanden boven maaiveld .......................................... 93 Figuur 3-45 Evolutie jaargemiddelde grondwaterstanden tijdens zomer- en wintermaanden ................ 97 Figuur 3-46 Correlatie GVG met overige grondwatertrappen periode 1992-1995 ................................. 100 Figuur 3-47 Correlatie GVG met overige grondwatertrappen periode 1992-2003 ................................. 101 Figuur 3-48 Geobserveerde tijdsreeks WELP001 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 108 Figuur 3-49 Geobserveerde tijdsreeks WELP002 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 109 Figuur 3-50 Geobserveerde tijdsreeks WELP003 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 109 Figuur 3-51 Geobserveerde tijdsreeks WELP024 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 110 Figuur 3-52 Geobserveerde tijdsreeks WELP033 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 110

v


Figuur 3-53 Geobserveerde tijdsreeks WELP034 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 111 Figuur 3-54 Geobserveerde tijdsreeks WELP035 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 111 Figuur 3-55 Geobserveerde tijdsreeks WELP036 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 112 Figuur 3-56 Geobserveerde tijdsreeks WELP039 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 112 Figuur 3-57 Geobserveerde tijdsreeks WELP041 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 113 Figuur 3-58 Geobserveerde tijdsreeks WELP001 (zwart/rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-1995 ................................................................................................................... 114 Figuur 3-59 Geobserveerde tijdsreeks WELP032 (zwart/rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-1995 ................................................................................................................... 114 Figuur 3-60 Geobserveerde tijdsreeks WELP035 (zwart/rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-1995 ................................................................................................................... 114 Figuur 3-61 Topografie (mTAW) ...................................................................................................... 118 Figuur 3-62 Ondergrens quartair dek (mTAW) .................................................................................. 118 Figuur 3-63 Dikte (m) quartair dek .................................................................................................. 119 Figuur 3-64 Ligging observatieputten DOV (links) en detail put 423/21/5 ........................................... 120 Figuur 3-65 Modelrandvoorwaarden................................................................................................. 121 Figuur 3-66 Drainageniveau grachten en Rijtbeek, simulatie 1992-2004 voor jaargemiddelde (links), zomer (miden) en wintertoestand (rechts) ..................................................................... 124 Figuur 3-67 Drainageniveau grachten en Rijtbeek simulatie 2014 voor jaargemiddelde (links), zomer (miden) en wintertoestand (rechts) ............................................................................... 124 Figuur 3-68 Fit waargenomen/gemodelleerde jaargemiddelde grondwaterstanden ............................. 128 Figuur 3-69 Fit waargenomen/gemodelleerde grondwaterstanden tijdens winter ................................ 129 Figuur 3-70 Fit waargenomen/gemodelleerde grondwaterstanden tijdens zomer ................................ 130

vi


Figuur 3-71 Grondwaterdiepte zomer situatie 1992 – 2004 ............................................................... 131 Figuur 3-72 Jaargemiddelde grondwaterdiepte situatie 1992 – 2004 .................................................. 132 Figuur 3-73 Grondwaterdiepte winter situatie 1992 – 2004 ............................................................... 133 Figuur 3-74 Grondwaterdynamiek Winter – zomer situatie 1992-2004................................................ 134 Figuur 3-75: kwelflux [mm/dag] jaargemiddelde grondwatervoeding situatie 1992 – 2004 ................... 135 Figuur 3-76 Grondwaterdiepte zomer situatie 2014 ........................................................................... 137 Figuur 3-77 Jaargemiddelde grondwaterdiepte situatie 2014 ............................................................. 138 Figuur 3-78 Grondwaterdiepte winter situatie 2014 ........................................................................... 139 Figuur 3-79 Grondwaterdynamiek Winter – zomer situatie 2014 ........................................................ 140 Figuur 3-80 Kwelflux [mm/dag] jaargemiddelde grondwatervoeding situatie 2014 .............................. 141 Figuur 3-81 Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, huidige historische situatie 1992/2004 ....................................................................................... 142 Figuur 3-82 Verschilkaart kwelintensiteit huidige – historische situatie ............................................... 143 Figuur 3-83 Piper-diagram staalnames april 2014 ............................................................................. 158 Figuur 3-84 Piper-diagram staalnames september 2014 .................................................................... 158 Figuur 3-85 IR-EC diagram staalnames april 2014 ............................................................................ 160 Figuur 3-86 IR-EC diagram staalnames september 2014 ................................................................... 160 Figuur 3-87 EC-waarden, historisch (links) en actueel (rechts) .......................................................... 166 Figuur 3-88 SO4-waarden, historisch (links) en actueel (rechts) ......................................................... 167 Figuur 3-89 Fe-waarden, historisch (links) en actueel (rechts) ........................................................... 168 Figuur 3-90 N-NO3-waarden, historisch (links) en actueel (rechts) ..................................................... 169 Figuur 3-91 P-PO4-waarden, historisch (links) en actueel (rechts) ...................................................... 170 Figuur 4-1

Situering transecten en zonering ................................................................................... 174

Figuur 4-2

Habitatrichtlijngebied ‘‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’, deelgebied 24 .............................................................................. 180

Figuur 4-3

Indeling graslanden volgens vochttoestand, voedselrijkdom, pH en beheer. ..................... 186

Figuur 4-4

Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range percentiel 25-75). .......................... 196

Figuur 4-5

Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range percentiel 25-75). ....................... 197

Figuur 4-6

Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range percentiel 25-75). ......................... 198

vii


Figuur 4-7

Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range percentiel 25-75). ........................... 199

Figuur 4-8

Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG .................................................................... 200

Figuur 4-9

Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG ................................................... 201

Figuur 4-10 Potenties voor de realisatie van een aangesloten grasland- en moeraskern ...................... 206 Figuur 5-1

Scenario “onderhouden provinciale Rijt” ......................................................................... 209

Figuur 5-2

Scenario “maximale ontwatering” .................................................................................. 210

Figuur 5-3

Indicatief dwarsprofiel provinciale Rijt scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’ ................. 212

Figuur 5-4

Inrichtingsmaatregelen scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’ ....................................... 214

Figuur 5-5

Principeschets van een V-vormige overlaat (met verticaal slot) (bron: handboek vismigratie) .................................................................................................................. 214

Figuur 5-6

Indicatief dwarsprofiel provinciale Rijt scenario ‘Maximale ontwatering’ ............................ 218

Figuur 5-7

Inrichtingsmaatregelen scenario ‘Maximale ontwatering’ ................................................. 220

Figuur 5-8

Rivierrandvoorwaarden scenario “onderhouden provinciale Rijt” ...................................... 221

Figuur 5-9

Uitbreiding bestaand drainagenetwerk i.k.v. scenario “maximale ontwatering” ................. 223

Figuur 5-10 Grondwaterdiepte zomer (GLG) ..................................................................................... 225 Figuur 5-11 Jaargemiddelde grondwaterdiepte situatie (GVG) ........................................................... 226 Figuur 5-12 Grondwaterdiepte winter (GHG) .................................................................................... 227 Figuur 5-13 Grondwaterdynamiek winter – zomer situatie ................................................................. 228 Figuur 5-14 Kwelflux [mm/dag] jaargemiddelde grondwatervoeding .................................................. 229 Figuur 5-15 Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’ – t.o.v. ‘Huidige situatie’ .................................................. 230 Figuur 5-16 Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, scenario ‘Maximale ontwatering’ – t.o.v. ‘Huidige situatie’ ............................................................................ 231 Figuur 5-17 Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, scenario ‘Maximale ontwatering’ t.o.v. scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’ .............................................. 232 Figuur 5-18 Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range percentiel 25-75). .......................... 235 Figuur 5-19 Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range percentiel 25-75). ....................... 236 Figuur 5-20 Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range percentiel 25-75). ......................... 237 Figuur 5-21 Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range percentiel 25-75). ........................... 238 Figuur 5-22 Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG (range percentiel 25-75). .............................. 239

viii


Figuur 5-23 Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG (range percentiel 25-75). ............. 240 Figuur 5-24 Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (Natura 2000) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied) ................................................................................................................. 241 Figuur 5-25 Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (BWK typering) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied) ................................................................................................................. 242 Figuur 5-26 Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (plantengemeenschappen) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied) ................................................................................................................. 243 Figuur 5-27 Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (indeling boshabitats, moeras- en graslandhabitats en open water) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied) ...................................................... 244

ix


LIJST VAN TABELLEN Tabel 2-1

Vergelijking van de aangepaste Tansleyschaal volgens Demeulenaere et al. (2002) met de reguliere Tansley-schaal ........................................................................................... 7

Tabel 2-2

Aangepaste opnameschaal van Londo voor permanente kwadraten ................................. 8

Tabel 2-3

Overzicht van de geselecteerde aandachtsoorten die in detail in kaart werden gebracht ... 10

Tabel 2-4

Overzicht van karteringseenheden met weergave van BWK-eenheden ............................. 14

Tabel 2-5

Overzicht van de aanwezige vegetatietypes volgens de “Systematiek natuurtypen voor Vlaanderen” met corresponderende BWK-codes ............................................................. 1

Tabel 2-6

Overzicht van de gekarteerde BWK codes met hun naamgeving en overeenkomsten met de Natura 2000 typologie en Regionaal belangrijke biotopen ........................................... 2

Tabel 2-7

Europese habitattypes die gekarteerd werden in de Wellemeersen .................................. 4

Tabel 2-8

Regionaal belangrijke biotopen (rbb) die gekarteerd werden in de Wellemeersen ............. 4

Tabel 2-9

Overzicht van een aantal eigenschappen van de gekarteerde PQ’s in de Wellemeersen..... 9

Tabel 2-10 Lijst van kenmerken en indicatorklassen dewelke voor elke in 2014 en/of 1990 gekarteerde soort werd aangevuld (zie Bijlage 1 – Tabel 3) ............................................ 12 Tabel 2-11 Vertaalsleutel om vergelijking te kunnen maken van Vegetatieopname 1990 en 2014 ....... 13 Tabel 2-12 Lijst met de belangrijkste BWK-eenheden met hun respectievelijke oppervlakte per karteringsperiode ......................................................................................................... 14 Tabel 2-13 Overzicht van de BWK-codes in 2014, 2005 en 2000 ...................................................... 14 Tabel 2-14 Weergave van de verschillende BWK-codes gebruikt in het onderzoeksgebied in de loop van de verschillende karteringsperioden. De codes die opgenomen zijn in eenzelfde lijn en/of kleur worden door de jaren heen beschouwd als eenzelfde BWK-type. .................... 15 Tabel 2-15 Lijst van de geselecteerde Hydrofyten en Freatofyten in kader van dit onderzoek ............. 22 Tabel 2-16 Lijst van de Oudbosplanten in Vlaanderen (Naar: Luc De Keersmaeker, Johnny Cornelis and Lander Baeten (2010) BOSREVUE. p.17-21) ............................................................ 26 Tabel 2-17 Ellenberg N-getal .......................................................................................................... 43 Tabel 2-18 Ellenberg F-getal .......................................................................................................... 43 Tabel 2-19 Ellenberg R-getal .......................................................................................................... 44 Tabel 2-20 Ellenberg L-getal .......................................................................................................... 44 Tabel 2-21 Overzicht van de vitaliteit van de bomen in de boomlaag (>2m) en in de kruidlaag (<2m) in de karteringseenheden in de Wellemeersen ................................................................ 48 Tabel 3-1

Overstortvolumes [m³] in Rijtbeek en Wellemeersen (toestand C) ................................... 60

x


Tabel 3-2

Maximaal overstortdebiet [m³] in Rijtbeek en Wellemeersen (toestand C) ........................ 60

Tabel 3-3

Overzicht beschikbare meetpunten ................................................................................ 68

Tabel 3-4

Overzicht beschikbare data ........................................................................................... 69

Tabel 3-5

Overzicht ontbrekende periodes Teralfene EMT en Aalst ................................................. 71

Tabel 3-6

Overzicht correcties ...................................................................................................... 83

Tabel 3-7

GLG, GHG, GVG en jaargemiddelde grondwaterstanden voor de periodes ’92-’95 en ’92‘03 ............................................................................................................................... 98

Tabel 3-8

Overzicht verklarende varianties hydrologische jaren 1992-2003 ..................................... 106

Tabel 3-9

Overzicht verklarende varianties modellen hydrologische jaren 1992-1995 ....................... 113

Tabel 3-10: Overzicht hydrogeologische lagen voorkomend met voornaamste lithologische kenmerken (VMM, 2008) ................................................................................................................ 117 Tabel 3-11 Weerhouden waarden voor de horizontale (Kh) doorlaatbaarheid van de beschouwde rekenlagen ................................................................................................................... 122 Tabel 3-12 Kalibratieschema .......................................................................................................... 127 Tabel 3-13 Afwijkingen [m] t.o.v. gemeten waterstanden Jaargemiddelde grondwatervoeding ........... 127 Tabel 3-14 Afwijkingen [m] t.o.v. gemeten waterstanden zomer- en wintersituatie – startwaarde modelparameters ......................................................................................................... 127 Tabel 4-1

Oppervlaktebalans deelgebied 24 SBZ ‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’ .......................................................................................... 179

Tabel 4-2

Instandhoudingsdoelstellingen deelgebied 24 SBZ ‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’ ...................................................................... 181

Tabel 4-3

Referentiewaarden voor Elzen-Olmen-Essenbos (Ulmo-Fraxinetum) (91E0_veb) ............... 183

Tabel 4-4

Referentiewaarden voor vochtige Elzen-Essenbossen (Circaeo-Alnion) (91E0_bron) .......... 184

Tabel 4-5

Referentiewaarden voor mesotroof elzenbroekbos (Carici elongatae-Alnetum) (91E0_meso) ............................................................................................................... 184

Tabel 4-6

Referentiewaarden voor ruigte-Elzenbroek (Macrophorbio-alnetum) (91E0_eutr) .............. 185

Tabel 4-7

Referentiewaarden voor grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caruleae) (6410_ve) ....................................................................... 187

Tabel 4-8

Referentiewaarden voor voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430_hf) ............................................................................. 187

Tabel 4-9

Referentiewaarden voor laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) (6510_hu) .................................................................................................... 188

xi


Tabel 4-10 Referentiewaarden voor dotterbloemgraslanden (Calthion palustris) (rbb_hc) .................. 189 Tabel 4-11 Referentiewaarden voor moerasspirearuigte (Filipendulion) (rbb_hf) ............................... 189 Tabel 4-12 Referentiewaarden voor grote zeggenvegetaties (Caricion gracilis) (rbb_mc) ................... 190 Tabel 4-13 Referentiewaarden voor rietmoerassen (Phragmition) (rbb_mr)....................................... 192 Tabel 4-14 Referentiewaarden voor van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150) ...................................................................... 192 Tabel 4-15 Referentiewaarden voor kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion) (7220) ....... 193 Tabel 4-16 Referentiewaarden grondwaterstanden (uitgedrukt in cm onder maaiveld) voor de 25-75 percentielen ................................................................................................................. 194 Tabel 5-1

Oppervlakten vegetatietypen na hydrologische inrichting ................................................ 240

Tabel 5-2

Relevante kostenposten voor hydrologische inrichting van het gebied .............................. 245

Tabel 5-3

Om te vormen oppervlakten om te komen tot de natuurdoeltypen .................................. 246

Tabel 5-4

Indicatieve raming scenario 1 ‘Ontwateren provinciale Rijt’ ............................................. 248

Tabel 5-5

Indicatieve raming scenario 2 ‘Maximale ontwatering’ ..................................................... 249

xii


1.

INLEIDING

1.1

Interpretatie van de opdracht

De Wellemeersen zijn een 120 ha groot, laaggelegen moerassig gebied op de linkeroever van de Dender. Zowel op faunistisch als op floristisch vlak vormen de Wellemeersen een referentiesituatie voor de Dendervallei. Ook op het vlak van de abiotiek zijn er op niveau Vlaanderen zeldzame gradiënten aanwezig. Het natuurgebied is één van de laatste overstromingsgebieden van de Dendervallei en geniet volgende beschermingen: ▪

deelgebied 24 van het Habitatrichtlijngebied BE2300007 ‘Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuid-Vlaamse bossen’;

▪

VEN-gebied ‘De vallei van de Dender en de Mark’;

▪

erkend natuurreservaat ‘Wellemeersen’;

▪

groengebied volgens het gewestplan.

Het gebied is rijk aan potenties (zoals ook in het IHD-rapport wordt vermeld), maar kende de laatste decennia een achteruitgang door een gewijzigde hydrologische toestand en dit zowel op het vlak van waterkwantiteit als waterkwaliteit. Volgende (hydrologische) knelpunten worden in het bestek reeds aangehaald: ▪

Gewijzigde vegetatie in het centrale deel van het natuurgebied, door vernatting als gevolg van gebrekkige afwatering door waterloop de Rijt;

▪

Verontreinigde waterbodem in de Rijt, als gevolg van historische lozingen op de waterloop;

▪

Sterke ontwikkeling van Pitrus in de soortenrijke graslanden, wat leidt tot een verminderde biodiversiteit;

▪

Tussen de Rodestraat en Arendsveld (zuidelijk deel van het natuurgebied), treedt tevens een vernatting op. Deze vernatting leidt momenteel echter tot goed ontwikkelde broekbossen o.w.v. de goede waterkwaliteit en het droogvallen van het systeem in de zomer.

8


Figuur 1-1

Vernatting en aanwezigheid van Pitrus in het centrale gedeelte van het natuurgebied (Foto Nele Aerts, 2013)

Het doel van de studieopdracht is ecohydrologisch inzicht te vergaren in het natuurreservaat en de randvoorwaarden en potenties voor natuur te verkennen. Deze gegevens moeten de basis vormen voor het toekomstig natuurbeheer in de Wellemeersen en bieden een kader voor het bepalen van de haalbaarheid van een natuurinrichtingsproject voor de Wellemeersen. De belangrijkste doelstelling is inzicht te krijgen in het ecohydrologisch functioneren van het gebied. Hiermee wordt bedoeld dat inzicht verworven moet worden over de werking van de belangrijkste abiotische (hydrologische) processen en eigenschappen die een sturende rol spelen bij de biotische kenmerken van het gebied. Een analyse van het stromingssysteem, dat kwelgebieden met infiltratiegebieden verbindt, is cruciaal samen met een goed begrip van de oppervlakte waterafvoer. De studie zal in dit opzicht aangeven in welke richting de natuur evolueert. Deze evolutie omvat het verleden (10 à 20 jaar geleden), de huidige situatie en de toekomst (streefbeeld voor de komende 10 à 20 jaar). Daarnaast zal worden bekeken welke scenario’s mogelijk/haalbaar/wenselijk zijn om de huidige vernatting (en onderdrukking van kwel) eventueel te stoppen of te verminderen of terug te keren naar de hydrologische situatie van een paar decennia geleden. Het herstellen van natte graslanden, die minder dan 40 jaar geleden verwaarloosd werden, is mogelijk in een decennium tijd, zoals recent onderzoek uitwijst (Joyce, 2013 1). De scenario’s, die worden uitgewerkt en doorgerekend, zullen maximaal invulling geven aan het streefbeeld dat rekening houdt met de doelrealisatie voor de Europees aangemelde habitattypes in het SBZ-H BE2300007, alsook met de vegetatiedoeltypes zoals vastgesteld in het erkenningsdossier voor het natuurreservaat. Via een iteratief proces selecteren we en combineren we maatregelen tot optimale scenario’s, waarbij de maatregelen met een effect op het abiotisch systeem stapsgewijs bijgestuurd en verfijnd worden om uiteindelijk te convergeren naar een set van maatregelen, waarmee de natuurdoelen gerealiseerd worden.

1

Joyce, C. B. (2013). Ecological consequences and restoration potential of abandoned wet grasslands. Ecological Engineering. DOI: 10.1016/j.ecoleng.2013.05.008

8


Dit wordt schematisch in Figuur 1-2 toegelicht. Zodra de gewenste scenario’s zijn afgebakend (luik 4), wordt door instellen van maatregelen het grond- en oppervlaktewatersysteem én als gevolg hiervan de vegetatie gewijzigd. Deze 3 parameters zijn immers als in een raderwerk met elkaar verbonden. Bij een set maatregelen wordt getoetst of het gewenste scenario al bereikt is (Toets), zo niet, start het proces opnieuw totdat het gewenste scenario bereikt is.

grond- en oppervlaktewatersysteem

Gewenste scenario's

Toets

Maatregelen

Voorspellen vegetatie

Figuur 1-2

Iteratief proces: het schuiven met parameters van het grond- en oppervlaktesysteem en de daarop gebaseerde vegetatievoorspelling leidt uiteindelijk tot gewenste scenario’s voor natuurinrichting.

8


2.

LUIK 1 – BIOTIEK

2.1

Inleiding

In dit luik wordt het onderdeel ‘biotiek’ van het project Wellemeersen besproken. Naast een historischecologische beschrijving van het gebied wordt voornamelijk ingegaan op de in kader van dit project verzamelde en geïnterpreteerde vegetatiegegevens. Zowel de historische als recente vegetaties gelegen binnen het kerngebied van het natuurgebied Wellemeersen worden in detail geanalyseerd en besproken. In de methodologie wordt de werkwijze van het onderzoek toegelicht waarna de resultaten aan bod komen. De vergelijking tussen de historische en recente vegetatiegegevens vormt een belangrijk onderdeel van dit onderdeel van het rapport.

2.2

Methodologie

2.2.1

Opmaak actuele vegetatiekaart

Voor het kerngebied (zie Figuur 2-1 en Bijlage 1) van ca. 65 ha werd een dekkende vegetatiekaart gemaakt. Voorafgaand aan het veldwerk werden gedetailleerde veldkaarten (schaal 1/1000) aangemaakt. We gebruikten topografische kaarten en luchtfoto’s met de meest recente BWK-kartering (versie 2.2).

Figuur 2-1

Afbakening van het kerngebied waarbinnen de vegetatiekarteringen in de loop van 2014 werden uitgevoerd.

8


Figuur 2-2

Als basis voor de veldkaarten werden de meest recente luchtfoto’s (2012) en de laatste BWK (versie 2.2) gebruikt.

2.2.1.1 Afbakening van de karteringseenheden Afbakening van karteringseenheden van de in het veld herkenbare vegetatietypes, gekenmerkt door: ▪ Gelijkvormige standplaatskenmerken ▪ Vergelijkbare vegetatiesamenstelling ▪ Vergelijkbare vegetatiestructuur De begrenzing van de vegetatietypes sluit niet noodzakelijk aan bij de kadasterpercelen.

2.2.1.2 Vegetatieopname van de karteringseenheden

Voor elke karteringseenheid die behoort tot een bepaald vegetatietype werd een vegetatieopname gemaakt met de aangepaste Tansley-schaal (Demeulenaere et al. 2002) die wordt weergegeven in

8


Tabel 2-1. Wanneer het om bos ging werd zowel de kruidlaag als boomlaag apart ingeschat. Bomen met een hoogte onder 2 meter werden toegewezen aan de kruidlaag. Daarnaast werd de vitaliteit van de verschillende boomsoorten genoteerd per karteringseenheid aan de hand van volgende codes: Uitstekend (U), Matige vitaliteit (M), Afstervend (A), Dood (D) en Verjonging aanwezig (J).

8


Tabel 2-1

Vergelijking van de aangepaste Tansleyschaal volgens Demeulenaere et al. (2002) met de reguliere Tansley-schaal Aangepaste Tansley-schaal Code

Aantal individuen

‘Reguliere’ Tansley Bedekking

ZS

Zeer schaars

S

Schaars

WT T

Weinig talrijk Talrijk

ZT

Zeer Talrijk

>1000

LB

Laag bedekkend Matig bedekkend

Willekeurig

5-12%

Willekeurig

12-25%

KB

Kwart bedekkend

Willekeurig

25-50%

HB D

Halfbedekkend Dominant

Willekeurig willekeurig

50-75% 75-100%

MB

1-3

Sporadisch

4-10 11-100 101-1000

Tansley

<5%

Code S

Zeldzaam

R

Occasioneel Frequent

O F A

Abundant

Codominant Dominant

Cd D

Typologie van de karteringseenheden Op terrein worden BWK-eenheden toegekend aan de karteringseenheden. In de meeste gevallen gaat het om een combinatie van verschillende karteringseenheden, waarbij tussen haakjes het percentage wordt gegeven. Op basis van de ingevoerde vegetatieopnames in TURBOVEG werden met behulp het programma ASSOCIA de vegetatietypes van Nederland toegekend. De Nederlandse vegetatietypes werden verder vertaald naar de “Systematiek natuurtypen voor Vlaanderen” en Europese habitattypes.

2.2.2

Opname vegetatie in proefvlakken

2.2.2.1 Situering van de proefvlakken Bij opmaak van de vegetatiekaart en vergelijking met historische BWK-karteringen werden een aantal sleutelpercelen geselecteerd. Het merendeel van de proefvlakken ligt in één van deze sleutelpercelen. Daarnaast werd gekeken om de proefvlakken goed te spreiden over de verschillende vegetatietypes.

2.2.2.2 Uitzetten, markeren en opname van de proefvlakken Er werden 20 permanente kwadraten (PQ’s) uitgezet en opgenomen in 2014. De grootte van de PQ’s verschilt naar gelang het vegetatietype: ▪

3m x 3m voor graslandvegetaties en ruigtes;

▪

10m x 10m voor bossen en struwelen.

De permanente kwadraten werden gekozen na een grondige verkenning van het perceel. Het zijn homogene proefvlakken die representatief zijn voor het vegetatietype waarin ze gelegen zijn. In de permanente kwadraten werd een soortenlijst van de kruidlaag en eventueel ook de struiklaag en de boomlaag opgemaakt en werd van elke soort de bedekking ingeschat met de aangepaste Londo-

8


schaal (zie Tabel 2-2). Er werd een veldfiche opgemaakt waarop een schets van het proefvlak werd ingetekend, met referentiepunten. Tabel 2-2

Aangepaste opnameschaal van Londo voor permanente kwadraten Londo

Aantal individuen

Bedekking

r1

sporadisch 1-3 (rarum)

<1%

r2

sporadisch 1-3 (rarum)

1-3 %

r4

sporadisch 1-3 (rarum)

3-5 %

p1

weinig talrijk 4-20 (paulum) < 1 %

p2

weinig talrijk 4-20 (paulum) 1-3 %

p4

weinig talrijk 4-20 (paulum) 3-5 %

a1

talrijk 21-100 (amplum)

<1%

a2

talrijk 21-100 (amplum)

1-3 %

a4

talrijk 21-100 (amplum)

3-5 %

m1

zeer talrijk >100 (multum)

<1%

m2

zeer talrijk >100 (multum)

1-3 %

m4

zeer talrijk >100 (multum)

3-5 %

1

willekeurig

5-15 %

1-

willekeurig

5-10 %

1+

willekeurig

10-15 %

2

willekeurig

15-25 %

3

willekeurig

25-35 %

4

willekeurig

35-45 %

5

willekeurig

45-55 %

5-

willekeurig

45-50 %

5+

willekeurig

50-55 %

6

willekeurig

55-65 %

7

willekeurig

65-75 %

8

willekeurig

75-85 %

9

willekeurig

85-95 %

Daarna wordt een volledige plantenlijst opgemaakt en wordt de bedekkingsgraad volgens de Londoschaal per soort genoteerd. Alle opgenomen PQ’s werden gefotografeerd (minstens 2 foto’s) op het moment van de opname. Het nummer van de PQ en de datum is op foto leesbaar door middel van een paaltje waarop een papier werd bevestigd. De foto werd –indien mogelijk– steeds genomen in noordelijke richting. Een overzicht van de ligging van de PQ’s en foto’s wordt gegeven in Bijlage 3. Zoals afgesproken met de opdrachtgever werden de proefvlakken omwille van hun situering in vaak permanent onder water staande terreinen daar waar mogelijk uitgemeten op basis van reeds aanwezige peilbuizen. Voor 11 proefvlakken werd één van de hoekpunten permanent gemarkeerd met behulp van een duurzame pvc-buis. Deze buizen kunnen desgewenst in de toekomst nog vervangen worden door echte peilbuizen.

8


2.2.3

Gegevensverwerking vegetatieopnamen

De gegevensverwerking van zowel de Tansley-opnames van de homogene vegetaties als de opnames van de PQ’s met Londo-schaal, omvat de volgende stappen. 1. De gegevens werden ingevoerd in Turboveg, de gegevens worden geleverd in XML-formaat. 2. Vervolgens gebruikten we het programma Associa als hulpmiddel om de vegetatietypes (volgens de typologie van de ‘Vegetatie van Nederland’) te bepalen. Dit programma werkt vrij goed voor opnames in proefvlakken, maar minder goed voor Tansley-opnames. Het hoge aantal zogenaamde ‘weird species’ zorgt in dat geval voor een hogere dissimilariteitsindex: doordat een Tansley opname meer soorten bevat, verschilt de opname sterker van de referentiebestanden waarmee Associa vergelijkt (deze zijn immers gebaseerd op opnames in proefvlakken). 3. We maakten vervolgens de vertaalslag naar de Vlaamse natuurtypes (zoals weergegeven op www.inbo.be). Via onze uitgebreide terreinervaring weten we dat voor heel wat polygonen / vegetatietypen een eigen naamgeving dient voorzien te worden omdat het onverzadigde gemeenschappen betreft. Voorbeelden zijn ‘aanplant zomereik’, ‘RG waterpeper’ of ‘RG grote brandnetel’ waarbij we wel aangeven tot welk verbond de RG (rompgemeenschap) behoort. 4. De BWK-eenheden kunnen automatisch vertaald worden vanuit de terreinopnames, maar werden in kader van dit project reeds op terrein bepaald. Het gaat meestal om een combinatie van verschillende BWK-codes, waarvan het presentiepercentage tussen haakjes werd gezet. 5. Tenslotte geven we weer met welke Europese habitat-typologie of Regionaal belangrijke biotopen (RBB) deze overeenkomen. Deze gegevens zijn terug te vinden in de tabel in Bijlage 2 en worden in kaart gebracht in Bijlage 1.

2.2.4

Kartering aandachtsoorten

Deze lijst met bijzondere plantensoorten – aandachtsoorten – bevat zowel zeldzame soorten als soorten die vanuit ecologisch standpunt waardevol zijn omdat ze specifieke eisen stellen aan hun milieu. Deze soorten werden met GPS individueel ingemeten. Tabel 2-3 geeft de 30 aandachtsoorten met hun ecologie en Rode Lijststatus.

8


Tabel 2-3

Overzicht van de geselecteerde aandachtsoorten die in detail in kaart werden gebracht

Nederlandse naam

Rode Lijst

Ecologie

Adderwortel

Momenteel niet bedreigd

Grasland op natte tot vochtige, matig voedselrijke bodem

Blauw glidkruid

Momenteel niet bedreigd

Watervegetatie, ruigte, bossen en struwelen op matig voedselrijke bodem.

Bosorchis/Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata s.l.) Gele dovenetel

Kwetsbaar

Grasland op vochtige, voedselarme, basische bodem.

Momenteel niet bedreigd

Bossen en struwelen op vochtige, voedselarme tot matig voedselrijke, basische tot zwak zure bodem;

Geoord helmkruid

Momenteel niet bedreigd

Ruigte op natte, matig voedselrijke bodem.

Gevlekte aronskelk

Momenteel niet bedreigd

Bossen en struwelen op vochtige, basische bodem.

Gevleugeld helmkruid

Momenteel niet bedreigd

Bossen, struwelen en ruigten op natte, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke bodem.

Gewone salomonszegel

Momenteel niet bedreigd

Bossen en struwelen op vochtige, voedselarme tot matig voedselrijke bodem.

Graslathyrus

Zeldzaam

Grasland op vochtige, matig voedselrijke, basische bodem.

Groot moerasscherm

Momenteel niet bedreigd Kwetsbaar

Grasland en verlandingsvegetatie op natte, zeer voedselrijke bodem. Grasland op natte tot vochtige, voedselarme tot matig voedselrijke bodem.

Gulden boterbloem

Momenteel niet bedreigd

Grasland, bossen en struwelen op vochtige, voedselarme tot matig voedselrijke bodem.

Heggenvogelmuur

Onvoldoende gekend

Vochtige, matig voedselrijke bodem, aan bosranden.

Kikkerbeet

Kwetsbaar

Verlandingsvegetatie in matig voedselrijk hard water.

Knolsteenbreek

Momenteel niet bedreigd

Grasland op vochtige, matig voedselrijke bodem.

Moerasstreepzaad

Momenteel niet bedreigd

Graslanden, bossen en struwelen op natte, matig voedselrijke bodem.

Moesdistel

Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd

Grasland, bossen en ruigtes op natte, matig voedselrijke bodem. Nat grasland, watervegetatie en verlandingsvegetatie op matig voedselrijke tot zeer voedselrijke bodem.

Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd

Ruigte op natte tot vochtige, matig tot zeer voedselrijke bodem. Bronnen, kwelplekken en ruigtes op natte, matig voedselrijke bodem.

Schildereprijs

Momenteel niet bedreigd

Nat grasland, pioniervegetatie en watervegetatie op matig voedselrijke tot voedselarme bodem.

Tongvaren

Momenteel niet bedreigd

Pioniervegetatie op vochtige muren

Valse voszegge

Momenteel niet bedreigd

Grasland op natte tot vochtige, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke bodem.

Verspreidbladig goudveil

Momenteel niet bedreigd

Bronnen en kwelplekken in bossen op matig voedselrijke, natte bodem.

Vierzadige wikke

Momenteel niet bedreigd

Pioniervegetatie op vochtige, matig voedselrijke bodem.

Grote ratelaar

Pijptorkruid Poelruit Reuzenpaardenstaart

8


Voszegge

Bedreigd

Grasland op matig tot zeer voedselrijke bodem.

Waterviolier

Momenteel niet bedreigd

Water en verlandingsvegetatie in matig voedselrijk water.

Witte waterkers

Achteruitgaand

Pioniervegetatie tot verlandingsvegetatie op natte, matig tot zeer voedselrijke bodem.

Zwartblauwe rapunzel

Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd

Bossen en struwelen op vochtige, voedselarme, basische tot zwak zure bodem. Bossen en struwelen op natte, matig voedselrijke bodem.

Achteruitgaand

Bossen op matig voedselarme, droge zure grond

Zwarte bes Gewone eikvaren

2.2.5

Vergelijking historisch-ecologische gegevens met recente gegevens van het gebied

Voor dit onderdeel worden de beschikbare historische gegevens over het gebied opgevraagd, geanalyseerd en verwerkt en vergeleken met de actuele vegetatiegegevens. Een belangrijke dataset zijn de vegetatiekarteringen van de plantenwerkgroep van de Wellemeersen. In de loop van de jaren 1990 en 1991 werd praktisch het ganse kerngebied van de Wellemeersen in detail geïnventariseerd inclusief aanduidingen van de abundanties van de aanwezige soorten (Figuur 2-3). Om te komen tot een goed onderbouwde vergelijking tussen de huidige (2014) en historische vegetatietoestand (1990) werden volgende handelingen uitgevoerd: ▪

De vegetatieopnames van de 2 periodes werden ingevoerd in TURBOVEG

▪

Met behulp het programma ASSOCIA werden de vegetatietypes van Nederland toegekend

▪

De Ellenbergwaarden voor Vocht, Zuur, Licht en Stikstof werden gekoppeld aan elke soort

▪

De oudbos-indicatoren werden geselecteerd naar De Keersmaeker et al. (2010)

▪

Bepaling indicatorsoorten bepaald voor bepaalde vegetatietypes

8


Figuur 2-3

Vegetatiepolygonen van de in 1990 en 1991 uitgevoerde vegetatiekarteringen

2.3

Resultaten

2.3.1

Geactualiseerde vegetatiekaart

Voor het kerngebied van ca. 65 ha werd een dekkende vegetatiekaart gemaakt. Voorafgaand aan het veldwerk werden gedetailleerde veldkaarten (schaal 1/1000) aangemaakt. We gebruikten topografische kaarten en luchtfoto’s (Ortho 2012) met de meest recente BWK-kartering (versie 2.2) (Figuur 2-2).

2.3.1.1 Karteringseenheden 2.3.1.1.1 Inleiding In totaal werden 97 homogene vegetatiepolygonen afgebakend. Voornamelijk door de grote hydrologische veranderingen en in mindere mate het begrazingsbeheer zijn de vegetatiepolygonen meer en meer een afspiegeling van de abiotische en biotische omstandigheden (Figuur 2-4). In het verleden vielen de grenzen van de vegetatiepolygonen in belangrijke mate samen met de kadasterpercelen en het daarbinnen uitgevoerde beheer. Een detailoverzicht van de karteringseenheden op grotere schaal wordt weergegeven in Bijlage 1.

8


Figuur 2-4

Afgebakende karteringseenheden van de vegetatiekartering in 2014

2.3.1.1.2 Vegetatieopnamen van de karteringseenheden Zowel de vegetatieopnamen van 2014 als de historische opnamen van 1990 werden verwerkt in Turboveg. Dit laat ons toe om de nodige vergelijkingen te maken in het vergelijkende hoofdstuk 2.3.2. De gedetailleerde floragegevens per gekarteerde eenheid van zowel de recente (2014) als historische (1990) opnamen worden omwille van hun omvang als digitale bijlage aangeleverd.

2.3.1.1.3 Vegetatietypologie Op terrein worden BWK-eenheden toegekend aan de karteringseenheden. In de meeste gevallen gaat het om een combinatie van verschillende karteringseenheden, waarbij tussen haakjes het percentage wordt gegeven. Op basis van de ingevoerde vegetatieopnames in Turboveg werden met behulp het programma Associa de vegetatietypes van Nederland toegekend. De Nederlandse vegetatietypes werden verder vertaald naar de “Systematiek natuurtypen voor Vlaanderen” (d.m.v. expertenoordeel en naar de documenten Vlaamse natuurtypologie op www.inbo.be) en Europese habitattypes (d.m.v. expertenoordeel en naar Decleer et al. 2007). ▪ ▪

Een overzicht van de karteringseenheden met weergave van BWK-codes is weergegeven in Tabel 2-4. Een overzicht van de aanwezige vegetatietypes volgens de “Systematiek natuurtypen voor Vlaanderen” wordt weergegeven in

8


▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Tabel 2-5. Een overzicht van de aanwezige Europese habitattypes wordt weergegeven in Tabel 2-7. Een overzicht van de aanwezige Regionaal belangrijke biotopen (rbb) wordt gegeven in Tabel 2-8. Een overzichtskaart van de gekarteerde eenheden (BWK 2014) binnen het kerngebied van de Wellemeersen wordt weergegeven in Figuur 2-4. Een overzichtskaart van de gekarteerde eenheden op basis van de Vlaamse natuurtypologie wordt weergegeven in Figuur 2-4. Een overzichtskaart van de gekarteerde eenheden op basis van de Beschermde Europese en Vlaamse habitats wordt weergegeven in Figuur 2-4.

In Bijlage 2 wordt een algemeen overzicht gegeven van de Karteringseenheden (Opname 2014) met weergave van BWK-code, aantal waargenomen soorten, aantal Rode lijstsoorten, Aandachtssoorten, ingeschatte ecologische waarde, Vegetatietype van Nederland, ruw vegetatietype, Vlaams vegetatietype en Europees habitattype. Een score die een samenvatting geeft van de ecologische waarde van het betreffende polygoon. Dit is een expertenoordeel op basis van alle overige variabelen en eventueel andere elementen zoals het voorkomen van bijzondere fauna. Hierbij wordt vooral rekening gehouden met het aantal Rode Lijstsoorten en aandachtssoorten en minder met de soortendiversiteit die op zich geen goed criterium is voor evaluatie. Verstoorde ecotopen zijn soms soortenrijker dan stabiele, oude, ecologische zeer waardevolle ecotopen. Dit heeft te maken met het opduiken van een aantal banale ‘storingssoorten’. In Bijlage 2 wordt een beschrijving gegeven voor elke gekarteerde BWK-eenheid. Voor elke soort die waargenomen werd tijdens de opnamen van 2014 en/of 1990 werd op basis van het Vegetatietype van zowel Nederland als Vlaanderen, de Ellenbergwaarden en expertenoordeel weergegeven of ze als indicatorsoorten gelden voor een specifiek type. Deze typische indicatorsoorten per vegetatietype werden gebundeld. Daar dit onderdeel de plantensoorten tevens indeelt in verschillenden groepen (indicatorgroepen) wordt deze lijst ook in dit Hoofdstuk opgenomen (zie Tabel 2-4 voor de verschillende indicatorklassen, zie Bijlage 2 voor de totaallijst). Met deze soortlijsten werd aan de slag gegaan om te komen tot vergelijkingen.

20140423 Va

Va

100

3

20140423 Vn

Vn

100

4

20140423 Va (70) + Qa (30)

Va

70

Qa 30

5

20140423 Lhb (90) + Mc (10)

Lhb

90

Mc 10

6

20140506 Va(95) + Kalktufbron (5)

Va

7

20140506 Va

Va

100

8

20140506 Va

Va

100

Per_eenheid4

2

Eenheid4

85

Per_Eenheid3

Vn

Eenheid3

Per_eenheid1

20140423 Vn (85) + Hfc (15)

Eenheid2

Eenheid1

1

BWK

Per_eenheid2

Overzicht van karteringseenheden met weergave van BWK-eenheden

Datum (jaar/maand/dag)

Karteringseenheid

Tabel 2-4

Hfc 15

95 Kalktufbron

5

1


50

Qa 50

11 20140516 Va (80) + Vm (20)

Va

80

Vm 20

12 20140416 Vm (90) + Ae (10)

Vm

90

Ae 10

13 20140516 Vm (80) + Lhb/Mc (20)

Vm

80

Lhb/Mc 20

14 20140516 Vm (70) + Lh/Mc (30)

Vn

70

Lh/Mc 30

15 20140520 Vm (95) + Ae-(5)

Vm

95

16 20140520 Vm (90) + Sf (10) Lh/Hf (60) + Lh/Mc (30) + 17 20140507 Lh/Mr (10)

Vm

90

Sf 10

Lh/Hf

60

Lh/Mc 30

Lh/Mv 10

Vm

60

Hfb 25

Mcb 15

Lh/Hf

60

20 20140527 Va

Va

100

21 20140527 Hf (85) + Mr- (15)

Hf

85

Mr- 15

22 20140527 Mc (70) + Mr- (30)

Mc

70

Mr- 30

23 20140616 Ae-

Ae-

100

24 20140603 Vm

Vm

100

25 20140603 Vm

Vm

100

Lh/mc

100

Vm

60

Vn 40

Lh/Mr

50

Lh/Mc 30

Hp*

100

18 20140527 Vm (60) + Hfb (25) + Mcb (15) Lh/Hf (60) + Lh/Mc (30) + 19 20140527 Lh/Mr- (10)

26 20140603 Lh/Mc 27 20140603 Vm (60) + Vn (40) Lh/Mr (50) + Lh/Mc (30) + Vm 28 20140603 (20) 29 20140610 Hp* 30 20140610 Kb

5

Lh/Mc 30 Lh/Mr- 10

Kb

100

Hp*

50

Kh

100

Hp*

100

Vn

50

Lhb 50

Hp*

85

Hr 15

Vn

85

Hr 15

37 20140611 Lhb + Hr

Lhb

50

Hr 50

38 20140611 Hp* + Hf- + Hj

Hp*

Hfb 25

31 20140606 Hp* + Kb 32 20140610 Kh 33 20140610 Hp* 34 20140610 Vn + Lhb 35 20140611 Hp* (85) + Hr (15) 36 20140611 Vn (85) + Hr (15)

Vn

50

Va

35

41 20140611 Hp (90) + Hrb (10)

Hp

90

42 20140611 Kb

Kb

100

43 20140611 Hp (90) + Hp* (10)

Hp

90

44 20140611 Hj + Hp* + Hc

Hj

Vm 20

Kb 50

Hf-

39 20140611 Vn (50) + Hfb (25) + Hrb (25) Va (35) + Lhb/Hf (30) + 40 20140611 Lhb/Hc (20) + Lhb/Hc (15)

Per_eenheid4

Per_Eenheid3

Va

Eenheid4

Eenheid3

10 20140516 Va (50) + Qa (50)

Ae-

Per_eenheid2

Va 10

20140516 Qa (85) + Va (10) + Hf (5)

Eenheid1

85

BWK

Eenheid2

5

Per_eenheid1

Datum (jaar/maand/dag)

Karteringseenheid

Hf

Qa

9

Hj Hrb 25

Lhb/Hf 30 Lhb/Hc 20 Lhb/Hc

15

Hrb 10 Hp* 10 Hp*

Hc

2


Hu- 20

Hr

80

Hf 10

48 20140616 Kb

Kb

100

49 20140616 Lsb (80) + Sz (20)

Lsb

80

Sz 20

50 20140616 Hx (90) + Hp (10)

Hx

90

Hp 10

51 20140616 Vm (70) + Ae- (30)

Vm

70

Ae- 30

52 20140616 Hj (80) + Ae- (20)

Hj

80

Ae- 20

53 20140616 Mc (90) + Sf (10)

Mc

90

Sf 10

54 20140616 Hc Mr° (40) + Mc (30) + Ae- (25) 55 20140625 + Vm (5)

Hc

100

Mr°

40

56 20140625 Hj

Hj

100

57 20140625 Hr

Hr

100

58 20140625 Kh

Kh

100

59 20140625

Kb

100

60 20140625 Mc (80) + Hj (20) Mc (30) + Hr (30) + Hr° (20) + 61 20140626 Vm (20)

Mc

80

Hj 20

Mc

30

Hr 30

62 20140625 Mr° (70) + Hf (30) Vr (40) + Hp (20) + Hr (20) + 63 20140701 Vn (20)

Mr°

70

Hf 30

Vr

40

Hp 20

64 20140625 Mc (50) + Mr° (45) + Sf (5)

Mc

50

Mr° 45

65 20140625 Kb

Kb

100

66 20140625 Mc (90) + Mr° (10)

Mc

90

67 20140625 Ae-

Ae-

100

68 20140625 Lsb

Lsb

100

69 20140625 Hu ( 70) + Hr (30) Hf (30) + Hr (25) + Sz (25) + 70 20140701 Mc (20)

Hu

70

Hr 30

Hf

30

Hr 25

71 20140701 Ae- (90) + Me (10) Hr (60) + Mr (20) + Ur (10) + 72 20140701 Gml (10)

Ae-

90

Mc 10

Hr

60

Mr 20

73 20140701 Ae-

Ae-

100

74 20140701 Ae-

Ae-

100

75 20140701 Mrb

Mrb

100

76 20140701 Ae-

Ae-

100

77 20140701 Kn

Kn

100

78 20140701 Ae+

Ae+

100

79 20140701 Ae+

Ae+

100

Mc 30

Per_eenheid4

50

Eenheid4

KI

Per_Eenheid3

Hr 40 Sz

15

5

Mrv

5

Ae- 25

Vm

5

Hr° 20

Vm

20

Hr 20

Vn

20

Sz 25

Mc

20

Ur 10

Gml

10

Eenheid3

Eenheid2

60

Kb

Per_eenheid2

Per_eenheid1

Se

BWK

Eenheid1

Datum (jaar/maand/dag)

Karteringseenheid

45 20140616 Se (60) + Hr (40) Kl (50) + Hu- (20) + Hr (15) + 46 20140616 Sz(15) Hr (80) + Hf (10) + Hfc (5) + 47 20140616 Mru (5)

Hv 15 Hfe

Sf

5

Mr° 10

3


Kn-

100

81 20140701 Ae-

Ae-

100

82 20140701 Ae+

Ae+

100

83 20140701 Ae-

Ae-

100

84 20140701 Hfb (70) + Mrb (30)

Hfb

70

85 20140701 Hp

Hp

100

87 20140701 Hr + Mrb Hr+ (60) + Mcb (25) + Hfb 88 20140711 (15)

Hr

89 20140701 Ae+ 90 20140616 Bl 96 20140715 Sf(+) (75) + Ae- (25) 97 20140715 Hp*

Per_eenheid4

Eenheid4

Per_Eenheid3

Eenheid3

Per_eenheid2

Eenheid2

Per_eenheid1

Eenheid1

BWK

Datum (jaar/maand/dag)

Karteringseenheid

80 20140701 Kn-

Mrb 30 Mrb

Hr

60

Ae+

100

BI

100

Sf

75

Hp*

100

Mcb 25

Hfb 15

Ae- 25

4


Tabel 2-5

Overzicht van de aanwezige vegetatietypes volgens de “Systematiek natuurtypen voor Vlaanderen” met corresponderende BWK-codes

Broekbossen

BWK

Essen-Elzenbos met bloedzuring

Vn

Essen-elzenbos met Goudveil en Reuzenpaardenstaart

Va

Elzenbroekbos met Pluimzegge en Moerasvaren

Vm

Ruigtes Associatie van Moerasspirea en Valeriaan

Hf

Associatie van Bijvoet en boerenwormkruid

Hp*

Rompgemeenschap van Bosbies (Calthion/filipendula)

Hp*

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Look-zonder-Look

Vn + Hr

Rompgemeenschap van Pitrus

Hj + Hp*+ Hp, Hp*, Hj+Ae-

Natte ruigten van het moerasspireaverbond

Hc, Hr

Moerassen Grote zeggegemeenschappen met Scherpe zegge en Oeverzegge

Mc

Rietmoerassen

Mc + Ae, Mrb, Ae-, Ae+

Open water Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype

Mc+Sf, Ae-, Ae+

Waterviolier Kranswier-ionenrijk type

Kn + veedrinkpoel, Ae+

Struwelen en mantels Associatie van sleedoorn en Meidoorn

Kb, Kh

Pioniersmilieus Klasse van de ruderale gemeenschappen met tredplanten

Hp* + Kb

Voedselminnende pioniersgemeenschappen met Waterpeper

Hj, Mc+Hj, Kn-

Associatie van Blauwe waterereprijs en Waterpeper

Ae-

Graslanden Rompgemeenshap Gestreepte witbol (Glanshaververbond)

Hp, Hx

Glanshaververbond

Hp, Hp*, Hu

1


Tabel 2-6

Overzicht van de gekarteerde BWK codes met hun naamgeving en overeenkomsten met de Natura 2000 typologie en Regionaal belangrijke biotopen

Karteringseenheid

Variant

a

Naam

Naamgeving natuurdecreet

N2000-code

N2000-typologie

rbb-code

Stilstaande waters 3150

Hydrocharition

ae

Eutroof water

m

Moerassen

mc

Grote zeggenvegetatie

Grote zeggenvegetatie

rbbmc

mr

Rietland en andere vegetaties van het rietverbond

Rietland

rbbmr

mr°

Slecht ontwikkelde moerasvegetaties (bv liesgrasvegetaties)

Rietland

rbbmr

mru

Rietruigte

Rietland

rbbmr

h

Eutrofe plas

Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of

Halfnatuurlijke graslanden

hc

Dotterbloemgrasland

vochtig, lichtbemest grasland ('dotterbloemgrasland')

hf

Moersspirearuigte

natte ruigte met moerasspirea

6430

Moersspirearuigte met moesdistel

natte ruigte met moerasspirea

6430

Mesofiel hooiland

Mesofiel hooiland

6120

hfc hu

Mogelijk: 6410

Mogelijk: Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae) Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en montane en alpiene zones Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en montane en alpiene zones Kalkminnend grasland op dorre zandbodem

rbbhc rbbhf rbbhf

Soortenrijke permanente graslanden hj

vochtig grasland gedomineerd door russen

vochtig, lichtbemest grasland gedomineerd door russen

hp*

soortenrijk permanent cultuurgrasland

soortenrijk permanent grasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden

rbbhp*

Graslanden met beperkte biologische waarden hp

soortenarm permanent grasland

hx

zeer soortenarm, vaak tijdelijk grasland Ruigten en pioniersvegetaties

hr

verruigd grasland

hf hfc

Moersspirearuigte

natte ruigte met moerasspirea

Moersspirearuigte met moesdistel

natte ruigte met moerasspirea

Struwelen se

kapvlakte

kapvlaktestruweel

sf

vochtig wilgenstruweel op voedselrijke bodem

vochtig meso- tot eutroof wilgenstruweel

sz

opslag van allerlei aard

opslag van allerlei aard

rbbsf

2


Karteringseenheid

Variant

v

Naam

Naamgeving natuurdecreet

N2000-code

N2000-typologie

rbb-code

Vallei- en moerasbossen

va

alluviaal elzen-essenbros

vm

elzenbroek

vn

nitrofiel alluviaal elzenbos

f

Eiken - en beukenbossen

qa

eiken-haagbeukenbos

kp,l,p

Overige bossen, aanplanten en parken

alluviaal essen-olmenbos

mesotroof elzenbos met zeggen

91E0

91E0

nitrofiel alluviaal elzenbos

91E0

eiken-haagbeukenbos zonder wilde hyacint

9130

Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-

Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-

Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-

Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Beukenbossen van het type Asperulo-

Fagetum

Mogelijk: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior lh

populierenbestand op vochtige bodem

lhb ls lsb b,k

populierenaanplant op vochtige plaatsen

Mogelijk: 91E0

(Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)

Mogelijk: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior

populierenbestand op vochtige bodem met ondergroei van bomen en struiken

populierenaanplant op vochtige plaatsen

Mogelijk: 91E0

populierenbestand op droge bodem

populierenaanplant op droge plaatsen

Mogelijk: 9130

populierenbestand op droge bodem met ondergroei van bomen en struiken

Mogelijk: 9130

(Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Mogelijk: Beukenbossen van het type

Asperulo-Fagetum

Mogelijk: Beukenbossen van het type

Asperulo-Fagetum

akkers en tuinbouw

b

akker bl

akker op lemige bodem

kl

laagstamboomgaard

k

kleine landschapselementen

kb

bomenrij

bomenrijen

kh

houtkant

houtkanten, heggen en hagen

kn

veedrinkpoel

u

bebouwing en industrie

ur

bebouwing in agrarische omgeving

veedrinkput

3150

Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of

Hydrocharition

overige gml

gemengd loofhout

3


Karteringseenheid

Variant

Naam

Naamgeving natuurdecreet

Kalktufbron

Tabel 2-7

N2000-code

N2000-typologie

7220

Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)

rbb-code

Europese habitattypes die gekarteerd werden in de Wellemeersen

N2000-code

N2000-typologie

Onbetwiste aanwezigheid 91E0

Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)

6430

Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en montane en alpiene zones

Onvoldoende duidelijk of kwaliteitseisen gehaald worden 3150

Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition

6120

Kalkminnend grasland op dorre zandbodem

7220

Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)

9130

Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum

6410

Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae)

Tabel 2-8

Regionaal belangrijke biotopen (rbb) die gekarteerd werden in de Wellemeersen

rbb-code

Karteringseenheid

rbbhc rbbhf

Naam

Naamgeving natuurdecreet

N2000-code

N2000-typologie

hc

Dotterbloemgrasland

vochtig, lichtbemest grasland ('dotterbloemgrasland')

Mogelijk: 6410

Mogelijk: Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae)

hf

Moersspirearuigte

natte ruigte met moerasspirea

6430

Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en montane en alpiene zones

Moersspirearuigte met moesdistel

natte ruigte met moerasspirea

6430

Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en montane en alpiene zones

rbbhf

Variant

hfc

rbbhp*

hp*

soortenrijk permanent cultuurgrasland

soortenrijk permanent grasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden

rbbmc

mc

Grote zeggenvegetatie

Grote zeggenvegetatie

mr

Rietland en andere vegetaties van het rietverbond

Rietland

rbbmr rbbmr

mr°

Slecht ontwikkelde moerasvegetaties (bv liesgrasvegetaties)

Rietland

rbbmr

mru

Rietruigte

Rietland

vochtig wilgenstruweel op voedselrijke bodem

vochtig meso- tot eutroof wilgenstruweel

rbbsf

sf

4


Figuur 2-5

Weergave van de gekarteerde eenheden in het kerngebied van de Wellemeersen – BWK 2014 (kartering ikv dit project) 5


Figuur 2-6 Weergave van de gekarteerde eenheden (BWK 2014) met weergave van de Vlaamse vegetatietypologie. 6


Figuur 2-7 Weergave van aanwezige Beschermde Europese en Vlaamse habitats aanwezig binnen de gekarteerde eenheden in het kerngebied van de Wellemeersen – BWK 2014. 7


Voor een geactualiseerde LSVI (lokale staat van instandhouding) tabel van het projectgebied, wordt verwezen naar Bijlage 2. 2.3.1.2 Karteringsgegevens uit de PQ’s De vegetatieopnamen van de PQ’s werden verwerkt in Turboveg. De gedetailleerde floragegevens per PQ worden omwille van hun omvang als digitale bijlage aangeleverd. De veldformulieren van de opnames van de PQ’s worden in Bijlage 3 toegevoegd. Van elke PQ werd bij opname een foto gemaakt. Deze foto’s zijn terug te vinden als Bijlage 3. Een overzicht van de Karteringseenheid waarbinnen de PQ’s liggen, de situering in het gebied, de oppervlakte en vegetatie-eigenschappen worden weergegeven in Tabel 2-9.

8


Tabel 2-9

Overzicht van een aantal eigenschappen van de gekarteerde PQ’s in de Wellemeersen

1 W6

128.884

176.687 NW

10m x 10m

Va

2 W12

128.911

176.711 NW

10m x 10m

Vm

Vegetatie van Nederland 39RG04 RG Urtica dioica-[Alnion glutinosae] 39RG04 RG Urtica dioica-[Alnion glutinosae]

3 W54

128.832

177.021 ZO

3m x 3m

Hc

16AB05 Scirpetum sylvatici

PQ Karteringseenheid

Peilbuizen

X

Y

Hoekpunt

Oppervlakte

BWK

4 W53

128.791

177.017 ZO

3m x 3m

Mc + Sf

5 W23

128.812

176.978 ZW

3m x 3m

Ae-

6 W55 7 W96 8 W96

9 W66

peilbuis 22

128.759

177.098 ZO

3m x 3m

Ae-

128.519

176.888 NO

10m x 10m

Sf

128.348

176.952 ZO

10m x 10m

Sf

128.318

177.191 ZO

3m x 3m

Mc

08BC02A Caricetum gracilis typicum 01RG01 RG Lemna minor-[Lemnetea minoris]

08BC01 Caricetum ripariae 39AA02A Carici elongatae-Alnetum typicum 39AA02C Carici elongatae-Alnetum ribetosum nigri

08BC02A Caricetum gracilis typicum

Vlaamse vegetatietypologie 33AA05A UrticoAegopodietum alliarietosum 43AA04 Carici remotae-Fraxinetum 32AA01B ValerianoFilipenduletum holcetosum

RG Grote brandnetel (Elzenbroekbos) RG Grote brandnetel (Elzenbroekbos) RG van Bosbies (Calthion / Filipendulion)

08RG01 RG Glyceria maxima[Phragmitetea]

Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia)

08BB01A Scirpetum lacustris typicum

Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype

32RG04 RG Solanum dulcamaraPhragmites australis[ConvolvuloFilipenduletea]

Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia) Elzenbroekbos met pluimzegge en Moerasvaren Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren

08BA02A CicutoCaricetum typicum 38AA03A Cardamino amarae-Salicetum anthriscetosum

Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex 08BC02B Caricetum acuta) en oeverzegge gracilis comaretosum (Carex riparia) 9


PQ Karteringseenheid

Peilbuizen

10 W28

11 W61

128.330

peilbuis 1

12 W76

13 W76

X

peilbuis 7

Y

Hoekpunt

177.366 ZO

Oppervlakte

10m x 10m

BWK

08BC02A Caricetum gracilis Lf/Mr + Vm typicum 39AA02B Carici elongatae-Alnetum cardaminetosum Mc amarae 01RG01 RG Lemna minor-[Lemnetea Aeminoris]

128.305

177.447 ZO

3m x 3m

128.482

3m x 3m

128.475

177.379 ZO NWhoekpunt ligt 5 m ten oosten van 177.441 peilbuis 7

Mc

10m x 10m

Ae- + Vm

14 W61

peilbuis 2

128.313

NOhoekpunt ligt 2m ten zuiden van 177.465 peilbuis 2 3m x 3m

15 W4

peilbuis 33

128.908

176.842 ZO

10m x 10m

Va + Qa

16 W44

peilbuis 34

129.050

176.774 ZO

3m x 3m

Hj + Hp*

128.505

176.876 ZW

10m x 10m

Sf

17 W96

Vegetatie van Nederland

01RG01 RG Lemna minor-[Lemnetea minoris]

Vlaamse vegetatietypologie

16RG06 RG Carex disticha-[Calthion palustris] 39AA02C Carici elongatae-Alnetum ribetosum nigri 06AD01 LittorelloEleocharitetum acicularis 21RG02 RG Cymbalaria muralis[TortuloCymbalarietalia]

Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia) Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype

Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype

Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex 08BC02A Caricetum 08BC02B Caricetum acuta) en oeverzegge gracilis typicum gracilis comaretosum (Carex riparia) 3AB01C StellarioCarpinetum 43AA05 Prunotypicum Fraxinetum Eiken-haagbeukenbos 32RG05 RG Phalaris arundinacea16AB05 Scirpetum [ConvolvuloRG van Bosbies (Calthion / sylvatici Filipenduletea] Filipendulion) 39AA02B Carici 39AA02A Carici elongatae-Alnetum Elzenbroekbos met elongatae-Alnetum cardaminetosum pluimzegge en typicum amarae Moerasvaren

10


PQ Karteringseenheid

Peilbuizen

X

18 W41

peilbuis 35

129.144

19 W53

peilbuis 32

128.816

20 W51

peilbuis 32

128.816

Y

Vegetatie van Nederland

Hoekpunt Oppervlakte NWhoekpunt ligt 1m ten westen van 176.660 peilbuis 35 3m x 3m

BWK

177.002 ZO 3m x 3m NWhoekpunt ligt 3m ten oosten van 177.002 peilbuis 32 10m x 10m

Mc + Hp

16RG01 RG Holcus lanatus-Lolium perenne-[MolinioArrhenatheretea] 08RG01 RG Glyceria maxima[Phragmitetea]

Vm + Ae-

39AA02B Carici elongatae-Alnetum cardaminetosum amarae

Hp

Vlaamse vegetatietypologie 16RG04 RG Juncus effusus[Molinietalia/LolioPotentillion]

RG Gestreepte witbol[Arrhenatheretalia]

08BC01 Caricetum ripariae 38AA02A IridoSalicetum menthetosum

Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren

11


2.3.2

Vergelijking van de historische vegetatiegegevens (2014)

opnames

(1990)

met

de

actuele

2.3.2.1 Inleiding Zowel de vegetatiekartering uitgevoerd in 2014 als de historische uit 1990 werden verwerkt in Turboveg en gekoppeld aan de Eigenschappentabel (zie Tabel 2-10). Door deze gegevens te koppelen aan de karteringseenheden zijn we in staat de verschillen in vegetaties tussen 1990 en 2014 in kaart te brengen. Dit hoofdstuk bundelt alle kaarten en de bijhorende tabellen. In dit hoofdstuk zullen de belangrijkste conclusies gebundeld worden. Detailkaarten worden weergegeven in de kaartenbundel in Bijlage 1. Voor elke in 2014 en/of 1990 waargenomen soort werden met behulp van gegevens uit TURBOVEG, ASSOCIA, Ellenbergwaarden, oudbos-indicatoren en indicatorsoorten voor bepaalde vegetatietypes volgende categorieën aangevuld die terug te vinden zijn in Tabel 2-10: Tabel 2-10

Lijst van kenmerken en indicatorklassen dewelke voor elke in 2014 en/of 1990 gekarteerde soort werd aangevuld (zie Bijlage 1 – Tabel 3)

Soortnr.

Bron

Wetenschappelijke naam Ned. naam Grondwtr Ellenberg Licht Ellenberg Vocht Hydrofyten Obligaat freatofyten Natte obligaat freatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte obligaat freatofyten Kalk-afreatofyten Ellenberg Zuur Ellenberg Stiksof Oudbosplanten Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond Bronbeekindicatoren Rietklasseindicatoren Kleine zeggenindicatoren Indicatoren voor Dwergbiezenklasse Indicatoren voor Tandzaadklasse Indicatoren voor Natte Strooiselruigte Indicatoren voor Nitrofiele zomen Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water) Rode Lijst Positieve aandachtsoort

Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg De Keersmaeker et al. (2010) ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel Van Landuyt et al. (2006) Expertenoordeel 12


Soortnr.

Bron

Negatieve aandachtsoort Socsrtgrp1 (ASSOCIA) Klasse Orde Verbond

Expertenoordeel ASSOCIA ASSOCIA ASSOCIA ASSOCIA

Associatie

ASSOCIA

Door de koppeling van bovenstaande kenmerken aan elke waargenomen soort werd het mogelijk om voor elke vegetatiepolygoon van 2014 en 1990 kaarten aan te maken waarbij de verschillende karakteristieken worden weergeven. Door het samentellen van de verschillende soorten met eenzelfde indicatorwaarde kan het belang van het perceel voor een bepaalde eigenschap, vegetatietype, etc op een duidelijke manier worden weergegeven. Op deze manier wordt de schaal en ‘ernst’ van de eventuele veranderingen tussen de twee karteringsperioden al snel duidelijk op kaart. Voor de detailwaarden wordt verwezen naar: ▪ Bijlage 2, Tabel 8: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990 ▪ Bijlage 2, Tabel 7: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014 Tijdens de vegetatiekarteringen in 1990 en 2014 werden de abundanties op een verschillende manier genoteerd. Om de abundaties tussen de verschillende karteringen te kunnen vergelijken werd volgende vertaalsleutel opgemaakt (Tabel 2-11). Tabel 2-11

Vertaalsleutel om vergelijking te kunnen maken van Vegetatieopname 1990 en 2014 Historische opname (1990)

Aangepaste Tansley (2014)

Gebruike abundanties (toegepast op 1990 en 2014)

1

ZS

1

2

S + WT + T

2

3

ZT + LB + MB

3

4

KB

4

5

HB

5

6

D

6

X

7

2.3.2.2 Vergelijking van de BWK-codes binnen de historische vegetatiekartering (1990) met recente vegetatiekartering (2014) Met behulp van de gis-lagen van de BWK-karteringen van de verschillende periodes werden BWKkaarten aangemaakt en oppervlaktes berekend per BWK-type. Omdat de karteringsmethode verschilt van periode tot periode werden voor de verwerking tot kaarten een aantal types samengeteld om tot een correcte vergelijking te kunnen komen.

13


2.3.2.2.1 Vergelijking van de totale oppervlaktes van de BWK-eenheden Drie BWK-karteringen van het gebied kunnen met elkaar vergeleken worden op basis van de totale oppervlakte per karteringseenheid. BWK1 werd opgemaakt rond 1990, BWK2.2 werd opgemaakt rond 2000 en onze eigen BWK werd opgemaakt in 2014. Tabel 2-12 geeft de oppervlaktes voor de belangrijkste vegetatietypes van de drie karteringsperiodes naast elkaar. Tabel 2-12

Lijst met de belangrijkste BWK-eenheden met hun respectievelijke oppervlakte per karteringsperiode

BWK-eenheden

Verklaring BWK

BWK1

BWK2.2

BWK2014

Ae

Open water

1,1097

1,1495

3,0228

Hc

Dotterbloemgrasland

2,9757

1,5935

0,0430

Hf

Moerasspirearuigte

0,6417

5,0348

1,8354

Hp

Cultuurgrasland

17,3480

16,6867

11,6940

Lh

Populierenbestand

19,1957

8,0082

3,5562

Mc

Grote zeggenvegetatie

3,7432

5,1429

3,5779

Mr

Rietmoeras

0,4286

1,0129

0,2413

Mr°

Slecht ontwikkelde moerasvegetatie - Liesgras

Sf

Wilgenstruweel

Va + Qa

Alluviaal elzen-essenbos, bossen met voorjaarsflora

Vm + Vn + Vr

Elzenbroek + Nitrofiel elzenbos

4,1714

0,1896

13,5087

9,1805

13,6593

3,6381

3,3988

10,3026

10,7856

2.3.2.2.2 Vergelijking van BWK-eenheden van een aantal sleutelpercelen doorheen de tijd De sleutelpercelen van de vegetatiekaart van BWK 2014 werden vergeleken met BWK 2.2 (rond 2000) en een vegetatiekaart van 2005 (Erkenningsdossier Natuurpunt). Tabel 2-13

Overzicht van de BWK-codes in 2014, 2005 en 2000

Polygoon 2014

BWK 2.2 (rond 2000)

BWK 2005

BWK 2014

W66

Hc + Kbs

Hc + Mc

Mc (90) + Mr° (10)

W55

Hp* + Hj + H(ae) + Mc + Hf + Sf + Lhb + Vn + pop

Mr° (40) + Mc (30) + Ae(25) + Vm (5) Hpr*+Mc+Hj+Hf+Vm+Sf

14


Polygoon 2014

BWK 2.2 (rond 2000)

BWK 2005

BWK 2014

W76

Hp* + Hj + H(ae) + Vn+ Kbp + Kba+ Kbfr

Vn + Hpr* + Mc + Hj + Hf + Hp*

Ae-

W16

Mc + pop

Va

Vm (90) + Sf (10)

W23

Hc + Kbs + Kbp

Ae-

W22

Mc (70) + Mr- (30)

W44

Hp* + Hc + Kn + Khs + Mc + Hf

Hf + Hc + Hp* + Hr + Ae

Hj + Hp* + Hc

W53

Hc + Kbs + Mc+ pop

Hc + Hf

Mc (90) + Sf (10)

W54

Hc + Kbs + Mc+ pop

Hc + Hf

Hc

W79

Vn + Vm

W78

Ae

Ae+ Hc+Hf

Ae+

2.3.2.2.3 Cartografische vergelijking van de BWK-eenheden Tabel 2-14

Weergave van de verschillende BWK-codes gebruikt in het onderzoeksgebied in de loop van de verschillende karteringsperioden. De codes die opgenomen zijn in eenzelfde lijn en/of kleur worden door de jaren heen beschouwd als eenzelfde BWK-type.

BWK 1

BWK 2.2

BWK 2014

Ae

A

A Kn

B

B

B

Ha

Hu

Hu

Hc

Hc

Hc

Hf

Hf

Hf Hj

Hp

Hp

Hp

Hr

Hr Kl

Kh 15


BWK 1

BWK 2.2

Lh

Lh

BWK 2014 K Lh Lsb

Mc

Mc

Mc

Mr

Mr

Mr Mr°

N Pa Sf

Sf

Sf Se

Sz U Vm Vn

U Va

Va

Vm

Vm Vn

Belangrijkste verschillen op vlak van BWK-kartering tussen de verschillende karteringsperiodes: Detailkaarten zijn opgenomen in de Kaartenbundel (Bijlage 1) ▪

Er treedt een soort van perceelsvervaging op tussen 1990 en 2014. Daar waar BWK 1 nog regelmatig samenvalt met de kadasterpercelen wordt dit door de jaren heen minder en minder duidelijk. Dit is vooral van toepassing op de centrale zone.

▪

De ‘blauwe vegetatietypes’ nl. Open water (A, Ae), Wilgenstruweel (Sf), Liesgrasvegetaties –die wijzen op stagnerend eutroof water– (Mr°) en Graslanden met een dominantie van Pitrus (Hj) nemen door de jaren heen een steeds grotere zone in. Deze toename is bijzonder ingrijpend. Dit gaat ten koste van Populierenaanplanten (Lh), Grote zeggenvegetaties (Mc), Broekbossen (voornamelijk Vn en Vm), Soortenrijke graslanden (Hp) en in mindere mate Dotterbloemgraslanden (Hc). Opmerking: de karteringseenheid Wilgenstruweel (Sf) bevat voor een belangrijk onderdeel (max. 20%) permanent open water zonder overstaande bomen of struiken.

▪

Het aandeel soortenrijke graslanden (Hp) neemt sterk af ten voordele van Open water (A, Ae), Wilgenstruweel (Sf), Liesgrasvegetaties (Mr°) en Graslanden met een dominantie van Pitrus (Hj). Een opvallende verandering is de historische omzetting van het in 1990 aanwezige grasland tussen de spoorwegtalud en de erosiewand in het zuidwesten van het gebied. Het is deze zone waar graslandherstel op dit moment leidt tot massavegetaties van Bosorchis.

▪

Het BWK-type populierenbestanden van het vochtige type (Lh) zijn geëvolueerd van aspectbepalend naar slechts sporadisch aanwezig. Deze ommekeer is het gevolg van het gevoerde beheer en een massale afsterving owv de grote hydrologische veranderingen.

▪

De ‘dotterbloemgraslanden’ (Hc) dewelke in 1990 nog ruim voorkomen, worden voornamelijk tussen 2002 en 2014 teruggedrongen tot een fractie van hun oorspronkelijke oppervlakte. De afname van deze vaak bijzonder biodiverse graslanden gebeurt ten gunste van Grote zeggenvegetaties (Mc), door Pitrus gedomineerde graslanden (Hj) en permanente 16


graslanden (Hp). Deze ommezwaai is voornamelijk te wijten aan hydrologische veranderingen (en het hieraan gekoppelde onmogelijk maken van hooilandbeheer) en in mindere mate een resultaat van een bewuste verandering van het gevoerde beheer om over te gaan tot begrazing.

Figuur 2-8 Vergelijkingskaarten van de verschillende BWK-karteringen voor de kernzone van de Wellemeersen (bron: BWK 1, BWK 2.2, BWK 2014)

2.3.2.3 Vergelijking van het Soortenaantal, Rode-Lijst- & Aandachtsoorten (positief en negatief) binnen de historische vegetatiekartering (1990) met recente vegetatiekartering (2014) In dit onderdeel worden het totale soortenaantal, de rode-lijstsoorten en aandachtsoorten vergeleken tussen de verschillende vergetatiekarteringen. 2.3.2.3.1 Cijfermatige vergelijking van het soortenaantal, rode-lijst- & aandachtsoorten Weergave van de verschillende BWK-codes gebruikt in het onderzoeksgebied in de loop van de verschillende karteringsperioden. De codes die opgenomen zijn in eenzelfde lijn en/of kleur worden door de jaren heen beschouwd als eenzelfde BWK-type. Vegetatiekartering 2014 In totaal werden 280 soorten planten waargenomen bij het maken van de vegetatieopnames. Hieronder bevinden zich 7 Rode-Lijstsoorten, 30 aandachtsoorten. Er werden 10 exoten waargenomen, waarvan 4 in Vlaanderen gezien worden als invasief. De volledige soortenlijst wordt omwille van zijn omvang digitaal aangeleverd. Vegetatiekartering 1990 In totaal werden 276 soorten planten waargenomen bij het maken van de vegetatieopnames in 1990. Hieronder bevinden zich 8 Rode-Lijstsoorten. De volledige soortenlijst wordt omwille van zijn omvang digitaal aangeleverd. 2.3.2.3.2 Cartografische vergelijking van het soortenaantal, rode-lijst- & aandachtsoorten Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Totaal soortenaantal’ tussen de verschillende karteringsperiodes: 17


▪

De weergave van aantal soorten per vegetatiepolygoon en de vergelijking tussen de verschillende karteringsperiode levert een genuanceerd beeld op. De algemene indruk van de kaarten is gelijkaardig doch met een iets groter aantal ‘donkerrode’ of soortenrijke percelen in 1990 t.o.v. 2014.

▪

De belangrijkste verschillen zijn waar te nemen in de centrale natte zone in 2014. Deze is soortenarm en neemt een grote oppervlakte in.

▪

De voormalige populierenaanplanten tussen de centrale natte zone en de Dender hebben een opvallende sprong voorwaarts genomen qua soortaantal tussen een 1990 en 2014.

▪

De verlandingszones langs de grote centrale natte zone vormen een matig soortenrijke plantengemeenschap.

▪

De graslanden in het noorden van het kerngebied vormen zowel in 1990 als 2014 een hotspot qua soortenrijkdom. Deze zone is recent echter sterk vernat.

▪

Met het verdwijnen van het grasland in het zuidwesten (zie bij BWK) is een grote soortenrijkdom verloren gegaan. De beperkte open zone in deze omgeving die als grasland beheerd wordt, huisvest samen met de erosietalud momenteel het merendeel van de aanwezige soorten.

▪

De Va-bossen in het zuidelijk deel van het onderzoeksgebied vormen een belangrijke zone voor het soortenaantal maar de zone met hoge soortenrijkdom is de laatste decennia gekrompen.

Figuur 2-9

Vergelijkingskaarten van de soortenrijkdom voor de kernzone van de Wellemeersen

18


Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Rode Lijstsoorten’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Er zijn tijdens de karteringsperiode van 2014 meer percelen aangetroffen met RodeLijstsoorten dan in 1990. Ook de oppervlakte van vegetatiepolygonen met Rode-Lijstsoorten is toegenomen.

▪

Ook in de centrale natte zone in 2014 zijn 2 Rode-Lijstsoorten waargenomen nl. Kikkerbeet en Eikvaren spec.

▪

De zone waar in 1990 de meeste Rode-Lijstsoorten aanwezig waren is echter volledig weggedrongen o.w.v. veranderende hydrologische omstandigheden.

▪

De meest waardevolle percelen op basis van aandachtssoorten en Rode Lijstsoorten zijn W39, het stuk rond het wandelpad en W54, het laatste restant Dotterbloemgrasland. Ook de Ellenberggetallen voor stikstof geven aan dat W54 het minst voedselrijke stuk is.

▪

Nuancering: Vermits het aantal verschillende Rode-Lijstsoorten beperkt is leidt de aanwezigheid van 1 extra Rode-Lijstsoort reeds tot een groot verschil op kaart.

Wellemeersen 2014: AANTAL RODE LIJSTSOORTEN

Figuur 2-10

Vergelijkingskaarten ‘Rode Lijstsoorten’ voor de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Positieve aandachtsoorten’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er geen grote veranderingen opgetreden zijn qua abundantie van ‘Positieve aandachtsoorten’ tussen de karteringsperiode van 2014 en 1990.

▪

De belangrijkste afnamen zijn waar te nemen in de historische (1990) aanwezige ‘dotterbloemgraslanden’ en ‘grote zeggenvegetaties’. 19


▪

Binnen de huidige centrale natte zone zijn momenteel een matig aantal ‘positieve aandachtsoorten’ aanwezig. Daar waar in 1990 nog verschillende percelen aanwezig waren met een hoge densiteit aan ‘positieve aandachtsoorten’.

Figuur 2-11

Vergelijkingskaarten ‘positieve aandachtsoorten’ in de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Negatieve aandachtsoorten’ tussen de verschillende karteringsperiodes: Toelichting:

Negatieve aandachtsoorten kunnen beschouwd worden als ‘storingsindicatoren’ op vlak van slechte standplaatsfactoren. Deze kunnen bestaan uit eutrofe situaties, stagnerend oppervlaktewater, etc.

▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er grote veranderingen opgetreden zijn qua abundantie van ‘Negatieve aandachtsoorten’ tussen de karteringsperiode van 2014 en 1990. Zowel de oppervlakte als het aantal percelen met een hoge abundantie aan ‘Negatieve aandachtsoorten’ is toegenomen in 2014 t.o.v. de karteringsperiode in 1990.

▪

De ‘negatieve aandachtsoorten’ hebben een ruime verspreiding en komen buiten de verwachte zones waar grote hydrologische veranderingen hebben opgetreden tevens veel ruimer voor ten zuiden van de Rodestraat – een zone die als hydrologisch weinig veranderd wordt beschouwd.

▪

Nuancering: Het uitgevoerde graasbeheer heeft tevens een belangrijk effect op de aanwezigheid van ‘Negatieve aandachtsoorten’. De abundantie aan Pitrus kan door betreding, de hieraan gekoppelde bodemcompactatie en het feit dat Pitrus slechts in beperkte mate gegeten wordt door runderen, sterk toenemen.

20


Figuur 2-12

Vergelijkingskaarten ‘negatieve aandachtsoorten’ voor de kernzone van de Wellemeersen

2.3.2.4 Vergelijking van de ‘Hydrofyten’ en ‘Freatofyten’ binnen de historische vegetatiekartering (1990) met recente vegetatiekartering (2014) 2.3.2.4.1 Inleiding Via TURBOVEG werd voor elke soort de link gelegd met de standplaatsvereisten. In dit onderdeel komen volgende soortgroepen aan bod: Hydrofyten of echte Waterplanten: plantengemeenschappen die het grootste deel van hun levenscyclus afhankelijk zijn van water en zich grotendeels onder het wateroppervlak bevinden. Freatofyten: plantengemeenschappen die in meer of mindere mate tijdens hun levenscyclus afhankelijk zijn van toegang tot grondwater

21


Tabel 2-15

Lijst van de geselecteerde Hydrofyten en Freatofyten in kader van dit onderzoek

Cijfermatige vergelijking van de waargenomen Hydrofyten en Freatofyten tijdens de kartering van 1990 met 2014 Voor totaaltabellen van de aanwezige Hydrofyten en Freatofyten per karteringseenheid wordt verwezen naar onderstaande tabellen: ▪ Bijlage 2, Tabel 8: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990 ▪ Bijlage 2, Tabel 7: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014 2.3.2.4.2 Cartografische vergelijking van de Hydrofyten en Freatofyten vastgesteld tijdens de kartering van 1990 met 2014 Belangrijkste verschillen karteringsperiodes: ▪

op

vlak

van

‘Hydrofyten’

tussen

de

verschillende

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er grote veranderingen opgetreden zijn tussen 1990 en 2014 qua: o

abundantie van typische Hydrofyten per karteringseenheiden (2014>1990)

o

totale oppervlakte van karterinseenheden waarbinnen in meer of mindere mate typische Hydrofyten aanwezig zijn (2014>1990)

22


▪

▪

De grote centrale vernattingszone was op basis van de historische karteringen in 1990 niet of nauwelijks aanwezig. Anno 2014 neemt ze een bijzonder groot deel in van het Kerngebied van de Wellemeersen Ook in het deelgebied ten zuiden van de Rodestraat is een duidelijke vernatting zichtbaar.

Figuur 2-13

Vergelijkingskaarten ‘Hydrofyten voor de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Obligaat freatofyten’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er belangrijke verschuivingen zijn opgetreden zijn tussen 1990 en 2014 qua:

▪

Langs de rand van de grote centrale vernattingszone zijn in 2014 veel obligaat freatofyten aanwezig daar waar in 1990 deze eerder aanwezig waren in de zone gelegen binnen de huidige grote centrale vernattingszone.

▪

In het deelgebied ten zuiden van de Rodestraat zijn de obligaat freatofyten in 2014 minder abundant aanwezig in de karteringseenheden dan in 1990.

23


Figuur 2-14

Vergelijkingskaarten ‘Obligaat freatofyten voor de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Natte Obligaat freatofyten’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een zeer grote verandering heeft opgetreden tussen 1990 en 2014 qua: o

abundantie van typische ‘Natte obligaat freatofyten’ per karteringseenheiden (2014>1990)

o

totale oppervlakte van karterinseenheden waarbinnen in meer of mindere mate typische ‘Natte obligaat freatofyten’ aanwezig zijn (2014>1990)

Figuur 2-15

Vergelijkingskaarten Natte obligaat freatofyten voor de kernzone van de Wellemeersen

24


Belangrijkste verschillen karteringsperiodes: ▪

op

vlak

van

‘Kalk-afreatofyten’

tussen

de

verschillende

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een grote verandering heeft opgetreden tussen 1990 en 2014 qua: o

abundantie van (2014>1990)

o

totale oppervlakte van karterinseenheden waarbinnen in meer of mindere mate typische ‘kalk-afreatofyten’ aanwezig zijn (2014>1990)

Figuur 2-16

typische

‘Kalk-afreatofyten’

per

karteringseenheiden

Vergelijkingskaarten Kalk-afreatofyten voor de kernzone van de Wellemeersen

2.3.2.5 Vergelijking van de ‘Oudbos-soorten’ en ‘verschillende bostypes’ binnen de historische vegetatiekartering (1990) met de recente (2014) vegetatiekartering 2.3.2.5.1 Inleiding Via TURBOVEG werd voor elke soort de link gelegd met de standplaatsvereisten. In dit onderdeel komen volgende soortgroepen aan bod: ▪

Oudbos-soorten: Soorten indicatief voor oude stabiele bossen. In veel gevallen gaat het hier over de zogenaamde ‘Ferrarisbossen’.

▪

Bron en Bronbosindicatoren

▪

Indicatoren voor Elzenbroekbossen

▪

Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke bodem

25


Oudbosplant Aardbeiganzerik Adelaarsvaren

L

L

L

M-L

Z

Bosanemoon

Z M

Bosbingelkruid

L

Bosgierstgras

M L

Boszegge

L Z

M L

Donkersp. & Bleeksp. Bosviooltje

L Z

Fraai hertshooi

M

Gladde witbol

M M Z

L L

L

M-L Z

Gevlekte aronskelk Gewone salomonszegel

L

L Z

Gele dovenetel

L

Z

Eenbes Eenbloemig parelgras

L Z-M

Daslook Dubbelloof

L M

Boswederik Dalkruid

Samengesteld

Lichtzure tot basenrijke bodem

Matig zure bodem (vaak op leem)

Lijst van de Oudbosplanten in Vlaanderen (Naar: Luc De Keersmaeker, Johnny Cornelis and Lander Baeten (2010) BOSREVUE. p.17-21) Zure bodem (zand of zure leem)

Tabel 2-16

L

M-L

L

L

L

M-L

M

Z-M

Groot heksenkruid

L

Groot springzaad

L

L

L

M-L

Grote muur

M

Grote veldbies

M

Heelkruid Ijle zegge

M

Kleine maagdenpalm

M

Klimop Lelietje-van-dalen

Z

M

Lievevrouwenbedstro Mannetjesereprijs

M L

L

L

M-L M

L

L

L

Z-M-L

L Z L Z

Ruige veldbies

Z

Z-M L

M

L M

Slanke sleutelbloem

L

Spekwortel

L

Valse salie

L Z

M

Ruwe smele Schaduwkruiskruid

L Z

Paarbladig goudveil Pilzegge

L

Z

L L Z

Wijfjesvaren

M

Wilde hyacint

M

L

M-L M

26


Wilde kamperfoelie

Z

M

Samengesteld

Lichtzure tot basenrijke bodem

Matig zure bodem (vaak op leem)

Zure bodem (zand of zure leem)

Oudbosplant

L

Z-M-L

Wilde narcis

M

M

Witte klaverzuring

M

M

Witte veldbies

Z

Z

2.3.2.5.2 Cijfermatige vergelijking van de waargenomen Oudbossoorten, Bron en Bronbosindicatoren, Indicatorsoorten voor Elzenbroekbossen en Indicatorsoorten voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke bodem Zie Bijlage 2 ▪

Tabel 10 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Oud-bossoorten

▪

Tabel 11 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Bron- en bronbeekindicatoren

▪

Tabel 12 Lijst van de Elzenbroekbosindicatoren

▪

Tabel 13 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor EikenBeukenbossen op voedselrijke bodem

tijdens

de

Kartering

van

1990

en/of

2014

aanwezige

Voor totaaltabellen van de aanwezige Oudbossoorten, Bron en Bronbosindicatoren, Indicatorsoorten voor Elzenbroekbossen en Indicatorsoorten voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke bodem per karteringseenheid wordt verwezen naar onderstaande tabellen: ▪

Bijlage 2, Tabel 8: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990

▪

Bijlage 2, Tabel 7: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014

2.3.2.5.3 Cartografische vergelijking van de Oudbossoorten, Bron en Bronbosindicatoren, Indicatorsoorten voor Elzenbroekbossen en Indicatorsoorten voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke bodem vastgesteld tijdens de kartering van 1990 met 2014 Belangrijkste verschillen karteringsperiodes: ▪

op

vlak

van

‘Oudbossoorten’

tussen

de

verschillende

Als algemene indruk kan gesteld worden dat de kernzones met oudbossoorten in grote mate behouden zijn gebleven. De totale oppervlakte met oudbossoorten is significant afgenomen. 27


▪

Langs de randen van de kerngebieden zijn echter relatief grote veranderingen opgetreden tussen 1990 en 2014 qua: o

In 1990 werden binnen de huidige grote vernattingszone nog verschillende oudbos-soorten aangetroffen dat is anno 2014 niet meer het geval.

o

De in 1990 aanwezige cluster met oudbossoorten (perceel 59, 66 en 72) is in 2014 volledig verdwenen.

Figuur 2-17

Vergelijkingskaarten Oud bos indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Bron- en bronbosindicatoren’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat de zowel de oppervlakte als diversiteit aan bron- en bronbossoorten is toegenomen.

▪

In de kernzone in het zuiden van het onderzoeksgebied is de oppervlakte nagenoeg hetzelfde gebleven maar is het aantal soorten toegenomen.

▪

Ook in de periferie van de grote vernattingszone zijn opvallend meer zones bijgekomen met een hoog aantal indicatieve soorten.

▪

Binnen de vernattingszone is het aantal indicatieve soorten afgenomen.

▪

Nuancering: Een aantal soorten die te boek staan als indicatorsoorten voor bron- en bronbeeksystemen zijn de laatste decennia opvallend toegenomen en komen momenteel ook voor buiten deze zones. Een goed voorbeeld hiervan is Bosveldkers.

28


Figuur 2-18

Vergelijkingskaarten ‘Bron- en bronbosindicatoren’ voor de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Elzenbroekbosindicatoren’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat zowel de oppervlakte als diversiteit aan Elzenbroekbosindicatoren is toegenomen.

▪

De grote centrale vernattingszone is hierin de grootste sturende factor. Maar ook daarbuiten nemen de indicatieve soorten toe.

▪

Nuancering: Een aantal soorten die te boek staan als indicatorsoorten voor Elzenbroekbossystemen kunnen tevens voorkomen buiten de bossfeer in moerasvegetaties. Voorbeelden hiervan zijn Dotterbloem, Bitterzoet, Blauw glidkruid, etc.

29


Figuur 2-19

Vergelijkingskaarten ‘Elzenbroekbosindicatoren’ voor de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Indicatorsoorten voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke bodem’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat de totale oppervlakte van zones met indicatoren vrij sterk is afgenomen.

▪

De diversiteit aan soorten binnen de zones met indicatorsoorten blijft evenwel grotendeels gelijk. Dit is vooral te wijten aan de trage kolonisatiekracht van deze indicatorsoorten.

▪

Binnen de grote centrale vernattingszone zijn praktisch alle indicatieve soorten verdwenen.

Figuur 2-20

Vergelijkingskaarten Wellemeersen

‘Voedselrijk

Eiken-Beukenbos

indicatoren’

voor

de

kernzone

van

de

30


2.3.2.6 Vergelijking van de ‘Grasland-indicatoren’ binnen de historische vegetatiekartering (1990) met de recente (2014) vegetatiekartering 2.3.2.6.1 Inleiding Via TURBOVEG werd voor elke soort de link gelegd met de standplaatsvereisten. In dit onderdeel komen volgende soortgroepen aan bod: Dotterbloemgraslandindicatoren Indicatoren Kleine zeggenvegetaties Indicatoren Glanshavergraslanden Indicatoren Zilverschoongraslanden Indicatoren Droge graslanden op zandgrond 2.3.2.6.2 Cijfermatige vergelijking van de waargenomen ‘Grasland-indicatoren’ Zie Bijlage 2 ▪

Tabel 14 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren dotterbloemgraslanden

▪

Tabel 15 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Kleine zeggenvegetaties

▪

Tabel 16 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Glanshavergraslanden

▪

Tabel 17 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Zilverschoongraslanden

▪

Tabel 18 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Droge graslanden op zandbodem

Voor totaaltabellen van de aanwezige ‘Grasland-indicatoren’ per karteringseenheid wordt verwezen naar onderstaande tabellen:

▪ ▪

Bijlage 2, Tabel 8: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990 Bijlage 2, Tabel 7: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014

2.3.2.6.3 Cartografische vergelijking van de ‘Graslandindicatoren’ vastgesteld tijdens de kartering van 1990 met 2014 Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Dotterbloemgrasland-indicatoren’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een grote afname is: 31


o o

zowel op vlak van totale oppervlakte met Dotterbloemgrasland-indicatoren als De diversiteit aan soorten per polygoon.

▪

Met uitzondering van de zone in het uiterste noorden zijn de Dotterbloemgraslandindicatoren uit de meeste zones verdwenen.

▪

Daar waar in 1990 binnen de huidige grote vernattingszone nog verschillende percelen aanwezig waren met verschillende dotterbloemgrasland-indicatoren is hiervan anno 2014 praktisch niets meer terug te vinden.

Figuur 2-21

Vergelijkingskaarten Dotterbloemgrasland-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Kleine zeggenvegetatie-indicatoren’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er o

een sterke afname is op vlak van de totale oppervlakte waar soorten voorkomen die indicatief zijn voor Kleine zeggenvegetaties.

o

De diversiteit aan soorten per ‘overblijvende polygoon’ is stabiel met uitzondering van de zone in het uiterste noorden waar de diversiteit is toegenomen.

32


Figuur 2-22

Vergelijkingskaarten Kleine zeggenvegetatie-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak verschillende karteringsperiodes: ▪

van

‘Glanshavergrasland-indicatoren’

tussen

de

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een sterke afname is: o o

zowel op vlak van totale oppervlakte met Glanshavergrasland-indicatoren als De diversiteit aan soorten per polygoon.

▪

Van het ‘bolwerk’ in het noorden van het kerngebied is nog nauwelijks sprake.

▪

Toelichting: Glanshavergraslandsoorten zijn in het gebied achteruitgegaan door twee belangrijke factoren: o

de sterke vernatting van het gebied

o

extensief begrazingsbeheer is tevens een beheervorm die dit type graslanden doet degraderen

33


Figuur 2-23 Vergelijkingskaarten Glanshavergrasland-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Zilverschoongrasland-indicatoren’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een sterke afname is van de totale oppervlakte met Zilverschoongrasland-indicatoren

▪

De diversiteit aan soorten per polygoon, enkel in het ‘bolwerk’ in het noorden van het kerngebied is nog sprake van een hoge diversiteit.

▪

In 1990 was er centraal gelegen een bolwerk van Zilverschoongrasland-indicatoren aanwezig. Deze zone die momenteel volledig binnen de begrenzingen van de centrale vernattingszone en de onmiddellijke omgeving ervan bevinden is volledig verdwenen.

▪

Hoewel Zilverschoongraslanden vaak vooruitgaan door begrazingsbeheer is hiervan in de Wellemeersen momenteel geen aanwijzing voor. Andere factoren, zoals vernatting, hebben blijkbaar een te grote negatieve invloed op de soorten.

34


Figuur 2-24

Vergelijkingskaarten Zilverschoongrasland-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘indicatoren voor droog grasland op zandbodem’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een afname is op vlak van totale oppervlakte met Droog grasland-indicatoren.

▪

Binnen de nog aanwezige zones is de diversiteit aan soorten wel toegenomen.

▪

Het is opvallend dat er in 1990 nog indicatoren aanwezig waren van droge graslanden in zones die momenteel binnen de centrale vernattingszone vallen. Dit onderstreept nogmaals de zeer sterke hydrologische veranderingen die het gebied heeft gekend tussen 1990 en 2014.

35


Figuur 2-25

Vergelijkingskaarten indicatoren voor Droge graslanden op zandbodem de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘indicatoren van Dwergbiezenklasse’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een sterke afname is op vlak van totale oppervlakte met Dwergbiezenklasse-indicatoren.

▪

Binnen de nog aanwezige zones is binnen 1 polygoon de diversiteit aan soorten wel toegenomen.

Figuur 2-26

Vergelijkingskaarten indicatoren voor Dwergbiezenklasse in de kernzone van de Wellemeersen

2.3.2.7 Vergelijking van de ‘waterbiotopen van de Eendenkroos- en Fonteinkruidklasse’ binnen de historische vegetatiekartering (1990) met de recente (2014) vegetatiekartering 2.3.2.7.1 Inleiding Via TURBOVEG werd voor elke soort de link gelegd met de standplaatsvereisten. In dit onderdeel komen volgende soortgroepen aan bod: Indicatoren van de Eendenkroosklasse (Eutroof water) Indicatoren van de Fonteinkruidklasse (Mesotroof water) 2.3.2.7.2 Cijfermatige vergelijking van de waargenomen ‘waterbiotopen-indicatoren’ Zie Bijlage 2

36


▪

Tabel 19 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren van de Eendenkroosklasse (Eutroof water)

▪

Tabel 20 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Fonteinkruidklasse (Mesotroof water)

Voor totaaltabellen van de aanwezige ‘waterbiotoop-indicatoren’ per karteringseenheid wordt verwezen naar onderstaande tabellen: ▪ Bijlage 2, Tabel 8: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990 ▪ Bijlage 2, Tabel 7: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014 2.3.2.7.3 Cartografische vergelijking van de ‘waterbiotopen van de Eendenkroos- en Fonteinkruidklasse’ vastgesteld tijdens de kartering van 1990 met 2014 Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Eendenkroosklasse-indicatoren’ – Eutroof watertussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een belangrijke toename is: o

zowel op vlak van totale oppervlakte als

o

de diversiteit aan soorten per polygoon.

▪

Eutroof of voedselrijk water speelt duidelijk een belangrijkere rol in 2014 als in 1990

▪

Nuancering: een hoge soortendiversiteit in deze is niet te beschouwen als positief daar deze soorten bezien kunnen worden als weinig kritisch en dus eerder als indicatoren voor een gedegradeerd systeem door vermesting.

Figuur 2-27

Vergelijkingskaarten Eendenkroosklasse (Eutroof water)-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Fonteinkruidklasse-indicatoren’ – Mesotroof watertussen de verschillende karteringsperiodes: 37


▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er veranderingen plaatsvinden op volgende vlakken: o

de totale oppervlakte met indicatoren van de Fonteinkruid-klasse is toegenomen. Dit is voornamelijk te wijten aan de grote centrale vernattingszone.

o

De diversiteit aan soorten per polygoon is echter gedaald tussen 1990 en 2014.

Figuur 2-28

Vergelijkingskaarten Fonteinkruidklasse (mesotroof water)-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen

2.3.2.8 Vergelijking van de biotopen ‘Natte strooiselruigte, Nitrofiele zomen, Rietklasse en Tandzaadklasse’ binnen de historische vegetatiekartering (1990) met de recente (2014) vegetatiekartering 2.3.2.8.1 Inleiding Via TURBOVEG werd voor elke soort de link gelegd met de standplaatsvereisten. In dit onderdeel komen volgende soortgroepen aan bod: Indicatoren van Natte Strooiselruigten Indicatoren van Nitrofiele zomen Indicatoren van de Rietklasse Indicatoren van de Tandzaadklasse

38


2.3.2.8.2 Cijfermatige vergelijking van de waargenomen ‘indicatoren voor Natte strooiselruigte, Nitrofiele zomen, Rietklasse en Tandzaadklasse’ Zie Bijlage 2 ▪

Tabel 21 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren van Natte strooiselruigten

▪

Tabel 22 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Nitrofiele zomen

▪

Tabel 23 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor de Rietklasse

▪

Tabel 24 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor de Tandzaadklasse

Voor totaaltabellen van de aanwezige ‘indicatoren’ per karteringseenheid wordt verwezen naar onderstaande tabellen:

▪ ▪

Bijlage 2, Tabel 8: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990 Bijlage 2, Tabel 7: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014

2.3.2.8.3 Cartografische vergelijking van de ‘indicatoren voor Natte strooiselruigte, Nitrofiele zomen, Rietklasse en Tandzaadklasse’ vastgesteld tijdens de kartering van 1990 met 2014 Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Indicatoren voor Natte strooiselruigte’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een belangrijke toename is: o o

▪

zowel op vlak van totale oppervlakte als op aantal polygonen met een hoog aantal indicatieve soorten.

Nuancering: heel wat soorten die indicatief zijn voor natte strooiselruigten zijn tevens aanwezig in andere biotopen (bv broekbossen, verruigde natte graslanden, etc).

39


Figuur 2-29

Vergelijkingskaarten Natte strooiselruigte-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Indicatoren voor Nitrofiele zomen’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een belangrijke afname is: o

zowel op vlak van totale oppervlakte als

o

de diversiteit aan soorten per polygoon.

Een aantal soorten indicatief voor nitrofiele zomen zijn eerder gebonden aan ‘niet al te vochtige’ situaties (bv zevenblad, witte dovennetel, kruisbladwalstro, ect.). De zones met hoogste diversiteit aan indicatieve soorten zijn teruggedrongen tot de drogere zones van het kerngebied. De vernatting van het gebied eist naar alle waarschijnlijkheid dus ook voor dit vegetatietype zijn tol.

Figuur 2-30

Vergelijkingskaarten Nitrofiele zomen-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen 40


Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Indicatoren voor Rietklasse’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

De indicatieve soorten voor de Rietklassen zijn een vrij heterogene groep met in een aantal gevallen uiteenlopende ecologische niches. Binnen deze klasse vallen zowel echte moerasplanten zoals grote lisdodde, gele waterkers als soorten als holpijp, blaaszegge, etc.

▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een belangrijke toename is:

▪

o

zowel op vlak van totale oppervlakte als

o

de diversiteit aan soorten per polygoon.

De toename is vooral te wijten aan een ruimer voorkomen van een aantal ‘banalere’ soorten (bv. gele lis, liesgras, watermunt, etc.).

Figuur 2-31

Vergelijkingskaarten Rietklasse-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Indicatoren voor Tandzaadklasse’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Deze klasse wordt gekenmerkt door een aantal weinig kritische moerassoorten van eutrofe plasdrassituaties met enige dynamiek. De dynamiek in de Wellemeersen bestaat uit een geringe waterpeilschommelingen maar waarschijnlijk in belangrijkere mate de storingsfactor van de begrazing.

▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een belangrijke toename is op vlak van totale oppervlakte.

▪

De diversiteit aan soorten is echter niet toegenomen.

▪

Het is duidelijk dat deze klasse zich voornamelijk bevindt in de onmiddellijke periferie van de centrale vernattingszone.

41


Figuur 2-32

Vergelijkingskaarten Tandzaadklasse-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen

2.3.2.9 Vergelijking van de Milieucondities verbonden aan de vegetatie (Ellenbergwaarden) binnen de historische vegetatiekartering (1990) met de recente (2014) vegetatiekartering 2.3.2.9.1 Inleiding Het Ellenberg et al. (1991) systeem moet worden gebruikt om op basis van de waargenomen vegetatie een schatting te kunnen maken van de aanwezige milieucondities. Via TURBOVEG werd voor elke soort de link gelegd met de standplaatsvereisten. In dit onderdeel komen volgende standplaatsvereisten aan bod: Ellenbergwaarde voor Licht Ellenbergwaarde voor Stikstof Ellenbergwaarde voor Vocht Ellenbergwaarde voor Zuurtegraad Dit systeem werd aangepast voor West-Europa door Hill et al. (1999). Het is gebaseerd op een kwantitatieve schatting van de ecologische eisen van iedere plantensoort. Het gewogen gemiddelde van talrijkheid- en dominantiegegevens uit de Tansley-analyse levert een beschrijving van de ecologie van de onderzochte site. De berekening van de stikstofindex (N), de pH, de vochtigheid van de bodem (F) en de luminositeit van de site gebeurt als volgt. De stikstofconcentratie van de bodem: Negen categorieën die overeen komen met intervallen van de concentratie aan stikstof in de bodem moeten worden geïdentificeerd. Voor iedere vegetatieopname wordt de coëfficiënt van de hoeveelheid getolereerde stikstof vermenigvuldigd met de overeenkomende talrijkheid/bedekkingsgraad; deze bedekkingsgraad wordt bekomen uit de mediaan van iedere categorie. Deze berekening gebeurt automatisch in Turboveg. 42


Het gewogen gemiddelde produceert een globale waarde voor de stikstofcondities in iedere vegetatieopname, en bijgevolg een waarde die op een betrouwbare wijze de condities van het proefvlak en haar homogene omgeving weergeeft (PERSSON, 1981). Voor de bepaling van de trofiegraad van de voorkomende vegetatietypes werd er tevens een alternatieve methode uitgewerkt. Via een rapport van INBO konden we vegetatiecodes van de biologische waarderingskaart (versie 2) rechtstreeks koppelen aan de trofiegraad (zonder de tussenstap van vertaling naar Nederlandse vegetatietypen) (Wouters J., 2013). Met uitzondering van de rechtstreekse koppeling van de BWK aan de trofiegraad worden voor de parameters voor vochtigheid, zuurtegraad en luminositeit op een gelijkaardige manier proefvakcondities bepaald. Ellenbergwaarde voor Stikstof Tabel 2-17

Ellenberg N-getal Trofieklasse

Ellenberg N-getal

Zeer voedselarme bodems Zeer voedselarme tot voedselarme bodems Voedselarme bodems Voedselarme tot matig voedselrijke bodems Matig voedselrijke bodems Matig voedselrijke tot voedselrijke bodems Voedselrijke bodems Uitgesproken voedselrijke bodems Zeer uitgesproken voedselrijke bodems

1 2 3 4 5 6 7 8 9

Ellenbergwaarde voor Vocht Tabel 2-18

Ellenberg F-getal Vochtklasse Extreem droge bodems Extreem droge tot droge bodems Droge bodems Droge tot droge/vochtige bodems Droge/vochtige bodems Droge/vochtige tot vochtige bodems Vochtige bodems Vochtige tot natte bodems Natte bodems Tijdelijk droogvallend water Water Onder water

Ellenberg F-getal 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

43


De zuurheid van het milieu (pH): Tabel 2-19

Ellenberg R-getal Zuurgraadklasse

Ellenberg N-getal

Sterk zure bodems Sterk zure tot zure bodems Zure bodems Zure tot zwak zure bodems Matig zure bodems Matig zure tot zwak zure bodems Zwak zure tot zwak basische bodems Basische bodems; meestal op kalk Sterk basische of kalkrijke bodems

1 2 3 4 5 6 7 8 9

De luminositeit van de site: Tabel 2-20

Ellenberg L-getal Luminositeit

Ellenberg L-getal

Zeer intense schaduw (<1%licht) zeer intense tot intense schaduw intense schaduw (<5% licht)

1 2 3

intense schaduw tot halfschaduw halfschaduw (>10% licht)

4 5

halfschaduw tot halflicht halflicht vol licht (<40% licht) zeer intens licht (>50% licht)

6 7 8 9

2.3.2.9.2 Cijfermatige vergelijking van de waargenomen ‘Ellenbergwaarden’ Voor totaaltabellen van de ‘Ellenbergwaarden’ per karteringseenheid wordt verwezen naar onderstaande tabellen: ▪ Bijlage 2, Tabel 8: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990 ▪ Bijlage 2, Tabel 7: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014 2.3.2.9.3 Cartografische vergelijking van de ‘Ellenbergwaarden’ vastgesteld tijdens de kartering van 1990 met 2014 Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Ellenbergwaarde Licht’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Het gemiddeld Ellenberg-getal voor de recente vegetatieopname (BWK 2014) is 6,4. Het laagste getal is 5,33 en werd gegeven aan de houtkanten met weinig ondergroei (W65, W59). Het hoogste Ellenberggetal voor licht in de Wellemeersen is 7,36 (W85) en werd toegekend aan een grasland. 44


▪

Het uiterste noorden van het kerngebied heeft een belangrijke verandering ondergaan: o

ten noorden van de waterloop (droge graslanden/bogagelandschap en deel van de vernattingszone) zijn donkerder geworden. Dit is voornamelijk te wijten aan de houtkanten en de zone ronde de artificiële waterpartijen.

o

De aangrenzende zone ten zuiden van de waterloop en langs de Dender is opvallend lichter geworden. Dit is voor een deel te wijten aan de sterke vernatting waardoor gesloten vegetaties ‘opengebroken’ zijn.

▪

In de zone van de huidige centrale vernattingszone die grenst aan de steilwand is de beschaduwing tevens afgenomen. Deze verandering is te wijten aan de sterke vernatting en het daaraan gekoppelde groot aantal recent afgestorven bomen.

▪

Verder zijn er weinig opmerkelijke verschillen op te tekenen.

Figuur 2-33

Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Licht voor de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Ellenbergwaarde Stikstof’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Het gemiddeld Ellenberg-getal voor de recente vegetatieopname (BWK 2014) is 6,3. Het laagste Ellenberggetal is 5,31 voor opname W54 (het laatste restant Dotterbloemgrasland), het hoogste Ellenberggetal is 7,2 voor W83.

▪

Op basis van de vegetatie en de daaraan gekoppelde Ellenbergwaarden, zijn er in de historische toestand meer percelen en een grotere oppervlakte die voedselrijk zijn dan in de actuele toestand. Dit is een opmerkelijke en moeilijk te verklaren vaststelling.

▪

In 1990 was er een opvallend grotere heterogeniteit wat betreft stikstofwaarden per geïnventariseerde zone in vergelijking met 2014. 45


Figuur 2-34

Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Stikstof voor de kernzone van de Wellemeersen

Figuur 2-35

Standplaatskaarten voor trofiegraad, historisch (links) en actueel (rechts), met de methode met rechtstreekse BWK-vertaling (Wouters J., 2013).

Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Ellenbergwaarde Vocht’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪

Het gemiddeld Ellenberg-vochtgetal voor de recente vegetatieopname (BWK 2014) is 7,4. Het droogste stuk in de Wellemeersen heeft een Ellenberggetal van 5,24 (W29), de natste stukken hebben een Ellenberggetal van 11 (W73, W74).

▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er in 2014 in vergelijking met 1990 een belangrijke toename is: o

zowel op vlak van totale oppervlakte vochtige percelen,

o

als aantal percelen met hoge diversiteit aan vochtminnende soorten.

46


▪

Het gekende probleem van de sterke uitbreiding van de centrale natte zone is op deze kaarten erg duidelijk.

▪

Ook de zone ten zuiden van de Rodestraat en de zone ten noorden van de waterloop is opvallend natter geworden.

Figuur 2-36

Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Vocht voor de kernzone van de Wellemeersen

Belangrijkste verschillen op vlak verschillende karteringsperiodes:

van

‘Ellenbergwaarde

Zuurtegraad’

tussen

de

▪

Het gemiddeld Ellenberg-getal voor zuurtegraad van de recente vegetatieopname (BWK 2014) is gemiddeld 6,6. Het laagste Ellenberggetal voor de zuurtegraad is 5 voor opname W80. Het hoogste Ellenberggetal voor de zuurtegraad is 8 voor W59.

▪

Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een belangrijke afname is van zure tot zwak zure systemen ten voordele van meer gebufferde systemen.

▪

De zones die sterk vernat zijn vertonen de grootste verschuiving van zuur naar gebufferd

▪

o

zowel op vlak van totale oppervlakte als

o

de diversiteit aan soorten per polygoon.

Nuancering: Vele systemen staan onder druk van verzuring. Dit is voornamelijk een gekend probleem voor van nature voedselarme systemen en hun habitattypische soorten. In voedselarme systemen is enige vorm van buffering daarom vaak gewenst. In een van nature (matig) voedselrijk systeem als de Wellemeersen kan een toegenomen buffering echter wijzen op een complex samengaan van verschillende factoren. Deze verandering kan daarom niet als eenduidig positief worden afgedaan.

▪

In de actuele toestand zijn er enkele percelen in het zuiden die zuurder zijn geworden dan in de historische toestand. 47


Figuur 2-37

Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Zuurtegraad voor de kernzone van de Wellemeersen

2.3.2.10 Vitaliteit van de bomen Bij de recente vegetatiekartering (BWK 2014) werd de vitaliteit van de verschillende boomsoorten genoteerd per karteringseenheid aan de hand van volgende codes: Uitstekend (U), Matige vitaliteit (M), Afstervend (A) en Dood (D). Deze codes werden zowel aan de bomen in de boomlaag (>2m) en aan de bomen in de kruidlaag (<2m) toegekend. De code J (verjonging zichtbaar) werd niet gebruikt. De aanwezigheid van vitale bomen in de kruidlaag wijst op verjonging. Daar deze inschatting niet gemaakt is in 1990 kunnen we de vitaliteit van de bomen niet vergelijken tussen de verschillende karteringsperioden. Per boomsoort werd gekeken in hoeveel opnames de soort het uitstekend en/ of minder goed doet. De resultaten hiervan worden weergegeven in Tabel 2-21. Per karteringseenheid wordt de vitaliteit van de gekarteerde bomen en stuiken (zowel van de boom- als struiklaag) weergegeven in een algemene overzichtstabel. Deze tabel wordt omwille van zijn omvang digitaal aangeleverd. Tabel 2-21

Overzicht van de vitaliteit van de bomen in de boomlaag (>2m) en in de kruidlaag (<2m) in de karteringseenheden in de Wellemeersen Kruidlaag

Boomlaag

Boomsoort

U

Aalbes

1

Amerikaanse vogelkers

1

Appel

2

Beuk

1

Boswilg

28

Canadapopulier

1

Corsikaanse den

1

M

A

U

D

M

A

2 1

1

1

1

23

1

48


Kruidlaag

Boomlaag Eenstijlige meidoorn

20

3

Fijnspar

1

1

Gelderse roos

5

1

1

Geoorde wilg

1

Gewone es

2

7

4

Gewone esdoorn

1

Gewone vlier

16

Grauwe abeel

4

Haagbeuk

2

Hazelaar

16

24

7

1

2

3

10

11

1

10 2

4

8

1

2

2 1

1

9

1 1

Hop Hollandse linde

1

Hondsroos

1

Hulst Iep (G)

1

1 2

1

1

2

1

Laurierkers Liguster (G)

2

Linde (G)

2

Moeraseik

1

Okkernoot

2

Peer

1

Perzik

1

Populier (G)

20

Pruim s.s.

3

Robinia

1

Rode kornoelje

3

Ruwe berk

5

Schietwilg

45

Sering (G)

1

Sleedoorn

2

Sporkehout

6

Tamme kastanje

2

Wilde kardinaalsmuts

13

18

1

4

1

1

1

2

2

1 5

1

25

1

1 2

1

Wilde lijsterbes

3

1

Witte els

2

Zachte berk

2

Zoete kers

14

Zomereik

31

1

2

Zwarte els

42

4

2

1

1

2

1

1 2

1

11

1

26

3

30

1

Uit Tabel 2-21 is af te leiden dat boswilg het uitstekend doet en zich goed verjongt in het gebied. Een groot (op meer dan de helft van de locaties) deel van de populieren doet het matig en sterft af, ook is er geen verjonging van populier in het gebied. Schietwilg doet het op de meeste locaties uitstekend en verjongt goed. Ook zomereik en zwarte els doen het op de meeste locaties goed en verjongen zich. 49


2.4

Besluit

De Wellemeersen zijn één van de laatste overstromingsgebieden in de Dendervallei. De rivier stroomt hier in een brede alluviale vlakte, maar de rivierbedding zelf is hier beperkt. De bodems in de Wellemeersen zijn jong, zonder profielontwikkeling en bestaan voornamelijk uit lemig (valleiflanken en alluvium), zandlemig (oeverwallen) en kleiig materiaal (alluvium). Hydrologisch zijn voor de aanwezige vegetaties kwelinvloeden van groot belang, die gesitueerd zijn op de overgang van het kwartaire leemdek naar het alluvium (erosietalud van de Dender) en in de kommen. Daarnaast is ook de invloed van de Dender, een typische regenrivier met wisselvallig debiet, die nog regelmatig overstroomt, van belang. De drainage van het gebied gebeurde in het verleden door een vrij omvangrijk slotenstelsel, dat op enkele plaatsen de oeverwallen doorsteekt. Van dit slotenstelsel is omwille van de sterke vernatting van het gebied momenteel nog nauwelijks iets terug te vinden. In het gebied zijn een groot aantal vijvertjes, poelen en bomkraters aanwezig (Erkenningsdossier de Wellemeersen, Natuurpunt vzw, 2002). De vegetatie van de Wellemeersen bestond in het verleden uit een complexe mozaïek van vochtige graslanden, moerasbossen en ruigtes. De verschillende types Dottergraslanden en schrale vochtige graslanden, Glanshavergraslanden, Essen-Elzen-Olmenbossen met overgangen naar Bronbossen, Elzenbroekbossen en waterplantenvegetaties waren zeer waardevol. Het stelselmatig gespreid kappen van de populieren heeft voor een positieve landschapsverandering gezorgd. Het landschap is veel natuurlijker gestructureerd dan in het verleden en de lokale kruidlaag heeft zich sterk ontwikkeld tot een begraasde vegetatiemozaïek. Een bijzonder grote voorraad aan (vooral inheems) staand en liggend dood hout biedt ongetwijfeld kansen aan fauna afhankelijk van oud en dood hout. De begrazing zorgt enerzijds voor positieve resultaten voor landschapsevolutie en anderzijds voor een negatief gevoel in verband met de evolutie van echte graslandsoorten. De structuurvariatie is zeer hoog geworden door de extensieve begrazing: kort gegraasde stukken wisselen af met ruigere percelen en struweelvorming is soms plaatselijk op gang gekomen. De soortenrijkdom en het bloeiaspect van ruigte-kruiden is in belangrijke mate attractief toegenomen, door verhoogde lichtinval en weggevallen bladdeposities na het kappen van honderden populieren. Vervaging van de vroeger soms zeer scherpe perceelsgrenzen is zeer duidelijk. Niet alleen zijn de (historische) interne perceelsgrenzen zo goed als onzichtbaar geworden, ook de buitengrenzen van het begrazingsblok vervagen, zeker daar waar de naastliggende percelen uit bos bestaan (ingroeien van struweel, kiemen van bomen en struiken, …). De vervaging en structuurtoename is zeker positief voor de fauna, in het bijzonder voor de ongewervelden (dagvlinders, libellen). Anderzijds zijn een aantal soorten verdwenen of zeker verminderd in (bloei)aantal. Blauwe knoop is uit het terrein verdwenen door de begrazing (ontbrekend raster). Ook gewone brunel en wilde bertram doen het niet goed. Er is alleszins een duidelijke vermindering van het bloeiaspect. De vernatting heeft samen met de begrazing in een aantal zones tot sterke ‘verpitrussing’ geleidt. Hydrologisch zijn voor het gebied belangrijke kwelinvloeden aanwezig op de overgang van kwartair dek en alluvium. In de komgronden treedt diffuse kwel op die op vele plaatsen ecologische van minder belang is door het feit dat het effect van kwelwater daar teniet wordt gedaan door overstromingen vanuit de Rijt en slechte waterafvoer. 50


Voornamelijk door een slechte drainage worden de laatste twee decennia gekenmerkt door een vernatting van het centrale gebied, waardoor een sterke wijziging van natuurwaarden optreedt. Centraal in het gebied is een grote zone aanwezig waar, eerst vooral in de winterperiode, momenteel jaarrond veel water blijft staan. Hoewel dit leidt tot een grote aantrekkingskracht voor watervogels en trekvogels zijn de vegetatieveranderingen opmerkelijk. De vegetaties gaan over een aanzienlijke oppervlakte omwille van deze grote hydrologische verschillen over van ‘gespecialiseerde soortengemeenschappen’ naar soortgroepen die kenmerkend zijn voor hoge waterstanden en voedselrijke omstandigheden.

▪ ▪

Een groot aandeel vegetaties voornamelijk broekbossen gaan over in Wilgenstruwelen, verlandingsof moerasvegetaties en open water. De waardevolle Dotterbloemgraslanden gaan over naar ruigtes en moerasvegetaties

51


3. 3.1

LUIK 2 – ABIOTIEK Inleiding

In het luik abiotiek wordt inzicht geboden in het historisch en huidig hydrogeologisch functioneren van het studiegebied. Door het identificeren en begroten van de sturende processen in relatie tot de aanwezige vegetatietypes kan een alternatieve haalbare inrichting van de hydrografie worden voorgesteld in functie van de gewenste abiotische omstandigheden. In eerste fase worden de beschikbare, nuttige gegevens verzameld in functie van de interpretatie van de hydrologie. Hierbij wordt aandacht besteed aan de hydrografie en de toestand van het drainagesysteem in het projectgebied. De nadruk wordt gelegd op de analyse van de beschikbare tijdreeksen van grondwaterstanden in het studiegebied voor de periode 1992-2010 (§ 0). In het kader van de studie worden bijkomende gegevens verzameld gedurende de periode februari 2014 - februari 2015. Grondwaterstanden en oppervlaktewaterstanden worden dagelijks geregistreerd en beschreven in (§ 3.2). Bij de interpretatie van de grondwaterstanden wordt rekening gehouden met de potentiële sturende factoren van de grondwaterstanden. Naast klimatologische omstandigheden (neerslag/evapotranspiratie) zijn de oppervlaktewaterstanden in het projectgebied mee bepalend. Aangezien er slechts een beperkte dataset van waterstanden in het studiegebied voorhanden is worden deze gereconstrueerd door middel van een hydrologisch/hydraulisch model (§ 0). Tenslotte wordt een grondwatermodellering uitgevoerd waarbij de grondwaterstanden en stromingen gebiedsdekkend worden berekend met de nodige ruimtelijke resolutie. Hierbij wordt het model afgeijkt aan de hand van de huidige toestand en een prognose gemaakt van de historische situatie. Daarnaast moet het mogelijk zijn ontwikkelingsscenario’s te implementeren en hun gevolgen te karakteriseren (§ 3.4.3.3).

3.2

Registratie grondwater en oppervlaktewaterstanden

Einde februari 2014 werden in 3 peilbuizen en 2 grachten druksensoren van het type DIVER geplaatst met automatische datalogger. Deze werden hoogfrequent ingesteld (meerdere metingen per dag). De registratie van grondwaterstanden wordt uitgevoerd in peilbuizen WELP001, WELP032 en WELP035 (Figuur 3-1). Er wordt opgemerkt dat de nummers van de peilbuizen 01, 32 en 35 overlappen met de peilbuizen, geplaatst begin jaren ’90 en onderwerp van een analyse in § 0. Peilbuis 32 werd echter herplaatst, de huidige positie ligt 50 m naar het oosten en 25 m naar het noorden. Registratie van oppervlaktewaterstanden vond plaats op de Rijtbeek stroomafwaarts van de spoorweg en op de Rijtbeek op het einde van de Wellemeersenstraat. Aangezien de registratie van de grondwaterstanden in het meetnet werd afgebouwd vanaf 2003 (beschrijving grondwatermeetnet in § 0) wordt met de hoogfrequente metingen gedurende 1 jaar gepoogd om alsnog een beeld te krijgen van het huidige grond- en oppervlaktewaterregime en een vergelijking te maken met de historische metingen. Onderstaande Figuur 3-2 en Figuur 3-3 geven respectievelijk de grondwaterstanden in de peilbuizen en de waterstanden in de Rijtbeek weer. Tijdens de meetperiode werden de grondwaterstanden dagelijks gemeten en opgeslagen door een logger. Voor peilbuizen 01 en 32 en voor de oppervlaktewaterstanden is de volledige registratieperiode van 1 jaar beschikbaar. De registraties in peilbuis 35 werden verstoord door derden tijdens de periode van 17/05/2014 tot 11/07/2014. 52


De waarnemingen worden vergeleken met de neerslag te Liedekerke (Gegevens VMM Waterinfo.be) in Figuur 3-4. De maandelijkse neerslagtotalen tijdens de meetperiode wijken sterk af van het meerjarige gemiddelde te Ukkel voor de maanden maart, april en september 2014. Dit resulteert in een daling van de gemiddelde oppervlaktewaterstanden van de Rijtbeek van 8.4 naar 8.1 mTAW in de afwaarts geplaatste peilmeter. Ter hoogte van de opwaarts geplaatste peilmeter en de grondwaterstandsmeters is een beperkte daling van de grondwaterstanden merkbaar vanaf juni 2014. De waterstand in de opwaartse peilmeter reageert snel op iedere verhoging van de neerslag en daalt vervolgens binnen een tijdspanne van enkele dagen naar de oorspronkelijk niveau. De afwaartse peilmeter registreert de waterstanden in het centrale deel na buffering in de vallei en de trage ontwatering ervan. De waterstanden hernemen hun oorspronkelijk peil na een periode van meer dan 2 weken. De geregistreerde waterstanden en waterstanden in de Rijtbeek worden vergeleken met de door het HIC (www.waterinfo.be) geregistreerde waterstanden op de Dender ter hoogte van de monding van de Rijtbeek. Deze werden berekend als gemiddelde van de waterstanden op de Dender ter hoogte van de stations te Erembodegem en Teralfene. De Monding van de Rijtbeek situeert zich halverwege tussen deze 2 stations. Eind augustus en begin november 2014, alsook tijdens de maand januari 2015 worden waterstanden voor de Dender berekend die gedurende een halve dag hoger liggen dan 8.5 mTAW, hoger dan het maaiveld in de Wellemeersen (ca. 8.4 mTAW). De waterstanden in de Rijtbeek gedurende deze periode zijn dan niet het gevolg van afvoer van de Rijtbeek doch van instromend water van de Dender. De opwaartse peilmeter ligt stroomopwaarts van de vernatte centrale zone waar peilbuis 32 een permanent peil van 8.6 mTAW registreert. Dit is 20-30 cm boven maaiveld en dus eerder een registratie van oppervlaktewaterstanden. De waterstanden van de opwaartse peilmeter liggen ca. 10 cm hoger dan de peilen van de centrale plas. De afwaartse peilmeter registreert peilen van om en bij de 8.3 mTAW. Dit is 30 cm lager dan de aangrenzende centrale plas op 8.6 mTAW. De Rijtbeek en de centrale plas worden hier gescheiden door een oeverwal. Een vergelijking van de recente hoogfrequente metingen met de historische metingen tijdens de periode 1992 – 2008 wordt gemaakt in Figuur 3-5, Figuur 3-6 en Figuur 3-7: ▪ Peilbuis 01 (Figuur 3-5) vertoont in 2014 nauwelijks variatie van de grondwaterstanden in vergelijking met de periode 1992 – 2008. De waterstand in de winter tijdens de periode 19941998, waarin hoogfrequente metingen beschikbaar zijn (1-2 maal per maand), bedraagt ca. 8.3 tot 8.4 mTAW, gelijk aan het maaiveld. Tijdens de periode 1998 – 2007 zijn slechts beperkte waarnemingen beschikbaar tijdens de winterperiode waardoor een gemiddelde winterse grondwaterstand niet kan worden afgeleid. De hoogfrequente metingen tijdens meetcampagne 2014 tonen een grondwaterstand tijdens de wintermaanden van ca. 8.4 mTAW, gelijk aan het maaiveld. De waarneming van de grondwaterstanden tijdens de zomermaanden vertonen tijdens de periode 1994 – 2004 sterke fluctuaties met een dalingen tot 7.5 mTAW. Tijdens de meetcampagne 2014 worden deze dalingen niet meer aangetroffen. De schommelingen van de grondwaterstand blijven beperkt tussen 8.3 en 8.4 mTAW. ▪ Peilbuis 32, gelegen in de thans permanent natte zone vertoont een gemiddelde waterstand van 8.6 mTAW tijdens natte periodes en daalt tijdens periodes met langdurig neerslagtekort tot 8.5 mTAW. In vergelijking met de historische gegevens tijdens de periode 1992 – 2005 ligt de gemiddelde grondwaterstand 30 cm hoger (van 8.3 mTAW naar 8.6 mTAW). De grondwaterdynamiek is zo goed als onbestaande. De hogere grondwaterstanden en het ontbreken van enige grondwaterdynamiek zijn het gevolg van het permanent overstromen van deze zone na 2004. ▪ De waarnemingen tijdens 2014 in Peilbuis 35 zijn vergelijkbaar met de waarnemingen tijdens de periode 1992-2011. De waterstanden tijdens de wintermaanden bedragen ca. 8.9 mTAW, vergelijkbaar met de winterse waterstanden tijdens de periode 1992-2011. Tijdens de maand 53


augustus van 2014 daalt de grondwaterstand tot ca. 8.3 mTAW. De grondwaterstandsdaling is vergelijkbaar met de daling tijdens de gematigde zomers in de periode 1992-2011.

54


Figuur 3-1

Locatie grond- en oppervlaktewaterstandsmetingen 02/2014 - 02/2015

55


56


Figuur 3-2

Registratie grondwaterstanden peilbuizen 20/02/2014 – 24/02/2015

Figuur 3-3

Registratie oppervlaktewaterstanden Rijtbeek 20/02/2014 – 24/02/2015

57


maandtotaal neerslag [mm/maand]

maandtotalen Liedekerke v.s. meerjarig gemiddelde Ukkel 1992-2012 140

120 100 80 60 40 20

0 1_2014 2_2014 3_2014 4_2014 5_2014 6_2014 7_2014 8_2014 9_2014 10_2014 11_2014 12_2014 1_2015 2_2015

Liedekerke

Gemiddelde Ukkel 1992-2012

Figuur 3-4

Maandtotalen neerslagstation Liedekerke vs. Gemiddelde Ukkel

Figuur 3-5

Registratie grondwaterstanden Peilbuis 01 1992 – 02/2015

Figuur 3-6

Registratie grondwaterstanden Peilbuis 32 1992 – 02/2015

58


Figuur 3-7

3.3

Registratie grondwaterstanden Peilbuis 35 1992 – 02/2015

Hydrologische modelering

De waarnemingen van oppervlaktewater in de Wellemeersen zijn ofwel eenmalig (topografische opmetingen van slib en waterstanden maart 2014) ofwel laagfrequent (opmeting grondwaterstanden in peilbuizen) ofwel van korte duur (waterstandsmetingen in het kader van de voorliggende studie gedurende een periode van 1 jaar). De metingen geven onvoldoende informatie om een uitspraak te doen over de gemiddelde afvoeren op lange termijn en het optreden van extreme afvoeren in een ruimer tijdskader. Hiervoor wordt een hydrologische en hydraulische modelstudie uitgevoerd van het stroomgebied. De noodzakelijke componenten voor deze studie, een hydrologisch en hydraulisch luik, kunnen worden opgebouwd op basis van het bestaande modelinstrumentarium. De VMM Afdeling Operationeel Waterbeheer stelde hiertoe het bestaande hydraulisch model van de Dender en zijlopen (waaronder de Wildebeek) ter beschikking. In § 3.3.2 worden de aanpassingen van het bestaande model toegelicht op maat van de Rijtbeek en Wellemeersen, ingeleid door een beknopte beschrijving van de hydrografie (§ 3.3.1).

3.3.1

Hydrografie

Het natuurgebied van de Wellemeersen vormt reeds geruime tijd onderwerp van ecohydrologische studie en analyse. Een eerste inventarisatie, opgemaakt door de opdrachtgever in het kader van de aanbesteding, wordt integraal weergegeven in Bijlage 5. Onderstaand wordt deze kennis verder aangevuld aan de hand van een algemene schets van de hydrografie. De afwatering van de Wellemeersen wordt opgedeeld door de E40. Het gebied van de Wellemeersen ten zuiden van de E40 watert af naar de Dender via de Rijtbeek, waterloop van 2e categorie. De totale afwaterende oppervlakte van de Rijtbeek bedraagt ca. 3.6 km², waarvan 2.6 km² stroomopwaarts van de Wellemeersen. Onderstaande Figuur 3-9 toont de onderverdeling in subbekkens met aanduiding van de oppervlakte (paars – [ha]). De Rijtbeek wordt aangeduid met zijn provinciaal nummer O5083 (Wildebeek = O5077, Dender BV18). Het maaiveld in de zuidwestelijk punt van het stroomgebied ligt op ca. 40 mTAW, de gemiddelde terreinhelling langs het dal van de vallei naar de Wellemeersen bedraagt ca. 1%, Vanaf de 1 e kruising met de Spoorlijn bij intrede van de Wellemeersen wordt geen helling opgemeten (Figuur 3-10).

59


3.3.1.1 Rioleringsinfrastructuur De rioleringsinfrastructuur van de deelgemeente Welle behoort tot het zuiveringsgebied van de RWZI te Liedekerke. De bovengemeenstelijke collector komende van het westen kruist de Wildebeek en loopt te Welle grotendeels parallel ten zuiden van de spoorweg. Binnen het stroomgebied van de Rijtbeek en Wellemeersen treft men 4 locaties aan met een overstort: Kampstraat, Rodestraat, Berkenlaan en Wijmenierlaan. De resultaten van een recente berekening met het hydronautmodel van de geplande toestand C (persoonlijke communicatie 02/03/2015 Kristoff Derveaux, Aquafin) geeft onderstaande overstortvolumes en piekdebieten (Tabel 3-1, Tabel 3-2). De overstorten van de Berkenlaan en Wijmenierstraat geven uit op grachten met rechtstreekse aansluiting op de Dender. De overstorten van de Rodestraat en Kampstraat geven uit op het grachtenstelsel van de centrale zone van de Wellemeersen. Tabel 3-1

Overstortvolumes [m³] in Rijtbeek en Wellemeersen (toestand C)

Overstort

Frequentie beschouwde neerslaggebeurtenis (F10 = 10 x per jaar, T2 = eenmaal per 2 jaar) F10

F7

T2

T5

T10

T20

Kampstraat

2123

2588

8427

10626

12591

14705

Rodestraat

0

0

20

38

55

71

Berkenlaan

322

456

5330

6911

7867

8682

Wijmenierlaan

12

46

876

1177

1483

1850

Tabel 3-2

Maximaal overstortdebiet [m³] in Rijtbeek en Wellemeersen (toestand C)

Overstort

Frequentie beschouwde neerslaggebeurtenis (F10 = 10 x per jaar, T2 = eenmaal per 2 jaar) F10

F7

T2

T5

T10

T20

Kampstraat

0.58

0.64

0.83

0.90

0.95

1.00

Rodestraat

0

0

0.06

0.09

0.12

0.14

Berkenlaan

0.21

0.26

1

1.23

1.34

1.43

Wijmenierlaan

0.03

0.09

0.78

0.82

0.86

0.90

Met als doel het vervolledigen van de rioleringsinfrastructuur en het efficiënter maken van de rioolwaterzuivering, werd in 2014 het overstort Kampstraat te Denderleeuw gesaneerd. Hiervoor werd 1/ een extra vuilvracht van 3000 inwonersequivalenten en bijhorende verharde oppervlaktes van de Wildebeek naar een overstort in de Kampstraat verplaatst (met aansluiting op de Rijtbeek) 2/ een RWAleiding aangelegd in de Steenveldlaan en het eerste deel van de Wellestraat 3/ vanaf het kruispunt Wellestraat-Kemelweg tot aan het overstort Kampstraat een open buffergracht gegraven met lengte ca. 60


320 m en 4/ werd een ruiming van de Rijtbeek uitgevoerd vanaf de Wellestraat tot de kruising met de spoorweg. Het afgekoppelde hemelwater wordt geloosd in de geruimde Rijtbeek. De hydraulische belasting van het overstort van de Kampstraat wordt hierdoor met 1/3 verminderd en overgenomen door de RWA leiding. De overstortvolumes van het overstort van de Kampstraat in deze toestand C blijven echter relatief hoog, ook bij hoge frequenties van de beschouwde neerslagevents. De frequentie van overstorten is hierdoor slechts beperkt verlaagd t.o.v. de oorspronkelijke toestand A, de totale vuilvracht naar de Rijtbeek en Wellemeersen neemt derhalve slechts beperkt af.

OV Kampstraat OV Rodestraat OV Berkenlaan Lozing RWA Wellestraat OV Wijnemierstraat

Figuur 3-8

Overstortschema Aquafin

61


3.3.1.2 Oppervlaktewater (Van Schandevyl, 2010) Naast afvoergrachten en de Rijtbeek treft men een aantal vijvers en poelen aan. De vijvers ontstonden voornamelijk door het uitgraven van turf of zijn ontstaan als bomkrater. Alle wateroppervlakken zijn artificieel en verschillend in leeftijd en oorsprong en op één na zeer tot vrij ondiep. De grotere vijvers en poelen zijn van nature permanente wateren. Kleinere poelen, afvoergeulen, sloten, beken en slenken drogen in warme zomers voor een groot gedeelte of volledig uit: De drie “Zavelputten werden gegraven in het midden van de negentiende eeuw om de spoorwegtaluds aan te vullen: Kleine zavelput, Grote zavelput en de Mannekesput. De Gatesvijver is een groot, regelmatig gevormd reservoir (550 X 450 m) dat enkel met de Dender is verbonden door middel van een smalle overloop. De gemiddelde diepte bedraagt 6 meter. Deze zandwinningsput werd in 1953-54 gegraven om het lokale autosnelwegtalud op te hogen en ligt pal op de grens van het transgressiegebied van de Dender, zodat het oostelijke deel zich nog bevindt in de alluviale vlakte en het westelijk deel toebehoort aan de erosiewal. Hierdoor zijn oostelijk oevers vlak en de westelijke steil. Het reservoir wordt gevoed door kwelwater in het westelijke talud en heeft een zeer kleine afwatering naar de Dender. In 2003 werd na een bodemonderzoek een vervuiling van de waterbodem vastgesteld. In oktober 2008 werden tijdens de saneringswerken de oeverzones afgevlakt, de vervuilde bodem afgedekt met een geotextiel (folie) en nadien van een nieuwe, zuivere 40cm dikke grondlaag voorzien. De grondlaag werd gewonnen op het aanpalende perceel, waardoor hier een nieuwe poel ontstond tussen de Gatesvijver en de Dender. De bomputten dateren van bombardementen op het station van Denderleeuw in 1944. Een deel van deze bomputten werden kort na hun ontstaan opgevuld, de resterende zijn relatief ondiep en verland. Andere vijvers werden door particulieren gegraven voor weekendverblijf tussen het begin van de jaren zestig en het midden van de jaren zeventig. Het noordelijk deel van het gebied (gemeente Erembodegem-Aalst) bestaat uit oude vloeiweiden. Ondanks overstromingen van de Dender wordt dit gedeelte van het reservaat hydrologisch vooral beïnvloed door stagnerend regenwater. De bodem bestaat uit natte alluviale klei en naar de oeverwal en valleiranden toe uit natte zandleemgronden.

62


Figuur 3-10

Dender

Spoorlijn

Onderverdeling stroomgebied van de Rijtbeek

Spoorlijn

Figuur 3-9

Wellemeersen

Maaiveldprofiel langs as Rijtbeek, waterloop van 3e categorie.

63


3.3.2

Hydrologische modellering

Het bestaande modelinstrumentarium wordt aangepast op maat van de Rijtbeek. Hiervoor wordt een verfijning van de afbakening van de stroomgebieden doorgevoerd (Figuur 3-9). Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de aanvoer van deelstroomgebieden opwaarts van de spoorweg en de delen van het stroomgebied in de Wellemeersen. Het valleigebied van de Dender, waarvan de Wellemeersen 1 geheel vormden, werd opgedeeld in 7 delen (6 compartimenten ten zuiden van de E40 en 1 compartiment ten noorden). De compartimentering werd uitgevoerd op basis van het DHM Vlaanderen ter hoogte van verhogingen. De compartimenten worden in het hydraulisch model onderling verbonden door ofwel een koker (tussen valleigebied DeReyte01_R en valleigebied Wellemeersen 04_R - Figuur 3-13) ofwel door een overlaat die de verhoging van het maaiveld weergeeft. Vervolgens werd een hydrologische en hydraulische simulatie van 25 jaar uitgevoerd en de resultaten als daggemiddelde waarden opgeslagen (Figuur 3-11). De resultaten van de berekende afvoer van de Rijtbeek werden verwerkt tot een tijdsverdeling (Figuur 3-12). Zo ook de met het hydrodynamisch model berekende waterstanden in de deelgebieden (Figuur 3-14). De afvoerverdeling van het stroomgebied van de Rijtbeek vertoont de typische kenmerken van een regenrivier met zeer lage gemiddelde afvoeren en relatief hoger afvoeren tijdens korte tijdsperiodes. In 90% van de tijd is de afvoer opwaarts van de Wellemeersen lager dan 0.2 m³/s en lager dan 0.4 m³/s voor het volledige stroomgebied. De hoge buffering in het valleigebied van de Wellemeersen hebben als resultaat dat de waterstanden sterk worden afgevlakt, wat zich vertaalt in afgevlakte curves voor de tijdsverdeling van de overstromingshoogte (Figuur 3-14). Met het oogmerk van een sanering van de Rijtbeek voor een vlotte of gecontroleerde afwatering van de afvoer wijst de berekende tijdsverdeling op de relatief lage gemiddelde debieten van om en bij 0.05 m³/s. De dimensionering van grachten voor dergelijke lage debieten is een overbodige oefening. De huidige Rijtbeek heeft een voldoende kruinbreedte van meer dan 1 meter, het onderhoud ervan is bepalend.

Figuur 3-11

Berekende daggemiddelde afvoer met PDM van de Rijtbeek

64


Figuur 3-12

Tijdsverdeling berekende afvoer Rijtbeek met PDM

Figuur 3-13

Compartimentering vallei Wellemeersen

65


Figuur 3-14

Tijdsverdeling van de waterstanden in deelgebied van de Wellemeersen

66


3.4

Tijdreeksenanalyse Grondwaterstanden

Het grondwatermeetnet, bestaande uit 45 peilbuizen werd gedurende de periode 1992-2010 opgemeten. Een tijdreeksanalyse op de aangeleverde historische grondwaterpeilreeksen heeft als doel extra onderbouwing te leveren voor de veranderende hydro-ecologische condities in het natuurgebied. Met name moet een tijdreeksanalyse een antwoord formuleren op het verloop van de grondwatertafel (GHG, GLG, GVG) in een enkel jaar en de evolutie daarvan op langere termijn. Hierbij worden sturende processen en/of factoren geïdentificeerd en beschreven. Voorliggend verslag bestaat uit volgende onderdelen:

3.4.1

▪

Beschrijving van beschikbare data (§ 3.4.1)

▪

Pre-Analyse (§ 3.4.1.2.5)

▪

Analyse grondwatermeetreeksen in Menyantes (§ 3.4.3)

Beschikbare data

3.4.1.1 Waargenomen grondwaterpeilen in het studiegebied In het studiegebied werden op 45 locaties peilbuizen geplaatst, waarvan het waterpeil vervolgens door leden van de vzw Natuurpunt werd bemeten tijdens de periode 1992 tot 2010. Deze grondwatermeetreeksen werden aangeleverd door de VLM. Op 9 locaties werd de peilbuis vervangen, deze worden aangegeven met suffix “A”. In totaal zijn 54 meetreeksen van waterstanden beschikbaar (Tabel 3-3). De locaties van de peilbuizen worden weergegeven in Figuur 3-15. De peilbuizen liggen verspreid over het hele studiegebied. Op de randen van het gebied liggen de peilbuizen op 10 à 11 m TAW en in het valleigebied op 8 à 9 m TAW (Figuur 3-15). Voor bepaalde peilbuizen is noch de exacte diepte van de filterstelling noch de boorbeschrijving gekend. Vermoedelijk gaat het om ondiepe filterstellingen (< 3 m onder maaiveld) in het kwartair dek. Bij aanvang (1992 tot ca. 1995) werden de waterstandsmetingen 2-wekelijks uitgevoerd, vervolgens maandelijks (periode 1996-2003). Vervolgens nam de meetfrequentie stelselmatig af wegens de ontoegankelijkheid van het terrein als gevolg van de oprukkende vernatting. Zo zijn er geen grondwatermetingen in 2005, 2008 en 2009. In peilbuizen met nummers 34 tot 45 werd er niet gemeten in 1995. Verder zijn er enkele peilbuizen (6, 14, 25, 40, 42 en 43), waarbij enkel data beschikbaar is gedurende 4 jaar of minder. Een overzicht van de beschikbare data wordt weergegeven in Tabel 3-4. Hierin worden het aantal waarnemingen voor iedere peilbuis weergegeven per hydrologisch jaar (1 april – 1 april opvolgend jaar). De tijdreeksen van de originele peilbuizen (suffix “X” in Tabel 3-3) werden voorlopig samengevoegd bij de tijdreeksen van de vervangende peilbuizen (suffix “A” in Tabel 3-3, samengevoegd tot suffix “AX”)

67


Tabel 3-3

Overzicht beschikbare meetpunten

ID

Hoogte meetpunt [mTAW]

WELP001X WELP002X WELP003X WELP004X WELP005X WELP006X WELP007A WELP007X WELP008X WELP009A WELP009X WELP010X WELP011A WELP011X WELP012B WELP012X WELP013X WELP014X WELP015X WELP016X WELP017X WELP018A WELP018X WELP019A WELP019X WELP020X WELP021X WELP022X WELP023X WELP024X WELP025X WELP026X WELP027X WELP028X WELP029X WELP030X WELP031X WELP032X WELP033X WELP034A WELP034X WELP035A WELP035X WELP036X WELP037X WELP038X WELP039X WELP040X WELP041X WELP042X WELP043X WELP044A WELP044X WELP045X

8.69 9.31 8.68 8.83 9.06 8.72 9.75 9.75 8.88 8.99 9.31 12.77 10.63 10.73 10.31 10.77 9.62 9.23 9.04 11.59 12.98 9.24 8.69 8.51 8.21 9.26 12.47 9.24 9.02 12.05 9.22 9.03 8.99 8.91 8.90 9.37 9.54 8.77 9.48 9.39 9.22 9.36 9.52 11.68 9.11 10.64 9.99 10.40 10.11 9.26 9.39 10.19 10.62 10.03

HOOGTE MEETPUNT TAWGROUND LENGTEBUIS LENGTEFILTER X lambert Y lambert BOVEN MAAIVELD [mTAW] [m] [m] [m] [m] [m] 0.31 8.38 3.99 0.30 128305 177447 0.39 8.92 3.00 0.30 128313 177465 0.33 8.35 3.03 0.30 128296 177535 0.50 8.33 2.41 0.30 128416 177621 0.43 8.63 1.61 0.30 128351 177405 0.42 8.30 3.00 0.30 128419 177285 0.15 9.60 128475 177441 0.74 9.01 128486 177457 0.25 8.63 128644 177430 0.00 8.99 1.28 0.30 128646 177610 0.36 8.95 128640 177633 0.34 12.43 4.00 0.30 128242 177732 0.15 10.05 2.36 0.30 128222 177884 0.49 10.24 2.28 0.30 128222 177884 0.17 10.14 3.80 0.30 128196 177926 0.47 10.30 4.10 0.30 128206 177953 0.39 9.23 2.51 0.30 128135 177266 0.52 8.71 2.06 0.30 128237 177219 0.60 8.44 3.00 0.30 128170 176977 0.20 11.39 1.92 0.30 128275 176861 0.40 12.58 3.38 0.30 128307 176855 0.38 8.86 3.01 0.30 128285 176954 0.47 8.22 3.01 0.30 128285 176954 0.00 8.51 2.26 0.30 128291 177145 0.32 7.89 3.29 0.30 128291 177145 0.57 8.69 3.01 0.30 128401 177063 0.70 11.77 3.00 0.30 128446 176898 0.58 8.66 1.63 0.30 128519 176888 0.41 8.61 5.46 0.30 128523 176887 0.24 11.81 128614 176802 0.30 8.92 128754 176821 0.51 8.52 128611 177097 0.33 8.66 128700 177194 0.60 8.31 128581 177223 0.40 8.50 128737 177260 0.35 9.02 128811 177237 0.45 9.09 128981 177057 0.52 8.25 128778 176994 0.34 9.14 128908 176842 0.50 8.89 2.05 0.30 129060 176760 0.40 8.82 129060 176760 0.30 9.06 1.96 0.30 129144 176660 0.57 8.95 129144 176660 0.25 11.43 128856 176666 0.30 8.81 2.47 0.30 128872 176722 0.37 10.27 128878 176636 0.50 9.49 128956 176655 0.45 9.95 129099 176451 0.35 9.76 129212 176341 0.35 8.91 129278 176511 0.40 8.99 129368 176425 0.27 9.92 3.84 0.30 129278 176373 0.54 10.08 129278 176373 0.55 9.48 129453 176242

START METINGEN 1/10/1992 1/10/1992 1/10/1992 1/01/1992 1/01/1992 1/01/1992 27/01/2007 10/02/1992 10/02/1992 1/01/2009 10/02/1992 3/02/1992 8/09/2009 1/10/1992 1/01/1994 3/02/1992 27/01/1992 8/09/2009 13/01/1992 13/01/1992 27/01/1992 8/09/2009 13/01/1992 8/09/2009 3/02/1992 10/02/1992 27/01/1992 27/01/1992 27/01/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 8/09/2009 10/02/1992 8/09/2009 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 8/09/2009 10/02/1992 10/02/1992

TOP BASIS DIAMETER FILTER FILTER STATUS (juni 2013) [cm] [mTAW] [mTAW] 5.44 6.61 5.95 6.72 7.75 6.02

5.14 6.31 5.65 6.42 7.45 5.72

8.01

7.71

9.07 8.57 8.75 6.81 6.97 7.41 7.47 6.34 9.97 9.90 6.53 5.98 6.55 5.22 6.55 9.77 7.91 3.86

8.77 8.27 8.45 6.51 6.67 7.11 7.17 6.04 9.67 9.60 6.23 5.68 6.25 4.92 6.25 9.47 7.61 3.56

7.64

7.34

7.70

7.40

6.94

6.64

6.65

6.35

4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 0.00 0.00 0.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 0.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 0.00 0.00 4.00 4.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 4.00 4.00 4.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00

weg ok ok ok weg weg ok weg weg weg weg ok ok weg ok weg geen info weg ok ok ok ok weg weg weg weg ok ok ok ok weg ok weg ok weg ok ok weg ok ok weg ok weg ok weg ok ok weg geen info weg weg weg weg weg

68


Tabel 3-4

Overzicht beschikbare data

69


Figuur 3-15

Maaiveldhoogte t.h.v. de peilbuizen

3.4.1.2 Beschouwde sturende invloeden In onderliggende paragraaf worden fenomenen toegelicht die mogelijks een invloed uitoefenen op de grondwaterstanden in het studiegebied. Onder sturende processen worden alle termen van de hydrologische kringloop beschouwd die een invloed kunnen uitoefenen op de grondwaterbalans. In het geval van de Wellemeersen worden volgende termen in overweging genomen: ▪ Neerslag: Neerslaggegevens van het KMI station te Ukkel ▪

Evapotranspiratie. Potentiële evaporatiegegevens van het KMI station te Ukkel

▪

Grondwaterwinningen. In de onmiddellijke omgeving van het natuurgebied zijn geen grondwaterwinningen noch oppervlaktewaterwinningen bekend bij de VMM Afdeling operationeel Waterbeheer.

▪

Hydrografie: Oppervlaktewater kan een invloed uitoefenen op de grondwaterstanden als gevolg van de drainage van de percelen alsook als gevolg van opstuwing, overstromingen en infiltratie. Analoog aan de termen neerslag en evaporatie hebben overstromingen een rechtstreekse impact op de grondwaterstanden in het overstroomde gebied. In het geval van drainage of opstuwing door allerhande waterlichamen echter spelen bijkomende ruimtelijk verdeelde invloeden een rol zoals afstand tot het drainagenetwerk, vertakkingen en drainageweerstand.

▪

Bodemgesteldheid: Sterk verdichte en kleiige bodem vermindert het contact met onderliggende watervoerende lagen. Grondwateraanvulling tijdens periodes met neerslagtekort gebeurt beperkt.

3.4.1.2.1 Oppervlaktewaterpeilen Dender In Teralfene EMT en in Aalst zijn waterpeilen beschikbaar vanaf 1995 tot 2014 (locatie van de twee limnigrafen zijn aangeduid in Figuur 3-19, tijdreeksen met daggemiddelde waterstanden in Figuur 70


3-16 en Figuur 3-17). In de periode voorafgaand aan mei 1996 en tijdens periodes in 1997 tot 2002 zijn er geen metingen. In Tabel 3-5 wordt een overzicht gegeven van de ontbrekende periodes per jaartal voor de limnigrafen in Teralfene EMT en Aalst. Gelet op de ontbrekende periodes in de tijdreeksen van de oppervlaktewaterstanden van de Dender werd navraag gedaan bij de Waterwegen en Zeekanaal, Afdeling Bovenschelde naar eventuele infrastructuurwerken/stuwpeilwijzingen op de Dender tijdens deze periodes. Het normale waterpeil boven de sluis van Aalst is sinds begin jaren ’90 ongewijzigd gebleven. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat er langdurige dalingen op de Dender geweest zijn. Het tijdelijk verlagen van het waterpeil voor infrastructuurwerken wordt toegestaan, maar wordt beperkt tot enkele uren omwille van de scheepvaart en extra belasting op de oevers. In 2004 werden de stuwpeilen op de Dender tijdelijk verlaagd (0.5m) voor werken aan de Zeebergbrug in Aalst. Verder hebben er geen noemenswaardige infrastructuurwerken plaatsgevonden in de periode tussen 1992 en 2010. Men kan derhalve veronderstellen dat de waterstanden op de Dender slechts in beperkte mate fluctueren. Het mediaan peil voor de 2 locaties bedraagt ca. 7.7 mTAW (Figuur 3-18 - rechts). Maandgemiddelde peilen te Aalst variëren minder dan 10 cm op jaarbasis, te Teralfene bedraagt dit 20 cm. Tabel 3-5

Overzicht ontbrekende periodes Teralfene EMT en Aalst Jaartal

Ontbrekende periodes

1995

januari; maart tot december

1997

september

1998

april; mei; juli; augustus

1999

mei; juli; september tot december

2000

Januari tot december

2001

Januari tot april; eind juni tot september

2002

Eind april tot eind mei; eind november tot december Teralfene EMT

10.00

H [mTAW]

9.50 9.00 8.50 8.00 7.50 04/93

Figuur 3-16

04/94

04/95

04/96

04/97

04/98

04/99

04/00

04/01

04/02

04/03

04/04

04/05

04/06

04/07

04/08

04/09

04/10

04/11

04/12

04/06

04/07

04/08

04/09

04/10

04/11

04/12

Waterpeil Teralfene EMT (stroomafwaarts) (MOW-HIC 2014) Aalst/Dender

10.00

H [mTAW]

9.50 9.00

8.50 8.00 7.50 04/93

04/94

04/95

04/96

04/97

04/98

04/99

04/00

04/01

04/02

04/03

04/04

04/05

71


Figuur 3-17

Waterpeil Aalst/Dender (stroomopwaarts) (MOW-HIC 2014) tijdsverdeling waterstanden Dender

maandgemiddelde waterstanden Dender 8.2

8.0

Waterstand [mTAW]

Waterstand [mTAW]

8.1 7.9

7.8

7.7

8.0 7.9 7.8 7.7

7.6 7.5

7.6 jan

feb

mrt

apr

mei

Aalst/Dender

jun

jul

aug

sep

okt

nov

dec

Teralfene EMT

0

0.2

0.4

Aalst/Dender

Figuur 3-18

Maandgemiddelde waterstanden en tijdsverdeling te Aalst en Teralfene

Figuur 3-19

Situering limnigrafen Aalst en Teralfene EMT

0.6

0.8

1

Teralfene EMT

3.4.1.2.2 Oppervlaktewaterpeilen Wellemeersen In het voorjaar 2014 werden in het natuurgebied Wellemeersen de waterpeilen eenmalig opgemeten (Figuur 3-20). Alsook de dikte van de sliblaag in de grachten. De waterpeilen op de afwaartse rand van de Bonte Beek, de Rijt en de meest zuidelijke waterloop t.h.v. de Wijmenierlaan bedroegen op 7.85 à 7.9 m TAW, slechts 10 cm hoger dan het peil op de ontvangende waterloop de Dender. De waterpeilen op de Rijt t.h.v. de Wellemeersenstraat waren ongeveer op 8.35 à 8.45 m TAW en t.h.v. de spoorweg op 8.6 m TAW. Dit waterpeil werd ook gemeten in het gebied op de rechteroever van de Rijt tussen de poelen en de Dender.

72


De waterpeilen in de waterlopen met respectievelijk nummer 33 en 38 tussen de Rodestraat en de Berkenlaan bedroegen 8.7 à 8.9 mTAW. In de waterlopeninventarisatie (ANB, VLM 2013) wordt dit gebied als kwelzone bestempeld die vrij nat is het hele jaar door. Het waterpeil op de waterlopen t.h.v. de Berkenlaan lag op 8.7 m TAW, wat er eveneens op wees dat deze waterloop niet goed draineerde. De hoogste waterpeilen (>9 m TAW) werden gemeten in de Wildebeek opwaarts van de duiker onder de spoorweg en aan de Rodestraat t.h.v. het overstort.

Figuur 3-20

Opgemeten waterpeilen in het studiegebied

73


Figuur 3-21

Situering kunstwerken in het studiegebied

3.4.1.2.3 Evaporatie en Neerslag Gegevens m.b.t. neerslag en potentiele evaporatie werden verkregen via het Koninklijk Meteorologisch instituut KMI. Voor de periode van de grondwaterstandwaarnemingen werden de gegevens opgevraagd voor het station te Ukkel (1992 tot 2012). In Figuur 3-22 worden de jaartotalen voor beide waarnemingen uitgezet in de tijd. De gemiddelde neerslaghoeveelheid over deze periode bedraagt 848 mm/jaar, de gemiddelde potentiële evaporatie bedraagt 740 mm/jaar. De afwijking van beide parameters op het gemiddelde wordt weergeven in Figuur 3-23. In Figuur 3-24 worden de resultaten van een vereenvoudigde massabalans voorgesteld. Het betreft een cumulatieve berekening van de dagneerslagen en evapotranspiratie waarbij grondwateraanvulling door neerslag wordt gelimiteerd tot maximaal 20 mm/dag en de positieve waarden in de waterbalans worden herleid tot 0 (afvoer van overtollig water). In de zomers van 1995, 1999 en 2003 en 20092011 is, volgens deze oriënterende berekening, het neerslagdeficit het grootst. Over de beschouwde periode zijn de jaren met relatief hoog neerslagtekort goed verdeeld.

74


P/EVP [mm/jaar]

1200 1000

800 600 400 200 2012 2012

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2011

Figuur 3-22

2011

PRECIP_QUANTITY(mm)

2002

2001

2000

1999

1998

1997

1996

1995

1994

1993

1992

0

EVAPORATION(mm/day)

Neerslag en Evaporatie te Ukkel (mm/jaar)

300

P/EVP [mm/jaar]

200

100 0

-100 -200

-300

PRECIP_QUANTITY(mm)

Figuur 3-23

EVAPORATION(mm/day)

Linear (PRECIP_QUANTITY(mm))

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

2000

1999

1998

1997

1996

1995

1994

1993

1992

-400

Linear (EVAPORATION(mm/day))

Afwijking Neerslag/Evaporatie t.o.v. gemiddelde (1992-2012)

0

saldo massabalans [mm]

-50

-100

-150

04/99

04/00

04/01

04/02

04/03

04/04

04/05

04/06

04/07

04/08

04/09

04/10

04/11

04/12

2011

04/98

2010

04/97

2009

04/96

2008

04/95

2007

04/94

2006

Figuur 3-24

04/93

2005

-250 04/92

2004

-200

Neerslagdeficit hydrologische jaren 1992 -2012 # dagen deficit > 100mm

200

dagen

150 100 50

# dagen

Figuur 3-25

2012

2003

2002

2001

2000

1999

1998

1997

1996

1995

1994

1993

1992

0

Linear (# dagen)

# dagen met meer dan 100 mm deficit in massabalans

75


3.4.1.2.4 Bodemtextuur In Figuur 3-26 wordt de bodemtextuur in het studiegebied ruimtelijk weergeven volgens de digitale Bodemkaart van België. Op de hoger gelegen percelen vindt men voornamelijk zandleem. In het lager gelegen valleigebied bestaan de uiterwaarden voornamelijk uit lichte klei tot klei. Langsheen de Dender en in het zuiden en westen van het natuurgebied komen (zand)lemige bodems voor. De bodem t.h.v. de Rijt en zijlopen bestaat bijna volledig uit klei, deze kleizone strekt zich uit tot in het zuidelijke gedeelte van het natuurgebied.

Figuur 3-26

Bodemtextuurkaart van het studiegebied

3.4.1.2.5 Luchtfoto’s In het studiegebied van de Wellemeersen zijn enkele historische luchtfoto’s beschikbaar in volgende perioden: ▪

1988-1991 (zie Figuur 3-27)

▪

2002-2003 (zie Figuur 3-28)

▪

2006-2007 (zie Figuur 3-29)

▪

2009 (zie Figuur 3-30)

▪

2012 (zie Figuur 3-31)

Op basis van de luchtfoto’s kunnen volgende vaststellingen gemaakt worden: ▪

2de vijver werd aangelegd rond 2009 76


▪

Vernattingen ten noorden van de Rodestraat zijn reeds zichtbaar vanaf 2009 en duidelijk zichtbaar in 2012. Op de orthofoto van 2006 is er nog geen (zichtbare) vernatting.

▪

Vernatting op de oostelijke oever van de Rijt tussen kunstwerk 7 en 11 in 2009, in 2006 nog niet.

77


Figuur 3-27

Luchtfoto 1988-1990 (OC GIS-Vlaanderen, 1998)

78


Figuur 3-28

Luchtfoto 2002 (VLM/OC en prov.O.-Vl., 2002)

79


Figuur 3-29

Luchtfoto 2006 (Prov. O.-Vl.(AGIV-product), 2006)

80


Figuur 3-30

Luchtfoto 2009 (Prov. O.-Vl.(AGIV-product), 2009)

81


Figuur 3-31

Luchtfoto 2012 (Prov. O.-Vl. – Z., 2012)

82


3.4.2

Pre-Analyse

3.4.2.1 Correcties meetreeksen stijghoogte grondwater Voorafgaand aan de analyse van het grondwaterregime werden de stijghoogtetijdreeksen onderworpen aan controle en de nodige correcties uitgevoerd. Hierbij werden voor ogenschijnlijk onrealistische waarden, plotse sprongen, afvlakkingen (zowel naar boven als naar onderen) correcties voorgesteld. Een lijst van de 10 gecorrigeerde tijdreeksen wordt gegeven in Tabel 3-6, en verantwoord aan de hand van de figuren (Figuur 3-32 tot Figuur 3-41) Tabel 3-6

Overzicht correcties

Peilbuizen nr.

Correcties

Figuur

WEL004

2 metingen in 1993 en 1995 werden verwijderd

Figuur 3-32

WEL006

Grondwaterstanden na 1994 worden slechts sporadisch opgemeten. De waarden tijdens de zomer van 1995 vertonen geen daling, noch tijdens de zomer van 1996. De waterstandsmetingen van WEL006 worden niet weerhouden voor analyse

Figuur 3-33

WEL007

In 1995 werd er niet gemeten in WEL007. De metingen na 1996 dienden met een 60-tal cm te worden verlaagd. De opgeleverde meetreeks na 1995 levert stijghoogtes tijdens de wintermaanden van 9.6 mTAW, 1.2 m boven maaiveld en hoger dan de oevers van de Dender.

Figuur 3-34

WELP009

In WELP009 zijn de twee periodes met foute opmetingen gecorrigeerd:

Figuur 3-35

Periode 1: 01/06/1999 tot 15/01/2000 Periode 2: 20/01/2002 tot 15/05/2002 Er treden plotse sprongen op van ca. 1 m. Deze waarden werden verlaagd met 1 m. WELP010

De eerste meting in WELP010 (10.42 m TAW) werd verwijderd.

Figuur 3-36

WELP018

De eerste meting in WELP018 (7.65 m TAW) werd verwijderd.

Figuur 3-37

WELP019

De grondwaterstanden in 2010 zijn een 30-tal cm hoger, deze werden verwijderd.

Figuur 3-38

WELP030

Waterstanden in WELP030 zakken tijdens de wintermaanden van 2000 weg tot 2.5 m onder maaiveld, deze extreme daling werd uit de te analyseren reeks verwijderd wegens niet realistisch.

Figuur 3-39

WELP039

In WELP039 werden twee metingen gecorrigeerd, waarvan één meeting in 1997 en één in 1998. De waterstanden liggen ruim 0.6 m boven het maaiveld en boven de oevers van de Dender.

Figuur 3-40

WELP040

In WELP040 werden de onrealistisch lage grondwaterstanden in de zomer van 1993 en 1994 verwijderd. Tijdens de zomer van 1993 wordt meer dan 5 maal dezelfde waarde weergegeven, tijdens het najaar van 1994 wordt een stijgende trend plots onderbroken door een daling van 1 m.

Figuur 3-41

83


Figuur 3-32

Gecorrigeerde grondwaterstanden WELP004

Figuur 3-33

Grondwaterstanden WELP006 en vgl met WELP003

Figuur 3-34

Gecorrigeerde grondwaterstanden WELP007

84


Figuur 3-35

Gecorrigeerde grondwaterstanden WELP009

Figuur 3-36

Gecorrigeerde grondwaterstand WELP010

Figuur 3-37

Gecorrigeerde grondwaterstand WELP018

85


Figuur 3-38

Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstand WELP019

86


Figuur 3-39

Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstanden WELP030

87


Figuur 3-40

Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstanden WELP039

88


Figuur 3-41

Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstanden WELP040

3.4.2.2 Verkennende analyse invloed Denderpeil Er werd nagegaan indien er een verband is tussen de grondwaterfluctuaties in de peilbuizen en de afstand tot de Dender. Dit om een indicatie te verkrijgen van het invloedsgebied van de Dender. De grondwaterfluctuaties worden in Figuur 3-42 voorgesteld als het verschil tussen de gemiddelde hoogste en laagste grondwaterstand van de gecorrigeerde, geobserveerde reeksen. Deze werden uitgezet ten opzichte van de afstand tot de Dender. De grondwaterfluctuaties nemen af naarmate de peilbuizen zich verder van de Dender bevinden.

89


1,6

∆h OBS Lineair (∆h OBS)

1,4

GHG - GLG (m)

1,2 1 0,8 0,6 0,4 0,2 0 0

100

200

300

400

500

600

700

800

Afstand tot Dender (m)

Figuur 3-42

Grondwaterfluctuaties (GHG-GLG in meters) in functie van de afstand tot de Dender voor de 45 geobserveerde grondwatermeetreeksen

De grondwaterfluctuaties werden ruimtelijk voorgesteld in Figuur 3-43. Er zijn twee zones met beperkte grondwaterfluctuaties, nl. rond het opwaarts gelegen gedeelte van de Rijt en haar zijloop komende van de Rodestraat en het gebied ten zuiden van de Rodestraat. De grondwaterstanden in de peilbuizen aan deze zijloop (20, 22 en 23) zijn gelijkaardig, het maaiveld ligt er op 8.6 mTAW en de gemiddelde grondwaterstand op 8.8 mTAW. Wat aangeeft dat het gebied bijna het hele jaar door nat is. In peilbuis 38, ten zuiden van de Rodenstraat, is de fluctuatie zeer beperkt, dit omwille van de sterke drainage op 10.64 mTAW.

Figuur 3-43

Geobserveerd verschil tussen GHG en GLG

90


3.4.2.3 Onderzoek naar mogelijke trends in de waargenomen stijghoogtes Om eventuele trends in de waargenomen stijghoogtes op te sporen wordt de evolutie van verschillende gemiddelde waarden uitgezet in grafiek. Onderstaand wordt de evolutie geschetst van stijgend oppervlaktewater, gemiddelde winterse grondwaterstand en gemiddelde zomerse grondwaterstanden. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen de verschillende zones: 1. 2. 3. 4. 5.

Vallei, zone die ook wel het Rot genoemd wordt (PB 6, 7, 8, 20, 22, 23, 25, 26, 27, 28, 32) Talud, overgang naar vallei Wellemeersen (PB 19, 21, 24) Oeverwal, zone tussen vallei en dender (PB 9, 29, 30, 31) Zone Wellemeersenstraat (PB 1, 2, 3, 4, 5) Zone ten zuiden van Rodestraat (PB 33, 35, 36, 37, 38, 39)

3.4.2.3.1 Trends in stijgend oppervlaktewater Om een eventuele trend in stijgend oppervlaktewater te toetsen worden alle waarnemingen boven maaiveld weerhouden uit de gecorrigeerde meetreeksen. Vervolgens wordt een gemiddelde per jaar berekend van de waterstanden boven maaiveld en weergegeven in Figuur 3-44. In geen van de zones zijn locaties aan te duiden waar de gemiddelde grondwaterstand boven maaiveld enige trend vertoont. In de grafiek ter hoogte van de “talud” worden in 2005, 2009 en 2010 verhoogde waarden opgetekend. Voor peilbuis WELLP021 betreft het echter waterstanden van om en bij 12 mTAW, hoger dan het omringende oppervlaktewater, hetgeen niet gerelateerd kan worden aan eventuele verhoging van de oppervlaktewaterstanden in de vallei van de Rijtbeek met maaiveldhoogtes van 8 à 9 mTAW. De hogere waarden voor peilbuis WELL019AX in 2009 en 2010 werden niet opgemeten in peilbuis WELL019X, doch in de herneming van de waarnemingen in peilbuis WELL019A met verschillend maaiveldhoogte. 3.4.2.3.2 Trends in stijgend grondwater De evolutie van de grondwaterstanden wordt weergegeven in Figuur 3-45 aan de hand van gemiddelde ‘zomerse’ grondwaterstanden tijdens de maanden juli tot en met augustus, en de gemiddelde ‘winterse’ grondwaterstanden tijdens de overige maande van het jaar. Gelet op de vernatting van het gebied wordt de selectie van zomermaanden bewust beperkt tot de maanden juli en augustus. Tijdens deze maanden treedt nauwelijks overstromingen op waardoor de dan geregistreerde waterstanden representatief zijn voor de grondwaterstanden, zonder invloed van overstromingen. Ook hier worden geen significante trends waargenomen in de gemiddelde grondwaterstanden. De winterse grondwaterstanden in de lage delen van de Wellemeersen (WELP006-8-25-26-27-28-32-etc) liggen alle gemiddeld lager dan de thans gemeten gemiddelde oppervlaktewaterstanden in de Rijtbeek (8.3 mTAW), afwateringsgracht van dit centrale deel van de Wellemeersen, en liggen alle lager dan het maaiveld (8.4 mTAW). Tijdens gematigde winters dalen de grondwaterstanden tot onder 8.0 mTAW, slechts 10-20 cm hoger dan het waterpeil van de Dender. Dit doet vermoeden dan de afwatering van de Rijtbeek op een mimimaal laag peil gebeurde quasi gelijk aan het peil op de Demer.

91


Zone 1 "Rot" PB 6-23

waterstand [mTAW]

9.40 9.20

9.00 8.80 8.60 8.40 8.20 8.00 1990

1995

2000

2005

2010

WELP006X

WELP007AX

WELP008X

WELP020X

WELP022X

WELP023X

2015

Zone 1 "Rot" PB 25-32 8.80

waterstand [mTAW]

8.70 8.60 8.50

8.40 8.30

8.20 8.10 8.00 1990 WELP025X

1995

2000

WELP026X

2005

WELP027X

2010 WELP028X

2015 WELP032X

12.40

8.60

12.20

8.40

12.00

8.20

11.80

8.00

11.60 1990

1995

2000 WELP021X

2005

2010

waterstand WELP019X [mTAW]

waterstand WELP021X [mTAW]

Zone 2 "Talud"

7.80 2015

WELP019AX

92


Zone 3 "Oeverwal" waterstand WELP019X [mTAW]

waterstand WELP021X [mTAW]

9.40

9.20

9.00 1990

1995 WELP029X

2000

2005

WELP030X

2010

WELP009AX

2015

WELP031X

Zone 4 "Wellemeersenstraat" 9.20

waterstand [mTAW]

9.00 8.80 8.60 8.40

8.20 8.00 1990

1995

WELP002X

2000

WELP003X

2005

WELP004X

2010 WELP001X

2015 WELP005X

Zone 5 "Zuiden Rodenstraat"

waterstand [mTAW]

11.40 11.00 10.60 10.20 9.80 9.40 9.00 8.60 1990

Figuur 3-44

1995

2000

2005

WELP033X

WELP034AX

WELP035AX

WELP037X

WELP038X

WELP039X

2010

2015

WELP036X

Evolutie jaargemiddelde grondwaterstanden boven maaiveld

93


Zone 1 "Rot" gemiddeld zomer PB 6-23

waterstand [mTAW]

9.00 8.75

8.50 8.25

8.00 7.75 7.50 7.25 7.00 1990

1995

2000

2005

2010

WELP006X

WELP007AX

WELP008X

WELP020X

WELP022X

WELP023X

2015

Zone 1 "Rot" gemiddeld zomer PB 25-32

waterstand [mTAW]

9.00 8.75 8.50

8.25 8.00 7.75

7.50 7.25 7.00 1990

1995

WELP025X

WELP026X

2000

2005

WELP027X

2010 WELP028X

2015 WELP032X

Zone 1 "Rot" gemiddeld winter PB 6-23

waterstand [mTAW]

9.00 8.75 8.50 8.25 8.00 7.75 7.50

7.25 7.00 1990

1995

2000

2005

2010

WELP006X

WELP007AX

WELP008X

WELP020X

WELP022X

WELP023X

2015

94


Zone 1 "Rot" gemiddeld winter PB 25-32

waterstand [mTAW]

9.00 8.75 8.50

8.25 8.00 7.75 7.50

7.25 7.00 1990

WELP025X

1995

2000

WELP026X

2005

WELP027X

2010 WELP028X

2015 WELP032X

12.0 11.8 11.6 11.4 11.2 11.0 10.8 10.6 10.4 10.2 10.0 9.8 9.6 1990

8.6 8.4 8.2 8.0 7.8

7.6

1995

2000

WELP021X

2005

WELP024X

2010

waterstand WELP019X [mTAW]

waterstand WELP021X [mTAW]

Zone 2 "Talud" gemiddeld zomer

7.4 2015

WELP019AX

Zone 2 "Talud" gemiddeld winter 8.6

12.2 12.0

8.4

11.8 11.6

8.2

11.4 11.2

8.0

11.0 10.8

7.8

10.6 10.4 1990

1995 WELP021X

2000

2005 WELP024X

2010

waterstand WELP019X [mTAW]

waterstand WELP021X [mTAW]

12.4

7.6 2015

WELP019AX

95


9.0 8.8 8.6 8.4 8.2 8.0 7.8 7.6 7.4 7.2 7.0 6.8 6.6 6.4 1990

waterstand WELP019X [mTAW]

waterstand WELP021X [mTAW]

Zone 3 "Oeverwal" Gemiddeld zomer

1995 WELP029X

2000

2005

WELP030X

2010

WELP009AX

2015

WELP031X

Zone 3 "Oeverwal" Gemiddeld winter waterstand WELP019X [mTAW]

waterstand WELP021X [mTAW]

9.0 8.8 8.6 8.4 8.2 8.0 7.8 7.6

7.4 1990

1995 WELP029X

2000 WELP030X

2005

2010

WELP009AX

2015

WELP031X

Zone 4 "Wellemeersenstraat" gemiddeld zomer 9.0

waterstand [mTAW]

8.8

8.6 8.4 8.2 8.0

7.8 7.6 7.4 7.2 1990 WELP002X

1995 WELP003X

2000

2005 WELP004X

2010 WELP001X

2015 WELP005X

96


Zone 4 "Wellemeersenstraat" gemiddeld winter 9.2

waterstand [mTAW]

9.0

8.8 8.6 8.4 8.2 8.0 1990

1995

WELP002X

2000

WELP003X

2005 WELP004X

2010 WELP001X

2015 WELP005X

waterstand [mTAW]

Zone 5 "Zuiden Rodenstraat" gemiddeld zomer 11.6 11.2 10.8 10.4 10.0 9.6 9.2 8.8 8.4 8.0 7.6 7.2 1990

1995

2000

2005

2010 WELP036X

WELP033X

WELP034AX

WELP035AX

WELP037X

WELP038X

WELP039X

2015

Zone 5 "Zuiden Rodenstraat" gemiddeld winter 11.2

waterstand [mTAW]

10.8 10.4 10.0

9.6 9.2 8.8

8.4 8.0 1990

Figuur 3-45

1995

2000

2005

WELP033X

WELP034AX

WELP035AX

WELP037X

WELP038X

WELP039X

2010

2015

WELP036X

Evolutie jaargemiddelde grondwaterstanden tijdens zomer- en wintermaanden 97


3.4.2.4 Berekening GXG op basis van waarnemingen Aan de hand van de beschikbare tijdreeksen werden GG, GVG, GHG en de jaargemiddelde grondwaterstanden berekend voor de historische toestand. In onderstaande Tabel 3-7 worden de gemiddelde waarden weergegeven voor de periode ’92-’95 en ’92-’03. De GVG verschilt hierin nauwelijks van de GHG, zowel voor de periode ’92-’95 als ’92-’03. Ook het verschil in GHG en GVG alsook de jaargemiddelde toestand tussen de periodes ’92-’95 en ’92-’03 is zeer beperkt. De gemiddelde GLG voor de periodes ’92-’95 en ’92-’03 verschilt met ca. 30 cm. Het verschil is te wijten aan het belangrijk aandeel van de zomer van ’95 in de korte tijdsperiode ’92-’95. Aangezien de tijdreeksen in het valleigebied van de Wellemeersen tot ’03 zomers weergeven met significant lage grondwaterstanden, wordt aangenomen dat deze periode de grondwaterdynamiek weergeeft zonder permanente overstromingen. Tabel 3-7

GLG, GHG, GVG en jaargemiddelde grondwaterstanden voor de periodes ’92-’95 en ’92-‘03

peilbuis

Jaargemiddeld

GHG

GLG

GVG

92-95

92-03

DH

92-95

92-03

DH

92-95

92-03

DH

92-95

92-03

DH

WELP001X_1

8.67

8.58

-0.09

8.88

8.77

-0.11

8.26

8.25

-0.01

8.80

8.70

-0.10

WELP002X_1

8.68

8.69

0.01

9.04

8.94

-0.10

8.10

8.31

0.21

8.88

8.81

-0.07

WELP003X_1

8.10

8.20

0.10

8.46

8.42

-0.04

7.51

7.81

0.30

8.31

8.34

0.03

WELP004X_1

8.14

8.22

0.08

8.52

8.48

-0.04

7.50

7.83

0.33

8.37

8.39

0.02

WELP005X_1

8.39

8.60

0.21

8.75

8.80

0.05

7.74

8.25

0.51

8.56

8.73

0.17

WELP007AX_1

8.58

8.73

0.15

9.04

9.01

-0.03

7.95

8.42

0.47

8.81

8.85

0.04

WELP008X_1

7.94

8.02

0.08

8.43

8.38

-0.05

7.24

7.54

0.30

8.26

8.24

-0.02

WELP009AX_1

7.80

7.86

0.06

8.13

8.08

-0.05

7.55

7.66

0.11

7.91

7.96

0.05

WELP010X_1

8.78

-

9.13

-

8.59

-

8.81

9.36

-

0.00

8.84

-

WELP011AX_1

9.12

-

9.29

-

WELP012BX_1

9.66

9.71

0.05

9.96

10.02

0.06

9.34

9.36

0.02

9.75

9.93

0.18

WELP013X_1

8.98

8.89

-0.09

9.30

9.09

-0.21

8.40

8.61

0.21

9.24

9.04

-0.20

WELP015X_1

8.31

8.41

0.10

8.50

8.52

0.02

7.88

8.25

0.37

8.46

8.49

0.03

WELP016X_1

11.00

11.01

0.01

11.22

11.19

-0.03

10.49

10.73

0.24

11.10

11.12

0.02

WELP017X_1

11.63

11.64

0.01

12.15

11.94

-0.21

11.05

11.28

0.23

11.78

11.75

-0.03

8.33

-

8.37

-

8.27

-

8.35

-

WELP018AX_1 WELP019AX_1

7.90

WELP020X_1 WELP021X_1

11.56

8.78

-

11.60

0.04

8.13

11.81

8.88

-

11.87

0.06

7.29

10.94

8.66

-

11.07

0.13

7.85

11.67

8.84

-

11.76

0.09

98


peilbuis

Jaargemiddeld

GHG

GLG

GVG

92-95

92-03

DH

92-95

92-03

DH

92-95

92-03

DH

92-95

92-03

DH

WELP022X_1

8.63

8.78

0.15

8.82

8.92

0.10

8.16

8.62

0.46

8.65

8.83

0.18

WELP023X_1

8.71

8.75

0.04

8.91

8.88

-0.03

8.17

8.58

0.41

8.81

8.81

0.00

WELP024X_1

10.59

10.67

0.08

11.32

11.26

-0.06

9.85

10.05

0.20

11.16

11.07

-0.09

WELP026X_1

8.07

8.20

0.13

8.42

8.46

0.04

7.36

7.77

0.41

8.32

8.39

0.07

WELP027X_1

8.04

8.12

0.08

8.43

8.44

0.01

7.37

7.63

0.26

8.30

8.34

0.04

WELP028X_1

7.88

8.07

0.19

8.32

8.39

0.07

7.16

7.55

0.39

8.12

8.24

0.12

WELP029X_1

7.65

7.64

-0.01

8.17

8.15

-0.02

6.90

7.00

0.10

7.94

7.99

0.05

WELP030X_1

8.05

8.04

-0.01

8.53

8.40

-0.13

7.35

7.56

0.21

8.29

8.26

-0.03

WELP031X_1

8.11

8.22

0.11

8.59

8.57

-0.02

7.41

7.76

0.35

8.24

8.41

0.17

WELP032X_1

7.95

8.10

0.15

8.30

8.35

0.05

7.25

7.67

0.42

8.25

8.30

0.05

WELP033X_1

8.32

8.43

0.11

8.86

8.85

-0.01

7.42

7.82

0.40

8.75

8.72

-0.03

WELP034AX_1

8.27

8.36

0.09

8.68

8.75

0.07

7.51

7.78

0.27

8.62

8.66

0.04

WELP035AX_1

8.53

8.54

0.01

8.99

8.97

-0.02

7.79

7.99

0.20

8.90

8.78

-0.12

WELP036X_1

10.77

10.82

0.05

11.29

11.25

-0.04

9.98

10.28

0.30

11.19

11.07

-0.12

WELP037X_1

8.56

8.62

0.1

8.94

8.88

-0.1

7.86

8.16

0.3

8.85

8.84

0.0

10.60

-

10.64

-

10.51

-

10.63

-

WELP038X_1 WELP039X_1

9.41

-

9.54

WELP041X_1

9.63

WELP044AX_1 WELP045X_1

9.64

0.0

9.82

9.53

9.72

0.2

8.92

9.05

0.1

Gemiddelde DH

0.07

-

9.08

9.82

0.0

9.13

10.18

10.20

0.0

9.41

9.39

0.0

-0.02

-

9.52

9.29

0.2

9.81

9.80

0.0

8.48

9.05

0.6

9.98

10.04

0.1

8.15

8.50

0.4

9.27

9.28

0.0

0.29

-

0.02

99


correlatie GVG met GHG/GLG/jaargemiddelde GWS Periode 1992-1995 Jaargemiddeld

correl GHG

'1/1

correlatie GLG

Linear (Jaargemiddeld)

Linear (correl GHG)

Linear (correlatie GLG) 12 GHG = 1.01x + 0.02 R² = 1.00

GHG/GLG/Jaargemiddeld mTAW]

11 Jaargemiddeld MGL = 1.00x - 0.13 R² = 0.99 10 GLG = 0.98x - 0.42 R² = 0.95 9

8

7 7

8

9

10

11

12

GVG [mTAW] Figuur 3-46

Correlatie GVG met overige grondwatertrappen periode 1992-1995

100


correlatie GVG met GHG/GLG/jaargemiddelde GWS Periode 1992-2003 Jaargemiddeld

correl GHG

'1/1

correlatie GLG

Linear (Jaargemiddeld)

Linear (correl GHG)

Linear (correlatie GLG) 12

GHG = 1.01x + 0.02 R² = 1.00

GHG/GLG/Jaargemiddeld mTAW]

11 Jaargemiddeld MGL = 1.00x - 0.13 R² = 0.99 10 GLG = 0.98x - 0.42 R² = 0.95 9

8

7 7

8

9

10

11

12

GVG [mTAW] Figuur 3-47

3.4.3

Correlatie GVG met overige grondwatertrappen periode 1992-2003

Analyse Menyanthes

Een analyse van de grondwatermeetreeksen in relatie met de sturende invloeden wordt uitgevoerd met behulp van de Menyanthes software. Naast de klimatologische gegevens ’neerslag’ en ‘evapotranspiratie’ kan ook ‘oppervlaktewaterstand’ ingegeven worden als sturende variabele. De evolutie van de oppervlaktewaterstand in het studiegebied van de Wellemeersen werd echter niet bemeten tijdens de waarnemingsperiode van grondwaterstandmetingen 1992-2010. Met de Menyanthes software kunnen evenwel trends in deze sturende variabele worden gezocht. Mogelijk kan het afijken van een model met trend in oppervlaktewaterstanden betere resultaten boeken dan een model zonder trend in oppervlaktewaterstanden en zodoende de impact van een stijgende/dalende trend verantwoorden. Hiervoor is het wenselijk om te beschikken over een voldoende lange en voldoende bemeten tijdreeks van grondwaterstanden. Zoals aangehaald in § 3.4.1.1 werden de grondwaterstanden hoogfrequent bemeten tijdens de periode 1992-1995, vervolgens maandelijks tijdens de periode 1995-2003 en slechts sporadisch bemeten na 2003. Het modelleren van de grondwaterstanden, alsook het aantonen 101


van een eventuele lineaire trend in de oppervlaktewaterstanden kan derhalve niet worden uitgevoerd met voldoende zekerheid voor de periode na 2002. Onderstaand wordt onderzocht of de waarnemingen van na 2003 hoe dan ook kunnen wijzen op een afwijkende grondwaterstand. Hiervoor wordt een Menyanthes model afgeijkt voor de periode met voldoende grondwaterstandsgegevens (1992-2003). Met het afgeijkte model worden de grondwaterstanden berekend voor de volledige periode 1992-2010 en worden er voorspellingsintervallen opgesteld voor de berekende grondwaterstanden. Vervolgens wordt geverifieerd in welke mate de waargenomen grondwaterstanden in de periode 2004-2010 overeenkomen met de voorspelde/berekende grondwaterstanden. Indien de gemeten waarden binnen de voorspellingsintervallen liggen kan geen uitspraak worden gedaan over een eventuele evolutie van oppervlaktewater als studerende variabele. Aangezien niet exact gekend is wanneer en over welke periode de mogelijke vernatting zich manifesteerde bestaat het risico dat de weerhouden periode 1992-2003 als niet uniform kan worden beschouwd. Als variant wordt een Menyanthes model afgeijkt op de hoogfrequente metingen van de periode 1992-1995. Met het afgijkte model wordt een simulatie uitgevoerd van de grondwaterstanden tot einde 2014 en vervolgens vergeleken met de metingen van de periode 1992-2010 en hoogfrequente metingen van de meetcampagne 2014.

3.4.3.1 Tijdsreeksmodellen hydrologische jaren 1992-2003 De analyse in Menyanthes werd uitgevoerd voor de hydrologisch jaren (1 april – 1 april opvolgend jaar) voor peilbuizen met voldoende metingen (Tabel 3-4), tijdens de hydrologische jaren 1992 tot 2003. De maaiveldhoogten van de filters werden geverifieerd en aangepast op basis van het DHM Vlaanderen. Naast correctie van sterk afwijkende waarden werd deze correctie toegepast om een maaiveldpeil op te leggen van het omliggende perceel. Zo wordt vermeden dat het opgelegde maaiveldpeil slechts zeer lokaal geldt ter hoogte van de oneffenheid in het maaiveld ter hoogte van de peilbuis. Op deze verkorte periode werden voor 39 van de 45 peilbuizen verschillende tijdreeksmodellen opgesteld. De 6 peilbuizen met ontbrekende data in de periode 1992-2003 werden niet meegenomen in de analyse (WELP043X, WELP042X, WELP040X, WELP025X, WELP014X, WELP006X). De modellen verschillen van elkaar op basis van het type model; lineair/niet-lineair, de ‘sample’ frequenties (wekelijks/dagelijks) en het al dan niet in rekening brengen van een lineaire trend. De term ‘lineair’ wil zeggen dat de reactie op bijvoorbeeld een regenbui altijd dezelfde is, onafhankelijk van de (grond)waterstand. Wanneer er echter een sloot of ontwateringsmiddel droogvalt of water periodiek oppervlakkig afstroomt, klopt deze aanname niet en is het gedrag van het systeem daarmee ‘niet-lineair’. Dit type gedrag wordt “drempel niet-lineariteit” genoemd, en komt veel voor in natte (natuur)gebieden. Voor de peilbuizen gesitueerd in overstroombare zones binnen de Wellemeersen is het meer aangewezen om een niet-linear model te gebruiken. Indien er vernatting optreedt in de omgeving van een peilbuis kan dit in het model meegenomen worden onder de vorm van een lineaire trend. De grondwaterstandreeksen worden gemodelleerd op basis van de verklarende reeksen van de neerslag en de evaporatie. Hierbij kwantificeert Menyanthes de bijdragen van deze verschillende variabelen op de grondwaterstand. Het waterpeil op de Dender werd niet meegenomen in de modellering aangezien dit nagenoeg constant is (zie Figuur 3-17). Verder diende de evaporatiefactor ‘vastgezet’ te worden, gezien deze anders onrealistische waarden aanneemt. Deze werd vastgezet op 2. 102


De ‘Nan’ waarden stemmen overeen met een model dat niet kon convergeren of waarbij de schatters onrealistische waarden aannemen. Modellen worden met elkaar vergeleken op basis van de behaalde EVP (Explained Variance Percentage of percentage verklaarde variantie). Dit is een maat voor de fit van het model. Wanneer de EVP 100% zou zijn worden de metingen volledig door het model verklaard en is er dus geen model- of meetfout. Indien de EVP hoger is dan 70% kan er vanuit gegaan worden dat het model betrouwbaar is. De peilbuizen hebben echter allemaal een EVP lager dan 70%. Dit impliceert aanwezigheid van meetfouten, ontbrekende data of factoren die de grondwaterstanden beïnvloeden. Tabel 3-8 geeft een overzicht van de EVP voor de verschillende tijdreeksmodellen. De modellen met een dagelijkse ‘sample’ frequentie hebben een iets hogere verklarende variantie dan deze met een wekelijkse ‘sample’ frequentie. Het verschil is echter beperkt. Voor het merendeel van de peilbuizen wordt zelfs geen verklarende variantie boven de 52% behaald (aangegeven in het oranje in Tabel 3-8). Modellen met een verklarende variantie onder de 52% worden als niet betrouwbaar beschouwd. Modelresultaten op basis van de tijdsreeksmodellen boven de 52% en lager dan 70% zijn hoogstwaarschijnlijk onbetrouwbaar. Voor de modellen met een verklarende variantie boven 52% werd een bijkomende analyse uitgevoerd, om na te gaan indien de vernatting in/na 2009 (zichtbaar op luchtfoto’s §3.4.1.2.5) substantieel is. De analyse werd uitgevoerd voor de niet-lineaire dagelijkse tijdreeksmodellen (zie §Tabel 3-8) met observaties na 2004. Gezien dit type model de hoogste verklarende varianties haalt. De bijkomende analyse bestaat uit volgende stappen:

▪

STAP1: Opstellen van een tijdreeksmodel voor de observaties 1992-2003: Er werd gewerkt met de niet-lineair modellen, met een dagelijkse tijdstap met evaporatiefactor vastgezet op 2. Gezien dit type model de beste resultaten oplevert.

▪

2

STAP22: Gebruikmakend van de tijdreeksmodellen opgesteld in STAP 1, kunnen grondwaterniveaus gesimuleerd worden over een langere periode gebaseerd op hun verklarende tijdreeksen en hun geschatte respons. Wanneer het tijdreeksmodel geschat is, ligt in feite de relatie tussen invoerreeksen en grondwaterstanden vast. Op basis hiervan kunnen de grondwaterstanden gesimuleerd worden na 2004, zolang de gegevens van de invoerreeksen voorhanden zijn. In onderliggende studie werd een periode van 1992 tot 2012 gesimuleerd op basis van het model opgesteld voor de geobserveerde tijdreeks 1992 tot 2004. Er werd gebruik gemaakt van een stochastisch model bij de simulering, d.w.z. dat er rekening gehouden wordt met de waarnemingen en dat het ruismodel wordt ingezet. Hoe dichter de tijdreeks nadert bij een tijdstip met een waarneming, hoe kleiner de onzekerheid op dat tijdstip wordt, wat resulteert in een variabel voorspellingsinterval. Gezien er enkel gebruik gemaakt wordt van de observaties tussen 1992 en 2004, zal het voorspellinginterval enkel in deze periode variabel zijn.

Voor peilbuizen WELP008 en WELP045 kan de bijkomende analyse niet uitgevoerd worden omdat er geen observaties zijn na 2004.

103


▪

STAP 3: De 95% voorspellingsintervallen voor de gesimuleerde grondwaterstanden na 2004 worden vergeleken met de observaties na 2004 door deze op eenzelfde grafiek te plotten. Dit 95% voorspellingsinterval geeft aan dat de metingen uitgevoerd na 2004, indien de omstandigheden hetzelfde blijven als ervoor, met 95% zekerheid binnen dit interval liggen. Omdat de simulatie is uitgevoerd op basis van de observaties voor 2004, is het voorspellingsinterval minder breed voor 2004. Hoe dichter de tijdreeks nadert naar het tijdstip waarop een waarneming beschikbaar is, hoe kleiner de onzekerheid op dat tijdstip wordt, wat tot uitdrukking komt in een variabel voorspellingsinterval voor 2004.

De resultaten voor peilbuizen met een hoge verklarende variantie worden weergegeven in Figuur 3-48 tot Figuur 3-57. De gronddalingen tijdens de zomer in 2010 vallen duidelijk buiten het 95% voorspellingsinterval in WELP002, WELP003, WELP0033, WELP034 en WELP035. Voor WELP002 en WELP003 zou aangenomen kunnen worden dat er indicatie is voor vernatting tijdens de zomer van 2010, gezien de verklarende variantie voor deze modellen bijna 70% bedraagt. Voor de andere peilbuizen ligt de EVP rond de 60% waardoor de conclusies op basis van deze modellen minder betrouwbaar zijn. Maar indien wordt aangenomen dat ook basis van deze modellen conclusies mogen getrokken worden, dan is er tevens in deze peilbuizen indicatie voor vernatting. De indicatie voor vernatting geldt voor quasi alle peilbuisreeksen met hogere verklarende variantie. Zowel peilbuizen gelegen in het valleigebied, die mogelijk een hoge invloed ondervinden van het veranderlijke drainageniveau, als peilbuizen in het oosten van het gebied en op hoger gelegen zones, buiten de invloed van het eventueel veranderlijk drainageniveau. Hierdoor is het relateren van de hogere grondwaterstanden tijdens de zomer van 2010 aan een veranderlijk drainageniveau moeilijk te verantwoorden.

3.4.3.2 Tijdsreeksmodellen hydrologische jaren 1992-1995 De tijdreeksen in § 3.4.3.1 worden ingekort tot de periode met hoogfrequente metingen 1992-1995. Er wordt een Menyanthes model afgeijkt op deze periode en een simulatie uitgevoerd van de grondwaterstanden tot einde 2014. De tijdreeksen met waarden tot 2014 beperken zich tot de registraties van de meetcampagne (cfr. § 3.2) namelijk in peilbuizen WELP01, WELP032 en WELP035. Gelet op de hogere frequentie van de metingen en de korte tijdsspanne van de periode 1992-1995 wordt een fit met hoge verklarende variantie mogelijk. Deze bedraagt 81.7, 64 en 77.1% voor respectievelijke tijdreeksen WELP01, WELP032 en WELP035 (Tabel 3-9). Vervolgens werden stappen 2 en 3 uitgevoerd en gerapporteerd in Figuur 3-58, Figuur 3-59 en Figuur 3-60. De 95% voorspellingsintervallen voor de gesimuleerde grondwaterstanden na 1995 worden vergeleken met de observaties na 1995, zijnde de resterende waarnemingsperiode tot 2010 en de metingen tijdens 2014. Hier geeft het 95% voorspellingsinterval aan dat de metingen uitgevoerd na 1995, indien de omstandigheden hetzelfde blijven als ervoor, met 95% zekerheid binnen dit interval liggen. Omdat de simulatie is uitgevoerd op basis van de observaties vóór 1995, is het voorspellingsinterval minder breed voor 1995. Hoe dichter de tijdreeks nadert naar het tijdstip waarop een waarneming beschikbaar is, hoe kleiner de onzekerheid op dat tijdstip wordt, wat tot uitdrukking komt in een variabel voorspellingsinterval voor 1995. Voor peilbuis WELP001 (Figuur 3-58) worden reeds na 1995 sterke afwijkingen genoteerd t.o.v. de voorspelde waarden, met name na 1995 vallen de gemeten waarden deels buiten het voorspellingsinterval. De grondwaterdynamiek blijft deels behouden. Voor de metingen van 2014 verdwijnt de grondwaterdynamiek volledig.

104


De waarnemingen van 1995 tot 2005 in Peilbuis WELP032 (Figuur 3-59) liggen deels binnen het voorspellingsinterval van de afijking op de metingen van vóór 1995, er wordt echter een sterk verlaagde grondwater dynamiek waargenomen. In 2014 verdwijnt de grondwaterdynamiek volledig en is het drainageniveau verhoogd naar 8.6 mTAW. Voor peilbuis WELP035 (Figuur 3-60) volgen de waarnemingen in de periode 1995-2008 de voorspelde grondwaterstanden. Zowel grondwaterdynamiek als drainageniveau blijven grotendeels behouden. De metingen in 2014 hebben dezelfde drainageniveaus, de daling van de grondwaterstand tijdens de zomermaanden blijft echter achterwege.

3.4.3.3 Conclusie tijdreeksanalyse Menyanthes De meest geschikte tijdreeksmodellen zijn degene met een dagelijkse ‘sample’ frequentie. Het definiëren van een lineaire trend levert geen betere modellen op (geen hogere verklarende variantie) in vergelijking met de niet-lineaire modellen. Slechts voor 11 peilbuizen kan een niet-lineair dagelijks tijdreeksmodel opgesteld worden met een verklarende variantie boven de 52%. Voor het merendeel van de peilbuizen zijn de tijdreeksmodellen onbetrouwbaar en worden er geen conclusies getrokken. Voor de peilbuizen met een EVP boven de 52% én met waarnemingen na 2004, werd een bijkomende analyse uitgevoerd om na te gaan of de vernatting kan worden aangetoond. Voor enkele peilbuizen werden tijdens de zomer van 2010 grondwaterstanden gemeten met afwijkende (hogere) waarden. Onder voorbehoud van de resterende onzekerheden (onzekerheden op de modelresultaten, gebiedsneerslag en grondwaterstandsmetingen) kan worden geconcludeerd dat er een indicatie is voor vernatting op basis van de beschikbare data. Aangezien de afwijkende waarden gelden voor zowel lager gelegen zones, binnen de invloedzone van het drainagestelsel, als voor zones bovenaan het talud, wordt het niet zinvol geacht om de indicatie van de verhoging te relateren aan een verhoogd drainagepeil in de vallei. In een alternatieve berekening wordt een model afgeijkt op basis van de metingen van 1992 tot 1995. Door af te ijken op een oudere tijdreeks en vervolgens de voorspellingen van deze modellen te vergelijken met de metingen anno 2014 werd gepoogd om alsnog mogelijke trends in de tijdreeksen op te merken. Tijdreeksen van 2014 zijn slechts beperkt beschikbaar voor peilbuizen WELP001, 032 en 035. Algemeen duidt de vergelijking van de waarnemingen in 2014 met de voorspelde grondwaterstanden van het model op een sterke verlaging van de grondwaterdynamiek in 2014. Voor peilbuizen WELP001 en WELP035 wordt het drainageniveau niet verhoogd. Voor peilbuis WELP032 stijgt het drainageniveau met 30 cm van 8.3 mTAW tot 8.6 mTAW, een logisch gevolg van de waargenomen plasvorming in dit centrale deel van de Wellemeersen.

105


3.4.3.4 Resultaten simulaties Tijdsreeksmodellen hydrologische jaren 1992-2003 Tabel 3-8

Overzicht verklarende varianties hydrologische jaren 1992-2003

Nr.

Peilbuis

Lineair/ Weekelijks

NietLineair/ Weekelijks

Lineair/ Weekelijks + trend

Lineair/ Dagelijks

NietLineair/ Dagelijks

Lineair/ Dagelijks+ trend

1

WELP001

45.7

60.0

55.7

Nan

62.8

57.4

2

WELP002

57.8

66.4

58.5

59.3

69.4

59.9

3

WELP003

58.9

65.9

61.0

61.9

69.7

64.2

4

WELP004

41.0

41.6

41.9

43.5

45.7

45.2

5

WELP005

34.2

33.4

47.7

36.9

38.3

49

7

WELP007

35.6

35.5

43.2

39.6

41.9

46.4

8

WELP008

47.9

50.2

50.0

50.3

53.8

52.5

9

WELP009

49.5

50.8

54.0

51.3

52.9

55.6

10

WELP010

21.1

NaN

34.5

22.7

NaN

35.0

11

WELP011

47.0

49.1

46.7

51.3

50.9

51.3

12

WELP012

30.0

30.1

31.9

31.6

34.6

34.5

13

WELP013

33.3

34.4

34.1

35.5

39.4

36.4

15

WELP015

35.4

34.6

38.0

37.6

38.8

38.9

16

WELP016

33.8

35.9

33.6

34.4

36.5

34.4

17

WELP017

45.2

48.2

45.7

47.1

50.1

47.3

18

WELP018

23.4

23.5

38.5

22.8

24.5

38.2

19

WELP019

15.3

17.2

16.7

15.2

19.1

16.7

20

WELP020

27.2

26.7

30.0

28.5

31.4

31.3

21

WELP021

42.7

48.8

49.1

43.5

49.6

49.4

22

WELP022

23.8

24.9

28.2

25.4

28.7

29.4

23

WELP023

34.9

40.4

34.8

37.4

43.4

37.5

24

WELP024

66.6

64.8

68.0

67.9

68.2

69.0

26

WELP026

35.5

34.5

39.3

36.9

36.1

40.4

27

WELP027

44.4

46.5

46.0

46.1

48.9

47.7

106


Nr.

Peilbuis

Lineair/ Weekelijks

NietLineair/ Weekelijks

Lineair/ Weekelijks + trend

Lineair/ Dagelijks

NietLineair/ Dagelijks

Lineair/ Dagelijks+ trend

28

WELP028

27.6

30.0

32.7

29.5

35.0

34.7

29

WELP029

48.1

48.7

48.6

49.2

51.6

50.0

30

WELP030

23.1

34.3

Nan

24.6

Nan

Nan

31

WELP031

32.5

33.7

40.3

34.6

46.6

42.3

32

WELP032

37.6

38.9

39.7

39.5

42.6

41.5

33

WELP033

48.9

51.9

50.0

53.1

57.0

54.4

34

WELP034

47.5

55.1

47.1

50.5

60.5

58.5

35

WELP035

52.6

58.1

52.9

54.6

60.3

54.9

36

WELP036

44.4

50.4

44.7

49.6

58.1

50.0

37

WELP037

51.3

41.8

52.3

54.6

47.9

55.5

38

WELP038

27.2

23.3

30.1

31.9

30.3

35.0

39

WELP039

48.0

55.3

49.0

47.8

58.6

48.5

41

WELP041

52.7

55.7

52.7

54.6

59.6

54.6

44

WELP044

2.33

0.01

55.5

51.1

0.20

58.1

45

WELP045

49.4

44.5

49.6

54.7

56.8

54.8

107


Figuur 3-48

Geobserveerde tijdsreeks WELP001 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004

108


Figuur 3-49

Geobserveerde tijdsreeks WELP002 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004

Figuur 3-50

Geobserveerde tijdsreeks WELP003 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004

109


Figuur 3-51

Geobserveerde tijdsreeks WELP024 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004

Figuur 3-52

Geobserveerde tijdsreeks WELP033 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004

110


Figuur 3-53

Geobserveerde tijdsreeks WELP034 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004

Figuur 3-54

Geobserveerde tijdsreeks WELP035 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004

111


Figuur 3-55

Geobserveerde tijdsreeks WELP036 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004

Figuur 3-56

Geobserveerde tijdsreeks WELP039 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004

112


Figuur 3-57

Geobserveerde tijdsreeks WELP041 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004

3.4.3.5 Resultaten simulaties Tijdsreeksmodellen hydrologische jaren 1992-1995 Tabel 3-9

Overzicht verklarende varianties modellen hydrologische jaren 1992-1995 Nr.

Peilbuis

Niet-Lineair/ Dagelijks

1

WELP001

81.7

32

WELP032

64.0

35

WELP035

77.1

113


Figuur 3-58

Geobserveerde tijdsreeks WELP001 (zwart/rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-1995

Figuur 3-59

Geobserveerde tijdsreeks WELP032 (zwart/rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-1995

Figuur 3-60

Geobserveerde tijdsreeks WELP035 (zwart/rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-1995

114


3.4.4

Conclusie tijdreeksanalyse

Door middel van een analyse van de beschikbare tijdreeksen van grondwaterstanden, geregistreerd tijdens de jaren 1992-2010, werd getracht om eventuele trends in de grondwaterstanden te vinden en te begroten. De analyse werd uitgevoerd op basis van de hydrologische jaren 1992-2004. Dit omdat er voor 1991 en na 2004 onvoldoende metingen zijn uitgevoerd. Op basis van de registraties van de grondwaterstanden tijdens de periode 1992-2004 kan de vernattende trend niet worden aangetoond, noch door middel van een eenvoudige visuele analyse van de zomerse of winterse grondwaterstanden, noch door een analyse m.b.v. de Menyanthes software. Een vergelijking van de tijdens 1992-2004 geregistreerde grondwaterstanden (in het bijzonder de dynamiek tussen zomer en winterse grondwaterstanden) en de registraties tijdens de meetcampagne anno 2014 tonen weldegelijk significante verschillen in grondwaterstanden in peilbuizen 001 en 032. In peibuis 001 wordt een duidelijke grondwaterdynamiek waargenomen tijdens de periode 1992-2004, in 2014 is de grondwaterdynamiek volledig verdwenen. De nabijgelegen registratie van oppervlaktewaterstanden wijst op een peil van de Rijtbeek zonder noemenswaardige variatie en gelijk aan het maaiveld. Tijdens de periode 1992-2004 werden in deze zone nog winterse grondwaterstanden opgemeten die beduidend lager waren dan het maaiveld. In peilbuis 032 wordt een duidelijke grondwaterdynamiek waargenomen tijdens 1992-2004, in 2014 staat het gebied permanent 30 cm onder water. In peilbuis 035, op een hoger gelegen locatie dan peilbuizen 001 en 032, is nauwelijks een verschil in grondwaterdynamiek waar te nemen. De grondwaterstanden vertonen dus een significant verschil tussen de waarnemingen 1992-2004 en de waarnemingen 2014 voor wat betreft de lager gelegen gebieden. De trend in de grondwaterstandsdynamiek moet zich daarom hebben voorgedaan tijdens de periode 2004-2014. De oorzaak wordt gelegd bij de verhoging van de waterstanden in de Rijtbeek. Het feit dat de grondwaterstanden pas in 2014 een duidelijke invloed ondervinden van de verhoogde oppervlaktewaterstanden wijst geenszins op een plotse verhoging van de oppervlaktewaterpeilen tussen 2004 en 2014. De verhoging van de oppervlaktewaterstanden als gevolg van aanslibbing werd reeds sedert 1990 ingezet en reikte tussen 2004 en 2014 tot het maaiveldpeil. Hierdoor wordt het overstromingswater en neerslag niet meer afgevoerd. Ook op de luchtfoto’s is er pas een duidelijke vernatting waarneembaar vanaf 2009. Zolang de oppervlaktewaterstand niet boven maaiveld uitsteeg ondervond de grondwaterdynamiek nauwelijks invloed van het oppervlaktewater. Deze hypothese wordt ondersteund door de lemige en kleiige bodemtextuur in de Wellemeersen, hierin is de invloedsafstand van de oppervlaktewaterpeilen op het grondwater zeer beperkt door de hoge weerstand tegen grondwaterstroming. Bij oppervlaktewaterstanden boven het maaiveld staan de grondwaterstanden rechtstreeks in verbinding met het oppervlaktewater en kunnen deze niet meer uitdrogen tijdens de zomer waardoor de grondwaterdynamiek verdwijnt.

3.5

Grondwatermodellering

Er wordt een grondwatermodel opgebouwd waarmee de grondwaterstanden en interactie met de hydrografie worden berekend voor het volledige modeldomein. De dynamiek van de grondwatertafel wordt berekend voor verschillende situaties van de waterhuishouding in de Wellemeersen. Er wordt gestart met de kalibratie en gevoeligheidsanalyse van 115


de situatie 1992-2004, het tijdsinterval waarvoor de meeste grondwatertijdreeksen beschikbaar zijn en tijdens welke de grachten voldoende werden geruimd en zorgden voor een vlotte afwatering van het gebied. Vervolgens wordt de huidige toestand doorgerekend met falen van de afwatering, hoge waterstanden in de Rijtbeek en stagnerend water in het centrale deel van de Wellemeersen.. Voor modelopzet wordt gebruik gemaakt van de software GMS versie 9.2. Modflow (McDonald, Harbaugh, 1986), een numerieke grondwatermodellering die gebruik maakt van de eindige differentiemethode voor de oplossing van de stromingsvergelijkingen. Met behulp van modules voor neerslag, infiltratie en drainage van waterlopen, bemalingen etc. kunnen deze termen worden toegevoegd aan de stromingsvergelijkingen.

3.5.1

Hydrogeologie

3.5.1.1 Geologische opbouw Voor de bepaling van de geologische opbouw wordt beroep gedaan op volgende bronnen: ▪ Nieuw geologische kaart, kaartblad 30 Geraardsbergen (De Geyter, 1999) ▪ Beschikbare boringbeschrijvingen (DOV) ▪ Hydrogeologische watervoerende lagen in het kader van de opbouw van het VGM (VMM, 2008) ▪ Quartairgeologische kaart van Vlaanderen Het stroomgebied van de Dender te Aalst ligt volledig binnen de grenzen van het Centraal Vlaamse Systeem (VMM 2008). In Tabel 3-10 worden de geologische formaties opgesomd, voorkomend in het valleigebied van de Dender ter hoogte van de Wellemeersen. De basis wordt gevormd door de kleiafzettingen van Saint-Maur (HCOV 0924), deel van het Ieperiaan Aquitardsysteem (HCOV0900). Van de overige lagen van het Ieperiaan Aquitardsysteem komt alleen het Zand van Mons-en-Pévèle (HCOV 0923) voor binnen het stroomgebied van de Wildebeek/Molenbeek. De formatie bestaat voornamelijk uit een zeer fijnsiltige klei met enkele dunne intercalaties van grofsiltige klei of kleiige, zeer fijne silt (VMM, 2008) en kan als slecht tot matig doorlatend worden beschouwd. Het Ieperiaan Aquitardsysteem komt voor in het volledige valleigebied en dagzoomt onder het kwartair dek in het valleigebied van de Dender te Welle. De dikte varieert van 30 m in het valleigebied van de Dender tot 60 m op de heuvelruggen te Haaltert. Boven het Ieperiaan Aquitardsysteem treft men verscheidene scheidende en matig watervoerende lagen aan van het Ledo Paniselilaan Brusseliaan Aquifersysteem (HCOV 0600) en de Paniseliaan Aquitard (HCOV 0700). De dikte van het bovenliggende pakket varieert van 0 m in het valleigebied van de Dender tot een maximale dikte van 40 m op de heuvelruggen te Haaltert in het westen en tot 60 m in de oostelijke heuvelrug te Affligem (Figuur 3-63). De relevante hydrogeologische eenheden uit het VGM tot de eerste afsluitende laag, de Ieperiaan Aquitard, worden gevormd door quartaire afzettingen. Deze laatste bestaan uit laat-pleistocene fluviatiele afzettingen waarop holocene fluviatiele afzettingen voorkomen langs de Dender en in de vallei van de Molenbeek, en naar en op het interfluvium, eolische afzettingen op hellingsafzettingen. De dikte van het quartair varieert van enkele meters op het interfluvium tot een tien à vijftiental meter in de Dendervallei en tegen het interfluvium aan. Hydrogeologisch zijn dit drie eenheden: HCOV0140 alluviale deklagen; HCOV0150 zandig lemige deklagen, HCOV0160, pleistoceen van de riviervalleien.

116


Het quartair dek (HCOV0100) werd gevormd door eolische, door de wind aangevoerde sedimenten, voornamelijk leem en zandleem, en is vrij heterogeen qua samenstelling (Maréchal, 1992). De dikte ervan varieert van 0 tot 40 meter. In de vallei ter hoogte van de Wellemeersen varieert de dikte tussen 5 en 10 m. Op de licht glooiende hellingen ten westen van de Dendervallei wordt tot 30 meter quartair sediment aangetroffen. Op de steilere hellingen naar het westen daalt de dikte tot 0 meter. Een analyse van de beschikbare boorbeschrijvingen (DOV) toont een overwegend lemig quartair dek en een sterke zandige overgang naar de dieper gelegen tertiaire lagen. Op de heuvelruggen ter hoogte van de middenloop van de Wildebeek wordt 20 meter leem met beperkte bijmenging van zand aangetroffen met daaronder eerst 10 meter middelgrof zand met kleilenzen. Naarmate men zich meer naar het oosten richting de Dender begeeft, verkleint de dikte van het quartair dek naar ca. 10 m met een lemige bovenlaag van maximaal 5 m. In Tabel 3-10 wordt een overzicht gegevens van de aanwezige geologische lagen in het interessegebied volgens lithologische samenstelling en hydrogeologische karakteristieken. Tabel 3-10:

Overzicht hydrogeologische lagen voorkomend met voornaamste lithologische kenmerken (VMM, 2008)

HCOV

Beschrijving

Lithologie

Kh (m/d)

Dikte (m)

HCOV 0100 – de Quartaire Aquifersystemen 140/150/160

Deklagen

Homogene afzettingen van respectievelijk zand, zandig leem, leem en klei.

0,1 - 10

HCOV 0600 – het Ledo Paniselilaan Brusseliaan Aquifersysteem 610

Wemmel-Lede Aquifer

640

Zandige afzettingen van het Onder- Paniseliaan

Grijsgroen glauconiethoudend fijn zand, met kleilenzen; naar onder toe overgaand in homogeen kleiig zeer fijn zand.

6-3

0-30m

0,8 - 6,7

0-30m

HCOV 0700 - het Paniseliaan Aquitard 701

Klei van Pittem

Glauconiethoudend kleiig fijn zand afgewisseld met zandige klei

0,01 - 1

702

Klei van Merelbeke

Zeer fijnsiltige klei

0,003

HCOV 0900 – het Ieperiaan Aquitardsysteem 923

Zand van Mons-enPévèle

Heterogene afzetting uit silteus tot zandig materiaal met lokaal enkele kleiige zones

0,1 - 1

117


Figuur 3-61

Topografie (mTAW)

Figuur 3-62

Ondergrens quartair dek (mTAW)

118


Figuur 3-63

Dikte (m) quartair dek

3.5.1.2 Waterhuishouding (Hydrografie en drainage) De voeding van grondwater gebeurt op verschillende wijzen: ▪ Natuurlijke grondwateraanvulling: dit is de hoeveelheid neerslag die doorsijpelt naar het grondwater of de hoeveelheid water die verdampt; ▪

Onttrekkingen (grondwaterwinningen);

▪

Drainage of infiltratie via waterlopen;

▪

Via de randen van het modelgebied: randvoorwaarden.

3.5.1.2.1 Oppervlaktewater Voor de beschrijving van het afwateringstelsel in het valleigebied van de Dender wordt verwezen naar het luik hydrografie (§3.3.1). 3.5.1.2.2 Grondwaterwinningen Het inschatten van de grondwateronttrekkingen in het gebied gebeurt op basis van de huidige grondwatervergunningen (jaardebieten) zoals die worden weergegeven op de site van de Databank Ondergrond Vlaanderen (Bron http://dov.vlaanderen.be). Om het effectief onttrokken debiet te bepalen, wordt slechts een bepaald percentage (in casu slechts 2/3) van het vergunde debiet in beschouwing genomen. Om het aantal winningen te reduceren werden enkel deze in het model opgenomen met een effectief debiet groter of gelijk aan 5 m³/d. Deze winningen vertegenwoordigen ca. 90% van het totale onttrokken debiet in het modelgebied. 119


De beschouwde hydro-geologische formaties zijn slechts beperkt watervoerend. Er worden daarom slechts een beperkt aantal grondwaterwinningen geregistreerd binnen de grenzen van het modelgebied.

3.5.1.3 Stijghoogten Modelverificatie gebeurt in eerste instantie op basis van stijghoogtemetingen in observatieputten binnen het gebied. Hierbij wordt beroep gedaan op metingen die beschikbaar zijn op de website van DOV (2014) en de metingen in het kader van de inrichtingsstudie van de Wellemeersen (§ 0). De stijghoogtewaarnemingen beschikbaar via DOV, binnen het in het stroomgebied van de Wildebeek, zijn beperkt tot 2 locaties, relatief ver van het studiegebied van de Wellemeersen. Filter 423/21/5 (Figuur 3-64) is gelegen op 33.5 mTAW in het quartair dek met 3 filterstellingen tussen 8 en 21.5 mmv. De peilbuis ligt in de nabijheid van de leemgroeve waardoor de metingen lokaal sterk kunnen afwijken. De gemiddelde grondwaterstand wordt geschat op 26.5 mTAW (6.5 m-mv). Filter 423/21/4 is gelegen op 200 tussen de waterlopen Molenbeek en Wildebeek op een hoogte van 23.5 mTAW, 6 meter hoger dan de vallei van de beken. De 3 filterstellingen tussen 10 en 23.5 m-mv in het quartair geven allen een quasi gelijke grondwaterstand met gemiddelde van 19 mTAW of 5 m-mv. Omdat de modelleringen niet tijdsafhankelijk worden uitgevoerd, ijken we de modellen af op basis van het gemiddelde van de waargenomen stijghoogten. Dit betekent dat voor elke meetreeks drie gemiddelden berekend worden: het gemiddelde van alle waarnemingen voor het kalibreren van het model dat de jaargemiddelde toestand simuleert, het gemiddelde van de waarnemingen tijdens de zomermaanden (van april t.e.m. september) voor het kalibreren van het model dat de zomertoestand simuleert en het gemiddelde van de waarnemingen tijdens de wintermaanden (van oktober t.e.m. maart). Beide filters van VMM meetnet oppervlaktewater maken deel uit van het meetnet 8; geplaatst in het kader van het MAP. De stijghoogtemetingen worden slechts 2 maal per jaar uitgevoerd, te beperkt om de dynamiek van de grondwaterstanden te bepalen. De waarden van het VMM meetnet grondwater worden daarom enkel beschouwd voor een jaargemiddelde toestand.

Figuur 3-64

Ligging observatieputten DOV (links) en detail put 423/21/5

120


3.5.2

Modelconcept

Als modelgebied wordt een zo groot mogelijk gebied gekozen zodat er geen invloed meer is van de randvoorwaarden in het interessegebied en alle effecten van de ingrepen binnen het modelgebied vallen. Rekening houdend met 1/ het doel van de modelleeropdracht, nl. het inschatten van kwel en invloed van drainage in het natuurgebied van de Wellemeersen alsook 2/ de beperkte watervoerende capaciteiten van het quartair dek en de onderliggende tertiaire lagen in het bijzonder, kan een relatief kleinschalig modelgebied worden afgebakend. De keuze valt hierbij op de hydrografische scheidingen tussen de stroomgebieden van 2e en 3e categorie: In het noorden valt de modelrand samen met de waterscheiding tussen het stroomgebied van de Wildebeek/Molenbeek (Provinciale Waterloop O5077) en de Hoezebeek/Klokputbeek (Provinciale Waterloop O5967) (groene lijn Figuur 3-65). Ten Oosten valt de modelgrens samen met de Dender. Het stuwpeil van de Dender (7.6 mTAW) wordt hier opgelegd als vaste stijghoogte. De zuidelijke rand valt samen met de waterscheiding tussen de stroomgebieden van de Wildebeek/Molenbeek (Provinciale Waterloop O5077) en de Molenbeek – Vogelenzangbeek (Provinciale Waterloop O5093).

Figuur 3-65

Modelrandvoorwaarden

121


3.5.2.1 Modelgrid De permanente grondwaterstromingsvergelijking wordt met de eindigverschilmethode opgelost, wat een verticale opdeling van het beschouwde grondwaterreservoir in lagen en een horizontale discretisatie in cellen impliceert. Voor het volledige model worden cellen van 20 m op 20 m gebruikt. De kleiafzettingen van het Ieperiaan Aquitardsysteem (HCOV 0900) wordt als ondoorlatende ondergrens beschouwd. Volgens de kartering van HCOV worden hierboven slechts in zeer beperkte mate siltige afzettingen van het Ieperiaan aquifersysteem aangetroffen. Met uitzondering van de heuvelruggen te Aalter treft men het quartair dek aan boven de Ieperiaan Aquitard (HCOV 0900). Met focus op de grondwaterstroming in de lager gelegen valleigebieden wordt daarom enkel de stroming in het quartair dek gemodelleerd. Er wordt gebruik gemaakt van een 2 lagen rekenmodel om rekening te houden met de in § 3.5.1.1 vermelde stratigrafie van een lemig dek en onderliggende zandige horizonten.

3.5.2.2 Hydrogeologische parameters De watervoerende eigenschappen van verschillende hydrogeologische formaties wordt een constante verticale en horizontale conductiviteit toegekend. Aangezien in deze studie enkel stationaire berekeningen worden uitgevoerd, zijn dit de enige vereiste hydraulische parameters. Wegens de slechte watervoerende capaciteiten van de lagen en de heterogeniteit van de afzettingen moeten geïnventariseerde gegevens uit de literatuur (VMM, 2008) met de nodige ruime marges worden weerhouden. Rekening houden met de samenstelling van de formaties wordt voor het lemig dek (HCOV 0150) een startwaarde van 0,2 m/dag aangenomen en voor de zandige lagen van het pleistoceen (HCOV 0162) en de zandige alluviale deklagen in de vallei van de Dender (HCOV 0140) een startwaarde van 1,0 m/dag. Tabel 3-11

Weerhouden waarden voor de horizontale (Kh) doorlaatbaarheid van de beschouwde rekenlagen

modellaag

type

Kh (m/d)

Startwaarde (m/d)

1

HCOV 0150 Eolische lemige afzettingen

0,1 – 1,0

0,2

HCOV 0140 alluviale deklagen

0,1 – 1,0

0,2

HCOV 0152 Zand-lemige afzettingen

0,5 – 2,0

1,0

HCOV 0160 Pleistoceen

0,5 – 2,0

1,0

2

3.5.2.3 Rivieren en drainagezones De uitwisseling tussen het beschouwde grondwaterreservoir en de waterlopen en grachten DRAIN module (McDonald & Harbaugh, 1984) gesimuleerd. Dit betekent dat aan iedere gridcel waarin zich een dergelijke waterloop bevindt de volgende parameters worden toegekend:

▪

drainagepeil (bottom elevation); 122


▪

conductantie (C [m³/d/m] = KWL / M met K de doorlaatbaarheid [m/d] van de slibbodem, W [m] de breedte van de gracht, L [m] de lengte van de gracht, en M [m] de dikte van de slibbodem).

De initiële waarde voor de conductantie voor eenheidslengte wordt gelijk gesteld aan 0,1 m/d, wat overeenkomt met een breedte van de gracht gelijk aan 1 m en een weerstand van de slibbodem gelijk aan 10 d. Gedurende de kalibratie wordt deze waarde voor verschillende gebieden aangepast. De waterhoogtes in het oppervlaktewater worden bepaald aan de hand van metingen, modelleerresultaten en GIS-analyse. Voor de Dender wordt uitgegaan van een constant stuwpeil te Aalst van 7.8 mTAW. Voor de waterloopassen in het stroomgebied van de Molenbeek/Wildebeek en Rijtbeek welke niet werden opgemeten of geen deel uitmaken van een hydraulische modelstudie wordt een waterpeil opgelegd op 1 m onder maaiveld. Voor de gemodelleerde waterloop Wildebeek werd een waterpeil bij basisafvoer berekend en opgelegd. Naast grachten en waterlopen wordt tevens oppervlakkige afvoer van opstijgend grondwater beschouwd. Indien geen duidelijke plasvorming wordt waargenomen wordt de oppervlakkige afvoer gemodelleerd door middel van een oppervlakkige SEEPAGE randvoorwaarde. De SEEPAGE verschilt in hoofdzaak van de DRAIN randvoorwaarde doordat de drainagehoogte relatief is t.o.v. het maaiveld daar waar bij de DRAIN randvoorwaarde een absoluut peil wordt opgelegd. Deze randvoorwaarde geldt voor het volledige oppervlak van Wellemeersen, met uitzondering van de geïnventariseerde vijvers, de grachten en de plasvorming in het centrale deel van de Wellemeersen tijdens de recente jaren. Tijdens de recente jaren wordt in het centrale deel van de Wellemeersen stilstaand oppervlaktewater aangetroffen met een hoogte van ca. 8.6 mTAW. Het drainageniveau volgt hier niet het maaiveld doch een uniforme hoogte van 8.6 mTAW. Gelet op het permanente karakter van de plas wordt een RIVER randvoorwaarde opgelegd voor de zone. Het drainage niveau van de grachten wordt aangepast aan de situatie. Voor de simulatie van de situatie 1992-2004 (§ 3.5.3) worden geruimde grachten verondersteld met een vlotte afwatering naar de Dender. Het drainageniveau van de Rijtbeek in de Wellemeersen wordt gelijkgesteld aan 8.0 mTAW jaargemiddeld, verlaagd tot 7.9 mTAW tijdens de zomermaanden en verhoogd tot 8.1 mTAW tijdens de wintermaanden (Figuur 3-66). Voor de berekening van de huidige situatie anno 2014 (§3.5.4) wordt een drainageniveau genomen zoals waargenomen tijdens de meetcampagne. Voor de waterstanden in de Rijtbeek in de Wellemeersen bedraagt deze 8.1, 8.3 en 8.5 mTAW voor respectievelijk de zomerse, jaargemiddelde en winterse toestand (Figuur 3-67). In het verdronken, centrale deel van de Wellemeersen wordt zoals hoger vermeld een RIVER randvoorwaarde opgelegd. Tijdens de zomermaanden wordt een peil van 8.5 mTAW opgelegd, tijdens de wintermaanden en de jaargemiddelde situatie wordt een peil van 8.6 mTAW opgelegd (Figuur 3-67).

123


Figuur 3-66

Drainageniveau grachten en Rijtbeek, simulatie 1992-2004 voor jaargemiddelde (links), zomer (miden) en wintertoestand (rechts)

Figuur 3-67

Drainageniveau grachten en Rijtbeek simulatie 2014 voor jaargemiddelde (links), zomer (miden) en wintertoestand (rechts)

3.5.2.4 Grondwatervoeding In het kader van de opzet van het Vlaams grondwatermodel werd de ruimtelijk verdeelde grondwatervoeding berekend m.b.v. het WetSpass-model, dat ontwikkeld werd door de Vakgroep Hydrologie en Waterbouwkunde (VUB) (Batelaan & De Smedt, 2001). Op basis van het landgebruik, de bodemtextuur, een aantal meteorologische parameters, de helling, de grondwaterdiepte en de afvoercoëfficiënt berekent WetSpass de ruimtelijk gedistribueerde grondwatervoeding voor het gehele modelgebied (één waarde voor elke cel). De jaargemiddelde grondwatervoeding, uitgemiddeld over het volledige projectgebied, bedraagt 0.4 mm/dag of 150 mm/jaar. Een relatief lage waarde in vergelijking met de gemiddelde grondwatervoeding in Vlaanderen (ca. 250 mm/jaar), te verklaren door de sterke hellingsgraad en beperkte doorlaatbaarheid van het quartair dek. De winter-, respectievelijk zomermaanden dragen voor ca. 80 % en 20 % bij in het jaartotaal van de grondwatervoeding. 124


3.5.3

Kalibratie en simulatie historische situatie 1992-2004

De ijking van het model gebeurt door het aanpassen van de in Tabel 3-11 opgesomde parameters in functie van het bekomen van realistische grondwaterstanden en stromingen. Na parameterwijziging worden de grondwaterstanden vergeleken met de gemiddelde, geobserveerde stijghoogten (§ 3.5.1.3). Daarnaast wordt tevens met het globale stijghoogtepatroon nagegaan of het model ook aanvaardbare stijghoogten berekent op plaatsen waar geen of weinig metingen voorhanden zijn. Voor zones die het model als ‘flooded’ aanduidt, moet men de vraag stellen of het gebied in werkelijkheid inderdaad onder water kan staan. De kalibratie wordt uitgevoerd op de jaargemiddelde grondwaterstanden van de observatiepunten en met jaargemiddelde grondwatervoeding. De observatiepunten zijn voornamelijk geconcentreerd in het natuurgebied Wellemeersen. De gemeten stijghoogte worden in hoofdzaak bepaald door de aanwezigheid van lokale hydrografie en slechts beperkt door de hydrogeologische karakteristieken van de watervoerende formaties of weerstanden van de waterlopen. De hydrogeologische karakteristieken worden daarom in eerste instantie afgeijkt op een realistische weergave van de regionale grondwaterstanden. Bij lage Kh waarden voor de 1e of 2e watervoerende laag worden stijghoogtewaarden berekend boven maaiveld in Welle en in een zone van meer dan 200 m rondom de waterlopen van 2e en 3e categorie. Bij een verhoging van de Kh voor laag 2 tot 1 m/dag beperken de flooded cells zich tot een zeer smalle strook langs de waterloop. Ook de berekende stijghoogtes in peilbuizen 423/21/4 en 423/21/5 wordt relatief correct weergegeven. Bij wijze van gevoeligheidsanalyse worden de startwaarden van de hydraulische conductiviteiten gewijzigd met een factor 2 (vermenigvuldigd en gedeeld) en de weerstanden van de interne randvoorwaarden (RIVER, DRAIN, SEEPAGE) met een factor 10. De afwijkingen t.o.v. jaargemiddelde grondwaterstand worden geanalyseerd en weergegeven in Tabel 3-13. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de waarnemingen van de VMM, de waarnemingen in de lager gelegen delen van de Wellemeersen en de waarnemingen in de taluds in de Wellemeersen (erosietalud van de vallei en de taluds van de spoorwegen). De resultaten worden grafisch weergegeven in Figuur 3-68 voor de startwaarden van de gevoeligheidsanalyse. Een analoge oefening, zij het enkel met de startwaarden van de kalibratie, wordt uitgevoerd voor een winterse, respectievelijk zomerse grondwatervoeding. De afwijking van de berekende grondwaterstanden met respectievelijk gemiddelde hoogste en laagste grondwaterstand wordt weergegeven in Tabel 3-14. De resultaten van de kalibratie worden grafisch weergegeven in respectievelijk Figuur 3-69 en Figuur 3-70. De verschillende parametersets geven alle aanvaardbare waarden voor de kalibratie, wat kan wijzen op een beperkte afhankelijkheid van de berekende grondwaterstanden. Zoals vermeld is de kalibratieset van grondwaterstanden voornamelijk geconcentreerd in het valleigebied van de Wellemeersen waar de opgelegde waterstanden in de drainagegrachten vigeren. De laagste afwijkingen voor de jaargemiddelde grondwatervoeding wordt bekomen met de startset van de hydraulische parameters en de parameterset 4, waarbij de conductiviteiten van de waterlopen worden verhoogd met een factor 10. Aangezien parameterset 4 een nog grotere afhankelijkheid van de modelresultaten voor de opgelegde waterstanden impliceert zal tot nader inzicht de startset worden gehanteerd voor verdere berekeningen. De berekende grondwaterstanden in het modeldomein van de situatie 1992-2004 worden weergeven onder de vorm van gemiddelde grondwaterstanden voor de jaargemiddelde grondwatervoeding (Figuur 3-72), winterse grondwatervoeding (Figuur 3-73) en de situatie tijdens de zomermaanden (Figuur 3-71). Tijdens de zomermaanden zakt de grondwaterstand in het centrale deel van de Wellemeersen weg tot meer dan 60 cm onder maaiveld. Naar de Dender toe stijgt het maaiveld, de grondwaterstand daalt er 125


tot meer dan 1 meter onder maaiveld. Aan de voet van de stijlrand, in het zuidwesten van de Wellemeersen, staat de grondwatertafel ook in de zomer onder een sterke kweldruk, het neerslagtekort tijdens de zomer wordt aangevuld met kwel. Als gevolg hiervan daalt de grondwaterstand slechts beperkt tijdens de zomermaanden. Tijdens de wintermaanden wordt het neerslagoverschot aan het oppervlak afgevoerd in het centrale deel van de Wellemeersen, de grondwaterstand staat gelijk of hoger dan het maaiveld. In het zuidoosten worden eveneens grondwaterstanden tot het maaiveld berekend, enkel op hoger gelegen ruggen staat het grondwater meer dan 50 cm onder maaiveld. Het verschil van de zomer en wintertoestand wordt weergegeven in Figuur 3-74. De grondwaterstandsfluctuatie is het hoogst (> 60 cm) langs de Dender en neemt vervolgens sterk af naar het zuidwesten, richting erosietalud. Dit patroon is het gevolg van de sterke kwelfluxen (Figuur 3-75) die worden berekend langs de erosietalud. Deze compenseren het neerslaqtekort tijdens de zomermaanden. De kwelfluxen, voorgesteld in Figuur 3-75 voor de jaargemiddelde grondwatervoeding zijn de opwaartse fluxen tussen de 1e en 2e watervoerende laag. Sterke kwelfluxen worden berekend in de valleigebieden van de Rijtbeek en Wildebeek In het valleigebied van de Wellemeersen worden sterke kwelfluxen berekend ter hoogte van de stijlrand. De sterke kwelfluxen vanaf de erosietalud bedragen maximaal 5 mm/dag en nemen geleidelijk af naar noordoosten, op ca; 100 m van de talud bedraagt de kwelflux minder dan 1 mm/dag.

126


Tabel 3-12

Kalibratieschema

Model-laag

type

1

HCOV HCOV HCOV HCOV

2

0150 0140 0152 0160

Waterlopen bovenlopen Waterlopen benedenlopen Oppervlakkige drains

Tabel 3-13

Wellemeersen vallei Wellemeersen taluds VMM

totaal

Wellemeersen taluds

totaal

parameter Gemiddelde Gemiddelde absoluut Gemiddelde Gemiddeld absoluut Gemiddelde Gemiddeld absoluut Gemiddelde Gemiddeld absoluut

Afwijkingen [m] t.o.v. modelparameters

Observatieset Wellemeersen vallei

VMM

5

6

-

-

0.1

-

-

x 0.1

x 10

-

-

0.1

-

-

-

-

x 0.1

x- 10

Afwijkingen [m] t.o.v. gemeten waterstanden Jaargemiddelde grondwatervoeding

Observatieset

Tabel 3-14

Startwijziging waarde 1 2 3 4 HK watervoerende lagen (m/d) 0.1 x 0.5 x2 0.1 x 0.5 x2 0.5 x 0.5 x2 1.0 x 0.5 x2 Weerstand interne randvoorwaarden 0.5 x 0.1 x 10

parameter Gemiddelde Gemiddeld absoluut Gemiddelde Gemiddeld absoluut Gemiddelde Gemiddeld absoluut Gemiddelde Gemiddeld abs

Startwaarde 0.11 0.27

1 0.19 0.31

2 0.05 0.25

wijziging 3 4 0.16 0.03 0.31 0.28

5 0.23 0.35

6 0.09 0.25

-0.04 0.72

0.19 0.62

-0.17 0.80

0.05 0.74

-0.13 0.73

0.14 0.70

-0.06 0.73

-0.61 0.61

1.04 1.08

-1.88 1.88

-0.43 0.43

-0.80 0.80

-0.55 0.55

-0.55 0.55

0.07 0.37

0.19 0.38

0.00 0.38

0.14 0.41

-0.01 0.38

0.21 0.43

0.05 0.36

gemeten waterstanden zomer- en wintersituatie – startwaarde Zomersituatie 0.10 0.24

Wintersituatie 0.10 0.32

-0.27 0.73

0.01 0.78

Geen gemiddelde waarden beschikbaar

-0.02 0.35

0.10 0.43

127


Figuur 3-68

Fit waargenomen/gemodelleerde jaargemiddelde grondwaterstanden

128


Figuur 3-69

Fit waargenomen/gemodelleerde grondwaterstanden tijdens winter

129


Figuur 3-70

Fit waargenomen/gemodelleerde grondwaterstanden tijdens zomer

130


3.5.3.1 Resultaten grondwatermodellering historische situatie 1992 - 2004

Figuur 3-71

Grondwaterdiepte zomer situatie 1992 – 2004 131


Figuur 3-72

Jaargemiddelde grondwaterdiepte situatie 1992 – 2004

132


Figuur 3-73

Grondwaterdiepte winter situatie 1992 – 2004

133


Figuur 3-74

Grondwaterdynamiek Winter – zomer situatie 1992-2004

134


Figuur 3-75: kwelflux [mm/dag] jaargemiddelde grondwatervoeding situatie 1992 – 2004

135


3.5.4

Simulatie grondwaterstanden situatie 2014 en historische situatie vóór 1990

Anno 2014 manifesteert de gebrekkige afwatering zich in de vorming van stagnerend water in het centrale deel van de Wellemeersen. De waterstanden bedragen ca. 8.5 mTAW tijdens de zomermaanden tot 8.6 mTAW jaargemiddeld en tijdens de wintermaanden. Conceptueel verschilt de hydrografische situatie anno 2014 van de periode 1992-2004 in het ontbreken van oppervlakkige drainage (“seepage”) in het centrale deel van de Wellemeersen. Deze wordt in het model vervangen door een “river” randvoorwaarde met waterstand 8.6 mTAW tijdens de winter en jaargemiddelde toestand en 8.5 mTAW tijdens de zomertoestand. De berekende grondwaterstanden in het modeldomein van de situatie 2014 worden weergeven onder de vorm van gemiddelde grondwaterstanden voor de jaargemiddelde grondwatervoeding (Figuur 3-77), winterse grondwatervoeding (Figuur 3-79) en de situatie tijdens de zomermaanden (Figuur 3-76Figuur 3-76) de grondwaterdynamiek (winterse – zomerse grondwaterstanden) in Figuur 3-79 en de kwelfluxen (Figuur 3-80). In Figuur 3-81 wordt het verschil in grondwaterstand weergegeven tussen de historische situatie 1992-2004 en huidige situatie 2014 en dit voor de verschillende toestanden van de grondwatervoeding. De berekende grondwaterstanden anno 2014 zijn het logische gevolg van de opgelegde stijghoogtes in de centrale vijver: 8.5 mTAW tijdens de zomermaanden en 8.6 mTAW voor de winter en jaargemiddelde toestand. Door het opleggen van de grondwaterstanden met een beperkt verschil van 10 cm tussen zomer en wintersituatie valt de grondwaterdynamiek volledig weg in het centrale deel van de Wellemeersen. Enkel in het zuidoosten op het hoger gelegen deel van de Wellemeersen, alsook in een smalle strook langs de Dender, blijft de grondwaterdynamiek behouden. Jaargemiddeld bedraagt het verschil tussen de historische en de huidige toestand ca. 30 cm in het centrale deel van de Wellemeersen. Tijdens de zomermaanden houdt de centrale vijver de grondwaterstanden op een niveau van 8.5 mTAW, daar waar deze in de historische situatie daalde tot minstens 60 cm onder maaiveld. Het verschil in waterstand in de centrale zone bedraagt daarom 70 cm. Tijdens de wintermaanden wordt in de historische toestand reeds overstroming van het centrale deel waargenomen en berekend (maaiveldhoogte ca. 8.4 mTAW, overstromingen tot 8.5 mTAW). In de huidige toestand wordt een peil opgelegd van 8.6 mTAW, het grondwatermodel berekent daarom slechts een verschil van 10 cm. De kwelintensiteiten voor de huidige situatie anno 2014, weergegeven in Figuur 3-80 verschillen minder dan 1 mm/dag met de kwelintensiteiten voor de historische situatie (Figuur 3-75). De kwelkaart in Figuur 3-80 vertoont hetzelfde patroon anno 2014 als tijdens de historische situatie 1992-2004: een hoge kwelintensiteit langs de stijlranden en een afname van de kwel naar de Demer tot minder dan 1 mm/dag. Het verschil in de berekende kwel wordt weergegeven in Figuur 3-82. Negatieve waarden duiden op een verlaging van de kwel in 2014. Deze verlaging van de kwelintensiteit treedt voornamelijk op langs de randen van de centrale plas. Langs de oeverwal van de Demer zal het ontstaan van de centrale plas de aldaar beperkte kwel onderdrukken. Langs de steilrand wordt de kwel in de verdronken zone tevens onderdrukt. Dit wordt echter gecompenseerd door een verhoging van de kwel hoger op het talud.

136


3.5.4.1 Resultaten grondwatermodellering huidige situatie 2014

Figuur 3-76

Grondwaterdiepte zomer situatie 2014

137


Figuur 3-77

Jaargemiddelde grondwaterdiepte situatie 2014

138


Figuur 3-78

Grondwaterdiepte winter situatie 2014

139


Figuur 3-79

Grondwaterdynamiek Winter – zomer situatie 2014

140


Figuur 3-80

Kwelflux [mm/dag] jaargemiddelde grondwatervoeding situatie 2014

141


3.5.4.2 Verschilkaarten huidige situatie 2014 vs. historische situatie vóór 1992/2004

Figuur 3-81

Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, huidige - historische situatie 1992/2004 142


Figuur 3-82

Verschilkaart kwelintensiteit huidige – historische situatie

143


3.6

Conclusies abiotische kwantitatieve aspecten

Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen van de studieonderdelen inzake hydrogeologie samengevat en wordt een algemeen beeld geschetst van de historische en huidige toestand. Meetcampagne waterstanden 2014 Vergelijking van de resultaten van de meetcampagne 2014 met de historische waarden van de grondwaterstanden (1992-2004) tonen 3 duidelijke evoluties: ▪ Centraal in de vernatte zone wordt permanent een peil gemeten dat 20 tot 30 cm hoger is dan het maaiveld en 30 cm hoger dan het peil van de noordelijk gelegen Provinciale Rijt. Het afgestroomde water van opwaarts en vanuit de Wellemeersen blijft dus achter een oeverwal van de Rijtbeek staan. ▪ De grondwaterdynamiek in de centrale plas en langs de Rijtbeek is volledige verdwenen als gevolg van het niet meer draineren van dit gebied. ▪ De impact van de vernatting is slechts aantoonbaar in het centrale deel van de Wellemeersen en beperkt zich tot de onmiddellijke omgeving van deze slecht gedraineerde zone. Daarbuiten wordt nauwelijks verschil in maximale waterstand of grondwaterdynamiek opgemeten. ▪ Overstromingen in de Wellemeersen zijn het gevolg van een combinatie van verminderde afvoercapaciteit van de Rijtbeek en overstromingen als gevolg van de Dender Analyse oppervlaktewaterstelsel Langetermijnsimulaties van de afvoeren van de onverharde oppervlaktes berekenen een beperkt gemiddeld debiet van de Rijtbeek. Voor een goede ontwatering van het gebied is slechts een (geruimde) gracht nodig met beperkte afmetingen. De frequentie en volume van de overstorten, zo ook de hoeveelheid vuilvracht naar de Wellemeersen, is het hoogst voor het overstort van de Kampstraat en blijft quasi ongewijzigd in de toekomst. Trendanalyse grondwaterstanden De historische grondwaterstandsmetingen (periode 1992-2004) werden onderworpen aan een analyse om eventuele trends in de grondwaterstanden te vinden en deze te linken aan de trend in de degradatie van het drainagestelsel. Er werd echter geen duidelijke trend gevonden in de grondwaterstandswaarnemingen. Dit komt omdat, ondanks een gestadige degradatie, het drainagestelsel toch nog voldoende capaciteit heeft tot 2004 om het overtollig water te draineren naar de Dender. Zolang het overtollig oppervlaktewater wordt afgevoerd, topt de winterse grondwaterstand af op het maaiveld en kan de grondwaterstand dalen tijdens periodes met neerslagtekort. Grondwatermodellering Er werd een grondwatermodel opgebouwd waarmee de grondwaterstanden van zowel de historische als de huidige toestand nauwkeurig en gebiedsdekkend worden berekend. De resultaten van de modellering wijzen op het wegvallen van de grondwaterstandsdynamiek anno 2014 in het verdronken, centrale deel van de Wellemeersen en het behoud van de grondwaterstandsdynamiek in de hoger gelegen zones van de Wellemeersen. De berekening van de kwelintensiteit komt overeen met de waarnemingen op het terrein: hoge intensiteiten langs de steilrand van de vallei, beperkte kwel in het centrale deel van de Wellemeersen. De plasvorming in de huidige situatie heeft slechts een beperkt effect op het kwelpatroon.

144


3.7

Grond- en oppervlaktewaterkwalitatieve aspecten

3.7.1

Inleiding

Een onderdeel van ‘Luik 1 – abiotiek’ van de ecohydrologische studie van het gebied Wellemeersen betreft het meten en analyseren van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit en -kwantiteit in dit gebied om deze, samen met historische meetgegevens betreffende grondwaterchemie, te interpreteren ten opzichte van de referentiewaarden voor de standplaatsgeschiktheid van de gewenste natuurdoeltypes. In Bijlage 6 geeft deze nota de methodiek voor de staalname van de chemische analyse voor zowel de grondwaterkwaliteit en oppervlaktewaterkwaliteit. Hiertoe is conform het bestek voorzien dat op; ▪

16 locaties grondwaterkwaliteitsmetingen gebeuren (2 tijdstippen);

▪

4 locaties oppervlaktewaterkwaliteitsmetingen (4 x).

In een tweede luik worden de resultaten besproken en geanalyseerd en geplaatst in het licht van de hydrologische veranderingen (vernatting) die plaatsvonden in het laatste decennium. Daarna wordt voor de data betreffende grondwaterkwaliteit nagegaan in welke mate deze een belemmerende parameter (kunnen) zijn voor de mogelijk gewenste natuurdoeltypen in dit gebied. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij de uitwerking van scenario’s.

3.7.2

Resultaten en interpretatie

3.7.2.1 Grondwater 3.7.2.1.1 Zuurbuffering De akaliniteit of zuurbindend vermogen geeft de bufferende werking van het water aan en wordt bepaald door in water opgelost bicarbonaat, carbonaat en hydroxiden (welke ionen domineren is pHafhankelijk) en in veel mindere mate door silicaten, fosfaten en andere anionen. In de meeste wateren is echter voornamelijk bicarbonaat aanwezig. De bufferende werking van bicarbonaat is in klassen te verdelen volgens;

145


WELP045A - 01/09/2014

WELP044A - 01/09/2014

WELP042X - 01/09/2014

WELP037X - 01/09/2014

WELP036X - 01/09/2014

WELP035X - 01/09/2014

WELP034X - 01/09/2014

WELP033X - 01/09/2014

WELP024X - 01/09/2014

WELP021X - 01/09/2014

WELP015X - 01/09/2014

WELP003A - 01/09/2014

WELP037X - 24/04/2014

WELP036X - 24/04/2014

WELP035X - 24/04/2014

WELP034X - 24/04/2014

WELP033X - 24/04/2014

WELP024X - 24/04/2014

WELP021X - 24/04/2014

WELP015X - 24/04/2014

WELP003A - 24/04/2014

WELP002A - 24/04/2014

WELP045X - 28/04/2014

WELP044A - 28/04/2014

WELP042X - 28/04/2014

Concentratie HCO3 mmol/l

14

12

10

8

6

4 Concentratie HCO3 mmol/l

2

0

146


147


3.7.2.1.2 Kationen en anionen

148


149


WELP045A - 01/09/2014

WELP044A - 01/09/2014

WELP042X - 01/09/2014

WELP037X - 01/09/2014

WELP036X - 01/09/2014

WELP035X - 01/09/2014

WELP034X - 01/09/2014

WELP033X - 01/09/2014

WELP024X - 01/09/2014

WELP021X - 01/09/2014

WELP015X - 01/09/2014

WELP003A - 01/09/2014

WELP037X - 24/04/2014

WELP036X - 24/04/2014

WELP035X - 24/04/2014

WELP034X - 24/04/2014

WELP033X - 24/04/2014

WELP024X - 24/04/2014

WELP021X - 24/04/2014

WELP015X - 24/04/2014

WELP003A - 24/04/2014

WELP002A - 24/04/2014

WELP045X - 28/04/2014

WELP044A - 28/04/2014

WELP042X - 28/04/2014

140

120

100

80

60 Chloride mg/L

Sulfaat mg/L

40 Nitraat (NO3) mg/L

Ortho-fosfaat (PO4) mg PO4/L

20

0

150


3.7.2.1.3 Typering grondwater

Stiff-diagram Een Stiff-diagram is gebaseerd op de procentuele aandelen van de macro-ionen in de som van de kationenconcentraties, dan wel anionenconcentraties (in meq/l). Deze percentages worden in een diagram uitgezet, met links de kationen en rechts de anionen. Aan de hand van de vorm van het diagram en de lengte van de balk kan een watermonster worden ingedeeld.

151


Peilbuis

Staalname april 2014

Staalname september 2014

WELP002A

WELP003A

WELP015X

152


Peilbuis

Staalname april 2014

Staalname september 2014

WELP021X

WELP024X

WELP033X

153


Peilbuis

Staalname april 2014

Staalname september 2014

WELP034X

WELP035X

WELP036X

154


Peilbuis

Staalname april 2014

Staalname september 2014

WELP037X

WELP042X

WELP044X

155


Peilbuis

Staalname april 2014

Staalname september 2014

WELP045X

156


Piper-diagram Het Piper-diagram bestaat uit drie delen: een driehoek voor de kationen, een driehoek voor de anionen en een ruit voor beide typen samen. Op de zijden van de driehoeken en de ruit staan de procentuele aandelen (gebaseerd op concentraties in meq/l) van de ionen weergegeven. In het Piperdiagram worden meer watermonsters in één diagram weergegeven. Overeenkomsten en verschillen worden in één oogopslag duidelijk. Interpretaties Piper-diagram3;

3

Permanent Hardness; Alkalische zouten (CaSO4, MgSO4, CaCl2, MgCl2), Temporary Hardness; Ca(HCO3)2

157


Figuur 3-83

Piper-diagram staalnames april 2014

Figuur 3-84

Piper-diagram staalnames september 2014

158


EGV-IR diagram Naar analogie van het Piper diagram heeft Van Wirdum een diagram ontworpen dat plaatsing van vele watermonsters in één grafiek mogelijk maakt. Een eerste typering van de grondwaterstalen kan gebeuren aan de hand van het elektrisch geleidingsvermogen EGV (uitgedrukt in µS/cm) en de ionenratio (uitgedrukt in %) volgens Van Wirdum; IR =

Ca  (concentraties in meq/l) Ca  + Cl 

De IR geeft een indicatie van het aandeel van calciumionen in de kationensom. De verschillende peilbuisgegevens worden samen in één diagram weergegeven, met op de x-as het EGV logaritmisch uitgezet, en op de y-as de IR. In het EGV-IR-diagram zijn altijd drie referentiepunten opgenomen; ▪

At - atmoclien water: water dat chemisch lijkt op regenwater

▪

Li - lithoclien water: gerijpt grondwater - door bodempassage verrijkt met mineralen, m.n. calcium en bicarbonaat

▪

Th - thallasoclien water: ‘zeeachtig water' - water dat nog verder is verrijkt met vooral zouten, meestal afkomstig uit de grote rivieren en uit het kustgebied, waar vermenging met zout grondwater of oppervlaktewater heeft plaatsgevonden. Standplaatsen onder invloed van thalassoclien water zijn over het algemeen voedselrijk, en hebben een brak of licht brak karakter.

159


Figuur 3-85

IR-EC diagram staalnames april 2014

Figuur 3-86

IR-EC diagram staalnames september 2014

3.7.2.1.4 Interpretatie ▪

De pH in het grondwater is overal hoger dan 6,5.

▪

Het grondwater is sterk gebufferd (nagenoeg alle staalnames hebben een waarde boven 6 mmol HCO3-/l. De concentratie van het Ca-gehalte komt redelijk overeen met die van het bicarbonaatgehalte. Er wordt aangenomen dat dit duidt op de invloed van kalkrijke (diepe) kwel. Dit komt ook naar voor uit de elektrische conductiviteit van de stalen. In de literatuur is gezocht naar een onderbouwing voor het afbakenen van de conductiviteitsgrens. Uit het rapport ‘Dynamische en chemische kenmerken van het ondiep grondwater in kwelsystemen: Het Walenbos’ (Huybrechts,W. en De Becker, P., 1997) kwam de grens van 500μS/cm naar voor als indeling van het grondwater naar mineraalrijkdom. Alle metingen hebben een EC hoger dan 500μS/cm en kunnen beschouwd worden als mineraalrijke systemen.

▪

De grondwaterstalen van de peilbuizen WELP033, WELP034 en WELP036 wijken bij de staalname in april het sterkst af van de overige staalnames, voor de periode april 2014. Bij de staalname in september 2014 is dit niet meer op te merken. Er is geen duidelijke verklaring hiervoor.

▪

De nitraatgehaltes zijn relatief laag, de meeste waarnemingen liggen onder de 1 mg/l. Er werden enkel bij WELP037 bij de 2 metingen waarden hoger dan 2 mg/l gemeten. De gehaltes van ammonium zijn laag. De P-waarden in het grondwater zijn laag in de meeste waarnemingen (<0,020 mg/l). De metingen in WELP036, WELP037 en WELP015 vertonen verhoogde tot sterk verhoogde waarden. In deze zones is mogelijk fosfaatdoorslag naar het grondwater opgetreden.

160


▪

De sulfaatconcentraties zijn gevarieerd, maar de meeste metingen kennen waarden boven de 20 mg/l. Een aantal metingen kent zelfs extreem hoge (> 40 mg/l) waarden, zodat duidelijk een problematiek voor wat betreft sulfaat wordt verondersteld. De ijzerconcentraties zijn gevarieerd, maar gemiddeld gezien niet hoog. Een aantal metingen vertonen wel voor beide metingen hoge waarden (WELP015, WELP034 en WELP045). De ijzerrijke kwel situeert zich voornamelijk in het zuidoostelijk deel van het studiegebied. In systemen met een laag Ca-gehalte of weinig Fe-rijke kwel vormen de (te) hoge sulfaatconcentraties in het toestromende grondwater een probleem bij stijgende grondwaterstanden, interne eutrofiëring treedt mogelijk op. Een stagenerend hoog waterpeil met een verminderde aanvoer van ijzer en nitraat via het grondwater, leidt tot een daling van de redoxpotentiaal in de bodem. Samen met hogere sulfaatgehalten in het grondwater, veroorzaakt dit een toename van sulfaatreductie, waarbij sulfide gevormd wordt. Dit bindt sterk aan geoxideerd ijzer en ijzer van ijzerfosfaatcomplexen, onder vorming van FeSx. De concentratie vrij reactief ijzer dat fosfaat kan binden neemt af en fosfaatmobilisatie wordt gestimuleerd. Dit effect wordt nog eens versterkt door de verminderde aanvoer van ijzer en calcium via het grondwater door afname van de kwel. Het gevolg is massale ontwikkeling van de eutrofe plantensoorten (Lucassen et al. 2005). Gezien de hoge Ca-gehaltes van de stalen lijkt dit probleem zich echter niet te stellen in de Wellemeersen. Onder natuurlijke omstandigheden is er in kwelgebieden bijna altijd sprake van een overschot aan grondwater dat via beken of door wegzijging in de lage delen werd afgevoerd. Kortom, er was doorstroming van dit water. Door gebrek aan beheer in de Wellemeersen werd de afwateringsbeek zo hoog opgestuwd dat er geen water meer werd afgevoerd en steeg het waterniveau in het vernatte systeem tot de stijghoogte van het grondwater, er is sprake van stagnerend water. Dit permanent hoog opstuwen van (grond)water kan leiden tot interne P-eutrofiëring, indien het water sulfaatrijk is. Dit is onder meer aangetoond voor natte schraallanden, broekbossen, veenweiden en laagveenwateren. Interne eutrofiëring treedt daarbij vooral op in veenbodems en andere bodems met een hoog organisch stof gehalte, zoals aanwezig is in veel natte natuurgebieden. Uit recent onderzoek in het laagveengebied is gebleken dat de sulfaatconcentraties in het toestromende (grond)water niet hoger mogen zijn dan 100 – 200 μmol/l (10 - 20 mg/l). Zijn de waarden hoger dan is uit experimentele studies gebleken dat interne eutrofiëring optreedt. Tevens blijken vrijwel alle Rode-lijst soorten in deze laagveengebieden niet meer aanwezig te zijn als de 200 μmol sulfaat/l grens is overschreden (Lamers et al. 2006). In de wellemeersen wordt deze waarde voor quasi alle meetpunten overschreden. Experimenten met broekbossen toonden aan dat na vernatting (zonder voldoende doorstroming) ongewenste soorten als liesgras, mannagras en klein kroos ontwikkelden en doelsoorten verdwenen die nog op de voormalige kwelplekken aanwezig waren.

▪

De Cl-gehaltes voor het volledige gebied zijn hoog.

3.7.2.2 Oppervlaktewater Onderstaande tabel geeft een overzicht van de metingen tot op heden, met toetsing aan de geldende VLAREM-normen. 161


Algemene conclusies zijn; ▪

De fosfaatwaarden van het instromend en stagnerend oppervlaktewater zijn consequent (voor metingen tijdens alle periodes) zeer hoog.

▪

De sulfaatwaarden van het instromend en stagnerend oppervlaktewater zijn voor sommige metingen te hoog (minder relevant dan overschrijdingen van fosfaat).

▪

De nitraatwaarden van het instromend en stagnerend oppervlaktewater zijn voor sommige metingen te hoog (minder relevant dan overschrijdingen van fosfaat).

162


1 (1)

2 (2)

3 (3)

4 (4)

1 (1)

2 (2)

3 (3)

4 (4)

5 (5)

01-09-2014

01-09-2014

01-09-2014

01-09-2014

01-09-2014

01-09-2014

19-06-2014

19-06-2014

19-06-2014

19-06-2014

28-04-2014 2 (6)

6 (6)

21-11-2014

1 (5)

21-11-2014

4 (4)

28-04-2014

28-04-2014

28-04-2014 3 (3)

21-11-2014

2 (2)

21-11-2014

1 (1)

21-11-2014

Eenheid

21-11-2014

milieukwaliteitsnormen 2010, type kleine beek

21-11-2014

Analyse

28-04-2014

28-04-2014

Datum monstername

1 (1)

2 (2)

3 (3)

4 (4)

5 (5)

6 (6)

7 (7)

Metalen Aluminium (Al)

nvt

mg/L

<0,10

<0,10

<0,10

1,1

<0,10

<0,10

<0,10

<0,10

<0,10

0,39

<0,10

<0,10

<0,10

<0,10

<0,10

<0,10

<0,10

<0,10

<0,10

0,28

0,44

0,29

0,12

Calcium (Ca)

nvt

mg/L

150

120

100

180

110

110

110

150

110

110

73

65

74

75

84

67

98

96

98

130

160

120

140

IJzer (Fe)

nvt

mg/L

0,96

1,1

0,77

12

3,9

0,36

1,2

0,81

1,2

19

1,3

1,9

1,2

2,3

5,8

1,9

1,2

1,2

1,2

4,3

22

5,7

7,9

Kalium (K)

nvt

mg/L

3,6

4,1

4,5

5,5

4

6,5

5

3,6

5

4,1

4,4

4,9

4,2

2,9

4,1

4,9

5,8

6,3

6,5

5,1

11

4,6

11

Magnesium (Mg)

nvt

mg/L

21

19

16

39

18

17

18

21

18

17

12

9,5

12

13

16

9,5

14

16

16

17

31

17

30

Natrium (Na)

nvt

mg/L

20

25

18

38

20

27

21

18

21

20

15

15

15

16

15

15

19

16

17

19

26

19

27

0,14 mg/L

0,34

0,32

0,064

1,3

0,19

<0,050

0,061

0,24

<0,050

1,4

0,14

0,64

0,094

0,21

0,64

0,63

0,74

<0,050

0,058

0,5

2,8

0,57

1,3

Fosfor totaal (P) Fosfor totaal (PO4)

nvt

mg PO4/L

Fosfor totaal (P2O5)

nvt

mg P2O5/L

1

0,98

0,2

3,9

0,57

<0,15

0,19

0,74

<0,15

4,3

0,44

1,9

0,29

0,65

2

1,9

2,3

<0,15

0,18

1,5

8,7

1,8

3,9

0,78

0,73

0,15

2,9

0,43

<0,12

0,14

0,55

<0,12

3,2

0,33

1,5

0,22

0,49

1,5

1,4

1,7

<0,12

0,13

1,1

6,5

1,3

2,9

nvt

mg/L

23

5,9

19

290

25

11

5,5

9

6,3

250

36

25

37

8,2

83

60

11

16

4,6

220

1500

130

1200

Ammonium (NH4-N) Ammonium (NH4)

nvt

mg N/L

1,1

0,81

<0,050

0,69

<0,050

9

0,69

1,2

0,69

1,4

<0,050

<0,050

<0,050

<0,050

<0,050

0,081

1,8

1,4

1,4

0,32

0,052

0,22

<0,050

nvt

mg/L

1,4

1

<0,065

0,89

<0,065

12

0,89

1,6

0,89

1,8

<0,065

<0,065

<0,065

<0,065

<0,065

0,1

2,3

1,8

1,7

0,41

0,067

0,28

<0,065

Carbonaat

nvt

mg/L

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

<5,0

Bicarbonaat (HCO3)

nvt

mg/L

390

400

370

650

410

340

350

410

380

240

290

220

290

290

330

220

300

340

330

380

520

370

460

Chemisch zuurstof verbruik (CZV)

30

mg O2/L

16

20

36

120

66

26

28

<5,0

25

330

63

43

70

57

68

42

20

15

23

110

1020

91

650

Ortho-fosfaat (PO4-P)

nvt

mg P/L

0,15

0,2

<0,020

0,02

<0,020

<0,020

<0,020

0,12

<0,020

<0,020

<0,020

0,26

<0,020

0,054

0,23

0,27

0,43

0,022 <0,020

0,05

0,65

0,032

0,17

Ortho-fosfaat (PO4)

0,1 mg PO4/L

0,46

0,61

<0,060

0,061

<0,060

<0,060

<0,060

0,36

<0,060

<0,060

<0,060

0,81

<0,060

0,17

0,71

0,82

1,3

Bromide

nvt

mg/L

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

Chloride

120

mg/L

35

38

30

57

34

44

33

35

33

34

24

23

25

29

27

23

28

Sulfaat

90

mg/L

76

32

24

<0,50

22

26

30

150

30

120

12

19

4,7

16

1,1

22

34

Nitraat (NO3-N)

nvt

mg N/L

<0,20

0,23

<0,20

<0,20

<0,20

<0,20

<0,20

2,6

<0,20

<0,20

<0,20

<0,20

<0,20

<0,20

<0,20

<0,20

<0,20

Nitraat (NO3)

10

mg/L

<0,90

1

<0,90

<0,90

<0,90

<0,90

<0,90

11

<0,90

<0,90

<0,90

<0,90

<0,90

<0,90

<0,90

<0,90

<0,90

Nitriet (NO2-N)

0,2 mg N/L

0,043

0,031

0,012

<0,010

<0,010

<0,010

<0,010

0,019

<0,010

<0,010

<0,010

<0,010

<0,010

<0,010

<0,010

<0,010

Nitriet (NO2)

nvt

mg/L

0,14

0,1

0,039

<0,030

<0,030

<0,030

<0,030

0,062

<0,030

<0,030

<0,030

<0,030

<0,030

<0,030

<0,030

<0,030

6

mg/L

1,3

<1,0

2

4,1

<1,0

<1,0

1,4

1,6

1,3

13

2,8

1,8

3,2

2,3

2,3

1,6

2,3

1,6

2,9

2,1

1,9

<1,0

1,6

13

16

4,3

18

2,9

6,6

2,9

2,1

<1,0

Fysisch-chemische analyses Droogrest onopgel. bestand. (NEN6484) Anorganische verbindingen & natte chemie

Stikstof volgens Kjeldahl (N) Sulfaat opgelost (SO4)

nvt

mg SO4/L

77

34

26

5,2

Sulfaat opgelost (SO4-S)

nvt

mg S/L

26

11

8,5

1,7

mg O2/L

1,3

<1,0

4,1

16

0,067 <0,060

0,15

2

0,098

0,51

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

<0,30

27

27

33

42

34

43

8,3

2,6

11

<0,50

17

0,73

0,45

<0,20

1,8

<0,20

<0,20

5

2

<0,90

7,9

<0,90

<0,90

22

0,014

<0,010 <0,010

0,027

<0,010

<0,010

1,1

0,046

<0,030 <0,030

0,089

<0,030

<0,030

3,7

<1,0

3,2

31

3,1

21

3

7,9

39

5,1

93

<0,30

Biologisch en/of toxicologisch onderzoek Biochemisch zuurstof verbruik (BZV-5)

6

163


3.7.2.3 Ruimtelijke spreiding en evolutie in de tijd van de hydrochemische variabelen Voor een aantal van de belangrijkste parameters (in relatie tot vegetatie-ontwikkeling) wordt in dit hoofdstuk een ruimtelijke analyse gemaakt en wordt telkens aangegeven (indien historische meetdata ter beschikking zijn) op welke manier de parameters evolueerden in de tijd4,5. Enkele richtlijnen om de figuren juist te interpreteren: ▪

De gegevens van grond- en oppervlaktewaterkwaliteit worden op éénzelfde figuur getoond (niet voor alle hydrochemische parameters zijn grond- en oppervlaktewaterstalen genomen), dit maakt het mogelijk om eventuele linken te leggen.

▪

Voor de actuele meetgegevens werd op meerdere tijdstippen in het jaar gemeten. De hoogste meetwaarde van de meetreeks wordt getoond. Voor de historische meetgegevens (2000) gebeurden slechts eenmalig metingen.

De belangrijkste conclusies hieruit zijn; ▪

Er zijn geen belangrijke wijzigingen in de tijd voor de EC-waarden en SO4-waarden.

▪

Er is lokaal een toename gemeten van de hoeveelheid Fe in het grondwater.

▪

Er is een toename gemeten van de nitraat en fosfaat-waarden. Er dient echter op gewezen te worden dat, voornamelijk voor fosfaat, de oppervlaktewatermetingen hoge waarden kennen (deze werden voor de historische toestand niet opgemeten).

4

Als referentietoestand voor de historische situatie wordt de toestand ’90-’91 genomen. Er zijn echter geen historische meetgegevens voor deze periode voor wat betreft de hydrochemische parameters. De beschikbare gegevens (van 2000) worden gebruikt. 5

Enkel voor de grondwaterstaalnames zijn er historische data ter beschikking.

165


Figuur 3-87

EC-waarden, historisch (links) en actueel (rechts)

166


Figuur 3-88

SO4-waarden, historisch (links) en actueel (rechts)

167


Figuur 3-89

Fe-waarden, historisch (links) en actueel (rechts)

168


Figuur 3-90

N-NO3-waarden, historisch (links) en actueel (rechts)

169


Figuur 3-91

P-PO4-waarden, historisch (links) en actueel (rechts)

170


3.8

Conclusie

Op basis van één meetjaar grondwater- (2 tijdstippen) en oppervlaktewaterkwaliteit (4 tijdstippen) wordt, wanneer vergeleken worden met de historische toestand (enkel grondwaterkwaliteitsmetingen ter beschikking), geoordeeld dat; ▪

▪

de grondwaterkwaliteit voor het gebied de Wellemeersen een relatief constante (en goede) kwaliteit kent. De mineralenrijkdom en ijzerrijkdom zijn relatief hoog (kwelwater), de nutriëntenrijkdom is laag. de oppervlaktewaterkwaliteit slecht is. Het instromend oppervlaktewater via de Rijtbeek is van een slechte kwaliteit als gevolg van huishoudelijk afvalwater, instromend landbouwwater,… en door een verminderde drainage/doorstroming blijven de nutriënten te lang aanwezig in het natuurgebied.

171


4.

LUIK 3 – INTERACTIE ABIOTIEK EN BIOTIEK

In luik 3 wordt de kennis die verzameld werd in luik 1 en 2 samengebracht en geïnterpreteerd. In een eerste paragraaf wordt op niveau van het volledige studiegebied een algemeen overzicht (macroniveau) gegeven van de samenhang tussen de biotiek en abiotiek in het licht van de hydrologische wijziging die optrad tussen 1990 en vandaag. Vervolgens wordt aan de hand van een aantal ecohydrologische dwarsprofielen deze samenhang verder inzichtelijk gemaakt. Tot slot wordt in een derde paragraaf ingegaan op de gewenste natuurdoeltypes voor de Wellemeersen en de ‘distance to target’ op basis van de actuele biotische en abiotische toestand van het gebied en de theoretische standplaatskenmerken van de gewenste natuurdoeltypen, die werden verzameld in de literatuur.

4.1

Abiotische en biotische samenhang, gekaderd in de evolutie van het gebied

Een analyse van de biotische en abiotische toestand van de Wellemeersen in de historische en actuele toestand laat toe de evolutie van dit gebied, alsook de oorzaken voor deze evolutie, te begrijpen, knelpunten te situeren en (op basis van de aanwezige potenties) duurzame oplossingsrichtingen te formuleren. Het gebied is rijk aan potenties, maar kende de laatste decennia een achteruitgang op vlak van natuurwaarden door een gewijzigde hydrologische toestand en dit zowel op het vlak van waterkwantiteit als waterkwaliteit. Vooral een gebrek aan beheer (ruimen) van de Rijt en het historische omvangrijke slotenstelsel dat zorgde voor drainage van het gebied, lijkt initieel aan de oorzaak te liggen van de sterke vernatting van het gebied en heeft niet alleen geleid tot een quasi permanent hoge waterstand, maar ook tot; ▪ ▪ ▪

een afname van de (grondwater)dynamiek en doorstroming (locaties met jaarrond stagnerend eutroof oppervlaktewater) een toename van de eutrofiëring van het gebied (slechte oppervlaktewaterkwaliteit van de Rijt) een afname van de kwelintensiteiten in de komgronden (dit heeft mogelijk geleid tot hogere kwelintensiteiten ter hoogte van de minder/niet vernatte delen van het studiegebied in het zuidoostelijk deel - zoals kan blijken uit de toename van Fe-rijke kwel (zie Figuur 3-89)6)

Er zijn vanuit het hydrologisch onderzoek geen andere duidelijke aawijzingen naar voor gekomen, die zouden kunnen leiden tot de vernatting die actueel is opgetreden. Staalnames van de grondwaterkwaliteit geven aan dat het diepe kwelwater kalk- en (lokaal) ijzerrijk is. Hydrologisch gezien zijn deze kwelinvloeden van groot belang, voor herstel van de hiervan afhankelijke graslandtypes zoals dotterbloemgraslanden. De aanwezigheid van deze kalkrijke kwel

6

Echter, het betreft een hypothese op basis van een momentopname, meerdere metingen zijn nodig om dit te bevestigen.

172


werd bevestigd door het aantreffen van kalktufbronnen (perceelsnummer 6), een habitattype van Bijlage 1 van de Habitatrichtlijn, in het zuidwesten van het studiegebied. Ook wat betreft de overige hydrochemische parameters lijkt het knelpunt van de waterkwaliteit zich hoofdzakelijk te situeren op het niveau van het aangevoerde en stagnerende oppervlaktewater vanuit de provinciale Rijt en niet op het niveau van de grondwaterkwaliteit. De bovenstaande hydrologische verschuiving die, voornamelijk de laatste 2 decennia, heeft plaatsgevonden in de Wellemeersen, leidde tot een sterke wijziging van de natuurwaarden. Centraal in het gebied is een grote zone aanwezig waar, eerst vooral in de winterperiode en momenteel jaarrond veel water blijft staan. De vegetaties zijn overgegaan van gespecialiseerde soortengemeenschappen naar soortengroepen die kenmerkend zijn voor hoge waterstanden en voedselrijke omstandigheden; ▪ ▪

Een groot aandeel vegetaties, voornamelijk broekbossen, gaan over in wilgenstruwelen, verlandings- of moerasvegetaties en open water. De waardevolle dotterbloemgraslanden gaan over naar ruigten en moerasvegetaties en kennen actueel nog slechts een fractie van hun oorspronkelijke oppervlakte. De afname van deze vaak bijzonder biodiverse graslanden gebeurt ten gunste van Grote zeggenvegetaties, door Pitrus gedomineerde graslanden en permanente graslanden.

De aanwezigheid van positieve aandachtssoorten en de hydrologische uitgangssituatie die, mits het herstellen van de historische drainage, nog intact is, benadrukken de potenties voor herstel van en/of verhogen van de natuurwaarden in het gebied.

4.2

Ecohydrologische dwarsprofielen

Op basis van de parameters beschreven in luik 1 en luik 2, wordt met behulp van 4 dwarsprofielen (Figuur 4-1) de samenhang tussen de bodemtypes, het grond- en oppervlaktewatersysteem en de vegetatie weergegeven voor de actuele toestand. Op basis van de dwarsprofielen ontstaat niet alleen een goed inzicht in de actuele ecohydrologische toestand, maar vooral ook in de ecologische ontwikkelingsmogelijkheden.

173


Figuur 4-1

Situering transecten en zonering

Om de dwarsprofielen overzichtelijk te bespreken werd het kerngebied ingedeeld in verschillende zones met analoge karakteristieken (op basis van de actuele toestand). Op mesoniveau spreken we in het kerngebied over een droog en vernat deel (zie Figuur 4-1). Op microniveau is een nog meer gedetailleerde zonering toegepast, ten behoeve van de bespreking van de vegetatie (zie Luik 1. Biotiek).

174


4.2.1

Dwarsprofiel 1

Transect 1 doorkruist de (provinciale) Rijtbeek alsook de Dender in het oosten, net buiten het studiegebied. In het studiegebied bestaat de ondergrond bijna volledig uit komgronden bestaande uit natte klei en vochtige zandleem in het oosten. Het westelijk deel van het transect kruist de aanzet naar de hoger gelegen oeverwal (steilrand) die bestaat uit zware zandleemgronden. Het grootste deel van het studiegebied ter hoogte van dwarsprofiel 1 kent (grond-)waterstanden die zelfs in de zomer op of boven het maaiveld zitten. De steilrand in het westen en de hogere zone langs de Dender zijn droger. De vroeger soortenrijke graslanden die voorkwamen centraal in dit transect, zijn door de hydrologische wijziging veranderd in moerasvegetaties (rietland en andere Phragmition-vegetaties ‘mr’, grote zeggenvegetatie ‘mc’) en moerasbos (elzenbroek ‘vm’, nitrofiel alluviaal elzenbos ‘vn’). Ten oosten van de Rijtbeek komt een grote plas eutroof water (‘ae-’) voor. Vanaf het vochtig grasland (‘hj’) gaat de vegetatie op het drogere gedeelte over naar soortenrijk permanent cultuurgrasland (‘hp*’). Deze zone kent, mede door de relictvegetaties van soortenrijke graslanden, een belangrijke potentie voor herstel van een brede range van graslandhabitats.

Transect 1 Lh/Mr (50) Lh/Mc (30) Vm (20)

Mc(30) Hr(30) Hr°(20) Vm(20)

Mr°(70) Hf(30)

Vr(40) Hp(20) Hr(20) Vn(20)

Mr°(40) Mc(30) Ae-(25) Vm(5)

Ae-

Hj

Hp*

kh

15

10

topo basis quartair 5

GHG GLG

GVG Perimeter bestek Perimeter kerngebied

0

Kwel -5

0

50

Droge zandleem

101 Nat zandleem

151 Natte klei

202

252 Vochtig zandleem

302

353

403

454

504

554

605

Antropogeen 175

20

3


4.2.2

Dwarsprofiel 2

Doorsnede 2 loopt dwars door het centraal gedeelte van het studiegebied waar sterke vernatting opgetreden heeft. De komgronden worden gekenmerkt door vochtige tot natte lemige, zandlemige en kleingronden. In de overgang naar de oeverwal (steilrand) zijn drogere zandleemgronden aanwezig, er is een belangrijke kwelintensiteit die potenties biedt voor de hiervan afhankelijke vegetaties. De volledige centrale zone van dit transect wordt gekenmerkt door aanwezigheid van eutroof open water (Ae), wilgenstruweel (Sf) en liesgrasvegetaties. Op de oeverwal (langs de spoorweg, aangeduid als antropogeen element) is een populierenaanplant aanwezig, een kleine zone wordt nog beheerd zoals het historische grasland dat hier vroeger aanwezig was. Het is deze zone waar graslandherstel in een beperkte zone op dit moment leidt tot massavegetaties van Bosorchis en waar belangrijke potenties voor graslandherstel aanwezig zijn. In de zone tussen het centrale sterk vernatte gebied en de Dender trad tevens een vernatting op, maar komen nog relicten voor van de historische graslanden, ook deze zone heeft belangrijke potenties voor de ontwikkeling en/of het herstel van graslanden.

Transect 2 Lsb

Hu(70) Hr(30)

1. Lsb 2. Va(50) Qa(50) 3. Vm 1

Sf(+)(75) Ae- (25)

Vm(90) Sf(10)

1. Mc(90) Sf(10) 2. Hc 3. Vn(50) Hfb(25) Hrb(25) 1

23

1. Lhb Hr 2. Hp* Hf- Hj

Lhb Hr

23

20

15

topo

10

basis quartair

GHG GLG

5

GVG Perimeter bestek Perimeter kerngebied

0

Kwel -5

0

50 Antropogeen

20

101

151

Natte klei

202

252

Droge zandleem

302

353

403

Vochtig zandleem

454 Natte leem

504

554

605

655

706

756

806

857

Nat zandleem

3

176


4.2.3

Dwarsprofiel 3

Doorsnede 3 is gelegen in het zuiden van het studiegebied, dat momenteel niet beïnvloed werd door de hydrologische wijziging die elders optrad. In deze zone van het studiegebied kan regenwater snel afgevoerd worden. De kwelintensiteiten ter hoogte van de overgang van de steilrand naar de komgrond in het centrale deel van dit transect zijn groot (aanwezigheid kalktufbronnen) en bieden potenties voor toekomstige ontwikkeling van kwelafhankelijke graslanden zoals Dotterbloemgraslanden. Actueel komen hier in hoofdzaak alluviaal elzen-essenbos (‘va’) en elzenbroek (‘vm’) voor. Op het hoger gelegen gedeelte in het westen komen populierenaanplant (‘lsb’) en zeer soortenarm, vaak tijdelijk grasland (‘hx’) voor. Het drogere gedeelte langs de Dender is actueel gekenmerkt door soortenarm permanent cultuurgrasland (‘hp’) en moerasspirearuigte (‘hf’).

Transect 3 Hx(90) Hp(10)

Lsb(80) Sz(20)

Va

Vm(60) Hfb(25) Mcb(15)

Va(86) Kalktu fbron( 14)

Vm(90) Ae(10)

Hfb(70) Mrb(30)

Hp(90) Hrb(10)

20

15

topo

10

basis quartair

GHG GLG

5

GVG Perimeter bestek Perimeter kerngebied

0

Kwel -5

0

50 Antropogeen

101 Droge zandleem

151

202 Vochtig zandleem

252

303

Nat zandleem

353

404

454

505

555

606

Natte klei

177

20

3


4.2.4

Dwarsprofiel 4

Doorsnede 4 doorkruist, grotendeels parallel aan de steilrand, het hele kerngebied van het noordwesten tot het zuidoosten over een lengte van ongeveer 2 km en snijdt tot slot in het zuidoosten de steilrand. Dit transect geeft een goed beeld van de actuele toestand in de komgronden, waarbij in het noordwestelijke deel de drogere soortenrijke graslanden voorkomen, die recent sterk vernat zijn (Grote zeggenvegetaties, Elzenbroekbos) en vroeger een veel grotere oppervlakte besloegen. De centrale natte zone neemt de grootste oppervlakte in en wordt gekenmerkt door een soortenarme zone met wilgenstruwelen, verlandings- of moerasvegetaties en open water. Zuidelijker verhoogt de kwelintensiteit opnieuw in de omgeving van de steilrand en doorkruist dit transect de zogenaamde ‘orchideënweide’, hier komen de meest waardevolle graslanden van het gebied voor met één van de laatste restanten Dotterbloemgrasland.

Transect 4

1. Hp* 2. Kb 3. Hp* Kb 4. Mc(80) Hj(20) 5. Vr(40) Hp(20) Hr(20) Vn(20) 6. Ae1

23 4 5 6

5

7. Mr°(40) Mc(30) Ae-(25) Vm(5) 8. Sf(+)(75) Ae-(25) 9. Vm(90) Sf(10) 10. Mc(90) Sf(10) 11. Hj(80) Ae-(20) 12. Va(70) Qa(30)

7

8

7 8 7

8

13. Lhb(90) Mc(10) 14. Hj Hp* Hc 15. Hfb(70) Mrb(30) 16. Hp(90) Hp*(10)

Rodestraat

7 9 10 6 11 1 12 13

14

15

16

20

15

10

topo

basis quartair GHG

5

GLG GVG Perimeter bestek

0

Perimeter kerngebied Kwel

Vochtige leem

20

Natte leem

Antropogeen

Vochtig zandleem

Droge zandleem

Natte klei

2.107

2.057

2.007

1.957

1.907

1.856

1.806

1.756

1.706

1.656

1.606

1.555

1.505

1.455

1.405

1.355

1.305

1.254

1.204

1.154

1.104

1.054

1.003

953

903

853

803

753

702

652

602

552

502

452

401

351

301

251

201

151

100

50

0

-5

Nat zandleem 178


4.3

Standplaatseisen

4.3.1

Referentiewaarden standplaatsfactoren van historische, actuele en gewenste toekomstige vegetatietypes

In dit onderdeel wordt een overzicht gegeven van de stand van kennis rond de standplaatseisen van de natuurdoeltypen die in dit gebied relevant zijn. De bedoeling is om een beeld te krijgen van de omstandigheden waarin de natuurdoeltypen kunnen voorkomen (en dit te vergelijken met de omstandigheden in het verleden en actueel). In een volgende paragraaf zal vervolgens bekeken worden welke knelpunten en potenties er zijn voor de realisatie van deze natuurdoeltypen.

4.3.1.1 Instandhoudingsdoelstellingen De Wellemeersen maken deel uit van de speciale beschermingszone ‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’. Deelgebied 24 ‘Wellemeersen, Kapellemeersen’ heeft een oppervlakte van 162,27 ha en is gedeeltelijk gelegen op de linkeroever van de Dender (Wellemeersen) en gedeeltelijk op de rechteroever (Kapellemeersen). Figuur 4-2 illustreert dat de grenzen van het studiegebied niet gelijk zijn aan deze van de SBZ. Ongeveer 95 ha van het studiegebied is aangeduid als Habitatrichtlijngebied (het betreft nagenoeg de volledige zone ten zuiden van de E40). Onderstaande tabel geeft een, indicatieve, oppervlaktebalans voor het volledige deelgebied 24. Tabel 4-1

Oppervlaktebalans deelgebied 24 SBZ ‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’

Onderdeel deelgebied 24

Oppervlakte (ha)

Studiegebied Wellemeersen (cfr. ecohydrologische studie)

± 95 ha

Kapellemeersen

± 57,5 ha

E40

± 1 ha

Dender

± 5 ha

Snippers linkeroever (buiten studiegebied Wellemeersen)

± 3,5 ha

Totaal

± 162 ha

179


Figuur 4-2

Habitatrichtlijngebied ‘‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’, deelgebied 24

De instandhoudingsdoelstellingen voor dit SBZ-gebied werden vastgesteld op 23 april 2014 in het ‘Besluit van de Vlaamse Regering tot aanwijzing van de speciale beschermingszone ‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’ en tot definitieve vaststelling van de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten. De voor deelgebied 24 in dit besluit vooropgestelde doelstellingen zijn de volgende;

180


Tabel 4-2

Instandhoudingsdoelstellingen deelgebied 24 SBZ ‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’ Habitattype Open waterhabitats 3150 Graslandhabitats 6410, 6430, 6510 Boshabitats 9120, 9130, 91E0

Doeloppervlakte (ha) 1 17 1167

Bijkomende doelstelling is dat in het gebied een aaneengesloten grasland- en moeraskern van 30 ha8 voorzien wordt. Gezien de hoger vermelde doeloppervlakte van 17 ha graslandhabitats, betekent dit dat er minstens voor 13 ha regionaal belangrijke biotopen in de open sfeer (dotterbloemgrasland, grote zeggevegetatie, rietland, kamgrasland) tot doel gesteld wordt. Samengevat kunnen volgende natuurtypen in aanmerking komen als doeltypen voor het studiegebied; 1. Bossen ▪

Elzen-Olmen-Essenbos (Ulmo-Fraxinetum) (91E0_veb)

▪

Vochtige Elzen-Essenbossen (Circaeo-Alnion) (91E0_bron)

▪

Mesotroof Elzenbroekbos (Carici elongatae-Alnetum) (91E0_meso)

▪

Ruigte-Elzenbroek (Macrophorbio-alnetum) (91E0_eutr)

▪

Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) (9120)

▪

Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum (9130)

2. Graslanden ▪

Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem ( Molinion caruleae) (6410_ve)

▪

Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430_hf)

▪

Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) (6510_hu)

▪

Dotterbloemgraslanden (Calthion palustris) (rbb_hc)

7

Er wordt aangenomen dat 113 ha 91E0 en 3 ha 9130 voor deelgebied 24 als doel gesteld zijn.

8

De realisatie van een aantal grote grasland- en moeraskernen, die een leefbare populatie bevatten van de grotere oppervlaktebehoevende faunasoorten, is een belangrijk streefdoel om een goede staat van instandhouding te bereiken binnen dit SBZ voor deze habitats. Het combineren van inspanningen (kwaliteitsverbetering en uitbreiding) van een aantal habitattypes en regionaal belangrijke biotopen, moet resulteren in de globale doelstelling van 30 ha of meer moeras- en graslandcomplex.

181


▪

Moerasspirearuigten (Filipendulion) (rbb_hf)

3. Moerasvegetaties ▪

Grote zeggenvegetaties (Caricion gracilis) (rbb_mc)9

▪

Rietmoerassen (Phragmition) (rbb_mr)

4. Open water ▪

Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150)

5. Venen ▪

Kalktufbronnen (7120)

4.3.1.2 Standplaatskenmerken De doelstelling is nu om een stand van zaken rond de kennis van de standplaatscondities van de boven genoemde natuurtypen te geven, en zo mogelijk bruikbare referentiewaarden en grenswaarden voor verschillende hydrologische en hydrochemische kenmerken te verzamelen. Die waarden zijn van belang voor de inschatting van de knelpunten en potenties, alsook voor de inschatting van de haalbaarheid van de opgestelde natuurdoelstellingen. Er kan op basis hiervan, en in combinatie met de gegevens verzameld in de luiken 1 en 2, een zogenaamde distance to target bepaald worden. Standplaatsfactoren worden hier bedoeld als de kenmerken van het abiotische milieu die de erin levende gemeenschappen beïnvloeden. Onder de meest sturende standplaatsfactoren voor vegetatie vallen de bodem- en watertoestand van een gebied: het nutriëntengehalte, de zuurtegraad en bufferingscapaciteit van bodem en water, het waterpeil en de schommelingen ervan. In het kader van deze studie werden geen bodemchemische metingen uitgevoerd, zodat hier op waterkwantitatieve en -kwalitatieve gegevens wordt gefocust. Volgende bronnen werden gebruikt; ▪

T’jollyn, F., Bosch, H., Demolder, H., De Saeger, S., Leyssen, A., Thomaes, A., Wouters, J., Paelinckx, D. & Hoffmann, M. (2009). Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de NATURA 2000-habitattypen, versie 2.0. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2009 (46). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

▪

Bobbink, R., Hart, M., van Kempen M., Smolders, F. en Roelofs, J. (2007). Grondwaterkwaliteitsaspecten bij vernatting van verdroogde natte natuurparels in NoordBrabant. B-WARE Reserach Centre BV, Nijmegen. 116 pages. Rapport nummer 2007.15 o

9

Abiotiekdatabestand B-WARE BV & De Becker et al. (2004)

Relevant voor doelsoort Zeggekorfslak

182


o

Ertsen, D., P. de Louw & J. Buma (2005) OGOR Natuur in Noord-Brabant. Hydrologische randvoorwaarden voor Brabantse natuudoeltypen. Provincie NoordBrabant, Den bosch.

▪

Callebaut J., De Bie E., De Becker P. & Huybrechts W. (2007). NICHE Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2007(3). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek: Brussel. 252 p.

▪

Herr C., De Bie E., Corluy J., De Becker P., Wouters J., Hens M. (2012). Analyse van de actuele milieudruk op de aanwezige habitattypen in de Vlaamse Habitatrichtlijngebieden. Grond- en oppervlaktewaterkwaliteit, atmosferische stikstofdepositie en grondwaterstanden. Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.R.2012.3. 154 p.

▪

Huybrechts W., De Becker P., Callebaut J. & De Bie E. (2009). Database Flanders Wetland Sites (FlaWet1.0) Manual. Intern Rapport INBO.IR.2009.1, Instituut voor Natuur & Bosonderzoek, Brussel.

▪

Herr C., De Becker P., Hens M. (2011). Ecohydrologisch en bodemkundig onderzoek i.f.v. herstelmaatregelen aan Achelse Kluis. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2011 (6). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

Voor sulfaat in het grondwater is er geen dekkend overzicht voor de verschillende natuurdoeltypen. Als goede tot zeer goede kwaliteit kunnen waarden onder de 250 μmol/l (24 mg/l) worden beschouwd, tot 500 μmol/l (48 mg/l) als matige kwaliteit en waarden boven 500 μmol/l als (zeer) slechte kwaliteit. Vooral in nat systemen met veel organische stof dreigt dan interne eutrofiëring. 4.3.1.2.1 Referentiewaarden bossen In natte gebieden kunnen zich verschillende typen broekbossen ontwikkelen. Alle types komen voor op zware bodems, algemeen rijk aan alluviale afzettingen. Ze worden periodiek overstroomd door de jaarlijkse stijging van het waterniveau in rivier of moeras, maar bij laagwaterniveau worden ze goed gedraineerd en doorlucht. Tabel 4-3

Referentiewaarden voor Elzen-Olmen-Essenbos (Ulmo-Fraxinetum) (91E0_veb)

Referentiewaarden voor Elzen-Olmen-Essenbos (Ulmo-Fraxinetum) (91E0_veb)

Waterdynamiek GLG GVG GHG Dynamiek

Gem. 38 cm -mv 89 tot 14 cm -mv Gem. 15 cm -mv Gem. 9 cm -mv 42 tot 1 cm -mv Onder maaiveldniveau in de winterperiode, dieper zakkend in de zomerperiode

LSVI NICHE LSVI LSVI NICHE LSVI

Grondwater 1000 – 5570 µmol/l (61 – 340 mg/l) Gem. <1,625 mg/l Gem. <2,305 mg/l

LSVI B-ware

Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst HCO3 N-NO3 N-NH4

Herr et al. 2012 Herr et al. 2012

183


Referentiewaarden voor Elzen-Olmen-Essenbos (Ulmo-Fraxinetum) (91E0_veb) P-PO4 Gem. <0,278 mg/l Herr et al. 2012

Tabel 4-4

Referentiewaarden voor vochtige Elzen-Essenbossen (Circaeo-Alnion) (91E0_bron)

Referentiewaarden voor vochtige Elzen-Essenbossen (Circae-Alnion) (91E0_bron)

Waterdynamiek GLG GVG GHG Dynamiek

Gem. 15 cm -mv 7 cm +mv tot 51 cm -mv Gem. 5 cm -mv 12 cm +mv tot 10 cm -mv Gem. 5 cm +mv 12 cm +mv tot 0 cm mv Permanent uittredend bronwater

LSVI

Grondwater 1000 – 5570 µmol/l (61 – 340 mg/l) Gem. <1,625 mg/l Gem. <2,305 mg/l Gem. <0,278 mg/l

LSVI B-ware

LSVI LSVI LSVI

Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst HCO3 N-NO3 N-NH4 P-PO4

Tabel 4-5

Herr et al. 2012 Herr et al. 2012 Herr et al. 2012

Referentiewaarden voor mesotroof elzenbroekbos (Carici elongatae-Alnetum) (91E0_meso)

Referentiewaarden (91E0_meso)

voor

mesotroof

elzenbroekbos

(Carici

elongatae-Alnetum)

Waterdynamiek GLG GVG GHG Dynamiek

Overstroming

5 cm -mv tot 30 cm -mv 110 tot 29cm -mv 0 cm mv tot 9 cm -mv 11 cm +mv tot 2 cm +mv 46 tot -6 cm -mv (zandleem) Meestal maaiveldniveau in de winterperiode en onder maaiveld in de zomerperiode 20 tot 90% van het jaar

LSVI NICHE LSVI Flawet databank NICHE LSVI

Grondwater 5,8 tot 7,3 Gem. 101 mg/l Gem. 644 µS/m Gem. 3,1 mg/l Gem. 0,44 mg/l Gem. 1,1 mg/l

LSVI

Flawet databank

Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst pH HCO3 EC N-NO3 N-NH4 P-PO4

Flawet databank

184


Referentiewaarden (91E0_meso) SO4 Ca Fe

Tabel 4-6

voor

mesotroof

elzenbroekbos

(Carici

elongatae-Alnetum)

Gem. 135 mg/l Gem. 94 mg/l Gem. 14 mg/l

Referentiewaarden voor ruigte-Elzenbroek (Macrophorbio-alnetum) (91E0_eutr)

Referentiewaarden voor Ruigte-Elzenbroek (Macrophorbio-alnetum) (91E0_eutr)

Waterdynamiek GLG

GVG GHG

Dynamiek

Gem. 45cm -mv 5cm +mv tot 80cm -mv 124 tot -8cm -mv (zandleem) 81 tot 4cm -mv (lichte klei) Gem. 15cm -mv 10cm +mv tot 50cm -mv Gem. 20cm +mv 48cm +mv tot 27cm -mv 89 tot -47cm -mv (zandleem) 30 tot -19cm -mv (lichte klei) Onder maaiveld in zowel winter- als zomerperiode

LSVI

Grondwater 5,2 tot 7,4 1000 – 5570 µmol/l (61 – 340 mg/l) Gem. 234 mg/l Gem. 591 µS/m <1.070 mg/l <2.201 mg/l < 0,263 mg/l Gem. 99 mg/l Gem. 7 mg/l

LSVI Flawet databank B-ware

NICHE LSVI LSVI NICHE LSVI

Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst pH HCO3

EC N-NO3 N-NH4 P-O-PO4 Ca Fe

Flawet databank Flawet databank Herr et al. 2012 Herr et al. 2012 Herr et al. 2012 Flawet databank Flawet databank

De habitattypes 9120 en 9130 zijn weinig grondwaterafhankelijk. Het is bijgevolg ook niet mogelijk in de literatuur hydrologische en hydrochemische parameters terug te vinden. Voor wat betreft de grondwaterdynamiek is kenmerkend voor beide types dat het water diep wegzakt in de zomer en in de winter hoog kan staan door opstuwend water. 4.3.1.2.2 Referentiewaarden graslanden Onderstaand schema geeft een (vereenvoudigd) overzicht van het voorkomen van grasland (-en moeras) vegetaties, rekening houdend met de vochttoestand, voedselrijkdom, pH en het beheer. De rood aangeduide zone geeft aan in welke zone de natuurdoeltypes voor de Wellemeersen zich situeren.

185


Calluno-Genistion

Ericion

Figuur 4-3

Indeling graslanden volgens vochttoestand, voedselrijkdom, pH en beheer.

186


Tabel 4-7

Referentiewaarden voor grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caruleae) (6410_ve)

Referentiewaarden voor grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caruleae) (6410_ve)

Waterdynamiek GLG

GVG GHG

Overstroming

Gem. 56 cm -mv 7 cm +mv tot 117 cm -mv 40 cm -mv tot 80 cm -mv 42 tot 13 cm -mv Gem. 13 cm -mv 43 cm +mv tot 100 cm -mv Gem. 3 cm -mv 43 cm +mv tot 65 cm -mv 16 tot 2 cm -mv (zandleem) 16 tot -4cm -mv (lichte klei) Geen

Flawet databank

(Poikilotroof-)lithotroof, onder invloed van permanente kwel 5,4 30-370 µmol/l (1,83 – 22,6 mg/l) Gem. 3 mg/l Gem. 129 µS/m <1.300 mg/l Gem. 0,61 mg/l <0,220 mg/l Gem. 0,08 mg/l < 0,309 mg/l Gem. 0,03 mg/l Gem. 23 mg/l Gem. 6 mg/l 0-350 µmol/l (0-19,5 mg/l) Gem. 10 mg/l

LSVI

LSVI NICHE Flawet databank Flawet databank

NICHE LSVI

Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst pH HCO3

EC N-NO3 N-NH4 P-O-PO4 SO4 Ca Fe

Tabel 4-8

Flawet databank B-ware Flawet databank Flawet databank Herr et al. 2012 Flawet databank Herr et al. 2012 Flawet databank Herr et al. 2012 Flawet databank Flawet databank Flawet databank B-ware Flawet databank

Referentiewaarden voor voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430_hf)

Referentiewaarden voor voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430_hf)

Waterdynamiek GLG

GVG GHG

40 cm -mv tot 80 cm -mv 170 tot 21 cm -mv (zandleem) 172 tot 42 cm -mv (lichte klei) 10 cm +mv tot 40 cm -mv 45 cm +mv tot 7 cm -mv, bij lemige vochthoudende bodems

LSVI NICHE LSVI LSVI

187


Referentiewaarden voor voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430_hf) mag de grondwatertafel dieper wegzakken 80 tot -31 cm -mv (zandleem) 45 tot -31 cm -mv (lichte klei) NICHE Overstroming Periodiek (seizoenaal tot frequent) overstroomd met gebiedsvreemd water

Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst N-NO3 N-NH4 P-O-PO4

Tabel 4-9

Poikilo-, rheo- en lithotroof <0,920 mg/l <1,100 mg/l < 0,750 mg/l

Herr et al. 2012 Herr et al. 2012 Herr et al. 2012

Referentiewaarden voor laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) (6510_hu)

Referentiewaarden voor laaggelegen Sanguisorba officinalis) (6510_hu)

schraal

hooiland

(Alopecurus

pratensis,

Waterdynamiek GLG GVG GHG

Overstroming

>80 cm -mv 250 tot 50 cm -mv >70 cm -mv Gem. 8cm -mv 11 cm +mv tot 28 cm -mv 105 tot 25 cm -mv (zandleem) 85 tot 25 cm -mv (lichte klei) Niet tot occasioneel kortstondig overstroomd met gebiedsvreemd water

LSVI NICHE LSVI Flawet databank

Grondwater 6,3 tot 7,4 Gem. 241 mg/l Gem. 590 µS/m <1.004 mg/l Gem. 0,21 mg/l <0,323 mg/l Gem. 0,23 mg/l < 0,084 mg/l Gem. 0,05 mg/l Gem. 58 mg/l Gem. 88 mg/l Gem. 11 mg/l

LSVI Flawet databank Flawet databank Flawet databank Herr et al. 2012 Flawet databank Herr et al. 2012 Flawet databank Herr et al. 2012 Flawet databank Flawet databank Flawet databank Flawet databank

NICHE LSVI

Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst pH HCO3 EC N-NO3 N-NH4 P-O-PO4 SO4 Ca Fe

188


Tabel 4-10

Referentiewaarden voor dotterbloemgraslanden (Calthion palustris) (rbb_hc)

Referentiewaarden voor dotterbloemgraslanden (Calthion palustris) (rbb_hc)

Waterdynamiek GLG

GVG GHG

Overstroming

Gem. 50 cm -mv 19 cm +mv tot 117 cm -mv 123 tot 15 cm -mv (zandleem) 130 tot 18 cm -mv (lichte klei) Gem. 10 cm –mv 31 cm +mv tot 40 cm -mv Gem. 2 cm -mv 33 cm +mv tot 26 cm -mv 51 tot -16 cm -mv (zandleem) 25 tot -16 cm -mv (lichte klei) Periodieke kortstondige inundatie mogelijk

Flawet databank

Grondwater (of oppervlaktewater) Gem. 6,5 4,8 tot 7,5 600-4000 µmol/l (36,6 - 244 mg/l) Gem. 270 mg/l Gem. 545 µS/m Gem. 0,98 mg/l Gem. 0,55 mg/l Gem. 0,08 mg/l Gem. 48 mg/l Gem. 88 mg/l 500-1600 µmol/l (27,9-89,4 mg/l) Gem. 9 mg/l

B-ware

NICHE Flawet databank Flawet databank NICHE

Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst pH HCO3

EC N-NO3 N-NH4 P-PO4 SO4 Ca Fe

kalkrijk

B-ware Flawet databank B-ware Flawet databank Flawet databank Flawet databank Flawet databank Flawet databank Flawet databank Flawet databank B-ware Flawet databank

Bij stopzetten van het beheer voor dotterbloemgraslanden (1 tot 2 keer per jaar maaien), wordt een moerasspirearuigte (Filipendulion) (rbb_hf) bekomen. De standplaatskenmerken van een moerasspirearuigte zijn echter nagenoeg identiek aan deze voor dotterbloemgraslanden. De kensoorten van een moerasspirearuigte zijn echter minder kritisch ten opzichte van de kwaliteit (bron: Systematiek van natuurtypen voor Vlaanderen - 8. Ruigten en zomen). Tabel 4-11

Referentiewaarden voor moerasspirearuigte (Filipendulion) (rbb_hf)

Referentiewaarden voor moerasspirearuigte (Filipendulion) (rbb_hf)

Waterdynamiek GLG

GVG

Gem. 70 cm -mv 20 cm +mv tot 175 cm -mv 170 tot 21 cm -mv (zandleem) 172 tot 42 cm -mv (lichte klei) Gem. 29 cm -mv 34 cm +mv tot 97 cm -mv

Flawet databank NICHE Flawet databank

189


Referentiewaarden voor moerasspirearuigte (Filipendulion) (rbb_hf) GHG Gem. 16 cm -mv 35 cm +mv tot 73 cm -mv 80 tot -31 cm -mv (zandleem) 45 tot -31 cm -mv (lichte klei) Overstroming Periodieke inundatie tijdens de winter mogelijk

Flawet databank NICHE

Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst

Poikilo-lithotroof

pH

5 tot 7,5

EC N

5,4 tot 7,6 600-4000 µmol/l (36,6 - 244 mg/l) Gem. 225 mg/l Gem. 705 µS/m <2 mg/l

P

<0,1 mg/l

N-NO3 N-NH4 P-PO4 SO4 Ca Fe

Gem. 0,54 mg/l Gem. 0,42 mg/l Gem. 0,06 mg/l Gem. 102 mg/l Gem. 104 mg/l 500-1600 µmol/l (27,9-89,4 mg/l) Gem. 13 mg/l <50 mg/l

HCO3

Cl

Blokland & Kleijberg (1997) Blokland & Kleijberg (1997) Flawet databank Ertsen et al. 2005 Flawet databank Flawet databank Blokland & Kleijberg (1997) Blokland & Kleijberg (1997) Flawet databank Flawet databank Flawet databank Flawet databank Flawet databank Ertsen et al. 2005 Flawet databank

4.3.1.2.3 Referentiewaarden moerasvegetaties De Scherpe zegge- en Oeverzeggengemeenschappen zijn verlandingsgemeenschappen in meso- tot eutroof, zoet tot zwak brak stilstaand of traagstromend water, vooral op circumneutrale minerale grond, met name op leem of klei, maar ook op veen (Vandenbussche et al., 2002). De gemeenschappen zijn van oorsprong rivier- of beekbegeleidend, maar komen secundair ook in laagveengebieden voor. Tevens in kleiputten, in natte duinvalleien, lage kommen en langs sloten in veenweidegebieden komen geschikte standplaatsen voor. Wanneer zich langdurige en/of frequente overstromingen voordoen kunnen Dottergraslanden en Moerasspirearuigten evolueren naar Grote zeggenvegetaties. Tabel 4-12

Referentiewaarden voor grote zeggenvegetaties (Caricion gracilis) (rbb_mc)

Referentiewaarden voor grote zeggenvegetaties (Caricion gracilis) (rbb_mc)

Waterdynamiek GLG

GVG

Gem. 40 cm -mv 19 cm +mv tot 99 cm -mv 55 tot -3 cm -mv Gem. 4 cm -mv

Flawet databank NICHE Flawet databank

190


Referentiewaarden voor grote zeggenvegetaties (Caricion gracilis) (rbb_mc) 27 cm +mv tot 57 cm -mv Flawet databank GHG Gem. 3 cm +mv 32 cm +mv tot 45 cm -mv NICHE 14 tot -37 cm -mv Dynamiek Het maaiveld mag niet het volledige jaar onder water staan; de vegetatie moet op zijn minst periodiek droogvallen. Overstroming Periodieke inundatie mogelijk Vlaamse met voedselrijk water Natuurtypologie; moerassen

Waterherkomst en grondwaterchemie pH HCO3

EC N-NO3 N-NH4 P-PO4 SO4 Ca Fe

5,9 tot 7,2 10-7400 µmol/l (0,61-452 mg/l) Gem. 272 mg/l Gem. 867 µS/m Gem. 0,48 mg/l Gem. 0,26 mg/l Gem. 0,09 mg/l Gem. 61 mg/l Gem. 116 mg/l Gem. 15 mg/l

Flawet databank B-ware Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet

databank databank databank databank databank databank databank databank

Rietland (rbb_mr) omvat pioniergemeenschappen in zoet tot (zwak) brak, doorgaans stilstaand tot zwak stromend, zwak eutroof tot eutroof water (Vandenbussche et al., 2002). Op zeer eutrofe standplaatsen is de gemeenschap vaak sterk verarmd. De bodem is meestal mineraal of venig en bedekt met een weke sapropeliumlaag 10, waarvan de dikte afhankelijk is van de waterstand. Van zodra overstroming zo goed als beperkt is tot de winter verandert het substraat van een week, slibrijk sapropel in een venige bodem, al of niet sterk veraard, die wel nog bedekt is met een oppervlakkige sapropellaag. Het water is doorgaans niet meer dan 70 cm diep, waarbij Mattenbies-, Ruwe bies- en Kleine lisdoddevegetaties de diepste standplaatsen innemen (gewoonlijk waterdiepte van meer dan 50 cm), terwijl vegetatietypen gedomineerd door Riet, Rietgras en Grote lisdodde gewoonlijk op een waterdiepte van 10 tot 50 cm groeien. “Typische rietlanden” komen voor op standplaatsen die niet meer constant onder water staan tot standplaatsen die ‘s zomers droogvallen en tijdens het winterhalfjaar of in uitzonderlijke omstandigheden overspoeld worden (semi-terrestrische rietlanden).

10

Humus kan worden ingedeeld naar het ontstaansmilieu. vertraagde afbraakprocessen zijn veel plantenresten nog van zuurstofarme, stilstaande en voedselrijke (eutrofe) organismen en planten, sapropelium (te vergelijken met H2S en methaan ontstaan).

In het aquatische milieu onderscheidt men veen (door de sterk ter herkennen), gytta (een modderige humusvorm op de bodem tot voedselarme (oligotrofe) wateren, met (resten van) microgyttja, maar gevormd onder anaerobe omstandigheden, waarbij

191


Tabel 4-13

Referentiewaarden voor rietmoerassen (Phragmition) (rbb_mr)

Referentiewaarden voor rietmoerassen (Phragmition) (rbb_mr)

Waterdynamiek GLG

GVG GHG

Dynamiek

Overstroming

Gem. 18 cm -mv 3 cm +mv tot 9 7cm -mv 20 tot -10 cm -mv Gem. 4 cm –mv 26 cm +mv tot 13 cm -mv Gem. 10 cm +mv 37 cm +mv tot 9 cm -mv 10 tot -70 cm -mv Droogvallen tijdens de zomer en mogelijk tijdelijk boven maaiveld in de winter Mogelijk periodieke inundatie tijdens winterhalfjaar

Flawet databank NICHE Flawet databank Flawet databank NICHE

Waterherkomst en grondwaterchemie pH HCO3

6,4 tot 7,2 10-7400 µmol/l (0,61-452 mg/l) Gem. 384 mg/l Gem. 864 µS/m Gem. 1,16 mg/l Gem. 0,64 mg/l Gem. 0,04 mg/l Gem. 86 mg/l Gem. 136 mg/l Gem. 8 mg/l

EC N-NO3 N-NH4 P-PO4 SO4 Ca Fe

Flawet databank B-ware Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet

databank databank databank databank databank databank databank databank

4.3.1.2.4 Referentiewaarden open water Tabel 4-14

Referentiewaarden voor van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150)

Referentiewaarden voor van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150)

Waterdynamiek Regime

Peilschommelingen tijdens het vegetatieseizoen: permanent waterhoudend; stilstaand tot zwak stromend

LSVI

6,5 tot 8,5 < 2 mg/l < 105 µg/l < 200 mg/l

LSVI LSVI LSVI LSVI

Waterherkomst en grondwaterchemie pH N-NO3 P Cl

192


4.3.1.2.5 Venen In het zuidoosten van het studiegebied werden kalktufbronnen gekarteerd, zodat dit habitattype (niet opgenomen in de s-IHD) wel als natuurdoeltype beschouwd mag worden. Tabel 4-15

Referentiewaarden voor kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion) (7220)

Referentiewaarden voor Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion) (7220)

Waterdynamiek GLG GVG Overstroming

Gem. 0 cm mv 10 cm -mv tot 10 cm +mv Gem. 0 cm mv 10 cm -mv tot 10 cm +mv n.v.t.

LSVI LSVI

Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst HCO3 Ca

4.3.2

Lithotroof >110 mg/l >60 mg/l

LSVI LSVI

Ruimtelijke spreiding natuurdoeltypen op basis van GXG

Voorgaande referentiewaarden voor de GXG, maken een ruimtelijke analyse van de natuurdoeltypes mogelijk in zowel de actuele als de historische toestand. Er wordt hierbij gebruik gemaakt van de referentiewaarden vanuit het NICHE-model (GHG en GLG binnen de range voor de percentielen 25-75, om een voldoende nauwe range van de standplaatsgeschiktheid te bekomen). Tabel 4-16 specificeert de referentiewaarden binnen de percentielgrenzen. Er worden hier enkel waarden gegeven voor vegetatietypen die een 1:1 link kennen met de waarden die in NICHE worden aangewend. In bijlage 7 wordt een ruimere voorspelling gegeven (minimum-maximum range, ook voor 6410_ve, rbb_mc en rbb_mr met de daarbij best aanleunende vegetatietypes in NICHE). Daarnaast wordt in bijlage 7, ook de voorspelling binnen de range voor de percentiel 10-90 gegeven. Enkele opmerkingen bij het gebruik van deze waarden; ▪

De vegetatievoorspelling in Niche gebeurt op basis van de GHG en GLG

▪

De vegetatievoorspelling is in princpe afhankelijk van het bodemtype. Voor onderstaande tabel werden enkel de waarden voorkomend op veengrond uitgesloten. In bijlage 7, waarin ook de spreiding voor de maximale range wordt gegeven, wordt wel rekening gehouden met het specifieke bodemtype. Hier zullen de waarden op zandleem of klei voor sommige vegetatietypes verschillen.

▪

Type 91E0_bron is een bijzonder type en is niet met Niche te berekenen ‘Dit bostype zit dikwijls ingebed in drogere bostypen van het Eiken‐haagbeukenverbond (Carpinion) op hellingen en vormt punt‐ of lijnvormig elementen langs bronnen en bronbeekjes. Bij het gebruik van NICHE zijn deze detailgegevens vaak niet voorhanden en is dit type niet te berekenen.’ Zoals hoger aangegeven worden de types 6410_ve, rbb_mc en rbb_mr enkel bij de ruime voorspellingen in bijlage 7 weergegeven.

193


▪

De aquatische rietvegetaties komen voor in gebieden met constant hoge grondwaterstanden. Een deel van de rietvegetaties komt echter ook voor samen met de standplaatsgeschiktheid van de grote zeggenvegetaties.

Tabel 4-16

Referentiewaarden grondwaterstanden (uitgedrukt in cm onder maaiveld) voor de 25-75 percentielen Code 91E0_veb

GHG GLG p25 p75 p25 p75 (cm -mv) (cm -mv) (cm -mv) (cm -mv)

Vegetatietype Elzen-Olmen-Essenbos

18

0

57

18

91E0_meso Mesotroof Elzenbroekbos

15

-1

94

38

91E0_eutr

Ruigte-Elzenbroek

22

-17

65

18

6510_hu

Glanshaverhooilanden

90

56

177

123

rbb_hc

Dotterbloemgraslanden

7

-2

69

34

6430_hf

Moerasspirearuigten (N2000)

40

6

105

50

Onderstaand worden voor de actuele en de historische toestand voor alle vegetatietypen potentiekaarten voorgesteld die rekening houden met de referentiewaarden zoals gesteld in Tabel 4-16. Deze kaarten geven de locaties weer waarvoor cumulatief (groen) aan de voorwaarden voor GHG (blauw) en GLG (geel) voldaan is. Er dient benadrukt te worden dat dit indicatieve kaarten zijn, die als doelstelling hebben om de ruimtelijke potenties voor de verschillende natuurdoeltypen te vergelijken op basis van enkel de grondwaterstanden. De kaarten hebben niet als finaliteit om de gedetailleerde ruimtelijke contouren van de gewenste vegetatietypes weer te geven (daarvoor dient met diverse abiotische parameters, alsook het gevoerde beheer rekening gehouden te worden). Daarnaast worden uiteraard grondwaterafhankelijk zijn.

enkel

kaarten

gemaakt

voor

de

natuurdoeltypen

die

Hierna volgt een beknopte bespreking die de verschillen tussen de actuele en historische toestand verklaart. Algemeen zijn de verschillen in potenties uiteraard vooral te situeren in de zone waarin een wijziging van de grondwaterstand optreedt. Om deze reden zijn de potenties in het zuidoostelijk deel van het studiegebied en de zone ten noorden van de E40, nagenoeg gelijk op beide tijdstippen. ▪

Voor alle broekbostypes (91E0) is een sterke achteruitgang van de potenties opmerkelijk in de actuele ten opzichte van de historishe toestand. Zoals reeds duidelijk werd uit de standplaatseigenschappen, is een waterstand die jaarrond boven het maaiveld staat niet geschikt. De volledige centrale, vernatte, zone is hierdoor ongeschikt geworden. Op basis van de GXG zijn de potenties in de actuele toestand voor 91E0_eutr en 91E0_meso het grootst.

194


De spreiding voor de actuele toestand is in belangrijke mate te vergelijken met het effectieve voorkomen op terrein (Figuur 2-7). ▪

De veldrusgraslanden (6410_ve) kenden belangrijke potenties in de centrale komgrond bij de historische grondwaterstanden. In de actuele toestand zijn enkel restzones aan de randen van het studiegebied (buiten de vernatte zone) mogelijk (zie bijlage 7).

▪

De glanshavergraslanden (6510_hu) kennen een kleiner verschil in ruimtelijke spreiding tussen de historische en de actuele toestand, doordat de centrale zone ook in de historische toestand reeds te nat was. De zone parallel aan de Dender kent in de actuele toestand nog potenties.

▪

De potenties voor dotterbloemgraslanden (regionaal belangrijk biotoop) kende in de historische toestand belangrijke potenties in het centrale gebied. In de actuele toestand is deze zone te nat geworden.

▪

De potenties voor moerasspirearuigten (Natura2000) waren slechts beperkt groter in de historische toestand. Ook daar waren in het centrale gebied vroeger de grondwaterstanden reeds te hoog.

▪

Het studiegebied kent, op basis van de grondwaterstanden, zowel in de historische als in de actuele toestand belangrijke potenties voor grote zeggenvegetaties en rietvegetaties. In de actuele toestand is de centrale zone echter te nat voor dit vegetatietype (zie bijlage 7).

▪

De aquatische rietvegetaties tenslotten, kenden in de historische situatie belangrijke potenties op de nattere zones in de komgrond. In de actuele toestand is het centrale gedeelte geschikt door de constant hoge waterstanden (zie bijlage 7).

195


Figuur 4-4

Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range percentiel 25-75).

196


Figuur 4-5

Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range percentiel 25-75).

197


Figuur 4-6

Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range percentiel 25-75).

198


Figuur 4-7

Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range percentiel 25-75).

199


Figuur 4-8

Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG

200


Figuur 4-9

Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG

201


4.3.3

Knelpunten en potenties gewenste natuurdoeltypen

4.3.3.1 Algemene bevindingen: ▪

De waterstanden zijn jaarrond te hoog (stagenerend oppervlaktewater in het centrale gedeelte kende een enorme uitbreiding de laatste 2 decennia) om de gewenste natuurdoeltypen (in gradiënten van droog naar nat) te ontwikkelen. Er is als gevolg hiervan te weinig dynamiek en doorstroming. Alle vooropgestelde natuurdoeltypen (uitgezonderd 3150) vereisen in mindere of meerdere mate een grondwaterdynamiek; in het vegetatieseizoen moet een zekere bodemaëratie aanwezig zijn, dit is momenteel niet het geval. De hoge grondwaterstanden beperken bovendien de kweldruk in de komgronden, die essentieel is voor de ontwikkeling van bepaalde vegetatietypes zoals Dotterbloemgraslanden. De kwelintensiteiten op de rand van de oeverwal zijn weinig gewijzigd ten opzichte van de historische toestand en nog steeds voldoende hoog.

▪

De slechte waterkwaliteit (hoge nitraat- en fosfaatwaarden) van het instromend oppervlaktewater heeft, in combinatie met het stagneren van dit water, de toegenomen eutrofiëring van het gebied tot gevolg gehad (alsook de instroom van een aantal andere vervuilende parameters zoals Chloor). De sulfwaarden in het gebied waren historisch al hoog.

▪

De grondwaterkenmerken (diepe kwel) zijn goed gebleven (kalk- en lokaal ook ijzerrijk).

Voor de overige hydrochemische parameters worden de knelpunten en potenties per natuurdoeltype besproken. 1. Bossen ▪

▪

▪

Elzen-Olmen-Essenbos (Ulmo-Fraxinetum) (91E0_veb) o

De N-NO3 en P-PO4 waarden zijn beperkt gestegen, maar vallen voor het merendeel van de metingen binnen de amplitude van voorkomen. De N-NH4 waarden zijn gedaald en vallen tevens binnen de amplitude.

o

De HCO3-waarde is niet gewijzigd ten opzichte van de historische toestand en hoger dan de referentiewaarde.

Vochtige Elzen-Essenbossen (Circaeo-Alnion) (91E0_bron) o

Idem aan 91E0_veb.

o

Dit habitattype heeft permanent uittredend bronwater nodig, zodat alle zones waar een voldoende kwelintensiteit aanwezig is (actueel in zeker aan de steilrand, maar na herstel mogelijk ook in de komgronden) potenties hebben voor ontwikkeling van dit vegetatietype.

Mesotroof Elzenbroekbos (Carici elongatae-Alnetum) (91E0_meso) o

De pH binnen het studiegebied bevindt zich meestal binnen de amplitude van dit vegetatietype. De HCO3-, EC en Ca-waarden zijn opmerkelijk hoger.

202


▪

▪

o

De N-NO3-, P-PO4- en N-NH4-waarden zijn allemaal lager dan de gemiddelde waarden van de standplaatskenmerken.

o

De Fe-waarden in het grondwater zijn lokaal voldoende hoog (ijzerrijke kwel ter hoogte van de steilrand). Vooral de zuidoostelijke zone wordt gekenmerkt door ijzerrijk grondwater (en kwel), alsook de zone aan de steilrand in het westen van het studiegebied. In de komgrond zijn de Fe-waarden soms te laag voor ontwikkeling van dit vegetatietype.

Ruigte-Elzenbroek (Macrophorbio-alnetum) (91E0_eutr) o

Analoog aan voorgaande 91E0. De grondwaterstand dient echter onder het maaiveld te blijven, zowel in de winter als in de zomer.

o

De vereiste Fe-waarde voor dit type is volgens de literatuur lager dan 91E0_meso (zie hoger).

Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) (9120) o

▪

Potenties op de droogste standplaatsen binnen het studiegebied (zuidoostelijk deel).

Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum (9130) o

Potenties op de droogste standplaatsen binnen het studiegebied (zuidoostelijk deel).

2. Graslanden ▪

▪

Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem ( Molinion caruleae) (6410_ve) o

De HCO3 waarden zijn actueel (en historisch) te hoog voor ontwikkeling van dit type. Enkel ter hoogte van peilbuis 36 werden waarden gemeten die binnen de amplitude vallen. Op deze plaats komt momenteel een alluviaal Essen-Olmenbos voor.

o

De N-NO3-, P-PO4- en N-NH4-waarden zijn allemaal lager dan de gemiddelde waarden van de standplaatskenmerken.

o

De Fe-waarden vallen meestal binnen de grenswaarden, enkel de zuidoostelijke zone met ijzerrijke kwel kent (te) hoge waarden.

Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430_hf) o

▪

De N-NO3-, P-PO4- en N-NH4-waarden zijn allemaal lager dan de gemiddelde waarden van de standplaatskenmerken.

Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) (6510_hu) o

De N-NO3-, P-PO4- en N-NH4-waarden zijn allemaal lager dan de gemiddelde waarden van de standplaatskenmerken. 203


▪

▪

o

pH, SO4 en Fe-waarden liggen actueel voor dit habitattype binnen de (theoretische marges).

o

De bicarbonaat en Ca-waarden zijn over het hele gebied in principe eerder te hoog.

Dotterbloemgraslanden (Calthion palustris) (rbb_hc) o

De N-NO3-, P-PO4- en N-NH4-waarden zijn allemaal lager dan de gemiddelde waarden van de standplaatskenmerken.

o

Verspreid in het gebied komt voldoende ijzerrijke kwel voor, deze zone kennen belangrijke potenties voor de ontwikkeling van dit habitattype (actueel bevindt zich hier het enige relict van Dotterbloemgrasland in het zuidwestelijk deel van het gebied).

Moerasspirearuigten (Filipendulion) (rbb_hf) o

Idem aan dotterbloemgraslanden. Bij stopzetten van het beheer voor dotterbloemgraslanden (1 tot 2 keer per jaar maaien), wordt een moerasspirearuigte (Filipendulion) (rbb_hf) bekomen. De standplaatskenmerken van een moerasspirearuigte zijn echter nagenoeg identiek aan deze voor dotterbloemgraslanden. De kensoorten van een moerasspirearuigte zijn echter minder kritisch ten opzichte van de kwaliteit.

3. Moerasvegetaties ▪

▪

Grote zeggenvegetaties (Caricion gracilis) (rbb_mc) o

De N-NO3-, P-PO4- en N-NH4-waarden zijn allemaal lager dan de gemiddelde waarden van de standplaatskenmerken.

o

De gemeten hydrochemische parameters in het matig vernatte gedeelte van het gebied (zone die nog een beperkte dynamiek kent), situeren zich nagenoeg volledig binnen de range van de standplaatsgeschiktheid voor dit type. Een te eutrofe toestand zonder enige dynamiek en permanent stagenerend oppervlakte zal dit type doen verdwijnen.

Rietmoerassen (Phragmition) (rbb_mr) o

De N-NO3-, P-PO4- en N-NH4-waarden zijn allemaal lager dan de gemiddelde waarden van de standplaatskenmerken.

o

Ook dit vegetatietype komt voor in een relatief brede ecologische niche. Dit vegetatietype kende een sterke uitbreiding door de vernatting en daarmee gepaard gaande eutrofiëring van het gebied en actueel situeren de gemeten hydrochemische parameters voor deze natte zone zich dan ook grotendeels binnen de range van standplaatsgeschiktheid.

204


4. Open water ▪

Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150) Er werden geen metingen gedaan van de actueel aanwezige oppervlaktewaters die potentie hebben om te evolueren naar habitattype 3150.

5. Venen ▪

Kalktufbronnen Dit type komt actueel al in een goede staat van instandhouding voor op de steilrand in het zuidoostelijke deel van het studiegebied. Zowel de HCO 3 als de Ca-waarden zijn op deze locatie (en in het volledige studigebied) geschikt, zodat mag aangenomen worden dat de volledige steilrand met kwelintensiteiten potenties heeft voor dit habitattype.

4.3.3.2 Potenties en randvoorwaarden als input voor scenario’s 4.3.3.2.1 Potenties in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen Om te voldoen aan de instandhoudingsdoelstellingen, moeten de oppervlakten van de verschillende natuurdoeltypen zoals vooropgesteld in Tabel 4-2 worden gerealiseerd. In §4.3.1 wordt duidelijk dat vooral dat de (grond-)waterstanden in combinatie met een te eutrofe toestand limiterend zijn voor de realisatie van zowel een aantal soortenrijke graslandtypes, als bepaalde broekbostypes. De actuele hydrologische en hydrochemische situatie van stagenerend oppervlaktewater heeft vooral een uitbreiding van eutroof stagnerend water, rietvegetatie (met voornamelijk Liesgras) en wilgenstruweel bewerkstelligd. De hydrochemische toestand van het grondwater is echter voldoende goed om een herstel/ontwikkeling van soortenrijke graslanden, moerasvegetatie en elzenbroekbossen te bekomen. Voor het realiseren van een aaneengesloten grasland- en moeraskern van 30 ha (cfr. Tabel 4-2), zijn de potenties in de Wellemeersen (t.o.v. de Kapellemeersen) het grootst. Figuur 4-10 geeft, op basis van de historische en actuele vegetatie én op basis van de abiotische (hydrologische en hydrochemische) kenmerken van het gebied, de percelen met een belangrijke potentie voor ontwikkelen van een grasland- en moeraskern. Er wordt een oppervlakte van ruim 30 ha bereikt. De overige oppervlakte zal (zowel voor de Kapellemeersen) quasi volledig ingevuld moeten worden met elzenbroekbos (91E0).

205


Figuur 4-10

Potenties voor de realisatie van een aangesloten grasland- en moeraskern

4.3.3.2.2 Randvoorwaarden Volgende randvoorwaarden zijn relevant bij het ontwikkelen van de scenario’s (onafhankelijk van het ambitieniveau dat wordt nagestreefd), willen de instandhoudingsdoelstellingen gerealiseerd kunnen worden.

Hydrologisch Herstel van de oppervlaktewaterafvoer in het gebied moet leiden tot: ▪

Snellere afvoer van nutriëntenrijk en vervuild oppervlaktewater

▪

Herstel GXG met voldoende dynamiek en verbeterde doorstroming

▪

Herstel kwelintensiteit in de komgronden 206


Hydrochemisch ▪

Een verbeterde kwaliteit van het oppervlaktewater dat in het gebied stroomt is wenselijk, maar grotendeels afhankelijk van externe factoren

Duurzaamheid ▪

De inrichtingsmaatregelen moeten duurzaam zijn, in de zin dat de lokale terreinbeherende instantie (na éénmalige inrichting door VLM) moet kunnen instaan voor het onderhoud ervan

▪

Een gefaseerde inrichting wordt als een mogelijkheid beschouwd (bv. efficiëntie ruiming Rijt monitoren alvorens bijkomende drainage wordt voorzien)

Er wordt aangenomen dat volgende inrichtingsmaatregelen deel kunnen uitmaken van de te bestuderen scenario’s; ▪

Ruimen van de provinciale Rijt (+ zo nodig een oppervlakig grachtenstelsel voorzien)

▪

Voorzien toegankelijkheid (in functie van beheerbaarheid), vooral naar beheermaatregelen in functie van het garanderen van de afwatering (dienstweg langs de Rijt).

▪

Kappen van verboste open vegetaties in functie van habitatherstel (grasland- en moerascomplex)

▪

Inrichting begrazingsblokken voor extensieve begrazing

▪

…

207


5.

LUIK 4 – CONCEPTVISIE – ONTWIKKELINGSSCENARIO’S

5.1

Doelstelling

In dit luik worden 2 ontwikkelingsscenario’s, die voldoen aan de randvoorwaarden zoals geschetst in §4.3.3.2.2 in concept uitgewerkt. Het eerste scenario betreft een scenario met een laag ambitieniveau, waarbij enkel de provinciale Rijt onderhouden zal worden, het tweede scenario betreft een scenario met een maximale ontwatering. Na een inhoudelijke beschrijving van de scenario’s (§5.2), wordt hun effect op het studiegebied zowel naar abiotiek als biotiek besproken. Betreffende de abiotiek worden beide scenario’s met het grondwatermodel doorgerekend (§5.3), om de impact op de grondwaterstanden te kennen, mede als input voor de realisatie van de gewenste natuurdoeltypen (§4.3). Op basis van de abiotische kenmerken van de scenario’s, worden potentiekaarten opgemaakt (§5.4.1) en worden realistische wensbeelden van vegetatie voorgesteld (§5.4.2). Uitgangspunt hierbij is het ontwikkelen van en duurzaam instandhouden van de vooropgestelde natuurdoeltypen van de SBZ. Voor de beide scenario’s worden tot slot een overzicht van de noodzakelijke werkzaamheden (zowel eenmalige inrichting als beheer) gemaakt.

5.2

Beschrijving 2 ontwikkelingsscenario’s

5.2.1

Minimaal ambitieniveau - scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’

In het scenario van de onderhouden Provinciale Rijt (Figuur 5-1) worden de inspanningen voor het onderhoud van de waterlopen beperkt tot de waterlopen die op dit moment nog in goede staat zijn. Van de waterlopen die thans werden geïnventariseerd en als watervoerend worden beschouwd in de grondwatermodellering, wordt de bovenloop van de gemeentelijke Rijt als niet voldoende onderhouden beschouwd. De overblijvende waterlopen worden voldoende verbreed en onderhouden met het oog op een stuwpeil van 8.2 mTAW in het centrale deel van de Wellemeersen. De gemiddelde waterstand van de Dender ter hoogte van het de Wellemeersen bedraagt 7.8 mTAW. Gelet op de relatief lage afvoeren van de Provinciale Rijt wordt een opstuwing door middel van een (vispasseerbare) stuw noodzakelijk geacht. Bij de beschouwde afvoeren (enkele 10-tallen liters/s) en de vermoedelijke breedte van de overlaat naar de Dender (2 meter) is de overstortende laag te verwaarlozen. De opgestuwde waterstanden worden onafhankelijk beschouwd van de afvoeren en derhalve onafhankelijk van de seizoenen.

208


Figuur 5-1

5.2.2

Scenario “onderhouden provinciale Rijt”

Maximaal ambitieniveau - scenario ‘Maximale ontwatering’

In het scenario van de maximale ontwatering worden de huidige waterlooptracés behouden en uitgebreid met historische drainagegrachten. De uitbreiding met extra drainagegrachten situeert zich in hoofdzaak in het zuidelijk deel van het projectgebied én met aantakking op de gemeentelijke Rijt (rode lijnen in Figuur 5-9). Het streefpeil in het centrale deel van de Wellemeersen bedraagt 8.0 mTAW. Analoog aan bovenstaand scenario van de ‘onderhouden provinciale Rijt’ wordt een ruiming 209


en opstuwing nodig geacht waardoor geen seizoenale variatie van het waterpeilen in de drainagegrachten wordt beschouwd.

Figuur 5-2

5.2.3

Scenario “maximale ontwatering”

Hydrologische inrichtings- en onderhoudsmaatregelen scenario’s

Voor ieder scenario wordt een overzicht gegeven van de hydrologische maatregelen die deel uitmaken van dit scenario. Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt tussen éénmalige inrichtingsmaatregelen en terugkerende onderhoudsmaatregelen (Figuur 5-4 en Figuur 5-7). Deze bespreking vormt tevens 210


de basis voor de beoordeling van beide scenario’s naar duurzaamheid (haalbaarheid) van de scenario’s op vlak van (financiële) inspanningen en technische haalbaarheid. Het toetsen van de scenario’s aan de beoogde natuurdoeltypen gebeurt in §5.4, hier wordt ook kort ingegaan op het vereiste beheer van de scenario’s.

5.2.3.1 Minimaal ambitieniveau - scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’ 5.2.3.1.1 Inrichtingsmaatregelen 1.

Inrichten provinciale Rijt

Teneinde een regelmatig onderhoud van de provinciale Rijt mogelijk te maken, wordt een inrichting volgens onderstaand profiel voorgesteld. Een smalle (1 m) en ondiepe (0.50 m) beek krijgt de voorkeur om een iets hogere stroomsnelheid te creëren (en minder aanslibbing). Ecologische gezien biedt een zwakke oeverhelling meer mogelijkheden voor de ontwikkeling ecologische interessante overgangsgebieden. Gezien echter uit de analyse blijkt dat vooral ontbreken van (de mogelijkheid tot) het ruimen van de provinciale Rijt heeft geleid tot achteruitgang van de natuurwaarden in het valleigebied, wordt gekozen voor een 8/4 helling naastliggende dijk die jaarlijks onderhoud mogelijk moet maken.

van het een met

Er worden een plasberm op 8.30 mTAW en een naastliggende dijk op 8,7 mTAW aangelegd, om op die manier de grotere afvoeren te kunnen opvangen en zo het overstromen met vervuild oppervlaktewater in het natuurgebied tot een minimum te beperken. Aan minstens één zijde van de Rijt wordt de dijk breed uitgewerkt (5m) om onderhoud mogelijk te maken. Aan de andere zijde wordt in ieder geval ook een (mogelijk smallere) dijk op 8,7 mTAW voorzien om ook hier een overstroming met water van lage kwaliteit onmogelijk te maken. Gezien de waterbodem vervuild is, dient voorafgaandelijk aan de werken een bestemming voor het sediment gezocht te worden.

211


Figuur 5-3

Indicatief dwarsprofiel provinciale Rijt scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’

212


2.

Plaatsen vispasseerbare stuw

Ter hoogte van de monding van de provinciale Rijt in de Dender wordt een stuw geplaatst die het waterpeil op 8.2 mTAW regelt.

1] Inrichten provinciale Rijt 2] Plaatsen vispasseerbare stuw

213


Figuur 5-4

Inrichtingsmaatregelen scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’

Gezien de provinciale Rijt is aangeduid als een prioritaire waterloop voor vismigratie, dient een vispassage (V-vormige overlaat) voorzien te worden. Gezien de Dender op 7,8 mTAW staat, dient een passage met 4 trappen (10 cm) aangelegd te worden.

Figuur 5-5

Principeschets van een V-vormige overlaat (met verticaal slot) (bron: handboek vismigratie)

5.2.3.1.2 Onderhoudsmaatregelen 1.

Jaarlijkse beheer waterlopen

Om voldoende afvoer te verzekeren moeten de waterlopen en grachten in het studiegebied regelmatig onderhouden worden. Het beheer ervan kan ingedeeld worden in; ▪

Maaien en ruimen (regulier onderhoud)

▪

Herstel- en onderhoudswerken aan de oever

▪

Werken aan de waterloop

Er wordt hierna enkel kort ingegaan op het maaien en ruimen van de waterloop (de overige twee maatregelen zijn als ad hoc-maatregelen in functie van de noden). De mogelijke onderhoudsmaatregelen in functie van het maaien en ruimen van de provinciale Rijt en de overige drainagegrachten worden hierna beschouwd, met indicatie van de effecten voor de Wellemeersen, alsook enkele randvoorwaarden bij uitvoering. Er dient een concreet plan te worden opgemaakt om de hydrologische toestand in het gebied op systematische wijze te beheren.

214


Specifieke maatregel Oppervlakkig Het wegnemen en afvoeren van allerlei ruimen ongewenste materialen en voorwerpen zoals afval, vuil, grove plantenresten, takken, boomstukken,… Slibruimen Het wegnemen en afvoeren van het sediment op de bodem en de taldus van de open waterloopgedeelten, met inbegrip van allerlei ongewenste materialen en voorwerpen die zich in het sediment bevinden. Bij een grondige ruiming gebeurt tegelijkertijd een kruidruiming; de planten worden dan volledig verwijderd, inclusief wortels

Positief effect Wellemeersen ++ Versnelde afvoer

Frequentie 1 x per jaar

Randvoorwaarden -

++

Versnelde afvoer

Om de 2 jaar

▪ ▪

+

Afvoer waterbodem met slechte kwaliteit

-

Verstoring bodemleven

▪ ▪ ▪

▪

▪

Maaien van de talud- en/of oevervegetatie

11

Het inkorten van de talud- en/of oevervegetatie tot op een gelijkmatige hoogte. Tezelfdertijd worden ongewenste materialen en voorwerpen weggenomen en afgevoerd.

++

Beheer van oever/waterloopvegetatie is nodig om opstuwing te beperken

++

Versneld verwijderen van nutriënten uit het natuurgebied.

Maximaal 2 x per jaar

▪

Enkel de sliblaag mag geruimd worden. Aandacht voor nabestemming sediment (vervuilde waterbodem) – enkel sediment op de oevers deponeren indien dit voldoet aan de kwaliteitsvereisten Machinaal onderhoud gebeurt best zo laat mogelijk op het jaar11 Geen vismigratieknelpunten creëren Controlen sediment op vissen en andere fauna en overlevende exemplaren terug in het water brengen Gefaseerde werking geniet vanuit ecologisch oogpunt de voorkeur (indien voldoende afvoer verzekerd blijft) de werkrichting is best tegengesteld aan de stroomrichting, zo werkt men met een maximale helderheidsgraad in het water. De ruige, kruidige vegetatie van een ruige oeverzone blijft in stand door één keer per twee jaar, liefst gefaseerd, te maaien en het maaisel af te voeren. Door gefaseerd te maaien blijven delen van de ruigte beschikbaar voor overwinterende dieren die er voedsel en beschutting vinden. Als het

Als eenvoudige vuistregel geldt: beheer best tussen september en januari. De werken worden immers bij voorkeur uitgevoerd buiten het broed- en paaiseizoen. Algemeen geldt voor: ▪ vegetatie: beheer na bloei en voor zaadzetting = vóór 01/04 of na 01/09. ▪ zoogdieren: beheer vóór 01/04 of na 01/09. ▪ vogels: beheer buiten broedseizoen = vóór 15/03 of na 15/07. ▪ amfibieën: beheer na voortplantingsperiode en voor winterslaap = tussen 01/08 en 01/11. ▪ vissen: beheer na voortplantingsperiode en voor winterrust = tussen 01/09 en 01/12.

215


Specifieke maatregel

Maaien van de bodemvegetatie

Het maaien en wegnemen van de waterplanten.

Positief effect Wellemeersen Wegnemen waterplanten beperkt waterzuiverende functie

Idem aan oevervegetatie

maaien

Frequentie

Randvoorwaarden aandeel aan bloemplanten gering is en de ruigte ‘s zomers eentonig blijft met soorten als brandnetel en pitrus, is een hogere maaifrequentie aan te raden zodat na enkele jaren bloemplanten zich wel kunnen vestigen. ▪ De talud van de oever wordt maximaal 2 keer per jaar (en bij voorkeur manueel gemaaid (best zo laat mogelijk op het jaar, de eerste maaibeurt na 15 juni). Het maaien wordt gespreid in de tijd en ruimte, door een deel van de te maaien oppervlakte (10 à 20%) niet te maaien. Ieder jaar moet op dezelfde plaats op ongeveer hetzelfde tijdstip en met dezelfde frequentie gemaaid worden. Het maaisel dient afgevoerd te worden. ▪ Bij voorkeur manueel maaien (best zo laat mogelijk op het jaar)11, de meest gunstige maaiperiode is september-oktober ▪ Geen vismigratieknelpunten creëren ▪ Vegetatie gedeeltelijk laten staan ▪ Afwisselend linker- en rechterzijde waterloop maaien ▪ Afvoeren maaisel ▪ Controlen maaisel op vissen en andere fauna en overlevende exemplaren terug in het water brengen ▪ Gefaseerde werking geniet vanuit ecologisch oogpunt de voorkeur (indien voldoende afvoer verzekerd blijft) ▪ de werkrichting is best tegengesteld aan de stroomrichting, zo werkt men met een maximale helderheidsgraad in het water.

216


5.2.3.2 Maximaal ambitieniveau - scenario ‘Maximale ontwatering’ 5.2.3.2.1 Inrichtingsmaatregelen 1. Inrichten provinciale Rijt Analoog met §5.2.3.1.1 wordt de provinciale Rijt verbreed ingericht met plasberm en dijken.

217


Figuur 5-6

Indicatief dwarsprofiel provinciale Rijt scenario ‘Maximale ontwatering’

218


2. Plaatsen stuw Ter hoogte van de monding van de provinciale Rijt in de Dender wordt een stuw geplaatst die het waterpeil op 8.0 mTAW regelt. Voor wat betreft de vispasseerbare stuw, dient een passage met 2 trappen (10 cm) aangelegd te worden om het verschil tussen het stuwpeil van 8.00 mTAW en het niveau van de Dender te overbruggen. 3. Aanleggen historisch grachtenstelsel Dit scenario gaat uit van een maximale ontwatering, zodat een nieuw grachtenstelsel wordt aangelegd. De uitbreiding met extra drainagegrachten situeert zich in hoofdzaak in het zuidelijk deel van het projectgebied én met aantakking op de gemeentelijke Rijt (rode lijnen in Figuur 5-9). De ligging van de grachten is gebaseerd op oude kaarten en terreinkennis. Het doel van de grachten is ervoor te zorgen dat regen- en oppervlaktewater sneller worden afgevoerd, opdat de kwelinvloed in dit centrale gebied groter zou kunnen zijn. Indien de bodemkwaliteit dit toelaat kan overwogen worden de uitgegraven grond langs de drainagegracht te leggen om zo een beperkte toegang voor onderhoud te voorzien.

219


1] Inrichten provinciale Rijt 2] Plaatsen vispasseerbare stuw 3] Aanleggen historisch grachtenstelsel

Figuur 5-7

Inrichtingsmaatregelen scenario ‘Maximale ontwatering’

220


5.2.3.2.2 Onderhoudsmaatregelen Zie §5.2.3.1.2.

5.3

Grondwatermodellering 2 ontwikkelingsscenario’s

5.3.1

Minimaal ambitieniveau - scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’

Het vooropgestelde stuwpeil is lager dan het maaiveld in het centrale deel van de Wellemeersen (8.38.4 mTAW). Er wordt vlotte oppervlakkige ontwatering aangenomen. Model-technisch verschilt het scenario ‘onderhouden provinciale Rijt’ t.o.v. de historische toestand 1993/2004 in het verwijderen van de bovenloop van de Gemeentelijke Rijt (rode lijn in Figuur 5-8). Er wordt een vaste waterstand van 8.2 mTAW opgelegd in de waterlopen in het centrale deel van de Wellemeersen, in tegenstelling tot 7.9-8.0-8.1 mTAW in de historische toestand (cf. Figuur 3-66).

Figuur 5-8

Rivierrandvoorwaarden scenario “onderhouden provinciale Rijt”

De berekende grondwaterstanden in het modeldomein van het scenario van de onderhouden provinciale Rijt worden weergeven onder de vorm van gemiddelde grondwaterstanden voor de jaargemiddelde grondwatervoeding (Figuur 5-11), winterse grondwatervoeding (Figuur 5-12) en de situatie tijdens de zomermaanden (Figuur 5-10), de grondwaterdynamiek (winterse – zomerse grondwaterstanden) in Figuur 5-13 en de kwelfluxen (Figuur 5-14). In Figuur 5-15 wordt het verschil in grondwaterstand weergegeven tussen de het scenario van de provinciale onderhouden Rijt en de huidige situatie 2014 en dit voor de verschillende toestanden van de grondwatervoeding. De berekende grondwaterstanden in het scenario zijn vergelijkbaar met de historische situatie 19932004. Met uitzondering van de opgelegde oppervlaktewaterpeilen en het verkorten van de gemeentelijke Rijt zijn de scenario’s vergelijkbaar: ▪

Grondwaterstanden tijdens de zomer tot maaiveld langs het talud en dalend tot 70 cm-mv naar het noordoosten richting Dender.

221


▪

Grondwaterstanden tijdens de winter tot 10 cm boven maaiveld

▪

Een grondwaterdynamiek van 0 m langs de stijlrand tot 80 cm naar het noordoosten tegen de Dender.

▪

De kwelintensiteit van 2e naar bovenste watervoerende laag verschil slechts beperkt (minder dan 0.2 mm/dag) met de overige toestanden.

Daar de grondwaterstanden slechts beperkt verschillen van de historische toestand wordt de impact van het scenario bij voorkeur weergegeven t.o.v. de huidige toestand (Figuur 5-15). Hier wordt de wijziging van de hydrografie duidelijk zichtbaar wanneer de verschilkaart Figuur 5-15 wordt vergeleken met Figuur 3-82. Daar waar in de historische toestand, bij een jaargemiddelde voeding (Figuur 3-82), de drainage van de gemeentelijke Rijt nog duidelijk zichtbaar is rond de as van de waterloop, worden geen waterstandsdalingen gemodelleerd t.o.v. dan huidige toestand met het voorgestelde scenario. De opgelegde waterstanden in het scenario (8.2 mTAW) benaderen de jaargemiddelde grondwaterstanden.

5.3.2

Maximaal ambitieniveau - scenario ‘Maximale ontwatering’

In het scenario van de maximale ontwatering worden de huidige waterlooptracés behouden en uitgebreid met historische drainagegrachten. De uitbreiding met extra drainagegrachten situeert zich in hoofdzaak in het zuidelijk deel van het projectgebied én met aantakking op de gemeentelijke Rijt (rode lijnen in Figuur 5-9). Het streefpeil in het centrale deel van de Wellemeersen bedraagt 8.0 mTAW. Analoog aan bovenstaand scenario van de ‘onderhouden provinciale Rijt’ wordt een ruiming en opstuwing nodig geacht waardoor geen seizoenale variatie van het waterpeilen in de drainagegrachten wordt beschouwd.

222


Figuur 5-9

Uitbreiding bestaand drainagenetwerk i.k.v. scenario “maximale ontwatering”

De berekende grondwaterstanden in het modeldomein van het scenario van de maximale ontwatering worden weergeven onder de vorm van gemiddelde grondwaterstanden voor de jaargemiddelde grondwatervoeding (Figuur 5-11), winterse grondwatervoeding (Figuur 5-12) en de situatie tijdens de zomermaanden (Figuur 5-10), de grondwaterdynamiek (winterse – zomerse grondwaterstanden) in Figuur 5-13 en de kwelfluxen (Figuur 5-14). Resultaten van dit scenario worden daarnaast voorgesteld aan de hand van de verschilkaarten, respectievelijk met de huidige toestand (Figuur 5-16) en met het scenario van de Provinciale Rijt in Figuur 5-17. Als gevolg van de uitbreiding van de drainagegrachten breidt de zone met een significante grondwaterstandsdaling t.o.v. de huidige toestand zich verder uit naar de talud. Tijdens de zomermaanden is er in het centrale deel een zeer beperkt verschil tussen de historische situatie, het scenario van de onderhouden provinciale Rijt en de maximale ontwatering. De grondwaterstanden tijdens de zomer liggen er onder het drainagepeil van de grachten, hierdoor hebben deze geen impact op de grondwaterstand. Ter hoogte van het talud worden grondwaterstanden tot maaiveld berekend tijdens de zomer. De aanleg van drainagegrachten heeft hier weldegelijk een invloed (zij het beperkt tot 10-20 cm) Tijdens de wintermaanden worden grondwaterstanden berekend tot maaiveld. De hoge grondwatervoeding wordt in hoofdzaak afgevoerd via het oppervlak en in mindere mate door kwel naar het drainagestelsel. Hierdoor heeft het aanleggen van extra grachten slechts een beperkte invloed. Jaargemiddeld worden grondwaterstanden berekend tot net onder het maaiveld. Overschot aan grondwater wordt hier weldegelijk afgevoerd door kwel naar de drainagegrachten. Het aanleggen van

223


de grachten, en het dichte netwerk van drainagegrachten in het centrale deel heeft een verlaging van de grondwaterstanden tot gevolg van 10 cm dan t.o.v. het scenario van de onderhouden provinciale Rijt.

5.3.3

Resultaten grondwatermodellering

224


Figuur 5-10

Grondwaterdiepte zomer (GLG)

225


Figuur 5-11

Jaargemiddelde grondwaterdiepte situatie (GVG)

226


Figuur 5-12

Grondwaterdiepte winter (GHG)

227


Figuur 5-13

Grondwaterdynamiek winter – zomer situatie

228


Figuur 5-14

Kwelflux [mm/dag] jaargemiddelde grondwatervoeding 229


5.3.3.1 Verschilkaarten scenario onderhouden provinciale Rijt versus huidige situatie 2014

Figuur 5-15

Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’ – t.o.v. ‘Huidige situatie’

230


5.3.3.2 Verschilkaarten scenario maximale ontwatering t.o.v. huidige situatie 2014

Figuur 5-16

Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, scenario ‘Maximale ontwatering’ – t.o.v. ‘Huidige situatie’

231


5.3.3.3 Verschilkaarten scenario maximale ontwatering t.o.v. onderhouden provinciale Rijt

Figuur 5-17

Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, scenario ‘Maximale ontwatering’ t.o.v. scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’

232


5.4

Toetsen ontwikkelingsscenario’s aan beoogde natuurdoeltypen

5.4.1

Ruimtelijke spreiding natuurdoeltypen op basis van GXG Analoog aan §4.3.2, volgens de referentiewaarden zoals weergegeven in Tabel 4-16, worden de potenties voor de natuurdoeltypen op basis van de zomer- en wintergrondwaterstanden voorspeld. Deze oefening geeft reeds een eerste indicatie van de biotische ontwikkelingsmogelijkheden binnen het studiegebied (ten opzichte van de huidige en de historische toestand). Hierna volgt een beknopte bespreking die enerzijds de verschillen tussen de 2 scenario’s verklaart, maar indien relevant ook toets aan de actuele en historische toestand (zie §4.3.2). ▪

▪

Broekbossen o

De broekbostypes 91E0_meso en 91E0_eutr kennen in beide scenario’s een belangrijke toename van de ruimtelijke potenties, die te vergelijken is met deze in de historische toestand.

o

De potenties voor 91E0_veb blijven beperkt, gezien de bandbreedte voor de grondwaterstanden van dit vegetatietype.

beperkte

Grasland- en moerasvegetaties o

De veldrusgraslanden (6410_ve) kennen belangrijke potenties in de centrale komgrond bij beide scenario’s, naar analogie met de historische situatie (zie bijlage 7).

o

De glanshavergraslanden (6510_hu) kwamen historisch al niet voor in het centrale gedeelte, gezien de te hoge grondwaterstanden. De hydrologische scenario’s hebben weinig impact op de ruimtelijke spreiding van dit type.

o

De dotterbloemgraslanden (rbb_hc) kennen grote potenties in beide scenario’s.

o

De potenties voor moerasspirearuigten (6430_hf) zijn beperkt, gezien de nauwe range die het Natura2000-waardig habitattype eist. Voor het regionaal belangrijke biotoop zijn de potenties hoger en te vergelijken met deze voor rbb_hc (andere beheervorm).

o

De potenties voor de grote zeggenvegetaties (rbb_mc) zijn te vergelijken in beide ontwikkelingsscenario’s (zie bijlage 7).

o

De rietvegetaties (rbb_mr) tenslotte, hebben belangrijke potenties in beide scenario’s. De potenties zijn echter het grootst in scenario 1 ‘Ontwatering provinciale Rijt’, doordat een beperktere ontwatering van het centrale gebied (zodat hogere grondwaterstanden aanwezig zijn) optreedt (zie bijlage 7). Er treedt echter in beide scenario’s een areaalinkrimping op ten opzichte van de huidige toestand. De potenties liggen aan de rand van het gebied en zijn niet langer volledig gebiedsdekkend voor het centrale gebied van de Wellemeersen.

233


234


Figuur 5-18

Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range percentiel 25-75).

235


Figuur 5-19

Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range percentiel 25-75).

236


Figuur 5-20

Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range percentiel 25-75).

237


Figuur 5-21

Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range percentiel 25-75).

238


Figuur 5-22

Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG (range percentiel 25-75).

239


Figuur 5-23

5.4.2

Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG (range percentiel 25-75).

Mogelijke vegetatietypering Op basis van de input uit de vorige luiken en de vorige paragraaf, geeft onderstaande kaart een mogelijke inrichting van het gebied weer. De verschillen tussen de 2 scenario’s zijn niet in die mate doorslaggevend dat ze aanleiding geven tot een verschillend vegetatiebeeld. Het zal veelal een lokale verschuiving binnen de voorkomende types van 91E0 in het centrale gebied betekenen, naargelang het een iets nattere (scenario 1) of drogere (scenario 2) situatie betreft. Figuur 5-24, Figuur 5-25 en Figuur 5-26 geven een mogelijke ontwikkeling weer (respectievelijk volgens indeling Natura2000, BWK typering en plantengemeenschappen). De oppervlaktes van de verschillende types binnen dit voorstel worden weergegeven in Tabel 5-1. Op iedere kaart worden daarnaast als overlay de contouren van de actuele kartering (kerngebied) en de meest recente BWK (buiten kerngebied) weergegeven. De verschillende habitattypes werden geclusterd volgens hun gesloten/open karakter (Figuur 5-27) en standplaatsgeschiktheid, dit om een overzichtelijke en voldoende flexibele visie te presenteren. Binnen de cluster is, afhankelijk van het gevoerde beheer en overige omgevingsparameters, de realisatie van de verschillende types mogelijk. Tabel 5-1

Oppervlakten vegetatietypen na hydrologische inrichting Type Boshabitat 91E0 9120, 9130 Open habitat 6410_ve, 6430_hf, rbb_hc, rbb_mc, rbb_hf 6120, 6510_hu, rbb_kam rbb_mc, rbb_mr Open water 3150 Totaal

Opp. (ha) 60,30 37,09 23,21 44,48 19,16 19,73 5,60 6,85 6,85 111,64

Een vergelijking van deze oppervlakten met de vooropgestelde doelen vanuit de IHD (Tabel 4-2), geeft aan dat het aandeel open habitat (graslandhabitats en overige habitats in de open sfeer) ruimschoots voldoet aan de vooropgestelde 30 ha (waarvan 13 ha Europese habitattypes en 17 ha regionaal belangrijke biotopen). De bosdoelstelling van 116 ha wordt slechts gedeeltelijk ingevuld, wat betekent dat de overige oppervlakte in de Kapellemeersen zal moeten ingericht worden. Dit komt erop neer dat het volledige gebied van de Kapellemeersen als boshabitat wordt ingericht. Zoals aangehaald zal deze globale balans niet of slecht minimaal beïnvloed worden door de keuze voor een bepaald scenario. Er dient benadrukt te worden dat het een visie betreft die als vertrekbasis voor de concrete inrichting van het gebied dient en uitgaat van een optimale ecologische inrichting. Indien nodig voor het behalen van de IHD, kunnen grotere oppervlakten bebost worden aan de zijde van de Wellemeersen, waarbij een aantal van de open types gerealiseerd worden door

240


‘open plekken in het bos’ te creëren, om als nog de potenties voor de gras- en moeraslandtypes maximaal te realiseren.

Figuur 5-24

Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (Natura 2000) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied)

241


Figuur 5-25

Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (BWK typering) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied)

242


Figuur 5-26

Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (plantengemeenschappen) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied)

243


Figuur 5-27

Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (indeling boshabitats, moeras- en graslandhabitats en open water) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied)

244


5.5

Overzicht maatregelen In deze paragraaf wordt per scenario besproken welke maatregelen nodig zijn, welke de fasering is (indien relevant, afhankelijk van de prioriteit). Gezien de kostprijs van de werkzaamheden locatiespecifiek (nat terrein) is, wordt geen financiële raming toegevoegd, maar worden de maatregelen enkel begroot in aantal, oppervlakte, lengte,… om bij een concrete realisatie een financiële raming toe te laten met specifieke eenheidsprijzen. Hierna wordt een overzicht gegeven van de maatregelen, met een inschatting van de maatregelen naar grootte-orde. Niet voor alle acties zijn extra financiële middelen noodzakelijk. Sommige acties kunnen (mede) gerealiseerd worden door het verleggen van de focus bij de overheid en/of de terreinbeherende vereniging. Maatregelen waarvoor een relevante financiële inspanning geleverd zal moeten worden, situeren zich hoofdzakelijk in één van de 3 domeinen; ▪ ▪ ▪

Inrichtingsmaatregelen (zowel hydrologische inrichting als overige maatregelen noodzakelijk voor realisatie van de natuurdoeltypen); Instandhoudingsmaatregelen (zowel van het hydrologische wensbeeld als van de natuurdoeltypen); Verbeteren van de milieukwaliteitskenmerken.

In de volgende paragrafen wordt een gedetailleerd overzicht gemaakt van de relevante kostenposten per scenario. Verbeteren van de milieukwaliteitskenmerken (zoals bijvoorbeeld het verminderen van de vuilvracht op de provinciale Rijt) van het gebied is gerelateerd aan externe inspanningen en wordt niet meegenomen.

5.5.1

Nodige inrichtingsmaatregelen

5.5.1.1 Kostenposten hydrologische maatregelen Onderstaande tabel geeft een overzicht van de hydrologische inrichtingsmaatregelen die relevant zijn voor de herinrichting van de Wellemeersen. Tabel 5-2

Relevante kostenposten voor hydrologische inrichting van het gebied Lijst maatregelen Kappen van opslag Ontstronken Maaien Herprofileren wateren (ruimen, uitgraven en profileren oevers) Uitgraven van greppels Plaatsen vispasseerbare stuw12

12

Plaatsen van een stuw wordt in het model geraamd op 8.000 €/stuk. Er werd in de stuurgroep geoordeeld dat deze prijs te hoog is.

245


Daarnaast dienen uiteraard ook studiekosten (eventueel vergunningentraject), kosten voor werfinrichting, kosten voor mogelijke maatregelen in functie van de toegankelijkheid van het gebied (knuppelpaden, banken, overige infrastructuur, afsluitingen,…) bij concrete uitvoering begroot te worden.

5.5.1.2 Kostenposten omvormen vegetatietypes Onderstaande tabel geeft aan welke omvormingen nodig zijn om te komen tot de natuurvisie. ▪

Een arcering in groen geeft aan dat het vegetatietype al behoort tot de juiste landschapsecologische eenheid (bos, grasland- en moerashabitat of open water), een kwaliteitsverbetering en/of wijziging van het beheer is mogelijk nodig om de gewenste natuurdoeltypen te bereiken. Deze zones dienen in eerste instantie niet heringericht te worden, zodat er ook geen inrichtingskosten aan verbonden zijn.

▪

Een arcering in rood geeft aan dat het vegetatietype moet omgevormd worden. De kosten hieraan verbonden behoren tot de inrichting van het gebied.

Er wordt nogmaals benadrukt dat het hier om een indicatieve oefening gaat die, in functie van de verfijning van de visie, nog kan wijzigen. Tabel 5-3

Om te vormen oppervlakten om te komen tot de natuurdoeltypen

Actueel habitattype (ha) Grasland- en Boshabitat moerashabitat Open water 6,85 28,73 3,83 3,93 10,02 12,83 0,36 5,07 14,58 0,04 1,58 2,77

14,61 2,20

Natuurdoeltype (ha) 3150 91E0 9120, 9130 6120, 6510_hu, rbb_kam 6410_ve, 6430_hf, rbb_hc, 2,96 rbb_hf 0,63 rbb_mc, rbb_mr

Per type omvorming worden hierna de eenheidskosten besproken (indicatief). Daarnaast is er een belangrijke oppervlakte (ongeveer 7 ha) aan stagnerend water actueel aanwezig in het gebied. Na hydrologische herinrichting van het gebied zal deze zone deels bebost worden, deels een open gras- en moeraslandkarakter krijgen. ▪

Voor het omvormen van deze zones naar broekbos, wordt uitgegaan van een spontaan proces zodat geen kosten in rekening gebracht moeten worden.

▪

Voor het omvormen van deze zones naar gras- en moerasland, wordt aangenomen dat enkel maaien (van rietmoeras, natte ruigten en grote zeggenvegetaties) nodig zal zijn om een goede uitgangssituatie te creëren, waarna onderhoudsbeheer mogelijk is.

Tot slot zijn er nog enkele poelen, veedrinkplaatsen,… In de visie (Figuur 5-24) werden deze ingedeeld bij het betreffende vegetatietype. Enkel het open water met potentie voor het type 3150 werd op de kaart aangeduid. Afhankelijk van de wensen van de inrichters en beheerders kan ervoor gekozen worden deze waterrijke plaatsen te behouden dan wel te

246


verlanden en in te richten als bos- of graslandhabitat. Deze worden dan ook niet meegenomen in het overzicht van de kostenposten.

5.5.2

Overzicht kostenposten per scenario De tabellen geven een overzicht van de kostenposten voor beide scenario’s.

247


Tabel 5-4

Indicatieve raming scenario 1 ‘Ontwateren provinciale Rijt’

Type maatregel

Hoeveelheid

Eenheid Opmerkingen

Kappen van opslag voor inrichting provinciale Reyt

0,58

ha

Lengte is 1159,30m - nieuw profiel heeft een breedte van 11 m, waarvan ongeveer 5 m² per lopende meter te kappen opslag

Maaien voor inrichting provinciale Reyt

0,58

ha

Lengte is 1159,30m - nieuw profiel heeft een breedte van 11 m, waarvan ongeveer 5 m² per lopende meter te maaien

Herprofileren provinciale Reyt (ruimen, uitgraven en profileren oevers)

1680,99

m³

Lengte is 1159,30m - uit te baggeren volume per lopende m is 1,45m³

Herprofileren historisch grachtenstelsel

2511,99

m³

Lengte is 5023,98m - uit te baggeren volume per lopende m is 0,5m³

Plaatsen vispasseerbare stuw Creëren goede uitgangssituatie vegetatietypes Omvormen bos naar open habitat

1,00 9,43

ha

Omvormen grasland en moeras naar bos

16,66

ha

Er wordt aangenomen dat het maaien deels gewoon grasland, deels moeilijk toegankelijk terrein (rietland, natte ruigten, grote zeggenvegetaties) betreft. Er wordt uitgegaan van een spontane bebossing

Omvormen zones met actueel stagnerend water naar bos

-

-

Spontane bebossing

Omvormen zones met actueel stagnerend water naar grasland en moeras

7,00

ha

Ruimen waterlopen/grachten (graafmachine)

2191,14

m

Provinciale Reyt, Wildebeek en langsgrachten E40

Ruimen waterlopen/grachten (handmatig) Creëren goede uitgangssituatie vegetatietypes Oppervlaktes, zie Tabel 5-3

3992,13

m

Overig grachtenstelsel

Inrichtingsmaatregelen (éénmalig) Hydrologische inrichting

Onderhoudsmaatregelen (jaarlijks) Hydrologisch onderhoud

248


Tabel 5-5

Indicatieve raming scenario 2 ‘Maximale ontwatering’

Type maatregel

Hoeveelheid

Eenheid Opmerkingen

Kappen van opslag voor inrichting provinciale Reyt

0,58

ha

Lengte is 1159,30m - nieuw profiel heeft een breedte van 12 m, waarvan ongeveer 5 m² per lopende meter te kappen opslag

Maaien voor inrichting provinciale Reyt

0,70

ha

Lengte is 1159,30m - nieuw profiel heeft een breedte van 11 m, waarvan ongeveer 6 m² per lopende meter te maaien

Herprofileren provinciale Reyt (ruimen, uitgraven en profileren oevers)

2701,17

m³

Lengte is 1159,30m - uit te baggeren volume per lopende m is 2,33m³

Herprofileren historisch grachtenstelsel

3182,41

m³

Lengte is 6364,82m - uit te baggeren volume per lopende m is 0,5m³

Plaatsen vispasseerbare stuw Creëren goede uitgangssituatie vegetatietypes Omvormen bos naar open habitat

1,00 9,43

ha

Omvormen grasland en moeras naar bos

16,66

ha

Er wordt aangenomen dat het maaien deels gewoon grasland, deels moeilijk toegankelijk terrein (rietland, natte ruigten, grote zeggenvegetaties) betreft. Er wordt uitgegaan van een spontane bebossing

Omvormen zones met actueel stagnerend water naar bos

-

-

Spontane bebossing

Omvormen zones met actueel stagnerend water naar grasland en moeras

7,00

ha

Hoeveelheid

Eenheid Opmerkingen

Ruimen waterlopen/grachten (graafmachine)

2191,14

m

Provinciale Reyt, Wildebeek en langsgrachten E40

Ruimen waterlopen/grachten (handmatig) Creëren goede uitgangssituatie vegetatietypes Oppervlaktes, zie Tabel 5-3

5332,98

m

Overig grachtenstelsel

Inrichtingsmaatregelen (éénmalig) Hydrologische inrichting

Onderhoudsmaatregelen (jaarlijks) Type maatregel Hydrologisch onderhoud

249


6.

REFERENTIES

Abiotiekdatabestand B-WARE BV & De Becker et al. (2004) Batelaan, O. and De Smedt, F., (2001) WetSpass: a flexible, GIS based, distributed recharge methodology for regional groundwater modelling. In: Gehrels, H., Peters, J., Hoehn, E., Jensen, K., Leibundgut, C., Griffioen, J., Webb, B. Zaadnoordijk, W-J. (Editors), Impact of Human Activity on Groundwater Dynamics. Publ. 269, IAHS, Wallingford, pp. 11-17 Bobbink, R., Hart, M., van Kempen M., Smolders, F. en Roelofs, J. (2007). Grondwaterkwaliteitsaspecten bij vernatting van verdroogde natte natuurparels in Noord-Brabant. BWARE Reserach Centre BV, Nijmegen. 116 pages. Rapport nummer 2007.15 Callebaut J., De Bie E., De Becker P. & Huybrechts W. (2007). NICHE Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2007(3). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek: Brussel. 252 p. Cornelis J., Hermy M., De Keersmaeker L. & Vandekerkhove K. (2007) - Bosplantengemeenschappen in Vlaanderen: een typologie van bossen op basis van de kruidachtige vegetatie. Rapport INBO.R.2007.01. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek en K.U.Leuven, Afdeling Bos, Natuur en Landschap i.o.v. de Vlaamse overheid, Agentschap voor Natuur en Bos, Brussel. 200 pp. De Geyter, G.G., eindredactie (1999) Toelichtingen bij de nieuwe geologische kaart van België, Vlaams Gewest, Kaartblad 30: Geraardsbergen, BGD/ANRE, Brussel, 61p. De Keersmaeker, L., Cornelis, J., en Baeten L. (2010), Oudbosplanten in Vlaanderen, BOSREVUE. p.17-21Decleer, K. (Ed.) (2007). Europees beschermde natuur in Vlaanderen en het Belgisch deel van de Noordzee: habitattypen: dier- en plantensoorten. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2007(1). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek: Brussel. ISBN 978-90-403-0267-1. 584 pp. Digitale versie Kleurenorthofoto's Eurosense schaal 1/10.000 uitgave 1988-1990 (OC GIS-Vlaanderen 1998). DOV (2014). Grondwatervergunningen. Geraadpleegd op 20 april 2014, op http://dov.vlaanderen.be. Ertsen, D., P. de Louw & J. Buma (2005) OGOR Natuur in Noord-Brabant. Hydrologische randvoorwaarden voor Brabantse natuudoeltypen. Provincie Noord-Brabant, Den bosch. Herr C., De Bie E., Corluy J., De Becker P., Wouters J., Hens M. (2012). Analyse van de actuele milieudruk op de aanwezige habitattypen in de Vlaamse Habitatrichtlijngebieden. Grond- en oppervlaktewaterkwaliteit, atmosferische stikstofdepositie en grondwaterstanden. Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.R.2012.3. 154 p. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. AMINAL, Afdeling Water (2005). Vismigratie - Een handboek voor herstel in Vlaanderen en Nederland. Orthofoto's, middenschalig, kleur, provincie Oost-Vlaanderen, VLM/OC en provincie Oost-Vlaanderen, opname 2002 (GIS-Vlaanderen) Orthofoto’s, middenschalig, kleur, provicie Oost-Vlaanderen, opname 2006 (AGIV-product)

250


Orthofoto's, middenschalig, kleur, provincie Oost-Vlaanderen, opname 2009, gegeneraliseerd (AGIVproduct) Orthofoto's, middenschalig, kleur, provincie Oost-Vlaanderen - Zuid, opname 2012 Harbaugh, A.W. & McDonald, M.G. (1996) User’s documentation for MODFLOW-96, an update to the U.S. Geological Survey modular finite-difference ground-water flow model. Open-File Report 96-485: 56 pp., USGS, Reston, Virginia. Herr C., De Becker P., Hens M. (2011). Ecohydrologisch en bodemkundig onderzoek i.f.v. herstelmaatregelen aan Achelse Kluis. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2011 (6). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Huybrechts W., De Becker P., Callebaut J. & De Bie E. (2009). Database Flanders Wetland Sites (FlaWet1.0) Manual. Intern Rapport INBO.IR.2009.1, Instituut voor Natuur & Bosonderzoek, Brussel. Lambinon, J.; De Langhe, J.E.; Delvosalle, L.; Duvigneaud, J. (1998) - Flora van België, het groothertogdom Luxemburg, noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteri dofyten en Spermofofyten). 3rd ed.. Nationale Plantentuin van België: Meise. ISBN 90-72619-23-4. 1092 pp. Maréchal, R. (1992) De Geologische Structuur, In: Denis, J. (red.) (1992), Geografie van België, Gemeentekrediet, Brussel, pp. 38-86. Stortelder A.H.F., Schaminée J.H.J. & Hommel P.W.F.M. (1999) - De vegetatie van Nederland. Deel 5: Plantengemeenschappen van ruigten, struwelen en bossen. Opulus Press, Uppsala/Leiden. 376 pp. T’jollyn, F., Bosch, H., Demolder, H., De Saeger, S., Leyssen, A., Thomaes, A., Wouters, J., Paelinckx, D. & Hoffmann, M. (2009). Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de NATURA 2000-habitattypen, versie 2.0. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2009 (46). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Uitdewilligen, D., Van Eylen, I., & Lermytte, J. (2005). Ontwikkelen van regionale modellen ten behoeve van het Vlaams Grondwater Model (VGM) in GMS/MODFLOW – Centraal Vlaams Model Noord, deelrapport 1: Basisgegevens en conceptueel model, studie in het kader van de opdracht: Opbouw van het Vlaams Grondwater Model (VGM) en de gegevensinvoer in Databank Ondergrond Vlaanderen (DOV), Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur, Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, Afdeling Water. van der Meijden, R.( 2005) - Heukels' Flora van Nederland, 23e druk. Wolters-Noordhoff Groningen/Houten, The Netherlands.: 1-685.

bv,

Van Landuyt, W., Hoste, I., Vanhecke, L., Van den Bremt, P., Vercruysse, W. & De Beer, D. (2006) Atlas van de flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest, Instituut voor Natuur en Bos Onderzoek, Nationale Plantentuin van België & Flo.Wer, Brussel. Van Landuyt, W., Vanhecke, L. & Hoste, I. (2006). Rode Lijst van de vaatplanten van Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In : Van Landuyt W. et al. Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest. INBO en Nationale Plantentuin van België, Brussel. Van Schandevyl, 2010, Libellen in de Wellemeersen, Een gedocumenteerd verslag over een libellenobservatie in de periode van 1996 tot en met 2007, in een natuurreservaat langs de Dender, Natuurpunt

251


Vlaamse Natuurtypologie: https://www.inbo.be/nl/naar-een-natuurtypologie-voor-vlaanderen VMM (2008). Grondwater in Vlaanderen: het Centraal Vlaams Systeem. Vlaamse Milieumaatschappij. Aalst. 111 p

252


7.

BIJLAGEN Bijlage 1.

Kaartenbundel Wellemeersen: luik biotiek

Bijlage 2.

Tabellen vegetatieopnamen

Bijlage 3.

Overzicht permanente kwadraten (PQ’s)

Bijlage 4.

Beschrijving van de gekarteerde vegetaties

Bijlage 5.

Inventaris waterlopen

Bijlage 6.

Staalnameschema grond- en oppervlaktewater

Bijlage 7.

Ruimtelijke spreiding natuurdoeltypen

253


BIJLAGE 1. KAARTENBUNDEL WELLEMEERSEN: LUIK BIOTIEK LIJST VAN FIGUREN Figuur 1

Detailkaart Kerngebied Biotiek ......................................................................................5

Figuur 2

Vegetatiepolygonen van de in 1990 en 1991 uitgevoerde vegetatiekarteringen. ..............6

Figuur 3

Overzicht onderzoeksgebied met weergave van meest recente luchtfoto’s (2012) en de laatste BWK (versie 2.2) i.k.v. uitgevoerde vegetatiekarteringen ...........................7

Figuur 4

Detailkaart Kerngebied Biotiek ......................................................................................8

Figuur 5

Detailkaart Wellemeersen BWK versie 1 (rond 1990) .....................................................9

Figuur 6

Detailkaart Wellemeersen BWK versie 2.2 (rond 2000-2002) ........................................ 10

Figuur 7

Detailkaart Wellemeersen BWK versie 2014 (kartering ikv dit project) ........................... 11

Figuur 8

Vergelijkingskaarten van de soortenrijkdom in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 .............................................................................................. 12

Figuur 9

Vergelijkingskaarten van de soortenrijkdom in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 .............................................................................................. 13

Figuur 10

Vergelijkingskaarten van aantal rode lijstsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 14

Figuur 11

Vergelijkingskaarten van aantal rode lijstsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 15

Figuur 12

Vergelijkingskaarten van positieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 16

Figuur 13

Vergelijkingskaarten van positieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 17

Figuur 14

Vergelijkingskaarten van negatieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 18

Figuur 15

Vergelijkingskaarten van negatieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 19

Figuur 16

Vergelijkingskaarten van hydrofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 .......................................................................................................... 20

Figuur 17

Vergelijkingskaarten van hydrofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 .......................................................................................................... 21

Figuur 18

Vergelijkingskaarten van obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 .............................................................................................. 22 1


Figuur 19

Vergelijkingskaarten van obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 .............................................................................................. 23

Figuur 20

Vergelijkingskaarten van natte obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 24

Figuur 21

Vergelijkingskaarten van natte obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 25

Figuur 22

Vergelijkingskaarten van som obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 26

Figuur 23

Vergelijkingskaarten van som obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 27

Figuur 24

Vergelijkingskaarten van kalk - afreatofuten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 .............................................................................................. 28

Figuur 25

Vergelijkingskaarten van kalk - afreatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 .............................................................................................. 29

Figuur 26

Vergelijkingskaarten van oud bos indicatoren in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 .............................................................................................. 30

Figuur 27

Vergelijkingskaarten van oud bos indicatoren in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 .............................................................................................. 31

Figuur 28

Vergelijkingskaarten van indicatoren bron en bronbeek in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 32

Figuur 29

Vergelijkingskaarten van indicatoren bron en bronbeek in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 33

Figuur 30

Vergelijkingskaarten van indicatoren elzenbroekbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 34

Figuur 31

Vergelijkingskaarten van indicatoren elzenbroekbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 35

Figuur 32

Vergelijkingskaarten van indicatoren voedselrijk eiken beukenbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ............................................................. 36

Figuur 33

Vergelijkingskaarten van indicatoren voedselrijk eiken beukenbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ............................................................. 37

Figuur 34

Vergelijkingskaarten van indicatoren dotterbloemgrasland in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 38

Figuur 35

Vergelijkingskaarten van indicatoren dotterbloemgrasland in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 39

Figuur 36

Vergelijkingskaarten van indicatoren kleine zeggenvegetaties in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 .................................................................... 40

2


Figuur 37

Vergelijkingskaarten van indicatoren kleine zeggenvegetaties in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 .................................................................... 41

Figuur 38

Vergelijkingskaarten van indicatoren glanshavergraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 42

Figuur 39

Vergelijkingskaarten van indicatoren glanshavergraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 43

Figuur 40

Vergelijkingskaarten van indicatoren zilverschoongraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 44

Figuur 41

Vergelijkingskaarten van indicatoren zilverschoongraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 45

Figuur 42

Vergelijkingskaarten van indicatoren droge graslanden op zandgrond in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ............................................... 46

Figuur 43

Vergelijkingskaarten van indicatoren droge graslanden op zandgrond in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ............................................... 47

Figuur 44

Vergelijkingskaarten van indicatoren dwergbiezenklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 48

Figuur 45

Vergelijkingskaarten van indicatoren dwergbiezenklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 49

Figuur 46

Vergelijkingskaarten van indicatoren eendekroosklasse – eutroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ............................................... 50

Figuur 47

Vergelijkingskaarten van indicatoren eendekroosklasse – eutroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ............................................... 51

Figuur 48

Vergelijkingskaarten van indicatoren fonteinkruidklasse – mesotroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ............................................... 52

Figuur 49

Vergelijkingskaarten van indicatoren fonteinkruidklasse – mesotroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ............................................... 53

Figuur 50

Vergelijkingskaarten van indicatoren natte strooiselruigte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 54

Figuur 51

Vergelijkingskaarten van indicatoren natte strooiselruigte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 55

Figuur 52

Vergelijkingskaarten van indicatoren nitrofiele zomen in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 56

Figuur 53

Vergelijkingskaarten van indicatoren nitrofiele zomen in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 57

Figuur 54

Vergelijkingskaarten van indicatoren rietklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 58 3


Figuur 55

Vergelijkingskaarten van indicatoren rietklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 59

Figuur 56

Vergelijkingskaarten van indicatoren tandzaadklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 60

Figuur 57

Vergelijkingskaarten van indicatoren tandzaadklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 61

Figuur 58

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde licht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 62

Figuur 59

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde licht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 63

Figuur 60

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde stikstofgehalte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 64

Figuur 61

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde stikstofgehalte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 65

Figuur 62

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde vocht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 66

Figuur 63

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde vocht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 67

Figuur 64

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde zuurtegraad in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 68

Figuur 65

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde zuurtegraad in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 69

4


0

Figuur 1

100

200

300

400

500 Meter

Detailkaart Kerngebied Biotiek

5


0

Figuur 2

100

200

300

400

500 Meter

Vegetatiepolygonen van de in 1990 en 1991 uitgevoerde vegetatiekarteringen

6


0

Figuur 3

100

200

300

400

500 Meter

Overzicht onderzoeksgebied met weergave van meest recente luchtfoto’s (2012) en de laatste BWK (versie 2.2) i.k.v. uitgevoerde vegetatiekarteringen

7


0

Figuur 4

100

200

300

400

500 Meter

Detailkaart Kerngebied Biotiek

8


0

Figuur 5

100

200

300

400

500 Meter

Detailkaart Wellemeersen BWK versie 1 (rond 1990)

9


0

Figuur 6

100

200

300

400

500 Meter

Detailkaart Wellemeersen BWK versie 2.2 (rond 2000-2002)

10


0

Figuur 7

100

200

300

400

500 Meter

Detailkaart Wellemeersen BWK versie 2014 (kartering ikv dit project)

11


0

Figuur 8

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van de soortenrijkdom in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

12


0

Figuur 9

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van de soortenrijkdom in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

13


0

Figuur 10

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van aantal rode lijstsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

14


0

Figuur 11

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van aantal rode lijstsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

15


0

Figuur 12

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van positieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

16


0

Figuur 13

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van positieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

17


0

Figuur 14

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van negatieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

18


0

Figuur 15

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van negatieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

19


0

Figuur 16

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van hydrofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

20


0

Figuur 17

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van hydrofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

21


0

Figuur 18

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

22


0

Figuur 19

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

23


0

Figuur 20

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van natte obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

24


0

Figuur 21

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van natte obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

25


0

Figuur 22

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van som obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

26


0

Figuur 23

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van som obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

27


0

Figuur 24

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van kalk - afreatofuten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

28


0

Figuur 25

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van kalk - afreatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

29


0

Figuur 26

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van oud bos indicatoren in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

30


0

Figuur 27

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van oud bos indicatoren in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

31


0

Figuur 28

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren bron en bronbeek in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

32


0

Figuur 29

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren bron en bronbeek in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

33


0

Figuur 30

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren elzenbroekbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

34


0

Figuur 31

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren elzenbroekbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

35


0

Figuur 32

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren voedselrijk eiken beukenbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

36


0

Figuur 33

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren voedselrijk eiken beukenbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

37


0

Figuur 34

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren dotterbloemgrasland in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

38


0

Figuur 35

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren dotterbloemgrasland in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

39


0

Figuur 36

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren kleine zeggenvegetaties in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

40


0

Figuur 37

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren kleine zeggenvegetaties in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

41


0

Figuur 38

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren glanshavergraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

42


0

Figuur 39

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren glanshavergraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

43


0

Figuur 40

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren zilverschoongraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

44


0

Figuur 41

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren zilverschoongraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

45


0

Figuur 42

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren droge graslanden op zandgrond in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

46


0

Figuur 43

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren droge graslanden op zandgrond in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

47


0

Figuur 44

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren dwergbiezenklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

48


0

Figuur 45

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren dwergbiezenklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

49


0

Figuur 46

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren eendekroosklasse – eutroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

50


0

Figuur 47

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren eendekroosklasse – eutroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

51


0

Figuur 48

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren fonteinkruidklasse – mesotroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

52


0

Figuur 49

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren fonteinkruidklasse – mesotroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

53


0

Figuur 50

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren natte strooiselruigte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

54


0

Figuur 51

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren natte strooiselruigte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

55


0

Figuur 52

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren nitrofiele zomen in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

56


0

Figuur 53

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren nitrofiele zomen in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

57


0

Figuur 54

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren rietklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

58


0

Figuur 55

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren rietklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

59


0

Figuur 56

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren tandzaadklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

60


0

Figuur 57

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van indicatoren tandzaadklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

61


0

Figuur 58

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde licht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

62


0

Figuur 59

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde licht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

63


0

Figuur 60

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde stikstofgehalte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

64


0

Figuur 61

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde stikstofgehalte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

65


0

Figuur 62

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde vocht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

66


0

Figuur 63

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde vocht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

67


0

Figuur 64

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde zuurtegraad in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990

68


0

Figuur 65

100

200

300

400

500 Meter

Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde zuurtegraad in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014

69


BIJLAGE 2. TABELLEN VEGETATIEOPNAMEN LIJST VAN TABELLEN Tabel 1

Karteringseenheden Opname 2014 met weergave van BWK-code, aantal waargenomen soorten, aantal Rode lijstsoorten, Aandachtssoorten, ingeschatte ecologische waarde, Vegetatietype van Nederland, ruw vegetatietype, Vlaams vegetatietype en Europees habitattype .........................................................................3

Tabel 2

Karteringseenheden Opname 1990 met weergave van BWK-code gegeven aan zone tijdens kartering BWK1, de geïnterpreteerde BWK uit de vegetatieopnamen van 1990, de geïnterpreteerde eenheid 1 uit de geïnterpreteerde bwk 1990 en bwk1, Vegetatietype van Nederland, ruw vegetatietype, Vlaams vegetatietype en Europees habitattype ................................................................................................. 13

Tabel 3

Specifieke eigenschappen, indicatorwaarde en vegetatietype van alle in 2014 en/of 1990 gekarteerde soorten .......................................................................................... 24

Tabel 4

Lijst van de Rode-Lijstsoorten (Van Landuyt et al. 2006) waargenomen in de karteringsperiodes van 2014 en/of 1990 en de vegetatiegemeenschap waarbinnen ze thuishoren (ASSOCIA) ........................................................................................... 87

Tabel 5

Lijst van de positieve aandachtsoorten (T:TRUE = WAAR) waargenomen in de karteringsperiodes van 2014 en/of 1990 en de vegetatiegemeenschap waarbinnen ze thuishoren ............................................................................................................ 90

Tabel 6

Lijst van de negatieve aandachtsoorten (T:TRUE = WAAR) waargenomen in de karteringsperiodes van 2014 en/of 1990 en de vegetatiegemeenschap waarbinnen ze thuishoren ............................................................................................................ 99

Tabel 7

Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsooten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014 ........................................................................................... 100

Tabel 8

Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsooten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990. .......................................................................................... 111

Tabel 9

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Hydrofyten en Freatofyten ............................................................................................................. 121

Tabel 10

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Oudbossoorten ........................................................................................................... 133

Tabel 11

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Bron- en bronbeekindicatoren ........................................................................................... 135

Tabel 12

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Elzenbroekbosindicatoren ................................................................................... 136

Tabel 13

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke bodem .................................................... 138 1


Tabel 14

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren dotterbloemgraslanden ....................................................................................... 146

Tabel 15

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Kleine zeggenvegetaties ..................................................................................... 151

Tabel 16

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Glanshavergraslanden ......................................................................................... 153

Tabel 17

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Zilverschoongraslanden ...................................................................................... 160

Tabel 18

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Droge graslanden op zandbodem ....................................................................... 163

Tabel 19

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren van de Eendenkroosklasse (Eutroof water) .............................................................. 166

Tabel 20

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Fonteinkruidklasse (Mesotroof water) ............................................................... 168

Tabel 21

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren van Natte strooiselruigten ......................................................................................... 170

Tabel 22

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Nitrofiele zomen .................................................................................................. 173

Tabel 23

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor de Rietklasse ........................................................................................................ 175

Tabel 24

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor de Tandzaadklasse ............................................................................................... 179

Tabel 25

Overzicht van de dominante, abundante en frequente soorten in opnames van 2014 en 1976 .......................................................................................................... 181

Tabel 26

Aangepaste LSVI projectgebied ................................................................................ 182

Tabel 25

Lijst Permanente kwadraten ..................................................................................... 183

2


Europees habitat

Vlaamse vegetatietypologie

Vegetatietype Nederland

Ecologische waarde

Aandachtssoorten

Aantal Rode Lijstsoorten

BWK

Aantal soorten

Karteringseenheden Opname 2014 met weergave van BWK-code, aantal waargenomen soorten, aantal Rode lijstsoorten, Aandachtssoorten, ingeschatte ecologische waarde, Vegetatietype van Nederland, ruw vegetatietype, Vlaams vegetatietype en Europees habitattype

Inventarisatie_eenheid

Tabel 1

1

Vn (85) + Hfc (15)

52

3

3

43AA04 Carici remotaeFraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart

91E0

2

Va

35

2

2

43AA05 Pruno-Fraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

3

Vn

43

4

4

43AA04 Carici remotaeFraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart

91E0

4

Va (70) + Qa (30)

50

1

5

6

43AA05 Pruno-Fraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

5

Lhb (90) + Mc (10)

36

1

1

2

43AA04 Carici remotaeFraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart

91E0

6

Va (95) + Kalktufbron (5)

71

6

6

43AA05 Pruno-Fraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

7

Va

45

4

4

43AA05 Pruno-Fraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

8

Va

34

1

1

43AA05 Pruno-Fraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

9

Qa (85) + Va (10) + Hf (5)

51

2

2

43AA05 Pruno-Fraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

Va (50) + Qa (50)

85

5

6

43AA05 Pruno-Fraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

10

1

3


Europees habitat

Vlaamse vegetatietypologie

Vegetatietype Nederland

Ecologische waarde

Aandachtssoorten

Aantal Rode Lijstsoorten

Aantal soorten

BWK

Inventarisatie_eenheid 11

Va (80) + Vm (20)

47

6

6

43AA05 Pruno-Fraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

12

Vm (90) + Ae (10)

46

3

3

39AA02C Carici elongataeAlnetum ribetosum nigri

broekbos

Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren

91E0

13

Vm (80) + Lhb/Mc (20)

48

4

4

43AA04 Carici remotaeFraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart

91E0

14

Vn (70) + Lh/Mc (30)

41

3

3

43AA04 Carici remotaeFraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart

91E0

15

Vm (95) + Ae-(5)

63

6

6

43AA04 Carici remotaeFraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart

91E0

16

Vm (90) + Sf (10)

58

5

5

39AA02C Carici elongataeAlnetum ribetosum nigri

broekbos

Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren

91E0

17

Lh/Hf (60) + Lh/Mc (30) + Lh/Mr(10)

46

2

2

43AA04 Carici remotaeFraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart

91E0

18

Vm (60) + Hfb (25) + Mcb (15)

45

2

2

43AA04 Carici remotaeFraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart

91E0

19

Lh/Hf (60) + Lh/Mc (30) + Lh/Mr- (10)

57

1

1

39AA02C Carici elongataeAlnetum ribetosum nigri

broekbos

Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren

91E0

20

Va

35

1

1

43AA05 Pruno-Fraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

21

Hf (85) + Mr- (15)

23

1

1

32AA01C Valeriano-

ruigte

Associatie van Moerasspirea en

6430

4


Valeriaan

Europees habitat

Vlaamse vegetatietypologie

Ecologische waarde

Aandachtssoorten

Aantal Rode Lijstsoorten

Aantal soorten

BWK

Inventarisatie_eenheid

Vegetatietype Nederland Filipenduletum symphytetosum

22

Mc (70) + Mr- (30)

9

08BC01 Caricetum ripariae

Moerassen

Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia)

23

Ae-

27

01RG01 RG Lemna minor[Lemnetea minoris]

open water

Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype

24

Vm

66

39AA02C Carici elongataeAlnetum ribetosum nigri

broekbos

Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren

91E0

25

Vm

32

39AA02A Carici elongataeAlnetum typicum

broekbos

Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren

91E0

26

Lh/Mc

22

39AA02A Carici elongataeAlnetum typicum

broekbos

Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren

91E0

27

Vm (60) + Vn (40)

58

1

1

39AA02C Carici elongataeAlnetum ribetosum nigri

broekbos

Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren

91E0

28

Lh/Mr (50) + Lh/Mc (30) + Vm (20)

36

2

2

38AA02A Irido-Salicetum menthetosum

broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers

91E0

29

Hp*

26

31CA03A Tanaceto-Artemisietum agrostietosum

ruigte

Glanshaververbond - associatie van Bijvoet en boerenwormkruid

6430

30

Kb

4

37AB01A Pruno-Crataegetum typicum

struwelen en mantels

Asssociatie van sleedoorn en Meidoorn

4

4

6430

5


Europees habitat

Vlaamse vegetatietypologie

Vegetatietype Nederland

Ecologische waarde

Aandachtssoorten

Aantal Rode Lijstsoorten

Aantal soorten

BWK

Inventarisatie_eenheid 31

Hp* + Kb

43

31CA01B Echio-Melilotetum typicum

pioniermilieu

Klasse van de ruderale gemeenschappen met tredplanten

32

Kh

13

37AB01A Pruno-Crataegetum typicum

struwelen en mantels

Asssociatie van sleedoorn en Meidoorn

33

Hp*

50

16AB05 Scirpetum sylvatici

ruigte

Rompgemeenschap van Bosbies (Calthion / Filipendulion)

6430

34

Vn + Lhb

49

43AA05 Pruno-Fraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

35

Hp* (85) + Hr (15)

76

32AA01C ValerianoFilipenduletum symphytetosum

ruigte

Associatie van Moerasspirea en Valeriaan

6430

36

Vn (85) + Hr (15)

38

33AA05B Urtico-Aegopodietum alliarietosum

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Look-zonder-look

91E0

37

Lhb + Hr

44

43AA05 Pruno-Fraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

38

Hp* + Hf- + Hj

36

32AA01B ValerianoFilipenduletum holcetosum

ruigte

Associatie van Moerasspirea en Valeriaan

39

Vn (50) + Hfb (25) + Hrb (25)

80

2

8

10

43AA05 Pruno-Fraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

40

Va (35) + Lhb/Hf (30) + Lhb/Hc (20) + Lhb/Hc (15)

44

2

3

5

43AA05 Pruno-Fraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

41

Hp (90) + Hrb (10)

37

16RG02 RG Holcus lanatusLychnis flos-cuculi-[Molinietalia]

graslanden

RG Gestreepte witbol(Glanshaververbond)

1

4

4

6


Bb

31

33AA05A Urtico-Aegopodietum alliarietosum

RG Gestreepte witbol(Glanshaververbond)

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Look-zonder-look

1

1

16RG01 RG Holcus lanatus-Lolium perenne-[MolinioArrhenatheretea] graslanden

4

4

16RG04 RG Juncus effusus[Molinietalia/Lolio-Potentillion]

ruigte

Rompgemeenschap van Pitrus

60

2

2

33AA05B Urtico-Aegopodietum holcetosum

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Look-zonder-look

Kl (50) + Hu- (20) + Hr(15) + Sz(15)

57

1

1

18AA02 Hieracio-Holcetum mollis

graslanden

Glanshaververbond

47

Hr (80) + Hf (10) + Hfc (5) + Mru (5)

39

33AA05B Urtico-Aegopodietum holcetosum

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Look-zonder-look

48

Kb

4

21AB01 Asplenietum rutomurario-trichomanis

49

Lsb (80) + Sz (20)

40

43AA05 Pruno-Fraxinetum

16RG01 RG Holcus lanatus-Lolium perenne-[MolinioArrhenatheretea] graslanden

RG Gestreepte witbol[Arrhenatheretalia]

39AA02B Carici elongataeAlnetum cardaminetosum

Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren

43

Hp (90) + Hp* (10)

31

44

Hj + Hp* + Hc

48

45

Se (60) + Hr (40)

46

50

Hx (90) + Hp (10)

19

51

Vm (70) + Ae- (30)

42

2

4

4

Europees habitat

Vlaamse vegetatietypologie

Vegetatietype Nederland

Ecologische waarde

Aandachtssoorten

Aantal Rode Lijstsoorten

Aantal soorten

BWK

Inventarisatie_eenheid 42

Niet van toepassing broekbos

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

91E0

7


Europees habitat

Vlaamse vegetatietypologie

Vegetatietype Nederland

Ecologische waarde

Aandachtssoorten

Aantal Rode Lijstsoorten

Aantal soorten

BWK

Inventarisatie_eenheid

amarae

52

Hj (80) + Ae- (20)

42

53

Mc (90) + Sf (10)

23

54

Hc

44

55

Mr° (40) + Mc (30) + Ae- (25) + Vm (5)

58

56

Hj

31

57

Hr

37

58

kh

50

59

kb

4

1

2

3

4

16RG04 RG Juncus effusus[Molinietalia/Lolio-Potentillion]

ruigte

Rompgemeenschap van Pitrus

1

1

01AA01A Wolffio-Lemnetum typicum

Moerassen

Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype

91E0

4

8

16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei

ruigte

Natte ruigten van het Moerasspireaverbond

6430

3

38AA02A Irido-Salicetum menthetosum

Moerassen

Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia)

6430

29AA01 Polygono-Bidentetum

pioniermilieu

Voedselminnende pioniersgemeenschappen met waterpeper

32AA01C ValerianoFilipenduletum symphytetosum

ruigte

Associatie van Moerasspirea en Valeriaan

3

1

1

1

1

37AB01A Pruno-Crataegetum typicum

Asssociatie van sleedoorn en Meidoorn

21AB02 Filici-Saginetum

Niet van toepassing

8


Mc (80) + Hj (20)

69

61

Mc (30) + Hr (30) + Hr° (20) + Vm (20)

34

62

Mr° (70) + Hf (30)

32

63

Vr (40) + Hp (20) + Hr (20) + Vn (20)

76

64

Mc (50) + Mr° (45) + Sf (5)

30

65

Kb

4

66

Mc (90) + Mr° (10)

23

4

1

1

Europees habitat

Vlaamse vegetatietypologie

Vegetatietype Nederland

Ecologische waarde

Aandachtssoorten

Aantal Rode Lijstsoorten

Aantal soorten

BWK

Inventarisatie_eenheid 60

pioniermilieu

Voedselminnende pioniersgemeenschappen met waterpeper

6430

6430

4

29AA01 Polygono-Bidentetum

1

1

08BC02A Caricetum gracilis typicum

Moerassen

Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia)

2

3

32AA01C ValerianoFilipenduletum symphytetosum

ruigte

Associatie van Moerasspirea en Valeriaan

91E0

1

1

43AA05 Pruno-Fraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

1

2

32AA01C ValerianoFilipenduletum symphytetosum

ruigte

Associatie van Moerasspirea en Valeriaan

6430

38AA03D Cardamino amaraeSalicetum inops

broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers

Moerassen

Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia)

1

1

08BC01 Caricetum ripariae

67

Ae-

14

1

1

08BC01 Caricetum ripariae

Moerassen

Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia)

68

Lsb

43

2

2

43AA05 Pruno-Fraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

6430

91E0

9


3

33AA05B Urtico-Aegopodietum holcetosum

ruigte

Nitrofiele zomen - zevenbladassociatie

58

3

3

16AB05 Scirpetum sylvatici

ruigte

Rompgemeenschap van Bosbies (Calthion / Filipendulion)

18

1

1

08RG08 RG Carex acutiformis[Phragmitetalia]

Moerassen

Rietmoerassen

2

32RG01 RG Eupatorium cannabinum-[ConvolvuloFilipenduletea]

ruigte

Natte ruigten van het moerasspireaverbond

Hu ( 70) + Hr (30)

53

70

Hf (30) + Hr (25) + Sz (25) + Mc (20)

71

Ae- (90) + Mc (10)

1

72

Hr (60) + Mr (20) + Ur (10) + Gml (10)

34

1

73

Ae-

1

01RG01 RG Lemna minor[Lemnetea minoris]

open water

Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype

74

Ae-

2

01RG01 RG Lemna minor[Lemnetea minoris]

open water

Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype

75

Mrb

32

32AA01C ValerianoFilipenduletum symphytetosum

Moerassen

Rietmoerassen

76

Ae-

9

08AA02 Polygono-Veronicetum anagallidis-aquaticae

pioniermilieu

Associatiatie van Blauwe waterereprijs en waterpeper

77

Kn+

16

05CA01 Callitricho-Hottonietum

open water

Waterviolier-Kranswier ionenrijk type

78

Ae+

2

01RG01 RG Lemna minor[Lemnetea minoris]

open water

Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype

1

1

2

1

3

1

Europees habitat

Vlaamse vegetatietypologie

Vegetatietype Nederland

Ecologische waarde

Aandachtssoorten

Aantal Rode Lijstsoorten

Aantal soorten

Inventarisatie_eenheid

BWK

3

69

10


Ae+

2

01RG01 RG Lemna minor[Lemnetea minoris]

open water

Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype

pioniermilieu

Voedselminnende pioniersgemeenschappen met waterpeper

80

Kn-

8

28RG01 RG Gnaphalium uliginosum-[IsoetoNanojuncetea/Bidentetea tripartitae]

81

Ae-

1

38AA03D Cardamino amaraeSalicetum inops

broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers

82

Ae+

13

08BA02A Cicuto-Caricetum typicum

Moerassen

Rietmoerassen

83

Ae-

6

21RG02 RG Cymbalaria muralis[Tortulo-Cymbalarietalia]

Moerassen

Rietmoerassen

84

Hfb (70) + Mrb (30)

44

43AA04 Carici remotaeFraxinetum

broekbos

Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart

1

2

2

3

2

85

Hp

14

16RG01 RG Holcus lanatus-Lolium perenne-[MolinioArrhenatheretea] graslanden

87

Hr + Mrb

34

32BA02A Soncho-Epilobietum typicum

Moerassen

Rietmoerassen

88

Hr(60) + Mcb (25) + Hfb (15)

42

38AA02B Irido-Salicetum alopecuretosum pratensis

Moerassen

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers

1

1

2

RG Gestreepte witbol[Arrhenatheretalia]

Europees habitat

Vlaamse vegetatietypologie

Vegetatietype Nederland

Ecologische waarde

Aandachtssoorten

Aantal Rode Lijstsoorten

Aantal soorten

BWK

Inventarisatie_eenheid 79

91E0

6430

11


Ae+

11

1

1

90

Bl

0

1

1

96

Sf(75) + Ae- (25)

33

97

Hp*

34

4

4

05CA01 Callitricho-Hottonietum

open water

Waterviolier-Kranswier ionenrijk type

akker

Niet van toepassing

39AA02C Carici elongataeAlnetum ribetosum nigri

broekbos

Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren

16RG04 RG Juncus effusus[Molinietalia/Lolio-Potentillion]

ruigte

Rompgemeenschap van Pitrus

Europees habitat

Vlaamse vegetatietypologie

Vegetatietype Nederland

Ecologische waarde

Aandachtssoorten

Aantal Rode Lijstsoorten

Aantal soorten

BWK

Inventarisatie_eenheid 89

91E0

12


Tabel 2

Karteringseenheden Opname 1990 met weergave van BWK-code gegeven aan zone tijdens kartering BWK1, de geïnterpreteerde BWK uit de vegetatieopnamen van 1990, de geïnterpreteerde eenheid 1 uit de geïnterpreteerde bwk 1990 en bwk1, Vegetatietype van Nederland, ruw vegetatietype, Vlaams vegetatietype en Europees habitattype

Kolom 1:

Karteringseenheid volgens de plantenwerkgroep Wellemeersen

Kolom 2:

Richtdatum van de kartering volgens de plantenwerkgroep Wellemeersen (1990). De inventarisaties zijn gebeurd over 2 jaren nl. 1990 en 1991. Inventarisaties zijn telkens afgerond in mei van het betreffende jaar.

Kolom 3:

BWK-eenheid van BWK1 (kartering Wellemeersen rond 1990 – INBO)

Kolom 4:

Geïnterpreteerde BWK-eenheid uit de vegetatiekarteringen van plantenwerkgroep Wellemeersen (1990)

Kolom 5:

Geïnterpreteerde BWK- eenheid uit de combinatie van 1/ de vegetatiekarteringen van plantenwerkgroep Wellemeersen (1990) en 2/ BWK1 (kartering Wellemeersen rond 1990 – INBO)

Kolom 6:

Vegetatietype volgens Associa berekening

Kolom 7:

Ruw vegetatietype

Kolom 8:

Overeenstemmende Vlaamse Natuurtypologie

Kolom 9:

Europese Habitatcode

13


9

10

14

18

19900510

19900510

19900510

19900510

19900510

Hp

Hp

Hp

Hp

Lh

Urtico-

Hp* + Sf + Hr

Urtico-

Hp + Hr

33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum

Urtico-

Hp + Kh + Hr

33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum

Urtico-

Hp +Sf + Mr°

33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum

Urtico-

Hu- + Hp* + Hr

33AA05B Aegopodietum Hr holcetosum 33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum

Urtico-

Lsb 33AA05B

19

19900510

Hp

Hp+Hc +Mc + Hr

20

19900510

Hp

Hp* + Hr + lsb + Mc

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

Urtico- ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Look-

Europees habitat

Vlaamse natuurtypologie

Associa_01

en BWK1

Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990

Geïnterpr. BWK1990 uit veg

BWK1

Datum (jaar/maand/dag)

Karteringseenheid 8

33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum

14


Europees habitat

Vlaamse natuurtypologie

Associa_01

en BWK1

Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990

Geïnterpr. BWK1990 uit veg

BWK1

Datum (jaar/maand/dag)

Karteringseenheid

Aegopodietum holcetosum

zonder-look

16RG08 RG Alopecurus pratensis-Lychnis floscuculiMr° [Alopecurion/Molinietalia] graslanden

21

19900510

Hp

Hp*+Hr + Hc+Mc+Mr°

24

19900510

Lh

Hr+Lsb + Mr + Vn+Hc+Hp*+Hr

Lh 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos

25

19900510

Mc

Hr + Mr + Mc + Ae+Hp*

38AA02A Irido-Salicetum Mc menthetosum broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

16RG08 RG Alopecurus pratensis-Lychnis floscuculiHp [Alopecurion/Molinietalia] graslanden

RG Grote vossestaart-[Alopecurion]

Hp

32AA01B ValerianoFilipenduletum Hp holcetosum ruigte

Associatie van Moerasspirea en Valeriaan

33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

26

27

19900510

19900510

Hp

Hp + Hr + Ae

28

19900510

Hp

Hp*+Hr

29

19900510

Hc

Hr +Vn + Hp*+Hj+ Mr

RG Grote vossestaart-[Alopecurion] Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

Urticoruigte

32AA01C ValerianoVn Filipenduletum ruigte

Associatie van Moerasspirea en Valeriaan

15


Europees habitat

Vlaamse natuurtypologie

Associa_01

en BWK1

Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990

Geïnterpr. BWK1990 uit veg

BWK1

Datum (jaar/maand/dag)

Karteringseenheid

symphytetosum

30

19900510

Hc

Hr + Hp*+Hj+Mr

38AA03A Cardamino amarae-Salicetum Hr anthriscetosum broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

32AA01B ValerianoFilipenduletum Hc holcetosum ruigte

Associatie van Moerasspirea en Valeriaan

31

19900510

Hc

Hr + Hc+Hj

34

19900510 Mr+Ae+Vn

Lsb+Ae+Hp+Mc

33AA05B Irido-Salicetum Ae alopecuretosum pratensis broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

35

19900510

Lh

Lsb + Vn + Ae +Mr

43RG03 RG Urtica dioica Lh [Circaeo-Alnenion] broekbos

RG Elzen-essenbos

36

19900510

Lh

Hr + Vn+Mr

38AA02A Irido-Salicetum Vn menthetosum broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

37

19900510

Lh+Mc+sf

Lsb + Vn + Hp*+Mr

43RG03 RG Urtica dioica Lh [Circaeo-Alnenion] broekbos

RG Elzen-essenbos

38

19900510

Lh + Mc

Hr + Lsb + Mc+Ae

38AA02B Irido-Salicetum Lh alopecuretosum pratensis broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

39

19900510

Hp

Hp

33AA05B Hp Aegopodietum

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

Urticoruigte

91E0

91E0

16


Europees habitat

Vlaamse natuurtypologie

Associa_01

en BWK1

Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990

Geïnterpr. BWK1990 uit veg

BWK1

Datum (jaar/maand/dag)

Karteringseenheid

holcetosum

40

19900510

Vn

Lsb + Vn

43RG03 RG Urtica dioica Vn [Circaeo-Alnenion] broekbos

RG Elzen-essenbos

41

19900510

Hp

Hp*

33AA05B Irido-Salicetum Hp alopecuretosum pratensis broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

16RG08 RG Alopecurus pratensis-Lychnis floscuculiHp [Alopecurion/Molinietalia] graslanden

RG Grote vossestaart-[Alopecurion]

Lh 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

Urtico-

Hp+Hr

33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

Urtico-

Hc+Hr+Hf+Mr+Vn

33AA05B Aegopodietum Vn holcetosum

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

42

19900510

Hp

Hp

43

19900510

Vn

Lsb + Vn

44

19900510

Hp

91E0

45

19900510 Lh+Vn+Mr

48

19900510

Hp +Lh

Lsb + Vn + Qa+Hf

Hf 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

49

19900510

Vn

Lsb + Vn + Hp*+Hj

38AA03A Cardamino Vn amarae-Salicetum broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

91E0

17


Europees habitat

Vlaamse natuurtypologie

Associa_01

en BWK1

Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990

Geïnterpr. BWK1990 uit veg

BWK1

Datum (jaar/maand/dag)

Karteringseenheid

anthriscetosum

51

19900510

Hp

Hp + Hr

55

19900510

Vn +Hp

Vn + Hp*+Hf

56

19900510

Vn

57

19900510

Mc

Hr + Lsb +Vn+Hj+Hf+Mr+Ae

58

19900510

Lh

59

19900510

60

19900510

33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum

Urticoruigte

43RG03 RG Urtica dioica Vn [Circaeo-Alnenion] broekbos

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

RG Elzen-essenbos

91E0

43RG03 RG Urtica dioica Mr° [Circaeo-Alnenion] broekbos

RG Elzen-essenbos

91E0

Lsb + Vn+Mr

43RG03 RG Urtica dioica Lh [Circaeo-Alnenion] broekbos

RG Elzen-essenbos

91E0

Lh

Lsb + Vn + Hp*+Hf+Mr

Lh 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

Lh+Vn

Lsb + Vn+Hj+Hf+Mr

Lh 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum

broekbos

RG Elzen-essenbos

91E0

Vn 43RG03 RG Urtica dioica broekbos

RG Elzen-essenbos

91E0

Vn

61

19900510

Hp

Hp*+Hr

64

19900510

Vn

Vn+Hj+Hf+Mr+Ae

Urtico-

18


Europees habitat

Vlaamse natuurtypologie

Associa_01

en BWK1

Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990

Geïnterpr. BWK1990 uit veg

BWK1

Datum (jaar/maand/dag)

Karteringseenheid

[Circaeo-Alnenion]

65

19900510

Vn

Vn+Hj+Hf

38AA02B Irido-Salicetum Vn alopecuretosum pratensis broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

66

19900510

Lh

Lsb+Hr+Hf+Mr+Ae

38AA02A Irido-Salicetum Lh menthetosum broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

69

19900510

Ae

Sf+Vn

38AA02A Irido-Salicetum Sf menthetosum broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

32AA01B ValerianoFilipenduletum Lh holcetosum ruigte

Associatie van Moerasspirea en Valeriaan

38AA02B Irido-Salicetum Vn alopecuretosum pratensis broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

16AB05 Lh sylvatici

Rompgemeenschap van Bosbies (Calthion / Filipendulion)

70

19900510 Mc+Vn+Lh

Hr + Lsb + Mc+Hf+Mr+Ae

71

19900510

Vn

Lsb + Vn + Ae

72

19900510 Lh+Mc+Hc

Lsb + Hc + Hm + Hp*+Hj+Mc+Hf

73

19900510

Lh+Hp

Hr + Hj

74

19900510

Lh+hp

Hp

Scirpetum ruigte

33DG02 DG Populus x canadensis-[GalioHr Urticetea broekbos

RG Elzen-essenbos

Hp 16RG11

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

ruigte

91E0

19


80

81

82

19900510

19900510

19900510

19900510

Vn +Hf

Hf

Lh

Lh

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

Urtico-

Hp

33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

Lsb + Vn +Hc + Mc+Hf+Mr

Hc

Hc + Hp*+Hr+Hf

85

19900510

Lh

Vn+Hf

Hp

Vn+Hj+Hr+Hf

38AA03A Cardamino amarae-Salicetum Lh anthriscetosum broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

16RG08 RG Alopecurus pratensis-Lychnis floscuculiHc [Alopecurion/Molinietalia] graslanden

RG Grote vossestaart-[Alopecurion]

Vn 33DG02

broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

38AA03A Cardamino amarae-Salicetum Hf anthriscetosum broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

Europees habitat

Vlaamse natuurtypologie Urtico-

Hp+Hj

33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum

19900510

19900510

Associa_01

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

Hc + Mc+Hf+Mr

84

86

en BWK1

Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990

Geïnterpr. BWK1990 uit veg

BWK1

Datum (jaar/maand/dag)

Karteringseenheid 78

38AA03A Cardamino amarae-Salicetum Hf anthriscetosum broekbos

20


Europees habitat

Vlaamse natuurtypologie

Associa_01

en BWK1

Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990

BWK1

Datum (jaar/maand/dag)

Karteringseenheid

Geïnterpr. BWK1990 uit veg

Lsb

43RG03 RG Urtica dioica Lh [Circaeo-Alnenion] broekbos

87

19900510

Lh

RG Elzen-essenbos

91E0

91

19900510

Hf

92

19900510

Lh

Lsb+hr

43RG03 RG Urtica dioica Lh [Circaeo-Alnenion] broekbos

RG Elzen-essenbos

91E0

93

19900510

Lh+Hf

Hr

Hr 33AA05A

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

94

19900510

Lh+Vn

Lsb + Vn + Va+ Hc + Hp*+Sf+Hf+Mr

Lh 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

95

19900510

Lh+Hc

Hr + Hp*+Mr°

Mr° 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

Hf

33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum

ruigte

Urtico-

19900510

BI

Hp

98

19900510

Lh

Lsb + Hr

43RG03 RG Urtica dioica Lh [Circaeo-Alnenion] broekbos

RG Elzen-essenbos

Hc + Hp*+Hf

38AA03A Cardamino amarae-Salicetum Hf anthriscetosum broekbos

Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0

99

19900510

Lh

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

97

91E0

21


19900510

Vm

Lsb + Vn + Hc + Va + Hp*+Mr

101

19900510

Ae

Lsb + Vn + Va

102

19900510

Vm

Lsb + Vn + Mr + Hc + Va + Hp +Sf + Mc

103

19900510

Hc

104

19900510

Lh

Europees habitat

Vlaamse natuurtypologie

Associa_01

en BWK1

Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990

Geïnterpr. BWK1990 uit veg

BWK1

Datum (jaar/maand/dag)

Karteringseenheid 100

Vn 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

Ae 33AA05A

RG Elzen-essenbos

91E0

Vn 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

Hp+Hj

43RG03 RG Urtica dioica Hj [Circaeo-Alnenion] broekbos

RG Elzen-essenbos

91E0

Hr + Hc + Hp*+Hj+Mc+Hf+Mr°

43RG03 RG Urtica dioica Mr° [Circaeo-Alnenion] broekbos

RG Elzen-essenbos

91E0

33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum

broekbos

Urticoruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

Hc + Va

Va 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

Vm

Lsb + Vn + Hc + Va+Hf

Va 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos

Essen-elzenbos met Bloedzuring

91E0

19900510

Mc

Hr + Mr + Hp*+ Mc

Mc 33AA03A

ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look

19900510

Ui

Hp+Hr

Hp 33AA05B

Urtico- ruigte

Nitrofiele zomen en ruigten verbond Look-

105

19900510

Hp

Hp+Hr+Mc

108

19900510

Vm

Lsb + Vn + Va + Hp + Mc+Ae

110

19900510

Vm

111

19900510

113 114

Va 33AA05A

22


Aegopodietum holcetosum

119 19900510 Ui Lsb 33DG02 DG Populus x canadensis-[GalioLh Urticetea aanplant

zonder-look

Populierbeemd

23

Europees habitat

Vlaamse natuurtypologie

Associa_01

en BWK1

Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990

Geïnterpr. BWK1990 uit veg

BWK1

Datum (jaar/maand/dag)

Karteringseenheid


Capsella bursapastoris

Matricari a recutita Echte kamille

Gewoon herderstasje A 7

A 7

Myosotis Akkervergeetarvensis mij-nietje A 6 5

5

5 X

5

X 6

5

6 A30 30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen

A30 30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen

A30 30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

SLEUTELSOORTEN

Negatieve aandachtsoort

Positieve aandachtsoort

Rode Lijst

Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water)

Indicatoren voor nitrofiele zomen

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Dwergbiezenklasse

Kleine zeggenindicatoren

Rietklasseindicatoren

Bronbeekindicatoren

Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

Zilverschoongraslandindicatoren

Glanshavergraslandindicatoren

Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

Elzenbroekbosindicatoren

Dotterbloemgraslandindicatoren

Oudbosplanten

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

Tabel 3 Specifieke eigenschappen, indicatorwaarde en vegetatietype van alle in 2014 en/of 1990 gekarteerde soorten

24


happen

Senecio vulgaris

Persicari a maculos a

Klein kruiskruid

Perzikkruid

Veronica arvensis Veldereprijs

Stellaria media

Vogelmuur

Fallopia convolvu lus Zwaluwtong

Mentha arvensis

Akkermunt

A 7

A 6

A 7

A 6

A 7

P

7

5

5

4

X

5

8 *

X

7

6

7

X

X

A30

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen

A30

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen

A30

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen

A30

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen

6

A30

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen

X

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen

8

7

X

8

30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos

25


Sonchus asper

Sonchus oleraceu s

Gekroesde melkdistel

Gewone melkdistel

A 7

A 7

6

4

Veronica persica Grote ereprijs A 6 5

Equisetu m arvense Heermoes

Tussilag Klein o farfara hoefblad

D 6

A 8

6 *

6 *

7

8

7

X

8

7

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen

30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos

8

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen

30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos

7

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen

30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos

3

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen

30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos

X

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen

30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos

30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos 30A

Euphorbi a heliosco Kroontjeskrui pia d

A 6

5

7

7

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen

Geraniu

A 6

5

8

5

A30A 30

Slipbladige

26


m dissectu m

ooievaarsbek

Mercuria lis Tuinbingelkru annua id

Atriplex patula

Lamium purpure um

Uitstaande melde

A 7

A 6

Paarse dovenetel s.s. A 7

Spergula Gewone arvensis spurrie

Vicia hirsuta

Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen

Ringelwikke

A 6

A 7

4

5

5

5

4

7

7

7

3

X

Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos

8

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen

30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos

7

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen

30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos

7

30 Stellarietea mediae Klasse der A30A akkergemeensc B happen

30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos

6

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30B happen

30B Sperguletalia arvensis Orde van Gewone spurrie

4

30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30B happen

30B Sperguletalia arvensis Orde van Gewone spurrie

30AB FumarioEuphorbion Verbond van Duivekervel en Kroontjeskr uid

27


Vicia sativa s. Smalle wikke nigra s.s. A 5 X

X

X

30 Stellarietea mediae Klasse der A30B akkergemeensc A happen

30B Sperguletalia arvensis Orde van Gewone spurrie

30BA Aperion spicae-venti Windhalmverbond

2

30 Stellarietea mediae Klasse der A30B akkergemeensc A happen

30B Sperguletalia arvensis Orde van Gewone spurrie

30BA Aperion spicae-venti Windhalmverbond

X

30 Stellarietea mediae Klasse der A30B akkergemeensc A01 happen

30B Sperguletalia arvensis Orde van Gewone spurrie

30BA Aperion spicae-venti Windhalmverbond

30BA01 Sclerantho annuiArnoseridetu m Korenslaassociatie

4

30 Stellarietea mediae Klasse der A30B akkergemeensc A02 happen

30B Sperguletalia arvensis Orde van Gewone spurrie

30BA Aperion spicae-venti Windhalmverbond

30BA02 Papaveretum argemones Associatie van Ruige klaproos

7

30 Stellarietea mediae Klasse der A30B akkergemeensc B happen

30B Sperguletalia arvensis Orde van Gewone spurrie

30BB DigitarioSetarion Verbond van Vingergras en Naaldaar

5

38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbos B38A sen en A struwelen

38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbos sen en struwelen

38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloed bossen en -

Veelkleurig

Myosotis vergeet-mijdiscolor nietje

Vicia sativa s. sativa Voederwikke

Arabidop sis thaliana Zandraket

Setaria viridis

Salix triandra

Groene naaldaar

Amandelwilg

A 8

A 5

A 6

A 7

W 7

4

X

4

4

8 =

4

X

4

X

7

28


struwelen

Salix viminalis Katwilg

Salix alba

Impatie ns glandulif era

Populus nigra

Lysimac hia nummul aria

Schietwilg

Reuzenbalse mien

Zwarte populier

Penningkruid

W 7

W 5

P

V

V

5

5

4

8 =

8 =

8 =

8 =

6 *

7

8

7

7

X

X

38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbos B38A sen en A struwelen

38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbos sen en struwelen

38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloed bossen en struwelen

7

38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbos B38A sen en A struwelen

38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbos sen en struwelen

38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloed bossen en struwelen

7

38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbos B38A sen en A01 struwelen

38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbos sen en struwelen

38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloed bossen en struwelen

38AA01 ArtemisioSalicetum albae Bijvoetooibos

7

38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbos B38A sen en A01 struwelen

38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbos sen en struwelen

38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloed bossen en struwelen

38AA01 ArtemisioSalicetum albae Bijvoetooibos

38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbos B38A sen en A02 struwelen

38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbos sen en struwelen

38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloed bossen en -

38AA02 IridoSalicetum albae Gele lis-ooibos

X

Bedreig d

29


struwelen

Solanum dulcama ra Bitterzoet

Alnus glutinos a

Zwarte els

Humulus lupulus Hop

Carex remota

IJle zegge

P

K

P

V

7

5

7

3

8 *

9 =

8 =

8

X

6

6

X

8

X

8

X

Ribes nigrum

Zwarte bes

F

4

9 =

6

5

Rhamnu s

Sporkehout

P

6

8 *

4

X

M L

T

39A 39 Alnetea Alnetalia glutinosae glutinosae Klasse der Orde der B39A elzenbroekboss elzenbroekboss A en en

39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekb ossen

T

39A 40 Alnetea Alnetalia glutinosae glutinosae Klasse der Orde der B39A elzenbroekboss elzenbroekboss A en en

39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekb ossen

T

39A 42 Alnetea Alnetalia glutinosae glutinosae Klasse der Orde der B39A elzenbroekboss elzenbroekboss A02 en en

39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekb ossen

39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek

T

T

39A 43 Alnetea Alnetalia glutinosae glutinosae Klasse der Orde der B39A elzenbroekboss elzenbroekboss A02 en en

39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekb ossen

39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek

T

39A 41 Alnetea Alnetalia glutinosae glutinosae Klasse der Orde der B39A elzenbroekboss elzenbroekboss A02 en en

39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekb ossen

39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek

B40A 40 A Vaccinio-

40AA Betulion

T

T

T

T

40A Vaccinio-

30


frangula

Betula pubesce ns

Pinus sylvestri s

Quercus rubra

Fagus sylvatica Ilex aquifoliu m

Zachte berk

Grove den

Amerikaanse eik

Beuk

Hulst

Betuletea pubescentis Klasse der berkenbroekbo ssen

Betuletalia pubescentis Orde der berkenbroekbo ssen

pubescentis Verbond der berkenbroe kbossen

40 VaccinioBetuletea pubescentis Klasse der B40A berkenbroekbo A ssen

40A VaccinioBetuletalia pubescentis Orde der berkenbroekbo ssen

40AA Betulion pubescentis Verbond der berkenbroe kbossen

41 VaccinioPiceetea B41A Klasse der A naaldbossen

41A VaccinioPiceetalia Orde der naaldbossen

41AA DicranoPinion Verbond der naaldbosse n

A

42 Quercetea robori-petraeae Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselarme B42A grond

42A Quercetalia roboris4 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond

A 3

X

42 Quercetea robori-petraeae Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselarme B42A grond

42A Quercetalia roboris4 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond

5

42 42A Quercetea Quercetalia B42A robori-petraeae roboris4 Orde

P

7

A 7

A 4

8

X

5

5

3

X

X

4

3

X

31


Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond

Betula pendula

Castane a sativa

Ruwe berk

Tamme kastanje

Sorbus aucupari Wilde a lijsterbes

Quercus robur

Zomereik

A 7

A 5

A 6

A 7

X

X

X

X

X

4

4

X

der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond

X

42 Quercetea robori-petraeae Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselarme B42A grond

42A Quercetalia roboris4 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond

X

42 Quercetea robori-petraeae Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselarme B42A grond

42A Quercetalia roboris4 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond

X

42 Quercetea robori-petraeae Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselarme B42A grond

42A Quercetalia roboris4 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond

X

42 Quercetea robori-petraeae Klasse der eiken- en beukenbossen op B42A voedselarme

42A Quercetalia roboris4 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond

32


grond

Prunus serotina

Geraniu m robertia num

Ribes rubrum

Stachys sylvatica

Amerikaanse vogelkers

Robertskruid

Aalbes

Bosandoorn

Anemon e nemoros a Bosanemoon

A 6

A 5

V

P

4

4

A X

5

X

8

7

5

X

X

6

7

X

?

42 Quercetea robori-petraeae Klasse der eiken- en beukenbossen op B42A voedselarme A grond

7

B43

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

6

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke

T

7

X

M L

T

T

T

T

42A Quercetalia roboris4 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond

42AA Quercion roboris Zomereikve rbond

33


grond

Salix caprea

Carex sylvatica

Geum urbanu m

Viburnu m opulus

Boswilg

Boszegge

Geel nagelkruid

Gelderse roos

Pulmona ria officinali Gevlekt s longkruid

A 7

P

2

A 4

V

6

A 5

6

5

5

X

5

7

6

X

7

8

7

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

5

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke

7

6

6

L

T

T

T

34


grond

Fraxinus excelsior Gewone es

Acer pseudop latanus

Polygon atum multiflor um

Gewone esdoorn

4

A 4

Gewone salomonszege l A 2

Circaea Groot lutetiana heksenkruid

Stellaria holostea

K

Grote muur

V

4

A 5

X

6

5

6

5

7

X

6

7

6

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

7

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

5

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke

7

7

5

T

M L

L

M L

T

T

T

T

T

35


grond

Ranuncu lus auricom Gulden us boterbloem

Corylus avellana

Hedera helix

Hazelaar

Klimop

Scrophul aria Knopig nodosa helmkruid

Ajuga reptans

Kruipend zenegroen

P

5

A 6

A 4

A 4

A 6

X

X

5

6

6

7

5

X

6

6

X

X

X

7

6

L

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke

T

T

T

36


grond

Pyrus commun is Peer

Robinia pseudoa cacia

Descha mpsia cespitos a

Primula elatior

Acer campest re

Robinia

Ruwe smele

Slanke sleutelbloem

Spaanse aak

A 6

A 5

V

K

6

6

A 5

5

4

7 *

6

5

8

X

X

7

7

X

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

8

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

3

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke

7

6

L

L

T

T

T

T

37


grond

Ranuncu lus ficaria Speenkruid

Taxus baccata

Crataeg us laevigat a

Taxus

Tweestijlige meidoorn

Athyriu m filixfemina Wijfjesvaren

Oxalis acetosell Witte a klaverzuring

P

4

A 4

A 6

P

3

A 1

6

5 *

5

7

5

7

7

7

X

4

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

X

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

5

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke

7

6

6

T

M L

M

T

T

T

38


grond

Rumex sanguin eus

Silene dioica

Populus x canesce ns

Bloedzuring

Dagkoekoeks bloem

V

4

A X

8

6

7

7

7

8

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke

43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers

Grauwe abeel A

Veronica hederifol Klimopereprij ia s

A 6

5

Festuca Reuzenzwenk gigantea gras P 4 7

7

6

7

6

39


grond

Symphor icarpos albus Sneeuwbes

Scilla nonscripta

Populus alba

Wilde hyacint

Witte abeel

Aesculus Witte hippocas paardenkasta tanum nje

Ornithog alum umbellat Gewone um vogelmelk

A

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers

A 5

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers

A

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers

A 6

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A01 grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke

43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers

A 5

5

7 *

5

7

8

7

6

M

T

6

7

T

43AA01 Violo odorataeUlmetum AbelenIepenbos

40


grond

Carex pendula

Stellaria neglecta

Hangende zegge

Heggenvogel muur

Brachyp odium sylvaticu m Boskortsteel

Myosotis Bosvergeetsylvatica mij-nietje

Allium ursinum

Daslook

W 5

A 6

A 3

A 6

K

2

8

X

5

5

6

6

7

6

X

7

6

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A04 grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers

43AA04 Carici remotaeFraxinetum GoudveilEssenbos

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A04 grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers

43AA04 Carici remotaeFraxinetum GoudveilEssenbos

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke

43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os

T

Onvoldo ende gekend T

8

6

7

8

L

T

41


grond

Lamiastr um galeobd Gele olon dovenetel

Arum maculat um

Gevlekte aronskelk

Carpinus betulus Haagbeuk

Galium odoratu m

P

P

3

3

A 4

Lievevrouweb edstro A 2

Dryopter is filix- Mannetjesvar mas en

A 3

5

7

X

5

5

7

7

X

6

5

5

8

M L

L

X

5

6

T

T

T

T

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke

43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os

T

L

T

T

T

42


grond

Adoxa moschat ellina

Prunus avium

Muskuskruid

Zoete kers

Grote

Plantago Getande major weegbree

P

5

A 4

6

5

Polygon um Gewoon aviculare varkensgras

Straatgras

7

8

5

T

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os

T

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os

G12

12 Plantaginetea majoris Weegbreeklasse

6

G12

12 Plantaginetea majoris Weegbreeklasse

6

12 Plantaginetea majoris G12A WeegbreeA klasse

12A Plantaginetalia majoris Weegbree-orde

12AA Polygonion avicularis Varkensgra s-verbond

8

12 Plantaginetea majoris G12A WeegbreeA klasse

12A Plantaginetalia majoris Weegbree-orde

12AA Polygonion avicularis Varkensgra s-verbond

en P

8

5

Plantago major s. Grote major weegbree s.s. A 8 5

Poa annua

7

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond

A 7

A 7

4

6

X

X

X

X

6

43


Matricari a discoide a Schijfkamille

Pulicaria dysenter ica Heelblaadjes

Carex hirta

Potentill a reptans

Agrostis stolonife ra

Ruige zegge

Vijfvingerkrui d

Fioringras

A 8

V

8

A 7

A 6

P

8

5

7 *

6 *

6

X =

7

7

X

7

X

8

12 Plantaginetea majoris G12A WeegbreeA02 klasse

12A Plantaginetalia majoris Weegbree-orde

5

T

12 Plantaginetea majoris WeegbreeG12B klasse

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

T

12 Plantaginetea majoris WeegbreeG12B klasse

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

T

12 Plantaginetea majoris WeegbreeG12B klasse

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

T

12 Plantaginetea majoris G12B WeegbreeA klasse

5

5

5

Alopecur us genicula Geknikte tus vossenstaart

V

9

8 =

7

7

T

12 Plantaginetea majoris G12B WeegbreeA klasse

Ranuncu Kruipende lus boterbloem

P

6

7 *

X

X

T

G12B 12 A Plantaginetea

12AA Polygonion avicularis Varkensgra s-verbond

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoo n-verbond

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoo n-verbond

12B Agrostietalia

12BA Lolio-

12AA02 CoronopodoMatricarietum + Associatie van Varkenskers en Schijfkamille

44


repens

Poa trivialis

Carex otrubae

Juncus inflexus

Potentill a anserina

Rumex crispus Persicari a amphibi a

majoris Weegbreeklasse

Ruw beemdgras

Valse voszegge

Zeegroene rus

Zilverschoon

Krulzuring

Veenwortel

A 6

F

V

P

6

8

7

A 7

V

7

7

8

7 *

6 *

7 *

1 1

X

7

8

X

X

6

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoo n-verbond

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoo n-verbond

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoo n-verbond

T

12 Plantaginetea majoris G12B WeegbreeA01 klasse

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoo n-verbond

12BA01 RanunculoAlopecuretum geniculati Associatie van Geknikte vossestaart

T

12 Plantaginetea G12B majoris A01 Weegbree-

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

12BA LolioPotentillion anserinae

12BA01 RanunculoAlopecuretum geniculati

7

6

12 Plantaginetea majoris G12B WeegbreeA klasse

7

5

4

Potentillion anserinae Zilverschoo n-verbond 12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoo n-verbond

12 Plantaginetea majoris G12B WeegbreeA klasse

4

stoloniferae Fioringras-orde

T

T

T

T

12 Plantaginetea majoris G12B WeegbreeA klasse

T

12 Plantaginetea majoris G12B WeegbreeA klasse

45


klasse

Cerastiu m semidec andrum

Zandhoornblo em A 8

Hypocha eris Gewoon radicata biggenkruid

Agrostis Gewoon capillaris struisgras

Lathyrus nissolia Graslathyrus

A 8

A 7

A 7

3

5

X

4

6

4

4

7

X

3

4

4

Rumex acetosell Schapenzurin a g

A 8

4

2

2

Medicag

A 7

4

8

X

Hopklaver

G14

T

14 KoelerioCorynephorete a Klasse der droge graslanden op G14B zandgrond

14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde

T

14 KoelerioCorynephorete a Klasse der droge graslanden op G14B zandgrond

14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde

T

14 KoelerioCorynephorete a Klasse der droge graslanden op G14B zandgrond

14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde

14 KoelerioCorynephorete a Klasse der droge graslanden op G14B zandgrond

14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde

G15A 15

15A

T

T

T

Associatie van Geknikte vossestaart

15AA

15AA01

14 KoelerioCorynephorete a Klasse der droge graslanden op zandgrond

T

Zeldzaa m

Zilverschoo n-verbond

46


o lupulina

Festuca pratensi s

Holcus lanatus

Anthoxa nthum odoratu m

A01

Beemdlangbl oem

Gestreepte witbol

Gewoon reukgras

Ranuncu Scherpe lus acris boterbloem

A 8

P

7

A X

D 7

6

6

X

X

X

X

5

X

6

4

X

X

Rumex acetosa

Veldzuring

A 8

X

X

6

Vicia cracca

Vogelwikke

A 7

5

X

X

T

T

T

T

FestucoBrometea Klasse der kalkgraslanden

G16

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke graslanden

G16

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke graslanden

G16

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke graslanden

G16

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke graslanden

G16

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke graslanden

G16

16 MolinioArrhenatherete

Brometalia erecti Orde der kalkgraslanden

Mesobromi on erecti Verbond der matig droge kalkgraslan den

GentianoKoelerietum Kalkgrasland

47


a Klasse der matig voedselrijke graslanden

Juncus conglom eratus

Dactylor hiza majalis

Cirsium palustre

Biezenknoppe n V

Brede orchis en Rietorchis V

Kale jonker

Equisetu m palustre Lidrus

V

8

8

7

W 7

7 *

8 *

8

8

Lotus peduncu Moerasrolklav latus er V 7 8

Juncus acutiflor us

Veldrus

W 9

8

4

7

4

X

6

5

3

2

3

3

4

3

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16A graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16A graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16A graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16A graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16A graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

Kwetsba ar T

T

T

T

48


graslanden

Achillea Wilde ptarmica bertram

Lychnis floscuculi

Echte koekoeksbloe m

Hypericu m tetrapter Gevleugeld um hertshooi

Rhinant hus angustif olius

Saxifrag a granulat a

Carex acutifor mis

F

F

Moeraszegge

7

W 7

Grote ratelaar P

Knolsteenbre ek

8

V

7

X

W 7

8

7 *

8 =

6 *

4

9 *

4

X

7

7

5

7

2

X

5

2

3

5

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke A01 graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

16AA01 Cirsio dissectiMolinietum Blauwgrasla nd

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

16AB Calthion palustris Dotterbloe m-verbond

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

16AB Calthion palustris Dotterbloe m-verbond

T

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

16AB Calthion palustris Dotterbloe m-verbond

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

16AB Calthion palustris Dotterbloe m-verbond

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

16AB Calthion palustris Dotterbloe m-verbond

T

T

T

T

T

T

Kwetsba ar T

T

49


Cardami ne pratensi s

Carex disticha

Pinksterbloe m

Tweerijige zegge

Scirpus sylvaticu s Bosbies

Persicari a bistorta

Crepis paludos a

Adderwortel

Moerasstreep zaad

V

4

W 8

F

F

6

7

W 7

6

9 =

8

7

8 *

X

8

4

5

8

X

5

4

5

6

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

16AB Calthion palustris Dotterbloe m-verbond

T

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

16AB Calthion palustris Dotterbloe m-verbond

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B05 graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

16AB05 Scirpetum sylvatici Bosbiesassociatie

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

16AB06 AngelicoCirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegg e

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

16AB06 AngelicoCirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegg e

T

T

T

T

T

T

T

T

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B06 graslanden

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B06 graslanden

50


Cirsium oleraceu m

Knautia arvensis

Cerastiu m fontanu m

Moesdistel

Beemdkroon

Gewone en Glanzende hoornbloem

Cerastiu m fontanu m s. Gewone vulgare hoornbloem

Leucant hemum vulgare

Gewone margriet

Taraxac um sectie Ruderali

Gewone paardebloem en

W 6

A 7

6

A 6

A 7

A 7

7

4

5

5

4

5

8

X

5

5

X

X

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B06 graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootjeorde

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

5

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

5

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

3

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der G16B matig

16B Arrhenathereta lia Glanshaver-

5

4

7

T

T

T

Achterui tgaand T

T

16AB06 AngelicoCirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegg e

51


a

voedselrijke graslanden

Lotus cornicula tus v. cornicula Gewone tus rolklaver

Achillea millefoli um

Gewoon duizendblad

Senecio jacobae a s. jacobae Jakobskruiskr a uid s.s.

Trifolium dubium Kleine klaver

Centaur ea jacea

Knoopkruid

Trifolium pratense Rode klaver

A 7

A 8

A 8

A 6

A 7

A 7

4

4

4 *

5

X

X

7

X

7

6

X

X

3

5

5

5

X

X

orde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

T

T

52


Festuca rubra

Rood zwenkgras s.s.

Plantago lanceola Smalle ta weegbree

A 8

A 6

5

X

7

X

6

X

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde 16B

Timoteegras

Phleum en Klein pratense timoteegras A 7 5

Phleum pratense s. Timoteegras pratense s.s.

Poa pratensi s

Veldbeemdgr as

A 7

A 6

5

5

X

X

X

6

6

6

T

Lathyrus pratensi s Veldlathyrus

A 7

6

7

6

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden

Alopecur Grote

P

6

6

7

T

G16B 16

6

Molinio-

53


us pratensi s

vossenstaart

Heracleu m sphondy Gewone lium berenklauw

Galium mollugo

Glad walstro

Arrhenat herum elatius Glanshaver

Pimpinel la major

Vicia sepium

Grote bevernel

Heggenwikke

Crepis Klein capillaris streepzaad

A

A 7

A 7

A 8

A 7

A X

A 7

5

4

5

5

5

5

X

7

7

7

6

6

Arrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke graslanden

Arrhenathereta lia Glanshaverorde

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke B01 graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16BB Arrhenather ion elatioris Glanshaververbond

16BB01 Arrhenatheret um elatioris Glanshaverassociatie

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke B01 graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16BB Arrhenather ion elatioris Glanshaververbond

16BB01 Arrhenatheret um elatioris Glanshaverassociatie

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke B01 graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16BB Arrhenather ion elatioris Glanshaververbond

16BB01 Arrhenatheret um elatioris Glanshaverassociatie

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke B01 graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16BB Arrhenather ion elatioris Glanshaververbond

16BB01 Arrhenatheret um elatioris Glanshaverassociatie

5

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke B01 graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16BB Arrhenather ion elatioris Glanshaververbond

16BB01 Arrhenatheret um elatioris Glanshaverassociatie

4

16 MolinioArrhenatherete G16B a Klasse der B01 matig

16B Arrhenathereta lia Glanshaver-

16BB 16BB01 Arrhenather Arrhenatheret ion elatioris um elatioris Glanshaver- Glanshaver-

8

?

7

7

54


voedselrijke graslanden

Dactylis glomerat a Kropaar

Tragopo gon pratensi s

Prunella vulgaris

Cynosur us cristatus

A 7

Oosterse en Gele morgenster A 7

Gewone brunel

Kamgras

Bellis perennis Madeliefje

Veronica serpyllif olia Tijmereprijs

D 7

A 8

D 8

D X

5

4

5

5

5

6

X

7

7

X

X

5

6

6

X

4

6

X

orde

verbond

associatie

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke B01 graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16BB Arrhenather ion elatioris Glanshaververbond

16BB01 Arrhenatheret um elatioris Glanshaverassociatie

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke B01 graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16BB Arrhenather ion elatioris Glanshaververbond

16BB01 Arrhenatheret um elatioris Glanshaverassociatie

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond

55


Geraniu m molle

Zachte ooievaarsbek

Veronica filiformis Draadereprijs

Lolium perenne

Engels raaigras

Trifolium repens Witte klaver

Luzula campest ris

Dactylor hiza maculat a s. l.

Gewone veldbies

A 7

A 7

A 8

A 8

A 7

Gevlekte orchis en Bosorchis K

7

4

5

5

5

4

8 *

5

5

7

6

3

X

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond

T

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C01 graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond

16BC01 LolioCynosuretum Kamgrasweid e

7

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C01 graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond

16BC01 LolioCynosuretum Kamgrasweid e

6

16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C01 graslanden

16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde

16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond

16BC01 LolioCynosuretum Kamgrasweid e

19A Nardetalia Orde der heischrale graslanden

19AA NardoGalion saxatilis Verbond der heischrale graslanden

19A Nardetalia Orde der heischrale graslanden

19AA NardoGalion saxatilis Verbond der heischrale

4

X

2

2

T

T

19 Nardetea Klasse der G19A heischrale A graslanden

T

Kwetsba ar T

T

19 Nardetea Klasse der G19A heischrale A02 graslanden

19AA02 Gentiano pneumonanth es-NardetumAssociatie van Klokjesgentiaa n en

56


Polypodi um interject um + Polypodi um vulgare

Brede eikvaren Gewone eikvaren

Aspleniu m scolopen drium Tongvaren

D 4

4

5

Ranuncu lus flammul Egelboterbloe 9 a m W 7 *

Veronica beccabu nga Beekpunge

W 7

1 0

2

8

3

7

2

6

W 7

1 0

X

6

Stellaria

F

8

4

4

5

L21A B02

4

Apium Groot nodifloru moerasscher m m Moerasmuur

Achterui tgaand T

2

M06 AC

T

M07 AA

T

T T

Borstelgras

20A CallunoUlicetalia Struikhei-orde

20AB Empetrion nigri Kraaiheiverbond

20AB02 PolypodioEmpetretum Associatie van Eikvaren en Kraaihei

21A TortuloCymbalarietalia Muurleeuwebe k-orde

21AB CymbalarioAsplenion Muurleeuw ebekverbond

21AB02 FiliciSaginetum Tongvarenassociatie

06 Littorelletea Oeverkruidklasse

06A Littorelletalia Oeverkruidorde

06AC Hydrocotylo -Baldellion/ Verbond van Waternavel en Stijve moeraswee gbree

07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgeme enschappen

07A MontioCardaminetalia Orde der bronen bronbeekgeme enschappen

07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

07A MontioCardaminetalia Orde der bronen bronbeekgeme enschappen

07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

07A

07AA

20 CallunoUlicetea H20A Klasse der B02 droge heiden

+ A 5

graslanden

21 Asplenietea trichomanis Muurvarenklasse

T

T

M07 AA

07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgeme enschappen

T

T

M07

07

Montio-

57


uliginosa

AA

Chrysos plenium alternifol Verspreidblad ium ig goudveil F

Scrophul aria auriculat Geoord a helmkruid

Equisetu m telmatei Reuzenpaard a enstaart

Cardami ne flexuosa

Bosveldkers

Rorippa amphibi a

Gele waterkers

4

W 8

F

V

5

8 =

9 =

8

6

8

W 7

1 0

7

6

8

4

7

5

T

T

7

5

5

8

T

T

T

T

T

T

T

T

MontioCardaminetalia Orde der bronen bronbeekgeme enschappen

CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgeme enschappen

07A MontioCardaminetalia Orde der bronen bronbeekgeme enschappen

07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

07 MontioCardaminetea Klasse der M07 bronbeekgeme AA02 enschappen

07A MontioCardaminetalia Orde der bronen bronbeekgeme enschappen

07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

07AA02 Pellio epiphyllaeChrysosplenie tum oppositifolii Associatie van Paarbladig goudveil

07 MontioCardaminetea Klasse der M07 bronbeekgeme AA02 enschappen

07A MontioCardaminetalia Orde der bronen bronbeekgeme enschappen

07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

07AA02 Pellio epiphyllaeChrysosplenie tum oppositifolii Associatie van Paarbladig goudveil

07 MontioCardaminetea Klasse der M07 bronbeekgeme AA03 enschappen

07A MontioCardaminetalia Orde der bronen bronbeekgeme enschappen

07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

07AA03 PellioConocephalet um Kegelmosassociatie

M07 AA

M08

Cardaminetea Klasse der bronbeekgeme enschappen

08 Phragmitetea Riet-klasse

58


Spargani um erectum s. Grote erectum egelskop s.s.

Typha latifolia

Grote lisdodde

Equisetu m fluviatile Holpijp

Glyceria maxima

Liesgras

W 7

1 0

W 8

1 0

W 8

1 0

W 9

1 0 *

Myosotis scorpioid Moerasvergee 8 es t-mij-nietje W 7 * Alisma plantago Grote waterweegbr aquatica ee

Glyceria fluitans

Mannagras

Rorippa nasturtiu maquaticu Witte m waterkers

Oenanth e fistulosa Pijptorkruid

W 7

W 7

W 7

W 7

1 0

9 =

1 0

9 =

7

7

X

8

X

X

X

7

8

7

8

5

9

5

8

7

7

5

T

T

T T

T

T

T

T

T

T

T

T

T

T

T

Achterui tgaand T

T

T

M08

08 Phragmitetea Riet-klasse

M08

08 Phragmitetea Riet-klasse

M08

08 Phragmitetea Riet-klasse

M08

08 Phragmitetea Riet-klasse

M08

08 Phragmitetea Riet-klasse

M08 A

08 Phragmitetea Riet-klasse

08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde

M08 A

08 Phragmitetea Riet-klasse

08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde

08 Phragmitetea Riet-klasse

08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde

08AA SparganioGlycerion Vlotgrasverbond

08 Phragmitetea Riet-klasse

08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde

08AB Oenanthion aquaticae Watertorkru id-verbond

M08 AA

M08 AB

59


Oenanth e 1 aquatica Watertorkruid W 7 0

Butomus 1 umbellat 0 us Zwanenbloem W 6 = Iris pseudac orus

Gele lis

Eleochar is Gewone palustris waterbies

Galium palustre

Mentha aquatica

Moeraswalstr o

Watermunt

Rumex hydrolap athum Waterzuring

Carex pseudoc yperus

Hoge cyperzegge

W 7

9 =

W 8

1 0 *

W 6

9 =

F

9 =

7

W 7

W 7

1 0

9 =

7

X

X

X

X

7

7

6

6

T

7

T

7

T

4

T

5

T

7

T

T

T

T

08 M08 Phragmitetea AB02 Riet-klasse

08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde

08AB01 RorippoOenanthetum aquaticae Watertorkruid -associatie

08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde

08AB Oenanthion aquaticae Watertorkru id-verbond

08AB02 SagittarioSparganietum Associatie van Egelskop en Pijlkruid

M08 B

08 Phragmitetea Riet-klasse

08B Phragmitetalia Riet-orde

T

M08 B

08 Phragmitetea Riet-klasse

08B Phragmitetalia Riet-orde

T

M08 B

08 Phragmitetea Riet-klasse

08B Phragmitetalia Riet-orde

M08 B

08 Phragmitetea Riet-klasse

08B Phragmitetalia Riet-orde

T

?

5

08 M08 Phragmitetea AB01 Riet-klasse

08AB Oenanthion aquaticae Watertorkru id-verbond

M08 BA

08 Phragmitetea Riet-klasse

08 M08 Phragmitetea BA02 Riet-klasse

08B Phragmitetalia Riet-orde

08BA Cicution virosae Waterschee rlingverbond

08B Phragmitetalia Riet-orde

08BA Cicution virosae Waterschee rlingverbond

08BA02 CicutoCaricetum pseudocyperi1 Associatie van Waterscheerli

60


ng en Hoge cyperzegge

Phragmi tes australis

Carex vulpina

Carex riparia

Carex acuta

Riet

Voszegge

Oeverzegge

Scherpe zegge

Carex vesicaria Blaaszegge Scutellar ia galericul Blauw ata glidkruid

W 7

F

9

W 7

W 7

W 7

F

7

1 0

8 =

9 =

9 =

9 =

9 =

7

X

7

6

6

7

7

08B Phragmitetalia Riet-orde

08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge

08B Phragmitetalia Riet-orde

08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge

08BC01 Caricetum ripariae Oeverzeggeassociatie

08B Phragmitetalia Riet-orde

08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge

08BC02 Caricetum gracilis Associatie van Scherpe zegge

T

08 M08 Phragmitetea BC03 Riet-klasse

08B Phragmitetalia Riet-orde

08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge

08BC03 Caricetum vesicariae Blaaszeggeassociatie

T

08 Phragmitetea Riet-klasse

08B Phragmitetalia Riet-orde

08BD Caricion elatae Verbond

08 M08 Phragmitetea BB04 Riet-klasse

T

5

T

4

Bedreig d

T

T

T

5

T

T

T

M08 BC

08 Phragmitetea Riet-klasse

08 M08 Phragmitetea BC01 Riet-klasse

T

4

6

08B Phragmitetalia Riet-orde

08BB Phragmition australis Rietverbond

08 M08 Phragmitetea BC02 Riet-klasse

T

T

T

M08 BD

08BB04 TyphoPhragmitetum Riet-associatie

61


van Stijve zegge

Stellaria palustris

Agrostis canina

Zeegroene muur

Moerasstruisg ras V

Veronica scutellat a Schildereprijs

Taraxac um sectie Moeraspaard Palustria enbloemen Dactylor hiza majalis s. praeter missa

W 5

Rietorchis

9

W 8

F

V

8

8

9 *

9

9 =

8 *

8 *

4

3

3

8

7

2

2

2

2

W 6

8 *

X

2

Samolus

W 8

8

7

5

T

T

3

Galium uliginosu m Ruw walstro Waterpunge

T

T

T

T

T

T

T

T

Zeldzaa m

T

T

M09

M09 AA

T

T

T

T

T

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09A Caricetalia nigrae Orde van Zwarte zegge

09AA Caricion nigrae Verbond van Zwarte zegge

09A Caricetalia nigrae Orde van Zwarte zegge

09AA Caricion nigrae Verbond van Zwarte zegge

M09 BA

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde

09BA Caricion davallianae Knopbiesverbond

M09 BA

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde

09BA Caricion davallianae Knopbiesverbond

M09 BA

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde

09BA Caricion davallianae Knopbiesverbond

M09

06

06A

06AC

09 Parvocaricetea M09 Klasse der AA03 kleine zeggen

09AA03 Carici curtaeAgrostietum caninae, Associatie van Moerasstruisg ras en Zompzegge

06AC04

62


valerand i

Sedum album

Sedum acre

Cardami ne hirsuta

=

Wit vetkruid

Muurpeper

Kleine veldkers

Cerastiu m glomerat Kluwenhoorn um bloem

A 9

A 8

A 5

A 7

2

2

5

5

BA

X

X

5

5

Littorelletea Oeverkruidklasse

Littorelletalia Oeverkruidorde

Hydrocotylo -Baldellion/ Verbond van Waternavel en Stijve moeraswee gbree

SamoloLittorelletum' Associatie van Waterpunge en Oeverkruid

13A SedoScleranthetalia 2 Orde der droge graslanden op gruis- en steenbodems

13AA AlyssoSedion Verbond van Vetkruiden en Kandelaartj e

13A SedoScleranthetalia 2 Orde der droge graslanden op gruis- en steenbodems

13AA AlyssoSedion Verbond van Vetkruiden en Kandelaartj e

13AA01 Cerastietum pumili Associatie van Tengere veldmuur

7

13 SedoScleranthetea5 Klasse der pioniergrasland P13A en op gruis- en A02 steenbodems

13A SedoScleranthetalia 2 Orde der droge graslanden op gruis- en steenbodems

13AA AlyssoSedion Verbond van Vetkruiden en Kandelaartj e

13AA02 Saxifrago tridactylitisPoetum compressaeAssociatie van Kandelaartje en Plat beemdgras

5

13 SedoScleranthetea5 Klasse der pioniergrasland P13A en op gruis- en A02 steenbodems

13A SedoScleranthetalia 2 Orde der droge graslanden op gruis- en

13AA AlyssoSedion Verbond van Vetkruiden

13AA02 Saxifrago tridactylitisPoetum compressaeAssociatie van

1

1

13 SedoScleranthetea5 Klasse der pioniergrasland P13A en op gruis- en A steenbodems

13 SedoScleranthetea5 Klasse der pioniergrasland P13A en op gruis- en A01 steenbodems

63


steenbodems

Atriplex prostrat a

Epilobiu m ciliatum

Epilobiu m parviflor um

Isolepis setacea

Spiesmelde

Beklierde basterdweder ik

Viltige basterdweder ik

Borstelbies

Juncus bufonius Greppelrus Montia fontana

Klein bronkruid

A 8

F

K

V

V

7

7

6

6

5

9 =

9

X

7

8

5

22 Cakiletea maritimae Klasse der vloedmerkgem P22A eenschappen

9

6

3

T

Kandelaartje en Plat beemdgras

22A Cakiletalia maritimae Orde der vloedmerkgem eenschappen

27A Saginetalia maritimae Zeevetmuurorde

27AA02 CentaurioSaginetum9 27AA Associatie van Saginion Strandduizend maritimae guldenkruid Zeevetmuur en -verbond Krielparnassia

27 Saginetea maritimae P27A ZeevetmuurA02 klasse

27A Saginetalia maritimae Zeevetmuurorde

27AA02 CentaurioSaginetum9 27AA Associatie van Saginion Strandduizend maritimae guldenkruid Zeevetmuur en -verbond Krielparnassia

28 IsoetoNanojuncetea P28A DwergbiezenA klasse

28A Nanocyperetali a Dwergbiezenorde

28AA Nanocyperi on flavescentis Dwergbieze n-verbond

28A Nanocyperetali a Dwergbiezenorde

28AA Nanocyperi on flavescentis Dwergbieze n-verbond

28A Nanocyperetali

28AA Nanocyperi

27 Saginetea maritimae P27A ZeevetmuurA02 klasse

8

en Kandelaartj e

7

7 *

3

4

T

28 IsoetoNanojuncetea P28A DwergbiezenA klasse

7

8 =

3

4

T

P28A 28 IsoetoA Nanojuncetea

64


s. chondro sperma

Dwergbiezenklasse

Sagina procumb Liggende ens vetmuur

Gnaphali um uliginosu Moerasdroog m bloem

Juncus effusus

Juncus articulat us

Pitrus

Zomprus

Carex ovalis

Hazenzegge

Epilobiu m tetragon um

Kantige basterdweder ik s.l.

D 7

V

V

V

P

V

7

8

8

7

7

5 *

7

7

9 *

7 *

8

7

4

3

X

3

6

6

4

T

4

T

2

3

5

T

T

T

T

T

a Dwergbiezenorde

on flavescentis Dwergbieze n-verbond

28 IsoetoNanojuncetea P28A DwergbiezenA klasse

28A Nanocyperetali a Dwergbiezenorde

28AA Nanocyperi on flavescentis Dwergbieze n-verbond

28 IsoetoNanojuncetea P28A DwergbiezenA klasse

28A Nanocyperetali a Dwergbiezenorde

28AA Nanocyperi on flavescentis Dwergbieze n-verbond

28 IsoetoNanojuncetea P28A DwergbiezenA klasse

28A Nanocyperetali a Dwergbiezenorde

28AA Nanocyperi on flavescentis Dwergbieze n-verbond

28 IsoetoNanojuncetea P28A DwergbiezenA klasse

28A Nanocyperetali a Dwergbiezenorde

28AA Nanocyperi on flavescentis Dwergbieze n-verbond

28 IsoetoNanojuncetea P28A DwergbiezenA02 klasse

28A Nanocyperetali a Dwergbiezenorde

28AA Nanocyperi on flavescentis Dwergbieze n-verbond

29 Bidentetea tripartitae P29A Tandzaad-

29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde

28AA02 IsolepidoStellarietum uliginosae Associatie van Borstelbies en Moerasmuur

65


klasse

Persicari a lapathifo Beklierde lia duizendknoop P

Ranuncu lus scelerat Blaartrekkend 9 us e boterbloem W 9 =

Rumex conglom eratus

Rorippa palustris

Kluwenzuring

Moeraskers

Bidens Veerdelig tripartita tandzaad

Stellaria aquatica

Watermuur

Bidens Zwart frondosa tandzaad

P

V

F

F

8

7

8

7

W 7

7

8 =

9 =

8 =

8

7

X

X

X

X

7

9

8

8

8

7

8

T

29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA klasse

29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde

29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond

T

29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA klasse

29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde

29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond

T

29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA klasse

29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde

29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond

T

29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA klasse

29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde

29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond

T

29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA klasse

29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde

29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond

T

29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA klasse

29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde

29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond

T

29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA klasse

29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde

29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond

66


Persicari a hydropip er Waterpeper

Persicari a mitis

Artemisi a vulgaris

7

Zachte duizendknoop W 7

Veronica anagallis Blauwe aquatica waterereprijs

Cirsium arvense

V

Akkerdistel

Bijvoet

W 7

A 8

A 7

8 =

8

9 =

X

6

5

6

X

X

X

8

7

6

7

8

T

29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA01 klasse

T

29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA01 klasse

T

29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA04 klasse

R31

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en

R31

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en

Conyza canaden sis

Canadese fijnstraal

A 8

4

X

5

R31

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en

Sisymbri

Gewone raket A 8

4

X

7

R31

31

29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde

29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond

29AA01 PolygonoBidentetum Associatie van Waterpeper en Tandzaad

29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde

29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond

29AA01 PolygonoBidentetum Associatie van Waterpeper en Tandzaad

29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde

29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond

29AA04 Eleocharito acicularisLimoselletum Slijkgroenassociatie

67


um officinal e

Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en

Diplotaxi s tenuifoli Grote a zandkool

Fallopia japonica

Geraniu m pusillum

Carduus crispus

Amarant hus retroflex us

Rumex obtusifol ius

A 8

Japanse duizendknoop P

Kleine ooievaarsbek

Kruldistel

Papegaaienkr uid

Ridderzuring

8

A 7

A 7

A 8

A 7

3

8 =

4

6

4

6

X

5

X

7

7

X

6

7

7

9

7

9

R31

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en

R31

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en

R31

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en

R31

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en

R31

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en

R31

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale

68


gemeenschapp en

Cirsium vulgare

Linaria vulgaris

Bromus hordeac eus

Speerdistel

Vlasbekje

A 8

A 8

Zachte dravik s.l. A 7

5

4

X *

Bromus hordeac eus s. hordeac Zachte dravik X eus s.s. A 7 *

Lactuca serriola

Kompassla

Anisanth a sterilis IJle dravik

A 9

A 7

4

4

7

7

X

X

X

X

R31

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en

R31

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en

R31

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en

3

R31

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en

4

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31A gemeenschapp A02 en

31A ChenopodioUrticetalia Raketten-orde

31AA Salsolion ruthenicae Verbond van Kleverig kruiskruid

5

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31A gemeenschapp B en

31A ChenopodioUrticetalia Raketten-orde

31AB Arction Kaasjeskrui d-verbond

8

5

3

31AA02 ErigerontoLactucetum Associatie van Raketten en Kompassla

69


Urtica urens

Hordeu m murinu m

Tanacet um vulgare

Barbare a vulgaris

Kleine brandnetel

Kruipertje

A 8

Boerenwormk ruid A 8

Gewoon barbarakruid

Dipsacus Grote fullonum kaardebol

Elytrigia repens

A 7

Kweek

P

8

D 9

A 7

5

4

5

6

6 *

X *

X

7

8

X

8

X

8

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31A gemeenschapp B01 en

31A ChenopodioUrticetalia Raketten-orde

31AB Arction Kaasjeskrui d-verbond

31AB01 UrticoMalvetum neglectae Associatie van Kleine brandnetel

5

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31A gemeenschapp B02 en

31A ChenopodioUrticetalia Raketten-orde

31AB Arction Kaasjeskrui d-verbond

31AB02 Hordeetum murini Kruipertjesassociatie

5

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31C gemeenschapp A en

31C Agropyretalia repentis Wormkruidorde

31CA DaucoMelilotion Wormkruidverbond

6

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31C gemeenschapp A en

31C Agropyretalia repentis Wormkruidorde

31CA DaucoMelilotion Wormkruidverbond

7

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31C gemeenschapp A en

31C Agropyretalia repentis Wormkruidorde

31CA DaucoMelilotion Wormkruidverbond

7

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31C gemeenschapp A en

31C Agropyretalia repentis Wormkruidorde

31CA DaucoMelilotion Wormkruidverbond

70


Daucus carota

Solidago canaden sis

Angelica sylvestri s

Peen

Canadese guldenroede

Gewone engelwortel

Symphyt um officinal Gewone e smeerwortel

Eupatori um cannabi num

Stachys palustris

Koninginnenk ruid

Moerasandoo rn

Thalictru Poelruit

A 8

A 8

V

V

K

7

7

7

4

X

8

8

7

X

X

X

X

7

4

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31C gemeenschapp A en

31C Agropyretalia repentis Wormkruidorde

31CA DaucoMelilotion Wormkruidverbond

6

31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31C gemeenschapp A03 en

31C Agropyretalia repentis Wormkruidorde

31CA DaucoMelilotion Wormkruidverbond

X

R32

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

R32

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

R32

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

R32

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

R32

32

8

8

T

T

T

V

7

7 *

7

6

T

F

7

8

8

4

T

T

T

31CA03 TanacetoArtemisietum Wormkruidassociatie

71


m flavum

Caltha palustris

Valerian a officinali s

Lythrum salicaria

Lysimac hia vulgaris Filipend ula ulmaria

*

Dotterbloem

Echte valeriaan

Grote kattenstaart

W 7

V

F

Grote wederik V

Moerasspirea

F

7

7

6

7

9 =

8 *

8 =

8 *

8

ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

X

7

6

X

X

X

5

X

X

4

T T

32A Filipenduletalia Moerasspireaorde

32AA01 ValerianoFilipenduletu 32AA m. Associatie Filipendulio van n Moerasspirea Moerasspire en Echte a-verbond Valeriaan

32A Filipenduletalia Moerasspireaorde

32AA01 ValerianoFilipenduletu 32AA m. Associatie Filipendulio van n Moerasspirea Moerasspire en Echte a-verbond Valeriaan

32A Filipenduletalia Moerasspireaorde

32AA01 ValerianoFilipenduletu 32AA m. Associatie Filipendulio van n Moerasspirea Moerasspire en Echte a-verbond Valeriaan

T

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32A natte A01 strooiselruigten

32A Filipenduletalia Moerasspireaorde

32AA01 ValerianoFilipenduletu 32AA m. Associatie Filipendulio van n Moerasspirea Moerasspire en Echte a-verbond Valeriaan

T

32 R32A ConvolvuloA01 Filipenduletea

32A Filipenduletalia Moerasspirea-

32AA Filipendulio n

T

T

T

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32A natte A01 strooiselruigten

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32A natte A01 strooiselruigten

T

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32A natte A01 strooiselruigten

T

T

T

32AA01 ValerianoFilipenduletu

72


Klasse der orde natte strooiselruigten

Phalaris arundina cea Rietgras

Calysteg ia sepium

Haagwinde

Epilobiu m Harig hirsutum wilgenroosje

Lycopus europae us

Wolfspoot

V

P

K

7

8

7

W 7

9 =

6

8 =

9 =

7

7

8

7

7

9

8

7

Festuca arundina Rietzwenkgra cea s

V

8

7 *

7

4

Anthrisc

A 7

5

X

8

Fluitenkruid

Moerasspire m. Associatie a-verbond van Moerasspirea en Echte Valeriaan

T

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32A natte A01 strooiselruigten

32A Filipenduletalia Moerasspireaorde

32AA01 ValerianoFilipenduletu 32AA m. Associatie Filipendulio van n Moerasspirea Moerasspire en Echte a-verbond Valeriaan

T

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32B natte A strooiselruigten

32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje

32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje

T

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32B natte A strooiselruigten

32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje

32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje

T

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32B natte A strooiselruigten

32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje

32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32B natte A03 strooiselruigten

32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje

32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje

R33A 33

33A

T

T

T

T

T

Galio-

32BA03 OenanthoAlthaeetum Associatie van Strandkweek en Echte heemst 33AA

73


us sylvestri s

Urtica dioica

A

Grote brandnetel

Glechom a hederac ea Hondsdraf

Galium aparine

Kleefkruid

Alliaria Look-zonderpetiolata look

Lamium album

Torilis japonica

Witte dovenetel

Heggendoorn zaad

A X

A 6

A 7

A 5

A 7

A 6

6

6

X

5

5

5

7

X

6

7

X

8

8

7

8

9

9

8

Urticetea Klasse der nitrofiele zomen

Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

Galio-Alliarion Verbond van Look-zonderlook

T

33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA Galio-Alliarion Verbond van Look-zonderlook

T

33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA Galio-Alliarion Verbond van Look-zonderlook

T

33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look

T

33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look

T

33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look

T

33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A02 zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look

33AA02 Torilidetum japonicae Heggedoornza ad-associatie

74


Cruciata laevipes

Kruisbladwals tro

Lapsana commun is Akkerkool

Chelidon ium Stinkende majus gouwe

Aegopod ium podagra ria Zevenblad

Chameri on angustif olium

Rubus idaeus

Wilgenroosje

Framboos

A 7

A 5

A 6

A 5

A 8

A 7

6

5

5

6

5

X

6

X

X

7

5

X

7

7

T

T

33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A03 zomen

33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A04 zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look

33AA03 UrticoCruciatetum laevipedis Kruisbladwalst ro-associatie

33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look

33AA04 AlliarioChaerophyllet um temuli/ Associatie van Look-zonderlook en Dolle kervel

T

33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A04 zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look

33AA04 AlliarioChaerophyllet um temuli/ Associatie van Look-zonderlook en Dolle kervel

T

33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A05 zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look

33AA05 UrticoAegopodietum Zevenbladassociatie

8

34 Epilobietea angustifolii Klasse der R34A kapvlaktegeme A enschappen

34A Atropetalia Orde der kapvlaktegeme enschappen

34AA Carici piluliferaeEpilobion angustifolii Wilgeroosje s-verbond

6

34 Epilobietea R34A angustifolii A01 Klasse der

34A Atropetalia Orde der kapvlaktegeme

34AA Carici piluliferaeEpilobion

8

8

34AA01 Senecioni sylvaticiEpilobietum

75


kapvlaktegeme enschappen

Galeopsi s bifida

Galeopsi s tetrahit

Gespleten hennepnetel

Gewone hennepnetel

Dryopter is Brede dilatata stekelvaren

Lonicera periclym enum

Cytisus scopariu s

Salix aurita

Wilde kamperfoelie

Brem

Geoorde wilg

P

7

A 7

A 4

A 6

A 8

F

7

5

5

6

X

4

8 *

6

X

X

3

3

4

enschappen

angustifolii Wilgeroosje s-verbond

angustifolii Wilgeroosjesassociatie

34A Atropetalia Orde der kapvlaktegeme enschappen

34AA Carici piluliferaeEpilobion angustifolii Wilgeroosje s-verbond

34AA01 Senecioni sylvaticiEpilobietum angustifolii Wilgeroosjesassociatie

34A Atropetalia Orde der kapvlaktegeme enschappen

34AA Carici piluliferaeEpilobion angustifolii Wilgeroosje s-verbond

34AA01 Senecioni sylvaticiEpilobietum angustifolii Wilgeroosjesassociatie

35A Rubetalia plicati Brummel-orde

35AA LoniceroRubion silvatici Brummelverbond

35A Rubetalia plicati Brummel-orde

35AA LoniceroRubion silvatici Brummelverbond

35AA01 Rubetum grati Associatie van Bronskleurige bosbraam 36AA01 Salicetum auritae Associatie van

6

34 Epilobietea angustifolii Klasse der R34A kapvlaktegeme A01 enschappen

6

34 Epilobietea angustifolii Klasse der R34A kapvlaktegeme A01 enschappen

7

35 LoniceroRubetea plicati S35A BrummelA klasse

4

35 LoniceroRubetea plicati S35A BrummelA klasse

4

35 LoniceroRubetea plicati S35A BrummelA01 klasse

35A Rubetalia plicati Brummel-orde

35AA LoniceroRubion silvatici Brummelverbond

3

36 Franguletea S36A Klasse der A01 wilgenbroekstr

36A Salicetalia auritae Orde der

36AA Salicion cinereae Verbond

76


uwelen

Malus sylvestri s

Clematis vitalba

Appel

Bosrank

Epipactis hellebori Brede ne wespenorchis

Crataeg us monogy na

Sambuc us nigra

Rosa canina

Cornus sanguin ea

Eenstijlige meidoorn

Gewone vlier

Hondsroos

Rode kornoelje

A 7

A 7

A 3

A 7

A 7

A 8

A 7

5

5

5

4

5

4

5

7

7

7

8

X

X

7

wilgenbroekstr uwelen

5

38 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen

37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde

7

41 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen

37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde

5

39 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen

37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde

4

37 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen

37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde

9

42 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen

37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde

X

43 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen

37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde

X

44 RhamnoPrunetea S37A Klasse der

37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde

der Geoorde wilg wilgenbroek struwelen

77


doornstruwelen

Prunus spinosa

Euonym us europae us

Asparag us officinali s

Rosa rugosa

Lemna minor

Lemna trisulca

Sleedoorn

A 7

Wilde kardinaalsmut s A 6

Asperge

Rimpelroos

Klein kroos

Puntkroos

Ceratop hyllum demersu Grof m hoornblad

A 6

7

5

3 *

X

8

X

X

45 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen

37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde

5

40 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen

37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde

4

46 RhamnoPrunetea S37A Klasse der C doornstruwelen

37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde

47 RhamnoPrunetea S37A Klasse der C03 doornstruwelen

A

H 7

1 1

H 7

1 2

H 6

1 2 *

X

7

8

6

5

8

T

T

T

T

T

37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde

W01 A

01 Lemnetea minoris Eendekroosklasse

01A Lemnetalia minoris Eendekroosorde

W01 A

01 Lemnetea minoris Eendekroosklasse

01A Lemnetalia minoris Eendekroosorde

W01 AA

01 Lemnetea minoris Eendekroos-

01A Lemnetalia minoris Eendekroos-

37AC Berberidion vulgaris Ligusterverbond

37AC Berberidion vulgaris Ligusterverbond

37AC03 RhamnoCrataegetum0 Associatie van Wegedoorn en Eenstijlige meidoorn

01AA Lemnion minoris Bultkroos-

78


Potamog eton pectinat Schedefontei us nkruid

Myrioph yllum spicatu m

H 6

Aarvederkruid H 5

1 2

1 2

Ranuncu Fijne lus waterranonke 1 aquatilis l H 7 1

Potamog eton Gekroesd crispus fonteinkruid

Hydroch aris morsusranae

Kikkerbeet

H 6

H 7

1 2

1 1

8

9

6

7

7

8

7

8

Callitrich

7

7

H 7

1

Kwetsba T ar T

T T

02 Ruppietea Ruppia-klasse

02A ZannichellioRuppietalia Ruppia-orde

02AA Ruppion maritimae Ruppiaverbond

05 Potametea Fonteinkruiden -klasse

05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

05 Potametea Fonteinkruiden -klasse

05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

05 Potametea Fonteinkruiden -klasse

05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

05 Potametea Fonteinkruiden -klasse

05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

05BB Hydrochariti on morsusranae Kikkerbeetverbond

05 Potametea W05 Fonteinkruiden BC03 -klasse

05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

05BC Parvopotam ion Verbond der kleine fonteinkruid en

W05

05C

05CA

W05

T

6

verbond

W05

T

5

Ranuncu lus Stijve circinatu waterranonke 1 s l H 6 2 Gewoon

T

6

orde

W02 AA

T

7

klasse

W05

T

W05 BB

05

05BC03 Ranunculetum circinati Associatie van Stijve waterranonkel

79


e platycar pa

Hottonia palustris

sterrenkroos

Waterviolier

Veronica chamae Gewone drys ereprijs

Lathyrus sylvestri s Boslathyrus

Carex spicata

Gewone bermzegge

Hypericu m Kantig dubium hertshooi Hypericu m Sintperforat Janskruid

1

H 7

A 6

A 7

A 7

K

8

A 7

1 2

5

4

4

6 *

4

CA

5

X

8

6

3

6

CallitrichoPotametalia/ Orde van Haaksterrekroo s en Grote waterranonkel

Ranunculio n peltati Verbond van Grote waterranon kel

05 Potametea W05 Fonteinkruiden CA01 -klasse

05C CallitrichoPotametalia/ Orde van Haaksterrekroo s en Grote waterranonkel

05CA Ranunculio n peltati Verbond van Grote waterranon kel

X

17 TrifolioGeranietea sanguinei Z17A MarjoleinA klasse

17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde

17AA Trifolion medii Marjoleinverbond

2

17 TrifolioGeranietea sanguinei Z17A MarjoleinA01 klasse

17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde

17AA Trifolion medii Marjoleinverbond

17AA01 RuboOriganetum Associatie van Dauwbraam en Marjolein

17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde

17AA Trifolion medii Marjoleinverbond

17AA01 RuboOriganetum Associatie van Dauwbraam en Marjolein 17AA01 RuboOriganetum Associatie van Dauwbraam en Marjolein 17AA01 RuboOriganetum

4

T

T

T

T

Potametea Fonteinkruiden -klasse

4

17 TrifolioGeranietea sanguinei Z17A MarjoleinA01 klasse

2

17 TrifolioGeranietea sanguinei Z17A MarjoleinA01 klasse

17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde

17AA Trifolion medii Marjoleinverbond

17 TrifolioZ17A Geranietea A01 sanguinei

17A Origanetalia vulgaris

17AA Trifolion medii

3

T

05CA01 CallitrichoHottonietum Associatie van Waterviolier en Sterrekroos

80


um

Origanu m vulgare

Rubus caesius

Stellaria gramine a

Marjoleinklasse

Wilde marjolein

Dauwbraam

Grasmuur

Helianth us tuberosu s Aardpeer Malus species

Appel (G)

Epilobiu m species

Basterdweder ik (G)

Epilobiu m (excl.

Basterdweder ik-groep

A 7

A 6

3

X

8

8

3

17 TrifolioGeranietea sanguinei Z17A MarjoleinA01 klasse

Marjolein-orde

17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde

Marjoleinverbond

Associatie van Dauwbraam en Marjolein

17AA Trifolion medii Marjoleinverbond

17AA01 RuboOriganetum Associatie van Dauwbraam en Marjolein

7

17 TrifolioGeranietea sanguinei Z17A MarjoleinA02 klasse

17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde

17AA Trifolion medii Marjoleinverbond

17AA02 PolygonatoLithospermetu m Associatie van Parelzaad en Salomonszege l

18 MelampyroHolcetea mollis Klasse van Gladde witbol Z18A en A02 Havikskruiden

18A MelampyroHolcetalia mollis' Orde van Gladde witbol en Havikskruiden

18AA Melampyrio n pratensis Verbond van Gladde witbol en Havikskruid en

18AA02 HieracioHolcetum mollis. Associatie van Boshavikskrui d en Gladde witbol

A 6

4

4

3

A 8

6

7

8

81


Salix alba x fragilis Bindwilg Rubus subg. Rubus

Braam

Rubus species

Braam (G)

Populus x canaden sis

Canadapopuli er

A

Pinus nigra v. Corsikaanse maritima den

7

3

9

2

A 5

X

X

X

Hypericu m maculat Gevlekt um s.s. hertshooi

K

8

6 *

3

2

Scrophul aria Gevleugeld umbrosa helmkruid

W 7

9 =

8

7

Picea abies

Solidago species

Fijnspar

Guldenroede (G)

Ligustru m ovalifoliu m Haagliguster Hieraciu m

A

Havikskruid (G)

82


species Scrophul aria Helmkruid species (G) Tilia x Hollandse vulgaris linde Ulmus species

Iep (G)

Nigella damasce Juffertje-in-'tna groen A Phalaris canarien sis

Kanariezaad

Euonym us species

Kardinaalsmu ts (G)

Arctium species

Klit (G)

Brassica oleracea

Kool

Cornus species

Kornoelje (G)

A

8

Euphorbi a Kruisbladige lathyrus wolfsmelk

A

Levisticu m officinal e Lavas

A

Leontod

5

X

8

Leeuwentand

83


on species

(G)

Ligustru m species

Liguster (G)

Tilia species

Linde (G)

Hypericu m androsa emum Mansbloed Sorbus aria

Meelbes

Crataeg us species

Meidoorn (G)

Sonchus species

Melkdistel (G)

Quercus palustris

Moeraseik

Narcissu s species

Narcis (G)

Juglans regia

Okkernoot

Taraxac um species

Paardenbloe m (G)

Buxus semperv irens Palmboompje

6

4

7

3

6

6

7

7

A 5

4

8

4

84


Prunus persica

Perzik

Populus species

Populier (G)

Prunus domesti ca

Pruim Kroosjes

en

Prunus domesti ca s. domesti ca Pruim s.s. Brassica rapa

Raapzaad

Rosa species

Roos (G)

Syringa species

Sering (G)

Galanth us species

Sneeuwklokje (G)

Callitrich e species

Sterrenkroos (G)

Agrostis species

Struisgras (G)

Bidens species

Tandzaad (G)

Triticum aestivu m

Tarwe

T

T

85


Myrioph yllum species

Vederkruid (G)

Vicia tetraspe rma s. tetraspe Vierzadige rma wikke s.s. Glyceria species

Vlotgras (G)

Juglans species

Walnoot (G)

Nympha ea species

Waterlelie (G)

Cotonea ster integerri mus

Wilde dwergmispel

Alnus incana

Witte els

Rumex species

Zuring (G)

Rubus sec. Rubus

Zwarte braam

Festuca species

Zwenkgras (G)

T

A 6

5

5

5

T

P

8

3

7

2

6

7 =

8

X

T

86


Knautia arvensis

Polypodium interjectum Polypodium vulgare

+

Rorippa nasturtium-aquaticum

Populus nigra

Brede eikvaren + Gewone eikvaren

Witte waterkers

Zwarte populier

Achteruitgaand

Achteruitgaand

Achteruitgaand

Bedreigd

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

H20AB02

20 CallunoUlicetea Klasse der droge heiden

20A CallunoUlicetalia Struikheiorde

20AB Empetrion nigri Kraaiheiverbond

M08AA

08 Phragmitetea Riet-klasse

08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde

08AA SparganioGlycerion Vlotgrasverbond

B38AA01

38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbossen en -struwelen

38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbossen en -struwelen

38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloedbossen en -struwelen

08B Phragmitetalia Riet-orde

08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge

16A

Carex vulpina

Voszegge

Bedreigd

M08BC

08 Phragmitetea Riet-klasse

Dactylorhiza majalis

Brede orchis en Rietorchis

Kwetsbaar

G16A

16

Molinio-

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Rode Lijst

Ned. naam Beemdkroon

Socsrtgrp1

Lijst van de Rode-Lijstsoorten (Van Landuyt et al. 2006) waargenomen in de karteringsperiodes van 2014 en/of 1990 en de vegetatiegemeenschap waarbinnen ze thuishoren (ASSOCIA) Wetenschappelijke naam

Tabel 4

20AB02 PolypodioEmpetretum Associatie van Eikvaren en Kraaihei

38AA01 ArtemisioSalicetum albae Bijvoet-ooibos

Molinietalia

87


Rhinanthus angustifolius

Dactylorhiza maculata s. l.

Hydrocharis morsus-ranae

Stellaria neglecta

Lathyrus nissolia

Grote ratelaar

Gevlekte orchis en Bosorchis

Kikkerbeet

Heggenvogelmuur

Graslathyrus

Kwetsbaar

Kwetsbaar

Kwetsbaar

Onvoldoende gekend

Zeldzaam

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

Pijpestrootje-orde

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB Calthion palustris Dotterbloemverbond

G19AA02

19 Nardetea Klasse der heischrale graslanden

19A Nardetalia� Orde der heischrale graslanden

19AA NardoGalion saxatilis Verbond der heischrale graslanden

W05BB

05 Potametea Fonteinkruidenklasse

05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

05BB Hydrocharition morsus-ranae Kikkerbeet-verbond

B43AA04

43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en 43AA Alno-Padion beukenbossen op Verbond van Els en voedselrijke grond Vogelkers

G14B

14 KoelerioCorynephoretea Klasse der droge graslanden op

14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde

G16AB

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Rode Lijst

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

19AA02 Gentiano pneumonanthesNardetumAssociatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras

43AA04 Carici remotaeFraxinetum GoudveilEssenbos

88


Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Rode Lijst

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

zandgrond

Dactylorhiza praetermissa

majalis

s.

Rietorchis

Zeldzaam

M09BA

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde

09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond

89


Carex remota

Ribes nigrum

Ribes rubrum

Anemone nemorosa

Carex sylvatica

IJle zegge

Zwarte bes

Aalbes

Bosanemoon

Boszegge

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Ned. naam

Positieve aandachtsoort

Lijst van de positieve aandachtsoorten (T:TRUE = WAAR) waargenomen in de karteringsperiodes van 2014 en/of 1990 en de vegetatiegemeenschap waarbinnen ze thuishoren Wetenschappelijke naam

Tabel 5

T

43 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen

39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen

39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekbossen

39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek

T

41 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen

39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen

39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekbossen

39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek

T

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond 43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond 43A

Polygonatum multiflorum

Gewone salomonszegel

T

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Circaea lutetiana

Groot heksenkruid

T

43

Querco-Fagetea7 Klasse

Fagetalia sylvaticae5

90


Stellaria holostea

Hedera helix

Klimop

Deschampsia cespitosa

Ruwe smele

Primula elatior

Athyrium femina

Grote muur

Slanke sleutelbloem

Oxalis acetosella

Witte klaverzuring

Associatie

Verbond

Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

T

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

filixWijfjesvaren

Orde

Klasse

Positieve aandachtsoort

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

91


Lamiastrum galeobdolon

Arum maculatum

Galium odoratum

Carex otrubae

Lathyrus nissolia

Dactylorhiza majalis

Heggenvogelmuur

Gele dovenetel

Gevlekte aronskelk

Lievevrouwebedstro

Valse voszegge

Graslathyrus

Brede orchis en Rietorchis

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Positieve aandachtsoort

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Stellaria neglecta

T

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers

43AA04 Carici remotaeFraxinetum Goudveil-Essenbos

T

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeuken-verbond

43AB01 Stellario-Carpinetum Eiken-Haagbeukenbos

T

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeuken-verbond

43AB01 Stellario-Carpinetum Eiken-Haagbeukenbos

T

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeuken-verbond

43AB01 Stellario-Carpinetum Eiken-Haagbeukenbos

T

12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

12BA Lolio-Potentillion anserinae Zilverschoonverbond

T

14 Koelerio-Corynephoretea Klasse der droge graslanden op zandgrond

14B Trifolio-Festucetalia ovinae Struisgras-orde

T

16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

92


Achillea ptarmica

Lychnis flos-cuculi

Rhinanthus angustifolius

Saxifraga granulata

Carex disticha

Scirpus sylvaticus

Persicaria bistorta

Veldrus

Wilde bertram

Echte koekoeksbloem

Grote ratelaar

Knolsteenbreek

Tweerijige zegge

Bosbies

Adderwortel

T

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

T

16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AA01 Cirsio dissectiMolinietum Blauwgrasland

T

16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond

T

16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond

T

16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond

T

16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond

T

16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB05 Scirpetum sylvatici Bosbies-associatie

T

16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Positieve aandachtsoort

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Juncus acutiflorus

16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

93


Knautia arvensis

Dactylorhiza maculata s. l.

Associatie

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge

T

16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

T

19 Nardetea Klasse der heischrale graslanden

19A Nardetalia� Orde der heischrale graslanden

19AA Nardo-Galion saxatilis Verbond der heischrale graslanden

19 Nardetea Klasse der heischrale graslanden

19A Nardetalia� Orde der heischrale graslanden

19AA Nardo-Galion saxatilis Verbond der heischrale graslanden

19AA02 Gentiano pneumonanthes-NardetumAssociatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras

Brede eikvaren + Gewone eikvaren T

20 Calluno-Ulicetea Klasse der droge heiden

20A Calluno-Ulicetalia Struikhei-orde

20AB Empetrion nigri Kraaihei-verbond

20AB02 PolypodioEmpetretum Associatie van Eikvaren en Kraaihei

Groot moerasscherm

07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen

07A Montio-Cardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen

07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

Moesdistel

Gewone veldbies

Gevlekte orchis en Bosorchis

T

T

+

Apium nodiflorum

Verbond

Orde

Klasse

T

16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

Beemdkroon

Luzula campestris

Positieve aandachtsoort

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

Moerasstreepzaad

Cirsium oleraceum

Polypodium interjectum Polypodium vulgare

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Crepis paludosa

16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge

16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

T

94


Chrysosplenium alternifolium

Scrophularia auriculata

Moerasmuur

Verspreidbladig goudveil

Geoord helmkruid

T

07A Montio-Cardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen

07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

T

07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen

07A Montio-Cardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen

07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

T

07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen

07A Montio-Cardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen

07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

07AA02 Pellio epiphyllaeChrysosplenietum oppositifolii Associatie van Paarbladig goudveil

07A Montio-Cardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen

07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

07AA02 Pellio epiphyllaeChrysosplenietum oppositifolii Associatie van Paarbladig goudveil

Equisetum telmateia

Reuzenpaardenstaart

T

07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen

Equisetum fluviatile

Holpijp

T

08

Phragmitetea Riet-klasse

Rorippa nasturtiumaquaticum

Witte waterkers

T

08

Phragmitetea Riet-klasse

08A Nasturtio-Glycerietalia Vlotgras-orde

08AA SparganioGlycerion Vlotgras-verbond 08AB Oenanthion aquaticae Watertorkruidverbond

Butomus umbellatus

Zwanenbloem

Eleocharis palustris Gewone waterbies

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Positieve aandachtsoort

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Stellaria uliginosa

07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen

T

08

Phragmitetea Riet-klasse

08A Nasturtio-Glycerietalia Vlotgras-orde

T

08

Phragmitetea Riet-klasse

08B orde

08AB02 SagittarioSparganietum Associatie van Egelskop en Pijlkruid

Phragmitetalia Riet-

95


Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Positieve aandachtsoort

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Moeraswalstro

T

08

Phragmitetea Riet-klasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

Galium palustre

Carex vulpina

Voszegge

T

08

Phragmitetea Riet-klasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge

Carex acuta

Scherpe zegge

T

08

Phragmitetea Riet-klasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge

08BC02 Caricetum gracilis Associatie van Scherpe zegge

Carex vesicaria

Blaaszegge

T

08

Phragmitetea Riet-klasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge

08BC03 Caricetum vesicariae Blaaszegge-associatie

Scutellaria galericulata

Blauw glidkruid

T

08

Phragmitetea Riet-klasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

08BD Caricion elatae Verbond van Stijve zegge

Stellaria palustris

Zeegroene muur

T

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

Agrostis canina

Moerasstruisgras

T

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09A Caricetalia nigrae Orde van Zwarte zegge

09AA Caricion nigrae Verbond van Zwarte zegge

Veronica scutellata

Schildereprijs

T

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09A Caricetalia nigrae Orde van Zwarte zegge

09AA Caricion nigrae Verbond van Zwarte zegge

Taraxacum Palustria

Moeraspaardenbloemen

T

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde

09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond

Rietorchis

T

09

09B

09BA

Dactylorhiza

sectie

Parvocaricetea Klasse

Caricetalia davallianae

09AA03 Carici curtaeAgrostietum caninae, Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge

Caricion davallianae

96


s.

Galium uliginosum

Ruw walstro

Knopbies-orde

Knopbies-verbond

T

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde

09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond

28A Nanocyperetalia Dwergbiezen-orde

28AA Nanocyperion flavescentis Dwergbiezenverbond

Juncus articulatus

Zomprus

T

Thalictrum flavum

Poelruit

T

32 Convolvulo-Filipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

Filipendula ulmaria

Hydrocharis morsus-ranae

Dotterbloem

Moerasspirea

Kikkerbeet

T

32 Convolvulo-Filipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

32A Filipenduletalia Moerasspirea-orde

Associatie

Verbond

der kleine zeggen

28 Isoeto-Nanojuncetea Dwergbiezen-klasse

Caltha palustris

Orde

Klasse

Positieve aandachtsoort

Ned. naam

Wetenschappelijke naam majalis praetermissa

32AA Filipendulion Moerasspirea-verbond

32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan 32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan

T

32 Convolvulo-Filipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

32A Filipenduletalia Moerasspirea-orde

32AA Filipendulion Moerasspirea-verbond

T

05 Potametea Fonteinkruiden-klasse

05B Nupharo-Potametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

05BB Hydrocharition morsus-ranae Kikkerbeetverbond

05C Callitricho-Potametalia/ Orde van Haaksterrekroos en Grote waterranonkel

05CA Ranunculion peltati Verbond van Grote waterranonkel

05CA01 CallitrichoHottonietum Associatie van Waterviolier en Sterrekroos

17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde

17AA Trifolion medii Marjolein-verbond

17AA01 Rubo-Origanetum Associatie van Dauwbraam en

Hottonia palustris

Waterviolier

T

05 Potametea Fonteinkruiden-klasse

Lathyrus sylvestris

Boslathyrus

T

17 Trifolio-Geranietea sanguinei Marjolein-klasse

97


Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Positieve aandachtsoort

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

Marjolein

Hypericum dubium

Kantig hertshooi

T

17 Trifolio-Geranietea sanguinei Marjolein-klasse

17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde

17AA Trifolion medii Marjolein-verbond

17AA01 Rubo-Origanetum Associatie van Dauwbraam en Marjolein

98


Glyceria maxima

Liesgras

T

M08

08 Phragmitetea Rietklasse

Glyceria fluitans

Mannagras

T

M08A

08 Phragmitetea Rietklasse

08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde

P28AA

28 Isoeto-Nanojuncetea Dwergbiezen-klasse

28A Nanocyperetalia Dwergbiezen-orde

R32AA01

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

32A Filipenduletalia Moerasspirea-orde

32AA Filipendulion Moerasspirea-verbond

32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje

32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje

01A Lemnetalia minoris Eendekroos-orde

Juncus effusus

Phalaris arundinacea

Pitrus

Rietgras

T

T

Calystegia sepium

Haagwinde

T

R32BA

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

Lemna minor

Klein kroos

T

W01A

01 Lemnetea minoris Eendekroos-klasse

Glyceria species

Vlotgras (G)

T

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Ned. naam

Negatieve aandachtsoort

Lijst van de negatieve aandachtsoorten (T:TRUE = WAAR) waargenomen in de karteringsperiodes van 2014 en/of 1990 en de vegetatiegemeenschap waarbinnen ze thuishoren

Wetenschappelijke naam

Tabel 6

28AA Nanocyperion flavescentis Dwergbiezen-verbond 32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan

99


1 12 3 5 15 5 4 2 10

5 1 4 6 4 2 4 10

9 3 4 12 4 2 5 9

52 6 2 6 8 9 4 4 17

5 39 5 5 4 10 3 4 2 9

6 80 12 4 7 16 11 5 6 24

7 46 6 1 4 7 7 3 3 14

8 38 4 1 5 5 4 1 3 15

1 1

1

1 1 2 7

1 1

1 6

1

1

Indicatoren voor Tandzaadklasse Indicatoren voor Natte Strooiselruigte Indicatoren voor nitrofiele zomen Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water) Aantal Rode Lijst-soorten Positieve aandachtsoorten Negatieve aandachtsoorten SLEUTELSOORTEN

1 1 9 5 1 1 11 5 14 6,11

3 5

7 2

3 5

5

4

2

1 8

1 9

4 2

6 4 1

5 8 6

1 5 6

1 1 5

1 1

1

7,46 6,88 6,63

5,8 6,54 6,84 6,96

4 11 5,89 7,47 7,11 6,66

13 2 15 5,91 6,61 6,65 6,49

8 1 6,3 7,07 6,94 6,27

19 1 19 5,74 6,87 6,62 6,47

13 1 13 5,85 6,54 6,65 6,47

4 5,43 6,3 6,83 7,19

4

8

8

Ellenberg gem. Stikstof

Ellenberg gem. Zuur

Ellenberg gem. Vocht

Ellenberg gem. Licht

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Kleine zeggenindicatoren

Rietklasseindicatoren

1

Bronbeekindicatoren

1

Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

Glanshavergraslandindicatoren

Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

4

Dotterbloemgraslandindicatoren

45

Aantal Oudbosplanten

3

Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten

37

Kalk - afreatofyten

2

Obligaat freatofieten

54

Natte obligate freatofyten

Soortenaantal

1

Hydrofyten

Karteringseenheden

Tabel 7 Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsooten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014

100


Soortenaantal

Natte obligate freatofyten Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten Aantal Oudbosplanten Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

55 5 3 6 8 5 3 2 17 1 2

10 91 6 2 8 8 11 5 5 19 4 2

11 51 7 3 5 10 7 3 5 14

12 49 16 3 5 19 2 4 5

13 49 9 4 5 13 4 4

14 43 7 3 5 10 2

15 66 1 13 4 7 17

16 62 2 15 5 4

17 51 1 11 3 5

Aantal Rode Lijst-soorten Positieve aandachtsoorten Negatieve aandachtsoorten SLEUTELSOORTEN

1 8 4 1 9 2 11 5,98 6,74 6,78 6,59

2 2 6 7 1 14 1 15 5,75 6,29 6,49 6,48

1 2 4 7 4 1 13 1 13 5,71 6,87 6,74 6,56

6 1 2 10 10 2 9 3 11 6,21 8,24 6,85 6,36

5 11 1 3 5 5 4 1 12 1 12 5,91 7,08 6,67 6,45

4 2 11 2 2 7 3 1 8 3 10 6,14 6,94 6,62 6,58

7 4 6 13 1 1 4 6 9 6 1 1 15 4 19 5,95 7,32 6,78 6,87

20 2 5 5 7 1 1 2 9 2 9 3 2 1 11 4 13 6,37 7,61 6,86 6,41

14 4 4 5 9 1 3 4 1 9 3 1 1 11 4 13 6,03 7,59 6,75 6,45

1 1 1 1

1

Ellenberg gem. Stikstof

Ellenberg gem. Zuur

Ellenberg gem. Vocht

Ellenberg gem. Licht

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Kleine zeggenindicatoren

Rietklasseindicatoren

Bronbeekindicatoren

Indicatoren voor nitrofiele zomen

2

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

Hydrofyten

Karteringseenheden

9

101


Natte obligate freatofyten Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten Aantal Oudbosplanten Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

Soortenaantal

50 9 3 5 12 4 5 4 13

19 58 15 4 3 19 2 5 5 5 6

20 38 6 3 4 9 3 4 2 6 1

21 23 7 2 2 9 1 2 1 2 1

22 27 1 10 2 2 12 2 1

23 9 1 5 1 6 1

24 70 3 12 4 6 16 4 6 4 12

25 34 1 7 3 4 10 1 3 2 5 3

26 25 1 7 1 4 8 2 3 1 2

Bronbeekindicatoren Rietklasseindicatoren Kleine zeggenindicatoren

Indicatoren voor Tandzaadklasse Indicatoren voor Natte Strooiselruigte Indicatoren voor nitrofiele zomen

2 2 2 1 1 9 2

1 1 10 1 2 11 3

2 8

1 5

4 7

1 3

1 1 7 1

1

12 4 2 1

8 2 1 1

6 1 1

10 2 12 6,08 7,31 6,52 6,36

9 5 13 6,6 7,49 6,76 6,52

3 6 2 8 6,23 7 6,75 6,85

8 2 5 3 7 7 7,76 7,13 6,33

6 2 2 5 6 6,92 8,2 6,83 6,24

2 2 6,67 9,22 7 6

13 6 18 6,09 7,54 6,56 6,4

3 2 5 6,21 7,62 6,89 6,54

2 2 6,63 7,94 6,92 6,73

1

1

1 2

Ellenberg gem. Stikstof

Ellenberg gem. Zuur

Ellenberg gem. Vocht

Ellenberg gem. Licht

Aantal Rode Lijst-soorten

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)

SLEUTELSOORTEN

2

Negatieve aandachtsoorten

2

Positieve aandachtsoorten

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

1

Glanshavergraslandindicatoren

Hydrofyten

Karteringseenheden

18

102


Soortenaantal Hydrofyten Natte obligate freatofyten Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten Aantal Oudbosplanten Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond Bronbeekindicatoren Rietklasseindicatoren

63 1 14 4 6 18 2 5 6 10 1 1 2 9

28 40 1 13 4 4 17 1 3 5 3

29 26

30 4 1

31 43 4

32 13 1

33 50 2

34 52

35 76 12

1 1

4 1 3 4 7

1 1

2 5 4 1 2 1 3 9

5 1 4 6 3 1 3 10 1

9 4 4 13 1 5 2 7 11 1

3

3 1

2 2

1 4

SLEUTELSOORTEN

2 11 2 2 8 5 12 6,25 7,68 6,7 6,28

10 2 1 8 4 11 6,35 7,97 6,95 6,13

1 2 7,08 5,24 6,13 5,65

5,75 5,67 7,67 6,75

2 6,65 5,89 6,1 6,12

5,92 5,38 6,14 6,17

1

2

1

1 5 1

4 4 2 1 3 6,91 6,07 6,15 5,78

5 6 3 1 4 5,93 6,53 6,79 6,79

9 6 5 3 8 6,57 6,7 6,66 6,19

1 1

Ellenberg gem. Stikstof

Ellenberg gem. Zuur

Ellenberg gem. Vocht

Ellenberg gem. Licht

Aantal Rode Lijst-soorten

Negatieve aandachtsoorten

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Positieve aandachtsoorten

3

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)

1

Indicatoren voor nitrofiele zomen

3

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

9

Indicatoren voor Tandzaadklasse

1

Kleine zeggenindicatoren

Karteringseenheden

27

103


Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten Aantal Oudbosplanten Dotterbloemgraslandindicatoren

Soortenaantal

38 4 3 4 3 1

37 44 3 1 1 4 2 1

38 36 5 4 4 9 1 2

39 79 11 6 4 17 3 4

40 44 8 4 3 12 3

41 37 2 2

42 31 4 1

43 31 3

44 47 14

Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

1 10 2 1

9 2

1 3 2 2

3 13 2 3

6 9 3

2 2 2 8

3 5 1 4 2

1 2 4 1 3 6 3

6 4 20 3 1 1 3

1 6 2

1 2

1

1

1 1

2 5 3 4

1 4 5 4

4 8 1 4

11 5 2 13

6 2 3 12

3 2

5 4

11

1

2

2 8 2 1

2 6 6,03 6,67 6,86 6,55

4 5,73 6,41 6,71 6,39

2 5 6,76 7,31 6,11 5,78

5 17 6,27 7,12 6,51 6,13

10 6,26 6,85 6,67 5,77

2 2 6,94 5,83 6,44 6,1

2 2 6,4 6,37 7 6,66

2 2 4 6,5 6,17 5,93 5,88

10 4 11 6,91 7,77 6,52 5,97

Ellenberg gem. Stikstof

Ellenberg gem. Zuur

Ellenberg gem. Vocht

Ellenberg gem. Licht

SLEUTELSOORTEN

3

Negatieve aandachtsoorten

1

Aantal Rode Lijst-soorten

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Kleine zeggenindicatoren

Positieve aandachtsoorten

5

Indicatoren voor nitrofiele zomen

9

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

1

Rietklasseindicatoren

Bronbeekindicatoren

Glanshavergraslandindicatoren

Obligaat freatofieten

Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

1

Natte obligate freatofyten

Hydrofyten

Karteringseenheden

36

104


Soortenaantal

Natte obligate freatofyten Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten Aantal Oudbosplanten Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

61 2 1 3 3 3 3 1 7 6 1

46 57 2 2 5 4 2 3 1 8 10 2

47 39 4 1 3 5 1 1 4 4 1

48 4 1

49 40 1

50 19

51 42 1 11 5 4 16

52 42 1 12 6 2

53 23 2 14 3 1

2 1 2

2 5 3

18 9 3 2

17 5 1

2 11 6

3 1

3 2

3 7

1 10

1

1

8

1

Positieve aandachtsoorten Negatieve aandachtsoorten SLEUTELSOORTEN

5 4 1 6 2 8 6,42

5 2 2 7 2 9

7 4 3 3 6

2

4 9 1 1 9 5 13 6,51 7,9 6,95 5,94

6 1 1 8 4 11 6,95 7,85 6,24 5,51

5 1 7 4 9 7,04 9,09 6,62 5,35

2

1

2 1

1 3 1

2

Ellenberg gem. Stikstof

Ellenberg gem. Zuur

Ellenberg gem. Vocht

Ellenberg gem. Licht

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water) Aantal Rode Lijst-soorten

2

Indicatoren voor nitrofiele zomen

1

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Kleine zeggenindicatoren

Rietklasseindicatoren

Bronbeekindicatoren

Hydrofyten

Karteringseenheden

45 6 6,22 6,2

6,4 6,1 6,5 6,38

6,6 6,35 6,89 6,7

5,75 6 7,33 7

4 5,61 5,85 6,19 6,5

7 5,43 6 6,33

105


Natte obligate freatofyten Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten

Soortenaantal

45 11 6 1 17

55 58 16 5 4 21 3 4 3 4

56 31 5 1 4 6 1 1 1 1 3

57 37 2 1 3 3 1 2 8 5

58 50 1 2 3 3 8 7

59 4 1

60 69 3 19 6

61 34 1 12 4

62 35 8 5

3

3

3 9

1

1

Bronbeekindicatoren Rietklasseindicatoren Kleine zeggenindicatoren

9 2 1 7 1

3

3

2

25 6 3 1 4 6 12

16 2 3 1 2 1 10

13 1 4 2 3 2 7 4 2

13 1 1 12

4 1 1 4

1

1

1 3 13 3 14 6,83 7,68 6,19 5,31

10 6 13 6,67 8,18 6,63 5,93

2 3 2 4 6,9 7,03 6 5,89

7 3 2 1 3 6,24 6,31 6,47 6,4

4 8 2 1 3 6,21 5,8 6,74 6,63

5,33 6 8 5,5

8 1

3

3 10 2

2 8 1

1

1

Ellenberg gem. Stikstof

Ellenberg gem. Zuur

Ellenberg gem. Vocht

Ellenberg gem. Licht

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)

SLEUTELSOORTEN

1

Negatieve aandachtsoorten

2

Positieve aandachtsoorten

6

Aantal Rode Lijst-soorten

Indicatoren voor nitrofiele zomen

Indicatoren voor Tandzaadklasse Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

1

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

2

Glanshavergraslandindicatoren

Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

Dotterbloemgraslandindicatoren

Aantal Oudbosplanten

Hydrofyten

Karteringseenheden

54

13 6 15 6,88 7,97 6,33 5,69

6 5 9 6,94 8,23 6,84 6,26

5 3 7 6,87 7,63 6,67 6,34

106


Soortenaantal

Natte obligate freatofyten Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten

76 6 3 2 9

64 30 7 4 2 11

65 4 1 1 1

66 23 2 14 4 3

67 8 2 2

3

12 2

14 6 2

68 43 4 1 4 5 4 2

69 53 3 1 3 4 4 5

70 58 11 7 4 18 5 4

71 18 5 5 1 10 2 2

1

4 4 1

2 3 1

2 1

1 13

12 1

9 11

5 4

1

1

1

1 7

7

6

4 5 3

1 4 5 1 8 1 9 5,51 6,42 6,71 6,53

7 4 2 8 3 11 6,41 6,05 6,43 5,84

10 4 7 4 9 6,57 7,6 6,51 6,23

3 2 5 6,82 9,41 6,77 5,8

1 1 7 4

5 2

1 3

1 2

1

4 1

1 1 5 4 7 6,02 6,47 6,42 6,16

4 2 5 6,97 7,85 6,38 5,93

5,33 8,5 6,33 7

Ellenberg gem. Stikstof

Ellenberg gem. Zuur

Ellenberg gem. Vocht

Ellenberg gem. Licht

SLEUTELSOORTEN

1

Negatieve aandachtsoorten

1

Positieve aandachtsoorten

Aantal Rode Lijst-soorten

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)

Indicatoren voor nitrofiele zomen

7

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

6

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Kleine zeggenindicatoren

Rietklasseindicatoren

Bronbeekindicatoren

Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

2

Glanshavergraslandindicatoren

Dotterbloemgraslandindicatoren

2

Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

Aantal Oudbosplanten

Hydrofyten

Karteringseenheden

63

6 3 7 7,14 8,65 6,38 5,65

2 2 4 7,15 8,38 6,63 5,75

107


Soortenaantal

34

73 1 1

74 2 1

75 32

76 9

77

Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten

3 2 3 5

7 5

1 6 1 7

16 2 9 2 11

78 2 1 1 1 1 1 1 1 7 10 0 6,5

79 2 1 1 1 1 1 1 1 7 10 0 6,5

80 8 1 2 2 2 7,14 7,71 5 5,83

1 2

3

Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

2 1 1 2

12 3

1 4

3 2

1

1 1

4

1

2

9

2

7

1

6

2

1

1 1

3 1 1

1

Negatieve aandachtsoorten SLEUTELSOORTEN

1 2 1 3 6,42

1 1 1

1 1 1

1 6

3

Ellenberg gem. Stikstof

Ellenberg gem. Zuur

Ellenberg gem. Vocht

Ellenberg gem. Licht

Positieve aandachtsoorten

5

Aantal Rode Lijst-soorten

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)

Indicatoren voor nitrofiele zomen

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Kleine zeggenindicatoren

Rietklasseindicatoren

Bronbeekindicatoren

Dotterbloemgraslandindicatoren

Aantal Oudbosplanten

Natte obligate freatofyten

Hydrofyten

Karteringseenheden

72 7,08 6,47 5,46

7 11 0 6

7 11 0 6

2 5 6,91 7,89 6,58 5,88

2 2 7,33 9 6,2 6,11

3 5 6,69 9,31 6,67 6

108


Soortenaantal

1

82 13

83 6 3

84 44 8

85 14

87 34 7

88 42 6

89 11 2

96 38 2

2 4 2

4 1 6

2 3

5 12

2 7

3 3 9

5 1 1

12 3 6 1

2

3 1 2 5 2 4

3 2 4 4 1 5

6 1 3

15 3 6

2 1

3

3

4

2 1

4 7 1

1 4 1 1

1

4 1

1 1

5 7

3 2

7 10

6 2

7 3

1

1 1

1 1

1 1

1

2

1

1

4

6

1

Ellenberg gem. Zuur Ellenberg gem. Stikstof

1

5

Ellenberg gem. Vocht

1

Ellenberg gem. Licht

2

SLEUTELSOORTEN

Negatieve aandachtsoorten

Positieve aandachtsoorten

Aantal Rode Lijst-soorten

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)

Indicatoren voor nitrofiele zomen

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Kleine zeggenindicatoren

Rietklasseindicatoren

Bronbeekindicatoren

Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

Glanshavergraslandindicatoren

Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

Dotterbloemgraslandindicatoren

Aantal Oudbosplanten

Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten

Kalk - afreatofyten

Obligaat freatofieten

Natte obligate freatofyten

Hydrofyten

Karteringseenheden

81 0 0 0 0

6,5 9 6,71 6,33

5,83 8,8 7 7,2

8 6,46 7,19 6,96 6,66

7,36 5,91 6,33 6,25

3 3 6 6,94 7,03 6,94 6,77

6 3 9 6,64 7,16 6,57 6,38

2 1 3 6,64 9,18 6,75 6,56

8 3 10 6,53 8,27 6,78 6,19

109


Soortenaantal Hydrofyten Natte obligate freatofyten Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten

34 1 4 4 2 8

Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

4 1 3 2 1

Indicatoren voor Tandzaadklasse Indicatoren voor Natte Strooiselruigte Indicatoren voor nitrofiele zomen Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)

4 2 3 1 1

Negatieve aandachtsoorten SLEUTELSOORTEN

4 3 7 6,94 7,24 5,56

Ellenberg gem. Stikstof

Ellenberg gem. Zuur

Ellenberg gem. Vocht

Ellenberg gem. Licht

Positieve aandachtsoorten

Aantal Rode Lijst-soorten

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

3

Kleine zeggenindicatoren

Rietklasseindicatoren

Bronbeekindicatoren

Dotterbloemgraslandindicatoren

Aantal Oudbosplanten

Karteringseenheden

97 5,52

110


Som obligate freatofyten

Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten

Oud bos indicatoren Dotterbloemgraslandindicatoren

Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

Kleine zeggenvegetatieindicatoren Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

8 55 1 1 2 1 2 4 11 2 2 1 1

9 49 2 2 2 0 3 4 11 1 1

10 22 1 1 1 0 1 1 1 4 1

14 28 3 1 2 1 1 1 6 2

2 1 1 6 3 6,83 5,45 6,19 6,45

1 5 2 6,69 5,46 6,59 6,54

1 3 1 6,8 5,71 7 6,88

1 3 2 7,15 6,26 6,58 6,25

1 2

Ellenberg_Stikstof

Ellenberg_Zuur

Ellenberg_Vocht

Ellenberg_Licht

Negatieve aandachtsoorten

Positieve aandachtsoorten

Telling van Rode Lijst

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Indicatoren voor nitrofiele zomen

1

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

Rietklasseindicatoren

Bronbeekindicatoren

Elzenbroekbosindicatoren

Kalk-afreatofyten

Natte obligate freatofyten

Hydrofyten

Aantal soorten

Karteringseenheid

Tabel 8 Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsooten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990.

Belangrijke opmerking: 1/ de karteringseenheden van de vegetatiekartering in 1990 stemmen (meestal) niet overeen met de karteringseenheden bepaald tijdens dit project (2014) én 2/ voor een aantal zones binnen het kerngebied werden in 1990 geen vegetatieopnames uitgevoerd door plantenwerkgroep Wellemeersen.

111


Som obligate freatofyten

56 3

19 91 17

20 68 7

21 65 14

24 54 11

25 107 26

26 57 14

27 67 15 1 12 5 10 2 3 6

4 3 5 3 2

2 11 3 9

7 4 9

3 18 8

2 9

8 2 7 3 2 1 1 1

3 10 11 4 1 1 9 1

3 2 4 10 4 2 3 1

2 7 2 4 9 5 7 1

4 3 6 3 9 2 1 1 3

13 5 0 9 5 4 10 5 1 13 2 1

5 6 1 0 4 1 10 4 5 1

7 9 3 1 6 3 5 3

3 3

Indicatoren voor nitrofiele zomen

2 6

2 3 3 6

1 7 3

3 6

7 9

5 10 6 1 2

1 4 4 4 1 1

1 6 6 4

1 1

1 1

1

1

4

Ellenberg_Stikstof

Ellenberg_Zuur

Ellenberg_Vocht

Ellenberg_Licht

Negatieve aandachtsoorten

Positieve aandachtsoorten

Telling van Rode Lijst

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water

Indicatoren voor Tandzaadklasse Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

1

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Elzenbroekbosindicatoren

Kleine zeggenvegetatieindicatoren

3

Rietklasseindicatoren

Dotterbloemgraslandindicatoren

1

Bronbeekindicatoren

Oud bos indicatoren

3

Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

Kalk-afreatofyten

3

Zilverschoongraslandindicatoren

Vochtige niet-obligate freatofyten

2

Glanshavergraslandindicatoren

Freatofyten

1

Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

Natte obligate freatofyten

Hydrofyten

Aantal soorten

Karteringseenheid

18 6,67 5,8 6,44 6,52

10 4 6,67 6,62 6,29 6,24

6 3 6,97 6,07 6,71 6,3

10 4 6,95 7,04 6,48 6,27

10 2 6,2 6,8 6,8 6,77

12 5 6,83 7,08 6,57 6,25

7 4 7,13 7,04 6,35 6,24

7 1 6,7 6,54 6,34 5,8

112


Som obligate freatofyten

Natte obligate freatofyten Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten Kalk-afreatofyten Oud bos indicatoren Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

64 4 2 2 8 1 1 3 2 2 12 2 2

29 53 8 5 3 8 4 3 5 3 3 9 3

30 36 5 3 2 4 2 1 3 2 5 5

31 50 8 4 4 9 2 1 4 2 2 8 3 2

34 67 16 5 14 2 11 2 1 5 3 1 9 3 1

35 58 10 2 6 4 11 3 3 5 4 6 6 2

36 20 5 4 1 3 3 0 2 2

37 49 11 6 5 10 4 2 6 4 7 2 2

Indicatoren voor nitrofiele zomen

2 7

1 6

1 1

1 2 1 1

1 10 1 1

1 4 2 1

4

1 3 4 6,85 6 6,55 6,45

6 7 3 6,65 6,74 6,35 6,56

6 5 4 2 6,62 6,52 6,83 7,2

3 7 5 6 3 6,81 6,76 6,18 6,39

1 6 6 1 4 7 4 6,69 7,52 6,63 6,43

8 5 1 1 10 3 6,61 7,06 6,47 6,37

4 4 3 1 2 6,71 7,81 7,09 7,33

4 7 4 8 3 6,41 7,3 6,57 6,43

1

Ellenberg_Stikstof

Ellenberg_Zuur

Ellenberg_Vocht

Ellenberg_Licht

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Negatieve aandachtsoorten

1

Positieve aandachtsoorten

2

Telling van Rode Lijst

1

Kleine zeggenvegetatieindicatoren

1

Rietklasseindicatoren

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

1

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Bronbeekindicatoren

Hydrofyten

Aantal soorten

Karteringseenheid

28

113


Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten

8 5 10

39 39 5 2 3 8

40 38 2 1 1 5

41 49 2 2

42 26 1

43 50 3

44 42

45 69 2 1 6

1 3

2 1

4 1

1 1

1 2 8

2 1 1

14 9 5

Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren

3 2 4 3

4 6 3

10 4 1

2 6 13 2 1

0 2 2 6 2 1

3 3 2 1 9 6 3

2 3 0 1 1 3 13 1 1

8 4 3 7 4 3 9 5 1

3 2

Indicatoren voor nitrofiele zomen

Positieve aandachtsoorten Negatieve aandachtsoorten

1 5 1 8 4 9 3 6,8 7,34 6,72 6,33

1 1 1 4 5 5 2 6,54 6,56 6,05 5,88

3 4 3 6,17 6,46 6,87 7,03

3 8 3 6,53 5,81 6,25 6,71

3 2 6,63 5,76 5,92 6,29

6,31 6,21 6,52 6,42

6,92 5,8 6,22 6,41

6,77 6,73 6,74 6,53

1

1 1

6 2

1

1

1

1 4 5 5

2 3 5 3

8 7 11

1 2

3

Ellenberg_Stikstof

Ellenberg_Zuur

Ellenberg_Vocht

Ellenberg_Licht

Telling van Rode Lijst

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

1

Kleine zeggenvegetatieindicatoren

1

Rietklasseindicatoren

1

Bronbeekindicatoren

Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

Elzenbroekbosindicatoren

Hydrofyten

Dotterbloemgraslandindicatoren

Natte obligate freatofyten

13

Oud bos indicatoren

Som obligate freatofyten

48

Kalk-afreatofyten

Aantal soorten

Karteringseenheid

38

114


Natte obligate freatofyten Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten Kalk-afreatofyten Oud bos indicatoren Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren

Som obligate freatofyten

74 8 5 3 11 5 5 4 1 16 10 1

49 36 8 5 3 8 3 3 4 3 5

51 47 4 1 3 7 1 1 3

55 41 7 3 4 5 4 3 3

57 52 13 9 4 11 3 2

58 45 6 2 4 8 2

59 84 16 10 6 16

60 52 3 2 1 6

1

1 4 8 2 1 1 2

8 3 7 3 4 1 4 7 3 9 3 6,46 7,26 6,72 6,43

1 3 3 4 7 1 2 6 5 6 3 6,56 6,73 6,61 6,71

5 4 5 3 15 7 5 6 11 4 10 4 6,59 6,97 6,77 6,48

3 3 2 2 8 4 1 1 6 8 5 2 6,3 6,24 6,65 6,88

3 1 3 1 1 7 5

1 1 2 1 1 6 3

1 3 3

5 4

1 1

4 1

1

1 10 2 6,34 6,28 6,44 6,08

8 2 6,24 7,27 6,57 6,37

5 2 6,7 6,03 6,56 6,38

9 1 6,14 6,97 6,43 6,61

Ellenberg_Stikstof

Ellenberg_Zuur

Ellenberg_Vocht

Ellenberg_Licht

Negatieve aandachtsoorten

1

Positieve aandachtsoorten

1

Telling van Rode Lijst

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Indicatoren voor nitrofiele zomen

1

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

1

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

3

Kleine zeggenvegetatieindicatoren

8

Rietklasseindicatoren

3

Bronbeekindicatoren

1

Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

Hydrofyten

Aantal soorten

Karteringseenheid

48

115


Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten Kalk-afreatofyten Oud bos indicatoren Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren

Som obligate freatofyten

37 1 1 5 2 2 2 1 4 9

64 43 8 4 4 7 4 4 3 4 9

65 40 10 7 3 7 2 1 6 3 5 1 2

66 79 22 13 9 14 4 3 7 5 6 8 4

69 52 7 4 3 7 2 6 4 3 11 4

70 26 10 7 3 5 1 0 3 2 1

71 50 11 8 3 9 3 0 7 3 2 8 3

72 51 10 5 5 9 3 4 8 3 7 7 4

1 1

8 1

1 3 1

1 5 1

1 4 1

1 2 1

1

Rietklasseindicatoren

Bronbeekindicatoren

Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

Zilverschoongraslandindicatoren

4 3 1 6,68 5,75 6,35 6,14

3 6 4 8 3 6,34 7 6,57 6,7

3 7 3 6 3 6,54 7,39 6,68 6,47

4 13 3 11 4 6,53 7,08 6,35 6,17

1 3 7 11 1 6,06 6,56 6,77 7,05

7 2 5 3 6,78 7,83 6,69 6,76

8 5 7 3 6,81 7,22 6,81 6,44

6 3 14 2 6,63 6,93 6,73 5,87

1 1

2

1

1

1

1 2

Ellenberg_Stikstof

Ellenberg_Zuur

Ellenberg_Vocht

Ellenberg_Licht

Telling van Rode Lijst

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

2

Kleine zeggenvegetatieindicatoren

Negatieve aandachtsoorten

1

Positieve aandachtsoorten

1

Indicatoren voor nitrofiele zomen

1

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

1

Natte obligate freatofyten

Hydrofyten

Aantal soorten

Karteringseenheid

61

116


Som obligate freatofyten

Natte obligate freatofyten Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten Kalk-afreatofyten Oud bos indicatoren

40 3 2 1 5 2 1

74 36 5 3 2 3

78 71 16 12 4 10

80 67 8 4 4 9

81 47 2 1 1 4

82 62 11 8 3 8

84 42 7 3 4

85 28 4 3 1 3 7 3 6 5 1 1

5 1 6 2 4 6 2 1

2 3 4 8 3 1

4 3 7 3 9 8 2

4 1 0 5 2 3 11 4

4 3 2 2 4 6 1

1 6 4 1

3 9 1 1 2

6

2 1 1

1

2

Negatieve aandachtsoorten

4 6 2 2 6,36 6,41 6,63 6,94

4 4 2 2 6,94 6,41 6,76 6,55

5 1 7 6

1 1 3 5 6 2 6,66 6,72 6,35 6,2

5 3 6 1 6,12 7,2 6,93 6,68

3 3 10 5 10 4 6,68 6,76 6,65 6,53

1 2 1 8 6 7 4 6,66 6,37 6,23 6,32

1 1 2 7 3 1 6,63 5,85 6,56 6,55

11 3 6,68 6,78 6,64 6,62

1

Ellenberg_Stikstof

Ellenberg_Zuur

Ellenberg_Vocht

Ellenberg_Licht

Telling van Rode Lijst

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water

Positieve aandachtsoorten

1

Indicatoren voor nitrofiele zomen

1

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Kleine zeggenvegetatieindicatoren

Rietklasseindicatoren

Bronbeekindicatoren

Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

Zilverschoongraslandindicatoren

4

Glanshavergraslandindicatoren

2

Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

0

Elzenbroekbosindicatoren

Dotterbloemgraslandindicatoren

Hydrofyten

Aantal soorten

Karteringseenheid

73

117


Som obligate freatofyten

Natte obligate freatofyten Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten Kalk-afreatofyten Oud bos indicatoren Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren

35 4 2 2 4 3 1 3 1 5 4 1

87 59 5 4 1 9 3 2 2 1 8 7 1 1

92 59 5 4 1 9 3 2 2 1 8 7 1 1

93 55 9 6 3 4 4 2 3 2 7 6 1

94 57 12 7 5 8 4 7 5 3 13 4 2

95 65 11 6 5 10 2 4 8 1 9 10 4 1

97 47 2 1 1 4 1 0 3 1 9 1 2

98 43 2 2 4 2 4 2 8 10 1 2

1 1

1

Negatieve aandachtsoorten

4 4 4 2 6,42 6,45 6,63 6,61

2 7 7 6 1 6,37 6,49 6,44 6,6

2 7 7 6 1 6,37 6,49 6,44 6,6

7 7 6 3 6,63 6,5 6,8 6,76

4 1 1

4 1 1 8 5 15 3 6,1 6,91 6,71 6,43

4 1 1 4 5 12 3 6,47 6,44 6,46 5,98

1 2 1 5 2 6,79 5,54 5,84 6,05

2 5 7 6,46 5,82 6,47 6,27

1

1

1

Ellenberg_Stikstof

Ellenberg_Zuur

Ellenberg_Vocht

Ellenberg_Licht

Telling van Rode Lijst

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Positieve aandachtsoorten

1

Indicatoren voor nitrofiele zomen

Kleine zeggenvegetatieindicatoren

1

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

Rietklasseindicatoren

Bronbeekindicatoren

Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

Hydrofyten

Aantal soorten

Karteringseenheid

86

118


Som obligate freatofyten

Natte obligate freatofyten Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten Kalk-afreatofyten Oud bos indicatoren Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren

38 6 5 1 7 3 2 4 3 6 3 2

100 70 16 10 6 10 4 8 7 3 17 4 2 2 6 2

101 44 5 3 2 6 2 5 5 1 8 3 1 2 1

102 68 14 10 4 10 4 7 7 5 15 5 2 4

103 35 4 2 2 4 3 2 3 1 3 5

104 53 10 8 2 11 4 3 7 4 8 4

105 52 6 1 4 2 5 1 0 3 1 4 10 2

108 69 10 1 7 3 7 5 3 6 3 11 5 1

7 4 5 3 6,47 7,09 6,71 6,77

8 4 17 3 6,08 6,96 6,55 6,3

1 3 3 8 2 6,3 6,41 6,62 6,51

2 7 5 16 3 6,16 6,84 6,73 6,39

1 4 4 5 2 6,5 6,32 6,65 6,57

4 8 4 8 3 6,49 6,95 6,73 6,42

5 4 4 2 6,84 6,26 6,34 6,26

10 8 10 2 6,44 6,48 6,95 6,68

2 1

2 1

1

1 1

1 1

Ellenberg_Stikstof

Ellenberg_Zuur

Ellenberg_Vocht

Ellenberg_Licht

Telling van Rode Lijst

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

Kleine zeggenvegetatieindicatoren

Negatieve aandachtsoorten

2

Positieve aandachtsoorten

1

Indicatoren voor nitrofiele zomen

3

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

1

Rietklasseindicatoren

Bronbeekindicatoren

Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

Hydrofyten

Aantal soorten

Karteringseenheid

99

119


119 1 2 4 6 3 6 5 2 10 2 1

6 2 9 3 6 4 3 10 1

6 5 1 5 3 1 4 3 3 6 1

4 2 2 6 1 1 3 2 13 4

1

0 2 1 1

3

1 2 1 3 4 4 3 6,76 6,88 6,7 6,89

1 1 1 3 6 4 3 6,82 5,84 6,57 6,45

0 0 0 0

4 4

7 3

Negatieve aandachtsoorten

12 1 5,8 6,56 6,33 6,29

10 3 6,15 7,27 6,73 6,52

Ellenberg_Stikstof

Ellenberg_Zuur

Ellenberg_Vocht

Ellenberg_Licht

Positieve aandachtsoorten

1

Telling van Rode Lijst

Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water

Indicatoren voor nitrofiele zomen

2

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

Indicatoren voor Tandzaadklasse

Indicatoren voor Dwergbiezenklasse

1

Kleine zeggenvegetatieindicatoren

Rietklasseindicatoren

Bronbeekindicatoren

Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond

Hydrofyten

Zilverschoongraslandindicatoren

68

Glanshavergraslandindicatoren

114

Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

39

Elzenbroekbosindicatoren

113

Dotterbloemgraslandindicatoren

8

Oud bos indicatoren

40

Kalk-afreatofyten

111

Vochtige niet-obligate freatofyten

6

Freatofyten

Som obligate freatofyten

39

Natte obligate freatofyten

Aantal soorten

Karteringseenheid

110

120


Ribes nigrum

Carex otrubae

Zwarte bes

Obligaat freatofyt

Valse voszegge

Obligaat freatofyt

Achillea ptarmica Wilde bertram

Obligaat freatofyt

Lychnis floscuculi

Echte koekoeksbloem

Obligaat freatofyt

Bosbies

Obligaat freatofyt

Scirpus sylvaticus

Persicaria bistorta

Stellaria uliginosa

Adderwortel

Moerasmuur

Obligaat freatofyt

Obligaat freatofyt

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Ned. naam

GrondNatte obligaat freatofyttr

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Hydrofyten en Freatofyten Wetenschappelijke naam

Tabel 9

B39AA02

41 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen

39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen

39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekbossen

G12BA

12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

12BA Lolio-Potentillion anserinae Zilverschoonverbond

G16AA01

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AA01 Cirsio dissectiMolinietum Blauwgrasland

G16AB

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond

G16AB05

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB05 Scirpetum sylvatici Bosbies-associatie

G16AB06

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge

M07AA

07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen

07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen

07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek

121


Verspreidbladig goudveil

Obligaat freatofyt

M07AA

07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen

07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen

07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

Equisetum telmateia

Reuzenpaardenstaart

Obligaat freatofyt

M07AA02

07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen

Mentha aquatica

Watermunt

Obligaat freatofyt

M08B

08 Phragmitetea Rietklasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

Carex vulpina

Voszegge

Obligaat freatofyt

M08BC

08 Phragmitetea Rietklasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge

Scutellaria galericulata

Obligaat freatofyt

M08BD

08 Phragmitetea Rietklasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

Blauw glidkruid

08BD Caricion elatae Verbond van Stijve zegge

Taraxacum sectie Palustria

Moeraspaardenbloemen

Obligaat freatofyt

M09BA

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde

Beklierde basterdwederik

Obligaat freatofyt

P27AA02

27 Saginetea maritimae Zeevetmuur-klasse

27A Saginetalia maritimae Zeevetmuur-orde

27AA Saginion maritimae Zeevetmuur-verbond

Bidens tripartita

Veerdelig tandzaad

Obligaat freatofyt

P29AA

29 Bidentetea tripartitae Tandzaad-klasse

29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde

29AA Bidention tripartitae Tandzaad-verbond

Obligaat

P29AA

29

29A

29AA

Bidentetea tripartitae

Bidentetalia

07AA02 Pellio epiphyllaeChrysosplenietum oppositifolii Associatie van Paarbladig goudveil

09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond

Epilobium ciliatum

Stellaria aquatica Watermuur

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

GrondNatte obligaat freatofyttr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Chrysosplenium alternifolium

07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen

27AA02 CentaurioSaginetum9 Associatie van Strandduizendguldenkruid en Krielparnassia

Bidention tripartitae

122


Poelruit

Lythrum salicaria Grote kattenstaart

Filipendula ulmaria

Tandzaad-klasse

Obligaat freatofyt

R32

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

R32AA01

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

R32AA01

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

Obligaat freatofyt

tripartitae Tandzaad-orde

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

GrondNatte obligaat freatofyttr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Thalictrum flavum

freatofyt

Tandzaad-verbond

32AA Filipendulion Moerasspirea-verbond

32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan

32A Filipenduletalia Moerasspirea-orde

32AA Filipendulion Moerasspirea-verbond

32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan

36A Salicetalia auritae Orde der wilgenbroekstruwelen

36AA Salicion cinereae Verbond der wilgenbroekstruwelen

36AA01 Salicetum auritae Associatie van Geoorde wilg

32A Filipenduletalia Moerasspirea-orde

Moerasspirea

Obligaat freatofyt

Salix aurita

Geoorde wilg

Obligaat freatofyt

S36AA01

36 Franguletea Klasse der wilgenbroekstruwelen

Lemna minor

Klein kroos

Hydrofyt

W01A

01 Lemnetea minoris Eendekroos-klasse

01A Lemnetalia minoris Eendekroos-orde

Lemna trisulca

Puntkroos

Hydrofyt

W01A

01 Lemnetea minoris Eendekroos-klasse

01A Lemnetalia minoris Eendekroos-orde

Ceratophyllum demersum

Grof hoornblad

Hydrofyt

W01AA

01 Lemnetea minoris Eendekroos-klasse

01A Lemnetalia minoris Eendekroos-orde

01AA Lemnion minoris Bultkroos-verbond

Potamogeton pectinatus

Schedefonteinkruid

Hydrofyt

W02AA

02 Ruppietea Ruppiaklasse

02A ZannichellioRuppietalia Ruppia-orde

02AA Ruppion maritimae Ruppia-verbond

123


Ranunculus aquatilis

Potamogeton crispus

Hydrocharis morsus-ranae

Ranunculus circinatus

Callitriche platycarpa

Aarvederkruid

Fijne waterranonkel

Gekroesd fonteinkruid

Kikkerbeet

Stijve waterranonkel

Gewoon sterrenkroos

Hydrofyt

Hydrofyt

Hydrofyt

Hydrofyt

Hydrofyt

Hydrofyt

W05

05 Potametea Fonteinkruiden-klasse

05B Nupharo-Potametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

W05

05 Potametea Fonteinkruiden-klasse

05B Nupharo-Potametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

W05

05 Potametea Fonteinkruiden-klasse

05B Nupharo-Potametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

W05BB

05 Potametea Fonteinkruiden-klasse

05B Nupharo-Potametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

05BB Hydrocharition morsus-ranae Kikkerbeetverbond

W05BC03

05 Potametea Fonteinkruiden-klasse

05B Nupharo-Potametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

05BC Parvopotamion Verbond der kleine fonteinkruiden

05 Potametea Fonteinkruiden-klasse

05C CallitrichoPotametalia/ Orde van Haaksterrekroos en Grote waterranonkel

05CA Ranunculion peltati Verbond van Grote waterranonkel

05C CallitrichoPotametalia/ Orde van Haaksterrekroos en Grote waterranonkel

05CA Ranunculion peltati Verbond van Grote waterranonkel

39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen

39AA Alnion glutinosae Verbond der

W05CA

Hottonia palustris

Waterviolier

Hydrofyt

W05CA01

05 Potametea Fonteinkruiden-klasse

Alnus glutinosa

Zwarte els

Kalkafreatofyt

B39AA

40 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

GrondNatte obligaat freatofyttr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Myriophyllum spicatum

05BC03 Ranunculetum circinati Associatie van Stijve waterranonkel

05CA01 CallitrichoHottonietum Associatie van Waterviolier en Sterrekroos

124


Primula elatior

Allium ursinum

Dactylorhiza maculata s. l.

Epilobium parviflorum

Gewone es

Slanke sleutelbloem

Daslook

Gevlekte orchis en Bosorchis

Kalkafreatofyt

Kalkafreatofyt

Kalkafreatofyt

Kalkafreatofyt

Viltige basterdwederik

Kalkafreatofyt

Eupatorium cannabinum Epilobium

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

GrondNatte obligaat freatofyttr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Fraxinus excelsior

elzenbroekbossen

B43A

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

B43A

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

B43AB01

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke 43AB Carpinion betuli grond Haagbeuken-verbond

43AB01 Stellario-Carpinetum Eiken-Haagbeukenbos

19AA Nardo-Galion 19A Nardetalia� Orde der saxatilis Verbond der heischrale graslanden heischrale graslanden

19AA02 Gentiano pneumonanthes-NardetumAssociatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras

27A Saginetalia maritimae Zeevetmuur-orde

27AA Saginion maritimae Zeevetmuur-verbond

27AA02 CentaurioSaginetum9 Associatie van Strandduizendguldenkruid en Krielparnassia

32B

32BA

G19AA02

19 Nardetea Klasse der heischrale graslanden

P27AA02

27 Saginetea maritimae Zeevetmuur-klasse

Koninginnenkruid

Kalkafreatofyt

R32

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

Harig wilgenroosje

Kalk-

R32BA

32

Convolvulo-

Convolvuletalia

Epilobion hirsuti

125


afreatofyt

Filipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

sepium Orde van Harig wilgeroosje

Verbond van Harig wilgeroosje

Hypericum dubium

Kantig hertshooi

Kalkafreatofyt

Z17AA01

17 Trifolio-Geranietea sanguinei Marjolein-klasse

17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde

17AA Trifolion medii Marjolein-verbond

Hypericum maculatum s.s.

Gevlekt hertshooi

Kalkafreatofyt

Amandelwilg

Natte obligaat freatofyt

B38AA

38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbossen en -struwelen

38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbossen en -struwelen

38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloedbossen en struwelen

Katwilg

Natte obligaat freatofyt

B38AA

38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbossen en -struwelen

38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbossen en -struwelen

38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloedbossen en struwelen

Schietwilg

Natte obligaat freatofyt

B38AA

38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbossen en -struwelen

38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbossen en -struwelen

38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloedbossen en struwelen

Hangende zegge

Natte obligaat freatofyt

B43AA04

43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke 43AA Alno-Padion Verbond grond van Els en Vogelkers

Lidrus

Natte obligaat freatofyt

G16A

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

Salix triandra

Salix viminalis

Salix alba

Carex pendula

Equisetum palustre

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

GrondNatte obligaat freatofyttr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam hirsutum

17AA01 Rubo-Origanetum Associatie van Dauwbraam en Marjolein

43AA04 Carici remotaeFraxinetum GoudveilEssenbos

126


Gevleugeld hertshooi

Natte obligaat freatofyt

Moeraszegge

Natte obligaat freatofyt

Tweerijige zegge

Natte obligaat freatofyt

Moerasstreepzaad

Natte obligaat freatofyt

Moesdistel

Natte obligaat freatofyt

Ranunculus flammula

Egelboterbloem

Natte obligaat freatofyt

M06AC

06 Littorelletea Oeverkruid-klasse

06A Littorelletalia Oeverkruid-orde

06AC HydrocotyloBaldellion/ Verbond van Waternavel en Stijve moerasweegbree

Veronica

Beekpunge

Natte

M07AA

07

07A

07AA

Hypericum tetrapterum

Carex acutiformis

Carex disticha

Crepis paludosa

Cirsium oleraceum

G16A

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

G16AB

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond

G16AB

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond

G16AB

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond

G16AB06

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge

G16AB06

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge

Montio-Cardaminetea

Montio-

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

GrondNatte obligaat freatofyttr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Veldrus

Natte obligaat freatofyt

Juncus acutiflorus

Cardamino-Montion

127


Apium nodiflorum

Scrophularia auriculata

Rorippa amphibia Sparganium erectum s. erectum

Typha latifolia

Equisetum fluviatile

Glyceria maxima

Cardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen

obligaat freatofyt

Klasse der bronbeekgemeenschappen

Groot moerasscherm

Natte obligaat freatofyt

M07AA

07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen

07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen

07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

Geoord helmkruid

Natte obligaat freatofyt

M07AA02

07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen

07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen

07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

Gele waterkers

Natte obligaat freatofyt

M08

08 Phragmitetea Rietklasse

Grote egelskop s.s.

Natte obligaat freatofyt

M08

08 Phragmitetea Rietklasse

Grote lisdodde

Natte obligaat freatofyt

M08

08 Phragmitetea Rietklasse

Holpijp

Natte obligaat freatofyt

M08

08 Phragmitetea Rietklasse

Liesgras

Natte obligaat freatofyt

M08

08 Phragmitetea Rietklasse

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

GrondNatte obligaat freatofyttr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam beccabunga

Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

07AA02 Pellio epiphyllaeChrysosplenietum oppositifolii Associatie van Paarbladig goudveil

128


Alisma plantagoaquatica

Glyceria fluitans Rorippa nasturtiumaquaticum

Oenanthe fistulosa

Oenanthe aquatica

Butomus umbellatus

Iris pseudacorus

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

GrondNatte obligaat freatofyttr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Myosotis scorpioides

Moerasvergeet-mij-nietje

Natte obligaat freatofyt

M08

08 Phragmitetea Rietklasse

Grote waterweegbree

Natte obligaat freatofyt

M08A

08 Phragmitetea Rietklasse

08A Nasturtio-Glycerietalia Vlotgras-orde

Mannagras

Natte obligaat freatofyt

M08A

08 Phragmitetea Rietklasse

08A Nasturtio-Glycerietalia Vlotgras-orde

Witte waterkers

Natte obligaat freatofyt

M08AA

08 Phragmitetea Rietklasse

08A Nasturtio-Glycerietalia 08AA Sparganio-Glycerion Vlotgras-orde Vlotgras-verbond

Pijptorkruid

Natte obligaat freatofyt

M08AB

08 Phragmitetea Rietklasse

08AB Oenanthion 08A Nasturtio-Glycerietalia aquaticae WatertorkruidVlotgras-orde verbond

Watertorkruid

Natte obligaat freatofyt

M08AB01

08 Phragmitetea Rietklasse

08AB Oenanthion 08A Nasturtio-Glycerietalia aquaticae WatertorkruidVlotgras-orde verbond

08AB01 RorippoOenanthetum aquaticae Watertorkruid-associatie

Zwanenbloem

Natte obligaat freatofyt

M08AB02

08 Phragmitetea Rietklasse

08AB Oenanthion 08A Nasturtio-Glycerietalia aquaticae WatertorkruidVlotgras-orde verbond

08AB02 SagittarioSparganietum Associatie van Egelskop en Pijlkruid

Gele lis

Natte obligaat freatofyt

M08B

08 Phragmitetea Rietklasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

129


Galium palustre

Rumex hydrolapathum

Carex pseudocyperus

Phragmites australis

Carex riparia

Carex acuta

Carex vesicaria

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

GrondNatte obligaat freatofyttr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Eleocharis palustris

M08B

08 Phragmitetea Rietklasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

Gewone waterbies

Natte obligaat freatofyt

Moeraswalstro

Natte obligaat freatofyt

M08B

08 Phragmitetea Rietklasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

M08BA

08 Phragmitetea Rietklasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

Waterzuring

Natte obligaat freatofyt

M08BA02

08 Phragmitetea Rietklasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

Hoge cyperzegge

Natte obligaat freatofyt

08BA Cicution virosae Waterscheerling-verbond

08BA02 Cicuto-Caricetum pseudocyperi1 Associatie van Waterscheerling en Hoge cyperzegge

Riet

Natte obligaat freatofyt

M08BB04

08 Phragmitetea Rietklasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

08BB Phragmition australis Riet-verbond

08BB04 TyphoPhragmitetum Riet-associatie

Oeverzegge

Natte obligaat freatofyt

M08BC01

08 Phragmitetea Rietklasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge

08BC01 Caricetum ripariae Oeverzegge-associatie

M08BC02

08 Phragmitetea Rietklasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

Scherpe zegge

Natte obligaat freatofyt

08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge

08BC02 Caricetum gracilis Associatie van Scherpe zegge

Blaaszegge

Natte obligaat freatofyt

M08BC03

08 Phragmitetea Rietklasse

08B orde

Phragmitetalia Riet-

08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge

08BC03 Caricetum vesicariae Blaaszeggeassociatie

08BA Cicution virosae Waterscheerling-verbond

130


M09

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

GrondNatte obligaat freatofyttr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Stellaria palustris Zeegroene muur

Natte obligaat freatofyt

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen 09AA03 Carici curtaeAgrostietum caninae, Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge

Schildereprijs

Natte obligaat freatofyt

M09AA03

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09A Caricetalia nigrae Orde van Zwarte zegge

09AA Caricion nigrae Verbond van Zwarte zegge

Ruw walstro

Natte obligaat freatofyt

M09BA

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde

09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond

Samolus valerandi

Waterpunge

Natte obligaat freatofyt

M09BA

06 Littorelletea Oeverkruid-klasse

06A Littorelletalia Oeverkruid-orde

06AC HydrocotyloBaldellion/ Verbond van Waternavel en Stijve moerasweegbree

Ranunculus sceleratus

Blaartrekkende boterbloem

Natte obligaat freatofyt

P29AA

29 Bidentetea tripartitae Tandzaad-klasse

29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde

29AA Bidention tripartitae Tandzaad-verbond

Zwart tandzaad

Natte obligaat freatofyt

P29AA

29 Bidentetea tripartitae Tandzaad-klasse

29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde

29AA Bidention tripartitae Tandzaad-verbond

Persicaria mitis

Zachte duizendknoop

Natte obligaat freatofyt

P29AA01

29 Bidentetea tripartitae Tandzaad-klasse

29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde

29AA Bidention tripartitae Tandzaad-verbond

29AA01 PolygonoBidentetum Associatie van Waterpeper en Tandzaad

Veronica

Blauwe waterereprijs

Natte

P29AA04

29

29A

29AA

29AA04 Eleocharito

Veronica scutellata

Galium uliginosum

Bidens frondosa

Bidentetea tripartitae

Bidentetalia

Bidention tripartitae

06AC04 SamoloLittorelletum' Associatie van Waterpunge en Oeverkruid

131


obligaat freatofyt

Tandzaad-klasse

Caltha palustris

Dotterbloem

Natte obligaat freatofyt

R32AA01

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

32A Filipenduletalia Moerasspirea-orde

32AA Filipendulion Moerasspirea-verbond

Wolfspoot

Natte obligaat freatofyt

R32BA

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje

32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje

Gevleugeld helmkruid

Natte obligaat freatofyt

Lycopus europaeus

Scrophularia umbrosa

tripartitae Tandzaad-orde

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

GrondNatte obligaat freatofyttr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam anagallisaquatica

Tandzaad-verbond

acicularis-Limoselletum Slijkgroen-associatie 32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan

132


Tabel 10

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Oud-bossoorten

Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Verbond

Socsrtgrp1

Stiksind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Oudbosplanten

Orde 43A

Zuurgind

Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Wetenschappelijke naam

Klasse 43

Associatie

Alle soorten maken deel uit van :

Carex sylvatica

Boszegge

P

2

5

6

5

L

B43A

Circaea lutetiana

Groot heksenkruid

V

4

6

7

7

L

B43A

Hedera helix

Klimop

A

4

5

X

X

L

B43A

Deschampsia cespitosa

Ruwe smele

V

6

7*

X

3

L

B43A

Primula elatior

Slanke sleutelbloem

K

6

6

7

7

L

B43A

Allium ursinum

Daslook

K

2

6

7

8

L

B43AB0 1

43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond

43AB01 Stellario-Carpinetum EikenHaagbeukenbos

Arum maculatum

Gevlekte aronskelk

P

3

7

7

8

L

B43AB0 1

43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond

43AB01 Stellario-Carpinetum EikenHaagbeukenbos

Galium odoratum

Lievevrouwebedstro

A

2

5

6

5

L

B43AB0 1

43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond

43AB01 Stellario-Carpinetum EikenHaagbeukenbos

133


Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Verbond

Socsrtgrp1

Stiksind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Oudbosplanten

Orde 43A

Zuurgind

Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Wetenschappelijke naam

Klasse 43

Associatie

Alle soorten maken deel uit van :

Oxalis acetosella

Witte klaverzuring

A

1

5

4

6

M

B43A

Scilla non-scripta

Wilde hyacint

A

5

5

7

6

M

B43AA

43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers

Carex remota

IJle zegge

V

3

8

X

X

M-L

B39AA0 2

39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekbossen

39AA02 Carici elongatae-Alnetum ElzenzeggeElzenbroek

Anemone nemorosa

Bosanemoon

A

X

5

X

X

M-L

B43A

Polygonatum multiflorum

Gewone salomonszegel

A

2

5

6

5

M-L

B43A

Stellaria holostea

Grote muur

A

5

5

6

5

M-L

B43A

Athyrium filixfemina

Wijfjesvaren

P

3

7

X

6

M-L

B43A

Lamiastrum galeobdolon

Gele dovenetel

P

3

5

7

5

M-L

B43AB0 1

43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond

43AB01 Stellario-Carpinetum EikenHaagbeukenbos

134


258

373

469

322

Carex remota

Crepis paludosa

Equisetum telmateia

Chrysosplenium alternifolium

Bosveldkers

IJle zegge

V

V

Moerasstreepzaad W

Reuzenpaardenst aart

Verspreidbladig goudveil

F

F

6

3

7

5

4

8

8

8*

8

8=

4

X

8

8

7

5

X

6

5

5

T

T

T

T

T

M07AA03

07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappe n

B39AA02

43 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen

G16AB06

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Bronbeekindicatoren

Stiksind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Soortnr. 202

Cardamine flexuosa

Zuurgind

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Bron- en bronbeekindicatoren

Wetenschappelijke naam

Tabel 11

07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen

07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen

39AA Alnion elongatae-Alnetum glutinosae Verbond der Elzenzeggeelzenbroekbossen Elzenbroek

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB06 AngelicoCirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge

07AA03 PellioConocephaletum Kegelmos-associatie 39AA02 Carici

M07AA02

07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappe n

07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen

07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

M07AA

07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappe n

07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen

07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

07AA02 Pellio epiphyllaeChrysosplenietum oppositifolii Associatie van Paarbladig goudveil

135


Solanum dulcamara

Scutellaria galericulata

Caltha palustris

Carex pseudocyperus

Humulus lupulus

Blauw glidkruid

Dotterbloem

Hoge cyperzegge

Hop

P

F

W

W

P

7

7

7

7

7

8*

9=

9=

9=

8=

X

7

X

6

6

8

6

X

5

8

T

T

T

T

T

39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekboss en

B39AA

39 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen

M08BD

08B 08 Phragmitetea Riet- Phragmitetalia Rietklasse orde

08BD Caricion elatae Verbond van Stijve zegge

R32AA01

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

32AA Filipendulion Moerasspireaverbond

32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan

M08BA02

08B 08 Phragmitetea Riet- Phragmitetalia Rietklasse orde

08BA Cicution virosae Waterscheerling -verbond

08BA02 Cicuto-Caricetum pseudocyperi1 Associatie van Waterscheerling en Hoge cyperzegge

42 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen

39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekboss en

39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek

B39AA02

39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Elzenbroekbosindicatoren

Stiksind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam Bitterzoet

Zuurgind

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Elzenbroekbosindicatoren

Wetenschappelijke naam

Tabel 12

32A Filipenduletalia Moerasspirea-orde

39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen

136


Ribes nigrum

Alnus glutinosa

IJle zegge

Zwarte bes

Zwarte els

V

F

K

3

4

5

8

9=

9=

X

6

6

X

5

X

T

T

T

B39AA02

B39AA02

B39AA

41 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen

40 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Elzenbroekbosindicatoren

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Carex remota

43 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen

39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen

39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekboss en

39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek

39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen

39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekboss en

39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek

39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen

39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekboss en

137


Tabel 13

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke bodem

Alle soorten maken deel uit van :

Ribes rubrum

Aalbes

V

4

8

6

6

T

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

B43AA

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

1103

Rumex sanguineus

1246

Stachys sylvatica

56

Anemone nemorosa

Bosanemoon

A

X

5

X

X

T

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

151

Brachypodium

Boskortsteel

A

3

5

6

6

T

B43AB01

43A

Bloedzuring

Bosandoorn

V

P

4

4

8

7

7

7

7

7

T

T

Fagetalia sylvaticae5 Orde der

Associatie

Verbond

Orde

Socsrtgrp1

Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

Stiksind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Soortnr. 1071

Zuurgind

Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Wetenschappelijke naam

Klasse 43

43AA AlnoPadion Verbond van Els en Vogelkers

43AB

Carpinion

43AB01 Stellario-

138


Alle soorten maken deel uit van :

846

264

807

34

Myosotis sylvatica

Carex sylvatica

Silene dioica

Allium ursinum

eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Bosvergeet-mij-nietje

Boszegge

Dagkoekoeksbloem

Daslook

A

P

A

K

6

2

X

2

5

5

6

6

X

6

7

7

7

5

8

8

T

T

T

T

43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond

B43AB01

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

B43AA

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AA AlnoPadion Verbond van Els en Vogelkers

B43AB01

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeuken-

Associatie

betuli Haagbeukenverbond

Verbond

Orde

Socsrtgrp1

Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

Stiksind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

sylvaticum

Zuurgind

Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Wetenschappelijke naam

Soortnr.

Klasse 43

Carpinetum EikenHaagbeukenbos

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos

139


Alle soorten maken deel uit van :

1367

Viburnum opulus

702

Lamiastrum galeobdolon

Geel nagelkruid

Gelderse roos

Gele dovenetel

A

V

P

4

6

3

5

X

5

X

7

7

7

6

5

T

T

T

Associatie

verbond

Verbond

Orde

Socsrtgrp1

Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

Stiksind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Soortnr. 579

Geum urbanum

Zuurgind

Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Wetenschappelijke naam

Klasse 43

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

B43AB01

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos

43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos

103

Arum maculatum

Gevlekte aronskelk

P

3

7

7

8

T

B43AB01

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

531

Fraxinus

Gewone es

K

4

X

7

7

T

B43A

43A

Fagetalia sylvaticae5 Orde der

140


Alle soorten maken deel uit van :

964

Polygonatum multiflorum

Associatie

Verbond

Orde

Socsrtgrp1

Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

Stiksind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

excelsior

Zuurgind

Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Wetenschappelijke naam

Soortnr.

Klasse 43

eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Gewone salomonszegel

A

2

5

6

5

T

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

896

Ornithogalum umbellatum

Gewone vogelmelk

A

6

5

7

7

T

B43AA01

66

Anthoxanthum odoratum

Gewoon reukgras

A

X

X

5

X

T

G16

329

Circaea lutetiana

Groot heksenkruid

V

4

6

7

7

T

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

1043

Ranunculus auricomus

Gulden boterbloem

P

5

X

7

X

T

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke

43AA AlnoPadion Verbond van Els en Vogelkers

43AA01 Violo odoratae-Ulmetum Abelen-Iepenbos

141


Alle soorten maken deel uit van :

Associatie

Verbond

Orde

Socsrtgrp1

Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

Stiksind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Soortnr.

Zuurgind

Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Wetenschappelijke naam

Klasse 43

grond

270

Carpinus betulus

250

Carex pendula

366

Corylus avellana

Haagbeuk

Hangende zegge

Hazelaar

A

W

A

4

5

6

X

8

X

X

6

5

X

6

X

T

T

T

B43AB01

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos

B43AA04

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AA AlnoPadion Verbond van Els en Vogelkers

43AA04 Carici remotae-Fraxinetum Goudveil-Essenbos

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

598

Hedera helix

Klimop

A

4

5

X

X

T

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

1352

Veronica

Klimopereprijs

A

6

5

7

7

T

B43AA

43A

Fagetalia sylvaticae5 Orde der

43AA

Alno-

142


Alle soorten maken deel uit van :

1170

421

Scrophularia nodosa

10

515

Festuca gigantea

Knopig helmkruid

Muskuskruid

Reuzenzwenkgras

A

A

P

P

4

3

5

4

6

5

6

7

6

5

7

6

7

6

8

6

T

T

T

T

Associatie

Padion Verbond van Els en Vogelkers

Verbond

Orde

Socsrtgrp1

Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

Stiksind

Vochtind

Lichtind

eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Dryopteris filixmas Mannetjesvaren

Adoxa moschatellina

Grondwtr

Ned. naam

hederifolia

Zuurgind

Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Wetenschappelijke naam

Soortnr.

Klasse 43

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

B43AB01

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos

B43AB01

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos

B43AA

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

43AA AlnoPadion Verbond van Els en

143


Alle soorten maken deel uit van :

1014

Primula elatior

2402

Ranunculus ficaria

370

Crataegus laevigata

119

Athyrium filixfemina

Ruwe smele

Slanke sleutelbloem

Speenkruid

Tweestijlige meidoorn

Wijfjesvaren

V

K

P

A

P

6

6

4

6

3

7*

6

6

5

7

X

7

7

7

X

3

7

7

5

6

T

T

T

T

T

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Associatie

Vogelkers

Verbond

Orde

Socsrtgrp1

Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

Stiksind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Soortnr. 397

Deschampsia cespitosa

Zuurgind

Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Wetenschappelijke naam

Klasse 43

144


Alle soorten maken deel uit van :

Scilla nonscripta

909

Oxalis acetosella

1018

Prunus avium

Wilde hyacint

Witte klaverzuring

Zoete kers

A

A

A

5

1

4

5

5

5

7

4

7

6

6

5

T

T

T

B43AA

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

B43A

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

B43AB01

43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Associatie

Verbond

Orde

Socsrtgrp1

Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond

Stiksind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Soortnr. 1151

Zuurgind

Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond

Wetenschappelijke naam

Klasse 43

43AA AlnoPadion Verbond van Els en Vogelkers

43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond

43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos

145


Persicaria bistorta

Juncus conglomeratus

Scirpus sylvaticus

Adderwortel

Biezenknoppen

Bosbies

F

V

F

7

8

6

7

7*

8

5

4

4

5

3

4

T

T

T

G16AB06

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

G16A

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

G16AB05

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde 32A Filipenduletalia

Dactylorhiza majalis

Brede orchis en Rietorchis

V

8

8*

7

2

T

G16A

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

Caltha palustris

Dotterbloem

W

7

9=

X

X

T

R32AA01

32 ConvolvuloFilipenduletea

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Dotterbloemgraslandindicatoren

Siksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren dotterbloemgraslanden

Wetenschappelijke naam

Tabel 14

16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge

16AB05 Scirpetum sylvatici Bosbies-associatie

32AA Filipendulion

32AA01 ValerianoFilipenduletum.

146


Lychnis flos-cuculi

Hypericum tetrapterum

Rhinanthus angustifolius

Echte koekoeksbloem

Gevleugeld hertshooi

Grote ratelaar

F

W

P

7

7

7

7*

8=

6*

X

7

7

X

5

2

T

T

T

G16AB

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

G16AB

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

G16AB

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

Carex ovalis

Hazenzegge

P

7

7*

3

3

T

P28AA02

28 IsoetoNanojuncetea Dwergbiezenklasse

Cirsium palustre

Kale jonker

V

7

8

4

3

T

G16A

16 MolinioArrhenatheretea

Moerasspirea-orde

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Dotterbloemgraslandindicatoren

Siksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

Klasse der natte strooiselruigten

Moerasspireaverbond

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB Calthion palustris Dotterbloemverbond

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB Calthion palustris Dotterbloemverbond

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB Calthion palustris Dotterbloemverbond

28A Nanocyperetalia Dwergbiezen-orde

28AA Nanocyperion flavescentis Dwergbiezenverbond

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan

28AA02 IsolepidoStellarietum uliginosae Associatie van Borstelbies en Moerasmuur

147


Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Dotterbloemgraslandindicatoren

Siksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

Klasse der matig voedselrijke graslanden

Saxifraga granulata

Equisetum palustre

Taraxacum sectie Palustria

Lotus pedunculatus

Carex acutiformis

Knolsteenbreek

Lidrus

V

W

Moeraspaardenbloemen F

Moerasrolklaver

Moeraszegge

V

W

X

7

8

7

7

4

8

8*

8

9*

5

X

8

6

7

3

3

2

4

5

T

T

T

T

T

G16AB

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

G16A

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

M09BA

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde

G16A

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

G16AB

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB Calthion palustris Dotterbloemverbond

09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond

16AB Calthion palustris Dotterbloem-

148


Cirsium oleraceum

Cardamine pratensis

Dactylorhiza majalis s. praetermissa

Moesdistel

Pinksterbloem

Rietorchis

W

V

V

6

4

8

7

6

8*

8

X

7

5

X

2

T

T

T

verbond

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge

G16AB

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB Calthion palustris Dotterbloemverbond

M09BA

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde

09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AB Calthion palustris Dotterbloemverbond

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

G16AB06

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

Carex disticha

Tweerijige zegge

W

8

9=

8

5

T

G16AB

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

Juncus acutiflorus

Veldrus

W

9

8

5

3

T

G16A

16 MolinioArrhenatheretea

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Dotterbloemgraslandindicatoren

Siksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

voedselrijke graslanden

149


Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Dotterbloemgraslandindicatoren

Siksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

Klasse der matig voedselrijke graslanden

Cotoneaster integerrimus

Wilde bertram

F

8

8

4

2

T

G16AA01

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16A Molinietalia Pijpestrootje-orde

16AA01 Cirsio dissectiMolinietum Blauwgrasland

150


Ranunculus flammula

Equisetum fluviatile

Taraxacum sectie Palustria

Agrostis canina

Holpijp

Moeraspaardenbloemen

Moerasstruisgras

W

W

F

V

7

8

8

9

9*

10

8*

9

3

X

8

3

2

5

2

2

T

T

T

T

M06AC

M08

08 Phragmitetea Rietklasse

M09BA

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde

09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond

M09AA

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

09A Caricetalia nigrae Orde van Zwarte zegge

09AA Caricion nigrae Verbond van Zwarte zegge

09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde

09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond

09B Caricetalia davallianae

09BA Caricion davallianae

Dactylorhiza majalis s. praetermissa Rietorchis

V

8

8*

7

2

T

M09BA

Galium uliginosum

W

6

8*

X

2

T

M09BA

09 Parvocaricetea

Associatie

Verbond

06A Littorelletalia Oeverkruid-orde

06AC HydrocotyloBaldellion/ Verbond van Waternavel en Stijve moerasweegbree

06 Littorelletea Oeverkruid-klasse

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

Ruw walstro

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Kleine zeggenindicatoren

Stiksind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam Egelboterbloem

Zuurgind

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Kleine zeggenvegetaties

Wetenschappelijke naam

Tabel 15

151


Klasse der kleine zeggen

Veronica scutellata

Stellaria palustris

Schildereprijs

Zeegroene muur

W

W

8

5

9=

9*

3

4

3

2

T

T

M09AA03

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

M09

09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen

Knopbies-orde

09A Caricetalia nigrae Orde van Zwarte zegge

Knopbies-verbond

09AA Caricion nigrae Verbond van Zwarte zegge

09AA03 Carici curtae-Agrostietum caninae, Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge

152


Veronica 1896 filiformis

607

Heracleum sphondylium

Prunella 1017 vulgaris

319

Leucanthemu m vulgare

Beemdkroon

Draadereprijs

Gewone berenklauw

Gewone brunel

Gewone margriet

A

A

A

D

A

7

7

7

7

7

4

5

5

5

4

X

5

X

7

X

4

X

8

X

3

T

T

T

T

T

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Glanshavergraslandindicatoren

Stiksind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Soortnr. 692

Knautia arvensis

Zuurgind

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Glanshavergraslanden

Wetenschappelijke naam

Tabel 16

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

G16BC01

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

16BC 16BC01 LolioCynosurion cristati Cynosuretum Kamgras-verbond Kamgrasweide

G16BB01

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

16BB Arrhenatherion elatioris Glanshaververbond

G16BC

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

16BC Cynosurion cristati Kamgras-verbond

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

16BB01 Arrhenatheretum elatioris Glanshaverassociatie

153


Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Glanshavergraslandindicatoren

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

Soortnr.

voedselrijke graslanden

Taraxacum sectie 2430 Ruderalia

761

4

66

550

Lotus corniculatus v. corniculatus

Achillea millefolium

Anthoxanthum odoratum

Galium mollugo

Gewone paardebloemen

Gewone rolklaver

Gewoon duizendblad

Gewoon reukgras

Glad walstro

A

A

A

A

A

7

7

8

X

7

5

4

4

X

4

X

7

X

5

7

7

3

5

X

?

T

T

T

T

T

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

G16

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

G16BB01

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

16BB Arrhenatherion elatioris Glanshaver-

16BB01 Arrhenatheretum elatioris Glanshaver-

154


940

42

Pimpinella major

Alopecurus pratensis

Senecio jacobaea s. 1188 jacobaea

386

Cynosurus cristatus

Grote bevernel

Grote vossenstaart

Jakobskruiskruid s.s.

Kamgras

A

A

P

A

A

8

7

6

8

8

5

5

6

4*

5

7

7

6

7

X

7

7

7

5

4

T

T

T

T

T

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Glanshavergraslandindicatoren

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

Soortnr. 96

Arrhenatherum elatius Glanshaver

graslanden

verbond

associatie

G16BB01

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

16BB Arrhenatherion elatioris Glanshaververbond

16BB01 Arrhenatheretum elatioris Glanshaverassociatie

G16BB01

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

16BB Arrhenatherion elatioris Glanshaververbond

16BB01 Arrhenatheretum elatioris Glanshaverassociatie

G16BA

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

G16BC

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

16BC Cynosurion cristati Kamgras-verbond

155


Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Glanshavergraslandindicatoren

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

Soortnr.

graslanden

Trifolium 1299 dubium

Centaurea 1766 jacea

390

135

Dactylis glomerata

Bellis perennis

Tragopogon

1954 pratensis

Kleine klaver

Knoopkruid

Kropaar

Madeliefje

Oosterse en Gele morgenster

A

A

A

D

A

6

7

7

8

7

5

X

5

5

4

6

X

X

X

7

5

X

6

6

6

T

T

T

T

T

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

G16BB01

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

16BB Arrhenatherion elatioris Glanshaververbond

G16BC

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

16BC Cynosurion cristati Kamgras-verbond

G16BB01

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

16BB Arrhenatherion elatioris Glanshaver-

16BB01 Arrhenatheretum elatioris Glanshaverassociatie

16BB01 Arrhenatheretum elatioris Glanshaver-

156


Trifolium 1305 pratense

520

Festuca rubra

Ranunculus

1040 acris

946

Plantago lanceolata

Veronica 1363 serpyllifolia

Rode klaver

Rood zwenkgras s.s.

Scherpe boterbloem

Smalle weegbree

Tijmereprijs

A

A

D

A

D

7

8

7

6

X

X

5

X

X

6

X

7

X

X

5

X

6

X

X

X

T

T

T

T

T

verbond

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

G16

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

G16BC

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Glanshavergraslandindicatoren

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

Soortnr.

graslanden

associatie

16BC Cynosurion cristati Kamgras-verbond

157


Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Glanshavergraslandindicatoren

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

Soortnr.

graslanden

Phleum 2385 pratense

932

958

715

Phleum pratense s. pratense

Poa pratensis

Lathyrus pratensis

Timoteegras en Klein timoteegras

Timoteegras s.s.

Veldbeemdgras

Veldlathyrus

1093 Rumex acetosa Veldzuring

A

A

A

A

A

7

7

6

7

8

5

5

5

6

X

X

X

X

7

X

6

6

6

6

6

T

T

T

T

T

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

G16

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke

158


Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Glanshavergraslandindicatoren

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

Soortnr.

graslanden

Trifolium 1306 repens

571

Geranium molle

Witte klaver

Zachte ooievaarsbek

A

A

8

7

5

4

6

5

6

4

T

T

G16BC01

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

16BC 16BC01 LolioCynosurion cristati Cynosuretum Kamgras-verbond Kamgrasweide

G16BC

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde

16BC Cynosurion cristati Kamgras-verbond

159


Agrostis stolonifera

Alopecurus geniculatus

Pulicaria dysenterica

Ranunculus repens

Rumex crispus

Geknikte vossenstaart

Heelblaadjes

Kruipende boterbloem

Krulzuring

P

V

V

P

A

8

9

8

6

7

X=

8=

7*

7*

7*

X

7

7

X

X

5

7

5

X

5

T

T

T

T

T

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Zilverschoongraslandindicatoren

Stiksind

Zuurgind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam Fioringras

Vochtind

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Zilverschoongraslanden

Wetenschappelijke naam

Tabel 17

G12BA

12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoonverbond

G12BA

12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoonverbond

G12B

12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

G12BA

12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoonverbond

G12BA01

12 Plantaginetea majoris

12B Agrostietalia stoloniferae

12BA LolioPotentillion anserinae

12BA01 RanunculoAlopecuretum

160


Carex otrubae

Persicaria amphibia

Potentilla reptans

Ruige zegge

Valse voszegge

Veenwortel

Vijfvingerkruid

A

F

V

A

7

6

7

6

6*

8

11

6

X

7

6

7

5

6

4

5

T

T

T

T

Fioringras-orde

G12B

12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

G12BA

12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

G12BA01

12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

G12B

12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Zilverschoongraslandindicatoren

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Carex hirta

Weegbree-klasse

Zilverschoonverbond

geniculati Associatie van Geknikte vossestaart

12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoonverbond

12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoonverbond

12BA01 RanunculoAlopecuretum geniculati Associatie van Geknikte vossestaart

161


Potentilla anserina

Zeegroene rus

Zilverschoon

V

P

8

7

7*

6*

8

X

4

7

T

T

G12BA

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoonverbond

G12BA

12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse

12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde

12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoonverbond

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Zilverschoongraslandindicatoren

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Juncus inflexus

12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse

162


Luzula campestris

Hypochaeris radicata

Achillea millefolium

Gewoon biggenkruid

Gewoon duizendblad

A

A

A

7

8

8

4

5

4

3

4

X

2

3

5

T

T

T

G19AA

19 Nardetea Klasse der heischrale graslanden

19A Nardetalia Orde der heischrale graslanden

G14B

14 KoelerioCorynephoretea Klasse der droge graslanden op zandgrond

14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretali a Glanshaverorde

14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde 14B

Agrostis capillaris

Gewoon struisgras

A

7

X

4

4

T

G14B

14 KoelerioCorynephoretea Klasse der droge graslanden op zandgrond

Lathyrus

Graslathyrus

A

7

4

7

4

T

G14B

14

Koelerio-

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Droge graslanden op zandgrond

Stiksind

Zuurgind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam Gewone veldbies

Vochtind

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Droge graslanden op zandbodem

Wetenschappelijke naam

Tabel 18

19AA NardoGalion saxatilis Verbond der heischrale graslanden

Trifolio-

163


Trifolium dubium

Rumex acetosella

Plantago lanceolata

Corynephoretea Klasse der droge graslanden op zandgrond

Kleine klaver

Schapenzuring

Smalle weegbree

Cerastium semidecandrum Zandhoornbloem

A

A

A

A

6

8

6

8

5

4

X

3

6

2

X

6

5

2

X

X

T

T

T

T

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Droge graslanden op zandgrond

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam nissolia

Festucetalia ovinae Struisgras-orde

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretali a Glanshaverorde

G14B

14 KoelerioCorynephoretea Klasse der droge graslanden op zandgrond

14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde

G16B

16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden

16B Arrhenatheretali a Glanshaverorde

G14

14 KoelerioCorynephoretea Klasse der droge graslanden op

164


zandgrond

165

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Droge graslanden op zandgrond

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam


Callitriche platycarpa

Ceratophyllum demersum

Lemna minor

Grof hoornblad

Klein kroos

H

H

H

7

6

7

11

12*

11

7

8

X

7

8

6

T

T

T

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Eendenkroos-Klasse (Eutroof water)

Stiksind

Zuurgind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam Gewoon sterrenkroos

Vochtind

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren van de Eendenkroosklasse (Eutroof water)

Wetenschappelijke naam

Tabel 19

W05CA

05 Potametea Fonteinkruidenklasse

05C CallitrichoPotametalia/ Orde van Haaksterrekroos en Grote waterranonkel

W01AA

01 Lemnetea minoris Eendekroos-klasse

01A Lemnetalia 01AA Lemnion minoris minoris BultkroosEendekroos-orde verbond

W01A

01 Lemnetea minoris Eendekroos-klasse

01A Lemnetalia minoris Eendekroos-orde 01A Lemnetalia minoris Eendekroos-orde 02A

Lemna trisulca

Puntkroos

H

7

12

7

5

T

W01A

01 Lemnetea minoris Eendekroos-klasse

Potamogeton

Schedefonteinkruid

H

6

12

8

8

T

W02AA

02

Ruppietea

05CA Ranunculion peltati Verbond van Grote waterranonkel

02AA

Ruppion

166


pectinatus

Callitriche species Ruppia-klasse

Sterrenkroos (G) ZannichellioRuppietalia Ruppia-orde maritimae Ruppiaverbond

T

167

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Eendenkroos-Klasse (Eutroof water)

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam


Myriophyllum spicatum

Ranunculus aquatilis

Potamogeton crispus

Fijne waterranonkel

Gekroesd fonteinkruid

H

H

H

5

7

6

12

11

12

9

6

7

7

6

5

T

T

T

W05

05 Potametea Fonteinkruidenklasse

05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

W05

05 Potametea Fonteinkruidenklasse

05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

W05

05 Potametea Fonteinkruidenklasse

05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies

05BB Hydrocharition morsus-ranae Kikkerbeetverbond

05B

05BC

Hydrocharis morsus-ranae

Kikkerbeet

H

7

11

7

6

T

W05BB

05 Potametea Fonteinkruidenklasse

Ranunculus

Stijve

H

6

12

7

8

T

W05BC03

05

Potametea

Nupharo-

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)

Stiksind

Zuurgind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam Aarvederkruid

Vochtind

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Fonteinkruidklasse (Mesotroof water)

Wetenschappelijke naam

Tabel 20

05BC03

168


waterranonkel

Myriophyllum species

Vederkruid (G)

Hottonia palustris

Waterviolier

Fonteinkruidenklasse

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam circinatus

Potametalia Orde Parvopotamion der Fonteinkruiden Verbond der en Waterlelies kleine fonteinkruiden

Ranunculetum circinati Associatie van Stijve waterranonkel

05C CallitrichoPotametalia/ Orde van Haaksterrekroos en Grote waterranonkel

05CA01 CallitrichoHottonietum Associatie van Waterviolier en Sterrekroos

T

H

7

12

5

4

T

W05CA01

05 Potametea Fonteinkruidenklasse

05CA Ranunculion peltati Verbond van Grote waterranonkel

169


Caltha palustris

Valeriana officinalis

Angelica sylvestris

Symphytum officinale

Lythrum salicaria

Echte valeriaan

Gewone engelwortel

Gewone smeerwortel

Grote kattenstaart

W

V

V

V

F

7

7

7

7

7

9=

8*

8

8

8=

X

7

X

X

6

X

5

X

8

X

T

T

T

T

T

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

Stiksind

Zuurgind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam Dotterbloem

Vochtind

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren van Natte strooiselruigten

Wetenschappelijke naam

Tabel 21

R32AA01

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

32AA 32A Filipendulion Filipenduletalia MoerasspireaMoerasspirea-orde verbond

32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan

R32AA01

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

32AA 32A Filipendulion Filipenduletalia MoerasspireaMoerasspirea-orde verbond

32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan

R32

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

R32

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

R32AA01

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

32AA 32A Filipendulion Filipenduletalia MoerasspireaMoerasspirea-orde verbond

32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan

170


Calystegia sepium

Epilobium hirsutum

Eupatorium cannabinum

Stachys palustris

Filipendula ulmaria

Grote wederik

Haagwinde

Harig wilgenroosje

V

P

K

Koninginnenkru id K

Moerasandoorn V

Moerasspirea

F

6

8

7

7

7

7

8*

6

8=

7

7*

8

X

7

8

7

7

X

X

9

8

8

6

4

T

T

T

T

T

T

R32AA01

32AA 32A Filipendulion Filipenduletalia MoerasspireaMoerasspirea-orde verbond

R32BA

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje

32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje

R32BA

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje

32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje

R32

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

R32

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

R32AA01

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte

32A 32AA Filipenduletalia Filipendulion Moerasspirea-orde Moerasspirea-

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Lysimachia vulgaris

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan

32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van

171


Thalictrum flavum

Phalaris arundinacea

Poelruit

Rietgras

Lycopus europaeus Wolfspoot

F

V

W

7

7

7

8*

9=

9=

8

7

7

4

7

7

T

T

T

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Indicatoren voor Natte Strooiselruigte

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

strooiselruigten

verbond

R32

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

R32AA01

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

32AA 32A Filipendulion Filipenduletalia MoerasspireaMoerasspirea-orde verbond

R32BA

32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten

32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje

Moerasspirea en Echte Valeriaan

32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan

32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje

172


Anthriscus sylvestris

Urtica dioica

Torilis japonica

Fluitenkruid

Grote brandnetel

Heggendoornza ad

A

A

A

A

5

7

X

6

5

5

6

5

X

X

7

8

7

8

8

8

T

T

T

T

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Indicatoren voor nitrofiele zomen

Stiksind

Zuurgind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Lapsana communis Akkerkool

Vochtind

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Nitrofiele zomen

Wetenschappelijke naam

Tabel 22

R33AA04

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

R33AA

33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonderlook

R33AA

33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonderlook

R33AA02

33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen 33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen 33A Glechometalia

Glechoma hederacea

Hondsdraf

A

6

6

X

7

T

R33AA

33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen

Galium aparine

Kleefkruid

A

7

X

6

8

T

R33AA

33 GalioUrticetea Klasse

33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonder-look

33AA04 AlliarioChaerophylletum temuli/ Associatie van Look-zonderlook en Dolle kervel

33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen

33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonder-look

33AA02 Torilidetum japonicae Heggedoornzaadassociatie 33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonderlook

33AA GalioAlliarion

173


Alliaria petiolata

Kruisbladwalstr o

Look-zonderlook

Stinkende Chelidonium majus gouwe

Lamium album

Aegopodium podagraria

A

A

A

Witte dovenetel A

Zevenblad

A

7

5

6

7

5

6

5

5

5

6

6

7

X

X

7

7

9

8

9

8

T

T

T

T

T

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Indicatoren voor nitrofiele zomen

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Cruciata laevipes

der nitrofiele zomen

Orde der nitrofiele zomen

Verbond van Look-zonder-look

R33AA03

33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonder-look

R33AA

33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonder-look

R33AA04

33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonder-look

R33AA

33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonder-look

R33AA05

33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen

33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen

33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonder-look

33AA03 UrticoCruciatetum laevipedis Kruisbladwalstroassociatie

33AA04 AlliarioChaerophylletum temuli/ Associatie van Look-zonderlook en Dolle kervel

33AA05 UrticoAegopodietum Zevenbladassociatie

174


Veronica beccabunga

Carex vesicaria

Blaaszegge

Scutellaria galericulata

Blauw glidkruid

W

W

F

7

7

7

10

9=

9=

7

6

7

6

5

6

T

T

T

07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeens chappen

M07AA

M08BC03

08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde

08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge

M08BD

08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde

08BD Caricion elatae Verbond van Stijve zegge

Iris pseudacorus

Gele lis

W

7

9=

X

7

T

M08B

Rorippa amphibia

Gele waterkers

W

7

10

7

8

T

M08

08 Phragmitetea Riet-klasse

W

7

10

X

6

T

M07AA

07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgemeens chappen

Sparganium erectum

Grote egelskop s. s.s. W

7

10

7

7

T

M08

08 Phragmitetea Riet-klasse

Groot moerasscherm

07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeens chappen

Associatie

07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgemeens chappen

08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde

Apium nodiflorum

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Rietklasseindicatoren

Stiksind

Zuurgind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam Beekpunge

Vochtind

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor de Rietklasse Wetenschappelijke naam

Tabel 23

08BC03 Caricetum vesicariae Blaaszeggeassociatie

07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid

175


Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Rietklasseindicatoren

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam erectum

Typha latifolia

Grote lisdodde

W

Alisma plantago- Grote aquatica waterweegbree W

8

7

10

10

7

X

8

8

T

T

M08

08 Phragmitetea Riet-klasse

M08A

08A Nasturtio08 Phragmitetea Glycerietalia Riet-klasse Vlotgras-orde

Carex pseudocyperus

Hoge cyperzegge

W

7

9=

6

5

T

M08BA02

08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde

Equisetum fluviatile

Holpijp

W

8

10

X

5

T

M08

08 Phragmitetea Riet-klasse

Glyceria maxima

Liesgras

W

9

10*

8

9

T

M08

08 Phragmitetea Riet-klasse

Glyceria fluitans

Mannagras

W

7

9=

X

7

T

M08A

08A Nasturtio08 Phragmitetea Glycerietalia Riet-klasse Vlotgras-orde

Myosotis scorpioides

Moerasvergeetmij-nietje W

7

8*

X

5

T

M08

08 Phragmitetea Riet-klasse

Galium palustre

Moeraswalstro

W

6

9=

X

4

T

M08B

08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde

Carex riparia

Oeverzegge

W

7

9=

7

4

T

M08BC01

08

Phragmitetea 08B

08BA02 CicutoCaricetum 08BA Cicution pseudocyperi1 virosae Associatie van Waterscheerling- Waterscheerling en verbond Hoge cyperzegge

08BC

Caricion

08BC01 Caricetum

176


Oenanthe fistulosa Pijptorkruid

Phragmites australis

Riet

Carex acuta

Scherpe zegge

Glyceria species

Vlotgras (G)

Carex vulpina

Mentha aquatica

Oenanthe aquatica

Voszegge

Watermunt

Watertorkruid

W

W

W

7

7

7

9=

10

9=

8

7

6

5

7

4

T

T

T

Phragmitetalia Riet-orde

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Rietklasseindicatoren

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

Riet-klasse

gracilis Verbond van Scherpe zegge

ripariae Oeverzeggeassociatie

M08AB

08A Nasturtio08 Phragmitetea Glycerietalia Riet-klasse Vlotgras-orde

08AB Oenanthion aquaticae Watertorkruidverbond

M08BB04

08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde

08BB Phragmition australis Rietverbond

08BB04 TyphoPhragmitetum Riet-associatie

M08BC02

08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde

08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge

08BC02 Caricetum gracilis Associatie van Scherpe zegge

M08BC

08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde

08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge

M08B

08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde

M08AB01

08A Nasturtio08 Phragmitetea Glycerietalia Riet-klasse Vlotgras-orde

T

F

F

W

9

7

7

8=

9=

10

X

7

7

5

5

6

T

T

T

08AB Oenanthion aquaticae Watertorkruid-

08AB01 RorippoOenanthetum aquaticae Watertorkruid-

177


Rumex hydrolapathum

Rorippa nasturtiumaquaticum

Butomus umbellatus

Waterzuring

W

Witte waterkers W

Zwanenbloem

W

7

7

6

10

10

10=

7

7

X

7

7

7

T

T

T

M08BA

08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde

08BA Cicution virosae Waterscheerlingverbond

M08AA

08A Nasturtio08 Phragmitetea Glycerietalia Riet-klasse Vlotgras-orde

08AA SparganioGlycerion Vlotgras-verbond

08A Nasturtio08 Phragmitetea Glycerietalia Riet-klasse Vlotgras-orde

08AB Oenanthion aquaticae Watertorkruidverbond

M08AB02

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Rietklasseindicatoren

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam

verbond

associatie

08AB02 SagittarioSparganietum Associatie van Egelskop en Pijlkruid

178


Persicaria lapathifolia

Ranunculus sceleratus

Kluwenzuring

Rorippa palustris

Moeraskers

Bidens species

Tandzaad (G)

W

P

V

T

9

7

8

7

9=

9=

7

8=

7

X

X

X

9

6

8

8

T

T

T

T

P29AA

29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond

P29AA

29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond

P29AA04

29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond

P29AA

29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond

P29AA

29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Tandzaadklasse

Stiksind

Zuurgind

Lichtind

P

Blaartrekkende boterbloem W

Veronica anagallis- Blauwe aquatica waterereprijs

Rumex conglomeratus

Grondwtr

Ned. naam Beklierde duizendknoop

Vochtind

Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor de Tandzaadklasse Wetenschappelijke naam

Tabel 24

29AA04 Eleocharito acicularisLimoselletum Slijkgroenassociatie

T

179


Stellaria aquatica

Persicaria hydropiper

Persicaria mitis

Bidens frondosa

Veerdelig tandzaad

Watermuur

Waterpeper

Zachte duizendknoop

Zwart tandzaad

F

F

V

W

W

8

7

7

7

7

9=

8=

8=

8

8

X

X

5

6

7

8

7

8

7

8

T

T

T

T

T

Associatie

Verbond

Orde

Klasse

Socsrtgrp1

Tandzaadklasse

Stiksind

Zuurgind

Vochtind

Lichtind

Grondwtr

Ned. naam

Wetenschappelijke naam Bidens tripartita

P29AA

29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond

P29AA

29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond

P29AA01

29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond

29AA01 PolygonoBidentetum Associatie van Waterpeper en Tandzaad

P29AA01

29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond

29AA01 PolygonoBidentetum Associatie van Waterpeper en Tandzaad

P29AA

29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond

180


Tabel 25

Overzicht van de dominante, abundante en frequente soorten in opnames van 2014 en 1976

Opnamenr. 2014

Abundant in 2014

Frequent in 2014

Dominant in 1976

Abundant in 1976

Frequent in 1976

W55

Gele lis Kleefkruid Klein kroos Moeraszegge Oeverzegge Pitrus Scherpe zegge

Beekpunge Blauw glidkruid Bloedzuring Boswilg Grote kattenstaart Grote wederik Krulzuring Moeraswasltro Populier Zwarte els

Gewone glanshaver

Moerasspirea

Boerenwormkruid Braam Canadapopulier Gestreepte witbol Gele lis Gewone berenklauw Gewone hennepnetel Grasmuur Grote vossenstaart Hondsdraf krulzuring Kleefkruid Kropaar Ruw beemdgras

W53

Gele lis Scherpe zegge Oeverzegge Klein kroos

Bitterzoet Zwarte els

Gele waterkers Ruw beemdgras

Blauw glidkruid Moeras-vergeet-mij-nietje

W76

Gele lis Pitrus Scherpe boterbloem

Watermunt Moeras-vergeet-mij-nietje

Zwarte els

Eenstijlige meidoorn Grote brandnetel Gewone smeerwortel Grote vossenstaart Hennepnetel Hondsdraf Ruw beemdgras

W16

Boswilg Zwarte els Schietwilg Gele lis Moeraszegge

Bitterzoet Dagkoekoeksbloem Gewone dotterbloem Grote wederik Harig wilgenroosje Kleefkruid Moeraswalstro Reuzenpaardenstaart Riet

Canadapopulier

Bitterzoet Blauw glidkruid Grote vossenstaart Moerasspirea Ruw beemdgras Zomereik Zwarte els

181


Tabel 26

Aangepaste LSVI projectgebied

182


BIJLAGE 3. Tabel 27

OVERZICHT PERMANENTE KWADRATEN (PQ’S)

Lijst Permanente kwadraten

PQ-nr

Karteringseenheid x-coord y-coord

PQ1

grootte

datum

BWK

oriëntatie

W8 128.884 176.687

10m x 10m 18/07/2014

Va

PQ2

W12 128.911 176.711

10m x 10m 18/07/2014

Vm

PQ3

W54 128.832 177.021

3m x 3m 15/07/2013

Hc

PQ4

W53 128.791 177.017

3m x 3m 24/07/2014

Mc + Sf

PQ5

W23 128.812 176.978

3m x 3m 24/07/2014

Ae-

PQ6

W55 128.759 177.098

3m x 3m 24/07/2014

Ae-

PQ7

W96 128.519 176.888

10m x 10m 24/07/2014

Sf

PQ8

W96 128.348 176.952

10m x 10m 24/07/2014

Sf

PQ9

W66 128.318 177.191

3m x 3m 25/07/2014

Mc

PQ10

W28 128.330 177.366

10m x 10m 25/07/2014

Lh/Mr + Vm

PQ11

W61 128.305 177.447

3m x 3m 25/07/2014

Mc

PQ12

W76 128.482 177.379

3m x 3m 25/07/2014

Ae-

PQ13

W76 128.475 177.441

10m x 10m 25/07/2014

Ae- + Vm

NW hoekpunt ligt 5m ten oosten van Peilbuis 7.

PQ14

W61 128.313 177.465

3m x 3m 25/07/2014

Mc

N0-hoekpunt ligt 2m ten zuiden van peilbuis 2.

PQ15

W4 128.908 176.842

10m x 10m 18/07/2014

Va + Qa

ZO-hoek = peilbuis 33

PQ16

W44 129.050 176.774

3m x 3m 18/07/2014

Hj + Hp*

ZO-hoek ligt 1m ten noorden van peilbuis

PQ17

W96 128.505 176.876

10m x 10m 24/07/2014

Sf

PQ18

W41 129.144 176.660

3m x 3m 24/07/2014

Hp

NW-hoekpunt ligt 1m ten westen van peilbuis 35

PQ19

W53 128.816 177.002

3m x 3m 24/07/2014

Mc + Ae-

PB 32 is ZO-hoek

PQ20

W51 128.816 177.002

10m x 10m 24/07/2014

Vm + Ae-

PB 32 ligt 2m ten westen van NW-hoek

Hoekpunt NO is peilbuis 22

183


Foto-overzicht Permanente kwadraten PQ1 W8 X= 128.884

Y=176.687

10M X 10M

18/07/14

BWK: VA

184


PQ2 W12 x = 128.911 y = 176.711

10m x 10m 18/07/2014

BWK: Vm

185


PQ3 W54 X = 128.832

Y=

177.021 15/07/13 3M X 3M BWK: HC

PQ4 W53 x = 128.791

y = 177.017 24/07/14 3m x 3m

BWK: Mc + Sf

186


PQ5 W23

X=

128.812

Y

= 176.978 24/07/14 3M X 3M

PQ6 W55 x = 128.759 y = 177.098 24/07/14

BWK: AE-

3m x 3m BWK: Ae-

187


PQ7 W96

X=

128.519

Y=

176.888 24/07/14 10M X 10M BWK: SF

Hoekpunt NO is peilbuis 22

PQ8 W96

X=

128.348

Y

= 176.952 24/07/14 10M X 10M BWK: SF

PQ9 W66 x = 128.318 y = 177.191 25/07/14

3m x 3m

BWK: Mc

188


PQ10 W28

X=

128.330

Y

= 177.366 25/07/14

PQ11 W61 x = 128.305 y = 177.447

10M X 10M BWK: LH/MR + VM

25/07/14 3m x 3m BWK: Mc

189


PQ12 W76

X=

128.482

Y

= 177.379 25/07/14 3M X 3M BWK: AE-

PQ13 W76 x = 128.475 y = 177.441 25/07/14 10m x 10m BWK: Ae- + Vm NW hoekpunt ligt 5m ten oosten van Peilbuis 7.

PQ14 W61

X=

128.313

Y=

177.465 25/07/14 3M X 3M BWK: MC

N0-HOEKPUNT LIGT 2M TEN ZUIDEN VAN PEILBUIS 2.

190


PQ15 W4 x = 128.908

y = 176.842 18/07/14 10m x 10m BWK: Va + Qa

ZO-hoek = peilbuis 33

PQ16 W44

X=

129.050

Y

= 176.774 18/07/14 3M X 3M BWK: HJ + HP*

ZO-HOEK LIGT 1M TEN NOORDEN VAN PEILBUIS

PQ17 W96 x = 128.505

y = 176.876 24/07/14 10m x 10m BWK: Sf

191


PQ18 W41 X = 129.144

Y=

176.660 24/07/14 3M X 3M BWK: HP

NW-HOEKPUNT LIGT 1M TEN WESTEN VAN PEILBUIS 35

PQ19 W53 x = 128.816 y = 177.002 24/07/14 3m x 3m BWK: Mc + AePB 32 is ZO-hoek

PQ20 W51 X = 128.816

Y=

177.002 24/07/14 10M X 10M BWK: VM + AE-

PB 32 LIGT 2M TEN WESTEN VAN NW-HOEK

192


BIJLAGE 4. BESCHRIJVING VAN DE GEKARTEERDE VEGETATIES In deze bijlage worden alle gekarteerde vegetatietypes besproken. In dit onderdeel komt de Biologische waardering, een algemene beschrijving, de verschillende variaties, de overeenkomst met de N2000-typologie, de Vlaamse oppervlakte, juridische bescherming en relaties aan bod. Als bron voor deze bijlage werd gebruik gemaakt van Vriens et al. (2001) en www.ecopedia.be Referentie: V R I E N S L . , B O S C H H . , D E K N I J F G . , D E S A E G E R S . , G U E L I N C K X R . , O O S T E R L Y N C K P . , V A N H O V E M . & P A E L I N C K X D . (2011). De Biologische Waarderingskaart. Biotopen en hun verspreiding in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest . Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.M.2011.1, Brussel. ISBN 9789040303142

1.

Eutroof water

BWK codes: ae, aer, aev Waardering: Biologisch zeer waardevol, met uitzondering van ae°, k(ae°), aer en aer° die biologisch waardevol zijn. Beschrijving: Eutrofe wateren komen voor waar een hogere ionen- en nutriëntenrijkdom van nature aanwezig is, zoals in sommige rivier- of beekvalleien en polders, of waar door menselijke activiteiten eutrofiëring is opgetreden. Afhankelijk van de herkomst van het water (afstromend regenwater, grondwater, inlaatwater) kan de chemische samenstelling variëren. Over het algemeen zijn de plassen gekenmerkt door een hoge basenrijkdom. In zeer eutroof water verdwijnen wortelende planten en kunnen algen of kroos dominant aanwezig zijn. Vermits de ogenschijnlijke voedselrijkdom van een waterpartij aan de basis van de kartering ligt (zie verder onder indicatieve soorten), kan het uiterlijk aspect (grootte, diepte, gebruik) nogal variëren. Variatie: De grens tussen eutrofe wateren (ae) en poelen (kn) is gebaseerd op de omvang. Maar omdat deze grens nooit scherp gesteld is, mag dit onderscheid niet als absoluut gezien worden. Poelen liggen wel bijna altijd in graslanden, maar ook grotere plassen kunnen hierin voorkomen. Opvangbekkens voor regenwater of uitgegraven plassen bij serres (kq) zijn soms aangeduid met aer°, maar meestal worden ze niet afzonderlijk vermeld. Sloten met rijke waterplantenbegroeiing kunnen als lijnvormig element k(ae) gekarteerd zijn, maar dit is niet op stelselmatige wijze gebeurd.

Overeenkomst met indeling Europese natuur Van nature eutrofe meren met vegetaties van het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150)


Uitgebreide info Beschrijving •

Ae: voedselrijke, zoete wateren waar eventueel waterplanten- en/of oevervegetaties aanwezig zijn, worden met ae aangeduid. Het betreft onder meer turfputten, visvijvers, grotere weideplassen, brede sloten rond kastelen of oude hoeves, parkvijvers, enz. Aev: de karteringseenheid aev is voorbehouden voor de van oorsprong ‘natuurlijke’ eutrofe

plassen

zoals

oude

riviermeanders,

wielen

en

(restanten

van)

zoetwaterkreken. Wielen zijn plassen ontstaan na doorbraak van rivierdijken. Kn: veedrinkpoelen behoren tot de kleine landschapselementen en zijn gekarteerd als kn. Ap: voor grote, diepe tot zeer diepe kunstmatige plassen is de karteringseenheid ap gehanteerd. Aer: de eenheid aer staat voor recent gegraven of vergraven eutrofe wateren. Hiertoe behoren ook de vijvers met een uitgesproken onnatuurlijk aspect zoals rechthoekige vijvertjes bij vakantiehuizen; deze kunnen echter ook als ae of ae° gekarteerd zijn. Op niveau Vlaanderen is het onderscheid tussen ae, ae° en aer niet steeds op dezelfde wijze gemaakt. Binnen een afzonderlijk kaartblok is er wel een consequent onderscheid tussen ae, ae° en aer. De als ae of aer gekarteerde plassen in de duinen kunnen zowel gegraven wateren als op natuurlijke wijze ontstane (door uitstuiving tot op het grondwater) plassen zijn. De gegraven duinplassen verschillen weinig van de plassen in het binnenland, maar door de ligging op kalkrijke, voedsearme, zandige bodems en een betere waterkwaliteit worden vaker kranswieren aangetroffen. Soortenrijkere plassen met een goed ontwikkelde waterplanten- en oevervegetatie (ae*, aer*, aev*) rijk aan indicatieve soorten zijn zeldzaam in Vlaanderen. De meerderheid van de voedselrijke plassen (ae, ae°, aer) zijn geëutrofieerd, arm aan waterplanten en hebben steile, soms verstevigde oevers. Het betreft vooral vis-, sieren

recreatievijvers.

Aeuv, Uvae: wanneer ook recreatieve infrastructuur aanwezig is, wordt dit weergegeven door toevoeging van uv. Als deze recreatieve infrastructuur overheerst, staat uv vooraan in het complex. •

Oppervlakte (in ha): 5.700 à 9.000 ha

•

Zeldzaamheid: vrij zeldzaam tot vrij algemeen. Soortenrijke wateren (ae*) zijn echter veel zeldzamer.


2.

Grote zeggenvegetatie

BWK codes: mc Waardering: Grote zeggenvegetaties zijn biologisch zeer waardevol, ook zwak ontwikkelde vegetaties mc° krijgen deze waardering. Zwak ontwikkelde perceelsranden k(mc°) krijgen als waardering ‘biologisch waardevol’. Beschrijving: De karteringseenheid mc is gebruikt om grote zeggenvegetaties aan te duiden. Dit zijn dense, laagblijvende en eerder soortenarme gemeenschappen, gedomineerd door één of meerdere grote zeggensoorten. Meestal betreft het scherpe zegge, moeraszegge of oeverzegge. Variatie: Oeverzegge heeft een uitgesproken voorkeur voor de kustpolders en de westelijke Zandstreek en is minder algemeen in het oosten van Vlaanderen. De verspreiding van scherpe zegge levert net het omgekeerde beeld op. Deze distributie weerspiegelt zich bijgevolg ook in de soortensamenstelling

van

de

grote

zeggenvegetaties

doorheen

Vlaanderen.

mc° is hoofdzakelijk gebruikt voor relicten (bv. lh/mc°) en/of kleine vlekken grote zeggenvegetatie in een matrix van cultuurgraslanden (hp*+mc°). mc* is in zeer beperkte mate gebruikt om uitzonderlijke situaties te typeren. In de Leiemeersen (Oostkamp) gaat het bijvoorbeeld over een grote zeggenvegetatie met moeraskartelblad en waterdrieblad. In de Langdonken (Herselt) betreft het een erg soortenrijke grote zeggenvegetatie waarin ondermeer draadzegge aangetroffen is. Mcb zijn grote zeggenvegetaties (mc) met houtige opslag (b). Dit zijn systemen die zonder aangepast beheer zullen evolueren naar broekbossen. In de voedselarmere regio’s van Vlaanderen zijn sommige zuurdere laagveenvegetaties met blaaszegge en/of stijve zegge gekarteerd als grote zeggenvegetaties. Elders zijn ruigere delen van dotterbloemgraslanden ook met mc getypeerd vanwege een dominantie van bijvoorbeeld scherpe zegge of moeraszegge.


Uitgebreide info Beschrijving •

Grote zeggenvegetaties komen zowel voor op leem- of kleibodems, als op veenpakketten.

Relatief

grote

schommelingen

in

de

waterstand

kunnen

plaatsvinden, maar de grondwatertafel zakt in de zomer nooit meer dan enkele tientallen centimeters onder het maaiveld. Er is eveneens een langdurige inundatie nodig om het vegetatietype in stand te houden. Het voorkomen van grote zeggenvegetaties is bijgevolg beperkt tot beek- en riviervalleien. Soms komen ze voor als linten langs sloten en plassen met eutroof, zoet tot zwak brak water maar meestal

betreft

het

vlakdekkende

moerassituaties.

Grote zeggenvegetaties zijn hoogproductief en vaak is er dan ook een dikke strooisellaag aanwezig. •

Oppervlakte (in ha): 300 à 750 ha

•

Zeldzaamheid: zeer zeldzaam tot zeldzaam

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: geen Bijlage I-habitattype

•

Natuurdecreet: verbod vegetatiewijziging

•

Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden

•

Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet

Relaties •

Indicatieve soort : Oeverzegge (Carex riparia), Scherpe zegge (Carex acuta)

•

Kenmerkende

soort :

Scherpe

zegge

(Carex

acuta), Moeraszegge

(Carex

acutiformis), Oeverzegge (Carex riparia), Hoge cyperzegge (Carex pseudocyperus), Stijve zegge (Carex elata)


3. Rietland vegetaties

en

andere

Phragmition-

BWK codes: mr Waardering: Rietland is biologisch zeer waardevol. Zwak ontwikkelde vegetaties mr°, mru, mru°, k(mru) en k(mru°) krijgen als waardering ‘biologisch waardevol’. Beschrijving: De eenheid mr slaat in de eerste plaats op homogene rietlanden in of nabij waterlichamen. We treffen ze aan in relatief ondiepe delen van vijvers, plassen en grachten. Daarnaast omvat mr omvat ook soortenrijkere moerasvegetaties met dominantie van indicatieve soorten uit de rietklasse. Deze vegetaties zijn overwegend aan te treffen op (zeer) natte standplaatsen in beekvalleien. Variatie: De eenheid mr* is slechts beperkt gebruikt, voornamelijk in de Kempen en de Polders. Dikwijls is zwanenbloem hiervoor als indicatieve soort gebruikt. mr* is evenwel niet stelselmatig gebruikt, zodat gelijkaardige situaties elders onder mr kunnen vallen. In vele gevallen komt rietland als mr of mr° voor in een complex met andere kateringseenheden. De aanduiding ° kan dan ofwel betekenen dat riet verspreid aanwezig is, ofwel dat het om een riet- of liesgrasvegetatie gaat. Verruigde rietlanden waar distels, kleefkruid, grote brandnetel en/of haagwinde een hoge bedekking halen, zijn als mru (rietruigte) gekarteerd. Vochtige graslanden met plaatselijk rietgras en/of liesgras zijn vaak aangeduid met een graslandtype in combinatie met mr°. k(mr°) kan zowel op een lintvormige riet- als liesgrasvegetatie betrekking hebben als op ijle rietkragen, of op een beperkt aandeel van rietkragen in een complex. In de Polders vormen rietkragen in sloten een groot aandeel van de als rietvegetatie gekarteerde elementen. Indien deze lijnvormige rietelementen in complex voorkomen, is dit overwegend weergegeven als hpr+k(mr).


Uitgebreide info Beschrijving •

Een groot aandeel van de rietvegetaties wordt aangetroffen in sloten, beken en grachten. Vaak zijn deze dan als lineair element gekarteerd in complex met de karteringseenheid van het perceel bv. hp+k(mr). Uniforme, soortenarme vegetaties van lies- of rietgras zijn als mr° gekarteerd, ook wanneer het om verruigde, vochtige graslanden gaat. Monospecifieke vegetaties van riet zijn daarentegen gekarteerd als mr.

•

Oppervlakte (in ha): 2.100 à 4.300 ha

•

Zeldzaamheid: vrij zeldzaam

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: Slechts in uitzonderlijke gevallen is mr een Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie).

•

Natuurdecreet: verbod vegetatiewijziging

•

Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden

•

Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet

Relaties •

Kenmerkende soort : Riet (Phragmites australis), Rietgras (Phalaris arundinacea), Liesgras (Glyceria maxima), Grote lisdodde (Typha latifolia), Kleine lisdodde (Typha angustifolia), Mattenbies (Scirpus lacustris), Gele lis (Iris pseudacorus), Grote egelskop (Sparganium erectum), Zwanebloem (Butomus umbellatus), Wolfspoot (Lycopus europaeus)

•

Komt overeen met : Estuaria (1130), Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae)

(1330), Vochtige

duinvalleien

(2190), Voedselrijke

zoomvormende

ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430), Overgangsen trilveen (7140)


4.

Mesofiel hooiland

BWK codes: hu Waardering: Hu is biologisch zeer waardevol. Zwak ontwikkelde vegetaties hu°, hr/hu° en k(hu°) krijgen als waardering ‘biologisch waardevol’. Beschrijving: Het betreft meestal hooilanden, hooiweiden en wegbermvegetaties waarin hoge grassen (vaak glanshaver of grote vossenstaart) en diverse schermbloemigen en/of composieten aspectbepalend zijn. Verschillen in bodemtype, bodemvochtigheid, grondwaterafhankelijkheid, aan- of afwezigheid van kalk in de bodem, beheer… zorgen voor een grote variatie in vegetatietypen onder de eenheid hu. Variatie: De karteringseenheid herbergt een variatie aan graslandtypes en deze vertonen onderlinge verschillen naargelang de ontwikkelingsgraad en de standplaats. Er zijn daarenboven verschillende overgangen naar andere graslandtypen mogelijk. Binnen de glanshavergraslanden kunnen kalkminnende soorten voorkomen, met name op plaatsen waar kalkhoudende leem of klei dagzoomt. Omdat de kalkminnende soorten gemengd voorkomen met soorten van het glanshaververbond rekenen we zulke graslanden tot hu, al dan niet goed ontwikkeld. In het dataveld ‘info’ staat dan ‘met kalkminnende soorten’. Zwak ontwikkelde hu°-graslanden zijn niet erg soortenrijk. Regionaal heeft de aanwezigheid van glanshaver, fluitenkruid, gewone berenklauw en peen tot hu° geleid. hu* is gebruikt om bijzonder soortenrijke graslanden aan te duiden, bijvoorbeeld om percelen met karwijselie of om de aanwezigheid van herfsttijloos en gevlekte orchis weer te geven. De notatie hu* is evenwel niet stelselmatig

gebruikt.

Verruiging

kan

aangeduid

zijn

door

de

combinatie

hr/hu.

Een beperkte opslag van struiken en bomen wordt geduid als hub. De notatie hub° staat voor een zwak ontwikkelde vegetatie met opslag van bomen en struiken.

Subtypes die hieronder vallen Vossenstaartgrasland

Kalkrijke kamgraslanden

Glanshaver-hooiland

Stroomdalgraslanden

Overeenkomst met indeling Europese natuur Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) (6510)


Uitgebreide info Beschrijving •

De glanshavergraslanden zijn ruim verspreid en nemen een groot deel van gehooide wegbermen in. In goed ontwikkelde vorm zijn ze bijzonder soortenrijk, zoals blijkt uit de lange lijst indicatieve soorten. Het betreft mesofiele graslanden, die het best ontwikkeld zijn op voedselrijkere, min of meer vochtige standplaatsen. Goed ontwikkelde glanshavergraslanden komen voor op zandleem-, leem- of kleibodems. Op kalkhoudende substraten is de soortenrijkdom vaak nog hoger. Op zandige bodems komen soortenarmere varianten voor, waarin veel van de vermelde indicatieve soorten ontbreken en de verschillen met soortenrijke cultuurgraslanden (hp*) vaak klein zijn. De glanshavergraslanden zijn niet grondwaterafhankelijk. Obligate grondwaterafhankelijke plantensoorten ontbreken in dit type dan ook. Op talrijke drogere dijken bevindt de grondwatertafel zich in veel gevallen permanent op meerdere meters beneden het maaiveld. Een ander type vormen vegetaties van het grote vossenstaartverbond. Deze zijn wel grondwaterafhankelijk. Ze staan zelfs periodiek onder water. De best gekende voorbeelden

daarvan liggen in

de

IJzerbroeken

en in de

Langemeersen

(Oudenaarde). Ze worden gekenmerkt door het voorkomen van weidekervel-torkruid en weidekervel. Ze zijn als hpr*/hu aangeduid, met in het dataveld ‘info’ de vermelding ‘Alopecurion’. In de Scheldevallei zijn dergelijke vegetaties als hu+hc gekarteerd omdat beide types er in elkaar overlopen. Intermediair qua bodemvochtigheid, met soorten die zowel kenmerkend zijn voor het grote vossenstaartverbond als voor de glanshaverhooilanden, komen zeer lokaal de

grote

pimpernelgraslanden

voor.

We

spreken

hier

verder

van

glanshavergraslanden met grote pimpernel, hoewel deze naamgeving voor discussie vatbaar is. Veelal worden ze in de vegetatiekunde immers tot het grote vossenstaartverbond gerekend. Kamgrasgraslanden op kalkrijke bodem, met verscheidene kalkminnende en fosfaatmijdende soorten, vallen eveneens onder hu. Deze graslanden komen voor op taluds en hellingen in Zuidoost-Limburg en Voeren. Het graslandtype herbergt soorten van de associatie van ruige weegbree en aarddistel (Galio-Trifolietum). In het dataveld ‘info’ wordt ‘Galio-Trifolietum’ vermeld. In tegenstelling tot voorgaande types zijn het veelal begraasde graslanden. Het veelvuldig optreden van soorten als kamgras en rozetplanten als madeliefje, smalle weegbree, gewoon biggenkruid en leeuwentandsoorten hangt hiermee samen. Hoewel het hier graasweiden betreft en de overige kamgrasgraslanden als hp* gekarteerd zijn, duiden we ze als hu aan wegens de aanwezigheid van verschillende indicatieve soorten hiervoor. Bij afname van de begrazingsintensiteit nemen deze soorten overigens snel toe. We rekenen ze niet tot de kalkgraslanden (hk) wegens het feit dat er slechts enkele indicatieve


soorten van kalkgraslanden, zoals kleine pimpernel en grote centaurie, voorkomen. Het is evenwel duidelijk dat deze graslanden zich vegetatiekundig situeren tussen het kamgrasgrasland, het kalkgrasland en het glanshavergrasland. Ondanks de discussie over hun vegetatiekundige positionering zijn ze herkenbaar omwille van specifieke indicatieve soorten in combinatie met bovenvermelde rozetvormende planten. De open tot gesloten, bloemrijke droge stroomdalgraslanden langs de Maas zijn eveneens als hu gekarteerd. In het dataveld ‘info’ staat ‘stroomdalgrasland’ vermeld. Naast meer algemene graslandsoorten groeien er specifieke indicatieve soorten, vaak met een ruderaal (pioniers-) karakter. Ze komen voor op zandige oeverwallen en dijken en vereisen een hoog basengehalte. Dit laatste wordt op peil gehouden door de winterse hoge waterstanden van de Maas. Alle vermelde vegetatietypen komen meestal voor op bodems met een neutrale pH, al kunnen ze ook aangetroffen worden op zwak zure en zwak basische bodems. •

Oppervlakte (in ha): 2.900 à 4.300 ha

•

Zeldzaamheid: vrij zeldzaam


Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: hu en hu* zijn Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie), soms prioritaire habitat (indien 6120); hu° is mogelijk Bijlage I-habitattype.

•

Natuurdecreet: verbod/vergunningsplicht wijziging ‘historisch permanent grasland’

•

Mestdecreet: mestbeperking ‘niet-intensieve graslanden’

•

Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet

Relaties •

Komt overeen met : Stroomdalgraslanden, Glanshaverhooiland,Vossenstaartgrasland, Kalkrijke kamgraslanden

•

Kenmerkende soort : Glanshaver (Arrhenatherum elatius), Grote vossenstaart (Alopecurus

pratensis), Beemdkroon

(Knautia

arvensis), Beemdooievaarsbek

(Geranium pratense), Groot streepzaad (Crepis biennis), Grote bevernel (Pimpinella major), Glad walstro (Galium mollugo), Rapunzelklokje (Campanula rapunculus), Goudhaver

(Trisetum

pratensis),Knoopkruid

flavescens), Gele

(Centaurea

vulgare), Gewone

pastinaak

leeuwentand

(Leontodon

moschata), Knolsteenbreek verum), Kattedoorn

en

morgenster

(Tragopogon

jacea), Gewone

margriet

(Leucanthemum

brandpastinaak

(Pastinaca

hispidus), Muskuskaasjeskruid

(Saxifraga

(Ononis

officinalis), Weidekervel-torkruid

sativa), Ruige

granulata), Geel

spinosa), Grote (Oenanthe

walstro

pimpernel

silaifolia),

(Malva (Galium

(Sanguisorba

Weidekervel

(Silaum

silaus), Gulden sleutelbloem (Primula veris), Betonie (Stachys officinalis), Ruige leeuwentand (Leontodon hispidus), Ruige weegbree (Plantago media), Geel walstro (Galium verum), Kleine pimpernel (Sanguisorba minor), Wilde marjolein (Origanum vulgare), Aarddistel

(Cirsium

acaule), Beemdkroon

(Knautia

arvensis),

Voorjaarszegge (Carex caryophyllea), Zeegroene zegge (Carex flacca), Bevertjes (Briza media), Zachte haver (Avenula pubescens), Zachte haver (Avenula pubescens), Sikkelklaver

(Medicago

falcata),

Voorjaarsganzerik

(Potentilla

neumanniana), Echte kruisdistel (Eryngium campestre), Veldsalie (Salvia pratensis), Kaal breukkruid (Herniaria glabra), Zacht vetkruid (Sedum sexangulare), Tripmadam (Sedum reflexum), Gewone steenraket (Erysimum cheiranthoides), Heksenmelk (Euphorbia

esula), Kleine

pimpernel

(Sanguisorba

minor),

Harige

ratelaar

(Rhinanthus alectorolophus) •

Komt

overeen

met : Kalkminnend

grasland

op

dorre

zandbodem

(6120),Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) (6510)


5.

Soortenrijk permanent cultuurgrasland

BWK codes: hp*, hpr* Waardering: Hp* is biologisch waardevol Beschrijving: Deze karteringseenheden omvatten een ruime waaier aan permanente graslanden. Enerzijds betreft het in de literatuur beschreven vegetatietypen, met name kamgras-, veldgerst-, zilverschoon- en grote vossenstaartgraslanden. Anderzijds gaat het over graslanden die niet tot een specifiek vegetatietype behoren. Deze worden gekenmerkt door één of meerdere van onderstaande indicatieve soorten. Die soorten zijn dan aspectbepalend. Tenslotte horen ook gedegradeerde halfnatuurlijke graslanden -die niet als dusdanig gekarteerd zijn- tot deze eenheid. De indicatieve soorten van halfnatuurlijke graslanden ontbreken of komen hooguit in zeer beperkte mate voor. Variatie: Hoewel een aantal van de hierboven opgesomde indicatieve soorten niet te associëren zijn met welbepaalde plantengemeenschappen worden er toch enkele types hp* onderscheiden. Dit onderscheid is echter zelden rechtstreeks uit de kaarten of de databank af te leiden. Bij recent gekarteerde kaarten is vaak de dominante soort in het dataveld ‘info’ vermeld. Dit is echter niet systematisch gebeurd. Vanaf 2000 is meer en meer gebruik gemaakt van het complex hp+hp* om percelen te duiden waar de indicatieve soorten minder abundant of lokaal voorkomen. Wanneer de indicatieve soorten uitsluitend terug te vinden zijn in de perceelsranden, is dit als hp+k(hp*) genoteerd.

Subtypes die hieronder vallen Zilverschoongrasland Vossenstaartgrasland Kamgrasland


Uitgebreide info Beschrijving •

hp*-graslanden gekenmerkt door de aanwezigheid van een uitgesproken microreliëf (depressies, laantjes, verglijdingsverschijnselen, bulten) en/of meerdere grachten, sloten of greppels zijn gekarteerd als hpr*. De indicatieve soorten voor de toevoeging van de * zijn dezelfde als voor hp*. Zulke graslanden komen vooral voor in de Polders en valleien en ook op hellingen in de Leemstreek (zie hpr, weilandcomplex met veel sloten en/of microreliëf). Graslanden behorend tot het kamgrasverbond, hoewel vegetatiekundig goed gedefinieerd, hebben geen eigen karteringseenheid. Ze zijn gekarteerd als hp* of hpr*. Het betreft

matig voedselrijk beweid

grasland op klei-, leem-

en

zandleemgronden, gekenmerkt door het abundant voorkomen van kamgras. •

Graslanden behorend tot het zilverschoonverbond zijn eveneens ondergebracht bij hp*. Het betreft bijna altijd graasweiden op voedselrijke bodems, op langdurig natte standplaatsen en met een vaak sterk wisselende waterstand. Betreding en antropogene verstoringen kunnen de ontwikkeling van dit type in de hand werken. Het zilverschoontype komt voor op allerlei bodems, variërend van zand tot zware klei. In de Polders zijn ze vaak doorsneden door grachten of sloten of hebben ze een uitgesproken microreliëf, waardoor ze als hpr* gekarteerd zijn.

•

Een in het voorjaar gemakkelijk herkenbare groep hp*-graslanden zijn de pinksterbloemgraslanden. De beter ontwikkelde pinksterbloemgraslanden met soorten als moerasrolklaver, pitrus, egelboterbloem en/of hazenzegge vormen een voorbeeld

van

als

dotterbloemverbond.

hp* Komen

gekarteerde dotterbloem,

rompgemeenschappen tweerijige

zegge

van

en/of

het echte

koekoeksbloem voor, dan zijn dergelijke graslanden normaliter als hc gekarteerd. •

Grote vossenstaartgraslanden vertonen onder normale omstandigheden winterse overstromingen. De vegetatiekundig best ontwikkelde varianten worden als mesofiel hooiland (hu) gekarteerd. Het betreft graslanden met weidekervel-torkruid, weidekervel

of

grote

pimpernel.

Een

veel

grotere

oppervlakte

grote

vossenstaartgraslanden valt onder hp* en hpr*. Ze zijn vegetatiekundig moeilijk te duiden en minder herkenbaar. Ruimtelijk situeren ze zich als een (soms smalle zone) tussen de permanent vochtige dotterbloemgraslanden (hc) en de hoger gelegen mesofiele graslanden (hu). De soortensamenstelling is dan ook intermediair. Grote vossenstaart is steeds in belangrijke mate aanwezig, maar komt ook in andere plantengemeenschappen voor en is vaak ingezaaid. Pinksterbloem, reukgras, veldzuring, fioringras, veenwortel, scherpe en/of kruipende boterbloem zijn vaak opvallend aanwezig en sluiten aan bij de graslanden beschreven in de vorige paragrafen. Tweerijige zegge, scherpe zegge, echte koekoeksbloem, lidrus, rietgras


en zelfs moerasspirea wijzen op (minstens langdurige) vochtige omstandigheden en een affiniteit met de dotterbloemgraslanden. Knoopkruid, groot streepzaad en veldlathyrus komen ook frequent voor (zij het zeker niet altijd) en duiden op de overgang naar de mesofiele graslanden. Ook graslanden waarin gewoon reukgras het aspect bepaalt en veldzuring, scherpe boterbloem en in beperkte mate indicatieve soorten van het glanshaververbond voorkomen, zijn als hp* gekarteerd. Dit type is algemeen in wegbermen en komt in de (Zand)leemstreek en de Zuiderkempen vrij talrijk in landbouwhooilanden voor. Het veldgersttype komt voor op zeer natte, zware kleigronden en uitgeveende gronden in de Polders. In het binnenland is dit type geassocieerd met natte tot zeer natte rivierkleibodems. Nog meer dan kamgras is veldgerst een indicator van oude, ongescheurde graslanden gezien deze soort nooit werd ingezaaid. Gewoon timoteegras, scherpe boterbloem en knolboterbloem kunnen begeleidende hp*soorten zijn. Vermits hp*-graslanden qua syntaxonomie, beheervorm en soortensamenstelling erg heterogeen zijn, kunnen ze op eender welke bodem en onder zowel droge als natte condities

aangetroffen

worden.

Afhankelijk

van

de

standplaats

en

de

milieukarakteristieken zullen andere indicatieve soorten het aspect bepalen en zijn ze meer of minder soortenrijk. •

Oppervlakte (in ha): 43.000 à 56.000 ha waarvan hpr*: 6.200 à 8.700 ha

•

Zeldzaamheid: algemeen


Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: geen Bijlage I-habitattype

•

Natuurdecreet: verbod/vergunningsplicht wijziging ‘historisch permanent grasland’

•

Mestdecreet: mestbeperking ‘niet-intensieve graslanden’

•

Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet

Relaties •

Komt overeen met : Zilverschoongrasland, Kamgrasland, Vossenstaartgrasland

•

Kenmerkende soort : Gewoon reukgras (Anthoxanthum

odoratum), Scherpe

boterbloem

pratensis), Gewoon

(Ranunculus

acris), Pinksterbloem

(Cardamine

biggenkruid (Hypochaeris radicata), Duizendblad (Achillea millefolium), Veldzuring (Rumex acetosa), Knolboterbloem (Ranunculus bulbosus), Kamgras (Cynosurus cristatus), Veldgerst (Hordeum secalinum), Zilverschoon (Potentilla anserina), Valse voszegge (Carex cuprina), Ruige zegge (Carex hirta), Zeegroene rus (Juncus inflexus), Pijptorkruid (Oenanthe fistulosa), Aardbeiklaver (Trifolium fragiferum), Krulzuring (Rumex crispus)


6.

Soortenarm permanent cultuurgrasland

BWK codes: hp Waardering: Hp is biologisch minder waardevol. Hpriv wordt opgewaardeerd tot een ‘complex van biologisch minder waardevolle en waardevolle elementen’. Beschrijving: Het betreft soortenarme, productiegraslanden met een permanent karakter. Ze zijn in landbouwgebruik en worden vooral gebruikt voor beweiding en, in mindere mate, als hooiland. Naast een aantal grassoorten zijn hooguit een beperkt aantal algemene kruiden aanwezig. Variatie: Het betreft steeds soortenarme vegetaties, zodat er geen zwak ontwikkelde vorm onderscheiden wordt. Het soortenrijk permanent cultuurgrasland wordt besproken als een aparte karteringseenheid, met name hp*. Wanneer hp-graslanden palen aan waterlopen met goede structuurkenmerken en/of waterkwaliteit (en er niet van gescheiden zijn door wegen of dijken) staat in het dataveld ‘info’ de vermelding ‘hpriv’ (zie deel 1 § 3.2). hp-graslanden waar verspreid in het perceel of in de perceelsranden natuurwaarden voorkomen, worden besproken onder ‘Overige graslanden met verspreide biologische waarden’.


Uitgebreide info Beschrijving •

Soortenarme permanente cultuurgraslanden kunnen, mits drainage en/of bemesting, op allerlei soorten bodems en onder verschillende condities van bodemvochtigheid voorkomen.

Afhankelijk

van

de

milieuomstandigheden

varieert

de

soortensamenstelling. Op natte plaatsen zijn soorten als fioringras, geknikte vossenstaart en mannagras aspectbepalend. Op vochtige plaatsen hebben naast Engels raaigras ook grote vossenstaart en ruw beemdgras een belangrijk aandeel in de bedekking. Op vochtige tot matig droge bodems kan gestreepte witbol een dominante plaats innemen. Op matig droge tot droge bodems kan gewoon struisgras het uitzicht bepalen. Het relatief lage soortental hangt samen met een sterke menselijke beïnvloeding zoals bemesting, herbicidengebruik, ontwatering, intensieve begrazing of frequent maaien. Dit neemt niet weg dat het oude graslanden kunnen zijn. Dit is bijvoorbeeld in de Leemstreek vaak het geval. •

Oppervlakte (in ha): 105.000 à 110.000 ha

•

Zeldzaamheid: zeer algemeen

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: geen Bijlage I-habitattype

•

Natuurdecreet: zorgplicht, bijkomende uitvoeringsbesluiten kunnen van toepassing zijn (zie deel 1 § 6.3)

•

Mestdecreet: onderhevig aan de algemene bemestingsnormen, uitgezonderd voor hp-graslanden op lemige en kleiige, relatief vochtige bodems in valleien met een hoge ecologische prioriteit (hpriv). Deze vallen onder ‘mestbeperking langs waterlopen’. hpgraslanden gele

•

Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet

Relaties •

Kenmerkende soort : Fioringras (Agrostis stolonifera), Gewoon struisgras (Agrostis capillaris), Gestreepte

witbol

(Holcus

lanatus), Grote

vossenstaart

(Alopecurus

pratensis), Geknikte vossenstaart (Alopecurus geniculatus), Kruipende boterbloem (Ranunculus repens), Behaarde boterbloem (Ranunculus sardous), Grote weegbree (Plantago major), Gewone hoornbloem (Cerastium fontanum), Paardenbloem (G) (Taraxacum)


•

Aspectbepalende soort : Engels raaigras (Lolium perenne), Ruw beemdgras (Poa trivialis), Witte klaver (Trifolium repens)


7.

Moerasspirearuigte

BWK codes: hf, hfc, hft Waardering: Hf is biologisch zeer waardevol. Ook de zwak ontwikkelde vorm hf° krijgt deze waardering. Zwak ontwikkelde perceelsranden k(hf°) krijgen als waardering ‘biologisch waardevol’. Beschrijving: Hf heeft betrekking op natte ruigtes met moerasspirea, maar ook soorten van het dotterbloemgrasland (hc) of rietland (mr) kunnen aanwezig zijn. Ze komen in Vlaanderen van nature voor als zoomvegetaties langs sloten, beken of rivieren. Vlakdekkend betreft het meestal verlaten natte graslanden met dominantie van de verder vermelde indicatieve soorten. Moerasspirearuigten of relicten ervan komen vaak voor in de ondergroei van populieraanplanten. Variatie: De grens tussen zwak ontwikkelde moerasspirearuigten en sommige verruigde graslanden is vaag. Verruigde graslanden met dagkoekoeksbloem, gewone berenklauw, grote brandnetel of harig wilgenroosje zullen bij afwezigheid van indicatieve soorten eerder als verruigd grasland (hr) gekarteerd zijn. Natte, voedselrijke ruigten met harig wilgenroosje, gelegen in de uiterwaarden van de Zeeschelde en andere grote rivieren zijn aangeduid met de eenheid ku van ruderale vegetaties. Vegetaties met een hoge aanwezigheid van vochtminnende soorten zoals gewone engelwortel, gewone smeerwortel, koninginnenkruid en/of harig wilgenroosje zijn als hf° in kaart gebracht wanneer indicatieve soorten zoals moerasspirea of echte valeriaan in beperkte mate aanwezig zijn. Vegetaties met zeldzame soorten zoals blauwe knoop, karwijselie, moeraskruiskruid of waterkruiskruid zijn aangeduid

als

hf*.

Deze

aanduiding

is

evenwel

niet

stelselmatig

gebruikt.

Een beperkte opslag van struiken en bomen wordt geduid als hfb. De notatie hfb° staat voor een zwak

ontwikkelde

moerasspirearuigte

met

opslag

van

bomen

en

struiken.

Op armere bodems in de Kempen hebben de natte ruigten een andere soortensamenstelling en ontbreekt

moerasspirea

vaak. Het

betreft

verruigingsstadia

van laagveenvegetaties (kleine

zeggenvegetaties) waarin grote wederik, holpijp, hennegras, melkeppe en wilde bertram een belangrijke rol spelen. Zelfs bij afwezigheid van moerasspirea zijn ze als hf(°) gekarteerd (zie verder onder Vlaamse natuurtypen). De grens met zuur laagveen (ms) is niet scherp afgelijnd.

Overeenkomst met indeling Europese natuur Vochtige duinvalleien (2190) Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430)


Uitgebreide info Beschrijving •

In de Leemstreek, en dan vooral in het centraal en oostelijk deel, is moesdistel een kenmerkende soort van de natte ruigtes. Het voorkomen van deze soort is aangeduid als hfc. Overeenkomstig zijn elders vegetaties waarin poelruit (aspectbepalend) voorkomt, gekarteerd als hft. Deze zijn erg zeldzaam en komen vooral voor langs de Schelde, de Demer en de Nete. Moerasspirearuigten ontwikkelen zich optimaal op vochtige tot natte, (matig) voedselrijke

bodems.

Zandbodems

zijn

minder

geschikt

als

standplaats.

Optimale groeiplaatsen worden gekenmerkt door een hoge grondwaterspiegel. Tijdens de winter staan ze vaak onder water, in de zomer zakt het grondwaterpeil enkele tientallen centimeters onder het maaiveld. De typische soorten zijn dan ook allemaal grondwaterafhankelijk. •

Oppervlakte (in ha): 2.000 à 4.000 ha

•

Zeldzaamheid: vrij zeldzaam

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: mogelijk Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)

•

Natuurdecreet: verbod vegetatiewijziging

•

Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet

Relaties •

Indicatieve soort : Bosbies (Scirpus sylvaticus), Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), Gewone bistorta), Grote canescens), Kale

engelwortel

wederik jonker

(Angelica

(Lysimachia (Cirsium

sylvestris), Adderwortel

vulgaris),

Hennegras

(Polygonum

(Calamagrostis

palustre), Koninginnekruid

(Eupatorium

cannabinum), Moerasandoorn (Stachys palustris), Reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia), Moeraszegge (Carex acutiformis) •

Kenmerkende soort : Moerasspirea (Filipendula ulmaria), Poelruit (Thalictrum flavum), Echte

valeriaan

(Valeriana

repens),

Moesdistel

(Cirsium

oleraceum),

Moerasmelkdistel (Sonchus palustris), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria) •

Komt overeen met : Vochtige duinvalleien (2190), Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430)


8.

Dotterbloemgrasland

BWK codes: hc Waardering: Hc is biologisch zeer waardevol. Ook zwak ontwikkelde vegetaties hc° krijgen deze waardering. Zwak ontwikkelde perceelsranden k(hc°) krijgen als waardering ‘biologisch waardevol’. Beschrijving: Afhankelijk van de standplaats kunnen bepaalde indicatieve soorten domineren. Bij dominantie van bosbies is bij voorkeur de kartering hc gebruikt, hoewel het vaak moerassige en verruigde percelen betreft. Bosbies is immers bij uitstek een indicator van kwel en een constante hoge watertafel. Dergelijke situaties kunnen onder zowel beheerde (hc) als verruigde (hf) omstandigheden voorkomen. Hoewel veldrus een indicatieve soort is, impliceert dit niet dat door veldrus gedomineerde graslanden als hc gekarteerd zijn. De typologie hangt af van de begeleidende soorten in het grasland. Zijn deze indicatief voor dotterbloemgrasland, dan wordt de kartering hc. Betreft het soorten van vochtig schraalgrasland of zuur laagveen dan luidt de kartering hm, respectievelijk ms. Complexen van twee eenheden zijn ook mogelijk, wat wijst op overgangen tussen -of aanwezigheid van vlekken van- deze vegetatietypen. Op venige zand- of kleigronden in de West-Vlaamse polders hebben lokale kensoorten zoals waterkruiskruid, lidsteng, trosdravik en slanke waterbies tot een kartering als hc geleid. In de duinen is hc vaak gekarteerd in combinatie met vochtige duinpannen mp of duingrasland hd. Veldrus, zomprus, heelblaadjes, watermunt en waternavel zijn hier vaak aspectbepalend. De best ontwikkelde vegetaties worden getypeerd door soorten als kruipend moerasscherm, moeraszoutgras en paddenrus. Variatie: Gebrek aan beheer of minder gunstige standplaatsfactoren leiden tot verarmde dotterbloemgraslanden. Wanneer maar enkele indicatieve soorten voorkomen en/of deze gezamenlijk een lage bedekking hebben, zijn deze graslanden als hc° gekarteerd. Bij hoge aanwezigheid van soorten zoals egelboterbloem, gewone waterbies, pijptorkruid, moerasrolklaver, holpijp en watermunt zal de kartering hc° eerder als aanvullende eenheid aan een complex toegevoegd zijn. Goed ontwikkelde zilverschoongraslanden zijn –op niet systematische wijze- als complexen van hp(r)* met hc of hc° in kaart gebracht. hc*-graslanden zijn bijzonder soortenrijk en/of herbergen zeldzame soorten (orchideeën, zegges…), soms met zeer hoge bedekkingen. De BWK geeft echter geen representatief beeld van dergelijke situaties, omdat hc* niet stelselmatig aangewend is. In de Leemstreek zijn paddenrus, zeegroene zegge en addertong typisch voor dotterbloemgraslanden met mineraalrijke kwel. In een aantal gevallen betreft het overgangen naar kalkmoerassen (mk) en/of relicten van kalkrijke blauwgraslanden (hme) die door het ontbreken van voldoende kensoorten van die karteringseenheden als hc* gekarteerd zijn.


Een beperkte opslag van struiken en bomen wordt geduid als hcb. De notatie hcb° staat voor een zwak ontwikkeld dotterbloemgrasland met opslag van bomen en struiken.

Subtypes die hieronder vallen Dotterbloemgrasland

Overeenkomst met indeling Europese natuur Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae) (6410)

Vochtige duinvalleien (2190)


Uitgebreide info Beschrijving •

Oppervlakte (in ha): 1.500 à 2.900 ha

•

Zeldzaamheid: vrij zeldzaam

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: mogelijk Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)

•

Natuurdecreet: verbod/vergunningsplicht wijziging ‘historisch permanent grasland’

•

Mestdecreet: mestbeperking ‘niet-intensieve graslanden’

•

Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet

Relaties •

Komt overeen met : Dotterbloemgrasland

•

Indicatieve soort : Bosbies (Scirpus sylvaticus), Veldrus (Juncus acutiflorus),Holpijp (Equisetum

fluviatile), Moerasrolklaver

(Lotus

pedunculatus),Egelboterbloem

(Ranunculus flammula), Kale jonker (Cirsium palustre),Waterkruiskruid (Jacobaea aquatica), Watermunt

(Mentha

scorpioides), Moeraswalstro

(Galium

aquatica),Moerasvergeet-mij-nietje palustre),

Gewone

waterbies

(Myosotis (Eleocharis

palustris), Scherpe zegge (Carex acuta), Trosdravik (Bromus racemosus), Pijptorkruid (Oenanthe fistulosa) •

Kenmerkende soort : Dotterbloem (Caltha palustris), Brede orchis (Dactylorhiza fistulosa), Echte

koekoeksbloem

(Lychnis

flos-cuculi), Gevleugeld

hertshooi

(Hypericum quadrangulum), Tweerijige zegge (Carex disticha) •

Komt overeen met : Vochtige duinvalleien (2190), Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae) (6410)


9. Vochtig russen

grasland

gedomineerd

door

BWK codes: hj Waardering: Biologisch waardevol, ook hj° en k(hj°) krijgen deze waardering. Zeer soortenrijke vegetaties hj* en k(hj*) worden als ‘biologisch zeer waardevol’ gewaardeerd. Beschrijving: Deze karteringseenheid is gebruikt voor door pitrus of zeegroene rus gedomineerde vegetaties. Meestal zijn het matig voedselrijke laaggelegen permanente weilanden waarin deze soorten aspectbepalend zijn. Het dominant voorkomen ervan is vaak een gevolg van wijzigingen in de waterhuishouding of van voedselaanrijking. Wanneer er plaatselijk indicatieve soorten van andere karteringseenheden aanwezig zijn, is dit weergegeven met een complex. Van zodra de indicatieve soorten van een andere karteringseenheid het

aspect bepalen,

is geopteerd voor deze

karteringseenheid, al dan niet met toevoeging van hj. Variatie: Graslanden met zeegroene rus in de Polders waarin ook soorten als zilverschoon, aardbeiklaver of valse voszegge staan, zijn als hp* of hpr* gekarteerd, eventueel met toevoeging van hj. Ook elders zijn soortenrijke permanente cultuurgraslanden waarin pitrus het aspect bepaalt, op deze wijze gekarteerd. In de Kempen zijn pitrusvegetaties rond vennen of door pitrus verlande vennen gekarteerd als ao(m)+hj of hj/ao(m). Soms zijn deze vennen zodanig geëutrofieerd dat de kartering ae+hj of hj/ae gebruikt is. Zulke situaties wijzen op een sterke verstoring van de grondwatertafel. Eutrofe plassen met pitrus komen ook buiten de Kempen voor. Meestal staat de kartering hj° voor het verspreid of plaatselijk voorkomen van pitrus of zeegroene rus. De typering hj* is slechts sporadisch gebruikt. Het gaat dan o.a. over pitrusvegetaties waar indicatieve soorten van bijvoorbeeld zuur laagveen (ms), dotterbloemgrasland (hc) of struisgrasvegetatie op zure bodem (ha) in geringe mate aanwezig zijn. In andere gevallen betreft het soortenrijke vegetaties, soms voormalige kapvlaktes, waar indicatieve soorten van andere karteringseenheden ontbreken maar die omwille van de verscheidenheid aan soorten biologisch toch zeer waardevol zijn. De eenheid hjb staat voor hj-graslanden met struweelvorming en/of boomopslag, waarbij struiken en bomen slechts beperkt voorkomen (anders zou het bv. sz/hj of gewoonweg opslag (sz) zijn).


Uitgebreide info Beschrijving •

De eenheid hj kan ook betrekking hebben op andere door pitrus of zeegroene rus gedomineerde begroeiingen, zoals opengekapte natte struwelen, kapvlakten in bossen, uitgedroogde plassen en vennen of plagplekken. Hoewel de eenheid valt onder de groep van de graslanden, is ze gebruikt voor een breder gamma aan biotopen. Pitrusvegetaties kunnen voorkomen op een brede waaier van bodemtypen. Zeegroene rus behoort tot de basenminnende russen en verkiest kleigrond of kalkhoudend leem als standplaats. De groeiplaatsen zijn blijvend of tijdelijk onderhevig aan een hoge waterstand, waarbij een brak milieu niet uitgesloten is. Vegetaties met veldrus vallen niet onder de eenheid hj. Percelen waarin veldrus veelvuldig tot dominant voorkomt, zijn -afhankelijk van de begeleidende soorten- tot het dotterbloemgrasland (hc), zuur laagveen (ms) of vochtig schraalgrasland (hm) gerekend.

•

Oppervlakte (in ha): 800 à 1.800 ha

•

Zeldzaamheid: zeldzaam tot vrij zeldzaam

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: geen Bijlage I-habitattype

•

Natuurdecreet: verbod/vergunningsplicht wijziging ‘historisch permanent grasland’

•

Mestdecreet: mestbeperking ‘niet-intensieve graslanden’

•

Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet

Relaties •

Kenmerkende soort : Pitrus (Juncus effusus), Zeegroene rus (Juncus inflexus)


10.

Zeer soortenarm, vaak tijdelijk grasland

BWK codes: hx Waardering: Hx is biologisch minder waardevol Beschrijving: De karteringseenheid hx is voorbehouden voor zeer soortenarme, ingezaaide graslanden. Vaak betreft het tijdelijk grasland met een dominantie van één grassoort, meestal Engels of Italiaans raaigras. Ze kunnen in gebruik zijn als intensieve graasweide of onderhevig zijn aan een frequent maaibeheer. Variatie: Aangezien het meestal ingezaaide graslanden betreft, vertonen hx-graslanden geen opmerkelijke geografische verschillen. Vermits er per definitie maar een beperkt aantal soorten aangetroffen worden, zijn deze graslanden zwak ontwikkeld wat soortenrijkdom betreft. Intensief agrarische gebieden zonder opvallende biologische waarden zijn doorgaans minder in detail gekarteerd, zodat hx-graslanden daar vaak in complex met akkers (hx+b. of b.+hx, afhankelijk van het oppervlakteaandeel) gekarteerd zijn. Wisselgebruik met akkers, vaak nog binnen hetzelfde jaar, komt geregeld voor zodat het afzonderlijk karteren van akkers en soortenarme tijdelijke graslanden niet altijd zinvol is. Op kaartbladen 3-9-17, 6-14, 10-18, 19-20, 23 en 27-28-36 komen deze complexen veelvuldig voor, omdat -zeker op deze kaartbladen- de intensieve agrarische gebieden minder in detail gekarteerd zijn. Op andere kaartbladen (24, 25, 26, 30-38, 31-39, 32, 33-41 en 34-35-42) is nauwelijks gebruik gemaakt van het complex b.+hx of omgekeerd: ofwel zijn de intensieve graslanden daar strikt gescheiden van de akkers, ofwel is de grasteelt bij wisselgebruik als akker gekarteerd. Het betreft overigens kaartbladen waar het aandeel soortenarme tijdelijke graslanden lager ligt dan elders in Vlaanderen.


Uitgebreide info Beschrijving •

Door het intensieve onderhoud blijft het grasland het hele jaar door groen en is er een gesloten grasmat. Het onderscheid met het soortenarm cultuurgrasland hp is na een maaibeurt niet altijd duidelijk. Bij twijfel is het al of niet permanent karakter van de vegetatie doorslaggevend. Bij aanwezigheid van eenjarigen en ruderalen is geopteerd

voor

hx.

Deze intensieve cultuurgraslanden worden gedraineerd, geïrrigeerd of sterk bemest om tot de meest optimale productiecondities te komen. Ze zijn niet gebonden aan bepaalde bodemtypes, maar hebben de hoogste productie op matig droge tot matig natte gronden. •

Oppervlakte (in ha): 38.000 à 84.000 ha

•

Zeldzaamheid: algemeen tot zeer algemeen

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: geen Bijlage I-habitattype

•

Natuurdecreet: zorgplicht, bijkomende uitvoeringsbesluiten kunnen van toepassing zijn (zie deel 1 § 6.3)

•

Mestdecreet: onderhevig aan de algemene bemestingsnormen

•

Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet

Relaties •

Kenmerkende soort : Engels raaigras (Lolium perenne), Italiaans raaigras (Lolium multiflorum), Ruw beemdgras (Poa trivialis), Straatgras (Poa annua), Gewoon herderstasje (Capsella bursa-pastoris)


11.

Verruigd grasland

BWK codes: hr Waardering: De waardering varieert naargelang de ontwikkelingsgraad: hr is ‘biologisch waardevol’, hr° ‘biologisch minder waardevol’ en hr* ‘biologisch zeer waardevol’. Beschrijving: Allerhande verruigde graslandvegetaties zijn aangeduid met hr. Naast een relatief hoge bedekking van grasachtigen zijn meestal ook banale soorten als grote brandnetel, akkerdistel, ridderzuring en kleefkruid aanwezig. Soms betreft het zoomvormende ruigten langs bosranden, aan waterlopen, op overhoekjes, ... Monotone brandnetelruigten zijn ook vaak tot deze karteringseenheid gerekend. Variatie: Voor monotone ruigtes gedomineerd door één banale soort zoals bijvoorbeeld grote brandnetel, akkerdistel, kropaar of glanshaver, kan zowel hr als hr° gebruikt zijn. hr° in een complex zal meestal duiden op een beperkt aandeel in het complex (dus in de betekenis van weinig). Brandnetel- en distelruigten op verstoorde gronden kunnen plaatselijk als ‘ruderale ruigte’ (ku) getypeerd zijn. Het onderscheid tussen verruigd grasland (hr) en ruderale ruigte (ku) is daarom niet altijd eenduidig. Op slechts enkele kaartbladen is hr* gehanteerd voor verruigde graslanden met zeldzame soorten. Bij soortenrijke ruigten is veeleer getracht om het oorspronkelijke vegetatietype af te leiden uit eventueel aanwezige indicatieve soorten van andere karteringseenheden. Deze zijn dan gekarteerd als complex of / -verhouding.


Uitgebreide info Beschrijving •

De karteringseenheid op zich doet slechts een beperkte uitspraak over de vegetatiekundige samenstelling van de ruigte. Indien er echter indicatieve soorten van een specifiek graslandtype worden aangetroffen is hr in complex gebruikt met de overeenkomstige graslandkartering of is dit weergegeven door middel van een schuine streep. Zo is een verruigd grasland met plaatselijk elementen van een mesofiel hooiland genoteerd als hr+hu° of hr/hu°. In het laatste geval is het mesofiel hooiland nog als dusdanig herkenbaar, maar sterk verruigd. In verruigd grasland is er vaak een beperkte en ijle struweelvorming of verspreide jonge boomopslag, wat wordt aangeduid als hrb. Wanneer de verbossing verder doorgezet is over grote delen van het grasland, dan wordt dit als struweel op verruigd grasland (s./hr of s./hrb) genoteerd. Is het struweel slechts plaatselijk bedekkend dan is dit als verruigd grasland in complex met struweel geduid (hr+s. of hrb+s.). Voor

ruigtevegetaties

met

een

beperkt

aandeel

grassen

en/of

zonder

graslandverleden wordt de karteringseenheid ku gebruikt. Voorbeelden hiervan worden aangetroffen op verlaten akkers of opgespoten terreinen. De opgelijste indicatieve soorten komen hier ook vaak voor, maar worden typisch vergezeld door een hoog aandeel ruderale soorten en een lagere bedekking van de grasachtigen (zie verder bij ‘ruderale ruigte of pioniersvegetatie, ku). De karteringseenheid hr is niet gebonden aan een bepaald bodemtype. Verruigde graslanden komen voor in droge tot natte situaties en in matig tot zeer voedselrijke

•

Oppervlakte (in ha): 7.200 à 11.000 ha

•

Zeldzaamheid: vrij algemeen

omstandigheden.

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: uitzonderlijk Bijlage I-habitat (zie Natura 2000 typologie)

•

Natuurdecreet: vergunningsplicht vegetatiewijziging

•

Mestdecreet: mestbeperking ‘niet-intensieve graslanden’

•

Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet


Relaties •

Indicatieve

soort : Grote

brandnetel

(Urtica

dioica), Kleefkruid

(Galium

aparine),Akkerdistel (Cirsium arvense), Speerdistel (Cirsium vulgare), Gewone braam (Rubus fruticosus), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Gewone bereklauw (Heracleum

sphondylium), Koninginnekruid

(Eupatorium

cannabinum), Harig

wilgenroosje (Epilobium hirsutum)

12.

Opslag van allerlei aard

BWK codes: sz Waardering: Sz is biologisch waardevol Beschrijving: De karteringseenheid sz is gebruikt voor het aanduiden van spontane, houtige opslag op diverse standplaatsen. Het betreft allerhande verstruweelde en verboste situaties die door afwezigheid van indicatorsoorten van andere struweeltypen niet anders kunnen getypeerd worden. De eenheid kan zowel opslag van één enkele soort betreffen als een mengeling van soorten. Om dit aan te duiden kunnen de dominante boomsoort of boomsoorten vermeld zijn. Indien het een ruime mengeling van soorten betreft, wordt dit met gml (gemengd loofhout) aangeduid. Variatie: Er is bij sz relatief weinig onderscheid gemaakt in ontwikkelingsgraad. Om goed ontwikkelde mantelvegetaties aan te duiden is sz* gebruikt tenzij de mantel bij een bepaald bostype kon gerekend worden. De typering sz° duidt op een nog tamelijk open, ijl struweel met slechts enkele verspreide struiken of op jonge opslag.


Uitgebreide info Beschrijving •

Ook voor opslag van wilgensoorten op minder vochtige bodem is bij voorkeur de eenheid sz gebruikt. Hier ontbreken immers de indicatieve soorten van de vochtige wilgenstruwelen (so, sf). In het geval van een duidelijke aanplant is deze niet als opslag, maar wel als loofhoutaanplant n gekarteerd. Indien de oorspronkelijke (verboste) vegetatie nog herkenbaar is tussen of onder de opslag is dit zo mogelijk aangeduid met een /-verhouding. Onder dit teken komt de karteringseenheid van de oorspronkelijke vegetatie te staan.

•

Oppervlakte (in ha): 7.500 à 12.000 ha

•

Zeldzaamheid: vrij algemeen

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: geen Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)

•

Natuurdecreet: vergunningsplicht vegetatiewijziging

•

Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden

•

Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet

13.

Kapvlakte

BWK codes: se Waardering: Se is biologisch waardevol Beschrijving: Een kapvlakte (se) kan bij een recente kapping gekenmerkt worden door een vegetatieloze bodem, maar evengoed door een pioniersvegetatie van één- of tweejarigen of in een later stadium een ruigte of jong struweel. Dergelijke jonge struwelen worden evenwel bij voorkeur getypeerd door een combinatie met de karteringseenheid voor het betreffende bostype of met allerlei opslag (sz). Variatie: Indien

de

oorspronkelijke

vegetatie

nog

herkenbaar

is,

of

indien

er

op

het

kapvlaktestruweel evolutie is naar een andere eenheid kan dit weergegeven zijn. Het complex krijgt dan de waardering van de oorspronkelijke vegetatie. Zo staat bv. qa°/se voor een kapvlakte binnen een eiken-haagbeukenbos waar de typische kruidlaag nog aanwezig is (al dan niet na hervestiging of aanplant van jonge bomen). De wijze waarop dit is weergegeven is echter erg verschillend van kaartblok tot kaartblok. Zo kunnen KE/se, se/KE en se + KE als synoniem van elkaar geïnterpreteerd


worden. De karteringseenheden se° en se* zijn slechts uitzonderlijk gebruikt. Met se° is dan de afwezigheid van vegetatie aangeduid en met se* de aanwezigheid van een zeer waardevolle kruidlaag of zeldzame soorten. Veelal zijn zulke situaties echter gewoon als se geduid.

Uitgebreide info Beschrijving •

Veel kapvlaktes op de kaarten betreffen gekapte populierenaanplanten. In het geval van gekapte aanplanten op niet-boslocaties is de kartering vaak aangevuld met een karteringseenheid die betrekking heeft op een ruigte-, moeras– of graslandtype. Kapvlaktes vormen steeds een tijdelijke situatie en de kartering zal dan ook snel achterhaald zijn.

•

Oppervlakte (in ha): 950 à 1500 ha

•

Zeldzaamheid: zeldzaam tot vrij zeldzaam

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: mogelijk Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)

•

Natuurdecreet: vergunningsplicht vegetatiewijziging

•

Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden

•

Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet

Relaties Kenmerkende angustifolium)

soort : Vingerhoedskruid

(Digitalis

purpurea), Wilgenroosje

(Chamerion


14. Vochtig wilgenstruweel op voedselrijke bodem BWK codes: sf Waardering: Sf is biologisch zeer waardevol Beschrijving: Onder sf beschouwen we alle natte tot vochtige voedselrijke struwelen gedomineerd door wilgen. Ze worden gekarakteriseerd door een jaarrond hoge grondwatertafel, in de winter vaak tot boven het maaiveld. De kruidlaag van als sf gekarteerde struwelen bestaat uit moerasplanten en is meestal

vrij

soortenarm.

Soms

zijn

de

struwelen

(deels)

vegetatieloos.

De best ontwikkelde voorbeelden vinden we terug in de uiterwaarden en op natte tot zeer natte alluviale bodems waar de wilgenstruwelen frequent tot minder frequent overstromen. Variatie: De typering sf° staat meestal voor een beperkt oppervlakteaandeel binnen een complex. Deze notatie kan ook duiden op een nog jong ijl pioniersstruweel, al dan niet doorschietend na kapping. De eenheid sf° is ook gebruikt om opslag van wilgen langs de (verharde) oevers van rivieren en kanalen weer te geven.

Subtypes die hieronder vallen Wilgenvloedbos met Reuzenbalsemien en Bittere veldkers (Bostype B)

Overeenkomst met indeling Europese natuur Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0) Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale kustgebied (2180)


Uitgebreide info Beschrijving •

Smalbladige wilgenstruwelen gelegen in de getijdenzone van grote rivieren kunnen beschouwd worden als een aparte variant. Dit type is terug te vinden langs de Zeeschelde en haar getijgebonden zijrivieren. Schietwilg, amandelwilg, Duitse dot, katwilg en vooral de kruising tussen amandelwilg en katwilg (Salix x mollissima) kenmerken de boom- en struiklaag. Reuzenbalsemien, bittere veldkers, bitterzoet, ruw beemdgras, haagwinde en de zeldzame spindotterbloem (kenmerkende ondersoort van het zoetwatergetijdengebieden), vormen de meest typerende taxa in de kruidlaag. Deze wilgenvloedstruwelen staan onder invloed van getij. Vooral tijdens springtijperiodes hebben ze een hoge grondwatertafel en overspoelen ze geregeld. Dit in tegenstelling tot de wilgenbroekbossen van de niet door getij beïnvloede standplaatsen die het hele jaar een hoge grondwatertafel kennen. De binnendijks gelegen struwelen worden meestal gedomineerd door breedbladige wilgensoorten zoals grauwe wilg, boswilg of geoorde wilg. Aanwezigheid van deze laatste soort markeert de overgang naar de voedselarmere wilgenstruwelen (so). De eenheid sf is niet gebruikt voor nog in bedrijf zijnde grienden (wissenteelt). Deze zijn als kq+sal gekarteerd, met in het veld info de vermelding ‘grienden’. Aanplanten van hoogopgaande wilgenbomen en verlaten of extensief beheerde opgeschoten grienden zonder moerasondergroei zijn als n+sal in kaart gebracht. Wanneer oude, verlaten structuurrijke grienden indicatieve soorten van de eenheid bevatten, worden

ze

wel

als

sf

gekarteerd.

Ook in de kustduinen is (hoogopgaand) wilgenstruweel met overwegend een moerasondergroei als sf gekarteerd. Grauwe wilg is hier de aspectbepalende boomsoort. •

Oppervlakte (in ha): 1.700 à 3.000 ha

•

Zeldzaamheid: vrij zeldzaam

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: mogelijk (prioritair) Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)

•

Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden

•

Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet

Relaties


•

Komt overeen met : Wilgenvloedbos met Reuzenbalsemien en Bittere veldkers (Bostype B)

•

Kenmerkende soort : Boswilg (Salix caprea), Grauwe wilg (Salix cinerea), Duitse dot (Salix dasyclados), Katwilg (Salix viminalis), Kraakwilg (Salix fragilis), Schietwilg (Salix alba), Amandelwilg (Salix triandra), Amandelwilg x Katwilg (Salix x mollissima), Dotterbloem

(Caltha palustris), Spindotterbloem (Caltha palustris

subspecies araneosa), Hop (Humulus lupulus), Gele lis (Iris pseudacorus), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria) •

Komt overeen met : Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale kustgebied (2180), Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (AlnoPadion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0)

15.

Eiken-haagbeukenbos

BWK codes: qa Waardering: Qa is biologisch zeer waardevol Beschrijving: Eiken-haagbeukenbos komt voor op (matig) voedselrijke leem- en zandleemgronden. Deze bossen met rijke kruidlaag komen voor op valleibodems grenzend aan beekbegeleidende bostypes, maar ook op hellingen en plateaus met een hangwatertafel. De vochttoestand kan sterk wisselen gedurende het jaar en varieert van vochtig tot vrij droog. Variatie: De soortenarme variant van het eiken-haagbeukenbos, die op wat zuurdere leembodems voorkomt is buiten het voorjaar moeilijk te onderscheiden van het zuur eikenbos (qs). Met qa° worden naast kapvlaktes of heraanplanten in bestaand oud bos, ook soortenarmere situaties bedoeld. Een deel hiervan betreft echter volwaardige voorbeelden van een variant van het eikenhaagbeukenbos, die op wat zuurdere leembodems voorkomt. qa* duidt op een goed ontwikkelde vorm wat voornamelijk betrekking heeft op de kruidlaag en het voorkomen van zeldzamere soorten zoals zwartblauwe en witte rapunzel, daslook, wrangwortel en/of heelkruid. In enkele gevallen kan qa* ook gebruikt zijn om structuurrijke bossen met veel dood hout aan te duiden. De uiterst zeldzame variant van het eiken-haagbeukenbos met orchideeën als mannetjesorchis is eveneens met qa* aangeduid. Indien de boomlaag gekenmerkt en gedomineerd wordt door de inplant van populier en indien er andere boom- of struiksoorten aanwezig zijn, wordt dit qa+pop. Hieronder vallen ook die bossen met inplant van populier die gekenmerkt worden door een slecht ontwikkelde struik- en boometage op voorwaarde

dat

de

indicatieve

soorten

in

de

kruidlaag

talrijk

aanwezig

zijn.

Onder de eenheid lh/qa beschouwen we die bosjes waarvan de boomlaag gekenmerkt en gedomineerd wordt door populier. De struiklaag is slechts matig ontwikkeld en bestaat soms enkel uit


gewone vlier en hier en daar een meidoorn. De indicatieve soorten komen in de kruidlaag verspreid voor. Deze notatie is ook gebruikt voor bossen waar de indicatieve soorten in de kruidlaag weinig divers zijn of maar een geringe bedekking hebben. Onder de eenheid lh/qa° verstaan we bossen die eveneens een eerder soortenarme boom- en struiklaag hebben en waarbij het aantal indicatieve soorten in de kruidlaag weinig soortenrijk is, of enkel vleksgewijs voorkomt.

Subtypes die hieronder vallen Essen-Eikenbos met Bosgierstgras en Witte klaverzuring (Bostype G4) Essen-Eikenbos met Gewone salomonszegel en Wilde kamperfoelie (Bostype G3) Essen-Elzenbos met Gevlekte aronskelk (Bostype D6)

Overeenkomst met indeling Europese natuur Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum (9130) Sub-Atlantische en Midden-Europese Wintereikenbossen of Eiken- Haagbeukenbossen behorend tot het Carpinion betuli (9160)


Uitgebreide info Beschrijving •

De boomlaag bestaat voornamelijk uit zomereik, es, esdoorn, zoete kers en haagbeuk. Plaatselijk is er soms populier aangeplant. De kruidlaag kan zeer soortenrijk zijn en wordt gekenmerkt door een uitbundige voorjaarsbloei. De meeste soorten in de kruidlaag zijn indicatief voor bossen met een lange bosconstantie, en worden dan ook vaak aangeduid met de term ‘oud-bosplanten’.

•

Oppervlakte (in ha): 3.000 à 4.400 ha

•

Zeldzaamheid: vrij zeldzaam

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)

•

Natuurdecreet: vergunningsplicht vegetatiewijziging

•

Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden

•

Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet

Relaties •

Komt overeen met : Essen-Eikenbos met Bosgierstgras en Witte klaverzuring (Bostype G4), Essen-Eikenbos met Gewone salomonszegel en Wilde kamperfoelie (Bostype G3), Essen-Elzenbos met Gevlekte aronskelk (Bostype D6)

•

Kenmerkende

soort : Bosanemoon

(Anemone

nemorosa), Gele

dovenetel

(Lamium galeobdolon), Gevlekte aronskelk (Arum maculatum), Boszegge (Carex sylvatica),

Bosbingelkruid

(Mercurialis

perennis), Kleine

maagdenpalm

(Vinca

minor),Donkersporig bosviooltje (Viola reichenbachiana), Bleeksporig bosviooltje (Viola riviniana) •

Komt overeen met : Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum (9130), SubAtlantische en Midden-Europese Wintereikenbossen of Eiken- Haagbeukenbossen behorend tot het Carpinion betuli (9160)


16.

Elzenbroek

BWK codes: vm Waardering: Vm is biologisch zeer waardevol Beschrijving: Elzenbroekbossen zijn gebonden aan moerasgebieden met (matig) voedselrijk water. Deze bossen worden gekenmerkt door een permanent hoge grondwaterstand (aan of kort bij het maaiveld) en beperkte grondwaterstandschommelingen. Vooral soorten die gebonden zijn aan deze permanent hoge grondwaterstanden zijn indicatief voor dit bostype. Variatie: Het onderscheid met het nitrofiel alluviaal elzenbos (vn) is niet altijd evident. Het is vooral de jaarrond vrijwel hoge waterstand en het voorkomen van verschillende indicatieve soorten die tot het gebruik van de eenheid vm leiden. Op verschillende plaatsen komt het elzenbroek (vm) voor in overgang naar nitrofiel alluviaal elzenbos (vn). Natte elzenbossen met maar weinig of geen indicatieve soorten zijn soms als vm° of als vn getypeerd. Voor jonge broekbossen in de Kempen is zowel vm° als vn gebruikt. Deze jonge broekbossen ontstonden door successie en relatief recente verbossing van zeggenmoerassen en zeer natte valleigraslanden. De eenheid vm* is gebruikt voor zeer mooi ontwikkelde situaties, ofwel gekenmerkt door een hoge bedekking van indicatieve soorten ofwel door de aanwezigheid van verschillende indicatieve soorten en een structuurrijke boom- en struiklaag en de aanwezigheid van veel dik dood hout, zowel staand als liggend.

Subtypes die hieronder vallen Elzenbroekbos met Melkeppe en Wateraardbei (Bostype C2) Elzenbroekbos met Hop en Moerasspirea (Bostype C3) Elzenbroekbos met Pluimzegge en Moerasvaren (Bostype C1)

Overeenkomst met indeling Europese natuur Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0)


Uitgebreide info Beschrijving •

Plaatselijk kunnen delen van het elzenbroek ook tijdens het groeiseizoen onder water staan, zodat een kruidlaag ontbreekt. Dit type bossen komt voornamelijk voor op venige bodems zowel in beekvalleien als in laagveengebieden. De boomlaag wordt gedomineerd door zwarte els, plaatselijk soms vergezeld door zachte berk. De boomlaag is in zeer natte omstandigheden meestal erg ijl. In de struiklaag komen vaak geoorde en grauwe wilg voor.

•

Oppervlakte (in ha): 1.900 à 3.000 ha

•

Zeldzaamheid: vrij zeldzaam

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: prioritair Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)

•

Natuurdecreet: verbod vegetatiewijziging

•

Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden

•

Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet

Relaties •

Komt

overeen

met : Elzenbroekbos

met

Hop

en

Moerasspirea

(Bostype

C3),Elzenbroekbos met Melkeppe en Wateraardbei (Bostype C2), Elzenbroekbos met Pluimzegge en Moerasvaren (Bostype C1) •

Kenmerkende

soort :

Elzenzegge

canescens),Moerasvaren

(Thelypteris

galericulata),Waterzuring

(Rumex

(Carex

elongata), Zompzegge

palustris), Blauw hydrolapathum),

glidkruid Stijve

(Carex

(Scutellaria

zegge

(Carex

elata), Snavelzegge (Carex rostrata), Slangenwortel (Calla palustris), Koningsvaren (Osmunda

regalis),Gele

lis

(Iris

pseudacorus), Moerasviooltje

(Viola

palustris), Wolfspoot (Lycopus europaeus), Bitterzoet (Solanum dulcamara), Melkeppe (Peucedanum palustre),

palustre),Holpijp

Waterviolier

(Hottonia

(Equisetum

fluviatile), Moeraswalstro

palustris), Moeraszegge

(Carex

(Galium

acutiformis),

Hennegras (Calamagrostis canescens), Pluimzegge (Carex paniculata), Oeverzegge (Carex riparia) •

Komt overeen met : Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0)


17.

Alluviaal elzen-essenbos

BWK codes: va Waardering: Va is biologisch zeer waardevol Beschrijving: De eenheid va staat voor alluviale bossen met uitbundige voorjaarsbloei van kruidachtige bosplanten. Dit bostype vinden we vooral op zware rijke bodems, zowel op colluviale leembodems als allerhande alluviale gronden. Daarbuiten komt het ook voor op zandlemige bodem. In dit laatste geval is de kruidlaag vaak minder soortenrijk en beperkt tot een paar algemene soorten, die wel talrijk aanwezig kunnen zijn. Buiten bosverband manifesteert deze eenheid zich in houtkanten of andere houtige begroeiingen langs bronbeken en bovenlopen van beken. Variatie: In de westelijke Leemstreek is het onderscheid tussen va, va+pop, lh/va en lh/va° gemaakt op basis van de soortenrijkdom van de kruidlaag. Indien de boom- of struiklaag bestaat uit zwarte els en/of es, al dan niet met inplant van populier, en de kruidlaag een duidelijk voorjaarsaspect vertoont met onder meer bosanemoon, gele dovenetel, slanke sleutelbloem, muskuskruid en (minder frequent) daslook, dan wordt dit getypeerd als va. Indien de boomlaag gekenmerkt en gedomineerd wordt door de inplant van populier, dan wordt dit gekarteerd als va+pop. Mits een goed ontwikkelde kruidlaag kan de boomlaag zelfs uitsluitend uit populier bestaan. Dit wordt dan weergegeven als va+pop. Indien reeds een struiklaag aanwezig is, kan zowel va+pop als va gebruikt zijn. Onder de eenheid lh/va beschouwen we die populierenbosjes die een minder goed ontwikkelde en diverse kruidlaag van va-bossen bezitten, met ondermeer slanke sleutelbloem, gevlekte aronskelk, muskuskruid en speenkruid en occasioneel voorkomen van bosanemoon. Meer karakteristieke soorten als daslook, eenbes en tapijten van bosanemoon ontbreken. In een aantal gevallen komt in deze populierenbosjes in de kruidlaag enkel maar speenkruid, muskuskruid, geel nagelkruid en een weinig slanke sleutelbloem voor. Dergelijke percelen zijn getypeerd als lh/va°. Buiten de westelijke Leemstreek is het onderscheid gemaakt op basis de aanwezige boom- en struiklaag, dus louter op bosbouwkundige criteria en niet op basis van de kruidlaag. Hierbij staat va+pop dan voor een alluviaal elzen-essenbos met een goed ontwikkelde boomlaag van zwarte els en/of es en met inplant van populier. Indien de indicatieve soorten wel talrijk aanwezig zijn en behalve populier weinig of geen andere soorten in de struik- en boomlaag aanwezig zijn of slechts occasioneel voorkomen, is dit getypeerd als lh/va. De eenheid va* is slechts heel beperkt toegekend. Bijna steeds betreft het bossen die gekenmerkt worden door het uitbundig voorkomen van algemene, indicatieve soorten aangevuld met nog verschillende zeldzamere soorten als heelkruid, eenbes en bosorchis. In een aantal gevallen is deze


notatie ook gebruikt voor stukken bos die gekenmerkt worden door een structuurrijke boom- en struiklaag en de aanwezigheid van veel dik dood hout, zowel staand als liggend.

Subtypes die hieronder vallen Essen-Elzenbos met Bloedzuring (Bostype D5) Iepen-Essenbos met Aalbes en Groot heksenkruid (Bostype E1)

Overeenkomst met indeling Europese natuur Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0)


Uitgebreide info Beschrijving •

De standplaats is matig vochtig tot matig nat. Overstromingen komen slechts in beperkte mate voor, vooral dan tijdens de wintermaanden en zijn steeds van korte duur. Tijdens het voorjaar is de bodem vochtig, zonder evenwel nat te zijn. Onder natte omstandigheden komen overgangen voor naar nitrofiel alluviaal elzenbos (vn) of naar elzenbroek (vm). De boom- en struiklaag bestaat meestal uit zwarte en witte els, es, hazelaar en plaatselijk een aantal wilgensoorten. Op veel plaatsen zijn deze bossen ingeplant met populier, zodat dit nu vaak de aspectbepalende boomsoort is. Veel van deze bossen werden in het verleden beheerd als hakhout. Hierbij werd volgens een cyclisch beheer, meestal een periode van 10 jaar, een deel van de bomen afgezet waardoor hakhoutstoven of –stobben ontstonden.

•

Oppervlakte (in ha): 2.400 à 3.700 ha

•

Zeldzaamheid: vrij zeldzaam

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: prioritair Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)

•

Natuurdecreet: vergunningsplicht vegetatiewijziging

•

Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden

•

Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet

Relaties •

Komt overeen met : Iepen-Essenbos met Aalbes en Groot heksenkruid (Bostype E1),Essen-Elzenbos met Bloedzuring (Bostype D5)

•

Kenmerkende soort : Bosanemoon (Anemone nemorosa), Muskuskruid (Adoxa moschatellina), Gele

dovenetel

(Lamium

galeobdolon), Slanke

sleutelbloem

(Primula elatior), Speenkruid (Ranunculus ficaria), Gevlekte aronskelk (Arum maculatum), Eenbes (Paris quadrifolia), Aalbes (Ribes rubrum), Bosbingelkruid (Mercurialis perennis), Boszegge (Carex sylvatica), Boswederik (Lysimachia nemorum), Daslook (Allium ursinum), Geel nagelkruid (Geum urbanum), Kleine maagdenpalm (Vinca minor) •

Komt overeen met : Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior


(Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0)

18.

Nitrofiel alluviaal elzenbos

BWK codes: vn Waardering: Vn is biologisch zeer waardevol Beschrijving: Vn staat voor nitrofiel alluviaal elzenbos. Het betreft bossen op voedselrijke bodem, vaak op alluviale gronden maar dit is niet noodzakelijk. De standplaats is meestal vrij vochtig tot nat. De boom- en struiklaag bestaan doorgaans uit zwarte els, es en een aantal wilgensoorten. Op veel plaatsen zijn deze bossen ingeplant met populier, zodat dit vaak de aspectbepalende boomsoort is. Deze eenheid dient ruim geïnterpreteerd te worden en omvat verschillende bostypes die niet altijd even strikt af te lijnen zijn, en in sommige gevallen zelfs met een andere karteringseenheid worden weergegeven. Variatie: De eenheid lh/vn staat voor populierenbossen waar reeds een duidelijke jonge boomlaag en/of goede struiklaag aanwezig is van es en els. In een aantal regio’s staat deze eenheid echter ook voor natte populierenbossen, met weinig of geen soorten in de boom- of struiklaag. In dat geval bevat de kruidlaag veel vochtminnende soorten als dotterbloem, moerasspirea, scherpe zegge, gele lis, moeraszegge (type I van hierboven). Meestal zijn dergelijke situaties getypeerd als lh/hf. De eenheid vn* is slechts heel uitzonderlijk gebruikt voor delen van bos die gekenmerkt worden door een structuurrijke boom- en struiklaag en de aanwezigheid van veel dik dood hout, zowel staand als liggend. Daar een kartering als vn niet eenduidig bepaald kan worden uit de kruidlaag, is het strikt noodzakelijk dat de boom- en struiklaag van elzen en essen voldoende goed ontwikkeld zijn. In tal van populierenbossen zijn de eerder opgesomde kruid-soorten ook aanwezig maar ontbreekt een echte boom- of struiklaag, die niet uit populier is samengesteld. Hier is geopteerd voor een kartering als lhi of lhb indien vooral ruigtesoorten in de ondergroei domineren, al dan niet met wat boomopslag. Wanneer de ondergroei gedomineerd wordt door soorten die kenmerkend zijn voor natte standplaatsen zoals moerasspirea, moesdistel, gele lis, scherpe zegge of kale jonker, is de kartering lh/hf gebruikt.

Subtypes die hieronder vallen Essen-Elzenbos met Moerasspirea (Bostype D1) Essen-Elzenbos met Gewone braam (Bostype D3) Iepen-Essenbos met Aalbes en Groot heksenkruid (Bostype E1) Essen-Elzenbos met Grote brandnetel (Bostype D2)

Overeenkomst met indeling Europese natuur


Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0)


Uitgebreide info Beschrijving •

Hieronder

geven

we

een

overzicht

waarvoor

vn

gebruikt

is.

Een eerste type is de vrij natte variant die vooral beek- en rivierbegeleidend voorkomt en gekenmerkt wordt door soorten van moerasspirearuigte (hf) of van grote zeggenvegetatie (mc). Overstromingen komen regelmatig voor, vooral tijdens de wintermaanden. De kruidlaag bevat dan ook tal van vochtminnende soorten als dotterbloem, moerasspirea, moesdistel, oeverzegge, scherpe zegge en gele lis. Een tweede type is een vrij ruig type, waar echte bossoorten ontbreken en dat gedomineerd wordt door stikstofminnende en ruigtekruiden als grote brandnetel, kleefkruid en hondsdraf. Dit type komt op voedselrijke bodem voor, maar is niet echt nat te noemen. Het derde type, dat sterk aanleunt bij het vorige, is eveneens een vrij ruig bostype dat echter gedomineerd wordt door braam en stekelvarens. Het komt voor op iets drogere gronden en is bijgevolg vooral te vinden op zand- en zandleembodems. De dominantie van braam is vaak het gevolg van verdroging. Regionaal kan dit een verdroogd elzenbroek (vm) zijn. Plaatselijk in Noord-Limburg is zomereik de dominante boomsoort en wordt dit soms weergegeven in complex met zuur eikenbos

(qs,

zie

verder

bij

de

bespreking

van

deze

eenheid).

Een vierde type wordt gekenmerkt door een rijke kruidlaag met daarin ondermeer aalbes, robertskruid, geel nagelkruid, dagkoekoeksbloem, groot heksenkruid en dauwbraam naast tal van stikstofminnende planten als grote brandnetel, hondsdraf en kleefkruid. Dit type vormt de overgang naar alluviaal elzen-essenbos (va) en beiden worden dan ook vaak samen als complex gekarteerd. Het onderscheid met alluviaal elzen-essenbos (va) is gebaseerd op het grotendeels of geheel ontbreken van soorten die indicatief hiervoor zijn. Daar verschillende van deze types gekenmerkt worden door vrij algemene, ruigtesoorten en/of door soorten van vochtige standplaatsen die bijvoorbeeld ook in niet bosvegetaties als moerasspirearuigten terug te vinden zijn, is het noodzakelijk dat de boomlaag van elzen en essen voldoende ontwikkeld is om van vn te spreken. Veel van deze bossen zijn relatief jong, enkele decennia oud, en komen voort uit voormalig grasland, al dan niet spontaan verbost. •

Oppervlakte (in ha): 2.500 à 4.000 ha

•

Zeldzaamheid: vrij zeldzaam

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: prioritair Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)

•

Natuurdecreet: vergunningsplicht vegetatiewijziging


•

Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden

•

Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet

Relaties •

Komt overeen met : Iepen-Essenbos met Aalbes en Groot heksenkruid (Bostype E1),Essen-Elzenbos met Gewone braam (Bostype D3), Essen-Elzenbos met Grote brandnetel (Bostype D2), Essen-Elzenbos met Moerasspirea (Bostype D1)

•

Komt overeen met : Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0)

19.

Populierenbestand

BWK codes: lhi, lhb, lsi, lsb, lsh Waardering: L is minimaal ‘biologisch waardevol’. Indien onder populier een grasland, moeras of bepaald bostype aanwezig is, leidt dit tot een waardering die bepaald wordt door het aanwezige type in de ondergroei. Uitzondering hierop zijn de notaties lh/vn° en lh/qs°, die als ‘complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen’ geëvalueerd worden. Bij deze karteringen is het verschil met lhb en lsb vaak zeer gering tot onbestaande. Verder kan de waardering nooit minder zijn dan ‘biologisch waardevol’, ook als de ondergroei bv. bestaat uit een akker (l./b.) of soortenarm permanent grasland (l./hp) blijft de waardering ‘biologisch waardevol’. Beschrijving: Onder de eenheden lhi, lhb, lsi, lsb en lsh worden allerlei populierenbestanden begrepen. Dit kan zowel om recente, nieuwe aanplanten als om populierenbestanden in bestaand bos gaan. Variatie: De toevoeging ° is enkel gebruikt om jonge bestanden weer te geven, meestal onder de vorm van l.°/grasland. Een kartering als lhi, lhb, lsh, lsi of lsb impliceert immers dat er een ruderale of weinig kenmerkende ondergroei aanwezig is. De toevoeging van een * wijst in vele gevallen op het voorkomen van maretak. Zwak ontwikkelde halfnatuurlijke graslandvegetaties of zwak ontwikkelde bosvegetaties in ondergroei krijgen een ° bij de betreffende karteringseenheid, bijvoorbeeld lh/hf° voor een populierenaanplant met een matig ontwikkelde moerasspi-rearuigte in de ondergroei.

Subtypes die hieronder vallen Essen-Elzenbos met Moerasspirea (Bostype D1) Essen-Elzenbos met Grote brandnetel (Bostype D2)


Uitgebreide info Beschrijving •

Een eerste grote indeling wordt gemaakt tussen bestanden die eerder op (vrij) droge bodem zijn te vinden (ls.), en bestanden die eerder op (vrij) vochtige bodem (lh.) voorkomen. Het onderscheid hiertussen wordt gemaakt op basis van de aanwezige soorten in de kruid- en struiklaag. Populierenbestanden met soorten typisch voor moeras- en vochtige vegetaties zijn getypeerd als lh.. Als de ondergroei bestaat uit soorten kenmerkend voor droge vegetaties, wordt dit ls. Soorten die eerder in matig vochtige tot matig droge vegetatietypes zijn te vinden, zijn meestal weergegeven als lh. Een verdere indeling is vooral gebaseerd op de soorten en de structuur in de ondergroei. Indien deze uit een kruidige of ruigtevegetatie bestaat, wordt dit weergegeven als lsi of lhi. Indien in de ondergroei al verspreide opslag of aanplant van bomen en struiken aanwezig is, wordt dit respectievelijk lhb voor de vochtige bestanden en lsb voor de eerder droge bestanden. De eenheid lsh staat voor een grazige ondergroei op (vrij) droge bodem. Veel van de bestanden met populieren vinden we terug op voormalig grasland, moeras of ander biotooptype. Indien dit type nog te herkennen is in de ondergroei wordt dit zoveel mogelijk weergegeven. In dergelijk geval wordt er gebruik gemaakt van de /-verhouding. Wegens het achterwege blijven van beheer evolueerden bijvoorbeeld heel wat dotterbloemgraslanden waarin populier werd aangeplant naar een moerasspirearuigte (lh/hf of hf+pop). In dat geval is steeds het waargenomen vegetatietype vermeld. Inplant van populier vinden we ook vaak terug in ‘oud bos’. Meestal is de aanwezige kruidlaag van deze oude bossen nog als dusdanig te herkennen en bepalend voor de kartering, ook als de boomlaag bijna uitsluitend uit populier bestaat. Veelal is er dan voor gekozen om eerst het bostype te vermelden, bv. va of qa gevolgd door het boomsymbool voor populier pop, maar dit is zeker niet overal zo toegepast, waardoor in beide voorbeelden de eenheden lhb/va of lhb/qa als synoniem kunnen gelden voor va+pop of qa+pop. En tenslotte evolueerden heel wat oudere populierenbossen naar een echt bostype, zeker als ze grenzen aan oud bos of als ze in een vallei gelegen zijn.

•

Oppervlakte (in ha): 15.000 à 19.000 ha

•

Zeldzaamheid: algemeen


Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: enkel Bijlage I-habitattype indien het vegetatietype in de ondergroei een habitattype is, zie Natura 2000 typologie

•

Natuurdecreet: vergunningsplicht vegetatiewijziging

•

Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden, bij l./graslandtype gelden andere regels, zie hiervoor bij het betreffende graslandtype.

•

Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet

Relaties •

Komt overeen met : Essen-Elzenbos met Grote brandnetel (Bostype D2), EssenElzenbos met Moerasspirea (Bostype D1)

•

Kenmerkende soort : Canadapopulier (Populus canadensis)

20.

Bomenrij, houtkant, houtwal

BWK codes: kb, kh, kh(biotoop), khw Waardering: Normaal (kh) tot goed ontwikkelde (kh*) hagen, houtkanten en houtwallen zijn ‘biologisch zeer waardevol’. Bomenrijen (kb, kb*) en minder goed ontwikkelde hagen, houtkanten en houtwallen (kh°, khw°) worden als ‘biologisch waardevol’ geëvalueerd. Zwak ontwikkelde bomenrijen (kb°) worden als ‘biologisch minder waardevol’ gewaardeerd. kh(biotoop) is altijd ‘biologisch zeer waardevol’. Beschrijving: Van oudsher zijn bomenrijen, houtkanten en houtwallen aanwezig in het landschap. Oorspronkelijk dienden ze als perceelsscheiding, soms zijn het relicten van voormalig bosgebied. Tevens waren ze van groot belang als leveranciers van brand- en geriefhout, allerlei vruchten en als beschutting voor het vee. Voor de biodiversiteit hebben ze een grote waarde als refugium en verbindingselement tussen bosgebieden. Oude houtwallen en houtkanten herbergen vaak populaties van oud-bosplanten en/of minder algemene diersoorten. Het is dan ook logisch dat er bij de opmaak van de Biologische Waarderingskaart veel aandacht aan besteed is. Deze houtige opgaande lijnvormige landschapselementen zijn aan de hand van verschillende karteringseenheden in kaart gebracht. Variatie: Bomenrijen, houtkanten en houtwallen zijn niet altijd in dezelfde mate van detail opgenomen. Naarmate het karteerproces vorderde, is er meer en meer aandacht aan besteed. Vooral kaartblad 16 geeft een sterke onderschatting, maar ook andere kaartbladen uit de eerste karteerjaren (in het bijzonder 19-20, 23, 27-28-36 en 31-39) hebben een schijnbaar lagere densiteit (zie voor verdere duiding Deel I § 4.3). Analyses tussen kaartbladen naar verschillen in dichtheden van


lijnvormige kleine landschapselementen moeten dan ook met de nodige omzichtigheid gebeuren. Binnen een kaartblok kan dit wel, omdat dan de wijze van karteren en de karteerinspanning minder varieerde. De ontwikkelingsgraad van een bomenrij of houtkant is in rekening gebracht bij de kartering. Jonge, ijle of onderbroken bomenrijen zijn aangeduid met kb°. Het kan ook gaan over bomenrijen van exoten (bv. Japanse sierkers, Italiaanse populier), hoewel deze meestal niet gekarteerd zijn. In een complex is kb° ook gebruikt voor een klein aantal bomen. Net zoals bij bomenrijen duidt kh° en khw° op onderbroken, ijle of jonge begroeiingen. kb*, kh* en khw* staan voor dense, vitale bomenrijen en houtkanten, die veelal (bij complexen) een groot deel van of geheel het perceel omsluiten. Oude bomen zijn omwille van hun cultuurhistorische en natuurbehoudswaarde als kb of kb* gekarteerd, ongeacht het aantal. Ook voor zeer oude dreven of voor (populieren)rijen met maretak is kb* gebruikt. In principe is het nooit de bedoeling geweest regelmatig onderhouden (tuin)hagen op te nemen in de kartering. Maar op de recentst gekarteerde westelijke kaartblokken 4-11-12, 5-13 en 21 zijn intensief onderhouden hagen in het landelijke gebied wel in kaart gebracht en aangeduid als kh°. Om enerzijds deze informatie niet verloren te laten gaan, maar anderzijds op vlak van de waardering een globaal kaartbeeld te behouden dat vergelijkbaar is met andere kaartblokken, is besloten de waardering in die gevallen toch op ‘biologisch minder waardevol’ te houden met de vermelding ‘m < (tuin)haag’ of ‘tuin’ in het dataveld ‘info’. Normaal worden meidoornhagen (khcr) en houtkanten met doornstruwelen van eenstijlige meidoorn, al dan niet aangevuld met sleedoorn of wilde rozensoorten, (kh(sp)) van elkaar onderscheiden. Op de kaartblokken 16, 19-20, 31-39 en 33-41 is dit niet het geval en zijn alle doornhagen (dus ook meidoornhagen) als kh(sp) aangeduid.


Uitgebreide info Beschrijving •

Bij bomenrijen (kb) is een hoge mate van transparantie aanwezig. De bomen staan uit elkaar en de ondergroei is grazig tot ruig. Een houtkant (kh) staat voor dense houtige begroeiingen. Deze term is ruim geïnterpreteerd en varieert van oude of uitgegroeide hagen en kaphagen tot echte houtkanten, al dan niet met hoger opgaand hout. Het onderscheid tussen oude hagen en houtkanten komt niet rechtstreeks tot uiting in de kaarten. In principe zijn intensief onderhouden hagen bij bebouwing niet in kaart gebracht. In het landelijk gebied zijn hagen met streekeigen soorten zoals meidoorn echter regelmatig als kh° gekarteerd. Omvangrijke, oude, goed ontwikkelde of soortenrijke hagen kunnen als kh of kh* aangeduid zijn. Een houtwal khw is een aarden wal met struikgewas, een houtkant of bos erop. De dominante boomsoorten van een bomenrij, houtkant of houtwal zijn aangeduid met een letter (digitaal bestand) of een boomsymbool (gedrukte kaarten). De verklaring van deze codes is terug te vinden in bijlage. Een complex van bomenrijen of houtkanten met weergave van verschillende boomsoorten (bv. kbp+kba) kan wijzen op meerdere soorten in dezelfde bomenrij of houtkant. Het kan ook duiden op aparte bomenrijen of houtkanten met elk hun dominante soort. Aan een bomenrij of houtkant met talrijke boomsoorten, zonder dat er bepaalde boomsoorten opvallend domineren, is gml (gemengd loofhout) toegevoegd. In een houtkant kan de soortensamenstelling van boom- en struiklaag verschillen. Dit is op twee manieren weergegeven. Een eerste mogelijkheid is de dominante boomlaag in de kh-notatie te vermelden, zodat bijvoorbeeld een houtkant met inplant van populier gekarteerd is als khp. Een andere manier is het geheel als een complex van een bomenrij van populier en een houtkant (kbp+kh) weer te gegeven (biologisch zeer waardevol), met vermelding van ‘ruimtelijk samenvallend’ in het dataveld ‘info’. Een verschil in waardering onderscheidt deze houtkanten van complexen waarin bomenrij en houtkant ruimtelijk gescheiden voorkomen (complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen). Wanneer houtkanten of houtwallen uit een specifiek bos- of struweeltype bestaan, is dit in de kartering weergegeven. Zo wordt bijvoorbeeld een houtkant of houtwal met doornstruweel respectievelijk als kh(sp) of khw+sp aangeduid. Een houtkant van zuur eikenbos kh(qs) specificeert de aanwezigheid van een typische kruidlaag van zuur eikenbos, terwijl khq enkel een dominantie van eik in de houtkant aangeeft. Indien

de

lineaire

opgaande

houtige

vegetaties

deel

uitmaken

van

gebruikspercelen zijn ze in complex gekarteerd met de begroeiing van het perceel zelf.

In

grootschalige

open

landschappen

zijn

ze

echter

afzonderlijk

uitgedigitaliseerd om een juiste weergave te realiseren. Ook wanneer ze deel uitmaken van (weg)bermen of een waterloop afboorden, zijn ze als apart vlak


aangeduid, vaak samen met die weg of waterloop. De juiste ligging, het al dan niet onderbroken zijn, … kan er echter meestal niet uit afgeleid worden.

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: uitzonderlijk Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)

•

Natuurdecreet: vergunningsplicht wijziging ‘kleine landschaps-elementen’

• Mestdecreet: niet onderhevig aan het mestdecreet Bosdecreet: Niet onderhevig aan het bosdecreet, tenzij het een houtkant van meer dan 10 meter breed betreft, want dan valt dit onder de definitie ‘bos’ binnen het bosdecreet.

21.

Veedrinkpoel

BWK codes: kn Waardering: Biologisch zeer waardevol. Zwak ontwikkelde poelen (kn°) zijn biologisch waardevol. Beschrijving: Met de karteringseenheid kn worden kleine, ondiepe wateren, die door de mens gegraven werden als drinkplaats voor vee, aangeduid. Soms werden ze ook voor andere doeleinden (waswater, oude rootput) gebruikt. Het kunnen ook natuurlijke depressies zijn waar water zich verzamelt en die als drinkplaats dienst doen. Recent worden ook nieuwe poelen gegraven als paaiplaats voor amfibieën. Veedrinkpoelen zijn, gezien hun ontstaanswijze, bijna altijd gelegen in weiland en meestal in complex hiermee weergegeven. Wanneer ze gelegen zijn in grote, op zich minder waardevolle percelen of in een percelencomplex met slechts enkele poelen, is geopteerd om deze individueel te lokaliseren. Variatie: Gezien morfologische kenmerken aan de basis liggen van de kartering als kn, kan het uiterlijk aspect en de vegetatieontwikkeling nogal variëren. Kn*:

veedrinkpoelen

met

een

zeer

goed

ontwikkelde

waterplantenvegetatie.

Kn°: poelen die zeer klein zijn, weinig water bevatten of snel droogvallen. Het is ook gebruikt voor poelen met een schijnbaar zeer slechte waterkwaliteit of zwak ontwikkelde oeverstructuur. De differentiatie tussen kn, kn° en kn* is echter verre van volledig omdat heel wat poelen niet grondig bekeken zijn.

Overeenkomst met indeling Europese natuur Vochtige duinvalleien (2190) Van nature eutrofe meren met vegetaties van het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150)


Uitgebreide info Beschrijving •

Per definitie zijn dergelijke poelen klein, maar dit is relatief. De gemiddelde oppervlakte ligt onder 400 m². Over het algemeen zijn grote weideplassen gekarteerd als ae, of als ah indien het brakke plassen betreft. De grens tussen het gebruik van kn en ae is echter niet scherp gesteld. Hoewel de meeste veedrinkpoelen voedselrijk zijn en zoet water bevatten, komen ook zilte en voedselarmere poelen voor. In de duinen zijn poelen vaak minder voedselrijk omwille van hun ligging op kalkrijke zandige bodem, hun neerslagafhankelijke watervoorziening of omdat ze via kwel gevoed worden. Bijgevolg kennen ze een specifieke soortensamenstelling. In sommige worden kranswieren aangetroffen, in andere groeien soorten zoals paarbladig fonteinkruid, zilte of kleine waterranonkel. Veedrinkpoelen zijn voor hun water afhankelijk van regenwater, grondwater of afstromend oppervlaktewater. Afhankelijk van de herkomst kan de waterkwaliteit aanzienlijk verschillen en kunnen er ook meer of minder fluctuaties in de waterstand optreden. Een groot aantal poelen valt droog in de zomer. De karteringseenheid geeft weinig informatie over het al dan niet aanwezig zijn van een waterplantenvegetatie. Bovendien is bijna een vijfde van de veedrinkpoelen aangeduid op basis van luchtfotointerpretatie. Een aantal ervan kunnen interessante vegetaties bevatten, andere kunnen echter zwak ontwikkeld zijn.

•

Oppervlakte (in ha): 240 à 450 ha

•

Zeldzaamheid: zeer zeldzaam

Juridische bescherming •

Habitatrichtlijn: uitzonderlijk Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)

•

Natuurdecreet: vergunningsplicht wijziging ‘kleine landschapselementen’. Zilte poelen worden als Vlaams beschermde natuur (regionaal belangrijke biotoop, rbbah) beschouwd (zie verder onder ah).

•

Mestdecreet: niet rechtstreeks onderhevig aan het mestdecreet. De aanwezigheid van een veedrinkpoel in een cultuurgrasland kan binnen groen-, bos-, en natuurontwikkelingsgebied leiden tot een aangepaste bemestingcategorie (zie ook onder ‘Overige graslanden met versp

•

Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet

Relaties Komt overeen met : Vochtige duinvalleien (2190), Van nature eutrofe meren met vegetaties van


het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150)


BIJLAGE INVENTARISATIE WATERLOPEN. HYDROLOGISCHE SITUATIE WELLEMEERSEN. Oktober 2013

DEEL 1 : NOORDEN VAN E40 Hydrologisch gezien is het Noordelijk deel van de Wellemeersen afgesloten van het Zuidelijke door de aanleg van de E40. De enige gemeenschappelijke waterloop is de Wildebeek, die binnenkomt in de Wellemeersen ter hoogte van kunstwerk 15 (omgeving van de Gates-vijver). Deze Waterloop heeft een belangrijk waterafvoerende functie voor de gemeenten tussen Denderleeuw en Kerksken. In de Wellemeersen loopt deze in het noordelijke deel van het projectgebied aan de voet van het Dender-erosietalud. Vlak voor zijn monding in de Dender ontvangt deze een belangrijke (mogelijke) instroom vanuit een ’s zomers droogvallende grote plas uit Wellemeersen. Deze grote plas voor de Vogelkijkhut, in hoofdzaak gevoed door regenwater, is immers voorzien van een overloop (plastiek buis diameter 0.25m ); Deze overloop fungeert enkel wanneer het water te hoog staat waarbij de afvoer gebeurt naar de Wildebeek. Gezien de hoogte van de overloop wordt deze waarschijnlijk enkel in de Winter gebruikt (of bij zomer-overstromingen). De overloop is het enige punt waar het water uit dit deel van de Wellemeersen weg kan. Centraal, ter hoogte van het bos zijn nog enkele perceelssloten te vinden. Deze sloten zijn zowel ter hoogte van de oeverwal van de Dender als van de Wildebeek verland. Door dit feit is er geen afvoer van oppervlaktewater noch naar de Wildebeek noch naar de Dender. Samen met de (lichte) kwelinvloeden zorgt dit ervoor dat ook dit deel een groot deel van het jaar onder water staat. Enkel wanneer de laagste grondwatertafel bereikt wordt komt het bosje even droog te liggen en zijn de perceelssloten als sloten herkenbaar. Zie aanvulling van sloten door NP Denderleeuw. Belangrijke punten :  

De overloop ter hoogte van de Vogelijkhut is sturend voor het waterpeil in de grote plas.. Sloten ter hoogte van bosje willicht afwatering ten tijd van gebruik van bosje als vlasrootput.

DEEL 2 : WELLEMEERSENSTRAAT TOT E40 In dit gedeelte stromen 2 geklasseerde beken, namelijk de Wildebeek en De Rijt. In beide beken komt nog heelwat afvalwater terecht (in de Rijt via een overstort). Echter De Wildebeek kent een groot verval en heeft een mooi meanderend patroon zodat de stroomsnelheid hier een stuk hoger ligt. Het zelfreinigend vermogen is hierdoor hoger waardoor de slibsedimentatie beperkter is en/of de beek recenter geruimd is. De Rijt daarentegen kent een beperkt verval waardoor sedimentatie plaatsvindt en aldus de stroomsnelheid nog verder daalt (later meer hierover).


Het is duidelijk dat de recentere aangelegde vijver geïsoleerd is en geen afwatering kent. Daarentegen kennen de sloten ten noorden van de Wellemeersenstraat via de sloot met slibmeetpunt 3 een afwatering naar kunstwerk 28 (onder de verharde weg; momenteel quasi dichtgeslibd). Geen enkele van de hier voorkomende vijvers maakt verbinding met de Rijt of andere waterlichamen. Daardoor stagneert het water hier en hebben we te maken met een zeer natte zone vanaf onderaan het erosietalud. De slibdikte wijst er echter wel op dat deze situatie zich nog niet lang voordoet . Anderzijds komt nergens een rechtstreekse instroom van water het deelgebied binnen, zodat de aanvoer van sediment onbestaande is. De Gatesvijver is een groot regelmatig reservoir dat enkel met de Dender verbonden is door middel van een smalle waterloop. De maximumdiepte bedraagt ruim 10 meter, gemiddeld is de vijver 6 meter diep (Natuurpunt). De vijver werd uitgegraven bij de aanleg van de E40, de plaats lag bovenaan de talud waardoor hier zandgronden aanwezig waren . Door het gebruik van het water door de Gates-fabriek werd de waterbodem echter sterk vervuild. Deze vervuiling werd bedekt door een kleilaag bovenop een waterdoorlatende folie. De klei is afkomstig van de locatie ten zuidoosten van de Gatesvijver. Deze werd hier ter plaatste afgegraven waardoor een tweede grote vijver ontstond. De werking van het kleischerm is zichtbaar in het grondwatersysteem, voeding vanuit grondwater is immers veel moeilijker geworden. Daardoor is de stijghoogte in peilbuis 10 bijvoorbeeld sterk toegenomen na de zuiveringswerken. Verder kent de langsgracht van de E40 slecht een beperkte functie, deze is niet echt watervoerend. Opmerkingen   

Wildebeek is recenter geruimd dan de Rijt. De recent aangelegde vijver kent geen afwatering. Gates vijver watert af via duiker 10-11.

DEEL 3 : RODESTRAAT TOT WELLEMEERSENSTRAAT De belangrijkste instroom in de Wellemeersen gebeurt via waterloop 5083 (cat.2; de Rijt is een zijtak ervan met cat.3). Een aanzienlijke hoeveelheid overstortwater komt hierin terecht in de Kampstraat. Echter de waterloop kent een beperkt verval. De watersnelheid is laag waardoor sedimentatie (sterk vervuild sediment) plaatsvindt. Deze loop is daarenboven al enkele deccenia niet geruimd zodat hier ruim 50-60 cm sediment voorkomt. Dit heeft als gevolg dat overstromingen talrijker worden en dat het regenwater en grondwater minder goed worden afgevoerd. Daardoor sterven de aanwezige populieren af die op hun beurt afvoer moeilijker maken. De vernatting van het gebied situeert zich dan ook vooral hier. De afvoerproblematiek van de Rijt zet zich ook stroomopwaarts door in de zijwaterlopen, zo stagneert het water ook in de waterloop afkomstig van het overstort ter hoogte van de Rodestraat, zodat ook hier vervuild water in het gebied terechtkomt (de eigenlijke Rijt, cat.3). 

Waterloop 5083 is quasi 20 jaar niet geruimd, de Rijt minstens 35 jaar.

DEEL 4 : TEN ZUIDEN VAN RODESTRAAT Hydrologisch gezien is er ten zuiden van de Rodestraat in de laatste jaren niets veranderd. Het water uit de kwelzone wordt afgevoerd naar de Dender via verschillende waterlopen. Eén van de belangrijkste hiervan is waterloop 33. Echter stroomopwaarts (id 37) is deze waterloop


ondiep en is afvoer moeilijker(t.h.v. hoogspanningsmast). Daardoor is de kwelzone hier vrij nat het hele jaar door. Hetzelfde verhaal doet zich eigenlijk voor bij waterloop 38, al is de kwelzone hier minder omvangrijk. Op de waterlopen t.h.v de Berkenlaan en de waterloop t.h.v. de Wijmenierlaan komt een aanzienlijke hoeveelheid afvalwater door het gebied. De grote diepte van de waterloop zorgt er echter wel voor dat weinig sedimentatie zich voordoet.

TOEKOMST In de toekomst zijn al enkele ingrepen gepland door Aquafin die een belangrijke invloed zullen hebben op de Wellemeersen. De belangrijkste hiervan is de afkoppeling van de Steenveldlaan (een RWA + DWA) in combinatie met de aansluiting van collector Wildebeek op de Rijt. Daardoor zal de hoeveelheid water dat op de Rijt terechtkomt aanzienlijk stijgen (zie nota Werken Aquafin). Dit water zal wel een aanzienlijk beter kwaliteit hebben daar het overstort minder in werking zal treden en het aandeel regenwater groter is. Door het feit dat er een aanzienlijke hoeveelheid water in de Wellemeersen terechtkomt en het beeksysteem dit niet kan slikken zal het aantal overstromingen talrijker zijn. De vervuilde waterbodem blijft daarbij steeds ongewijzigd. De milderende werken van Aquafin zullen er wel voor zorgen dat een deel van dit sediment vroeger wordt opgevangen maar zolang geen onderhoudswerkzaamheden plaatsvinden op de Rijt blijft deze in slechte toestand.


BIJLAGE 6. STAALNAMESCHEMA GROND- EN OPPERVLAKTEWATER

1


1. 1.1 1.1.1

METHODEBESCHRIJVING VAN DE STAALNAMES Grondwaterkwaliteit Locatie

Rekening houdend met de volgende parameters: ▪ Ruimtelijke spreiding; ▪ Historische meetgegevens beschikbaar; ▪ Het probleem van verontreiniging (nabij de Rijt); ▪ Het probleem van vernatting (opwaarts de Rodestraat); ▪ Doelstellingen voor habitattypes; werd in eerste instantie voorgesteld om volgende 16 peilbuizen te gebruiken voor de metingen van grond- en oppervlaktewaterkwantiteit en -kwaliteit.

Verontreinigd

Overige (niet verontreinigd of niet bemonsterd)

Duidelijk afgenomen

007X, 028X

022X, 026X

Eerder afgenomen

021X, 037X

015X, 032X

Min of meer stabiel

024X, 044X

001X, 045X

Zeker niet afgenomen

034AX, 036X

035AX, 042X


Figuur 1

Locatie 16 bij voorkeur te bemonsteren peilbuizen

De coördinaten van de 16 meetlocaties zijn de volgende; Tabel 1

Coördinaten 16 bij voorkeur te bemonsteren peilbuizen ID WELP001A WELP007A WELP015X WELP021X WELP022X WELP024X WELP026X WELP028X WELP032X WELP034A

X 128305,16 128474,69 128169,72 128445,59 128519,46 128613,57 128611,30 128581,00 128778,00 129060,48

Y 177446,58 177441,16 176976,53 176897,97 176887,79 176801,69 177096,66 177223,00 176994,00 176759,51

3


ID WELP035A WELP036X WELP037X WELP042X WELP044A WELP045X

X 129144,45 128855,88 128872,25 129278,00 129278,25 129453,00

Y 176660,28 176666,22 176721,61 176511,00 176373,34 176242,00

Tijdens de eerste staalnameronde (april 2014) bleek dat een aantal peilbuizen niet meer aanwezig of toegankelijk waren; ▪ ▪ ▪

De peilbuizen gemarkeerd in geel in Tabel 1 werden teruggevonden. WELP007A werd niet teruggevonden. WELP022X, WELP026X, WELP028X en WELP32X, gemarkeerd in blauw in Tabel 1 waren ondergelopen.

In overleg met VLM werd beslist om de ondergelopen peilbuizen te vervangen door 3 oppervlaktewaterstalen (zie ook in volgende paragraaf); ▪ ▪ ▪

Een oppervlaktewaterstaal in de omgeving van WELP032X Een oppervlaktewaterstaal in de omgeving van WELP022X Een oppervlaktewaterstaal tussen WELP026X en WELP028X

Daarnaast werden gekozen om stalen te nemen in 2 andere peilbuizen; WELP003X en WELP033X. De definitieve lijst van te bemonsteren peilbuizen is bijgevolg; Tabel 2

Coördinaten 13 te bemonsteren peilbuizen ID WELP001A WELP015X WELP021X WELP024X WELP034A WELP035A WELP036X WELP037X WELP042X WELP044A WELP045X WELP003X WELP033X

X 128305,163 128169,722 128445,594 128613,569 129060,475 129144,449 128855,882 128872,251 129278 129278,253 129453 128295,891 128907,762

Y 177446,583 176976,527 176897,974 176801,694 176759,507 176660,284 176666,216 176721,608 176511 176373,337 176242 177535,42 176842,234


Figuur 2

1.1.2

Locatie 13 te bemonsteren peilbuizen

Staalname

De toe te passen techniek van bemonstering van peilputten, de monsterconservering en de gebruikte analysemethode worden beschreven in “het compendium voor monsternamen en analyse (CMA) in uitvoering van het afvalstoffendecreet en het bodemdecreet”, gepubliceerd door VITO, en ministerieel goedgekeurd op 11 januari 2008 (of eventuele latere versies). De staalname grondwater gebeurt tweemaal per jaar: één maal in de periode met laagste grondwaterstand, en één maal in die met hoogste. Er wordt voorgesteld om; ▪

een eerste staalname uit te voeren einde maart 2014 (hoge waterstanden);

▪

een tweede staalname uit te voeren einde augustus 2014 (lage waterstanden).

Volgende parameters worden minimum geanalyseerd: 5


1. Direct na bemonstering, op het terrein te meten: ▪

Bepaling pH;

▪

EGV (μS/cm).

2. Laboanalyses in erkend laboratorium: ▪

Bepaling pH;

▪

EGV (μS/cm);

▪

bicarbonaat (HCO3-) (mg/l);

▪

ortho-fosfaat (H2PO4-)(mg/l);

▪

nitraat (NO3-) (mg/l);

▪

ammonium (NH4+) (mg/l);

▪

sulfaat (SO42-) (mg/l);

▪

chloride (Cl-) (mg/l);

▪

natrium (Na+) (mg/l);

▪

kalium (K+) (mg/l);

▪

calcium (Ca2+) (mg/l);

▪

magnesium (Mg2+) (mg/l);

▪

ijzer (Fe2+ en Fe3+) (mg/l).

Voor het bepalen van het gehalte orthofosfaat dient een dubbel staal te worden genomen. Indien uit de eerste (standaard) analyse blijkt dat de concentratie aan orthofosfaat lager ligt dan 0,02 mg/l, moet een extra analyse met lage detectielimiet gedaan worden (tot op 1 à 2 μg/l).

1.2

Oppervlaktewaterkwaliteit

1.2.1

Locatie

Er wordt voorgesteld oppervlaktewaterstalen te nemen op volgende 4 locaties; ▪

Punt 1 -> Rijt, ter hoogte van het brugje aan de Grote Zavelput (het is wel effectief de Rijt zelf die bemonsterd wordt).

▪

Punt 2 -> Stroomafwaarts op de Rijt

▪

Punt 3 -> Kleine Zavelput

▪

Punt 4 -> Stagnerend oppervlaktewater ter hoogte van orchideeënweide (nabij knuppelpad)


Figuur 3

Locatie te bemonsteren oppervlaktewater – eerste selectie

De coördinaten van de 4 meetlocaties zijn de volgende;

ID 1 2 3 4

X 128219,66 128438,23 128319,48 128803,20

Y 177046,41 177360,10 177034,46 177024,34

Deze worden aangevuld met 3 staalnamepunten ter hoogte van onder water gelopen peilbuizen. Deze 3 punten volgen echter het regime van staalname van de grondwatermetingen (zijnde einde maart 2014 en einde augustus 2014).

▪ ▪ ▪

5; een oppervlaktewaterstaal in de omgeving van WELP032X 6; een oppervlaktewaterstaal in de omgeving van WELP022X 7; een oppervlaktewaterstaal tussen WELP026X en WELP028X

7


Op dit moment werd duidelijk dat punt 4, nabij de orchideeënweide, te dicht gelegen is bij het nieuwe staalnamepunt 5 (ter vervanging van WELP032X), zodat punt 4 vervangen werd door een locatie bij het overstort van Aquafin.

Figuur 4

1.2.2

Locatie te bemonsteren oppervlaktewater – definitieve selectie

Staalname en analyse

De toe te passen techniek van bemonstering van oppervlaktewaterstalen, de monsterconservering en de gebruikte analysemethode worden beschreven in “Compendium voor analyse van water (WAC)“, gepubliceerd door VITO, en ministerieel goedgekeurd op 15 april 2009 (of eventuele latere versies). De staalname gebeurt in elk seizoen. Er wordt voorgesteld te meten; ▪

einde maart 2014;

▪

einde juni 2014;


▪

einde augustus 2014;

▪

einde oktober 2014.

Op die manier kunnen alle gegevens nog gebruikt worden voor de interpretatie binnen luik 3 van de opdracht. Er moet tijdens de staalname rekening gehouden worden met deze randvoorwaarden; ▪

De staalname oppervlaktewater gebeurt minimum 5 dagen na een regenbui;

▪

Het waterstaal wordt genomen van op een brug in het midden van de waterloop m.b.v. een emmer. Indien geen brug aanwezig is, wordt de emmer enkele meters voorbij de oever uitgeworpen en langzaam naar de oever getrokken. Indien het niet mogelijk is het staal te nemen met een emmer zonder de waterbodem mee te bemonsteren, dan wordt het staal genomen met behulp van een maatbeker (eventueel bevestigd aan een telescopische steel).

Volgende parameters dienen minimum geanalyseerd: 1. Bemonstering in monsterfles op het terrein: bepaling percentage verzadiging met zuurstof; ▪

de watertemperatuur;

▪

de conductiviteit (μS/cm);

▪

de pH.

2. Laboanalyses in erkend labo: ▪

biologisch zuurstofverbruik (BOD520 mg O2/l);

▪

chemisch zuurstofverbruik (COD);

▪

ammoniakale stikstof (NH4+-N mg N/l);

▪

nitraat-stikstof (NO3--N mg N/l);

▪

nitriet-stikstof (NO22--N mg N/l;

▪

ortho-fosfaat (PO43--P mg P/l) 3;

▪

hoeveelheid zwevende stoffen (mg/l): De partikels kunnen zeer divers van aard zijn: bodemdeeltjes, levende of dode organismen (bv. plankton), actief slib,…;

▪

Kjeldahl-N 4 (mg N/l);

▪

totaal P (mg P/l);

▪

ionenbalans met kationen Na, K, Mg, Ca, Fe, Al en anionen bicarbonaat, carbonaat, sulfaat, chloride.

9


BIJLAGE 7. RUIMTELIJKE SPREIDING NATUURDOELTYPEN

1


1.

MIN-MAX GXG Bodemtype Code

GHG

Vegetatietype

91E0_veb

Elzen-Olmen-Essenbos

91E0_meso

Mesotroof Elzenbroekbos

91E0_eutr

Ruigte-Elzenbroek

6410_ve

Grasland met Molinia

6510_hu

Glanshaverhooilanden

rbb_hc

Dotterbloemgraslanden

6430_hf

Moerasspirearuigten (N2000)

rbb_hf

Moerasspirearuigten (rbb)

rbb_mc (en rbb_mr)

Grote zeggenvegetaties en rietvegetaties

rbb_mr (aquatisch riet)

Rietmoeras

GLG

Min

Max.

Min.

Max.

(cm -mv)

(cm -mv)

(cm -mv)

(cm -mv)

Zandleem + lichte klei

42

1

89

14

Zandleem

46

-6

110

29

Zandleem

89

-47

124

-8

Lichte klei

30

-19

82

4

Zandleem

16

2

42

13

Lichte klei

16

-4

42

13

Zandleem

105

25

250

50

Lichte klei

85

25

250

50

Zandleem

51

-16

123

15

Lichte klei

25

-16

130

18

Zandleem

80

-31

170

21

Lichte klei

45

-31

172

42

Zandleem

80

-31

170

21

Lichte klei

45

-31

172

42

14

-37

55

-3

10

-70

20

-10

Zandleem + lichte klei Zandleem + lichte klei

Onderstaand worden voor de actuele en de historische toestand en voor de scenario’s voor alle vegetatietypen potentiekaarten voorgesteld die rekening houden met de referentiewaarden (minima en maxima). Deze kaarten geven de locaties weer waarvoor cumulatief (groen) aan de voorwaarden voor GVG (blauw) en GLG (geel) voldaan is. Er dient benadrukt te worden dat dit indicatieve kaarten zijn, die als doelstelling hebben om de ruimtelijke potenties voor de verschillende natuurdoeltypen te vergelijken op basis van enkel de grondwaterstanden. De kaarten hebben niet als finaliteit om de gedetailleerde ruimtelijke contouren van de gewenste vegetatietypes weer te geven (daarvoor dient met diverse abiotische parameters, alsook het gevoerde beheer rekening gehouden te worden). Daarnaast worden uiteraard grondwaterafhankelijk zijn.

enkel

kaarten

gemaakt

voor

de

natuurdoeltypen

die


1.1

Actuele en historische toestand

Figuur 1-1

Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range minima en maxima).

3


Figuur 1-2

Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range minima en maxima).


Figuur 1-3

Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range minima en maxima).

5


Figuur 1-4

Natuurpotenties 6410_ve in functie van GXG (range minima en maxima).


Figuur 1-5

Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range minima en maxima).

7


Figuur 1-6

Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG (range minima en maxima).


Figuur 1-7

Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG (range minima en maxima).

9


Figuur 1-8

Natuurpotenties rbb_mc (en rbb_mr) in functie van GXG (range minima en maxima).


Figuur 1-9

Natuurpotenties rbb_mr (aquatisch riet) in functie van GXG (range minima en maxima).

11


1.2

Scenario’s

Figuur 1-10

Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range minima en maxima).


Figuur 1-11

Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range minima en maxima).

13


Figuur 1-12

Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range minima en maxima).


Figuur 1-13

Natuurpotenties 6410_ve in functie van GXG (range minima en maxima).

15


Figuur 1-14

Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range minima en maxima).


Figuur 1-15

Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG (range minima en maxima).

17


Figuur 1-16

Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG (range minima en maxima).


Figuur 1-17

Natuurpotenties rbb_mc in functie van GXG (range minima en maxima).

19


Figuur 1-18

Natuurpotenties rbb_mr in functie van GXG (range minima en maxima).


2.

PERCENTIEL 10-90 GHG Code

91E0_veb

GLG

p10

p90

(cm -mv)

(cm -mv)

Vegetatietype

Elzen-Olmen-Essenbos

p10

p90

(cm -mv) (cm -mv)

42

-6

79

14

91E0_meso Mesotroof Elzenbroekbos

29

-4

102

23

91E0_eutr

Ruigte-Elzenbroek

53

-22

110

4

6510_hu

Glanshaverhooilanden

128

11

198

69

rbb_hc

Dotterbloemgraslanden

19

-8

97

19

6430_hf

Moerasspirearuigten (N2000)

54

-4

137

38

Onderstaand worden voor de actuele en de historische toestand en voor de scenario’s voor alle vegetatietypen potentiekaarten voorgesteld die rekening houden met de referentiewaarden (minima en maxima). Deze kaarten geven de locaties weer waarvoor cumulatief (groen) aan de voorwaarden voor GVG (blauw) en GLG (geel) voldaan is. Er dient benadrukt te worden dat dit indicatieve kaarten zijn, die als doelstelling hebben om de ruimtelijke potenties voor de verschillende natuurdoeltypen te vergelijken op basis van enkel de grondwaterstanden. De kaarten hebben niet als finaliteit om de gedetailleerde ruimtelijke contouren van de gewenste vegetatietypes weer te geven (daarvoor dient met diverse abiotische parameters, alsook het gevoerde beheer rekening gehouden te worden). Daarnaast worden uiteraard grondwaterafhankelijk zijn.

enkel

kaarten

gemaakt

voor

de

natuurdoeltypen

die

21


2.1

Actuele en historische toestand

Figuur 2-1

Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range percentiel 10-90).


Figuur 2-2

Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range percentiel 10-90).

23


Figuur 2-3

Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range percentiel 10-90).


Figuur 2-4

Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range percentiel 10-90).

25


Figuur 2-5

Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG (range percentiel 10-90).


Figuur 2-6

Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG (range percentiel 10-90).

27


2.2

Scenario’s

Figuur 2-7

Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range percentiel 10-90).


Figuur 2-8

Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range percentiel 10-90).

29


Figuur 2-9

Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range percentiel 10-90).


Figuur 2-10

Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range percentiel 10-90).

31


Figuur 2-11

Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG (range percentiel 10-90).


Figuur 2-12

Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG (range percentiel 10-90).

33


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook