Skip to main content

Ruilverkavelingsproject_Weelde.pdf

Page 1

RUILVERKAVELINGSPROJECT WEELDE

Uitvoering Monitoringprogramma Module Avifauna, jaar ‘+9’ (2013)

Vlaamse Landmaatschappij, Provinciale afdeling Antwerpen Stijn Leestmans & Tom Vermeulen (2013)


Inhoudstafel Inhoudstafel ___________________________________________________________ - 2 Inleiding_______________________________________________________________ - 3 Hoofdstuk I. Resultaten Monitoring 2013 (t=9) _______________________________ - 4 I.1 Territoriumkartering __________________________________________________ - 4 I.2 Territoriumgegevens _________________________________________________ - 4 I.2 Overzicht maatregelen binnen Maatregelen tot Landinrichting _________________ - 5 I.3 Beheermaatregelen __________________________________________________ - 5 Hoofdstuk II. Vergelijking resultaten 2001 (t= -1), 2006 (t= 2) en 2009 (t=5) _______ - 10 II.1

Bespreking per soort ____________________________________________ - 11 -

II.2

Bespreking per ecologische soortengroep ____________________________ - 13 -

III. Referenties _________________________________________________________ - 17 IV Kaartmateriaal ______________________________________________________ - 18 V Leeswijzer __________________________________________________________ - 18 -

-2-


Inleiding Dit rapport behandelt de situatie van de avifauna binnen het ruilverkavelingsproject Weelde 9 jaar (T = + 9) na de uitvoering van de werken op basis van gegevens verzameld in 2013. De monitoring van de avifauna, met de nadruk op weidevogels, kadert binnen een algeheel monitoringsprogramma, waar naast vogels ook de herpetofauna en vegetatie worden opgevolgd. Dit conform de ministeriële richtlijn van 14 maart 2000 betreffende de implementatie van de methodiek voor het optimaliseren en meetbaar maken van de ecologische inbreng in de ruilverkaveling, in toepassing van de studie van het Instituut voor Natuurbehoud en van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Het monitoringsprogramma (Vlaamse Landmaatschappij, 2001) werd goedgekeurd door de minister op 22 februari 2002. Voor informatie omtrent de monitoring van overige modules wordt naar dat rapport verwezen (zie III. Referenties). Voor een uitvoerige beschrijving van het projectgebied wordt verwezen naar het rapport ‘Ruilverkavelingsproject Weelde. Uitvoering monitoringsprogramma Avifauna, jaar -1 (2001)’. De uitvoering van de ruilverkavelingswerken besloeg de jaren 2002, 2003 en 2004 en startte in het voorjaar van 2002. De avifauna werd voor het eerst beschreven bij het vastleggen van de uitgangssituatie in 2001 (T=-1) door Stijn Leestmans, werkzaam bij de Vlaamse Landmaatschappij, Afdeling Provincie Antwerpen. Voor de algemene informatie over monitoring avifauna, definities en gebruikte methodes wordt dan ook naar bovenvermeld rapport verwezen. Het rapport is opgebouwd als volgt: Hoofdstuk I: beschrijving van de monitoringsresultaten, zoals opgenomen in 2009. Ook het gevoerde beheer over de verschillende jaren wordt kort beschreven. Hoofdstuk II: omvat een summiere vergelijking van de resultaten van T= -1, T= +2 en T= +5.

-3-


Hoofdstuk I. Resultaten Monitoring 2013 (t=9) I.1 Territoriumkartering De inventarisatie werd uitgevoerd door middel van een uitgebreide territoriumkartering, gebaseerd op de methode van Hustings et al., 1989. In totaal werden er 5 inventarisatierondes afgewerkt. Voor de gedetailleerde werkwijze wordt verwezen naar ‘Ruilverkavelingsproject Weelde. Uitvoering monitoringsprogramma Avifauna, jaar -1 (2001)’. Inventarisatieronde 1 2 3 4 5

Datum 08.04.2013 24.04.2013 07.05.2013 27.05.2013 11.06.2013

Weer Droog maar koud. Meer bewolking na de middag, 8°C Droog met opklaringen 20°C Droog met opklaringen, 22°C Droog met opklaringen, 19°C Droog maar bewolkt, 21°C

Tabel I.1: Overzicht inventarisatieronden

I.2 Territoriumgegevens Alle individuele waarnemingen werden geïnterpreteerd (volgens methode van Hustings et al., 1989) door S. Leestmans. Dit resulteerde in een overzicht van de waargenomen territoria per soort (zie tabel I.2). De gegevens worden ruimtelijk weergegeven in de bijgevoegde kaarten (van 2 t/m 8). Soort

Aantal territoria

Rode Lijst-status Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd

bergeend 1 blauwborst 6 boomleeuwerik 1 (2) Momenteel niet bedreigd boompieper 11 Momenteel niet bedreigd fitis 10 geelgors 1 Momenteel niet bedreigd gele kwikstaart 13 Momenteel niet bedreigd grasmus 26 Bedreigd graspieper 11 Momenteel niet bedreigd grutto 3 Momenteel niet bedreigd wulp 6 (7) Momenteel niet bedreigd heggenmus 11 Momenteel niet bedreigd kievit 61-65 Momenteel niet bedreigd kneu 7 kwartel (1) patrijs <1 Momenteel niet bedreigd roodborsttapuit 6 Bedreigd rietgors 5 Momenteel niet bedreigd scholekster 4 (5) Kwetsbaar veldleeuwerik 8 Momenteel niet bedreigd wilde eend 6 Momenteel niet bedreigd zwarte roodstaart 2 Tabel I.2: Overzicht territoria broedvogels binnen ruilverkaveling Weelde. Wanneer men broedgevallen vermoed worden deze met () aangegeven

Ten opzichte van de vorige inventarisatieronde in 2009 zijn geen broedvogels verdwenen, maar zijn bergeend, boomleeuwerik en patrijs wel teruggekeerd. Kwartel is de enigste soort die na 9 jaar na de werken niet meer is teruggekeerd. Van grutto werden 3

-4-


broedgevallen vastgesteld en 1 koppel was ook aanwezig buiten blok op Nederlands grondgebied. Wulp heeft in 2013 terug 6 broedgevallen, vermoedelijk 7, maar het broedsucces van zowel wulp als grutto is nog steeds niet groot.. Door beheerswerken was er in 2013 niet veel pitrus vegetatie meer aanwezig in Vlasroot voor de kokmeeuwkolonie. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er effectief zwartkopmeeuwen een broedpoging hebben ondergaan in 2013. 2013 was een goed jaar voor grasmus en gele kwikstaart. Nog niet eerder zijn er zo’n hoge aantallen waargenomen in de RVK. Volgende soorten werden eveneens waargenomen: bosrietzanger, bosruiter, bruine kiekendief, bonte vliegenvanger, gekraagde roodstaart, groene specht, gouplevier, groenpootruiter, kemphaan, kleine karekiet, kleine plevier, koekoek, krakeend, oeverloper, paapje, regenwulp, slobeend, spotvogel, tapuit, tureluur, watersnip, wintertaling, witgatje, zwarte ruiter en zwartkopmeeuw. I.2 Overzicht maatregelen binnen Maatregelen tot Landinrichting Op kaart 1 worden de maatregelen tot landinrichting weergegeven waar werken werden uitgevoerd in het kader van natuur. In totaal werden er 3 grote natuurbouwzones gerealiseerd. De zone ‘Vlasroot-Flaasheide’ (zo’n 38 ha), waarvan een 22 ha bestaat uit natte graslanden en lokale depressies, aansluitend op arme drogere zandgronden (ten dele bebost). Binnen deze zone werden maatregelen getroffen ten behoeve van weidevogels. Een bestaande depressie (slenk) werd uitgediept en er werd een nieuwe gegraven. Op de hogere zandrug werd een dennenbos gerooid en de strooisellaag werd afgeplagd. De combinatie van natte graslanden, heischrale vegetatie en bosranden zorgen voor een gevarieerd open biotoop. In de zone ’Litse hei’ (7 ha) werd de nadruk vooral gelegd op het vegetatiekundig aspect. Het perceel, gelegen in de vallei van de Ossevenloop, heeft nog een uitgesproken gradiënt van droog naar zeer nat. De laatste grote zone ‘Eindegoor-Bloksgoor’ vormt een grensoverschrijdend natuurgebied aan de Nederlandse kant (landinrichtingsproject Baarle-Nassau). Ook hier werden maatregelen getroffen die de weidevogels een permanent refugium moeten bieden. Bestaande depressies werden verdiept, diepe sloten kregen zeer zwakhellende oevers. In de natte, veengronden werden de opschietende wilgen en berken gekapt (met behoud van een aantal grotere wilgen ten behoeve van o.a. blauwborst). I.3 Beheermaatregelen In tabel I.3 wordt een overzicht gegeven van de door het Agentschap voor Natuur en Bos genomen beheermaatregelen sinds 2003 op de percelen die werden ingericht voor natuur. De beheerszones worden weergegeven op kaart I in bijlage.

-5-


Tabel I.3: Overzicht beheermaatregelen sinds 2001 Nr

A1

Beheer tot en met 2003 Akker

Beheer in 2003

Beheer in 2004

Beheer in 2005

Beheer in 2006

Beheer in 2008

Beheer in 2009

Afgegraven akker, Beweiding, braak bekalking

Beweiding, bekalking

Beweiding, bekalking; scheuren, inzaaien met grasmengsel en bemesten na 1 juli

Geen verder beheer

Beweiding

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha

Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha Pitrus gemaaid en ter plaatse gestockeerd Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha

Beheer in 2010

Beheer in 2011

Beheer in 2012

Beheer in 2013

Beweiding van 30/4 tot 15/6 met 1GVE, vanaf 15/6 met 3GVE/ha 0-bemesting

Beweiden na 15/5 2 maaibeurten op pitrus en maaisel afvoeren 0-bemesting

Beweiden na 15/5 2 maaibeurten op pitrus en maaisel afvoeren 0-bemesting

Beweiden na 15/5 2 maaibeurten op pitrus en maaisel afvoeren 0-bemesting

Beweiding van 30/4 tot 15/6 met 1GVE, vanaf 15/6 met 3GVE/ha 0-bemesting Beweiding van 30/4 tot 15/6 met 1GVE, vanaf 15/6 met 3GVE/ha 0-bemesting

Beweiden na 15/5 2 maaibeurten op pitrus en maaisel afvoeren 0-bemesting Beweiden na 15/5 Pitrusdelen omzetten naar weidemengsel met klaver+stalmest+ bekalken Beweiden na 15/5 Pitrusdelen omzetten naar weidemengsel met klaver+stalmest+ bekalken Beweiden na 15/5 Pitrusdelen omzetten naar weidemengsel met klaver+stalmest+ bekalken

Beweiden na 15/5 2 maaibeurten op pitrus en maaisel afvoeren 0-bemesting Beweiden na 15/5 2 maaibeurten op pitrus en maaisel afvoeren stalmest

Beweiden na 15/5 2 maaibeurten op pitrus en maaisel afvoeren 0-bemesting Beweiden na 15/5 2 maaibeurten op pitrus en maaisel afvoeren stalmest

Beweiden na 15/5 2 maaibeurten op pitrus en maaisel afvoeren stalmest

Beweiden na 15/5 1 maaibeurt op pitrus en maaisel afvoeren stalmest

Beweiden na 15/5 1 maaibeurt op pitrus en maaisel afvoeren stalmest

Beweiden na 15/5 1 maaibeurt op pitrus en maaisel afvoeren stalmest

A2

Al enkele jaren braakliggen d grasland

Braak

Beweiding, bekalking

Beweiding, bekalking

A3

Akker

Braakliggende akker

Bemest en bekalkt, ingezaaid met grasmengsel; beweiding

Beweiding, bemesting na 1 juli

Beweiding, bekalking; scheuren, inzaaien met grasmengsel en bemesten na 1 juli Beweiding, bemesting na 1 juli, bekalking

A4

Akker

Braakliggende akker

Bemest en bekalkt, ingezaaid met grasmengsel; beweiding

Beweiding, bemesting na 1 juli

Beweiding, bemesting na 1 juli, bekalking

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha

Beweiding van 30/4 tot 15/6 met 1GVE, vanaf 15/6 met 3GVE/ha 0-bemesting

A5

Akker

Braakliggende akker

Eén maaibeurt in september

Beweiding

Beweiding

Beweiding

Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha

Beweiding van 30/4 tot 15/6 met 1GVE, vanaf 15/6 met 3GVE/ha 0-bemesting


B1

Akker

Afgegraven akker, braakliggend

Ingezaaid met grasmengsel (mislukt)

Bemest en ingezaaid met grasmengsel; beweiding

Beweiding, bekalking

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha

B2

Grasland

Braakliggend grasland

1 maaibeurt in juli

Beweiding

Beweiding

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha

B3

Akker

Afgegraven akker, braakliggend

Geen beheer

Beweiding

Beweiding

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha

B4

Moerassig e depressie

Moerassige depressie

Moerassige depressie, geen verder beheer

Moerassige depressie, geen verder beheer

Moerassige Geen verder depressie, geen beheer verder beheer

Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha

Beweiding van 30/4 tot 15/6 met 1GVE, vanaf 15/6 met 3GVE/ha 0-bemesting Beweiding van 30/4 tot 15/6 met 1GVE, vanaf 15/6 met 3GVE/ha 0-bemesting Beweiding van 30/4 tot 15/6 met 1GVE, vanaf 15/6 met 3GVE/ha 0-bemesting Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha

B5

Akker

Afgegraven akker, braakliggend

Geen beheer

Beweiding, gescheurd na 1 juli, bemest en bekalkt, ingezaaid met grasmengsel

Beweiding, bekalking

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha

Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha

B6

Al enkele Braakliggend jaren grasland braakligge nd grasland

1 maaibeurt in juli

Beweiding, gescheurd na 1 juli, bemest en bekalkt, ingezaaid met grasmengsel

Beweiding, bekalking

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha

C1

Grasland

Beweiding

Beweiding

Beweiding

Beweiding

Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha Pitrus gemaaid runderdrijfmest Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6

Braakliggend grasland

Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6

Beweiden na 15/5 ruwe stalmest in voorjaar

Beweiden na 15/5 ruwe stalmest in voorjaar

Beweiden na 15/5 ruwe stalmest in voorjaar

Beweiden na 15/5 ruwe stalmest in voorjaar

Beweiden na 15/5 ruwe stalmest in voorjaar

Beweiden na 15/5 ruwe stalmest in voorjaar

Beweiden na 15/5 ruwe stalmest in voorjaar

1xpitrus gemaaid+afgev Beweid met schapen vanaf 15/5 ruwe stalmest bekalkt opslag rond ven verwijd. Pitrus gemaaid in 1xpitrus sept gemaaid+afgev Beweiden na Beweid met 15/5 schapen vanruwe stalmest in af 15/5 voorruwe stalmest jaar bekalkt Pitrus gemaaid in 1xpitrus sept gemaaid+afgev Beweiden na Beweid met 15/5 schapen vanruwe stalmest in af 15/5 voorruwe stalmest jaar bekalkt Beweid vanaf 1 maaibeurt in 15/5 juni 0-bemesting beweid na 15/6

Beweiden na 15/5 ruwe stalmest in voorjaar 1x pitrus gemaaid+afvoer Beweiden na 15/5 ruwe stalmest in voorjaar 1x pitrus gemaaid+afvoer Beweiden na 15/5 ruwe stalmest in voorjaar 1x pitrus gemaaid+afvoer 1xpitrus gemaaid+afgev Beweid met schapen vanaf 15/5 ruwe stalmest bekalkt

1xpitrus gemaaid+afgev Beweid met schapen vanaf 15/5 ruwe stalmest bekalkt 1xpitrus gemaaid+afgev Beweid met schapen vanaf 15/5 ruwe stalmest bekalkt 1 maaibeurt in juni beweid na 15/6

-7-


C2

Akker

Afgegraven akker, 1 maaibeurt in september

Beweiding

C3

Akker

Afgegraven akker, 1 maaibeurt in september

Beweiding

D1

Akker

Braakliggende akker

Ingezaaid met grasmengsel en bemest, beweiding

D2

Grasland

Grasland, 1 maaibeurt in juni

D3

Grasland

D4

E1

met 3GVE/ha Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha 1/2 opp. Met stalmest Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha Runderdrijfmest Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha Runderdrijfmest

met 3GVE/ha Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha 1/2 opp. Met stalmest Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha Runderdrijfmest Beweiding van 15/5 tot 1/6 met 1GVE, vanaf 1/6 met 3GVE/ha Runderdrijfmest

Weide gescheurd, geploegd, bemest en omgezet in akkerland met zomergraan (t.b.v.akkervogel s zoals veldleeuwerik, geelgors, boompieper)

Runderdrijfmest, geploegd en ingezaaid met zomergraan

Runderdrijfmest, geploegd en ingezaaid met zomergraan

Geplagd in Uitspreiden januari, sindsdien heidemaaisel, geen beheer verwijderen opslag bramen

Geen beheer gebeurd

0-beheer

1 maaibeurt in september

Maaien in eigen beheer met afvoer van maaisel na augustus

0-beheer

Verwijderen berkenopslag+stootbegrazi ng met schapen 0-beheer

Onderste helft gescheurd na 1 juli, bemest en bekalkt, ingezaaid met grasmengsel; beweiding Beweiding

Beweiding, bekalking

Beweiding en 2/3 van oppervlakte bemest met ruwe stalmest, begin 10m vanaf loop

Beweiding, bekalking

Beweiding

Beweiding, bekalking

Beweiding, bemesting en bekalking

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Beweiding

Beweiding, bekalking

Beweiding, bemesting en bekalking

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Grasland, 1 maaibeurt in juni

Ingezaaid met grasmengsel en bemest, beweiding

Beweiding, bekalking

Beweiding, bemesting en bekalking

Dennenbo s

Dennenbos

Gekapt

Akker

Afgegraven akker, 1 maaibeurt in september

1 maaibeurt in september

1 maaibeurt in september

bemest in febr gemaaid in juli nabeweid vanaf 15/7

beweid vanaf 15/5 1/2 opp. Ruwe stalmest op nat stuk ondiepe poel gegraven beweid vanaf 15/5 bemest

beweid vanaf 15/5 bemest

beweid vanaf 15/5 bemest nabeweid met 2 GVE/ha

beweid vanaf 15/5 bemest

beweid vanaf 15/5 bemest

bemest in febr gemaaid in juni nabeweid met 2 GVE/ha 2 maaibeurten van pitrus rond het ven runderdrijfmest wintergraan+10 %overwinteren groenbemester

bemest in febr gemaaid in juni nabeweid met 2 GVE/ha 1 maaibeurt van pitrus rond het ven bemest met stalmest wintergraan

bemest in febr gemaaid in juni nabeweid met 2 GVE/ha 1 maaibeurt van pitrus rond het ven bemest met stalmest wintergraan

3xstootbegrazing ts 1/7 en 20/8

3xstootbegrazing ts 1/7 en 20/8

0-beheer

1 maaibeurt+verwi jderen wilg+stootbegraz ing

1 maaibeurt+verwi jderen wilg+stootbegraz ing

1 maaibeurt in sept

Beweid vanaf 15/5 0-bemesting

beweid vanaf 15/5 bemest+bekalkt

-8-


E2

Akker

Braakliggende akker, 1 maaibeurt in september

Ingezaaid met 1 maaibeurt (half Italiaans raaigras; juni), nadien 2 maaibeurten nabeweiding (half juni en augustus)

1 maaibeurt (half juni), nadien nabeweiding

Maaien, nabeweiding, biezen scheuren, bekalken, bemesten, inzaaien met Italiaans raaigras

E3

Naaldbos

Naaldbos

Gekapt, geplagd

Verwijderen opslag bramen

Uitspreiden heidemaaisel

Geen beheer gebeurd

E4

Grasland

Grasland

2 maaibeurten (half juni en augustus)

1 maaibeurt (half juni), nadien nabeweiding

Maaien en nabeweiding

E6 (=F 1)

Grasland

Grasland

1 maaibeurt (september)

Beweiding

1 maaibeurt (half juni), nadien nabeweiding Beweiding

Maaien en nabeweiding

geploegd en ingezaaid met Italiaans raaigras maaien+afvoer Nabeweiding 3GVE/ha vanaf 1/8 0-beheer

stalmest beweid met 2GVE vanaf 15/mei maaien+afvoer na 1/6

verschralen dmv 2x maaien+afvoer Beweiden na 1/6 met 3GVE/ha

verwijderen van berkenopslag+stootbegr azing met schapen 0-bemesting beweid met 2GVE vanaf 15/mei 0-bemesting maaien+afvoer na 1/6

in augustus 2 maaibeurten+afv oer beweiden na 1/6

in augustus 1 maaibeurt in mei nabeweiding vanaf 15/5

3xstootbegrazing ts 1/7 en 20/8

0-beheer

0-beheer

ruwe stalmest beweiden vanaf 15/5 bekalken ruwe stalmest beweiden vanaf 15/5

ruwe stalmest beweiden vanaf 15/5

ruwe stalmest beweiden vanaf 15/5

1/2 opp. poel geruimd

1 maaibeurt+afvoe r

1 maaibeurt in juli

Opmerkingen  Bekalking houdt steeds een maximum van 2 ton/ha/jaar in.  De startbemesting (bij inzaaien van grasland) is vrij (wettelijke limiet voor graslanden). De 'onderhoudsbemesting' is vastgesteld op 200 kg N/ha per jaar.  Beweiding (met runderen) vanaf 15 mei. Tussen 15 mei en 1 juni mag de graasdruk niet hoger zijn dan 1 GVE/ha, vanaf 1 juni zijn 3 GVE/ha toegelaten. Van 15 mei tot 15 juni mogen enkel runderen van meer dan 2 jaar oud ingeschaard worden. De dieren mogen niet bijgevoederd worden. Het gebruik van kunstmest of biociden is niet toegestaan

-9-


Hoofdstuk II. Vergelijking resultaten 2001 (t= -1), 2006 (t=+2), 2009 (t=+5) en 2013 (t=+9) Ecologische soortengroep

Soortnaam

Aantal territoria

totaal per groep

Totaal per groep 2006

Totaal per groep 2009

Totaal per groep 2013

12

14

13

25

20

17

35

49

123

114

96 (100)

89-95

40

32

27 (30)

38 (40)

15

9

1

9

0

8

9 (10)

11

2001 T= T= -1 2

geelgorsgroep

boomleeuwerik

0

2

0

1 (2)

boompieper geelgors heggenmus grasmus fitis kneu

7 3 2 0 9 6

8 0 4 8 2 3

7 1 5 12 9 7

11 1 11 26 10 7

roodborsttapuit patrijs

5 2

4 4

7 0

6 <1 61kievit 78 78 72 65 4 4 scholekster 8 4 (5) (5) graspieper 14 11 12 11 (1) kwartel 2 1 0 veldleeuwerik 13 10 8 8 6 wulp 6 6 (3) (7) gele kwikstaart 5 4 7 13 grutto 15 6 1 3 6 wilde eend 0 3 0 Overige broedvogels 4 blauwborst 0 4 6 (5) rietgors 0 4 5 5

Wulpgroep

Veldleeuwerikgroep

Roodborsttapuitgroep

T= T= 5 9

Gruttogroep

rietgorsgroep Zwarte roodstaartgroep 1

Slobeend-groep

zwarte roodstaart

0

1

1

5

0

1

1

5

bergeend

0

1

0

1

0

1

1

1

kokmeeuw

TOTAAL 175 120 159 185 Tabel II.1: aantal territoria per soort en per ecologische soortengroep voor de doelsoorten en overige broedvogels op t = -1 en t = +2, t= +5 en t= +9.

1

Slobeend-groep: soorten van kleinschalig, ondiep (matig) voedselrijk open water. Uit Sierdsema H. (1995).


II.1 

 

 

Bespreking per soort De oorspronkelijk aan natte heide, veengebieden en natte zeggenmoerassen gebonden grutto (zie kaart II) broedt nu hoofdzakelijk op matig tot intensief gebruikte, laaggelegen graslanden. De dramatische achteruitgang van de soort binnen het ruilverkavelingsgebied (van 15 naar 3 broedgevallen) ligt in de tendens van de 4 Noorderkempen2, maar is wel groter dan in de Noorderkempen . De achteruitgang van het grutto-bestand kan verklaard worden door de toenemende oppervlakte aan maïsakkers en de opgang van ééntonige raaigraslanden. Ook het te vroeg maaien van graslanden zorgt voor een hoog sterftecijfer bij de kuikens. Vanuit Nederland, waar onderzoek naar de achteruitgang van de gruttopopulaties reeds volop aan de gang is, komen de eerste berichten over de invloed van predatie en eierroo. Er is momenteel te weinig inzicht over de invloed van predatie in de RVK Weelde op weidevogels. Op basis van afschotgegevens bestaan er sterke vermoedens dat de populatiedichtheid van de vos in de regio zeer sterk is toegenomen. Maar soorten zoals wezel, zwarte kraai en buizerd spelen een grotere rol in predatie op weidevogels dan de vos. De achteruitgang van veldleeuwerik (zie kaart II) is een algemene trend die zich afspeelt in heel Vlaanderen en werd reeds uitvoerig besproken in tal van artikels. Voornaamste redenen zijn de algemene schaalvergroting van de moderne landbouw (met minder diversiteit aan gewassen). Daarmee gepaard gaan blijkt ook dat het gebruik van meer pesticiden, het verdwijnen van wintervoedsel (zoals graanresten), het verdwijnen van braakliggende akkers en de uitbreiding van maïsteelt ten koste van graanteelten een nefaste invloed hebben. Met 13 broedgevallen doet de gele kwikstaart het steeds beter. De laatste jaren doet de gele kwikstaart het ook steeds beter in de Noorderkempen. De wulp, een van nature typische broedvogel van grotere heidegebieden, heeft zich als gevolg van het verdwijnen van natte heide- en veengebieden aangepast en is nu voornamelijk terug te vinden in cultuurgraslanden. In het projectgebied zijn nog 6 broedparen wulpen aanwezig, maar het broedsucces ligt al jaren zeer laag. Zonder gepaste maatregelen zal de wulp misschien verdwijnen uit het gebied op lange termijn. Het aantal kievit-territoria, zo blijkt uit de monitoringgegevens, loopt achteruit, met een sterkere achteruitgang de laatste jaren. Dit is te wijten aan het feit dat kievit te weinig jongen kan grootbrengen in de monoculturen van maïs. In de Noorderkempen broedt kievit bijna uitsluitend nog op maïsland, omdat halfnatuurlijke graslanden zo goed als verdwenen zijn. Vooral het eerste legsel van maart-april krijgt zware klappen in de huidige landbouwvoering en juist de kuikens van dit legsel hebben de grootste overlevingskans. De kwartel is als broedvogel verdwenen uit het ruilverkavelingsgebied. De kwartel is sowieso iets minder talrijk aanwezig in de Noorderkempen, maar kan van jaar tot jaar sterk fluctueren. De patrijs blijft zeer wisselvallig reageren op de maatregelen en zal waarschijnlijk wel een klein aantal broedparen herbergen in de RVK. De boosdoener voor de lage aantalen is ook hier de toenemende intensifiëring van het landbouwgebied. Door de schaalvergroting en de opkomst van monoculturen is de kwaliteit van hun leefgebied sterk aangetast. Ook het toenemend gebruik van pesticiden/herbiciden hebben tot gevolg dat het aanbod van insecten voor de kuikens sterk afneemt. Daarnaast is het verdwijnen van kleinere lijnvormige landschapselementen en bijgevolg nestplaatsen een bijkomende oorzaak waarom deze soorten het slecht doen. De in het begin van de 20ste eeuw enkel aan de kust voorkomende scholekster, heeft zich sinds 1960 landinwaarts verplaatst waar hij tot broeden kwam op akker- en

2

Dit in tegenstelling tot de tendens in Vlaanderen, waar er, mede dankzij een sterke toename in broedparen in de Kust- en Scheldepolders, een positieve evolutie aan de gang is.

- 11 -


graslanden. De toename in aantallen en verschuiving landinwaarts wordt toegeschreven aan de toenemende vermesting en het daarbij stijgende aanbod aan regenwormen en emelten. In de ruilverkaveling Weelde werden zowel in het broedseizoen 2009 als 2013 slechts 4 nesten gevonden, wat een halvering zou zijn ten opzichte van voor de RVK. In het vorige rapport was nog geopperd dat de achteruitgang van tijdelijke aard zou zijn, maar blijkbaar zijn de omstandigheden toch zodanig negatief geworden voor de soort dat niet meer koppels tot broeden kunnen komen. de grasmus-populatie (zie kaart III), lijkt het, zoals in de rest van de ons omringende landen, goed te doen. Na een spectaculaire daling in de jaren ’60 ten gevolge van slechte weersomstandigheden in hun overwinteringgebied, zien we een trage maar zekere toename van de aantallen in het landbouwgebied. Ondanks dat zij een voorkeur vertonen voor kleinschaligere landschappen, kunnen zij goed gedijen in open landschappen met kleine ruigere hoekjes en hier en daar een houtkant. De aanwezigheid van een aantal ruigere percelen (bvb boscompensatie Flaasheide) heeft hier zeker bijgedragen aan het voorkomen van de grasmus. Nu dat de aanplantingen ifv landschap ouder beginnen te worden, is er ook meer broedgelegenheid voor grasmus en dat vertaald zich in de hoge aantallen in 2013. Het fitis-bestand heeft zich ten opzichte van 2006 opnieuw hersteld (zie kaart III). Of de aanwezige territoria werden vorige inventarisatieronde niet waargenomen of, en dat is meer waarschijnlijk, zo blijkt uit de literatuur dat, net als in andere Europese landen, de fitispopulaties zeer sterke schommelingen kennen. De reden hiervoor, en of dit negatieve repercusies naar de toekomst toe is niet duidelijk. Hetzelfde geldt echter ook voor de roodborsttapuit, waar we, na een terugval naar slechts 4 territoria, opnieuw 6 broedgevallen waarnemen. Net als de grasmus profiteren de roodborsttapuitten ook hier van de verruiging op een aantal percelen. Net als de grasmus en de fitis, doet de kneupopulatie het (opnieuw) uitstekend. Dit in tegenstelling tot de algemene tendenzen in Noordwest-Europa waar men ziet dat de populaties kelderen (in Groot-Brittannië zelfs tot 50%). De voornaamste oorzaak is, net als bij de geelgors, de toenemende intensifiëring van de landbouw (monoculturen, herbiciden,…) waardoor de voedselbeschikbaarheid in de winter daalt. Het gevolg is dan ook dat de vogels de wintermaanden niet overleven en/of in slechte conditie aan het broedseizoen beginnen. Door de aanwezigheid van de vele overhoekjes, verruigde randen en struwelen blijven ze het hier echter beter doen. Bij de rietgorsgroep is een duidelijke positieve trend binnen het ruilverkavelingsgebied te zien. De rietgors (zie kaart IV) kwam voor 2001 niet tot broeden binnen het ruilverkavelingsgebied. Door het graven van ondiepe plassen, het aanleggen van natuurtechnische oevers en het lokaal afgraven van de toplaag werd een moeraszone/natte graslanden aangevuld met open waterpartijen met opgaande oeverbegroeiing. Naast de rietgors (welke zich vnl. richt op de ruigere riet,- pitrus,- en biezenvegetaties kon ook de blauwborst (zie kaart IV) profiteren van deze nieuwe situatie. Ten zuiden van Flaasheide vindt men een zandige rug terug die in het verleden werd opgeplant met grove den. In het ruilverkavelingsplan werden maatregelen voorzien om deze monotone aanplant om te vormen naar een droge heidevegetatie, met overgang naar het bestaande dennenbos. Circa 4 ha werd gekapt en de kapvlakte werd nadien afgeplagd (enkel verwijderen van de strooisellaag). Deze nieuwe situatie werd snel gekoloniseerd door de boomleeuwerik, daar zijn voorkeur uitgaat naar dergelijke biotopen (zandige, open vlakten met opgaande dennen). Het is daarnaast een trend die zich ook buiten het ruilverkavelingssgebied voortzet. Sinds medio de jaren ’90 is deze soort aan een opmars bezig. Men vermoed dat er verschillende factoren zijn die bijdragen aan het behoud van de populaties, als daar zijn het omvormingsbeheer van productiebossen naar meer inheemse bossen (met (tijdelijk) zandige plekken tot gevolg), de zachtere winters (daar boomleeuweriken soms erg te lijden hebben tijdens strenge winters) en de toename in

- 12 -


heideherstelprojecten. Door de sterke verbossing in het gebied van Flaasheide sinds 2006 was de soort terug verdwenen. In 2013 broedde de soort terug in de RVK , maar nu iets noorderlijker langs een onverharde weg.  Ondanks de negatieve trend in Vlaanderen blijft de boompieper het goed doen binnen het ruilverkavelinggebied met 11 aangetroffen broedparen. De reden hiervoor is waarschijnlijk de blijvende aanwezigheid van houtkanten, bomenrijen en de aanwezigheid van Flaasheide-Schriekheide, waar na de ontbossing van de zandige rug opnieuw een sterke verbossing aan het optreden is.  Alhoewel de meeste soorten van de Geelgors-groep (zie kaart V) een positieve evolutie hebben ten opzicht van 2001, blijkt dat de geelgors niet meer voorkomt binnen het projectgebied. De achteruitgang van 3 territoria naar 1 heeft waarschijnlijk oa te maken met het verdwijnen van de kleine landschapselementen door de autonome evolutie in het gebied. Ook het verhoogd gebruik van pesticiden blijkt een nefaste invloed te hebben op de geelgors-populaties. Tijdens de opmaak van het ruilverkavelingsplan werd er veel aandacht besteed aan de aanplanting van brede houtkanten, bomenrijen en ruigere bermen. Door dergelijke maatregelen te treffen kan de achteruitgang van de soort tegengegaan worden, zoals blijkt uit enkele initiatieven in Limburg en Vlaams-Brabant. Desondanks blijft de geelgors sterk achteruit te gaan in heel de Kempen en zal het niet evident zijn om deze soort terug te krijgen als broedvogel. De soort kan in de toekomst wel meeliften van de sterke populatie stijging in het Merkske (waar Eindegoor de oostgrens van vormt). Daar worden een aantal jaren veel graanakkers aangelegd waardoor de vogels heel het jaar rond voedsel kunnen vinden en dit heeft al geleid tot sterke stijging van het aantal broedparen in het Merkske.  Binnen de geelgors-groep doet de heggenmus het heel goed. Ten opzichte van de vorige inventarisatieronde in 2006 is de populatie zelfs nog verdubbeld. Deze soort doet het , net als in de rest van Vlaanderen behoorlijk goed.  Graspiepers zijn typische soorten van het open landschap. Ze verkiezen de iets nattere graslanden met een hogere vegetatie en slootranden om in te broeden, in afwisseling met kortere vegetaties om te foerageren (naar slakjes, insecten en larven). Buiten het broedseizoen worden ze ook sporadisch waargenomen op akkerland. De soort blijkt redelijk stand te houden in het gemonitorde gebied. Dit ondanks dat ook deze soort zwaar te lijden heeft onder de toenemende schaalvergroting van de landbouw. Door het permanent opstuwen van de in 2004 uitgegraven slenk ter hoogte van Vlasroot heeft er zich een permanente waterpartij gevormd. Hier heeft zich reeds een geruime tijd een Kokmeeuwenkolonie gevestigd met naar schatting zo’n 300 koppels. Door het zeer koude voorjaar in 2013 is de pitrusbegroeiing waar de kokmeeuwen in broeden laat beginnen groeien. Hierdoor waren er zeer weinig kokmeeuwparen aanwezig in 2013. II.2 Bespreking per ecologische soortengroep In het monitoringsprogramma werd de nadruk gelegd op 2 doelgemeenschappen, waaraan telkens een aantal ecologische soortengroepen werden gekoppeld nl.  Weidevogels en aandachtssoorten van het open gebied en half open gebied - Veldleeuwerik-groep - Wulp-groep - Grutto-groep - Roodborsttapuit-groep  Aandachtssoorten van open bos, bosranden en boomgroepen met kale en zandige bodem - Geelgorsgroep

- 13 -


II.2.1

Weidevogels en aandachtssoorten van het open gebied en half open gebied

Het succes van de tussen 2002-2004 genomen maatregelen om deze doelsoortengroep te beschermen bleven tot hier toe beperkt. Van de 4 ecologische doelgroepen van dit type gaan er 3 vooruit, alleen de veldleeuwerikgroep blijft het slecht doen. De aanbevelingen in beheer die in vorig rapport zijn weergegeven zijn door de beheerder (ANB) ter harte genomen en een aantal aanpassingen zijn doorgevoerd. Hiervan heeft vooral de grutto geprofiteerd met nu terug 3 koppels in het gebied. De ecologische soortengroep rond de roodborsttapuit blijft er, sterk op vooruitgaan, vooral de grasmus profiteert van het ouder worden van de houtkanten en overhoekjes (van 12 naar 24 territoria). De zone voor maatregelen aan de Litse heide beginnen nu eindelijk ook hun vruchten af te werpen en dit 12 jaar na de uitvoering van de RVK. Dit jaar is voor het eerst een gruttopaar aanwezig in de maatregelen en ook graspieper deed het niet slecht. Het gebied Vlasroot blijft uitblinken in de totale afwezigheid van de soorten als grutto, veldleeuwerik, graspieper en wulp. De heideontwikkeling en bosaanplant in het gebied en naastliggende Flaasheide vullen hun verwachtingen niet in voor de soorten waarvoor het is ingericht. Boomleeuwerik en geelgors broeden langs een onverharde weg iets ten noorden van dit gebied, maar zijn niet zingend waargenomen in Flaasheide of het graanakkertje op Vlasroot. Hier hebben in de winter wel verschillende geelgorzen gezeten. II.2.2

Aandachtssoorten van open bos, bosranden en boomgroepen met kale en zandige bodem

Deze doelgemeenschap blijft het, als enigste soortengroep, goed doen binnen de ruilverkaveling. De geelgors blijft het na 5 jaar nog steeds slecht doen, net zoals overal in Vlaanderen. Misschien dat geelgors kan profiteren van de maatregelen voor wintervoedsel die genomen zijn in het Merkske (zie soortbespreking). Andere soorten van bosranden en kleine opgaande begroeiingen blijven het goed doen binnen het projectgebied.

- 14 -


SAMENVATTING EN AANBEVELINGEN NAAR BEHEER Veel soorten deden het de eerste jaren na de rvk bijzonder slecht en sommige leken zelfs te verdwijnen, maar de laatste jaren doen de meeste soorten het goed of houden stand. De maatregelen die genomen zijn voor natuur leken eerst niet het gewenste effect te halen. Zowel botanisch als naar avifauna waren de resultaten vrij pover bij het monitoringsverslag van 2009. Vooral de nieuw ingerichte percelen van de Litse Heide hebben er 12 jaar over gedaan om interessant te zijn voor weidevogels. Ook botanisch zien deze percelen ondertussen zeer mooi uit. De aanpassing van het beheer vanaf 2010 zal ook wel een rol gespeeld hebben. Op de percelen van Eindegoor komt de beheeraanpassing het best tot uiting. Grutto was zo goed als verdwenen in dat gebied en met aangepast beheer (minder begrazing en terug maaien van pitrus) is deze soort teruggekomen in 2013. Soorten die meer afhankelijk zijn van pitrus als rietgors en blauwborst blijven in dezelfde aantallen aanwezig en gele kwikstaart kent een uitbreiding. Waarschijnlijk is de variatie in beheer (maaien, begrazen, hoekjes met riet en wilgen en bramen) noodzakelijk voor veel soorten. We stellen dan ook voor om dit beheer verder te zetten in de toekomst in Eindegoor. Algemeen kan gesteld worden dat soorten die afhangen van ruigere overhoekjes en houtkanten het goed tot heel goed doen. Maar soorten die afhangen van nat tot vochtig grasland en open ruimte blijven het moeilijk hebben. Vooral het voortplantingssucces van deze soorten (vooral wulp en grutto) ligt aan de lage kant. Daarom dient er in de eerste plaats aandacht uit te gaan naar bescherming en het goede beheer van deze biotopen. Daarnaast kan het nodig zijn om per soort (of indien mogelijk ecologische soortengroep) een soortbeschermingsplan op te stellen waarin alle knelpunten worden vermeld en een hieraan gekoppeld voorstel tot herstelmaatregelen. Vanuit de Vlaamse Broedvogelatlas werd al gepleit om een doorgedreven monitoring op te starten omdat de vrees bestond dat, wanneer populaties onder een bepaald niveau zakken en niet meer zelfonderhoudend zijn, het veel moeilijker is om tot een herstel te komen. Door een continue opvolging kan men echter op tijd aan de alarmbel trekken en gebieds- en/of soortgerichte maatregelen nemen. Sinds 2007 is in het INBO (ism Natuurpunt) dan ook een nieuw, grootschalig vogelmonitoringproject gestart met als doel om bepaalde trends van algemene broedvogels in kaart te brengen (Algemene Broedvogelmonitoring Vlaanderen, (ABV)), en indien noodzakelijk, hierop vanuit het beleid in te spelen om de neerwaartse trend om te buigen. Men dient resolute keuzes te maken in het open gebied over de te realiseren natuurdoelen. De invulling van de instandhoudingsdoelstellingen (s-IHD’s) voor het Vogelrichtlijngebied ‘Gebieden te Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout’ zullen hierin bepalend zijn. Voor dit SBZ moet 200 ha nat grasland bijkomen voor soorten als regenwulp, bosruiter, kemphaan, grote zilverreiger, … . Grutto, wulp en andere weidevogelsoorten kunnen heel makkelijk meeliften met deze maatregelen. Het verdere IHD overleg zal uitmaken of binnen RVK Weelde nog inspanningen zullen gedaan worden voor weidevogels. Gebruik zomergraan, welke in de lente wordt gezaaid en in najaar opnieuw wordt geoogst. Nog beter is dat het graan heel de winter blijft staan zodat de gorzen heel de winter voldoende voedsel kunnen vinden. Soorten als grasmussen hebben dan weer baat bij ruigere percelen (bvb bij natuurontwikkeling op landbouwgronden). Wanneer de plantengroei opnieuw te hoog en te dens wordt, gaan ze op zoek naar andere ruigtepercelen. Patrijzen en kwartels hebben baat bij een zeer gevarieerd landschap. Ze broeden bij voorkeur in ruigere plekken, waarbij er voldoende variatie bestaat in vegetatiesuccessie, gaande van kale zandige bodem (stofbaden tegen parasieten, over korte graslandvegetaties (met voldoende insecten voor de jonge kuikens) tot graanakkers met voldoende zaden om de winter door te komen.

- 15 -


Eventueel kunnen beheerovereenkomsten helpen voor soorten als veldleeuwerik en graspieper. Beide soorten doen het in Vlaanderen bijzonder slecht en ook veldleeuwerik doet het in Weelde niet goed. Het pakket vluchtstroken weidevogels zou voor deze soorten een impuls kunnen geven. Veel zal afhangen van de bereidheid van landbouwers om dit pakket af te sluiten. Verdere opvolging is nodig om te kijken hoe kievit evolueert. De laatste jaren doet de soort het slecht in de regio. Waarschijnlijk zullen nieuw te ontwikkelen beheerovereenkomsten, zoals braakstroken en uitstel bewerking op maïspercelen) nodig zijn om deze soort te helpen. Tenslotte is predatie een steeds groter probleem aan het worden in de regio. Het aantal predatoren is de laatste 30 jaar steeds groter geworden en veel kuikens worden gepredeerd door zwarte kraai en buizerd en misschien ook nog enkele nacht actieve predatoren. De beste oplossing om predatie onder controle te houden is om voldoende open ruimte te creëren rond grote concentraties weidevogels. Minimum 300 meter en optimaal 450 meter².

- 16 -


III. Referenties ●

Dijksterhuis, K. en Hut, H. (2009). Uitgeverij, 2009. Zutphen.

Akkervogels.

Een uitgave van Roodbont

●

Leestmans, S. en Smets, M. (2014). Weidevogels in de Noorderkempen. In voorbereiding. Sierdsema H. (1995). Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SBB-rapport 1995-1, SOVONonderzoeksrappport 1995/04. SBB/SOVON, Driebergen/Beek-Ubbergen. pp. 88

●

Vermeersch G., Anselin A., Devos K., Herremans M., Stevens J., Gabriëls J. & Van Der Krieken B. (2004). Atlas van de Vlaamse Broedvogels 20002002.Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 23, Brussel.

●

Vlaamse Landmaatschappij (2001): Monitoringprogramma Weelde. Vlaamse Landmaatschappij, Provinciale Afdeling Antwerpen. Herentals

●

Vlaamse Landmaatschappij (2003): Ruilverkavelingsproject Weelde. Uitvoering monitoringsprogramma Avifauna, jaar -1 (2001). Vlaamse Landmaatschappij, Provinciale Afdeling Antwerpen. Herentals

●

Website http://www.iucnredlist.org (2009)

- 17 -


IV Kaartmateriaal Overzicht beheerblokken Territoria per ecologische soortengroep: Wulp-, Grutto- en Veldleeuwerikgroep (excl kievit) Territoria per ecologische soortengroep: Roodborsttapuit-groep Territoria per ecologische soortengroep: Geelgors-groep

V Leeswijzer De bijgevoegde Cdrom bevat de volgende digitale bestanden: Rapport -

Het eindrapport ‘Ruilverkaveling Weelde : Uitvoering Monitoringprogramma Module Avifauna, jaar ‘+9’ (2013) (.pdf en .doc)

-

Kaart I t/m V (.pdf)

GIS - Algemene shape-files, ruwe data, territoria per soort,…. - Leeswijzer GIS

- 18 -


Ruilverkaveling Weelde

Monitoring AVIFAUNA 2013 Geelgorsgroep Legende territoria

boomleeuwerik boompieper geelgors heggemus blokgrens rvk Weelde

0

Bron: Digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, 1991-2007 (AGIV).

250

500

1.000 m

¸


Ruilverkaveling Weelde

Monitoring AVIFAUNA 2013 Overzicht beheerblokken

blokgrens rvk Weelde

E-4 C-1

C-3

D-1

D-2

D-4

D-3

E-2

E-3

E-1

C-2

B-5

B-6

B-4

B-1 A-5 A-4 A-3 A-1

B-3 B-2

A-2

0

Bron: Digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, 1991-2007 (AGIV).

250

500

1.000 m

¸


Ruilverkaveling Weelde

Monitoring AVIFAUNA 2013 Roodborsttapuitgroep Legende territoria

fitis grasmus kneu roodborsttapuit blokgrens rvk Weelde

0

Bron: Digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, 1991-2007 (AGIV).

250

500

1.000 m

¸


Ruilverkaveling Weelde

Monitoring AVIFAUNA 2013 Wulp, Grutto en veldleeuwerikgroep Legende territoria

Wulp gele kwikstaart graspieper grutto scholekster veldleeuwerik wilde eend blokgrens rvk Weelde

0

Bron: Digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, 1991-2007 (AGIV).

250

500

1.000 m

¸


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook