NATUURINRICHTINGSPROJECT WELLEMEERSEN, ECOHYDROLOGISCHE STUDIE EINDRAPPORT
Opdrachtgever:
VLM
Datum:
07-10-2015
Titel
Natuurinrichtingsproject Wellemeersen, ecohydrologische studie
Opdrachtgever
VLM
Contactpersoon opdrachtgever
Ir. Jan De Bie of Ria De Dyn
Indiener
Technum (Tractebel Engineering n.v.) Coveliersstraat 15 - 2600 AntwerpenCoveliersstraat 15 - 2600 Antwerpen T +32 3 270 92 92 - info@technum-tractebel.beT +32 3 270 92 92 - info@technumtractebel.be
Contactpersoon indiener
Nele Aerts
Datum
07/10/2015
Versienummer
7
Projectnummer
P.006184
KWALITEIT DOCUMENTGESCHIEDENIS Versie
Datum
Opmerkingen
7
07-10-2015
Eindrapport oplevering
6
10-07-2015
Eindrapport
5
29-05-2015
Luik 4
4
11-03-2015
Definitieve versie Luik 1, 2 & 3
3
09-01-2015
Ontwerpversie Luik 1, 2 & 3
2
01-12-2014
Ontwerpversie Luik 1, 2 & 3
1
01-10-2014
Ontwerpversie Luik 1 & 2
DOCUMENTVERANTWOORDELIJKHEID Datum Auteur(s)
Ilf Jacobs, Roosmarijn Steeman, Jan Walravens, Nele Aerts, Sarah Rousseaux
07-10-2015
Datum Documentscreener(s)
Nele Aerts
BESTANDSINFORMATIE Bestandsnaam
P.006184-07 Wellemeersen finaal rapport.docx
Laatst opgeslagen
15/12/2020
07-10-2015
INHOUD 1.
Inleiding .......................................................................................................................1 1.1
2.
3.
4.
5.
Interpretatie van de opdracht .............................................................................1
Luik 1 – Biotiek .............................................................................................................4 2.1
Inleiding ............................................................................................................4
2.2
Methodologie .....................................................................................................4
2.3
Resultaten ....................................................................................................... 12
2.4
Besluit ............................................................................................................. 50
Luik 2 – Abiotiek .........................................................................................................52 3.1
Inleiding .......................................................................................................... 52
3.2
Registratie grondwater en oppervlaktewaterstanden .......................................... 52
3.3
Hydrologische modelering ................................................................................. 59
3.4
Tijdreeksenanalyse Grondwaterstanden ............................................................. 67
3.5
Grondwatermodellering .................................................................................. 115
3.6
Conclusies abiotische kwantitatieve aspecten ................................................... 144
3.7
Grond- en oppervlaktewaterkwalitatieve aspecten ............................................ 145
3.8
Conclusie ....................................................................................................... 171
Luik 3 – Interactie abiotiek en biotiek .................................................................... 172 4.1
Abiotische en biotische samenhang, gekaderd in de evolutie van het gebied...... 172
4.2
Ecohydrologische dwarsprofielen ..................................................................... 173
4.3
Standplaatseisen ............................................................................................ 179
Luik 4 – Conceptvisie – ontwikkelingsscenario’s .................................................... 208 5.1
Doelstelling .................................................................................................... 208
5.2
Beschrijving 2 ontwikkelingsscenario’s ............................................................. 208
5.3
Grondwatermodellering 2 ontwikkelingsscenario’s ............................................ 221
5.4
Toetsen ontwikkelingsscenario’s aan beoogde natuurdoeltypen ........................ 233
5.5
Overzicht maatregelen ................................................................................... 245
6.
Referenties .............................................................................................................. 250
7.
Bijlagen.................................................................................................................... 253 Bijlage 1. Kaartenbundel Wellemeersen: luik biotiek........................................................ 253 Bijlage 2. Tabellen vegetatieopnamen ............................................................................ 253 Bijlage 3. Overzicht permanente kwadraten (PQ’s) .......................................................... 253 Bijlage 4. Beschrijving van de gekarteerde vegetaties ..................................................... 253 Bijlage 5. Inventaris waterlopen..................................................................................... 253 Bijlage 6. Staalnameschema grond- en oppervlaktewater ................................................ 253 Bijlage 7. Ruimtelijke spreiding natuurdoeltypen ............................................................. 253
i
LIJST VAN FIGUREN Figuur 1-1
Vernatting en aanwezigheid van Pitrus in het centrale gedeelte van het natuurgebied (Foto Nele Aerts, 2013) ................................................................................................. 2
Figuur 1-2
Iteratief proces: het schuiven met parameters van het grond- en oppervlaktesysteem en de daarop gebaseerde vegetatievoorspelling leidt uiteindelijk tot gewenste scenario’s voor natuurinrichting. ........................................................................................................... 3
Figuur 2-1
Afbakening van het kerngebied waarbinnen de vegetatiekarteringen in de loop van 2014 werden uitgevoerd........................................................................................................ 4
Figuur 2-2
Als basis voor de veldkaarten werden de meest recente luchtfoto’s (2012) en de laatste BWK (versie 2.2) gebruikt. ............................................................................................ 5
Figuur 2-3
Vegetatiepolygonen van de in 1990 en 1991 uitgevoerde vegetatiekarteringen ................ 12
Figuur 2-4
Afgebakende karteringseenheden van de vegetatiekartering in 2014 ............................... 13
Figuur 2-5
Weergave van de gekarteerde eenheden in het kerngebied van de Wellemeersen – BWK 2014 (kartering ikv dit project) ...................................................................................... 5
Figuur 2-6
Weergave van de gekarteerde eenheden (BWK 2014) met weergave van de Vlaamse vegetatietypologie. ....................................................................................................... 6
Figuur 2-7
Weergave van aanwezige Beschermde Europese en Vlaamse habitats aanwezig binnen de gekarteerde eenheden in het kerngebied van de Wellemeersen – BWK 2014. .................. 7
Figuur 2-8
Vergelijkingskaarten van de verschillende BWK-karteringen voor de kernzone van de Wellemeersen (bron: BWK 1, BWK 2.2, BWK 2014) ........................................................ 17
Figuur 2-9
Vergelijkingskaarten van de soortenrijkdom voor de kernzone van de Wellemeersen ........ 18
Figuur 2-10 Vergelijkingskaarten ‘Rode Lijstsoorten’ voor de kernzone van de Wellemeersen .............. 19 Figuur 2-11 Vergelijkingskaarten ‘positieve aandachtsoorten’ in de kernzone van de Wellemeersen ..... 20 Figuur 2-12 Vergelijkingskaarten ‘negatieve aandachtsoorten’ voor de kernzone van de Wellemeersen 21 Figuur 2-13 Vergelijkingskaarten ‘Hydrofyten voor de kernzone van de Wellemeersen ........................ 23 Figuur 2-14 Vergelijkingskaarten ‘Obligaat freatofyten voor de kernzone van de Wellemeersen ........... 24 Figuur 2-15 Vergelijkingskaarten Natte obligaat freatofyten voor de kernzone van de Wellemeersen ... 24 Figuur 2-16 Vergelijkingskaarten Kalk-afreatofyten voor de kernzone van de Wellemeersen ................ 25 Figuur 2-17 Vergelijkingskaarten Oud bos indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen............ 28 Figuur 2-18 Vergelijkingskaarten ‘Bron- en bronbosindicatoren’ voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 29 Figuur 2-19 Vergelijkingskaarten ‘Elzenbroekbosindicatoren’ voor de kernzone van de Wellemeersen .. 30
ii
Figuur 2-20 Vergelijkingskaarten ‘Voedselrijk Eiken-Beukenbos indicatoren’ voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 30 Figuur 2-21 Vergelijkingskaarten Dotterbloemgrasland-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 32 Figuur 2-22 Vergelijkingskaarten Kleine zeggenvegetatie-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 33 Figuur 2-23 Vergelijkingskaarten Glanshavergrasland-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 34 Figuur 2-24 Vergelijkingskaarten Zilverschoongrasland-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 35 Figuur 2-25 Vergelijkingskaarten indicatoren voor Droge graslanden op zandbodem de kernzone van de Wellemeersen .......................................................................................................... 36 Figuur 2-26 Vergelijkingskaarten indicatoren voor Dwergbiezenklasse in de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 36 Figuur 2-27 Vergelijkingskaarten Eendenkroosklasse (Eutroof water)-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen ................................................................................................... 37 Figuur 2-28 Vergelijkingskaarten Fonteinkruidklasse (mesotroof water)-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen ................................................................................................... 38 Figuur 2-29 Vergelijkingskaarten Natte strooiselruigte-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 40 Figuur 2-30 Vergelijkingskaarten Nitrofiele zomen-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen 40 Figuur 2-31 Vergelijkingskaarten Rietklasse-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen ......... 41 Figuur 2-32 Vergelijkingskaarten Tandzaadklasse-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen 42 Figuur 2-33 Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Licht voor de kernzone van de Wellemeersen ......... 45 Figuur 2-34 Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Stikstof voor de kernzone van de Wellemeersen ..... 46 Figuur 2-35 Standplaatskaarten voor trofiegraad, historisch (links) en actueel (rechts), met de methode met rechtstreekse BWK-vertaling (Wouters J., 2013). ....................................... 46 Figuur 2-36 Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Vocht voor de kernzone van de Wellemeersen ....... 47 Figuur 2-37 Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Zuurtegraad voor de kernzone van de Wellemeersen .............................................................................................................. 48 Figuur 3-1
Locatie grond- en oppervlaktewaterstandsmetingen 02/2014 - 02/2015 .......................... 55
Figuur 3-2
Registratie grondwaterstanden peilbuizen 20/02/2014 – 24/02/2015 ............................... 57
Figuur 3-3
Registratie oppervlaktewaterstanden Rijtbeek 20/02/2014 – 24/02/2015 ......................... 57
iii
Figuur 3-4
Maandtotalen neerslagstation Liedekerke vs. Gemiddelde Ukkel ...................................... 58
Figuur 3-5
Registratie grondwaterstanden Peilbuis 01 1992 – 02/2015 ............................................. 58
Figuur 3-6
Registratie grondwaterstanden Peilbuis 32 1992 – 02/2015 ............................................. 58
Figuur 3-7
Registratie grondwaterstanden Peilbuis 35 1992 – 02/2015 ............................................. 59
Figuur 3-8
Overstortschema Aquafin .............................................................................................. 61
Figuur 3-9
Onderverdeling stroomgebied van de Rijtbeek ................................................................ 63
Figuur 3-10 Maaiveldprofiel langs as Rijtbeek, waterloop van 3e categorie.......................................... 63 Figuur 3-11 Berekende daggemiddelde afvoer met PDM van de Rijtbeek ........................................... 64 Figuur 3-12 Tijdsverdeling berekende afvoer Rijtbeek met PDM......................................................... 65 Figuur 3-13 Compartimentering vallei Wellemeersen ......................................................................... 65 Figuur 3-14 Tijdsverdeling van de waterstanden in deelgebied van de Wellemeersen ......................... 66 Figuur 3-15 Maaiveldhoogte t.h.v. de peilbuizen ............................................................................... 70 Figuur 3-16 Waterpeil Teralfene EMT (stroomafwaarts) (MOW-HIC 2014) .......................................... 71 Figuur 3-17 Waterpeil Aalst/Dender (stroomopwaarts) (MOW-HIC 2014) ........................................... 72 Figuur 3-18 Maandgemiddelde waterstanden en tijdsverdeling te Aalst en Teralfene .......................... 72 Figuur 3-19 Situering limnigrafen Aalst en Teralfene EMT ................................................................. 72 Figuur 3-20 Opgemeten waterpeilen in het studiegebied ................................................................... 73 Figuur 3-21 Situering kunstwerken in het studiegebied ..................................................................... 74 Figuur 3-22 Neerslag en Evaporatie te Ukkel (mm/jaar) .................................................................... 75 Figuur 3-23 Afwijking Neerslag/Evaporatie t.o.v. gemiddelde (1992-2012) ......................................... 75 Figuur 3-24 Neerslagdeficit hydrologische jaren 1992 -2012 .............................................................. 75 Figuur 3-25 # dagen met meer dan 100 mm deficit in massabalans .................................................. 75 Figuur 3-26 Bodemtextuurkaart van het studiegebied ....................................................................... 76 Figuur 3-27 Luchtfoto 1988-1990 (OC GIS-Vlaanderen, 1998) ........................................................... 78 Figuur 3-28 Luchtfoto 2002 (VLM/OC en prov.O.-Vl., 2002) ............................................................... 79 Figuur 3-29 Luchtfoto 2006 (Prov. O.-Vl.(AGIV-product), 2006) ......................................................... 80 Figuur 3-30 Luchtfoto 2009 (Prov. O.-Vl.(AGIV-product), 2009) ......................................................... 81 Figuur 3-31 Luchtfoto 2012 (Prov. O.-Vl. – Z., 2012) ........................................................................ 82
iv
Figuur 3-32 Gecorrigeerde grondwaterstanden WELP004 .................................................................. 84 Figuur 3-33 Grondwaterstanden WELP006 en vgl met WELP003 ........................................................ 84 Figuur 3-34 Gecorrigeerde grondwaterstanden WELP007 .................................................................. 84 Figuur 3-35 Gecorrigeerde grondwaterstanden WELP009 .................................................................. 85 Figuur 3-36 Gecorrigeerde grondwaterstand WELP010 ...................................................................... 85 Figuur 3-37 Gecorrigeerde grondwaterstand WELP018 ...................................................................... 85 Figuur 3-38 Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstand WELP019 ........................... 86 Figuur 3-39 Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstanden WELP030 ....................... 87 Figuur 3-40 Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstanden WELP039 ....................... 88 Figuur 3-41 Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstanden WELP040 ....................... 89 Figuur 3-42 Grondwaterfluctuaties (GHG-GLG in meters) in functie van de afstand tot de Dender voor de 45 geobserveerde grondwatermeetreeksen ............................................................... 90 Figuur 3-43 Geobserveerd verschil tussen GHG en GLG..................................................................... 90 Figuur 3-44 Evolutie jaargemiddelde grondwaterstanden boven maaiveld .......................................... 93 Figuur 3-45 Evolutie jaargemiddelde grondwaterstanden tijdens zomer- en wintermaanden ................ 97 Figuur 3-46 Correlatie GVG met overige grondwatertrappen periode 1992-1995 ................................. 100 Figuur 3-47 Correlatie GVG met overige grondwatertrappen periode 1992-2003 ................................. 101 Figuur 3-48 Geobserveerde tijdsreeks WELP001 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 108 Figuur 3-49 Geobserveerde tijdsreeks WELP002 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 109 Figuur 3-50 Geobserveerde tijdsreeks WELP003 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 109 Figuur 3-51 Geobserveerde tijdsreeks WELP024 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 110 Figuur 3-52 Geobserveerde tijdsreeks WELP033 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 110
v
Figuur 3-53 Geobserveerde tijdsreeks WELP034 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 111 Figuur 3-54 Geobserveerde tijdsreeks WELP035 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 111 Figuur 3-55 Geobserveerde tijdsreeks WELP036 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 112 Figuur 3-56 Geobserveerde tijdsreeks WELP039 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 112 Figuur 3-57 Geobserveerde tijdsreeks WELP041 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004 ................................................................................................................... 113 Figuur 3-58 Geobserveerde tijdsreeks WELP001 (zwart/rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-1995 ................................................................................................................... 114 Figuur 3-59 Geobserveerde tijdsreeks WELP032 (zwart/rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-1995 ................................................................................................................... 114 Figuur 3-60 Geobserveerde tijdsreeks WELP035 (zwart/rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-1995 ................................................................................................................... 114 Figuur 3-61 Topografie (mTAW) ...................................................................................................... 118 Figuur 3-62 Ondergrens quartair dek (mTAW) .................................................................................. 118 Figuur 3-63 Dikte (m) quartair dek .................................................................................................. 119 Figuur 3-64 Ligging observatieputten DOV (links) en detail put 423/21/5 ........................................... 120 Figuur 3-65 Modelrandvoorwaarden................................................................................................. 121 Figuur 3-66 Drainageniveau grachten en Rijtbeek, simulatie 1992-2004 voor jaargemiddelde (links), zomer (miden) en wintertoestand (rechts) ..................................................................... 124 Figuur 3-67 Drainageniveau grachten en Rijtbeek simulatie 2014 voor jaargemiddelde (links), zomer (miden) en wintertoestand (rechts) ............................................................................... 124 Figuur 3-68 Fit waargenomen/gemodelleerde jaargemiddelde grondwaterstanden ............................. 128 Figuur 3-69 Fit waargenomen/gemodelleerde grondwaterstanden tijdens winter ................................ 129 Figuur 3-70 Fit waargenomen/gemodelleerde grondwaterstanden tijdens zomer ................................ 130
vi
Figuur 3-71 Grondwaterdiepte zomer situatie 1992 – 2004 ............................................................... 131 Figuur 3-72 Jaargemiddelde grondwaterdiepte situatie 1992 – 2004 .................................................. 132 Figuur 3-73 Grondwaterdiepte winter situatie 1992 – 2004 ............................................................... 133 Figuur 3-74 Grondwaterdynamiek Winter – zomer situatie 1992-2004................................................ 134 Figuur 3-75: kwelflux [mm/dag] jaargemiddelde grondwatervoeding situatie 1992 – 2004 ................... 135 Figuur 3-76 Grondwaterdiepte zomer situatie 2014 ........................................................................... 137 Figuur 3-77 Jaargemiddelde grondwaterdiepte situatie 2014 ............................................................. 138 Figuur 3-78 Grondwaterdiepte winter situatie 2014 ........................................................................... 139 Figuur 3-79 Grondwaterdynamiek Winter – zomer situatie 2014 ........................................................ 140 Figuur 3-80 Kwelflux [mm/dag] jaargemiddelde grondwatervoeding situatie 2014 .............................. 141 Figuur 3-81 Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, huidige historische situatie 1992/2004 ....................................................................................... 142 Figuur 3-82 Verschilkaart kwelintensiteit huidige – historische situatie ............................................... 143 Figuur 3-83 Piper-diagram staalnames april 2014 ............................................................................. 158 Figuur 3-84 Piper-diagram staalnames september 2014 .................................................................... 158 Figuur 3-85 IR-EC diagram staalnames april 2014 ............................................................................ 160 Figuur 3-86 IR-EC diagram staalnames september 2014 ................................................................... 160 Figuur 3-87 EC-waarden, historisch (links) en actueel (rechts) .......................................................... 166 Figuur 3-88 SO4-waarden, historisch (links) en actueel (rechts) ......................................................... 167 Figuur 3-89 Fe-waarden, historisch (links) en actueel (rechts) ........................................................... 168 Figuur 3-90 N-NO3-waarden, historisch (links) en actueel (rechts) ..................................................... 169 Figuur 3-91 P-PO4-waarden, historisch (links) en actueel (rechts) ...................................................... 170 Figuur 4-1
Situering transecten en zonering ................................................................................... 174
Figuur 4-2
Habitatrichtlijngebied ‘‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’, deelgebied 24 .............................................................................. 180
Figuur 4-3
Indeling graslanden volgens vochttoestand, voedselrijkdom, pH en beheer. ..................... 186
Figuur 4-4
Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range percentiel 25-75). .......................... 196
Figuur 4-5
Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range percentiel 25-75). ....................... 197
Figuur 4-6
Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range percentiel 25-75). ......................... 198
vii
Figuur 4-7
Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range percentiel 25-75). ........................... 199
Figuur 4-8
Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG .................................................................... 200
Figuur 4-9
Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG ................................................... 201
Figuur 4-10 Potenties voor de realisatie van een aangesloten grasland- en moeraskern ...................... 206 Figuur 5-1
Scenario “onderhouden provinciale Rijt” ......................................................................... 209
Figuur 5-2
Scenario “maximale ontwatering” .................................................................................. 210
Figuur 5-3
Indicatief dwarsprofiel provinciale Rijt scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’ ................. 212
Figuur 5-4
Inrichtingsmaatregelen scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’ ....................................... 214
Figuur 5-5
Principeschets van een V-vormige overlaat (met verticaal slot) (bron: handboek vismigratie) .................................................................................................................. 214
Figuur 5-6
Indicatief dwarsprofiel provinciale Rijt scenario ‘Maximale ontwatering’ ............................ 218
Figuur 5-7
Inrichtingsmaatregelen scenario ‘Maximale ontwatering’ ................................................. 220
Figuur 5-8
Rivierrandvoorwaarden scenario “onderhouden provinciale Rijt” ...................................... 221
Figuur 5-9
Uitbreiding bestaand drainagenetwerk i.k.v. scenario “maximale ontwatering” ................. 223
Figuur 5-10 Grondwaterdiepte zomer (GLG) ..................................................................................... 225 Figuur 5-11 Jaargemiddelde grondwaterdiepte situatie (GVG) ........................................................... 226 Figuur 5-12 Grondwaterdiepte winter (GHG) .................................................................................... 227 Figuur 5-13 Grondwaterdynamiek winter – zomer situatie ................................................................. 228 Figuur 5-14 Kwelflux [mm/dag] jaargemiddelde grondwatervoeding .................................................. 229 Figuur 5-15 Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’ – t.o.v. ‘Huidige situatie’ .................................................. 230 Figuur 5-16 Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, scenario ‘Maximale ontwatering’ – t.o.v. ‘Huidige situatie’ ............................................................................ 231 Figuur 5-17 Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, scenario ‘Maximale ontwatering’ t.o.v. scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’ .............................................. 232 Figuur 5-18 Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range percentiel 25-75). .......................... 235 Figuur 5-19 Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range percentiel 25-75). ....................... 236 Figuur 5-20 Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range percentiel 25-75). ......................... 237 Figuur 5-21 Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range percentiel 25-75). ........................... 238 Figuur 5-22 Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG (range percentiel 25-75). .............................. 239
viii
Figuur 5-23 Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG (range percentiel 25-75). ............. 240 Figuur 5-24 Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (Natura 2000) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied) ................................................................................................................. 241 Figuur 5-25 Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (BWK typering) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied) ................................................................................................................. 242 Figuur 5-26 Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (plantengemeenschappen) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied) ................................................................................................................. 243 Figuur 5-27 Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (indeling boshabitats, moeras- en graslandhabitats en open water) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied) ...................................................... 244
ix
LIJST VAN TABELLEN Tabel 2-1
Vergelijking van de aangepaste Tansleyschaal volgens Demeulenaere et al. (2002) met de reguliere Tansley-schaal ........................................................................................... 7
Tabel 2-2
Aangepaste opnameschaal van Londo voor permanente kwadraten ................................. 8
Tabel 2-3
Overzicht van de geselecteerde aandachtsoorten die in detail in kaart werden gebracht ... 10
Tabel 2-4
Overzicht van karteringseenheden met weergave van BWK-eenheden ............................. 14
Tabel 2-5
Overzicht van de aanwezige vegetatietypes volgens de “Systematiek natuurtypen voor Vlaanderen” met corresponderende BWK-codes ............................................................. 1
Tabel 2-6
Overzicht van de gekarteerde BWK codes met hun naamgeving en overeenkomsten met de Natura 2000 typologie en Regionaal belangrijke biotopen ........................................... 2
Tabel 2-7
Europese habitattypes die gekarteerd werden in de Wellemeersen .................................. 4
Tabel 2-8
Regionaal belangrijke biotopen (rbb) die gekarteerd werden in de Wellemeersen ............. 4
Tabel 2-9
Overzicht van een aantal eigenschappen van de gekarteerde PQ’s in de Wellemeersen..... 9
Tabel 2-10 Lijst van kenmerken en indicatorklassen dewelke voor elke in 2014 en/of 1990 gekarteerde soort werd aangevuld (zie Bijlage 1 – Tabel 3) ............................................ 12 Tabel 2-11 Vertaalsleutel om vergelijking te kunnen maken van Vegetatieopname 1990 en 2014 ....... 13 Tabel 2-12 Lijst met de belangrijkste BWK-eenheden met hun respectievelijke oppervlakte per karteringsperiode ......................................................................................................... 14 Tabel 2-13 Overzicht van de BWK-codes in 2014, 2005 en 2000 ...................................................... 14 Tabel 2-14 Weergave van de verschillende BWK-codes gebruikt in het onderzoeksgebied in de loop van de verschillende karteringsperioden. De codes die opgenomen zijn in eenzelfde lijn en/of kleur worden door de jaren heen beschouwd als eenzelfde BWK-type. .................... 15 Tabel 2-15 Lijst van de geselecteerde Hydrofyten en Freatofyten in kader van dit onderzoek ............. 22 Tabel 2-16 Lijst van de Oudbosplanten in Vlaanderen (Naar: Luc De Keersmaeker, Johnny Cornelis and Lander Baeten (2010) BOSREVUE. p.17-21) ............................................................ 26 Tabel 2-17 Ellenberg N-getal .......................................................................................................... 43 Tabel 2-18 Ellenberg F-getal .......................................................................................................... 43 Tabel 2-19 Ellenberg R-getal .......................................................................................................... 44 Tabel 2-20 Ellenberg L-getal .......................................................................................................... 44 Tabel 2-21 Overzicht van de vitaliteit van de bomen in de boomlaag (>2m) en in de kruidlaag (<2m) in de karteringseenheden in de Wellemeersen ................................................................ 48 Tabel 3-1
Overstortvolumes [m³] in Rijtbeek en Wellemeersen (toestand C) ................................... 60
x
Tabel 3-2
Maximaal overstortdebiet [m³] in Rijtbeek en Wellemeersen (toestand C) ........................ 60
Tabel 3-3
Overzicht beschikbare meetpunten ................................................................................ 68
Tabel 3-4
Overzicht beschikbare data ........................................................................................... 69
Tabel 3-5
Overzicht ontbrekende periodes Teralfene EMT en Aalst ................................................. 71
Tabel 3-6
Overzicht correcties ...................................................................................................... 83
Tabel 3-7
GLG, GHG, GVG en jaargemiddelde grondwaterstanden voor de periodes ’92-’95 en ’92‘03 ............................................................................................................................... 98
Tabel 3-8
Overzicht verklarende varianties hydrologische jaren 1992-2003 ..................................... 106
Tabel 3-9
Overzicht verklarende varianties modellen hydrologische jaren 1992-1995 ....................... 113
Tabel 3-10: Overzicht hydrogeologische lagen voorkomend met voornaamste lithologische kenmerken (VMM, 2008) ................................................................................................................ 117 Tabel 3-11 Weerhouden waarden voor de horizontale (Kh) doorlaatbaarheid van de beschouwde rekenlagen ................................................................................................................... 122 Tabel 3-12 Kalibratieschema .......................................................................................................... 127 Tabel 3-13 Afwijkingen [m] t.o.v. gemeten waterstanden Jaargemiddelde grondwatervoeding ........... 127 Tabel 3-14 Afwijkingen [m] t.o.v. gemeten waterstanden zomer- en wintersituatie – startwaarde modelparameters ......................................................................................................... 127 Tabel 4-1
Oppervlaktebalans deelgebied 24 SBZ ‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’ .......................................................................................... 179
Tabel 4-2
Instandhoudingsdoelstellingen deelgebied 24 SBZ ‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’ ...................................................................... 181
Tabel 4-3
Referentiewaarden voor Elzen-Olmen-Essenbos (Ulmo-Fraxinetum) (91E0_veb) ............... 183
Tabel 4-4
Referentiewaarden voor vochtige Elzen-Essenbossen (Circaeo-Alnion) (91E0_bron) .......... 184
Tabel 4-5
Referentiewaarden voor mesotroof elzenbroekbos (Carici elongatae-Alnetum) (91E0_meso) ............................................................................................................... 184
Tabel 4-6
Referentiewaarden voor ruigte-Elzenbroek (Macrophorbio-alnetum) (91E0_eutr) .............. 185
Tabel 4-7
Referentiewaarden voor grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caruleae) (6410_ve) ....................................................................... 187
Tabel 4-8
Referentiewaarden voor voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430_hf) ............................................................................. 187
Tabel 4-9
Referentiewaarden voor laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) (6510_hu) .................................................................................................... 188
xi
Tabel 4-10 Referentiewaarden voor dotterbloemgraslanden (Calthion palustris) (rbb_hc) .................. 189 Tabel 4-11 Referentiewaarden voor moerasspirearuigte (Filipendulion) (rbb_hf) ............................... 189 Tabel 4-12 Referentiewaarden voor grote zeggenvegetaties (Caricion gracilis) (rbb_mc) ................... 190 Tabel 4-13 Referentiewaarden voor rietmoerassen (Phragmition) (rbb_mr)....................................... 192 Tabel 4-14 Referentiewaarden voor van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150) ...................................................................... 192 Tabel 4-15 Referentiewaarden voor kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion) (7220) ....... 193 Tabel 4-16 Referentiewaarden grondwaterstanden (uitgedrukt in cm onder maaiveld) voor de 25-75 percentielen ................................................................................................................. 194 Tabel 5-1
Oppervlakten vegetatietypen na hydrologische inrichting ................................................ 240
Tabel 5-2
Relevante kostenposten voor hydrologische inrichting van het gebied .............................. 245
Tabel 5-3
Om te vormen oppervlakten om te komen tot de natuurdoeltypen .................................. 246
Tabel 5-4
Indicatieve raming scenario 1 ‘Ontwateren provinciale Rijt’ ............................................. 248
Tabel 5-5
Indicatieve raming scenario 2 ‘Maximale ontwatering’ ..................................................... 249
xii
1.
INLEIDING
1.1
Interpretatie van de opdracht
De Wellemeersen zijn een 120 ha groot, laaggelegen moerassig gebied op de linkeroever van de Dender. Zowel op faunistisch als op floristisch vlak vormen de Wellemeersen een referentiesituatie voor de Dendervallei. Ook op het vlak van de abiotiek zijn er op niveau Vlaanderen zeldzame gradiënten aanwezig. Het natuurgebied is één van de laatste overstromingsgebieden van de Dendervallei en geniet volgende beschermingen: ▪
deelgebied 24 van het Habitatrichtlijngebied BE2300007 ‘Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuid-Vlaamse bossen’;
▪
VEN-gebied ‘De vallei van de Dender en de Mark’;
▪
erkend natuurreservaat ‘Wellemeersen’;
▪
groengebied volgens het gewestplan.
Het gebied is rijk aan potenties (zoals ook in het IHD-rapport wordt vermeld), maar kende de laatste decennia een achteruitgang door een gewijzigde hydrologische toestand en dit zowel op het vlak van waterkwantiteit als waterkwaliteit. Volgende (hydrologische) knelpunten worden in het bestek reeds aangehaald: ▪
Gewijzigde vegetatie in het centrale deel van het natuurgebied, door vernatting als gevolg van gebrekkige afwatering door waterloop de Rijt;
▪
Verontreinigde waterbodem in de Rijt, als gevolg van historische lozingen op de waterloop;
▪
Sterke ontwikkeling van Pitrus in de soortenrijke graslanden, wat leidt tot een verminderde biodiversiteit;
▪
Tussen de Rodestraat en Arendsveld (zuidelijk deel van het natuurgebied), treedt tevens een vernatting op. Deze vernatting leidt momenteel echter tot goed ontwikkelde broekbossen o.w.v. de goede waterkwaliteit en het droogvallen van het systeem in de zomer.
8
Figuur 1-1
Vernatting en aanwezigheid van Pitrus in het centrale gedeelte van het natuurgebied (Foto Nele Aerts, 2013)
Het doel van de studieopdracht is ecohydrologisch inzicht te vergaren in het natuurreservaat en de randvoorwaarden en potenties voor natuur te verkennen. Deze gegevens moeten de basis vormen voor het toekomstig natuurbeheer in de Wellemeersen en bieden een kader voor het bepalen van de haalbaarheid van een natuurinrichtingsproject voor de Wellemeersen. De belangrijkste doelstelling is inzicht te krijgen in het ecohydrologisch functioneren van het gebied. Hiermee wordt bedoeld dat inzicht verworven moet worden over de werking van de belangrijkste abiotische (hydrologische) processen en eigenschappen die een sturende rol spelen bij de biotische kenmerken van het gebied. Een analyse van het stromingssysteem, dat kwelgebieden met infiltratiegebieden verbindt, is cruciaal samen met een goed begrip van de oppervlakte waterafvoer. De studie zal in dit opzicht aangeven in welke richting de natuur evolueert. Deze evolutie omvat het verleden (10 à 20 jaar geleden), de huidige situatie en de toekomst (streefbeeld voor de komende 10 à 20 jaar). Daarnaast zal worden bekeken welke scenario’s mogelijk/haalbaar/wenselijk zijn om de huidige vernatting (en onderdrukking van kwel) eventueel te stoppen of te verminderen of terug te keren naar de hydrologische situatie van een paar decennia geleden. Het herstellen van natte graslanden, die minder dan 40 jaar geleden verwaarloosd werden, is mogelijk in een decennium tijd, zoals recent onderzoek uitwijst (Joyce, 2013 1). De scenario’s, die worden uitgewerkt en doorgerekend, zullen maximaal invulling geven aan het streefbeeld dat rekening houdt met de doelrealisatie voor de Europees aangemelde habitattypes in het SBZ-H BE2300007, alsook met de vegetatiedoeltypes zoals vastgesteld in het erkenningsdossier voor het natuurreservaat. Via een iteratief proces selecteren we en combineren we maatregelen tot optimale scenario’s, waarbij de maatregelen met een effect op het abiotisch systeem stapsgewijs bijgestuurd en verfijnd worden om uiteindelijk te convergeren naar een set van maatregelen, waarmee de natuurdoelen gerealiseerd worden.
1
Joyce, C. B. (2013). Ecological consequences and restoration potential of abandoned wet grasslands. Ecological Engineering. DOI: 10.1016/j.ecoleng.2013.05.008
8
Dit wordt schematisch in Figuur 1-2 toegelicht. Zodra de gewenste scenario’s zijn afgebakend (luik 4), wordt door instellen van maatregelen het grond- en oppervlaktewatersysteem én als gevolg hiervan de vegetatie gewijzigd. Deze 3 parameters zijn immers als in een raderwerk met elkaar verbonden. Bij een set maatregelen wordt getoetst of het gewenste scenario al bereikt is (Toets), zo niet, start het proces opnieuw totdat het gewenste scenario bereikt is.
grond- en oppervlaktewatersysteem
Gewenste scenario's
Toets
Maatregelen
Voorspellen vegetatie
Figuur 1-2
Iteratief proces: het schuiven met parameters van het grond- en oppervlaktesysteem en de daarop gebaseerde vegetatievoorspelling leidt uiteindelijk tot gewenste scenario’s voor natuurinrichting.
8
2.
LUIK 1 – BIOTIEK
2.1
Inleiding
In dit luik wordt het onderdeel ‘biotiek’ van het project Wellemeersen besproken. Naast een historischecologische beschrijving van het gebied wordt voornamelijk ingegaan op de in kader van dit project verzamelde en geïnterpreteerde vegetatiegegevens. Zowel de historische als recente vegetaties gelegen binnen het kerngebied van het natuurgebied Wellemeersen worden in detail geanalyseerd en besproken. In de methodologie wordt de werkwijze van het onderzoek toegelicht waarna de resultaten aan bod komen. De vergelijking tussen de historische en recente vegetatiegegevens vormt een belangrijk onderdeel van dit onderdeel van het rapport.
2.2
Methodologie
2.2.1
Opmaak actuele vegetatiekaart
Voor het kerngebied (zie Figuur 2-1 en Bijlage 1) van ca. 65 ha werd een dekkende vegetatiekaart gemaakt. Voorafgaand aan het veldwerk werden gedetailleerde veldkaarten (schaal 1/1000) aangemaakt. We gebruikten topografische kaarten en luchtfoto’s met de meest recente BWK-kartering (versie 2.2).
Figuur 2-1
Afbakening van het kerngebied waarbinnen de vegetatiekarteringen in de loop van 2014 werden uitgevoerd.
8
Figuur 2-2
Als basis voor de veldkaarten werden de meest recente luchtfoto’s (2012) en de laatste BWK (versie 2.2) gebruikt.
2.2.1.1 Afbakening van de karteringseenheden Afbakening van karteringseenheden van de in het veld herkenbare vegetatietypes, gekenmerkt door: ▪ Gelijkvormige standplaatskenmerken ▪ Vergelijkbare vegetatiesamenstelling ▪ Vergelijkbare vegetatiestructuur De begrenzing van de vegetatietypes sluit niet noodzakelijk aan bij de kadasterpercelen.
2.2.1.2 Vegetatieopname van de karteringseenheden
Voor elke karteringseenheid die behoort tot een bepaald vegetatietype werd een vegetatieopname gemaakt met de aangepaste Tansley-schaal (Demeulenaere et al. 2002) die wordt weergegeven in
8
Tabel 2-1. Wanneer het om bos ging werd zowel de kruidlaag als boomlaag apart ingeschat. Bomen met een hoogte onder 2 meter werden toegewezen aan de kruidlaag. Daarnaast werd de vitaliteit van de verschillende boomsoorten genoteerd per karteringseenheid aan de hand van volgende codes: Uitstekend (U), Matige vitaliteit (M), Afstervend (A), Dood (D) en Verjonging aanwezig (J).
8
Tabel 2-1
Vergelijking van de aangepaste Tansleyschaal volgens Demeulenaere et al. (2002) met de reguliere Tansley-schaal Aangepaste Tansley-schaal Code
Aantal individuen
‘Reguliere’ Tansley Bedekking
ZS
Zeer schaars
S
Schaars
WT T
Weinig talrijk Talrijk
ZT
Zeer Talrijk
>1000
LB
Laag bedekkend Matig bedekkend
Willekeurig
5-12%
Willekeurig
12-25%
KB
Kwart bedekkend
Willekeurig
25-50%
HB D
Halfbedekkend Dominant
Willekeurig willekeurig
50-75% 75-100%
MB
1-3
Sporadisch
4-10 11-100 101-1000
Tansley
<5%
Code S
Zeldzaam
R
Occasioneel Frequent
O F A
Abundant
Codominant Dominant
Cd D
Typologie van de karteringseenheden Op terrein worden BWK-eenheden toegekend aan de karteringseenheden. In de meeste gevallen gaat het om een combinatie van verschillende karteringseenheden, waarbij tussen haakjes het percentage wordt gegeven. Op basis van de ingevoerde vegetatieopnames in TURBOVEG werden met behulp het programma ASSOCIA de vegetatietypes van Nederland toegekend. De Nederlandse vegetatietypes werden verder vertaald naar de “Systematiek natuurtypen voor Vlaanderen” en Europese habitattypes.
2.2.2
Opname vegetatie in proefvlakken
2.2.2.1 Situering van de proefvlakken Bij opmaak van de vegetatiekaart en vergelijking met historische BWK-karteringen werden een aantal sleutelpercelen geselecteerd. Het merendeel van de proefvlakken ligt in één van deze sleutelpercelen. Daarnaast werd gekeken om de proefvlakken goed te spreiden over de verschillende vegetatietypes.
2.2.2.2 Uitzetten, markeren en opname van de proefvlakken Er werden 20 permanente kwadraten (PQ’s) uitgezet en opgenomen in 2014. De grootte van de PQ’s verschilt naar gelang het vegetatietype: ▪
3m x 3m voor graslandvegetaties en ruigtes;
▪
10m x 10m voor bossen en struwelen.
De permanente kwadraten werden gekozen na een grondige verkenning van het perceel. Het zijn homogene proefvlakken die representatief zijn voor het vegetatietype waarin ze gelegen zijn. In de permanente kwadraten werd een soortenlijst van de kruidlaag en eventueel ook de struiklaag en de boomlaag opgemaakt en werd van elke soort de bedekking ingeschat met de aangepaste Londo-
8
schaal (zie Tabel 2-2). Er werd een veldfiche opgemaakt waarop een schets van het proefvlak werd ingetekend, met referentiepunten. Tabel 2-2
Aangepaste opnameschaal van Londo voor permanente kwadraten Londo
Aantal individuen
Bedekking
r1
sporadisch 1-3 (rarum)
<1%
r2
sporadisch 1-3 (rarum)
1-3 %
r4
sporadisch 1-3 (rarum)
3-5 %
p1
weinig talrijk 4-20 (paulum) < 1 %
p2
weinig talrijk 4-20 (paulum) 1-3 %
p4
weinig talrijk 4-20 (paulum) 3-5 %
a1
talrijk 21-100 (amplum)
<1%
a2
talrijk 21-100 (amplum)
1-3 %
a4
talrijk 21-100 (amplum)
3-5 %
m1
zeer talrijk >100 (multum)
<1%
m2
zeer talrijk >100 (multum)
1-3 %
m4
zeer talrijk >100 (multum)
3-5 %
1
willekeurig
5-15 %
1-
willekeurig
5-10 %
1+
willekeurig
10-15 %
2
willekeurig
15-25 %
3
willekeurig
25-35 %
4
willekeurig
35-45 %
5
willekeurig
45-55 %
5-
willekeurig
45-50 %
5+
willekeurig
50-55 %
6
willekeurig
55-65 %
7
willekeurig
65-75 %
8
willekeurig
75-85 %
9
willekeurig
85-95 %
Daarna wordt een volledige plantenlijst opgemaakt en wordt de bedekkingsgraad volgens de Londoschaal per soort genoteerd. Alle opgenomen PQ’s werden gefotografeerd (minstens 2 foto’s) op het moment van de opname. Het nummer van de PQ en de datum is op foto leesbaar door middel van een paaltje waarop een papier werd bevestigd. De foto werd –indien mogelijk– steeds genomen in noordelijke richting. Een overzicht van de ligging van de PQ’s en foto’s wordt gegeven in Bijlage 3. Zoals afgesproken met de opdrachtgever werden de proefvlakken omwille van hun situering in vaak permanent onder water staande terreinen daar waar mogelijk uitgemeten op basis van reeds aanwezige peilbuizen. Voor 11 proefvlakken werd één van de hoekpunten permanent gemarkeerd met behulp van een duurzame pvc-buis. Deze buizen kunnen desgewenst in de toekomst nog vervangen worden door echte peilbuizen.
8
2.2.3
Gegevensverwerking vegetatieopnamen
De gegevensverwerking van zowel de Tansley-opnames van de homogene vegetaties als de opnames van de PQ’s met Londo-schaal, omvat de volgende stappen. 1. De gegevens werden ingevoerd in Turboveg, de gegevens worden geleverd in XML-formaat. 2. Vervolgens gebruikten we het programma Associa als hulpmiddel om de vegetatietypes (volgens de typologie van de ‘Vegetatie van Nederland’) te bepalen. Dit programma werkt vrij goed voor opnames in proefvlakken, maar minder goed voor Tansley-opnames. Het hoge aantal zogenaamde ‘weird species’ zorgt in dat geval voor een hogere dissimilariteitsindex: doordat een Tansley opname meer soorten bevat, verschilt de opname sterker van de referentiebestanden waarmee Associa vergelijkt (deze zijn immers gebaseerd op opnames in proefvlakken). 3. We maakten vervolgens de vertaalslag naar de Vlaamse natuurtypes (zoals weergegeven op www.inbo.be). Via onze uitgebreide terreinervaring weten we dat voor heel wat polygonen / vegetatietypen een eigen naamgeving dient voorzien te worden omdat het onverzadigde gemeenschappen betreft. Voorbeelden zijn ‘aanplant zomereik’, ‘RG waterpeper’ of ‘RG grote brandnetel’ waarbij we wel aangeven tot welk verbond de RG (rompgemeenschap) behoort. 4. De BWK-eenheden kunnen automatisch vertaald worden vanuit de terreinopnames, maar werden in kader van dit project reeds op terrein bepaald. Het gaat meestal om een combinatie van verschillende BWK-codes, waarvan het presentiepercentage tussen haakjes werd gezet. 5. Tenslotte geven we weer met welke Europese habitat-typologie of Regionaal belangrijke biotopen (RBB) deze overeenkomen. Deze gegevens zijn terug te vinden in de tabel in Bijlage 2 en worden in kaart gebracht in Bijlage 1.
2.2.4
Kartering aandachtsoorten
Deze lijst met bijzondere plantensoorten – aandachtsoorten – bevat zowel zeldzame soorten als soorten die vanuit ecologisch standpunt waardevol zijn omdat ze specifieke eisen stellen aan hun milieu. Deze soorten werden met GPS individueel ingemeten. Tabel 2-3 geeft de 30 aandachtsoorten met hun ecologie en Rode Lijststatus.
8
Tabel 2-3
Overzicht van de geselecteerde aandachtsoorten die in detail in kaart werden gebracht
Nederlandse naam
Rode Lijst
Ecologie
Adderwortel
Momenteel niet bedreigd
Grasland op natte tot vochtige, matig voedselrijke bodem
Blauw glidkruid
Momenteel niet bedreigd
Watervegetatie, ruigte, bossen en struwelen op matig voedselrijke bodem.
Bosorchis/Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata s.l.) Gele dovenetel
Kwetsbaar
Grasland op vochtige, voedselarme, basische bodem.
Momenteel niet bedreigd
Bossen en struwelen op vochtige, voedselarme tot matig voedselrijke, basische tot zwak zure bodem;
Geoord helmkruid
Momenteel niet bedreigd
Ruigte op natte, matig voedselrijke bodem.
Gevlekte aronskelk
Momenteel niet bedreigd
Bossen en struwelen op vochtige, basische bodem.
Gevleugeld helmkruid
Momenteel niet bedreigd
Bossen, struwelen en ruigten op natte, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke bodem.
Gewone salomonszegel
Momenteel niet bedreigd
Bossen en struwelen op vochtige, voedselarme tot matig voedselrijke bodem.
Graslathyrus
Zeldzaam
Grasland op vochtige, matig voedselrijke, basische bodem.
Groot moerasscherm
Momenteel niet bedreigd Kwetsbaar
Grasland en verlandingsvegetatie op natte, zeer voedselrijke bodem. Grasland op natte tot vochtige, voedselarme tot matig voedselrijke bodem.
Gulden boterbloem
Momenteel niet bedreigd
Grasland, bossen en struwelen op vochtige, voedselarme tot matig voedselrijke bodem.
Heggenvogelmuur
Onvoldoende gekend
Vochtige, matig voedselrijke bodem, aan bosranden.
Kikkerbeet
Kwetsbaar
Verlandingsvegetatie in matig voedselrijk hard water.
Knolsteenbreek
Momenteel niet bedreigd
Grasland op vochtige, matig voedselrijke bodem.
Moerasstreepzaad
Momenteel niet bedreigd
Graslanden, bossen en struwelen op natte, matig voedselrijke bodem.
Moesdistel
Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd
Grasland, bossen en ruigtes op natte, matig voedselrijke bodem. Nat grasland, watervegetatie en verlandingsvegetatie op matig voedselrijke tot zeer voedselrijke bodem.
Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd
Ruigte op natte tot vochtige, matig tot zeer voedselrijke bodem. Bronnen, kwelplekken en ruigtes op natte, matig voedselrijke bodem.
Schildereprijs
Momenteel niet bedreigd
Nat grasland, pioniervegetatie en watervegetatie op matig voedselrijke tot voedselarme bodem.
Tongvaren
Momenteel niet bedreigd
Pioniervegetatie op vochtige muren
Valse voszegge
Momenteel niet bedreigd
Grasland op natte tot vochtige, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke bodem.
Verspreidbladig goudveil
Momenteel niet bedreigd
Bronnen en kwelplekken in bossen op matig voedselrijke, natte bodem.
Vierzadige wikke
Momenteel niet bedreigd
Pioniervegetatie op vochtige, matig voedselrijke bodem.
Grote ratelaar
Pijptorkruid Poelruit Reuzenpaardenstaart
8
Voszegge
Bedreigd
Grasland op matig tot zeer voedselrijke bodem.
Waterviolier
Momenteel niet bedreigd
Water en verlandingsvegetatie in matig voedselrijk water.
Witte waterkers
Achteruitgaand
Pioniervegetatie tot verlandingsvegetatie op natte, matig tot zeer voedselrijke bodem.
Zwartblauwe rapunzel
Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd
Bossen en struwelen op vochtige, voedselarme, basische tot zwak zure bodem. Bossen en struwelen op natte, matig voedselrijke bodem.
Achteruitgaand
Bossen op matig voedselarme, droge zure grond
Zwarte bes Gewone eikvaren
2.2.5
Vergelijking historisch-ecologische gegevens met recente gegevens van het gebied
Voor dit onderdeel worden de beschikbare historische gegevens over het gebied opgevraagd, geanalyseerd en verwerkt en vergeleken met de actuele vegetatiegegevens. Een belangrijke dataset zijn de vegetatiekarteringen van de plantenwerkgroep van de Wellemeersen. In de loop van de jaren 1990 en 1991 werd praktisch het ganse kerngebied van de Wellemeersen in detail geïnventariseerd inclusief aanduidingen van de abundanties van de aanwezige soorten (Figuur 2-3). Om te komen tot een goed onderbouwde vergelijking tussen de huidige (2014) en historische vegetatietoestand (1990) werden volgende handelingen uitgevoerd: ▪
De vegetatieopnames van de 2 periodes werden ingevoerd in TURBOVEG
▪
Met behulp het programma ASSOCIA werden de vegetatietypes van Nederland toegekend
▪
De Ellenbergwaarden voor Vocht, Zuur, Licht en Stikstof werden gekoppeld aan elke soort
▪
De oudbos-indicatoren werden geselecteerd naar De Keersmaeker et al. (2010)
▪
Bepaling indicatorsoorten bepaald voor bepaalde vegetatietypes
8
Figuur 2-3
Vegetatiepolygonen van de in 1990 en 1991 uitgevoerde vegetatiekarteringen
2.3
Resultaten
2.3.1
Geactualiseerde vegetatiekaart
Voor het kerngebied van ca. 65 ha werd een dekkende vegetatiekaart gemaakt. Voorafgaand aan het veldwerk werden gedetailleerde veldkaarten (schaal 1/1000) aangemaakt. We gebruikten topografische kaarten en luchtfoto’s (Ortho 2012) met de meest recente BWK-kartering (versie 2.2) (Figuur 2-2).
2.3.1.1 Karteringseenheden 2.3.1.1.1 Inleiding In totaal werden 97 homogene vegetatiepolygonen afgebakend. Voornamelijk door de grote hydrologische veranderingen en in mindere mate het begrazingsbeheer zijn de vegetatiepolygonen meer en meer een afspiegeling van de abiotische en biotische omstandigheden (Figuur 2-4). In het verleden vielen de grenzen van de vegetatiepolygonen in belangrijke mate samen met de kadasterpercelen en het daarbinnen uitgevoerde beheer. Een detailoverzicht van de karteringseenheden op grotere schaal wordt weergegeven in Bijlage 1.
8
Figuur 2-4
Afgebakende karteringseenheden van de vegetatiekartering in 2014
2.3.1.1.2 Vegetatieopnamen van de karteringseenheden Zowel de vegetatieopnamen van 2014 als de historische opnamen van 1990 werden verwerkt in Turboveg. Dit laat ons toe om de nodige vergelijkingen te maken in het vergelijkende hoofdstuk 2.3.2. De gedetailleerde floragegevens per gekarteerde eenheid van zowel de recente (2014) als historische (1990) opnamen worden omwille van hun omvang als digitale bijlage aangeleverd.
2.3.1.1.3 Vegetatietypologie Op terrein worden BWK-eenheden toegekend aan de karteringseenheden. In de meeste gevallen gaat het om een combinatie van verschillende karteringseenheden, waarbij tussen haakjes het percentage wordt gegeven. Op basis van de ingevoerde vegetatieopnames in Turboveg werden met behulp het programma Associa de vegetatietypes van Nederland toegekend. De Nederlandse vegetatietypes werden verder vertaald naar de “Systematiek natuurtypen voor Vlaanderen” (d.m.v. expertenoordeel en naar de documenten Vlaamse natuurtypologie op www.inbo.be) en Europese habitattypes (d.m.v. expertenoordeel en naar Decleer et al. 2007). ▪ ▪
Een overzicht van de karteringseenheden met weergave van BWK-codes is weergegeven in Tabel 2-4. Een overzicht van de aanwezige vegetatietypes volgens de “Systematiek natuurtypen voor Vlaanderen” wordt weergegeven in
8
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Tabel 2-5. Een overzicht van de aanwezige Europese habitattypes wordt weergegeven in Tabel 2-7. Een overzicht van de aanwezige Regionaal belangrijke biotopen (rbb) wordt gegeven in Tabel 2-8. Een overzichtskaart van de gekarteerde eenheden (BWK 2014) binnen het kerngebied van de Wellemeersen wordt weergegeven in Figuur 2-4. Een overzichtskaart van de gekarteerde eenheden op basis van de Vlaamse natuurtypologie wordt weergegeven in Figuur 2-4. Een overzichtskaart van de gekarteerde eenheden op basis van de Beschermde Europese en Vlaamse habitats wordt weergegeven in Figuur 2-4.
In Bijlage 2 wordt een algemeen overzicht gegeven van de Karteringseenheden (Opname 2014) met weergave van BWK-code, aantal waargenomen soorten, aantal Rode lijstsoorten, Aandachtssoorten, ingeschatte ecologische waarde, Vegetatietype van Nederland, ruw vegetatietype, Vlaams vegetatietype en Europees habitattype. Een score die een samenvatting geeft van de ecologische waarde van het betreffende polygoon. Dit is een expertenoordeel op basis van alle overige variabelen en eventueel andere elementen zoals het voorkomen van bijzondere fauna. Hierbij wordt vooral rekening gehouden met het aantal Rode Lijstsoorten en aandachtssoorten en minder met de soortendiversiteit die op zich geen goed criterium is voor evaluatie. Verstoorde ecotopen zijn soms soortenrijker dan stabiele, oude, ecologische zeer waardevolle ecotopen. Dit heeft te maken met het opduiken van een aantal banale ‘storingssoorten’. In Bijlage 2 wordt een beschrijving gegeven voor elke gekarteerde BWK-eenheid. Voor elke soort die waargenomen werd tijdens de opnamen van 2014 en/of 1990 werd op basis van het Vegetatietype van zowel Nederland als Vlaanderen, de Ellenbergwaarden en expertenoordeel weergegeven of ze als indicatorsoorten gelden voor een specifiek type. Deze typische indicatorsoorten per vegetatietype werden gebundeld. Daar dit onderdeel de plantensoorten tevens indeelt in verschillenden groepen (indicatorgroepen) wordt deze lijst ook in dit Hoofdstuk opgenomen (zie Tabel 2-4 voor de verschillende indicatorklassen, zie Bijlage 2 voor de totaallijst). Met deze soortlijsten werd aan de slag gegaan om te komen tot vergelijkingen.
20140423 Va
Va
100
3
20140423 Vn
Vn
100
4
20140423 Va (70) + Qa (30)
Va
70
Qa 30
5
20140423 Lhb (90) + Mc (10)
Lhb
90
Mc 10
6
20140506 Va(95) + Kalktufbron (5)
Va
7
20140506 Va
Va
100
8
20140506 Va
Va
100
Per_eenheid4
2
Eenheid4
85
Per_Eenheid3
Vn
Eenheid3
Per_eenheid1
20140423 Vn (85) + Hfc (15)
Eenheid2
Eenheid1
1
BWK
Per_eenheid2
Overzicht van karteringseenheden met weergave van BWK-eenheden
Datum (jaar/maand/dag)
Karteringseenheid
Tabel 2-4
Hfc 15
95 Kalktufbron
5
1
50
Qa 50
11 20140516 Va (80) + Vm (20)
Va
80
Vm 20
12 20140416 Vm (90) + Ae (10)
Vm
90
Ae 10
13 20140516 Vm (80) + Lhb/Mc (20)
Vm
80
Lhb/Mc 20
14 20140516 Vm (70) + Lh/Mc (30)
Vn
70
Lh/Mc 30
15 20140520 Vm (95) + Ae-(5)
Vm
95
16 20140520 Vm (90) + Sf (10) Lh/Hf (60) + Lh/Mc (30) + 17 20140507 Lh/Mr (10)
Vm
90
Sf 10
Lh/Hf
60
Lh/Mc 30
Lh/Mv 10
Vm
60
Hfb 25
Mcb 15
Lh/Hf
60
20 20140527 Va
Va
100
21 20140527 Hf (85) + Mr- (15)
Hf
85
Mr- 15
22 20140527 Mc (70) + Mr- (30)
Mc
70
Mr- 30
23 20140616 Ae-
Ae-
100
24 20140603 Vm
Vm
100
25 20140603 Vm
Vm
100
Lh/mc
100
Vm
60
Vn 40
Lh/Mr
50
Lh/Mc 30
Hp*
100
18 20140527 Vm (60) + Hfb (25) + Mcb (15) Lh/Hf (60) + Lh/Mc (30) + 19 20140527 Lh/Mr- (10)
26 20140603 Lh/Mc 27 20140603 Vm (60) + Vn (40) Lh/Mr (50) + Lh/Mc (30) + Vm 28 20140603 (20) 29 20140610 Hp* 30 20140610 Kb
5
Lh/Mc 30 Lh/Mr- 10
Kb
100
Hp*
50
Kh
100
Hp*
100
Vn
50
Lhb 50
Hp*
85
Hr 15
Vn
85
Hr 15
37 20140611 Lhb + Hr
Lhb
50
Hr 50
38 20140611 Hp* + Hf- + Hj
Hp*
Hfb 25
31 20140606 Hp* + Kb 32 20140610 Kh 33 20140610 Hp* 34 20140610 Vn + Lhb 35 20140611 Hp* (85) + Hr (15) 36 20140611 Vn (85) + Hr (15)
Vn
50
Va
35
41 20140611 Hp (90) + Hrb (10)
Hp
90
42 20140611 Kb
Kb
100
43 20140611 Hp (90) + Hp* (10)
Hp
90
44 20140611 Hj + Hp* + Hc
Hj
Vm 20
Kb 50
Hf-
39 20140611 Vn (50) + Hfb (25) + Hrb (25) Va (35) + Lhb/Hf (30) + 40 20140611 Lhb/Hc (20) + Lhb/Hc (15)
Per_eenheid4
Per_Eenheid3
Va
Eenheid4
Eenheid3
10 20140516 Va (50) + Qa (50)
Ae-
Per_eenheid2
Va 10
20140516 Qa (85) + Va (10) + Hf (5)
Eenheid1
85
BWK
Eenheid2
5
Per_eenheid1
Datum (jaar/maand/dag)
Karteringseenheid
Hf
Qa
9
Hj Hrb 25
Lhb/Hf 30 Lhb/Hc 20 Lhb/Hc
15
Hrb 10 Hp* 10 Hp*
Hc
2
Hu- 20
Hr
80
Hf 10
48 20140616 Kb
Kb
100
49 20140616 Lsb (80) + Sz (20)
Lsb
80
Sz 20
50 20140616 Hx (90) + Hp (10)
Hx
90
Hp 10
51 20140616 Vm (70) + Ae- (30)
Vm
70
Ae- 30
52 20140616 Hj (80) + Ae- (20)
Hj
80
Ae- 20
53 20140616 Mc (90) + Sf (10)
Mc
90
Sf 10
54 20140616 Hc Mr° (40) + Mc (30) + Ae- (25) 55 20140625 + Vm (5)
Hc
100
Mr°
40
56 20140625 Hj
Hj
100
57 20140625 Hr
Hr
100
58 20140625 Kh
Kh
100
59 20140625
Kb
100
60 20140625 Mc (80) + Hj (20) Mc (30) + Hr (30) + Hr° (20) + 61 20140626 Vm (20)
Mc
80
Hj 20
Mc
30
Hr 30
62 20140625 Mr° (70) + Hf (30) Vr (40) + Hp (20) + Hr (20) + 63 20140701 Vn (20)
Mr°
70
Hf 30
Vr
40
Hp 20
64 20140625 Mc (50) + Mr° (45) + Sf (5)
Mc
50
Mr° 45
65 20140625 Kb
Kb
100
66 20140625 Mc (90) + Mr° (10)
Mc
90
67 20140625 Ae-
Ae-
100
68 20140625 Lsb
Lsb
100
69 20140625 Hu ( 70) + Hr (30) Hf (30) + Hr (25) + Sz (25) + 70 20140701 Mc (20)
Hu
70
Hr 30
Hf
30
Hr 25
71 20140701 Ae- (90) + Me (10) Hr (60) + Mr (20) + Ur (10) + 72 20140701 Gml (10)
Ae-
90
Mc 10
Hr
60
Mr 20
73 20140701 Ae-
Ae-
100
74 20140701 Ae-
Ae-
100
75 20140701 Mrb
Mrb
100
76 20140701 Ae-
Ae-
100
77 20140701 Kn
Kn
100
78 20140701 Ae+
Ae+
100
79 20140701 Ae+
Ae+
100
Mc 30
Per_eenheid4
50
Eenheid4
KI
Per_Eenheid3
Hr 40 Sz
15
5
Mrv
5
Ae- 25
Vm
5
Hr° 20
Vm
20
Hr 20
Vn
20
Sz 25
Mc
20
Ur 10
Gml
10
Eenheid3
Eenheid2
60
Kb
Per_eenheid2
Per_eenheid1
Se
BWK
Eenheid1
Datum (jaar/maand/dag)
Karteringseenheid
45 20140616 Se (60) + Hr (40) Kl (50) + Hu- (20) + Hr (15) + 46 20140616 Sz(15) Hr (80) + Hf (10) + Hfc (5) + 47 20140616 Mru (5)
Hv 15 Hfe
Sf
5
Mr° 10
3
Kn-
100
81 20140701 Ae-
Ae-
100
82 20140701 Ae+
Ae+
100
83 20140701 Ae-
Ae-
100
84 20140701 Hfb (70) + Mrb (30)
Hfb
70
85 20140701 Hp
Hp
100
87 20140701 Hr + Mrb Hr+ (60) + Mcb (25) + Hfb 88 20140711 (15)
Hr
89 20140701 Ae+ 90 20140616 Bl 96 20140715 Sf(+) (75) + Ae- (25) 97 20140715 Hp*
Per_eenheid4
Eenheid4
Per_Eenheid3
Eenheid3
Per_eenheid2
Eenheid2
Per_eenheid1
Eenheid1
BWK
Datum (jaar/maand/dag)
Karteringseenheid
80 20140701 Kn-
Mrb 30 Mrb
Hr
60
Ae+
100
BI
100
Sf
75
Hp*
100
Mcb 25
Hfb 15
Ae- 25
4
Tabel 2-5
Overzicht van de aanwezige vegetatietypes volgens de “Systematiek natuurtypen voor Vlaanderen” met corresponderende BWK-codes
Broekbossen
BWK
Essen-Elzenbos met bloedzuring
Vn
Essen-elzenbos met Goudveil en Reuzenpaardenstaart
Va
Elzenbroekbos met Pluimzegge en Moerasvaren
Vm
Ruigtes Associatie van Moerasspirea en Valeriaan
Hf
Associatie van Bijvoet en boerenwormkruid
Hp*
Rompgemeenschap van Bosbies (Calthion/filipendula)
Hp*
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Look-zonder-Look
Vn + Hr
Rompgemeenschap van Pitrus
Hj + Hp*+ Hp, Hp*, Hj+Ae-
Natte ruigten van het moerasspireaverbond
Hc, Hr
Moerassen Grote zeggegemeenschappen met Scherpe zegge en Oeverzegge
Mc
Rietmoerassen
Mc + Ae, Mrb, Ae-, Ae+
Open water Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype
Mc+Sf, Ae-, Ae+
Waterviolier Kranswier-ionenrijk type
Kn + veedrinkpoel, Ae+
Struwelen en mantels Associatie van sleedoorn en Meidoorn
Kb, Kh
Pioniersmilieus Klasse van de ruderale gemeenschappen met tredplanten
Hp* + Kb
Voedselminnende pioniersgemeenschappen met Waterpeper
Hj, Mc+Hj, Kn-
Associatie van Blauwe waterereprijs en Waterpeper
Ae-
Graslanden Rompgemeenshap Gestreepte witbol (Glanshaververbond)
Hp, Hx
Glanshaververbond
Hp, Hp*, Hu
1
Tabel 2-6
Overzicht van de gekarteerde BWK codes met hun naamgeving en overeenkomsten met de Natura 2000 typologie en Regionaal belangrijke biotopen
Karteringseenheid
Variant
a
Naam
Naamgeving natuurdecreet
N2000-code
N2000-typologie
rbb-code
Stilstaande waters 3150
Hydrocharition
ae
Eutroof water
m
Moerassen
mc
Grote zeggenvegetatie
Grote zeggenvegetatie
rbbmc
mr
Rietland en andere vegetaties van het rietverbond
Rietland
rbbmr
mr°
Slecht ontwikkelde moerasvegetaties (bv liesgrasvegetaties)
Rietland
rbbmr
mru
Rietruigte
Rietland
rbbmr
h
Eutrofe plas
Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of
Halfnatuurlijke graslanden
hc
Dotterbloemgrasland
vochtig, lichtbemest grasland ('dotterbloemgrasland')
hf
Moersspirearuigte
natte ruigte met moerasspirea
6430
Moersspirearuigte met moesdistel
natte ruigte met moerasspirea
6430
Mesofiel hooiland
Mesofiel hooiland
6120
hfc hu
Mogelijk: 6410
Mogelijk: Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae) Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en montane en alpiene zones Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en montane en alpiene zones Kalkminnend grasland op dorre zandbodem
rbbhc rbbhf rbbhf
Soortenrijke permanente graslanden hj
vochtig grasland gedomineerd door russen
vochtig, lichtbemest grasland gedomineerd door russen
hp*
soortenrijk permanent cultuurgrasland
soortenrijk permanent grasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden
rbbhp*
Graslanden met beperkte biologische waarden hp
soortenarm permanent grasland
hx
zeer soortenarm, vaak tijdelijk grasland Ruigten en pioniersvegetaties
hr
verruigd grasland
hf hfc
Moersspirearuigte
natte ruigte met moerasspirea
Moersspirearuigte met moesdistel
natte ruigte met moerasspirea
Struwelen se
kapvlakte
kapvlaktestruweel
sf
vochtig wilgenstruweel op voedselrijke bodem
vochtig meso- tot eutroof wilgenstruweel
sz
opslag van allerlei aard
opslag van allerlei aard
rbbsf
2
Karteringseenheid
Variant
v
Naam
Naamgeving natuurdecreet
N2000-code
N2000-typologie
rbb-code
Vallei- en moerasbossen
va
alluviaal elzen-essenbros
vm
elzenbroek
vn
nitrofiel alluviaal elzenbos
f
Eiken - en beukenbossen
qa
eiken-haagbeukenbos
kp,l,p
Overige bossen, aanplanten en parken
alluviaal essen-olmenbos
mesotroof elzenbos met zeggen
91E0
91E0
nitrofiel alluviaal elzenbos
91E0
eiken-haagbeukenbos zonder wilde hyacint
9130
Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-
Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-
Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-
Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Beukenbossen van het type Asperulo-
Fagetum
Mogelijk: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior lh
populierenbestand op vochtige bodem
lhb ls lsb b,k
populierenaanplant op vochtige plaatsen
Mogelijk: 91E0
(Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)
Mogelijk: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior
populierenbestand op vochtige bodem met ondergroei van bomen en struiken
populierenaanplant op vochtige plaatsen
Mogelijk: 91E0
populierenbestand op droge bodem
populierenaanplant op droge plaatsen
Mogelijk: 9130
populierenbestand op droge bodem met ondergroei van bomen en struiken
Mogelijk: 9130
(Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Mogelijk: Beukenbossen van het type
Asperulo-Fagetum
Mogelijk: Beukenbossen van het type
Asperulo-Fagetum
akkers en tuinbouw
b
akker bl
akker op lemige bodem
kl
laagstamboomgaard
k
kleine landschapselementen
kb
bomenrij
bomenrijen
kh
houtkant
houtkanten, heggen en hagen
kn
veedrinkpoel
u
bebouwing en industrie
ur
bebouwing in agrarische omgeving
veedrinkput
3150
Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of
Hydrocharition
overige gml
gemengd loofhout
3
Karteringseenheid
Variant
Naam
Naamgeving natuurdecreet
Kalktufbron
Tabel 2-7
N2000-code
N2000-typologie
7220
Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)
rbb-code
Europese habitattypes die gekarteerd werden in de Wellemeersen
N2000-code
N2000-typologie
Onbetwiste aanwezigheid 91E0
Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)
6430
Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en montane en alpiene zones
Onvoldoende duidelijk of kwaliteitseisen gehaald worden 3150
Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition
6120
Kalkminnend grasland op dorre zandbodem
7220
Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)
9130
Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum
6410
Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae)
Tabel 2-8
Regionaal belangrijke biotopen (rbb) die gekarteerd werden in de Wellemeersen
rbb-code
Karteringseenheid
rbbhc rbbhf
Naam
Naamgeving natuurdecreet
N2000-code
N2000-typologie
hc
Dotterbloemgrasland
vochtig, lichtbemest grasland ('dotterbloemgrasland')
Mogelijk: 6410
Mogelijk: Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae)
hf
Moersspirearuigte
natte ruigte met moerasspirea
6430
Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en montane en alpiene zones
Moersspirearuigte met moesdistel
natte ruigte met moerasspirea
6430
Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en montane en alpiene zones
rbbhf
Variant
hfc
rbbhp*
hp*
soortenrijk permanent cultuurgrasland
soortenrijk permanent grasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden
rbbmc
mc
Grote zeggenvegetatie
Grote zeggenvegetatie
mr
Rietland en andere vegetaties van het rietverbond
Rietland
rbbmr rbbmr
mr°
Slecht ontwikkelde moerasvegetaties (bv liesgrasvegetaties)
Rietland
rbbmr
mru
Rietruigte
Rietland
vochtig wilgenstruweel op voedselrijke bodem
vochtig meso- tot eutroof wilgenstruweel
rbbsf
sf
4
Figuur 2-5
Weergave van de gekarteerde eenheden in het kerngebied van de Wellemeersen – BWK 2014 (kartering ikv dit project) 5
Figuur 2-6 Weergave van de gekarteerde eenheden (BWK 2014) met weergave van de Vlaamse vegetatietypologie. 6
Figuur 2-7 Weergave van aanwezige Beschermde Europese en Vlaamse habitats aanwezig binnen de gekarteerde eenheden in het kerngebied van de Wellemeersen – BWK 2014. 7
Voor een geactualiseerde LSVI (lokale staat van instandhouding) tabel van het projectgebied, wordt verwezen naar Bijlage 2. 2.3.1.2 Karteringsgegevens uit de PQ’s De vegetatieopnamen van de PQ’s werden verwerkt in Turboveg. De gedetailleerde floragegevens per PQ worden omwille van hun omvang als digitale bijlage aangeleverd. De veldformulieren van de opnames van de PQ’s worden in Bijlage 3 toegevoegd. Van elke PQ werd bij opname een foto gemaakt. Deze foto’s zijn terug te vinden als Bijlage 3. Een overzicht van de Karteringseenheid waarbinnen de PQ’s liggen, de situering in het gebied, de oppervlakte en vegetatie-eigenschappen worden weergegeven in Tabel 2-9.
8
Tabel 2-9
Overzicht van een aantal eigenschappen van de gekarteerde PQ’s in de Wellemeersen
1 W6
128.884
176.687 NW
10m x 10m
Va
2 W12
128.911
176.711 NW
10m x 10m
Vm
Vegetatie van Nederland 39RG04 RG Urtica dioica-[Alnion glutinosae] 39RG04 RG Urtica dioica-[Alnion glutinosae]
3 W54
128.832
177.021 ZO
3m x 3m
Hc
16AB05 Scirpetum sylvatici
PQ Karteringseenheid
Peilbuizen
X
Y
Hoekpunt
Oppervlakte
BWK
4 W53
128.791
177.017 ZO
3m x 3m
Mc + Sf
5 W23
128.812
176.978 ZW
3m x 3m
Ae-
6 W55 7 W96 8 W96
9 W66
peilbuis 22
128.759
177.098 ZO
3m x 3m
Ae-
128.519
176.888 NO
10m x 10m
Sf
128.348
176.952 ZO
10m x 10m
Sf
128.318
177.191 ZO
3m x 3m
Mc
08BC02A Caricetum gracilis typicum 01RG01 RG Lemna minor-[Lemnetea minoris]
08BC01 Caricetum ripariae 39AA02A Carici elongatae-Alnetum typicum 39AA02C Carici elongatae-Alnetum ribetosum nigri
08BC02A Caricetum gracilis typicum
Vlaamse vegetatietypologie 33AA05A UrticoAegopodietum alliarietosum 43AA04 Carici remotae-Fraxinetum 32AA01B ValerianoFilipenduletum holcetosum
RG Grote brandnetel (Elzenbroekbos) RG Grote brandnetel (Elzenbroekbos) RG van Bosbies (Calthion / Filipendulion)
08RG01 RG Glyceria maxima[Phragmitetea]
Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia)
08BB01A Scirpetum lacustris typicum
Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype
32RG04 RG Solanum dulcamaraPhragmites australis[ConvolvuloFilipenduletea]
Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia) Elzenbroekbos met pluimzegge en Moerasvaren Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren
08BA02A CicutoCaricetum typicum 38AA03A Cardamino amarae-Salicetum anthriscetosum
Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex 08BC02B Caricetum acuta) en oeverzegge gracilis comaretosum (Carex riparia) 9
PQ Karteringseenheid
Peilbuizen
10 W28
11 W61
128.330
peilbuis 1
12 W76
13 W76
X
peilbuis 7
Y
Hoekpunt
177.366 ZO
Oppervlakte
10m x 10m
BWK
08BC02A Caricetum gracilis Lf/Mr + Vm typicum 39AA02B Carici elongatae-Alnetum cardaminetosum Mc amarae 01RG01 RG Lemna minor-[Lemnetea Aeminoris]
128.305
177.447 ZO
3m x 3m
128.482
3m x 3m
128.475
177.379 ZO NWhoekpunt ligt 5 m ten oosten van 177.441 peilbuis 7
Mc
10m x 10m
Ae- + Vm
14 W61
peilbuis 2
128.313
NOhoekpunt ligt 2m ten zuiden van 177.465 peilbuis 2 3m x 3m
15 W4
peilbuis 33
128.908
176.842 ZO
10m x 10m
Va + Qa
16 W44
peilbuis 34
129.050
176.774 ZO
3m x 3m
Hj + Hp*
128.505
176.876 ZW
10m x 10m
Sf
17 W96
Vegetatie van Nederland
01RG01 RG Lemna minor-[Lemnetea minoris]
Vlaamse vegetatietypologie
16RG06 RG Carex disticha-[Calthion palustris] 39AA02C Carici elongatae-Alnetum ribetosum nigri 06AD01 LittorelloEleocharitetum acicularis 21RG02 RG Cymbalaria muralis[TortuloCymbalarietalia]
Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia) Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype
Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype
Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex 08BC02A Caricetum 08BC02B Caricetum acuta) en oeverzegge gracilis typicum gracilis comaretosum (Carex riparia) 3AB01C StellarioCarpinetum 43AA05 Prunotypicum Fraxinetum Eiken-haagbeukenbos 32RG05 RG Phalaris arundinacea16AB05 Scirpetum [ConvolvuloRG van Bosbies (Calthion / sylvatici Filipenduletea] Filipendulion) 39AA02B Carici 39AA02A Carici elongatae-Alnetum Elzenbroekbos met elongatae-Alnetum cardaminetosum pluimzegge en typicum amarae Moerasvaren
10
PQ Karteringseenheid
Peilbuizen
X
18 W41
peilbuis 35
129.144
19 W53
peilbuis 32
128.816
20 W51
peilbuis 32
128.816
Y
Vegetatie van Nederland
Hoekpunt Oppervlakte NWhoekpunt ligt 1m ten westen van 176.660 peilbuis 35 3m x 3m
BWK
177.002 ZO 3m x 3m NWhoekpunt ligt 3m ten oosten van 177.002 peilbuis 32 10m x 10m
Mc + Hp
16RG01 RG Holcus lanatus-Lolium perenne-[MolinioArrhenatheretea] 08RG01 RG Glyceria maxima[Phragmitetea]
Vm + Ae-
39AA02B Carici elongatae-Alnetum cardaminetosum amarae
Hp
Vlaamse vegetatietypologie 16RG04 RG Juncus effusus[Molinietalia/LolioPotentillion]
RG Gestreepte witbol[Arrhenatheretalia]
08BC01 Caricetum ripariae 38AA02A IridoSalicetum menthetosum
Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren
11
2.3.2
Vergelijking van de historische vegetatiegegevens (2014)
opnames
(1990)
met
de
actuele
2.3.2.1 Inleiding Zowel de vegetatiekartering uitgevoerd in 2014 als de historische uit 1990 werden verwerkt in Turboveg en gekoppeld aan de Eigenschappentabel (zie Tabel 2-10). Door deze gegevens te koppelen aan de karteringseenheden zijn we in staat de verschillen in vegetaties tussen 1990 en 2014 in kaart te brengen. Dit hoofdstuk bundelt alle kaarten en de bijhorende tabellen. In dit hoofdstuk zullen de belangrijkste conclusies gebundeld worden. Detailkaarten worden weergegeven in de kaartenbundel in Bijlage 1. Voor elke in 2014 en/of 1990 waargenomen soort werden met behulp van gegevens uit TURBOVEG, ASSOCIA, Ellenbergwaarden, oudbos-indicatoren en indicatorsoorten voor bepaalde vegetatietypes volgende categorieën aangevuld die terug te vinden zijn in Tabel 2-10: Tabel 2-10
Lijst van kenmerken en indicatorklassen dewelke voor elke in 2014 en/of 1990 gekarteerde soort werd aangevuld (zie Bijlage 1 – Tabel 3)
Soortnr.
Bron
Wetenschappelijke naam Ned. naam Grondwtr Ellenberg Licht Ellenberg Vocht Hydrofyten Obligaat freatofyten Natte obligaat freatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte obligaat freatofyten Kalk-afreatofyten Ellenberg Zuur Ellenberg Stiksof Oudbosplanten Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond Bronbeekindicatoren Rietklasseindicatoren Kleine zeggenindicatoren Indicatoren voor Dwergbiezenklasse Indicatoren voor Tandzaadklasse Indicatoren voor Natte Strooiselruigte Indicatoren voor Nitrofiele zomen Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water) Rode Lijst Positieve aandachtsoort
Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg Turboveg/Ellenberg De Keersmaeker et al. (2010) ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel ASSOCIA & expertenoordeel Van Landuyt et al. (2006) Expertenoordeel 12
Soortnr.
Bron
Negatieve aandachtsoort Socsrtgrp1 (ASSOCIA) Klasse Orde Verbond
Expertenoordeel ASSOCIA ASSOCIA ASSOCIA ASSOCIA
Associatie
ASSOCIA
Door de koppeling van bovenstaande kenmerken aan elke waargenomen soort werd het mogelijk om voor elke vegetatiepolygoon van 2014 en 1990 kaarten aan te maken waarbij de verschillende karakteristieken worden weergeven. Door het samentellen van de verschillende soorten met eenzelfde indicatorwaarde kan het belang van het perceel voor een bepaalde eigenschap, vegetatietype, etc op een duidelijke manier worden weergegeven. Op deze manier wordt de schaal en ‘ernst’ van de eventuele veranderingen tussen de twee karteringsperioden al snel duidelijk op kaart. Voor de detailwaarden wordt verwezen naar: ▪ Bijlage 2, Tabel 8: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990 ▪ Bijlage 2, Tabel 7: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014 Tijdens de vegetatiekarteringen in 1990 en 2014 werden de abundanties op een verschillende manier genoteerd. Om de abundaties tussen de verschillende karteringen te kunnen vergelijken werd volgende vertaalsleutel opgemaakt (Tabel 2-11). Tabel 2-11
Vertaalsleutel om vergelijking te kunnen maken van Vegetatieopname 1990 en 2014 Historische opname (1990)
Aangepaste Tansley (2014)
Gebruike abundanties (toegepast op 1990 en 2014)
1
ZS
1
2
S + WT + T
2
3
ZT + LB + MB
3
4
KB
4
5
HB
5
6
D
6
X
7
2.3.2.2 Vergelijking van de BWK-codes binnen de historische vegetatiekartering (1990) met recente vegetatiekartering (2014) Met behulp van de gis-lagen van de BWK-karteringen van de verschillende periodes werden BWKkaarten aangemaakt en oppervlaktes berekend per BWK-type. Omdat de karteringsmethode verschilt van periode tot periode werden voor de verwerking tot kaarten een aantal types samengeteld om tot een correcte vergelijking te kunnen komen.
13
2.3.2.2.1 Vergelijking van de totale oppervlaktes van de BWK-eenheden Drie BWK-karteringen van het gebied kunnen met elkaar vergeleken worden op basis van de totale oppervlakte per karteringseenheid. BWK1 werd opgemaakt rond 1990, BWK2.2 werd opgemaakt rond 2000 en onze eigen BWK werd opgemaakt in 2014. Tabel 2-12 geeft de oppervlaktes voor de belangrijkste vegetatietypes van de drie karteringsperiodes naast elkaar. Tabel 2-12
Lijst met de belangrijkste BWK-eenheden met hun respectievelijke oppervlakte per karteringsperiode
BWK-eenheden
Verklaring BWK
BWK1
BWK2.2
BWK2014
Ae
Open water
1,1097
1,1495
3,0228
Hc
Dotterbloemgrasland
2,9757
1,5935
0,0430
Hf
Moerasspirearuigte
0,6417
5,0348
1,8354
Hp
Cultuurgrasland
17,3480
16,6867
11,6940
Lh
Populierenbestand
19,1957
8,0082
3,5562
Mc
Grote zeggenvegetatie
3,7432
5,1429
3,5779
Mr
Rietmoeras
0,4286
1,0129
0,2413
Mr°
Slecht ontwikkelde moerasvegetatie - Liesgras
Sf
Wilgenstruweel
Va + Qa
Alluviaal elzen-essenbos, bossen met voorjaarsflora
Vm + Vn + Vr
Elzenbroek + Nitrofiel elzenbos
4,1714
0,1896
13,5087
9,1805
13,6593
3,6381
3,3988
10,3026
10,7856
2.3.2.2.2 Vergelijking van BWK-eenheden van een aantal sleutelpercelen doorheen de tijd De sleutelpercelen van de vegetatiekaart van BWK 2014 werden vergeleken met BWK 2.2 (rond 2000) en een vegetatiekaart van 2005 (Erkenningsdossier Natuurpunt). Tabel 2-13
Overzicht van de BWK-codes in 2014, 2005 en 2000
Polygoon 2014
BWK 2.2 (rond 2000)
BWK 2005
BWK 2014
W66
Hc + Kbs
Hc + Mc
Mc (90) + Mr° (10)
W55
Hp* + Hj + H(ae) + Mc + Hf + Sf + Lhb + Vn + pop
Mr° (40) + Mc (30) + Ae(25) + Vm (5) Hpr*+Mc+Hj+Hf+Vm+Sf
14
Polygoon 2014
BWK 2.2 (rond 2000)
BWK 2005
BWK 2014
W76
Hp* + Hj + H(ae) + Vn+ Kbp + Kba+ Kbfr
Vn + Hpr* + Mc + Hj + Hf + Hp*
Ae-
W16
Mc + pop
Va
Vm (90) + Sf (10)
W23
Hc + Kbs + Kbp
Ae-
W22
Mc (70) + Mr- (30)
W44
Hp* + Hc + Kn + Khs + Mc + Hf
Hf + Hc + Hp* + Hr + Ae
Hj + Hp* + Hc
W53
Hc + Kbs + Mc+ pop
Hc + Hf
Mc (90) + Sf (10)
W54
Hc + Kbs + Mc+ pop
Hc + Hf
Hc
W79
Vn + Vm
W78
Ae
Ae+ Hc+Hf
Ae+
2.3.2.2.3 Cartografische vergelijking van de BWK-eenheden Tabel 2-14
Weergave van de verschillende BWK-codes gebruikt in het onderzoeksgebied in de loop van de verschillende karteringsperioden. De codes die opgenomen zijn in eenzelfde lijn en/of kleur worden door de jaren heen beschouwd als eenzelfde BWK-type.
BWK 1
BWK 2.2
BWK 2014
Ae
A
A Kn
B
B
B
Ha
Hu
Hu
Hc
Hc
Hc
Hf
Hf
Hf Hj
Hp
Hp
Hp
Hr
Hr Kl
Kh 15
BWK 1
BWK 2.2
Lh
Lh
BWK 2014 K Lh Lsb
Mc
Mc
Mc
Mr
Mr
Mr Mr°
N Pa Sf
Sf
Sf Se
Sz U Vm Vn
U Va
Va
Vm
Vm Vn
Belangrijkste verschillen op vlak van BWK-kartering tussen de verschillende karteringsperiodes: Detailkaarten zijn opgenomen in de Kaartenbundel (Bijlage 1) ▪
Er treedt een soort van perceelsvervaging op tussen 1990 en 2014. Daar waar BWK 1 nog regelmatig samenvalt met de kadasterpercelen wordt dit door de jaren heen minder en minder duidelijk. Dit is vooral van toepassing op de centrale zone.
▪
De ‘blauwe vegetatietypes’ nl. Open water (A, Ae), Wilgenstruweel (Sf), Liesgrasvegetaties –die wijzen op stagnerend eutroof water– (Mr°) en Graslanden met een dominantie van Pitrus (Hj) nemen door de jaren heen een steeds grotere zone in. Deze toename is bijzonder ingrijpend. Dit gaat ten koste van Populierenaanplanten (Lh), Grote zeggenvegetaties (Mc), Broekbossen (voornamelijk Vn en Vm), Soortenrijke graslanden (Hp) en in mindere mate Dotterbloemgraslanden (Hc). Opmerking: de karteringseenheid Wilgenstruweel (Sf) bevat voor een belangrijk onderdeel (max. 20%) permanent open water zonder overstaande bomen of struiken.
▪
Het aandeel soortenrijke graslanden (Hp) neemt sterk af ten voordele van Open water (A, Ae), Wilgenstruweel (Sf), Liesgrasvegetaties (Mr°) en Graslanden met een dominantie van Pitrus (Hj). Een opvallende verandering is de historische omzetting van het in 1990 aanwezige grasland tussen de spoorwegtalud en de erosiewand in het zuidwesten van het gebied. Het is deze zone waar graslandherstel op dit moment leidt tot massavegetaties van Bosorchis.
▪
Het BWK-type populierenbestanden van het vochtige type (Lh) zijn geëvolueerd van aspectbepalend naar slechts sporadisch aanwezig. Deze ommekeer is het gevolg van het gevoerde beheer en een massale afsterving owv de grote hydrologische veranderingen.
▪
De ‘dotterbloemgraslanden’ (Hc) dewelke in 1990 nog ruim voorkomen, worden voornamelijk tussen 2002 en 2014 teruggedrongen tot een fractie van hun oorspronkelijke oppervlakte. De afname van deze vaak bijzonder biodiverse graslanden gebeurt ten gunste van Grote zeggenvegetaties (Mc), door Pitrus gedomineerde graslanden (Hj) en permanente 16
graslanden (Hp). Deze ommezwaai is voornamelijk te wijten aan hydrologische veranderingen (en het hieraan gekoppelde onmogelijk maken van hooilandbeheer) en in mindere mate een resultaat van een bewuste verandering van het gevoerde beheer om over te gaan tot begrazing.
Figuur 2-8 Vergelijkingskaarten van de verschillende BWK-karteringen voor de kernzone van de Wellemeersen (bron: BWK 1, BWK 2.2, BWK 2014)
2.3.2.3 Vergelijking van het Soortenaantal, Rode-Lijst- & Aandachtsoorten (positief en negatief) binnen de historische vegetatiekartering (1990) met recente vegetatiekartering (2014) In dit onderdeel worden het totale soortenaantal, de rode-lijstsoorten en aandachtsoorten vergeleken tussen de verschillende vergetatiekarteringen. 2.3.2.3.1 Cijfermatige vergelijking van het soortenaantal, rode-lijst- & aandachtsoorten Weergave van de verschillende BWK-codes gebruikt in het onderzoeksgebied in de loop van de verschillende karteringsperioden. De codes die opgenomen zijn in eenzelfde lijn en/of kleur worden door de jaren heen beschouwd als eenzelfde BWK-type. Vegetatiekartering 2014 In totaal werden 280 soorten planten waargenomen bij het maken van de vegetatieopnames. Hieronder bevinden zich 7 Rode-Lijstsoorten, 30 aandachtsoorten. Er werden 10 exoten waargenomen, waarvan 4 in Vlaanderen gezien worden als invasief. De volledige soortenlijst wordt omwille van zijn omvang digitaal aangeleverd. Vegetatiekartering 1990 In totaal werden 276 soorten planten waargenomen bij het maken van de vegetatieopnames in 1990. Hieronder bevinden zich 8 Rode-Lijstsoorten. De volledige soortenlijst wordt omwille van zijn omvang digitaal aangeleverd. 2.3.2.3.2 Cartografische vergelijking van het soortenaantal, rode-lijst- & aandachtsoorten Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Totaal soortenaantal’ tussen de verschillende karteringsperiodes: 17
▪
De weergave van aantal soorten per vegetatiepolygoon en de vergelijking tussen de verschillende karteringsperiode levert een genuanceerd beeld op. De algemene indruk van de kaarten is gelijkaardig doch met een iets groter aantal ‘donkerrode’ of soortenrijke percelen in 1990 t.o.v. 2014.
▪
De belangrijkste verschillen zijn waar te nemen in de centrale natte zone in 2014. Deze is soortenarm en neemt een grote oppervlakte in.
▪
De voormalige populierenaanplanten tussen de centrale natte zone en de Dender hebben een opvallende sprong voorwaarts genomen qua soortaantal tussen een 1990 en 2014.
▪
De verlandingszones langs de grote centrale natte zone vormen een matig soortenrijke plantengemeenschap.
▪
De graslanden in het noorden van het kerngebied vormen zowel in 1990 als 2014 een hotspot qua soortenrijkdom. Deze zone is recent echter sterk vernat.
▪
Met het verdwijnen van het grasland in het zuidwesten (zie bij BWK) is een grote soortenrijkdom verloren gegaan. De beperkte open zone in deze omgeving die als grasland beheerd wordt, huisvest samen met de erosietalud momenteel het merendeel van de aanwezige soorten.
▪
De Va-bossen in het zuidelijk deel van het onderzoeksgebied vormen een belangrijke zone voor het soortenaantal maar de zone met hoge soortenrijkdom is de laatste decennia gekrompen.
Figuur 2-9
Vergelijkingskaarten van de soortenrijkdom voor de kernzone van de Wellemeersen
18
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Rode Lijstsoorten’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Er zijn tijdens de karteringsperiode van 2014 meer percelen aangetroffen met RodeLijstsoorten dan in 1990. Ook de oppervlakte van vegetatiepolygonen met Rode-Lijstsoorten is toegenomen.
▪
Ook in de centrale natte zone in 2014 zijn 2 Rode-Lijstsoorten waargenomen nl. Kikkerbeet en Eikvaren spec.
▪
De zone waar in 1990 de meeste Rode-Lijstsoorten aanwezig waren is echter volledig weggedrongen o.w.v. veranderende hydrologische omstandigheden.
▪
De meest waardevolle percelen op basis van aandachtssoorten en Rode Lijstsoorten zijn W39, het stuk rond het wandelpad en W54, het laatste restant Dotterbloemgrasland. Ook de Ellenberggetallen voor stikstof geven aan dat W54 het minst voedselrijke stuk is.
▪
Nuancering: Vermits het aantal verschillende Rode-Lijstsoorten beperkt is leidt de aanwezigheid van 1 extra Rode-Lijstsoort reeds tot een groot verschil op kaart.
Wellemeersen 2014: AANTAL RODE LIJSTSOORTEN
Figuur 2-10
Vergelijkingskaarten ‘Rode Lijstsoorten’ voor de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Positieve aandachtsoorten’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er geen grote veranderingen opgetreden zijn qua abundantie van ‘Positieve aandachtsoorten’ tussen de karteringsperiode van 2014 en 1990.
▪
De belangrijkste afnamen zijn waar te nemen in de historische (1990) aanwezige ‘dotterbloemgraslanden’ en ‘grote zeggenvegetaties’. 19
▪
Binnen de huidige centrale natte zone zijn momenteel een matig aantal ‘positieve aandachtsoorten’ aanwezig. Daar waar in 1990 nog verschillende percelen aanwezig waren met een hoge densiteit aan ‘positieve aandachtsoorten’.
Figuur 2-11
Vergelijkingskaarten ‘positieve aandachtsoorten’ in de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Negatieve aandachtsoorten’ tussen de verschillende karteringsperiodes: Toelichting:
Negatieve aandachtsoorten kunnen beschouwd worden als ‘storingsindicatoren’ op vlak van slechte standplaatsfactoren. Deze kunnen bestaan uit eutrofe situaties, stagnerend oppervlaktewater, etc.
▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er grote veranderingen opgetreden zijn qua abundantie van ‘Negatieve aandachtsoorten’ tussen de karteringsperiode van 2014 en 1990. Zowel de oppervlakte als het aantal percelen met een hoge abundantie aan ‘Negatieve aandachtsoorten’ is toegenomen in 2014 t.o.v. de karteringsperiode in 1990.
▪
De ‘negatieve aandachtsoorten’ hebben een ruime verspreiding en komen buiten de verwachte zones waar grote hydrologische veranderingen hebben opgetreden tevens veel ruimer voor ten zuiden van de Rodestraat – een zone die als hydrologisch weinig veranderd wordt beschouwd.
▪
Nuancering: Het uitgevoerde graasbeheer heeft tevens een belangrijk effect op de aanwezigheid van ‘Negatieve aandachtsoorten’. De abundantie aan Pitrus kan door betreding, de hieraan gekoppelde bodemcompactatie en het feit dat Pitrus slechts in beperkte mate gegeten wordt door runderen, sterk toenemen.
20
Figuur 2-12
Vergelijkingskaarten ‘negatieve aandachtsoorten’ voor de kernzone van de Wellemeersen
2.3.2.4 Vergelijking van de ‘Hydrofyten’ en ‘Freatofyten’ binnen de historische vegetatiekartering (1990) met recente vegetatiekartering (2014) 2.3.2.4.1 Inleiding Via TURBOVEG werd voor elke soort de link gelegd met de standplaatsvereisten. In dit onderdeel komen volgende soortgroepen aan bod: Hydrofyten of echte Waterplanten: plantengemeenschappen die het grootste deel van hun levenscyclus afhankelijk zijn van water en zich grotendeels onder het wateroppervlak bevinden. Freatofyten: plantengemeenschappen die in meer of mindere mate tijdens hun levenscyclus afhankelijk zijn van toegang tot grondwater
21
Tabel 2-15
Lijst van de geselecteerde Hydrofyten en Freatofyten in kader van dit onderzoek
Cijfermatige vergelijking van de waargenomen Hydrofyten en Freatofyten tijdens de kartering van 1990 met 2014 Voor totaaltabellen van de aanwezige Hydrofyten en Freatofyten per karteringseenheid wordt verwezen naar onderstaande tabellen: ▪ Bijlage 2, Tabel 8: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990 ▪ Bijlage 2, Tabel 7: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014 2.3.2.4.2 Cartografische vergelijking van de Hydrofyten en Freatofyten vastgesteld tijdens de kartering van 1990 met 2014 Belangrijkste verschillen karteringsperiodes: ▪
op
vlak
van
‘Hydrofyten’
tussen
de
verschillende
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er grote veranderingen opgetreden zijn tussen 1990 en 2014 qua: o
abundantie van typische Hydrofyten per karteringseenheiden (2014>1990)
o
totale oppervlakte van karterinseenheden waarbinnen in meer of mindere mate typische Hydrofyten aanwezig zijn (2014>1990)
22
▪
▪
De grote centrale vernattingszone was op basis van de historische karteringen in 1990 niet of nauwelijks aanwezig. Anno 2014 neemt ze een bijzonder groot deel in van het Kerngebied van de Wellemeersen Ook in het deelgebied ten zuiden van de Rodestraat is een duidelijke vernatting zichtbaar.
Figuur 2-13
Vergelijkingskaarten ‘Hydrofyten voor de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Obligaat freatofyten’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er belangrijke verschuivingen zijn opgetreden zijn tussen 1990 en 2014 qua:
▪
Langs de rand van de grote centrale vernattingszone zijn in 2014 veel obligaat freatofyten aanwezig daar waar in 1990 deze eerder aanwezig waren in de zone gelegen binnen de huidige grote centrale vernattingszone.
▪
In het deelgebied ten zuiden van de Rodestraat zijn de obligaat freatofyten in 2014 minder abundant aanwezig in de karteringseenheden dan in 1990.
23
Figuur 2-14
Vergelijkingskaarten ‘Obligaat freatofyten voor de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Natte Obligaat freatofyten’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een zeer grote verandering heeft opgetreden tussen 1990 en 2014 qua: o
abundantie van typische ‘Natte obligaat freatofyten’ per karteringseenheiden (2014>1990)
o
totale oppervlakte van karterinseenheden waarbinnen in meer of mindere mate typische ‘Natte obligaat freatofyten’ aanwezig zijn (2014>1990)
Figuur 2-15
Vergelijkingskaarten Natte obligaat freatofyten voor de kernzone van de Wellemeersen
24
Belangrijkste verschillen karteringsperiodes: ▪
op
vlak
van
‘Kalk-afreatofyten’
tussen
de
verschillende
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een grote verandering heeft opgetreden tussen 1990 en 2014 qua: o
abundantie van (2014>1990)
o
totale oppervlakte van karterinseenheden waarbinnen in meer of mindere mate typische ‘kalk-afreatofyten’ aanwezig zijn (2014>1990)
Figuur 2-16
typische
‘Kalk-afreatofyten’
per
karteringseenheiden
Vergelijkingskaarten Kalk-afreatofyten voor de kernzone van de Wellemeersen
2.3.2.5 Vergelijking van de ‘Oudbos-soorten’ en ‘verschillende bostypes’ binnen de historische vegetatiekartering (1990) met de recente (2014) vegetatiekartering 2.3.2.5.1 Inleiding Via TURBOVEG werd voor elke soort de link gelegd met de standplaatsvereisten. In dit onderdeel komen volgende soortgroepen aan bod: ▪
Oudbos-soorten: Soorten indicatief voor oude stabiele bossen. In veel gevallen gaat het hier over de zogenaamde ‘Ferrarisbossen’.
▪
Bron en Bronbosindicatoren
▪
Indicatoren voor Elzenbroekbossen
▪
Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke bodem
25
Oudbosplant Aardbeiganzerik Adelaarsvaren
L
L
L
M-L
Z
Bosanemoon
Z M
Bosbingelkruid
L
Bosgierstgras
M L
Boszegge
L Z
M L
Donkersp. & Bleeksp. Bosviooltje
L Z
Fraai hertshooi
M
Gladde witbol
M M Z
L L
L
M-L Z
Gevlekte aronskelk Gewone salomonszegel
L
L Z
Gele dovenetel
L
Z
Eenbes Eenbloemig parelgras
L Z-M
Daslook Dubbelloof
L M
Boswederik Dalkruid
Samengesteld
Lichtzure tot basenrijke bodem
Matig zure bodem (vaak op leem)
Lijst van de Oudbosplanten in Vlaanderen (Naar: Luc De Keersmaeker, Johnny Cornelis and Lander Baeten (2010) BOSREVUE. p.17-21) Zure bodem (zand of zure leem)
Tabel 2-16
L
M-L
L
L
L
M-L
M
Z-M
Groot heksenkruid
L
Groot springzaad
L
L
L
M-L
Grote muur
M
Grote veldbies
M
Heelkruid Ijle zegge
M
Kleine maagdenpalm
M
Klimop Lelietje-van-dalen
Z
M
Lievevrouwenbedstro Mannetjesereprijs
M L
L
L
M-L M
L
L
L
Z-M-L
L Z L Z
Ruige veldbies
Z
Z-M L
M
L M
Slanke sleutelbloem
L
Spekwortel
L
Valse salie
L Z
M
Ruwe smele Schaduwkruiskruid
L Z
Paarbladig goudveil Pilzegge
L
Z
L L Z
Wijfjesvaren
M
Wilde hyacint
M
L
M-L M
26
Wilde kamperfoelie
Z
M
Samengesteld
Lichtzure tot basenrijke bodem
Matig zure bodem (vaak op leem)
Zure bodem (zand of zure leem)
Oudbosplant
L
Z-M-L
Wilde narcis
M
M
Witte klaverzuring
M
M
Witte veldbies
Z
Z
2.3.2.5.2 Cijfermatige vergelijking van de waargenomen Oudbossoorten, Bron en Bronbosindicatoren, Indicatorsoorten voor Elzenbroekbossen en Indicatorsoorten voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke bodem Zie Bijlage 2 ▪
Tabel 10 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Oud-bossoorten
▪
Tabel 11 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Bron- en bronbeekindicatoren
▪
Tabel 12 Lijst van de Elzenbroekbosindicatoren
▪
Tabel 13 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor EikenBeukenbossen op voedselrijke bodem
tijdens
de
Kartering
van
1990
en/of
2014
aanwezige
Voor totaaltabellen van de aanwezige Oudbossoorten, Bron en Bronbosindicatoren, Indicatorsoorten voor Elzenbroekbossen en Indicatorsoorten voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke bodem per karteringseenheid wordt verwezen naar onderstaande tabellen: ▪
Bijlage 2, Tabel 8: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990
▪
Bijlage 2, Tabel 7: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014
2.3.2.5.3 Cartografische vergelijking van de Oudbossoorten, Bron en Bronbosindicatoren, Indicatorsoorten voor Elzenbroekbossen en Indicatorsoorten voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke bodem vastgesteld tijdens de kartering van 1990 met 2014 Belangrijkste verschillen karteringsperiodes: ▪
op
vlak
van
‘Oudbossoorten’
tussen
de
verschillende
Als algemene indruk kan gesteld worden dat de kernzones met oudbossoorten in grote mate behouden zijn gebleven. De totale oppervlakte met oudbossoorten is significant afgenomen. 27
▪
Langs de randen van de kerngebieden zijn echter relatief grote veranderingen opgetreden tussen 1990 en 2014 qua: o
In 1990 werden binnen de huidige grote vernattingszone nog verschillende oudbos-soorten aangetroffen dat is anno 2014 niet meer het geval.
o
De in 1990 aanwezige cluster met oudbossoorten (perceel 59, 66 en 72) is in 2014 volledig verdwenen.
Figuur 2-17
Vergelijkingskaarten Oud bos indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Bron- en bronbosindicatoren’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat de zowel de oppervlakte als diversiteit aan bron- en bronbossoorten is toegenomen.
▪
In de kernzone in het zuiden van het onderzoeksgebied is de oppervlakte nagenoeg hetzelfde gebleven maar is het aantal soorten toegenomen.
▪
Ook in de periferie van de grote vernattingszone zijn opvallend meer zones bijgekomen met een hoog aantal indicatieve soorten.
▪
Binnen de vernattingszone is het aantal indicatieve soorten afgenomen.
▪
Nuancering: Een aantal soorten die te boek staan als indicatorsoorten voor bron- en bronbeeksystemen zijn de laatste decennia opvallend toegenomen en komen momenteel ook voor buiten deze zones. Een goed voorbeeld hiervan is Bosveldkers.
28
Figuur 2-18
Vergelijkingskaarten ‘Bron- en bronbosindicatoren’ voor de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Elzenbroekbosindicatoren’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat zowel de oppervlakte als diversiteit aan Elzenbroekbosindicatoren is toegenomen.
▪
De grote centrale vernattingszone is hierin de grootste sturende factor. Maar ook daarbuiten nemen de indicatieve soorten toe.
▪
Nuancering: Een aantal soorten die te boek staan als indicatorsoorten voor Elzenbroekbossystemen kunnen tevens voorkomen buiten de bossfeer in moerasvegetaties. Voorbeelden hiervan zijn Dotterbloem, Bitterzoet, Blauw glidkruid, etc.
29
Figuur 2-19
Vergelijkingskaarten ‘Elzenbroekbosindicatoren’ voor de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Indicatorsoorten voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke bodem’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat de totale oppervlakte van zones met indicatoren vrij sterk is afgenomen.
▪
De diversiteit aan soorten binnen de zones met indicatorsoorten blijft evenwel grotendeels gelijk. Dit is vooral te wijten aan de trage kolonisatiekracht van deze indicatorsoorten.
▪
Binnen de grote centrale vernattingszone zijn praktisch alle indicatieve soorten verdwenen.
Figuur 2-20
Vergelijkingskaarten Wellemeersen
‘Voedselrijk
Eiken-Beukenbos
indicatoren’
voor
de
kernzone
van
de
30
2.3.2.6 Vergelijking van de ‘Grasland-indicatoren’ binnen de historische vegetatiekartering (1990) met de recente (2014) vegetatiekartering 2.3.2.6.1 Inleiding Via TURBOVEG werd voor elke soort de link gelegd met de standplaatsvereisten. In dit onderdeel komen volgende soortgroepen aan bod: Dotterbloemgraslandindicatoren Indicatoren Kleine zeggenvegetaties Indicatoren Glanshavergraslanden Indicatoren Zilverschoongraslanden Indicatoren Droge graslanden op zandgrond 2.3.2.6.2 Cijfermatige vergelijking van de waargenomen ‘Grasland-indicatoren’ Zie Bijlage 2 ▪
Tabel 14 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren dotterbloemgraslanden
▪
Tabel 15 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Kleine zeggenvegetaties
▪
Tabel 16 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Glanshavergraslanden
▪
Tabel 17 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Zilverschoongraslanden
▪
Tabel 18 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Droge graslanden op zandbodem
Voor totaaltabellen van de aanwezige ‘Grasland-indicatoren’ per karteringseenheid wordt verwezen naar onderstaande tabellen:
▪ ▪
Bijlage 2, Tabel 8: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990 Bijlage 2, Tabel 7: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014
2.3.2.6.3 Cartografische vergelijking van de ‘Graslandindicatoren’ vastgesteld tijdens de kartering van 1990 met 2014 Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Dotterbloemgrasland-indicatoren’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een grote afname is: 31
o o
zowel op vlak van totale oppervlakte met Dotterbloemgrasland-indicatoren als De diversiteit aan soorten per polygoon.
▪
Met uitzondering van de zone in het uiterste noorden zijn de Dotterbloemgraslandindicatoren uit de meeste zones verdwenen.
▪
Daar waar in 1990 binnen de huidige grote vernattingszone nog verschillende percelen aanwezig waren met verschillende dotterbloemgrasland-indicatoren is hiervan anno 2014 praktisch niets meer terug te vinden.
Figuur 2-21
Vergelijkingskaarten Dotterbloemgrasland-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Kleine zeggenvegetatie-indicatoren’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er o
een sterke afname is op vlak van de totale oppervlakte waar soorten voorkomen die indicatief zijn voor Kleine zeggenvegetaties.
o
De diversiteit aan soorten per ‘overblijvende polygoon’ is stabiel met uitzondering van de zone in het uiterste noorden waar de diversiteit is toegenomen.
32
Figuur 2-22
Vergelijkingskaarten Kleine zeggenvegetatie-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak verschillende karteringsperiodes: ▪
van
‘Glanshavergrasland-indicatoren’
tussen
de
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een sterke afname is: o o
zowel op vlak van totale oppervlakte met Glanshavergrasland-indicatoren als De diversiteit aan soorten per polygoon.
▪
Van het ‘bolwerk’ in het noorden van het kerngebied is nog nauwelijks sprake.
▪
Toelichting: Glanshavergraslandsoorten zijn in het gebied achteruitgegaan door twee belangrijke factoren: o
de sterke vernatting van het gebied
o
extensief begrazingsbeheer is tevens een beheervorm die dit type graslanden doet degraderen
33
Figuur 2-23 Vergelijkingskaarten Glanshavergrasland-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Zilverschoongrasland-indicatoren’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een sterke afname is van de totale oppervlakte met Zilverschoongrasland-indicatoren
▪
De diversiteit aan soorten per polygoon, enkel in het ‘bolwerk’ in het noorden van het kerngebied is nog sprake van een hoge diversiteit.
▪
In 1990 was er centraal gelegen een bolwerk van Zilverschoongrasland-indicatoren aanwezig. Deze zone die momenteel volledig binnen de begrenzingen van de centrale vernattingszone en de onmiddellijke omgeving ervan bevinden is volledig verdwenen.
▪
Hoewel Zilverschoongraslanden vaak vooruitgaan door begrazingsbeheer is hiervan in de Wellemeersen momenteel geen aanwijzing voor. Andere factoren, zoals vernatting, hebben blijkbaar een te grote negatieve invloed op de soorten.
34
Figuur 2-24
Vergelijkingskaarten Zilverschoongrasland-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘indicatoren voor droog grasland op zandbodem’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een afname is op vlak van totale oppervlakte met Droog grasland-indicatoren.
▪
Binnen de nog aanwezige zones is de diversiteit aan soorten wel toegenomen.
▪
Het is opvallend dat er in 1990 nog indicatoren aanwezig waren van droge graslanden in zones die momenteel binnen de centrale vernattingszone vallen. Dit onderstreept nogmaals de zeer sterke hydrologische veranderingen die het gebied heeft gekend tussen 1990 en 2014.
35
Figuur 2-25
Vergelijkingskaarten indicatoren voor Droge graslanden op zandbodem de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘indicatoren van Dwergbiezenklasse’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een sterke afname is op vlak van totale oppervlakte met Dwergbiezenklasse-indicatoren.
▪
Binnen de nog aanwezige zones is binnen 1 polygoon de diversiteit aan soorten wel toegenomen.
Figuur 2-26
Vergelijkingskaarten indicatoren voor Dwergbiezenklasse in de kernzone van de Wellemeersen
2.3.2.7 Vergelijking van de ‘waterbiotopen van de Eendenkroos- en Fonteinkruidklasse’ binnen de historische vegetatiekartering (1990) met de recente (2014) vegetatiekartering 2.3.2.7.1 Inleiding Via TURBOVEG werd voor elke soort de link gelegd met de standplaatsvereisten. In dit onderdeel komen volgende soortgroepen aan bod: Indicatoren van de Eendenkroosklasse (Eutroof water) Indicatoren van de Fonteinkruidklasse (Mesotroof water) 2.3.2.7.2 Cijfermatige vergelijking van de waargenomen ‘waterbiotopen-indicatoren’ Zie Bijlage 2
36
▪
Tabel 19 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren van de Eendenkroosklasse (Eutroof water)
▪
Tabel 20 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Fonteinkruidklasse (Mesotroof water)
Voor totaaltabellen van de aanwezige ‘waterbiotoop-indicatoren’ per karteringseenheid wordt verwezen naar onderstaande tabellen: ▪ Bijlage 2, Tabel 8: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990 ▪ Bijlage 2, Tabel 7: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014 2.3.2.7.3 Cartografische vergelijking van de ‘waterbiotopen van de Eendenkroos- en Fonteinkruidklasse’ vastgesteld tijdens de kartering van 1990 met 2014 Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Eendenkroosklasse-indicatoren’ – Eutroof watertussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een belangrijke toename is: o
zowel op vlak van totale oppervlakte als
o
de diversiteit aan soorten per polygoon.
▪
Eutroof of voedselrijk water speelt duidelijk een belangrijkere rol in 2014 als in 1990
▪
Nuancering: een hoge soortendiversiteit in deze is niet te beschouwen als positief daar deze soorten bezien kunnen worden als weinig kritisch en dus eerder als indicatoren voor een gedegradeerd systeem door vermesting.
Figuur 2-27
Vergelijkingskaarten Eendenkroosklasse (Eutroof water)-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Fonteinkruidklasse-indicatoren’ – Mesotroof watertussen de verschillende karteringsperiodes: 37
▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er veranderingen plaatsvinden op volgende vlakken: o
de totale oppervlakte met indicatoren van de Fonteinkruid-klasse is toegenomen. Dit is voornamelijk te wijten aan de grote centrale vernattingszone.
o
De diversiteit aan soorten per polygoon is echter gedaald tussen 1990 en 2014.
Figuur 2-28
Vergelijkingskaarten Fonteinkruidklasse (mesotroof water)-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen
2.3.2.8 Vergelijking van de biotopen ‘Natte strooiselruigte, Nitrofiele zomen, Rietklasse en Tandzaadklasse’ binnen de historische vegetatiekartering (1990) met de recente (2014) vegetatiekartering 2.3.2.8.1 Inleiding Via TURBOVEG werd voor elke soort de link gelegd met de standplaatsvereisten. In dit onderdeel komen volgende soortgroepen aan bod: Indicatoren van Natte Strooiselruigten Indicatoren van Nitrofiele zomen Indicatoren van de Rietklasse Indicatoren van de Tandzaadklasse
38
2.3.2.8.2 Cijfermatige vergelijking van de waargenomen ‘indicatoren voor Natte strooiselruigte, Nitrofiele zomen, Rietklasse en Tandzaadklasse’ Zie Bijlage 2 ▪
Tabel 21 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren van Natte strooiselruigten
▪
Tabel 22 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Nitrofiele zomen
▪
Tabel 23 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor de Rietklasse
▪
Tabel 24 Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor de Tandzaadklasse
Voor totaaltabellen van de aanwezige ‘indicatoren’ per karteringseenheid wordt verwezen naar onderstaande tabellen:
▪ ▪
Bijlage 2, Tabel 8: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990 Bijlage 2, Tabel 7: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014
2.3.2.8.3 Cartografische vergelijking van de ‘indicatoren voor Natte strooiselruigte, Nitrofiele zomen, Rietklasse en Tandzaadklasse’ vastgesteld tijdens de kartering van 1990 met 2014 Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Indicatoren voor Natte strooiselruigte’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een belangrijke toename is: o o
▪
zowel op vlak van totale oppervlakte als op aantal polygonen met een hoog aantal indicatieve soorten.
Nuancering: heel wat soorten die indicatief zijn voor natte strooiselruigten zijn tevens aanwezig in andere biotopen (bv broekbossen, verruigde natte graslanden, etc).
39
Figuur 2-29
Vergelijkingskaarten Natte strooiselruigte-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Indicatoren voor Nitrofiele zomen’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een belangrijke afname is: o
zowel op vlak van totale oppervlakte als
o
de diversiteit aan soorten per polygoon.
Een aantal soorten indicatief voor nitrofiele zomen zijn eerder gebonden aan ‘niet al te vochtige’ situaties (bv zevenblad, witte dovennetel, kruisbladwalstro, ect.). De zones met hoogste diversiteit aan indicatieve soorten zijn teruggedrongen tot de drogere zones van het kerngebied. De vernatting van het gebied eist naar alle waarschijnlijkheid dus ook voor dit vegetatietype zijn tol.
Figuur 2-30
Vergelijkingskaarten Nitrofiele zomen-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen 40
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Indicatoren voor Rietklasse’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
De indicatieve soorten voor de Rietklassen zijn een vrij heterogene groep met in een aantal gevallen uiteenlopende ecologische niches. Binnen deze klasse vallen zowel echte moerasplanten zoals grote lisdodde, gele waterkers als soorten als holpijp, blaaszegge, etc.
▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een belangrijke toename is:
▪
o
zowel op vlak van totale oppervlakte als
o
de diversiteit aan soorten per polygoon.
De toename is vooral te wijten aan een ruimer voorkomen van een aantal ‘banalere’ soorten (bv. gele lis, liesgras, watermunt, etc.).
Figuur 2-31
Vergelijkingskaarten Rietklasse-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Indicatoren voor Tandzaadklasse’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Deze klasse wordt gekenmerkt door een aantal weinig kritische moerassoorten van eutrofe plasdrassituaties met enige dynamiek. De dynamiek in de Wellemeersen bestaat uit een geringe waterpeilschommelingen maar waarschijnlijk in belangrijkere mate de storingsfactor van de begrazing.
▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een belangrijke toename is op vlak van totale oppervlakte.
▪
De diversiteit aan soorten is echter niet toegenomen.
▪
Het is duidelijk dat deze klasse zich voornamelijk bevindt in de onmiddellijke periferie van de centrale vernattingszone.
41
Figuur 2-32
Vergelijkingskaarten Tandzaadklasse-indicatoren voor de kernzone van de Wellemeersen
2.3.2.9 Vergelijking van de Milieucondities verbonden aan de vegetatie (Ellenbergwaarden) binnen de historische vegetatiekartering (1990) met de recente (2014) vegetatiekartering 2.3.2.9.1 Inleiding Het Ellenberg et al. (1991) systeem moet worden gebruikt om op basis van de waargenomen vegetatie een schatting te kunnen maken van de aanwezige milieucondities. Via TURBOVEG werd voor elke soort de link gelegd met de standplaatsvereisten. In dit onderdeel komen volgende standplaatsvereisten aan bod: Ellenbergwaarde voor Licht Ellenbergwaarde voor Stikstof Ellenbergwaarde voor Vocht Ellenbergwaarde voor Zuurtegraad Dit systeem werd aangepast voor West-Europa door Hill et al. (1999). Het is gebaseerd op een kwantitatieve schatting van de ecologische eisen van iedere plantensoort. Het gewogen gemiddelde van talrijkheid- en dominantiegegevens uit de Tansley-analyse levert een beschrijving van de ecologie van de onderzochte site. De berekening van de stikstofindex (N), de pH, de vochtigheid van de bodem (F) en de luminositeit van de site gebeurt als volgt. De stikstofconcentratie van de bodem: Negen categorieën die overeen komen met intervallen van de concentratie aan stikstof in de bodem moeten worden geïdentificeerd. Voor iedere vegetatieopname wordt de coëfficiënt van de hoeveelheid getolereerde stikstof vermenigvuldigd met de overeenkomende talrijkheid/bedekkingsgraad; deze bedekkingsgraad wordt bekomen uit de mediaan van iedere categorie. Deze berekening gebeurt automatisch in Turboveg. 42
Het gewogen gemiddelde produceert een globale waarde voor de stikstofcondities in iedere vegetatieopname, en bijgevolg een waarde die op een betrouwbare wijze de condities van het proefvlak en haar homogene omgeving weergeeft (PERSSON, 1981). Voor de bepaling van de trofiegraad van de voorkomende vegetatietypes werd er tevens een alternatieve methode uitgewerkt. Via een rapport van INBO konden we vegetatiecodes van de biologische waarderingskaart (versie 2) rechtstreeks koppelen aan de trofiegraad (zonder de tussenstap van vertaling naar Nederlandse vegetatietypen) (Wouters J., 2013). Met uitzondering van de rechtstreekse koppeling van de BWK aan de trofiegraad worden voor de parameters voor vochtigheid, zuurtegraad en luminositeit op een gelijkaardige manier proefvakcondities bepaald. Ellenbergwaarde voor Stikstof Tabel 2-17
Ellenberg N-getal Trofieklasse
Ellenberg N-getal
Zeer voedselarme bodems Zeer voedselarme tot voedselarme bodems Voedselarme bodems Voedselarme tot matig voedselrijke bodems Matig voedselrijke bodems Matig voedselrijke tot voedselrijke bodems Voedselrijke bodems Uitgesproken voedselrijke bodems Zeer uitgesproken voedselrijke bodems
1 2 3 4 5 6 7 8 9
Ellenbergwaarde voor Vocht Tabel 2-18
Ellenberg F-getal Vochtklasse Extreem droge bodems Extreem droge tot droge bodems Droge bodems Droge tot droge/vochtige bodems Droge/vochtige bodems Droge/vochtige tot vochtige bodems Vochtige bodems Vochtige tot natte bodems Natte bodems Tijdelijk droogvallend water Water Onder water
Ellenberg F-getal 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
43
De zuurheid van het milieu (pH): Tabel 2-19
Ellenberg R-getal Zuurgraadklasse
Ellenberg N-getal
Sterk zure bodems Sterk zure tot zure bodems Zure bodems Zure tot zwak zure bodems Matig zure bodems Matig zure tot zwak zure bodems Zwak zure tot zwak basische bodems Basische bodems; meestal op kalk Sterk basische of kalkrijke bodems
1 2 3 4 5 6 7 8 9
De luminositeit van de site: Tabel 2-20
Ellenberg L-getal Luminositeit
Ellenberg L-getal
Zeer intense schaduw (<1%licht) zeer intense tot intense schaduw intense schaduw (<5% licht)
1 2 3
intense schaduw tot halfschaduw halfschaduw (>10% licht)
4 5
halfschaduw tot halflicht halflicht vol licht (<40% licht) zeer intens licht (>50% licht)
6 7 8 9
2.3.2.9.2 Cijfermatige vergelijking van de waargenomen ‘Ellenbergwaarden’ Voor totaaltabellen van de ‘Ellenbergwaarden’ per karteringseenheid wordt verwezen naar onderstaande tabellen: ▪ Bijlage 2, Tabel 8: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990 ▪ Bijlage 2, Tabel 7: Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsoorten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014 2.3.2.9.3 Cartografische vergelijking van de ‘Ellenbergwaarden’ vastgesteld tijdens de kartering van 1990 met 2014 Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Ellenbergwaarde Licht’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Het gemiddeld Ellenberg-getal voor de recente vegetatieopname (BWK 2014) is 6,4. Het laagste getal is 5,33 en werd gegeven aan de houtkanten met weinig ondergroei (W65, W59). Het hoogste Ellenberggetal voor licht in de Wellemeersen is 7,36 (W85) en werd toegekend aan een grasland. 44
▪
Het uiterste noorden van het kerngebied heeft een belangrijke verandering ondergaan: o
ten noorden van de waterloop (droge graslanden/bogagelandschap en deel van de vernattingszone) zijn donkerder geworden. Dit is voornamelijk te wijten aan de houtkanten en de zone ronde de artificiële waterpartijen.
o
De aangrenzende zone ten zuiden van de waterloop en langs de Dender is opvallend lichter geworden. Dit is voor een deel te wijten aan de sterke vernatting waardoor gesloten vegetaties ‘opengebroken’ zijn.
▪
In de zone van de huidige centrale vernattingszone die grenst aan de steilwand is de beschaduwing tevens afgenomen. Deze verandering is te wijten aan de sterke vernatting en het daaraan gekoppelde groot aantal recent afgestorven bomen.
▪
Verder zijn er weinig opmerkelijke verschillen op te tekenen.
Figuur 2-33
Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Licht voor de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Ellenbergwaarde Stikstof’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Het gemiddeld Ellenberg-getal voor de recente vegetatieopname (BWK 2014) is 6,3. Het laagste Ellenberggetal is 5,31 voor opname W54 (het laatste restant Dotterbloemgrasland), het hoogste Ellenberggetal is 7,2 voor W83.
▪
Op basis van de vegetatie en de daaraan gekoppelde Ellenbergwaarden, zijn er in de historische toestand meer percelen en een grotere oppervlakte die voedselrijk zijn dan in de actuele toestand. Dit is een opmerkelijke en moeilijk te verklaren vaststelling.
▪
In 1990 was er een opvallend grotere heterogeniteit wat betreft stikstofwaarden per geïnventariseerde zone in vergelijking met 2014. 45
Figuur 2-34
Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Stikstof voor de kernzone van de Wellemeersen
Figuur 2-35
Standplaatskaarten voor trofiegraad, historisch (links) en actueel (rechts), met de methode met rechtstreekse BWK-vertaling (Wouters J., 2013).
Belangrijkste verschillen op vlak van ‘Ellenbergwaarde Vocht’ tussen de verschillende karteringsperiodes: ▪
Het gemiddeld Ellenberg-vochtgetal voor de recente vegetatieopname (BWK 2014) is 7,4. Het droogste stuk in de Wellemeersen heeft een Ellenberggetal van 5,24 (W29), de natste stukken hebben een Ellenberggetal van 11 (W73, W74).
▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er in 2014 in vergelijking met 1990 een belangrijke toename is: o
zowel op vlak van totale oppervlakte vochtige percelen,
o
als aantal percelen met hoge diversiteit aan vochtminnende soorten.
46
▪
Het gekende probleem van de sterke uitbreiding van de centrale natte zone is op deze kaarten erg duidelijk.
▪
Ook de zone ten zuiden van de Rodestraat en de zone ten noorden van de waterloop is opvallend natter geworden.
Figuur 2-36
Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Vocht voor de kernzone van de Wellemeersen
Belangrijkste verschillen op vlak verschillende karteringsperiodes:
van
‘Ellenbergwaarde
Zuurtegraad’
tussen
de
▪
Het gemiddeld Ellenberg-getal voor zuurtegraad van de recente vegetatieopname (BWK 2014) is gemiddeld 6,6. Het laagste Ellenberggetal voor de zuurtegraad is 5 voor opname W80. Het hoogste Ellenberggetal voor de zuurtegraad is 8 voor W59.
▪
Als algemene indruk kan gesteld worden dat er een belangrijke afname is van zure tot zwak zure systemen ten voordele van meer gebufferde systemen.
▪
De zones die sterk vernat zijn vertonen de grootste verschuiving van zuur naar gebufferd
▪
o
zowel op vlak van totale oppervlakte als
o
de diversiteit aan soorten per polygoon.
Nuancering: Vele systemen staan onder druk van verzuring. Dit is voornamelijk een gekend probleem voor van nature voedselarme systemen en hun habitattypische soorten. In voedselarme systemen is enige vorm van buffering daarom vaak gewenst. In een van nature (matig) voedselrijk systeem als de Wellemeersen kan een toegenomen buffering echter wijzen op een complex samengaan van verschillende factoren. Deze verandering kan daarom niet als eenduidig positief worden afgedaan.
▪
In de actuele toestand zijn er enkele percelen in het zuiden die zuurder zijn geworden dan in de historische toestand. 47
Figuur 2-37
Vergelijkingskaarten Ellenbergwaarde Zuurtegraad voor de kernzone van de Wellemeersen
2.3.2.10 Vitaliteit van de bomen Bij de recente vegetatiekartering (BWK 2014) werd de vitaliteit van de verschillende boomsoorten genoteerd per karteringseenheid aan de hand van volgende codes: Uitstekend (U), Matige vitaliteit (M), Afstervend (A) en Dood (D). Deze codes werden zowel aan de bomen in de boomlaag (>2m) en aan de bomen in de kruidlaag (<2m) toegekend. De code J (verjonging zichtbaar) werd niet gebruikt. De aanwezigheid van vitale bomen in de kruidlaag wijst op verjonging. Daar deze inschatting niet gemaakt is in 1990 kunnen we de vitaliteit van de bomen niet vergelijken tussen de verschillende karteringsperioden. Per boomsoort werd gekeken in hoeveel opnames de soort het uitstekend en/ of minder goed doet. De resultaten hiervan worden weergegeven in Tabel 2-21. Per karteringseenheid wordt de vitaliteit van de gekarteerde bomen en stuiken (zowel van de boom- als struiklaag) weergegeven in een algemene overzichtstabel. Deze tabel wordt omwille van zijn omvang digitaal aangeleverd. Tabel 2-21
Overzicht van de vitaliteit van de bomen in de boomlaag (>2m) en in de kruidlaag (<2m) in de karteringseenheden in de Wellemeersen Kruidlaag
Boomlaag
Boomsoort
U
Aalbes
1
Amerikaanse vogelkers
1
Appel
2
Beuk
1
Boswilg
28
Canadapopulier
1
Corsikaanse den
1
M
A
U
D
M
A
2 1
1
1
1
23
1
48
Kruidlaag
Boomlaag Eenstijlige meidoorn
20
3
Fijnspar
1
1
Gelderse roos
5
1
1
Geoorde wilg
1
Gewone es
2
7
4
Gewone esdoorn
1
Gewone vlier
16
Grauwe abeel
4
Haagbeuk
2
Hazelaar
16
24
7
1
2
3
10
11
1
10 2
4
8
1
2
2 1
1
9
1 1
Hop Hollandse linde
1
Hondsroos
1
Hulst Iep (G)
1
1 2
1
1
2
1
Laurierkers Liguster (G)
2
Linde (G)
2
Moeraseik
1
Okkernoot
2
Peer
1
Perzik
1
Populier (G)
20
Pruim s.s.
3
Robinia
1
Rode kornoelje
3
Ruwe berk
5
Schietwilg
45
Sering (G)
1
Sleedoorn
2
Sporkehout
6
Tamme kastanje
2
Wilde kardinaalsmuts
13
18
1
4
1
1
1
2
2
1 5
1
25
1
1 2
1
Wilde lijsterbes
3
1
Witte els
2
Zachte berk
2
Zoete kers
14
Zomereik
31
1
2
Zwarte els
42
4
2
1
1
2
1
1 2
1
11
1
26
3
30
1
Uit Tabel 2-21 is af te leiden dat boswilg het uitstekend doet en zich goed verjongt in het gebied. Een groot (op meer dan de helft van de locaties) deel van de populieren doet het matig en sterft af, ook is er geen verjonging van populier in het gebied. Schietwilg doet het op de meeste locaties uitstekend en verjongt goed. Ook zomereik en zwarte els doen het op de meeste locaties goed en verjongen zich. 49
2.4
Besluit
De Wellemeersen zijn één van de laatste overstromingsgebieden in de Dendervallei. De rivier stroomt hier in een brede alluviale vlakte, maar de rivierbedding zelf is hier beperkt. De bodems in de Wellemeersen zijn jong, zonder profielontwikkeling en bestaan voornamelijk uit lemig (valleiflanken en alluvium), zandlemig (oeverwallen) en kleiig materiaal (alluvium). Hydrologisch zijn voor de aanwezige vegetaties kwelinvloeden van groot belang, die gesitueerd zijn op de overgang van het kwartaire leemdek naar het alluvium (erosietalud van de Dender) en in de kommen. Daarnaast is ook de invloed van de Dender, een typische regenrivier met wisselvallig debiet, die nog regelmatig overstroomt, van belang. De drainage van het gebied gebeurde in het verleden door een vrij omvangrijk slotenstelsel, dat op enkele plaatsen de oeverwallen doorsteekt. Van dit slotenstelsel is omwille van de sterke vernatting van het gebied momenteel nog nauwelijks iets terug te vinden. In het gebied zijn een groot aantal vijvertjes, poelen en bomkraters aanwezig (Erkenningsdossier de Wellemeersen, Natuurpunt vzw, 2002). De vegetatie van de Wellemeersen bestond in het verleden uit een complexe mozaïek van vochtige graslanden, moerasbossen en ruigtes. De verschillende types Dottergraslanden en schrale vochtige graslanden, Glanshavergraslanden, Essen-Elzen-Olmenbossen met overgangen naar Bronbossen, Elzenbroekbossen en waterplantenvegetaties waren zeer waardevol. Het stelselmatig gespreid kappen van de populieren heeft voor een positieve landschapsverandering gezorgd. Het landschap is veel natuurlijker gestructureerd dan in het verleden en de lokale kruidlaag heeft zich sterk ontwikkeld tot een begraasde vegetatiemozaïek. Een bijzonder grote voorraad aan (vooral inheems) staand en liggend dood hout biedt ongetwijfeld kansen aan fauna afhankelijk van oud en dood hout. De begrazing zorgt enerzijds voor positieve resultaten voor landschapsevolutie en anderzijds voor een negatief gevoel in verband met de evolutie van echte graslandsoorten. De structuurvariatie is zeer hoog geworden door de extensieve begrazing: kort gegraasde stukken wisselen af met ruigere percelen en struweelvorming is soms plaatselijk op gang gekomen. De soortenrijkdom en het bloeiaspect van ruigte-kruiden is in belangrijke mate attractief toegenomen, door verhoogde lichtinval en weggevallen bladdeposities na het kappen van honderden populieren. Vervaging van de vroeger soms zeer scherpe perceelsgrenzen is zeer duidelijk. Niet alleen zijn de (historische) interne perceelsgrenzen zo goed als onzichtbaar geworden, ook de buitengrenzen van het begrazingsblok vervagen, zeker daar waar de naastliggende percelen uit bos bestaan (ingroeien van struweel, kiemen van bomen en struiken, …). De vervaging en structuurtoename is zeker positief voor de fauna, in het bijzonder voor de ongewervelden (dagvlinders, libellen). Anderzijds zijn een aantal soorten verdwenen of zeker verminderd in (bloei)aantal. Blauwe knoop is uit het terrein verdwenen door de begrazing (ontbrekend raster). Ook gewone brunel en wilde bertram doen het niet goed. Er is alleszins een duidelijke vermindering van het bloeiaspect. De vernatting heeft samen met de begrazing in een aantal zones tot sterke ‘verpitrussing’ geleidt. Hydrologisch zijn voor het gebied belangrijke kwelinvloeden aanwezig op de overgang van kwartair dek en alluvium. In de komgronden treedt diffuse kwel op die op vele plaatsen ecologische van minder belang is door het feit dat het effect van kwelwater daar teniet wordt gedaan door overstromingen vanuit de Rijt en slechte waterafvoer. 50
Voornamelijk door een slechte drainage worden de laatste twee decennia gekenmerkt door een vernatting van het centrale gebied, waardoor een sterke wijziging van natuurwaarden optreedt. Centraal in het gebied is een grote zone aanwezig waar, eerst vooral in de winterperiode, momenteel jaarrond veel water blijft staan. Hoewel dit leidt tot een grote aantrekkingskracht voor watervogels en trekvogels zijn de vegetatieveranderingen opmerkelijk. De vegetaties gaan over een aanzienlijke oppervlakte omwille van deze grote hydrologische verschillen over van ‘gespecialiseerde soortengemeenschappen’ naar soortgroepen die kenmerkend zijn voor hoge waterstanden en voedselrijke omstandigheden.
▪ ▪
Een groot aandeel vegetaties voornamelijk broekbossen gaan over in Wilgenstruwelen, verlandingsof moerasvegetaties en open water. De waardevolle Dotterbloemgraslanden gaan over naar ruigtes en moerasvegetaties
51
3. 3.1
LUIK 2 – ABIOTIEK Inleiding
In het luik abiotiek wordt inzicht geboden in het historisch en huidig hydrogeologisch functioneren van het studiegebied. Door het identificeren en begroten van de sturende processen in relatie tot de aanwezige vegetatietypes kan een alternatieve haalbare inrichting van de hydrografie worden voorgesteld in functie van de gewenste abiotische omstandigheden. In eerste fase worden de beschikbare, nuttige gegevens verzameld in functie van de interpretatie van de hydrologie. Hierbij wordt aandacht besteed aan de hydrografie en de toestand van het drainagesysteem in het projectgebied. De nadruk wordt gelegd op de analyse van de beschikbare tijdreeksen van grondwaterstanden in het studiegebied voor de periode 1992-2010 (§ 0). In het kader van de studie worden bijkomende gegevens verzameld gedurende de periode februari 2014 - februari 2015. Grondwaterstanden en oppervlaktewaterstanden worden dagelijks geregistreerd en beschreven in (§ 3.2). Bij de interpretatie van de grondwaterstanden wordt rekening gehouden met de potentiële sturende factoren van de grondwaterstanden. Naast klimatologische omstandigheden (neerslag/evapotranspiratie) zijn de oppervlaktewaterstanden in het projectgebied mee bepalend. Aangezien er slechts een beperkte dataset van waterstanden in het studiegebied voorhanden is worden deze gereconstrueerd door middel van een hydrologisch/hydraulisch model (§ 0). Tenslotte wordt een grondwatermodellering uitgevoerd waarbij de grondwaterstanden en stromingen gebiedsdekkend worden berekend met de nodige ruimtelijke resolutie. Hierbij wordt het model afgeijkt aan de hand van de huidige toestand en een prognose gemaakt van de historische situatie. Daarnaast moet het mogelijk zijn ontwikkelingsscenario’s te implementeren en hun gevolgen te karakteriseren (§ 3.4.3.3).
3.2
Registratie grondwater en oppervlaktewaterstanden
Einde februari 2014 werden in 3 peilbuizen en 2 grachten druksensoren van het type DIVER geplaatst met automatische datalogger. Deze werden hoogfrequent ingesteld (meerdere metingen per dag). De registratie van grondwaterstanden wordt uitgevoerd in peilbuizen WELP001, WELP032 en WELP035 (Figuur 3-1). Er wordt opgemerkt dat de nummers van de peilbuizen 01, 32 en 35 overlappen met de peilbuizen, geplaatst begin jaren ’90 en onderwerp van een analyse in § 0. Peilbuis 32 werd echter herplaatst, de huidige positie ligt 50 m naar het oosten en 25 m naar het noorden. Registratie van oppervlaktewaterstanden vond plaats op de Rijtbeek stroomafwaarts van de spoorweg en op de Rijtbeek op het einde van de Wellemeersenstraat. Aangezien de registratie van de grondwaterstanden in het meetnet werd afgebouwd vanaf 2003 (beschrijving grondwatermeetnet in § 0) wordt met de hoogfrequente metingen gedurende 1 jaar gepoogd om alsnog een beeld te krijgen van het huidige grond- en oppervlaktewaterregime en een vergelijking te maken met de historische metingen. Onderstaande Figuur 3-2 en Figuur 3-3 geven respectievelijk de grondwaterstanden in de peilbuizen en de waterstanden in de Rijtbeek weer. Tijdens de meetperiode werden de grondwaterstanden dagelijks gemeten en opgeslagen door een logger. Voor peilbuizen 01 en 32 en voor de oppervlaktewaterstanden is de volledige registratieperiode van 1 jaar beschikbaar. De registraties in peilbuis 35 werden verstoord door derden tijdens de periode van 17/05/2014 tot 11/07/2014. 52
De waarnemingen worden vergeleken met de neerslag te Liedekerke (Gegevens VMM Waterinfo.be) in Figuur 3-4. De maandelijkse neerslagtotalen tijdens de meetperiode wijken sterk af van het meerjarige gemiddelde te Ukkel voor de maanden maart, april en september 2014. Dit resulteert in een daling van de gemiddelde oppervlaktewaterstanden van de Rijtbeek van 8.4 naar 8.1 mTAW in de afwaarts geplaatste peilmeter. Ter hoogte van de opwaarts geplaatste peilmeter en de grondwaterstandsmeters is een beperkte daling van de grondwaterstanden merkbaar vanaf juni 2014. De waterstand in de opwaartse peilmeter reageert snel op iedere verhoging van de neerslag en daalt vervolgens binnen een tijdspanne van enkele dagen naar de oorspronkelijk niveau. De afwaartse peilmeter registreert de waterstanden in het centrale deel na buffering in de vallei en de trage ontwatering ervan. De waterstanden hernemen hun oorspronkelijk peil na een periode van meer dan 2 weken. De geregistreerde waterstanden en waterstanden in de Rijtbeek worden vergeleken met de door het HIC (www.waterinfo.be) geregistreerde waterstanden op de Dender ter hoogte van de monding van de Rijtbeek. Deze werden berekend als gemiddelde van de waterstanden op de Dender ter hoogte van de stations te Erembodegem en Teralfene. De Monding van de Rijtbeek situeert zich halverwege tussen deze 2 stations. Eind augustus en begin november 2014, alsook tijdens de maand januari 2015 worden waterstanden voor de Dender berekend die gedurende een halve dag hoger liggen dan 8.5 mTAW, hoger dan het maaiveld in de Wellemeersen (ca. 8.4 mTAW). De waterstanden in de Rijtbeek gedurende deze periode zijn dan niet het gevolg van afvoer van de Rijtbeek doch van instromend water van de Dender. De opwaartse peilmeter ligt stroomopwaarts van de vernatte centrale zone waar peilbuis 32 een permanent peil van 8.6 mTAW registreert. Dit is 20-30 cm boven maaiveld en dus eerder een registratie van oppervlaktewaterstanden. De waterstanden van de opwaartse peilmeter liggen ca. 10 cm hoger dan de peilen van de centrale plas. De afwaartse peilmeter registreert peilen van om en bij de 8.3 mTAW. Dit is 30 cm lager dan de aangrenzende centrale plas op 8.6 mTAW. De Rijtbeek en de centrale plas worden hier gescheiden door een oeverwal. Een vergelijking van de recente hoogfrequente metingen met de historische metingen tijdens de periode 1992 – 2008 wordt gemaakt in Figuur 3-5, Figuur 3-6 en Figuur 3-7: ▪ Peilbuis 01 (Figuur 3-5) vertoont in 2014 nauwelijks variatie van de grondwaterstanden in vergelijking met de periode 1992 – 2008. De waterstand in de winter tijdens de periode 19941998, waarin hoogfrequente metingen beschikbaar zijn (1-2 maal per maand), bedraagt ca. 8.3 tot 8.4 mTAW, gelijk aan het maaiveld. Tijdens de periode 1998 – 2007 zijn slechts beperkte waarnemingen beschikbaar tijdens de winterperiode waardoor een gemiddelde winterse grondwaterstand niet kan worden afgeleid. De hoogfrequente metingen tijdens meetcampagne 2014 tonen een grondwaterstand tijdens de wintermaanden van ca. 8.4 mTAW, gelijk aan het maaiveld. De waarneming van de grondwaterstanden tijdens de zomermaanden vertonen tijdens de periode 1994 – 2004 sterke fluctuaties met een dalingen tot 7.5 mTAW. Tijdens de meetcampagne 2014 worden deze dalingen niet meer aangetroffen. De schommelingen van de grondwaterstand blijven beperkt tussen 8.3 en 8.4 mTAW. ▪ Peilbuis 32, gelegen in de thans permanent natte zone vertoont een gemiddelde waterstand van 8.6 mTAW tijdens natte periodes en daalt tijdens periodes met langdurig neerslagtekort tot 8.5 mTAW. In vergelijking met de historische gegevens tijdens de periode 1992 – 2005 ligt de gemiddelde grondwaterstand 30 cm hoger (van 8.3 mTAW naar 8.6 mTAW). De grondwaterdynamiek is zo goed als onbestaande. De hogere grondwaterstanden en het ontbreken van enige grondwaterdynamiek zijn het gevolg van het permanent overstromen van deze zone na 2004. ▪ De waarnemingen tijdens 2014 in Peilbuis 35 zijn vergelijkbaar met de waarnemingen tijdens de periode 1992-2011. De waterstanden tijdens de wintermaanden bedragen ca. 8.9 mTAW, vergelijkbaar met de winterse waterstanden tijdens de periode 1992-2011. Tijdens de maand 53
augustus van 2014 daalt de grondwaterstand tot ca. 8.3 mTAW. De grondwaterstandsdaling is vergelijkbaar met de daling tijdens de gematigde zomers in de periode 1992-2011.
54
Figuur 3-1
Locatie grond- en oppervlaktewaterstandsmetingen 02/2014 - 02/2015
55
56
Figuur 3-2
Registratie grondwaterstanden peilbuizen 20/02/2014 – 24/02/2015
Figuur 3-3
Registratie oppervlaktewaterstanden Rijtbeek 20/02/2014 – 24/02/2015
57
maandtotaal neerslag [mm/maand]
maandtotalen Liedekerke v.s. meerjarig gemiddelde Ukkel 1992-2012 140
120 100 80 60 40 20
0 1_2014 2_2014 3_2014 4_2014 5_2014 6_2014 7_2014 8_2014 9_2014 10_2014 11_2014 12_2014 1_2015 2_2015
Liedekerke
Gemiddelde Ukkel 1992-2012
Figuur 3-4
Maandtotalen neerslagstation Liedekerke vs. Gemiddelde Ukkel
Figuur 3-5
Registratie grondwaterstanden Peilbuis 01 1992 – 02/2015
Figuur 3-6
Registratie grondwaterstanden Peilbuis 32 1992 – 02/2015
58
Figuur 3-7
3.3
Registratie grondwaterstanden Peilbuis 35 1992 – 02/2015
Hydrologische modelering
De waarnemingen van oppervlaktewater in de Wellemeersen zijn ofwel eenmalig (topografische opmetingen van slib en waterstanden maart 2014) ofwel laagfrequent (opmeting grondwaterstanden in peilbuizen) ofwel van korte duur (waterstandsmetingen in het kader van de voorliggende studie gedurende een periode van 1 jaar). De metingen geven onvoldoende informatie om een uitspraak te doen over de gemiddelde afvoeren op lange termijn en het optreden van extreme afvoeren in een ruimer tijdskader. Hiervoor wordt een hydrologische en hydraulische modelstudie uitgevoerd van het stroomgebied. De noodzakelijke componenten voor deze studie, een hydrologisch en hydraulisch luik, kunnen worden opgebouwd op basis van het bestaande modelinstrumentarium. De VMM Afdeling Operationeel Waterbeheer stelde hiertoe het bestaande hydraulisch model van de Dender en zijlopen (waaronder de Wildebeek) ter beschikking. In § 3.3.2 worden de aanpassingen van het bestaande model toegelicht op maat van de Rijtbeek en Wellemeersen, ingeleid door een beknopte beschrijving van de hydrografie (§ 3.3.1).
3.3.1
Hydrografie
Het natuurgebied van de Wellemeersen vormt reeds geruime tijd onderwerp van ecohydrologische studie en analyse. Een eerste inventarisatie, opgemaakt door de opdrachtgever in het kader van de aanbesteding, wordt integraal weergegeven in Bijlage 5. Onderstaand wordt deze kennis verder aangevuld aan de hand van een algemene schets van de hydrografie. De afwatering van de Wellemeersen wordt opgedeeld door de E40. Het gebied van de Wellemeersen ten zuiden van de E40 watert af naar de Dender via de Rijtbeek, waterloop van 2e categorie. De totale afwaterende oppervlakte van de Rijtbeek bedraagt ca. 3.6 km², waarvan 2.6 km² stroomopwaarts van de Wellemeersen. Onderstaande Figuur 3-9 toont de onderverdeling in subbekkens met aanduiding van de oppervlakte (paars – [ha]). De Rijtbeek wordt aangeduid met zijn provinciaal nummer O5083 (Wildebeek = O5077, Dender BV18). Het maaiveld in de zuidwestelijk punt van het stroomgebied ligt op ca. 40 mTAW, de gemiddelde terreinhelling langs het dal van de vallei naar de Wellemeersen bedraagt ca. 1%, Vanaf de 1 e kruising met de Spoorlijn bij intrede van de Wellemeersen wordt geen helling opgemeten (Figuur 3-10).
59
3.3.1.1 Rioleringsinfrastructuur De rioleringsinfrastructuur van de deelgemeente Welle behoort tot het zuiveringsgebied van de RWZI te Liedekerke. De bovengemeenstelijke collector komende van het westen kruist de Wildebeek en loopt te Welle grotendeels parallel ten zuiden van de spoorweg. Binnen het stroomgebied van de Rijtbeek en Wellemeersen treft men 4 locaties aan met een overstort: Kampstraat, Rodestraat, Berkenlaan en Wijmenierlaan. De resultaten van een recente berekening met het hydronautmodel van de geplande toestand C (persoonlijke communicatie 02/03/2015 Kristoff Derveaux, Aquafin) geeft onderstaande overstortvolumes en piekdebieten (Tabel 3-1, Tabel 3-2). De overstorten van de Berkenlaan en Wijmenierstraat geven uit op grachten met rechtstreekse aansluiting op de Dender. De overstorten van de Rodestraat en Kampstraat geven uit op het grachtenstelsel van de centrale zone van de Wellemeersen. Tabel 3-1
Overstortvolumes [m³] in Rijtbeek en Wellemeersen (toestand C)
Overstort
Frequentie beschouwde neerslaggebeurtenis (F10 = 10 x per jaar, T2 = eenmaal per 2 jaar) F10
F7
T2
T5
T10
T20
Kampstraat
2123
2588
8427
10626
12591
14705
Rodestraat
0
0
20
38
55
71
Berkenlaan
322
456
5330
6911
7867
8682
Wijmenierlaan
12
46
876
1177
1483
1850
Tabel 3-2
Maximaal overstortdebiet [m³] in Rijtbeek en Wellemeersen (toestand C)
Overstort
Frequentie beschouwde neerslaggebeurtenis (F10 = 10 x per jaar, T2 = eenmaal per 2 jaar) F10
F7
T2
T5
T10
T20
Kampstraat
0.58
0.64
0.83
0.90
0.95
1.00
Rodestraat
0
0
0.06
0.09
0.12
0.14
Berkenlaan
0.21
0.26
1
1.23
1.34
1.43
Wijmenierlaan
0.03
0.09
0.78
0.82
0.86
0.90
Met als doel het vervolledigen van de rioleringsinfrastructuur en het efficiënter maken van de rioolwaterzuivering, werd in 2014 het overstort Kampstraat te Denderleeuw gesaneerd. Hiervoor werd 1/ een extra vuilvracht van 3000 inwonersequivalenten en bijhorende verharde oppervlaktes van de Wildebeek naar een overstort in de Kampstraat verplaatst (met aansluiting op de Rijtbeek) 2/ een RWAleiding aangelegd in de Steenveldlaan en het eerste deel van de Wellestraat 3/ vanaf het kruispunt Wellestraat-Kemelweg tot aan het overstort Kampstraat een open buffergracht gegraven met lengte ca. 60
320 m en 4/ werd een ruiming van de Rijtbeek uitgevoerd vanaf de Wellestraat tot de kruising met de spoorweg. Het afgekoppelde hemelwater wordt geloosd in de geruimde Rijtbeek. De hydraulische belasting van het overstort van de Kampstraat wordt hierdoor met 1/3 verminderd en overgenomen door de RWA leiding. De overstortvolumes van het overstort van de Kampstraat in deze toestand C blijven echter relatief hoog, ook bij hoge frequenties van de beschouwde neerslagevents. De frequentie van overstorten is hierdoor slechts beperkt verlaagd t.o.v. de oorspronkelijke toestand A, de totale vuilvracht naar de Rijtbeek en Wellemeersen neemt derhalve slechts beperkt af.
OV Kampstraat OV Rodestraat OV Berkenlaan Lozing RWA Wellestraat OV Wijnemierstraat
Figuur 3-8
Overstortschema Aquafin
61
3.3.1.2 Oppervlaktewater (Van Schandevyl, 2010) Naast afvoergrachten en de Rijtbeek treft men een aantal vijvers en poelen aan. De vijvers ontstonden voornamelijk door het uitgraven van turf of zijn ontstaan als bomkrater. Alle wateroppervlakken zijn artificieel en verschillend in leeftijd en oorsprong en op één na zeer tot vrij ondiep. De grotere vijvers en poelen zijn van nature permanente wateren. Kleinere poelen, afvoergeulen, sloten, beken en slenken drogen in warme zomers voor een groot gedeelte of volledig uit: De drie “Zavelputten werden gegraven in het midden van de negentiende eeuw om de spoorwegtaluds aan te vullen: Kleine zavelput, Grote zavelput en de Mannekesput. De Gatesvijver is een groot, regelmatig gevormd reservoir (550 X 450 m) dat enkel met de Dender is verbonden door middel van een smalle overloop. De gemiddelde diepte bedraagt 6 meter. Deze zandwinningsput werd in 1953-54 gegraven om het lokale autosnelwegtalud op te hogen en ligt pal op de grens van het transgressiegebied van de Dender, zodat het oostelijke deel zich nog bevindt in de alluviale vlakte en het westelijk deel toebehoort aan de erosiewal. Hierdoor zijn oostelijk oevers vlak en de westelijke steil. Het reservoir wordt gevoed door kwelwater in het westelijke talud en heeft een zeer kleine afwatering naar de Dender. In 2003 werd na een bodemonderzoek een vervuiling van de waterbodem vastgesteld. In oktober 2008 werden tijdens de saneringswerken de oeverzones afgevlakt, de vervuilde bodem afgedekt met een geotextiel (folie) en nadien van een nieuwe, zuivere 40cm dikke grondlaag voorzien. De grondlaag werd gewonnen op het aanpalende perceel, waardoor hier een nieuwe poel ontstond tussen de Gatesvijver en de Dender. De bomputten dateren van bombardementen op het station van Denderleeuw in 1944. Een deel van deze bomputten werden kort na hun ontstaan opgevuld, de resterende zijn relatief ondiep en verland. Andere vijvers werden door particulieren gegraven voor weekendverblijf tussen het begin van de jaren zestig en het midden van de jaren zeventig. Het noordelijk deel van het gebied (gemeente Erembodegem-Aalst) bestaat uit oude vloeiweiden. Ondanks overstromingen van de Dender wordt dit gedeelte van het reservaat hydrologisch vooral beïnvloed door stagnerend regenwater. De bodem bestaat uit natte alluviale klei en naar de oeverwal en valleiranden toe uit natte zandleemgronden.
62
Figuur 3-10
Dender
Spoorlijn
Onderverdeling stroomgebied van de Rijtbeek
Spoorlijn
Figuur 3-9
Wellemeersen
Maaiveldprofiel langs as Rijtbeek, waterloop van 3e categorie.
63
3.3.2
Hydrologische modellering
Het bestaande modelinstrumentarium wordt aangepast op maat van de Rijtbeek. Hiervoor wordt een verfijning van de afbakening van de stroomgebieden doorgevoerd (Figuur 3-9). Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de aanvoer van deelstroomgebieden opwaarts van de spoorweg en de delen van het stroomgebied in de Wellemeersen. Het valleigebied van de Dender, waarvan de Wellemeersen 1 geheel vormden, werd opgedeeld in 7 delen (6 compartimenten ten zuiden van de E40 en 1 compartiment ten noorden). De compartimentering werd uitgevoerd op basis van het DHM Vlaanderen ter hoogte van verhogingen. De compartimenten worden in het hydraulisch model onderling verbonden door ofwel een koker (tussen valleigebied DeReyte01_R en valleigebied Wellemeersen 04_R - Figuur 3-13) ofwel door een overlaat die de verhoging van het maaiveld weergeeft. Vervolgens werd een hydrologische en hydraulische simulatie van 25 jaar uitgevoerd en de resultaten als daggemiddelde waarden opgeslagen (Figuur 3-11). De resultaten van de berekende afvoer van de Rijtbeek werden verwerkt tot een tijdsverdeling (Figuur 3-12). Zo ook de met het hydrodynamisch model berekende waterstanden in de deelgebieden (Figuur 3-14). De afvoerverdeling van het stroomgebied van de Rijtbeek vertoont de typische kenmerken van een regenrivier met zeer lage gemiddelde afvoeren en relatief hoger afvoeren tijdens korte tijdsperiodes. In 90% van de tijd is de afvoer opwaarts van de Wellemeersen lager dan 0.2 m³/s en lager dan 0.4 m³/s voor het volledige stroomgebied. De hoge buffering in het valleigebied van de Wellemeersen hebben als resultaat dat de waterstanden sterk worden afgevlakt, wat zich vertaalt in afgevlakte curves voor de tijdsverdeling van de overstromingshoogte (Figuur 3-14). Met het oogmerk van een sanering van de Rijtbeek voor een vlotte of gecontroleerde afwatering van de afvoer wijst de berekende tijdsverdeling op de relatief lage gemiddelde debieten van om en bij 0.05 m³/s. De dimensionering van grachten voor dergelijke lage debieten is een overbodige oefening. De huidige Rijtbeek heeft een voldoende kruinbreedte van meer dan 1 meter, het onderhoud ervan is bepalend.
Figuur 3-11
Berekende daggemiddelde afvoer met PDM van de Rijtbeek
64
Figuur 3-12
Tijdsverdeling berekende afvoer Rijtbeek met PDM
Figuur 3-13
Compartimentering vallei Wellemeersen
65
Figuur 3-14
Tijdsverdeling van de waterstanden in deelgebied van de Wellemeersen
66
3.4
Tijdreeksenanalyse Grondwaterstanden
Het grondwatermeetnet, bestaande uit 45 peilbuizen werd gedurende de periode 1992-2010 opgemeten. Een tijdreeksanalyse op de aangeleverde historische grondwaterpeilreeksen heeft als doel extra onderbouwing te leveren voor de veranderende hydro-ecologische condities in het natuurgebied. Met name moet een tijdreeksanalyse een antwoord formuleren op het verloop van de grondwatertafel (GHG, GLG, GVG) in een enkel jaar en de evolutie daarvan op langere termijn. Hierbij worden sturende processen en/of factoren geïdentificeerd en beschreven. Voorliggend verslag bestaat uit volgende onderdelen:
3.4.1
▪
Beschrijving van beschikbare data (§ 3.4.1)
▪
Pre-Analyse (§ 3.4.1.2.5)
▪
Analyse grondwatermeetreeksen in Menyantes (§ 3.4.3)
Beschikbare data
3.4.1.1 Waargenomen grondwaterpeilen in het studiegebied In het studiegebied werden op 45 locaties peilbuizen geplaatst, waarvan het waterpeil vervolgens door leden van de vzw Natuurpunt werd bemeten tijdens de periode 1992 tot 2010. Deze grondwatermeetreeksen werden aangeleverd door de VLM. Op 9 locaties werd de peilbuis vervangen, deze worden aangegeven met suffix “A”. In totaal zijn 54 meetreeksen van waterstanden beschikbaar (Tabel 3-3). De locaties van de peilbuizen worden weergegeven in Figuur 3-15. De peilbuizen liggen verspreid over het hele studiegebied. Op de randen van het gebied liggen de peilbuizen op 10 à 11 m TAW en in het valleigebied op 8 à 9 m TAW (Figuur 3-15). Voor bepaalde peilbuizen is noch de exacte diepte van de filterstelling noch de boorbeschrijving gekend. Vermoedelijk gaat het om ondiepe filterstellingen (< 3 m onder maaiveld) in het kwartair dek. Bij aanvang (1992 tot ca. 1995) werden de waterstandsmetingen 2-wekelijks uitgevoerd, vervolgens maandelijks (periode 1996-2003). Vervolgens nam de meetfrequentie stelselmatig af wegens de ontoegankelijkheid van het terrein als gevolg van de oprukkende vernatting. Zo zijn er geen grondwatermetingen in 2005, 2008 en 2009. In peilbuizen met nummers 34 tot 45 werd er niet gemeten in 1995. Verder zijn er enkele peilbuizen (6, 14, 25, 40, 42 en 43), waarbij enkel data beschikbaar is gedurende 4 jaar of minder. Een overzicht van de beschikbare data wordt weergegeven in Tabel 3-4. Hierin worden het aantal waarnemingen voor iedere peilbuis weergegeven per hydrologisch jaar (1 april – 1 april opvolgend jaar). De tijdreeksen van de originele peilbuizen (suffix “X” in Tabel 3-3) werden voorlopig samengevoegd bij de tijdreeksen van de vervangende peilbuizen (suffix “A” in Tabel 3-3, samengevoegd tot suffix “AX”)
67
Tabel 3-3
Overzicht beschikbare meetpunten
ID
Hoogte meetpunt [mTAW]
WELP001X WELP002X WELP003X WELP004X WELP005X WELP006X WELP007A WELP007X WELP008X WELP009A WELP009X WELP010X WELP011A WELP011X WELP012B WELP012X WELP013X WELP014X WELP015X WELP016X WELP017X WELP018A WELP018X WELP019A WELP019X WELP020X WELP021X WELP022X WELP023X WELP024X WELP025X WELP026X WELP027X WELP028X WELP029X WELP030X WELP031X WELP032X WELP033X WELP034A WELP034X WELP035A WELP035X WELP036X WELP037X WELP038X WELP039X WELP040X WELP041X WELP042X WELP043X WELP044A WELP044X WELP045X
8.69 9.31 8.68 8.83 9.06 8.72 9.75 9.75 8.88 8.99 9.31 12.77 10.63 10.73 10.31 10.77 9.62 9.23 9.04 11.59 12.98 9.24 8.69 8.51 8.21 9.26 12.47 9.24 9.02 12.05 9.22 9.03 8.99 8.91 8.90 9.37 9.54 8.77 9.48 9.39 9.22 9.36 9.52 11.68 9.11 10.64 9.99 10.40 10.11 9.26 9.39 10.19 10.62 10.03
HOOGTE MEETPUNT TAWGROUND LENGTEBUIS LENGTEFILTER X lambert Y lambert BOVEN MAAIVELD [mTAW] [m] [m] [m] [m] [m] 0.31 8.38 3.99 0.30 128305 177447 0.39 8.92 3.00 0.30 128313 177465 0.33 8.35 3.03 0.30 128296 177535 0.50 8.33 2.41 0.30 128416 177621 0.43 8.63 1.61 0.30 128351 177405 0.42 8.30 3.00 0.30 128419 177285 0.15 9.60 128475 177441 0.74 9.01 128486 177457 0.25 8.63 128644 177430 0.00 8.99 1.28 0.30 128646 177610 0.36 8.95 128640 177633 0.34 12.43 4.00 0.30 128242 177732 0.15 10.05 2.36 0.30 128222 177884 0.49 10.24 2.28 0.30 128222 177884 0.17 10.14 3.80 0.30 128196 177926 0.47 10.30 4.10 0.30 128206 177953 0.39 9.23 2.51 0.30 128135 177266 0.52 8.71 2.06 0.30 128237 177219 0.60 8.44 3.00 0.30 128170 176977 0.20 11.39 1.92 0.30 128275 176861 0.40 12.58 3.38 0.30 128307 176855 0.38 8.86 3.01 0.30 128285 176954 0.47 8.22 3.01 0.30 128285 176954 0.00 8.51 2.26 0.30 128291 177145 0.32 7.89 3.29 0.30 128291 177145 0.57 8.69 3.01 0.30 128401 177063 0.70 11.77 3.00 0.30 128446 176898 0.58 8.66 1.63 0.30 128519 176888 0.41 8.61 5.46 0.30 128523 176887 0.24 11.81 128614 176802 0.30 8.92 128754 176821 0.51 8.52 128611 177097 0.33 8.66 128700 177194 0.60 8.31 128581 177223 0.40 8.50 128737 177260 0.35 9.02 128811 177237 0.45 9.09 128981 177057 0.52 8.25 128778 176994 0.34 9.14 128908 176842 0.50 8.89 2.05 0.30 129060 176760 0.40 8.82 129060 176760 0.30 9.06 1.96 0.30 129144 176660 0.57 8.95 129144 176660 0.25 11.43 128856 176666 0.30 8.81 2.47 0.30 128872 176722 0.37 10.27 128878 176636 0.50 9.49 128956 176655 0.45 9.95 129099 176451 0.35 9.76 129212 176341 0.35 8.91 129278 176511 0.40 8.99 129368 176425 0.27 9.92 3.84 0.30 129278 176373 0.54 10.08 129278 176373 0.55 9.48 129453 176242
START METINGEN 1/10/1992 1/10/1992 1/10/1992 1/01/1992 1/01/1992 1/01/1992 27/01/2007 10/02/1992 10/02/1992 1/01/2009 10/02/1992 3/02/1992 8/09/2009 1/10/1992 1/01/1994 3/02/1992 27/01/1992 8/09/2009 13/01/1992 13/01/1992 27/01/1992 8/09/2009 13/01/1992 8/09/2009 3/02/1992 10/02/1992 27/01/1992 27/01/1992 27/01/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 8/09/2009 10/02/1992 8/09/2009 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 10/02/1992 8/09/2009 10/02/1992 10/02/1992
TOP BASIS DIAMETER FILTER FILTER STATUS (juni 2013) [cm] [mTAW] [mTAW] 5.44 6.61 5.95 6.72 7.75 6.02
5.14 6.31 5.65 6.42 7.45 5.72
8.01
7.71
9.07 8.57 8.75 6.81 6.97 7.41 7.47 6.34 9.97 9.90 6.53 5.98 6.55 5.22 6.55 9.77 7.91 3.86
8.77 8.27 8.45 6.51 6.67 7.11 7.17 6.04 9.67 9.60 6.23 5.68 6.25 4.92 6.25 9.47 7.61 3.56
7.64
7.34
7.70
7.40
6.94
6.64
6.65
6.35
4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 0.00 0.00 0.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 0.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 4.00 0.00 0.00 4.00 4.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 4.00 4.00 4.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00
weg ok ok ok weg weg ok weg weg weg weg ok ok weg ok weg geen info weg ok ok ok ok weg weg weg weg ok ok ok ok weg ok weg ok weg ok ok weg ok ok weg ok weg ok weg ok ok weg geen info weg weg weg weg weg
68
Tabel 3-4
Overzicht beschikbare data
69
Figuur 3-15
Maaiveldhoogte t.h.v. de peilbuizen
3.4.1.2 Beschouwde sturende invloeden In onderliggende paragraaf worden fenomenen toegelicht die mogelijks een invloed uitoefenen op de grondwaterstanden in het studiegebied. Onder sturende processen worden alle termen van de hydrologische kringloop beschouwd die een invloed kunnen uitoefenen op de grondwaterbalans. In het geval van de Wellemeersen worden volgende termen in overweging genomen: ▪ Neerslag: Neerslaggegevens van het KMI station te Ukkel ▪
Evapotranspiratie. Potentiële evaporatiegegevens van het KMI station te Ukkel
▪
Grondwaterwinningen. In de onmiddellijke omgeving van het natuurgebied zijn geen grondwaterwinningen noch oppervlaktewaterwinningen bekend bij de VMM Afdeling operationeel Waterbeheer.
▪
Hydrografie: Oppervlaktewater kan een invloed uitoefenen op de grondwaterstanden als gevolg van de drainage van de percelen alsook als gevolg van opstuwing, overstromingen en infiltratie. Analoog aan de termen neerslag en evaporatie hebben overstromingen een rechtstreekse impact op de grondwaterstanden in het overstroomde gebied. In het geval van drainage of opstuwing door allerhande waterlichamen echter spelen bijkomende ruimtelijk verdeelde invloeden een rol zoals afstand tot het drainagenetwerk, vertakkingen en drainageweerstand.
▪
Bodemgesteldheid: Sterk verdichte en kleiige bodem vermindert het contact met onderliggende watervoerende lagen. Grondwateraanvulling tijdens periodes met neerslagtekort gebeurt beperkt.
3.4.1.2.1 Oppervlaktewaterpeilen Dender In Teralfene EMT en in Aalst zijn waterpeilen beschikbaar vanaf 1995 tot 2014 (locatie van de twee limnigrafen zijn aangeduid in Figuur 3-19, tijdreeksen met daggemiddelde waterstanden in Figuur 70
3-16 en Figuur 3-17). In de periode voorafgaand aan mei 1996 en tijdens periodes in 1997 tot 2002 zijn er geen metingen. In Tabel 3-5 wordt een overzicht gegeven van de ontbrekende periodes per jaartal voor de limnigrafen in Teralfene EMT en Aalst. Gelet op de ontbrekende periodes in de tijdreeksen van de oppervlaktewaterstanden van de Dender werd navraag gedaan bij de Waterwegen en Zeekanaal, Afdeling Bovenschelde naar eventuele infrastructuurwerken/stuwpeilwijzingen op de Dender tijdens deze periodes. Het normale waterpeil boven de sluis van Aalst is sinds begin jaren ’90 ongewijzigd gebleven. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat er langdurige dalingen op de Dender geweest zijn. Het tijdelijk verlagen van het waterpeil voor infrastructuurwerken wordt toegestaan, maar wordt beperkt tot enkele uren omwille van de scheepvaart en extra belasting op de oevers. In 2004 werden de stuwpeilen op de Dender tijdelijk verlaagd (0.5m) voor werken aan de Zeebergbrug in Aalst. Verder hebben er geen noemenswaardige infrastructuurwerken plaatsgevonden in de periode tussen 1992 en 2010. Men kan derhalve veronderstellen dat de waterstanden op de Dender slechts in beperkte mate fluctueren. Het mediaan peil voor de 2 locaties bedraagt ca. 7.7 mTAW (Figuur 3-18 - rechts). Maandgemiddelde peilen te Aalst variëren minder dan 10 cm op jaarbasis, te Teralfene bedraagt dit 20 cm. Tabel 3-5
Overzicht ontbrekende periodes Teralfene EMT en Aalst Jaartal
Ontbrekende periodes
1995
januari; maart tot december
1997
september
1998
april; mei; juli; augustus
1999
mei; juli; september tot december
2000
Januari tot december
2001
Januari tot april; eind juni tot september
2002
Eind april tot eind mei; eind november tot december Teralfene EMT
10.00
H [mTAW]
9.50 9.00 8.50 8.00 7.50 04/93
Figuur 3-16
04/94
04/95
04/96
04/97
04/98
04/99
04/00
04/01
04/02
04/03
04/04
04/05
04/06
04/07
04/08
04/09
04/10
04/11
04/12
04/06
04/07
04/08
04/09
04/10
04/11
04/12
Waterpeil Teralfene EMT (stroomafwaarts) (MOW-HIC 2014) Aalst/Dender
10.00
H [mTAW]
9.50 9.00
8.50 8.00 7.50 04/93
04/94
04/95
04/96
04/97
04/98
04/99
04/00
04/01
04/02
04/03
04/04
04/05
71
Figuur 3-17
Waterpeil Aalst/Dender (stroomopwaarts) (MOW-HIC 2014) tijdsverdeling waterstanden Dender
maandgemiddelde waterstanden Dender 8.2
8.0
Waterstand [mTAW]
Waterstand [mTAW]
8.1 7.9
7.8
7.7
8.0 7.9 7.8 7.7
7.6 7.5
7.6 jan
feb
mrt
apr
mei
Aalst/Dender
jun
jul
aug
sep
okt
nov
dec
Teralfene EMT
0
0.2
0.4
Aalst/Dender
Figuur 3-18
Maandgemiddelde waterstanden en tijdsverdeling te Aalst en Teralfene
Figuur 3-19
Situering limnigrafen Aalst en Teralfene EMT
0.6
0.8
1
Teralfene EMT
3.4.1.2.2 Oppervlaktewaterpeilen Wellemeersen In het voorjaar 2014 werden in het natuurgebied Wellemeersen de waterpeilen eenmalig opgemeten (Figuur 3-20). Alsook de dikte van de sliblaag in de grachten. De waterpeilen op de afwaartse rand van de Bonte Beek, de Rijt en de meest zuidelijke waterloop t.h.v. de Wijmenierlaan bedroegen op 7.85 à 7.9 m TAW, slechts 10 cm hoger dan het peil op de ontvangende waterloop de Dender. De waterpeilen op de Rijt t.h.v. de Wellemeersenstraat waren ongeveer op 8.35 à 8.45 m TAW en t.h.v. de spoorweg op 8.6 m TAW. Dit waterpeil werd ook gemeten in het gebied op de rechteroever van de Rijt tussen de poelen en de Dender.
72
De waterpeilen in de waterlopen met respectievelijk nummer 33 en 38 tussen de Rodestraat en de Berkenlaan bedroegen 8.7 à 8.9 mTAW. In de waterlopeninventarisatie (ANB, VLM 2013) wordt dit gebied als kwelzone bestempeld die vrij nat is het hele jaar door. Het waterpeil op de waterlopen t.h.v. de Berkenlaan lag op 8.7 m TAW, wat er eveneens op wees dat deze waterloop niet goed draineerde. De hoogste waterpeilen (>9 m TAW) werden gemeten in de Wildebeek opwaarts van de duiker onder de spoorweg en aan de Rodestraat t.h.v. het overstort.
Figuur 3-20
Opgemeten waterpeilen in het studiegebied
73
Figuur 3-21
Situering kunstwerken in het studiegebied
3.4.1.2.3 Evaporatie en Neerslag Gegevens m.b.t. neerslag en potentiele evaporatie werden verkregen via het Koninklijk Meteorologisch instituut KMI. Voor de periode van de grondwaterstandwaarnemingen werden de gegevens opgevraagd voor het station te Ukkel (1992 tot 2012). In Figuur 3-22 worden de jaartotalen voor beide waarnemingen uitgezet in de tijd. De gemiddelde neerslaghoeveelheid over deze periode bedraagt 848 mm/jaar, de gemiddelde potentiële evaporatie bedraagt 740 mm/jaar. De afwijking van beide parameters op het gemiddelde wordt weergeven in Figuur 3-23. In Figuur 3-24 worden de resultaten van een vereenvoudigde massabalans voorgesteld. Het betreft een cumulatieve berekening van de dagneerslagen en evapotranspiratie waarbij grondwateraanvulling door neerslag wordt gelimiteerd tot maximaal 20 mm/dag en de positieve waarden in de waterbalans worden herleid tot 0 (afvoer van overtollig water). In de zomers van 1995, 1999 en 2003 en 20092011 is, volgens deze oriënterende berekening, het neerslagdeficit het grootst. Over de beschouwde periode zijn de jaren met relatief hoog neerslagtekort goed verdeeld.
74
P/EVP [mm/jaar]
1200 1000
800 600 400 200 2012 2012
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2011
Figuur 3-22
2011
PRECIP_QUANTITY(mm)
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
0
EVAPORATION(mm/day)
Neerslag en Evaporatie te Ukkel (mm/jaar)
300
P/EVP [mm/jaar]
200
100 0
-100 -200
-300
PRECIP_QUANTITY(mm)
Figuur 3-23
EVAPORATION(mm/day)
Linear (PRECIP_QUANTITY(mm))
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
-400
Linear (EVAPORATION(mm/day))
Afwijking Neerslag/Evaporatie t.o.v. gemiddelde (1992-2012)
0
saldo massabalans [mm]
-50
-100
-150
04/99
04/00
04/01
04/02
04/03
04/04
04/05
04/06
04/07
04/08
04/09
04/10
04/11
04/12
2011
04/98
2010
04/97
2009
04/96
2008
04/95
2007
04/94
2006
Figuur 3-24
04/93
2005
-250 04/92
2004
-200
Neerslagdeficit hydrologische jaren 1992 -2012 # dagen deficit > 100mm
200
dagen
150 100 50
# dagen
Figuur 3-25
2012
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
0
Linear (# dagen)
# dagen met meer dan 100 mm deficit in massabalans
75
3.4.1.2.4 Bodemtextuur In Figuur 3-26 wordt de bodemtextuur in het studiegebied ruimtelijk weergeven volgens de digitale Bodemkaart van België. Op de hoger gelegen percelen vindt men voornamelijk zandleem. In het lager gelegen valleigebied bestaan de uiterwaarden voornamelijk uit lichte klei tot klei. Langsheen de Dender en in het zuiden en westen van het natuurgebied komen (zand)lemige bodems voor. De bodem t.h.v. de Rijt en zijlopen bestaat bijna volledig uit klei, deze kleizone strekt zich uit tot in het zuidelijke gedeelte van het natuurgebied.
Figuur 3-26
Bodemtextuurkaart van het studiegebied
3.4.1.2.5 Luchtfoto’s In het studiegebied van de Wellemeersen zijn enkele historische luchtfoto’s beschikbaar in volgende perioden: ▪
1988-1991 (zie Figuur 3-27)
▪
2002-2003 (zie Figuur 3-28)
▪
2006-2007 (zie Figuur 3-29)
▪
2009 (zie Figuur 3-30)
▪
2012 (zie Figuur 3-31)
Op basis van de luchtfoto’s kunnen volgende vaststellingen gemaakt worden: ▪
2de vijver werd aangelegd rond 2009 76
▪
Vernattingen ten noorden van de Rodestraat zijn reeds zichtbaar vanaf 2009 en duidelijk zichtbaar in 2012. Op de orthofoto van 2006 is er nog geen (zichtbare) vernatting.
▪
Vernatting op de oostelijke oever van de Rijt tussen kunstwerk 7 en 11 in 2009, in 2006 nog niet.
77
Figuur 3-27
Luchtfoto 1988-1990 (OC GIS-Vlaanderen, 1998)
78
Figuur 3-28
Luchtfoto 2002 (VLM/OC en prov.O.-Vl., 2002)
79
Figuur 3-29
Luchtfoto 2006 (Prov. O.-Vl.(AGIV-product), 2006)
80
Figuur 3-30
Luchtfoto 2009 (Prov. O.-Vl.(AGIV-product), 2009)
81
Figuur 3-31
Luchtfoto 2012 (Prov. O.-Vl. – Z., 2012)
82
3.4.2
Pre-Analyse
3.4.2.1 Correcties meetreeksen stijghoogte grondwater Voorafgaand aan de analyse van het grondwaterregime werden de stijghoogtetijdreeksen onderworpen aan controle en de nodige correcties uitgevoerd. Hierbij werden voor ogenschijnlijk onrealistische waarden, plotse sprongen, afvlakkingen (zowel naar boven als naar onderen) correcties voorgesteld. Een lijst van de 10 gecorrigeerde tijdreeksen wordt gegeven in Tabel 3-6, en verantwoord aan de hand van de figuren (Figuur 3-32 tot Figuur 3-41) Tabel 3-6
Overzicht correcties
Peilbuizen nr.
Correcties
Figuur
WEL004
2 metingen in 1993 en 1995 werden verwijderd
Figuur 3-32
WEL006
Grondwaterstanden na 1994 worden slechts sporadisch opgemeten. De waarden tijdens de zomer van 1995 vertonen geen daling, noch tijdens de zomer van 1996. De waterstandsmetingen van WEL006 worden niet weerhouden voor analyse
Figuur 3-33
WEL007
In 1995 werd er niet gemeten in WEL007. De metingen na 1996 dienden met een 60-tal cm te worden verlaagd. De opgeleverde meetreeks na 1995 levert stijghoogtes tijdens de wintermaanden van 9.6 mTAW, 1.2 m boven maaiveld en hoger dan de oevers van de Dender.
Figuur 3-34
WELP009
In WELP009 zijn de twee periodes met foute opmetingen gecorrigeerd:
Figuur 3-35
Periode 1: 01/06/1999 tot 15/01/2000 Periode 2: 20/01/2002 tot 15/05/2002 Er treden plotse sprongen op van ca. 1 m. Deze waarden werden verlaagd met 1 m. WELP010
De eerste meting in WELP010 (10.42 m TAW) werd verwijderd.
Figuur 3-36
WELP018
De eerste meting in WELP018 (7.65 m TAW) werd verwijderd.
Figuur 3-37
WELP019
De grondwaterstanden in 2010 zijn een 30-tal cm hoger, deze werden verwijderd.
Figuur 3-38
WELP030
Waterstanden in WELP030 zakken tijdens de wintermaanden van 2000 weg tot 2.5 m onder maaiveld, deze extreme daling werd uit de te analyseren reeks verwijderd wegens niet realistisch.
Figuur 3-39
WELP039
In WELP039 werden twee metingen gecorrigeerd, waarvan één meeting in 1997 en één in 1998. De waterstanden liggen ruim 0.6 m boven het maaiveld en boven de oevers van de Dender.
Figuur 3-40
WELP040
In WELP040 werden de onrealistisch lage grondwaterstanden in de zomer van 1993 en 1994 verwijderd. Tijdens de zomer van 1993 wordt meer dan 5 maal dezelfde waarde weergegeven, tijdens het najaar van 1994 wordt een stijgende trend plots onderbroken door een daling van 1 m.
Figuur 3-41
83
Figuur 3-32
Gecorrigeerde grondwaterstanden WELP004
Figuur 3-33
Grondwaterstanden WELP006 en vgl met WELP003
Figuur 3-34
Gecorrigeerde grondwaterstanden WELP007
84
Figuur 3-35
Gecorrigeerde grondwaterstanden WELP009
Figuur 3-36
Gecorrigeerde grondwaterstand WELP010
Figuur 3-37
Gecorrigeerde grondwaterstand WELP018
85
Figuur 3-38
Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstand WELP019
86
Figuur 3-39
Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstanden WELP030
87
Figuur 3-40
Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstanden WELP039
88
Figuur 3-41
Origineel (boven) en gecorrigeerde (onder) grondwaterstanden WELP040
3.4.2.2 Verkennende analyse invloed Denderpeil Er werd nagegaan indien er een verband is tussen de grondwaterfluctuaties in de peilbuizen en de afstand tot de Dender. Dit om een indicatie te verkrijgen van het invloedsgebied van de Dender. De grondwaterfluctuaties worden in Figuur 3-42 voorgesteld als het verschil tussen de gemiddelde hoogste en laagste grondwaterstand van de gecorrigeerde, geobserveerde reeksen. Deze werden uitgezet ten opzichte van de afstand tot de Dender. De grondwaterfluctuaties nemen af naarmate de peilbuizen zich verder van de Dender bevinden.
89
1,6
∆h OBS Lineair (∆h OBS)
1,4
GHG - GLG (m)
1,2 1 0,8 0,6 0,4 0,2 0 0
100
200
300
400
500
600
700
800
Afstand tot Dender (m)
Figuur 3-42
Grondwaterfluctuaties (GHG-GLG in meters) in functie van de afstand tot de Dender voor de 45 geobserveerde grondwatermeetreeksen
De grondwaterfluctuaties werden ruimtelijk voorgesteld in Figuur 3-43. Er zijn twee zones met beperkte grondwaterfluctuaties, nl. rond het opwaarts gelegen gedeelte van de Rijt en haar zijloop komende van de Rodestraat en het gebied ten zuiden van de Rodestraat. De grondwaterstanden in de peilbuizen aan deze zijloop (20, 22 en 23) zijn gelijkaardig, het maaiveld ligt er op 8.6 mTAW en de gemiddelde grondwaterstand op 8.8 mTAW. Wat aangeeft dat het gebied bijna het hele jaar door nat is. In peilbuis 38, ten zuiden van de Rodenstraat, is de fluctuatie zeer beperkt, dit omwille van de sterke drainage op 10.64 mTAW.
Figuur 3-43
Geobserveerd verschil tussen GHG en GLG
90
3.4.2.3 Onderzoek naar mogelijke trends in de waargenomen stijghoogtes Om eventuele trends in de waargenomen stijghoogtes op te sporen wordt de evolutie van verschillende gemiddelde waarden uitgezet in grafiek. Onderstaand wordt de evolutie geschetst van stijgend oppervlaktewater, gemiddelde winterse grondwaterstand en gemiddelde zomerse grondwaterstanden. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen de verschillende zones: 1. 2. 3. 4. 5.
Vallei, zone die ook wel het Rot genoemd wordt (PB 6, 7, 8, 20, 22, 23, 25, 26, 27, 28, 32) Talud, overgang naar vallei Wellemeersen (PB 19, 21, 24) Oeverwal, zone tussen vallei en dender (PB 9, 29, 30, 31) Zone Wellemeersenstraat (PB 1, 2, 3, 4, 5) Zone ten zuiden van Rodestraat (PB 33, 35, 36, 37, 38, 39)
3.4.2.3.1 Trends in stijgend oppervlaktewater Om een eventuele trend in stijgend oppervlaktewater te toetsen worden alle waarnemingen boven maaiveld weerhouden uit de gecorrigeerde meetreeksen. Vervolgens wordt een gemiddelde per jaar berekend van de waterstanden boven maaiveld en weergegeven in Figuur 3-44. In geen van de zones zijn locaties aan te duiden waar de gemiddelde grondwaterstand boven maaiveld enige trend vertoont. In de grafiek ter hoogte van de “talud” worden in 2005, 2009 en 2010 verhoogde waarden opgetekend. Voor peilbuis WELLP021 betreft het echter waterstanden van om en bij 12 mTAW, hoger dan het omringende oppervlaktewater, hetgeen niet gerelateerd kan worden aan eventuele verhoging van de oppervlaktewaterstanden in de vallei van de Rijtbeek met maaiveldhoogtes van 8 à 9 mTAW. De hogere waarden voor peilbuis WELL019AX in 2009 en 2010 werden niet opgemeten in peilbuis WELL019X, doch in de herneming van de waarnemingen in peilbuis WELL019A met verschillend maaiveldhoogte. 3.4.2.3.2 Trends in stijgend grondwater De evolutie van de grondwaterstanden wordt weergegeven in Figuur 3-45 aan de hand van gemiddelde ‘zomerse’ grondwaterstanden tijdens de maanden juli tot en met augustus, en de gemiddelde ‘winterse’ grondwaterstanden tijdens de overige maande van het jaar. Gelet op de vernatting van het gebied wordt de selectie van zomermaanden bewust beperkt tot de maanden juli en augustus. Tijdens deze maanden treedt nauwelijks overstromingen op waardoor de dan geregistreerde waterstanden representatief zijn voor de grondwaterstanden, zonder invloed van overstromingen. Ook hier worden geen significante trends waargenomen in de gemiddelde grondwaterstanden. De winterse grondwaterstanden in de lage delen van de Wellemeersen (WELP006-8-25-26-27-28-32-etc) liggen alle gemiddeld lager dan de thans gemeten gemiddelde oppervlaktewaterstanden in de Rijtbeek (8.3 mTAW), afwateringsgracht van dit centrale deel van de Wellemeersen, en liggen alle lager dan het maaiveld (8.4 mTAW). Tijdens gematigde winters dalen de grondwaterstanden tot onder 8.0 mTAW, slechts 10-20 cm hoger dan het waterpeil van de Dender. Dit doet vermoeden dan de afwatering van de Rijtbeek op een mimimaal laag peil gebeurde quasi gelijk aan het peil op de Demer.
91
Zone 1 "Rot" PB 6-23
waterstand [mTAW]
9.40 9.20
9.00 8.80 8.60 8.40 8.20 8.00 1990
1995
2000
2005
2010
WELP006X
WELP007AX
WELP008X
WELP020X
WELP022X
WELP023X
2015
Zone 1 "Rot" PB 25-32 8.80
waterstand [mTAW]
8.70 8.60 8.50
8.40 8.30
8.20 8.10 8.00 1990 WELP025X
1995
2000
WELP026X
2005
WELP027X
2010 WELP028X
2015 WELP032X
12.40
8.60
12.20
8.40
12.00
8.20
11.80
8.00
11.60 1990
1995
2000 WELP021X
2005
2010
waterstand WELP019X [mTAW]
waterstand WELP021X [mTAW]
Zone 2 "Talud"
7.80 2015
WELP019AX
92
Zone 3 "Oeverwal" waterstand WELP019X [mTAW]
waterstand WELP021X [mTAW]
9.40
9.20
9.00 1990
1995 WELP029X
2000
2005
WELP030X
2010
WELP009AX
2015
WELP031X
Zone 4 "Wellemeersenstraat" 9.20
waterstand [mTAW]
9.00 8.80 8.60 8.40
8.20 8.00 1990
1995
WELP002X
2000
WELP003X
2005
WELP004X
2010 WELP001X
2015 WELP005X
Zone 5 "Zuiden Rodenstraat"
waterstand [mTAW]
11.40 11.00 10.60 10.20 9.80 9.40 9.00 8.60 1990
Figuur 3-44
1995
2000
2005
WELP033X
WELP034AX
WELP035AX
WELP037X
WELP038X
WELP039X
2010
2015
WELP036X
Evolutie jaargemiddelde grondwaterstanden boven maaiveld
93
Zone 1 "Rot" gemiddeld zomer PB 6-23
waterstand [mTAW]
9.00 8.75
8.50 8.25
8.00 7.75 7.50 7.25 7.00 1990
1995
2000
2005
2010
WELP006X
WELP007AX
WELP008X
WELP020X
WELP022X
WELP023X
2015
Zone 1 "Rot" gemiddeld zomer PB 25-32
waterstand [mTAW]
9.00 8.75 8.50
8.25 8.00 7.75
7.50 7.25 7.00 1990
1995
WELP025X
WELP026X
2000
2005
WELP027X
2010 WELP028X
2015 WELP032X
Zone 1 "Rot" gemiddeld winter PB 6-23
waterstand [mTAW]
9.00 8.75 8.50 8.25 8.00 7.75 7.50
7.25 7.00 1990
1995
2000
2005
2010
WELP006X
WELP007AX
WELP008X
WELP020X
WELP022X
WELP023X
2015
94
Zone 1 "Rot" gemiddeld winter PB 25-32
waterstand [mTAW]
9.00 8.75 8.50
8.25 8.00 7.75 7.50
7.25 7.00 1990
WELP025X
1995
2000
WELP026X
2005
WELP027X
2010 WELP028X
2015 WELP032X
12.0 11.8 11.6 11.4 11.2 11.0 10.8 10.6 10.4 10.2 10.0 9.8 9.6 1990
8.6 8.4 8.2 8.0 7.8
7.6
1995
2000
WELP021X
2005
WELP024X
2010
waterstand WELP019X [mTAW]
waterstand WELP021X [mTAW]
Zone 2 "Talud" gemiddeld zomer
7.4 2015
WELP019AX
Zone 2 "Talud" gemiddeld winter 8.6
12.2 12.0
8.4
11.8 11.6
8.2
11.4 11.2
8.0
11.0 10.8
7.8
10.6 10.4 1990
1995 WELP021X
2000
2005 WELP024X
2010
waterstand WELP019X [mTAW]
waterstand WELP021X [mTAW]
12.4
7.6 2015
WELP019AX
95
9.0 8.8 8.6 8.4 8.2 8.0 7.8 7.6 7.4 7.2 7.0 6.8 6.6 6.4 1990
waterstand WELP019X [mTAW]
waterstand WELP021X [mTAW]
Zone 3 "Oeverwal" Gemiddeld zomer
1995 WELP029X
2000
2005
WELP030X
2010
WELP009AX
2015
WELP031X
Zone 3 "Oeverwal" Gemiddeld winter waterstand WELP019X [mTAW]
waterstand WELP021X [mTAW]
9.0 8.8 8.6 8.4 8.2 8.0 7.8 7.6
7.4 1990
1995 WELP029X
2000 WELP030X
2005
2010
WELP009AX
2015
WELP031X
Zone 4 "Wellemeersenstraat" gemiddeld zomer 9.0
waterstand [mTAW]
8.8
8.6 8.4 8.2 8.0
7.8 7.6 7.4 7.2 1990 WELP002X
1995 WELP003X
2000
2005 WELP004X
2010 WELP001X
2015 WELP005X
96
Zone 4 "Wellemeersenstraat" gemiddeld winter 9.2
waterstand [mTAW]
9.0
8.8 8.6 8.4 8.2 8.0 1990
1995
WELP002X
2000
WELP003X
2005 WELP004X
2010 WELP001X
2015 WELP005X
waterstand [mTAW]
Zone 5 "Zuiden Rodenstraat" gemiddeld zomer 11.6 11.2 10.8 10.4 10.0 9.6 9.2 8.8 8.4 8.0 7.6 7.2 1990
1995
2000
2005
2010 WELP036X
WELP033X
WELP034AX
WELP035AX
WELP037X
WELP038X
WELP039X
2015
Zone 5 "Zuiden Rodenstraat" gemiddeld winter 11.2
waterstand [mTAW]
10.8 10.4 10.0
9.6 9.2 8.8
8.4 8.0 1990
Figuur 3-45
1995
2000
2005
WELP033X
WELP034AX
WELP035AX
WELP037X
WELP038X
WELP039X
2010
2015
WELP036X
Evolutie jaargemiddelde grondwaterstanden tijdens zomer- en wintermaanden 97
3.4.2.4 Berekening GXG op basis van waarnemingen Aan de hand van de beschikbare tijdreeksen werden GG, GVG, GHG en de jaargemiddelde grondwaterstanden berekend voor de historische toestand. In onderstaande Tabel 3-7 worden de gemiddelde waarden weergegeven voor de periode ’92-’95 en ’92-’03. De GVG verschilt hierin nauwelijks van de GHG, zowel voor de periode ’92-’95 als ’92-’03. Ook het verschil in GHG en GVG alsook de jaargemiddelde toestand tussen de periodes ’92-’95 en ’92-’03 is zeer beperkt. De gemiddelde GLG voor de periodes ’92-’95 en ’92-’03 verschilt met ca. 30 cm. Het verschil is te wijten aan het belangrijk aandeel van de zomer van ’95 in de korte tijdsperiode ’92-’95. Aangezien de tijdreeksen in het valleigebied van de Wellemeersen tot ’03 zomers weergeven met significant lage grondwaterstanden, wordt aangenomen dat deze periode de grondwaterdynamiek weergeeft zonder permanente overstromingen. Tabel 3-7
GLG, GHG, GVG en jaargemiddelde grondwaterstanden voor de periodes ’92-’95 en ’92-‘03
peilbuis
Jaargemiddeld
GHG
GLG
GVG
92-95
92-03
DH
92-95
92-03
DH
92-95
92-03
DH
92-95
92-03
DH
WELP001X_1
8.67
8.58
-0.09
8.88
8.77
-0.11
8.26
8.25
-0.01
8.80
8.70
-0.10
WELP002X_1
8.68
8.69
0.01
9.04
8.94
-0.10
8.10
8.31
0.21
8.88
8.81
-0.07
WELP003X_1
8.10
8.20
0.10
8.46
8.42
-0.04
7.51
7.81
0.30
8.31
8.34
0.03
WELP004X_1
8.14
8.22
0.08
8.52
8.48
-0.04
7.50
7.83
0.33
8.37
8.39
0.02
WELP005X_1
8.39
8.60
0.21
8.75
8.80
0.05
7.74
8.25
0.51
8.56
8.73
0.17
WELP007AX_1
8.58
8.73
0.15
9.04
9.01
-0.03
7.95
8.42
0.47
8.81
8.85
0.04
WELP008X_1
7.94
8.02
0.08
8.43
8.38
-0.05
7.24
7.54
0.30
8.26
8.24
-0.02
WELP009AX_1
7.80
7.86
0.06
8.13
8.08
-0.05
7.55
7.66
0.11
7.91
7.96
0.05
WELP010X_1
8.78
-
9.13
-
8.59
-
8.81
9.36
-
0.00
8.84
-
WELP011AX_1
9.12
-
9.29
-
WELP012BX_1
9.66
9.71
0.05
9.96
10.02
0.06
9.34
9.36
0.02
9.75
9.93
0.18
WELP013X_1
8.98
8.89
-0.09
9.30
9.09
-0.21
8.40
8.61
0.21
9.24
9.04
-0.20
WELP015X_1
8.31
8.41
0.10
8.50
8.52
0.02
7.88
8.25
0.37
8.46
8.49
0.03
WELP016X_1
11.00
11.01
0.01
11.22
11.19
-0.03
10.49
10.73
0.24
11.10
11.12
0.02
WELP017X_1
11.63
11.64
0.01
12.15
11.94
-0.21
11.05
11.28
0.23
11.78
11.75
-0.03
8.33
-
8.37
-
8.27
-
8.35
-
WELP018AX_1 WELP019AX_1
7.90
WELP020X_1 WELP021X_1
11.56
8.78
-
11.60
0.04
8.13
11.81
8.88
-
11.87
0.06
7.29
10.94
8.66
-
11.07
0.13
7.85
11.67
8.84
-
11.76
0.09
98
peilbuis
Jaargemiddeld
GHG
GLG
GVG
92-95
92-03
DH
92-95
92-03
DH
92-95
92-03
DH
92-95
92-03
DH
WELP022X_1
8.63
8.78
0.15
8.82
8.92
0.10
8.16
8.62
0.46
8.65
8.83
0.18
WELP023X_1
8.71
8.75
0.04
8.91
8.88
-0.03
8.17
8.58
0.41
8.81
8.81
0.00
WELP024X_1
10.59
10.67
0.08
11.32
11.26
-0.06
9.85
10.05
0.20
11.16
11.07
-0.09
WELP026X_1
8.07
8.20
0.13
8.42
8.46
0.04
7.36
7.77
0.41
8.32
8.39
0.07
WELP027X_1
8.04
8.12
0.08
8.43
8.44
0.01
7.37
7.63
0.26
8.30
8.34
0.04
WELP028X_1
7.88
8.07
0.19
8.32
8.39
0.07
7.16
7.55
0.39
8.12
8.24
0.12
WELP029X_1
7.65
7.64
-0.01
8.17
8.15
-0.02
6.90
7.00
0.10
7.94
7.99
0.05
WELP030X_1
8.05
8.04
-0.01
8.53
8.40
-0.13
7.35
7.56
0.21
8.29
8.26
-0.03
WELP031X_1
8.11
8.22
0.11
8.59
8.57
-0.02
7.41
7.76
0.35
8.24
8.41
0.17
WELP032X_1
7.95
8.10
0.15
8.30
8.35
0.05
7.25
7.67
0.42
8.25
8.30
0.05
WELP033X_1
8.32
8.43
0.11
8.86
8.85
-0.01
7.42
7.82
0.40
8.75
8.72
-0.03
WELP034AX_1
8.27
8.36
0.09
8.68
8.75
0.07
7.51
7.78
0.27
8.62
8.66
0.04
WELP035AX_1
8.53
8.54
0.01
8.99
8.97
-0.02
7.79
7.99
0.20
8.90
8.78
-0.12
WELP036X_1
10.77
10.82
0.05
11.29
11.25
-0.04
9.98
10.28
0.30
11.19
11.07
-0.12
WELP037X_1
8.56
8.62
0.1
8.94
8.88
-0.1
7.86
8.16
0.3
8.85
8.84
0.0
10.60
-
10.64
-
10.51
-
10.63
-
WELP038X_1 WELP039X_1
9.41
-
9.54
WELP041X_1
9.63
WELP044AX_1 WELP045X_1
9.64
0.0
9.82
9.53
9.72
0.2
8.92
9.05
0.1
Gemiddelde DH
0.07
-
9.08
9.82
0.0
9.13
10.18
10.20
0.0
9.41
9.39
0.0
-0.02
-
9.52
9.29
0.2
9.81
9.80
0.0
8.48
9.05
0.6
9.98
10.04
0.1
8.15
8.50
0.4
9.27
9.28
0.0
0.29
-
0.02
99
correlatie GVG met GHG/GLG/jaargemiddelde GWS Periode 1992-1995 Jaargemiddeld
correl GHG
'1/1
correlatie GLG
Linear (Jaargemiddeld)
Linear (correl GHG)
Linear (correlatie GLG) 12 GHG = 1.01x + 0.02 R² = 1.00
GHG/GLG/Jaargemiddeld mTAW]
11 Jaargemiddeld MGL = 1.00x - 0.13 R² = 0.99 10 GLG = 0.98x - 0.42 R² = 0.95 9
8
7 7
8
9
10
11
12
GVG [mTAW] Figuur 3-46
Correlatie GVG met overige grondwatertrappen periode 1992-1995
100
correlatie GVG met GHG/GLG/jaargemiddelde GWS Periode 1992-2003 Jaargemiddeld
correl GHG
'1/1
correlatie GLG
Linear (Jaargemiddeld)
Linear (correl GHG)
Linear (correlatie GLG) 12
GHG = 1.01x + 0.02 R² = 1.00
GHG/GLG/Jaargemiddeld mTAW]
11 Jaargemiddeld MGL = 1.00x - 0.13 R² = 0.99 10 GLG = 0.98x - 0.42 R² = 0.95 9
8
7 7
8
9
10
11
12
GVG [mTAW] Figuur 3-47
3.4.3
Correlatie GVG met overige grondwatertrappen periode 1992-2003
Analyse Menyanthes
Een analyse van de grondwatermeetreeksen in relatie met de sturende invloeden wordt uitgevoerd met behulp van de Menyanthes software. Naast de klimatologische gegevens ’neerslag’ en ‘evapotranspiratie’ kan ook ‘oppervlaktewaterstand’ ingegeven worden als sturende variabele. De evolutie van de oppervlaktewaterstand in het studiegebied van de Wellemeersen werd echter niet bemeten tijdens de waarnemingsperiode van grondwaterstandmetingen 1992-2010. Met de Menyanthes software kunnen evenwel trends in deze sturende variabele worden gezocht. Mogelijk kan het afijken van een model met trend in oppervlaktewaterstanden betere resultaten boeken dan een model zonder trend in oppervlaktewaterstanden en zodoende de impact van een stijgende/dalende trend verantwoorden. Hiervoor is het wenselijk om te beschikken over een voldoende lange en voldoende bemeten tijdreeks van grondwaterstanden. Zoals aangehaald in § 3.4.1.1 werden de grondwaterstanden hoogfrequent bemeten tijdens de periode 1992-1995, vervolgens maandelijks tijdens de periode 1995-2003 en slechts sporadisch bemeten na 2003. Het modelleren van de grondwaterstanden, alsook het aantonen 101
van een eventuele lineaire trend in de oppervlaktewaterstanden kan derhalve niet worden uitgevoerd met voldoende zekerheid voor de periode na 2002. Onderstaand wordt onderzocht of de waarnemingen van na 2003 hoe dan ook kunnen wijzen op een afwijkende grondwaterstand. Hiervoor wordt een Menyanthes model afgeijkt voor de periode met voldoende grondwaterstandsgegevens (1992-2003). Met het afgeijkte model worden de grondwaterstanden berekend voor de volledige periode 1992-2010 en worden er voorspellingsintervallen opgesteld voor de berekende grondwaterstanden. Vervolgens wordt geverifieerd in welke mate de waargenomen grondwaterstanden in de periode 2004-2010 overeenkomen met de voorspelde/berekende grondwaterstanden. Indien de gemeten waarden binnen de voorspellingsintervallen liggen kan geen uitspraak worden gedaan over een eventuele evolutie van oppervlaktewater als studerende variabele. Aangezien niet exact gekend is wanneer en over welke periode de mogelijke vernatting zich manifesteerde bestaat het risico dat de weerhouden periode 1992-2003 als niet uniform kan worden beschouwd. Als variant wordt een Menyanthes model afgeijkt op de hoogfrequente metingen van de periode 1992-1995. Met het afgijkte model wordt een simulatie uitgevoerd van de grondwaterstanden tot einde 2014 en vervolgens vergeleken met de metingen van de periode 1992-2010 en hoogfrequente metingen van de meetcampagne 2014.
3.4.3.1 Tijdsreeksmodellen hydrologische jaren 1992-2003 De analyse in Menyanthes werd uitgevoerd voor de hydrologisch jaren (1 april – 1 april opvolgend jaar) voor peilbuizen met voldoende metingen (Tabel 3-4), tijdens de hydrologische jaren 1992 tot 2003. De maaiveldhoogten van de filters werden geverifieerd en aangepast op basis van het DHM Vlaanderen. Naast correctie van sterk afwijkende waarden werd deze correctie toegepast om een maaiveldpeil op te leggen van het omliggende perceel. Zo wordt vermeden dat het opgelegde maaiveldpeil slechts zeer lokaal geldt ter hoogte van de oneffenheid in het maaiveld ter hoogte van de peilbuis. Op deze verkorte periode werden voor 39 van de 45 peilbuizen verschillende tijdreeksmodellen opgesteld. De 6 peilbuizen met ontbrekende data in de periode 1992-2003 werden niet meegenomen in de analyse (WELP043X, WELP042X, WELP040X, WELP025X, WELP014X, WELP006X). De modellen verschillen van elkaar op basis van het type model; lineair/niet-lineair, de ‘sample’ frequenties (wekelijks/dagelijks) en het al dan niet in rekening brengen van een lineaire trend. De term ‘lineair’ wil zeggen dat de reactie op bijvoorbeeld een regenbui altijd dezelfde is, onafhankelijk van de (grond)waterstand. Wanneer er echter een sloot of ontwateringsmiddel droogvalt of water periodiek oppervlakkig afstroomt, klopt deze aanname niet en is het gedrag van het systeem daarmee ‘niet-lineair’. Dit type gedrag wordt “drempel niet-lineariteit” genoemd, en komt veel voor in natte (natuur)gebieden. Voor de peilbuizen gesitueerd in overstroombare zones binnen de Wellemeersen is het meer aangewezen om een niet-linear model te gebruiken. Indien er vernatting optreedt in de omgeving van een peilbuis kan dit in het model meegenomen worden onder de vorm van een lineaire trend. De grondwaterstandreeksen worden gemodelleerd op basis van de verklarende reeksen van de neerslag en de evaporatie. Hierbij kwantificeert Menyanthes de bijdragen van deze verschillende variabelen op de grondwaterstand. Het waterpeil op de Dender werd niet meegenomen in de modellering aangezien dit nagenoeg constant is (zie Figuur 3-17). Verder diende de evaporatiefactor ‘vastgezet’ te worden, gezien deze anders onrealistische waarden aanneemt. Deze werd vastgezet op 2. 102
De ‘Nan’ waarden stemmen overeen met een model dat niet kon convergeren of waarbij de schatters onrealistische waarden aannemen. Modellen worden met elkaar vergeleken op basis van de behaalde EVP (Explained Variance Percentage of percentage verklaarde variantie). Dit is een maat voor de fit van het model. Wanneer de EVP 100% zou zijn worden de metingen volledig door het model verklaard en is er dus geen model- of meetfout. Indien de EVP hoger is dan 70% kan er vanuit gegaan worden dat het model betrouwbaar is. De peilbuizen hebben echter allemaal een EVP lager dan 70%. Dit impliceert aanwezigheid van meetfouten, ontbrekende data of factoren die de grondwaterstanden beïnvloeden. Tabel 3-8 geeft een overzicht van de EVP voor de verschillende tijdreeksmodellen. De modellen met een dagelijkse ‘sample’ frequentie hebben een iets hogere verklarende variantie dan deze met een wekelijkse ‘sample’ frequentie. Het verschil is echter beperkt. Voor het merendeel van de peilbuizen wordt zelfs geen verklarende variantie boven de 52% behaald (aangegeven in het oranje in Tabel 3-8). Modellen met een verklarende variantie onder de 52% worden als niet betrouwbaar beschouwd. Modelresultaten op basis van de tijdsreeksmodellen boven de 52% en lager dan 70% zijn hoogstwaarschijnlijk onbetrouwbaar. Voor de modellen met een verklarende variantie boven 52% werd een bijkomende analyse uitgevoerd, om na te gaan indien de vernatting in/na 2009 (zichtbaar op luchtfoto’s §3.4.1.2.5) substantieel is. De analyse werd uitgevoerd voor de niet-lineaire dagelijkse tijdreeksmodellen (zie §Tabel 3-8) met observaties na 2004. Gezien dit type model de hoogste verklarende varianties haalt. De bijkomende analyse bestaat uit volgende stappen:
▪
STAP1: Opstellen van een tijdreeksmodel voor de observaties 1992-2003: Er werd gewerkt met de niet-lineair modellen, met een dagelijkse tijdstap met evaporatiefactor vastgezet op 2. Gezien dit type model de beste resultaten oplevert.
▪
2
STAP22: Gebruikmakend van de tijdreeksmodellen opgesteld in STAP 1, kunnen grondwaterniveaus gesimuleerd worden over een langere periode gebaseerd op hun verklarende tijdreeksen en hun geschatte respons. Wanneer het tijdreeksmodel geschat is, ligt in feite de relatie tussen invoerreeksen en grondwaterstanden vast. Op basis hiervan kunnen de grondwaterstanden gesimuleerd worden na 2004, zolang de gegevens van de invoerreeksen voorhanden zijn. In onderliggende studie werd een periode van 1992 tot 2012 gesimuleerd op basis van het model opgesteld voor de geobserveerde tijdreeks 1992 tot 2004. Er werd gebruik gemaakt van een stochastisch model bij de simulering, d.w.z. dat er rekening gehouden wordt met de waarnemingen en dat het ruismodel wordt ingezet. Hoe dichter de tijdreeks nadert bij een tijdstip met een waarneming, hoe kleiner de onzekerheid op dat tijdstip wordt, wat resulteert in een variabel voorspellingsinterval. Gezien er enkel gebruik gemaakt wordt van de observaties tussen 1992 en 2004, zal het voorspellinginterval enkel in deze periode variabel zijn.
Voor peilbuizen WELP008 en WELP045 kan de bijkomende analyse niet uitgevoerd worden omdat er geen observaties zijn na 2004.
103
▪
STAP 3: De 95% voorspellingsintervallen voor de gesimuleerde grondwaterstanden na 2004 worden vergeleken met de observaties na 2004 door deze op eenzelfde grafiek te plotten. Dit 95% voorspellingsinterval geeft aan dat de metingen uitgevoerd na 2004, indien de omstandigheden hetzelfde blijven als ervoor, met 95% zekerheid binnen dit interval liggen. Omdat de simulatie is uitgevoerd op basis van de observaties voor 2004, is het voorspellingsinterval minder breed voor 2004. Hoe dichter de tijdreeks nadert naar het tijdstip waarop een waarneming beschikbaar is, hoe kleiner de onzekerheid op dat tijdstip wordt, wat tot uitdrukking komt in een variabel voorspellingsinterval voor 2004.
De resultaten voor peilbuizen met een hoge verklarende variantie worden weergegeven in Figuur 3-48 tot Figuur 3-57. De gronddalingen tijdens de zomer in 2010 vallen duidelijk buiten het 95% voorspellingsinterval in WELP002, WELP003, WELP0033, WELP034 en WELP035. Voor WELP002 en WELP003 zou aangenomen kunnen worden dat er indicatie is voor vernatting tijdens de zomer van 2010, gezien de verklarende variantie voor deze modellen bijna 70% bedraagt. Voor de andere peilbuizen ligt de EVP rond de 60% waardoor de conclusies op basis van deze modellen minder betrouwbaar zijn. Maar indien wordt aangenomen dat ook basis van deze modellen conclusies mogen getrokken worden, dan is er tevens in deze peilbuizen indicatie voor vernatting. De indicatie voor vernatting geldt voor quasi alle peilbuisreeksen met hogere verklarende variantie. Zowel peilbuizen gelegen in het valleigebied, die mogelijk een hoge invloed ondervinden van het veranderlijke drainageniveau, als peilbuizen in het oosten van het gebied en op hoger gelegen zones, buiten de invloed van het eventueel veranderlijk drainageniveau. Hierdoor is het relateren van de hogere grondwaterstanden tijdens de zomer van 2010 aan een veranderlijk drainageniveau moeilijk te verantwoorden.
3.4.3.2 Tijdsreeksmodellen hydrologische jaren 1992-1995 De tijdreeksen in § 3.4.3.1 worden ingekort tot de periode met hoogfrequente metingen 1992-1995. Er wordt een Menyanthes model afgeijkt op deze periode en een simulatie uitgevoerd van de grondwaterstanden tot einde 2014. De tijdreeksen met waarden tot 2014 beperken zich tot de registraties van de meetcampagne (cfr. § 3.2) namelijk in peilbuizen WELP01, WELP032 en WELP035. Gelet op de hogere frequentie van de metingen en de korte tijdsspanne van de periode 1992-1995 wordt een fit met hoge verklarende variantie mogelijk. Deze bedraagt 81.7, 64 en 77.1% voor respectievelijke tijdreeksen WELP01, WELP032 en WELP035 (Tabel 3-9). Vervolgens werden stappen 2 en 3 uitgevoerd en gerapporteerd in Figuur 3-58, Figuur 3-59 en Figuur 3-60. De 95% voorspellingsintervallen voor de gesimuleerde grondwaterstanden na 1995 worden vergeleken met de observaties na 1995, zijnde de resterende waarnemingsperiode tot 2010 en de metingen tijdens 2014. Hier geeft het 95% voorspellingsinterval aan dat de metingen uitgevoerd na 1995, indien de omstandigheden hetzelfde blijven als ervoor, met 95% zekerheid binnen dit interval liggen. Omdat de simulatie is uitgevoerd op basis van de observaties vóór 1995, is het voorspellingsinterval minder breed voor 1995. Hoe dichter de tijdreeks nadert naar het tijdstip waarop een waarneming beschikbaar is, hoe kleiner de onzekerheid op dat tijdstip wordt, wat tot uitdrukking komt in een variabel voorspellingsinterval voor 1995. Voor peilbuis WELP001 (Figuur 3-58) worden reeds na 1995 sterke afwijkingen genoteerd t.o.v. de voorspelde waarden, met name na 1995 vallen de gemeten waarden deels buiten het voorspellingsinterval. De grondwaterdynamiek blijft deels behouden. Voor de metingen van 2014 verdwijnt de grondwaterdynamiek volledig.
104
De waarnemingen van 1995 tot 2005 in Peilbuis WELP032 (Figuur 3-59) liggen deels binnen het voorspellingsinterval van de afijking op de metingen van vóór 1995, er wordt echter een sterk verlaagde grondwater dynamiek waargenomen. In 2014 verdwijnt de grondwaterdynamiek volledig en is het drainageniveau verhoogd naar 8.6 mTAW. Voor peilbuis WELP035 (Figuur 3-60) volgen de waarnemingen in de periode 1995-2008 de voorspelde grondwaterstanden. Zowel grondwaterdynamiek als drainageniveau blijven grotendeels behouden. De metingen in 2014 hebben dezelfde drainageniveaus, de daling van de grondwaterstand tijdens de zomermaanden blijft echter achterwege.
3.4.3.3 Conclusie tijdreeksanalyse Menyanthes De meest geschikte tijdreeksmodellen zijn degene met een dagelijkse ‘sample’ frequentie. Het definiëren van een lineaire trend levert geen betere modellen op (geen hogere verklarende variantie) in vergelijking met de niet-lineaire modellen. Slechts voor 11 peilbuizen kan een niet-lineair dagelijks tijdreeksmodel opgesteld worden met een verklarende variantie boven de 52%. Voor het merendeel van de peilbuizen zijn de tijdreeksmodellen onbetrouwbaar en worden er geen conclusies getrokken. Voor de peilbuizen met een EVP boven de 52% én met waarnemingen na 2004, werd een bijkomende analyse uitgevoerd om na te gaan of de vernatting kan worden aangetoond. Voor enkele peilbuizen werden tijdens de zomer van 2010 grondwaterstanden gemeten met afwijkende (hogere) waarden. Onder voorbehoud van de resterende onzekerheden (onzekerheden op de modelresultaten, gebiedsneerslag en grondwaterstandsmetingen) kan worden geconcludeerd dat er een indicatie is voor vernatting op basis van de beschikbare data. Aangezien de afwijkende waarden gelden voor zowel lager gelegen zones, binnen de invloedzone van het drainagestelsel, als voor zones bovenaan het talud, wordt het niet zinvol geacht om de indicatie van de verhoging te relateren aan een verhoogd drainagepeil in de vallei. In een alternatieve berekening wordt een model afgeijkt op basis van de metingen van 1992 tot 1995. Door af te ijken op een oudere tijdreeks en vervolgens de voorspellingen van deze modellen te vergelijken met de metingen anno 2014 werd gepoogd om alsnog mogelijke trends in de tijdreeksen op te merken. Tijdreeksen van 2014 zijn slechts beperkt beschikbaar voor peilbuizen WELP001, 032 en 035. Algemeen duidt de vergelijking van de waarnemingen in 2014 met de voorspelde grondwaterstanden van het model op een sterke verlaging van de grondwaterdynamiek in 2014. Voor peilbuizen WELP001 en WELP035 wordt het drainageniveau niet verhoogd. Voor peilbuis WELP032 stijgt het drainageniveau met 30 cm van 8.3 mTAW tot 8.6 mTAW, een logisch gevolg van de waargenomen plasvorming in dit centrale deel van de Wellemeersen.
105
3.4.3.4 Resultaten simulaties Tijdsreeksmodellen hydrologische jaren 1992-2003 Tabel 3-8
Overzicht verklarende varianties hydrologische jaren 1992-2003
Nr.
Peilbuis
Lineair/ Weekelijks
NietLineair/ Weekelijks
Lineair/ Weekelijks + trend
Lineair/ Dagelijks
NietLineair/ Dagelijks
Lineair/ Dagelijks+ trend
1
WELP001
45.7
60.0
55.7
Nan
62.8
57.4
2
WELP002
57.8
66.4
58.5
59.3
69.4
59.9
3
WELP003
58.9
65.9
61.0
61.9
69.7
64.2
4
WELP004
41.0
41.6
41.9
43.5
45.7
45.2
5
WELP005
34.2
33.4
47.7
36.9
38.3
49
7
WELP007
35.6
35.5
43.2
39.6
41.9
46.4
8
WELP008
47.9
50.2
50.0
50.3
53.8
52.5
9
WELP009
49.5
50.8
54.0
51.3
52.9
55.6
10
WELP010
21.1
NaN
34.5
22.7
NaN
35.0
11
WELP011
47.0
49.1
46.7
51.3
50.9
51.3
12
WELP012
30.0
30.1
31.9
31.6
34.6
34.5
13
WELP013
33.3
34.4
34.1
35.5
39.4
36.4
15
WELP015
35.4
34.6
38.0
37.6
38.8
38.9
16
WELP016
33.8
35.9
33.6
34.4
36.5
34.4
17
WELP017
45.2
48.2
45.7
47.1
50.1
47.3
18
WELP018
23.4
23.5
38.5
22.8
24.5
38.2
19
WELP019
15.3
17.2
16.7
15.2
19.1
16.7
20
WELP020
27.2
26.7
30.0
28.5
31.4
31.3
21
WELP021
42.7
48.8
49.1
43.5
49.6
49.4
22
WELP022
23.8
24.9
28.2
25.4
28.7
29.4
23
WELP023
34.9
40.4
34.8
37.4
43.4
37.5
24
WELP024
66.6
64.8
68.0
67.9
68.2
69.0
26
WELP026
35.5
34.5
39.3
36.9
36.1
40.4
27
WELP027
44.4
46.5
46.0
46.1
48.9
47.7
106
Nr.
Peilbuis
Lineair/ Weekelijks
NietLineair/ Weekelijks
Lineair/ Weekelijks + trend
Lineair/ Dagelijks
NietLineair/ Dagelijks
Lineair/ Dagelijks+ trend
28
WELP028
27.6
30.0
32.7
29.5
35.0
34.7
29
WELP029
48.1
48.7
48.6
49.2
51.6
50.0
30
WELP030
23.1
34.3
Nan
24.6
Nan
Nan
31
WELP031
32.5
33.7
40.3
34.6
46.6
42.3
32
WELP032
37.6
38.9
39.7
39.5
42.6
41.5
33
WELP033
48.9
51.9
50.0
53.1
57.0
54.4
34
WELP034
47.5
55.1
47.1
50.5
60.5
58.5
35
WELP035
52.6
58.1
52.9
54.6
60.3
54.9
36
WELP036
44.4
50.4
44.7
49.6
58.1
50.0
37
WELP037
51.3
41.8
52.3
54.6
47.9
55.5
38
WELP038
27.2
23.3
30.1
31.9
30.3
35.0
39
WELP039
48.0
55.3
49.0
47.8
58.6
48.5
41
WELP041
52.7
55.7
52.7
54.6
59.6
54.6
44
WELP044
2.33
0.01
55.5
51.1
0.20
58.1
45
WELP045
49.4
44.5
49.6
54.7
56.8
54.8
107
Figuur 3-48
Geobserveerde tijdsreeks WELP001 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004
108
Figuur 3-49
Geobserveerde tijdsreeks WELP002 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004
Figuur 3-50
Geobserveerde tijdsreeks WELP003 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004
109
Figuur 3-51
Geobserveerde tijdsreeks WELP024 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004
Figuur 3-52
Geobserveerde tijdsreeks WELP033 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004
110
Figuur 3-53
Geobserveerde tijdsreeks WELP034 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004
Figuur 3-54
Geobserveerde tijdsreeks WELP035 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004
111
Figuur 3-55
Geobserveerde tijdsreeks WELP036 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004
Figuur 3-56
Geobserveerde tijdsreeks WELP039 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004
112
Figuur 3-57
Geobserveerde tijdsreeks WELP041 (rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-2004
3.4.3.5 Resultaten simulaties Tijdsreeksmodellen hydrologische jaren 1992-1995 Tabel 3-9
Overzicht verklarende varianties modellen hydrologische jaren 1992-1995 Nr.
Peilbuis
Niet-Lineair/ Dagelijks
1
WELP001
81.7
32
WELP032
64.0
35
WELP035
77.1
113
Figuur 3-58
Geobserveerde tijdsreeks WELP001 (zwart/rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-1995
Figuur 3-59
Geobserveerde tijdsreeks WELP032 (zwart/rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-1995
Figuur 3-60
Geobserveerde tijdsreeks WELP035 (zwart/rood), gesimuleerde 95% betrouwbaarheidsintervallen (grijze stippellijn) op basis van de geobserveerde reeks 1992-1995
114
3.4.4
Conclusie tijdreeksanalyse
Door middel van een analyse van de beschikbare tijdreeksen van grondwaterstanden, geregistreerd tijdens de jaren 1992-2010, werd getracht om eventuele trends in de grondwaterstanden te vinden en te begroten. De analyse werd uitgevoerd op basis van de hydrologische jaren 1992-2004. Dit omdat er voor 1991 en na 2004 onvoldoende metingen zijn uitgevoerd. Op basis van de registraties van de grondwaterstanden tijdens de periode 1992-2004 kan de vernattende trend niet worden aangetoond, noch door middel van een eenvoudige visuele analyse van de zomerse of winterse grondwaterstanden, noch door een analyse m.b.v. de Menyanthes software. Een vergelijking van de tijdens 1992-2004 geregistreerde grondwaterstanden (in het bijzonder de dynamiek tussen zomer en winterse grondwaterstanden) en de registraties tijdens de meetcampagne anno 2014 tonen weldegelijk significante verschillen in grondwaterstanden in peilbuizen 001 en 032. In peibuis 001 wordt een duidelijke grondwaterdynamiek waargenomen tijdens de periode 1992-2004, in 2014 is de grondwaterdynamiek volledig verdwenen. De nabijgelegen registratie van oppervlaktewaterstanden wijst op een peil van de Rijtbeek zonder noemenswaardige variatie en gelijk aan het maaiveld. Tijdens de periode 1992-2004 werden in deze zone nog winterse grondwaterstanden opgemeten die beduidend lager waren dan het maaiveld. In peilbuis 032 wordt een duidelijke grondwaterdynamiek waargenomen tijdens 1992-2004, in 2014 staat het gebied permanent 30 cm onder water. In peilbuis 035, op een hoger gelegen locatie dan peilbuizen 001 en 032, is nauwelijks een verschil in grondwaterdynamiek waar te nemen. De grondwaterstanden vertonen dus een significant verschil tussen de waarnemingen 1992-2004 en de waarnemingen 2014 voor wat betreft de lager gelegen gebieden. De trend in de grondwaterstandsdynamiek moet zich daarom hebben voorgedaan tijdens de periode 2004-2014. De oorzaak wordt gelegd bij de verhoging van de waterstanden in de Rijtbeek. Het feit dat de grondwaterstanden pas in 2014 een duidelijke invloed ondervinden van de verhoogde oppervlaktewaterstanden wijst geenszins op een plotse verhoging van de oppervlaktewaterpeilen tussen 2004 en 2014. De verhoging van de oppervlaktewaterstanden als gevolg van aanslibbing werd reeds sedert 1990 ingezet en reikte tussen 2004 en 2014 tot het maaiveldpeil. Hierdoor wordt het overstromingswater en neerslag niet meer afgevoerd. Ook op de luchtfoto’s is er pas een duidelijke vernatting waarneembaar vanaf 2009. Zolang de oppervlaktewaterstand niet boven maaiveld uitsteeg ondervond de grondwaterdynamiek nauwelijks invloed van het oppervlaktewater. Deze hypothese wordt ondersteund door de lemige en kleiige bodemtextuur in de Wellemeersen, hierin is de invloedsafstand van de oppervlaktewaterpeilen op het grondwater zeer beperkt door de hoge weerstand tegen grondwaterstroming. Bij oppervlaktewaterstanden boven het maaiveld staan de grondwaterstanden rechtstreeks in verbinding met het oppervlaktewater en kunnen deze niet meer uitdrogen tijdens de zomer waardoor de grondwaterdynamiek verdwijnt.
3.5
Grondwatermodellering
Er wordt een grondwatermodel opgebouwd waarmee de grondwaterstanden en interactie met de hydrografie worden berekend voor het volledige modeldomein. De dynamiek van de grondwatertafel wordt berekend voor verschillende situaties van de waterhuishouding in de Wellemeersen. Er wordt gestart met de kalibratie en gevoeligheidsanalyse van 115
de situatie 1992-2004, het tijdsinterval waarvoor de meeste grondwatertijdreeksen beschikbaar zijn en tijdens welke de grachten voldoende werden geruimd en zorgden voor een vlotte afwatering van het gebied. Vervolgens wordt de huidige toestand doorgerekend met falen van de afwatering, hoge waterstanden in de Rijtbeek en stagnerend water in het centrale deel van de Wellemeersen.. Voor modelopzet wordt gebruik gemaakt van de software GMS versie 9.2. Modflow (McDonald, Harbaugh, 1986), een numerieke grondwatermodellering die gebruik maakt van de eindige differentiemethode voor de oplossing van de stromingsvergelijkingen. Met behulp van modules voor neerslag, infiltratie en drainage van waterlopen, bemalingen etc. kunnen deze termen worden toegevoegd aan de stromingsvergelijkingen.
3.5.1
Hydrogeologie
3.5.1.1 Geologische opbouw Voor de bepaling van de geologische opbouw wordt beroep gedaan op volgende bronnen: ▪ Nieuw geologische kaart, kaartblad 30 Geraardsbergen (De Geyter, 1999) ▪ Beschikbare boringbeschrijvingen (DOV) ▪ Hydrogeologische watervoerende lagen in het kader van de opbouw van het VGM (VMM, 2008) ▪ Quartairgeologische kaart van Vlaanderen Het stroomgebied van de Dender te Aalst ligt volledig binnen de grenzen van het Centraal Vlaamse Systeem (VMM 2008). In Tabel 3-10 worden de geologische formaties opgesomd, voorkomend in het valleigebied van de Dender ter hoogte van de Wellemeersen. De basis wordt gevormd door de kleiafzettingen van Saint-Maur (HCOV 0924), deel van het Ieperiaan Aquitardsysteem (HCOV0900). Van de overige lagen van het Ieperiaan Aquitardsysteem komt alleen het Zand van Mons-en-Pévèle (HCOV 0923) voor binnen het stroomgebied van de Wildebeek/Molenbeek. De formatie bestaat voornamelijk uit een zeer fijnsiltige klei met enkele dunne intercalaties van grofsiltige klei of kleiige, zeer fijne silt (VMM, 2008) en kan als slecht tot matig doorlatend worden beschouwd. Het Ieperiaan Aquitardsysteem komt voor in het volledige valleigebied en dagzoomt onder het kwartair dek in het valleigebied van de Dender te Welle. De dikte varieert van 30 m in het valleigebied van de Dender tot 60 m op de heuvelruggen te Haaltert. Boven het Ieperiaan Aquitardsysteem treft men verscheidene scheidende en matig watervoerende lagen aan van het Ledo Paniselilaan Brusseliaan Aquifersysteem (HCOV 0600) en de Paniseliaan Aquitard (HCOV 0700). De dikte van het bovenliggende pakket varieert van 0 m in het valleigebied van de Dender tot een maximale dikte van 40 m op de heuvelruggen te Haaltert in het westen en tot 60 m in de oostelijke heuvelrug te Affligem (Figuur 3-63). De relevante hydrogeologische eenheden uit het VGM tot de eerste afsluitende laag, de Ieperiaan Aquitard, worden gevormd door quartaire afzettingen. Deze laatste bestaan uit laat-pleistocene fluviatiele afzettingen waarop holocene fluviatiele afzettingen voorkomen langs de Dender en in de vallei van de Molenbeek, en naar en op het interfluvium, eolische afzettingen op hellingsafzettingen. De dikte van het quartair varieert van enkele meters op het interfluvium tot een tien à vijftiental meter in de Dendervallei en tegen het interfluvium aan. Hydrogeologisch zijn dit drie eenheden: HCOV0140 alluviale deklagen; HCOV0150 zandig lemige deklagen, HCOV0160, pleistoceen van de riviervalleien.
116
Het quartair dek (HCOV0100) werd gevormd door eolische, door de wind aangevoerde sedimenten, voornamelijk leem en zandleem, en is vrij heterogeen qua samenstelling (Maréchal, 1992). De dikte ervan varieert van 0 tot 40 meter. In de vallei ter hoogte van de Wellemeersen varieert de dikte tussen 5 en 10 m. Op de licht glooiende hellingen ten westen van de Dendervallei wordt tot 30 meter quartair sediment aangetroffen. Op de steilere hellingen naar het westen daalt de dikte tot 0 meter. Een analyse van de beschikbare boorbeschrijvingen (DOV) toont een overwegend lemig quartair dek en een sterke zandige overgang naar de dieper gelegen tertiaire lagen. Op de heuvelruggen ter hoogte van de middenloop van de Wildebeek wordt 20 meter leem met beperkte bijmenging van zand aangetroffen met daaronder eerst 10 meter middelgrof zand met kleilenzen. Naarmate men zich meer naar het oosten richting de Dender begeeft, verkleint de dikte van het quartair dek naar ca. 10 m met een lemige bovenlaag van maximaal 5 m. In Tabel 3-10 wordt een overzicht gegevens van de aanwezige geologische lagen in het interessegebied volgens lithologische samenstelling en hydrogeologische karakteristieken. Tabel 3-10:
Overzicht hydrogeologische lagen voorkomend met voornaamste lithologische kenmerken (VMM, 2008)
HCOV
Beschrijving
Lithologie
Kh (m/d)
Dikte (m)
HCOV 0100 – de Quartaire Aquifersystemen 140/150/160
Deklagen
Homogene afzettingen van respectievelijk zand, zandig leem, leem en klei.
0,1 - 10
HCOV 0600 – het Ledo Paniselilaan Brusseliaan Aquifersysteem 610
Wemmel-Lede Aquifer
640
Zandige afzettingen van het Onder- Paniseliaan
Grijsgroen glauconiethoudend fijn zand, met kleilenzen; naar onder toe overgaand in homogeen kleiig zeer fijn zand.
6-3
0-30m
0,8 - 6,7
0-30m
HCOV 0700 - het Paniseliaan Aquitard 701
Klei van Pittem
Glauconiethoudend kleiig fijn zand afgewisseld met zandige klei
0,01 - 1
702
Klei van Merelbeke
Zeer fijnsiltige klei
0,003
HCOV 0900 – het Ieperiaan Aquitardsysteem 923
Zand van Mons-enPévèle
Heterogene afzetting uit silteus tot zandig materiaal met lokaal enkele kleiige zones
0,1 - 1
117
Figuur 3-61
Topografie (mTAW)
Figuur 3-62
Ondergrens quartair dek (mTAW)
118
Figuur 3-63
Dikte (m) quartair dek
3.5.1.2 Waterhuishouding (Hydrografie en drainage) De voeding van grondwater gebeurt op verschillende wijzen: ▪ Natuurlijke grondwateraanvulling: dit is de hoeveelheid neerslag die doorsijpelt naar het grondwater of de hoeveelheid water die verdampt; ▪
Onttrekkingen (grondwaterwinningen);
▪
Drainage of infiltratie via waterlopen;
▪
Via de randen van het modelgebied: randvoorwaarden.
3.5.1.2.1 Oppervlaktewater Voor de beschrijving van het afwateringstelsel in het valleigebied van de Dender wordt verwezen naar het luik hydrografie (§3.3.1). 3.5.1.2.2 Grondwaterwinningen Het inschatten van de grondwateronttrekkingen in het gebied gebeurt op basis van de huidige grondwatervergunningen (jaardebieten) zoals die worden weergegeven op de site van de Databank Ondergrond Vlaanderen (Bron http://dov.vlaanderen.be). Om het effectief onttrokken debiet te bepalen, wordt slechts een bepaald percentage (in casu slechts 2/3) van het vergunde debiet in beschouwing genomen. Om het aantal winningen te reduceren werden enkel deze in het model opgenomen met een effectief debiet groter of gelijk aan 5 m³/d. Deze winningen vertegenwoordigen ca. 90% van het totale onttrokken debiet in het modelgebied. 119
De beschouwde hydro-geologische formaties zijn slechts beperkt watervoerend. Er worden daarom slechts een beperkt aantal grondwaterwinningen geregistreerd binnen de grenzen van het modelgebied.
3.5.1.3 Stijghoogten Modelverificatie gebeurt in eerste instantie op basis van stijghoogtemetingen in observatieputten binnen het gebied. Hierbij wordt beroep gedaan op metingen die beschikbaar zijn op de website van DOV (2014) en de metingen in het kader van de inrichtingsstudie van de Wellemeersen (§ 0). De stijghoogtewaarnemingen beschikbaar via DOV, binnen het in het stroomgebied van de Wildebeek, zijn beperkt tot 2 locaties, relatief ver van het studiegebied van de Wellemeersen. Filter 423/21/5 (Figuur 3-64) is gelegen op 33.5 mTAW in het quartair dek met 3 filterstellingen tussen 8 en 21.5 mmv. De peilbuis ligt in de nabijheid van de leemgroeve waardoor de metingen lokaal sterk kunnen afwijken. De gemiddelde grondwaterstand wordt geschat op 26.5 mTAW (6.5 m-mv). Filter 423/21/4 is gelegen op 200 tussen de waterlopen Molenbeek en Wildebeek op een hoogte van 23.5 mTAW, 6 meter hoger dan de vallei van de beken. De 3 filterstellingen tussen 10 en 23.5 m-mv in het quartair geven allen een quasi gelijke grondwaterstand met gemiddelde van 19 mTAW of 5 m-mv. Omdat de modelleringen niet tijdsafhankelijk worden uitgevoerd, ijken we de modellen af op basis van het gemiddelde van de waargenomen stijghoogten. Dit betekent dat voor elke meetreeks drie gemiddelden berekend worden: het gemiddelde van alle waarnemingen voor het kalibreren van het model dat de jaargemiddelde toestand simuleert, het gemiddelde van de waarnemingen tijdens de zomermaanden (van april t.e.m. september) voor het kalibreren van het model dat de zomertoestand simuleert en het gemiddelde van de waarnemingen tijdens de wintermaanden (van oktober t.e.m. maart). Beide filters van VMM meetnet oppervlaktewater maken deel uit van het meetnet 8; geplaatst in het kader van het MAP. De stijghoogtemetingen worden slechts 2 maal per jaar uitgevoerd, te beperkt om de dynamiek van de grondwaterstanden te bepalen. De waarden van het VMM meetnet grondwater worden daarom enkel beschouwd voor een jaargemiddelde toestand.
Figuur 3-64
Ligging observatieputten DOV (links) en detail put 423/21/5
120
3.5.2
Modelconcept
Als modelgebied wordt een zo groot mogelijk gebied gekozen zodat er geen invloed meer is van de randvoorwaarden in het interessegebied en alle effecten van de ingrepen binnen het modelgebied vallen. Rekening houdend met 1/ het doel van de modelleeropdracht, nl. het inschatten van kwel en invloed van drainage in het natuurgebied van de Wellemeersen alsook 2/ de beperkte watervoerende capaciteiten van het quartair dek en de onderliggende tertiaire lagen in het bijzonder, kan een relatief kleinschalig modelgebied worden afgebakend. De keuze valt hierbij op de hydrografische scheidingen tussen de stroomgebieden van 2e en 3e categorie: In het noorden valt de modelrand samen met de waterscheiding tussen het stroomgebied van de Wildebeek/Molenbeek (Provinciale Waterloop O5077) en de Hoezebeek/Klokputbeek (Provinciale Waterloop O5967) (groene lijn Figuur 3-65). Ten Oosten valt de modelgrens samen met de Dender. Het stuwpeil van de Dender (7.6 mTAW) wordt hier opgelegd als vaste stijghoogte. De zuidelijke rand valt samen met de waterscheiding tussen de stroomgebieden van de Wildebeek/Molenbeek (Provinciale Waterloop O5077) en de Molenbeek – Vogelenzangbeek (Provinciale Waterloop O5093).
Figuur 3-65
Modelrandvoorwaarden
121
3.5.2.1 Modelgrid De permanente grondwaterstromingsvergelijking wordt met de eindigverschilmethode opgelost, wat een verticale opdeling van het beschouwde grondwaterreservoir in lagen en een horizontale discretisatie in cellen impliceert. Voor het volledige model worden cellen van 20 m op 20 m gebruikt. De kleiafzettingen van het Ieperiaan Aquitardsysteem (HCOV 0900) wordt als ondoorlatende ondergrens beschouwd. Volgens de kartering van HCOV worden hierboven slechts in zeer beperkte mate siltige afzettingen van het Ieperiaan aquifersysteem aangetroffen. Met uitzondering van de heuvelruggen te Aalter treft men het quartair dek aan boven de Ieperiaan Aquitard (HCOV 0900). Met focus op de grondwaterstroming in de lager gelegen valleigebieden wordt daarom enkel de stroming in het quartair dek gemodelleerd. Er wordt gebruik gemaakt van een 2 lagen rekenmodel om rekening te houden met de in § 3.5.1.1 vermelde stratigrafie van een lemig dek en onderliggende zandige horizonten.
3.5.2.2 Hydrogeologische parameters De watervoerende eigenschappen van verschillende hydrogeologische formaties wordt een constante verticale en horizontale conductiviteit toegekend. Aangezien in deze studie enkel stationaire berekeningen worden uitgevoerd, zijn dit de enige vereiste hydraulische parameters. Wegens de slechte watervoerende capaciteiten van de lagen en de heterogeniteit van de afzettingen moeten geïnventariseerde gegevens uit de literatuur (VMM, 2008) met de nodige ruime marges worden weerhouden. Rekening houden met de samenstelling van de formaties wordt voor het lemig dek (HCOV 0150) een startwaarde van 0,2 m/dag aangenomen en voor de zandige lagen van het pleistoceen (HCOV 0162) en de zandige alluviale deklagen in de vallei van de Dender (HCOV 0140) een startwaarde van 1,0 m/dag. Tabel 3-11
Weerhouden waarden voor de horizontale (Kh) doorlaatbaarheid van de beschouwde rekenlagen
modellaag
type
Kh (m/d)
Startwaarde (m/d)
1
HCOV 0150 Eolische lemige afzettingen
0,1 – 1,0
0,2
HCOV 0140 alluviale deklagen
0,1 – 1,0
0,2
HCOV 0152 Zand-lemige afzettingen
0,5 – 2,0
1,0
HCOV 0160 Pleistoceen
0,5 – 2,0
1,0
2
3.5.2.3 Rivieren en drainagezones De uitwisseling tussen het beschouwde grondwaterreservoir en de waterlopen en grachten DRAIN module (McDonald & Harbaugh, 1984) gesimuleerd. Dit betekent dat aan iedere gridcel waarin zich een dergelijke waterloop bevindt de volgende parameters worden toegekend:
▪
drainagepeil (bottom elevation); 122
▪
conductantie (C [m³/d/m] = KWL / M met K de doorlaatbaarheid [m/d] van de slibbodem, W [m] de breedte van de gracht, L [m] de lengte van de gracht, en M [m] de dikte van de slibbodem).
De initiële waarde voor de conductantie voor eenheidslengte wordt gelijk gesteld aan 0,1 m/d, wat overeenkomt met een breedte van de gracht gelijk aan 1 m en een weerstand van de slibbodem gelijk aan 10 d. Gedurende de kalibratie wordt deze waarde voor verschillende gebieden aangepast. De waterhoogtes in het oppervlaktewater worden bepaald aan de hand van metingen, modelleerresultaten en GIS-analyse. Voor de Dender wordt uitgegaan van een constant stuwpeil te Aalst van 7.8 mTAW. Voor de waterloopassen in het stroomgebied van de Molenbeek/Wildebeek en Rijtbeek welke niet werden opgemeten of geen deel uitmaken van een hydraulische modelstudie wordt een waterpeil opgelegd op 1 m onder maaiveld. Voor de gemodelleerde waterloop Wildebeek werd een waterpeil bij basisafvoer berekend en opgelegd. Naast grachten en waterlopen wordt tevens oppervlakkige afvoer van opstijgend grondwater beschouwd. Indien geen duidelijke plasvorming wordt waargenomen wordt de oppervlakkige afvoer gemodelleerd door middel van een oppervlakkige SEEPAGE randvoorwaarde. De SEEPAGE verschilt in hoofdzaak van de DRAIN randvoorwaarde doordat de drainagehoogte relatief is t.o.v. het maaiveld daar waar bij de DRAIN randvoorwaarde een absoluut peil wordt opgelegd. Deze randvoorwaarde geldt voor het volledige oppervlak van Wellemeersen, met uitzondering van de geïnventariseerde vijvers, de grachten en de plasvorming in het centrale deel van de Wellemeersen tijdens de recente jaren. Tijdens de recente jaren wordt in het centrale deel van de Wellemeersen stilstaand oppervlaktewater aangetroffen met een hoogte van ca. 8.6 mTAW. Het drainageniveau volgt hier niet het maaiveld doch een uniforme hoogte van 8.6 mTAW. Gelet op het permanente karakter van de plas wordt een RIVER randvoorwaarde opgelegd voor de zone. Het drainage niveau van de grachten wordt aangepast aan de situatie. Voor de simulatie van de situatie 1992-2004 (§ 3.5.3) worden geruimde grachten verondersteld met een vlotte afwatering naar de Dender. Het drainageniveau van de Rijtbeek in de Wellemeersen wordt gelijkgesteld aan 8.0 mTAW jaargemiddeld, verlaagd tot 7.9 mTAW tijdens de zomermaanden en verhoogd tot 8.1 mTAW tijdens de wintermaanden (Figuur 3-66). Voor de berekening van de huidige situatie anno 2014 (§3.5.4) wordt een drainageniveau genomen zoals waargenomen tijdens de meetcampagne. Voor de waterstanden in de Rijtbeek in de Wellemeersen bedraagt deze 8.1, 8.3 en 8.5 mTAW voor respectievelijk de zomerse, jaargemiddelde en winterse toestand (Figuur 3-67). In het verdronken, centrale deel van de Wellemeersen wordt zoals hoger vermeld een RIVER randvoorwaarde opgelegd. Tijdens de zomermaanden wordt een peil van 8.5 mTAW opgelegd, tijdens de wintermaanden en de jaargemiddelde situatie wordt een peil van 8.6 mTAW opgelegd (Figuur 3-67).
123
Figuur 3-66
Drainageniveau grachten en Rijtbeek, simulatie 1992-2004 voor jaargemiddelde (links), zomer (miden) en wintertoestand (rechts)
Figuur 3-67
Drainageniveau grachten en Rijtbeek simulatie 2014 voor jaargemiddelde (links), zomer (miden) en wintertoestand (rechts)
3.5.2.4 Grondwatervoeding In het kader van de opzet van het Vlaams grondwatermodel werd de ruimtelijk verdeelde grondwatervoeding berekend m.b.v. het WetSpass-model, dat ontwikkeld werd door de Vakgroep Hydrologie en Waterbouwkunde (VUB) (Batelaan & De Smedt, 2001). Op basis van het landgebruik, de bodemtextuur, een aantal meteorologische parameters, de helling, de grondwaterdiepte en de afvoercoëfficiënt berekent WetSpass de ruimtelijk gedistribueerde grondwatervoeding voor het gehele modelgebied (één waarde voor elke cel). De jaargemiddelde grondwatervoeding, uitgemiddeld over het volledige projectgebied, bedraagt 0.4 mm/dag of 150 mm/jaar. Een relatief lage waarde in vergelijking met de gemiddelde grondwatervoeding in Vlaanderen (ca. 250 mm/jaar), te verklaren door de sterke hellingsgraad en beperkte doorlaatbaarheid van het quartair dek. De winter-, respectievelijk zomermaanden dragen voor ca. 80 % en 20 % bij in het jaartotaal van de grondwatervoeding. 124
3.5.3
Kalibratie en simulatie historische situatie 1992-2004
De ijking van het model gebeurt door het aanpassen van de in Tabel 3-11 opgesomde parameters in functie van het bekomen van realistische grondwaterstanden en stromingen. Na parameterwijziging worden de grondwaterstanden vergeleken met de gemiddelde, geobserveerde stijghoogten (§ 3.5.1.3). Daarnaast wordt tevens met het globale stijghoogtepatroon nagegaan of het model ook aanvaardbare stijghoogten berekent op plaatsen waar geen of weinig metingen voorhanden zijn. Voor zones die het model als ‘flooded’ aanduidt, moet men de vraag stellen of het gebied in werkelijkheid inderdaad onder water kan staan. De kalibratie wordt uitgevoerd op de jaargemiddelde grondwaterstanden van de observatiepunten en met jaargemiddelde grondwatervoeding. De observatiepunten zijn voornamelijk geconcentreerd in het natuurgebied Wellemeersen. De gemeten stijghoogte worden in hoofdzaak bepaald door de aanwezigheid van lokale hydrografie en slechts beperkt door de hydrogeologische karakteristieken van de watervoerende formaties of weerstanden van de waterlopen. De hydrogeologische karakteristieken worden daarom in eerste instantie afgeijkt op een realistische weergave van de regionale grondwaterstanden. Bij lage Kh waarden voor de 1e of 2e watervoerende laag worden stijghoogtewaarden berekend boven maaiveld in Welle en in een zone van meer dan 200 m rondom de waterlopen van 2e en 3e categorie. Bij een verhoging van de Kh voor laag 2 tot 1 m/dag beperken de flooded cells zich tot een zeer smalle strook langs de waterloop. Ook de berekende stijghoogtes in peilbuizen 423/21/4 en 423/21/5 wordt relatief correct weergegeven. Bij wijze van gevoeligheidsanalyse worden de startwaarden van de hydraulische conductiviteiten gewijzigd met een factor 2 (vermenigvuldigd en gedeeld) en de weerstanden van de interne randvoorwaarden (RIVER, DRAIN, SEEPAGE) met een factor 10. De afwijkingen t.o.v. jaargemiddelde grondwaterstand worden geanalyseerd en weergegeven in Tabel 3-13. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de waarnemingen van de VMM, de waarnemingen in de lager gelegen delen van de Wellemeersen en de waarnemingen in de taluds in de Wellemeersen (erosietalud van de vallei en de taluds van de spoorwegen). De resultaten worden grafisch weergegeven in Figuur 3-68 voor de startwaarden van de gevoeligheidsanalyse. Een analoge oefening, zij het enkel met de startwaarden van de kalibratie, wordt uitgevoerd voor een winterse, respectievelijk zomerse grondwatervoeding. De afwijking van de berekende grondwaterstanden met respectievelijk gemiddelde hoogste en laagste grondwaterstand wordt weergegeven in Tabel 3-14. De resultaten van de kalibratie worden grafisch weergegeven in respectievelijk Figuur 3-69 en Figuur 3-70. De verschillende parametersets geven alle aanvaardbare waarden voor de kalibratie, wat kan wijzen op een beperkte afhankelijkheid van de berekende grondwaterstanden. Zoals vermeld is de kalibratieset van grondwaterstanden voornamelijk geconcentreerd in het valleigebied van de Wellemeersen waar de opgelegde waterstanden in de drainagegrachten vigeren. De laagste afwijkingen voor de jaargemiddelde grondwatervoeding wordt bekomen met de startset van de hydraulische parameters en de parameterset 4, waarbij de conductiviteiten van de waterlopen worden verhoogd met een factor 10. Aangezien parameterset 4 een nog grotere afhankelijkheid van de modelresultaten voor de opgelegde waterstanden impliceert zal tot nader inzicht de startset worden gehanteerd voor verdere berekeningen. De berekende grondwaterstanden in het modeldomein van de situatie 1992-2004 worden weergeven onder de vorm van gemiddelde grondwaterstanden voor de jaargemiddelde grondwatervoeding (Figuur 3-72), winterse grondwatervoeding (Figuur 3-73) en de situatie tijdens de zomermaanden (Figuur 3-71). Tijdens de zomermaanden zakt de grondwaterstand in het centrale deel van de Wellemeersen weg tot meer dan 60 cm onder maaiveld. Naar de Dender toe stijgt het maaiveld, de grondwaterstand daalt er 125
tot meer dan 1 meter onder maaiveld. Aan de voet van de stijlrand, in het zuidwesten van de Wellemeersen, staat de grondwatertafel ook in de zomer onder een sterke kweldruk, het neerslagtekort tijdens de zomer wordt aangevuld met kwel. Als gevolg hiervan daalt de grondwaterstand slechts beperkt tijdens de zomermaanden. Tijdens de wintermaanden wordt het neerslagoverschot aan het oppervlak afgevoerd in het centrale deel van de Wellemeersen, de grondwaterstand staat gelijk of hoger dan het maaiveld. In het zuidoosten worden eveneens grondwaterstanden tot het maaiveld berekend, enkel op hoger gelegen ruggen staat het grondwater meer dan 50 cm onder maaiveld. Het verschil van de zomer en wintertoestand wordt weergegeven in Figuur 3-74. De grondwaterstandsfluctuatie is het hoogst (> 60 cm) langs de Dender en neemt vervolgens sterk af naar het zuidwesten, richting erosietalud. Dit patroon is het gevolg van de sterke kwelfluxen (Figuur 3-75) die worden berekend langs de erosietalud. Deze compenseren het neerslaqtekort tijdens de zomermaanden. De kwelfluxen, voorgesteld in Figuur 3-75 voor de jaargemiddelde grondwatervoeding zijn de opwaartse fluxen tussen de 1e en 2e watervoerende laag. Sterke kwelfluxen worden berekend in de valleigebieden van de Rijtbeek en Wildebeek In het valleigebied van de Wellemeersen worden sterke kwelfluxen berekend ter hoogte van de stijlrand. De sterke kwelfluxen vanaf de erosietalud bedragen maximaal 5 mm/dag en nemen geleidelijk af naar noordoosten, op ca; 100 m van de talud bedraagt de kwelflux minder dan 1 mm/dag.
126
Tabel 3-12
Kalibratieschema
Model-laag
type
1
HCOV HCOV HCOV HCOV
2
0150 0140 0152 0160
Waterlopen bovenlopen Waterlopen benedenlopen Oppervlakkige drains
Tabel 3-13
Wellemeersen vallei Wellemeersen taluds VMM
totaal
Wellemeersen taluds
totaal
parameter Gemiddelde Gemiddelde absoluut Gemiddelde Gemiddeld absoluut Gemiddelde Gemiddeld absoluut Gemiddelde Gemiddeld absoluut
Afwijkingen [m] t.o.v. modelparameters
Observatieset Wellemeersen vallei
VMM
5
6
-
-
0.1
-
-
x 0.1
x 10
-
-
0.1
-
-
-
-
x 0.1
x- 10
Afwijkingen [m] t.o.v. gemeten waterstanden Jaargemiddelde grondwatervoeding
Observatieset
Tabel 3-14
Startwijziging waarde 1 2 3 4 HK watervoerende lagen (m/d) 0.1 x 0.5 x2 0.1 x 0.5 x2 0.5 x 0.5 x2 1.0 x 0.5 x2 Weerstand interne randvoorwaarden 0.5 x 0.1 x 10
parameter Gemiddelde Gemiddeld absoluut Gemiddelde Gemiddeld absoluut Gemiddelde Gemiddeld absoluut Gemiddelde Gemiddeld abs
Startwaarde 0.11 0.27
1 0.19 0.31
2 0.05 0.25
wijziging 3 4 0.16 0.03 0.31 0.28
5 0.23 0.35
6 0.09 0.25
-0.04 0.72
0.19 0.62
-0.17 0.80
0.05 0.74
-0.13 0.73
0.14 0.70
-0.06 0.73
-0.61 0.61
1.04 1.08
-1.88 1.88
-0.43 0.43
-0.80 0.80
-0.55 0.55
-0.55 0.55
0.07 0.37
0.19 0.38
0.00 0.38
0.14 0.41
-0.01 0.38
0.21 0.43
0.05 0.36
gemeten waterstanden zomer- en wintersituatie – startwaarde Zomersituatie 0.10 0.24
Wintersituatie 0.10 0.32
-0.27 0.73
0.01 0.78
Geen gemiddelde waarden beschikbaar
-0.02 0.35
0.10 0.43
127
Figuur 3-68
Fit waargenomen/gemodelleerde jaargemiddelde grondwaterstanden
128
Figuur 3-69
Fit waargenomen/gemodelleerde grondwaterstanden tijdens winter
129
Figuur 3-70
Fit waargenomen/gemodelleerde grondwaterstanden tijdens zomer
130
3.5.3.1 Resultaten grondwatermodellering historische situatie 1992 - 2004
Figuur 3-71
Grondwaterdiepte zomer situatie 1992 – 2004 131
Figuur 3-72
Jaargemiddelde grondwaterdiepte situatie 1992 – 2004
132
Figuur 3-73
Grondwaterdiepte winter situatie 1992 – 2004
133
Figuur 3-74
Grondwaterdynamiek Winter – zomer situatie 1992-2004
134
Figuur 3-75: kwelflux [mm/dag] jaargemiddelde grondwatervoeding situatie 1992 – 2004
135
3.5.4
Simulatie grondwaterstanden situatie 2014 en historische situatie vóór 1990
Anno 2014 manifesteert de gebrekkige afwatering zich in de vorming van stagnerend water in het centrale deel van de Wellemeersen. De waterstanden bedragen ca. 8.5 mTAW tijdens de zomermaanden tot 8.6 mTAW jaargemiddeld en tijdens de wintermaanden. Conceptueel verschilt de hydrografische situatie anno 2014 van de periode 1992-2004 in het ontbreken van oppervlakkige drainage (“seepage”) in het centrale deel van de Wellemeersen. Deze wordt in het model vervangen door een “river” randvoorwaarde met waterstand 8.6 mTAW tijdens de winter en jaargemiddelde toestand en 8.5 mTAW tijdens de zomertoestand. De berekende grondwaterstanden in het modeldomein van de situatie 2014 worden weergeven onder de vorm van gemiddelde grondwaterstanden voor de jaargemiddelde grondwatervoeding (Figuur 3-77), winterse grondwatervoeding (Figuur 3-79) en de situatie tijdens de zomermaanden (Figuur 3-76Figuur 3-76) de grondwaterdynamiek (winterse – zomerse grondwaterstanden) in Figuur 3-79 en de kwelfluxen (Figuur 3-80). In Figuur 3-81 wordt het verschil in grondwaterstand weergegeven tussen de historische situatie 1992-2004 en huidige situatie 2014 en dit voor de verschillende toestanden van de grondwatervoeding. De berekende grondwaterstanden anno 2014 zijn het logische gevolg van de opgelegde stijghoogtes in de centrale vijver: 8.5 mTAW tijdens de zomermaanden en 8.6 mTAW voor de winter en jaargemiddelde toestand. Door het opleggen van de grondwaterstanden met een beperkt verschil van 10 cm tussen zomer en wintersituatie valt de grondwaterdynamiek volledig weg in het centrale deel van de Wellemeersen. Enkel in het zuidoosten op het hoger gelegen deel van de Wellemeersen, alsook in een smalle strook langs de Dender, blijft de grondwaterdynamiek behouden. Jaargemiddeld bedraagt het verschil tussen de historische en de huidige toestand ca. 30 cm in het centrale deel van de Wellemeersen. Tijdens de zomermaanden houdt de centrale vijver de grondwaterstanden op een niveau van 8.5 mTAW, daar waar deze in de historische situatie daalde tot minstens 60 cm onder maaiveld. Het verschil in waterstand in de centrale zone bedraagt daarom 70 cm. Tijdens de wintermaanden wordt in de historische toestand reeds overstroming van het centrale deel waargenomen en berekend (maaiveldhoogte ca. 8.4 mTAW, overstromingen tot 8.5 mTAW). In de huidige toestand wordt een peil opgelegd van 8.6 mTAW, het grondwatermodel berekent daarom slechts een verschil van 10 cm. De kwelintensiteiten voor de huidige situatie anno 2014, weergegeven in Figuur 3-80 verschillen minder dan 1 mm/dag met de kwelintensiteiten voor de historische situatie (Figuur 3-75). De kwelkaart in Figuur 3-80 vertoont hetzelfde patroon anno 2014 als tijdens de historische situatie 1992-2004: een hoge kwelintensiteit langs de stijlranden en een afname van de kwel naar de Demer tot minder dan 1 mm/dag. Het verschil in de berekende kwel wordt weergegeven in Figuur 3-82. Negatieve waarden duiden op een verlaging van de kwel in 2014. Deze verlaging van de kwelintensiteit treedt voornamelijk op langs de randen van de centrale plas. Langs de oeverwal van de Demer zal het ontstaan van de centrale plas de aldaar beperkte kwel onderdrukken. Langs de steilrand wordt de kwel in de verdronken zone tevens onderdrukt. Dit wordt echter gecompenseerd door een verhoging van de kwel hoger op het talud.
136
3.5.4.1 Resultaten grondwatermodellering huidige situatie 2014
Figuur 3-76
Grondwaterdiepte zomer situatie 2014
137
Figuur 3-77
Jaargemiddelde grondwaterdiepte situatie 2014
138
Figuur 3-78
Grondwaterdiepte winter situatie 2014
139
Figuur 3-79
Grondwaterdynamiek Winter – zomer situatie 2014
140
Figuur 3-80
Kwelflux [mm/dag] jaargemiddelde grondwatervoeding situatie 2014
141
3.5.4.2 Verschilkaarten huidige situatie 2014 vs. historische situatie vóór 1992/2004
Figuur 3-81
Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, huidige - historische situatie 1992/2004 142
Figuur 3-82
Verschilkaart kwelintensiteit huidige – historische situatie
143
3.6
Conclusies abiotische kwantitatieve aspecten
Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen van de studieonderdelen inzake hydrogeologie samengevat en wordt een algemeen beeld geschetst van de historische en huidige toestand. Meetcampagne waterstanden 2014 Vergelijking van de resultaten van de meetcampagne 2014 met de historische waarden van de grondwaterstanden (1992-2004) tonen 3 duidelijke evoluties: ▪ Centraal in de vernatte zone wordt permanent een peil gemeten dat 20 tot 30 cm hoger is dan het maaiveld en 30 cm hoger dan het peil van de noordelijk gelegen Provinciale Rijt. Het afgestroomde water van opwaarts en vanuit de Wellemeersen blijft dus achter een oeverwal van de Rijtbeek staan. ▪ De grondwaterdynamiek in de centrale plas en langs de Rijtbeek is volledige verdwenen als gevolg van het niet meer draineren van dit gebied. ▪ De impact van de vernatting is slechts aantoonbaar in het centrale deel van de Wellemeersen en beperkt zich tot de onmiddellijke omgeving van deze slecht gedraineerde zone. Daarbuiten wordt nauwelijks verschil in maximale waterstand of grondwaterdynamiek opgemeten. ▪ Overstromingen in de Wellemeersen zijn het gevolg van een combinatie van verminderde afvoercapaciteit van de Rijtbeek en overstromingen als gevolg van de Dender Analyse oppervlaktewaterstelsel Langetermijnsimulaties van de afvoeren van de onverharde oppervlaktes berekenen een beperkt gemiddeld debiet van de Rijtbeek. Voor een goede ontwatering van het gebied is slechts een (geruimde) gracht nodig met beperkte afmetingen. De frequentie en volume van de overstorten, zo ook de hoeveelheid vuilvracht naar de Wellemeersen, is het hoogst voor het overstort van de Kampstraat en blijft quasi ongewijzigd in de toekomst. Trendanalyse grondwaterstanden De historische grondwaterstandsmetingen (periode 1992-2004) werden onderworpen aan een analyse om eventuele trends in de grondwaterstanden te vinden en deze te linken aan de trend in de degradatie van het drainagestelsel. Er werd echter geen duidelijke trend gevonden in de grondwaterstandswaarnemingen. Dit komt omdat, ondanks een gestadige degradatie, het drainagestelsel toch nog voldoende capaciteit heeft tot 2004 om het overtollig water te draineren naar de Dender. Zolang het overtollig oppervlaktewater wordt afgevoerd, topt de winterse grondwaterstand af op het maaiveld en kan de grondwaterstand dalen tijdens periodes met neerslagtekort. Grondwatermodellering Er werd een grondwatermodel opgebouwd waarmee de grondwaterstanden van zowel de historische als de huidige toestand nauwkeurig en gebiedsdekkend worden berekend. De resultaten van de modellering wijzen op het wegvallen van de grondwaterstandsdynamiek anno 2014 in het verdronken, centrale deel van de Wellemeersen en het behoud van de grondwaterstandsdynamiek in de hoger gelegen zones van de Wellemeersen. De berekening van de kwelintensiteit komt overeen met de waarnemingen op het terrein: hoge intensiteiten langs de steilrand van de vallei, beperkte kwel in het centrale deel van de Wellemeersen. De plasvorming in de huidige situatie heeft slechts een beperkt effect op het kwelpatroon.
144
3.7
Grond- en oppervlaktewaterkwalitatieve aspecten
3.7.1
Inleiding
Een onderdeel van ‘Luik 1 – abiotiek’ van de ecohydrologische studie van het gebied Wellemeersen betreft het meten en analyseren van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit en -kwantiteit in dit gebied om deze, samen met historische meetgegevens betreffende grondwaterchemie, te interpreteren ten opzichte van de referentiewaarden voor de standplaatsgeschiktheid van de gewenste natuurdoeltypes. In Bijlage 6 geeft deze nota de methodiek voor de staalname van de chemische analyse voor zowel de grondwaterkwaliteit en oppervlaktewaterkwaliteit. Hiertoe is conform het bestek voorzien dat op; ▪
16 locaties grondwaterkwaliteitsmetingen gebeuren (2 tijdstippen);
▪
4 locaties oppervlaktewaterkwaliteitsmetingen (4 x).
In een tweede luik worden de resultaten besproken en geanalyseerd en geplaatst in het licht van de hydrologische veranderingen (vernatting) die plaatsvonden in het laatste decennium. Daarna wordt voor de data betreffende grondwaterkwaliteit nagegaan in welke mate deze een belemmerende parameter (kunnen) zijn voor de mogelijk gewenste natuurdoeltypen in dit gebied. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij de uitwerking van scenario’s.
3.7.2
Resultaten en interpretatie
3.7.2.1 Grondwater 3.7.2.1.1 Zuurbuffering De akaliniteit of zuurbindend vermogen geeft de bufferende werking van het water aan en wordt bepaald door in water opgelost bicarbonaat, carbonaat en hydroxiden (welke ionen domineren is pHafhankelijk) en in veel mindere mate door silicaten, fosfaten en andere anionen. In de meeste wateren is echter voornamelijk bicarbonaat aanwezig. De bufferende werking van bicarbonaat is in klassen te verdelen volgens;
145
WELP045A - 01/09/2014
WELP044A - 01/09/2014
WELP042X - 01/09/2014
WELP037X - 01/09/2014
WELP036X - 01/09/2014
WELP035X - 01/09/2014
WELP034X - 01/09/2014
WELP033X - 01/09/2014
WELP024X - 01/09/2014
WELP021X - 01/09/2014
WELP015X - 01/09/2014
WELP003A - 01/09/2014
WELP037X - 24/04/2014
WELP036X - 24/04/2014
WELP035X - 24/04/2014
WELP034X - 24/04/2014
WELP033X - 24/04/2014
WELP024X - 24/04/2014
WELP021X - 24/04/2014
WELP015X - 24/04/2014
WELP003A - 24/04/2014
WELP002A - 24/04/2014
WELP045X - 28/04/2014
WELP044A - 28/04/2014
WELP042X - 28/04/2014
Concentratie HCO3 mmol/l
14
12
10
8
6
4 Concentratie HCO3 mmol/l
2
0
146
147
3.7.2.1.2 Kationen en anionen
148
149
WELP045A - 01/09/2014
WELP044A - 01/09/2014
WELP042X - 01/09/2014
WELP037X - 01/09/2014
WELP036X - 01/09/2014
WELP035X - 01/09/2014
WELP034X - 01/09/2014
WELP033X - 01/09/2014
WELP024X - 01/09/2014
WELP021X - 01/09/2014
WELP015X - 01/09/2014
WELP003A - 01/09/2014
WELP037X - 24/04/2014
WELP036X - 24/04/2014
WELP035X - 24/04/2014
WELP034X - 24/04/2014
WELP033X - 24/04/2014
WELP024X - 24/04/2014
WELP021X - 24/04/2014
WELP015X - 24/04/2014
WELP003A - 24/04/2014
WELP002A - 24/04/2014
WELP045X - 28/04/2014
WELP044A - 28/04/2014
WELP042X - 28/04/2014
140
120
100
80
60 Chloride mg/L
Sulfaat mg/L
40 Nitraat (NO3) mg/L
Ortho-fosfaat (PO4) mg PO4/L
20
0
150
3.7.2.1.3 Typering grondwater
Stiff-diagram Een Stiff-diagram is gebaseerd op de procentuele aandelen van de macro-ionen in de som van de kationenconcentraties, dan wel anionenconcentraties (in meq/l). Deze percentages worden in een diagram uitgezet, met links de kationen en rechts de anionen. Aan de hand van de vorm van het diagram en de lengte van de balk kan een watermonster worden ingedeeld.
151
Peilbuis
Staalname april 2014
Staalname september 2014
WELP002A
WELP003A
WELP015X
152
Peilbuis
Staalname april 2014
Staalname september 2014
WELP021X
WELP024X
WELP033X
153
Peilbuis
Staalname april 2014
Staalname september 2014
WELP034X
WELP035X
WELP036X
154
Peilbuis
Staalname april 2014
Staalname september 2014
WELP037X
WELP042X
WELP044X
155
Peilbuis
Staalname april 2014
Staalname september 2014
WELP045X
156
Piper-diagram Het Piper-diagram bestaat uit drie delen: een driehoek voor de kationen, een driehoek voor de anionen en een ruit voor beide typen samen. Op de zijden van de driehoeken en de ruit staan de procentuele aandelen (gebaseerd op concentraties in meq/l) van de ionen weergegeven. In het Piperdiagram worden meer watermonsters in één diagram weergegeven. Overeenkomsten en verschillen worden in één oogopslag duidelijk. Interpretaties Piper-diagram3;
3
Permanent Hardness; Alkalische zouten (CaSO4, MgSO4, CaCl2, MgCl2), Temporary Hardness; Ca(HCO3)2
157
Figuur 3-83
Piper-diagram staalnames april 2014
Figuur 3-84
Piper-diagram staalnames september 2014
158
EGV-IR diagram Naar analogie van het Piper diagram heeft Van Wirdum een diagram ontworpen dat plaatsing van vele watermonsters in één grafiek mogelijk maakt. Een eerste typering van de grondwaterstalen kan gebeuren aan de hand van het elektrisch geleidingsvermogen EGV (uitgedrukt in µS/cm) en de ionenratio (uitgedrukt in %) volgens Van Wirdum; IR =
Ca (concentraties in meq/l) Ca + Cl
De IR geeft een indicatie van het aandeel van calciumionen in de kationensom. De verschillende peilbuisgegevens worden samen in één diagram weergegeven, met op de x-as het EGV logaritmisch uitgezet, en op de y-as de IR. In het EGV-IR-diagram zijn altijd drie referentiepunten opgenomen; ▪
At - atmoclien water: water dat chemisch lijkt op regenwater
▪
Li - lithoclien water: gerijpt grondwater - door bodempassage verrijkt met mineralen, m.n. calcium en bicarbonaat
▪
Th - thallasoclien water: ‘zeeachtig water' - water dat nog verder is verrijkt met vooral zouten, meestal afkomstig uit de grote rivieren en uit het kustgebied, waar vermenging met zout grondwater of oppervlaktewater heeft plaatsgevonden. Standplaatsen onder invloed van thalassoclien water zijn over het algemeen voedselrijk, en hebben een brak of licht brak karakter.
159
Figuur 3-85
IR-EC diagram staalnames april 2014
Figuur 3-86
IR-EC diagram staalnames september 2014
3.7.2.1.4 Interpretatie ▪
De pH in het grondwater is overal hoger dan 6,5.
▪
Het grondwater is sterk gebufferd (nagenoeg alle staalnames hebben een waarde boven 6 mmol HCO3-/l. De concentratie van het Ca-gehalte komt redelijk overeen met die van het bicarbonaatgehalte. Er wordt aangenomen dat dit duidt op de invloed van kalkrijke (diepe) kwel. Dit komt ook naar voor uit de elektrische conductiviteit van de stalen. In de literatuur is gezocht naar een onderbouwing voor het afbakenen van de conductiviteitsgrens. Uit het rapport ‘Dynamische en chemische kenmerken van het ondiep grondwater in kwelsystemen: Het Walenbos’ (Huybrechts,W. en De Becker, P., 1997) kwam de grens van 500μS/cm naar voor als indeling van het grondwater naar mineraalrijkdom. Alle metingen hebben een EC hoger dan 500μS/cm en kunnen beschouwd worden als mineraalrijke systemen.
▪
De grondwaterstalen van de peilbuizen WELP033, WELP034 en WELP036 wijken bij de staalname in april het sterkst af van de overige staalnames, voor de periode april 2014. Bij de staalname in september 2014 is dit niet meer op te merken. Er is geen duidelijke verklaring hiervoor.
▪
De nitraatgehaltes zijn relatief laag, de meeste waarnemingen liggen onder de 1 mg/l. Er werden enkel bij WELP037 bij de 2 metingen waarden hoger dan 2 mg/l gemeten. De gehaltes van ammonium zijn laag. De P-waarden in het grondwater zijn laag in de meeste waarnemingen (<0,020 mg/l). De metingen in WELP036, WELP037 en WELP015 vertonen verhoogde tot sterk verhoogde waarden. In deze zones is mogelijk fosfaatdoorslag naar het grondwater opgetreden.
160
▪
De sulfaatconcentraties zijn gevarieerd, maar de meeste metingen kennen waarden boven de 20 mg/l. Een aantal metingen kent zelfs extreem hoge (> 40 mg/l) waarden, zodat duidelijk een problematiek voor wat betreft sulfaat wordt verondersteld. De ijzerconcentraties zijn gevarieerd, maar gemiddeld gezien niet hoog. Een aantal metingen vertonen wel voor beide metingen hoge waarden (WELP015, WELP034 en WELP045). De ijzerrijke kwel situeert zich voornamelijk in het zuidoostelijk deel van het studiegebied. In systemen met een laag Ca-gehalte of weinig Fe-rijke kwel vormen de (te) hoge sulfaatconcentraties in het toestromende grondwater een probleem bij stijgende grondwaterstanden, interne eutrofiëring treedt mogelijk op. Een stagenerend hoog waterpeil met een verminderde aanvoer van ijzer en nitraat via het grondwater, leidt tot een daling van de redoxpotentiaal in de bodem. Samen met hogere sulfaatgehalten in het grondwater, veroorzaakt dit een toename van sulfaatreductie, waarbij sulfide gevormd wordt. Dit bindt sterk aan geoxideerd ijzer en ijzer van ijzerfosfaatcomplexen, onder vorming van FeSx. De concentratie vrij reactief ijzer dat fosfaat kan binden neemt af en fosfaatmobilisatie wordt gestimuleerd. Dit effect wordt nog eens versterkt door de verminderde aanvoer van ijzer en calcium via het grondwater door afname van de kwel. Het gevolg is massale ontwikkeling van de eutrofe plantensoorten (Lucassen et al. 2005). Gezien de hoge Ca-gehaltes van de stalen lijkt dit probleem zich echter niet te stellen in de Wellemeersen. Onder natuurlijke omstandigheden is er in kwelgebieden bijna altijd sprake van een overschot aan grondwater dat via beken of door wegzijging in de lage delen werd afgevoerd. Kortom, er was doorstroming van dit water. Door gebrek aan beheer in de Wellemeersen werd de afwateringsbeek zo hoog opgestuwd dat er geen water meer werd afgevoerd en steeg het waterniveau in het vernatte systeem tot de stijghoogte van het grondwater, er is sprake van stagnerend water. Dit permanent hoog opstuwen van (grond)water kan leiden tot interne P-eutrofiëring, indien het water sulfaatrijk is. Dit is onder meer aangetoond voor natte schraallanden, broekbossen, veenweiden en laagveenwateren. Interne eutrofiëring treedt daarbij vooral op in veenbodems en andere bodems met een hoog organisch stof gehalte, zoals aanwezig is in veel natte natuurgebieden. Uit recent onderzoek in het laagveengebied is gebleken dat de sulfaatconcentraties in het toestromende (grond)water niet hoger mogen zijn dan 100 – 200 μmol/l (10 - 20 mg/l). Zijn de waarden hoger dan is uit experimentele studies gebleken dat interne eutrofiëring optreedt. Tevens blijken vrijwel alle Rode-lijst soorten in deze laagveengebieden niet meer aanwezig te zijn als de 200 μmol sulfaat/l grens is overschreden (Lamers et al. 2006). In de wellemeersen wordt deze waarde voor quasi alle meetpunten overschreden. Experimenten met broekbossen toonden aan dat na vernatting (zonder voldoende doorstroming) ongewenste soorten als liesgras, mannagras en klein kroos ontwikkelden en doelsoorten verdwenen die nog op de voormalige kwelplekken aanwezig waren.
▪
De Cl-gehaltes voor het volledige gebied zijn hoog.
3.7.2.2 Oppervlaktewater Onderstaande tabel geeft een overzicht van de metingen tot op heden, met toetsing aan de geldende VLAREM-normen. 161
Algemene conclusies zijn; ▪
De fosfaatwaarden van het instromend en stagnerend oppervlaktewater zijn consequent (voor metingen tijdens alle periodes) zeer hoog.
▪
De sulfaatwaarden van het instromend en stagnerend oppervlaktewater zijn voor sommige metingen te hoog (minder relevant dan overschrijdingen van fosfaat).
▪
De nitraatwaarden van het instromend en stagnerend oppervlaktewater zijn voor sommige metingen te hoog (minder relevant dan overschrijdingen van fosfaat).
162
1 (1)
2 (2)
3 (3)
4 (4)
1 (1)
2 (2)
3 (3)
4 (4)
5 (5)
01-09-2014
01-09-2014
01-09-2014
01-09-2014
01-09-2014
01-09-2014
19-06-2014
19-06-2014
19-06-2014
19-06-2014
28-04-2014 2 (6)
6 (6)
21-11-2014
1 (5)
21-11-2014
4 (4)
28-04-2014
28-04-2014
28-04-2014 3 (3)
21-11-2014
2 (2)
21-11-2014
1 (1)
21-11-2014
Eenheid
21-11-2014
milieukwaliteitsnormen 2010, type kleine beek
21-11-2014
Analyse
28-04-2014
28-04-2014
Datum monstername
1 (1)
2 (2)
3 (3)
4 (4)
5 (5)
6 (6)
7 (7)
Metalen Aluminium (Al)
nvt
mg/L
<0,10
<0,10
<0,10
1,1
<0,10
<0,10
<0,10
<0,10
<0,10
0,39
<0,10
<0,10
<0,10
<0,10
<0,10
<0,10
<0,10
<0,10
<0,10
0,28
0,44
0,29
0,12
Calcium (Ca)
nvt
mg/L
150
120
100
180
110
110
110
150
110
110
73
65
74
75
84
67
98
96
98
130
160
120
140
IJzer (Fe)
nvt
mg/L
0,96
1,1
0,77
12
3,9
0,36
1,2
0,81
1,2
19
1,3
1,9
1,2
2,3
5,8
1,9
1,2
1,2
1,2
4,3
22
5,7
7,9
Kalium (K)
nvt
mg/L
3,6
4,1
4,5
5,5
4
6,5
5
3,6
5
4,1
4,4
4,9
4,2
2,9
4,1
4,9
5,8
6,3
6,5
5,1
11
4,6
11
Magnesium (Mg)
nvt
mg/L
21
19
16
39
18
17
18
21
18
17
12
9,5
12
13
16
9,5
14
16
16
17
31
17
30
Natrium (Na)
nvt
mg/L
20
25
18
38
20
27
21
18
21
20
15
15
15
16
15
15
19
16
17
19
26
19
27
0,14 mg/L
0,34
0,32
0,064
1,3
0,19
<0,050
0,061
0,24
<0,050
1,4
0,14
0,64
0,094
0,21
0,64
0,63
0,74
<0,050
0,058
0,5
2,8
0,57
1,3
Fosfor totaal (P) Fosfor totaal (PO4)
nvt
mg PO4/L
Fosfor totaal (P2O5)
nvt
mg P2O5/L
1
0,98
0,2
3,9
0,57
<0,15
0,19
0,74
<0,15
4,3
0,44
1,9
0,29
0,65
2
1,9
2,3
<0,15
0,18
1,5
8,7
1,8
3,9
0,78
0,73
0,15
2,9
0,43
<0,12
0,14
0,55
<0,12
3,2
0,33
1,5
0,22
0,49
1,5
1,4
1,7
<0,12
0,13
1,1
6,5
1,3
2,9
nvt
mg/L
23
5,9
19
290
25
11
5,5
9
6,3
250
36
25
37
8,2
83
60
11
16
4,6
220
1500
130
1200
Ammonium (NH4-N) Ammonium (NH4)
nvt
mg N/L
1,1
0,81
<0,050
0,69
<0,050
9
0,69
1,2
0,69
1,4
<0,050
<0,050
<0,050
<0,050
<0,050
0,081
1,8
1,4
1,4
0,32
0,052
0,22
<0,050
nvt
mg/L
1,4
1
<0,065
0,89
<0,065
12
0,89
1,6
0,89
1,8
<0,065
<0,065
<0,065
<0,065
<0,065
0,1
2,3
1,8
1,7
0,41
0,067
0,28
<0,065
Carbonaat
nvt
mg/L
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
<5,0
Bicarbonaat (HCO3)
nvt
mg/L
390
400
370
650
410
340
350
410
380
240
290
220
290
290
330
220
300
340
330
380
520
370
460
Chemisch zuurstof verbruik (CZV)
30
mg O2/L
16
20
36
120
66
26
28
<5,0
25
330
63
43
70
57
68
42
20
15
23
110
1020
91
650
Ortho-fosfaat (PO4-P)
nvt
mg P/L
0,15
0,2
<0,020
0,02
<0,020
<0,020
<0,020
0,12
<0,020
<0,020
<0,020
0,26
<0,020
0,054
0,23
0,27
0,43
0,022 <0,020
0,05
0,65
0,032
0,17
Ortho-fosfaat (PO4)
0,1 mg PO4/L
0,46
0,61
<0,060
0,061
<0,060
<0,060
<0,060
0,36
<0,060
<0,060
<0,060
0,81
<0,060
0,17
0,71
0,82
1,3
Bromide
nvt
mg/L
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
Chloride
120
mg/L
35
38
30
57
34
44
33
35
33
34
24
23
25
29
27
23
28
Sulfaat
90
mg/L
76
32
24
<0,50
22
26
30
150
30
120
12
19
4,7
16
1,1
22
34
Nitraat (NO3-N)
nvt
mg N/L
<0,20
0,23
<0,20
<0,20
<0,20
<0,20
<0,20
2,6
<0,20
<0,20
<0,20
<0,20
<0,20
<0,20
<0,20
<0,20
<0,20
Nitraat (NO3)
10
mg/L
<0,90
1
<0,90
<0,90
<0,90
<0,90
<0,90
11
<0,90
<0,90
<0,90
<0,90
<0,90
<0,90
<0,90
<0,90
<0,90
Nitriet (NO2-N)
0,2 mg N/L
0,043
0,031
0,012
<0,010
<0,010
<0,010
<0,010
0,019
<0,010
<0,010
<0,010
<0,010
<0,010
<0,010
<0,010
<0,010
Nitriet (NO2)
nvt
mg/L
0,14
0,1
0,039
<0,030
<0,030
<0,030
<0,030
0,062
<0,030
<0,030
<0,030
<0,030
<0,030
<0,030
<0,030
<0,030
6
mg/L
1,3
<1,0
2
4,1
<1,0
<1,0
1,4
1,6
1,3
13
2,8
1,8
3,2
2,3
2,3
1,6
2,3
1,6
2,9
2,1
1,9
<1,0
1,6
13
16
4,3
18
2,9
6,6
2,9
2,1
<1,0
Fysisch-chemische analyses Droogrest onopgel. bestand. (NEN6484) Anorganische verbindingen & natte chemie
Stikstof volgens Kjeldahl (N) Sulfaat opgelost (SO4)
nvt
mg SO4/L
77
34
26
5,2
Sulfaat opgelost (SO4-S)
nvt
mg S/L
26
11
8,5
1,7
mg O2/L
1,3
<1,0
4,1
16
0,067 <0,060
0,15
2
0,098
0,51
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
<0,30
27
27
33
42
34
43
8,3
2,6
11
<0,50
17
0,73
0,45
<0,20
1,8
<0,20
<0,20
5
2
<0,90
7,9
<0,90
<0,90
22
0,014
<0,010 <0,010
0,027
<0,010
<0,010
1,1
0,046
<0,030 <0,030
0,089
<0,030
<0,030
3,7
<1,0
3,2
31
3,1
21
3
7,9
39
5,1
93
<0,30
Biologisch en/of toxicologisch onderzoek Biochemisch zuurstof verbruik (BZV-5)
6
163
3.7.2.3 Ruimtelijke spreiding en evolutie in de tijd van de hydrochemische variabelen Voor een aantal van de belangrijkste parameters (in relatie tot vegetatie-ontwikkeling) wordt in dit hoofdstuk een ruimtelijke analyse gemaakt en wordt telkens aangegeven (indien historische meetdata ter beschikking zijn) op welke manier de parameters evolueerden in de tijd4,5. Enkele richtlijnen om de figuren juist te interpreteren: ▪
De gegevens van grond- en oppervlaktewaterkwaliteit worden op éénzelfde figuur getoond (niet voor alle hydrochemische parameters zijn grond- en oppervlaktewaterstalen genomen), dit maakt het mogelijk om eventuele linken te leggen.
▪
Voor de actuele meetgegevens werd op meerdere tijdstippen in het jaar gemeten. De hoogste meetwaarde van de meetreeks wordt getoond. Voor de historische meetgegevens (2000) gebeurden slechts eenmalig metingen.
De belangrijkste conclusies hieruit zijn; ▪
Er zijn geen belangrijke wijzigingen in de tijd voor de EC-waarden en SO4-waarden.
▪
Er is lokaal een toename gemeten van de hoeveelheid Fe in het grondwater.
▪
Er is een toename gemeten van de nitraat en fosfaat-waarden. Er dient echter op gewezen te worden dat, voornamelijk voor fosfaat, de oppervlaktewatermetingen hoge waarden kennen (deze werden voor de historische toestand niet opgemeten).
4
Als referentietoestand voor de historische situatie wordt de toestand ’90-’91 genomen. Er zijn echter geen historische meetgegevens voor deze periode voor wat betreft de hydrochemische parameters. De beschikbare gegevens (van 2000) worden gebruikt. 5
Enkel voor de grondwaterstaalnames zijn er historische data ter beschikking.
165
Figuur 3-87
EC-waarden, historisch (links) en actueel (rechts)
166
Figuur 3-88
SO4-waarden, historisch (links) en actueel (rechts)
167
Figuur 3-89
Fe-waarden, historisch (links) en actueel (rechts)
168
Figuur 3-90
N-NO3-waarden, historisch (links) en actueel (rechts)
169
Figuur 3-91
P-PO4-waarden, historisch (links) en actueel (rechts)
170
3.8
Conclusie
Op basis van één meetjaar grondwater- (2 tijdstippen) en oppervlaktewaterkwaliteit (4 tijdstippen) wordt, wanneer vergeleken worden met de historische toestand (enkel grondwaterkwaliteitsmetingen ter beschikking), geoordeeld dat; ▪
▪
de grondwaterkwaliteit voor het gebied de Wellemeersen een relatief constante (en goede) kwaliteit kent. De mineralenrijkdom en ijzerrijkdom zijn relatief hoog (kwelwater), de nutriëntenrijkdom is laag. de oppervlaktewaterkwaliteit slecht is. Het instromend oppervlaktewater via de Rijtbeek is van een slechte kwaliteit als gevolg van huishoudelijk afvalwater, instromend landbouwwater,… en door een verminderde drainage/doorstroming blijven de nutriënten te lang aanwezig in het natuurgebied.
171
4.
LUIK 3 – INTERACTIE ABIOTIEK EN BIOTIEK
In luik 3 wordt de kennis die verzameld werd in luik 1 en 2 samengebracht en geïnterpreteerd. In een eerste paragraaf wordt op niveau van het volledige studiegebied een algemeen overzicht (macroniveau) gegeven van de samenhang tussen de biotiek en abiotiek in het licht van de hydrologische wijziging die optrad tussen 1990 en vandaag. Vervolgens wordt aan de hand van een aantal ecohydrologische dwarsprofielen deze samenhang verder inzichtelijk gemaakt. Tot slot wordt in een derde paragraaf ingegaan op de gewenste natuurdoeltypes voor de Wellemeersen en de ‘distance to target’ op basis van de actuele biotische en abiotische toestand van het gebied en de theoretische standplaatskenmerken van de gewenste natuurdoeltypen, die werden verzameld in de literatuur.
4.1
Abiotische en biotische samenhang, gekaderd in de evolutie van het gebied
Een analyse van de biotische en abiotische toestand van de Wellemeersen in de historische en actuele toestand laat toe de evolutie van dit gebied, alsook de oorzaken voor deze evolutie, te begrijpen, knelpunten te situeren en (op basis van de aanwezige potenties) duurzame oplossingsrichtingen te formuleren. Het gebied is rijk aan potenties, maar kende de laatste decennia een achteruitgang op vlak van natuurwaarden door een gewijzigde hydrologische toestand en dit zowel op het vlak van waterkwantiteit als waterkwaliteit. Vooral een gebrek aan beheer (ruimen) van de Rijt en het historische omvangrijke slotenstelsel dat zorgde voor drainage van het gebied, lijkt initieel aan de oorzaak te liggen van de sterke vernatting van het gebied en heeft niet alleen geleid tot een quasi permanent hoge waterstand, maar ook tot; ▪ ▪ ▪
een afname van de (grondwater)dynamiek en doorstroming (locaties met jaarrond stagnerend eutroof oppervlaktewater) een toename van de eutrofiëring van het gebied (slechte oppervlaktewaterkwaliteit van de Rijt) een afname van de kwelintensiteiten in de komgronden (dit heeft mogelijk geleid tot hogere kwelintensiteiten ter hoogte van de minder/niet vernatte delen van het studiegebied in het zuidoostelijk deel - zoals kan blijken uit de toename van Fe-rijke kwel (zie Figuur 3-89)6)
Er zijn vanuit het hydrologisch onderzoek geen andere duidelijke aawijzingen naar voor gekomen, die zouden kunnen leiden tot de vernatting die actueel is opgetreden. Staalnames van de grondwaterkwaliteit geven aan dat het diepe kwelwater kalk- en (lokaal) ijzerrijk is. Hydrologisch gezien zijn deze kwelinvloeden van groot belang, voor herstel van de hiervan afhankelijke graslandtypes zoals dotterbloemgraslanden. De aanwezigheid van deze kalkrijke kwel
6
Echter, het betreft een hypothese op basis van een momentopname, meerdere metingen zijn nodig om dit te bevestigen.
172
werd bevestigd door het aantreffen van kalktufbronnen (perceelsnummer 6), een habitattype van Bijlage 1 van de Habitatrichtlijn, in het zuidwesten van het studiegebied. Ook wat betreft de overige hydrochemische parameters lijkt het knelpunt van de waterkwaliteit zich hoofdzakelijk te situeren op het niveau van het aangevoerde en stagnerende oppervlaktewater vanuit de provinciale Rijt en niet op het niveau van de grondwaterkwaliteit. De bovenstaande hydrologische verschuiving die, voornamelijk de laatste 2 decennia, heeft plaatsgevonden in de Wellemeersen, leidde tot een sterke wijziging van de natuurwaarden. Centraal in het gebied is een grote zone aanwezig waar, eerst vooral in de winterperiode en momenteel jaarrond veel water blijft staan. De vegetaties zijn overgegaan van gespecialiseerde soortengemeenschappen naar soortengroepen die kenmerkend zijn voor hoge waterstanden en voedselrijke omstandigheden; ▪ ▪
Een groot aandeel vegetaties, voornamelijk broekbossen, gaan over in wilgenstruwelen, verlandings- of moerasvegetaties en open water. De waardevolle dotterbloemgraslanden gaan over naar ruigten en moerasvegetaties en kennen actueel nog slechts een fractie van hun oorspronkelijke oppervlakte. De afname van deze vaak bijzonder biodiverse graslanden gebeurt ten gunste van Grote zeggenvegetaties, door Pitrus gedomineerde graslanden en permanente graslanden.
De aanwezigheid van positieve aandachtssoorten en de hydrologische uitgangssituatie die, mits het herstellen van de historische drainage, nog intact is, benadrukken de potenties voor herstel van en/of verhogen van de natuurwaarden in het gebied.
4.2
Ecohydrologische dwarsprofielen
Op basis van de parameters beschreven in luik 1 en luik 2, wordt met behulp van 4 dwarsprofielen (Figuur 4-1) de samenhang tussen de bodemtypes, het grond- en oppervlaktewatersysteem en de vegetatie weergegeven voor de actuele toestand. Op basis van de dwarsprofielen ontstaat niet alleen een goed inzicht in de actuele ecohydrologische toestand, maar vooral ook in de ecologische ontwikkelingsmogelijkheden.
173
Figuur 4-1
Situering transecten en zonering
Om de dwarsprofielen overzichtelijk te bespreken werd het kerngebied ingedeeld in verschillende zones met analoge karakteristieken (op basis van de actuele toestand). Op mesoniveau spreken we in het kerngebied over een droog en vernat deel (zie Figuur 4-1). Op microniveau is een nog meer gedetailleerde zonering toegepast, ten behoeve van de bespreking van de vegetatie (zie Luik 1. Biotiek).
174
4.2.1
Dwarsprofiel 1
Transect 1 doorkruist de (provinciale) Rijtbeek alsook de Dender in het oosten, net buiten het studiegebied. In het studiegebied bestaat de ondergrond bijna volledig uit komgronden bestaande uit natte klei en vochtige zandleem in het oosten. Het westelijk deel van het transect kruist de aanzet naar de hoger gelegen oeverwal (steilrand) die bestaat uit zware zandleemgronden. Het grootste deel van het studiegebied ter hoogte van dwarsprofiel 1 kent (grond-)waterstanden die zelfs in de zomer op of boven het maaiveld zitten. De steilrand in het westen en de hogere zone langs de Dender zijn droger. De vroeger soortenrijke graslanden die voorkwamen centraal in dit transect, zijn door de hydrologische wijziging veranderd in moerasvegetaties (rietland en andere Phragmition-vegetaties ‘mr’, grote zeggenvegetatie ‘mc’) en moerasbos (elzenbroek ‘vm’, nitrofiel alluviaal elzenbos ‘vn’). Ten oosten van de Rijtbeek komt een grote plas eutroof water (‘ae-’) voor. Vanaf het vochtig grasland (‘hj’) gaat de vegetatie op het drogere gedeelte over naar soortenrijk permanent cultuurgrasland (‘hp*’). Deze zone kent, mede door de relictvegetaties van soortenrijke graslanden, een belangrijke potentie voor herstel van een brede range van graslandhabitats.
Transect 1 Lh/Mr (50) Lh/Mc (30) Vm (20)
Mc(30) Hr(30) Hr°(20) Vm(20)
Mr°(70) Hf(30)
Vr(40) Hp(20) Hr(20) Vn(20)
Mr°(40) Mc(30) Ae-(25) Vm(5)
Ae-
Hj
Hp*
kh
15
10
topo basis quartair 5
GHG GLG
GVG Perimeter bestek Perimeter kerngebied
0
Kwel -5
0
50
Droge zandleem
101 Nat zandleem
151 Natte klei
202
252 Vochtig zandleem
302
353
403
454
504
554
605
Antropogeen 175
20
3
4.2.2
Dwarsprofiel 2
Doorsnede 2 loopt dwars door het centraal gedeelte van het studiegebied waar sterke vernatting opgetreden heeft. De komgronden worden gekenmerkt door vochtige tot natte lemige, zandlemige en kleingronden. In de overgang naar de oeverwal (steilrand) zijn drogere zandleemgronden aanwezig, er is een belangrijke kwelintensiteit die potenties biedt voor de hiervan afhankelijke vegetaties. De volledige centrale zone van dit transect wordt gekenmerkt door aanwezigheid van eutroof open water (Ae), wilgenstruweel (Sf) en liesgrasvegetaties. Op de oeverwal (langs de spoorweg, aangeduid als antropogeen element) is een populierenaanplant aanwezig, een kleine zone wordt nog beheerd zoals het historische grasland dat hier vroeger aanwezig was. Het is deze zone waar graslandherstel in een beperkte zone op dit moment leidt tot massavegetaties van Bosorchis en waar belangrijke potenties voor graslandherstel aanwezig zijn. In de zone tussen het centrale sterk vernatte gebied en de Dender trad tevens een vernatting op, maar komen nog relicten voor van de historische graslanden, ook deze zone heeft belangrijke potenties voor de ontwikkeling en/of het herstel van graslanden.
Transect 2 Lsb
Hu(70) Hr(30)
1. Lsb 2. Va(50) Qa(50) 3. Vm 1
Sf(+)(75) Ae- (25)
Vm(90) Sf(10)
1. Mc(90) Sf(10) 2. Hc 3. Vn(50) Hfb(25) Hrb(25) 1
23
1. Lhb Hr 2. Hp* Hf- Hj
Lhb Hr
23
20
15
topo
10
basis quartair
GHG GLG
5
GVG Perimeter bestek Perimeter kerngebied
0
Kwel -5
0
50 Antropogeen
20
101
151
Natte klei
202
252
Droge zandleem
302
353
403
Vochtig zandleem
454 Natte leem
504
554
605
655
706
756
806
857
Nat zandleem
3
176
4.2.3
Dwarsprofiel 3
Doorsnede 3 is gelegen in het zuiden van het studiegebied, dat momenteel niet beïnvloed werd door de hydrologische wijziging die elders optrad. In deze zone van het studiegebied kan regenwater snel afgevoerd worden. De kwelintensiteiten ter hoogte van de overgang van de steilrand naar de komgrond in het centrale deel van dit transect zijn groot (aanwezigheid kalktufbronnen) en bieden potenties voor toekomstige ontwikkeling van kwelafhankelijke graslanden zoals Dotterbloemgraslanden. Actueel komen hier in hoofdzaak alluviaal elzen-essenbos (‘va’) en elzenbroek (‘vm’) voor. Op het hoger gelegen gedeelte in het westen komen populierenaanplant (‘lsb’) en zeer soortenarm, vaak tijdelijk grasland (‘hx’) voor. Het drogere gedeelte langs de Dender is actueel gekenmerkt door soortenarm permanent cultuurgrasland (‘hp’) en moerasspirearuigte (‘hf’).
Transect 3 Hx(90) Hp(10)
Lsb(80) Sz(20)
Va
Vm(60) Hfb(25) Mcb(15)
Va(86) Kalktu fbron( 14)
Vm(90) Ae(10)
Hfb(70) Mrb(30)
Hp(90) Hrb(10)
20
15
topo
10
basis quartair
GHG GLG
5
GVG Perimeter bestek Perimeter kerngebied
0
Kwel -5
0
50 Antropogeen
101 Droge zandleem
151
202 Vochtig zandleem
252
303
Nat zandleem
353
404
454
505
555
606
Natte klei
177
20
3
4.2.4
Dwarsprofiel 4
Doorsnede 4 doorkruist, grotendeels parallel aan de steilrand, het hele kerngebied van het noordwesten tot het zuidoosten over een lengte van ongeveer 2 km en snijdt tot slot in het zuidoosten de steilrand. Dit transect geeft een goed beeld van de actuele toestand in de komgronden, waarbij in het noordwestelijke deel de drogere soortenrijke graslanden voorkomen, die recent sterk vernat zijn (Grote zeggenvegetaties, Elzenbroekbos) en vroeger een veel grotere oppervlakte besloegen. De centrale natte zone neemt de grootste oppervlakte in en wordt gekenmerkt door een soortenarme zone met wilgenstruwelen, verlandings- of moerasvegetaties en open water. Zuidelijker verhoogt de kwelintensiteit opnieuw in de omgeving van de steilrand en doorkruist dit transect de zogenaamde ‘orchideënweide’, hier komen de meest waardevolle graslanden van het gebied voor met één van de laatste restanten Dotterbloemgrasland.
Transect 4
1. Hp* 2. Kb 3. Hp* Kb 4. Mc(80) Hj(20) 5. Vr(40) Hp(20) Hr(20) Vn(20) 6. Ae1
23 4 5 6
5
7. Mr°(40) Mc(30) Ae-(25) Vm(5) 8. Sf(+)(75) Ae-(25) 9. Vm(90) Sf(10) 10. Mc(90) Sf(10) 11. Hj(80) Ae-(20) 12. Va(70) Qa(30)
7
8
7 8 7
8
13. Lhb(90) Mc(10) 14. Hj Hp* Hc 15. Hfb(70) Mrb(30) 16. Hp(90) Hp*(10)
Rodestraat
7 9 10 6 11 1 12 13
14
15
16
20
15
10
topo
basis quartair GHG
5
GLG GVG Perimeter bestek
0
Perimeter kerngebied Kwel
Vochtige leem
20
Natte leem
Antropogeen
Vochtig zandleem
Droge zandleem
Natte klei
2.107
2.057
2.007
1.957
1.907
1.856
1.806
1.756
1.706
1.656
1.606
1.555
1.505
1.455
1.405
1.355
1.305
1.254
1.204
1.154
1.104
1.054
1.003
953
903
853
803
753
702
652
602
552
502
452
401
351
301
251
201
151
100
50
0
-5
Nat zandleem 178
4.3
Standplaatseisen
4.3.1
Referentiewaarden standplaatsfactoren van historische, actuele en gewenste toekomstige vegetatietypes
In dit onderdeel wordt een overzicht gegeven van de stand van kennis rond de standplaatseisen van de natuurdoeltypen die in dit gebied relevant zijn. De bedoeling is om een beeld te krijgen van de omstandigheden waarin de natuurdoeltypen kunnen voorkomen (en dit te vergelijken met de omstandigheden in het verleden en actueel). In een volgende paragraaf zal vervolgens bekeken worden welke knelpunten en potenties er zijn voor de realisatie van deze natuurdoeltypen.
4.3.1.1 Instandhoudingsdoelstellingen De Wellemeersen maken deel uit van de speciale beschermingszone ‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’. Deelgebied 24 ‘Wellemeersen, Kapellemeersen’ heeft een oppervlakte van 162,27 ha en is gedeeltelijk gelegen op de linkeroever van de Dender (Wellemeersen) en gedeeltelijk op de rechteroever (Kapellemeersen). Figuur 4-2 illustreert dat de grenzen van het studiegebied niet gelijk zijn aan deze van de SBZ. Ongeveer 95 ha van het studiegebied is aangeduid als Habitatrichtlijngebied (het betreft nagenoeg de volledige zone ten zuiden van de E40). Onderstaande tabel geeft een, indicatieve, oppervlaktebalans voor het volledige deelgebied 24. Tabel 4-1
Oppervlaktebalans deelgebied 24 SBZ ‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’
Onderdeel deelgebied 24
Oppervlakte (ha)
Studiegebied Wellemeersen (cfr. ecohydrologische studie)
± 95 ha
Kapellemeersen
± 57,5 ha
E40
± 1 ha
Dender
± 5 ha
Snippers linkeroever (buiten studiegebied Wellemeersen)
± 3,5 ha
Totaal
± 162 ha
179
Figuur 4-2
Habitatrichtlijngebied ‘‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’, deelgebied 24
De instandhoudingsdoelstellingen voor dit SBZ-gebied werden vastgesteld op 23 april 2014 in het ‘Besluit van de Vlaamse Regering tot aanwijzing van de speciale beschermingszone ‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’ en tot definitieve vaststelling van de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten. De voor deelgebied 24 in dit besluit vooropgestelde doelstellingen zijn de volgende;
180
Tabel 4-2
Instandhoudingsdoelstellingen deelgebied 24 SBZ ‘BE2300007 Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen’ Habitattype Open waterhabitats 3150 Graslandhabitats 6410, 6430, 6510 Boshabitats 9120, 9130, 91E0
Doeloppervlakte (ha) 1 17 1167
Bijkomende doelstelling is dat in het gebied een aaneengesloten grasland- en moeraskern van 30 ha8 voorzien wordt. Gezien de hoger vermelde doeloppervlakte van 17 ha graslandhabitats, betekent dit dat er minstens voor 13 ha regionaal belangrijke biotopen in de open sfeer (dotterbloemgrasland, grote zeggevegetatie, rietland, kamgrasland) tot doel gesteld wordt. Samengevat kunnen volgende natuurtypen in aanmerking komen als doeltypen voor het studiegebied; 1. Bossen ▪
Elzen-Olmen-Essenbos (Ulmo-Fraxinetum) (91E0_veb)
▪
Vochtige Elzen-Essenbossen (Circaeo-Alnion) (91E0_bron)
▪
Mesotroof Elzenbroekbos (Carici elongatae-Alnetum) (91E0_meso)
▪
Ruigte-Elzenbroek (Macrophorbio-alnetum) (91E0_eutr)
▪
Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) (9120)
▪
Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum (9130)
2. Graslanden ▪
Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem ( Molinion caruleae) (6410_ve)
▪
Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430_hf)
▪
Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) (6510_hu)
▪
Dotterbloemgraslanden (Calthion palustris) (rbb_hc)
7
Er wordt aangenomen dat 113 ha 91E0 en 3 ha 9130 voor deelgebied 24 als doel gesteld zijn.
8
De realisatie van een aantal grote grasland- en moeraskernen, die een leefbare populatie bevatten van de grotere oppervlaktebehoevende faunasoorten, is een belangrijk streefdoel om een goede staat van instandhouding te bereiken binnen dit SBZ voor deze habitats. Het combineren van inspanningen (kwaliteitsverbetering en uitbreiding) van een aantal habitattypes en regionaal belangrijke biotopen, moet resulteren in de globale doelstelling van 30 ha of meer moeras- en graslandcomplex.
181
▪
Moerasspirearuigten (Filipendulion) (rbb_hf)
3. Moerasvegetaties ▪
Grote zeggenvegetaties (Caricion gracilis) (rbb_mc)9
▪
Rietmoerassen (Phragmition) (rbb_mr)
4. Open water ▪
Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150)
5. Venen ▪
Kalktufbronnen (7120)
4.3.1.2 Standplaatskenmerken De doelstelling is nu om een stand van zaken rond de kennis van de standplaatscondities van de boven genoemde natuurtypen te geven, en zo mogelijk bruikbare referentiewaarden en grenswaarden voor verschillende hydrologische en hydrochemische kenmerken te verzamelen. Die waarden zijn van belang voor de inschatting van de knelpunten en potenties, alsook voor de inschatting van de haalbaarheid van de opgestelde natuurdoelstellingen. Er kan op basis hiervan, en in combinatie met de gegevens verzameld in de luiken 1 en 2, een zogenaamde distance to target bepaald worden. Standplaatsfactoren worden hier bedoeld als de kenmerken van het abiotische milieu die de erin levende gemeenschappen beïnvloeden. Onder de meest sturende standplaatsfactoren voor vegetatie vallen de bodem- en watertoestand van een gebied: het nutriëntengehalte, de zuurtegraad en bufferingscapaciteit van bodem en water, het waterpeil en de schommelingen ervan. In het kader van deze studie werden geen bodemchemische metingen uitgevoerd, zodat hier op waterkwantitatieve en -kwalitatieve gegevens wordt gefocust. Volgende bronnen werden gebruikt; ▪
T’jollyn, F., Bosch, H., Demolder, H., De Saeger, S., Leyssen, A., Thomaes, A., Wouters, J., Paelinckx, D. & Hoffmann, M. (2009). Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de NATURA 2000-habitattypen, versie 2.0. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2009 (46). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.
▪
Bobbink, R., Hart, M., van Kempen M., Smolders, F. en Roelofs, J. (2007). Grondwaterkwaliteitsaspecten bij vernatting van verdroogde natte natuurparels in NoordBrabant. B-WARE Reserach Centre BV, Nijmegen. 116 pages. Rapport nummer 2007.15 o
9
Abiotiekdatabestand B-WARE BV & De Becker et al. (2004)
Relevant voor doelsoort Zeggekorfslak
182
o
Ertsen, D., P. de Louw & J. Buma (2005) OGOR Natuur in Noord-Brabant. Hydrologische randvoorwaarden voor Brabantse natuudoeltypen. Provincie NoordBrabant, Den bosch.
▪
Callebaut J., De Bie E., De Becker P. & Huybrechts W. (2007). NICHE Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2007(3). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek: Brussel. 252 p.
▪
Herr C., De Bie E., Corluy J., De Becker P., Wouters J., Hens M. (2012). Analyse van de actuele milieudruk op de aanwezige habitattypen in de Vlaamse Habitatrichtlijngebieden. Grond- en oppervlaktewaterkwaliteit, atmosferische stikstofdepositie en grondwaterstanden. Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.R.2012.3. 154 p.
▪
Huybrechts W., De Becker P., Callebaut J. & De Bie E. (2009). Database Flanders Wetland Sites (FlaWet1.0) Manual. Intern Rapport INBO.IR.2009.1, Instituut voor Natuur & Bosonderzoek, Brussel.
▪
Herr C., De Becker P., Hens M. (2011). Ecohydrologisch en bodemkundig onderzoek i.f.v. herstelmaatregelen aan Achelse Kluis. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2011 (6). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.
Voor sulfaat in het grondwater is er geen dekkend overzicht voor de verschillende natuurdoeltypen. Als goede tot zeer goede kwaliteit kunnen waarden onder de 250 μmol/l (24 mg/l) worden beschouwd, tot 500 μmol/l (48 mg/l) als matige kwaliteit en waarden boven 500 μmol/l als (zeer) slechte kwaliteit. Vooral in nat systemen met veel organische stof dreigt dan interne eutrofiëring. 4.3.1.2.1 Referentiewaarden bossen In natte gebieden kunnen zich verschillende typen broekbossen ontwikkelen. Alle types komen voor op zware bodems, algemeen rijk aan alluviale afzettingen. Ze worden periodiek overstroomd door de jaarlijkse stijging van het waterniveau in rivier of moeras, maar bij laagwaterniveau worden ze goed gedraineerd en doorlucht. Tabel 4-3
Referentiewaarden voor Elzen-Olmen-Essenbos (Ulmo-Fraxinetum) (91E0_veb)
Referentiewaarden voor Elzen-Olmen-Essenbos (Ulmo-Fraxinetum) (91E0_veb)
Waterdynamiek GLG GVG GHG Dynamiek
Gem. 38 cm -mv 89 tot 14 cm -mv Gem. 15 cm -mv Gem. 9 cm -mv 42 tot 1 cm -mv Onder maaiveldniveau in de winterperiode, dieper zakkend in de zomerperiode
LSVI NICHE LSVI LSVI NICHE LSVI
Grondwater 1000 – 5570 µmol/l (61 – 340 mg/l) Gem. <1,625 mg/l Gem. <2,305 mg/l
LSVI B-ware
Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst HCO3 N-NO3 N-NH4
Herr et al. 2012 Herr et al. 2012
183
Referentiewaarden voor Elzen-Olmen-Essenbos (Ulmo-Fraxinetum) (91E0_veb) P-PO4 Gem. <0,278 mg/l Herr et al. 2012
Tabel 4-4
Referentiewaarden voor vochtige Elzen-Essenbossen (Circaeo-Alnion) (91E0_bron)
Referentiewaarden voor vochtige Elzen-Essenbossen (Circae-Alnion) (91E0_bron)
Waterdynamiek GLG GVG GHG Dynamiek
Gem. 15 cm -mv 7 cm +mv tot 51 cm -mv Gem. 5 cm -mv 12 cm +mv tot 10 cm -mv Gem. 5 cm +mv 12 cm +mv tot 0 cm mv Permanent uittredend bronwater
LSVI
Grondwater 1000 – 5570 µmol/l (61 – 340 mg/l) Gem. <1,625 mg/l Gem. <2,305 mg/l Gem. <0,278 mg/l
LSVI B-ware
LSVI LSVI LSVI
Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst HCO3 N-NO3 N-NH4 P-PO4
Tabel 4-5
Herr et al. 2012 Herr et al. 2012 Herr et al. 2012
Referentiewaarden voor mesotroof elzenbroekbos (Carici elongatae-Alnetum) (91E0_meso)
Referentiewaarden (91E0_meso)
voor
mesotroof
elzenbroekbos
(Carici
elongatae-Alnetum)
Waterdynamiek GLG GVG GHG Dynamiek
Overstroming
5 cm -mv tot 30 cm -mv 110 tot 29cm -mv 0 cm mv tot 9 cm -mv 11 cm +mv tot 2 cm +mv 46 tot -6 cm -mv (zandleem) Meestal maaiveldniveau in de winterperiode en onder maaiveld in de zomerperiode 20 tot 90% van het jaar
LSVI NICHE LSVI Flawet databank NICHE LSVI
Grondwater 5,8 tot 7,3 Gem. 101 mg/l Gem. 644 µS/m Gem. 3,1 mg/l Gem. 0,44 mg/l Gem. 1,1 mg/l
LSVI
Flawet databank
Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst pH HCO3 EC N-NO3 N-NH4 P-PO4
Flawet databank
184
Referentiewaarden (91E0_meso) SO4 Ca Fe
Tabel 4-6
voor
mesotroof
elzenbroekbos
(Carici
elongatae-Alnetum)
Gem. 135 mg/l Gem. 94 mg/l Gem. 14 mg/l
Referentiewaarden voor ruigte-Elzenbroek (Macrophorbio-alnetum) (91E0_eutr)
Referentiewaarden voor Ruigte-Elzenbroek (Macrophorbio-alnetum) (91E0_eutr)
Waterdynamiek GLG
GVG GHG
Dynamiek
Gem. 45cm -mv 5cm +mv tot 80cm -mv 124 tot -8cm -mv (zandleem) 81 tot 4cm -mv (lichte klei) Gem. 15cm -mv 10cm +mv tot 50cm -mv Gem. 20cm +mv 48cm +mv tot 27cm -mv 89 tot -47cm -mv (zandleem) 30 tot -19cm -mv (lichte klei) Onder maaiveld in zowel winter- als zomerperiode
LSVI
Grondwater 5,2 tot 7,4 1000 – 5570 µmol/l (61 – 340 mg/l) Gem. 234 mg/l Gem. 591 µS/m <1.070 mg/l <2.201 mg/l < 0,263 mg/l Gem. 99 mg/l Gem. 7 mg/l
LSVI Flawet databank B-ware
NICHE LSVI LSVI NICHE LSVI
Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst pH HCO3
EC N-NO3 N-NH4 P-O-PO4 Ca Fe
Flawet databank Flawet databank Herr et al. 2012 Herr et al. 2012 Herr et al. 2012 Flawet databank Flawet databank
De habitattypes 9120 en 9130 zijn weinig grondwaterafhankelijk. Het is bijgevolg ook niet mogelijk in de literatuur hydrologische en hydrochemische parameters terug te vinden. Voor wat betreft de grondwaterdynamiek is kenmerkend voor beide types dat het water diep wegzakt in de zomer en in de winter hoog kan staan door opstuwend water. 4.3.1.2.2 Referentiewaarden graslanden Onderstaand schema geeft een (vereenvoudigd) overzicht van het voorkomen van grasland (-en moeras) vegetaties, rekening houdend met de vochttoestand, voedselrijkdom, pH en het beheer. De rood aangeduide zone geeft aan in welke zone de natuurdoeltypes voor de Wellemeersen zich situeren.
185
Calluno-Genistion
Ericion
Figuur 4-3
Indeling graslanden volgens vochttoestand, voedselrijkdom, pH en beheer.
186
Tabel 4-7
Referentiewaarden voor grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caruleae) (6410_ve)
Referentiewaarden voor grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caruleae) (6410_ve)
Waterdynamiek GLG
GVG GHG
Overstroming
Gem. 56 cm -mv 7 cm +mv tot 117 cm -mv 40 cm -mv tot 80 cm -mv 42 tot 13 cm -mv Gem. 13 cm -mv 43 cm +mv tot 100 cm -mv Gem. 3 cm -mv 43 cm +mv tot 65 cm -mv 16 tot 2 cm -mv (zandleem) 16 tot -4cm -mv (lichte klei) Geen
Flawet databank
(Poikilotroof-)lithotroof, onder invloed van permanente kwel 5,4 30-370 µmol/l (1,83 – 22,6 mg/l) Gem. 3 mg/l Gem. 129 µS/m <1.300 mg/l Gem. 0,61 mg/l <0,220 mg/l Gem. 0,08 mg/l < 0,309 mg/l Gem. 0,03 mg/l Gem. 23 mg/l Gem. 6 mg/l 0-350 µmol/l (0-19,5 mg/l) Gem. 10 mg/l
LSVI
LSVI NICHE Flawet databank Flawet databank
NICHE LSVI
Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst pH HCO3
EC N-NO3 N-NH4 P-O-PO4 SO4 Ca Fe
Tabel 4-8
Flawet databank B-ware Flawet databank Flawet databank Herr et al. 2012 Flawet databank Herr et al. 2012 Flawet databank Herr et al. 2012 Flawet databank Flawet databank Flawet databank B-ware Flawet databank
Referentiewaarden voor voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430_hf)
Referentiewaarden voor voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430_hf)
Waterdynamiek GLG
GVG GHG
40 cm -mv tot 80 cm -mv 170 tot 21 cm -mv (zandleem) 172 tot 42 cm -mv (lichte klei) 10 cm +mv tot 40 cm -mv 45 cm +mv tot 7 cm -mv, bij lemige vochthoudende bodems
LSVI NICHE LSVI LSVI
187
Referentiewaarden voor voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430_hf) mag de grondwatertafel dieper wegzakken 80 tot -31 cm -mv (zandleem) 45 tot -31 cm -mv (lichte klei) NICHE Overstroming Periodiek (seizoenaal tot frequent) overstroomd met gebiedsvreemd water
Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst N-NO3 N-NH4 P-O-PO4
Tabel 4-9
Poikilo-, rheo- en lithotroof <0,920 mg/l <1,100 mg/l < 0,750 mg/l
Herr et al. 2012 Herr et al. 2012 Herr et al. 2012
Referentiewaarden voor laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) (6510_hu)
Referentiewaarden voor laaggelegen Sanguisorba officinalis) (6510_hu)
schraal
hooiland
(Alopecurus
pratensis,
Waterdynamiek GLG GVG GHG
Overstroming
>80 cm -mv 250 tot 50 cm -mv >70 cm -mv Gem. 8cm -mv 11 cm +mv tot 28 cm -mv 105 tot 25 cm -mv (zandleem) 85 tot 25 cm -mv (lichte klei) Niet tot occasioneel kortstondig overstroomd met gebiedsvreemd water
LSVI NICHE LSVI Flawet databank
Grondwater 6,3 tot 7,4 Gem. 241 mg/l Gem. 590 µS/m <1.004 mg/l Gem. 0,21 mg/l <0,323 mg/l Gem. 0,23 mg/l < 0,084 mg/l Gem. 0,05 mg/l Gem. 58 mg/l Gem. 88 mg/l Gem. 11 mg/l
LSVI Flawet databank Flawet databank Flawet databank Herr et al. 2012 Flawet databank Herr et al. 2012 Flawet databank Herr et al. 2012 Flawet databank Flawet databank Flawet databank Flawet databank
NICHE LSVI
Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst pH HCO3 EC N-NO3 N-NH4 P-O-PO4 SO4 Ca Fe
188
Tabel 4-10
Referentiewaarden voor dotterbloemgraslanden (Calthion palustris) (rbb_hc)
Referentiewaarden voor dotterbloemgraslanden (Calthion palustris) (rbb_hc)
Waterdynamiek GLG
GVG GHG
Overstroming
Gem. 50 cm -mv 19 cm +mv tot 117 cm -mv 123 tot 15 cm -mv (zandleem) 130 tot 18 cm -mv (lichte klei) Gem. 10 cm –mv 31 cm +mv tot 40 cm -mv Gem. 2 cm -mv 33 cm +mv tot 26 cm -mv 51 tot -16 cm -mv (zandleem) 25 tot -16 cm -mv (lichte klei) Periodieke kortstondige inundatie mogelijk
Flawet databank
Grondwater (of oppervlaktewater) Gem. 6,5 4,8 tot 7,5 600-4000 µmol/l (36,6 - 244 mg/l) Gem. 270 mg/l Gem. 545 µS/m Gem. 0,98 mg/l Gem. 0,55 mg/l Gem. 0,08 mg/l Gem. 48 mg/l Gem. 88 mg/l 500-1600 µmol/l (27,9-89,4 mg/l) Gem. 9 mg/l
B-ware
NICHE Flawet databank Flawet databank NICHE
Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst pH HCO3
EC N-NO3 N-NH4 P-PO4 SO4 Ca Fe
kalkrijk
B-ware Flawet databank B-ware Flawet databank Flawet databank Flawet databank Flawet databank Flawet databank Flawet databank Flawet databank B-ware Flawet databank
Bij stopzetten van het beheer voor dotterbloemgraslanden (1 tot 2 keer per jaar maaien), wordt een moerasspirearuigte (Filipendulion) (rbb_hf) bekomen. De standplaatskenmerken van een moerasspirearuigte zijn echter nagenoeg identiek aan deze voor dotterbloemgraslanden. De kensoorten van een moerasspirearuigte zijn echter minder kritisch ten opzichte van de kwaliteit (bron: Systematiek van natuurtypen voor Vlaanderen - 8. Ruigten en zomen). Tabel 4-11
Referentiewaarden voor moerasspirearuigte (Filipendulion) (rbb_hf)
Referentiewaarden voor moerasspirearuigte (Filipendulion) (rbb_hf)
Waterdynamiek GLG
GVG
Gem. 70 cm -mv 20 cm +mv tot 175 cm -mv 170 tot 21 cm -mv (zandleem) 172 tot 42 cm -mv (lichte klei) Gem. 29 cm -mv 34 cm +mv tot 97 cm -mv
Flawet databank NICHE Flawet databank
189
Referentiewaarden voor moerasspirearuigte (Filipendulion) (rbb_hf) GHG Gem. 16 cm -mv 35 cm +mv tot 73 cm -mv 80 tot -31 cm -mv (zandleem) 45 tot -31 cm -mv (lichte klei) Overstroming Periodieke inundatie tijdens de winter mogelijk
Flawet databank NICHE
Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst
Poikilo-lithotroof
pH
5 tot 7,5
EC N
5,4 tot 7,6 600-4000 µmol/l (36,6 - 244 mg/l) Gem. 225 mg/l Gem. 705 µS/m <2 mg/l
P
<0,1 mg/l
N-NO3 N-NH4 P-PO4 SO4 Ca Fe
Gem. 0,54 mg/l Gem. 0,42 mg/l Gem. 0,06 mg/l Gem. 102 mg/l Gem. 104 mg/l 500-1600 µmol/l (27,9-89,4 mg/l) Gem. 13 mg/l <50 mg/l
HCO3
Cl
Blokland & Kleijberg (1997) Blokland & Kleijberg (1997) Flawet databank Ertsen et al. 2005 Flawet databank Flawet databank Blokland & Kleijberg (1997) Blokland & Kleijberg (1997) Flawet databank Flawet databank Flawet databank Flawet databank Flawet databank Ertsen et al. 2005 Flawet databank
4.3.1.2.3 Referentiewaarden moerasvegetaties De Scherpe zegge- en Oeverzeggengemeenschappen zijn verlandingsgemeenschappen in meso- tot eutroof, zoet tot zwak brak stilstaand of traagstromend water, vooral op circumneutrale minerale grond, met name op leem of klei, maar ook op veen (Vandenbussche et al., 2002). De gemeenschappen zijn van oorsprong rivier- of beekbegeleidend, maar komen secundair ook in laagveengebieden voor. Tevens in kleiputten, in natte duinvalleien, lage kommen en langs sloten in veenweidegebieden komen geschikte standplaatsen voor. Wanneer zich langdurige en/of frequente overstromingen voordoen kunnen Dottergraslanden en Moerasspirearuigten evolueren naar Grote zeggenvegetaties. Tabel 4-12
Referentiewaarden voor grote zeggenvegetaties (Caricion gracilis) (rbb_mc)
Referentiewaarden voor grote zeggenvegetaties (Caricion gracilis) (rbb_mc)
Waterdynamiek GLG
GVG
Gem. 40 cm -mv 19 cm +mv tot 99 cm -mv 55 tot -3 cm -mv Gem. 4 cm -mv
Flawet databank NICHE Flawet databank
190
Referentiewaarden voor grote zeggenvegetaties (Caricion gracilis) (rbb_mc) 27 cm +mv tot 57 cm -mv Flawet databank GHG Gem. 3 cm +mv 32 cm +mv tot 45 cm -mv NICHE 14 tot -37 cm -mv Dynamiek Het maaiveld mag niet het volledige jaar onder water staan; de vegetatie moet op zijn minst periodiek droogvallen. Overstroming Periodieke inundatie mogelijk Vlaamse met voedselrijk water Natuurtypologie; moerassen
Waterherkomst en grondwaterchemie pH HCO3
EC N-NO3 N-NH4 P-PO4 SO4 Ca Fe
5,9 tot 7,2 10-7400 µmol/l (0,61-452 mg/l) Gem. 272 mg/l Gem. 867 µS/m Gem. 0,48 mg/l Gem. 0,26 mg/l Gem. 0,09 mg/l Gem. 61 mg/l Gem. 116 mg/l Gem. 15 mg/l
Flawet databank B-ware Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet
databank databank databank databank databank databank databank databank
Rietland (rbb_mr) omvat pioniergemeenschappen in zoet tot (zwak) brak, doorgaans stilstaand tot zwak stromend, zwak eutroof tot eutroof water (Vandenbussche et al., 2002). Op zeer eutrofe standplaatsen is de gemeenschap vaak sterk verarmd. De bodem is meestal mineraal of venig en bedekt met een weke sapropeliumlaag 10, waarvan de dikte afhankelijk is van de waterstand. Van zodra overstroming zo goed als beperkt is tot de winter verandert het substraat van een week, slibrijk sapropel in een venige bodem, al of niet sterk veraard, die wel nog bedekt is met een oppervlakkige sapropellaag. Het water is doorgaans niet meer dan 70 cm diep, waarbij Mattenbies-, Ruwe bies- en Kleine lisdoddevegetaties de diepste standplaatsen innemen (gewoonlijk waterdiepte van meer dan 50 cm), terwijl vegetatietypen gedomineerd door Riet, Rietgras en Grote lisdodde gewoonlijk op een waterdiepte van 10 tot 50 cm groeien. “Typische rietlanden” komen voor op standplaatsen die niet meer constant onder water staan tot standplaatsen die ‘s zomers droogvallen en tijdens het winterhalfjaar of in uitzonderlijke omstandigheden overspoeld worden (semi-terrestrische rietlanden).
10
Humus kan worden ingedeeld naar het ontstaansmilieu. vertraagde afbraakprocessen zijn veel plantenresten nog van zuurstofarme, stilstaande en voedselrijke (eutrofe) organismen en planten, sapropelium (te vergelijken met H2S en methaan ontstaan).
In het aquatische milieu onderscheidt men veen (door de sterk ter herkennen), gytta (een modderige humusvorm op de bodem tot voedselarme (oligotrofe) wateren, met (resten van) microgyttja, maar gevormd onder anaerobe omstandigheden, waarbij
191
Tabel 4-13
Referentiewaarden voor rietmoerassen (Phragmition) (rbb_mr)
Referentiewaarden voor rietmoerassen (Phragmition) (rbb_mr)
Waterdynamiek GLG
GVG GHG
Dynamiek
Overstroming
Gem. 18 cm -mv 3 cm +mv tot 9 7cm -mv 20 tot -10 cm -mv Gem. 4 cm –mv 26 cm +mv tot 13 cm -mv Gem. 10 cm +mv 37 cm +mv tot 9 cm -mv 10 tot -70 cm -mv Droogvallen tijdens de zomer en mogelijk tijdelijk boven maaiveld in de winter Mogelijk periodieke inundatie tijdens winterhalfjaar
Flawet databank NICHE Flawet databank Flawet databank NICHE
Waterherkomst en grondwaterchemie pH HCO3
6,4 tot 7,2 10-7400 µmol/l (0,61-452 mg/l) Gem. 384 mg/l Gem. 864 µS/m Gem. 1,16 mg/l Gem. 0,64 mg/l Gem. 0,04 mg/l Gem. 86 mg/l Gem. 136 mg/l Gem. 8 mg/l
EC N-NO3 N-NH4 P-PO4 SO4 Ca Fe
Flawet databank B-ware Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet Flawet
databank databank databank databank databank databank databank databank
4.3.1.2.4 Referentiewaarden open water Tabel 4-14
Referentiewaarden voor van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150)
Referentiewaarden voor van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150)
Waterdynamiek Regime
Peilschommelingen tijdens het vegetatieseizoen: permanent waterhoudend; stilstaand tot zwak stromend
LSVI
6,5 tot 8,5 < 2 mg/l < 105 µg/l < 200 mg/l
LSVI LSVI LSVI LSVI
Waterherkomst en grondwaterchemie pH N-NO3 P Cl
192
4.3.1.2.5 Venen In het zuidoosten van het studiegebied werden kalktufbronnen gekarteerd, zodat dit habitattype (niet opgenomen in de s-IHD) wel als natuurdoeltype beschouwd mag worden. Tabel 4-15
Referentiewaarden voor kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion) (7220)
Referentiewaarden voor Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion) (7220)
Waterdynamiek GLG GVG Overstroming
Gem. 0 cm mv 10 cm -mv tot 10 cm +mv Gem. 0 cm mv 10 cm -mv tot 10 cm +mv n.v.t.
LSVI LSVI
Waterherkomst en grondwaterchemie Waterherkomst HCO3 Ca
4.3.2
Lithotroof >110 mg/l >60 mg/l
LSVI LSVI
Ruimtelijke spreiding natuurdoeltypen op basis van GXG
Voorgaande referentiewaarden voor de GXG, maken een ruimtelijke analyse van de natuurdoeltypes mogelijk in zowel de actuele als de historische toestand. Er wordt hierbij gebruik gemaakt van de referentiewaarden vanuit het NICHE-model (GHG en GLG binnen de range voor de percentielen 25-75, om een voldoende nauwe range van de standplaatsgeschiktheid te bekomen). Tabel 4-16 specificeert de referentiewaarden binnen de percentielgrenzen. Er worden hier enkel waarden gegeven voor vegetatietypen die een 1:1 link kennen met de waarden die in NICHE worden aangewend. In bijlage 7 wordt een ruimere voorspelling gegeven (minimum-maximum range, ook voor 6410_ve, rbb_mc en rbb_mr met de daarbij best aanleunende vegetatietypes in NICHE). Daarnaast wordt in bijlage 7, ook de voorspelling binnen de range voor de percentiel 10-90 gegeven. Enkele opmerkingen bij het gebruik van deze waarden; ▪
De vegetatievoorspelling in Niche gebeurt op basis van de GHG en GLG
▪
De vegetatievoorspelling is in princpe afhankelijk van het bodemtype. Voor onderstaande tabel werden enkel de waarden voorkomend op veengrond uitgesloten. In bijlage 7, waarin ook de spreiding voor de maximale range wordt gegeven, wordt wel rekening gehouden met het specifieke bodemtype. Hier zullen de waarden op zandleem of klei voor sommige vegetatietypes verschillen.
▪
Type 91E0_bron is een bijzonder type en is niet met Niche te berekenen ‘Dit bostype zit dikwijls ingebed in drogere bostypen van het Eiken‐haagbeukenverbond (Carpinion) op hellingen en vormt punt‐ of lijnvormig elementen langs bronnen en bronbeekjes. Bij het gebruik van NICHE zijn deze detailgegevens vaak niet voorhanden en is dit type niet te berekenen.’ Zoals hoger aangegeven worden de types 6410_ve, rbb_mc en rbb_mr enkel bij de ruime voorspellingen in bijlage 7 weergegeven.
193
▪
De aquatische rietvegetaties komen voor in gebieden met constant hoge grondwaterstanden. Een deel van de rietvegetaties komt echter ook voor samen met de standplaatsgeschiktheid van de grote zeggenvegetaties.
Tabel 4-16
Referentiewaarden grondwaterstanden (uitgedrukt in cm onder maaiveld) voor de 25-75 percentielen Code 91E0_veb
GHG GLG p25 p75 p25 p75 (cm -mv) (cm -mv) (cm -mv) (cm -mv)
Vegetatietype Elzen-Olmen-Essenbos
18
0
57
18
91E0_meso Mesotroof Elzenbroekbos
15
-1
94
38
91E0_eutr
Ruigte-Elzenbroek
22
-17
65
18
6510_hu
Glanshaverhooilanden
90
56
177
123
rbb_hc
Dotterbloemgraslanden
7
-2
69
34
6430_hf
Moerasspirearuigten (N2000)
40
6
105
50
Onderstaand worden voor de actuele en de historische toestand voor alle vegetatietypen potentiekaarten voorgesteld die rekening houden met de referentiewaarden zoals gesteld in Tabel 4-16. Deze kaarten geven de locaties weer waarvoor cumulatief (groen) aan de voorwaarden voor GHG (blauw) en GLG (geel) voldaan is. Er dient benadrukt te worden dat dit indicatieve kaarten zijn, die als doelstelling hebben om de ruimtelijke potenties voor de verschillende natuurdoeltypen te vergelijken op basis van enkel de grondwaterstanden. De kaarten hebben niet als finaliteit om de gedetailleerde ruimtelijke contouren van de gewenste vegetatietypes weer te geven (daarvoor dient met diverse abiotische parameters, alsook het gevoerde beheer rekening gehouden te worden). Daarnaast worden uiteraard grondwaterafhankelijk zijn.
enkel
kaarten
gemaakt
voor
de
natuurdoeltypen
die
Hierna volgt een beknopte bespreking die de verschillen tussen de actuele en historische toestand verklaart. Algemeen zijn de verschillen in potenties uiteraard vooral te situeren in de zone waarin een wijziging van de grondwaterstand optreedt. Om deze reden zijn de potenties in het zuidoostelijk deel van het studiegebied en de zone ten noorden van de E40, nagenoeg gelijk op beide tijdstippen. ▪
Voor alle broekbostypes (91E0) is een sterke achteruitgang van de potenties opmerkelijk in de actuele ten opzichte van de historishe toestand. Zoals reeds duidelijk werd uit de standplaatseigenschappen, is een waterstand die jaarrond boven het maaiveld staat niet geschikt. De volledige centrale, vernatte, zone is hierdoor ongeschikt geworden. Op basis van de GXG zijn de potenties in de actuele toestand voor 91E0_eutr en 91E0_meso het grootst.
194
De spreiding voor de actuele toestand is in belangrijke mate te vergelijken met het effectieve voorkomen op terrein (Figuur 2-7). ▪
De veldrusgraslanden (6410_ve) kenden belangrijke potenties in de centrale komgrond bij de historische grondwaterstanden. In de actuele toestand zijn enkel restzones aan de randen van het studiegebied (buiten de vernatte zone) mogelijk (zie bijlage 7).
▪
De glanshavergraslanden (6510_hu) kennen een kleiner verschil in ruimtelijke spreiding tussen de historische en de actuele toestand, doordat de centrale zone ook in de historische toestand reeds te nat was. De zone parallel aan de Dender kent in de actuele toestand nog potenties.
▪
De potenties voor dotterbloemgraslanden (regionaal belangrijk biotoop) kende in de historische toestand belangrijke potenties in het centrale gebied. In de actuele toestand is deze zone te nat geworden.
▪
De potenties voor moerasspirearuigten (Natura2000) waren slechts beperkt groter in de historische toestand. Ook daar waren in het centrale gebied vroeger de grondwaterstanden reeds te hoog.
▪
Het studiegebied kent, op basis van de grondwaterstanden, zowel in de historische als in de actuele toestand belangrijke potenties voor grote zeggenvegetaties en rietvegetaties. In de actuele toestand is de centrale zone echter te nat voor dit vegetatietype (zie bijlage 7).
▪
De aquatische rietvegetaties tenslotten, kenden in de historische situatie belangrijke potenties op de nattere zones in de komgrond. In de actuele toestand is het centrale gedeelte geschikt door de constant hoge waterstanden (zie bijlage 7).
195
Figuur 4-4
Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range percentiel 25-75).
196
Figuur 4-5
Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range percentiel 25-75).
197
Figuur 4-6
Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range percentiel 25-75).
198
Figuur 4-7
Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range percentiel 25-75).
199
Figuur 4-8
Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG
200
Figuur 4-9
Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG
201
4.3.3
Knelpunten en potenties gewenste natuurdoeltypen
4.3.3.1 Algemene bevindingen: ▪
De waterstanden zijn jaarrond te hoog (stagenerend oppervlaktewater in het centrale gedeelte kende een enorme uitbreiding de laatste 2 decennia) om de gewenste natuurdoeltypen (in gradiënten van droog naar nat) te ontwikkelen. Er is als gevolg hiervan te weinig dynamiek en doorstroming. Alle vooropgestelde natuurdoeltypen (uitgezonderd 3150) vereisen in mindere of meerdere mate een grondwaterdynamiek; in het vegetatieseizoen moet een zekere bodemaëratie aanwezig zijn, dit is momenteel niet het geval. De hoge grondwaterstanden beperken bovendien de kweldruk in de komgronden, die essentieel is voor de ontwikkeling van bepaalde vegetatietypes zoals Dotterbloemgraslanden. De kwelintensiteiten op de rand van de oeverwal zijn weinig gewijzigd ten opzichte van de historische toestand en nog steeds voldoende hoog.
▪
De slechte waterkwaliteit (hoge nitraat- en fosfaatwaarden) van het instromend oppervlaktewater heeft, in combinatie met het stagneren van dit water, de toegenomen eutrofiëring van het gebied tot gevolg gehad (alsook de instroom van een aantal andere vervuilende parameters zoals Chloor). De sulfwaarden in het gebied waren historisch al hoog.
▪
De grondwaterkenmerken (diepe kwel) zijn goed gebleven (kalk- en lokaal ook ijzerrijk).
Voor de overige hydrochemische parameters worden de knelpunten en potenties per natuurdoeltype besproken. 1. Bossen ▪
▪
▪
Elzen-Olmen-Essenbos (Ulmo-Fraxinetum) (91E0_veb) o
De N-NO3 en P-PO4 waarden zijn beperkt gestegen, maar vallen voor het merendeel van de metingen binnen de amplitude van voorkomen. De N-NH4 waarden zijn gedaald en vallen tevens binnen de amplitude.
o
De HCO3-waarde is niet gewijzigd ten opzichte van de historische toestand en hoger dan de referentiewaarde.
Vochtige Elzen-Essenbossen (Circaeo-Alnion) (91E0_bron) o
Idem aan 91E0_veb.
o
Dit habitattype heeft permanent uittredend bronwater nodig, zodat alle zones waar een voldoende kwelintensiteit aanwezig is (actueel in zeker aan de steilrand, maar na herstel mogelijk ook in de komgronden) potenties hebben voor ontwikkeling van dit vegetatietype.
Mesotroof Elzenbroekbos (Carici elongatae-Alnetum) (91E0_meso) o
De pH binnen het studiegebied bevindt zich meestal binnen de amplitude van dit vegetatietype. De HCO3-, EC en Ca-waarden zijn opmerkelijk hoger.
202
▪
▪
o
De N-NO3-, P-PO4- en N-NH4-waarden zijn allemaal lager dan de gemiddelde waarden van de standplaatskenmerken.
o
De Fe-waarden in het grondwater zijn lokaal voldoende hoog (ijzerrijke kwel ter hoogte van de steilrand). Vooral de zuidoostelijke zone wordt gekenmerkt door ijzerrijk grondwater (en kwel), alsook de zone aan de steilrand in het westen van het studiegebied. In de komgrond zijn de Fe-waarden soms te laag voor ontwikkeling van dit vegetatietype.
Ruigte-Elzenbroek (Macrophorbio-alnetum) (91E0_eutr) o
Analoog aan voorgaande 91E0. De grondwaterstand dient echter onder het maaiveld te blijven, zowel in de winter als in de zomer.
o
De vereiste Fe-waarde voor dit type is volgens de literatuur lager dan 91E0_meso (zie hoger).
Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) (9120) o
▪
Potenties op de droogste standplaatsen binnen het studiegebied (zuidoostelijk deel).
Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum (9130) o
Potenties op de droogste standplaatsen binnen het studiegebied (zuidoostelijk deel).
2. Graslanden ▪
▪
Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem ( Molinion caruleae) (6410_ve) o
De HCO3 waarden zijn actueel (en historisch) te hoog voor ontwikkeling van dit type. Enkel ter hoogte van peilbuis 36 werden waarden gemeten die binnen de amplitude vallen. Op deze plaats komt momenteel een alluviaal Essen-Olmenbos voor.
o
De N-NO3-, P-PO4- en N-NH4-waarden zijn allemaal lager dan de gemiddelde waarden van de standplaatskenmerken.
o
De Fe-waarden vallen meestal binnen de grenswaarden, enkel de zuidoostelijke zone met ijzerrijke kwel kent (te) hoge waarden.
Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430_hf) o
▪
De N-NO3-, P-PO4- en N-NH4-waarden zijn allemaal lager dan de gemiddelde waarden van de standplaatskenmerken.
Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) (6510_hu) o
De N-NO3-, P-PO4- en N-NH4-waarden zijn allemaal lager dan de gemiddelde waarden van de standplaatskenmerken. 203
▪
▪
o
pH, SO4 en Fe-waarden liggen actueel voor dit habitattype binnen de (theoretische marges).
o
De bicarbonaat en Ca-waarden zijn over het hele gebied in principe eerder te hoog.
Dotterbloemgraslanden (Calthion palustris) (rbb_hc) o
De N-NO3-, P-PO4- en N-NH4-waarden zijn allemaal lager dan de gemiddelde waarden van de standplaatskenmerken.
o
Verspreid in het gebied komt voldoende ijzerrijke kwel voor, deze zone kennen belangrijke potenties voor de ontwikkeling van dit habitattype (actueel bevindt zich hier het enige relict van Dotterbloemgrasland in het zuidwestelijk deel van het gebied).
Moerasspirearuigten (Filipendulion) (rbb_hf) o
Idem aan dotterbloemgraslanden. Bij stopzetten van het beheer voor dotterbloemgraslanden (1 tot 2 keer per jaar maaien), wordt een moerasspirearuigte (Filipendulion) (rbb_hf) bekomen. De standplaatskenmerken van een moerasspirearuigte zijn echter nagenoeg identiek aan deze voor dotterbloemgraslanden. De kensoorten van een moerasspirearuigte zijn echter minder kritisch ten opzichte van de kwaliteit.
3. Moerasvegetaties ▪
▪
Grote zeggenvegetaties (Caricion gracilis) (rbb_mc) o
De N-NO3-, P-PO4- en N-NH4-waarden zijn allemaal lager dan de gemiddelde waarden van de standplaatskenmerken.
o
De gemeten hydrochemische parameters in het matig vernatte gedeelte van het gebied (zone die nog een beperkte dynamiek kent), situeren zich nagenoeg volledig binnen de range van de standplaatsgeschiktheid voor dit type. Een te eutrofe toestand zonder enige dynamiek en permanent stagenerend oppervlakte zal dit type doen verdwijnen.
Rietmoerassen (Phragmition) (rbb_mr) o
De N-NO3-, P-PO4- en N-NH4-waarden zijn allemaal lager dan de gemiddelde waarden van de standplaatskenmerken.
o
Ook dit vegetatietype komt voor in een relatief brede ecologische niche. Dit vegetatietype kende een sterke uitbreiding door de vernatting en daarmee gepaard gaande eutrofiëring van het gebied en actueel situeren de gemeten hydrochemische parameters voor deze natte zone zich dan ook grotendeels binnen de range van standplaatsgeschiktheid.
204
4. Open water ▪
Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150) Er werden geen metingen gedaan van de actueel aanwezige oppervlaktewaters die potentie hebben om te evolueren naar habitattype 3150.
5. Venen ▪
Kalktufbronnen Dit type komt actueel al in een goede staat van instandhouding voor op de steilrand in het zuidoostelijke deel van het studiegebied. Zowel de HCO 3 als de Ca-waarden zijn op deze locatie (en in het volledige studigebied) geschikt, zodat mag aangenomen worden dat de volledige steilrand met kwelintensiteiten potenties heeft voor dit habitattype.
4.3.3.2 Potenties en randvoorwaarden als input voor scenario’s 4.3.3.2.1 Potenties in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen Om te voldoen aan de instandhoudingsdoelstellingen, moeten de oppervlakten van de verschillende natuurdoeltypen zoals vooropgesteld in Tabel 4-2 worden gerealiseerd. In §4.3.1 wordt duidelijk dat vooral dat de (grond-)waterstanden in combinatie met een te eutrofe toestand limiterend zijn voor de realisatie van zowel een aantal soortenrijke graslandtypes, als bepaalde broekbostypes. De actuele hydrologische en hydrochemische situatie van stagenerend oppervlaktewater heeft vooral een uitbreiding van eutroof stagnerend water, rietvegetatie (met voornamelijk Liesgras) en wilgenstruweel bewerkstelligd. De hydrochemische toestand van het grondwater is echter voldoende goed om een herstel/ontwikkeling van soortenrijke graslanden, moerasvegetatie en elzenbroekbossen te bekomen. Voor het realiseren van een aaneengesloten grasland- en moeraskern van 30 ha (cfr. Tabel 4-2), zijn de potenties in de Wellemeersen (t.o.v. de Kapellemeersen) het grootst. Figuur 4-10 geeft, op basis van de historische en actuele vegetatie én op basis van de abiotische (hydrologische en hydrochemische) kenmerken van het gebied, de percelen met een belangrijke potentie voor ontwikkelen van een grasland- en moeraskern. Er wordt een oppervlakte van ruim 30 ha bereikt. De overige oppervlakte zal (zowel voor de Kapellemeersen) quasi volledig ingevuld moeten worden met elzenbroekbos (91E0).
205
Figuur 4-10
Potenties voor de realisatie van een aangesloten grasland- en moeraskern
4.3.3.2.2 Randvoorwaarden Volgende randvoorwaarden zijn relevant bij het ontwikkelen van de scenario’s (onafhankelijk van het ambitieniveau dat wordt nagestreefd), willen de instandhoudingsdoelstellingen gerealiseerd kunnen worden.
Hydrologisch Herstel van de oppervlaktewaterafvoer in het gebied moet leiden tot: ▪
Snellere afvoer van nutriëntenrijk en vervuild oppervlaktewater
▪
Herstel GXG met voldoende dynamiek en verbeterde doorstroming
▪
Herstel kwelintensiteit in de komgronden 206
Hydrochemisch ▪
Een verbeterde kwaliteit van het oppervlaktewater dat in het gebied stroomt is wenselijk, maar grotendeels afhankelijk van externe factoren
Duurzaamheid ▪
De inrichtingsmaatregelen moeten duurzaam zijn, in de zin dat de lokale terreinbeherende instantie (na éénmalige inrichting door VLM) moet kunnen instaan voor het onderhoud ervan
▪
Een gefaseerde inrichting wordt als een mogelijkheid beschouwd (bv. efficiëntie ruiming Rijt monitoren alvorens bijkomende drainage wordt voorzien)
Er wordt aangenomen dat volgende inrichtingsmaatregelen deel kunnen uitmaken van de te bestuderen scenario’s; ▪
Ruimen van de provinciale Rijt (+ zo nodig een oppervlakig grachtenstelsel voorzien)
▪
Voorzien toegankelijkheid (in functie van beheerbaarheid), vooral naar beheermaatregelen in functie van het garanderen van de afwatering (dienstweg langs de Rijt).
▪
Kappen van verboste open vegetaties in functie van habitatherstel (grasland- en moerascomplex)
▪
Inrichting begrazingsblokken voor extensieve begrazing
▪
…
207
5.
LUIK 4 – CONCEPTVISIE – ONTWIKKELINGSSCENARIO’S
5.1
Doelstelling
In dit luik worden 2 ontwikkelingsscenario’s, die voldoen aan de randvoorwaarden zoals geschetst in §4.3.3.2.2 in concept uitgewerkt. Het eerste scenario betreft een scenario met een laag ambitieniveau, waarbij enkel de provinciale Rijt onderhouden zal worden, het tweede scenario betreft een scenario met een maximale ontwatering. Na een inhoudelijke beschrijving van de scenario’s (§5.2), wordt hun effect op het studiegebied zowel naar abiotiek als biotiek besproken. Betreffende de abiotiek worden beide scenario’s met het grondwatermodel doorgerekend (§5.3), om de impact op de grondwaterstanden te kennen, mede als input voor de realisatie van de gewenste natuurdoeltypen (§4.3). Op basis van de abiotische kenmerken van de scenario’s, worden potentiekaarten opgemaakt (§5.4.1) en worden realistische wensbeelden van vegetatie voorgesteld (§5.4.2). Uitgangspunt hierbij is het ontwikkelen van en duurzaam instandhouden van de vooropgestelde natuurdoeltypen van de SBZ. Voor de beide scenario’s worden tot slot een overzicht van de noodzakelijke werkzaamheden (zowel eenmalige inrichting als beheer) gemaakt.
5.2
Beschrijving 2 ontwikkelingsscenario’s
5.2.1
Minimaal ambitieniveau - scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’
In het scenario van de onderhouden Provinciale Rijt (Figuur 5-1) worden de inspanningen voor het onderhoud van de waterlopen beperkt tot de waterlopen die op dit moment nog in goede staat zijn. Van de waterlopen die thans werden geïnventariseerd en als watervoerend worden beschouwd in de grondwatermodellering, wordt de bovenloop van de gemeentelijke Rijt als niet voldoende onderhouden beschouwd. De overblijvende waterlopen worden voldoende verbreed en onderhouden met het oog op een stuwpeil van 8.2 mTAW in het centrale deel van de Wellemeersen. De gemiddelde waterstand van de Dender ter hoogte van het de Wellemeersen bedraagt 7.8 mTAW. Gelet op de relatief lage afvoeren van de Provinciale Rijt wordt een opstuwing door middel van een (vispasseerbare) stuw noodzakelijk geacht. Bij de beschouwde afvoeren (enkele 10-tallen liters/s) en de vermoedelijke breedte van de overlaat naar de Dender (2 meter) is de overstortende laag te verwaarlozen. De opgestuwde waterstanden worden onafhankelijk beschouwd van de afvoeren en derhalve onafhankelijk van de seizoenen.
208
Figuur 5-1
5.2.2
Scenario “onderhouden provinciale Rijt”
Maximaal ambitieniveau - scenario ‘Maximale ontwatering’
In het scenario van de maximale ontwatering worden de huidige waterlooptracés behouden en uitgebreid met historische drainagegrachten. De uitbreiding met extra drainagegrachten situeert zich in hoofdzaak in het zuidelijk deel van het projectgebied én met aantakking op de gemeentelijke Rijt (rode lijnen in Figuur 5-9). Het streefpeil in het centrale deel van de Wellemeersen bedraagt 8.0 mTAW. Analoog aan bovenstaand scenario van de ‘onderhouden provinciale Rijt’ wordt een ruiming 209
en opstuwing nodig geacht waardoor geen seizoenale variatie van het waterpeilen in de drainagegrachten wordt beschouwd.
Figuur 5-2
5.2.3
Scenario “maximale ontwatering”
Hydrologische inrichtings- en onderhoudsmaatregelen scenario’s
Voor ieder scenario wordt een overzicht gegeven van de hydrologische maatregelen die deel uitmaken van dit scenario. Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt tussen éénmalige inrichtingsmaatregelen en terugkerende onderhoudsmaatregelen (Figuur 5-4 en Figuur 5-7). Deze bespreking vormt tevens 210
de basis voor de beoordeling van beide scenario’s naar duurzaamheid (haalbaarheid) van de scenario’s op vlak van (financiële) inspanningen en technische haalbaarheid. Het toetsen van de scenario’s aan de beoogde natuurdoeltypen gebeurt in §5.4, hier wordt ook kort ingegaan op het vereiste beheer van de scenario’s.
5.2.3.1 Minimaal ambitieniveau - scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’ 5.2.3.1.1 Inrichtingsmaatregelen 1.
Inrichten provinciale Rijt
Teneinde een regelmatig onderhoud van de provinciale Rijt mogelijk te maken, wordt een inrichting volgens onderstaand profiel voorgesteld. Een smalle (1 m) en ondiepe (0.50 m) beek krijgt de voorkeur om een iets hogere stroomsnelheid te creëren (en minder aanslibbing). Ecologische gezien biedt een zwakke oeverhelling meer mogelijkheden voor de ontwikkeling ecologische interessante overgangsgebieden. Gezien echter uit de analyse blijkt dat vooral ontbreken van (de mogelijkheid tot) het ruimen van de provinciale Rijt heeft geleid tot achteruitgang van de natuurwaarden in het valleigebied, wordt gekozen voor een 8/4 helling naastliggende dijk die jaarlijks onderhoud mogelijk moet maken.
van het een met
Er worden een plasberm op 8.30 mTAW en een naastliggende dijk op 8,7 mTAW aangelegd, om op die manier de grotere afvoeren te kunnen opvangen en zo het overstromen met vervuild oppervlaktewater in het natuurgebied tot een minimum te beperken. Aan minstens één zijde van de Rijt wordt de dijk breed uitgewerkt (5m) om onderhoud mogelijk te maken. Aan de andere zijde wordt in ieder geval ook een (mogelijk smallere) dijk op 8,7 mTAW voorzien om ook hier een overstroming met water van lage kwaliteit onmogelijk te maken. Gezien de waterbodem vervuild is, dient voorafgaandelijk aan de werken een bestemming voor het sediment gezocht te worden.
211
Figuur 5-3
Indicatief dwarsprofiel provinciale Rijt scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’
212
2.
Plaatsen vispasseerbare stuw
Ter hoogte van de monding van de provinciale Rijt in de Dender wordt een stuw geplaatst die het waterpeil op 8.2 mTAW regelt.
1] Inrichten provinciale Rijt 2] Plaatsen vispasseerbare stuw
213
Figuur 5-4
Inrichtingsmaatregelen scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’
Gezien de provinciale Rijt is aangeduid als een prioritaire waterloop voor vismigratie, dient een vispassage (V-vormige overlaat) voorzien te worden. Gezien de Dender op 7,8 mTAW staat, dient een passage met 4 trappen (10 cm) aangelegd te worden.
Figuur 5-5
Principeschets van een V-vormige overlaat (met verticaal slot) (bron: handboek vismigratie)
5.2.3.1.2 Onderhoudsmaatregelen 1.
Jaarlijkse beheer waterlopen
Om voldoende afvoer te verzekeren moeten de waterlopen en grachten in het studiegebied regelmatig onderhouden worden. Het beheer ervan kan ingedeeld worden in; ▪
Maaien en ruimen (regulier onderhoud)
▪
Herstel- en onderhoudswerken aan de oever
▪
Werken aan de waterloop
Er wordt hierna enkel kort ingegaan op het maaien en ruimen van de waterloop (de overige twee maatregelen zijn als ad hoc-maatregelen in functie van de noden). De mogelijke onderhoudsmaatregelen in functie van het maaien en ruimen van de provinciale Rijt en de overige drainagegrachten worden hierna beschouwd, met indicatie van de effecten voor de Wellemeersen, alsook enkele randvoorwaarden bij uitvoering. Er dient een concreet plan te worden opgemaakt om de hydrologische toestand in het gebied op systematische wijze te beheren.
214
Specifieke maatregel Oppervlakkig Het wegnemen en afvoeren van allerlei ruimen ongewenste materialen en voorwerpen zoals afval, vuil, grove plantenresten, takken, boomstukken,… Slibruimen Het wegnemen en afvoeren van het sediment op de bodem en de taldus van de open waterloopgedeelten, met inbegrip van allerlei ongewenste materialen en voorwerpen die zich in het sediment bevinden. Bij een grondige ruiming gebeurt tegelijkertijd een kruidruiming; de planten worden dan volledig verwijderd, inclusief wortels
Positief effect Wellemeersen ++ Versnelde afvoer
Frequentie 1 x per jaar
Randvoorwaarden -
++
Versnelde afvoer
Om de 2 jaar
▪ ▪
+
Afvoer waterbodem met slechte kwaliteit
-
Verstoring bodemleven
▪ ▪ ▪
▪
▪
Maaien van de talud- en/of oevervegetatie
11
Het inkorten van de talud- en/of oevervegetatie tot op een gelijkmatige hoogte. Tezelfdertijd worden ongewenste materialen en voorwerpen weggenomen en afgevoerd.
++
Beheer van oever/waterloopvegetatie is nodig om opstuwing te beperken
++
Versneld verwijderen van nutriënten uit het natuurgebied.
Maximaal 2 x per jaar
▪
Enkel de sliblaag mag geruimd worden. Aandacht voor nabestemming sediment (vervuilde waterbodem) – enkel sediment op de oevers deponeren indien dit voldoet aan de kwaliteitsvereisten Machinaal onderhoud gebeurt best zo laat mogelijk op het jaar11 Geen vismigratieknelpunten creëren Controlen sediment op vissen en andere fauna en overlevende exemplaren terug in het water brengen Gefaseerde werking geniet vanuit ecologisch oogpunt de voorkeur (indien voldoende afvoer verzekerd blijft) de werkrichting is best tegengesteld aan de stroomrichting, zo werkt men met een maximale helderheidsgraad in het water. De ruige, kruidige vegetatie van een ruige oeverzone blijft in stand door één keer per twee jaar, liefst gefaseerd, te maaien en het maaisel af te voeren. Door gefaseerd te maaien blijven delen van de ruigte beschikbaar voor overwinterende dieren die er voedsel en beschutting vinden. Als het
Als eenvoudige vuistregel geldt: beheer best tussen september en januari. De werken worden immers bij voorkeur uitgevoerd buiten het broed- en paaiseizoen. Algemeen geldt voor: ▪ vegetatie: beheer na bloei en voor zaadzetting = vóór 01/04 of na 01/09. ▪ zoogdieren: beheer vóór 01/04 of na 01/09. ▪ vogels: beheer buiten broedseizoen = vóór 15/03 of na 15/07. ▪ amfibieën: beheer na voortplantingsperiode en voor winterslaap = tussen 01/08 en 01/11. ▪ vissen: beheer na voortplantingsperiode en voor winterrust = tussen 01/09 en 01/12.
215
Specifieke maatregel
Maaien van de bodemvegetatie
Het maaien en wegnemen van de waterplanten.
Positief effect Wellemeersen Wegnemen waterplanten beperkt waterzuiverende functie
Idem aan oevervegetatie
maaien
Frequentie
Randvoorwaarden aandeel aan bloemplanten gering is en de ruigte ‘s zomers eentonig blijft met soorten als brandnetel en pitrus, is een hogere maaifrequentie aan te raden zodat na enkele jaren bloemplanten zich wel kunnen vestigen. ▪ De talud van de oever wordt maximaal 2 keer per jaar (en bij voorkeur manueel gemaaid (best zo laat mogelijk op het jaar, de eerste maaibeurt na 15 juni). Het maaien wordt gespreid in de tijd en ruimte, door een deel van de te maaien oppervlakte (10 à 20%) niet te maaien. Ieder jaar moet op dezelfde plaats op ongeveer hetzelfde tijdstip en met dezelfde frequentie gemaaid worden. Het maaisel dient afgevoerd te worden. ▪ Bij voorkeur manueel maaien (best zo laat mogelijk op het jaar)11, de meest gunstige maaiperiode is september-oktober ▪ Geen vismigratieknelpunten creëren ▪ Vegetatie gedeeltelijk laten staan ▪ Afwisselend linker- en rechterzijde waterloop maaien ▪ Afvoeren maaisel ▪ Controlen maaisel op vissen en andere fauna en overlevende exemplaren terug in het water brengen ▪ Gefaseerde werking geniet vanuit ecologisch oogpunt de voorkeur (indien voldoende afvoer verzekerd blijft) ▪ de werkrichting is best tegengesteld aan de stroomrichting, zo werkt men met een maximale helderheidsgraad in het water.
216
5.2.3.2 Maximaal ambitieniveau - scenario ‘Maximale ontwatering’ 5.2.3.2.1 Inrichtingsmaatregelen 1. Inrichten provinciale Rijt Analoog met §5.2.3.1.1 wordt de provinciale Rijt verbreed ingericht met plasberm en dijken.
217
Figuur 5-6
Indicatief dwarsprofiel provinciale Rijt scenario ‘Maximale ontwatering’
218
2. Plaatsen stuw Ter hoogte van de monding van de provinciale Rijt in de Dender wordt een stuw geplaatst die het waterpeil op 8.0 mTAW regelt. Voor wat betreft de vispasseerbare stuw, dient een passage met 2 trappen (10 cm) aangelegd te worden om het verschil tussen het stuwpeil van 8.00 mTAW en het niveau van de Dender te overbruggen. 3. Aanleggen historisch grachtenstelsel Dit scenario gaat uit van een maximale ontwatering, zodat een nieuw grachtenstelsel wordt aangelegd. De uitbreiding met extra drainagegrachten situeert zich in hoofdzaak in het zuidelijk deel van het projectgebied én met aantakking op de gemeentelijke Rijt (rode lijnen in Figuur 5-9). De ligging van de grachten is gebaseerd op oude kaarten en terreinkennis. Het doel van de grachten is ervoor te zorgen dat regen- en oppervlaktewater sneller worden afgevoerd, opdat de kwelinvloed in dit centrale gebied groter zou kunnen zijn. Indien de bodemkwaliteit dit toelaat kan overwogen worden de uitgegraven grond langs de drainagegracht te leggen om zo een beperkte toegang voor onderhoud te voorzien.
219
1] Inrichten provinciale Rijt 2] Plaatsen vispasseerbare stuw 3] Aanleggen historisch grachtenstelsel
Figuur 5-7
Inrichtingsmaatregelen scenario ‘Maximale ontwatering’
220
5.2.3.2.2 Onderhoudsmaatregelen Zie §5.2.3.1.2.
5.3
Grondwatermodellering 2 ontwikkelingsscenario’s
5.3.1
Minimaal ambitieniveau - scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’
Het vooropgestelde stuwpeil is lager dan het maaiveld in het centrale deel van de Wellemeersen (8.38.4 mTAW). Er wordt vlotte oppervlakkige ontwatering aangenomen. Model-technisch verschilt het scenario ‘onderhouden provinciale Rijt’ t.o.v. de historische toestand 1993/2004 in het verwijderen van de bovenloop van de Gemeentelijke Rijt (rode lijn in Figuur 5-8). Er wordt een vaste waterstand van 8.2 mTAW opgelegd in de waterlopen in het centrale deel van de Wellemeersen, in tegenstelling tot 7.9-8.0-8.1 mTAW in de historische toestand (cf. Figuur 3-66).
Figuur 5-8
Rivierrandvoorwaarden scenario “onderhouden provinciale Rijt”
De berekende grondwaterstanden in het modeldomein van het scenario van de onderhouden provinciale Rijt worden weergeven onder de vorm van gemiddelde grondwaterstanden voor de jaargemiddelde grondwatervoeding (Figuur 5-11), winterse grondwatervoeding (Figuur 5-12) en de situatie tijdens de zomermaanden (Figuur 5-10), de grondwaterdynamiek (winterse – zomerse grondwaterstanden) in Figuur 5-13 en de kwelfluxen (Figuur 5-14). In Figuur 5-15 wordt het verschil in grondwaterstand weergegeven tussen de het scenario van de provinciale onderhouden Rijt en de huidige situatie 2014 en dit voor de verschillende toestanden van de grondwatervoeding. De berekende grondwaterstanden in het scenario zijn vergelijkbaar met de historische situatie 19932004. Met uitzondering van de opgelegde oppervlaktewaterpeilen en het verkorten van de gemeentelijke Rijt zijn de scenario’s vergelijkbaar: ▪
Grondwaterstanden tijdens de zomer tot maaiveld langs het talud en dalend tot 70 cm-mv naar het noordoosten richting Dender.
221
▪
Grondwaterstanden tijdens de winter tot 10 cm boven maaiveld
▪
Een grondwaterdynamiek van 0 m langs de stijlrand tot 80 cm naar het noordoosten tegen de Dender.
▪
De kwelintensiteit van 2e naar bovenste watervoerende laag verschil slechts beperkt (minder dan 0.2 mm/dag) met de overige toestanden.
Daar de grondwaterstanden slechts beperkt verschillen van de historische toestand wordt de impact van het scenario bij voorkeur weergegeven t.o.v. de huidige toestand (Figuur 5-15). Hier wordt de wijziging van de hydrografie duidelijk zichtbaar wanneer de verschilkaart Figuur 5-15 wordt vergeleken met Figuur 3-82. Daar waar in de historische toestand, bij een jaargemiddelde voeding (Figuur 3-82), de drainage van de gemeentelijke Rijt nog duidelijk zichtbaar is rond de as van de waterloop, worden geen waterstandsdalingen gemodelleerd t.o.v. dan huidige toestand met het voorgestelde scenario. De opgelegde waterstanden in het scenario (8.2 mTAW) benaderen de jaargemiddelde grondwaterstanden.
5.3.2
Maximaal ambitieniveau - scenario ‘Maximale ontwatering’
In het scenario van de maximale ontwatering worden de huidige waterlooptracés behouden en uitgebreid met historische drainagegrachten. De uitbreiding met extra drainagegrachten situeert zich in hoofdzaak in het zuidelijk deel van het projectgebied én met aantakking op de gemeentelijke Rijt (rode lijnen in Figuur 5-9). Het streefpeil in het centrale deel van de Wellemeersen bedraagt 8.0 mTAW. Analoog aan bovenstaand scenario van de ‘onderhouden provinciale Rijt’ wordt een ruiming en opstuwing nodig geacht waardoor geen seizoenale variatie van het waterpeilen in de drainagegrachten wordt beschouwd.
222
Figuur 5-9
Uitbreiding bestaand drainagenetwerk i.k.v. scenario “maximale ontwatering”
De berekende grondwaterstanden in het modeldomein van het scenario van de maximale ontwatering worden weergeven onder de vorm van gemiddelde grondwaterstanden voor de jaargemiddelde grondwatervoeding (Figuur 5-11), winterse grondwatervoeding (Figuur 5-12) en de situatie tijdens de zomermaanden (Figuur 5-10), de grondwaterdynamiek (winterse – zomerse grondwaterstanden) in Figuur 5-13 en de kwelfluxen (Figuur 5-14). Resultaten van dit scenario worden daarnaast voorgesteld aan de hand van de verschilkaarten, respectievelijk met de huidige toestand (Figuur 5-16) en met het scenario van de Provinciale Rijt in Figuur 5-17. Als gevolg van de uitbreiding van de drainagegrachten breidt de zone met een significante grondwaterstandsdaling t.o.v. de huidige toestand zich verder uit naar de talud. Tijdens de zomermaanden is er in het centrale deel een zeer beperkt verschil tussen de historische situatie, het scenario van de onderhouden provinciale Rijt en de maximale ontwatering. De grondwaterstanden tijdens de zomer liggen er onder het drainagepeil van de grachten, hierdoor hebben deze geen impact op de grondwaterstand. Ter hoogte van het talud worden grondwaterstanden tot maaiveld berekend tijdens de zomer. De aanleg van drainagegrachten heeft hier weldegelijk een invloed (zij het beperkt tot 10-20 cm) Tijdens de wintermaanden worden grondwaterstanden berekend tot maaiveld. De hoge grondwatervoeding wordt in hoofdzaak afgevoerd via het oppervlak en in mindere mate door kwel naar het drainagestelsel. Hierdoor heeft het aanleggen van extra grachten slechts een beperkte invloed. Jaargemiddeld worden grondwaterstanden berekend tot net onder het maaiveld. Overschot aan grondwater wordt hier weldegelijk afgevoerd door kwel naar de drainagegrachten. Het aanleggen van
223
de grachten, en het dichte netwerk van drainagegrachten in het centrale deel heeft een verlaging van de grondwaterstanden tot gevolg van 10 cm dan t.o.v. het scenario van de onderhouden provinciale Rijt.
5.3.3
Resultaten grondwatermodellering
224
Figuur 5-10
Grondwaterdiepte zomer (GLG)
225
Figuur 5-11
Jaargemiddelde grondwaterdiepte situatie (GVG)
226
Figuur 5-12
Grondwaterdiepte winter (GHG)
227
Figuur 5-13
Grondwaterdynamiek winter – zomer situatie
228
Figuur 5-14
Kwelflux [mm/dag] jaargemiddelde grondwatervoeding 229
5.3.3.1 Verschilkaarten scenario onderhouden provinciale Rijt versus huidige situatie 2014
Figuur 5-15
Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’ – t.o.v. ‘Huidige situatie’
230
5.3.3.2 Verschilkaarten scenario maximale ontwatering t.o.v. huidige situatie 2014
Figuur 5-16
Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, scenario ‘Maximale ontwatering’ – t.o.v. ‘Huidige situatie’
231
5.3.3.3 Verschilkaarten scenario maximale ontwatering t.o.v. onderhouden provinciale Rijt
Figuur 5-17
Daling grondwaterstand (m) jaargemiddeld, zomer en wintertoestand, scenario ‘Maximale ontwatering’ t.o.v. scenario ‘Onderhouden provinciale Rijt’
232
5.4
Toetsen ontwikkelingsscenario’s aan beoogde natuurdoeltypen
5.4.1
Ruimtelijke spreiding natuurdoeltypen op basis van GXG Analoog aan §4.3.2, volgens de referentiewaarden zoals weergegeven in Tabel 4-16, worden de potenties voor de natuurdoeltypen op basis van de zomer- en wintergrondwaterstanden voorspeld. Deze oefening geeft reeds een eerste indicatie van de biotische ontwikkelingsmogelijkheden binnen het studiegebied (ten opzichte van de huidige en de historische toestand). Hierna volgt een beknopte bespreking die enerzijds de verschillen tussen de 2 scenario’s verklaart, maar indien relevant ook toets aan de actuele en historische toestand (zie §4.3.2). ▪
▪
Broekbossen o
De broekbostypes 91E0_meso en 91E0_eutr kennen in beide scenario’s een belangrijke toename van de ruimtelijke potenties, die te vergelijken is met deze in de historische toestand.
o
De potenties voor 91E0_veb blijven beperkt, gezien de bandbreedte voor de grondwaterstanden van dit vegetatietype.
beperkte
Grasland- en moerasvegetaties o
De veldrusgraslanden (6410_ve) kennen belangrijke potenties in de centrale komgrond bij beide scenario’s, naar analogie met de historische situatie (zie bijlage 7).
o
De glanshavergraslanden (6510_hu) kwamen historisch al niet voor in het centrale gedeelte, gezien de te hoge grondwaterstanden. De hydrologische scenario’s hebben weinig impact op de ruimtelijke spreiding van dit type.
o
De dotterbloemgraslanden (rbb_hc) kennen grote potenties in beide scenario’s.
o
De potenties voor moerasspirearuigten (6430_hf) zijn beperkt, gezien de nauwe range die het Natura2000-waardig habitattype eist. Voor het regionaal belangrijke biotoop zijn de potenties hoger en te vergelijken met deze voor rbb_hc (andere beheervorm).
o
De potenties voor de grote zeggenvegetaties (rbb_mc) zijn te vergelijken in beide ontwikkelingsscenario’s (zie bijlage 7).
o
De rietvegetaties (rbb_mr) tenslotte, hebben belangrijke potenties in beide scenario’s. De potenties zijn echter het grootst in scenario 1 ‘Ontwatering provinciale Rijt’, doordat een beperktere ontwatering van het centrale gebied (zodat hogere grondwaterstanden aanwezig zijn) optreedt (zie bijlage 7). Er treedt echter in beide scenario’s een areaalinkrimping op ten opzichte van de huidige toestand. De potenties liggen aan de rand van het gebied en zijn niet langer volledig gebiedsdekkend voor het centrale gebied van de Wellemeersen.
233
234
Figuur 5-18
Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range percentiel 25-75).
235
Figuur 5-19
Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range percentiel 25-75).
236
Figuur 5-20
Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range percentiel 25-75).
237
Figuur 5-21
Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range percentiel 25-75).
238
Figuur 5-22
Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG (range percentiel 25-75).
239
Figuur 5-23
5.4.2
Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG (range percentiel 25-75).
Mogelijke vegetatietypering Op basis van de input uit de vorige luiken en de vorige paragraaf, geeft onderstaande kaart een mogelijke inrichting van het gebied weer. De verschillen tussen de 2 scenario’s zijn niet in die mate doorslaggevend dat ze aanleiding geven tot een verschillend vegetatiebeeld. Het zal veelal een lokale verschuiving binnen de voorkomende types van 91E0 in het centrale gebied betekenen, naargelang het een iets nattere (scenario 1) of drogere (scenario 2) situatie betreft. Figuur 5-24, Figuur 5-25 en Figuur 5-26 geven een mogelijke ontwikkeling weer (respectievelijk volgens indeling Natura2000, BWK typering en plantengemeenschappen). De oppervlaktes van de verschillende types binnen dit voorstel worden weergegeven in Tabel 5-1. Op iedere kaart worden daarnaast als overlay de contouren van de actuele kartering (kerngebied) en de meest recente BWK (buiten kerngebied) weergegeven. De verschillende habitattypes werden geclusterd volgens hun gesloten/open karakter (Figuur 5-27) en standplaatsgeschiktheid, dit om een overzichtelijke en voldoende flexibele visie te presenteren. Binnen de cluster is, afhankelijk van het gevoerde beheer en overige omgevingsparameters, de realisatie van de verschillende types mogelijk. Tabel 5-1
Oppervlakten vegetatietypen na hydrologische inrichting Type Boshabitat 91E0 9120, 9130 Open habitat 6410_ve, 6430_hf, rbb_hc, rbb_mc, rbb_hf 6120, 6510_hu, rbb_kam rbb_mc, rbb_mr Open water 3150 Totaal
Opp. (ha) 60,30 37,09 23,21 44,48 19,16 19,73 5,60 6,85 6,85 111,64
Een vergelijking van deze oppervlakten met de vooropgestelde doelen vanuit de IHD (Tabel 4-2), geeft aan dat het aandeel open habitat (graslandhabitats en overige habitats in de open sfeer) ruimschoots voldoet aan de vooropgestelde 30 ha (waarvan 13 ha Europese habitattypes en 17 ha regionaal belangrijke biotopen). De bosdoelstelling van 116 ha wordt slechts gedeeltelijk ingevuld, wat betekent dat de overige oppervlakte in de Kapellemeersen zal moeten ingericht worden. Dit komt erop neer dat het volledige gebied van de Kapellemeersen als boshabitat wordt ingericht. Zoals aangehaald zal deze globale balans niet of slecht minimaal beïnvloed worden door de keuze voor een bepaald scenario. Er dient benadrukt te worden dat het een visie betreft die als vertrekbasis voor de concrete inrichting van het gebied dient en uitgaat van een optimale ecologische inrichting. Indien nodig voor het behalen van de IHD, kunnen grotere oppervlakten bebost worden aan de zijde van de Wellemeersen, waarbij een aantal van de open types gerealiseerd worden door
240
‘open plekken in het bos’ te creëren, om als nog de potenties voor de gras- en moeraslandtypes maximaal te realiseren.
Figuur 5-24
Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (Natura 2000) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied)
241
Figuur 5-25
Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (BWK typering) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied)
242
Figuur 5-26
Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (plantengemeenschappen) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied)
243
Figuur 5-27
Mogelijke ontwikkeling vegetatietypes (indeling boshabitats, moeras- en graslandhabitats en open water) na hydrologisch herstel (met aanduiding BWK 2014 in zwart binnen het kerngebied en BWK2 in rood buiten het kerngebied)
244
5.5
Overzicht maatregelen In deze paragraaf wordt per scenario besproken welke maatregelen nodig zijn, welke de fasering is (indien relevant, afhankelijk van de prioriteit). Gezien de kostprijs van de werkzaamheden locatiespecifiek (nat terrein) is, wordt geen financiële raming toegevoegd, maar worden de maatregelen enkel begroot in aantal, oppervlakte, lengte,… om bij een concrete realisatie een financiële raming toe te laten met specifieke eenheidsprijzen. Hierna wordt een overzicht gegeven van de maatregelen, met een inschatting van de maatregelen naar grootte-orde. Niet voor alle acties zijn extra financiële middelen noodzakelijk. Sommige acties kunnen (mede) gerealiseerd worden door het verleggen van de focus bij de overheid en/of de terreinbeherende vereniging. Maatregelen waarvoor een relevante financiële inspanning geleverd zal moeten worden, situeren zich hoofdzakelijk in één van de 3 domeinen; ▪ ▪ ▪
Inrichtingsmaatregelen (zowel hydrologische inrichting als overige maatregelen noodzakelijk voor realisatie van de natuurdoeltypen); Instandhoudingsmaatregelen (zowel van het hydrologische wensbeeld als van de natuurdoeltypen); Verbeteren van de milieukwaliteitskenmerken.
In de volgende paragrafen wordt een gedetailleerd overzicht gemaakt van de relevante kostenposten per scenario. Verbeteren van de milieukwaliteitskenmerken (zoals bijvoorbeeld het verminderen van de vuilvracht op de provinciale Rijt) van het gebied is gerelateerd aan externe inspanningen en wordt niet meegenomen.
5.5.1
Nodige inrichtingsmaatregelen
5.5.1.1 Kostenposten hydrologische maatregelen Onderstaande tabel geeft een overzicht van de hydrologische inrichtingsmaatregelen die relevant zijn voor de herinrichting van de Wellemeersen. Tabel 5-2
Relevante kostenposten voor hydrologische inrichting van het gebied Lijst maatregelen Kappen van opslag Ontstronken Maaien Herprofileren wateren (ruimen, uitgraven en profileren oevers) Uitgraven van greppels Plaatsen vispasseerbare stuw12
12
Plaatsen van een stuw wordt in het model geraamd op 8.000 €/stuk. Er werd in de stuurgroep geoordeeld dat deze prijs te hoog is.
245
Daarnaast dienen uiteraard ook studiekosten (eventueel vergunningentraject), kosten voor werfinrichting, kosten voor mogelijke maatregelen in functie van de toegankelijkheid van het gebied (knuppelpaden, banken, overige infrastructuur, afsluitingen,…) bij concrete uitvoering begroot te worden.
5.5.1.2 Kostenposten omvormen vegetatietypes Onderstaande tabel geeft aan welke omvormingen nodig zijn om te komen tot de natuurvisie. ▪
Een arcering in groen geeft aan dat het vegetatietype al behoort tot de juiste landschapsecologische eenheid (bos, grasland- en moerashabitat of open water), een kwaliteitsverbetering en/of wijziging van het beheer is mogelijk nodig om de gewenste natuurdoeltypen te bereiken. Deze zones dienen in eerste instantie niet heringericht te worden, zodat er ook geen inrichtingskosten aan verbonden zijn.
▪
Een arcering in rood geeft aan dat het vegetatietype moet omgevormd worden. De kosten hieraan verbonden behoren tot de inrichting van het gebied.
Er wordt nogmaals benadrukt dat het hier om een indicatieve oefening gaat die, in functie van de verfijning van de visie, nog kan wijzigen. Tabel 5-3
Om te vormen oppervlakten om te komen tot de natuurdoeltypen
Actueel habitattype (ha) Grasland- en Boshabitat moerashabitat Open water 6,85 28,73 3,83 3,93 10,02 12,83 0,36 5,07 14,58 0,04 1,58 2,77
14,61 2,20
Natuurdoeltype (ha) 3150 91E0 9120, 9130 6120, 6510_hu, rbb_kam 6410_ve, 6430_hf, rbb_hc, 2,96 rbb_hf 0,63 rbb_mc, rbb_mr
Per type omvorming worden hierna de eenheidskosten besproken (indicatief). Daarnaast is er een belangrijke oppervlakte (ongeveer 7 ha) aan stagnerend water actueel aanwezig in het gebied. Na hydrologische herinrichting van het gebied zal deze zone deels bebost worden, deels een open gras- en moeraslandkarakter krijgen. ▪
Voor het omvormen van deze zones naar broekbos, wordt uitgegaan van een spontaan proces zodat geen kosten in rekening gebracht moeten worden.
▪
Voor het omvormen van deze zones naar gras- en moerasland, wordt aangenomen dat enkel maaien (van rietmoeras, natte ruigten en grote zeggenvegetaties) nodig zal zijn om een goede uitgangssituatie te creëren, waarna onderhoudsbeheer mogelijk is.
Tot slot zijn er nog enkele poelen, veedrinkplaatsen,… In de visie (Figuur 5-24) werden deze ingedeeld bij het betreffende vegetatietype. Enkel het open water met potentie voor het type 3150 werd op de kaart aangeduid. Afhankelijk van de wensen van de inrichters en beheerders kan ervoor gekozen worden deze waterrijke plaatsen te behouden dan wel te
246
verlanden en in te richten als bos- of graslandhabitat. Deze worden dan ook niet meegenomen in het overzicht van de kostenposten.
5.5.2
Overzicht kostenposten per scenario De tabellen geven een overzicht van de kostenposten voor beide scenario’s.
247
Tabel 5-4
Indicatieve raming scenario 1 ‘Ontwateren provinciale Rijt’
Type maatregel
Hoeveelheid
Eenheid Opmerkingen
Kappen van opslag voor inrichting provinciale Reyt
0,58
ha
Lengte is 1159,30m - nieuw profiel heeft een breedte van 11 m, waarvan ongeveer 5 m² per lopende meter te kappen opslag
Maaien voor inrichting provinciale Reyt
0,58
ha
Lengte is 1159,30m - nieuw profiel heeft een breedte van 11 m, waarvan ongeveer 5 m² per lopende meter te maaien
Herprofileren provinciale Reyt (ruimen, uitgraven en profileren oevers)
1680,99
m³
Lengte is 1159,30m - uit te baggeren volume per lopende m is 1,45m³
Herprofileren historisch grachtenstelsel
2511,99
m³
Lengte is 5023,98m - uit te baggeren volume per lopende m is 0,5m³
Plaatsen vispasseerbare stuw Creëren goede uitgangssituatie vegetatietypes Omvormen bos naar open habitat
1,00 9,43
ha
Omvormen grasland en moeras naar bos
16,66
ha
Er wordt aangenomen dat het maaien deels gewoon grasland, deels moeilijk toegankelijk terrein (rietland, natte ruigten, grote zeggenvegetaties) betreft. Er wordt uitgegaan van een spontane bebossing
Omvormen zones met actueel stagnerend water naar bos
-
-
Spontane bebossing
Omvormen zones met actueel stagnerend water naar grasland en moeras
7,00
ha
Ruimen waterlopen/grachten (graafmachine)
2191,14
m
Provinciale Reyt, Wildebeek en langsgrachten E40
Ruimen waterlopen/grachten (handmatig) Creëren goede uitgangssituatie vegetatietypes Oppervlaktes, zie Tabel 5-3
3992,13
m
Overig grachtenstelsel
Inrichtingsmaatregelen (éénmalig) Hydrologische inrichting
Onderhoudsmaatregelen (jaarlijks) Hydrologisch onderhoud
248
Tabel 5-5
Indicatieve raming scenario 2 ‘Maximale ontwatering’
Type maatregel
Hoeveelheid
Eenheid Opmerkingen
Kappen van opslag voor inrichting provinciale Reyt
0,58
ha
Lengte is 1159,30m - nieuw profiel heeft een breedte van 12 m, waarvan ongeveer 5 m² per lopende meter te kappen opslag
Maaien voor inrichting provinciale Reyt
0,70
ha
Lengte is 1159,30m - nieuw profiel heeft een breedte van 11 m, waarvan ongeveer 6 m² per lopende meter te maaien
Herprofileren provinciale Reyt (ruimen, uitgraven en profileren oevers)
2701,17
m³
Lengte is 1159,30m - uit te baggeren volume per lopende m is 2,33m³
Herprofileren historisch grachtenstelsel
3182,41
m³
Lengte is 6364,82m - uit te baggeren volume per lopende m is 0,5m³
Plaatsen vispasseerbare stuw Creëren goede uitgangssituatie vegetatietypes Omvormen bos naar open habitat
1,00 9,43
ha
Omvormen grasland en moeras naar bos
16,66
ha
Er wordt aangenomen dat het maaien deels gewoon grasland, deels moeilijk toegankelijk terrein (rietland, natte ruigten, grote zeggenvegetaties) betreft. Er wordt uitgegaan van een spontane bebossing
Omvormen zones met actueel stagnerend water naar bos
-
-
Spontane bebossing
Omvormen zones met actueel stagnerend water naar grasland en moeras
7,00
ha
Hoeveelheid
Eenheid Opmerkingen
Ruimen waterlopen/grachten (graafmachine)
2191,14
m
Provinciale Reyt, Wildebeek en langsgrachten E40
Ruimen waterlopen/grachten (handmatig) Creëren goede uitgangssituatie vegetatietypes Oppervlaktes, zie Tabel 5-3
5332,98
m
Overig grachtenstelsel
Inrichtingsmaatregelen (éénmalig) Hydrologische inrichting
Onderhoudsmaatregelen (jaarlijks) Type maatregel Hydrologisch onderhoud
249
6.
REFERENTIES
Abiotiekdatabestand B-WARE BV & De Becker et al. (2004) Batelaan, O. and De Smedt, F., (2001) WetSpass: a flexible, GIS based, distributed recharge methodology for regional groundwater modelling. In: Gehrels, H., Peters, J., Hoehn, E., Jensen, K., Leibundgut, C., Griffioen, J., Webb, B. Zaadnoordijk, W-J. (Editors), Impact of Human Activity on Groundwater Dynamics. Publ. 269, IAHS, Wallingford, pp. 11-17 Bobbink, R., Hart, M., van Kempen M., Smolders, F. en Roelofs, J. (2007). Grondwaterkwaliteitsaspecten bij vernatting van verdroogde natte natuurparels in Noord-Brabant. BWARE Reserach Centre BV, Nijmegen. 116 pages. Rapport nummer 2007.15 Callebaut J., De Bie E., De Becker P. & Huybrechts W. (2007). NICHE Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2007(3). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek: Brussel. 252 p. Cornelis J., Hermy M., De Keersmaeker L. & Vandekerkhove K. (2007) - Bosplantengemeenschappen in Vlaanderen: een typologie van bossen op basis van de kruidachtige vegetatie. Rapport INBO.R.2007.01. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek en K.U.Leuven, Afdeling Bos, Natuur en Landschap i.o.v. de Vlaamse overheid, Agentschap voor Natuur en Bos, Brussel. 200 pp. De Geyter, G.G., eindredactie (1999) Toelichtingen bij de nieuwe geologische kaart van België, Vlaams Gewest, Kaartblad 30: Geraardsbergen, BGD/ANRE, Brussel, 61p. De Keersmaeker, L., Cornelis, J., en Baeten L. (2010), Oudbosplanten in Vlaanderen, BOSREVUE. p.17-21Decleer, K. (Ed.) (2007). Europees beschermde natuur in Vlaanderen en het Belgisch deel van de Noordzee: habitattypen: dier- en plantensoorten. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2007(1). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek: Brussel. ISBN 978-90-403-0267-1. 584 pp. Digitale versie Kleurenorthofoto's Eurosense schaal 1/10.000 uitgave 1988-1990 (OC GIS-Vlaanderen 1998). DOV (2014). Grondwatervergunningen. Geraadpleegd op 20 april 2014, op http://dov.vlaanderen.be. Ertsen, D., P. de Louw & J. Buma (2005) OGOR Natuur in Noord-Brabant. Hydrologische randvoorwaarden voor Brabantse natuudoeltypen. Provincie Noord-Brabant, Den bosch. Herr C., De Bie E., Corluy J., De Becker P., Wouters J., Hens M. (2012). Analyse van de actuele milieudruk op de aanwezige habitattypen in de Vlaamse Habitatrichtlijngebieden. Grond- en oppervlaktewaterkwaliteit, atmosferische stikstofdepositie en grondwaterstanden. Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.R.2012.3. 154 p. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. AMINAL, Afdeling Water (2005). Vismigratie - Een handboek voor herstel in Vlaanderen en Nederland. Orthofoto's, middenschalig, kleur, provincie Oost-Vlaanderen, VLM/OC en provincie Oost-Vlaanderen, opname 2002 (GIS-Vlaanderen) Orthofoto’s, middenschalig, kleur, provicie Oost-Vlaanderen, opname 2006 (AGIV-product)
250
Orthofoto's, middenschalig, kleur, provincie Oost-Vlaanderen, opname 2009, gegeneraliseerd (AGIVproduct) Orthofoto's, middenschalig, kleur, provincie Oost-Vlaanderen - Zuid, opname 2012 Harbaugh, A.W. & McDonald, M.G. (1996) User’s documentation for MODFLOW-96, an update to the U.S. Geological Survey modular finite-difference ground-water flow model. Open-File Report 96-485: 56 pp., USGS, Reston, Virginia. Herr C., De Becker P., Hens M. (2011). Ecohydrologisch en bodemkundig onderzoek i.f.v. herstelmaatregelen aan Achelse Kluis. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2011 (6). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Huybrechts W., De Becker P., Callebaut J. & De Bie E. (2009). Database Flanders Wetland Sites (FlaWet1.0) Manual. Intern Rapport INBO.IR.2009.1, Instituut voor Natuur & Bosonderzoek, Brussel. Lambinon, J.; De Langhe, J.E.; Delvosalle, L.; Duvigneaud, J. (1998) - Flora van België, het groothertogdom Luxemburg, noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteri dofyten en Spermofofyten). 3rd ed.. Nationale Plantentuin van België: Meise. ISBN 90-72619-23-4. 1092 pp. Maréchal, R. (1992) De Geologische Structuur, In: Denis, J. (red.) (1992), Geografie van België, Gemeentekrediet, Brussel, pp. 38-86. Stortelder A.H.F., Schaminée J.H.J. & Hommel P.W.F.M. (1999) - De vegetatie van Nederland. Deel 5: Plantengemeenschappen van ruigten, struwelen en bossen. Opulus Press, Uppsala/Leiden. 376 pp. T’jollyn, F., Bosch, H., Demolder, H., De Saeger, S., Leyssen, A., Thomaes, A., Wouters, J., Paelinckx, D. & Hoffmann, M. (2009). Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de NATURA 2000-habitattypen, versie 2.0. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2009 (46). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Uitdewilligen, D., Van Eylen, I., & Lermytte, J. (2005). Ontwikkelen van regionale modellen ten behoeve van het Vlaams Grondwater Model (VGM) in GMS/MODFLOW – Centraal Vlaams Model Noord, deelrapport 1: Basisgegevens en conceptueel model, studie in het kader van de opdracht: Opbouw van het Vlaams Grondwater Model (VGM) en de gegevensinvoer in Databank Ondergrond Vlaanderen (DOV), Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur, Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, Afdeling Water. van der Meijden, R.( 2005) - Heukels' Flora van Nederland, 23e druk. Wolters-Noordhoff Groningen/Houten, The Netherlands.: 1-685.
bv,
Van Landuyt, W., Hoste, I., Vanhecke, L., Van den Bremt, P., Vercruysse, W. & De Beer, D. (2006) Atlas van de flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest, Instituut voor Natuur en Bos Onderzoek, Nationale Plantentuin van België & Flo.Wer, Brussel. Van Landuyt, W., Vanhecke, L. & Hoste, I. (2006). Rode Lijst van de vaatplanten van Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In : Van Landuyt W. et al. Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest. INBO en Nationale Plantentuin van België, Brussel. Van Schandevyl, 2010, Libellen in de Wellemeersen, Een gedocumenteerd verslag over een libellenobservatie in de periode van 1996 tot en met 2007, in een natuurreservaat langs de Dender, Natuurpunt
251
Vlaamse Natuurtypologie: https://www.inbo.be/nl/naar-een-natuurtypologie-voor-vlaanderen VMM (2008). Grondwater in Vlaanderen: het Centraal Vlaams Systeem. Vlaamse Milieumaatschappij. Aalst. 111 p
252
7.
BIJLAGEN Bijlage 1.
Kaartenbundel Wellemeersen: luik biotiek
Bijlage 2.
Tabellen vegetatieopnamen
Bijlage 3.
Overzicht permanente kwadraten (PQ’s)
Bijlage 4.
Beschrijving van de gekarteerde vegetaties
Bijlage 5.
Inventaris waterlopen
Bijlage 6.
Staalnameschema grond- en oppervlaktewater
Bijlage 7.
Ruimtelijke spreiding natuurdoeltypen
253
BIJLAGE 1. KAARTENBUNDEL WELLEMEERSEN: LUIK BIOTIEK LIJST VAN FIGUREN Figuur 1
Detailkaart Kerngebied Biotiek ......................................................................................5
Figuur 2
Vegetatiepolygonen van de in 1990 en 1991 uitgevoerde vegetatiekarteringen. ..............6
Figuur 3
Overzicht onderzoeksgebied met weergave van meest recente luchtfoto’s (2012) en de laatste BWK (versie 2.2) i.k.v. uitgevoerde vegetatiekarteringen ...........................7
Figuur 4
Detailkaart Kerngebied Biotiek ......................................................................................8
Figuur 5
Detailkaart Wellemeersen BWK versie 1 (rond 1990) .....................................................9
Figuur 6
Detailkaart Wellemeersen BWK versie 2.2 (rond 2000-2002) ........................................ 10
Figuur 7
Detailkaart Wellemeersen BWK versie 2014 (kartering ikv dit project) ........................... 11
Figuur 8
Vergelijkingskaarten van de soortenrijkdom in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 .............................................................................................. 12
Figuur 9
Vergelijkingskaarten van de soortenrijkdom in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 .............................................................................................. 13
Figuur 10
Vergelijkingskaarten van aantal rode lijstsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 14
Figuur 11
Vergelijkingskaarten van aantal rode lijstsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 15
Figuur 12
Vergelijkingskaarten van positieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 16
Figuur 13
Vergelijkingskaarten van positieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 17
Figuur 14
Vergelijkingskaarten van negatieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 18
Figuur 15
Vergelijkingskaarten van negatieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 19
Figuur 16
Vergelijkingskaarten van hydrofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 .......................................................................................................... 20
Figuur 17
Vergelijkingskaarten van hydrofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 .......................................................................................................... 21
Figuur 18
Vergelijkingskaarten van obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 .............................................................................................. 22 1
Figuur 19
Vergelijkingskaarten van obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 .............................................................................................. 23
Figuur 20
Vergelijkingskaarten van natte obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 24
Figuur 21
Vergelijkingskaarten van natte obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 25
Figuur 22
Vergelijkingskaarten van som obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 26
Figuur 23
Vergelijkingskaarten van som obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 27
Figuur 24
Vergelijkingskaarten van kalk - afreatofuten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 .............................................................................................. 28
Figuur 25
Vergelijkingskaarten van kalk - afreatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 .............................................................................................. 29
Figuur 26
Vergelijkingskaarten van oud bos indicatoren in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 .............................................................................................. 30
Figuur 27
Vergelijkingskaarten van oud bos indicatoren in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 .............................................................................................. 31
Figuur 28
Vergelijkingskaarten van indicatoren bron en bronbeek in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 32
Figuur 29
Vergelijkingskaarten van indicatoren bron en bronbeek in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 33
Figuur 30
Vergelijkingskaarten van indicatoren elzenbroekbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 34
Figuur 31
Vergelijkingskaarten van indicatoren elzenbroekbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 35
Figuur 32
Vergelijkingskaarten van indicatoren voedselrijk eiken beukenbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ............................................................. 36
Figuur 33
Vergelijkingskaarten van indicatoren voedselrijk eiken beukenbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ............................................................. 37
Figuur 34
Vergelijkingskaarten van indicatoren dotterbloemgrasland in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 38
Figuur 35
Vergelijkingskaarten van indicatoren dotterbloemgrasland in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 39
Figuur 36
Vergelijkingskaarten van indicatoren kleine zeggenvegetaties in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 .................................................................... 40
2
Figuur 37
Vergelijkingskaarten van indicatoren kleine zeggenvegetaties in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 .................................................................... 41
Figuur 38
Vergelijkingskaarten van indicatoren glanshavergraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 42
Figuur 39
Vergelijkingskaarten van indicatoren glanshavergraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 43
Figuur 40
Vergelijkingskaarten van indicatoren zilverschoongraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 44
Figuur 41
Vergelijkingskaarten van indicatoren zilverschoongraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 45
Figuur 42
Vergelijkingskaarten van indicatoren droge graslanden op zandgrond in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ............................................... 46
Figuur 43
Vergelijkingskaarten van indicatoren droge graslanden op zandgrond in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ............................................... 47
Figuur 44
Vergelijkingskaarten van indicatoren dwergbiezenklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 48
Figuur 45
Vergelijkingskaarten van indicatoren dwergbiezenklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 49
Figuur 46
Vergelijkingskaarten van indicatoren eendekroosklasse – eutroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ............................................... 50
Figuur 47
Vergelijkingskaarten van indicatoren eendekroosklasse – eutroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ............................................... 51
Figuur 48
Vergelijkingskaarten van indicatoren fonteinkruidklasse – mesotroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ............................................... 52
Figuur 49
Vergelijkingskaarten van indicatoren fonteinkruidklasse – mesotroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ............................................... 53
Figuur 50
Vergelijkingskaarten van indicatoren natte strooiselruigte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 54
Figuur 51
Vergelijkingskaarten van indicatoren natte strooiselruigte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 55
Figuur 52
Vergelijkingskaarten van indicatoren nitrofiele zomen in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 56
Figuur 53
Vergelijkingskaarten van indicatoren nitrofiele zomen in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 57
Figuur 54
Vergelijkingskaarten van indicatoren rietklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 58 3
Figuur 55
Vergelijkingskaarten van indicatoren rietklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 59
Figuur 56
Vergelijkingskaarten van indicatoren tandzaadklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 60
Figuur 57
Vergelijkingskaarten van indicatoren tandzaadklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 61
Figuur 58
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde licht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 62
Figuur 59
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde licht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 63
Figuur 60
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde stikstofgehalte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 64
Figuur 61
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde stikstofgehalte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 65
Figuur 62
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde vocht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 66
Figuur 63
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde vocht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 67
Figuur 64
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde zuurtegraad in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990 ........................................................................ 68
Figuur 65
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde zuurtegraad in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014 ........................................................................ 69
4
0
Figuur 1
100
200
300
400
500 Meter
Detailkaart Kerngebied Biotiek
5
0
Figuur 2
100
200
300
400
500 Meter
Vegetatiepolygonen van de in 1990 en 1991 uitgevoerde vegetatiekarteringen
6
0
Figuur 3
100
200
300
400
500 Meter
Overzicht onderzoeksgebied met weergave van meest recente luchtfoto’s (2012) en de laatste BWK (versie 2.2) i.k.v. uitgevoerde vegetatiekarteringen
7
0
Figuur 4
100
200
300
400
500 Meter
Detailkaart Kerngebied Biotiek
8
0
Figuur 5
100
200
300
400
500 Meter
Detailkaart Wellemeersen BWK versie 1 (rond 1990)
9
0
Figuur 6
100
200
300
400
500 Meter
Detailkaart Wellemeersen BWK versie 2.2 (rond 2000-2002)
10
0
Figuur 7
100
200
300
400
500 Meter
Detailkaart Wellemeersen BWK versie 2014 (kartering ikv dit project)
11
0
Figuur 8
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van de soortenrijkdom in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
12
0
Figuur 9
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van de soortenrijkdom in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
13
0
Figuur 10
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van aantal rode lijstsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
14
0
Figuur 11
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van aantal rode lijstsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
15
0
Figuur 12
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van positieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
16
0
Figuur 13
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van positieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
17
0
Figuur 14
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van negatieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
18
0
Figuur 15
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van negatieve aandachtsoorten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
19
0
Figuur 16
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van hydrofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
20
0
Figuur 17
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van hydrofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
21
0
Figuur 18
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
22
0
Figuur 19
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
23
0
Figuur 20
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van natte obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
24
0
Figuur 21
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van natte obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
25
0
Figuur 22
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van som obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
26
0
Figuur 23
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van som obligate freatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
27
0
Figuur 24
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van kalk - afreatofuten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
28
0
Figuur 25
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van kalk - afreatofyten in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
29
0
Figuur 26
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van oud bos indicatoren in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
30
0
Figuur 27
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van oud bos indicatoren in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
31
0
Figuur 28
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren bron en bronbeek in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
32
0
Figuur 29
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren bron en bronbeek in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
33
0
Figuur 30
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren elzenbroekbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
34
0
Figuur 31
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren elzenbroekbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
35
0
Figuur 32
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren voedselrijk eiken beukenbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
36
0
Figuur 33
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren voedselrijk eiken beukenbos in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
37
0
Figuur 34
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren dotterbloemgrasland in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
38
0
Figuur 35
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren dotterbloemgrasland in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
39
0
Figuur 36
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren kleine zeggenvegetaties in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
40
0
Figuur 37
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren kleine zeggenvegetaties in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
41
0
Figuur 38
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren glanshavergraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
42
0
Figuur 39
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren glanshavergraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
43
0
Figuur 40
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren zilverschoongraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
44
0
Figuur 41
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren zilverschoongraslanden in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
45
0
Figuur 42
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren droge graslanden op zandgrond in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
46
0
Figuur 43
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren droge graslanden op zandgrond in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
47
0
Figuur 44
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren dwergbiezenklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
48
0
Figuur 45
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren dwergbiezenklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
49
0
Figuur 46
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren eendekroosklasse – eutroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
50
0
Figuur 47
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren eendekroosklasse – eutroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
51
0
Figuur 48
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren fonteinkruidklasse – mesotroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
52
0
Figuur 49
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren fonteinkruidklasse – mesotroof water in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
53
0
Figuur 50
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren natte strooiselruigte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
54
0
Figuur 51
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren natte strooiselruigte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
55
0
Figuur 52
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren nitrofiele zomen in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
56
0
Figuur 53
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren nitrofiele zomen in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
57
0
Figuur 54
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren rietklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
58
0
Figuur 55
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren rietklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
59
0
Figuur 56
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren tandzaadklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
60
0
Figuur 57
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van indicatoren tandzaadklasse in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
61
0
Figuur 58
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde licht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
62
0
Figuur 59
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde licht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
63
0
Figuur 60
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde stikstofgehalte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
64
0
Figuur 61
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde stikstofgehalte in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
65
0
Figuur 62
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde vocht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
66
0
Figuur 63
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde vocht in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
67
0
Figuur 64
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde zuurtegraad in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 1990
68
0
Figuur 65
100
200
300
400
500 Meter
Vergelijkingskaarten van Ellenbergwaarde zuurtegraad in de kernzone van de Wellemeersen voor de Kartering 2014
69
BIJLAGE 2. TABELLEN VEGETATIEOPNAMEN LIJST VAN TABELLEN Tabel 1
Karteringseenheden Opname 2014 met weergave van BWK-code, aantal waargenomen soorten, aantal Rode lijstsoorten, Aandachtssoorten, ingeschatte ecologische waarde, Vegetatietype van Nederland, ruw vegetatietype, Vlaams vegetatietype en Europees habitattype .........................................................................3
Tabel 2
Karteringseenheden Opname 1990 met weergave van BWK-code gegeven aan zone tijdens kartering BWK1, de geïnterpreteerde BWK uit de vegetatieopnamen van 1990, de geïnterpreteerde eenheid 1 uit de geïnterpreteerde bwk 1990 en bwk1, Vegetatietype van Nederland, ruw vegetatietype, Vlaams vegetatietype en Europees habitattype ................................................................................................. 13
Tabel 3
Specifieke eigenschappen, indicatorwaarde en vegetatietype van alle in 2014 en/of 1990 gekarteerde soorten .......................................................................................... 24
Tabel 4
Lijst van de Rode-Lijstsoorten (Van Landuyt et al. 2006) waargenomen in de karteringsperiodes van 2014 en/of 1990 en de vegetatiegemeenschap waarbinnen ze thuishoren (ASSOCIA) ........................................................................................... 87
Tabel 5
Lijst van de positieve aandachtsoorten (T:TRUE = WAAR) waargenomen in de karteringsperiodes van 2014 en/of 1990 en de vegetatiegemeenschap waarbinnen ze thuishoren ............................................................................................................ 90
Tabel 6
Lijst van de negatieve aandachtsoorten (T:TRUE = WAAR) waargenomen in de karteringsperiodes van 2014 en/of 1990 en de vegetatiegemeenschap waarbinnen ze thuishoren ............................................................................................................ 99
Tabel 7
Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsooten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014 ........................................................................................... 100
Tabel 8
Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsooten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990. .......................................................................................... 111
Tabel 9
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Hydrofyten en Freatofyten ............................................................................................................. 121
Tabel 10
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Oudbossoorten ........................................................................................................... 133
Tabel 11
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Bron- en bronbeekindicatoren ........................................................................................... 135
Tabel 12
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Elzenbroekbosindicatoren ................................................................................... 136
Tabel 13
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke bodem .................................................... 138 1
Tabel 14
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren dotterbloemgraslanden ....................................................................................... 146
Tabel 15
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Kleine zeggenvegetaties ..................................................................................... 151
Tabel 16
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Glanshavergraslanden ......................................................................................... 153
Tabel 17
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Zilverschoongraslanden ...................................................................................... 160
Tabel 18
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Droge graslanden op zandbodem ....................................................................... 163
Tabel 19
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren van de Eendenkroosklasse (Eutroof water) .............................................................. 166
Tabel 20
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Fonteinkruidklasse (Mesotroof water) ............................................................... 168
Tabel 21
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren van Natte strooiselruigten ......................................................................................... 170
Tabel 22
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Nitrofiele zomen .................................................................................................. 173
Tabel 23
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor de Rietklasse ........................................................................................................ 175
Tabel 24
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor de Tandzaadklasse ............................................................................................... 179
Tabel 25
Overzicht van de dominante, abundante en frequente soorten in opnames van 2014 en 1976 .......................................................................................................... 181
Tabel 26
Aangepaste LSVI projectgebied ................................................................................ 182
Tabel 25
Lijst Permanente kwadraten ..................................................................................... 183
2
Europees habitat
Vlaamse vegetatietypologie
Vegetatietype Nederland
Ecologische waarde
Aandachtssoorten
Aantal Rode Lijstsoorten
BWK
Aantal soorten
Karteringseenheden Opname 2014 met weergave van BWK-code, aantal waargenomen soorten, aantal Rode lijstsoorten, Aandachtssoorten, ingeschatte ecologische waarde, Vegetatietype van Nederland, ruw vegetatietype, Vlaams vegetatietype en Europees habitattype
Inventarisatie_eenheid
Tabel 1
1
Vn (85) + Hfc (15)
52
3
3
43AA04 Carici remotaeFraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart
91E0
2
Va
35
2
2
43AA05 Pruno-Fraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
3
Vn
43
4
4
43AA04 Carici remotaeFraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart
91E0
4
Va (70) + Qa (30)
50
1
5
6
43AA05 Pruno-Fraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
5
Lhb (90) + Mc (10)
36
1
1
2
43AA04 Carici remotaeFraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart
91E0
6
Va (95) + Kalktufbron (5)
71
6
6
43AA05 Pruno-Fraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
7
Va
45
4
4
43AA05 Pruno-Fraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
8
Va
34
1
1
43AA05 Pruno-Fraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
9
Qa (85) + Va (10) + Hf (5)
51
2
2
43AA05 Pruno-Fraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
Va (50) + Qa (50)
85
5
6
43AA05 Pruno-Fraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
10
1
3
Europees habitat
Vlaamse vegetatietypologie
Vegetatietype Nederland
Ecologische waarde
Aandachtssoorten
Aantal Rode Lijstsoorten
Aantal soorten
BWK
Inventarisatie_eenheid 11
Va (80) + Vm (20)
47
6
6
43AA05 Pruno-Fraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
12
Vm (90) + Ae (10)
46
3
3
39AA02C Carici elongataeAlnetum ribetosum nigri
broekbos
Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren
91E0
13
Vm (80) + Lhb/Mc (20)
48
4
4
43AA04 Carici remotaeFraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart
91E0
14
Vn (70) + Lh/Mc (30)
41
3
3
43AA04 Carici remotaeFraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart
91E0
15
Vm (95) + Ae-(5)
63
6
6
43AA04 Carici remotaeFraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart
91E0
16
Vm (90) + Sf (10)
58
5
5
39AA02C Carici elongataeAlnetum ribetosum nigri
broekbos
Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren
91E0
17
Lh/Hf (60) + Lh/Mc (30) + Lh/Mr(10)
46
2
2
43AA04 Carici remotaeFraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart
91E0
18
Vm (60) + Hfb (25) + Mcb (15)
45
2
2
43AA04 Carici remotaeFraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart
91E0
19
Lh/Hf (60) + Lh/Mc (30) + Lh/Mr- (10)
57
1
1
39AA02C Carici elongataeAlnetum ribetosum nigri
broekbos
Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren
91E0
20
Va
35
1
1
43AA05 Pruno-Fraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
21
Hf (85) + Mr- (15)
23
1
1
32AA01C Valeriano-
ruigte
Associatie van Moerasspirea en
6430
4
Valeriaan
Europees habitat
Vlaamse vegetatietypologie
Ecologische waarde
Aandachtssoorten
Aantal Rode Lijstsoorten
Aantal soorten
BWK
Inventarisatie_eenheid
Vegetatietype Nederland Filipenduletum symphytetosum
22
Mc (70) + Mr- (30)
9
08BC01 Caricetum ripariae
Moerassen
Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia)
23
Ae-
27
01RG01 RG Lemna minor[Lemnetea minoris]
open water
Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype
24
Vm
66
39AA02C Carici elongataeAlnetum ribetosum nigri
broekbos
Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren
91E0
25
Vm
32
39AA02A Carici elongataeAlnetum typicum
broekbos
Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren
91E0
26
Lh/Mc
22
39AA02A Carici elongataeAlnetum typicum
broekbos
Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren
91E0
27
Vm (60) + Vn (40)
58
1
1
39AA02C Carici elongataeAlnetum ribetosum nigri
broekbos
Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren
91E0
28
Lh/Mr (50) + Lh/Mc (30) + Vm (20)
36
2
2
38AA02A Irido-Salicetum menthetosum
broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers
91E0
29
Hp*
26
31CA03A Tanaceto-Artemisietum agrostietosum
ruigte
Glanshaververbond - associatie van Bijvoet en boerenwormkruid
6430
30
Kb
4
37AB01A Pruno-Crataegetum typicum
struwelen en mantels
Asssociatie van sleedoorn en Meidoorn
4
4
6430
5
Europees habitat
Vlaamse vegetatietypologie
Vegetatietype Nederland
Ecologische waarde
Aandachtssoorten
Aantal Rode Lijstsoorten
Aantal soorten
BWK
Inventarisatie_eenheid 31
Hp* + Kb
43
31CA01B Echio-Melilotetum typicum
pioniermilieu
Klasse van de ruderale gemeenschappen met tredplanten
32
Kh
13
37AB01A Pruno-Crataegetum typicum
struwelen en mantels
Asssociatie van sleedoorn en Meidoorn
33
Hp*
50
16AB05 Scirpetum sylvatici
ruigte
Rompgemeenschap van Bosbies (Calthion / Filipendulion)
6430
34
Vn + Lhb
49
43AA05 Pruno-Fraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
35
Hp* (85) + Hr (15)
76
32AA01C ValerianoFilipenduletum symphytetosum
ruigte
Associatie van Moerasspirea en Valeriaan
6430
36
Vn (85) + Hr (15)
38
33AA05B Urtico-Aegopodietum alliarietosum
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Look-zonder-look
91E0
37
Lhb + Hr
44
43AA05 Pruno-Fraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
38
Hp* + Hf- + Hj
36
32AA01B ValerianoFilipenduletum holcetosum
ruigte
Associatie van Moerasspirea en Valeriaan
39
Vn (50) + Hfb (25) + Hrb (25)
80
2
8
10
43AA05 Pruno-Fraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
40
Va (35) + Lhb/Hf (30) + Lhb/Hc (20) + Lhb/Hc (15)
44
2
3
5
43AA05 Pruno-Fraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
41
Hp (90) + Hrb (10)
37
16RG02 RG Holcus lanatusLychnis flos-cuculi-[Molinietalia]
graslanden
RG Gestreepte witbol(Glanshaververbond)
1
4
4
6
Bb
31
33AA05A Urtico-Aegopodietum alliarietosum
RG Gestreepte witbol(Glanshaververbond)
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Look-zonder-look
1
1
16RG01 RG Holcus lanatus-Lolium perenne-[MolinioArrhenatheretea] graslanden
4
4
16RG04 RG Juncus effusus[Molinietalia/Lolio-Potentillion]
ruigte
Rompgemeenschap van Pitrus
60
2
2
33AA05B Urtico-Aegopodietum holcetosum
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Look-zonder-look
Kl (50) + Hu- (20) + Hr(15) + Sz(15)
57
1
1
18AA02 Hieracio-Holcetum mollis
graslanden
Glanshaververbond
47
Hr (80) + Hf (10) + Hfc (5) + Mru (5)
39
33AA05B Urtico-Aegopodietum holcetosum
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Look-zonder-look
48
Kb
4
21AB01 Asplenietum rutomurario-trichomanis
49
Lsb (80) + Sz (20)
40
43AA05 Pruno-Fraxinetum
16RG01 RG Holcus lanatus-Lolium perenne-[MolinioArrhenatheretea] graslanden
RG Gestreepte witbol[Arrhenatheretalia]
39AA02B Carici elongataeAlnetum cardaminetosum
Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren
43
Hp (90) + Hp* (10)
31
44
Hj + Hp* + Hc
48
45
Se (60) + Hr (40)
46
50
Hx (90) + Hp (10)
19
51
Vm (70) + Ae- (30)
42
2
4
4
Europees habitat
Vlaamse vegetatietypologie
Vegetatietype Nederland
Ecologische waarde
Aandachtssoorten
Aantal Rode Lijstsoorten
Aantal soorten
BWK
Inventarisatie_eenheid 42
Niet van toepassing broekbos
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
91E0
7
Europees habitat
Vlaamse vegetatietypologie
Vegetatietype Nederland
Ecologische waarde
Aandachtssoorten
Aantal Rode Lijstsoorten
Aantal soorten
BWK
Inventarisatie_eenheid
amarae
52
Hj (80) + Ae- (20)
42
53
Mc (90) + Sf (10)
23
54
Hc
44
55
Mr° (40) + Mc (30) + Ae- (25) + Vm (5)
58
56
Hj
31
57
Hr
37
58
kh
50
59
kb
4
1
2
3
4
16RG04 RG Juncus effusus[Molinietalia/Lolio-Potentillion]
ruigte
Rompgemeenschap van Pitrus
1
1
01AA01A Wolffio-Lemnetum typicum
Moerassen
Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype
91E0
4
8
16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei
ruigte
Natte ruigten van het Moerasspireaverbond
6430
3
38AA02A Irido-Salicetum menthetosum
Moerassen
Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia)
6430
29AA01 Polygono-Bidentetum
pioniermilieu
Voedselminnende pioniersgemeenschappen met waterpeper
32AA01C ValerianoFilipenduletum symphytetosum
ruigte
Associatie van Moerasspirea en Valeriaan
3
1
1
1
1
37AB01A Pruno-Crataegetum typicum
Asssociatie van sleedoorn en Meidoorn
21AB02 Filici-Saginetum
Niet van toepassing
8
Mc (80) + Hj (20)
69
61
Mc (30) + Hr (30) + Hr° (20) + Vm (20)
34
62
Mr° (70) + Hf (30)
32
63
Vr (40) + Hp (20) + Hr (20) + Vn (20)
76
64
Mc (50) + Mr° (45) + Sf (5)
30
65
Kb
4
66
Mc (90) + Mr° (10)
23
4
1
1
Europees habitat
Vlaamse vegetatietypologie
Vegetatietype Nederland
Ecologische waarde
Aandachtssoorten
Aantal Rode Lijstsoorten
Aantal soorten
BWK
Inventarisatie_eenheid 60
pioniermilieu
Voedselminnende pioniersgemeenschappen met waterpeper
6430
6430
4
29AA01 Polygono-Bidentetum
1
1
08BC02A Caricetum gracilis typicum
Moerassen
Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia)
2
3
32AA01C ValerianoFilipenduletum symphytetosum
ruigte
Associatie van Moerasspirea en Valeriaan
91E0
1
1
43AA05 Pruno-Fraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
1
2
32AA01C ValerianoFilipenduletum symphytetosum
ruigte
Associatie van Moerasspirea en Valeriaan
6430
38AA03D Cardamino amaraeSalicetum inops
broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers
Moerassen
Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia)
1
1
08BC01 Caricetum ripariae
67
Ae-
14
1
1
08BC01 Caricetum ripariae
Moerassen
Grote zeggengemeenschappen met Scherpe zegge (Carex acuta) en oeverzegge (Carex riparia)
68
Lsb
43
2
2
43AA05 Pruno-Fraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
6430
91E0
9
3
33AA05B Urtico-Aegopodietum holcetosum
ruigte
Nitrofiele zomen - zevenbladassociatie
58
3
3
16AB05 Scirpetum sylvatici
ruigte
Rompgemeenschap van Bosbies (Calthion / Filipendulion)
18
1
1
08RG08 RG Carex acutiformis[Phragmitetalia]
Moerassen
Rietmoerassen
2
32RG01 RG Eupatorium cannabinum-[ConvolvuloFilipenduletea]
ruigte
Natte ruigten van het moerasspireaverbond
Hu ( 70) + Hr (30)
53
70
Hf (30) + Hr (25) + Sz (25) + Mc (20)
71
Ae- (90) + Mc (10)
1
72
Hr (60) + Mr (20) + Ur (10) + Gml (10)
34
1
73
Ae-
1
01RG01 RG Lemna minor[Lemnetea minoris]
open water
Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype
74
Ae-
2
01RG01 RG Lemna minor[Lemnetea minoris]
open water
Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype
75
Mrb
32
32AA01C ValerianoFilipenduletum symphytetosum
Moerassen
Rietmoerassen
76
Ae-
9
08AA02 Polygono-Veronicetum anagallidis-aquaticae
pioniermilieu
Associatiatie van Blauwe waterereprijs en waterpeper
77
Kn+
16
05CA01 Callitricho-Hottonietum
open water
Waterviolier-Kranswier ionenrijk type
78
Ae+
2
01RG01 RG Lemna minor[Lemnetea minoris]
open water
Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype
1
1
2
1
3
1
Europees habitat
Vlaamse vegetatietypologie
Vegetatietype Nederland
Ecologische waarde
Aandachtssoorten
Aantal Rode Lijstsoorten
Aantal soorten
Inventarisatie_eenheid
BWK
3
69
10
Ae+
2
01RG01 RG Lemna minor[Lemnetea minoris]
open water
Kroos-schedefonteinkruid ionenrijk watertype
pioniermilieu
Voedselminnende pioniersgemeenschappen met waterpeper
80
Kn-
8
28RG01 RG Gnaphalium uliginosum-[IsoetoNanojuncetea/Bidentetea tripartitae]
81
Ae-
1
38AA03D Cardamino amaraeSalicetum inops
broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers
82
Ae+
13
08BA02A Cicuto-Caricetum typicum
Moerassen
Rietmoerassen
83
Ae-
6
21RG02 RG Cymbalaria muralis[Tortulo-Cymbalarietalia]
Moerassen
Rietmoerassen
84
Hfb (70) + Mrb (30)
44
43AA04 Carici remotaeFraxinetum
broekbos
Essen-elzenbos met goudveil en reuzenpaardenstaart
1
2
2
3
2
85
Hp
14
16RG01 RG Holcus lanatus-Lolium perenne-[MolinioArrhenatheretea] graslanden
87
Hr + Mrb
34
32BA02A Soncho-Epilobietum typicum
Moerassen
Rietmoerassen
88
Hr(60) + Mcb (25) + Hfb (15)
42
38AA02B Irido-Salicetum alopecuretosum pratensis
Moerassen
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers
1
1
2
RG Gestreepte witbol[Arrhenatheretalia]
Europees habitat
Vlaamse vegetatietypologie
Vegetatietype Nederland
Ecologische waarde
Aandachtssoorten
Aantal Rode Lijstsoorten
Aantal soorten
BWK
Inventarisatie_eenheid 79
91E0
6430
11
Ae+
11
1
1
90
Bl
0
1
1
96
Sf(75) + Ae- (25)
33
97
Hp*
34
4
4
05CA01 Callitricho-Hottonietum
open water
Waterviolier-Kranswier ionenrijk type
akker
Niet van toepassing
39AA02C Carici elongataeAlnetum ribetosum nigri
broekbos
Elzenbroekbos met Pluimzegge en moerasvaren
16RG04 RG Juncus effusus[Molinietalia/Lolio-Potentillion]
ruigte
Rompgemeenschap van Pitrus
Europees habitat
Vlaamse vegetatietypologie
Vegetatietype Nederland
Ecologische waarde
Aandachtssoorten
Aantal Rode Lijstsoorten
Aantal soorten
BWK
Inventarisatie_eenheid 89
91E0
12
Tabel 2
Karteringseenheden Opname 1990 met weergave van BWK-code gegeven aan zone tijdens kartering BWK1, de geïnterpreteerde BWK uit de vegetatieopnamen van 1990, de geïnterpreteerde eenheid 1 uit de geïnterpreteerde bwk 1990 en bwk1, Vegetatietype van Nederland, ruw vegetatietype, Vlaams vegetatietype en Europees habitattype
Kolom 1:
Karteringseenheid volgens de plantenwerkgroep Wellemeersen
Kolom 2:
Richtdatum van de kartering volgens de plantenwerkgroep Wellemeersen (1990). De inventarisaties zijn gebeurd over 2 jaren nl. 1990 en 1991. Inventarisaties zijn telkens afgerond in mei van het betreffende jaar.
Kolom 3:
BWK-eenheid van BWK1 (kartering Wellemeersen rond 1990 – INBO)
Kolom 4:
Geïnterpreteerde BWK-eenheid uit de vegetatiekarteringen van plantenwerkgroep Wellemeersen (1990)
Kolom 5:
Geïnterpreteerde BWK- eenheid uit de combinatie van 1/ de vegetatiekarteringen van plantenwerkgroep Wellemeersen (1990) en 2/ BWK1 (kartering Wellemeersen rond 1990 – INBO)
Kolom 6:
Vegetatietype volgens Associa berekening
Kolom 7:
Ruw vegetatietype
Kolom 8:
Overeenstemmende Vlaamse Natuurtypologie
Kolom 9:
Europese Habitatcode
13
9
10
14
18
19900510
19900510
19900510
19900510
19900510
Hp
Hp
Hp
Hp
Lh
Urtico-
Hp* + Sf + Hr
Urtico-
Hp + Hr
33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum
Urtico-
Hp + Kh + Hr
33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum
Urtico-
Hp +Sf + Mr°
33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum
Urtico-
Hu- + Hp* + Hr
33AA05B Aegopodietum Hr holcetosum 33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum
Urtico-
Lsb 33AA05B
19
19900510
Hp
Hp+Hc +Mc + Hr
20
19900510
Hp
Hp* + Hr + lsb + Mc
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
Urtico- ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Look-
Europees habitat
Vlaamse natuurtypologie
Associa_01
en BWK1
Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990
Geïnterpr. BWK1990 uit veg
BWK1
Datum (jaar/maand/dag)
Karteringseenheid 8
33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum
14
Europees habitat
Vlaamse natuurtypologie
Associa_01
en BWK1
Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990
Geïnterpr. BWK1990 uit veg
BWK1
Datum (jaar/maand/dag)
Karteringseenheid
Aegopodietum holcetosum
zonder-look
16RG08 RG Alopecurus pratensis-Lychnis floscuculiMr° [Alopecurion/Molinietalia] graslanden
21
19900510
Hp
Hp*+Hr + Hc+Mc+Mr°
24
19900510
Lh
Hr+Lsb + Mr + Vn+Hc+Hp*+Hr
Lh 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos
25
19900510
Mc
Hr + Mr + Mc + Ae+Hp*
38AA02A Irido-Salicetum Mc menthetosum broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
16RG08 RG Alopecurus pratensis-Lychnis floscuculiHp [Alopecurion/Molinietalia] graslanden
RG Grote vossestaart-[Alopecurion]
Hp
32AA01B ValerianoFilipenduletum Hp holcetosum ruigte
Associatie van Moerasspirea en Valeriaan
33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
26
27
19900510
19900510
Hp
Hp + Hr + Ae
28
19900510
Hp
Hp*+Hr
29
19900510
Hc
Hr +Vn + Hp*+Hj+ Mr
RG Grote vossestaart-[Alopecurion] Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
Urticoruigte
32AA01C ValerianoVn Filipenduletum ruigte
Associatie van Moerasspirea en Valeriaan
15
Europees habitat
Vlaamse natuurtypologie
Associa_01
en BWK1
Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990
Geïnterpr. BWK1990 uit veg
BWK1
Datum (jaar/maand/dag)
Karteringseenheid
symphytetosum
30
19900510
Hc
Hr + Hp*+Hj+Mr
38AA03A Cardamino amarae-Salicetum Hr anthriscetosum broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
32AA01B ValerianoFilipenduletum Hc holcetosum ruigte
Associatie van Moerasspirea en Valeriaan
31
19900510
Hc
Hr + Hc+Hj
34
19900510 Mr+Ae+Vn
Lsb+Ae+Hp+Mc
33AA05B Irido-Salicetum Ae alopecuretosum pratensis broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
35
19900510
Lh
Lsb + Vn + Ae +Mr
43RG03 RG Urtica dioica Lh [Circaeo-Alnenion] broekbos
RG Elzen-essenbos
36
19900510
Lh
Hr + Vn+Mr
38AA02A Irido-Salicetum Vn menthetosum broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
37
19900510
Lh+Mc+sf
Lsb + Vn + Hp*+Mr
43RG03 RG Urtica dioica Lh [Circaeo-Alnenion] broekbos
RG Elzen-essenbos
38
19900510
Lh + Mc
Hr + Lsb + Mc+Ae
38AA02B Irido-Salicetum Lh alopecuretosum pratensis broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
39
19900510
Hp
Hp
33AA05B Hp Aegopodietum
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
Urticoruigte
91E0
91E0
16
Europees habitat
Vlaamse natuurtypologie
Associa_01
en BWK1
Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990
Geïnterpr. BWK1990 uit veg
BWK1
Datum (jaar/maand/dag)
Karteringseenheid
holcetosum
40
19900510
Vn
Lsb + Vn
43RG03 RG Urtica dioica Vn [Circaeo-Alnenion] broekbos
RG Elzen-essenbos
41
19900510
Hp
Hp*
33AA05B Irido-Salicetum Hp alopecuretosum pratensis broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
16RG08 RG Alopecurus pratensis-Lychnis floscuculiHp [Alopecurion/Molinietalia] graslanden
RG Grote vossestaart-[Alopecurion]
Lh 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
Urtico-
Hp+Hr
33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
Urtico-
Hc+Hr+Hf+Mr+Vn
33AA05B Aegopodietum Vn holcetosum
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
42
19900510
Hp
Hp
43
19900510
Vn
Lsb + Vn
44
19900510
Hp
91E0
45
19900510 Lh+Vn+Mr
48
19900510
Hp +Lh
Lsb + Vn + Qa+Hf
Hf 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
49
19900510
Vn
Lsb + Vn + Hp*+Hj
38AA03A Cardamino Vn amarae-Salicetum broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
91E0
17
Europees habitat
Vlaamse natuurtypologie
Associa_01
en BWK1
Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990
Geïnterpr. BWK1990 uit veg
BWK1
Datum (jaar/maand/dag)
Karteringseenheid
anthriscetosum
51
19900510
Hp
Hp + Hr
55
19900510
Vn +Hp
Vn + Hp*+Hf
56
19900510
Vn
57
19900510
Mc
Hr + Lsb +Vn+Hj+Hf+Mr+Ae
58
19900510
Lh
59
19900510
60
19900510
33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum
Urticoruigte
43RG03 RG Urtica dioica Vn [Circaeo-Alnenion] broekbos
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
RG Elzen-essenbos
91E0
43RG03 RG Urtica dioica Mr° [Circaeo-Alnenion] broekbos
RG Elzen-essenbos
91E0
Lsb + Vn+Mr
43RG03 RG Urtica dioica Lh [Circaeo-Alnenion] broekbos
RG Elzen-essenbos
91E0
Lh
Lsb + Vn + Hp*+Hf+Mr
Lh 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
Lh+Vn
Lsb + Vn+Hj+Hf+Mr
Lh 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum
broekbos
RG Elzen-essenbos
91E0
Vn 43RG03 RG Urtica dioica broekbos
RG Elzen-essenbos
91E0
Vn
61
19900510
Hp
Hp*+Hr
64
19900510
Vn
Vn+Hj+Hf+Mr+Ae
Urtico-
18
Europees habitat
Vlaamse natuurtypologie
Associa_01
en BWK1
Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990
Geïnterpr. BWK1990 uit veg
BWK1
Datum (jaar/maand/dag)
Karteringseenheid
[Circaeo-Alnenion]
65
19900510
Vn
Vn+Hj+Hf
38AA02B Irido-Salicetum Vn alopecuretosum pratensis broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
66
19900510
Lh
Lsb+Hr+Hf+Mr+Ae
38AA02A Irido-Salicetum Lh menthetosum broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
69
19900510
Ae
Sf+Vn
38AA02A Irido-Salicetum Sf menthetosum broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
32AA01B ValerianoFilipenduletum Lh holcetosum ruigte
Associatie van Moerasspirea en Valeriaan
38AA02B Irido-Salicetum Vn alopecuretosum pratensis broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
16AB05 Lh sylvatici
Rompgemeenschap van Bosbies (Calthion / Filipendulion)
70
19900510 Mc+Vn+Lh
Hr + Lsb + Mc+Hf+Mr+Ae
71
19900510
Vn
Lsb + Vn + Ae
72
19900510 Lh+Mc+Hc
Lsb + Hc + Hm + Hp*+Hj+Mc+Hf
73
19900510
Lh+Hp
Hr + Hj
74
19900510
Lh+hp
Hp
Scirpetum ruigte
33DG02 DG Populus x canadensis-[GalioHr Urticetea broekbos
RG Elzen-essenbos
Hp 16RG11
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
ruigte
91E0
19
80
81
82
19900510
19900510
19900510
19900510
Vn +Hf
Hf
Lh
Lh
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
Urtico-
Hp
33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
Lsb + Vn +Hc + Mc+Hf+Mr
Hc
Hc + Hp*+Hr+Hf
85
19900510
Lh
Vn+Hf
Hp
Vn+Hj+Hr+Hf
38AA03A Cardamino amarae-Salicetum Lh anthriscetosum broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
16RG08 RG Alopecurus pratensis-Lychnis floscuculiHc [Alopecurion/Molinietalia] graslanden
RG Grote vossestaart-[Alopecurion]
Vn 33DG02
broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
38AA03A Cardamino amarae-Salicetum Hf anthriscetosum broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
Europees habitat
Vlaamse natuurtypologie Urtico-
Hp+Hj
33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum
19900510
19900510
Associa_01
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
Hc + Mc+Hf+Mr
84
86
en BWK1
Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990
Geïnterpr. BWK1990 uit veg
BWK1
Datum (jaar/maand/dag)
Karteringseenheid 78
38AA03A Cardamino amarae-Salicetum Hf anthriscetosum broekbos
20
Europees habitat
Vlaamse natuurtypologie
Associa_01
en BWK1
Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990
BWK1
Datum (jaar/maand/dag)
Karteringseenheid
Geïnterpr. BWK1990 uit veg
Lsb
43RG03 RG Urtica dioica Lh [Circaeo-Alnenion] broekbos
87
19900510
Lh
RG Elzen-essenbos
91E0
91
19900510
Hf
92
19900510
Lh
Lsb+hr
43RG03 RG Urtica dioica Lh [Circaeo-Alnenion] broekbos
RG Elzen-essenbos
91E0
93
19900510
Lh+Hf
Hr
Hr 33AA05A
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
94
19900510
Lh+Vn
Lsb + Vn + Va+ Hc + Hp*+Sf+Hf+Mr
Lh 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
95
19900510
Lh+Hc
Hr + Hp*+Mr°
Mr° 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
Hf
33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum
ruigte
Urtico-
19900510
BI
Hp
98
19900510
Lh
Lsb + Hr
43RG03 RG Urtica dioica Lh [Circaeo-Alnenion] broekbos
RG Elzen-essenbos
Hc + Hp*+Hf
38AA03A Cardamino amarae-Salicetum Hf anthriscetosum broekbos
Wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en Bittere veldkers 91E0
99
19900510
Lh
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
97
91E0
21
19900510
Vm
Lsb + Vn + Hc + Va + Hp*+Mr
101
19900510
Ae
Lsb + Vn + Va
102
19900510
Vm
Lsb + Vn + Mr + Hc + Va + Hp +Sf + Mc
103
19900510
Hc
104
19900510
Lh
Europees habitat
Vlaamse natuurtypologie
Associa_01
en BWK1
Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990
Geïnterpr. BWK1990 uit veg
BWK1
Datum (jaar/maand/dag)
Karteringseenheid 100
Vn 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
Ae 33AA05A
RG Elzen-essenbos
91E0
Vn 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
Hp+Hj
43RG03 RG Urtica dioica Hj [Circaeo-Alnenion] broekbos
RG Elzen-essenbos
91E0
Hr + Hc + Hp*+Hj+Mc+Hf+Mr°
43RG03 RG Urtica dioica Mr° [Circaeo-Alnenion] broekbos
RG Elzen-essenbos
91E0
33AA05B Aegopodietum Hp holcetosum
broekbos
Urticoruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
Hc + Va
Va 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
Vm
Lsb + Vn + Hc + Va+Hf
Va 43AA05 Pruno-Fraxinetum broekbos
Essen-elzenbos met Bloedzuring
91E0
19900510
Mc
Hr + Mr + Hp*+ Mc
Mc 33AA03A
ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Lookzonder-look
19900510
Ui
Hp+Hr
Hp 33AA05B
Urtico- ruigte
Nitrofiele zomen en ruigten verbond Look-
105
19900510
Hp
Hp+Hr+Mc
108
19900510
Vm
Lsb + Vn + Va + Hp + Mc+Ae
110
19900510
Vm
111
19900510
113 114
Va 33AA05A
22
Aegopodietum holcetosum
119 19900510 Ui Lsb 33DG02 DG Populus x canadensis-[GalioLh Urticetea aanplant
zonder-look
Populierbeemd
23
Europees habitat
Vlaamse natuurtypologie
Associa_01
en BWK1
Geïnterpr. Eenh1 uit BWK1990
Geïnterpr. BWK1990 uit veg
BWK1
Datum (jaar/maand/dag)
Karteringseenheid
Capsella bursapastoris
Matricari a recutita Echte kamille
Gewoon herderstasje A 7
A 7
Myosotis Akkervergeetarvensis mij-nietje A 6 5
5
5 X
5
X 6
5
6 A30 30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen
A30 30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen
A30 30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
SLEUTELSOORTEN
Negatieve aandachtsoort
Positieve aandachtsoort
Rode Lijst
Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water)
Indicatoren voor nitrofiele zomen
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Dwergbiezenklasse
Kleine zeggenindicatoren
Rietklasseindicatoren
Bronbeekindicatoren
Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
Zilverschoongraslandindicatoren
Glanshavergraslandindicatoren
Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
Elzenbroekbosindicatoren
Dotterbloemgraslandindicatoren
Oudbosplanten
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
Tabel 3 Specifieke eigenschappen, indicatorwaarde en vegetatietype van alle in 2014 en/of 1990 gekarteerde soorten
24
happen
Senecio vulgaris
Persicari a maculos a
Klein kruiskruid
Perzikkruid
Veronica arvensis Veldereprijs
Stellaria media
Vogelmuur
Fallopia convolvu lus Zwaluwtong
Mentha arvensis
Akkermunt
A 7
A 6
A 7
A 6
A 7
P
7
5
5
4
X
5
8 *
X
7
6
7
X
X
A30
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen
A30
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen
A30
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen
A30
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen
6
A30
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen
X
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen
8
7
X
8
30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos
25
Sonchus asper
Sonchus oleraceu s
Gekroesde melkdistel
Gewone melkdistel
A 7
A 7
6
4
Veronica persica Grote ereprijs A 6 5
Equisetu m arvense Heermoes
Tussilag Klein o farfara hoefblad
D 6
A 8
6 *
6 *
7
8
7
X
8
7
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen
30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos
8
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen
30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos
7
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen
30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos
3
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen
30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos
X
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen
30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos
30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos 30A
Euphorbi a heliosco Kroontjeskrui pia d
A 6
5
7
7
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen
Geraniu
A 6
5
8
5
A30A 30
Slipbladige
26
m dissectu m
ooievaarsbek
Mercuria lis Tuinbingelkru annua id
Atriplex patula
Lamium purpure um
Uitstaande melde
A 7
A 6
Paarse dovenetel s.s. A 7
Spergula Gewone arvensis spurrie
Vicia hirsuta
Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc happen
Ringelwikke
A 6
A 7
4
5
5
5
4
7
7
7
3
X
Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos
8
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen
30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos
7
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30A happen
30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos
7
30 Stellarietea mediae Klasse der A30A akkergemeensc B happen
30A Papaveretalia rhoeadis Orde van Grote klaproos
6
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30B happen
30B Sperguletalia arvensis Orde van Gewone spurrie
4
30 Stellarietea mediae Klasse der akkergemeensc A30B happen
30B Sperguletalia arvensis Orde van Gewone spurrie
30AB FumarioEuphorbion Verbond van Duivekervel en Kroontjeskr uid
27
Vicia sativa s. Smalle wikke nigra s.s. A 5 X
X
X
30 Stellarietea mediae Klasse der A30B akkergemeensc A happen
30B Sperguletalia arvensis Orde van Gewone spurrie
30BA Aperion spicae-venti Windhalmverbond
2
30 Stellarietea mediae Klasse der A30B akkergemeensc A happen
30B Sperguletalia arvensis Orde van Gewone spurrie
30BA Aperion spicae-venti Windhalmverbond
X
30 Stellarietea mediae Klasse der A30B akkergemeensc A01 happen
30B Sperguletalia arvensis Orde van Gewone spurrie
30BA Aperion spicae-venti Windhalmverbond
30BA01 Sclerantho annuiArnoseridetu m Korenslaassociatie
4
30 Stellarietea mediae Klasse der A30B akkergemeensc A02 happen
30B Sperguletalia arvensis Orde van Gewone spurrie
30BA Aperion spicae-venti Windhalmverbond
30BA02 Papaveretum argemones Associatie van Ruige klaproos
7
30 Stellarietea mediae Klasse der A30B akkergemeensc B happen
30B Sperguletalia arvensis Orde van Gewone spurrie
30BB DigitarioSetarion Verbond van Vingergras en Naaldaar
5
38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbos B38A sen en A struwelen
38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbos sen en struwelen
38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloed bossen en -
Veelkleurig
Myosotis vergeet-mijdiscolor nietje
Vicia sativa s. sativa Voederwikke
Arabidop sis thaliana Zandraket
Setaria viridis
Salix triandra
Groene naaldaar
Amandelwilg
A 8
A 5
A 6
A 7
W 7
4
X
4
4
8 =
4
X
4
X
7
28
struwelen
Salix viminalis Katwilg
Salix alba
Impatie ns glandulif era
Populus nigra
Lysimac hia nummul aria
Schietwilg
Reuzenbalse mien
Zwarte populier
Penningkruid
W 7
W 5
P
V
V
5
5
4
8 =
8 =
8 =
8 =
6 *
7
8
7
7
X
X
38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbos B38A sen en A struwelen
38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbos sen en struwelen
38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloed bossen en struwelen
7
38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbos B38A sen en A struwelen
38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbos sen en struwelen
38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloed bossen en struwelen
7
38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbos B38A sen en A01 struwelen
38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbos sen en struwelen
38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloed bossen en struwelen
38AA01 ArtemisioSalicetum albae Bijvoetooibos
7
38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbos B38A sen en A01 struwelen
38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbos sen en struwelen
38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloed bossen en struwelen
38AA01 ArtemisioSalicetum albae Bijvoetooibos
38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbos B38A sen en A02 struwelen
38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbos sen en struwelen
38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloed bossen en -
38AA02 IridoSalicetum albae Gele lis-ooibos
X
Bedreig d
29
struwelen
Solanum dulcama ra Bitterzoet
Alnus glutinos a
Zwarte els
Humulus lupulus Hop
Carex remota
IJle zegge
P
K
P
V
7
5
7
3
8 *
9 =
8 =
8
X
6
6
X
8
X
8
X
Ribes nigrum
Zwarte bes
F
4
9 =
6
5
Rhamnu s
Sporkehout
P
6
8 *
4
X
M L
T
39A 39 Alnetea Alnetalia glutinosae glutinosae Klasse der Orde der B39A elzenbroekboss elzenbroekboss A en en
39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekb ossen
T
39A 40 Alnetea Alnetalia glutinosae glutinosae Klasse der Orde der B39A elzenbroekboss elzenbroekboss A en en
39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekb ossen
T
39A 42 Alnetea Alnetalia glutinosae glutinosae Klasse der Orde der B39A elzenbroekboss elzenbroekboss A02 en en
39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekb ossen
39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek
T
T
39A 43 Alnetea Alnetalia glutinosae glutinosae Klasse der Orde der B39A elzenbroekboss elzenbroekboss A02 en en
39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekb ossen
39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek
T
39A 41 Alnetea Alnetalia glutinosae glutinosae Klasse der Orde der B39A elzenbroekboss elzenbroekboss A02 en en
39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekb ossen
39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek
B40A 40 A Vaccinio-
40AA Betulion
T
T
T
T
40A Vaccinio-
30
frangula
Betula pubesce ns
Pinus sylvestri s
Quercus rubra
Fagus sylvatica Ilex aquifoliu m
Zachte berk
Grove den
Amerikaanse eik
Beuk
Hulst
Betuletea pubescentis Klasse der berkenbroekbo ssen
Betuletalia pubescentis Orde der berkenbroekbo ssen
pubescentis Verbond der berkenbroe kbossen
40 VaccinioBetuletea pubescentis Klasse der B40A berkenbroekbo A ssen
40A VaccinioBetuletalia pubescentis Orde der berkenbroekbo ssen
40AA Betulion pubescentis Verbond der berkenbroe kbossen
41 VaccinioPiceetea B41A Klasse der A naaldbossen
41A VaccinioPiceetalia Orde der naaldbossen
41AA DicranoPinion Verbond der naaldbosse n
A
42 Quercetea robori-petraeae Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselarme B42A grond
42A Quercetalia roboris4 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond
A 3
X
42 Quercetea robori-petraeae Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselarme B42A grond
42A Quercetalia roboris4 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond
5
42 42A Quercetea Quercetalia B42A robori-petraeae roboris4 Orde
P
7
A 7
A 4
8
X
5
5
3
X
X
4
3
X
31
Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond
Betula pendula
Castane a sativa
Ruwe berk
Tamme kastanje
Sorbus aucupari Wilde a lijsterbes
Quercus robur
Zomereik
A 7
A 5
A 6
A 7
X
X
X
X
X
4
4
X
der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond
X
42 Quercetea robori-petraeae Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselarme B42A grond
42A Quercetalia roboris4 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond
X
42 Quercetea robori-petraeae Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselarme B42A grond
42A Quercetalia roboris4 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond
X
42 Quercetea robori-petraeae Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselarme B42A grond
42A Quercetalia roboris4 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond
X
42 Quercetea robori-petraeae Klasse der eiken- en beukenbossen op B42A voedselarme
42A Quercetalia roboris4 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond
32
grond
Prunus serotina
Geraniu m robertia num
Ribes rubrum
Stachys sylvatica
Amerikaanse vogelkers
Robertskruid
Aalbes
Bosandoorn
Anemon e nemoros a Bosanemoon
A 6
A 5
V
P
4
4
A X
5
X
8
7
5
X
X
6
7
X
?
42 Quercetea robori-petraeae Klasse der eiken- en beukenbossen op B42A voedselarme A grond
7
B43
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
6
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke
T
7
X
M L
T
T
T
T
42A Quercetalia roboris4 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond
42AA Quercion roboris Zomereikve rbond
33
grond
Salix caprea
Carex sylvatica
Geum urbanu m
Viburnu m opulus
Boswilg
Boszegge
Geel nagelkruid
Gelderse roos
Pulmona ria officinali Gevlekt s longkruid
A 7
P
2
A 4
V
6
A 5
6
5
5
X
5
7
6
X
7
8
7
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
5
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke
7
6
6
L
T
T
T
34
grond
Fraxinus excelsior Gewone es
Acer pseudop latanus
Polygon atum multiflor um
Gewone esdoorn
4
A 4
Gewone salomonszege l A 2
Circaea Groot lutetiana heksenkruid
Stellaria holostea
K
Grote muur
V
4
A 5
X
6
5
6
5
7
X
6
7
6
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
7
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
5
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke
7
7
5
T
M L
L
M L
T
T
T
T
T
35
grond
Ranuncu lus auricom Gulden us boterbloem
Corylus avellana
Hedera helix
Hazelaar
Klimop
Scrophul aria Knopig nodosa helmkruid
Ajuga reptans
Kruipend zenegroen
P
5
A 6
A 4
A 4
A 6
X
X
5
6
6
7
5
X
6
6
X
X
X
7
6
L
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke
T
T
T
36
grond
Pyrus commun is Peer
Robinia pseudoa cacia
Descha mpsia cespitos a
Primula elatior
Acer campest re
Robinia
Ruwe smele
Slanke sleutelbloem
Spaanse aak
A 6
A 5
V
K
6
6
A 5
5
4
7 *
6
5
8
X
X
7
7
X
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
8
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
3
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke
7
6
L
L
T
T
T
T
37
grond
Ranuncu lus ficaria Speenkruid
Taxus baccata
Crataeg us laevigat a
Taxus
Tweestijlige meidoorn
Athyriu m filixfemina Wijfjesvaren
Oxalis acetosell Witte a klaverzuring
P
4
A 4
A 6
P
3
A 1
6
5 *
5
7
5
7
7
7
X
4
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
X
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
5
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke B43A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke
7
6
6
T
M L
M
T
T
T
38
grond
Rumex sanguin eus
Silene dioica
Populus x canesce ns
Bloedzuring
Dagkoekoeks bloem
V
4
A X
8
6
7
7
7
8
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke
43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers
Grauwe abeel A
Veronica hederifol Klimopereprij ia s
A 6
5
Festuca Reuzenzwenk gigantea gras P 4 7
7
6
7
6
39
grond
Symphor icarpos albus Sneeuwbes
Scilla nonscripta
Populus alba
Wilde hyacint
Witte abeel
Aesculus Witte hippocas paardenkasta tanum nje
Ornithog alum umbellat Gewone um vogelmelk
A
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers
A 5
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers
A
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers
A 6
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A01 grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke
43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers
A 5
5
7 *
5
7
8
7
6
M
T
6
7
T
43AA01 Violo odorataeUlmetum AbelenIepenbos
40
grond
Carex pendula
Stellaria neglecta
Hangende zegge
Heggenvogel muur
Brachyp odium sylvaticu m Boskortsteel
Myosotis Bosvergeetsylvatica mij-nietje
Allium ursinum
Daslook
W 5
A 6
A 3
A 6
K
2
8
X
5
5
6
6
7
6
X
7
6
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A04 grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers
43AA04 Carici remotaeFraxinetum GoudveilEssenbos
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke A04 grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers
43AA04 Carici remotaeFraxinetum GoudveilEssenbos
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke
43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os
T
Onvoldo ende gekend T
8
6
7
8
L
T
41
grond
Lamiastr um galeobd Gele olon dovenetel
Arum maculat um
Gevlekte aronskelk
Carpinus betulus Haagbeuk
Galium odoratu m
P
P
3
3
A 4
Lievevrouweb edstro A 2
Dryopter is filix- Mannetjesvar mas en
A 3
5
7
X
5
5
7
7
X
6
5
5
8
M L
L
X
5
6
T
T
T
T
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke
43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os
T
L
T
T
T
42
grond
Adoxa moschat ellina
Prunus avium
Muskuskruid
Zoete kers
Grote
Plantago Getande major weegbree
P
5
A 4
6
5
Polygon um Gewoon aviculare varkensgras
Straatgras
7
8
5
T
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os
T
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeuke n-verbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenb os
G12
12 Plantaginetea majoris Weegbreeklasse
6
G12
12 Plantaginetea majoris Weegbreeklasse
6
12 Plantaginetea majoris G12A WeegbreeA klasse
12A Plantaginetalia majoris Weegbree-orde
12AA Polygonion avicularis Varkensgra s-verbond
8
12 Plantaginetea majoris G12A WeegbreeA klasse
12A Plantaginetalia majoris Weegbree-orde
12AA Polygonion avicularis Varkensgra s-verbond
en P
8
5
Plantago major s. Grote major weegbree s.s. A 8 5
Poa annua
7
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen B43A op voedselrijke B01 grond
A 7
A 7
4
6
X
X
X
X
6
43
Matricari a discoide a Schijfkamille
Pulicaria dysenter ica Heelblaadjes
Carex hirta
Potentill a reptans
Agrostis stolonife ra
Ruige zegge
Vijfvingerkrui d
Fioringras
A 8
V
8
A 7
A 6
P
8
5
7 *
6 *
6
X =
7
7
X
7
X
8
12 Plantaginetea majoris G12A WeegbreeA02 klasse
12A Plantaginetalia majoris Weegbree-orde
5
T
12 Plantaginetea majoris WeegbreeG12B klasse
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
T
12 Plantaginetea majoris WeegbreeG12B klasse
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
T
12 Plantaginetea majoris WeegbreeG12B klasse
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
T
12 Plantaginetea majoris G12B WeegbreeA klasse
5
5
5
Alopecur us genicula Geknikte tus vossenstaart
V
9
8 =
7
7
T
12 Plantaginetea majoris G12B WeegbreeA klasse
Ranuncu Kruipende lus boterbloem
P
6
7 *
X
X
T
G12B 12 A Plantaginetea
12AA Polygonion avicularis Varkensgra s-verbond
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoo n-verbond
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoo n-verbond
12B Agrostietalia
12BA Lolio-
12AA02 CoronopodoMatricarietum + Associatie van Varkenskers en Schijfkamille
44
repens
Poa trivialis
Carex otrubae
Juncus inflexus
Potentill a anserina
Rumex crispus Persicari a amphibi a
majoris Weegbreeklasse
Ruw beemdgras
Valse voszegge
Zeegroene rus
Zilverschoon
Krulzuring
Veenwortel
A 6
F
V
P
6
8
7
A 7
V
7
7
8
7 *
6 *
7 *
1 1
X
7
8
X
X
6
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoo n-verbond
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoo n-verbond
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoo n-verbond
T
12 Plantaginetea majoris G12B WeegbreeA01 klasse
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoo n-verbond
12BA01 RanunculoAlopecuretum geniculati Associatie van Geknikte vossestaart
T
12 Plantaginetea G12B majoris A01 Weegbree-
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
12BA LolioPotentillion anserinae
12BA01 RanunculoAlopecuretum geniculati
7
6
12 Plantaginetea majoris G12B WeegbreeA klasse
7
5
4
Potentillion anserinae Zilverschoo n-verbond 12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoo n-verbond
12 Plantaginetea majoris G12B WeegbreeA klasse
4
stoloniferae Fioringras-orde
T
T
T
T
12 Plantaginetea majoris G12B WeegbreeA klasse
T
12 Plantaginetea majoris G12B WeegbreeA klasse
45
klasse
Cerastiu m semidec andrum
Zandhoornblo em A 8
Hypocha eris Gewoon radicata biggenkruid
Agrostis Gewoon capillaris struisgras
Lathyrus nissolia Graslathyrus
A 8
A 7
A 7
3
5
X
4
6
4
4
7
X
3
4
4
Rumex acetosell Schapenzurin a g
A 8
4
2
2
Medicag
A 7
4
8
X
Hopklaver
G14
T
14 KoelerioCorynephorete a Klasse der droge graslanden op G14B zandgrond
14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde
T
14 KoelerioCorynephorete a Klasse der droge graslanden op G14B zandgrond
14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde
T
14 KoelerioCorynephorete a Klasse der droge graslanden op G14B zandgrond
14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde
14 KoelerioCorynephorete a Klasse der droge graslanden op G14B zandgrond
14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde
G15A 15
15A
T
T
T
Associatie van Geknikte vossestaart
15AA
15AA01
14 KoelerioCorynephorete a Klasse der droge graslanden op zandgrond
T
Zeldzaa m
Zilverschoo n-verbond
46
o lupulina
Festuca pratensi s
Holcus lanatus
Anthoxa nthum odoratu m
A01
Beemdlangbl oem
Gestreepte witbol
Gewoon reukgras
Ranuncu Scherpe lus acris boterbloem
A 8
P
7
A X
D 7
6
6
X
X
X
X
5
X
6
4
X
X
Rumex acetosa
Veldzuring
A 8
X
X
6
Vicia cracca
Vogelwikke
A 7
5
X
X
T
T
T
T
FestucoBrometea Klasse der kalkgraslanden
G16
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke graslanden
G16
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke graslanden
G16
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke graslanden
G16
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke graslanden
G16
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke graslanden
G16
16 MolinioArrhenatherete
Brometalia erecti Orde der kalkgraslanden
Mesobromi on erecti Verbond der matig droge kalkgraslan den
GentianoKoelerietum Kalkgrasland
47
a Klasse der matig voedselrijke graslanden
Juncus conglom eratus
Dactylor hiza majalis
Cirsium palustre
Biezenknoppe n V
Brede orchis en Rietorchis V
Kale jonker
Equisetu m palustre Lidrus
V
8
8
7
W 7
7 *
8 *
8
8
Lotus peduncu Moerasrolklav latus er V 7 8
Juncus acutiflor us
Veldrus
W 9
8
4
7
4
X
6
5
3
2
3
3
4
3
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16A graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16A graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16A graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16A graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16A graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
Kwetsba ar T
T
T
T
48
graslanden
Achillea Wilde ptarmica bertram
Lychnis floscuculi
Echte koekoeksbloe m
Hypericu m tetrapter Gevleugeld um hertshooi
Rhinant hus angustif olius
Saxifrag a granulat a
Carex acutifor mis
F
F
Moeraszegge
7
W 7
Grote ratelaar P
Knolsteenbre ek
8
V
7
X
W 7
8
7 *
8 =
6 *
4
9 *
4
X
7
7
5
7
2
X
5
2
3
5
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke A01 graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
16AA01 Cirsio dissectiMolinietum Blauwgrasla nd
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
16AB Calthion palustris Dotterbloe m-verbond
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
16AB Calthion palustris Dotterbloe m-verbond
T
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
16AB Calthion palustris Dotterbloe m-verbond
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
16AB Calthion palustris Dotterbloe m-verbond
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
16AB Calthion palustris Dotterbloe m-verbond
T
T
T
T
T
T
Kwetsba ar T
T
49
Cardami ne pratensi s
Carex disticha
Pinksterbloe m
Tweerijige zegge
Scirpus sylvaticu s Bosbies
Persicari a bistorta
Crepis paludos a
Adderwortel
Moerasstreep zaad
V
4
W 8
F
F
6
7
W 7
6
9 =
8
7
8 *
X
8
4
5
8
X
5
4
5
6
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
16AB Calthion palustris Dotterbloe m-verbond
T
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
16AB Calthion palustris Dotterbloe m-verbond
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B05 graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
16AB05 Scirpetum sylvatici Bosbiesassociatie
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
16AB06 AngelicoCirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegg e
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
16AB06 AngelicoCirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegg e
T
T
T
T
T
T
T
T
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B06 graslanden
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B06 graslanden
50
Cirsium oleraceu m
Knautia arvensis
Cerastiu m fontanu m
Moesdistel
Beemdkroon
Gewone en Glanzende hoornbloem
Cerastiu m fontanu m s. Gewone vulgare hoornbloem
Leucant hemum vulgare
Gewone margriet
Taraxac um sectie Ruderali
Gewone paardebloem en
W 6
A 7
6
A 6
A 7
A 7
7
4
5
5
4
5
8
X
5
5
X
X
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16A voedselrijke B06 graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootjeorde
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
5
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
5
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
3
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der G16B matig
16B Arrhenathereta lia Glanshaver-
5
4
7
T
T
T
Achterui tgaand T
T
16AB06 AngelicoCirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegg e
51
a
voedselrijke graslanden
Lotus cornicula tus v. cornicula Gewone tus rolklaver
Achillea millefoli um
Gewoon duizendblad
Senecio jacobae a s. jacobae Jakobskruiskr a uid s.s.
Trifolium dubium Kleine klaver
Centaur ea jacea
Knoopkruid
Trifolium pratense Rode klaver
A 7
A 8
A 8
A 6
A 7
A 7
4
4
4 *
5
X
X
7
X
7
6
X
X
3
5
5
5
X
X
orde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
T
T
52
Festuca rubra
Rood zwenkgras s.s.
Plantago lanceola Smalle ta weegbree
A 8
A 6
5
X
7
X
6
X
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde 16B
Timoteegras
Phleum en Klein pratense timoteegras A 7 5
Phleum pratense s. Timoteegras pratense s.s.
Poa pratensi s
Veldbeemdgr as
A 7
A 6
5
5
X
X
X
6
6
6
T
Lathyrus pratensi s Veldlathyrus
A 7
6
7
6
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke G16B graslanden
Alopecur Grote
P
6
6
7
T
G16B 16
6
Molinio-
53
us pratensi s
vossenstaart
Heracleu m sphondy Gewone lium berenklauw
Galium mollugo
Glad walstro
Arrhenat herum elatius Glanshaver
Pimpinel la major
Vicia sepium
Grote bevernel
Heggenwikke
Crepis Klein capillaris streepzaad
A
A 7
A 7
A 8
A 7
A X
A 7
5
4
5
5
5
5
X
7
7
7
6
6
Arrhenatherete a Klasse der matig voedselrijke graslanden
Arrhenathereta lia Glanshaverorde
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke B01 graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16BB Arrhenather ion elatioris Glanshaververbond
16BB01 Arrhenatheret um elatioris Glanshaverassociatie
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke B01 graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16BB Arrhenather ion elatioris Glanshaververbond
16BB01 Arrhenatheret um elatioris Glanshaverassociatie
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke B01 graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16BB Arrhenather ion elatioris Glanshaververbond
16BB01 Arrhenatheret um elatioris Glanshaverassociatie
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke B01 graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16BB Arrhenather ion elatioris Glanshaververbond
16BB01 Arrhenatheret um elatioris Glanshaverassociatie
5
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke B01 graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16BB Arrhenather ion elatioris Glanshaververbond
16BB01 Arrhenatheret um elatioris Glanshaverassociatie
4
16 MolinioArrhenatherete G16B a Klasse der B01 matig
16B Arrhenathereta lia Glanshaver-
16BB 16BB01 Arrhenather Arrhenatheret ion elatioris um elatioris Glanshaver- Glanshaver-
8
?
7
7
54
voedselrijke graslanden
Dactylis glomerat a Kropaar
Tragopo gon pratensi s
Prunella vulgaris
Cynosur us cristatus
A 7
Oosterse en Gele morgenster A 7
Gewone brunel
Kamgras
Bellis perennis Madeliefje
Veronica serpyllif olia Tijmereprijs
D 7
A 8
D 8
D X
5
4
5
5
5
6
X
7
7
X
X
5
6
6
X
4
6
X
orde
verbond
associatie
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke B01 graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16BB Arrhenather ion elatioris Glanshaververbond
16BB01 Arrhenatheret um elatioris Glanshaverassociatie
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke B01 graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16BB Arrhenather ion elatioris Glanshaververbond
16BB01 Arrhenatheret um elatioris Glanshaverassociatie
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond
55
Geraniu m molle
Zachte ooievaarsbek
Veronica filiformis Draadereprijs
Lolium perenne
Engels raaigras
Trifolium repens Witte klaver
Luzula campest ris
Dactylor hiza maculat a s. l.
Gewone veldbies
A 7
A 7
A 8
A 8
A 7
Gevlekte orchis en Bosorchis K
7
4
5
5
5
4
8 *
5
5
7
6
3
X
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond
T
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C01 graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond
16BC01 LolioCynosuretum Kamgrasweid e
7
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C01 graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond
16BC01 LolioCynosuretum Kamgrasweid e
6
16 MolinioArrhenatherete a Klasse der matig G16B voedselrijke C01 graslanden
16B Arrhenathereta lia Glanshaverorde
16BC Cynosurion cristati Kamgrasverbond
16BC01 LolioCynosuretum Kamgrasweid e
19A Nardetalia Orde der heischrale graslanden
19AA NardoGalion saxatilis Verbond der heischrale graslanden
19A Nardetalia Orde der heischrale graslanden
19AA NardoGalion saxatilis Verbond der heischrale
4
X
2
2
T
T
19 Nardetea Klasse der G19A heischrale A graslanden
T
Kwetsba ar T
T
19 Nardetea Klasse der G19A heischrale A02 graslanden
19AA02 Gentiano pneumonanth es-NardetumAssociatie van Klokjesgentiaa n en
56
Polypodi um interject um + Polypodi um vulgare
Brede eikvaren Gewone eikvaren
Aspleniu m scolopen drium Tongvaren
D 4
4
5
Ranuncu lus flammul Egelboterbloe 9 a m W 7 *
Veronica beccabu nga Beekpunge
W 7
1 0
2
8
3
7
2
6
W 7
1 0
X
6
Stellaria
F
8
4
4
5
L21A B02
4
Apium Groot nodifloru moerasscher m m Moerasmuur
Achterui tgaand T
2
M06 AC
T
M07 AA
T
T T
Borstelgras
20A CallunoUlicetalia Struikhei-orde
20AB Empetrion nigri Kraaiheiverbond
20AB02 PolypodioEmpetretum Associatie van Eikvaren en Kraaihei
21A TortuloCymbalarietalia Muurleeuwebe k-orde
21AB CymbalarioAsplenion Muurleeuw ebekverbond
21AB02 FiliciSaginetum Tongvarenassociatie
06 Littorelletea Oeverkruidklasse
06A Littorelletalia Oeverkruidorde
06AC Hydrocotylo -Baldellion/ Verbond van Waternavel en Stijve moeraswee gbree
07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgeme enschappen
07A MontioCardaminetalia Orde der bronen bronbeekgeme enschappen
07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
07A MontioCardaminetalia Orde der bronen bronbeekgeme enschappen
07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
07A
07AA
20 CallunoUlicetea H20A Klasse der B02 droge heiden
+ A 5
graslanden
21 Asplenietea trichomanis Muurvarenklasse
T
T
M07 AA
07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgeme enschappen
T
T
M07
07
Montio-
57
uliginosa
AA
Chrysos plenium alternifol Verspreidblad ium ig goudveil F
Scrophul aria auriculat Geoord a helmkruid
Equisetu m telmatei Reuzenpaard a enstaart
Cardami ne flexuosa
Bosveldkers
Rorippa amphibi a
Gele waterkers
4
W 8
F
V
5
8 =
9 =
8
6
8
W 7
1 0
7
6
8
4
7
5
T
T
7
5
5
8
T
T
T
T
T
T
T
T
MontioCardaminetalia Orde der bronen bronbeekgeme enschappen
CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgeme enschappen
07A MontioCardaminetalia Orde der bronen bronbeekgeme enschappen
07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
07 MontioCardaminetea Klasse der M07 bronbeekgeme AA02 enschappen
07A MontioCardaminetalia Orde der bronen bronbeekgeme enschappen
07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
07AA02 Pellio epiphyllaeChrysosplenie tum oppositifolii Associatie van Paarbladig goudveil
07 MontioCardaminetea Klasse der M07 bronbeekgeme AA02 enschappen
07A MontioCardaminetalia Orde der bronen bronbeekgeme enschappen
07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
07AA02 Pellio epiphyllaeChrysosplenie tum oppositifolii Associatie van Paarbladig goudveil
07 MontioCardaminetea Klasse der M07 bronbeekgeme AA03 enschappen
07A MontioCardaminetalia Orde der bronen bronbeekgeme enschappen
07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
07AA03 PellioConocephalet um Kegelmosassociatie
M07 AA
M08
Cardaminetea Klasse der bronbeekgeme enschappen
08 Phragmitetea Riet-klasse
58
Spargani um erectum s. Grote erectum egelskop s.s.
Typha latifolia
Grote lisdodde
Equisetu m fluviatile Holpijp
Glyceria maxima
Liesgras
W 7
1 0
W 8
1 0
W 8
1 0
W 9
1 0 *
Myosotis scorpioid Moerasvergee 8 es t-mij-nietje W 7 * Alisma plantago Grote waterweegbr aquatica ee
Glyceria fluitans
Mannagras
Rorippa nasturtiu maquaticu Witte m waterkers
Oenanth e fistulosa Pijptorkruid
W 7
W 7
W 7
W 7
1 0
9 =
1 0
9 =
7
7
X
8
X
X
X
7
8
7
8
5
9
5
8
7
7
5
T
T
T T
T
T
T
T
T
T
T
T
T
T
T
Achterui tgaand T
T
T
M08
08 Phragmitetea Riet-klasse
M08
08 Phragmitetea Riet-klasse
M08
08 Phragmitetea Riet-klasse
M08
08 Phragmitetea Riet-klasse
M08
08 Phragmitetea Riet-klasse
M08 A
08 Phragmitetea Riet-klasse
08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde
M08 A
08 Phragmitetea Riet-klasse
08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde
08 Phragmitetea Riet-klasse
08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde
08AA SparganioGlycerion Vlotgrasverbond
08 Phragmitetea Riet-klasse
08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde
08AB Oenanthion aquaticae Watertorkru id-verbond
M08 AA
M08 AB
59
Oenanth e 1 aquatica Watertorkruid W 7 0
Butomus 1 umbellat 0 us Zwanenbloem W 6 = Iris pseudac orus
Gele lis
Eleochar is Gewone palustris waterbies
Galium palustre
Mentha aquatica
Moeraswalstr o
Watermunt
Rumex hydrolap athum Waterzuring
Carex pseudoc yperus
Hoge cyperzegge
W 7
9 =
W 8
1 0 *
W 6
9 =
F
9 =
7
W 7
W 7
1 0
9 =
7
X
X
X
X
7
7
6
6
T
7
T
7
T
4
T
5
T
7
T
T
T
T
08 M08 Phragmitetea AB02 Riet-klasse
08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde
08AB01 RorippoOenanthetum aquaticae Watertorkruid -associatie
08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde
08AB Oenanthion aquaticae Watertorkru id-verbond
08AB02 SagittarioSparganietum Associatie van Egelskop en Pijlkruid
M08 B
08 Phragmitetea Riet-klasse
08B Phragmitetalia Riet-orde
T
M08 B
08 Phragmitetea Riet-klasse
08B Phragmitetalia Riet-orde
T
M08 B
08 Phragmitetea Riet-klasse
08B Phragmitetalia Riet-orde
M08 B
08 Phragmitetea Riet-klasse
08B Phragmitetalia Riet-orde
T
?
5
08 M08 Phragmitetea AB01 Riet-klasse
08AB Oenanthion aquaticae Watertorkru id-verbond
M08 BA
08 Phragmitetea Riet-klasse
08 M08 Phragmitetea BA02 Riet-klasse
08B Phragmitetalia Riet-orde
08BA Cicution virosae Waterschee rlingverbond
08B Phragmitetalia Riet-orde
08BA Cicution virosae Waterschee rlingverbond
08BA02 CicutoCaricetum pseudocyperi1 Associatie van Waterscheerli
60
ng en Hoge cyperzegge
Phragmi tes australis
Carex vulpina
Carex riparia
Carex acuta
Riet
Voszegge
Oeverzegge
Scherpe zegge
Carex vesicaria Blaaszegge Scutellar ia galericul Blauw ata glidkruid
W 7
F
9
W 7
W 7
W 7
F
7
1 0
8 =
9 =
9 =
9 =
9 =
7
X
7
6
6
7
7
08B Phragmitetalia Riet-orde
08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge
08B Phragmitetalia Riet-orde
08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge
08BC01 Caricetum ripariae Oeverzeggeassociatie
08B Phragmitetalia Riet-orde
08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge
08BC02 Caricetum gracilis Associatie van Scherpe zegge
T
08 M08 Phragmitetea BC03 Riet-klasse
08B Phragmitetalia Riet-orde
08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge
08BC03 Caricetum vesicariae Blaaszeggeassociatie
T
08 Phragmitetea Riet-klasse
08B Phragmitetalia Riet-orde
08BD Caricion elatae Verbond
08 M08 Phragmitetea BB04 Riet-klasse
T
5
T
4
Bedreig d
T
T
T
5
T
T
T
M08 BC
08 Phragmitetea Riet-klasse
08 M08 Phragmitetea BC01 Riet-klasse
T
4
6
08B Phragmitetalia Riet-orde
08BB Phragmition australis Rietverbond
08 M08 Phragmitetea BC02 Riet-klasse
T
T
T
M08 BD
08BB04 TyphoPhragmitetum Riet-associatie
61
van Stijve zegge
Stellaria palustris
Agrostis canina
Zeegroene muur
Moerasstruisg ras V
Veronica scutellat a Schildereprijs
Taraxac um sectie Moeraspaard Palustria enbloemen Dactylor hiza majalis s. praeter missa
W 5
Rietorchis
9
W 8
F
V
8
8
9 *
9
9 =
8 *
8 *
4
3
3
8
7
2
2
2
2
W 6
8 *
X
2
Samolus
W 8
8
7
5
T
T
3
Galium uliginosu m Ruw walstro Waterpunge
T
T
T
T
T
T
T
T
Zeldzaa m
T
T
M09
M09 AA
T
T
T
T
T
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09A Caricetalia nigrae Orde van Zwarte zegge
09AA Caricion nigrae Verbond van Zwarte zegge
09A Caricetalia nigrae Orde van Zwarte zegge
09AA Caricion nigrae Verbond van Zwarte zegge
M09 BA
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde
09BA Caricion davallianae Knopbiesverbond
M09 BA
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde
09BA Caricion davallianae Knopbiesverbond
M09 BA
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde
09BA Caricion davallianae Knopbiesverbond
M09
06
06A
06AC
09 Parvocaricetea M09 Klasse der AA03 kleine zeggen
09AA03 Carici curtaeAgrostietum caninae, Associatie van Moerasstruisg ras en Zompzegge
06AC04
62
valerand i
Sedum album
Sedum acre
Cardami ne hirsuta
=
Wit vetkruid
Muurpeper
Kleine veldkers
Cerastiu m glomerat Kluwenhoorn um bloem
A 9
A 8
A 5
A 7
2
2
5
5
BA
X
X
5
5
Littorelletea Oeverkruidklasse
Littorelletalia Oeverkruidorde
Hydrocotylo -Baldellion/ Verbond van Waternavel en Stijve moeraswee gbree
SamoloLittorelletum' Associatie van Waterpunge en Oeverkruid
13A SedoScleranthetalia 2 Orde der droge graslanden op gruis- en steenbodems
13AA AlyssoSedion Verbond van Vetkruiden en Kandelaartj e
13A SedoScleranthetalia 2 Orde der droge graslanden op gruis- en steenbodems
13AA AlyssoSedion Verbond van Vetkruiden en Kandelaartj e
13AA01 Cerastietum pumili Associatie van Tengere veldmuur
7
13 SedoScleranthetea5 Klasse der pioniergrasland P13A en op gruis- en A02 steenbodems
13A SedoScleranthetalia 2 Orde der droge graslanden op gruis- en steenbodems
13AA AlyssoSedion Verbond van Vetkruiden en Kandelaartj e
13AA02 Saxifrago tridactylitisPoetum compressaeAssociatie van Kandelaartje en Plat beemdgras
5
13 SedoScleranthetea5 Klasse der pioniergrasland P13A en op gruis- en A02 steenbodems
13A SedoScleranthetalia 2 Orde der droge graslanden op gruis- en
13AA AlyssoSedion Verbond van Vetkruiden
13AA02 Saxifrago tridactylitisPoetum compressaeAssociatie van
1
1
13 SedoScleranthetea5 Klasse der pioniergrasland P13A en op gruis- en A steenbodems
13 SedoScleranthetea5 Klasse der pioniergrasland P13A en op gruis- en A01 steenbodems
63
steenbodems
Atriplex prostrat a
Epilobiu m ciliatum
Epilobiu m parviflor um
Isolepis setacea
Spiesmelde
Beklierde basterdweder ik
Viltige basterdweder ik
Borstelbies
Juncus bufonius Greppelrus Montia fontana
Klein bronkruid
A 8
F
K
V
V
7
7
6
6
5
9 =
9
X
7
8
5
22 Cakiletea maritimae Klasse der vloedmerkgem P22A eenschappen
9
6
3
T
Kandelaartje en Plat beemdgras
22A Cakiletalia maritimae Orde der vloedmerkgem eenschappen
27A Saginetalia maritimae Zeevetmuurorde
27AA02 CentaurioSaginetum9 27AA Associatie van Saginion Strandduizend maritimae guldenkruid Zeevetmuur en -verbond Krielparnassia
27 Saginetea maritimae P27A ZeevetmuurA02 klasse
27A Saginetalia maritimae Zeevetmuurorde
27AA02 CentaurioSaginetum9 27AA Associatie van Saginion Strandduizend maritimae guldenkruid Zeevetmuur en -verbond Krielparnassia
28 IsoetoNanojuncetea P28A DwergbiezenA klasse
28A Nanocyperetali a Dwergbiezenorde
28AA Nanocyperi on flavescentis Dwergbieze n-verbond
28A Nanocyperetali a Dwergbiezenorde
28AA Nanocyperi on flavescentis Dwergbieze n-verbond
28A Nanocyperetali
28AA Nanocyperi
27 Saginetea maritimae P27A ZeevetmuurA02 klasse
8
en Kandelaartj e
7
7 *
3
4
T
28 IsoetoNanojuncetea P28A DwergbiezenA klasse
7
8 =
3
4
T
P28A 28 IsoetoA Nanojuncetea
64
s. chondro sperma
Dwergbiezenklasse
Sagina procumb Liggende ens vetmuur
Gnaphali um uliginosu Moerasdroog m bloem
Juncus effusus
Juncus articulat us
Pitrus
Zomprus
Carex ovalis
Hazenzegge
Epilobiu m tetragon um
Kantige basterdweder ik s.l.
D 7
V
V
V
P
V
7
8
8
7
7
5 *
7
7
9 *
7 *
8
7
4
3
X
3
6
6
4
T
4
T
2
3
5
T
T
T
T
T
a Dwergbiezenorde
on flavescentis Dwergbieze n-verbond
28 IsoetoNanojuncetea P28A DwergbiezenA klasse
28A Nanocyperetali a Dwergbiezenorde
28AA Nanocyperi on flavescentis Dwergbieze n-verbond
28 IsoetoNanojuncetea P28A DwergbiezenA klasse
28A Nanocyperetali a Dwergbiezenorde
28AA Nanocyperi on flavescentis Dwergbieze n-verbond
28 IsoetoNanojuncetea P28A DwergbiezenA klasse
28A Nanocyperetali a Dwergbiezenorde
28AA Nanocyperi on flavescentis Dwergbieze n-verbond
28 IsoetoNanojuncetea P28A DwergbiezenA klasse
28A Nanocyperetali a Dwergbiezenorde
28AA Nanocyperi on flavescentis Dwergbieze n-verbond
28 IsoetoNanojuncetea P28A DwergbiezenA02 klasse
28A Nanocyperetali a Dwergbiezenorde
28AA Nanocyperi on flavescentis Dwergbieze n-verbond
29 Bidentetea tripartitae P29A Tandzaad-
29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde
28AA02 IsolepidoStellarietum uliginosae Associatie van Borstelbies en Moerasmuur
65
klasse
Persicari a lapathifo Beklierde lia duizendknoop P
Ranuncu lus scelerat Blaartrekkend 9 us e boterbloem W 9 =
Rumex conglom eratus
Rorippa palustris
Kluwenzuring
Moeraskers
Bidens Veerdelig tripartita tandzaad
Stellaria aquatica
Watermuur
Bidens Zwart frondosa tandzaad
P
V
F
F
8
7
8
7
W 7
7
8 =
9 =
8 =
8
7
X
X
X
X
7
9
8
8
8
7
8
T
29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA klasse
29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde
29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond
T
29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA klasse
29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde
29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond
T
29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA klasse
29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde
29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond
T
29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA klasse
29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde
29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond
T
29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA klasse
29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde
29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond
T
29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA klasse
29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde
29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond
T
29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA klasse
29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde
29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond
66
Persicari a hydropip er Waterpeper
Persicari a mitis
Artemisi a vulgaris
7
Zachte duizendknoop W 7
Veronica anagallis Blauwe aquatica waterereprijs
Cirsium arvense
V
Akkerdistel
Bijvoet
W 7
A 8
A 7
8 =
8
9 =
X
6
5
6
X
X
X
8
7
6
7
8
T
29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA01 klasse
T
29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA01 klasse
T
29 Bidentetea tripartitae P29A TandzaadA04 klasse
R31
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en
R31
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en
Conyza canaden sis
Canadese fijnstraal
A 8
4
X
5
R31
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en
Sisymbri
Gewone raket A 8
4
X
7
R31
31
29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde
29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond
29AA01 PolygonoBidentetum Associatie van Waterpeper en Tandzaad
29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde
29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond
29AA01 PolygonoBidentetum Associatie van Waterpeper en Tandzaad
29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde
29AA Bidention tripartitae Tandzaadverbond
29AA04 Eleocharito acicularisLimoselletum Slijkgroenassociatie
67
um officinal e
Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en
Diplotaxi s tenuifoli Grote a zandkool
Fallopia japonica
Geraniu m pusillum
Carduus crispus
Amarant hus retroflex us
Rumex obtusifol ius
A 8
Japanse duizendknoop P
Kleine ooievaarsbek
Kruldistel
Papegaaienkr uid
Ridderzuring
8
A 7
A 7
A 8
A 7
3
8 =
4
6
4
6
X
5
X
7
7
X
6
7
7
9
7
9
R31
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en
R31
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en
R31
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en
R31
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en
R31
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en
R31
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale
68
gemeenschapp en
Cirsium vulgare
Linaria vulgaris
Bromus hordeac eus
Speerdistel
Vlasbekje
A 8
A 8
Zachte dravik s.l. A 7
5
4
X *
Bromus hordeac eus s. hordeac Zachte dravik X eus s.s. A 7 *
Lactuca serriola
Kompassla
Anisanth a sterilis IJle dravik
A 9
A 7
4
4
7
7
X
X
X
X
R31
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en
R31
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en
R31
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en
3
R31
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale gemeenschapp en
4
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31A gemeenschapp A02 en
31A ChenopodioUrticetalia Raketten-orde
31AA Salsolion ruthenicae Verbond van Kleverig kruiskruid
5
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31A gemeenschapp B en
31A ChenopodioUrticetalia Raketten-orde
31AB Arction Kaasjeskrui d-verbond
8
5
3
31AA02 ErigerontoLactucetum Associatie van Raketten en Kompassla
69
Urtica urens
Hordeu m murinu m
Tanacet um vulgare
Barbare a vulgaris
Kleine brandnetel
Kruipertje
A 8
Boerenwormk ruid A 8
Gewoon barbarakruid
Dipsacus Grote fullonum kaardebol
Elytrigia repens
A 7
Kweek
P
8
D 9
A 7
5
4
5
6
6 *
X *
X
7
8
X
8
X
8
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31A gemeenschapp B01 en
31A ChenopodioUrticetalia Raketten-orde
31AB Arction Kaasjeskrui d-verbond
31AB01 UrticoMalvetum neglectae Associatie van Kleine brandnetel
5
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31A gemeenschapp B02 en
31A ChenopodioUrticetalia Raketten-orde
31AB Arction Kaasjeskrui d-verbond
31AB02 Hordeetum murini Kruipertjesassociatie
5
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31C gemeenschapp A en
31C Agropyretalia repentis Wormkruidorde
31CA DaucoMelilotion Wormkruidverbond
6
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31C gemeenschapp A en
31C Agropyretalia repentis Wormkruidorde
31CA DaucoMelilotion Wormkruidverbond
7
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31C gemeenschapp A en
31C Agropyretalia repentis Wormkruidorde
31CA DaucoMelilotion Wormkruidverbond
7
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31C gemeenschapp A en
31C Agropyretalia repentis Wormkruidorde
31CA DaucoMelilotion Wormkruidverbond
70
Daucus carota
Solidago canaden sis
Angelica sylvestri s
Peen
Canadese guldenroede
Gewone engelwortel
Symphyt um officinal Gewone e smeerwortel
Eupatori um cannabi num
Stachys palustris
Koninginnenk ruid
Moerasandoo rn
Thalictru Poelruit
A 8
A 8
V
V
K
7
7
7
4
X
8
8
7
X
X
X
X
7
4
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31C gemeenschapp A en
31C Agropyretalia repentis Wormkruidorde
31CA DaucoMelilotion Wormkruidverbond
6
31 Artemisietea vulgaris Klasse der ruderale R31C gemeenschapp A03 en
31C Agropyretalia repentis Wormkruidorde
31CA DaucoMelilotion Wormkruidverbond
X
R32
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
R32
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
R32
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
R32
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
R32
32
8
8
T
T
T
V
7
7 *
7
6
T
F
7
8
8
4
T
T
T
31CA03 TanacetoArtemisietum Wormkruidassociatie
71
m flavum
Caltha palustris
Valerian a officinali s
Lythrum salicaria
Lysimac hia vulgaris Filipend ula ulmaria
*
Dotterbloem
Echte valeriaan
Grote kattenstaart
W 7
V
F
Grote wederik V
Moerasspirea
F
7
7
6
7
9 =
8 *
8 =
8 *
8
ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
X
7
6
X
X
X
5
X
X
4
T T
32A Filipenduletalia Moerasspireaorde
32AA01 ValerianoFilipenduletu 32AA m. Associatie Filipendulio van n Moerasspirea Moerasspire en Echte a-verbond Valeriaan
32A Filipenduletalia Moerasspireaorde
32AA01 ValerianoFilipenduletu 32AA m. Associatie Filipendulio van n Moerasspirea Moerasspire en Echte a-verbond Valeriaan
32A Filipenduletalia Moerasspireaorde
32AA01 ValerianoFilipenduletu 32AA m. Associatie Filipendulio van n Moerasspirea Moerasspire en Echte a-verbond Valeriaan
T
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32A natte A01 strooiselruigten
32A Filipenduletalia Moerasspireaorde
32AA01 ValerianoFilipenduletu 32AA m. Associatie Filipendulio van n Moerasspirea Moerasspire en Echte a-verbond Valeriaan
T
32 R32A ConvolvuloA01 Filipenduletea
32A Filipenduletalia Moerasspirea-
32AA Filipendulio n
T
T
T
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32A natte A01 strooiselruigten
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32A natte A01 strooiselruigten
T
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32A natte A01 strooiselruigten
T
T
T
32AA01 ValerianoFilipenduletu
72
Klasse der orde natte strooiselruigten
Phalaris arundina cea Rietgras
Calysteg ia sepium
Haagwinde
Epilobiu m Harig hirsutum wilgenroosje
Lycopus europae us
Wolfspoot
V
P
K
7
8
7
W 7
9 =
6
8 =
9 =
7
7
8
7
7
9
8
7
Festuca arundina Rietzwenkgra cea s
V
8
7 *
7
4
Anthrisc
A 7
5
X
8
Fluitenkruid
Moerasspire m. Associatie a-verbond van Moerasspirea en Echte Valeriaan
T
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32A natte A01 strooiselruigten
32A Filipenduletalia Moerasspireaorde
32AA01 ValerianoFilipenduletu 32AA m. Associatie Filipendulio van n Moerasspirea Moerasspire en Echte a-verbond Valeriaan
T
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32B natte A strooiselruigten
32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje
32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje
T
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32B natte A strooiselruigten
32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje
32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje
T
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32B natte A strooiselruigten
32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje
32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der R32B natte A03 strooiselruigten
32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje
32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje
R33A 33
33A
T
T
T
T
T
Galio-
32BA03 OenanthoAlthaeetum Associatie van Strandkweek en Echte heemst 33AA
73
us sylvestri s
Urtica dioica
A
Grote brandnetel
Glechom a hederac ea Hondsdraf
Galium aparine
Kleefkruid
Alliaria Look-zonderpetiolata look
Lamium album
Torilis japonica
Witte dovenetel
Heggendoorn zaad
A X
A 6
A 7
A 5
A 7
A 6
6
6
X
5
5
5
7
X
6
7
X
8
8
7
8
9
9
8
Urticetea Klasse der nitrofiele zomen
Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
Galio-Alliarion Verbond van Look-zonderlook
T
33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA Galio-Alliarion Verbond van Look-zonderlook
T
33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA Galio-Alliarion Verbond van Look-zonderlook
T
33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look
T
33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look
T
33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look
T
33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A02 zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look
33AA02 Torilidetum japonicae Heggedoornza ad-associatie
74
Cruciata laevipes
Kruisbladwals tro
Lapsana commun is Akkerkool
Chelidon ium Stinkende majus gouwe
Aegopod ium podagra ria Zevenblad
Chameri on angustif olium
Rubus idaeus
Wilgenroosje
Framboos
A 7
A 5
A 6
A 5
A 8
A 7
6
5
5
6
5
X
6
X
X
7
5
X
7
7
T
T
33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A03 zomen
33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A04 zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look
33AA03 UrticoCruciatetum laevipedis Kruisbladwalst ro-associatie
33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look
33AA04 AlliarioChaerophyllet um temuli/ Associatie van Look-zonderlook en Dolle kervel
T
33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A04 zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look
33AA04 AlliarioChaerophyllet um temuli/ Associatie van Look-zonderlook en Dolle kervel
T
33 GalioUrticetea Klasse der R33A nitrofiele A05 zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA GalioAlliarion Verbond van Lookzonder-look
33AA05 UrticoAegopodietum Zevenbladassociatie
8
34 Epilobietea angustifolii Klasse der R34A kapvlaktegeme A enschappen
34A Atropetalia Orde der kapvlaktegeme enschappen
34AA Carici piluliferaeEpilobion angustifolii Wilgeroosje s-verbond
6
34 Epilobietea R34A angustifolii A01 Klasse der
34A Atropetalia Orde der kapvlaktegeme
34AA Carici piluliferaeEpilobion
8
8
34AA01 Senecioni sylvaticiEpilobietum
75
kapvlaktegeme enschappen
Galeopsi s bifida
Galeopsi s tetrahit
Gespleten hennepnetel
Gewone hennepnetel
Dryopter is Brede dilatata stekelvaren
Lonicera periclym enum
Cytisus scopariu s
Salix aurita
Wilde kamperfoelie
Brem
Geoorde wilg
P
7
A 7
A 4
A 6
A 8
F
7
5
5
6
X
4
8 *
6
X
X
3
3
4
enschappen
angustifolii Wilgeroosje s-verbond
angustifolii Wilgeroosjesassociatie
34A Atropetalia Orde der kapvlaktegeme enschappen
34AA Carici piluliferaeEpilobion angustifolii Wilgeroosje s-verbond
34AA01 Senecioni sylvaticiEpilobietum angustifolii Wilgeroosjesassociatie
34A Atropetalia Orde der kapvlaktegeme enschappen
34AA Carici piluliferaeEpilobion angustifolii Wilgeroosje s-verbond
34AA01 Senecioni sylvaticiEpilobietum angustifolii Wilgeroosjesassociatie
35A Rubetalia plicati Brummel-orde
35AA LoniceroRubion silvatici Brummelverbond
35A Rubetalia plicati Brummel-orde
35AA LoniceroRubion silvatici Brummelverbond
35AA01 Rubetum grati Associatie van Bronskleurige bosbraam 36AA01 Salicetum auritae Associatie van
6
34 Epilobietea angustifolii Klasse der R34A kapvlaktegeme A01 enschappen
6
34 Epilobietea angustifolii Klasse der R34A kapvlaktegeme A01 enschappen
7
35 LoniceroRubetea plicati S35A BrummelA klasse
4
35 LoniceroRubetea plicati S35A BrummelA klasse
4
35 LoniceroRubetea plicati S35A BrummelA01 klasse
35A Rubetalia plicati Brummel-orde
35AA LoniceroRubion silvatici Brummelverbond
3
36 Franguletea S36A Klasse der A01 wilgenbroekstr
36A Salicetalia auritae Orde der
36AA Salicion cinereae Verbond
76
uwelen
Malus sylvestri s
Clematis vitalba
Appel
Bosrank
Epipactis hellebori Brede ne wespenorchis
Crataeg us monogy na
Sambuc us nigra
Rosa canina
Cornus sanguin ea
Eenstijlige meidoorn
Gewone vlier
Hondsroos
Rode kornoelje
A 7
A 7
A 3
A 7
A 7
A 8
A 7
5
5
5
4
5
4
5
7
7
7
8
X
X
7
wilgenbroekstr uwelen
5
38 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen
37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde
7
41 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen
37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde
5
39 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen
37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde
4
37 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen
37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde
9
42 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen
37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde
X
43 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen
37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde
X
44 RhamnoPrunetea S37A Klasse der
37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde
der Geoorde wilg wilgenbroek struwelen
77
doornstruwelen
Prunus spinosa
Euonym us europae us
Asparag us officinali s
Rosa rugosa
Lemna minor
Lemna trisulca
Sleedoorn
A 7
Wilde kardinaalsmut s A 6
Asperge
Rimpelroos
Klein kroos
Puntkroos
Ceratop hyllum demersu Grof m hoornblad
A 6
7
5
3 *
X
8
X
X
45 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen
37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde
5
40 RhamnoPrunetea Klasse der S37A doornstruwelen
37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde
4
46 RhamnoPrunetea S37A Klasse der C doornstruwelen
37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde
47 RhamnoPrunetea S37A Klasse der C03 doornstruwelen
A
H 7
1 1
H 7
1 2
H 6
1 2 *
X
7
8
6
5
8
T
T
T
T
T
37A Prunetalia spinosae Sleedoorn-orde
W01 A
01 Lemnetea minoris Eendekroosklasse
01A Lemnetalia minoris Eendekroosorde
W01 A
01 Lemnetea minoris Eendekroosklasse
01A Lemnetalia minoris Eendekroosorde
W01 AA
01 Lemnetea minoris Eendekroos-
01A Lemnetalia minoris Eendekroos-
37AC Berberidion vulgaris Ligusterverbond
37AC Berberidion vulgaris Ligusterverbond
37AC03 RhamnoCrataegetum0 Associatie van Wegedoorn en Eenstijlige meidoorn
01AA Lemnion minoris Bultkroos-
78
Potamog eton pectinat Schedefontei us nkruid
Myrioph yllum spicatu m
H 6
Aarvederkruid H 5
1 2
1 2
Ranuncu Fijne lus waterranonke 1 aquatilis l H 7 1
Potamog eton Gekroesd crispus fonteinkruid
Hydroch aris morsusranae
Kikkerbeet
H 6
H 7
1 2
1 1
8
9
6
7
7
8
7
8
Callitrich
7
7
H 7
1
Kwetsba T ar T
T T
02 Ruppietea Ruppia-klasse
02A ZannichellioRuppietalia Ruppia-orde
02AA Ruppion maritimae Ruppiaverbond
05 Potametea Fonteinkruiden -klasse
05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
05 Potametea Fonteinkruiden -klasse
05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
05 Potametea Fonteinkruiden -klasse
05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
05 Potametea Fonteinkruiden -klasse
05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
05BB Hydrochariti on morsusranae Kikkerbeetverbond
05 Potametea W05 Fonteinkruiden BC03 -klasse
05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
05BC Parvopotam ion Verbond der kleine fonteinkruid en
W05
05C
05CA
W05
T
6
verbond
W05
T
5
Ranuncu lus Stijve circinatu waterranonke 1 s l H 6 2 Gewoon
T
6
orde
W02 AA
T
7
klasse
W05
T
W05 BB
05
05BC03 Ranunculetum circinati Associatie van Stijve waterranonkel
79
e platycar pa
Hottonia palustris
sterrenkroos
Waterviolier
Veronica chamae Gewone drys ereprijs
Lathyrus sylvestri s Boslathyrus
Carex spicata
Gewone bermzegge
Hypericu m Kantig dubium hertshooi Hypericu m Sintperforat Janskruid
1
H 7
A 6
A 7
A 7
K
8
A 7
1 2
5
4
4
6 *
4
CA
5
X
8
6
3
6
CallitrichoPotametalia/ Orde van Haaksterrekroo s en Grote waterranonkel
Ranunculio n peltati Verbond van Grote waterranon kel
05 Potametea W05 Fonteinkruiden CA01 -klasse
05C CallitrichoPotametalia/ Orde van Haaksterrekroo s en Grote waterranonkel
05CA Ranunculio n peltati Verbond van Grote waterranon kel
X
17 TrifolioGeranietea sanguinei Z17A MarjoleinA klasse
17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde
17AA Trifolion medii Marjoleinverbond
2
17 TrifolioGeranietea sanguinei Z17A MarjoleinA01 klasse
17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde
17AA Trifolion medii Marjoleinverbond
17AA01 RuboOriganetum Associatie van Dauwbraam en Marjolein
17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde
17AA Trifolion medii Marjoleinverbond
17AA01 RuboOriganetum Associatie van Dauwbraam en Marjolein 17AA01 RuboOriganetum Associatie van Dauwbraam en Marjolein 17AA01 RuboOriganetum
4
T
T
T
T
Potametea Fonteinkruiden -klasse
4
17 TrifolioGeranietea sanguinei Z17A MarjoleinA01 klasse
2
17 TrifolioGeranietea sanguinei Z17A MarjoleinA01 klasse
17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde
17AA Trifolion medii Marjoleinverbond
17 TrifolioZ17A Geranietea A01 sanguinei
17A Origanetalia vulgaris
17AA Trifolion medii
3
T
05CA01 CallitrichoHottonietum Associatie van Waterviolier en Sterrekroos
80
um
Origanu m vulgare
Rubus caesius
Stellaria gramine a
Marjoleinklasse
Wilde marjolein
Dauwbraam
Grasmuur
Helianth us tuberosu s Aardpeer Malus species
Appel (G)
Epilobiu m species
Basterdweder ik (G)
Epilobiu m (excl.
Basterdweder ik-groep
A 7
A 6
3
X
8
8
3
17 TrifolioGeranietea sanguinei Z17A MarjoleinA01 klasse
Marjolein-orde
17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde
Marjoleinverbond
Associatie van Dauwbraam en Marjolein
17AA Trifolion medii Marjoleinverbond
17AA01 RuboOriganetum Associatie van Dauwbraam en Marjolein
7
17 TrifolioGeranietea sanguinei Z17A MarjoleinA02 klasse
17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde
17AA Trifolion medii Marjoleinverbond
17AA02 PolygonatoLithospermetu m Associatie van Parelzaad en Salomonszege l
18 MelampyroHolcetea mollis Klasse van Gladde witbol Z18A en A02 Havikskruiden
18A MelampyroHolcetalia mollis' Orde van Gladde witbol en Havikskruiden
18AA Melampyrio n pratensis Verbond van Gladde witbol en Havikskruid en
18AA02 HieracioHolcetum mollis. Associatie van Boshavikskrui d en Gladde witbol
A 6
4
4
3
A 8
6
7
8
81
Salix alba x fragilis Bindwilg Rubus subg. Rubus
Braam
Rubus species
Braam (G)
Populus x canaden sis
Canadapopuli er
A
Pinus nigra v. Corsikaanse maritima den
7
3
9
2
A 5
X
X
X
Hypericu m maculat Gevlekt um s.s. hertshooi
K
8
6 *
3
2
Scrophul aria Gevleugeld umbrosa helmkruid
W 7
9 =
8
7
Picea abies
Solidago species
Fijnspar
Guldenroede (G)
Ligustru m ovalifoliu m Haagliguster Hieraciu m
A
Havikskruid (G)
82
species Scrophul aria Helmkruid species (G) Tilia x Hollandse vulgaris linde Ulmus species
Iep (G)
Nigella damasce Juffertje-in-'tna groen A Phalaris canarien sis
Kanariezaad
Euonym us species
Kardinaalsmu ts (G)
Arctium species
Klit (G)
Brassica oleracea
Kool
Cornus species
Kornoelje (G)
A
8
Euphorbi a Kruisbladige lathyrus wolfsmelk
A
Levisticu m officinal e Lavas
A
Leontod
5
X
8
Leeuwentand
83
on species
(G)
Ligustru m species
Liguster (G)
Tilia species
Linde (G)
Hypericu m androsa emum Mansbloed Sorbus aria
Meelbes
Crataeg us species
Meidoorn (G)
Sonchus species
Melkdistel (G)
Quercus palustris
Moeraseik
Narcissu s species
Narcis (G)
Juglans regia
Okkernoot
Taraxac um species
Paardenbloe m (G)
Buxus semperv irens Palmboompje
6
4
7
3
6
6
7
7
A 5
4
8
4
84
Prunus persica
Perzik
Populus species
Populier (G)
Prunus domesti ca
Pruim Kroosjes
en
Prunus domesti ca s. domesti ca Pruim s.s. Brassica rapa
Raapzaad
Rosa species
Roos (G)
Syringa species
Sering (G)
Galanth us species
Sneeuwklokje (G)
Callitrich e species
Sterrenkroos (G)
Agrostis species
Struisgras (G)
Bidens species
Tandzaad (G)
Triticum aestivu m
Tarwe
T
T
85
Myrioph yllum species
Vederkruid (G)
Vicia tetraspe rma s. tetraspe Vierzadige rma wikke s.s. Glyceria species
Vlotgras (G)
Juglans species
Walnoot (G)
Nympha ea species
Waterlelie (G)
Cotonea ster integerri mus
Wilde dwergmispel
Alnus incana
Witte els
Rumex species
Zuring (G)
Rubus sec. Rubus
Zwarte braam
Festuca species
Zwenkgras (G)
T
A 6
5
5
5
T
P
8
3
7
2
6
7 =
8
X
T
86
Knautia arvensis
Polypodium interjectum Polypodium vulgare
+
Rorippa nasturtium-aquaticum
Populus nigra
Brede eikvaren + Gewone eikvaren
Witte waterkers
Zwarte populier
Achteruitgaand
Achteruitgaand
Achteruitgaand
Bedreigd
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
H20AB02
20 CallunoUlicetea Klasse der droge heiden
20A CallunoUlicetalia Struikheiorde
20AB Empetrion nigri Kraaiheiverbond
M08AA
08 Phragmitetea Riet-klasse
08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde
08AA SparganioGlycerion Vlotgrasverbond
B38AA01
38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbossen en -struwelen
38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbossen en -struwelen
38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloedbossen en -struwelen
08B Phragmitetalia Riet-orde
08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge
16A
Carex vulpina
Voszegge
Bedreigd
M08BC
08 Phragmitetea Riet-klasse
Dactylorhiza majalis
Brede orchis en Rietorchis
Kwetsbaar
G16A
16
Molinio-
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Rode Lijst
Ned. naam Beemdkroon
Socsrtgrp1
Lijst van de Rode-Lijstsoorten (Van Landuyt et al. 2006) waargenomen in de karteringsperiodes van 2014 en/of 1990 en de vegetatiegemeenschap waarbinnen ze thuishoren (ASSOCIA) Wetenschappelijke naam
Tabel 4
20AB02 PolypodioEmpetretum Associatie van Eikvaren en Kraaihei
38AA01 ArtemisioSalicetum albae Bijvoet-ooibos
Molinietalia
87
Rhinanthus angustifolius
Dactylorhiza maculata s. l.
Hydrocharis morsus-ranae
Stellaria neglecta
Lathyrus nissolia
Grote ratelaar
Gevlekte orchis en Bosorchis
Kikkerbeet
Heggenvogelmuur
Graslathyrus
Kwetsbaar
Kwetsbaar
Kwetsbaar
Onvoldoende gekend
Zeldzaam
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
Pijpestrootje-orde
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB Calthion palustris Dotterbloemverbond
G19AA02
19 Nardetea Klasse der heischrale graslanden
19A Nardetalia� Orde der heischrale graslanden
19AA NardoGalion saxatilis Verbond der heischrale graslanden
W05BB
05 Potametea Fonteinkruidenklasse
05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
05BB Hydrocharition morsus-ranae Kikkerbeet-verbond
B43AA04
43 QuercoFagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en 43AA Alno-Padion beukenbossen op Verbond van Els en voedselrijke grond Vogelkers
G14B
14 KoelerioCorynephoretea Klasse der droge graslanden op
14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde
G16AB
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Rode Lijst
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
19AA02 Gentiano pneumonanthesNardetumAssociatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras
43AA04 Carici remotaeFraxinetum GoudveilEssenbos
88
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Rode Lijst
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
zandgrond
Dactylorhiza praetermissa
majalis
s.
Rietorchis
Zeldzaam
M09BA
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde
09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond
89
Carex remota
Ribes nigrum
Ribes rubrum
Anemone nemorosa
Carex sylvatica
IJle zegge
Zwarte bes
Aalbes
Bosanemoon
Boszegge
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Ned. naam
Positieve aandachtsoort
Lijst van de positieve aandachtsoorten (T:TRUE = WAAR) waargenomen in de karteringsperiodes van 2014 en/of 1990 en de vegetatiegemeenschap waarbinnen ze thuishoren Wetenschappelijke naam
Tabel 5
T
43 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen
39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen
39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekbossen
39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek
T
41 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen
39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen
39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekbossen
39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek
T
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond 43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond 43A
Polygonatum multiflorum
Gewone salomonszegel
T
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Circaea lutetiana
Groot heksenkruid
T
43
Querco-Fagetea7 Klasse
Fagetalia sylvaticae5
90
Stellaria holostea
Hedera helix
Klimop
Deschampsia cespitosa
Ruwe smele
Primula elatior
Athyrium femina
Grote muur
Slanke sleutelbloem
Oxalis acetosella
Witte klaverzuring
Associatie
Verbond
Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
T
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
filixWijfjesvaren
Orde
Klasse
Positieve aandachtsoort
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
91
Lamiastrum galeobdolon
Arum maculatum
Galium odoratum
Carex otrubae
Lathyrus nissolia
Dactylorhiza majalis
Heggenvogelmuur
Gele dovenetel
Gevlekte aronskelk
Lievevrouwebedstro
Valse voszegge
Graslathyrus
Brede orchis en Rietorchis
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Positieve aandachtsoort
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Stellaria neglecta
T
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers
43AA04 Carici remotaeFraxinetum Goudveil-Essenbos
T
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeuken-verbond
43AB01 Stellario-Carpinetum Eiken-Haagbeukenbos
T
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeuken-verbond
43AB01 Stellario-Carpinetum Eiken-Haagbeukenbos
T
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeuken-verbond
43AB01 Stellario-Carpinetum Eiken-Haagbeukenbos
T
12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
12BA Lolio-Potentillion anserinae Zilverschoonverbond
T
14 Koelerio-Corynephoretea Klasse der droge graslanden op zandgrond
14B Trifolio-Festucetalia ovinae Struisgras-orde
T
16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
92
Achillea ptarmica
Lychnis flos-cuculi
Rhinanthus angustifolius
Saxifraga granulata
Carex disticha
Scirpus sylvaticus
Persicaria bistorta
Veldrus
Wilde bertram
Echte koekoeksbloem
Grote ratelaar
Knolsteenbreek
Tweerijige zegge
Bosbies
Adderwortel
T
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
T
16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AA01 Cirsio dissectiMolinietum Blauwgrasland
T
16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond
T
16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond
T
16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond
T
16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond
T
16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB05 Scirpetum sylvatici Bosbies-associatie
T
16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Positieve aandachtsoort
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Juncus acutiflorus
16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
93
Knautia arvensis
Dactylorhiza maculata s. l.
Associatie
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge
T
16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
T
19 Nardetea Klasse der heischrale graslanden
19A Nardetalia� Orde der heischrale graslanden
19AA Nardo-Galion saxatilis Verbond der heischrale graslanden
19 Nardetea Klasse der heischrale graslanden
19A Nardetalia� Orde der heischrale graslanden
19AA Nardo-Galion saxatilis Verbond der heischrale graslanden
19AA02 Gentiano pneumonanthes-NardetumAssociatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras
Brede eikvaren + Gewone eikvaren T
20 Calluno-Ulicetea Klasse der droge heiden
20A Calluno-Ulicetalia Struikhei-orde
20AB Empetrion nigri Kraaihei-verbond
20AB02 PolypodioEmpetretum Associatie van Eikvaren en Kraaihei
Groot moerasscherm
07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen
07A Montio-Cardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen
07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
Moesdistel
Gewone veldbies
Gevlekte orchis en Bosorchis
T
T
+
Apium nodiflorum
Verbond
Orde
Klasse
T
16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
Beemdkroon
Luzula campestris
Positieve aandachtsoort
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
Moerasstreepzaad
Cirsium oleraceum
Polypodium interjectum Polypodium vulgare
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Crepis paludosa
16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge
16 Molinio-Arrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
T
94
Chrysosplenium alternifolium
Scrophularia auriculata
Moerasmuur
Verspreidbladig goudveil
Geoord helmkruid
T
07A Montio-Cardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen
07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
T
07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen
07A Montio-Cardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen
07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
T
07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen
07A Montio-Cardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen
07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
07AA02 Pellio epiphyllaeChrysosplenietum oppositifolii Associatie van Paarbladig goudveil
07A Montio-Cardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen
07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
07AA02 Pellio epiphyllaeChrysosplenietum oppositifolii Associatie van Paarbladig goudveil
Equisetum telmateia
Reuzenpaardenstaart
T
07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen
Equisetum fluviatile
Holpijp
T
08
Phragmitetea Riet-klasse
Rorippa nasturtiumaquaticum
Witte waterkers
T
08
Phragmitetea Riet-klasse
08A Nasturtio-Glycerietalia Vlotgras-orde
08AA SparganioGlycerion Vlotgras-verbond 08AB Oenanthion aquaticae Watertorkruidverbond
Butomus umbellatus
Zwanenbloem
Eleocharis palustris Gewone waterbies
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Positieve aandachtsoort
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Stellaria uliginosa
07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen
T
08
Phragmitetea Riet-klasse
08A Nasturtio-Glycerietalia Vlotgras-orde
T
08
Phragmitetea Riet-klasse
08B orde
08AB02 SagittarioSparganietum Associatie van Egelskop en Pijlkruid
Phragmitetalia Riet-
95
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Positieve aandachtsoort
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Moeraswalstro
T
08
Phragmitetea Riet-klasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
Galium palustre
Carex vulpina
Voszegge
T
08
Phragmitetea Riet-klasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge
Carex acuta
Scherpe zegge
T
08
Phragmitetea Riet-klasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge
08BC02 Caricetum gracilis Associatie van Scherpe zegge
Carex vesicaria
Blaaszegge
T
08
Phragmitetea Riet-klasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge
08BC03 Caricetum vesicariae Blaaszegge-associatie
Scutellaria galericulata
Blauw glidkruid
T
08
Phragmitetea Riet-klasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
08BD Caricion elatae Verbond van Stijve zegge
Stellaria palustris
Zeegroene muur
T
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
Agrostis canina
Moerasstruisgras
T
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09A Caricetalia nigrae Orde van Zwarte zegge
09AA Caricion nigrae Verbond van Zwarte zegge
Veronica scutellata
Schildereprijs
T
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09A Caricetalia nigrae Orde van Zwarte zegge
09AA Caricion nigrae Verbond van Zwarte zegge
Taraxacum Palustria
Moeraspaardenbloemen
T
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde
09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond
Rietorchis
T
09
09B
09BA
Dactylorhiza
sectie
Parvocaricetea Klasse
Caricetalia davallianae
09AA03 Carici curtaeAgrostietum caninae, Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge
Caricion davallianae
96
s.
Galium uliginosum
Ruw walstro
Knopbies-orde
Knopbies-verbond
T
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde
09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond
28A Nanocyperetalia Dwergbiezen-orde
28AA Nanocyperion flavescentis Dwergbiezenverbond
Juncus articulatus
Zomprus
T
Thalictrum flavum
Poelruit
T
32 Convolvulo-Filipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
Filipendula ulmaria
Hydrocharis morsus-ranae
Dotterbloem
Moerasspirea
Kikkerbeet
T
32 Convolvulo-Filipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
32A Filipenduletalia Moerasspirea-orde
Associatie
Verbond
der kleine zeggen
28 Isoeto-Nanojuncetea Dwergbiezen-klasse
Caltha palustris
Orde
Klasse
Positieve aandachtsoort
Ned. naam
Wetenschappelijke naam majalis praetermissa
32AA Filipendulion Moerasspirea-verbond
32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan 32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan
T
32 Convolvulo-Filipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
32A Filipenduletalia Moerasspirea-orde
32AA Filipendulion Moerasspirea-verbond
T
05 Potametea Fonteinkruiden-klasse
05B Nupharo-Potametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
05BB Hydrocharition morsus-ranae Kikkerbeetverbond
05C Callitricho-Potametalia/ Orde van Haaksterrekroos en Grote waterranonkel
05CA Ranunculion peltati Verbond van Grote waterranonkel
05CA01 CallitrichoHottonietum Associatie van Waterviolier en Sterrekroos
17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde
17AA Trifolion medii Marjolein-verbond
17AA01 Rubo-Origanetum Associatie van Dauwbraam en
Hottonia palustris
Waterviolier
T
05 Potametea Fonteinkruiden-klasse
Lathyrus sylvestris
Boslathyrus
T
17 Trifolio-Geranietea sanguinei Marjolein-klasse
97
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Positieve aandachtsoort
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
Marjolein
Hypericum dubium
Kantig hertshooi
T
17 Trifolio-Geranietea sanguinei Marjolein-klasse
17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde
17AA Trifolion medii Marjolein-verbond
17AA01 Rubo-Origanetum Associatie van Dauwbraam en Marjolein
98
Glyceria maxima
Liesgras
T
M08
08 Phragmitetea Rietklasse
Glyceria fluitans
Mannagras
T
M08A
08 Phragmitetea Rietklasse
08A NasturtioGlycerietalia Vlotgras-orde
P28AA
28 Isoeto-Nanojuncetea Dwergbiezen-klasse
28A Nanocyperetalia Dwergbiezen-orde
R32AA01
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
32A Filipenduletalia Moerasspirea-orde
32AA Filipendulion Moerasspirea-verbond
32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje
32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje
01A Lemnetalia minoris Eendekroos-orde
Juncus effusus
Phalaris arundinacea
Pitrus
Rietgras
T
T
Calystegia sepium
Haagwinde
T
R32BA
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
Lemna minor
Klein kroos
T
W01A
01 Lemnetea minoris Eendekroos-klasse
Glyceria species
Vlotgras (G)
T
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Ned. naam
Negatieve aandachtsoort
Lijst van de negatieve aandachtsoorten (T:TRUE = WAAR) waargenomen in de karteringsperiodes van 2014 en/of 1990 en de vegetatiegemeenschap waarbinnen ze thuishoren
Wetenschappelijke naam
Tabel 6
28AA Nanocyperion flavescentis Dwergbiezen-verbond 32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan
99
1 12 3 5 15 5 4 2 10
5 1 4 6 4 2 4 10
9 3 4 12 4 2 5 9
52 6 2 6 8 9 4 4 17
5 39 5 5 4 10 3 4 2 9
6 80 12 4 7 16 11 5 6 24
7 46 6 1 4 7 7 3 3 14
8 38 4 1 5 5 4 1 3 15
1 1
1
1 1 2 7
1 1
1 6
1
1
Indicatoren voor Tandzaadklasse Indicatoren voor Natte Strooiselruigte Indicatoren voor nitrofiele zomen Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water) Aantal Rode Lijst-soorten Positieve aandachtsoorten Negatieve aandachtsoorten SLEUTELSOORTEN
1 1 9 5 1 1 11 5 14 6,11
3 5
7 2
3 5
5
4
2
1 8
1 9
4 2
6 4 1
5 8 6
1 5 6
1 1 5
1 1
1
7,46 6,88 6,63
5,8 6,54 6,84 6,96
4 11 5,89 7,47 7,11 6,66
13 2 15 5,91 6,61 6,65 6,49
8 1 6,3 7,07 6,94 6,27
19 1 19 5,74 6,87 6,62 6,47
13 1 13 5,85 6,54 6,65 6,47
4 5,43 6,3 6,83 7,19
4
8
8
Ellenberg gem. Stikstof
Ellenberg gem. Zuur
Ellenberg gem. Vocht
Ellenberg gem. Licht
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Kleine zeggenindicatoren
Rietklasseindicatoren
1
Bronbeekindicatoren
1
Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
Glanshavergraslandindicatoren
Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
4
Dotterbloemgraslandindicatoren
45
Aantal Oudbosplanten
3
Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten
37
Kalk - afreatofyten
2
Obligaat freatofieten
54
Natte obligate freatofyten
Soortenaantal
1
Hydrofyten
Karteringseenheden
Tabel 7 Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsooten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 2014
100
Soortenaantal
Natte obligate freatofyten Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten Aantal Oudbosplanten Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
55 5 3 6 8 5 3 2 17 1 2
10 91 6 2 8 8 11 5 5 19 4 2
11 51 7 3 5 10 7 3 5 14
12 49 16 3 5 19 2 4 5
13 49 9 4 5 13 4 4
14 43 7 3 5 10 2
15 66 1 13 4 7 17
16 62 2 15 5 4
17 51 1 11 3 5
Aantal Rode Lijst-soorten Positieve aandachtsoorten Negatieve aandachtsoorten SLEUTELSOORTEN
1 8 4 1 9 2 11 5,98 6,74 6,78 6,59
2 2 6 7 1 14 1 15 5,75 6,29 6,49 6,48
1 2 4 7 4 1 13 1 13 5,71 6,87 6,74 6,56
6 1 2 10 10 2 9 3 11 6,21 8,24 6,85 6,36
5 11 1 3 5 5 4 1 12 1 12 5,91 7,08 6,67 6,45
4 2 11 2 2 7 3 1 8 3 10 6,14 6,94 6,62 6,58
7 4 6 13 1 1 4 6 9 6 1 1 15 4 19 5,95 7,32 6,78 6,87
20 2 5 5 7 1 1 2 9 2 9 3 2 1 11 4 13 6,37 7,61 6,86 6,41
14 4 4 5 9 1 3 4 1 9 3 1 1 11 4 13 6,03 7,59 6,75 6,45
1 1 1 1
1
Ellenberg gem. Stikstof
Ellenberg gem. Zuur
Ellenberg gem. Vocht
Ellenberg gem. Licht
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Kleine zeggenindicatoren
Rietklasseindicatoren
Bronbeekindicatoren
Indicatoren voor nitrofiele zomen
2
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
Hydrofyten
Karteringseenheden
9
101
Natte obligate freatofyten Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten Aantal Oudbosplanten Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
Soortenaantal
50 9 3 5 12 4 5 4 13
19 58 15 4 3 19 2 5 5 5 6
20 38 6 3 4 9 3 4 2 6 1
21 23 7 2 2 9 1 2 1 2 1
22 27 1 10 2 2 12 2 1
23 9 1 5 1 6 1
24 70 3 12 4 6 16 4 6 4 12
25 34 1 7 3 4 10 1 3 2 5 3
26 25 1 7 1 4 8 2 3 1 2
Bronbeekindicatoren Rietklasseindicatoren Kleine zeggenindicatoren
Indicatoren voor Tandzaadklasse Indicatoren voor Natte Strooiselruigte Indicatoren voor nitrofiele zomen
2 2 2 1 1 9 2
1 1 10 1 2 11 3
2 8
1 5
4 7
1 3
1 1 7 1
1
12 4 2 1
8 2 1 1
6 1 1
10 2 12 6,08 7,31 6,52 6,36
9 5 13 6,6 7,49 6,76 6,52
3 6 2 8 6,23 7 6,75 6,85
8 2 5 3 7 7 7,76 7,13 6,33
6 2 2 5 6 6,92 8,2 6,83 6,24
2 2 6,67 9,22 7 6
13 6 18 6,09 7,54 6,56 6,4
3 2 5 6,21 7,62 6,89 6,54
2 2 6,63 7,94 6,92 6,73
1
1
1 2
Ellenberg gem. Stikstof
Ellenberg gem. Zuur
Ellenberg gem. Vocht
Ellenberg gem. Licht
Aantal Rode Lijst-soorten
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)
SLEUTELSOORTEN
2
Negatieve aandachtsoorten
2
Positieve aandachtsoorten
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
1
Glanshavergraslandindicatoren
Hydrofyten
Karteringseenheden
18
102
Soortenaantal Hydrofyten Natte obligate freatofyten Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten Aantal Oudbosplanten Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond Bronbeekindicatoren Rietklasseindicatoren
63 1 14 4 6 18 2 5 6 10 1 1 2 9
28 40 1 13 4 4 17 1 3 5 3
29 26
30 4 1
31 43 4
32 13 1
33 50 2
34 52
35 76 12
1 1
4 1 3 4 7
1 1
2 5 4 1 2 1 3 9
5 1 4 6 3 1 3 10 1
9 4 4 13 1 5 2 7 11 1
3
3 1
2 2
1 4
SLEUTELSOORTEN
2 11 2 2 8 5 12 6,25 7,68 6,7 6,28
10 2 1 8 4 11 6,35 7,97 6,95 6,13
1 2 7,08 5,24 6,13 5,65
5,75 5,67 7,67 6,75
2 6,65 5,89 6,1 6,12
5,92 5,38 6,14 6,17
1
2
1
1 5 1
4 4 2 1 3 6,91 6,07 6,15 5,78
5 6 3 1 4 5,93 6,53 6,79 6,79
9 6 5 3 8 6,57 6,7 6,66 6,19
1 1
Ellenberg gem. Stikstof
Ellenberg gem. Zuur
Ellenberg gem. Vocht
Ellenberg gem. Licht
Aantal Rode Lijst-soorten
Negatieve aandachtsoorten
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Positieve aandachtsoorten
3
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)
1
Indicatoren voor nitrofiele zomen
3
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
9
Indicatoren voor Tandzaadklasse
1
Kleine zeggenindicatoren
Karteringseenheden
27
103
Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten Aantal Oudbosplanten Dotterbloemgraslandindicatoren
Soortenaantal
38 4 3 4 3 1
37 44 3 1 1 4 2 1
38 36 5 4 4 9 1 2
39 79 11 6 4 17 3 4
40 44 8 4 3 12 3
41 37 2 2
42 31 4 1
43 31 3
44 47 14
Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
1 10 2 1
9 2
1 3 2 2
3 13 2 3
6 9 3
2 2 2 8
3 5 1 4 2
1 2 4 1 3 6 3
6 4 20 3 1 1 3
1 6 2
1 2
1
1
1 1
2 5 3 4
1 4 5 4
4 8 1 4
11 5 2 13
6 2 3 12
3 2
5 4
11
1
2
2 8 2 1
2 6 6,03 6,67 6,86 6,55
4 5,73 6,41 6,71 6,39
2 5 6,76 7,31 6,11 5,78
5 17 6,27 7,12 6,51 6,13
10 6,26 6,85 6,67 5,77
2 2 6,94 5,83 6,44 6,1
2 2 6,4 6,37 7 6,66
2 2 4 6,5 6,17 5,93 5,88
10 4 11 6,91 7,77 6,52 5,97
Ellenberg gem. Stikstof
Ellenberg gem. Zuur
Ellenberg gem. Vocht
Ellenberg gem. Licht
SLEUTELSOORTEN
3
Negatieve aandachtsoorten
1
Aantal Rode Lijst-soorten
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Kleine zeggenindicatoren
Positieve aandachtsoorten
5
Indicatoren voor nitrofiele zomen
9
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
1
Rietklasseindicatoren
Bronbeekindicatoren
Glanshavergraslandindicatoren
Obligaat freatofieten
Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
1
Natte obligate freatofyten
Hydrofyten
Karteringseenheden
36
104
Soortenaantal
Natte obligate freatofyten Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten Aantal Oudbosplanten Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
61 2 1 3 3 3 3 1 7 6 1
46 57 2 2 5 4 2 3 1 8 10 2
47 39 4 1 3 5 1 1 4 4 1
48 4 1
49 40 1
50 19
51 42 1 11 5 4 16
52 42 1 12 6 2
53 23 2 14 3 1
2 1 2
2 5 3
18 9 3 2
17 5 1
2 11 6
3 1
3 2
3 7
1 10
1
1
8
1
Positieve aandachtsoorten Negatieve aandachtsoorten SLEUTELSOORTEN
5 4 1 6 2 8 6,42
5 2 2 7 2 9
7 4 3 3 6
2
4 9 1 1 9 5 13 6,51 7,9 6,95 5,94
6 1 1 8 4 11 6,95 7,85 6,24 5,51
5 1 7 4 9 7,04 9,09 6,62 5,35
2
1
2 1
1 3 1
2
Ellenberg gem. Stikstof
Ellenberg gem. Zuur
Ellenberg gem. Vocht
Ellenberg gem. Licht
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water) Aantal Rode Lijst-soorten
2
Indicatoren voor nitrofiele zomen
1
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Kleine zeggenindicatoren
Rietklasseindicatoren
Bronbeekindicatoren
Hydrofyten
Karteringseenheden
45 6 6,22 6,2
6,4 6,1 6,5 6,38
6,6 6,35 6,89 6,7
5,75 6 7,33 7
4 5,61 5,85 6,19 6,5
7 5,43 6 6,33
105
Natte obligate freatofyten Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten
Soortenaantal
45 11 6 1 17
55 58 16 5 4 21 3 4 3 4
56 31 5 1 4 6 1 1 1 1 3
57 37 2 1 3 3 1 2 8 5
58 50 1 2 3 3 8 7
59 4 1
60 69 3 19 6
61 34 1 12 4
62 35 8 5
3
3
3 9
1
1
Bronbeekindicatoren Rietklasseindicatoren Kleine zeggenindicatoren
9 2 1 7 1
3
3
2
25 6 3 1 4 6 12
16 2 3 1 2 1 10
13 1 4 2 3 2 7 4 2
13 1 1 12
4 1 1 4
1
1
1 3 13 3 14 6,83 7,68 6,19 5,31
10 6 13 6,67 8,18 6,63 5,93
2 3 2 4 6,9 7,03 6 5,89
7 3 2 1 3 6,24 6,31 6,47 6,4
4 8 2 1 3 6,21 5,8 6,74 6,63
5,33 6 8 5,5
8 1
3
3 10 2
2 8 1
1
1
Ellenberg gem. Stikstof
Ellenberg gem. Zuur
Ellenberg gem. Vocht
Ellenberg gem. Licht
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)
SLEUTELSOORTEN
1
Negatieve aandachtsoorten
2
Positieve aandachtsoorten
6
Aantal Rode Lijst-soorten
Indicatoren voor nitrofiele zomen
Indicatoren voor Tandzaadklasse Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
1
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
2
Glanshavergraslandindicatoren
Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
Dotterbloemgraslandindicatoren
Aantal Oudbosplanten
Hydrofyten
Karteringseenheden
54
13 6 15 6,88 7,97 6,33 5,69
6 5 9 6,94 8,23 6,84 6,26
5 3 7 6,87 7,63 6,67 6,34
106
Soortenaantal
Natte obligate freatofyten Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten
76 6 3 2 9
64 30 7 4 2 11
65 4 1 1 1
66 23 2 14 4 3
67 8 2 2
3
12 2
14 6 2
68 43 4 1 4 5 4 2
69 53 3 1 3 4 4 5
70 58 11 7 4 18 5 4
71 18 5 5 1 10 2 2
1
4 4 1
2 3 1
2 1
1 13
12 1
9 11
5 4
1
1
1
1 7
7
6
4 5 3
1 4 5 1 8 1 9 5,51 6,42 6,71 6,53
7 4 2 8 3 11 6,41 6,05 6,43 5,84
10 4 7 4 9 6,57 7,6 6,51 6,23
3 2 5 6,82 9,41 6,77 5,8
1 1 7 4
5 2
1 3
1 2
1
4 1
1 1 5 4 7 6,02 6,47 6,42 6,16
4 2 5 6,97 7,85 6,38 5,93
5,33 8,5 6,33 7
Ellenberg gem. Stikstof
Ellenberg gem. Zuur
Ellenberg gem. Vocht
Ellenberg gem. Licht
SLEUTELSOORTEN
1
Negatieve aandachtsoorten
1
Positieve aandachtsoorten
Aantal Rode Lijst-soorten
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)
Indicatoren voor nitrofiele zomen
7
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
6
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Kleine zeggenindicatoren
Rietklasseindicatoren
Bronbeekindicatoren
Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
2
Glanshavergraslandindicatoren
Dotterbloemgraslandindicatoren
2
Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
Aantal Oudbosplanten
Hydrofyten
Karteringseenheden
63
6 3 7 7,14 8,65 6,38 5,65
2 2 4 7,15 8,38 6,63 5,75
107
Soortenaantal
34
73 1 1
74 2 1
75 32
76 9
77
Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten
3 2 3 5
7 5
1 6 1 7
16 2 9 2 11
78 2 1 1 1 1 1 1 1 7 10 0 6,5
79 2 1 1 1 1 1 1 1 7 10 0 6,5
80 8 1 2 2 2 7,14 7,71 5 5,83
1 2
3
Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
2 1 1 2
12 3
1 4
3 2
1
1 1
4
1
2
9
2
7
1
6
2
1
1 1
3 1 1
1
Negatieve aandachtsoorten SLEUTELSOORTEN
1 2 1 3 6,42
1 1 1
1 1 1
1 6
3
Ellenberg gem. Stikstof
Ellenberg gem. Zuur
Ellenberg gem. Vocht
Ellenberg gem. Licht
Positieve aandachtsoorten
5
Aantal Rode Lijst-soorten
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)
Indicatoren voor nitrofiele zomen
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Kleine zeggenindicatoren
Rietklasseindicatoren
Bronbeekindicatoren
Dotterbloemgraslandindicatoren
Aantal Oudbosplanten
Natte obligate freatofyten
Hydrofyten
Karteringseenheden
72 7,08 6,47 5,46
7 11 0 6
7 11 0 6
2 5 6,91 7,89 6,58 5,88
2 2 7,33 9 6,2 6,11
3 5 6,69 9,31 6,67 6
108
Soortenaantal
1
82 13
83 6 3
84 44 8
85 14
87 34 7
88 42 6
89 11 2
96 38 2
2 4 2
4 1 6
2 3
5 12
2 7
3 3 9
5 1 1
12 3 6 1
2
3 1 2 5 2 4
3 2 4 4 1 5
6 1 3
15 3 6
2 1
3
3
4
2 1
4 7 1
1 4 1 1
1
4 1
1 1
5 7
3 2
7 10
6 2
7 3
1
1 1
1 1
1 1
1
2
1
1
4
6
1
Ellenberg gem. Zuur Ellenberg gem. Stikstof
1
5
Ellenberg gem. Vocht
1
Ellenberg gem. Licht
2
SLEUTELSOORTEN
Negatieve aandachtsoorten
Positieve aandachtsoorten
Aantal Rode Lijst-soorten
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)
Indicatoren voor nitrofiele zomen
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Kleine zeggenindicatoren
Rietklasseindicatoren
Bronbeekindicatoren
Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
Glanshavergraslandindicatoren
Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
Dotterbloemgraslandindicatoren
Aantal Oudbosplanten
Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten
Kalk - afreatofyten
Obligaat freatofieten
Natte obligate freatofyten
Hydrofyten
Karteringseenheden
81 0 0 0 0
6,5 9 6,71 6,33
5,83 8,8 7 7,2
8 6,46 7,19 6,96 6,66
7,36 5,91 6,33 6,25
3 3 6 6,94 7,03 6,94 6,77
6 3 9 6,64 7,16 6,57 6,38
2 1 3 6,64 9,18 6,75 6,56
8 3 10 6,53 8,27 6,78 6,19
109
Soortenaantal Hydrofyten Natte obligate freatofyten Obligaat freatofieten Kalk - afreatofyten Som Obligaat freatofyten + Natte Obligaat freatofyten
34 1 4 4 2 8
Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
4 1 3 2 1
Indicatoren voor Tandzaadklasse Indicatoren voor Natte Strooiselruigte Indicatoren voor nitrofiele zomen Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse (Eutroof water) Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)
4 2 3 1 1
Negatieve aandachtsoorten SLEUTELSOORTEN
4 3 7 6,94 7,24 5,56
Ellenberg gem. Stikstof
Ellenberg gem. Zuur
Ellenberg gem. Vocht
Ellenberg gem. Licht
Positieve aandachtsoorten
Aantal Rode Lijst-soorten
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
3
Kleine zeggenindicatoren
Rietklasseindicatoren
Bronbeekindicatoren
Dotterbloemgraslandindicatoren
Aantal Oudbosplanten
Karteringseenheden
97 5,52
110
Som obligate freatofyten
Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten
Oud bos indicatoren Dotterbloemgraslandindicatoren
Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
Kleine zeggenvegetatieindicatoren Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
8 55 1 1 2 1 2 4 11 2 2 1 1
9 49 2 2 2 0 3 4 11 1 1
10 22 1 1 1 0 1 1 1 4 1
14 28 3 1 2 1 1 1 6 2
2 1 1 6 3 6,83 5,45 6,19 6,45
1 5 2 6,69 5,46 6,59 6,54
1 3 1 6,8 5,71 7 6,88
1 3 2 7,15 6,26 6,58 6,25
1 2
Ellenberg_Stikstof
Ellenberg_Zuur
Ellenberg_Vocht
Ellenberg_Licht
Negatieve aandachtsoorten
Positieve aandachtsoorten
Telling van Rode Lijst
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Indicatoren voor nitrofiele zomen
1
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
Rietklasseindicatoren
Bronbeekindicatoren
Elzenbroekbosindicatoren
Kalk-afreatofyten
Natte obligate freatofyten
Hydrofyten
Aantal soorten
Karteringseenheid
Tabel 8 Totaaltabel met soortaantal, Freatofyten, abundantie van indicatorklassen, aandachtsooten en Ellenbergwaarden voor alle karteringseenheden van vegetatiekartering 1990.
Belangrijke opmerking: 1/ de karteringseenheden van de vegetatiekartering in 1990 stemmen (meestal) niet overeen met de karteringseenheden bepaald tijdens dit project (2014) én 2/ voor een aantal zones binnen het kerngebied werden in 1990 geen vegetatieopnames uitgevoerd door plantenwerkgroep Wellemeersen.
111
Som obligate freatofyten
56 3
19 91 17
20 68 7
21 65 14
24 54 11
25 107 26
26 57 14
27 67 15 1 12 5 10 2 3 6
4 3 5 3 2
2 11 3 9
7 4 9
3 18 8
2 9
8 2 7 3 2 1 1 1
3 10 11 4 1 1 9 1
3 2 4 10 4 2 3 1
2 7 2 4 9 5 7 1
4 3 6 3 9 2 1 1 3
13 5 0 9 5 4 10 5 1 13 2 1
5 6 1 0 4 1 10 4 5 1
7 9 3 1 6 3 5 3
3 3
Indicatoren voor nitrofiele zomen
2 6
2 3 3 6
1 7 3
3 6
7 9
5 10 6 1 2
1 4 4 4 1 1
1 6 6 4
1 1
1 1
1
1
4
Ellenberg_Stikstof
Ellenberg_Zuur
Ellenberg_Vocht
Ellenberg_Licht
Negatieve aandachtsoorten
Positieve aandachtsoorten
Telling van Rode Lijst
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water
Indicatoren voor Tandzaadklasse Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
1
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Elzenbroekbosindicatoren
Kleine zeggenvegetatieindicatoren
3
Rietklasseindicatoren
Dotterbloemgraslandindicatoren
1
Bronbeekindicatoren
Oud bos indicatoren
3
Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
Kalk-afreatofyten
3
Zilverschoongraslandindicatoren
Vochtige niet-obligate freatofyten
2
Glanshavergraslandindicatoren
Freatofyten
1
Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
Natte obligate freatofyten
Hydrofyten
Aantal soorten
Karteringseenheid
18 6,67 5,8 6,44 6,52
10 4 6,67 6,62 6,29 6,24
6 3 6,97 6,07 6,71 6,3
10 4 6,95 7,04 6,48 6,27
10 2 6,2 6,8 6,8 6,77
12 5 6,83 7,08 6,57 6,25
7 4 7,13 7,04 6,35 6,24
7 1 6,7 6,54 6,34 5,8
112
Som obligate freatofyten
Natte obligate freatofyten Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten Kalk-afreatofyten Oud bos indicatoren Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
64 4 2 2 8 1 1 3 2 2 12 2 2
29 53 8 5 3 8 4 3 5 3 3 9 3
30 36 5 3 2 4 2 1 3 2 5 5
31 50 8 4 4 9 2 1 4 2 2 8 3 2
34 67 16 5 14 2 11 2 1 5 3 1 9 3 1
35 58 10 2 6 4 11 3 3 5 4 6 6 2
36 20 5 4 1 3 3 0 2 2
37 49 11 6 5 10 4 2 6 4 7 2 2
Indicatoren voor nitrofiele zomen
2 7
1 6
1 1
1 2 1 1
1 10 1 1
1 4 2 1
4
1 3 4 6,85 6 6,55 6,45
6 7 3 6,65 6,74 6,35 6,56
6 5 4 2 6,62 6,52 6,83 7,2
3 7 5 6 3 6,81 6,76 6,18 6,39
1 6 6 1 4 7 4 6,69 7,52 6,63 6,43
8 5 1 1 10 3 6,61 7,06 6,47 6,37
4 4 3 1 2 6,71 7,81 7,09 7,33
4 7 4 8 3 6,41 7,3 6,57 6,43
1
Ellenberg_Stikstof
Ellenberg_Zuur
Ellenberg_Vocht
Ellenberg_Licht
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Negatieve aandachtsoorten
1
Positieve aandachtsoorten
2
Telling van Rode Lijst
1
Kleine zeggenvegetatieindicatoren
1
Rietklasseindicatoren
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
1
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Bronbeekindicatoren
Hydrofyten
Aantal soorten
Karteringseenheid
28
113
Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten
8 5 10
39 39 5 2 3 8
40 38 2 1 1 5
41 49 2 2
42 26 1
43 50 3
44 42
45 69 2 1 6
1 3
2 1
4 1
1 1
1 2 8
2 1 1
14 9 5
Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren
3 2 4 3
4 6 3
10 4 1
2 6 13 2 1
0 2 2 6 2 1
3 3 2 1 9 6 3
2 3 0 1 1 3 13 1 1
8 4 3 7 4 3 9 5 1
3 2
Indicatoren voor nitrofiele zomen
Positieve aandachtsoorten Negatieve aandachtsoorten
1 5 1 8 4 9 3 6,8 7,34 6,72 6,33
1 1 1 4 5 5 2 6,54 6,56 6,05 5,88
3 4 3 6,17 6,46 6,87 7,03
3 8 3 6,53 5,81 6,25 6,71
3 2 6,63 5,76 5,92 6,29
6,31 6,21 6,52 6,42
6,92 5,8 6,22 6,41
6,77 6,73 6,74 6,53
1
1 1
6 2
1
1
1
1 4 5 5
2 3 5 3
8 7 11
1 2
3
Ellenberg_Stikstof
Ellenberg_Zuur
Ellenberg_Vocht
Ellenberg_Licht
Telling van Rode Lijst
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
1
Kleine zeggenvegetatieindicatoren
1
Rietklasseindicatoren
1
Bronbeekindicatoren
Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
Elzenbroekbosindicatoren
Hydrofyten
Dotterbloemgraslandindicatoren
Natte obligate freatofyten
13
Oud bos indicatoren
Som obligate freatofyten
48
Kalk-afreatofyten
Aantal soorten
Karteringseenheid
38
114
Natte obligate freatofyten Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten Kalk-afreatofyten Oud bos indicatoren Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren
Som obligate freatofyten
74 8 5 3 11 5 5 4 1 16 10 1
49 36 8 5 3 8 3 3 4 3 5
51 47 4 1 3 7 1 1 3
55 41 7 3 4 5 4 3 3
57 52 13 9 4 11 3 2
58 45 6 2 4 8 2
59 84 16 10 6 16
60 52 3 2 1 6
1
1 4 8 2 1 1 2
8 3 7 3 4 1 4 7 3 9 3 6,46 7,26 6,72 6,43
1 3 3 4 7 1 2 6 5 6 3 6,56 6,73 6,61 6,71
5 4 5 3 15 7 5 6 11 4 10 4 6,59 6,97 6,77 6,48
3 3 2 2 8 4 1 1 6 8 5 2 6,3 6,24 6,65 6,88
3 1 3 1 1 7 5
1 1 2 1 1 6 3
1 3 3
5 4
1 1
4 1
1
1 10 2 6,34 6,28 6,44 6,08
8 2 6,24 7,27 6,57 6,37
5 2 6,7 6,03 6,56 6,38
9 1 6,14 6,97 6,43 6,61
Ellenberg_Stikstof
Ellenberg_Zuur
Ellenberg_Vocht
Ellenberg_Licht
Negatieve aandachtsoorten
1
Positieve aandachtsoorten
1
Telling van Rode Lijst
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Indicatoren voor nitrofiele zomen
1
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
1
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
3
Kleine zeggenvegetatieindicatoren
8
Rietklasseindicatoren
3
Bronbeekindicatoren
1
Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
Hydrofyten
Aantal soorten
Karteringseenheid
48
115
Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten Kalk-afreatofyten Oud bos indicatoren Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren
Som obligate freatofyten
37 1 1 5 2 2 2 1 4 9
64 43 8 4 4 7 4 4 3 4 9
65 40 10 7 3 7 2 1 6 3 5 1 2
66 79 22 13 9 14 4 3 7 5 6 8 4
69 52 7 4 3 7 2 6 4 3 11 4
70 26 10 7 3 5 1 0 3 2 1
71 50 11 8 3 9 3 0 7 3 2 8 3
72 51 10 5 5 9 3 4 8 3 7 7 4
1 1
8 1
1 3 1
1 5 1
1 4 1
1 2 1
1
Rietklasseindicatoren
Bronbeekindicatoren
Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
Zilverschoongraslandindicatoren
4 3 1 6,68 5,75 6,35 6,14
3 6 4 8 3 6,34 7 6,57 6,7
3 7 3 6 3 6,54 7,39 6,68 6,47
4 13 3 11 4 6,53 7,08 6,35 6,17
1 3 7 11 1 6,06 6,56 6,77 7,05
7 2 5 3 6,78 7,83 6,69 6,76
8 5 7 3 6,81 7,22 6,81 6,44
6 3 14 2 6,63 6,93 6,73 5,87
1 1
2
1
1
1
1 2
Ellenberg_Stikstof
Ellenberg_Zuur
Ellenberg_Vocht
Ellenberg_Licht
Telling van Rode Lijst
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
2
Kleine zeggenvegetatieindicatoren
Negatieve aandachtsoorten
1
Positieve aandachtsoorten
1
Indicatoren voor nitrofiele zomen
1
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
1
Natte obligate freatofyten
Hydrofyten
Aantal soorten
Karteringseenheid
61
116
Som obligate freatofyten
Natte obligate freatofyten Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten Kalk-afreatofyten Oud bos indicatoren
40 3 2 1 5 2 1
74 36 5 3 2 3
78 71 16 12 4 10
80 67 8 4 4 9
81 47 2 1 1 4
82 62 11 8 3 8
84 42 7 3 4
85 28 4 3 1 3 7 3 6 5 1 1
5 1 6 2 4 6 2 1
2 3 4 8 3 1
4 3 7 3 9 8 2
4 1 0 5 2 3 11 4
4 3 2 2 4 6 1
1 6 4 1
3 9 1 1 2
6
2 1 1
1
2
Negatieve aandachtsoorten
4 6 2 2 6,36 6,41 6,63 6,94
4 4 2 2 6,94 6,41 6,76 6,55
5 1 7 6
1 1 3 5 6 2 6,66 6,72 6,35 6,2
5 3 6 1 6,12 7,2 6,93 6,68
3 3 10 5 10 4 6,68 6,76 6,65 6,53
1 2 1 8 6 7 4 6,66 6,37 6,23 6,32
1 1 2 7 3 1 6,63 5,85 6,56 6,55
11 3 6,68 6,78 6,64 6,62
1
Ellenberg_Stikstof
Ellenberg_Zuur
Ellenberg_Vocht
Ellenberg_Licht
Telling van Rode Lijst
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water
Positieve aandachtsoorten
1
Indicatoren voor nitrofiele zomen
1
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Kleine zeggenvegetatieindicatoren
Rietklasseindicatoren
Bronbeekindicatoren
Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
Zilverschoongraslandindicatoren
4
Glanshavergraslandindicatoren
2
Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
0
Elzenbroekbosindicatoren
Dotterbloemgraslandindicatoren
Hydrofyten
Aantal soorten
Karteringseenheid
73
117
Som obligate freatofyten
Natte obligate freatofyten Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten Kalk-afreatofyten Oud bos indicatoren Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren
35 4 2 2 4 3 1 3 1 5 4 1
87 59 5 4 1 9 3 2 2 1 8 7 1 1
92 59 5 4 1 9 3 2 2 1 8 7 1 1
93 55 9 6 3 4 4 2 3 2 7 6 1
94 57 12 7 5 8 4 7 5 3 13 4 2
95 65 11 6 5 10 2 4 8 1 9 10 4 1
97 47 2 1 1 4 1 0 3 1 9 1 2
98 43 2 2 4 2 4 2 8 10 1 2
1 1
1
Negatieve aandachtsoorten
4 4 4 2 6,42 6,45 6,63 6,61
2 7 7 6 1 6,37 6,49 6,44 6,6
2 7 7 6 1 6,37 6,49 6,44 6,6
7 7 6 3 6,63 6,5 6,8 6,76
4 1 1
4 1 1 8 5 15 3 6,1 6,91 6,71 6,43
4 1 1 4 5 12 3 6,47 6,44 6,46 5,98
1 2 1 5 2 6,79 5,54 5,84 6,05
2 5 7 6,46 5,82 6,47 6,27
1
1
1
Ellenberg_Stikstof
Ellenberg_Zuur
Ellenberg_Vocht
Ellenberg_Licht
Telling van Rode Lijst
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Positieve aandachtsoorten
1
Indicatoren voor nitrofiele zomen
Kleine zeggenvegetatieindicatoren
1
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
Rietklasseindicatoren
Bronbeekindicatoren
Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
Hydrofyten
Aantal soorten
Karteringseenheid
86
118
Som obligate freatofyten
Natte obligate freatofyten Freatofyten Vochtige niet-obligate freatofyten Kalk-afreatofyten Oud bos indicatoren Dotterbloemgraslandindicatoren Elzenbroekbosindicatoren Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond Glanshavergraslandindicatoren Zilverschoongraslandindicatoren
38 6 5 1 7 3 2 4 3 6 3 2
100 70 16 10 6 10 4 8 7 3 17 4 2 2 6 2
101 44 5 3 2 6 2 5 5 1 8 3 1 2 1
102 68 14 10 4 10 4 7 7 5 15 5 2 4
103 35 4 2 2 4 3 2 3 1 3 5
104 53 10 8 2 11 4 3 7 4 8 4
105 52 6 1 4 2 5 1 0 3 1 4 10 2
108 69 10 1 7 3 7 5 3 6 3 11 5 1
7 4 5 3 6,47 7,09 6,71 6,77
8 4 17 3 6,08 6,96 6,55 6,3
1 3 3 8 2 6,3 6,41 6,62 6,51
2 7 5 16 3 6,16 6,84 6,73 6,39
1 4 4 5 2 6,5 6,32 6,65 6,57
4 8 4 8 3 6,49 6,95 6,73 6,42
5 4 4 2 6,84 6,26 6,34 6,26
10 8 10 2 6,44 6,48 6,95 6,68
2 1
2 1
1
1 1
1 1
Ellenberg_Stikstof
Ellenberg_Zuur
Ellenberg_Vocht
Ellenberg_Licht
Telling van Rode Lijst
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
Kleine zeggenvegetatieindicatoren
Negatieve aandachtsoorten
2
Positieve aandachtsoorten
1
Indicatoren voor nitrofiele zomen
3
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
1
Rietklasseindicatoren
Bronbeekindicatoren
Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
Hydrofyten
Aantal soorten
Karteringseenheid
99
119
119 1 2 4 6 3 6 5 2 10 2 1
6 2 9 3 6 4 3 10 1
6 5 1 5 3 1 4 3 3 6 1
4 2 2 6 1 1 3 2 13 4
1
0 2 1 1
3
1 2 1 3 4 4 3 6,76 6,88 6,7 6,89
1 1 1 3 6 4 3 6,82 5,84 6,57 6,45
0 0 0 0
4 4
7 3
Negatieve aandachtsoorten
12 1 5,8 6,56 6,33 6,29
10 3 6,15 7,27 6,73 6,52
Ellenberg_Stikstof
Ellenberg_Zuur
Ellenberg_Vocht
Ellenberg_Licht
Positieve aandachtsoorten
1
Telling van Rode Lijst
Indicatoren voor Eendenkroos-Klasse_Eutroof water Telling van Indicatoren voor Fonteinkruiden-Klasse_mesotroof water
Indicatoren voor nitrofiele zomen
2
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
Indicatoren voor Tandzaadklasse
Indicatoren voor Dwergbiezenklasse
1
Kleine zeggenvegetatieindicatoren
Rietklasseindicatoren
Bronbeekindicatoren
Indicatoren voor Klasse der droge graslanden op zandgrond
Hydrofyten
Zilverschoongraslandindicatoren
68
Glanshavergraslandindicatoren
114
Indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
39
Elzenbroekbosindicatoren
113
Dotterbloemgraslandindicatoren
8
Oud bos indicatoren
40
Kalk-afreatofyten
111
Vochtige niet-obligate freatofyten
6
Freatofyten
Som obligate freatofyten
39
Natte obligate freatofyten
Aantal soorten
Karteringseenheid
110
120
Ribes nigrum
Carex otrubae
Zwarte bes
Obligaat freatofyt
Valse voszegge
Obligaat freatofyt
Achillea ptarmica Wilde bertram
Obligaat freatofyt
Lychnis floscuculi
Echte koekoeksbloem
Obligaat freatofyt
Bosbies
Obligaat freatofyt
Scirpus sylvaticus
Persicaria bistorta
Stellaria uliginosa
Adderwortel
Moerasmuur
Obligaat freatofyt
Obligaat freatofyt
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Ned. naam
GrondNatte obligaat freatofyttr
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Hydrofyten en Freatofyten Wetenschappelijke naam
Tabel 9
B39AA02
41 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen
39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen
39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekbossen
G12BA
12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
12BA Lolio-Potentillion anserinae Zilverschoonverbond
G16AA01
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AA01 Cirsio dissectiMolinietum Blauwgrasland
G16AB
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond
G16AB05
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB05 Scirpetum sylvatici Bosbies-associatie
G16AB06
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge
M07AA
07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen
07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen
07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek
121
Verspreidbladig goudveil
Obligaat freatofyt
M07AA
07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen
07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen
07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
Equisetum telmateia
Reuzenpaardenstaart
Obligaat freatofyt
M07AA02
07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen
Mentha aquatica
Watermunt
Obligaat freatofyt
M08B
08 Phragmitetea Rietklasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
Carex vulpina
Voszegge
Obligaat freatofyt
M08BC
08 Phragmitetea Rietklasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge
Scutellaria galericulata
Obligaat freatofyt
M08BD
08 Phragmitetea Rietklasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
Blauw glidkruid
08BD Caricion elatae Verbond van Stijve zegge
Taraxacum sectie Palustria
Moeraspaardenbloemen
Obligaat freatofyt
M09BA
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde
Beklierde basterdwederik
Obligaat freatofyt
P27AA02
27 Saginetea maritimae Zeevetmuur-klasse
27A Saginetalia maritimae Zeevetmuur-orde
27AA Saginion maritimae Zeevetmuur-verbond
Bidens tripartita
Veerdelig tandzaad
Obligaat freatofyt
P29AA
29 Bidentetea tripartitae Tandzaad-klasse
29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde
29AA Bidention tripartitae Tandzaad-verbond
Obligaat
P29AA
29
29A
29AA
Bidentetea tripartitae
Bidentetalia
07AA02 Pellio epiphyllaeChrysosplenietum oppositifolii Associatie van Paarbladig goudveil
09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond
Epilobium ciliatum
Stellaria aquatica Watermuur
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
GrondNatte obligaat freatofyttr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Chrysosplenium alternifolium
07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen
27AA02 CentaurioSaginetum9 Associatie van Strandduizendguldenkruid en Krielparnassia
Bidention tripartitae
122
Poelruit
Lythrum salicaria Grote kattenstaart
Filipendula ulmaria
Tandzaad-klasse
Obligaat freatofyt
R32
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
R32AA01
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
R32AA01
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
Obligaat freatofyt
tripartitae Tandzaad-orde
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
GrondNatte obligaat freatofyttr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Thalictrum flavum
freatofyt
Tandzaad-verbond
32AA Filipendulion Moerasspirea-verbond
32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan
32A Filipenduletalia Moerasspirea-orde
32AA Filipendulion Moerasspirea-verbond
32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan
36A Salicetalia auritae Orde der wilgenbroekstruwelen
36AA Salicion cinereae Verbond der wilgenbroekstruwelen
36AA01 Salicetum auritae Associatie van Geoorde wilg
32A Filipenduletalia Moerasspirea-orde
Moerasspirea
Obligaat freatofyt
Salix aurita
Geoorde wilg
Obligaat freatofyt
S36AA01
36 Franguletea Klasse der wilgenbroekstruwelen
Lemna minor
Klein kroos
Hydrofyt
W01A
01 Lemnetea minoris Eendekroos-klasse
01A Lemnetalia minoris Eendekroos-orde
Lemna trisulca
Puntkroos
Hydrofyt
W01A
01 Lemnetea minoris Eendekroos-klasse
01A Lemnetalia minoris Eendekroos-orde
Ceratophyllum demersum
Grof hoornblad
Hydrofyt
W01AA
01 Lemnetea minoris Eendekroos-klasse
01A Lemnetalia minoris Eendekroos-orde
01AA Lemnion minoris Bultkroos-verbond
Potamogeton pectinatus
Schedefonteinkruid
Hydrofyt
W02AA
02 Ruppietea Ruppiaklasse
02A ZannichellioRuppietalia Ruppia-orde
02AA Ruppion maritimae Ruppia-verbond
123
Ranunculus aquatilis
Potamogeton crispus
Hydrocharis morsus-ranae
Ranunculus circinatus
Callitriche platycarpa
Aarvederkruid
Fijne waterranonkel
Gekroesd fonteinkruid
Kikkerbeet
Stijve waterranonkel
Gewoon sterrenkroos
Hydrofyt
Hydrofyt
Hydrofyt
Hydrofyt
Hydrofyt
Hydrofyt
W05
05 Potametea Fonteinkruiden-klasse
05B Nupharo-Potametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
W05
05 Potametea Fonteinkruiden-klasse
05B Nupharo-Potametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
W05
05 Potametea Fonteinkruiden-klasse
05B Nupharo-Potametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
W05BB
05 Potametea Fonteinkruiden-klasse
05B Nupharo-Potametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
05BB Hydrocharition morsus-ranae Kikkerbeetverbond
W05BC03
05 Potametea Fonteinkruiden-klasse
05B Nupharo-Potametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
05BC Parvopotamion Verbond der kleine fonteinkruiden
05 Potametea Fonteinkruiden-klasse
05C CallitrichoPotametalia/ Orde van Haaksterrekroos en Grote waterranonkel
05CA Ranunculion peltati Verbond van Grote waterranonkel
05C CallitrichoPotametalia/ Orde van Haaksterrekroos en Grote waterranonkel
05CA Ranunculion peltati Verbond van Grote waterranonkel
39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen
39AA Alnion glutinosae Verbond der
W05CA
Hottonia palustris
Waterviolier
Hydrofyt
W05CA01
05 Potametea Fonteinkruiden-klasse
Alnus glutinosa
Zwarte els
Kalkafreatofyt
B39AA
40 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
GrondNatte obligaat freatofyttr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Myriophyllum spicatum
05BC03 Ranunculetum circinati Associatie van Stijve waterranonkel
05CA01 CallitrichoHottonietum Associatie van Waterviolier en Sterrekroos
124
Primula elatior
Allium ursinum
Dactylorhiza maculata s. l.
Epilobium parviflorum
Gewone es
Slanke sleutelbloem
Daslook
Gevlekte orchis en Bosorchis
Kalkafreatofyt
Kalkafreatofyt
Kalkafreatofyt
Kalkafreatofyt
Viltige basterdwederik
Kalkafreatofyt
Eupatorium cannabinum Epilobium
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
GrondNatte obligaat freatofyttr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Fraxinus excelsior
elzenbroekbossen
B43A
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
B43A
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
B43AB01
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke 43AB Carpinion betuli grond Haagbeuken-verbond
43AB01 Stellario-Carpinetum Eiken-Haagbeukenbos
19AA Nardo-Galion 19A Nardetalia� Orde der saxatilis Verbond der heischrale graslanden heischrale graslanden
19AA02 Gentiano pneumonanthes-NardetumAssociatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras
27A Saginetalia maritimae Zeevetmuur-orde
27AA Saginion maritimae Zeevetmuur-verbond
27AA02 CentaurioSaginetum9 Associatie van Strandduizendguldenkruid en Krielparnassia
32B
32BA
G19AA02
19 Nardetea Klasse der heischrale graslanden
P27AA02
27 Saginetea maritimae Zeevetmuur-klasse
Koninginnenkruid
Kalkafreatofyt
R32
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
Harig wilgenroosje
Kalk-
R32BA
32
Convolvulo-
Convolvuletalia
Epilobion hirsuti
125
afreatofyt
Filipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
sepium Orde van Harig wilgeroosje
Verbond van Harig wilgeroosje
Hypericum dubium
Kantig hertshooi
Kalkafreatofyt
Z17AA01
17 Trifolio-Geranietea sanguinei Marjolein-klasse
17A Origanetalia vulgaris Marjolein-orde
17AA Trifolion medii Marjolein-verbond
Hypericum maculatum s.s.
Gevlekt hertshooi
Kalkafreatofyt
Amandelwilg
Natte obligaat freatofyt
B38AA
38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbossen en -struwelen
38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbossen en -struwelen
38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloedbossen en struwelen
Katwilg
Natte obligaat freatofyt
B38AA
38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbossen en -struwelen
38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbossen en -struwelen
38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloedbossen en struwelen
Schietwilg
Natte obligaat freatofyt
B38AA
38 Salicetea purpureae Klasse der wilgenvloedbossen en -struwelen
38A Salicetalia purpureae Orde der wilgenvloedbossen en -struwelen
38AA Salicion albae+ Verbond der wilgenvloedbossen en struwelen
Hangende zegge
Natte obligaat freatofyt
B43AA04
43 Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke 43AA Alno-Padion Verbond grond van Els en Vogelkers
Lidrus
Natte obligaat freatofyt
G16A
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
Salix triandra
Salix viminalis
Salix alba
Carex pendula
Equisetum palustre
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
GrondNatte obligaat freatofyttr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam hirsutum
17AA01 Rubo-Origanetum Associatie van Dauwbraam en Marjolein
43AA04 Carici remotaeFraxinetum GoudveilEssenbos
126
Gevleugeld hertshooi
Natte obligaat freatofyt
Moeraszegge
Natte obligaat freatofyt
Tweerijige zegge
Natte obligaat freatofyt
Moerasstreepzaad
Natte obligaat freatofyt
Moesdistel
Natte obligaat freatofyt
Ranunculus flammula
Egelboterbloem
Natte obligaat freatofyt
M06AC
06 Littorelletea Oeverkruid-klasse
06A Littorelletalia Oeverkruid-orde
06AC HydrocotyloBaldellion/ Verbond van Waternavel en Stijve moerasweegbree
Veronica
Beekpunge
Natte
M07AA
07
07A
07AA
Hypericum tetrapterum
Carex acutiformis
Carex disticha
Crepis paludosa
Cirsium oleraceum
G16A
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
G16AB
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond
G16AB
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond
G16AB
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB Calthion palustris Dotterbloem-verbond
G16AB06
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge
G16AB06
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge
Montio-Cardaminetea
Montio-
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
GrondNatte obligaat freatofyttr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Veldrus
Natte obligaat freatofyt
Juncus acutiflorus
Cardamino-Montion
127
Apium nodiflorum
Scrophularia auriculata
Rorippa amphibia Sparganium erectum s. erectum
Typha latifolia
Equisetum fluviatile
Glyceria maxima
Cardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen
obligaat freatofyt
Klasse der bronbeekgemeenschappen
Groot moerasscherm
Natte obligaat freatofyt
M07AA
07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen
07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen
07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
Geoord helmkruid
Natte obligaat freatofyt
M07AA02
07 Montio-Cardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappen
07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen
07AA Cardamino-Montion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
Gele waterkers
Natte obligaat freatofyt
M08
08 Phragmitetea Rietklasse
Grote egelskop s.s.
Natte obligaat freatofyt
M08
08 Phragmitetea Rietklasse
Grote lisdodde
Natte obligaat freatofyt
M08
08 Phragmitetea Rietklasse
Holpijp
Natte obligaat freatofyt
M08
08 Phragmitetea Rietklasse
Liesgras
Natte obligaat freatofyt
M08
08 Phragmitetea Rietklasse
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
GrondNatte obligaat freatofyttr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam beccabunga
Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
07AA02 Pellio epiphyllaeChrysosplenietum oppositifolii Associatie van Paarbladig goudveil
128
Alisma plantagoaquatica
Glyceria fluitans Rorippa nasturtiumaquaticum
Oenanthe fistulosa
Oenanthe aquatica
Butomus umbellatus
Iris pseudacorus
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
GrondNatte obligaat freatofyttr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Myosotis scorpioides
Moerasvergeet-mij-nietje
Natte obligaat freatofyt
M08
08 Phragmitetea Rietklasse
Grote waterweegbree
Natte obligaat freatofyt
M08A
08 Phragmitetea Rietklasse
08A Nasturtio-Glycerietalia Vlotgras-orde
Mannagras
Natte obligaat freatofyt
M08A
08 Phragmitetea Rietklasse
08A Nasturtio-Glycerietalia Vlotgras-orde
Witte waterkers
Natte obligaat freatofyt
M08AA
08 Phragmitetea Rietklasse
08A Nasturtio-Glycerietalia 08AA Sparganio-Glycerion Vlotgras-orde Vlotgras-verbond
Pijptorkruid
Natte obligaat freatofyt
M08AB
08 Phragmitetea Rietklasse
08AB Oenanthion 08A Nasturtio-Glycerietalia aquaticae WatertorkruidVlotgras-orde verbond
Watertorkruid
Natte obligaat freatofyt
M08AB01
08 Phragmitetea Rietklasse
08AB Oenanthion 08A Nasturtio-Glycerietalia aquaticae WatertorkruidVlotgras-orde verbond
08AB01 RorippoOenanthetum aquaticae Watertorkruid-associatie
Zwanenbloem
Natte obligaat freatofyt
M08AB02
08 Phragmitetea Rietklasse
08AB Oenanthion 08A Nasturtio-Glycerietalia aquaticae WatertorkruidVlotgras-orde verbond
08AB02 SagittarioSparganietum Associatie van Egelskop en Pijlkruid
Gele lis
Natte obligaat freatofyt
M08B
08 Phragmitetea Rietklasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
129
Galium palustre
Rumex hydrolapathum
Carex pseudocyperus
Phragmites australis
Carex riparia
Carex acuta
Carex vesicaria
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
GrondNatte obligaat freatofyttr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Eleocharis palustris
M08B
08 Phragmitetea Rietklasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
Gewone waterbies
Natte obligaat freatofyt
Moeraswalstro
Natte obligaat freatofyt
M08B
08 Phragmitetea Rietklasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
M08BA
08 Phragmitetea Rietklasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
Waterzuring
Natte obligaat freatofyt
M08BA02
08 Phragmitetea Rietklasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
Hoge cyperzegge
Natte obligaat freatofyt
08BA Cicution virosae Waterscheerling-verbond
08BA02 Cicuto-Caricetum pseudocyperi1 Associatie van Waterscheerling en Hoge cyperzegge
Riet
Natte obligaat freatofyt
M08BB04
08 Phragmitetea Rietklasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
08BB Phragmition australis Riet-verbond
08BB04 TyphoPhragmitetum Riet-associatie
Oeverzegge
Natte obligaat freatofyt
M08BC01
08 Phragmitetea Rietklasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge
08BC01 Caricetum ripariae Oeverzegge-associatie
M08BC02
08 Phragmitetea Rietklasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
Scherpe zegge
Natte obligaat freatofyt
08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge
08BC02 Caricetum gracilis Associatie van Scherpe zegge
Blaaszegge
Natte obligaat freatofyt
M08BC03
08 Phragmitetea Rietklasse
08B orde
Phragmitetalia Riet-
08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge
08BC03 Caricetum vesicariae Blaaszeggeassociatie
08BA Cicution virosae Waterscheerling-verbond
130
M09
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
GrondNatte obligaat freatofyttr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Stellaria palustris Zeegroene muur
Natte obligaat freatofyt
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen 09AA03 Carici curtaeAgrostietum caninae, Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge
Schildereprijs
Natte obligaat freatofyt
M09AA03
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09A Caricetalia nigrae Orde van Zwarte zegge
09AA Caricion nigrae Verbond van Zwarte zegge
Ruw walstro
Natte obligaat freatofyt
M09BA
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde
09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond
Samolus valerandi
Waterpunge
Natte obligaat freatofyt
M09BA
06 Littorelletea Oeverkruid-klasse
06A Littorelletalia Oeverkruid-orde
06AC HydrocotyloBaldellion/ Verbond van Waternavel en Stijve moerasweegbree
Ranunculus sceleratus
Blaartrekkende boterbloem
Natte obligaat freatofyt
P29AA
29 Bidentetea tripartitae Tandzaad-klasse
29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde
29AA Bidention tripartitae Tandzaad-verbond
Zwart tandzaad
Natte obligaat freatofyt
P29AA
29 Bidentetea tripartitae Tandzaad-klasse
29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde
29AA Bidention tripartitae Tandzaad-verbond
Persicaria mitis
Zachte duizendknoop
Natte obligaat freatofyt
P29AA01
29 Bidentetea tripartitae Tandzaad-klasse
29A Bidentetalia tripartitae Tandzaad-orde
29AA Bidention tripartitae Tandzaad-verbond
29AA01 PolygonoBidentetum Associatie van Waterpeper en Tandzaad
Veronica
Blauwe waterereprijs
Natte
P29AA04
29
29A
29AA
29AA04 Eleocharito
Veronica scutellata
Galium uliginosum
Bidens frondosa
Bidentetea tripartitae
Bidentetalia
Bidention tripartitae
06AC04 SamoloLittorelletum' Associatie van Waterpunge en Oeverkruid
131
obligaat freatofyt
Tandzaad-klasse
Caltha palustris
Dotterbloem
Natte obligaat freatofyt
R32AA01
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
32A Filipenduletalia Moerasspirea-orde
32AA Filipendulion Moerasspirea-verbond
Wolfspoot
Natte obligaat freatofyt
R32BA
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje
32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje
Gevleugeld helmkruid
Natte obligaat freatofyt
Lycopus europaeus
Scrophularia umbrosa
tripartitae Tandzaad-orde
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
GrondNatte obligaat freatofyttr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam anagallisaquatica
Tandzaad-verbond
acicularis-Limoselletum Slijkgroen-associatie 32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan
132
Tabel 10
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Oud-bossoorten
Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Verbond
Socsrtgrp1
Stiksind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Oudbosplanten
Orde 43A
Zuurgind
Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Wetenschappelijke naam
Klasse 43
Associatie
Alle soorten maken deel uit van :
Carex sylvatica
Boszegge
P
2
5
6
5
L
B43A
Circaea lutetiana
Groot heksenkruid
V
4
6
7
7
L
B43A
Hedera helix
Klimop
A
4
5
X
X
L
B43A
Deschampsia cespitosa
Ruwe smele
V
6
7*
X
3
L
B43A
Primula elatior
Slanke sleutelbloem
K
6
6
7
7
L
B43A
Allium ursinum
Daslook
K
2
6
7
8
L
B43AB0 1
43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond
43AB01 Stellario-Carpinetum EikenHaagbeukenbos
Arum maculatum
Gevlekte aronskelk
P
3
7
7
8
L
B43AB0 1
43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond
43AB01 Stellario-Carpinetum EikenHaagbeukenbos
Galium odoratum
Lievevrouwebedstro
A
2
5
6
5
L
B43AB0 1
43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond
43AB01 Stellario-Carpinetum EikenHaagbeukenbos
133
Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Verbond
Socsrtgrp1
Stiksind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Oudbosplanten
Orde 43A
Zuurgind
Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Wetenschappelijke naam
Klasse 43
Associatie
Alle soorten maken deel uit van :
Oxalis acetosella
Witte klaverzuring
A
1
5
4
6
M
B43A
Scilla non-scripta
Wilde hyacint
A
5
5
7
6
M
B43AA
43AA Alno-Padion Verbond van Els en Vogelkers
Carex remota
IJle zegge
V
3
8
X
X
M-L
B39AA0 2
39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekbossen
39AA02 Carici elongatae-Alnetum ElzenzeggeElzenbroek
Anemone nemorosa
Bosanemoon
A
X
5
X
X
M-L
B43A
Polygonatum multiflorum
Gewone salomonszegel
A
2
5
6
5
M-L
B43A
Stellaria holostea
Grote muur
A
5
5
6
5
M-L
B43A
Athyrium filixfemina
Wijfjesvaren
P
3
7
X
6
M-L
B43A
Lamiastrum galeobdolon
Gele dovenetel
P
3
5
7
5
M-L
B43AB0 1
43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond
43AB01 Stellario-Carpinetum EikenHaagbeukenbos
134
258
373
469
322
Carex remota
Crepis paludosa
Equisetum telmateia
Chrysosplenium alternifolium
Bosveldkers
IJle zegge
V
V
Moerasstreepzaad W
Reuzenpaardenst aart
Verspreidbladig goudveil
F
F
6
3
7
5
4
8
8
8*
8
8=
4
X
8
8
7
5
X
6
5
5
T
T
T
T
T
M07AA03
07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappe n
B39AA02
43 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen
G16AB06
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Bronbeekindicatoren
Stiksind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Soortnr. 202
Cardamine flexuosa
Zuurgind
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Bron- en bronbeekindicatoren
Wetenschappelijke naam
Tabel 11
07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen
07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen
39AA Alnion elongatae-Alnetum glutinosae Verbond der Elzenzeggeelzenbroekbossen Elzenbroek
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB06 AngelicoCirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge
07AA03 PellioConocephaletum Kegelmos-associatie 39AA02 Carici
M07AA02
07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappe n
07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen
07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
M07AA
07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgemeenschappe n
07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeenschappen
07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
07AA02 Pellio epiphyllaeChrysosplenietum oppositifolii Associatie van Paarbladig goudveil
135
Solanum dulcamara
Scutellaria galericulata
Caltha palustris
Carex pseudocyperus
Humulus lupulus
Blauw glidkruid
Dotterbloem
Hoge cyperzegge
Hop
P
F
W
W
P
7
7
7
7
7
8*
9=
9=
9=
8=
X
7
X
6
6
8
6
X
5
8
T
T
T
T
T
39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekboss en
B39AA
39 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen
M08BD
08B 08 Phragmitetea Riet- Phragmitetalia Rietklasse orde
08BD Caricion elatae Verbond van Stijve zegge
R32AA01
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
32AA Filipendulion Moerasspireaverbond
32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan
M08BA02
08B 08 Phragmitetea Riet- Phragmitetalia Rietklasse orde
08BA Cicution virosae Waterscheerling -verbond
08BA02 Cicuto-Caricetum pseudocyperi1 Associatie van Waterscheerling en Hoge cyperzegge
42 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen
39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekboss en
39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek
B39AA02
39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Elzenbroekbosindicatoren
Stiksind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam Bitterzoet
Zuurgind
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige Elzenbroekbosindicatoren
Wetenschappelijke naam
Tabel 12
32A Filipenduletalia Moerasspirea-orde
39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen
136
Ribes nigrum
Alnus glutinosa
IJle zegge
Zwarte bes
Zwarte els
V
F
K
3
4
5
8
9=
9=
X
6
6
X
5
X
T
T
T
B39AA02
B39AA02
B39AA
41 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen
40 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Elzenbroekbosindicatoren
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Carex remota
43 Alnetea glutinosae Klasse der elzenbroekbossen
39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen
39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekboss en
39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek
39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen
39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekboss en
39AA02 Carici elongataeAlnetum ElzenzeggeElzenbroek
39A Alnetalia glutinosae Orde der elzenbroekbossen
39AA Alnion glutinosae Verbond der elzenbroekboss en
137
Tabel 13
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Eiken-Beukenbossen op voedselrijke bodem
Alle soorten maken deel uit van :
Ribes rubrum
Aalbes
V
4
8
6
6
T
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
B43AA
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
1103
Rumex sanguineus
1246
Stachys sylvatica
56
Anemone nemorosa
Bosanemoon
A
X
5
X
X
T
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
151
Brachypodium
Boskortsteel
A
3
5
6
6
T
B43AB01
43A
Bloedzuring
Bosandoorn
V
P
4
4
8
7
7
7
7
7
T
T
Fagetalia sylvaticae5 Orde der
Associatie
Verbond
Orde
Socsrtgrp1
Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
Stiksind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Soortnr. 1071
Zuurgind
Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Wetenschappelijke naam
Klasse 43
43AA AlnoPadion Verbond van Els en Vogelkers
43AB
Carpinion
43AB01 Stellario-
138
Alle soorten maken deel uit van :
846
264
807
34
Myosotis sylvatica
Carex sylvatica
Silene dioica
Allium ursinum
eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Bosvergeet-mij-nietje
Boszegge
Dagkoekoeksbloem
Daslook
A
P
A
K
6
2
X
2
5
5
6
6
X
6
7
7
7
5
8
8
T
T
T
T
43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond
B43AB01
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
B43AA
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AA AlnoPadion Verbond van Els en Vogelkers
B43AB01
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeuken-
Associatie
betuli Haagbeukenverbond
Verbond
Orde
Socsrtgrp1
Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
Stiksind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
sylvaticum
Zuurgind
Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Wetenschappelijke naam
Soortnr.
Klasse 43
Carpinetum EikenHaagbeukenbos
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos
139
Alle soorten maken deel uit van :
1367
Viburnum opulus
702
Lamiastrum galeobdolon
Geel nagelkruid
Gelderse roos
Gele dovenetel
A
V
P
4
6
3
5
X
5
X
7
7
7
6
5
T
T
T
Associatie
verbond
Verbond
Orde
Socsrtgrp1
Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
Stiksind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Soortnr. 579
Geum urbanum
Zuurgind
Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Wetenschappelijke naam
Klasse 43
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
B43AB01
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos
43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos
103
Arum maculatum
Gevlekte aronskelk
P
3
7
7
8
T
B43AB01
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
531
Fraxinus
Gewone es
K
4
X
7
7
T
B43A
43A
Fagetalia sylvaticae5 Orde der
140
Alle soorten maken deel uit van :
964
Polygonatum multiflorum
Associatie
Verbond
Orde
Socsrtgrp1
Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
Stiksind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
excelsior
Zuurgind
Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Wetenschappelijke naam
Soortnr.
Klasse 43
eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Gewone salomonszegel
A
2
5
6
5
T
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
896
Ornithogalum umbellatum
Gewone vogelmelk
A
6
5
7
7
T
B43AA01
66
Anthoxanthum odoratum
Gewoon reukgras
A
X
X
5
X
T
G16
329
Circaea lutetiana
Groot heksenkruid
V
4
6
7
7
T
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
1043
Ranunculus auricomus
Gulden boterbloem
P
5
X
7
X
T
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke
43AA AlnoPadion Verbond van Els en Vogelkers
43AA01 Violo odoratae-Ulmetum Abelen-Iepenbos
141
Alle soorten maken deel uit van :
Associatie
Verbond
Orde
Socsrtgrp1
Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
Stiksind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Soortnr.
Zuurgind
Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Wetenschappelijke naam
Klasse 43
grond
270
Carpinus betulus
250
Carex pendula
366
Corylus avellana
Haagbeuk
Hangende zegge
Hazelaar
A
W
A
4
5
6
X
8
X
X
6
5
X
6
X
T
T
T
B43AB01
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos
B43AA04
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AA AlnoPadion Verbond van Els en Vogelkers
43AA04 Carici remotae-Fraxinetum Goudveil-Essenbos
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
598
Hedera helix
Klimop
A
4
5
X
X
T
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
1352
Veronica
Klimopereprijs
A
6
5
7
7
T
B43AA
43A
Fagetalia sylvaticae5 Orde der
43AA
Alno-
142
Alle soorten maken deel uit van :
1170
421
Scrophularia nodosa
10
515
Festuca gigantea
Knopig helmkruid
Muskuskruid
Reuzenzwenkgras
A
A
P
P
4
3
5
4
6
5
6
7
6
5
7
6
7
6
8
6
T
T
T
T
Associatie
Padion Verbond van Els en Vogelkers
Verbond
Orde
Socsrtgrp1
Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
Stiksind
Vochtind
Lichtind
eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Dryopteris filixmas Mannetjesvaren
Adoxa moschatellina
Grondwtr
Ned. naam
hederifolia
Zuurgind
Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Wetenschappelijke naam
Soortnr.
Klasse 43
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
B43AB01
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos
B43AB01
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos
B43AA
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
43AA AlnoPadion Verbond van Els en
143
Alle soorten maken deel uit van :
1014
Primula elatior
2402
Ranunculus ficaria
370
Crataegus laevigata
119
Athyrium filixfemina
Ruwe smele
Slanke sleutelbloem
Speenkruid
Tweestijlige meidoorn
Wijfjesvaren
V
K
P
A
P
6
6
4
6
3
7*
6
6
5
7
X
7
7
7
X
3
7
7
5
6
T
T
T
T
T
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Associatie
Vogelkers
Verbond
Orde
Socsrtgrp1
Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
Stiksind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Soortnr. 397
Deschampsia cespitosa
Zuurgind
Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Wetenschappelijke naam
Klasse 43
144
Alle soorten maken deel uit van :
Scilla nonscripta
909
Oxalis acetosella
1018
Prunus avium
Wilde hyacint
Witte klaverzuring
Zoete kers
A
A
A
5
1
4
5
5
5
7
4
7
6
6
5
T
T
T
B43AA
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
B43A
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
B43AB01
43A Fagetalia sylvaticae5 Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Associatie
Verbond
Orde
Socsrtgrp1
Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond
Stiksind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Soortnr. 1151
Zuurgind
Querco-Fagetea7 Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
Wetenschappelijke naam
Klasse 43
43AA AlnoPadion Verbond van Els en Vogelkers
43AB Carpinion betuli Haagbeukenverbond
43AB01 StellarioCarpinetum EikenHaagbeukenbos
145
Persicaria bistorta
Juncus conglomeratus
Scirpus sylvaticus
Adderwortel
Biezenknoppen
Bosbies
F
V
F
7
8
6
7
7*
8
5
4
4
5
3
4
T
T
T
G16AB06
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
G16A
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
G16AB05
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde 32A Filipenduletalia
Dactylorhiza majalis
Brede orchis en Rietorchis
V
8
8*
7
2
T
G16A
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
Caltha palustris
Dotterbloem
W
7
9=
X
X
T
R32AA01
32 ConvolvuloFilipenduletea
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Dotterbloemgraslandindicatoren
Siksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren dotterbloemgraslanden
Wetenschappelijke naam
Tabel 14
16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge
16AB05 Scirpetum sylvatici Bosbies-associatie
32AA Filipendulion
32AA01 ValerianoFilipenduletum.
146
Lychnis flos-cuculi
Hypericum tetrapterum
Rhinanthus angustifolius
Echte koekoeksbloem
Gevleugeld hertshooi
Grote ratelaar
F
W
P
7
7
7
7*
8=
6*
X
7
7
X
5
2
T
T
T
G16AB
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
G16AB
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
G16AB
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
Carex ovalis
Hazenzegge
P
7
7*
3
3
T
P28AA02
28 IsoetoNanojuncetea Dwergbiezenklasse
Cirsium palustre
Kale jonker
V
7
8
4
3
T
G16A
16 MolinioArrhenatheretea
Moerasspirea-orde
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Dotterbloemgraslandindicatoren
Siksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
Klasse der natte strooiselruigten
Moerasspireaverbond
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB Calthion palustris Dotterbloemverbond
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB Calthion palustris Dotterbloemverbond
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB Calthion palustris Dotterbloemverbond
28A Nanocyperetalia Dwergbiezen-orde
28AA Nanocyperion flavescentis Dwergbiezenverbond
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan
28AA02 IsolepidoStellarietum uliginosae Associatie van Borstelbies en Moerasmuur
147
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Dotterbloemgraslandindicatoren
Siksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
Klasse der matig voedselrijke graslanden
Saxifraga granulata
Equisetum palustre
Taraxacum sectie Palustria
Lotus pedunculatus
Carex acutiformis
Knolsteenbreek
Lidrus
V
W
Moeraspaardenbloemen F
Moerasrolklaver
Moeraszegge
V
W
X
7
8
7
7
4
8
8*
8
9*
5
X
8
6
7
3
3
2
4
5
T
T
T
T
T
G16AB
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
G16A
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
M09BA
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde
G16A
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
G16AB
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB Calthion palustris Dotterbloemverbond
09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond
16AB Calthion palustris Dotterbloem-
148
Cirsium oleraceum
Cardamine pratensis
Dactylorhiza majalis s. praetermissa
Moesdistel
Pinksterbloem
Rietorchis
W
V
V
6
4
8
7
6
8*
8
X
7
5
X
2
T
T
T
verbond
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB06 Angelico-Cirsietum oleracei0 Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge
G16AB
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB Calthion palustris Dotterbloemverbond
M09BA
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde
09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AB Calthion palustris Dotterbloemverbond
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
G16AB06
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
Carex disticha
Tweerijige zegge
W
8
9=
8
5
T
G16AB
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
Juncus acutiflorus
Veldrus
W
9
8
5
3
T
G16A
16 MolinioArrhenatheretea
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Dotterbloemgraslandindicatoren
Siksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
voedselrijke graslanden
149
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Dotterbloemgraslandindicatoren
Siksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
Klasse der matig voedselrijke graslanden
Cotoneaster integerrimus
Wilde bertram
F
8
8
4
2
T
G16AA01
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16A Molinietalia Pijpestrootje-orde
16AA01 Cirsio dissectiMolinietum Blauwgrasland
150
Ranunculus flammula
Equisetum fluviatile
Taraxacum sectie Palustria
Agrostis canina
Holpijp
Moeraspaardenbloemen
Moerasstruisgras
W
W
F
V
7
8
8
9
9*
10
8*
9
3
X
8
3
2
5
2
2
T
T
T
T
M06AC
M08
08 Phragmitetea Rietklasse
M09BA
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde
09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond
M09AA
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
09A Caricetalia nigrae Orde van Zwarte zegge
09AA Caricion nigrae Verbond van Zwarte zegge
09B Caricetalia davallianae Knopbies-orde
09BA Caricion davallianae Knopbies-verbond
09B Caricetalia davallianae
09BA Caricion davallianae
Dactylorhiza majalis s. praetermissa Rietorchis
V
8
8*
7
2
T
M09BA
Galium uliginosum
W
6
8*
X
2
T
M09BA
09 Parvocaricetea
Associatie
Verbond
06A Littorelletalia Oeverkruid-orde
06AC HydrocotyloBaldellion/ Verbond van Waternavel en Stijve moerasweegbree
06 Littorelletea Oeverkruid-klasse
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
Ruw walstro
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Kleine zeggenindicatoren
Stiksind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam Egelboterbloem
Zuurgind
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Kleine zeggenvegetaties
Wetenschappelijke naam
Tabel 15
151
Klasse der kleine zeggen
Veronica scutellata
Stellaria palustris
Schildereprijs
Zeegroene muur
W
W
8
5
9=
9*
3
4
3
2
T
T
M09AA03
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
M09
09 Parvocaricetea Klasse der kleine zeggen
Knopbies-orde
09A Caricetalia nigrae Orde van Zwarte zegge
Knopbies-verbond
09AA Caricion nigrae Verbond van Zwarte zegge
09AA03 Carici curtae-Agrostietum caninae, Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge
152
Veronica 1896 filiformis
607
Heracleum sphondylium
Prunella 1017 vulgaris
319
Leucanthemu m vulgare
Beemdkroon
Draadereprijs
Gewone berenklauw
Gewone brunel
Gewone margriet
A
A
A
D
A
7
7
7
7
7
4
5
5
5
4
X
5
X
7
X
4
X
8
X
3
T
T
T
T
T
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Glanshavergraslandindicatoren
Stiksind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Soortnr. 692
Knautia arvensis
Zuurgind
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Glanshavergraslanden
Wetenschappelijke naam
Tabel 16
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
G16BC01
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
16BC 16BC01 LolioCynosurion cristati Cynosuretum Kamgras-verbond Kamgrasweide
G16BB01
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
16BB Arrhenatherion elatioris Glanshaververbond
G16BC
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
16BC Cynosurion cristati Kamgras-verbond
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
16BB01 Arrhenatheretum elatioris Glanshaverassociatie
153
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Glanshavergraslandindicatoren
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
Soortnr.
voedselrijke graslanden
Taraxacum sectie 2430 Ruderalia
761
4
66
550
Lotus corniculatus v. corniculatus
Achillea millefolium
Anthoxanthum odoratum
Galium mollugo
Gewone paardebloemen
Gewone rolklaver
Gewoon duizendblad
Gewoon reukgras
Glad walstro
A
A
A
A
A
7
7
8
X
7
5
4
4
X
4
X
7
X
5
7
7
3
5
X
?
T
T
T
T
T
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
G16
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
G16BB01
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
16BB Arrhenatherion elatioris Glanshaver-
16BB01 Arrhenatheretum elatioris Glanshaver-
154
940
42
Pimpinella major
Alopecurus pratensis
Senecio jacobaea s. 1188 jacobaea
386
Cynosurus cristatus
Grote bevernel
Grote vossenstaart
Jakobskruiskruid s.s.
Kamgras
A
A
P
A
A
8
7
6
8
8
5
5
6
4*
5
7
7
6
7
X
7
7
7
5
4
T
T
T
T
T
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Glanshavergraslandindicatoren
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
Soortnr. 96
Arrhenatherum elatius Glanshaver
graslanden
verbond
associatie
G16BB01
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
16BB Arrhenatherion elatioris Glanshaververbond
16BB01 Arrhenatheretum elatioris Glanshaverassociatie
G16BB01
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
16BB Arrhenatherion elatioris Glanshaververbond
16BB01 Arrhenatheretum elatioris Glanshaverassociatie
G16BA
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
G16BC
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
16BC Cynosurion cristati Kamgras-verbond
155
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Glanshavergraslandindicatoren
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
Soortnr.
graslanden
Trifolium 1299 dubium
Centaurea 1766 jacea
390
135
Dactylis glomerata
Bellis perennis
Tragopogon
1954 pratensis
Kleine klaver
Knoopkruid
Kropaar
Madeliefje
Oosterse en Gele morgenster
A
A
A
D
A
6
7
7
8
7
5
X
5
5
4
6
X
X
X
7
5
X
6
6
6
T
T
T
T
T
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
G16BB01
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
16BB Arrhenatherion elatioris Glanshaververbond
G16BC
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
16BC Cynosurion cristati Kamgras-verbond
G16BB01
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
16BB Arrhenatherion elatioris Glanshaver-
16BB01 Arrhenatheretum elatioris Glanshaverassociatie
16BB01 Arrhenatheretum elatioris Glanshaver-
156
Trifolium 1305 pratense
520
Festuca rubra
Ranunculus
1040 acris
946
Plantago lanceolata
Veronica 1363 serpyllifolia
Rode klaver
Rood zwenkgras s.s.
Scherpe boterbloem
Smalle weegbree
Tijmereprijs
A
A
D
A
D
7
8
7
6
X
X
5
X
X
6
X
7
X
X
5
X
6
X
X
X
T
T
T
T
T
verbond
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
G16
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
G16BC
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Glanshavergraslandindicatoren
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
Soortnr.
graslanden
associatie
16BC Cynosurion cristati Kamgras-verbond
157
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Glanshavergraslandindicatoren
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
Soortnr.
graslanden
Phleum 2385 pratense
932
958
715
Phleum pratense s. pratense
Poa pratensis
Lathyrus pratensis
Timoteegras en Klein timoteegras
Timoteegras s.s.
Veldbeemdgras
Veldlathyrus
1093 Rumex acetosa Veldzuring
A
A
A
A
A
7
7
6
7
8
5
5
5
6
X
X
X
X
7
X
6
6
6
6
6
T
T
T
T
T
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
G16
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke
158
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Glanshavergraslandindicatoren
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
Soortnr.
graslanden
Trifolium 1306 repens
571
Geranium molle
Witte klaver
Zachte ooievaarsbek
A
A
8
7
5
4
6
5
6
4
T
T
G16BC01
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
16BC 16BC01 LolioCynosurion cristati Cynosuretum Kamgras-verbond Kamgrasweide
G16BC
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretalia Glanshaver-orde
16BC Cynosurion cristati Kamgras-verbond
159
Agrostis stolonifera
Alopecurus geniculatus
Pulicaria dysenterica
Ranunculus repens
Rumex crispus
Geknikte vossenstaart
Heelblaadjes
Kruipende boterbloem
Krulzuring
P
V
V
P
A
8
9
8
6
7
X=
8=
7*
7*
7*
X
7
7
X
X
5
7
5
X
5
T
T
T
T
T
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Zilverschoongraslandindicatoren
Stiksind
Zuurgind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam Fioringras
Vochtind
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Zilverschoongraslanden
Wetenschappelijke naam
Tabel 17
G12BA
12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoonverbond
G12BA
12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoonverbond
G12B
12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
G12BA
12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoonverbond
G12BA01
12 Plantaginetea majoris
12B Agrostietalia stoloniferae
12BA LolioPotentillion anserinae
12BA01 RanunculoAlopecuretum
160
Carex otrubae
Persicaria amphibia
Potentilla reptans
Ruige zegge
Valse voszegge
Veenwortel
Vijfvingerkruid
A
F
V
A
7
6
7
6
6*
8
11
6
X
7
6
7
5
6
4
5
T
T
T
T
Fioringras-orde
G12B
12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
G12BA
12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
G12BA01
12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
G12B
12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Zilverschoongraslandindicatoren
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Carex hirta
Weegbree-klasse
Zilverschoonverbond
geniculati Associatie van Geknikte vossestaart
12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoonverbond
12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoonverbond
12BA01 RanunculoAlopecuretum geniculati Associatie van Geknikte vossestaart
161
Potentilla anserina
Zeegroene rus
Zilverschoon
V
P
8
7
7*
6*
8
X
4
7
T
T
G12BA
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoonverbond
G12BA
12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse
12B Agrostietalia stoloniferae Fioringras-orde
12BA LolioPotentillion anserinae Zilverschoonverbond
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Zilverschoongraslandindicatoren
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Juncus inflexus
12 Plantaginetea majoris Weegbree-klasse
162
Luzula campestris
Hypochaeris radicata
Achillea millefolium
Gewoon biggenkruid
Gewoon duizendblad
A
A
A
7
8
8
4
5
4
3
4
X
2
3
5
T
T
T
G19AA
19 Nardetea Klasse der heischrale graslanden
19A Nardetalia Orde der heischrale graslanden
G14B
14 KoelerioCorynephoretea Klasse der droge graslanden op zandgrond
14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretali a Glanshaverorde
14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde 14B
Agrostis capillaris
Gewoon struisgras
A
7
X
4
4
T
G14B
14 KoelerioCorynephoretea Klasse der droge graslanden op zandgrond
Lathyrus
Graslathyrus
A
7
4
7
4
T
G14B
14
Koelerio-
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Droge graslanden op zandgrond
Stiksind
Zuurgind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam Gewone veldbies
Vochtind
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Droge graslanden op zandbodem
Wetenschappelijke naam
Tabel 18
19AA NardoGalion saxatilis Verbond der heischrale graslanden
Trifolio-
163
Trifolium dubium
Rumex acetosella
Plantago lanceolata
Corynephoretea Klasse der droge graslanden op zandgrond
Kleine klaver
Schapenzuring
Smalle weegbree
Cerastium semidecandrum Zandhoornbloem
A
A
A
A
6
8
6
8
5
4
X
3
6
2
X
6
5
2
X
X
T
T
T
T
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Droge graslanden op zandgrond
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam nissolia
Festucetalia ovinae Struisgras-orde
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretali a Glanshaverorde
G14B
14 KoelerioCorynephoretea Klasse der droge graslanden op zandgrond
14B TrifolioFestucetalia ovinae Struisgras-orde
G16B
16 MolinioArrhenatheretea Klasse der matig voedselrijke graslanden
16B Arrhenatheretali a Glanshaverorde
G14
14 KoelerioCorynephoretea Klasse der droge graslanden op
164
zandgrond
165
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Droge graslanden op zandgrond
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
Callitriche platycarpa
Ceratophyllum demersum
Lemna minor
Grof hoornblad
Klein kroos
H
H
H
7
6
7
11
12*
11
7
8
X
7
8
6
T
T
T
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Eendenkroos-Klasse (Eutroof water)
Stiksind
Zuurgind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam Gewoon sterrenkroos
Vochtind
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren van de Eendenkroosklasse (Eutroof water)
Wetenschappelijke naam
Tabel 19
W05CA
05 Potametea Fonteinkruidenklasse
05C CallitrichoPotametalia/ Orde van Haaksterrekroos en Grote waterranonkel
W01AA
01 Lemnetea minoris Eendekroos-klasse
01A Lemnetalia 01AA Lemnion minoris minoris BultkroosEendekroos-orde verbond
W01A
01 Lemnetea minoris Eendekroos-klasse
01A Lemnetalia minoris Eendekroos-orde 01A Lemnetalia minoris Eendekroos-orde 02A
Lemna trisulca
Puntkroos
H
7
12
7
5
T
W01A
01 Lemnetea minoris Eendekroos-klasse
Potamogeton
Schedefonteinkruid
H
6
12
8
8
T
W02AA
02
Ruppietea
05CA Ranunculion peltati Verbond van Grote waterranonkel
02AA
Ruppion
166
pectinatus
Callitriche species Ruppia-klasse
Sterrenkroos (G) ZannichellioRuppietalia Ruppia-orde maritimae Ruppiaverbond
T
167
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Eendenkroos-Klasse (Eutroof water)
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
Myriophyllum spicatum
Ranunculus aquatilis
Potamogeton crispus
Fijne waterranonkel
Gekroesd fonteinkruid
H
H
H
5
7
6
12
11
12
9
6
7
7
6
5
T
T
T
W05
05 Potametea Fonteinkruidenklasse
05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
W05
05 Potametea Fonteinkruidenklasse
05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
W05
05 Potametea Fonteinkruidenklasse
05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
05B NupharoPotametalia Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies
05BB Hydrocharition morsus-ranae Kikkerbeetverbond
05B
05BC
Hydrocharis morsus-ranae
Kikkerbeet
H
7
11
7
6
T
W05BB
05 Potametea Fonteinkruidenklasse
Ranunculus
Stijve
H
6
12
7
8
T
W05BC03
05
Potametea
Nupharo-
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)
Stiksind
Zuurgind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam Aarvederkruid
Vochtind
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Fonteinkruidklasse (Mesotroof water)
Wetenschappelijke naam
Tabel 20
05BC03
168
waterranonkel
Myriophyllum species
Vederkruid (G)
Hottonia palustris
Waterviolier
Fonteinkruidenklasse
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Fonteinkruiden-Klasse (mesotroof water)
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam circinatus
Potametalia Orde Parvopotamion der Fonteinkruiden Verbond der en Waterlelies kleine fonteinkruiden
Ranunculetum circinati Associatie van Stijve waterranonkel
05C CallitrichoPotametalia/ Orde van Haaksterrekroos en Grote waterranonkel
05CA01 CallitrichoHottonietum Associatie van Waterviolier en Sterrekroos
T
H
7
12
5
4
T
W05CA01
05 Potametea Fonteinkruidenklasse
05CA Ranunculion peltati Verbond van Grote waterranonkel
169
Caltha palustris
Valeriana officinalis
Angelica sylvestris
Symphytum officinale
Lythrum salicaria
Echte valeriaan
Gewone engelwortel
Gewone smeerwortel
Grote kattenstaart
W
V
V
V
F
7
7
7
7
7
9=
8*
8
8
8=
X
7
X
X
6
X
5
X
8
X
T
T
T
T
T
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
Stiksind
Zuurgind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam Dotterbloem
Vochtind
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren van Natte strooiselruigten
Wetenschappelijke naam
Tabel 21
R32AA01
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
32AA 32A Filipendulion Filipenduletalia MoerasspireaMoerasspirea-orde verbond
32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan
R32AA01
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
32AA 32A Filipendulion Filipenduletalia MoerasspireaMoerasspirea-orde verbond
32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan
R32
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
R32
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
R32AA01
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
32AA 32A Filipendulion Filipenduletalia MoerasspireaMoerasspirea-orde verbond
32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan
170
Calystegia sepium
Epilobium hirsutum
Eupatorium cannabinum
Stachys palustris
Filipendula ulmaria
Grote wederik
Haagwinde
Harig wilgenroosje
V
P
K
Koninginnenkru id K
Moerasandoorn V
Moerasspirea
F
6
8
7
7
7
7
8*
6
8=
7
7*
8
X
7
8
7
7
X
X
9
8
8
6
4
T
T
T
T
T
T
R32AA01
32AA 32A Filipendulion Filipenduletalia MoerasspireaMoerasspirea-orde verbond
R32BA
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje
32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje
R32BA
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje
32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje
R32
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
R32
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
R32AA01
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte
32A 32AA Filipenduletalia Filipendulion Moerasspirea-orde Moerasspirea-
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Lysimachia vulgaris
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan
32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van
171
Thalictrum flavum
Phalaris arundinacea
Poelruit
Rietgras
Lycopus europaeus Wolfspoot
F
V
W
7
7
7
8*
9=
9=
8
7
7
4
7
7
T
T
T
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Indicatoren voor Natte Strooiselruigte
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
strooiselruigten
verbond
R32
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
R32AA01
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
32AA 32A Filipendulion Filipenduletalia MoerasspireaMoerasspirea-orde verbond
R32BA
32 ConvolvuloFilipenduletea Klasse der natte strooiselruigten
32B Convolvuletalia sepium Orde van Harig wilgeroosje
Moerasspirea en Echte Valeriaan
32AA01 ValerianoFilipenduletum. Associatie van Moerasspirea en Echte Valeriaan
32BA Epilobion hirsuti Verbond van Harig wilgeroosje
172
Anthriscus sylvestris
Urtica dioica
Torilis japonica
Fluitenkruid
Grote brandnetel
Heggendoornza ad
A
A
A
A
5
7
X
6
5
5
6
5
X
X
7
8
7
8
8
8
T
T
T
T
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Indicatoren voor nitrofiele zomen
Stiksind
Zuurgind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Lapsana communis Akkerkool
Vochtind
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor Nitrofiele zomen
Wetenschappelijke naam
Tabel 22
R33AA04
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
R33AA
33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonderlook
R33AA
33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonderlook
R33AA02
33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen 33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen 33A Glechometalia
Glechoma hederacea
Hondsdraf
A
6
6
X
7
T
R33AA
33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen
Galium aparine
Kleefkruid
A
7
X
6
8
T
R33AA
33 GalioUrticetea Klasse
33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonder-look
33AA04 AlliarioChaerophylletum temuli/ Associatie van Look-zonderlook en Dolle kervel
33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen
33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonder-look
33AA02 Torilidetum japonicae Heggedoornzaadassociatie 33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonderlook
33AA GalioAlliarion
173
Alliaria petiolata
Kruisbladwalstr o
Look-zonderlook
Stinkende Chelidonium majus gouwe
Lamium album
Aegopodium podagraria
A
A
A
Witte dovenetel A
Zevenblad
A
7
5
6
7
5
6
5
5
5
6
6
7
X
X
7
7
9
8
9
8
T
T
T
T
T
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Indicatoren voor nitrofiele zomen
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Cruciata laevipes
der nitrofiele zomen
Orde der nitrofiele zomen
Verbond van Look-zonder-look
R33AA03
33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonder-look
R33AA
33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonder-look
R33AA04
33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonder-look
R33AA
33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonder-look
R33AA05
33 GalioUrticetea Klasse der nitrofiele zomen
33A Glechometalia Orde der nitrofiele zomen
33AA GalioAlliarion Verbond van Look-zonder-look
33AA03 UrticoCruciatetum laevipedis Kruisbladwalstroassociatie
33AA04 AlliarioChaerophylletum temuli/ Associatie van Look-zonderlook en Dolle kervel
33AA05 UrticoAegopodietum Zevenbladassociatie
174
Veronica beccabunga
Carex vesicaria
Blaaszegge
Scutellaria galericulata
Blauw glidkruid
W
W
F
7
7
7
10
9=
9=
7
6
7
6
5
6
T
T
T
07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeens chappen
M07AA
M08BC03
08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde
08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge
M08BD
08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde
08BD Caricion elatae Verbond van Stijve zegge
Iris pseudacorus
Gele lis
W
7
9=
X
7
T
M08B
Rorippa amphibia
Gele waterkers
W
7
10
7
8
T
M08
08 Phragmitetea Riet-klasse
W
7
10
X
6
T
M07AA
07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgemeens chappen
Sparganium erectum
Grote egelskop s. s.s. W
7
10
7
7
T
M08
08 Phragmitetea Riet-klasse
Groot moerasscherm
07A MontioCardaminetalia Orde der bron- en bronbeekgemeens chappen
Associatie
07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
07 MontioCardaminetea Klasse der bronbeekgemeens chappen
08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde
Apium nodiflorum
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Rietklasseindicatoren
Stiksind
Zuurgind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam Beekpunge
Vochtind
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor de Rietklasse Wetenschappelijke naam
Tabel 23
08BC03 Caricetum vesicariae Blaaszeggeassociatie
07AA CardaminoMontion Verbond van Bittere veldkers en Bronkruid
175
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Rietklasseindicatoren
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam erectum
Typha latifolia
Grote lisdodde
W
Alisma plantago- Grote aquatica waterweegbree W
8
7
10
10
7
X
8
8
T
T
M08
08 Phragmitetea Riet-klasse
M08A
08A Nasturtio08 Phragmitetea Glycerietalia Riet-klasse Vlotgras-orde
Carex pseudocyperus
Hoge cyperzegge
W
7
9=
6
5
T
M08BA02
08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde
Equisetum fluviatile
Holpijp
W
8
10
X
5
T
M08
08 Phragmitetea Riet-klasse
Glyceria maxima
Liesgras
W
9
10*
8
9
T
M08
08 Phragmitetea Riet-klasse
Glyceria fluitans
Mannagras
W
7
9=
X
7
T
M08A
08A Nasturtio08 Phragmitetea Glycerietalia Riet-klasse Vlotgras-orde
Myosotis scorpioides
Moerasvergeetmij-nietje W
7
8*
X
5
T
M08
08 Phragmitetea Riet-klasse
Galium palustre
Moeraswalstro
W
6
9=
X
4
T
M08B
08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde
Carex riparia
Oeverzegge
W
7
9=
7
4
T
M08BC01
08
Phragmitetea 08B
08BA02 CicutoCaricetum 08BA Cicution pseudocyperi1 virosae Associatie van Waterscheerling- Waterscheerling en verbond Hoge cyperzegge
08BC
Caricion
08BC01 Caricetum
176
Oenanthe fistulosa Pijptorkruid
Phragmites australis
Riet
Carex acuta
Scherpe zegge
Glyceria species
Vlotgras (G)
Carex vulpina
Mentha aquatica
Oenanthe aquatica
Voszegge
Watermunt
Watertorkruid
W
W
W
7
7
7
9=
10
9=
8
7
6
5
7
4
T
T
T
Phragmitetalia Riet-orde
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Rietklasseindicatoren
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
Riet-klasse
gracilis Verbond van Scherpe zegge
ripariae Oeverzeggeassociatie
M08AB
08A Nasturtio08 Phragmitetea Glycerietalia Riet-klasse Vlotgras-orde
08AB Oenanthion aquaticae Watertorkruidverbond
M08BB04
08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde
08BB Phragmition australis Rietverbond
08BB04 TyphoPhragmitetum Riet-associatie
M08BC02
08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde
08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge
08BC02 Caricetum gracilis Associatie van Scherpe zegge
M08BC
08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde
08BC Caricion gracilis Verbond van Scherpe zegge
M08B
08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde
M08AB01
08A Nasturtio08 Phragmitetea Glycerietalia Riet-klasse Vlotgras-orde
T
F
F
W
9
7
7
8=
9=
10
X
7
7
5
5
6
T
T
T
08AB Oenanthion aquaticae Watertorkruid-
08AB01 RorippoOenanthetum aquaticae Watertorkruid-
177
Rumex hydrolapathum
Rorippa nasturtiumaquaticum
Butomus umbellatus
Waterzuring
W
Witte waterkers W
Zwanenbloem
W
7
7
6
10
10
10=
7
7
X
7
7
7
T
T
T
M08BA
08B 08 Phragmitetea Phragmitetalia Riet-klasse Riet-orde
08BA Cicution virosae Waterscheerlingverbond
M08AA
08A Nasturtio08 Phragmitetea Glycerietalia Riet-klasse Vlotgras-orde
08AA SparganioGlycerion Vlotgras-verbond
08A Nasturtio08 Phragmitetea Glycerietalia Riet-klasse Vlotgras-orde
08AB Oenanthion aquaticae Watertorkruidverbond
M08AB02
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Rietklasseindicatoren
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam
verbond
associatie
08AB02 SagittarioSparganietum Associatie van Egelskop en Pijlkruid
178
Persicaria lapathifolia
Ranunculus sceleratus
Kluwenzuring
Rorippa palustris
Moeraskers
Bidens species
Tandzaad (G)
W
P
V
T
9
7
8
7
9=
9=
7
8=
7
X
X
X
9
6
8
8
T
T
T
T
P29AA
29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond
P29AA
29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond
P29AA04
29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond
P29AA
29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond
P29AA
29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Tandzaadklasse
Stiksind
Zuurgind
Lichtind
P
Blaartrekkende boterbloem W
Veronica anagallis- Blauwe aquatica waterereprijs
Rumex conglomeratus
Grondwtr
Ned. naam Beklierde duizendknoop
Vochtind
Lijst van de tijdens de Kartering van 1990 en/of 2014 aanwezige indicatoren voor de Tandzaadklasse Wetenschappelijke naam
Tabel 24
29AA04 Eleocharito acicularisLimoselletum Slijkgroenassociatie
T
179
Stellaria aquatica
Persicaria hydropiper
Persicaria mitis
Bidens frondosa
Veerdelig tandzaad
Watermuur
Waterpeper
Zachte duizendknoop
Zwart tandzaad
F
F
V
W
W
8
7
7
7
7
9=
8=
8=
8
8
X
X
5
6
7
8
7
8
7
8
T
T
T
T
T
Associatie
Verbond
Orde
Klasse
Socsrtgrp1
Tandzaadklasse
Stiksind
Zuurgind
Vochtind
Lichtind
Grondwtr
Ned. naam
Wetenschappelijke naam Bidens tripartita
P29AA
29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond
P29AA
29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond
P29AA01
29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond
29AA01 PolygonoBidentetum Associatie van Waterpeper en Tandzaad
P29AA01
29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond
29AA01 PolygonoBidentetum Associatie van Waterpeper en Tandzaad
P29AA
29AA Bidention 29 Bidentetea 29A Bidentetalia tripartitae tripartitae tripartitae TandzaadTandzaad-klasse Tandzaad-orde verbond
180
Tabel 25
Overzicht van de dominante, abundante en frequente soorten in opnames van 2014 en 1976
Opnamenr. 2014
Abundant in 2014
Frequent in 2014
Dominant in 1976
Abundant in 1976
Frequent in 1976
W55
Gele lis Kleefkruid Klein kroos Moeraszegge Oeverzegge Pitrus Scherpe zegge
Beekpunge Blauw glidkruid Bloedzuring Boswilg Grote kattenstaart Grote wederik Krulzuring Moeraswasltro Populier Zwarte els
Gewone glanshaver
Moerasspirea
Boerenwormkruid Braam Canadapopulier Gestreepte witbol Gele lis Gewone berenklauw Gewone hennepnetel Grasmuur Grote vossenstaart Hondsdraf krulzuring Kleefkruid Kropaar Ruw beemdgras
W53
Gele lis Scherpe zegge Oeverzegge Klein kroos
Bitterzoet Zwarte els
Gele waterkers Ruw beemdgras
Blauw glidkruid Moeras-vergeet-mij-nietje
W76
Gele lis Pitrus Scherpe boterbloem
Watermunt Moeras-vergeet-mij-nietje
Zwarte els
Eenstijlige meidoorn Grote brandnetel Gewone smeerwortel Grote vossenstaart Hennepnetel Hondsdraf Ruw beemdgras
W16
Boswilg Zwarte els Schietwilg Gele lis Moeraszegge
Bitterzoet Dagkoekoeksbloem Gewone dotterbloem Grote wederik Harig wilgenroosje Kleefkruid Moeraswalstro Reuzenpaardenstaart Riet
Canadapopulier
Bitterzoet Blauw glidkruid Grote vossenstaart Moerasspirea Ruw beemdgras Zomereik Zwarte els
181
Tabel 26
Aangepaste LSVI projectgebied
182
BIJLAGE 3. Tabel 27
OVERZICHT PERMANENTE KWADRATEN (PQ’S)
Lijst Permanente kwadraten
PQ-nr
Karteringseenheid x-coord y-coord
PQ1
grootte
datum
BWK
oriëntatie
W8 128.884 176.687
10m x 10m 18/07/2014
Va
PQ2
W12 128.911 176.711
10m x 10m 18/07/2014
Vm
PQ3
W54 128.832 177.021
3m x 3m 15/07/2013
Hc
PQ4
W53 128.791 177.017
3m x 3m 24/07/2014
Mc + Sf
PQ5
W23 128.812 176.978
3m x 3m 24/07/2014
Ae-
PQ6
W55 128.759 177.098
3m x 3m 24/07/2014
Ae-
PQ7
W96 128.519 176.888
10m x 10m 24/07/2014
Sf
PQ8
W96 128.348 176.952
10m x 10m 24/07/2014
Sf
PQ9
W66 128.318 177.191
3m x 3m 25/07/2014
Mc
PQ10
W28 128.330 177.366
10m x 10m 25/07/2014
Lh/Mr + Vm
PQ11
W61 128.305 177.447
3m x 3m 25/07/2014
Mc
PQ12
W76 128.482 177.379
3m x 3m 25/07/2014
Ae-
PQ13
W76 128.475 177.441
10m x 10m 25/07/2014
Ae- + Vm
NW hoekpunt ligt 5m ten oosten van Peilbuis 7.
PQ14
W61 128.313 177.465
3m x 3m 25/07/2014
Mc
N0-hoekpunt ligt 2m ten zuiden van peilbuis 2.
PQ15
W4 128.908 176.842
10m x 10m 18/07/2014
Va + Qa
ZO-hoek = peilbuis 33
PQ16
W44 129.050 176.774
3m x 3m 18/07/2014
Hj + Hp*
ZO-hoek ligt 1m ten noorden van peilbuis
PQ17
W96 128.505 176.876
10m x 10m 24/07/2014
Sf
PQ18
W41 129.144 176.660
3m x 3m 24/07/2014
Hp
NW-hoekpunt ligt 1m ten westen van peilbuis 35
PQ19
W53 128.816 177.002
3m x 3m 24/07/2014
Mc + Ae-
PB 32 is ZO-hoek
PQ20
W51 128.816 177.002
10m x 10m 24/07/2014
Vm + Ae-
PB 32 ligt 2m ten westen van NW-hoek
Hoekpunt NO is peilbuis 22
183
Foto-overzicht Permanente kwadraten PQ1 W8 X= 128.884
Y=176.687
10M X 10M
18/07/14
BWK: VA
184
PQ2 W12 x = 128.911 y = 176.711
10m x 10m 18/07/2014
BWK: Vm
185
PQ3 W54 X = 128.832
Y=
177.021 15/07/13 3M X 3M BWK: HC
PQ4 W53 x = 128.791
y = 177.017 24/07/14 3m x 3m
BWK: Mc + Sf
186
PQ5 W23
X=
128.812
Y
= 176.978 24/07/14 3M X 3M
PQ6 W55 x = 128.759 y = 177.098 24/07/14
BWK: AE-
3m x 3m BWK: Ae-
187
PQ7 W96
X=
128.519
Y=
176.888 24/07/14 10M X 10M BWK: SF
Hoekpunt NO is peilbuis 22
PQ8 W96
X=
128.348
Y
= 176.952 24/07/14 10M X 10M BWK: SF
PQ9 W66 x = 128.318 y = 177.191 25/07/14
3m x 3m
BWK: Mc
188
PQ10 W28
X=
128.330
Y
= 177.366 25/07/14
PQ11 W61 x = 128.305 y = 177.447
10M X 10M BWK: LH/MR + VM
25/07/14 3m x 3m BWK: Mc
189
PQ12 W76
X=
128.482
Y
= 177.379 25/07/14 3M X 3M BWK: AE-
PQ13 W76 x = 128.475 y = 177.441 25/07/14 10m x 10m BWK: Ae- + Vm NW hoekpunt ligt 5m ten oosten van Peilbuis 7.
PQ14 W61
X=
128.313
Y=
177.465 25/07/14 3M X 3M BWK: MC
N0-HOEKPUNT LIGT 2M TEN ZUIDEN VAN PEILBUIS 2.
190
PQ15 W4 x = 128.908
y = 176.842 18/07/14 10m x 10m BWK: Va + Qa
ZO-hoek = peilbuis 33
PQ16 W44
X=
129.050
Y
= 176.774 18/07/14 3M X 3M BWK: HJ + HP*
ZO-HOEK LIGT 1M TEN NOORDEN VAN PEILBUIS
PQ17 W96 x = 128.505
y = 176.876 24/07/14 10m x 10m BWK: Sf
191
PQ18 W41 X = 129.144
Y=
176.660 24/07/14 3M X 3M BWK: HP
NW-HOEKPUNT LIGT 1M TEN WESTEN VAN PEILBUIS 35
PQ19 W53 x = 128.816 y = 177.002 24/07/14 3m x 3m BWK: Mc + AePB 32 is ZO-hoek
PQ20 W51 X = 128.816
Y=
177.002 24/07/14 10M X 10M BWK: VM + AE-
PB 32 LIGT 2M TEN WESTEN VAN NW-HOEK
192
BIJLAGE 4. BESCHRIJVING VAN DE GEKARTEERDE VEGETATIES In deze bijlage worden alle gekarteerde vegetatietypes besproken. In dit onderdeel komt de Biologische waardering, een algemene beschrijving, de verschillende variaties, de overeenkomst met de N2000-typologie, de Vlaamse oppervlakte, juridische bescherming en relaties aan bod. Als bron voor deze bijlage werd gebruik gemaakt van Vriens et al. (2001) en www.ecopedia.be Referentie: V R I E N S L . , B O S C H H . , D E K N I J F G . , D E S A E G E R S . , G U E L I N C K X R . , O O S T E R L Y N C K P . , V A N H O V E M . & P A E L I N C K X D . (2011). De Biologische Waarderingskaart. Biotopen en hun verspreiding in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest . Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.M.2011.1, Brussel. ISBN 9789040303142
1.
Eutroof water
BWK codes: ae, aer, aev Waardering: Biologisch zeer waardevol, met uitzondering van ae°, k(ae°), aer en aer° die biologisch waardevol zijn. Beschrijving: Eutrofe wateren komen voor waar een hogere ionen- en nutriëntenrijkdom van nature aanwezig is, zoals in sommige rivier- of beekvalleien en polders, of waar door menselijke activiteiten eutrofiëring is opgetreden. Afhankelijk van de herkomst van het water (afstromend regenwater, grondwater, inlaatwater) kan de chemische samenstelling variëren. Over het algemeen zijn de plassen gekenmerkt door een hoge basenrijkdom. In zeer eutroof water verdwijnen wortelende planten en kunnen algen of kroos dominant aanwezig zijn. Vermits de ogenschijnlijke voedselrijkdom van een waterpartij aan de basis van de kartering ligt (zie verder onder indicatieve soorten), kan het uiterlijk aspect (grootte, diepte, gebruik) nogal variëren. Variatie: De grens tussen eutrofe wateren (ae) en poelen (kn) is gebaseerd op de omvang. Maar omdat deze grens nooit scherp gesteld is, mag dit onderscheid niet als absoluut gezien worden. Poelen liggen wel bijna altijd in graslanden, maar ook grotere plassen kunnen hierin voorkomen. Opvangbekkens voor regenwater of uitgegraven plassen bij serres (kq) zijn soms aangeduid met aer°, maar meestal worden ze niet afzonderlijk vermeld. Sloten met rijke waterplantenbegroeiing kunnen als lijnvormig element k(ae) gekarteerd zijn, maar dit is niet op stelselmatige wijze gebeurd.
Overeenkomst met indeling Europese natuur Van nature eutrofe meren met vegetaties van het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150)
Uitgebreide info Beschrijving •
Ae: voedselrijke, zoete wateren waar eventueel waterplanten- en/of oevervegetaties aanwezig zijn, worden met ae aangeduid. Het betreft onder meer turfputten, visvijvers, grotere weideplassen, brede sloten rond kastelen of oude hoeves, parkvijvers, enz. Aev: de karteringseenheid aev is voorbehouden voor de van oorsprong ‘natuurlijke’ eutrofe
plassen
zoals
oude
riviermeanders,
wielen
en
(restanten
van)
zoetwaterkreken. Wielen zijn plassen ontstaan na doorbraak van rivierdijken. Kn: veedrinkpoelen behoren tot de kleine landschapselementen en zijn gekarteerd als kn. Ap: voor grote, diepe tot zeer diepe kunstmatige plassen is de karteringseenheid ap gehanteerd. Aer: de eenheid aer staat voor recent gegraven of vergraven eutrofe wateren. Hiertoe behoren ook de vijvers met een uitgesproken onnatuurlijk aspect zoals rechthoekige vijvertjes bij vakantiehuizen; deze kunnen echter ook als ae of ae° gekarteerd zijn. Op niveau Vlaanderen is het onderscheid tussen ae, ae° en aer niet steeds op dezelfde wijze gemaakt. Binnen een afzonderlijk kaartblok is er wel een consequent onderscheid tussen ae, ae° en aer. De als ae of aer gekarteerde plassen in de duinen kunnen zowel gegraven wateren als op natuurlijke wijze ontstane (door uitstuiving tot op het grondwater) plassen zijn. De gegraven duinplassen verschillen weinig van de plassen in het binnenland, maar door de ligging op kalkrijke, voedsearme, zandige bodems en een betere waterkwaliteit worden vaker kranswieren aangetroffen. Soortenrijkere plassen met een goed ontwikkelde waterplanten- en oevervegetatie (ae*, aer*, aev*) rijk aan indicatieve soorten zijn zeldzaam in Vlaanderen. De meerderheid van de voedselrijke plassen (ae, ae°, aer) zijn geëutrofieerd, arm aan waterplanten en hebben steile, soms verstevigde oevers. Het betreft vooral vis-, sieren
recreatievijvers.
Aeuv, Uvae: wanneer ook recreatieve infrastructuur aanwezig is, wordt dit weergegeven door toevoeging van uv. Als deze recreatieve infrastructuur overheerst, staat uv vooraan in het complex. •
Oppervlakte (in ha): 5.700 à 9.000 ha
•
Zeldzaamheid: vrij zeldzaam tot vrij algemeen. Soortenrijke wateren (ae*) zijn echter veel zeldzamer.
2.
Grote zeggenvegetatie
BWK codes: mc Waardering: Grote zeggenvegetaties zijn biologisch zeer waardevol, ook zwak ontwikkelde vegetaties mc° krijgen deze waardering. Zwak ontwikkelde perceelsranden k(mc°) krijgen als waardering ‘biologisch waardevol’. Beschrijving: De karteringseenheid mc is gebruikt om grote zeggenvegetaties aan te duiden. Dit zijn dense, laagblijvende en eerder soortenarme gemeenschappen, gedomineerd door één of meerdere grote zeggensoorten. Meestal betreft het scherpe zegge, moeraszegge of oeverzegge. Variatie: Oeverzegge heeft een uitgesproken voorkeur voor de kustpolders en de westelijke Zandstreek en is minder algemeen in het oosten van Vlaanderen. De verspreiding van scherpe zegge levert net het omgekeerde beeld op. Deze distributie weerspiegelt zich bijgevolg ook in de soortensamenstelling
van
de
grote
zeggenvegetaties
doorheen
Vlaanderen.
mc° is hoofdzakelijk gebruikt voor relicten (bv. lh/mc°) en/of kleine vlekken grote zeggenvegetatie in een matrix van cultuurgraslanden (hp*+mc°). mc* is in zeer beperkte mate gebruikt om uitzonderlijke situaties te typeren. In de Leiemeersen (Oostkamp) gaat het bijvoorbeeld over een grote zeggenvegetatie met moeraskartelblad en waterdrieblad. In de Langdonken (Herselt) betreft het een erg soortenrijke grote zeggenvegetatie waarin ondermeer draadzegge aangetroffen is. Mcb zijn grote zeggenvegetaties (mc) met houtige opslag (b). Dit zijn systemen die zonder aangepast beheer zullen evolueren naar broekbossen. In de voedselarmere regio’s van Vlaanderen zijn sommige zuurdere laagveenvegetaties met blaaszegge en/of stijve zegge gekarteerd als grote zeggenvegetaties. Elders zijn ruigere delen van dotterbloemgraslanden ook met mc getypeerd vanwege een dominantie van bijvoorbeeld scherpe zegge of moeraszegge.
Uitgebreide info Beschrijving •
Grote zeggenvegetaties komen zowel voor op leem- of kleibodems, als op veenpakketten.
Relatief
grote
schommelingen
in
de
waterstand
kunnen
plaatsvinden, maar de grondwatertafel zakt in de zomer nooit meer dan enkele tientallen centimeters onder het maaiveld. Er is eveneens een langdurige inundatie nodig om het vegetatietype in stand te houden. Het voorkomen van grote zeggenvegetaties is bijgevolg beperkt tot beek- en riviervalleien. Soms komen ze voor als linten langs sloten en plassen met eutroof, zoet tot zwak brak water maar meestal
betreft
het
vlakdekkende
moerassituaties.
Grote zeggenvegetaties zijn hoogproductief en vaak is er dan ook een dikke strooisellaag aanwezig. •
Oppervlakte (in ha): 300 à 750 ha
•
Zeldzaamheid: zeer zeldzaam tot zeldzaam
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: geen Bijlage I-habitattype
•
Natuurdecreet: verbod vegetatiewijziging
•
Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden
•
Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet
Relaties •
Indicatieve soort : Oeverzegge (Carex riparia), Scherpe zegge (Carex acuta)
•
Kenmerkende
soort :
Scherpe
zegge
(Carex
acuta), Moeraszegge
(Carex
acutiformis), Oeverzegge (Carex riparia), Hoge cyperzegge (Carex pseudocyperus), Stijve zegge (Carex elata)
3. Rietland vegetaties
en
andere
Phragmition-
BWK codes: mr Waardering: Rietland is biologisch zeer waardevol. Zwak ontwikkelde vegetaties mr°, mru, mru°, k(mru) en k(mru°) krijgen als waardering ‘biologisch waardevol’. Beschrijving: De eenheid mr slaat in de eerste plaats op homogene rietlanden in of nabij waterlichamen. We treffen ze aan in relatief ondiepe delen van vijvers, plassen en grachten. Daarnaast omvat mr omvat ook soortenrijkere moerasvegetaties met dominantie van indicatieve soorten uit de rietklasse. Deze vegetaties zijn overwegend aan te treffen op (zeer) natte standplaatsen in beekvalleien. Variatie: De eenheid mr* is slechts beperkt gebruikt, voornamelijk in de Kempen en de Polders. Dikwijls is zwanenbloem hiervoor als indicatieve soort gebruikt. mr* is evenwel niet stelselmatig gebruikt, zodat gelijkaardige situaties elders onder mr kunnen vallen. In vele gevallen komt rietland als mr of mr° voor in een complex met andere kateringseenheden. De aanduiding ° kan dan ofwel betekenen dat riet verspreid aanwezig is, ofwel dat het om een riet- of liesgrasvegetatie gaat. Verruigde rietlanden waar distels, kleefkruid, grote brandnetel en/of haagwinde een hoge bedekking halen, zijn als mru (rietruigte) gekarteerd. Vochtige graslanden met plaatselijk rietgras en/of liesgras zijn vaak aangeduid met een graslandtype in combinatie met mr°. k(mr°) kan zowel op een lintvormige riet- als liesgrasvegetatie betrekking hebben als op ijle rietkragen, of op een beperkt aandeel van rietkragen in een complex. In de Polders vormen rietkragen in sloten een groot aandeel van de als rietvegetatie gekarteerde elementen. Indien deze lijnvormige rietelementen in complex voorkomen, is dit overwegend weergegeven als hpr+k(mr).
Uitgebreide info Beschrijving •
Een groot aandeel van de rietvegetaties wordt aangetroffen in sloten, beken en grachten. Vaak zijn deze dan als lineair element gekarteerd in complex met de karteringseenheid van het perceel bv. hp+k(mr). Uniforme, soortenarme vegetaties van lies- of rietgras zijn als mr° gekarteerd, ook wanneer het om verruigde, vochtige graslanden gaat. Monospecifieke vegetaties van riet zijn daarentegen gekarteerd als mr.
•
Oppervlakte (in ha): 2.100 à 4.300 ha
•
Zeldzaamheid: vrij zeldzaam
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: Slechts in uitzonderlijke gevallen is mr een Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie).
•
Natuurdecreet: verbod vegetatiewijziging
•
Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden
•
Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet
Relaties •
Kenmerkende soort : Riet (Phragmites australis), Rietgras (Phalaris arundinacea), Liesgras (Glyceria maxima), Grote lisdodde (Typha latifolia), Kleine lisdodde (Typha angustifolia), Mattenbies (Scirpus lacustris), Gele lis (Iris pseudacorus), Grote egelskop (Sparganium erectum), Zwanebloem (Butomus umbellatus), Wolfspoot (Lycopus europaeus)
•
Komt overeen met : Estuaria (1130), Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae)
(1330), Vochtige
duinvalleien
(2190), Voedselrijke
zoomvormende
ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430), Overgangsen trilveen (7140)
4.
Mesofiel hooiland
BWK codes: hu Waardering: Hu is biologisch zeer waardevol. Zwak ontwikkelde vegetaties hu°, hr/hu° en k(hu°) krijgen als waardering ‘biologisch waardevol’. Beschrijving: Het betreft meestal hooilanden, hooiweiden en wegbermvegetaties waarin hoge grassen (vaak glanshaver of grote vossenstaart) en diverse schermbloemigen en/of composieten aspectbepalend zijn. Verschillen in bodemtype, bodemvochtigheid, grondwaterafhankelijkheid, aan- of afwezigheid van kalk in de bodem, beheer… zorgen voor een grote variatie in vegetatietypen onder de eenheid hu. Variatie: De karteringseenheid herbergt een variatie aan graslandtypes en deze vertonen onderlinge verschillen naargelang de ontwikkelingsgraad en de standplaats. Er zijn daarenboven verschillende overgangen naar andere graslandtypen mogelijk. Binnen de glanshavergraslanden kunnen kalkminnende soorten voorkomen, met name op plaatsen waar kalkhoudende leem of klei dagzoomt. Omdat de kalkminnende soorten gemengd voorkomen met soorten van het glanshaververbond rekenen we zulke graslanden tot hu, al dan niet goed ontwikkeld. In het dataveld ‘info’ staat dan ‘met kalkminnende soorten’. Zwak ontwikkelde hu°-graslanden zijn niet erg soortenrijk. Regionaal heeft de aanwezigheid van glanshaver, fluitenkruid, gewone berenklauw en peen tot hu° geleid. hu* is gebruikt om bijzonder soortenrijke graslanden aan te duiden, bijvoorbeeld om percelen met karwijselie of om de aanwezigheid van herfsttijloos en gevlekte orchis weer te geven. De notatie hu* is evenwel niet stelselmatig
gebruikt.
Verruiging
kan
aangeduid
zijn
door
de
combinatie
hr/hu.
Een beperkte opslag van struiken en bomen wordt geduid als hub. De notatie hub° staat voor een zwak ontwikkelde vegetatie met opslag van bomen en struiken.
Subtypes die hieronder vallen Vossenstaartgrasland
Kalkrijke kamgraslanden
Glanshaver-hooiland
Stroomdalgraslanden
Overeenkomst met indeling Europese natuur Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) (6510)
Uitgebreide info Beschrijving •
De glanshavergraslanden zijn ruim verspreid en nemen een groot deel van gehooide wegbermen in. In goed ontwikkelde vorm zijn ze bijzonder soortenrijk, zoals blijkt uit de lange lijst indicatieve soorten. Het betreft mesofiele graslanden, die het best ontwikkeld zijn op voedselrijkere, min of meer vochtige standplaatsen. Goed ontwikkelde glanshavergraslanden komen voor op zandleem-, leem- of kleibodems. Op kalkhoudende substraten is de soortenrijkdom vaak nog hoger. Op zandige bodems komen soortenarmere varianten voor, waarin veel van de vermelde indicatieve soorten ontbreken en de verschillen met soortenrijke cultuurgraslanden (hp*) vaak klein zijn. De glanshavergraslanden zijn niet grondwaterafhankelijk. Obligate grondwaterafhankelijke plantensoorten ontbreken in dit type dan ook. Op talrijke drogere dijken bevindt de grondwatertafel zich in veel gevallen permanent op meerdere meters beneden het maaiveld. Een ander type vormen vegetaties van het grote vossenstaartverbond. Deze zijn wel grondwaterafhankelijk. Ze staan zelfs periodiek onder water. De best gekende voorbeelden
daarvan liggen in
de
IJzerbroeken
en in de
Langemeersen
(Oudenaarde). Ze worden gekenmerkt door het voorkomen van weidekervel-torkruid en weidekervel. Ze zijn als hpr*/hu aangeduid, met in het dataveld ‘info’ de vermelding ‘Alopecurion’. In de Scheldevallei zijn dergelijke vegetaties als hu+hc gekarteerd omdat beide types er in elkaar overlopen. Intermediair qua bodemvochtigheid, met soorten die zowel kenmerkend zijn voor het grote vossenstaartverbond als voor de glanshaverhooilanden, komen zeer lokaal de
grote
pimpernelgraslanden
voor.
We
spreken
hier
verder
van
glanshavergraslanden met grote pimpernel, hoewel deze naamgeving voor discussie vatbaar is. Veelal worden ze in de vegetatiekunde immers tot het grote vossenstaartverbond gerekend. Kamgrasgraslanden op kalkrijke bodem, met verscheidene kalkminnende en fosfaatmijdende soorten, vallen eveneens onder hu. Deze graslanden komen voor op taluds en hellingen in Zuidoost-Limburg en Voeren. Het graslandtype herbergt soorten van de associatie van ruige weegbree en aarddistel (Galio-Trifolietum). In het dataveld ‘info’ wordt ‘Galio-Trifolietum’ vermeld. In tegenstelling tot voorgaande types zijn het veelal begraasde graslanden. Het veelvuldig optreden van soorten als kamgras en rozetplanten als madeliefje, smalle weegbree, gewoon biggenkruid en leeuwentandsoorten hangt hiermee samen. Hoewel het hier graasweiden betreft en de overige kamgrasgraslanden als hp* gekarteerd zijn, duiden we ze als hu aan wegens de aanwezigheid van verschillende indicatieve soorten hiervoor. Bij afname van de begrazingsintensiteit nemen deze soorten overigens snel toe. We rekenen ze niet tot de kalkgraslanden (hk) wegens het feit dat er slechts enkele indicatieve
soorten van kalkgraslanden, zoals kleine pimpernel en grote centaurie, voorkomen. Het is evenwel duidelijk dat deze graslanden zich vegetatiekundig situeren tussen het kamgrasgrasland, het kalkgrasland en het glanshavergrasland. Ondanks de discussie over hun vegetatiekundige positionering zijn ze herkenbaar omwille van specifieke indicatieve soorten in combinatie met bovenvermelde rozetvormende planten. De open tot gesloten, bloemrijke droge stroomdalgraslanden langs de Maas zijn eveneens als hu gekarteerd. In het dataveld ‘info’ staat ‘stroomdalgrasland’ vermeld. Naast meer algemene graslandsoorten groeien er specifieke indicatieve soorten, vaak met een ruderaal (pioniers-) karakter. Ze komen voor op zandige oeverwallen en dijken en vereisen een hoog basengehalte. Dit laatste wordt op peil gehouden door de winterse hoge waterstanden van de Maas. Alle vermelde vegetatietypen komen meestal voor op bodems met een neutrale pH, al kunnen ze ook aangetroffen worden op zwak zure en zwak basische bodems. •
Oppervlakte (in ha): 2.900 à 4.300 ha
•
Zeldzaamheid: vrij zeldzaam
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: hu en hu* zijn Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie), soms prioritaire habitat (indien 6120); hu° is mogelijk Bijlage I-habitattype.
•
Natuurdecreet: verbod/vergunningsplicht wijziging ‘historisch permanent grasland’
•
Mestdecreet: mestbeperking ‘niet-intensieve graslanden’
•
Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet
Relaties •
Komt overeen met : Stroomdalgraslanden, Glanshaverhooiland,Vossenstaartgrasland, Kalkrijke kamgraslanden
•
Kenmerkende soort : Glanshaver (Arrhenatherum elatius), Grote vossenstaart (Alopecurus
pratensis), Beemdkroon
(Knautia
arvensis), Beemdooievaarsbek
(Geranium pratense), Groot streepzaad (Crepis biennis), Grote bevernel (Pimpinella major), Glad walstro (Galium mollugo), Rapunzelklokje (Campanula rapunculus), Goudhaver
(Trisetum
pratensis),Knoopkruid
flavescens), Gele
(Centaurea
vulgare), Gewone
pastinaak
leeuwentand
(Leontodon
moschata), Knolsteenbreek verum), Kattedoorn
en
morgenster
(Tragopogon
jacea), Gewone
margriet
(Leucanthemum
brandpastinaak
(Pastinaca
hispidus), Muskuskaasjeskruid
(Saxifraga
(Ononis
officinalis), Weidekervel-torkruid
sativa), Ruige
granulata), Geel
spinosa), Grote (Oenanthe
walstro
pimpernel
silaifolia),
(Malva (Galium
(Sanguisorba
Weidekervel
(Silaum
silaus), Gulden sleutelbloem (Primula veris), Betonie (Stachys officinalis), Ruige leeuwentand (Leontodon hispidus), Ruige weegbree (Plantago media), Geel walstro (Galium verum), Kleine pimpernel (Sanguisorba minor), Wilde marjolein (Origanum vulgare), Aarddistel
(Cirsium
acaule), Beemdkroon
(Knautia
arvensis),
Voorjaarszegge (Carex caryophyllea), Zeegroene zegge (Carex flacca), Bevertjes (Briza media), Zachte haver (Avenula pubescens), Zachte haver (Avenula pubescens), Sikkelklaver
(Medicago
falcata),
Voorjaarsganzerik
(Potentilla
neumanniana), Echte kruisdistel (Eryngium campestre), Veldsalie (Salvia pratensis), Kaal breukkruid (Herniaria glabra), Zacht vetkruid (Sedum sexangulare), Tripmadam (Sedum reflexum), Gewone steenraket (Erysimum cheiranthoides), Heksenmelk (Euphorbia
esula), Kleine
pimpernel
(Sanguisorba
minor),
Harige
ratelaar
(Rhinanthus alectorolophus) •
Komt
overeen
met : Kalkminnend
grasland
op
dorre
zandbodem
(6120),Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) (6510)
5.
Soortenrijk permanent cultuurgrasland
BWK codes: hp*, hpr* Waardering: Hp* is biologisch waardevol Beschrijving: Deze karteringseenheden omvatten een ruime waaier aan permanente graslanden. Enerzijds betreft het in de literatuur beschreven vegetatietypen, met name kamgras-, veldgerst-, zilverschoon- en grote vossenstaartgraslanden. Anderzijds gaat het over graslanden die niet tot een specifiek vegetatietype behoren. Deze worden gekenmerkt door één of meerdere van onderstaande indicatieve soorten. Die soorten zijn dan aspectbepalend. Tenslotte horen ook gedegradeerde halfnatuurlijke graslanden -die niet als dusdanig gekarteerd zijn- tot deze eenheid. De indicatieve soorten van halfnatuurlijke graslanden ontbreken of komen hooguit in zeer beperkte mate voor. Variatie: Hoewel een aantal van de hierboven opgesomde indicatieve soorten niet te associëren zijn met welbepaalde plantengemeenschappen worden er toch enkele types hp* onderscheiden. Dit onderscheid is echter zelden rechtstreeks uit de kaarten of de databank af te leiden. Bij recent gekarteerde kaarten is vaak de dominante soort in het dataveld ‘info’ vermeld. Dit is echter niet systematisch gebeurd. Vanaf 2000 is meer en meer gebruik gemaakt van het complex hp+hp* om percelen te duiden waar de indicatieve soorten minder abundant of lokaal voorkomen. Wanneer de indicatieve soorten uitsluitend terug te vinden zijn in de perceelsranden, is dit als hp+k(hp*) genoteerd.
Subtypes die hieronder vallen Zilverschoongrasland Vossenstaartgrasland Kamgrasland
Uitgebreide info Beschrijving •
hp*-graslanden gekenmerkt door de aanwezigheid van een uitgesproken microreliëf (depressies, laantjes, verglijdingsverschijnselen, bulten) en/of meerdere grachten, sloten of greppels zijn gekarteerd als hpr*. De indicatieve soorten voor de toevoeging van de * zijn dezelfde als voor hp*. Zulke graslanden komen vooral voor in de Polders en valleien en ook op hellingen in de Leemstreek (zie hpr, weilandcomplex met veel sloten en/of microreliëf). Graslanden behorend tot het kamgrasverbond, hoewel vegetatiekundig goed gedefinieerd, hebben geen eigen karteringseenheid. Ze zijn gekarteerd als hp* of hpr*. Het betreft
matig voedselrijk beweid
grasland op klei-, leem-
en
zandleemgronden, gekenmerkt door het abundant voorkomen van kamgras. •
Graslanden behorend tot het zilverschoonverbond zijn eveneens ondergebracht bij hp*. Het betreft bijna altijd graasweiden op voedselrijke bodems, op langdurig natte standplaatsen en met een vaak sterk wisselende waterstand. Betreding en antropogene verstoringen kunnen de ontwikkeling van dit type in de hand werken. Het zilverschoontype komt voor op allerlei bodems, variërend van zand tot zware klei. In de Polders zijn ze vaak doorsneden door grachten of sloten of hebben ze een uitgesproken microreliëf, waardoor ze als hpr* gekarteerd zijn.
•
Een in het voorjaar gemakkelijk herkenbare groep hp*-graslanden zijn de pinksterbloemgraslanden. De beter ontwikkelde pinksterbloemgraslanden met soorten als moerasrolklaver, pitrus, egelboterbloem en/of hazenzegge vormen een voorbeeld
van
als
dotterbloemverbond.
hp* Komen
gekarteerde dotterbloem,
rompgemeenschappen tweerijige
zegge
van
en/of
het echte
koekoeksbloem voor, dan zijn dergelijke graslanden normaliter als hc gekarteerd. •
Grote vossenstaartgraslanden vertonen onder normale omstandigheden winterse overstromingen. De vegetatiekundig best ontwikkelde varianten worden als mesofiel hooiland (hu) gekarteerd. Het betreft graslanden met weidekervel-torkruid, weidekervel
of
grote
pimpernel.
Een
veel
grotere
oppervlakte
grote
vossenstaartgraslanden valt onder hp* en hpr*. Ze zijn vegetatiekundig moeilijk te duiden en minder herkenbaar. Ruimtelijk situeren ze zich als een (soms smalle zone) tussen de permanent vochtige dotterbloemgraslanden (hc) en de hoger gelegen mesofiele graslanden (hu). De soortensamenstelling is dan ook intermediair. Grote vossenstaart is steeds in belangrijke mate aanwezig, maar komt ook in andere plantengemeenschappen voor en is vaak ingezaaid. Pinksterbloem, reukgras, veldzuring, fioringras, veenwortel, scherpe en/of kruipende boterbloem zijn vaak opvallend aanwezig en sluiten aan bij de graslanden beschreven in de vorige paragrafen. Tweerijige zegge, scherpe zegge, echte koekoeksbloem, lidrus, rietgras
en zelfs moerasspirea wijzen op (minstens langdurige) vochtige omstandigheden en een affiniteit met de dotterbloemgraslanden. Knoopkruid, groot streepzaad en veldlathyrus komen ook frequent voor (zij het zeker niet altijd) en duiden op de overgang naar de mesofiele graslanden. Ook graslanden waarin gewoon reukgras het aspect bepaalt en veldzuring, scherpe boterbloem en in beperkte mate indicatieve soorten van het glanshaververbond voorkomen, zijn als hp* gekarteerd. Dit type is algemeen in wegbermen en komt in de (Zand)leemstreek en de Zuiderkempen vrij talrijk in landbouwhooilanden voor. Het veldgersttype komt voor op zeer natte, zware kleigronden en uitgeveende gronden in de Polders. In het binnenland is dit type geassocieerd met natte tot zeer natte rivierkleibodems. Nog meer dan kamgras is veldgerst een indicator van oude, ongescheurde graslanden gezien deze soort nooit werd ingezaaid. Gewoon timoteegras, scherpe boterbloem en knolboterbloem kunnen begeleidende hp*soorten zijn. Vermits hp*-graslanden qua syntaxonomie, beheervorm en soortensamenstelling erg heterogeen zijn, kunnen ze op eender welke bodem en onder zowel droge als natte condities
aangetroffen
worden.
Afhankelijk
van
de
standplaats
en
de
milieukarakteristieken zullen andere indicatieve soorten het aspect bepalen en zijn ze meer of minder soortenrijk. •
Oppervlakte (in ha): 43.000 à 56.000 ha waarvan hpr*: 6.200 à 8.700 ha
•
Zeldzaamheid: algemeen
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: geen Bijlage I-habitattype
•
Natuurdecreet: verbod/vergunningsplicht wijziging ‘historisch permanent grasland’
•
Mestdecreet: mestbeperking ‘niet-intensieve graslanden’
•
Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet
Relaties •
Komt overeen met : Zilverschoongrasland, Kamgrasland, Vossenstaartgrasland
•
Kenmerkende soort : Gewoon reukgras (Anthoxanthum
odoratum), Scherpe
boterbloem
pratensis), Gewoon
(Ranunculus
acris), Pinksterbloem
(Cardamine
biggenkruid (Hypochaeris radicata), Duizendblad (Achillea millefolium), Veldzuring (Rumex acetosa), Knolboterbloem (Ranunculus bulbosus), Kamgras (Cynosurus cristatus), Veldgerst (Hordeum secalinum), Zilverschoon (Potentilla anserina), Valse voszegge (Carex cuprina), Ruige zegge (Carex hirta), Zeegroene rus (Juncus inflexus), Pijptorkruid (Oenanthe fistulosa), Aardbeiklaver (Trifolium fragiferum), Krulzuring (Rumex crispus)
6.
Soortenarm permanent cultuurgrasland
BWK codes: hp Waardering: Hp is biologisch minder waardevol. Hpriv wordt opgewaardeerd tot een ‘complex van biologisch minder waardevolle en waardevolle elementen’. Beschrijving: Het betreft soortenarme, productiegraslanden met een permanent karakter. Ze zijn in landbouwgebruik en worden vooral gebruikt voor beweiding en, in mindere mate, als hooiland. Naast een aantal grassoorten zijn hooguit een beperkt aantal algemene kruiden aanwezig. Variatie: Het betreft steeds soortenarme vegetaties, zodat er geen zwak ontwikkelde vorm onderscheiden wordt. Het soortenrijk permanent cultuurgrasland wordt besproken als een aparte karteringseenheid, met name hp*. Wanneer hp-graslanden palen aan waterlopen met goede structuurkenmerken en/of waterkwaliteit (en er niet van gescheiden zijn door wegen of dijken) staat in het dataveld ‘info’ de vermelding ‘hpriv’ (zie deel 1 § 3.2). hp-graslanden waar verspreid in het perceel of in de perceelsranden natuurwaarden voorkomen, worden besproken onder ‘Overige graslanden met verspreide biologische waarden’.
Uitgebreide info Beschrijving •
Soortenarme permanente cultuurgraslanden kunnen, mits drainage en/of bemesting, op allerlei soorten bodems en onder verschillende condities van bodemvochtigheid voorkomen.
Afhankelijk
van
de
milieuomstandigheden
varieert
de
soortensamenstelling. Op natte plaatsen zijn soorten als fioringras, geknikte vossenstaart en mannagras aspectbepalend. Op vochtige plaatsen hebben naast Engels raaigras ook grote vossenstaart en ruw beemdgras een belangrijk aandeel in de bedekking. Op vochtige tot matig droge bodems kan gestreepte witbol een dominante plaats innemen. Op matig droge tot droge bodems kan gewoon struisgras het uitzicht bepalen. Het relatief lage soortental hangt samen met een sterke menselijke beïnvloeding zoals bemesting, herbicidengebruik, ontwatering, intensieve begrazing of frequent maaien. Dit neemt niet weg dat het oude graslanden kunnen zijn. Dit is bijvoorbeeld in de Leemstreek vaak het geval. •
Oppervlakte (in ha): 105.000 à 110.000 ha
•
Zeldzaamheid: zeer algemeen
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: geen Bijlage I-habitattype
•
Natuurdecreet: zorgplicht, bijkomende uitvoeringsbesluiten kunnen van toepassing zijn (zie deel 1 § 6.3)
•
Mestdecreet: onderhevig aan de algemene bemestingsnormen, uitgezonderd voor hp-graslanden op lemige en kleiige, relatief vochtige bodems in valleien met een hoge ecologische prioriteit (hpriv). Deze vallen onder ‘mestbeperking langs waterlopen’. hpgraslanden gele
•
Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet
Relaties •
Kenmerkende soort : Fioringras (Agrostis stolonifera), Gewoon struisgras (Agrostis capillaris), Gestreepte
witbol
(Holcus
lanatus), Grote
vossenstaart
(Alopecurus
pratensis), Geknikte vossenstaart (Alopecurus geniculatus), Kruipende boterbloem (Ranunculus repens), Behaarde boterbloem (Ranunculus sardous), Grote weegbree (Plantago major), Gewone hoornbloem (Cerastium fontanum), Paardenbloem (G) (Taraxacum)
•
Aspectbepalende soort : Engels raaigras (Lolium perenne), Ruw beemdgras (Poa trivialis), Witte klaver (Trifolium repens)
7.
Moerasspirearuigte
BWK codes: hf, hfc, hft Waardering: Hf is biologisch zeer waardevol. Ook de zwak ontwikkelde vorm hf° krijgt deze waardering. Zwak ontwikkelde perceelsranden k(hf°) krijgen als waardering ‘biologisch waardevol’. Beschrijving: Hf heeft betrekking op natte ruigtes met moerasspirea, maar ook soorten van het dotterbloemgrasland (hc) of rietland (mr) kunnen aanwezig zijn. Ze komen in Vlaanderen van nature voor als zoomvegetaties langs sloten, beken of rivieren. Vlakdekkend betreft het meestal verlaten natte graslanden met dominantie van de verder vermelde indicatieve soorten. Moerasspirearuigten of relicten ervan komen vaak voor in de ondergroei van populieraanplanten. Variatie: De grens tussen zwak ontwikkelde moerasspirearuigten en sommige verruigde graslanden is vaag. Verruigde graslanden met dagkoekoeksbloem, gewone berenklauw, grote brandnetel of harig wilgenroosje zullen bij afwezigheid van indicatieve soorten eerder als verruigd grasland (hr) gekarteerd zijn. Natte, voedselrijke ruigten met harig wilgenroosje, gelegen in de uiterwaarden van de Zeeschelde en andere grote rivieren zijn aangeduid met de eenheid ku van ruderale vegetaties. Vegetaties met een hoge aanwezigheid van vochtminnende soorten zoals gewone engelwortel, gewone smeerwortel, koninginnenkruid en/of harig wilgenroosje zijn als hf° in kaart gebracht wanneer indicatieve soorten zoals moerasspirea of echte valeriaan in beperkte mate aanwezig zijn. Vegetaties met zeldzame soorten zoals blauwe knoop, karwijselie, moeraskruiskruid of waterkruiskruid zijn aangeduid
als
hf*.
Deze
aanduiding
is
evenwel
niet
stelselmatig
gebruikt.
Een beperkte opslag van struiken en bomen wordt geduid als hfb. De notatie hfb° staat voor een zwak
ontwikkelde
moerasspirearuigte
met
opslag
van
bomen
en
struiken.
Op armere bodems in de Kempen hebben de natte ruigten een andere soortensamenstelling en ontbreekt
moerasspirea
vaak. Het
betreft
verruigingsstadia
van laagveenvegetaties (kleine
zeggenvegetaties) waarin grote wederik, holpijp, hennegras, melkeppe en wilde bertram een belangrijke rol spelen. Zelfs bij afwezigheid van moerasspirea zijn ze als hf(°) gekarteerd (zie verder onder Vlaamse natuurtypen). De grens met zuur laagveen (ms) is niet scherp afgelijnd.
Overeenkomst met indeling Europese natuur Vochtige duinvalleien (2190) Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430)
Uitgebreide info Beschrijving •
In de Leemstreek, en dan vooral in het centraal en oostelijk deel, is moesdistel een kenmerkende soort van de natte ruigtes. Het voorkomen van deze soort is aangeduid als hfc. Overeenkomstig zijn elders vegetaties waarin poelruit (aspectbepalend) voorkomt, gekarteerd als hft. Deze zijn erg zeldzaam en komen vooral voor langs de Schelde, de Demer en de Nete. Moerasspirearuigten ontwikkelen zich optimaal op vochtige tot natte, (matig) voedselrijke
bodems.
Zandbodems
zijn
minder
geschikt
als
standplaats.
Optimale groeiplaatsen worden gekenmerkt door een hoge grondwaterspiegel. Tijdens de winter staan ze vaak onder water, in de zomer zakt het grondwaterpeil enkele tientallen centimeters onder het maaiveld. De typische soorten zijn dan ook allemaal grondwaterafhankelijk. •
Oppervlakte (in ha): 2.000 à 4.000 ha
•
Zeldzaamheid: vrij zeldzaam
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: mogelijk Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)
•
Natuurdecreet: verbod vegetatiewijziging
•
Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet
Relaties •
Indicatieve soort : Bosbies (Scirpus sylvaticus), Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), Gewone bistorta), Grote canescens), Kale
engelwortel
wederik jonker
(Angelica
(Lysimachia (Cirsium
sylvestris), Adderwortel
vulgaris),
Hennegras
(Polygonum
(Calamagrostis
palustre), Koninginnekruid
(Eupatorium
cannabinum), Moerasandoorn (Stachys palustris), Reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia), Moeraszegge (Carex acutiformis) •
Kenmerkende soort : Moerasspirea (Filipendula ulmaria), Poelruit (Thalictrum flavum), Echte
valeriaan
(Valeriana
repens),
Moesdistel
(Cirsium
oleraceum),
Moerasmelkdistel (Sonchus palustris), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria) •
Komt overeen met : Vochtige duinvalleien (2190), Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (6430)
8.
Dotterbloemgrasland
BWK codes: hc Waardering: Hc is biologisch zeer waardevol. Ook zwak ontwikkelde vegetaties hc° krijgen deze waardering. Zwak ontwikkelde perceelsranden k(hc°) krijgen als waardering ‘biologisch waardevol’. Beschrijving: Afhankelijk van de standplaats kunnen bepaalde indicatieve soorten domineren. Bij dominantie van bosbies is bij voorkeur de kartering hc gebruikt, hoewel het vaak moerassige en verruigde percelen betreft. Bosbies is immers bij uitstek een indicator van kwel en een constante hoge watertafel. Dergelijke situaties kunnen onder zowel beheerde (hc) als verruigde (hf) omstandigheden voorkomen. Hoewel veldrus een indicatieve soort is, impliceert dit niet dat door veldrus gedomineerde graslanden als hc gekarteerd zijn. De typologie hangt af van de begeleidende soorten in het grasland. Zijn deze indicatief voor dotterbloemgrasland, dan wordt de kartering hc. Betreft het soorten van vochtig schraalgrasland of zuur laagveen dan luidt de kartering hm, respectievelijk ms. Complexen van twee eenheden zijn ook mogelijk, wat wijst op overgangen tussen -of aanwezigheid van vlekken van- deze vegetatietypen. Op venige zand- of kleigronden in de West-Vlaamse polders hebben lokale kensoorten zoals waterkruiskruid, lidsteng, trosdravik en slanke waterbies tot een kartering als hc geleid. In de duinen is hc vaak gekarteerd in combinatie met vochtige duinpannen mp of duingrasland hd. Veldrus, zomprus, heelblaadjes, watermunt en waternavel zijn hier vaak aspectbepalend. De best ontwikkelde vegetaties worden getypeerd door soorten als kruipend moerasscherm, moeraszoutgras en paddenrus. Variatie: Gebrek aan beheer of minder gunstige standplaatsfactoren leiden tot verarmde dotterbloemgraslanden. Wanneer maar enkele indicatieve soorten voorkomen en/of deze gezamenlijk een lage bedekking hebben, zijn deze graslanden als hc° gekarteerd. Bij hoge aanwezigheid van soorten zoals egelboterbloem, gewone waterbies, pijptorkruid, moerasrolklaver, holpijp en watermunt zal de kartering hc° eerder als aanvullende eenheid aan een complex toegevoegd zijn. Goed ontwikkelde zilverschoongraslanden zijn –op niet systematische wijze- als complexen van hp(r)* met hc of hc° in kaart gebracht. hc*-graslanden zijn bijzonder soortenrijk en/of herbergen zeldzame soorten (orchideeën, zegges…), soms met zeer hoge bedekkingen. De BWK geeft echter geen representatief beeld van dergelijke situaties, omdat hc* niet stelselmatig aangewend is. In de Leemstreek zijn paddenrus, zeegroene zegge en addertong typisch voor dotterbloemgraslanden met mineraalrijke kwel. In een aantal gevallen betreft het overgangen naar kalkmoerassen (mk) en/of relicten van kalkrijke blauwgraslanden (hme) die door het ontbreken van voldoende kensoorten van die karteringseenheden als hc* gekarteerd zijn.
Een beperkte opslag van struiken en bomen wordt geduid als hcb. De notatie hcb° staat voor een zwak ontwikkeld dotterbloemgrasland met opslag van bomen en struiken.
Subtypes die hieronder vallen Dotterbloemgrasland
Overeenkomst met indeling Europese natuur Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae) (6410)
Vochtige duinvalleien (2190)
Uitgebreide info Beschrijving •
Oppervlakte (in ha): 1.500 à 2.900 ha
•
Zeldzaamheid: vrij zeldzaam
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: mogelijk Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)
•
Natuurdecreet: verbod/vergunningsplicht wijziging ‘historisch permanent grasland’
•
Mestdecreet: mestbeperking ‘niet-intensieve graslanden’
•
Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet
Relaties •
Komt overeen met : Dotterbloemgrasland
•
Indicatieve soort : Bosbies (Scirpus sylvaticus), Veldrus (Juncus acutiflorus),Holpijp (Equisetum
fluviatile), Moerasrolklaver
(Lotus
pedunculatus),Egelboterbloem
(Ranunculus flammula), Kale jonker (Cirsium palustre),Waterkruiskruid (Jacobaea aquatica), Watermunt
(Mentha
scorpioides), Moeraswalstro
(Galium
aquatica),Moerasvergeet-mij-nietje palustre),
Gewone
waterbies
(Myosotis (Eleocharis
palustris), Scherpe zegge (Carex acuta), Trosdravik (Bromus racemosus), Pijptorkruid (Oenanthe fistulosa) •
Kenmerkende soort : Dotterbloem (Caltha palustris), Brede orchis (Dactylorhiza fistulosa), Echte
koekoeksbloem
(Lychnis
flos-cuculi), Gevleugeld
hertshooi
(Hypericum quadrangulum), Tweerijige zegge (Carex disticha) •
Komt overeen met : Vochtige duinvalleien (2190), Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae) (6410)
9. Vochtig russen
grasland
gedomineerd
door
BWK codes: hj Waardering: Biologisch waardevol, ook hj° en k(hj°) krijgen deze waardering. Zeer soortenrijke vegetaties hj* en k(hj*) worden als ‘biologisch zeer waardevol’ gewaardeerd. Beschrijving: Deze karteringseenheid is gebruikt voor door pitrus of zeegroene rus gedomineerde vegetaties. Meestal zijn het matig voedselrijke laaggelegen permanente weilanden waarin deze soorten aspectbepalend zijn. Het dominant voorkomen ervan is vaak een gevolg van wijzigingen in de waterhuishouding of van voedselaanrijking. Wanneer er plaatselijk indicatieve soorten van andere karteringseenheden aanwezig zijn, is dit weergegeven met een complex. Van zodra de indicatieve soorten van een andere karteringseenheid het
aspect bepalen,
is geopteerd voor deze
karteringseenheid, al dan niet met toevoeging van hj. Variatie: Graslanden met zeegroene rus in de Polders waarin ook soorten als zilverschoon, aardbeiklaver of valse voszegge staan, zijn als hp* of hpr* gekarteerd, eventueel met toevoeging van hj. Ook elders zijn soortenrijke permanente cultuurgraslanden waarin pitrus het aspect bepaalt, op deze wijze gekarteerd. In de Kempen zijn pitrusvegetaties rond vennen of door pitrus verlande vennen gekarteerd als ao(m)+hj of hj/ao(m). Soms zijn deze vennen zodanig geëutrofieerd dat de kartering ae+hj of hj/ae gebruikt is. Zulke situaties wijzen op een sterke verstoring van de grondwatertafel. Eutrofe plassen met pitrus komen ook buiten de Kempen voor. Meestal staat de kartering hj° voor het verspreid of plaatselijk voorkomen van pitrus of zeegroene rus. De typering hj* is slechts sporadisch gebruikt. Het gaat dan o.a. over pitrusvegetaties waar indicatieve soorten van bijvoorbeeld zuur laagveen (ms), dotterbloemgrasland (hc) of struisgrasvegetatie op zure bodem (ha) in geringe mate aanwezig zijn. In andere gevallen betreft het soortenrijke vegetaties, soms voormalige kapvlaktes, waar indicatieve soorten van andere karteringseenheden ontbreken maar die omwille van de verscheidenheid aan soorten biologisch toch zeer waardevol zijn. De eenheid hjb staat voor hj-graslanden met struweelvorming en/of boomopslag, waarbij struiken en bomen slechts beperkt voorkomen (anders zou het bv. sz/hj of gewoonweg opslag (sz) zijn).
Uitgebreide info Beschrijving •
De eenheid hj kan ook betrekking hebben op andere door pitrus of zeegroene rus gedomineerde begroeiingen, zoals opengekapte natte struwelen, kapvlakten in bossen, uitgedroogde plassen en vennen of plagplekken. Hoewel de eenheid valt onder de groep van de graslanden, is ze gebruikt voor een breder gamma aan biotopen. Pitrusvegetaties kunnen voorkomen op een brede waaier van bodemtypen. Zeegroene rus behoort tot de basenminnende russen en verkiest kleigrond of kalkhoudend leem als standplaats. De groeiplaatsen zijn blijvend of tijdelijk onderhevig aan een hoge waterstand, waarbij een brak milieu niet uitgesloten is. Vegetaties met veldrus vallen niet onder de eenheid hj. Percelen waarin veldrus veelvuldig tot dominant voorkomt, zijn -afhankelijk van de begeleidende soorten- tot het dotterbloemgrasland (hc), zuur laagveen (ms) of vochtig schraalgrasland (hm) gerekend.
•
Oppervlakte (in ha): 800 à 1.800 ha
•
Zeldzaamheid: zeldzaam tot vrij zeldzaam
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: geen Bijlage I-habitattype
•
Natuurdecreet: verbod/vergunningsplicht wijziging ‘historisch permanent grasland’
•
Mestdecreet: mestbeperking ‘niet-intensieve graslanden’
•
Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet
Relaties •
Kenmerkende soort : Pitrus (Juncus effusus), Zeegroene rus (Juncus inflexus)
10.
Zeer soortenarm, vaak tijdelijk grasland
BWK codes: hx Waardering: Hx is biologisch minder waardevol Beschrijving: De karteringseenheid hx is voorbehouden voor zeer soortenarme, ingezaaide graslanden. Vaak betreft het tijdelijk grasland met een dominantie van één grassoort, meestal Engels of Italiaans raaigras. Ze kunnen in gebruik zijn als intensieve graasweide of onderhevig zijn aan een frequent maaibeheer. Variatie: Aangezien het meestal ingezaaide graslanden betreft, vertonen hx-graslanden geen opmerkelijke geografische verschillen. Vermits er per definitie maar een beperkt aantal soorten aangetroffen worden, zijn deze graslanden zwak ontwikkeld wat soortenrijkdom betreft. Intensief agrarische gebieden zonder opvallende biologische waarden zijn doorgaans minder in detail gekarteerd, zodat hx-graslanden daar vaak in complex met akkers (hx+b. of b.+hx, afhankelijk van het oppervlakteaandeel) gekarteerd zijn. Wisselgebruik met akkers, vaak nog binnen hetzelfde jaar, komt geregeld voor zodat het afzonderlijk karteren van akkers en soortenarme tijdelijke graslanden niet altijd zinvol is. Op kaartbladen 3-9-17, 6-14, 10-18, 19-20, 23 en 27-28-36 komen deze complexen veelvuldig voor, omdat -zeker op deze kaartbladen- de intensieve agrarische gebieden minder in detail gekarteerd zijn. Op andere kaartbladen (24, 25, 26, 30-38, 31-39, 32, 33-41 en 34-35-42) is nauwelijks gebruik gemaakt van het complex b.+hx of omgekeerd: ofwel zijn de intensieve graslanden daar strikt gescheiden van de akkers, ofwel is de grasteelt bij wisselgebruik als akker gekarteerd. Het betreft overigens kaartbladen waar het aandeel soortenarme tijdelijke graslanden lager ligt dan elders in Vlaanderen.
Uitgebreide info Beschrijving •
Door het intensieve onderhoud blijft het grasland het hele jaar door groen en is er een gesloten grasmat. Het onderscheid met het soortenarm cultuurgrasland hp is na een maaibeurt niet altijd duidelijk. Bij twijfel is het al of niet permanent karakter van de vegetatie doorslaggevend. Bij aanwezigheid van eenjarigen en ruderalen is geopteerd
voor
hx.
Deze intensieve cultuurgraslanden worden gedraineerd, geïrrigeerd of sterk bemest om tot de meest optimale productiecondities te komen. Ze zijn niet gebonden aan bepaalde bodemtypes, maar hebben de hoogste productie op matig droge tot matig natte gronden. •
Oppervlakte (in ha): 38.000 à 84.000 ha
•
Zeldzaamheid: algemeen tot zeer algemeen
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: geen Bijlage I-habitattype
•
Natuurdecreet: zorgplicht, bijkomende uitvoeringsbesluiten kunnen van toepassing zijn (zie deel 1 § 6.3)
•
Mestdecreet: onderhevig aan de algemene bemestingsnormen
•
Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet
Relaties •
Kenmerkende soort : Engels raaigras (Lolium perenne), Italiaans raaigras (Lolium multiflorum), Ruw beemdgras (Poa trivialis), Straatgras (Poa annua), Gewoon herderstasje (Capsella bursa-pastoris)
11.
Verruigd grasland
BWK codes: hr Waardering: De waardering varieert naargelang de ontwikkelingsgraad: hr is ‘biologisch waardevol’, hr° ‘biologisch minder waardevol’ en hr* ‘biologisch zeer waardevol’. Beschrijving: Allerhande verruigde graslandvegetaties zijn aangeduid met hr. Naast een relatief hoge bedekking van grasachtigen zijn meestal ook banale soorten als grote brandnetel, akkerdistel, ridderzuring en kleefkruid aanwezig. Soms betreft het zoomvormende ruigten langs bosranden, aan waterlopen, op overhoekjes, ... Monotone brandnetelruigten zijn ook vaak tot deze karteringseenheid gerekend. Variatie: Voor monotone ruigtes gedomineerd door één banale soort zoals bijvoorbeeld grote brandnetel, akkerdistel, kropaar of glanshaver, kan zowel hr als hr° gebruikt zijn. hr° in een complex zal meestal duiden op een beperkt aandeel in het complex (dus in de betekenis van weinig). Brandnetel- en distelruigten op verstoorde gronden kunnen plaatselijk als ‘ruderale ruigte’ (ku) getypeerd zijn. Het onderscheid tussen verruigd grasland (hr) en ruderale ruigte (ku) is daarom niet altijd eenduidig. Op slechts enkele kaartbladen is hr* gehanteerd voor verruigde graslanden met zeldzame soorten. Bij soortenrijke ruigten is veeleer getracht om het oorspronkelijke vegetatietype af te leiden uit eventueel aanwezige indicatieve soorten van andere karteringseenheden. Deze zijn dan gekarteerd als complex of / -verhouding.
Uitgebreide info Beschrijving •
De karteringseenheid op zich doet slechts een beperkte uitspraak over de vegetatiekundige samenstelling van de ruigte. Indien er echter indicatieve soorten van een specifiek graslandtype worden aangetroffen is hr in complex gebruikt met de overeenkomstige graslandkartering of is dit weergegeven door middel van een schuine streep. Zo is een verruigd grasland met plaatselijk elementen van een mesofiel hooiland genoteerd als hr+hu° of hr/hu°. In het laatste geval is het mesofiel hooiland nog als dusdanig herkenbaar, maar sterk verruigd. In verruigd grasland is er vaak een beperkte en ijle struweelvorming of verspreide jonge boomopslag, wat wordt aangeduid als hrb. Wanneer de verbossing verder doorgezet is over grote delen van het grasland, dan wordt dit als struweel op verruigd grasland (s./hr of s./hrb) genoteerd. Is het struweel slechts plaatselijk bedekkend dan is dit als verruigd grasland in complex met struweel geduid (hr+s. of hrb+s.). Voor
ruigtevegetaties
met
een
beperkt
aandeel
grassen
en/of
zonder
graslandverleden wordt de karteringseenheid ku gebruikt. Voorbeelden hiervan worden aangetroffen op verlaten akkers of opgespoten terreinen. De opgelijste indicatieve soorten komen hier ook vaak voor, maar worden typisch vergezeld door een hoog aandeel ruderale soorten en een lagere bedekking van de grasachtigen (zie verder bij ‘ruderale ruigte of pioniersvegetatie, ku). De karteringseenheid hr is niet gebonden aan een bepaald bodemtype. Verruigde graslanden komen voor in droge tot natte situaties en in matig tot zeer voedselrijke
•
Oppervlakte (in ha): 7.200 à 11.000 ha
•
Zeldzaamheid: vrij algemeen
omstandigheden.
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: uitzonderlijk Bijlage I-habitat (zie Natura 2000 typologie)
•
Natuurdecreet: vergunningsplicht vegetatiewijziging
•
Mestdecreet: mestbeperking ‘niet-intensieve graslanden’
•
Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet
Relaties •
Indicatieve
soort : Grote
brandnetel
(Urtica
dioica), Kleefkruid
(Galium
aparine),Akkerdistel (Cirsium arvense), Speerdistel (Cirsium vulgare), Gewone braam (Rubus fruticosus), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Gewone bereklauw (Heracleum
sphondylium), Koninginnekruid
(Eupatorium
cannabinum), Harig
wilgenroosje (Epilobium hirsutum)
12.
Opslag van allerlei aard
BWK codes: sz Waardering: Sz is biologisch waardevol Beschrijving: De karteringseenheid sz is gebruikt voor het aanduiden van spontane, houtige opslag op diverse standplaatsen. Het betreft allerhande verstruweelde en verboste situaties die door afwezigheid van indicatorsoorten van andere struweeltypen niet anders kunnen getypeerd worden. De eenheid kan zowel opslag van één enkele soort betreffen als een mengeling van soorten. Om dit aan te duiden kunnen de dominante boomsoort of boomsoorten vermeld zijn. Indien het een ruime mengeling van soorten betreft, wordt dit met gml (gemengd loofhout) aangeduid. Variatie: Er is bij sz relatief weinig onderscheid gemaakt in ontwikkelingsgraad. Om goed ontwikkelde mantelvegetaties aan te duiden is sz* gebruikt tenzij de mantel bij een bepaald bostype kon gerekend worden. De typering sz° duidt op een nog tamelijk open, ijl struweel met slechts enkele verspreide struiken of op jonge opslag.
Uitgebreide info Beschrijving •
Ook voor opslag van wilgensoorten op minder vochtige bodem is bij voorkeur de eenheid sz gebruikt. Hier ontbreken immers de indicatieve soorten van de vochtige wilgenstruwelen (so, sf). In het geval van een duidelijke aanplant is deze niet als opslag, maar wel als loofhoutaanplant n gekarteerd. Indien de oorspronkelijke (verboste) vegetatie nog herkenbaar is tussen of onder de opslag is dit zo mogelijk aangeduid met een /-verhouding. Onder dit teken komt de karteringseenheid van de oorspronkelijke vegetatie te staan.
•
Oppervlakte (in ha): 7.500 à 12.000 ha
•
Zeldzaamheid: vrij algemeen
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: geen Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)
•
Natuurdecreet: vergunningsplicht vegetatiewijziging
•
Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden
•
Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet
13.
Kapvlakte
BWK codes: se Waardering: Se is biologisch waardevol Beschrijving: Een kapvlakte (se) kan bij een recente kapping gekenmerkt worden door een vegetatieloze bodem, maar evengoed door een pioniersvegetatie van één- of tweejarigen of in een later stadium een ruigte of jong struweel. Dergelijke jonge struwelen worden evenwel bij voorkeur getypeerd door een combinatie met de karteringseenheid voor het betreffende bostype of met allerlei opslag (sz). Variatie: Indien
de
oorspronkelijke
vegetatie
nog
herkenbaar
is,
of
indien
er
op
het
kapvlaktestruweel evolutie is naar een andere eenheid kan dit weergegeven zijn. Het complex krijgt dan de waardering van de oorspronkelijke vegetatie. Zo staat bv. qa°/se voor een kapvlakte binnen een eiken-haagbeukenbos waar de typische kruidlaag nog aanwezig is (al dan niet na hervestiging of aanplant van jonge bomen). De wijze waarop dit is weergegeven is echter erg verschillend van kaartblok tot kaartblok. Zo kunnen KE/se, se/KE en se + KE als synoniem van elkaar geïnterpreteerd
worden. De karteringseenheden se° en se* zijn slechts uitzonderlijk gebruikt. Met se° is dan de afwezigheid van vegetatie aangeduid en met se* de aanwezigheid van een zeer waardevolle kruidlaag of zeldzame soorten. Veelal zijn zulke situaties echter gewoon als se geduid.
Uitgebreide info Beschrijving •
Veel kapvlaktes op de kaarten betreffen gekapte populierenaanplanten. In het geval van gekapte aanplanten op niet-boslocaties is de kartering vaak aangevuld met een karteringseenheid die betrekking heeft op een ruigte-, moeras– of graslandtype. Kapvlaktes vormen steeds een tijdelijke situatie en de kartering zal dan ook snel achterhaald zijn.
•
Oppervlakte (in ha): 950 à 1500 ha
•
Zeldzaamheid: zeldzaam tot vrij zeldzaam
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: mogelijk Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)
•
Natuurdecreet: vergunningsplicht vegetatiewijziging
•
Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden
•
Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet
Relaties Kenmerkende angustifolium)
soort : Vingerhoedskruid
(Digitalis
purpurea), Wilgenroosje
(Chamerion
14. Vochtig wilgenstruweel op voedselrijke bodem BWK codes: sf Waardering: Sf is biologisch zeer waardevol Beschrijving: Onder sf beschouwen we alle natte tot vochtige voedselrijke struwelen gedomineerd door wilgen. Ze worden gekarakteriseerd door een jaarrond hoge grondwatertafel, in de winter vaak tot boven het maaiveld. De kruidlaag van als sf gekarteerde struwelen bestaat uit moerasplanten en is meestal
vrij
soortenarm.
Soms
zijn
de
struwelen
(deels)
vegetatieloos.
De best ontwikkelde voorbeelden vinden we terug in de uiterwaarden en op natte tot zeer natte alluviale bodems waar de wilgenstruwelen frequent tot minder frequent overstromen. Variatie: De typering sf° staat meestal voor een beperkt oppervlakteaandeel binnen een complex. Deze notatie kan ook duiden op een nog jong ijl pioniersstruweel, al dan niet doorschietend na kapping. De eenheid sf° is ook gebruikt om opslag van wilgen langs de (verharde) oevers van rivieren en kanalen weer te geven.
Subtypes die hieronder vallen Wilgenvloedbos met Reuzenbalsemien en Bittere veldkers (Bostype B)
Overeenkomst met indeling Europese natuur Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0) Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale kustgebied (2180)
Uitgebreide info Beschrijving •
Smalbladige wilgenstruwelen gelegen in de getijdenzone van grote rivieren kunnen beschouwd worden als een aparte variant. Dit type is terug te vinden langs de Zeeschelde en haar getijgebonden zijrivieren. Schietwilg, amandelwilg, Duitse dot, katwilg en vooral de kruising tussen amandelwilg en katwilg (Salix x mollissima) kenmerken de boom- en struiklaag. Reuzenbalsemien, bittere veldkers, bitterzoet, ruw beemdgras, haagwinde en de zeldzame spindotterbloem (kenmerkende ondersoort van het zoetwatergetijdengebieden), vormen de meest typerende taxa in de kruidlaag. Deze wilgenvloedstruwelen staan onder invloed van getij. Vooral tijdens springtijperiodes hebben ze een hoge grondwatertafel en overspoelen ze geregeld. Dit in tegenstelling tot de wilgenbroekbossen van de niet door getij beïnvloede standplaatsen die het hele jaar een hoge grondwatertafel kennen. De binnendijks gelegen struwelen worden meestal gedomineerd door breedbladige wilgensoorten zoals grauwe wilg, boswilg of geoorde wilg. Aanwezigheid van deze laatste soort markeert de overgang naar de voedselarmere wilgenstruwelen (so). De eenheid sf is niet gebruikt voor nog in bedrijf zijnde grienden (wissenteelt). Deze zijn als kq+sal gekarteerd, met in het veld info de vermelding ‘grienden’. Aanplanten van hoogopgaande wilgenbomen en verlaten of extensief beheerde opgeschoten grienden zonder moerasondergroei zijn als n+sal in kaart gebracht. Wanneer oude, verlaten structuurrijke grienden indicatieve soorten van de eenheid bevatten, worden
ze
wel
als
sf
gekarteerd.
Ook in de kustduinen is (hoogopgaand) wilgenstruweel met overwegend een moerasondergroei als sf gekarteerd. Grauwe wilg is hier de aspectbepalende boomsoort. •
Oppervlakte (in ha): 1.700 à 3.000 ha
•
Zeldzaamheid: vrij zeldzaam
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: mogelijk (prioritair) Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)
•
Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden
•
Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet
Relaties
•
Komt overeen met : Wilgenvloedbos met Reuzenbalsemien en Bittere veldkers (Bostype B)
•
Kenmerkende soort : Boswilg (Salix caprea), Grauwe wilg (Salix cinerea), Duitse dot (Salix dasyclados), Katwilg (Salix viminalis), Kraakwilg (Salix fragilis), Schietwilg (Salix alba), Amandelwilg (Salix triandra), Amandelwilg x Katwilg (Salix x mollissima), Dotterbloem
(Caltha palustris), Spindotterbloem (Caltha palustris
subspecies araneosa), Hop (Humulus lupulus), Gele lis (Iris pseudacorus), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria) •
Komt overeen met : Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale kustgebied (2180), Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (AlnoPadion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0)
15.
Eiken-haagbeukenbos
BWK codes: qa Waardering: Qa is biologisch zeer waardevol Beschrijving: Eiken-haagbeukenbos komt voor op (matig) voedselrijke leem- en zandleemgronden. Deze bossen met rijke kruidlaag komen voor op valleibodems grenzend aan beekbegeleidende bostypes, maar ook op hellingen en plateaus met een hangwatertafel. De vochttoestand kan sterk wisselen gedurende het jaar en varieert van vochtig tot vrij droog. Variatie: De soortenarme variant van het eiken-haagbeukenbos, die op wat zuurdere leembodems voorkomt is buiten het voorjaar moeilijk te onderscheiden van het zuur eikenbos (qs). Met qa° worden naast kapvlaktes of heraanplanten in bestaand oud bos, ook soortenarmere situaties bedoeld. Een deel hiervan betreft echter volwaardige voorbeelden van een variant van het eikenhaagbeukenbos, die op wat zuurdere leembodems voorkomt. qa* duidt op een goed ontwikkelde vorm wat voornamelijk betrekking heeft op de kruidlaag en het voorkomen van zeldzamere soorten zoals zwartblauwe en witte rapunzel, daslook, wrangwortel en/of heelkruid. In enkele gevallen kan qa* ook gebruikt zijn om structuurrijke bossen met veel dood hout aan te duiden. De uiterst zeldzame variant van het eiken-haagbeukenbos met orchideeën als mannetjesorchis is eveneens met qa* aangeduid. Indien de boomlaag gekenmerkt en gedomineerd wordt door de inplant van populier en indien er andere boom- of struiksoorten aanwezig zijn, wordt dit qa+pop. Hieronder vallen ook die bossen met inplant van populier die gekenmerkt worden door een slecht ontwikkelde struik- en boometage op voorwaarde
dat
de
indicatieve
soorten
in
de
kruidlaag
talrijk
aanwezig
zijn.
Onder de eenheid lh/qa beschouwen we die bosjes waarvan de boomlaag gekenmerkt en gedomineerd wordt door populier. De struiklaag is slechts matig ontwikkeld en bestaat soms enkel uit
gewone vlier en hier en daar een meidoorn. De indicatieve soorten komen in de kruidlaag verspreid voor. Deze notatie is ook gebruikt voor bossen waar de indicatieve soorten in de kruidlaag weinig divers zijn of maar een geringe bedekking hebben. Onder de eenheid lh/qa° verstaan we bossen die eveneens een eerder soortenarme boom- en struiklaag hebben en waarbij het aantal indicatieve soorten in de kruidlaag weinig soortenrijk is, of enkel vleksgewijs voorkomt.
Subtypes die hieronder vallen Essen-Eikenbos met Bosgierstgras en Witte klaverzuring (Bostype G4) Essen-Eikenbos met Gewone salomonszegel en Wilde kamperfoelie (Bostype G3) Essen-Elzenbos met Gevlekte aronskelk (Bostype D6)
Overeenkomst met indeling Europese natuur Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum (9130) Sub-Atlantische en Midden-Europese Wintereikenbossen of Eiken- Haagbeukenbossen behorend tot het Carpinion betuli (9160)
Uitgebreide info Beschrijving •
De boomlaag bestaat voornamelijk uit zomereik, es, esdoorn, zoete kers en haagbeuk. Plaatselijk is er soms populier aangeplant. De kruidlaag kan zeer soortenrijk zijn en wordt gekenmerkt door een uitbundige voorjaarsbloei. De meeste soorten in de kruidlaag zijn indicatief voor bossen met een lange bosconstantie, en worden dan ook vaak aangeduid met de term ‘oud-bosplanten’.
•
Oppervlakte (in ha): 3.000 à 4.400 ha
•
Zeldzaamheid: vrij zeldzaam
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)
•
Natuurdecreet: vergunningsplicht vegetatiewijziging
•
Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden
•
Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet
Relaties •
Komt overeen met : Essen-Eikenbos met Bosgierstgras en Witte klaverzuring (Bostype G4), Essen-Eikenbos met Gewone salomonszegel en Wilde kamperfoelie (Bostype G3), Essen-Elzenbos met Gevlekte aronskelk (Bostype D6)
•
Kenmerkende
soort : Bosanemoon
(Anemone
nemorosa), Gele
dovenetel
(Lamium galeobdolon), Gevlekte aronskelk (Arum maculatum), Boszegge (Carex sylvatica),
Bosbingelkruid
(Mercurialis
perennis), Kleine
maagdenpalm
(Vinca
minor),Donkersporig bosviooltje (Viola reichenbachiana), Bleeksporig bosviooltje (Viola riviniana) •
Komt overeen met : Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum (9130), SubAtlantische en Midden-Europese Wintereikenbossen of Eiken- Haagbeukenbossen behorend tot het Carpinion betuli (9160)
16.
Elzenbroek
BWK codes: vm Waardering: Vm is biologisch zeer waardevol Beschrijving: Elzenbroekbossen zijn gebonden aan moerasgebieden met (matig) voedselrijk water. Deze bossen worden gekenmerkt door een permanent hoge grondwaterstand (aan of kort bij het maaiveld) en beperkte grondwaterstandschommelingen. Vooral soorten die gebonden zijn aan deze permanent hoge grondwaterstanden zijn indicatief voor dit bostype. Variatie: Het onderscheid met het nitrofiel alluviaal elzenbos (vn) is niet altijd evident. Het is vooral de jaarrond vrijwel hoge waterstand en het voorkomen van verschillende indicatieve soorten die tot het gebruik van de eenheid vm leiden. Op verschillende plaatsen komt het elzenbroek (vm) voor in overgang naar nitrofiel alluviaal elzenbos (vn). Natte elzenbossen met maar weinig of geen indicatieve soorten zijn soms als vm° of als vn getypeerd. Voor jonge broekbossen in de Kempen is zowel vm° als vn gebruikt. Deze jonge broekbossen ontstonden door successie en relatief recente verbossing van zeggenmoerassen en zeer natte valleigraslanden. De eenheid vm* is gebruikt voor zeer mooi ontwikkelde situaties, ofwel gekenmerkt door een hoge bedekking van indicatieve soorten ofwel door de aanwezigheid van verschillende indicatieve soorten en een structuurrijke boom- en struiklaag en de aanwezigheid van veel dik dood hout, zowel staand als liggend.
Subtypes die hieronder vallen Elzenbroekbos met Melkeppe en Wateraardbei (Bostype C2) Elzenbroekbos met Hop en Moerasspirea (Bostype C3) Elzenbroekbos met Pluimzegge en Moerasvaren (Bostype C1)
Overeenkomst met indeling Europese natuur Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0)
Uitgebreide info Beschrijving •
Plaatselijk kunnen delen van het elzenbroek ook tijdens het groeiseizoen onder water staan, zodat een kruidlaag ontbreekt. Dit type bossen komt voornamelijk voor op venige bodems zowel in beekvalleien als in laagveengebieden. De boomlaag wordt gedomineerd door zwarte els, plaatselijk soms vergezeld door zachte berk. De boomlaag is in zeer natte omstandigheden meestal erg ijl. In de struiklaag komen vaak geoorde en grauwe wilg voor.
•
Oppervlakte (in ha): 1.900 à 3.000 ha
•
Zeldzaamheid: vrij zeldzaam
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: prioritair Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)
•
Natuurdecreet: verbod vegetatiewijziging
•
Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden
•
Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet
Relaties •
Komt
overeen
met : Elzenbroekbos
met
Hop
en
Moerasspirea
(Bostype
C3),Elzenbroekbos met Melkeppe en Wateraardbei (Bostype C2), Elzenbroekbos met Pluimzegge en Moerasvaren (Bostype C1) •
Kenmerkende
soort :
Elzenzegge
canescens),Moerasvaren
(Thelypteris
galericulata),Waterzuring
(Rumex
(Carex
elongata), Zompzegge
palustris), Blauw hydrolapathum),
glidkruid Stijve
(Carex
(Scutellaria
zegge
(Carex
elata), Snavelzegge (Carex rostrata), Slangenwortel (Calla palustris), Koningsvaren (Osmunda
regalis),Gele
lis
(Iris
pseudacorus), Moerasviooltje
(Viola
palustris), Wolfspoot (Lycopus europaeus), Bitterzoet (Solanum dulcamara), Melkeppe (Peucedanum palustre),
palustre),Holpijp
Waterviolier
(Hottonia
(Equisetum
fluviatile), Moeraswalstro
palustris), Moeraszegge
(Carex
(Galium
acutiformis),
Hennegras (Calamagrostis canescens), Pluimzegge (Carex paniculata), Oeverzegge (Carex riparia) •
Komt overeen met : Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0)
17.
Alluviaal elzen-essenbos
BWK codes: va Waardering: Va is biologisch zeer waardevol Beschrijving: De eenheid va staat voor alluviale bossen met uitbundige voorjaarsbloei van kruidachtige bosplanten. Dit bostype vinden we vooral op zware rijke bodems, zowel op colluviale leembodems als allerhande alluviale gronden. Daarbuiten komt het ook voor op zandlemige bodem. In dit laatste geval is de kruidlaag vaak minder soortenrijk en beperkt tot een paar algemene soorten, die wel talrijk aanwezig kunnen zijn. Buiten bosverband manifesteert deze eenheid zich in houtkanten of andere houtige begroeiingen langs bronbeken en bovenlopen van beken. Variatie: In de westelijke Leemstreek is het onderscheid tussen va, va+pop, lh/va en lh/va° gemaakt op basis van de soortenrijkdom van de kruidlaag. Indien de boom- of struiklaag bestaat uit zwarte els en/of es, al dan niet met inplant van populier, en de kruidlaag een duidelijk voorjaarsaspect vertoont met onder meer bosanemoon, gele dovenetel, slanke sleutelbloem, muskuskruid en (minder frequent) daslook, dan wordt dit getypeerd als va. Indien de boomlaag gekenmerkt en gedomineerd wordt door de inplant van populier, dan wordt dit gekarteerd als va+pop. Mits een goed ontwikkelde kruidlaag kan de boomlaag zelfs uitsluitend uit populier bestaan. Dit wordt dan weergegeven als va+pop. Indien reeds een struiklaag aanwezig is, kan zowel va+pop als va gebruikt zijn. Onder de eenheid lh/va beschouwen we die populierenbosjes die een minder goed ontwikkelde en diverse kruidlaag van va-bossen bezitten, met ondermeer slanke sleutelbloem, gevlekte aronskelk, muskuskruid en speenkruid en occasioneel voorkomen van bosanemoon. Meer karakteristieke soorten als daslook, eenbes en tapijten van bosanemoon ontbreken. In een aantal gevallen komt in deze populierenbosjes in de kruidlaag enkel maar speenkruid, muskuskruid, geel nagelkruid en een weinig slanke sleutelbloem voor. Dergelijke percelen zijn getypeerd als lh/va°. Buiten de westelijke Leemstreek is het onderscheid gemaakt op basis de aanwezige boom- en struiklaag, dus louter op bosbouwkundige criteria en niet op basis van de kruidlaag. Hierbij staat va+pop dan voor een alluviaal elzen-essenbos met een goed ontwikkelde boomlaag van zwarte els en/of es en met inplant van populier. Indien de indicatieve soorten wel talrijk aanwezig zijn en behalve populier weinig of geen andere soorten in de struik- en boomlaag aanwezig zijn of slechts occasioneel voorkomen, is dit getypeerd als lh/va. De eenheid va* is slechts heel beperkt toegekend. Bijna steeds betreft het bossen die gekenmerkt worden door het uitbundig voorkomen van algemene, indicatieve soorten aangevuld met nog verschillende zeldzamere soorten als heelkruid, eenbes en bosorchis. In een aantal gevallen is deze
notatie ook gebruikt voor stukken bos die gekenmerkt worden door een structuurrijke boom- en struiklaag en de aanwezigheid van veel dik dood hout, zowel staand als liggend.
Subtypes die hieronder vallen Essen-Elzenbos met Bloedzuring (Bostype D5) Iepen-Essenbos met Aalbes en Groot heksenkruid (Bostype E1)
Overeenkomst met indeling Europese natuur Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0)
Uitgebreide info Beschrijving •
De standplaats is matig vochtig tot matig nat. Overstromingen komen slechts in beperkte mate voor, vooral dan tijdens de wintermaanden en zijn steeds van korte duur. Tijdens het voorjaar is de bodem vochtig, zonder evenwel nat te zijn. Onder natte omstandigheden komen overgangen voor naar nitrofiel alluviaal elzenbos (vn) of naar elzenbroek (vm). De boom- en struiklaag bestaat meestal uit zwarte en witte els, es, hazelaar en plaatselijk een aantal wilgensoorten. Op veel plaatsen zijn deze bossen ingeplant met populier, zodat dit nu vaak de aspectbepalende boomsoort is. Veel van deze bossen werden in het verleden beheerd als hakhout. Hierbij werd volgens een cyclisch beheer, meestal een periode van 10 jaar, een deel van de bomen afgezet waardoor hakhoutstoven of –stobben ontstonden.
•
Oppervlakte (in ha): 2.400 à 3.700 ha
•
Zeldzaamheid: vrij zeldzaam
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: prioritair Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)
•
Natuurdecreet: vergunningsplicht vegetatiewijziging
•
Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden
•
Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet
Relaties •
Komt overeen met : Iepen-Essenbos met Aalbes en Groot heksenkruid (Bostype E1),Essen-Elzenbos met Bloedzuring (Bostype D5)
•
Kenmerkende soort : Bosanemoon (Anemone nemorosa), Muskuskruid (Adoxa moschatellina), Gele
dovenetel
(Lamium
galeobdolon), Slanke
sleutelbloem
(Primula elatior), Speenkruid (Ranunculus ficaria), Gevlekte aronskelk (Arum maculatum), Eenbes (Paris quadrifolia), Aalbes (Ribes rubrum), Bosbingelkruid (Mercurialis perennis), Boszegge (Carex sylvatica), Boswederik (Lysimachia nemorum), Daslook (Allium ursinum), Geel nagelkruid (Geum urbanum), Kleine maagdenpalm (Vinca minor) •
Komt overeen met : Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior
(Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0)
18.
Nitrofiel alluviaal elzenbos
BWK codes: vn Waardering: Vn is biologisch zeer waardevol Beschrijving: Vn staat voor nitrofiel alluviaal elzenbos. Het betreft bossen op voedselrijke bodem, vaak op alluviale gronden maar dit is niet noodzakelijk. De standplaats is meestal vrij vochtig tot nat. De boom- en struiklaag bestaan doorgaans uit zwarte els, es en een aantal wilgensoorten. Op veel plaatsen zijn deze bossen ingeplant met populier, zodat dit vaak de aspectbepalende boomsoort is. Deze eenheid dient ruim geïnterpreteerd te worden en omvat verschillende bostypes die niet altijd even strikt af te lijnen zijn, en in sommige gevallen zelfs met een andere karteringseenheid worden weergegeven. Variatie: De eenheid lh/vn staat voor populierenbossen waar reeds een duidelijke jonge boomlaag en/of goede struiklaag aanwezig is van es en els. In een aantal regio’s staat deze eenheid echter ook voor natte populierenbossen, met weinig of geen soorten in de boom- of struiklaag. In dat geval bevat de kruidlaag veel vochtminnende soorten als dotterbloem, moerasspirea, scherpe zegge, gele lis, moeraszegge (type I van hierboven). Meestal zijn dergelijke situaties getypeerd als lh/hf. De eenheid vn* is slechts heel uitzonderlijk gebruikt voor delen van bos die gekenmerkt worden door een structuurrijke boom- en struiklaag en de aanwezigheid van veel dik dood hout, zowel staand als liggend. Daar een kartering als vn niet eenduidig bepaald kan worden uit de kruidlaag, is het strikt noodzakelijk dat de boom- en struiklaag van elzen en essen voldoende goed ontwikkeld zijn. In tal van populierenbossen zijn de eerder opgesomde kruid-soorten ook aanwezig maar ontbreekt een echte boom- of struiklaag, die niet uit populier is samengesteld. Hier is geopteerd voor een kartering als lhi of lhb indien vooral ruigtesoorten in de ondergroei domineren, al dan niet met wat boomopslag. Wanneer de ondergroei gedomineerd wordt door soorten die kenmerkend zijn voor natte standplaatsen zoals moerasspirea, moesdistel, gele lis, scherpe zegge of kale jonker, is de kartering lh/hf gebruikt.
Subtypes die hieronder vallen Essen-Elzenbos met Moerasspirea (Bostype D1) Essen-Elzenbos met Gewone braam (Bostype D3) Iepen-Essenbos met Aalbes en Groot heksenkruid (Bostype E1) Essen-Elzenbos met Grote brandnetel (Bostype D2)
Overeenkomst met indeling Europese natuur
Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0)
Uitgebreide info Beschrijving •
Hieronder
geven
we
een
overzicht
waarvoor
vn
gebruikt
is.
Een eerste type is de vrij natte variant die vooral beek- en rivierbegeleidend voorkomt en gekenmerkt wordt door soorten van moerasspirearuigte (hf) of van grote zeggenvegetatie (mc). Overstromingen komen regelmatig voor, vooral tijdens de wintermaanden. De kruidlaag bevat dan ook tal van vochtminnende soorten als dotterbloem, moerasspirea, moesdistel, oeverzegge, scherpe zegge en gele lis. Een tweede type is een vrij ruig type, waar echte bossoorten ontbreken en dat gedomineerd wordt door stikstofminnende en ruigtekruiden als grote brandnetel, kleefkruid en hondsdraf. Dit type komt op voedselrijke bodem voor, maar is niet echt nat te noemen. Het derde type, dat sterk aanleunt bij het vorige, is eveneens een vrij ruig bostype dat echter gedomineerd wordt door braam en stekelvarens. Het komt voor op iets drogere gronden en is bijgevolg vooral te vinden op zand- en zandleembodems. De dominantie van braam is vaak het gevolg van verdroging. Regionaal kan dit een verdroogd elzenbroek (vm) zijn. Plaatselijk in Noord-Limburg is zomereik de dominante boomsoort en wordt dit soms weergegeven in complex met zuur eikenbos
(qs,
zie
verder
bij
de
bespreking
van
deze
eenheid).
Een vierde type wordt gekenmerkt door een rijke kruidlaag met daarin ondermeer aalbes, robertskruid, geel nagelkruid, dagkoekoeksbloem, groot heksenkruid en dauwbraam naast tal van stikstofminnende planten als grote brandnetel, hondsdraf en kleefkruid. Dit type vormt de overgang naar alluviaal elzen-essenbos (va) en beiden worden dan ook vaak samen als complex gekarteerd. Het onderscheid met alluviaal elzen-essenbos (va) is gebaseerd op het grotendeels of geheel ontbreken van soorten die indicatief hiervoor zijn. Daar verschillende van deze types gekenmerkt worden door vrij algemene, ruigtesoorten en/of door soorten van vochtige standplaatsen die bijvoorbeeld ook in niet bosvegetaties als moerasspirearuigten terug te vinden zijn, is het noodzakelijk dat de boomlaag van elzen en essen voldoende ontwikkeld is om van vn te spreken. Veel van deze bossen zijn relatief jong, enkele decennia oud, en komen voort uit voormalig grasland, al dan niet spontaan verbost. •
Oppervlakte (in ha): 2.500 à 4.000 ha
•
Zeldzaamheid: vrij zeldzaam
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: prioritair Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)
•
Natuurdecreet: vergunningsplicht vegetatiewijziging
•
Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden
•
Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet
Relaties •
Komt overeen met : Iepen-Essenbos met Aalbes en Groot heksenkruid (Bostype E1),Essen-Elzenbos met Gewone braam (Bostype D3), Essen-Elzenbos met Grote brandnetel (Bostype D2), Essen-Elzenbos met Moerasspirea (Bostype D1)
•
Komt overeen met : Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0)
19.
Populierenbestand
BWK codes: lhi, lhb, lsi, lsb, lsh Waardering: L is minimaal ‘biologisch waardevol’. Indien onder populier een grasland, moeras of bepaald bostype aanwezig is, leidt dit tot een waardering die bepaald wordt door het aanwezige type in de ondergroei. Uitzondering hierop zijn de notaties lh/vn° en lh/qs°, die als ‘complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen’ geëvalueerd worden. Bij deze karteringen is het verschil met lhb en lsb vaak zeer gering tot onbestaande. Verder kan de waardering nooit minder zijn dan ‘biologisch waardevol’, ook als de ondergroei bv. bestaat uit een akker (l./b.) of soortenarm permanent grasland (l./hp) blijft de waardering ‘biologisch waardevol’. Beschrijving: Onder de eenheden lhi, lhb, lsi, lsb en lsh worden allerlei populierenbestanden begrepen. Dit kan zowel om recente, nieuwe aanplanten als om populierenbestanden in bestaand bos gaan. Variatie: De toevoeging ° is enkel gebruikt om jonge bestanden weer te geven, meestal onder de vorm van l.°/grasland. Een kartering als lhi, lhb, lsh, lsi of lsb impliceert immers dat er een ruderale of weinig kenmerkende ondergroei aanwezig is. De toevoeging van een * wijst in vele gevallen op het voorkomen van maretak. Zwak ontwikkelde halfnatuurlijke graslandvegetaties of zwak ontwikkelde bosvegetaties in ondergroei krijgen een ° bij de betreffende karteringseenheid, bijvoorbeeld lh/hf° voor een populierenaanplant met een matig ontwikkelde moerasspi-rearuigte in de ondergroei.
Subtypes die hieronder vallen Essen-Elzenbos met Moerasspirea (Bostype D1) Essen-Elzenbos met Grote brandnetel (Bostype D2)
Uitgebreide info Beschrijving •
Een eerste grote indeling wordt gemaakt tussen bestanden die eerder op (vrij) droge bodem zijn te vinden (ls.), en bestanden die eerder op (vrij) vochtige bodem (lh.) voorkomen. Het onderscheid hiertussen wordt gemaakt op basis van de aanwezige soorten in de kruid- en struiklaag. Populierenbestanden met soorten typisch voor moeras- en vochtige vegetaties zijn getypeerd als lh.. Als de ondergroei bestaat uit soorten kenmerkend voor droge vegetaties, wordt dit ls. Soorten die eerder in matig vochtige tot matig droge vegetatietypes zijn te vinden, zijn meestal weergegeven als lh. Een verdere indeling is vooral gebaseerd op de soorten en de structuur in de ondergroei. Indien deze uit een kruidige of ruigtevegetatie bestaat, wordt dit weergegeven als lsi of lhi. Indien in de ondergroei al verspreide opslag of aanplant van bomen en struiken aanwezig is, wordt dit respectievelijk lhb voor de vochtige bestanden en lsb voor de eerder droge bestanden. De eenheid lsh staat voor een grazige ondergroei op (vrij) droge bodem. Veel van de bestanden met populieren vinden we terug op voormalig grasland, moeras of ander biotooptype. Indien dit type nog te herkennen is in de ondergroei wordt dit zoveel mogelijk weergegeven. In dergelijk geval wordt er gebruik gemaakt van de /-verhouding. Wegens het achterwege blijven van beheer evolueerden bijvoorbeeld heel wat dotterbloemgraslanden waarin populier werd aangeplant naar een moerasspirearuigte (lh/hf of hf+pop). In dat geval is steeds het waargenomen vegetatietype vermeld. Inplant van populier vinden we ook vaak terug in ‘oud bos’. Meestal is de aanwezige kruidlaag van deze oude bossen nog als dusdanig te herkennen en bepalend voor de kartering, ook als de boomlaag bijna uitsluitend uit populier bestaat. Veelal is er dan voor gekozen om eerst het bostype te vermelden, bv. va of qa gevolgd door het boomsymbool voor populier pop, maar dit is zeker niet overal zo toegepast, waardoor in beide voorbeelden de eenheden lhb/va of lhb/qa als synoniem kunnen gelden voor va+pop of qa+pop. En tenslotte evolueerden heel wat oudere populierenbossen naar een echt bostype, zeker als ze grenzen aan oud bos of als ze in een vallei gelegen zijn.
•
Oppervlakte (in ha): 15.000 à 19.000 ha
•
Zeldzaamheid: algemeen
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: enkel Bijlage I-habitattype indien het vegetatietype in de ondergroei een habitattype is, zie Natura 2000 typologie
•
Natuurdecreet: vergunningsplicht vegetatiewijziging
•
Mestdecreet: algemeen mestverbod op gronden andere dan cultuurgronden, bij l./graslandtype gelden andere regels, zie hiervoor bij het betreffende graslandtype.
•
Bosdecreet: onderhevig aan het bosdecreet
Relaties •
Komt overeen met : Essen-Elzenbos met Grote brandnetel (Bostype D2), EssenElzenbos met Moerasspirea (Bostype D1)
•
Kenmerkende soort : Canadapopulier (Populus canadensis)
20.
Bomenrij, houtkant, houtwal
BWK codes: kb, kh, kh(biotoop), khw Waardering: Normaal (kh) tot goed ontwikkelde (kh*) hagen, houtkanten en houtwallen zijn ‘biologisch zeer waardevol’. Bomenrijen (kb, kb*) en minder goed ontwikkelde hagen, houtkanten en houtwallen (kh°, khw°) worden als ‘biologisch waardevol’ geëvalueerd. Zwak ontwikkelde bomenrijen (kb°) worden als ‘biologisch minder waardevol’ gewaardeerd. kh(biotoop) is altijd ‘biologisch zeer waardevol’. Beschrijving: Van oudsher zijn bomenrijen, houtkanten en houtwallen aanwezig in het landschap. Oorspronkelijk dienden ze als perceelsscheiding, soms zijn het relicten van voormalig bosgebied. Tevens waren ze van groot belang als leveranciers van brand- en geriefhout, allerlei vruchten en als beschutting voor het vee. Voor de biodiversiteit hebben ze een grote waarde als refugium en verbindingselement tussen bosgebieden. Oude houtwallen en houtkanten herbergen vaak populaties van oud-bosplanten en/of minder algemene diersoorten. Het is dan ook logisch dat er bij de opmaak van de Biologische Waarderingskaart veel aandacht aan besteed is. Deze houtige opgaande lijnvormige landschapselementen zijn aan de hand van verschillende karteringseenheden in kaart gebracht. Variatie: Bomenrijen, houtkanten en houtwallen zijn niet altijd in dezelfde mate van detail opgenomen. Naarmate het karteerproces vorderde, is er meer en meer aandacht aan besteed. Vooral kaartblad 16 geeft een sterke onderschatting, maar ook andere kaartbladen uit de eerste karteerjaren (in het bijzonder 19-20, 23, 27-28-36 en 31-39) hebben een schijnbaar lagere densiteit (zie voor verdere duiding Deel I § 4.3). Analyses tussen kaartbladen naar verschillen in dichtheden van
lijnvormige kleine landschapselementen moeten dan ook met de nodige omzichtigheid gebeuren. Binnen een kaartblok kan dit wel, omdat dan de wijze van karteren en de karteerinspanning minder varieerde. De ontwikkelingsgraad van een bomenrij of houtkant is in rekening gebracht bij de kartering. Jonge, ijle of onderbroken bomenrijen zijn aangeduid met kb°. Het kan ook gaan over bomenrijen van exoten (bv. Japanse sierkers, Italiaanse populier), hoewel deze meestal niet gekarteerd zijn. In een complex is kb° ook gebruikt voor een klein aantal bomen. Net zoals bij bomenrijen duidt kh° en khw° op onderbroken, ijle of jonge begroeiingen. kb*, kh* en khw* staan voor dense, vitale bomenrijen en houtkanten, die veelal (bij complexen) een groot deel van of geheel het perceel omsluiten. Oude bomen zijn omwille van hun cultuurhistorische en natuurbehoudswaarde als kb of kb* gekarteerd, ongeacht het aantal. Ook voor zeer oude dreven of voor (populieren)rijen met maretak is kb* gebruikt. In principe is het nooit de bedoeling geweest regelmatig onderhouden (tuin)hagen op te nemen in de kartering. Maar op de recentst gekarteerde westelijke kaartblokken 4-11-12, 5-13 en 21 zijn intensief onderhouden hagen in het landelijke gebied wel in kaart gebracht en aangeduid als kh°. Om enerzijds deze informatie niet verloren te laten gaan, maar anderzijds op vlak van de waardering een globaal kaartbeeld te behouden dat vergelijkbaar is met andere kaartblokken, is besloten de waardering in die gevallen toch op ‘biologisch minder waardevol’ te houden met de vermelding ‘m < (tuin)haag’ of ‘tuin’ in het dataveld ‘info’. Normaal worden meidoornhagen (khcr) en houtkanten met doornstruwelen van eenstijlige meidoorn, al dan niet aangevuld met sleedoorn of wilde rozensoorten, (kh(sp)) van elkaar onderscheiden. Op de kaartblokken 16, 19-20, 31-39 en 33-41 is dit niet het geval en zijn alle doornhagen (dus ook meidoornhagen) als kh(sp) aangeduid.
Uitgebreide info Beschrijving •
Bij bomenrijen (kb) is een hoge mate van transparantie aanwezig. De bomen staan uit elkaar en de ondergroei is grazig tot ruig. Een houtkant (kh) staat voor dense houtige begroeiingen. Deze term is ruim geïnterpreteerd en varieert van oude of uitgegroeide hagen en kaphagen tot echte houtkanten, al dan niet met hoger opgaand hout. Het onderscheid tussen oude hagen en houtkanten komt niet rechtstreeks tot uiting in de kaarten. In principe zijn intensief onderhouden hagen bij bebouwing niet in kaart gebracht. In het landelijk gebied zijn hagen met streekeigen soorten zoals meidoorn echter regelmatig als kh° gekarteerd. Omvangrijke, oude, goed ontwikkelde of soortenrijke hagen kunnen als kh of kh* aangeduid zijn. Een houtwal khw is een aarden wal met struikgewas, een houtkant of bos erop. De dominante boomsoorten van een bomenrij, houtkant of houtwal zijn aangeduid met een letter (digitaal bestand) of een boomsymbool (gedrukte kaarten). De verklaring van deze codes is terug te vinden in bijlage. Een complex van bomenrijen of houtkanten met weergave van verschillende boomsoorten (bv. kbp+kba) kan wijzen op meerdere soorten in dezelfde bomenrij of houtkant. Het kan ook duiden op aparte bomenrijen of houtkanten met elk hun dominante soort. Aan een bomenrij of houtkant met talrijke boomsoorten, zonder dat er bepaalde boomsoorten opvallend domineren, is gml (gemengd loofhout) toegevoegd. In een houtkant kan de soortensamenstelling van boom- en struiklaag verschillen. Dit is op twee manieren weergegeven. Een eerste mogelijkheid is de dominante boomlaag in de kh-notatie te vermelden, zodat bijvoorbeeld een houtkant met inplant van populier gekarteerd is als khp. Een andere manier is het geheel als een complex van een bomenrij van populier en een houtkant (kbp+kh) weer te gegeven (biologisch zeer waardevol), met vermelding van ‘ruimtelijk samenvallend’ in het dataveld ‘info’. Een verschil in waardering onderscheidt deze houtkanten van complexen waarin bomenrij en houtkant ruimtelijk gescheiden voorkomen (complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen). Wanneer houtkanten of houtwallen uit een specifiek bos- of struweeltype bestaan, is dit in de kartering weergegeven. Zo wordt bijvoorbeeld een houtkant of houtwal met doornstruweel respectievelijk als kh(sp) of khw+sp aangeduid. Een houtkant van zuur eikenbos kh(qs) specificeert de aanwezigheid van een typische kruidlaag van zuur eikenbos, terwijl khq enkel een dominantie van eik in de houtkant aangeeft. Indien
de
lineaire
opgaande
houtige
vegetaties
deel
uitmaken
van
gebruikspercelen zijn ze in complex gekarteerd met de begroeiing van het perceel zelf.
In
grootschalige
open
landschappen
zijn
ze
echter
afzonderlijk
uitgedigitaliseerd om een juiste weergave te realiseren. Ook wanneer ze deel uitmaken van (weg)bermen of een waterloop afboorden, zijn ze als apart vlak
aangeduid, vaak samen met die weg of waterloop. De juiste ligging, het al dan niet onderbroken zijn, … kan er echter meestal niet uit afgeleid worden.
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: uitzonderlijk Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)
•
Natuurdecreet: vergunningsplicht wijziging ‘kleine landschaps-elementen’
• Mestdecreet: niet onderhevig aan het mestdecreet Bosdecreet: Niet onderhevig aan het bosdecreet, tenzij het een houtkant van meer dan 10 meter breed betreft, want dan valt dit onder de definitie ‘bos’ binnen het bosdecreet.
21.
Veedrinkpoel
BWK codes: kn Waardering: Biologisch zeer waardevol. Zwak ontwikkelde poelen (kn°) zijn biologisch waardevol. Beschrijving: Met de karteringseenheid kn worden kleine, ondiepe wateren, die door de mens gegraven werden als drinkplaats voor vee, aangeduid. Soms werden ze ook voor andere doeleinden (waswater, oude rootput) gebruikt. Het kunnen ook natuurlijke depressies zijn waar water zich verzamelt en die als drinkplaats dienst doen. Recent worden ook nieuwe poelen gegraven als paaiplaats voor amfibieën. Veedrinkpoelen zijn, gezien hun ontstaanswijze, bijna altijd gelegen in weiland en meestal in complex hiermee weergegeven. Wanneer ze gelegen zijn in grote, op zich minder waardevolle percelen of in een percelencomplex met slechts enkele poelen, is geopteerd om deze individueel te lokaliseren. Variatie: Gezien morfologische kenmerken aan de basis liggen van de kartering als kn, kan het uiterlijk aspect en de vegetatieontwikkeling nogal variëren. Kn*:
veedrinkpoelen
met
een
zeer
goed
ontwikkelde
waterplantenvegetatie.
Kn°: poelen die zeer klein zijn, weinig water bevatten of snel droogvallen. Het is ook gebruikt voor poelen met een schijnbaar zeer slechte waterkwaliteit of zwak ontwikkelde oeverstructuur. De differentiatie tussen kn, kn° en kn* is echter verre van volledig omdat heel wat poelen niet grondig bekeken zijn.
Overeenkomst met indeling Europese natuur Vochtige duinvalleien (2190) Van nature eutrofe meren met vegetaties van het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150)
Uitgebreide info Beschrijving •
Per definitie zijn dergelijke poelen klein, maar dit is relatief. De gemiddelde oppervlakte ligt onder 400 m². Over het algemeen zijn grote weideplassen gekarteerd als ae, of als ah indien het brakke plassen betreft. De grens tussen het gebruik van kn en ae is echter niet scherp gesteld. Hoewel de meeste veedrinkpoelen voedselrijk zijn en zoet water bevatten, komen ook zilte en voedselarmere poelen voor. In de duinen zijn poelen vaak minder voedselrijk omwille van hun ligging op kalkrijke zandige bodem, hun neerslagafhankelijke watervoorziening of omdat ze via kwel gevoed worden. Bijgevolg kennen ze een specifieke soortensamenstelling. In sommige worden kranswieren aangetroffen, in andere groeien soorten zoals paarbladig fonteinkruid, zilte of kleine waterranonkel. Veedrinkpoelen zijn voor hun water afhankelijk van regenwater, grondwater of afstromend oppervlaktewater. Afhankelijk van de herkomst kan de waterkwaliteit aanzienlijk verschillen en kunnen er ook meer of minder fluctuaties in de waterstand optreden. Een groot aantal poelen valt droog in de zomer. De karteringseenheid geeft weinig informatie over het al dan niet aanwezig zijn van een waterplantenvegetatie. Bovendien is bijna een vijfde van de veedrinkpoelen aangeduid op basis van luchtfotointerpretatie. Een aantal ervan kunnen interessante vegetaties bevatten, andere kunnen echter zwak ontwikkeld zijn.
•
Oppervlakte (in ha): 240 à 450 ha
•
Zeldzaamheid: zeer zeldzaam
Juridische bescherming •
Habitatrichtlijn: uitzonderlijk Bijlage I-habitattype (zie Natura 2000 typologie)
•
Natuurdecreet: vergunningsplicht wijziging ‘kleine landschapselementen’. Zilte poelen worden als Vlaams beschermde natuur (regionaal belangrijke biotoop, rbbah) beschouwd (zie verder onder ah).
•
Mestdecreet: niet rechtstreeks onderhevig aan het mestdecreet. De aanwezigheid van een veedrinkpoel in een cultuurgrasland kan binnen groen-, bos-, en natuurontwikkelingsgebied leiden tot een aangepaste bemestingcategorie (zie ook onder ‘Overige graslanden met versp
•
Bosdecreet: niet onderhevig aan het bosdecreet
Relaties Komt overeen met : Vochtige duinvalleien (2190), Van nature eutrofe meren met vegetaties van
het type Magnopotamion of Hydrocharition (3150)
BIJLAGE INVENTARISATIE WATERLOPEN. HYDROLOGISCHE SITUATIE WELLEMEERSEN. Oktober 2013
DEEL 1 : NOORDEN VAN E40 Hydrologisch gezien is het Noordelijk deel van de Wellemeersen afgesloten van het Zuidelijke door de aanleg van de E40. De enige gemeenschappelijke waterloop is de Wildebeek, die binnenkomt in de Wellemeersen ter hoogte van kunstwerk 15 (omgeving van de Gates-vijver). Deze Waterloop heeft een belangrijk waterafvoerende functie voor de gemeenten tussen Denderleeuw en Kerksken. In de Wellemeersen loopt deze in het noordelijke deel van het projectgebied aan de voet van het Dender-erosietalud. Vlak voor zijn monding in de Dender ontvangt deze een belangrijke (mogelijke) instroom vanuit een ’s zomers droogvallende grote plas uit Wellemeersen. Deze grote plas voor de Vogelkijkhut, in hoofdzaak gevoed door regenwater, is immers voorzien van een overloop (plastiek buis diameter 0.25m ); Deze overloop fungeert enkel wanneer het water te hoog staat waarbij de afvoer gebeurt naar de Wildebeek. Gezien de hoogte van de overloop wordt deze waarschijnlijk enkel in de Winter gebruikt (of bij zomer-overstromingen). De overloop is het enige punt waar het water uit dit deel van de Wellemeersen weg kan. Centraal, ter hoogte van het bos zijn nog enkele perceelssloten te vinden. Deze sloten zijn zowel ter hoogte van de oeverwal van de Dender als van de Wildebeek verland. Door dit feit is er geen afvoer van oppervlaktewater noch naar de Wildebeek noch naar de Dender. Samen met de (lichte) kwelinvloeden zorgt dit ervoor dat ook dit deel een groot deel van het jaar onder water staat. Enkel wanneer de laagste grondwatertafel bereikt wordt komt het bosje even droog te liggen en zijn de perceelssloten als sloten herkenbaar. Zie aanvulling van sloten door NP Denderleeuw. Belangrijke punten :
De overloop ter hoogte van de Vogelijkhut is sturend voor het waterpeil in de grote plas.. Sloten ter hoogte van bosje willicht afwatering ten tijd van gebruik van bosje als vlasrootput.
DEEL 2 : WELLEMEERSENSTRAAT TOT E40 In dit gedeelte stromen 2 geklasseerde beken, namelijk de Wildebeek en De Rijt. In beide beken komt nog heelwat afvalwater terecht (in de Rijt via een overstort). Echter De Wildebeek kent een groot verval en heeft een mooi meanderend patroon zodat de stroomsnelheid hier een stuk hoger ligt. Het zelfreinigend vermogen is hierdoor hoger waardoor de slibsedimentatie beperkter is en/of de beek recenter geruimd is. De Rijt daarentegen kent een beperkt verval waardoor sedimentatie plaatsvindt en aldus de stroomsnelheid nog verder daalt (later meer hierover).
Het is duidelijk dat de recentere aangelegde vijver geïsoleerd is en geen afwatering kent. Daarentegen kennen de sloten ten noorden van de Wellemeersenstraat via de sloot met slibmeetpunt 3 een afwatering naar kunstwerk 28 (onder de verharde weg; momenteel quasi dichtgeslibd). Geen enkele van de hier voorkomende vijvers maakt verbinding met de Rijt of andere waterlichamen. Daardoor stagneert het water hier en hebben we te maken met een zeer natte zone vanaf onderaan het erosietalud. De slibdikte wijst er echter wel op dat deze situatie zich nog niet lang voordoet . Anderzijds komt nergens een rechtstreekse instroom van water het deelgebied binnen, zodat de aanvoer van sediment onbestaande is. De Gatesvijver is een groot regelmatig reservoir dat enkel met de Dender verbonden is door middel van een smalle waterloop. De maximumdiepte bedraagt ruim 10 meter, gemiddeld is de vijver 6 meter diep (Natuurpunt). De vijver werd uitgegraven bij de aanleg van de E40, de plaats lag bovenaan de talud waardoor hier zandgronden aanwezig waren . Door het gebruik van het water door de Gates-fabriek werd de waterbodem echter sterk vervuild. Deze vervuiling werd bedekt door een kleilaag bovenop een waterdoorlatende folie. De klei is afkomstig van de locatie ten zuidoosten van de Gatesvijver. Deze werd hier ter plaatste afgegraven waardoor een tweede grote vijver ontstond. De werking van het kleischerm is zichtbaar in het grondwatersysteem, voeding vanuit grondwater is immers veel moeilijker geworden. Daardoor is de stijghoogte in peilbuis 10 bijvoorbeeld sterk toegenomen na de zuiveringswerken. Verder kent de langsgracht van de E40 slecht een beperkte functie, deze is niet echt watervoerend. Opmerkingen
Wildebeek is recenter geruimd dan de Rijt. De recent aangelegde vijver kent geen afwatering. Gates vijver watert af via duiker 10-11.
DEEL 3 : RODESTRAAT TOT WELLEMEERSENSTRAAT De belangrijkste instroom in de Wellemeersen gebeurt via waterloop 5083 (cat.2; de Rijt is een zijtak ervan met cat.3). Een aanzienlijke hoeveelheid overstortwater komt hierin terecht in de Kampstraat. Echter de waterloop kent een beperkt verval. De watersnelheid is laag waardoor sedimentatie (sterk vervuild sediment) plaatsvindt. Deze loop is daarenboven al enkele deccenia niet geruimd zodat hier ruim 50-60 cm sediment voorkomt. Dit heeft als gevolg dat overstromingen talrijker worden en dat het regenwater en grondwater minder goed worden afgevoerd. Daardoor sterven de aanwezige populieren af die op hun beurt afvoer moeilijker maken. De vernatting van het gebied situeert zich dan ook vooral hier. De afvoerproblematiek van de Rijt zet zich ook stroomopwaarts door in de zijwaterlopen, zo stagneert het water ook in de waterloop afkomstig van het overstort ter hoogte van de Rodestraat, zodat ook hier vervuild water in het gebied terechtkomt (de eigenlijke Rijt, cat.3).
Waterloop 5083 is quasi 20 jaar niet geruimd, de Rijt minstens 35 jaar.
DEEL 4 : TEN ZUIDEN VAN RODESTRAAT Hydrologisch gezien is er ten zuiden van de Rodestraat in de laatste jaren niets veranderd. Het water uit de kwelzone wordt afgevoerd naar de Dender via verschillende waterlopen. Eén van de belangrijkste hiervan is waterloop 33. Echter stroomopwaarts (id 37) is deze waterloop
ondiep en is afvoer moeilijker(t.h.v. hoogspanningsmast). Daardoor is de kwelzone hier vrij nat het hele jaar door. Hetzelfde verhaal doet zich eigenlijk voor bij waterloop 38, al is de kwelzone hier minder omvangrijk. Op de waterlopen t.h.v de Berkenlaan en de waterloop t.h.v. de Wijmenierlaan komt een aanzienlijke hoeveelheid afvalwater door het gebied. De grote diepte van de waterloop zorgt er echter wel voor dat weinig sedimentatie zich voordoet.
TOEKOMST In de toekomst zijn al enkele ingrepen gepland door Aquafin die een belangrijke invloed zullen hebben op de Wellemeersen. De belangrijkste hiervan is de afkoppeling van de Steenveldlaan (een RWA + DWA) in combinatie met de aansluiting van collector Wildebeek op de Rijt. Daardoor zal de hoeveelheid water dat op de Rijt terechtkomt aanzienlijk stijgen (zie nota Werken Aquafin). Dit water zal wel een aanzienlijk beter kwaliteit hebben daar het overstort minder in werking zal treden en het aandeel regenwater groter is. Door het feit dat er een aanzienlijke hoeveelheid water in de Wellemeersen terechtkomt en het beeksysteem dit niet kan slikken zal het aantal overstromingen talrijker zijn. De vervuilde waterbodem blijft daarbij steeds ongewijzigd. De milderende werken van Aquafin zullen er wel voor zorgen dat een deel van dit sediment vroeger wordt opgevangen maar zolang geen onderhoudswerkzaamheden plaatsvinden op de Rijt blijft deze in slechte toestand.
BIJLAGE 6. STAALNAMESCHEMA GROND- EN OPPERVLAKTEWATER
1
1. 1.1 1.1.1
METHODEBESCHRIJVING VAN DE STAALNAMES Grondwaterkwaliteit Locatie
Rekening houdend met de volgende parameters: ▪ Ruimtelijke spreiding; ▪ Historische meetgegevens beschikbaar; ▪ Het probleem van verontreiniging (nabij de Rijt); ▪ Het probleem van vernatting (opwaarts de Rodestraat); ▪ Doelstellingen voor habitattypes; werd in eerste instantie voorgesteld om volgende 16 peilbuizen te gebruiken voor de metingen van grond- en oppervlaktewaterkwantiteit en -kwaliteit.
Verontreinigd
Overige (niet verontreinigd of niet bemonsterd)
Duidelijk afgenomen
007X, 028X
022X, 026X
Eerder afgenomen
021X, 037X
015X, 032X
Min of meer stabiel
024X, 044X
001X, 045X
Zeker niet afgenomen
034AX, 036X
035AX, 042X
Figuur 1
Locatie 16 bij voorkeur te bemonsteren peilbuizen
De coördinaten van de 16 meetlocaties zijn de volgende; Tabel 1
Coördinaten 16 bij voorkeur te bemonsteren peilbuizen ID WELP001A WELP007A WELP015X WELP021X WELP022X WELP024X WELP026X WELP028X WELP032X WELP034A
X 128305,16 128474,69 128169,72 128445,59 128519,46 128613,57 128611,30 128581,00 128778,00 129060,48
Y 177446,58 177441,16 176976,53 176897,97 176887,79 176801,69 177096,66 177223,00 176994,00 176759,51
3
ID WELP035A WELP036X WELP037X WELP042X WELP044A WELP045X
X 129144,45 128855,88 128872,25 129278,00 129278,25 129453,00
Y 176660,28 176666,22 176721,61 176511,00 176373,34 176242,00
Tijdens de eerste staalnameronde (april 2014) bleek dat een aantal peilbuizen niet meer aanwezig of toegankelijk waren; ▪ ▪ ▪
De peilbuizen gemarkeerd in geel in Tabel 1 werden teruggevonden. WELP007A werd niet teruggevonden. WELP022X, WELP026X, WELP028X en WELP32X, gemarkeerd in blauw in Tabel 1 waren ondergelopen.
In overleg met VLM werd beslist om de ondergelopen peilbuizen te vervangen door 3 oppervlaktewaterstalen (zie ook in volgende paragraaf); ▪ ▪ ▪
Een oppervlaktewaterstaal in de omgeving van WELP032X Een oppervlaktewaterstaal in de omgeving van WELP022X Een oppervlaktewaterstaal tussen WELP026X en WELP028X
Daarnaast werden gekozen om stalen te nemen in 2 andere peilbuizen; WELP003X en WELP033X. De definitieve lijst van te bemonsteren peilbuizen is bijgevolg; Tabel 2
Coördinaten 13 te bemonsteren peilbuizen ID WELP001A WELP015X WELP021X WELP024X WELP034A WELP035A WELP036X WELP037X WELP042X WELP044A WELP045X WELP003X WELP033X
X 128305,163 128169,722 128445,594 128613,569 129060,475 129144,449 128855,882 128872,251 129278 129278,253 129453 128295,891 128907,762
Y 177446,583 176976,527 176897,974 176801,694 176759,507 176660,284 176666,216 176721,608 176511 176373,337 176242 177535,42 176842,234
Figuur 2
1.1.2
Locatie 13 te bemonsteren peilbuizen
Staalname
De toe te passen techniek van bemonstering van peilputten, de monsterconservering en de gebruikte analysemethode worden beschreven in “het compendium voor monsternamen en analyse (CMA) in uitvoering van het afvalstoffendecreet en het bodemdecreet”, gepubliceerd door VITO, en ministerieel goedgekeurd op 11 januari 2008 (of eventuele latere versies). De staalname grondwater gebeurt tweemaal per jaar: één maal in de periode met laagste grondwaterstand, en één maal in die met hoogste. Er wordt voorgesteld om; ▪
een eerste staalname uit te voeren einde maart 2014 (hoge waterstanden);
▪
een tweede staalname uit te voeren einde augustus 2014 (lage waterstanden).
Volgende parameters worden minimum geanalyseerd: 5
1. Direct na bemonstering, op het terrein te meten: ▪
Bepaling pH;
▪
EGV (μS/cm).
2. Laboanalyses in erkend laboratorium: ▪
Bepaling pH;
▪
EGV (μS/cm);
▪
bicarbonaat (HCO3-) (mg/l);
▪
ortho-fosfaat (H2PO4-)(mg/l);
▪
nitraat (NO3-) (mg/l);
▪
ammonium (NH4+) (mg/l);
▪
sulfaat (SO42-) (mg/l);
▪
chloride (Cl-) (mg/l);
▪
natrium (Na+) (mg/l);
▪
kalium (K+) (mg/l);
▪
calcium (Ca2+) (mg/l);
▪
magnesium (Mg2+) (mg/l);
▪
ijzer (Fe2+ en Fe3+) (mg/l).
Voor het bepalen van het gehalte orthofosfaat dient een dubbel staal te worden genomen. Indien uit de eerste (standaard) analyse blijkt dat de concentratie aan orthofosfaat lager ligt dan 0,02 mg/l, moet een extra analyse met lage detectielimiet gedaan worden (tot op 1 à 2 μg/l).
1.2
Oppervlaktewaterkwaliteit
1.2.1
Locatie
Er wordt voorgesteld oppervlaktewaterstalen te nemen op volgende 4 locaties; ▪
Punt 1 -> Rijt, ter hoogte van het brugje aan de Grote Zavelput (het is wel effectief de Rijt zelf die bemonsterd wordt).
▪
Punt 2 -> Stroomafwaarts op de Rijt
▪
Punt 3 -> Kleine Zavelput
▪
Punt 4 -> Stagnerend oppervlaktewater ter hoogte van orchideeënweide (nabij knuppelpad)
Figuur 3
Locatie te bemonsteren oppervlaktewater – eerste selectie
De coördinaten van de 4 meetlocaties zijn de volgende;
ID 1 2 3 4
X 128219,66 128438,23 128319,48 128803,20
Y 177046,41 177360,10 177034,46 177024,34
Deze worden aangevuld met 3 staalnamepunten ter hoogte van onder water gelopen peilbuizen. Deze 3 punten volgen echter het regime van staalname van de grondwatermetingen (zijnde einde maart 2014 en einde augustus 2014).
▪ ▪ ▪
5; een oppervlaktewaterstaal in de omgeving van WELP032X 6; een oppervlaktewaterstaal in de omgeving van WELP022X 7; een oppervlaktewaterstaal tussen WELP026X en WELP028X
7
Op dit moment werd duidelijk dat punt 4, nabij de orchideeënweide, te dicht gelegen is bij het nieuwe staalnamepunt 5 (ter vervanging van WELP032X), zodat punt 4 vervangen werd door een locatie bij het overstort van Aquafin.
Figuur 4
1.2.2
Locatie te bemonsteren oppervlaktewater – definitieve selectie
Staalname en analyse
De toe te passen techniek van bemonstering van oppervlaktewaterstalen, de monsterconservering en de gebruikte analysemethode worden beschreven in “Compendium voor analyse van water (WAC)“, gepubliceerd door VITO, en ministerieel goedgekeurd op 15 april 2009 (of eventuele latere versies). De staalname gebeurt in elk seizoen. Er wordt voorgesteld te meten; ▪
einde maart 2014;
▪
einde juni 2014;
▪
einde augustus 2014;
▪
einde oktober 2014.
Op die manier kunnen alle gegevens nog gebruikt worden voor de interpretatie binnen luik 3 van de opdracht. Er moet tijdens de staalname rekening gehouden worden met deze randvoorwaarden; ▪
De staalname oppervlaktewater gebeurt minimum 5 dagen na een regenbui;
▪
Het waterstaal wordt genomen van op een brug in het midden van de waterloop m.b.v. een emmer. Indien geen brug aanwezig is, wordt de emmer enkele meters voorbij de oever uitgeworpen en langzaam naar de oever getrokken. Indien het niet mogelijk is het staal te nemen met een emmer zonder de waterbodem mee te bemonsteren, dan wordt het staal genomen met behulp van een maatbeker (eventueel bevestigd aan een telescopische steel).
Volgende parameters dienen minimum geanalyseerd: 1. Bemonstering in monsterfles op het terrein: bepaling percentage verzadiging met zuurstof; ▪
de watertemperatuur;
▪
de conductiviteit (μS/cm);
▪
de pH.
2. Laboanalyses in erkend labo: ▪
biologisch zuurstofverbruik (BOD520 mg O2/l);
▪
chemisch zuurstofverbruik (COD);
▪
ammoniakale stikstof (NH4+-N mg N/l);
▪
nitraat-stikstof (NO3--N mg N/l);
▪
nitriet-stikstof (NO22--N mg N/l;
▪
ortho-fosfaat (PO43--P mg P/l) 3;
▪
hoeveelheid zwevende stoffen (mg/l): De partikels kunnen zeer divers van aard zijn: bodemdeeltjes, levende of dode organismen (bv. plankton), actief slib,…;
▪
Kjeldahl-N 4 (mg N/l);
▪
totaal P (mg P/l);
▪
ionenbalans met kationen Na, K, Mg, Ca, Fe, Al en anionen bicarbonaat, carbonaat, sulfaat, chloride.
9
BIJLAGE 7. RUIMTELIJKE SPREIDING NATUURDOELTYPEN
1
1.
MIN-MAX GXG Bodemtype Code
GHG
Vegetatietype
91E0_veb
Elzen-Olmen-Essenbos
91E0_meso
Mesotroof Elzenbroekbos
91E0_eutr
Ruigte-Elzenbroek
6410_ve
Grasland met Molinia
6510_hu
Glanshaverhooilanden
rbb_hc
Dotterbloemgraslanden
6430_hf
Moerasspirearuigten (N2000)
rbb_hf
Moerasspirearuigten (rbb)
rbb_mc (en rbb_mr)
Grote zeggenvegetaties en rietvegetaties
rbb_mr (aquatisch riet)
Rietmoeras
GLG
Min
Max.
Min.
Max.
(cm -mv)
(cm -mv)
(cm -mv)
(cm -mv)
Zandleem + lichte klei
42
1
89
14
Zandleem
46
-6
110
29
Zandleem
89
-47
124
-8
Lichte klei
30
-19
82
4
Zandleem
16
2
42
13
Lichte klei
16
-4
42
13
Zandleem
105
25
250
50
Lichte klei
85
25
250
50
Zandleem
51
-16
123
15
Lichte klei
25
-16
130
18
Zandleem
80
-31
170
21
Lichte klei
45
-31
172
42
Zandleem
80
-31
170
21
Lichte klei
45
-31
172
42
14
-37
55
-3
10
-70
20
-10
Zandleem + lichte klei Zandleem + lichte klei
Onderstaand worden voor de actuele en de historische toestand en voor de scenario’s voor alle vegetatietypen potentiekaarten voorgesteld die rekening houden met de referentiewaarden (minima en maxima). Deze kaarten geven de locaties weer waarvoor cumulatief (groen) aan de voorwaarden voor GVG (blauw) en GLG (geel) voldaan is. Er dient benadrukt te worden dat dit indicatieve kaarten zijn, die als doelstelling hebben om de ruimtelijke potenties voor de verschillende natuurdoeltypen te vergelijken op basis van enkel de grondwaterstanden. De kaarten hebben niet als finaliteit om de gedetailleerde ruimtelijke contouren van de gewenste vegetatietypes weer te geven (daarvoor dient met diverse abiotische parameters, alsook het gevoerde beheer rekening gehouden te worden). Daarnaast worden uiteraard grondwaterafhankelijk zijn.
enkel
kaarten
gemaakt
voor
de
natuurdoeltypen
die
1.1
Actuele en historische toestand
Figuur 1-1
Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range minima en maxima).
3
Figuur 1-2
Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range minima en maxima).
Figuur 1-3
Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range minima en maxima).
5
Figuur 1-4
Natuurpotenties 6410_ve in functie van GXG (range minima en maxima).
Figuur 1-5
Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range minima en maxima).
7
Figuur 1-6
Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG (range minima en maxima).
Figuur 1-7
Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG (range minima en maxima).
9
Figuur 1-8
Natuurpotenties rbb_mc (en rbb_mr) in functie van GXG (range minima en maxima).
Figuur 1-9
Natuurpotenties rbb_mr (aquatisch riet) in functie van GXG (range minima en maxima).
11
1.2
Scenario’s
Figuur 1-10
Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range minima en maxima).
Figuur 1-11
Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range minima en maxima).
13
Figuur 1-12
Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range minima en maxima).
Figuur 1-13
Natuurpotenties 6410_ve in functie van GXG (range minima en maxima).
15
Figuur 1-14
Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range minima en maxima).
Figuur 1-15
Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG (range minima en maxima).
17
Figuur 1-16
Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG (range minima en maxima).
Figuur 1-17
Natuurpotenties rbb_mc in functie van GXG (range minima en maxima).
19
Figuur 1-18
Natuurpotenties rbb_mr in functie van GXG (range minima en maxima).
2.
PERCENTIEL 10-90 GHG Code
91E0_veb
GLG
p10
p90
(cm -mv)
(cm -mv)
Vegetatietype
Elzen-Olmen-Essenbos
p10
p90
(cm -mv) (cm -mv)
42
-6
79
14
91E0_meso Mesotroof Elzenbroekbos
29
-4
102
23
91E0_eutr
Ruigte-Elzenbroek
53
-22
110
4
6510_hu
Glanshaverhooilanden
128
11
198
69
rbb_hc
Dotterbloemgraslanden
19
-8
97
19
6430_hf
Moerasspirearuigten (N2000)
54
-4
137
38
Onderstaand worden voor de actuele en de historische toestand en voor de scenario’s voor alle vegetatietypen potentiekaarten voorgesteld die rekening houden met de referentiewaarden (minima en maxima). Deze kaarten geven de locaties weer waarvoor cumulatief (groen) aan de voorwaarden voor GVG (blauw) en GLG (geel) voldaan is. Er dient benadrukt te worden dat dit indicatieve kaarten zijn, die als doelstelling hebben om de ruimtelijke potenties voor de verschillende natuurdoeltypen te vergelijken op basis van enkel de grondwaterstanden. De kaarten hebben niet als finaliteit om de gedetailleerde ruimtelijke contouren van de gewenste vegetatietypes weer te geven (daarvoor dient met diverse abiotische parameters, alsook het gevoerde beheer rekening gehouden te worden). Daarnaast worden uiteraard grondwaterafhankelijk zijn.
enkel
kaarten
gemaakt
voor
de
natuurdoeltypen
die
21
2.1
Actuele en historische toestand
Figuur 2-1
Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range percentiel 10-90).
Figuur 2-2
Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range percentiel 10-90).
23
Figuur 2-3
Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range percentiel 10-90).
Figuur 2-4
Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range percentiel 10-90).
25
Figuur 2-5
Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG (range percentiel 10-90).
Figuur 2-6
Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG (range percentiel 10-90).
27
2.2
Scenario’s
Figuur 2-7
Natuurpotenties 91E0_veb in functie van GXG (range percentiel 10-90).
Figuur 2-8
Natuurpotenties 91E0_meso in functie van GXG (range percentiel 10-90).
29
Figuur 2-9
Natuurpotenties 91E0_eutr in functie van GXG (range percentiel 10-90).
Figuur 2-10
Natuurpotenties 6510_hu in functie van GXG (range percentiel 10-90).
31
Figuur 2-11
Natuurpotenties rbb_hc in functie van GXG (range percentiel 10-90).
Figuur 2-12
Natuurpotenties 6430_hf en rbb_hf in functie van GXG (range percentiel 10-90).
33