Issuu on Google+

Workbook

Stepping

Up

English for Primary Schools


1

About me and my family

Voor de docent: lees ter introductie eerst het gedichtje en ‘the joke’ uit het tekstboek. Begrijpen alle leerlingen het grapje direct of moet je eerst een paar woorden vertalen?

A

Listening

Let’s introduce myself Voor de docent: bespreek eerst het eerste gedeelte van woordenlijst A, achter het hoofdstuk in het tekstboek, laat dan de tekst horen en laat daarna de vragen beantwoorden. Laat na het invullen de tekst nog een keer horen om de antwoorden te controleren.

Opdracht 1 Luister naar ‘Let’s introduce myself’ en beantwoord daarna de vragen

1. Hoe oud is Liz?

2. Hoeveel broers en zussen heeft ze?

3. Wie wonen er ook in het huis?

4. Wat voor dier heeft Liz?

5. Wat gebeurde er op een dag toen ze met hem aan het wandelen waren?

2


Opdracht 2 Luister naar de ‘alphabet song’ en oefen daarna met het Engelse alfabet: A

H

O

V

B

I

P

W

C

J

Q

X

D

K

R

Y

E

L

S

Z

F

M

T

G

N

U

Grammar 1 Uitleg grammatica 1 achteraan hoofdstuk 1 in het tekstboek. Maak opdracht 3 en 4

Opdracht 3 Streep de foute persoonlijke voornaamwoorden door 1. Hello, I / You am your new teacher. 2. I have a wife and three children. She / They are here in this picture. 3. I have two sons and one daughter. He / You can see them in this picture. 4. My daughter is a very sweet girl. You / She always helps me. 5. I have also got a cat. She /It is a brown. 6. We have a very big car for the whole family. He / It is in the garage. 7. My friend and I say: “They / We will work very hard this year”.

Opdracht 4 Vertaal het Nederlandse persoonlijke voornaamwoord Kies uit: I – you – he – she – it – we – you - they

1. (Ik) ................ have a baby brother. His name is Levi and I’m fond of him. 2. (Jij) ................ are my best friend. 3. The teachers say that (zij) ................ have a nice hobby. 4. Have you seen my school bag? (Het) ................ was on the table a minute ago. 5. (Wij) ................ have an English lesson today. 6. My sister is at home. (Ze) ................ doesn’t go to school. 7. (Jullie) ................ are good pupils!

3


1

About me and my family

STEP 1 Opdracht 5 Luister naar STEP 1 in je tekstboek, oefen de uitspraak en maak daarna opdracht 5, 6 en 7 (je mag de STEP erbij houden) Schrijf op wat je in het Engels zegt: 1. Hoe oud ben je?

2. Ik ben elf jaar.

3. Ik ben dol op mijn zusje.

4. Mijn vader is dominee.

5. Ik heb een hekel aan computers.

6. Ik ben dol op lezen.

7. Ik woon in een groot huis.

4


Opdracht 6 Schrijf op wat je in het Engels zegt: 1. Ik ben dol op computers. 2. Ik vind voetballen leuk. 3. Ik hou van mijn zusje. 4. Ik vind lezen leuk. 5. Ik heb een hekel aan een groot huis.

Opdracht 7 Maak zelf een complete Engelse zin: 1. Schrijf eens iets op waaraan jij een hekel hebt.

2. Schrijf eens iets op waar jij dol op bent.

3. Schrijf eens op wat je leuk vindt.

5


1

About me and my family

Voor de docent: bespreek het laatste gedeelte van woordenlijst A en laat dat eerst leren voordat je de tekst laat horen en laat daarna de vragen beantwoorden. Laat na het invullen, de tekst nog een keer horen om de antwoorden te controleren.

Opdracht 8 Luister naar de tekst ‘A funny telephone call for my aunt Mrs Jones’ Zijn de zinnen waar of niet waar? Er zijn pauzes. Maak de juiste rondjes zwart. 1. Tim is een baby en Jimmy is vijf

O waar

O niet waar

2. Moeder neemt Tim mee naar de winkel

O waar

O niet waar

3. De man vraagt of moeder thuis is?

O waar

O niet waar

4. Tim vraagt aan de man hoe hij een ‘B’ moet maken

O waar

O niet waar

5. De man vraagt of Tim broers of zussen heeft

O waar

O niet waar

6. De man wil echt met Jimmy praten

O waar

O niet waar

Grammar 2

Uitleg grammatica 2 achteraan hoofdstuk 1 in het tekstboek. Maak opdracht 9, 10 en 11

Opdracht 9 Trek lijnen tussen de personen of dingen en de juiste werkwoordsvormen 1. She 2. We 3. Tom 4. They

ARE

5. You AM 6. Father and mother 7. Patty 8. I 9. The dog 10. My books 11. He

6

IS


Opdracht 10 Gebruik de juiste vorm van het hulpwerkwoord ‘to be’ 1. ................ you Peter Green? 2. How ................ Helen? 3. She ................ very well, thank you. 4. How ................ you, Lizzy? 5. I ................ fine, thank you. 6. We ................ all very well. 7. How ................ your father and mother? 8. They ................ also very well, thank you.

Opdracht 11 Gebruik de juiste vorm van de hulpwerkwoorden ‘to have’ en ‘to do’ 1. He (to have) ................ nice friends. 2. She (to do) ................ her homework. 3. I (to have) ................ a friendly teacher. 4. You (to do) ................ her work. 5. They (to have) ................ a new computer. 6. She (to have) ................ got a black dog.

Opdracht 12 Maak van de volgende letters een Engels woord: 1. mpra

=

2. yufnn

=

3. soph

=

4. ylon

=

5. hcurhc

=

7


1

About me and my family

Opdracht 13 Weet je de betekenis van de volgende Engelse woorden uit woordenlijst A? 1. dominee

=

2. houden van

=

3. soms

=

4. voorstellen

=

5. schrijven

=

6. verhaal

=

7. aankleden

=

8. terug

=

B

Reading

Voor de docent: laat na het luisteren naar de tekst ‘My teacher’s hobby’, de leerlingen zelf de tekst hardop lezen voor de uitspraak en laat daarna de volgende opdracht maken:

Opdracht 14 Maak de juiste rondjes zwart

8

1. De meester schrijft over de kinderen

O waar

O niet waar

2. De kinderen vinden dat erg leuk

O waar

O niet waar

3. De meester schrijft alleen de leuke dingen op

O waar

O niet waar

4. De ouders weten hoe de kinderen zich op school gedragen

O waar

O niet waar


Step 2 Opdracht 15 Luister naar STEP 2 in je tekstboek en oefen de uitspraak en maak daarna opdracht 15 en 16 (je mag de STEP erbij houden) Schrijf op wat je in het Engels zegt: 1. Jullie hebben een hekel aan computers. 2. Jullie hebben een hekel aan lezen. 3. Ze vindt computers leuk. 4. Hij houdt van schrijven. 5. Ze zijn dol op mijn kleine broertje.

Opdracht 16 Maak van de volgende woorden een goede zin. De eerste letter staat er al. 1. likes – Peter – football – playing P 2. computers – like – they T 3. fond – are – we – of – reading W 4. he – writing – hates H 5. is – fond – sister - she – of – her - little S

9


1

About me and my family

Opdracht 17 Laat na het luisteren naar de tekst ‘The days of the week’, de leerlingen zelf de tekst hardop lezen voor de uitspraak en laat daarna de volgende vragen in het Engels beantwoorden: 1. Today is Monday. What day is it tomorrow? Tomorrow is 2. Today is Wednesday. What day is it tomorrow? Tomorrow is 3. Today is Friday. What day is it tomorrow? Tomorrow is 4. Today is Saturday. What day is it tomorrow? Tomorrow is 5. Today is Sunday. What day was it yesterday? Yesterday was 6. Today is Tuesday. What day was it yesterday? Yesterday was 7. Today is Thursday. What say was it yesterday? Yesterday was 8. Today is Saturday. What day was it yesterday? Yesterday was

10


Grammar 3

Uitleg grammatica 3 aan het eind van hoofdstuk 1 in je tekstboek. Maak opdracht 18 en 19

Opdracht 18 Onderstreep daarna in het tekstje hieronder alle werkwoorden die in de 3e persoon enkelvoud een ‘s’ krijgen met het onderwerp dat erbij hoort. De eerste is voorgedaan. A good teacher Jeff sits down. He is in class with his friends. They are at school and they have an English lesson. They like the English lesson. Jeff likes his teacher. His teacher is friendly. His teacher helps all the students. His teacher answers all the questions. Jeff asks a new question every day. Today he asks his teacher a spelling question. He asks his teacher how to spell “question.” His teacher tells him how to spell it. Jeff thanks his teacher. His teacher says, “You’re welcome. Ask me lots of questions. That’s what I’m here for, to help you.”

Opdracht 19 Streep de foute vorm van het werkwoord door 1. I like / likes playing football. 2. Tim give / gives the telephone to the baby. 3. We love / loves dogs. 4. The telephone ring / rings. 5. Teachers like / likes to write stories. 6. We write / writes about the teacher. 7. You eat / eats sweets at school. 8. They like / likes reading. 9. The dog jump / jumps out of the pram. 10. John know / knows the days of the week.

Opdracht 20 Vertaal de volgende zinnen in het Engels 1. Hij eet

=

2. Jij eet

=

3. Jullie eten

=

4. Het eet

=

5. Wij schrijven

=

6. Ik schrijf

=

7. Zij schrijft

=

8. Zij schrijven

=

11


1

About me and my family

Step 3 Opdracht 21 Luister naar STEP 3 in je tekstboek en oefen de uitspraak en maak daarna opdracht 21 en 22 (je mag de STEP erbij houden) Schrijf op wat je in het Engels zegt: 1. Ze leren Engels. 2. Op zondag gaan we naar de kerk. 3. Ze bedankt de leraar. 4. Hij beantwoordt alle vragen. 5. Jullie kennen de dagen van de week.

Opdracht 22 Maak dezelfde zin met een nieuwe onderwerp . Bij voorbeeld: I learn English = She learns English 1. We visit grandma on Saturday. She 2. I know the days of the week. He 3. We like a dog. She

12


4. I thank the teacher. He 5. They learn English She

Opdracht 23 Weet je de betekenis van de volgende Engelse woorden uit woordenlijst B? 1. snoepjes

=

2. op een dag

=

3. ouders

=

4. ondeugend

=

5. omdat

=

C

Spreken

Opdracht 24 Spreekoefening We gaan Engels praten met elkaar en we werken in groepjes van twee. Je vertelt aan je buurman / buurvrouw in het Engels de volgende dingen. 1. Hoe je heet. 2. Hoe oud je bent. 3. Hoeveel zusjes en broertjes je hebt. 4. Dat je in een groot huis woont. 5. Waar je dol op bent. 6. Waar je een hekel aan hebt. 7. Dat je de meester/ juf leuk vindt. 8. Welke dag het vandaag is. Nu gaan we de rollen omdraaien en je buurman/ buurvrouw vertelt al deze dingen aan jou!

13


1

About me and my family

D

Schrijven

Opdracht 25 Schrijfoefening Schrijf op een blaadje in het Engels iets over jezelf (ongeveer10 regels). Probeer de zinnen uit de Steps te gebruiken, maar je mag ze er niet bij houden.

14


E

Verdiepingstekst - Little Girl

Opdracht 26 Wat is de Nederlands vertaling van de Engelse woorden? Trek lijnen.

1. also

a. weer

2. office

b. bang

3. bag

c. schommel

4. swing

d. tas

5. naughty

e. ook

6. afraid

f. ondeugend

7. again

g. kantoor

Opdracht 27 Beantwoord de vragen in het Nederlands: 1. Why is Emily’s mother making a red skirt for her? 2. What does daddy buy for her? 3. What is the colour of Emily’s clothes she is wearing when she goes to school? 4. Is Emily’s teacher a man or a woman? 5. What has mother told Emily?

6. Where does Grandma live?

15


1

About me and my family

7. How does mother know where Emily is?

8. What does Emily tell her mother?

Test yourself – Grammar Opdracht 28 Grammatica 1 – persoonlijke voornaamwoorden Welke persoonlijke voornaamwoorden kun je allemaal op de stippellijn invullen 1. (ik) ......................... write about my teacher. 2. (wij) ......................... have got a new house. 3. (hij) ......................... reads a book. 4. (zij) ......................... are in hospital. 5. (jij) ......................... eat a lot of sweets. 6. (jullie) ......................... visit your grandfather. 7. (ik) ......................... like playing football. 8. (zij) ......................... is at home. 9. (jullie) ......................... know the days of the week. 10. (wij) ......................... know the alphabet song.

Opdracht 29 Grammatica 2 – to be, to do, to have Geef de juiste vorm van het hulpwerkwoord tussen haakjes 1. You ......................... (be) my friend. 2. Tim and Tom ......................... (do) the work. 3. We ......................... (have) got a poodle. 4. My dog ......................... (be) outside. 5. He ......................... (do) his homework.

16


6. Her sister ......................... (have) got a laptop. 7. They ......................... (be) fond of swimming. 8. The teacher ......................... (have) got a new English book. 9. It ......................... (be) a sweet dog. 10. My father and mother ......................... (have) a nice hobby. 11. I ......................... (be) eleven years old. 12. He ......................... (have) pudding on Sunday.

Opdracht 30 Grammatica 3 – zelfstandige werkwoorden Geef de juiste vorm van het hulpwerkwoord tussen haakjes 1. He ......................... (introduce) himself to her. 2. My brother and sister ......................... (jump) down the chair. 3. She ......................... (like) singing. 4. The cat ......................... (eat). 5. I ......................... (love) my little sister. 6. Tim ......................... (write) about his mother. 7. You ......................... (read) lots of books. 8. It ......................... (listen) to my brother. 9. We ......................... (live) in a big house. 10. The pupils ......................... (walk) home.

17


Stepping-Up