Sociaal-economische situering van de Vlaamse landbouw 1 Structurele en economische beschrijving 1.1 Productiefactoren 1.1.1 Arbeid Volgens de meitelling 2007 zijn er 62.511 personen regelmatig tewerkgesteld op Vlaamse bedrijven met landbouwproductie. Deze bedrijven stellen 70,2 % van het nationale aantal personen tewerk. In navolging van de dalende tendens bij het aantal bedrijven is ook het aantal regelmatig tewerkgestelde personen sinds 1997 voortdurend gedaald, namelijk gemiddeld 2,5 % per jaar (figuur 4.1). Figuur 4.1: Evolutie van het aantal regelmatig tewerkgestelde personen, 1997-2007
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Omgerekend naar voltijdse arbeidskrachten (minstens 38 uren per week of 20 dagen per maand) en rekening houdend met de niet regelmatig tewerkgestelden betekent dat 46.783 voltijdse arbeidskrachten of gemiddeld 1,46 per bedrijf. Hiervan is 6 % ingevuld met seizoensarbeid. Ongeveer 32 % van de arbeidskrachten is tewerkgesteld op gespecialiseerde tuinbouwbedrijven (figuur 4.2). 100
Figuur 4.2: Indeling van de voltijdse arbeidskrachten volgens productierichting, 2007
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Van het totale aantal tewerkgestelden is in Vlaanderen iets meer dan de helft voltijds (tabel 4.1). Dit percentage is ten opzichte van 1997 afgenomen. Het aandeel deeltijdse arbeidskrachten is groter in Vlaanderen dan in Wallonië. De arbeidsbezetting is overwegend familiaal, maar het aandeel familiale arbeidskrachten is beduidend afgenomen. Er dient wel opgemerkt te worden dat bij de vennootschappen alle personen werkzaam op het bedrijf als niet-familiaal worden beschouwd. De mannen vertegenwoordigen in 2007 65 % van alle regelmatig tewerkgestelden. Tabel 4.1: Tewerkstelling in de landbouwsector, 1997 en 2007
Vlaanderen
1997
Wallonië
2007
1997
2007
aantal regelmatig tewerkgestelde personen
80.959
62.511
36.560
26.470
aantal regelmatig tewerkgestelde personen per bedrijf
1,8
2,0
1,6
1,7
aantal regelmatig tewerkgestelde personen
100%
100%
100%
100%
- familiaal
90%
83%
95%
89%
- niet-familiaal
10%
17%
5%
11%
100%
100%
100%
100%
- voltijds
59%
51%
61%
56%
- deeltijds
41%
49%
39%
44%
100%
100%
100%
100%
- man
64%
65%
66%
69%
- vrouw
36%
35%
34%
31%
aantal regelmatig tewerkgestelde personen
aantal regelmatig tewerkgestelde personen
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
101
1.1.2 Areaal In 2007 nam de landbouw een totale oppervlakte van 622.133 ha in of 45,4 % van de nationale oppervlakte. Hiervan nemen de voedergewassen met 58 % het grootste aandeel voor hun rekening (figuur 4.3). Het grote areaal voedergewassen illustreert het belang van de rundveehouderij in Vlaanderen: 52,5 % van de bedrijven houdt runderen. De afgelopen 10 jaar noteert men een lichte stijging van de oppervlakte cultuurgrond tot 1999 om nadien te stabiliseren en de laatste jaren te dalen. Het aandeel voedergewassen is sinds 1999 gedaald, vooral ten voordele van de akkerbouwgewassen. Figuur 4.3: Bestemming van de oppervlakte cultuurgrond, ha, 1997-2007
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De bewerkte cultuurgrond is voor 34 % in eigendom, wat slechts een lichte verhoging is ten opzichte van de situatie in 1997 (33 %). Het percentage vermindert omgekeerd evenredig met de grootte van het bedrijf (figuur 4.4). Figuur 4.4: Aandeel cultuurgrond in eigendom volgens grootte van het bedrijf, %, 2007
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
102
1.1.3 Veestapel Sinds 1997 is het aantal runderen continu gedaald (figuur 4.5). Wat de varkens betreft, noteerde men na een uitbreiding van de veestapel eind jaren negentig, een continue afslanking tot 2004 om daarna te stabiliseren. Het aantal stuks pluimvee daalt sinds 2000 bijna continu. Het lage cijfer van de pluimveestapel in 2003 is te wijten aan de uitbraak van vogelgriep in het voorjaar 2003, waardoor een aantal dieren werd vernietigd. Hierdoor was er meer leegstand op het moment van de telling. Figuur 4.5: Evolutie van de veestapel, index: 1997 = 100%, 1997-2007
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
1.2 Productie-eenheden Het aantal landbouwbedrijven in Vlaanderen is ten opzichte van 1997 teruggelopen met ongeveer 28 % tot 31.984 eenheden in 2007. Dit is een daling van gemiddeld 3,2 % per jaar (figuur 4.6). Van het totale aantal bedrijven in België ligt 66,6 % in Vlaanderen. Figuur 4.6: Evolutie van het aantal bedrijven in de landbouwsector, 1997-2007
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
103
Er treedt een voortdurende schaalvergroting op. Ten opzichte van 1997 is de gemiddelde oppervlakte cultuurgrond per bedrijf gestegen met 37,3 % tot 19,5 ha (figuur 4.7). In Wallonië is dit kengetal groter (46,7 ha in 2007). De sterkere ontwikkeling van de tuinbouw en de intensieve veehouderij in Vlaanderen zijn hier zeker niet vreemd aan. Figuur 4.7: Evolutie van de oppervlakte cultuurgrond per bedrijf, ha, 1997-2007
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Wat het juridische statuut betreft, worden er steeds meer vennootschappen opgericht. In 2007 hebben 2.600 bedrijven of 8 % van alle landbouwbedrijven een rechtspersoon als bedrijfshoofd . Dit betekent een verdubbeling in aantal t.o.v. 1997. Ruim 80 % van de bedrijven zijn gespecialiseerde bedrijven in een bepaalde productierichting, met rundveehouderij als veruit de belangrijkste specialisatie (31,4 %), gevolgd door de tuinbouw en de akkerbouw (figuur 4.8). Ook in Wallonië is het aandeel van de rundveebedrijven het grootst. In vergelijking met Vlaanderen zijn het grotere aandeel van de bedrijven gespecialiseerd in rundvleesproductie en gemengd rundvee en het kleinere aandeel van de specialisaties tuinbouw en intensieve veehouderij (hokdieren) het meest opvallend.
104
Figuur 4.8: Indeling van de bedrijven volgens productierichting, 2007 1.Vlaanderen
De Vlaamse landbouwconjunctuurindex (najaar 2008) De conjunctuurindex van het najaar 2008 duikt onder de nullijn. De daling die vorige ronde was ingezet, zet zich dus onverminderd door. Terwijl in het voorjaar 2008 de index nog net op +0,5 standhield is de index nu negatief geworden. Dit is geen verrassing als we kijken naar de evolutie in de rest van onze economie waar ook de verhoging van de energieprijzen en de algemene recessie een rol spelen. Onze enquête werd afgenomen bij de landbouwers in september 2008, een moment dat de recessie nog maar net ingang vond. Het zou dus kunnen dat deze trend in de volgende enquêtes nog even wordt doorgezet. Specifiek voor de landbouwsector kan deze negatieve trend in de conjunctuurindex verklaard worden door de stijgende energieprijzen, de in september nog hoge prijzen van de landbouwinputs en de afnemende verkoopprijzen.
Figuur: De evolutie van de Vlaamse landbouwconjunctuurindex, 2007-2008
Bron: Departement Landbouw en Visserij
105
2.Wallonië (cijfer 2006)
Bron: Departement Landbouw en Visserij, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De meeste deelsectoren, behalve de varkenssector en het vleesvee, maken een beweging verder naar beneden en volgen hiermee de trend van de algemene conjunctuurindex. De akkerbouw volgt het best de algemene conjunctuurindex. Deze algemene tendens is te verklaren door de stijging van de prijzen van landbouwinputs en de afnemende verkoopprijzen van onder meer graan en aardappelen. De groenten in openlucht bevinden zich onder de algemene conjunctuurindex omdat deze sector nadeel ondervindt van de toch wel erg lage prijzen voor groenten gecombineerd met hoge prijzen voor meststoffen en pesticiden. De fruitteelt in openlucht brengt het er een stuk beter vanaf omdat daar de verkoopprijzen gunstiger liggen. Groenten en fruit onder glas en de sierteelt liggen beide een stuk onder de algemene conjunctuurindex. Dit komt voornamelijk door de hogere verwarmingskosten voor de productie onder glas waardoor deze sectoren het erg moeilijk hebben. Hetzelfde geldt voor het watergebruik; dit wordt duurder en er moet voldaan worden aan een oordeelkundige afzet van drainwater. Bij verdere analyse zien we dat deze twee sectoren, in tegenstelling tot de rest, de toekomst erg negatief inzien. De melkveesector kent een meer uitgesproken beweging naar boven eind 2007 en naar beneden 106
1.3 Economische beschrijving 1.3.1 Eindproductiewaarde De eindproductiewaarde van de verkoopsactieve Vlaamse land- en tuinbouwsector in 2007 wordt geraamd op 4.934 miljoen euro (voorlopig cijfer) of een stijging t.o.v. 2006 met 5,4 % en bereikt hiermee de op één na hoogste waarde van de afgelopen 10 jaar (figuur 4.9). De toename is merkbaar in alle sectoren. Er dient wel opgemerkt te worden dat de compenserende bedragen in het kader van de hervormingen van het GLB (o.a. voor granen, rundvlees, melk en suikerbieten) niet opgenomen zijn in de eindproductiewaarden. Figuur 4.9: Evolutie van de eindproductiewaarde, miljoen euro, 1997-2007
Bron: Departement Landbouw en Visserij
Akkerbouw De waarde van de akkerbouwproducten bedraagt 506 miljoen euro. Dat is een verhoging met 17,3 % ten opzichte van 2006. Het aandeel van de akkerbouw bereikt 10,3 % van de totale eindproductiewaarde. Granen, aardappelen en suikerbieten zijn de voornaamste producten. Zij nemen in 2007 samen 82 % voor hun rekening (figuur 4.10).
in 2008. De stijging werd ingegeven door de gunstige melkprijs eind 2007. De duidelijke neerwaartse trend in 2008 is te verklaren door enerzijds de stijgende voeder- en meststofprijzen en anderzijds de dalende melkprijs. Dit laatste is het gevolg van de hogere productie op wereldschaal bij een gelijkgebleven consumptie. Ook de geleidelijke afschaffing van de melkquota kan hierin nog meespelen. De vleesveesector was in de vorige enquêtes negatief door de dalende verkoopprijs maar wordt nu iets minder negatief waarschijnlijk omdat de vleesprijzen zich meer gestabiliseerd hebben. De varkenshouderij volgt een tegengestelde trend dan die van de algemene conjunctuurindex. De varkensteelt heeft reeds eerder een neerwaartse trend gekend en is nu bezig aan een opwaartse klim. Dit klopt met het feit dat de varkensprijs in 2007 sterk achteruit is gegaan en dat het er nu voor de sector eerder rooskleurig uitziet door de duidelijk stijgende varkensprijzen. Het feit dat sinds kort door het nieuwe mestbeleid verdere uitbreiding -mits mestverwerking- mogelijk is, wekt een zeker optimisme bij de varkenshouders. Voor meer informatie wordt verwezen naar volgende publicatie: Bas L., Lenders S. & Van Gijseghem D. (2008) De Vlaamse Landbouwconjunctuurindex (najaar 2008), Departement Landbouw en Visserij, Brussel. 107
Figuur 4.10: Verdeling van de productiewaarde van de akkerbouwproducten, 2007
Bron: Departement Landbouw en Visserij
Met uitzondering van suikerbieten, stijgt de productiewaarde bij de meeste akkerbouwproducten ten opzichte van 2006. De graangewassen noteren de grootste waardestijging (+53,9 %) als gevolg van een forse stijging van de graanprijzen.
Tuinbouw De productiewaarde van de tuinbouwproducten wordt geraamd op 1.560 miljoen euro of een stijging met 1,8 %. De stijging bij fruit (+13,2 %) en de niet-eetbare tuinbouwproducten (+1,5 %) compenseren de daling bij de groenten (-3,9 %). De tuinbouw neemt 31,6 % van de totale productiewaarde voor zijn rekening, met groenten als grootste sector (figuur 4.11). Figuur 4.11: Verdeling van de productiewaarde van de tuinbouwproducten, 2007
Bron: Departement Landbouw en Visserij
108
In de groentesector noteert men een omzetdaling, die zowel merkbaar is bij de beschutte teelten (-3,0 %) als bij de vollegrondsgroenten (-5,1 %). Wat de openluchtgroenten betreft, is de waardevermindering te wijten aan de groenten voor vers verbruik. Bij de industriegroenten is er globaal een prijsverbetering na de prijsdaling in de voorgaande jaren. Wat de beschutte teelten betreft, zorgen kropsla en alternatieve slasoorten voor de grootste waardevermindering door een zeer slechte prijsvorming. In de fruitsector worden gevoelige omzetstijgingen genoteerd voor appelen (+10,6 %) en peren (+20,3 %). Voor de peren is er zowel een productie- als prijstoename. De opwaartse waarde-evolutie bij de appelen is toe te schrijven aan de goede prijsvorming. De stijging van de niet-eetbare tuinbouwproducten is vooral toe te schrijven aan de toename bij de bos- en sierboomkwekerij.
Veeteelt De veeteelt is de belangrijkste subsector (58,1 % van de totale eindproductiewaarde), met als drie voornaamste producten varkens- en rundvlees en melk (figuur 4.12). Figuur 4.12: Verdeling van de productiewaarde van de veeteeltproducten, 2007
Bron: Departement Landbouw en Visserij
In 2007 bedraagt de globale waarde van de veeteeltproducten 2.868 miljoen euro of een toename met 5,5 % ten opzichte van 2006. Met uitzondering van de varkens, is de stijging merkbaar bij alle veeteeltproducten. De daling van de productiewaarde in de varkenssector (-4,5 %) resulteert uit een prijsdaling, die niet gecompenseerd wordt door een volumevermeerdering. Het grote Europese aanbod en de door de sterke euro bemoeilijkte export buiten Europa lagen aan de basis van de moeilijke prijsvorming.
109
De zuivelsector wordt gekenmerkt door sterke prijsstijgingen bij de zuivelproducten. Dit had ook een positief effect op de melkprijs aan boer en op de productiewaarde (+27,8 %). In de rundvleessector wordt gemiddeld een lichte waardestijging genoteerd (+1,8 %). Dit komt door een vermindering bij de volwassen runderen en een toename bij de kalveren. De prijs van vleeskalveren kende een positieve evolutie, terwijl die van de volwassen runderen daalde. Een stijging van de eierprijzen in 2007, na de slechte prijsvorming van de afgelopen jaren, zorgt voor een toename van de productiewaarde met 10,6 %. De eierproductie is wel gevoelig gekrompen. Pluimveevlees noteert een waardestijging (+19,9 %) door hogere prijzen die de daling van het productievolume compenseren. Samengevat resulteren deze ontwikkelingen in de akkerbouw-, tuinbouw- en veeteeltsector tot een gestegen eindproductiewaarde in 2007 voor de gehele Vlaamse land- en tuinbouwsector. Een vergelijking van de Vlaamse cijfers met de cijfers van Wallonië (cijfers 2006) leert dat Vlaanderen een aandeel van ongeveer 75 % in de nationale eindproductiewaarde van de landen tuinbouwsector heeft (tabel 4.2). Met uitzondering van een aantal akkerbouwproducten, neemt Vlaanderen voor alle belangrijke producten duidelijk meer dan de helft voor zijn rekening. Voor varkens, groenten, fruit en niet-eetbare tuinbouwproducten is het aandeel zelfs 90 % of meer. Tabel 4.2: Aandeel van Vlaanderen in de nationale eindproductiewaarde, %, 2006 akkerbouw
48
- granen
35
- aardappelen
72
- suikerbieten
35
tuinbouw
91
- groenten
91
- fruit
92
- niet-eetbare
90
veeteelt
75
- runderen
56
- varkens
94
- gevogelte
85
- zuivel
61
- eieren
86
eindproductiewaarde
75
Bron: Departement Landbouw en Visserij, Direction Générale de l’Agriculture
110
De Waalse productiewaarde (1.534 miljoen euro in 2006) is anders samengesteld dan de Vlaamse. Globaal is het aandeel van de veeteelt in de totale eindproductiewaarde van de desbetreffende regio ongeveer dezelfde (figuur 4.13). In Vlaanderen is echter het aandeel van tuinbouw en van akkerbouw respectievelijk groter en kleiner dan in Wallonië.
Binnen de veeteelt is in Wallonië het aandeel van rundvlees en zuivel het grootst, terwijl in Vlaanderen de varkensproductie domineert. Figuur 4.13: Structuur van de Vlaamse en Waalse eindproductiewaarde, %, 2006 1. subsectoren
2. producten
Bron: Departement Landbouw en Visserij, Direction Générale de l’Agriculture
De 3 producten die in Vlaanderen in 2006 het meest bijdragen tot de omzet in de landbouw zijn: varkensvlees, runderen en groenten. In Wallonië wordt de top 3 gevormd door rundvlees, zuivel en granen. 111
1.3.2 Intermediair verbruik De waarde van het intermediaire verbruik wordt in 2007 geschat op 3.316 miljoen euro of een toename met ongeveer 9 % ten opzichte van 2006. Dit is veruit de hoogste waarde van de afgelopen 10 jaar (figuur 4.14). Figuur 4.14: Evolutie van het intermediaire verbruik, miljoen euro, 1997-2007
Bron: Departement Landbouw en Visserij
Opvallend in 2007 is de sterke stijging van de veevoederprijzen. De veevoeders maken 48 % uit van het intermediaire verbruik. De forse stijging van de veevoederprijzen was o.a. een gevolg van de stijgende prijzen op de graanmarkten. Ook de energieprijzen stegen verder in 2007. Mede als gevolg hiervan en door een toenemende vraag van kunstmeststoffen vanuit landen buiten Europa stegen ook de meststofprijzen.
1.3.3 Toegevoegde waarde Uit de respectieve ontwikkelingen van de waarde van de eindproductie en van het intermediaire verbruik en rekening houdend met de afschrijvingen en de netto subsidies wordt de netto toegevoegde waarde in 2007 geraamd op 1.446 miljoen euro of een vermindering met 1,3 % ten opzichte van 2006 (figuur 4.15). De netto toegevoegde waarde vertegenwoordigt het globale inkomen van de land- en tuinbouwactiviteit en omvat de vergoeding voor grond, kapitaal en arbeid.
112
Figuur 4.15: Evolutie van de netto toegevoegde waarde (NTW) en de netto toegevoegde waarde per arbeidseenheid (NTW per AE), 1997-2007
Bron: Departement Landbouw en Visserij
De afschrijvingen nemen toe ten gevolge van de toegenomen investeringen en door een verhoging van de vervangingswaarde. De netto subsidies verhogen o.a. door de bijkomende steun voor suiker en hogere investeringssteun. Het aantal arbeidseenheden (AE), uitgedrukt in aantal personen van 20 tot 65 jaar die voltijds op een landbouwbedrijf werkzaam zijn, is sterk gedaald ten opzichte van 2006 (-2,7 %), zodat de netto toegevoegde waarde per arbeidseenheid met 1,5 % stijgt tot 32.464 euro.
1.3.4 Rentabiliteit van de landbouwbedrijven De rentabiliteitsgegevens van de land- en tuinbouwbedrijven berusten op de verwerking van de boekhoudgegevens van een 700-tal Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven, die deel uitmaken van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN). De laatst beschikbare gegevens zijn die van 2006.
113
Landbouw Gemiddeld voor alle landbouwbedrijven met beroepsmatig karakter is de rentabiliteit in 2006 toegenomen ten opzichte van 2005. Het familiale arbeidsinkomen per familiale arbeidskracht (FAK) bedraagt 29.973 euro en stijgt met 10,7 % (figuur 4.16). Figuur 4.16: Evolutie van familiaal arbeidsinkomen voor het landbouwbedrijf, euro per FAK, 2001-2006
Bron: Departement Landbouw en Visserij
De opbrengsten zijn gestegen met 5,2 % wat vooral toe te schrijven is aan de inkomsten uit de marktbare gewassen (+11,3 %) en de overige opbrengsten (+24,4 %). Bij de marktbare gewassen lagen de goede prijzen van aardappelen en graan aan de basis. Door de uitzonderlijke weersomstandigheden was het aanbod van veel akkerbouwproducten op de Europese markten kleiner dan normaal. De sterke toename van de overige opbrengsten heeft te maken met de hervormingen van het GLB. Enerzijds werd de melkpremie in 2006 verder verhoogd als compensatie voor de verdere daling van de interventieprijzen van de zuivelproducten. Anderzijds was 2006 het eerste jaar van de suikerhervorming, waardoor ook in deze sector een premie werd ingesteld ter compensatie van een interventieprijsverlaging. Aan de kostenzijde noteerde men eveneens een verhoging (+3,2 %), maar in mindere mate dan bij de opbrengsten. De variabele kosten (+4,4 %) stegen sterker dan de vaste (+2,1 %). Het opvallendst in 2006 was de stijging van de kosten voor veevoeders (in navolging van de krapte op de graanmarkt), energie en grond- en gebouwenkapitaal. De inkomensverbetering is merkbaar in alle geanalyseerde sectoren, behalve in de varkenssector. Figuur 4.17 geeft een overzicht van het bedrijfsinkomen voor alle productierichtingen ten opzichte van het gemiddelde inkomen in de Vlaamse landbouw. Ondanks de lichte inkomensverslechtering in de varkenssector, scoort de varkenshouderij in 2006 een sterk resultaat. De vleesveesector komt als minst rendabele bedrijfstak naar voren.
114
Figuur 4.17: Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK (% afwijking t.o.v. het Vlaamse gemiddelde), 2006
Bron: Departement Landbouw en Visserij
Tuinbouw Gemiddeld voor alle tuinbouwbedrijven met beroepsmatig karakter is de rentabiliteit in 2006 lichtjes toegenomen ten opzichte van 2005 (figuur 4.18). Het arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht (VAK) bedraagt in 2006 26.514 euro, wat het gevolg is van een daling bij de groentebedrijven (-1,5 %) en een stijging bij de fruitbedrijven (+2,6 %) en de sierteeltbedrijven (+5,5 %). Wat de deelsectoren betreft, werden de voornaamste dalingen in het inkomen opgetekend bij de glasgroente-, aardbeien- en de snijbloemenbedrijven. De champignonbedrijven en azaleabedrijven deden het dan weer goed. Figuur 4.18: Evolutie van het arbeidsinkomen voor het tuinbouwbedrijf, euro per VAK, 2001-2006
Bron: Departement Landbouw en Visserij
115
Een vergelijking van de diverse sectoren ten opzichte van het gemiddelde Vlaamse bedrijfsinkomen in de tuinbouw wordt weergegeven in figuur 4.19. Hieruit blijkt het sterke resultaat van de fruitsector en de zwakke inkomenspositie van de snijbloemenbedrijven in 2006. Figuur 4.19: Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK (% afwijking t.o.v. het Vlaams gemiddelde), 2006
Bron: Departement Landbouw en Visserij
2 Sociale aspecten 2.1 Leeftijd van de bedrijfsleider De gemiddelde leeftijd van de bedrijfsleiders van de beroepslandbouwbedrijven bedraagt in 2007 47,7 jaar en is de afgelopen 10 jaar continu gestegen tot 2006, maar daalt in 2007 (figuur 4.20). De gemiddelde leeftijd in Wallonië ligt iets hoger. Figuur 4.20: Evolutie van de gemiddelde leeftijd van de bedrijfsleiders van beroepslandbouwbedrijven, 1997-2007
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
116
Uit de leeftijdspiramide (figuur 4.21) blijkt dat de basis zeer klein is. Slechts 3 % van de bedrijven heeft een bedrijfsleider jonger dan 30 jaar, terwijl 7 % ouder is dan 65. De meeste bedrijfsleiders hebben een leeftijd tussen 40 en 45 jaar en zijn van het mannelijke geslacht. Slechts bij 11 % van de bedrijven is de bedrijfsleider een vrouw. Figuur 4.21: Leeftijdspiramide van bedrijfsleiders van beroepslandbouwbedrijven, volgens geslacht, 2006
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
2.2 Opvolging Slechts 13,8 % van alle bedrijven waarvan het bedrijfshoofd ouder is dan 50 jaar, heeft een vermoedelijke opvolger. Uit een indeling van deze bedrijven volgens economische bedrijfsgrootte (uitgedrukt met behulp van standaardgrootte-eenheden (SGE)), blijkt dat de opvolging vooral problemen stelt bij kleinere bedrijven (figuur 4.22). Figuur 4.22: Aandeel bedrijfshoofden ouder dan 50 met vermoedelijke opvolger volgens bedrijfsgrootte, %, 2007
Bron: Departement Landbouw en Visserij, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
117
De provinciale verschillen buiten beschouwing gelaten, is de opvolging het meest gegarandeerd voor de bedrijven die gespecialiseerd zijn in gemengd rundvee en melkvee (figuur 4.23). Figuur 4.23: Aandeel bedrijfshoofden ouder dan 50 met vermoedelijke opvolger volgens productierichting, %, 2007
Bron: Departement Landbouw en Visserij, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De biologische landbouw in Vlaanderen Sinds 2000 is het aantal biologische landbouwbedrijven vrij stabiel gebleven. In 2007 telde Vlaanderen 230 biologische landbouwbedrijven. 175 van deze bedrijven waren volledig biologisch. De 55 overige bedrijven hadden ook nog gangbare teelten. De gemiddelde grootte van een biobedrijf bedraagt 16,6 hectare, maar bijna de helft van de bestaande Vlaamse biobedrijven zijn kleiner dan 5 ha. Figuur: Aantal biologische landbouwers, totaal biologisch areaal onder controle, areaal met hectaresteun en bedrag van de hectaresteun, 1994-2007
Bron: Departement Landbouw en Visserij, Agentschap Landbouw en Visserij
118
2.3 Landbouwopleiding Qua landbouwopleiding is de verdeling van de bedrijfsleiders als volgt: 54 % enkel praktische ervaring, 23 % basislandbouwopleiding en 23 % volledige landbouwopleiding (aan universiteit of hoger instituut). Uit figuur 4.24 valt af te leiden dat kleinere bedrijven vooral geleid worden door bedrijfsleiders met enkel praktische ervaring. Hoe groter de bedrijven, hoe meer de bedrijfsleiders een hogere opleiding genoten hebben. Figuur 4.24: Landbouwopleiding bedrijfsleider volgens bedrijfsgrootte, %, 2005
Bron: Departement Landbouw en Visserij, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Het areaal biologische landbouw in Vlaanderen bedraagt 3.836 hectare. Dat is een toename van 17,5 % ten opzichte van 2006. De stijging is vooral toe te schrijven aan de categorie “grasland”, dat met 30 % toenam. Ook de andere gewasgroepen namen met 5 tot 8 % toe. Twee derde van het bioareaal bestaat uit weiden of bodembedekkers zoals grasklaver. Het areaal aan bodembedekkers is in 5 jaar tijd bijna verdubbeld. De overige 35% is voorbehouden voor de teelt van akkerbouwgewassen, groenten en fruit. Groenten maken 10% uit van het biologische areaal in Vlaanderen. Tabel: Evolutie van het areaal per gewasgroep, ha, 2002-2007
2002
2003
2004
2005
2006
2007
akkerbouw
805
870
876
794
631
687
bodembedekking
322
465
526
565
559
596
1.973
1.559
1.328
1.302
1.463
1.906
sierteelt
1
1
1
0
2
1
groenten
348
344
272
296
378
399
fruit
191
201
216
196
234
246
0
4
0
0
0
0
3.640
3.444
3.219
3.153
3.267
3.835
grasland en boomkweek
niet toewijsbaar totaal
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van gegevens Integra en Certisys
119
Van de starters die VLIF-steun (Vlaams Landbouwinvesteringsfonds) aangevraagd en verkregen hebben, heeft het merendeel een diploma van hoger secundair onderwijs landbouw (27 %). Uit figuur 4.25 blijkt dat bijna een kwart van de starters hoger gediplomeerden (23 %) zijn.
Figuur 4.25: Landbouwopleiding van de starters in de landbouw met VLIF-steun, 2007
Bron: Departement Landbouw en Visserij
2.4 Groene zorg Sinds 1 december 2005 kunnen land- en tuinbouwers een subsidie ontvangen voor het opnemen van een zorgtaak op hun bedrijf. Sinds 1 januari 2007 maakt deze subsidiemaatregel geen deel meer uit van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling en is er geen Europese cofinanciering meer. De subsidie zorgboerderijen is nu volledig Vlaamse steun van het Departement Landbouw en Visserij. De subsidie bedraagt 15 of 40 euro per dag, afhankelijk van de mate van hulpverlening door het landbouwersgezin. Als de landbouwer enkel zijn bedrijfsinfrastructuur ter beschikking stelt dan wordt een subsidie van 15 euro per dag toegekend. Als de landbouwer of medewerker zelf instaan voor de zorg en activering van de zorgvrager is de subsidie 40 euro per dag.
De biologische veestapel is in absolute aantallen met 6,7% gestegen. 17% van alle geiten en 4,5% van alle schapen worden biologisch gehouden. Ook de biologische pluimveestapel blijft jaarlijks toenemen. De flexibele omschakelingsvoorwaarden zijn hier een mogelijke verklaring voor. De biologische melkveestapel kromp de laatste 5 jaren met 39% als gevolg van de Europese melkoverschotten tot 2005. Intussen is er opnieuw sprake van een tekort aan biologische melk. De Vlaamse overheid geeft jaarlijks ongeveer 700.000 euro uit aan hectarepremies ter ondersteuning van de biologische landbouwer. In 2007 kwam hiervoor 2.660 ha aan percelen in aanmerking. Handel en consumptie Er is in Vlaanderen een groeiende markt voor biologische producten. De signalen van GfK Panelservices Benelux en Bioforum, de koepelorganisatie van de sector, wijzen op een lichte tot matig 120
Om deze subsidie te ontvangen, moet de land- en tuinbouwer een overeenkomst afsluiten met een voorziening. Dit wordt de zorgboerderij-overeenkomst genoemd. De Vlaamse landbouw staat duidelijk open voor deze vorm van verbreding. Op dit ogenblik (situatie juli 2008) zijn er 278 erkende zorgboerderijen en zijn er 504 zorgboerderij-overeenkomsten lopende. Uit de provinciale verspreiding blijkt dat de meeste zorgboerderijen zich in de provincie West-Vlaanderen bevinden (tabel 4.3). Ook qua overeenkomsten staat West-Vlaanderen bovenaan. In Antwerpen worden gemiddeld het meeste overeenkomsten per zorgboerderij afgesloten. Tabel 4.3: Aantal zorgboerderijen en zorgboerderij-overeenkomsten per provincie, juli 2008 Provincie
Aantal zorgboerderijen
Aantal lopende overeenkomsten
Antwerpen
54
107
Limburg
39
71
Oost-Vlaanderen
44
69
Vlaams-Brabant
45
82
West-Vlaanderen
96
175
278
504
Totaal Vlaanderen
Bron: Departement Landbouw en Visserij
groeiende markt. Het marktaandeel per product varieert sterk. De grootste marktaandelen zijn terug te vinden bij de vleesvervangende producten (15,8% van de aangekochte producten zijn biologisch) en de eieren (6,2%). 81% van de Vlamingen kocht in 2007 wel eens een bioproduct. Van de totale besteding aan bioproducten gaat het grootste aandeel naar biogroenten De supermarkt blijft het belangrijkste aankoopkanaal met 64% van de verkochte bioproducten. De bioklant houdt echter ook van persoonlijk contact met de verkoper, want een derde van de bioproducten wordt verkocht op hoeves, markten en in buurtwinkels.
121