Skip to main content

STUDIE 64 BEROEPSPROFIEL. cinematografie.pdf

Page 1

STUDIE 64 BEROEPSPROFIEL cinematografie


BEROEPSPROFIEL cinematografie

sector : studiegebied : opleiding : opties : beroep :

audiovisuele productie industriële wetenschappen & technologie audiovisuele techniek cinematografie cinematografie (beroepencluster)

Werkgroep beroepsprofiel van de Vlaamse Hogescholen in opdracht van de Vlaamse Onderwijsraad D/1998/6356/3 De leden van de werkgroep beroepsprofielen zijn inhoudelijk verantwoordelijk voor het beroepsprofiel. De Vlor heeft enkel ingestaan voor een uniforme en toegankelijke lay-out.


INHOUD BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

I N H O U D

1

2

3

4 5

IDENTIFICATIE

1

1.1

Identificatiegegevens

1

1.2

Opdracht 1.2.1 Opdrachtgever 1.2.2 Doelstelling

1 1 1

1.3

Procedure

2

1.4

Methode

2

HET BEROEPSPROFIEL

3

2.1

Socio-economische structurele ontwikkelingen in de sector 2.1.1 Macro-economische situering van de sector 2.1.2 Beschrijving van ontwikkelingen in de sector

3 3 3

2.2

Analyse van de arbeidsmarkt 2.2.1 Gegevens van tewerkstelling in de sector

3 3

2.3

Gegevens over het beroep 2.3.1 Classificatie en niveau van het beroep in de sector 2.3.2 Beroepenveld 2.3.3 Beschrijving van het beroep 2.3.4 Gegevens over de functies verbonden aan het beroep

9 9 10 10 15

2.4

Sleutelkwalificaties 2.4.1 Frequentie 2.4.2 Toelatingskwalificatie bij aanvang opleiding

16 16 17

VASTLEGGING VAN DE BEROEPENSTRUCTUUR EN DE BEROEPENCLUSTERS

18

3.1

Preproductie

18

3.2

Productie

18

3.3

Postproductie

18

IN KAART BRENGEN VAN RELATIE BEROEPEN EN OPLEIDINGEN

19

HET EIGENLIJKE BEROEPSPROFIEL

20

5.1

Benaming 5.1.1 Clustering functies in functie van de opleiding 5.1.2 Beschrijving van het beroep en de activiteiten

20 20 20

5.2

Taken 5.2.1

20 20

Taakgebieden


INHOUD BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

5.3

6

7

8

Beroepscontext 5.3.1 Organisatievorm van de arbeid 5.3.2 Organisatievorm in de werkplaats 5.3.3 Organisatievorm buiten de werkplaats

22 22 22 22

ONDERSTEUNENDE KENNIS

23

6.1

Gemeenschappelijke basiskennis

23

6.2

Algemene beroepsgerichte kennis 6.2.1 Traditionele kennis 6.2.2 Nieuwe technologie 6.2.3 Aanbeveling naar het leerplan

23 23 23 23

6.3

Beroepshoudingen

24

6.4

Beroepsdrempels

24

NIVEAU VAN HET BEROEP IN DE SECTOR

25

7.1

Omschrijving van het niveau

25

7.2

Criteria

25

7.3

Niveaubepaling

25

CONTROLE INTERNE CONSISTENTIE EN NAZICHT REALISTISCH KARAKTER

26

9

BESLUIT

27

10

BIBLIOGRAFIE

28

BIJLAGEN

29

Bijlage 1: Terminologielijst Bijlage 2: Statistische gegevens economische zaken

29 32


BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

1

1.1

1

IDENTIFICATIE

Identificatiegegevens ♦ W & K Hogeschool voor Wetenschap en Kunst (WenK) Koningstraat 336 1210 Brussel tel.: 02/340.50.20 - fax.: 02/340.05.21 Instellingskenmerken: 103622-411-2-21015-1 ♦ Vestiging NARAFI Kasteel Dudenpark, Victor Rousseaulaan 75 1190 Vorst-Brussel tel.: 02/ 340 10 20 Basisopleiding van 1 cyclus: Audiovisuele Techniek

1.2

Opdracht

1.2.1

Opdrachtgever Op vraag van de Minister van Onderwijs werd in het kader van de V.L.O.R. een overleg gepleegd over de beroeps- en onderwijsprofielen in de hogescholen en de daaraan gerelateerde basiscompetenties en eventuele opties aan deze hogescholen. Voor elke opleidingssector werd een voorzitter aangesteld die in zijn commissie zowel vertegenwoordigers uit de beroepswereld, als uit de onderwijswereld laat zetelen. Voor de opleiding Cinematografie had de eerste vergadering plaats in november 1996. Hier werd beslist om overleg te plegen met de optie BGM gezien deze (sub)werkgroep reeds eerder met de beroepsprofielen aangevangen waren in, zoals gezegd, beeld-geluid-montage en audiovisuele assistentie. Opleidingen die weliswaar verschillend zijn doch wel raakvlakken bezitten. Deze concertaties hebben enkele malen plaats gehad (zie verder).

1.2.2

Doelstelling Doel van deze beroepsprofielomschrijving is een zo juist mogelijke situering van de Gegradueerde in de Cinematografie te bepalen in het actueel medialandschap. Alhoewel, weerom historisch, geplaatst binnen het kader van het HOBU in het technisch onderwijs, blijkt hier een grondiger wijziging te hebben plaats gehad. Vanzelfsprekend dient men de techniciteit te beheersen, doch de inhoudelijke toegevoegde waarde van visuele producten is zeer belangrijk en duidt eerder in de richting van kunstonderwijs. Korte type kan korte type blijven. Zoals in andere specialisaties van de audiovisuele sector bestaat het opleidingsprogramma, en de aangewende mogelijkheden die hierdoor ook in de realiteit bestaan uit een homogeen geheel van toepassingen (ook studieactiviteiten) en verwezenlijkingen inzake kennis, vaardigheden, inzicht en attitudes.


2

1.3

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

Procedure Op de eerste plaats zijn we gaan kijken naar de professionele realiteit en de vraag die in deze snel evoluerende omgeving bestaat naar de juiste mensen om in deze toepassingswereld vlot en goed te werken. Hieraan gekoppeld werd steeds nagetrokken of deze vragen en vereisten in de verschillende beroepswerelden identiek bleven en of er wel altijd "algemene" gemeenschappelijke elementen gevonden konden worden.

1.4

Methode Bij verschillende partners in het medialandschap zijn we gaan polsen naar de specifieke vragen die leven. Bij het Vlaams Filminstituut, bij verschillende televisiezenders, bij toeleveraars van audiovisuele producten, bij individuele AV-mensen. Vooral de naam "cinematografie", die zuiver historisch (1939) gegroeid en gebleven is, dekt de lading niet meer en veroorzaakt communicatieve problemen. De naam veranderen zou misschien wel wenselijk zijn. Denken aan "BGM" is echter niet juist gezien deze benaming slechts een deelaspect van de opleiding dekt. Eén van de mogelijkheden is “Film en televisie”. Met dit standpunt kan de heer Jan De Block, voorzitter van de beroepsprofielen RITS, Erasmushogeschool Brussel, instemmen. Inhoudelijk is het beroep en de opleiding tijdens de laatste kwarteeuw zeer veel gegroeid terwijl de benaming om administratieve redenen bevestigd is gebleven. Waar, zestig jaar geleden, nog geen plaats was ingeruimd voor de opleiding in video en televisie (gezien het prille technologische aspect op dat ogenblik) is dit economisch en maatschappelijk uitgegroeid tot hét communicatie-, leer- en informatiemedium van onze tijd. Dit "nieuwe" medium baseert zich gedeeltelijk op dezelfde beeldtaal en inhoud.


BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

2

3

HET BEROEPSPROFIEL

2.1

Socio-economische structurele ontwikkeling in de sector

2.1.1

Macro-economische situering van de sector De beeldsector bestaat voornamelijk uit een filmgedeelte dat tot de jaren zeventig visuele producten aanleverde voor televisiebedrijven, nieuwsspots in bioscopen en, voornamelijk, documentaires. Sedert de tachtiger jaren is dit technologisch voor een groot deel verschoven naar videoproducten die, vooral voor de aanmaak, kostenbesparend kunnen zijn. Op zuiver beeldvlak in Vlaanderen wordt, bij de realisatie van kwaliteitsproducten (in bijvoorbeeld publiciteit, speelfilm enz.) een keuze voor film gemaakt .

2.1.2

Beschrijving van ontwikkelingen in de sector 2.1.2.1 Socio-economische factoren Sedert de het opentrekken van de televisiemogelijkheden en het afbouwen van bestaande monopolies, heeft de sector een geweldige expansie gekend. Deze vertaalt zich in honderden arbeidsplaatsen. 2.1.2.2 Technologische factoren Er zijn twee sterke tendenzen aanwezig. Eerst een verloop van klassieke pellicule naar elektronische dragers. Daarnaast een evolutie van analoge naar digitale elektronische beeldopslag en verwerking. 2.1.2.3 Politiek-maatschappelijke factoren Door het groot geworden distributieveld is de exclusiviteit van, voornamelijk televisie, verbreed tot vrij lokale informatiestromen waardoor de herkenbaarheid dichter bij het publiek komt. 2.1.2.4 Structuur van de bedrijven De structuur van de audiovisuele bedrijven is zeer gediversifieerd. Hierop wordt verder ingegaan.

2.2

Analyse van de arbeidsmarkt

2.2.1

Gegevens van tewerkstelling in de sector 2.2.1.1 Huidige tewerkstelling Door de Belgische situatie met Nederlands- en Franstalige gebieden en sectoren is een heel zuiver beeld niet te geven. Sporadisch komen Nederlandstaligen (meertaligen) ook in de "andere" sector in het zuiden van het land terecht. Wij beperken


4

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

ons hier tot de Vlaamse en Brusselse situatie (bron: voornamelijk Mediadoc) inzake AV-werkgelegenheid. De NIS-gegevens bestrijken wel heel het Rijk. ♦ Fictiefilmsector In de Vlaamse speelfilm zijn 200 mensen min of meer regelmatig aan de slag. Per jaar zijn hier wel grote verschillen gezien de speelfilm en kortfilmprojecten kunnen variëren. Naast een beperkte productiesector is ook een vrij uitgebreide filmdistributie- en exploitatiesector in België actief. ♦ Animatiefilm Volgens een studie uit 1996 zijn in Europa zowat 750 mensen met animatiefilm bezig. Hiervan worden er 150 in België gesitueerd. Het gaat hier dan ook om mensen die met hypermoderne apparatuur kunnen werken. Een spitsbedrijf als het Brusselse TRIX moet daarvoor bijvoorbeeld buitenlandse werknemers zoeken. Naast voor bioscoop en TV, zijn animatiefilmers ook voor de reclamewereld bedrijvig. ♦ Regionale TV-zenders Vooral door de stijgende reclame-inkomsten komen hier vrij veel afgestudeerden uit de filmscholen terecht. Momenteel zijn er, volgens de officiële NIS-gegevens, 10 zenders in Vlaanderen, 3 in Wallonië, 3 in het Brussels Hoofdstedelijk gewest. Ieder van deze heeft zowat 20 à 30 mensen aan de slag. Dit betekent ongeveer 300 mensen. Hier is nog een forse groei mogelijk van zodra deze zenders afstappen van hun carrousselformule en gewoon andere programma's gaan brengen (bijvoorbeeld voor gemeentes of intercommunales). ♦ Video- en TV-bedrijven Volgens een Vlerinck-studie waren er in 1987 zo'n 450 mensen in de Belgische videosector tewerkgesteld. In 1990 waren er dit reeds 850. Deze trend zet zich door. De gemiddelde KMO in de AV-sector stelt ongeveer 5 mensen tewerk. Slechts circa 10% van de bedrijven stelde tussen 15 en 25 (of meer) mensen te werk. De Vlaams-Brusselse sector is momenteel goed voor meer dan 1000 jobs. Tot deze sector behoren aan Vlaamse kant: − een dertigtal hoofdzakelijk voor TV werkende bedrijven − een paar honderd videobedrijven die vooral werken voor de videoopdrachtsector ♦ De AV-diensten Deze diensten werken voor het bedrijfsleven, waaronder de banken, en de universiteiten. Deze produceren soms videomagazines en journalen. Uit zijn studie anno 1990 naar de communicatie bij de 50 grootste Belgische werkgevers leerde Van Den Broeck dat de 19 AV-diensten in deze bedrijven tezamen 83 personeelsleden te werk stelden, niet zelden all-round "duiveltjes-doe-al". "Slechts 1 dienst had meer dan 10 werknemers in dienst." Telt men hier nog de diverse andere dan in de studie besproken AV-diensten bij dan komt Jan-Pieter Everaerts (Mediadoc) aan minstens 150 werkplaatsen (1996). ♦ Freelancers Volgens de Vlerinck-studie uit 1990 zijn er in België "een paar duizend" freelancers (1990). Dit aantal is intussen goed opgelopen en slaat op cameralui, regisseurs, producenten... . In Nederland raamt men hun aantal op ruim 18.000.


BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

5

♦ Hardware sector: in de hardware videobedrijven komen tevens mensen uit de mediascholen terecht. ♦ Reclamewereld In de reclamesector komen eveneens mensen uit de mediasectorbeeld terecht. ♦ Onderwijs In de Vlaamse mediahogescholen en elders in het onderwijs komen een aantal afgestudeerden van mediahogescholen aan een, al dan niet deeltijdse, job. Als de plannen om een beter beeldtaal- en AV-opleiding in het middelbaar onderwijs mogelijk te maken worden uitgevoerd, bestaat hier een grote groeimogelijkheid. ♦ Nationale omroepen Bij de nationale omroepen zitten de grootste werkgevers uit de sector: − BRTN (VRT): begin maart 1997 telde de BRTN 2.585 personeelsleden (Bron: Bert De Graeve). − VTM: begin maart 1997 telde de VTM (met Kanaal 2) 288 vaste medewerkers in loondienst (Bron: mevr. Coremans). Dit aantal zal in de nabije toekomst nog langzaam toenemen. In de toeleverende bedrijven werken een goede 400 mensen voor deze zender(s). De algemene directeur ad interim, Vic Haenen, verklaarde dat er "nieuwe projecten in voorbereiding zijn die niet enkel jobzekerheid zullen bieden, maar ook nieuwe arbeidsplaatsen zullen creeëren". Haenen had het hier over allerlei interactieve media (CD-I en CD-ROM, Internet en interactieve teletekst). Hierover wordt onderhandeld met Endemol Interactive, een bedrijf in de TV-wereld dat ook een Belgische vestiging heeft. − VT4: hier werkten in 1996 een honderdtal mensen. − Bij ENDEMOL Entertainment België NV werkten in maart 1997 juist 33 mensen in volledige loondienst en zeven vaklui op zelfstandige basis. (Bron: Annelies Verhaegen). Endemol werkt aan veel co-producties met o.a. VT4, VTM en BRTN (VRT). − FILMNET: Filmnet en Multichoice België telden half 1996 230 personeelsleden (Bron: J.-P. Everaerts) ♦ Naast de "eigen" traditionele omroepen komen er ook Satellietzenders zoals de in Vlaanderen totaal onbekende Koerdische TV-MED. Eén-vijfde van hun personeelsbestand werkt in en rond Denderleeuw: goed voor vijftig plaatsen. ♦ Nieuwe mediafirma's zijn meestal kleine hoogtechnologische bedrijven die dikwijls zelf produceren ofwel buitenlandse multimediaprogramma's verwerken. In deze branche werken meer dan 200 mensen (Bron: J.-P. Everaerts). ♦ Internet en de andere elektronische snelwegen zijn wellicht goed voor een nog veel groter aantal plaatsen (cfr. Telenet Vlaanderen). Ook hier wordt beroep gedaan op mensen die aan een "filmschool" studeerden omdat zij een creatieve ontwikkeling hebben die anderen niet hebben. Objectief kunnen we stellen dat de werkgelegenheid in de hele AV-mediasector in Vlaanderen (en Brussel) minstens goed is voor tienduizend - of meer - arbeidsplaatsen. Het beeld dat slechts 'marginale' tewerkstelling in de AV-sector bestaat is dus totaal onjuist. Dit cijfer werd reeds voor tien jaar door Trends bevestigd


6

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

(1986). Wel dient vermeld dat het regelmatig over precaire jobs gaat met een freelancestatuut, onregelmatige werkuren, onzekere vergoedingen... Het is zeer belangrijk te weten dat men voor de AV-sector voor de volgende jaren een gestage groei van de werkgelegenheid verwacht. Dit kan duidelijk afgeleid worden uit de NIS-gegevens van de laatste jaren: ♦ Toestand einde 1996 NACEBEL-CODE 32300 Vervaardiging audio- en videoapparatuur 51150 Handelsbemiddeling in huishoudelijke apparatuur enz. 51430 Groothandel in huishoudelijke-, video- en audio-apparatuur 52450 Kleinhandel in dito 52720 Reparatie dito 71340 Verhuur dito (*) 71403 Verhuur televisie, audio- en video-apparatuur (*) 92201 Productie en uitzending van audioprogramma’s (*) 92202 Productie van televisieprogramma’s (*) 92203 Uitzending van televisieprogramma’s (*) * relevanter voor beroep

Vlaams gewest

Nacebel 32300 51150 51430 52450 52720 71340 71403 92201 92202 92203

Actieve btw nrs 168 1143 1338 2831 683 245 237 156 48 10 6859

Oprichtingen 8 180 109 140 34 49 47 11 12 2 592

Schrappingen 13 193 92 199 46 14 18 8 1 2 586

Nacebel

Actieve btw nrs

Oprichtingen

Schrappingen

32300 51150 51430 52450 52720 71340 71403 92201 92202 92203

87 619 312 1481 598 127 34 79 1 3 3341

4 130 19 81 36 16 4 10 0 0 300

9 142 24 128 48 13 2 3 0 0 369

TOTAAL VL

Region wallonne

TOTAAL W


7

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

Brussels hoofdstedelijk gewest

TOTAAL BHG BRUSSEL

Nacebel

Actieve btw nrs

Oprichtingen

Schrappingen

32300 51150 51430 52450 52720 71340 71403 92201 92202 92203 1144 32300 51150 51430 52450 52720 71340 92201 92202 92203

82 157 304 407 95 44 11 26 13 5 81 16 32 60 88 19 11 6 3 1 236 68580

2 28 18 12 10 4 1 1 4 1 103 1 10 2 3 1 1 0 2 1 21 6165

7 22 17 38 15 0 0 1 3 0

TOTAAL B TOTAAL RIJK (Bron: Nationaal Instituut voorde Statistiek) Voor de evolutie in de jaren negentig: Zie bijlagen.

0 1 3 9 2 0 0 1 0 16 6010

♦ Bij de productie van films onderscheidt het N.I.S. volgende categorieën 92.111 92.112 92.113 92.114 92.115 92.116

productie van bioscoopfilms productie van televisiefilms productie van overige films diensten verwant aan de filmproductie distributie van films vertoning van films


8

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

Subgroep 92.111 92.112 92.113 92.114 92.11 totaal 92.120 92.12 totaal 92.130 92.13 totaal 92.1alg.totaa l

Brussels Hoofdst.Gew 386 13 62 130 591 91 91 21 21 703

Vlaams Gewest 310 36 273 254 873 137 137 89 89 1099

Waals Gewest

Rijk

137 3 22 22 184 30 30 70 70 284

833 52 357 406 1648 258 258 180 180 2086

N.I.S.gegevens 1995. Voor verdere uitsplitsing: zie addenda. Bron gegevens: Nationaal Instituut voor de Statistiek. Voor de evolutie in de jaren negentig: zie addenda.

2.2.1.2 Toekomstige tewerkstelling Alhoewel de foute schatting van de Europese Commissie uit 1993 teveel, euforistische, groei voorspelde, is de realiteit toch zeer positief. De groei is vrij constant en ook de Vlaamse AV-bedrijven bevestigen ons de gunstige evolutie. Dit kan nog versterkt worden door het multimediaal worden van Internet en de 'elektronische Snelwegen'. Naarmate er meer breedbandnetwerken ter beschikking komen gaat er meer audiovisueel gewerkt worden en zullen er dus ook meer programma's nodig zijn. ♦ Werkgelegenheid Europese Unie AV-sector TOTALE EU-WERKGELEGENHEID AV

Aantal werkplaatsen Groei % AV% in totale werkgelegenheid

1987 691.399 0,57

1988 752.774 8,9 0,61

1990 795.136 5,6 0,65

1991 826.488 3,9 0,67

1992 853.188 3,2 0,70

(Bron: London Economics)

2.2.1.3 Instroomproblematiek Daar de beeldsector momenteel in een enorme expansie zit, zijn het haast uitsluitend jonge afgestudeerden die de vacante plaatsen bezetten. Hierdoor zijn het ook haast geen 'vervangingen' van natuurlijk vrijgekomen plaatsen en dient men rekening te houden met een toekomstige saturatie in de huidige conventionele markt (voornamelijk al dan niet regionale televisie en haar toeleveringsbedrijven). In de multimediasector bestaat er haast niets en hier is een, op wereldvlak, enorme potentie aanwezig die nog op gang dient te komen. Bij de instroom van studenten in de richting Cinematografie is er bij de eerstejaarsstudenten een duidelijke trend naar toename.


9

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

Het aantal eerstejaarsstudenten per academiejaar: 1990/91 1991/92 1992/93 1993/94 1994/95 1995/96 1996/97

49 54 37 56 51 77 127

Het aantal afgestudeerden in de optie Cinematografie blijft eerder status quo: 1990/91 16 1991/92 16 1992/93 17 1993/94 15 1994/95 15 1995/96 22 1996/97 (19 laatstejaarsstudenten)

2.3

Gegevens over het beroep

2.3.1

Classificatie en niveau van het beroep in de sector Het niveau van het beroep wordt door vier factoren bepaald: − graad van verantwoordelijkheid − graad van complexiteit − graad van omschakelbaarheid/aanpasbaarheid − graad van inhoudelijke inbreng De niveaus worden zo omschreven ♦ Niveau 1 Kwalificatie van vlug te verwerven en uit te voeren werk. ♦ Niveau 2 Kwalificatie voor zelfstandig praktisch uit te voeren werk binnen het kader van de aangeleerde technieken. ♦ Niveau 3 Kwalificatie voor, voornamelijk, praktisch werk dat zelfstandig kan worden uitgevoerd gebaseerd op een grondige theoretische kennis over het werk en/of verantwoordelijkheden omvat zoals leiding en coördinatie. ♦ Niveau 4 Kwalificatie die kennis en bekwaamheden bevat, die het mogelijk maken op autonome of onafhankelijke manier verantwoordelijkheden te nemen voor planning, leiding en/of beheer. ♦ Niveau 5 Kwalificatie, die kennis, bekwaamheden en inzicht omvat, die het mogelijk maken om totaal onafhankelijk een beroepsactiviteit uit te oefenen en of de wetenschappe-


10

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

lijk-technische of de inhoudelijk-communicatieve achtergronden van het beroep te beheersen. De meeste gegradueerden in de Cinematografie hebben beroepen en functies die zich op niveau Vier en Vijf van de Europese SEDOC-normering situeren.

2.3.2

Beroepenveld Alhoewel het zeer moeilijk is een vrij limitatieve omschrijving te realiseren rond het volledige veld dat in de huidige inhoudelijke sfeer van de gegradueerde in de Audiovisuele Technieken/Kunsten ligt, kunnen we deze in enkele velden situeren. Deze zijn: − realisaties van AV-producten voor de grotere visuele mediadistributie zoals televisiestations − registratie van beeld- en audiomateriaal voor verdere verwerking voor bijvoorbeeld toeleveringsbedrijven in de AV- en TV-sfeer − de verschillende functies die vereist zijn voor het realiseren van "films" (korten langspeelfilm, docudrama's, documentaires) op pellicule − leiding bij toeziende en creatieve functies zoals eindregie, eindredactie, realisatie en productie van multimediaproducten − deze lijst is niet beperkend

2.3.3

Beschrijving van het beroep Deze niet limitatieve lijst van de beroepen uitgeoefend door de Gegradueerde in de Audiovisuele Techniek/Kunst, optie Cinematografie, behelst onder andere filmcameraman, mono- en multicameraman, filmmonteur, videomonteur, klanktechnicus (verschillende specialisaties), technicus televisieproductie, laborant (film, televisie, video, audio), installateur (studio, andere), ontwikkelaar van multimedia- en computervideoprogramma's in verschillende aspecten, script, regieassistent, cameraassistent, productieleider, productieassistent, studiomeester, opnamenleider, regisseur, scenarist-regisseur, auteur-regisseur... 2.3.3.1 Filmcameraman De filmcameraman/-vrouw bepaalt in samenspraak met de regisseur het te gebruiken kader en de verschillende beeldelementen die de inhoud, sfeerinformatieniveau bepalen door gebruik te maken van o.a. optische middelen en scherptediepte. 2.3.3.2 Assistent cameraman De cameramanassistent werkt in iets grotere producties samen met de cameraman. Hij zorgt voor een perfecte technische behandeling en nazicht van de camera. Hij laadt de filmcassettes en voert de verplichte testen uit voor het in productie gaan. Tijdens de opnamen voert hij de nodige instellingen uit voor een optimaal gebruik van scherpte en scherpte-diepte. De jonge cameramanassistent groeit dikwijls door naar cameraman. 2.3.3.3 Monocameraman (Video en televisie) Net zoals bij de filmcameraman bepaalt hij de cadrageafbakening en inhoudelijke waarden. Dikwijls is hij werkzaam in de nieuws- en documentaire sector en wordt geassisteerd door een audio- en/of elektrotechnicus.


BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

11

2.3.3.4 Multicameraman (televisie) De cameraman op multicamera werkt in ploegverband onder leiding van een TVregisseur en dient zeer alert en snel te kunnen participeren om een omgevingssituatie perfect in beeld te brengen. Vanzelfsprekend is een zekere 'vergroeidheid' met de technische uitrusting en de automatische behandeling hiervan een verworvenheid. 2.3.3.5 Filmmonteur Aan de hand van de opgenomen 'rushes' en in samenspraak met de regisseur monteert de monteur het geheel van de film. Hij bepaalt het ritme en zorgt dat de technische overgangen perfect verlopen. Dit gebeurt door het selecteren, inkorten en hergroeperen van filmopnamen teneinde een film samen te stellen die aan zijn doel beantwoordt. Het geheel van het montagewerk is tweeledig: zowel artistiek als technisch. 2.3.3.6 Videomonteur Het realiseren van een videoproduct door het selecteren, inkorten en hergroeperen van video- en geluidsopnamen teneinde het beoogde doel te realiseren voor de te bereiken doelgroep. 2.3.3.7 Beeldmenger (televisie) De beeldmenger verzorgt de beeldwisselingen en het ritme van de overgangen onder leiding van de regisseur. Hiervoor kan hij veel beeldbronnen beschikken zoals multicamera-informatie, telecinema's of bandweergavetoestellen, scanners, elektronische datagegevens, computer- en titelgenerators... . 2.3.3.8 Directeur van de fotografie De directeur van de fotografie (naar D.O.P., director of photography -E-) zorgt voor de belichting en verlichting in functie van de bepaalde cadrages. Hij bezit minstens inzicht in het werk van de cameraman en werkt samen met de regisseur. Zijn werk beïnvloedt de sfeer en een deel van de artistieke inbreng van de productie ten gronde. Hij kent de karakteristieken van het gebruikte opnamemateriaal (film of video) door en door en houdt rekening met kleurtemperatuur en sensitometrische gegevens. Bij kleine producties wordt deze functie door de cameraman uitgevoerd. Bij grote producties wordt de DvdF. geassisteerd door elektro's. 2.3.3.9

Elektro

De elektro plaatst lichtbronnen in functie van de opdrachten gegeven door de aanwezige DvdP (DOP). Tevens voert hij eventuele elektriciteitsaanpassingen of opstellingen uit. 2.3.3.10

Belichtingstechnicus (Toneel)

De belichtingstechnicus werkt de verlichtingsopstellingen en haar modulaties uit waarbij hij rekening houdt met de richtlijnen van zowel regisseur als van de Directeur van de Fotografie. Aansluiting op lichtorgels en soortgelijke infrastructuren worden tevens door hem uitgevoerd.


12

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

2.3.3.11

Klanktechnicus

Klanktechnici specialiseren zich meestal in één klein vakgebied dat zich beperkt tot één van de drie ondervermelde domeinen: ♦ Klanktechnicus film De klanktechnicus bij film zorgt voor de juiste opstellingen van de verschillende types microfoon en voor de opnamen en correcte modulatie (analoog en digitaal) van het volledige setgebeuren. Hij bewaakt het synchroon lopen van beeld en geluid tijdens de opname en volgt ook het hele geluidpostproductieproces. ♦ Klankassistent bij film en video De klankassistent volgt de geluidsbron door het richten van de microfoon(s) tijdens de opnamen (perche, boom). Hij bereidt de opnameapparaten voor (laden, testen) en zorgt meestal voor de voormontage voordat de definitieve montage aanvat. ♦ Klanktechnicus video Zie punt a. voor gebruik bij de monocamera. Bij televisieproducties en het multicameragebruik, zowel in studio als op lokatie, werkt de klanktechnicus nauw samen met de chef-technicus. Naast het (laten) plaatsen van de verschillende microfoons met de juiste karakteristieken zorgt hij voor het juist moduleren en opnemen van de verschillende geluidsbronnen. Deze laatste kunnen op de opnameset zijn doch ook extern zoals bijvoorbeeld grammofoonplaten, C.D.'s, cassettes, andere magneetbanden of DAT-registraties. ♦ Klankassistent video en televisie Bij monocameragebruik: zie b. De klankassistent bij televisie zorgt voor de plaatsing en het testen van de microfoons en het juist opstellen en connecteren van de audiorandapparatuur en de monitoring. 2.3.3.12

Technicus televisieproductie

Onder de noemer "technicus televisieproductie" horen verschillende specialismen thuis die ook meer specifieke benamingen hebben. Enkele hiervan zijn: ♦ Cameraman Zie hierboven, punten A, C, D. ♦ Beeldmenger Zie hierboven, punt G. ♦ Beeldcorrector De beeldcorrector stelt de' elektronische beeldsignalen af en bewaakt de verschillende niveaus volgens de technische normen qua kleurcorrectie en beeldhelderheid.


BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

13

♦ Technicus beeldband De beeldbandtechnicus volgt de kwaliteit van de signalen bij de opname en zorgt bij de weergave voor het uiterst correct starten van de weergaveapparatuur. Hij doet de volledige administratie en registratie rond het gebruik van de banden. ♦ Technicus telecinema De technicus telecinema of filmweergave zorgt voor het juist opstarten van de telecinema-apparaten tijdens studiowerkzaamheden en bij het overschrijven van film op pellicule naar videoband of digitale drager. 2.3.3.13

Laborant

De laborant zorgt voor een sensitometrische (bij film) opvolging van het volledige ontwikkel- of dupliceringsproces of voor het elektronisch opvolgen van de technische normen (bij video, audio en televisie). 2.3.3.14

Script

De script-secretaresse of -secretaris zorgt voor de administratieve opvolging van het draaiboek en zorgt voornamelijk voor de continuïteit tussen de verschillende shots. Tevens noteert zij het laborapport, het montagerapport en maakt het dagrapport voor de productie. 2.3.3.15

Regisseur

De regisseur bepaalt het geheel van de handelingen bij het realiseren van een audiovisueel geheel of een film. Hij werkt de onderwerpkeuze van de producent uit en overlegd met de producent over de samenstelling van de technische ploeg en meestal van de andere medewerkers en spelers. Hij of zij houdt samen met de DvdF (DOP) toezicht op het laboratoriumwerk, de nasynchronisatie en de montage zodat het geheel beantwoordt aan het gedachtenbeeld dat hij zich gevormd had over het werk. Hij wordt beschouwd als de auteur, de geestelijke eigenaar, van het werk. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen twee soorten regisseurs namelijk: − de opdrachtregisseur − de auteur-regisseur 2.3.3.16

Regieassistent

De regieassistent volgt de instructies van de regisseur die hem een deel van de opvolging delegeert. Hij stelt de draaiplanning op en redigeert dagelijks de callsheets. 2.3.3.17

Producer

De producer zorgt voor de duizenden zakelijke, organisatorische, artistieke en vooral financiële details bij het realiseren van een audiovisueel werk. Hij is de topfunctionaris in een realisatie van een film of audiovisueel product. Hij kiest (meestal) de stof en laat deze uitwerken. Hij benoemt de regisseur en samen met deze laatste de spelers en andere medewerkers. Sommige regisseurs zijn hun eigen producer en laten zich dan bijstaan door een "associate" producer, of productieassistent, voor de uitwerking van de details.


14

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

2.3.3.18

Studiomeester

De studiomeester zorgt voor het optimaal functioneren van al het technisch gebeuren op de opnameset in de televisiestudio en coördineert de planning van het verloop in samenspraak met de regisseur. 2.3.3.19

Machinist

De machinist zorgt voor het goed verloop van de cameraverplaatsingen, de dollys en de kranen en de technische infrastructuur die hierbij vereist is. 2.3.3.20

Multimedia-ontwikkelaar

De ontwikkelaar van multimediaproducten, waaronder C.D.I., CD-ROM, computerprogramma’s... ontwerpt het concept, het "format" en de wezenlijke inhoud van het te scheppen product. Hij doet de keuze tussen de aan te leveren beelden en audiobronnen. 2.3.3.21

Productieassistent

Zie producer. 2.3.3.22

Opnameleider

De opnameleider bij film staat in voor al de praktische organisatorische beslommeringen zoals afhalen van acteurs, catering, verkeersbeheersing enz. De opnameleider bij video: zie R. Studiomeester. 2.3.3.23

Scenarist

Schrijft het audiovisueel programma. Vraagstellingen en mededelingen kan hij audiovisueel verwoorden.


15

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

2.3.4

Gegevens over de functies verbonden aan het beroep

HET PROGRAMMAVERLOOP

O N T WE R P F A S E Ideeëngaring Argumentatie idee Synopsis Argumenten van de synopsis O5 Prospectie O6 Ontwerpbegroting Programmavoorstel O7 Scenario O8 Goedkeuring of verwerping van het scenario Bij verwerping: herbeginnen bij 02,03 of 07 O9 Goedkeuring technische middelen: film of video P PRODUCTIEFASE P1 Productieschema uitstippelen, faciliteiten, timing P2 Productieteam samenstellen P2.1 Keuze regie-assistente P2.2 Keuze opnameleider, rekwisiteur of P2.3Video chef techniek P2.4Video cameraman (ploeg) of P2.3Film directeur fotografie P2.4Film cameraman P2.5Geluidstechnicus of P2.6Video monteur Film monteur P2.7 Componist of sonorisator P2.8 Acteurs P2.9 Figuratie P2.10 Decorontwerper P2.11 Kostuumontwerperadviseur P2.12 Trucage, animatie, titels P2.13 Setfotograaf P3 Prospectie P4 Draaiboek P5 Werkblad P6 Repetitie faciliteiten, bepalen middelen en mensen P7 Repetities P8 Opnamen

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

O O1 O2 O3 O4

13

14

15

16

17

✗

✗

✗ ✗

✗

✗

✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗

20

21

✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗

✗

✗ ✗ ✗

✗

✗

✗ ✗ ✗ ✗ ✗

✗

✗

✗

✗

✗

✗

✗ ✗

✗ ✗

✗ ✗

✗ ✗

✗ ✗

✗ ✗

✗ ✗

✗ ✗

✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗

✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗

✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗

✗

✗

✗

✗ ✗ ✗ ✗

✗

22

✗ ✗ ✗ ✗

✗ ✗ ✗ ✗

✗

19

✗ ✗ ✗ ✗

✗ ✗ ✗

✗ ✗

18

✗ ✗

✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗

✗ ✗

✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗

✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗ ✗


16

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

P P9 E E1

POSTPRODUCTIEFASE Afwerking E VA L U A T I E F A S E Preview: testen van programma op uitzendbaarheid E2 (Eventuele)Aanpassing van programma E3 Persvisie E4 Promotie en distributie Filmcameraman 1 Assistent cameraman 2 Monocameraman 3 Multicameraman 4 Filmmonteur 5 Videomonteur 6 Beeldmenger 7 Directeur fotografie 8 Elektro 9 Belichtingstechnicus 10 Klanktechnicus 11

2.4

Sleutelkwalificaties

2.4.1

Frequentie

✗ ✗

✗

✗ ✗ ✗

✗

✗

✗

✗

✗

✗

✗

✗

✗ ✗ 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22

Technicus TV-productie Loborant Script Regisseur Regieassistent Producer Studiomeester Opnameleider Machinist Multimediaontwikkelaar Scenarist

Quotering gebeurt vanaf niveau nul tot vier (0 komt niet voor in onderstaande tabel) 4 Accuratesse Assertiviteit Beslissingsvermogen Contactbereidheid Dienstverlenende ingesteldheid Doorzettingsvermogen Empathie Flexibiliteit Imagobewustheid Kritische ingesteldheid Leergierigheid Loyauteit Omgaan met stress Resultaatgerichtheid Veiligheids- en milieubewustzijn Zelfstandigheid Zin voor esthetiek Zin voor initiatief Zin voor samenwerking

3

2

1


17

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

2.4.2

Toelatingskwalificatie bij aanvang opleiding Quotering gebeurt vanaf niveau nul tot vier 4 Accuratesse Assertiviteit Beslissingsvermogen Contactbereidheid Dienstverlenende ingesteldheid Doorzettingsvermogen Empathie Flexibiliteit Imagobewustheid Kritische ingesteldheid Leergierigheid Loyauteit Omgaan met stress Resultaatgerichtheid Veiligheids- en milieubewustzijn Zelfstandigheid Zin voor esthetiek Zin voor initiatief Zin voor samenwerking

3

2

1

0


18

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

3 VASTLEGGING VAN DE BEROEPENSTRUCTUUR EN DE BEROEPENCLUSTERS

Momenteel zijn de grenzen en kaders van de audiovisuele wereld in een periode van grote verschuivingen en uitbouw van mogelijkheden en toepassingen. Hierdoor is een limitatieve clustering gewoon onmogelijk. Bij iedere nieuwe drager, zoals recentelijk CDI, CD-rom, Cyberspace of Internet... ontstaan nieuwe beroepen en daarbij horende structuren. De mogelijkheden zijn hier zoals gezegd in volle evolutie. De “klassieke” beroepen zijn terug te vinden in drie hoofdgroepen, namelijk preproductie, productie en postproductie.

3.1

Preproductie Producer (financiën, distributie), Scenarist (uitschrijven scenario) en regisseur of programmamaker (draaiboek).

3.2

Productie Producer (organisatie, financiën), Regisseur/Programmamaker (regie, creatie beeldcommuinicatie), Directeur van de fotografie of D.O.P. (fotografische beeldkwaliteit), Opnameleider (praktische organisatie), Belichtingstechnieker (uitvoerder), Geluidstechnieker ( realisatie klankopnamen) en Cameraman (cameravoering).

3.3

Postproductie Producer (verantwoordelijke montage, labo, muziek), Regisseur (creatieverantwoordelijke), Monteur ( Ritme, tempo-opbouw, continuïteit), Grafiek (grafische uitwerking effecten en generiek), Klankdecorverantwoordelijke (akoestiek en audiokwaliteit).


BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

19

4 IN KAART BRENGEN VAN RELATIE BEROEPEN EN OPLEIDINGEN

De opleiding cinematografie zorgt op de eerste plaats voor een grondige basiskennis van het werkveld in de audiovisuele sector en op zodanige wijze dat er een directe aansluiting is met de arbeidsmarkt. Op de tweede plaats wordt aandacht gegeven aan de inhoudelijke waarde van AV-producten en aan de vorm. Daar de vragende markt duidelijk uitkijkt naar polyvalente specialisten geeft de opleiding cinematografie zowel technisch als inhoudelijk een brede opleiding.


20

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

5 HET EIGENLIJKE BEROEPSPROFIEL

5.1

Benaming Cameraman, monteur, beeldmenger, directeur foto, elektro, belichtingstechnieker, klanktechnicus, technicus T.V.-technicus, laborant, script, regisseur, regieassistent, producer, studiomeester, opnameleider, machinist, multimediaontwikkelaar, scenarist...

5.1.1

Clustering functies in functie van de opleiding ♦ Beeld Filmcameraman, directeur van de fotografie (DvdF), beeldcorrector, cameraassistent, multicameraman, monocameraman ♦ Klank Klanktechnicus; klankassistent,... . ♦ Montage Filmmonteur, videomonteur, (beeldmenger), ... . ♦ Realisatie Regisseur, regieassistent, script, scenarist. ♦ Productie Producent, productieleider, opnameleider, assistent-opnameleider, studiomeester, machinist. ♦ Techniek Elektro, belichtingstechnicus, technicus televisieproductie, laborant.

5.1.2

Beschrijving van het beroep en activiteiten Zie punten 1.2.2.c A tot V.

5.2

Taken

5.2.1

Taakgebieden Programmaverloop bij audiovisuele producties. De hierna volgende tabel geeft een realistisch beeld van de normale gang van zaken bij een audiovisuele productie, doch mag niet als een dwingend of beperkend kader beschouwd worden.


21

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

5.2.1.1 Aanverwante taakgebieden In reclame- (marketing) en bedrijfscommunicatie is de gegradueerde in de cinematografie een gewaardeerde partner omwille van zijn kennis en inzicht in de audiovisuele dialoog. In het onderwijs wordt het audiovisueel gedeelte en de opleiding hierin steeds belangrijker en noodzakelijker. Dit zou dienen te gebeuren vanaf het eerste contact met het onderwijs op zeer jeugdige leeftijd. Audio en beeld functioneren zoals een normale taal en dienen ook verduidelijkt en aangeleerd te worden op een juiste interpretatie en gebruik. De gegradueerde in de cinematografie kan werkzaam zijn als lector, praktijkleraar of leraar voor dit vakgebied. In normale bedrijven en non-profitorganisaties kan hij beraden in het aanwenden van audiovisuele communicatie en dit zowel voor marketingdoeleinden als voor opleidingen. 5.2.1.2 Clustering van de taakgebieden Clustering van taken wordt voornamelijk geïnspireerd door productiemogelijkheden en is sterk verschillend. Specifieke beschrijving van de taakgebieden in takenclusters en taken bij een commerciële speelfilm of opdrachtfilm. De taakgebieden en takenclusters aangeduid met (*) gelden enkel voor opdrachtfilm. De rest is gemeenschappelijk. (Bron: beroepsprofiel van meester in de audiovisuele kunst 1997.) TAAKGEBIED

TAKENCLUSTER

Opstarten*

analyseren* communiceren*

Schrijven

Scheppen vragen stellen*

Informeren* Overleggen

Prospecteren

Concretiseren

Budgetteren

Beheren

Plannen

TAKEN

− Hij analyseert de opdracht(opdrachtfilm). − Hij start een communicatieproces met de opdrachtgever. − Hij formuleert de doelstelling van de opdracht hij concretiseert de opdracht (doelgroep, tijdsduur,..,). − Hij schrijft een oorspronkelijk scenario. − Hij stelt zich vragen: wat is het onderwerp van het programma - wat is de premisse welke inhoudselementen moeten worden verwerkt - welke boodschapkenmerken moet het audiovisueel product hebben? − Hij gebruikt de informatie bij het oplossen van problemen. − Hij overlegt, verwoordt en verantwoordt met een opdrachtgever de vraagstelling m.b.t. de gewenste creatie. Hij werkt een draaiboek uit. − Hij zoekt locaties, die de sfeer van zijn ideeengoed verbeelden. − Hij beheert tijd en budget. − Hij is financieel verantwoordelijk voor middelen en mensen. − Hij maakt een efficiënte planning binnen het beschikbare budget. − Hij berekent de kosten. − Hij betrekt de juridische aspecten in zijn werk.


22

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

Realiseren

Visualiseren Manipuleert Communiceren

regisseren Projecteren

testen

Evalueren

oordelen*

Programmeren

plaatsen

Distribueren

commercialiseren

5.3

Beroepscontext

5.3.1

Organisatievorm van de arbeid

− Hij visualiseert het scenario via acteurs en beeldregie − Hij manipuleert de werkelijkheid tot een nieuwe werkelijkheid: film − Hij communiceert met alle geledingen van het realisatieproces. − Hij regisseert de acteurs. − Artiesten, technici in functie van het concept, de stijl, de sfeer en de karakters. − Hij test het programma op uitzendbaarheid hij doet eventuele aanpassingen. − Hij controleert of de vooropgezette doelstelling bereikt is. − Hij plaatst het programma binnen het programmaschema en promotie − Hij verkoopt het audiovisueel product om het kenbaar te maken aan het publiek voor wie het bestemd is en om geld te recuperen om nieuwe audiovisuele producten te kunnen opstarten.

De gegradueerde in de Cinematografie wordt tewerkgesteld in TV- en radiostations, aanleveringbedrijven die voor de eersten producten leveren. Daarnaast bestaan jobs in de reclamewereld en bij privé-bedrijven (archief, marketing...).

5.3.2

Organisatievorm in de werkplaats De vorm kan, naar gelang de opdracht, individueel of in groepsverband gebeuren. − Dragers: of videomagneetband ofwel filmpellicule. − Hulpmiddelen: opname-en weergavetoestellen (video/TV/film) − Werkvloerbeschrijving: studio, montagecellen, regiekamer, laboratorium, computerruimte...

5.3.3

Organisatievorm buiten de werkplaats − Milieu: de sector is milieuvriendelijk daar voornamelijk softwarematig gewerkt wordt. − Veiligheid: daar veel met elektronische apparatuur gewerkt wordt dienen de vereiste veiligheidsvoorschriften nauwkeurig gevolgd te worden. − Deontologie: als lid van een team of groep moet iedereen zich bewust zijn van zijn/haar verantwoordelijkheid ten opzichte van elkaar, het te realiseren product en het bestemde publiek.


BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

6

6.1

23

ONDERSTEUNENDE KENNIS

Gemeenschappelijke basiskennis De gegradueerde in de cinematografie bezit een vrij brede basis om zowel creatief als technisch te kunnen functioneren en andere audiovisuele waarden en niveaus te onderkennen. Hierdoor kan hij de evolutie zowel op technisch vlak als op het gebied van vorm en taal bij zijn werksituatie opvolgen.

6.2

Algemene beroepsgerichte kennis

6.2.1

Traditionele kennis De gegradueerden in de cinematografie bezit: − inzicht in de mogelijkheden van het materieel en materiaal − communicatietechnieken − rapporteringsinzicht − inventiviteit bij het werken − kennis nieuwe mediatechnieken Het is, gezien de specificiteit van een twintigtal verschillende beroepen, niet mogelijk per deelfunctie het realisatieproces van audiovisuele producten hier uit te splitsen.

6.2.2

Nieuwe technologie De evolutie van nieuwe dragers zoals ethernet, internet, CDI en CD-rom is momenteel in een zeer revolutionaire fase. Door de bijkomende overgang van analoge naar digitale toepassingen zijn de mogelijkheden naar de toekomst toe momenteel niet objectief in te schatten en kan er slechts een toestandsbeschrijving van één ogenblik gegeven worden. Dit is hier niet de bedoeling.

6.2.3

Aanbeveling naar het leerplan In het beroep zijn volgende kennisvereisten elementair: − technieken van audiovisuele processen − bedrijfsbeheer en juridische aspecten hiermee verbonden; bedrijfsorganisatie − ethische, psychologische, filosofische, sociologische en maatschappelijke impact van audiovisuele producten en processen − beeld- en acteursregie − taal- en communicatievaardigheden − basiswetenschappen en -techniek − basisinformatica − esthetische vorming − gebruik van de verschillende toepassingen bij mono- en multicamera-applicaties


24

6.3

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

Beroepshoudingen De gegradueerd in de cinematografie is kritisch ten overstaan van zijn creaties. Hij werkt meestal in teamverband doch kan ook zelfstandig en autonoom functioneren. Hij heeft een uitgesproken verantwoordelijkheidszin en is flexibel volgens de nodige vereisten.

6.4

Beroepsdrempels Door het groot werkveld is de verscheidenheid in werkzaamheden, zowel psychisch als fysisch, ook bijzonder groot. Stressbestendigheid en een groot weerbaarheidsvermogen zijn noodzakelijk om de werkdruk en -situaties aan te kunnen.


BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

7

7.1

25

NIVEAU VAN HET BEROEP IN DE SECTOR

Omschrijving van het niveau Het niveau van het beroep wordt door drie factoren bepaald: − graad van verantwoordelijkheid − graad van complexiteit − graad van transfer De niveaus worden als volgt omschreven ♦ Niveau 1 Kwalificatie, die bedoeld is om betrekkelijk eenvoudig werk uit te voeren dat vrij snel kan verworven worden. ♦ Niveau 2 Kwalificatie, die vooral praktisch werk omvat, dat zelfstandig kan worden uitgevoerd binnen de grenzen van de aangeleerde technieken. ♦ Niveau 3 Kwalificatie, die praktisch werk omvat, dat zelfstandig kan worden uitgevoerd op basis van een goed onderbouwde theoretische kennis over het werk en/of verantwoordelijkheden omvat zoals leiding en/of beheer. ♦ Niveau 4 Kwalificatie, die kennis en bekwaamheden omvat, die het mogelijk maken op autonome en onafhankelijke manier verantwoordelijkheden te nemen voor planning en/of leiding en/of beheer. ♦ Niveau 5 Kwalificatie, die kennis en bekwaamheden omvat, die het mogelijk maken onafhankelijk een beroepsactiviteit uit te oefenen en de wetenschappelijke achtergronden van het beroep te beheersen.

7.2

Criteria De gegradueerde in de cinematografie is verantwoordelijk voor het plannen, uitvoeren en opvolgen, eventueel coördineren, van de creatieve processen en de daarbij horende productie. Hij of zij is eindverantwoordelijk voor creatieve, inhoudelijke, organisatorische, productionele en technische aspecten van het mediaproces.

7.3

Niveaubepaling De kwalificatie van de beroepen of beroepsfuncties van de gegradueerde in de cinematografie is bepaald door het geheel van creativiteit en techniciteit en de verantwoordelijkheid ten overstaan van medewerkers, budget en geviseerd publiek.


26

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

8 CONTROLE INTERNE CONSISTENTIE EN NAZICHT REALISTISCH KARAKTER

Bezoek aan werkplaatsen (te Brussel, Vilvoorde, Antwerpen) Beroepsbeoefenaar voldoet aan de gestelde eisen. De eisen worden gesteld door een eigen selectiesysteem. De AV-bedrijven ontwikkelen een eigen systeem van kwaliteitszorg.


27

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

9

BESLUIT

D

e opleiding Cinematografie is de oudste filmopleiding van het land (1939) en heeft steeds haar benaming behouden ondanks een evolutie rond de inhoud. Deze heeft zich in de loop der jaren verbreed en dit zowel op het vlak van techniek, als op het gebied van de vorm en inhoud. Een naamsverandering zou kunnen overwogen worden. De opleiding geeft de studenten een grote mogelijkheid op inzetbaarheid in de sector. Het graduaat cinematografie is in het korte type uniek en specifiek gericht op uitvoerende taken met een groot inzicht. Doorgroeimogelijkheden zijn voorzien naar een latere doorspecialisatie in de bedrijfswereld. De markt vraagt steeds meer gevormde mensen die all-round inzetbaar zijn. Zo dient, bijvoorbeeld, de cameraman steeds vaker alleen op pad te gaan om een visueel werk te verwezenlijken, en dit zonder regisseur of journalist. Hieruit volgt dat studenten die een zogenaamde “technische” opleiding volgen ook een creatieve opleiding moeten hebben en vice versa. Daar de sector in een voortdurende evolutie is die vrij hoogtechnologisch gesitueerd ligt is het oprichten van een postgraduaat en een modulenstructuur wenselijk. Bijscholing bestaat niet in een traditionele onderwijsstructuur. Het scheppen van modules rond beeldtaal en inzicht in de audiovisuele producten en mogelijkheden speciaal gericht op onderwijs dient ook bekeken en ook hier dienen de nodige middelen vrijgemaakt te worden. Het huidig onderbrengen in de “technische” opleidingen is volgens de auteurs van dit profiel enkel historisch te begrijpen. Om redenen die hiervoor werden toegelicht is een thuisbrengen van de opleiding in het kunstonderwijs beter.

Guy Ballet Luc Gubbels


28

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

10

BIBLIOGRAFIE

Dit beroepsprofiel werd uitgeschreven door Guy Ballet en Luc Gubbels.

Gebruikte bronnen − − − − −

Werkvergaderingen met Willy Vermorgen (VLOR) en Jan Blondeel (DVO) . Interviews met beroepslui uit de AV-sector. NIS. Mediadoc-informatie. Colloquium “Filmonderwijs in Vlaanderen”, Antwerpen 1997, een organisatie van het Vlaams Filminstituut.


BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

29

BIJLAGE 1

Terminologielijst ♦ Accuratesse Erop gericht zijn binnen de voorgeschreven tijd een taak nauwkeurig te voltooien. ♦ Assertiviteit Voor zijn meningen en gevoelens durven uitkomen. ♦ Beslissingsvermogen Durven een standpunt in te nemen of tot een handeling over te gaan, en er ook de verantwoordelijkheid voor opnemen. ♦ Cinematografie Het geheel van audiovisuele toepassingen en mogelijkheden. ♦ Contactbereidheid Bereid zijn om contact te leggen en eventueel te onderhouden, ook in moeilijke situaties (onder meer met mensen met verschillende opvatting en achtergrond). ♦ Cyclus Studieperiode die leidt tot een graad; in de context van dit profiel tot de graad van "Gegradueerde in de audiovisuele techniek, optie Cinematografie". ♦ Departement Organisatorisch deel van de Hogeschool dat geleid wordt door een departementshoofd. ♦ Dienstverlenende ingesteldheid Actief en pro-actief gericht zijn op het verlenen van diensten of zorg. ♦ Doorzettingsvermogen Erop gericht zijn, ondanks moeilijkheden, een doel te bereiken. ♦ DOP Director of photography (E), directeur van de fotografie (DvdF). ♦ DvdF Zie DOP.; verantwoordelijke voor belichting en belichting in film, video en televisie. ♦ Empathie Zich inleven in de situatie waarin mensen zich bevinden, er begrip voor opbrengen, en er tactvol mee omgaan. ♦ Evaluatie Tussentijdse beoordeling op de stand van de verworvenheden en van de werkprestaties van de student. Deze zijn indicatief. ♦ Examen Beoordeling van de student per hem opgelegd opleidingsonderdeel. ♦ Fictie Een herscheppen van een beeld van de realiteit aan de hand van fictieve gegevens.


30

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

♦ Flexibiliteit Bereid zijn zich aan te passen aan wijzigende omstandigheden, onder meer middelen, doelen, mensen en procedures. ♦ Format Concept van audiovisueel product waarin wel de verschillende werkblokken beschreven zijn doch daarom niet de definitieve volgorde van deze elementen. ♦ Fotografie (licht) Het werken met belichtings- en verlichtingstoestanden met betrekking tot de opnames bij televisie en film. ♦ Graad Aanduiding van de titel op het einde van een studiecyclus en vastgelegd in een diploma of getuigschrift, in dit geval gaat het om 'Gegradueerde in de audiovisuele techniek/ kunst". ♦ Imagobewustzijn Aandacht hebben voor de impact die het eigen gedrag en voorkomen op anderen kan hebben. ♦ Kritische ingesteldheid Bereid zijn zichzelf en zijn omgeving in vraag te stellen, de waarde van een bewering of een feit, de haalbaarheid van een vooropgesteld doel te verifiëren, alvorens een sterling in te nemen. ♦ Kwalificatie Vermelding naast de graad op het diploma of getuigschrift dat verwijst naar de specificiteit van de opleiding, hier Cinematografie. ♦ Leergierigheid Actief zoeken naar situaties om zijn competentie te verbreden en te verdiepen. ♦ Loyauteit Sterk betrokken zijn op de organisatie en de regels en afspraken die er gelden. ♦ Omgaan met stress Zoeken naar een aanvaardbare werkdruk, ook in moeilijke arbeidsomstandigheden (onder meer aard van het werk, de werkomgeving, tegenslagen, kritiek). ♦ Opleiding Het samenhangend geheel van de georganiseerde onderwijs- en studieactiviteiten in en/of over een studiegebied heen. In de context van de hiernavolgende bespreking is dit de opleiding audiovisuele techniek/kunst Cinematografie. ♦ Opleidingsonderdeel Deel van de opleiding dat bestaat uit één of meerdere onderwijsactiviteiten en bijbehorende studieactiviteiten en dat eindigt met een examen. ♦ Optie Een differentiatie binnen een opleiding die leidt tot een afzonderlijke vermelding op het diploma. Deze keuze bestaat momenteel slechts tussen Cinematografie (Narafi), BeeldGeluid-Montage (Rits) en Assistentie (Rits) doch zou in de toekomst kunnen onderzocht worden op het vlak Cinematografie-Film en Cinematografie-Video-TV. ♦ Producer Eindverantwoordelijke van de financiële en materiële organisatie bij audiovisueel werk.


BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

31

♦ Resultaatgerichtheid Erop gericht zijn binnen een bepaalde tijd en budget een vooropgesteld resultaat te bereiken met inachtname van gedefinieerde kwaliteitsstandaarden. ♦ Studiegebied Eén van de categorieën zoals vermeld in artikel 5 decreet 13.07.1994 waarin opleidingen zijn samengebracht. ♦ Studiepunt De eenheid waarmee de omvang van een opleiding wordt uitgedrukt volgens een uniforme (Europese) voorgeschreven wegingsnorm. ♦ Veiligheids- en milieubewustzijn Is actief en pro-actief gericht op veiligheid, op het voorkomen van situaties die personen en milieu kunnen schaden. ♦ Zelfstandigheid Bereid zijn om zelfstandig zonder hulp of toezicht gedurende lange tijd aan een taak te werken. ♦ Zin voor esthetiek Bij het uitvoeren van taken desgevallend ook esthetische overwegingen laten meespelen. ♦ Zin voor initiatief Problemen en taken aanpakken zonder dat het gevraagd wordt of de omstandigheden ertoe dwingen. ♦ Zin voor samenwerking Bereid zijn om gemeenschappelijk aan eenzelfde taak te werken.


32

BEROEPSPROFIEL CINEMATOGRAFIE

BIJLAGE 2

Statistische gegevens economische zaken (NIS) Een kopie van deze bijlage kan opgevraagd worden op de Vlaamse Onderwijsraad.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
STUDIE 64 BEROEPSPROFIEL. cinematografie.pdf by Vlaanderen-be - Issuu