Emeritaatslezing door
Prof. dr. Geert W. Lorein

![]()
Emeritaatslezing door
Prof. dr. Geert W. Lorein

© 2026 Geert Lorein, ETF Leuven
Alle rechten voorbehouden.
De verhouding tussen Kerk en Staat van het Oude Testament tot morgen
Evangelische Theologische Faculteit, Leuven
Sint-Jansbergsesteenweg 97
3001 Leuven, Belgium
Design
Left Lane
Foto omslag
Geert Lorein
Foto Geert Lorein
ETF Leuven
ISBN 9789463961240 www.etf.edu
Geert Lorein rede uitgesproken (weliswaar in verkorte vorm) ter gelegenheid van het emeritaat als hoogleraar Oude Testament aan de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven, 19 VI 2026

Geert W. Lorein (Wilrijk, 12 X 1959) studeerde klassieke en Bijbelse filologie aan de Katholieke Universiteit te Leuven en theologie aan het Bijbelinstituut-België te Heverlee en aan de Faculté Libre de Théologie Évangélique te Vaux-sur-Seine. Sinds 1996 is hij verbonden aan het departement Oude Testament van de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven. Hij behaalde zijn doctoraat aan de Rijksuniversiteit te Groningen (o.l.v. de professoren A.S. van der Woude en A. Schoors) in 1997. Hierop volgde nog een deelname aan het Targumproject van de Theologische Universiteit te Kampen (Oudestraat). In 2012 werd hij bevorderd tot hoogleraar. Daarnaast was hij verbonden aan het Koninklijk Atheneum D’Hek te Landen als leraar Latijn. Van 2012 tot 2022 vertegenwoordigde hij de protestants-evangelische eredienst bij de Belgische overheden en erkende levensbeschouwingen. Hij heeft vooral gepubliceerd over de jongste gedeelten van het Oude Testament en vroege Joodse teksten (Perzische, hellenistische en Romeinse periode). Vanuit zijn onderzoek en zijn kerkelijke en maatschappelijke betrokkenheid groeide ook aandacht voor grondrechten en de verhouding tussen Kerk en Staat. Hij is gehuwd, vader, schoonvader en grootvader.
Deze lezing markeert het bereiken van het emeritaat en geeft een brede blik op de verhouding tussen Kerk en Staat. Het begint met een Bijbels-theologisch en historisch overzicht (Oude Testament, intertestamentaire periode, Nieuwe Testament, Vroege Kerk). Heel kort (als stapstenen) worden een paar punten uit de periode tussen Constantijn en Jozef II aangeraakt. Dan gaat het verder met de geschiedenis van het protestantisme in België (vanaf de Oostenrijkse periode) en het eindigt met enige theoretische overwegingen en een kritische beschrijving van de huidige situatie in België, uitmondend in een voorstel om uit de huidige impasse te komen.
Inhoudsopgave
Inleiding 04
Oude Testament 08
Intertestamentaire periode 17
Nieuwe Testament 29
Vroege Kerk 34
Corpus Christianum 40
Geschiedenis van het Belgisch protestantisme 45
Huidige situatie 62
Ten slotte 81
aanleiding
Naar aanleiding van het bereiken van het emeritaat wordt mij de gelegenheid geboden een lezing te houden voor een wat groter publiek. Ik werd al een tijd geleden getroffen door een uitspraak van Rav Josef ben Chijja van Pumbeditha, begin vierde eeuw na Chr. 1: ‘Hieruit volgt voor een Thorageleerde die zijn kennis is kwijtgeraakt buiten zijn wil om, dat hij niet geringschattend mag worden benaderd.’ Dus: eenmaal professor, altijd professor, maar nu emeritus, ‘die het wel verdiend heeft’. Toegepast op mijn geval: er hoeft niets meer, er mag nog wel wat, en er kán gelukkig ook nog wat.
Had ik bij mijn inaugurele rede als hoogleraar Oude Testament in 2012 niet hetzelfde onderwerp behandeld? Nee, want die ging over de omgang van de gelovige met de maatschappij en was beperkt tot de periode tussen Oude en Nieuwe Testament 2. Vanmiddag wil ik het hebben over de verhouding tussen Kerk en Staat; tussen gelovigen, ook in institutioneel verband, en de overheid. Een onderwerp waarmee ik altijd bezig ben geweest: vanuit beleidsmatige hoek bij de overheidserkenning van het Evangelisch JeugdVerbond, van de Evangelische Theologische Faculteit en van de Evangelische Kerk Leuven; door mijn exegese van het Oude Testament, en opnieuw beleidsmatig in mijn periode als covoorzitter van de Administratieve Raad van de ProtestantsEvangelische Eredienst. Daarnaast zal in deze oratie de blijvende invloed blijken van mijn vorming tot en carrière als leraar Latijn in het secundair onderwijs.
1 Stemberger, Einleitung (1992), p. 99; Menachot 99a.
Of in een vertaling met veel uitleg (cursief): “One should learn from here that with regard to a Torah scholar who has forgotten his Torah knowledge due to circumstances beyond his control, e.g., illness, one may not behave toward him in a degrading manner. Although the first tablets were broken it is prohibited to treat them with disrespect, due to their sanctity. A Torah scholar who forgot the Torah knowledge he once possessed is likened to these broken tablets.”
(https://www.sefaria.org/Menachot.99a.12?lang=bi; laatst geraadpleegd 10 IV 2026).
2 Lorein, Relationship of Believers to Society (2021).
Nu weet ik wel dat als je in de Oudheid aan iemand zou vragen – zelfs als je het in het Aramees of het Grieks zou doen – wat hij dacht over de verhouding tussen Kerk en Staat, dat hij het dan in Keulen zou horen donderen – bij wijze van spreken. Toch vallen hier en daar wel wat elementen op te merken, die nuttig kunnen zijn voor verdere reflectie.
V.w.b. het onderwerp: staat en maatschappij vallen nooit samen, of het nu om een niet-democratisch bestel gaat of om een naar democratische principes ingerichte samenleving. En wat is de verhouding tussen ‘Kerk’ en ‘gelovige’? Misschien is het woord ‘Kerk’ voor de eerste eeuwen van onze jaartelling niet de gelukkigste term, omdat het toen nog niet om het instituut ging, maar veeleer om individuele gelovigen die hun verantwoordelijkheid namen in het politieke leven. De twee begrippen van ‘Kerk’ en ‘gelovigen’ overlappen elkaar op zich wel. In theologische zin heeft de Kerk altijd3 bestaan (ook in de tijd van het Oude Testament!), maar niet als sociologisch gegeven. Later wordt de erkenning van de Kerk als instituut belangrijk om de collectieve godsdienstvrijheid 4 te waarborgen 5 .
En de Staat, heeft die altijd bestaan? De eerste hoofdstukken van Genesis geven niet die indruk 6. Wel de Wereld, ὁ κόσμος . De nieuwtestamentische term
3 Moet het woord ‘altijd’ hier worden beperkt tot ná de Zondeval? Niet zo volgens Kuyper, Locus de Ecclesia, p. 21, met verwijzing naar Ef. 1:4. De Kerk lijkt niet te mogen worden beschouwd als een ontologisch gegeven. Het is veeleer een nominale idee dan een reële idee. ericKSon, Christian Theology (1983-1985), pp. 10301034, besteedt veel aandacht aan de vraag naar het concept, maar beperkt de Kerk blijkbaar tot de periode na Pinksteren (p. 1039; niet genoodzaakt door zijn definitie op p. 1034!). Zo ook Van genderen – VeLema, Gereformeerde dogmatiek (1992), pp. 630-640. Als we vaststellen welke beelden worden gebruikt voor de Kerk, wordt duidelijk dat de Kerk geen ontologische grootheid is.
4 Deze tekst is geschreven vanuit een protestants-evangelisch en Belgisch perspectief. Voor de huidige situatie (dus niet noodzakelijk van toepassing in het verleden) vinden we goede omschrijvingen van het begrip ‘godsdienstvrijheid’ in art. 9 EVRM, art. 18 BuPo, art. 10 Handvest EU. Het gaat hierin ook om een niet-theïstische levensbeschouwing. Zie verder bij n. 330.
5 merKS, Kerk en Staat (1987), p. 64. Hij wijst daarbij op het belang van representatieve organen en bevoegde vertegenwoordigers.
6 Cf. Kuyper, De Magistratu, p. 65 (de Staat is alleen een verband voor een gebroken been), 212-213. Anderzijds wijst ouweneeL, Het Koninkrijk Gods en de staat (1995), p. 64, erop dat al vóór de zondeval heerschappij moest worden uitgeoefend (Gen. 1:28).
κόσμος heeft verschillende aspecten, maar valt als één concept te omschrijven: geschapen door God, in zonde gevallen, nog steeds geliefd door Hem7. Of bestaat de Staat als overheid toch als zelfstandige grootheid8, los van concrete machthebbers? Rom. 13 ( ἐξουσία ) lijkt hierop te wijzen, maar mag niet worden overvraagd 9 .
Het Koninkrijk Gods bestaat, al wordt dat Koninkrijk niet vermeld in de Belgische Grondwet. Het Koninkrijk Gods is evenmin een ontologische zelfstandigheid: het gaat om Gods heerschappij op verschillende terreinen, ook daar waar het niet duidelijk om godsdienst of kerk gaat 10
Voor wat betreft de verschillende termen rond ‘maatschappij’ verwijs ik naar wat ik eerder heb geschreven.
De Staat is het structurerende gezag, dat de taak heeft veiligheid, (infra) structuur en ontwikkeling te garanderen voor de maatschappij.
De maatschappij is het geheel van de verbanden van mensen die samen in een welbepaalde gebiedsomschrijving leven (Vlaanderen, België, ‘Europa’). Het begrip ‘samenleving’ duidt weliswaar dezelfde groep aan, maar eerder intermenselijk. Een ‘gemeenschap’ duidt meestal een onderdeel hiervan aan (‘de Roemeense gemeenschap in Brussel’, ‘de Duitstalige Gemeenschap van het Koninkrijk België’). De Staat behoort ervoor te zorgen dat de maatschappij goed draait, zodat de samenleving zich happy voelt en alle gemeenschappen zich goed kunnen ontwikkelen. 11
7 Geschapen: Ef. 1:4; in zonde gevallen: Rom. 12:2; Jac. 1:27; 4:4; I Joh. 2:15; door God liefgehad: Joh. 3:16-17; 6:51; 12:47; II Cor. 5:19; I Joh. 2:2; 4:9, 14. ericKSon, Christian Theology (1983-1985), pp. 643-648, is hier eenzijdig negatief. Zo komen we natuurlijk tot de vraag of het kwade een eigenstandige grootheid is (uiteraard zonder in een zuiver dualisme te vervallen).
8 Van bruggen, Romeinen (2006), p. 195, beantwoordt de vraag negatief: het gaat steeds om concrete mensen. Bestaan mensen dan wel individueel? Jawel, zeker vanuit creatianistisch (i.t.t. het traducianisme) standpunt, m.i. toe te passen in een dichotomie van enerzijds ‘lichaam’ en ‘ziel’ en anderzijds ‘geest’.
9 Zie voor een overzicht bénétreau, Romains II (1997), pp. 167-180, die (p. 171 n. 2) nog verwijst naar τὸ κατέχον in II Thess. 2:6. Voor Vandrunen, Natural Law (2014), pp. 75-76, is Rom. 13:1-7 gebaseerd op Gen. 9:6 (de zwaardmacht is aan mensen gegeven).
10 Lorein, אתוכלמ (2005), p. 42.
11 Lorein, Lang leve het schoolpact! (2023), p. 483 n. 21.
Ik doe in deze rede een poging om aan te tonen dat mijn onderzoek nogal uitgewaaierd is, maar dat er toch wel een lijn in te ontwaren valt 12
12 Dat is de reden waarom ik zo vaak naar eigen werk verwijs; de lezer beschouwe het als Spielerei passend bij een emeritaatslezing, niet als pretentie. Tegelijk valt op dat een belangrijk deel van mijn onderzoek in deze lezing nauwelijks aan bod komt, namelijk de vroegste interpretatie van het Oude Testament en de theologische ontwikkelingen in de apocriefe geschriften, de geschriften van Qumran en de Targum. Ik hoop nog de gelegenheid te hebben hierover wat ruimer te schrijven.
exegese
Alhoewel mijn blikveld een stuk ruimer uitgewaaierd is, blijf ik als hoogleraar
Oude Testament overtuigd van het belang van het Oude Testament als basis. Daarbij is dus een correcte exegese nodig, met aandacht voor alle ingrediënten.
a Om te beginnen het taalkundige aspect, de sensus philologicus zoals prof. Lettinga placht te zeggen, elke generatie opnieuw 13 .
b Verder besteden we aandacht aan de inpassing in ruimte en tijd 14
c Ten derde de aandacht voor stijlkenmerken en structuur – die was vrij nieuw in het begin van mijn carrière 15. Stijl staat dicht bij inhoud, aangezien stijlkenmerken de tekst markeren 16 .
d Daarna komt de aandacht voor de inhoud van het gedeelte. Vanuit tekst en situatie puren we principes om die te transponeren naar vandaag 17 .
13 Er is – ik zou haast zeggen: vreemd genoeg – nog wel iets nieuws te beleven. Wat mij het meest is opgevallen: de imperatief in verschillende ‘hardheidsgraden’ (al naar gelang de beslissing aan de geadresseerde wordt overgelaten, of waar een zekere weerstand moet worden overwonnen (Lorein, Fidus Interpres (2021), p. 17), en als indirecte volitief (Lorein, o.c., pp. 17-18)). Er is ook verder onderzoek mogelijk naar de situaties waarin wij een voltooid verleden tijd zouden gebruiken (Lorein, Ineinander (2023), p. 60 n. 19). En als laatste voorbeeld het gebruik van de nota accusativi zonder dat het syntactisch bekeken om een lijdend voorwerp gaat (Kroeze, So-Called Nominative Uses of תא (2008)).
14 “God worked his salvation in real time and space” (Van dam, Interpreting Historical Narrative (2014), p. 99). Dat hadden de Makkabeeën al door (Lorein, Maccabees’ Motives (2025), pp. 104-106. Zie vóór hen al Ezra: Lorein, Ezra and Nehemiah (2024), pp. 216-222, 230-231). Contra Barth; cf. berKouwer, Barth (1937), p. 94: “bij Barth is geheel de positieve, gegeven openbaring ontworteld en worden we prijsgegeven aan de actualistische, onbenaderbare Werkelijkheid Gods”. Van soevereiniteit naar willekeur: het komt bij Barth haast islamitisch over. Natuurlijk is God soeverein, maar Hij heeft ervoor gekozen Zich te openbaren, immanentie.
15 Zie Lorein, Ineinander (2023), pp. 61-62.
16 Lorein, Fidus Interpres (2021), p. 22; het overzicht van de stijlkenmerken is verder uitgewerkt door Van StaaLduine-SuLman, Stilistik (2023).
17 Lorein, Verhouding tussen aannemer en bewoners (2008), pp. 148-149; Id., Ineinander (2023), p. 64: we dienen na te gaan hoe God werkt met mensen in een bepaalde situatie; dat principe is blijvend. (Cf. greidanuS, The Modern Preacher and the Ancient Text (1988), pp. 114-118: van antropo- naar theocentrisme). De
e Het is goed om eerst met eigen vragen naar de tekst toe te gaan en ons niet volledig te laten bepalen door wat anderen eerder over een tekst hebben gezegd. Uiteraard luisteren we wél in een tweede fase naar anderen, inclusief andersdenkenden: dat kan interessante ideeën aanbrengen en houdt ons scherp.
Tot zover de theorie. Dan nu de praktijk, die behoorlijke beperkingen met zich meebrengt. Ten eerste hebben we niet de ruimte om die exegese volledig uit te voeren; ten tweede zijn er geen Oudtestamentische passages die zomaar kunnen worden voorzien van de titel ‘Kerk en Staat’, nog afgezien van de zojuist gemaakte opmerkingen over terminologie. Toch meen ik dat we uit een aantal teksten die een situatie beschrijven waar spanning op zit en waar sprake is van ‘profeet en koning’, ‘gelovigen en staat’ etc., gevolgen kunnen trekken voor de houding die de Kerk behoort te hebben t.o.v. de Staat, en – minder prominent aanwezig in het Oude Testament – de Staat t.o.v. de Kerk.
Een relatief vroege tekst waarbij ook ‘externen’ zijn betrokken, vinden we bij de profeet Amos (te situeren in 750 v.Chr. 18).
Voor ons onderwerp is het meest interessant wat de profeet in Amos 1:3–2:3 zegt tegen de koningen van buurvolkeren, dus tot een overheid die niet binnen het stelsel van de Joodse godsdienst valt19. Het komt erop neer 20 dat zij zich moeten houden aan de volgende algemene principes: - waardigheid van de mens geschapen naar Gods beeld; - waarheid en betrouwbaarheid in relaties; - een rechtvaardige economische groei; - respect voor tegenstanders.
18 LaLLeman, Amos (2023), p. 873.
19 Zelfs als de profeet hiermee begint om de aandacht te trekken (zo Van Leeuwen, Amos (1985), p. 50).
20 Gebaseerd op de hand-out van prof. Berthoud tijdens de FEET-conferentie (14 VIII 2004); beperkte weergave in p. berthoud, Covenant (2005), pp. 104-107.
Daarop volgt de boodschap van de profeet ten opzichte van de koningen van Juda en Israël in Amos 2:4-16. We kunnen dat zien als een soort oppositie, als geweten van de natie 21. We kunnen hieruit concluderen dat een profetisch optreden tegenover de Staat nog steeds te overwegen is.
Jeremia begon op te treden als profeet in het jaar 627 22. We beginnen met de duidelijke oproep tot koning Zedekia in Jer. 27:12 uit het jaar 594: ‘Breng uw nekken onder het juk van de koning van Babel, dien hem en zijn volk, en u zult leven’. Dat zegt iets over de verhouding tussen Kerk en Staat, al moeten we rekening houden met de specifieke context. Een algemener reikwijdte, te vergelijken met onze eigen situatie 23, heeft de brief van Jer. 29, geschreven kort na 597 24, dus zelfs iets eerder dan Jer. 27. We citeren vers 7: ‘Zoek de vrede voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb gevoerd. Bid ervoor tot de Here, want in haar vrede zult u vrede hebben’. Oosterhoffs opmerking bij dit eerste aspect (“De voorbeden bedoelen een vreedzaam samenleven, geen opheffing van tegenstellingen, zeker niet van religieuze.” 25), is misschien niet echt gebaseerd op exegetische arbeid, maar het is wel een correcte opmerking. Een dubbele loyaliteit dus. Niet de opstand tegen Nebukadnessar organiseren, niet eens een comité oprichten voor de onmiddellijke terugkeer naar het beloofde land, maar een langdurig engagement – het werkwoord ‘zoeken’ kan worden vertaald met ‘ergens naar streven, zich inzetten voor’26 –: vruchtbomen krijg je niet voor elkaar binnen de drie jaar. Concreet gaat het dan om een zorgen voor, liefhebben, hulp verlenen 27. Die loyaliteit houdt niet in dat we worden opgeslokt door onze omgeving of dat de kritische houding volledig moet verdwijnen.
21 LaLLeman-de winKeL, Old Testament Contribution (2005), pp. 92, 94.
22 LaLLeman, Jeremia (2023), p. 772. Jeremia is dan nog zeer jong: ik situeer zijn geboorte in 640 (harriSon, Jeremiah (1973), p. 34; Van SeLmS, Jeremia (1980), pp. 22-23). De eindredactie vindt plaats enige tijd na de val van Jeruzalem (LaLLeman, o.c., pp. 781-782).
23 LaLLeman-de winKeL, Jeremia (2004), p. 191.
24 Lorein, The Land in a Time of Exile (2018), p. 254.
25 ooSterhoff, Jeremia (1994), p. 392.
26 Lorein, Historisch overzicht (1994), p. 21 n. 47 (p. 26).
27 CD vi 20-21.
Ook in eigen land probeert Jeremia zich gewoon aan de regels te houden, al weet hij dat het weinig zin zal hebben, zo vlak voor de inname van Jeruzalem (Jer. 32:6-15 28) 29 .
Jeremia staat daarbij wel degelijk open voor nieuwe ontwikkelingen: zie in Jer. 35 het verhaal van de Rechabieten. Zij blijven trouw aan de hun opgelegde regels voor zover dat kan; waar de veiligheidsomstandigheden zijn gewijzigd (en dus wellicht binnenkort helemaal geen regels meer zouden kunnen worden gevolgd), passen ze de regels wel aan. Hun handelwijze wordt geprezen 30 .
Verder roept Jeremia de koning van Juda op om rechtvaardig te heersen en te zorgen voor bijstand aan armen, en veiligheid (Jer. 22:15-16 – met de opmerking dat dit de koning zelf deugd zal doen – 31; 23:4-6 32; 33:15-16 33) 34 . Maar geeft dat rechtstreeks richtlijnen over de verhouding tussen Kerk en Staat? Verdere reflectie zal noodzakelijk zijn.
Daniël
Als veertienjarige werd Daniël in 604 in ballingschap gevoerd 35, waar hij na een opleiding in de assyriologie een carrière uitbouwde als adviseur en leidinggevend ambtenaar, zowel in het Babylonische als in het Perzische Rijk 36. Daniël zet zich zeer in voor de overheid van die dagen, maar toch stopt het voor hem ergens. Dat blijkt al in het eerste hoofdstuk. Hij zet zich in voor zijn studie, maar geeft daarbij ergens een grens aan, al is het niet
28 In het jaar 588: LaLLeman-de winKeL, Jeremia (2004), p. 207.
29 whybray, Good Life (2002), p. 234.
30 Zie maarSingh, Maatschappijcritiek, pp. 18-19 (p. 19: “De profeten … houden in volle ernst rekening met verandering in de samenleving en ze doen critisch mee. Tegelijkertijd grijpen ze terug op datgene wat vroegere geslachten deden, dachten, geloofden. beleden en betuigden. Ze passen het oude geloof toe op de nieuwe omstandigheden.”).
31 Te situeren in 609-597 (LaLLeman-de winKeL, Jeremia (2004), p. 156).
32 Te situeren in 597-586 (harriSon, Jeremiah (1973), p. 119).
33 Te situeren in 588-587 (LaLLeman-de winKeL, Jeremia (2004), pp. 207, 212).
34 whybray, Good Life (2002), pp. 230-231.
35 mercer, Daniel 1:1 (1989), p. 186. Ik situeer de redactie rond 532 (Lorein, Daniel (2010), p. 22; archer, Daniel (1985), p. 51; cf. neLiS, Daniël (1954), p. 7)).
36 Lorein, Daniël (2010), pp. 21-22. Zie voor de overgang van het Neobabylonische naar het Perzische rijk Waters, Far Side (2021); meinhoLd, Serubbabel (2001), p. 195: “Im Großen und Ganzen setzte die persische Verwaltung die entsprechenden assyrisch-neubabylonischen Strukturen fort.” Cf. wiSeman, Babylonia (1992), pp. 250-251.
helemaal duidelijk waarom hij dat juist dáár doet. Een naamsverandering is geen probleem 37, niet helemaal de kasjroet volgen is niet erg. Het lijkt erom te gaan dat hij niet helemaal afhankelijk wil worden van het Babylonische hof 38. Hij schuift zelf een alternatief naar voren, beleefd en zonder ophef te maken (Dan. 1:12-13); hij vraagt niet dat de hele keuken zou veranderen 39; ‘tien dagen’ is lang genoeg om het effect te zien en niet zo lang dat Daniëls voorstel provocerend zou overkomen 40. Hier blijkt hoe Daniël zich opstelt, zonder zijn geloof te verloochenen of ermee te koop te lopen41. Hij kiest ook niet voor het martelaarschap of het kloosterleven 42. Gelovigen zouden, als minderheid, geneigd kunnen zijn uit de maatschappij te vluchten en de band tussen het geestelijke en het historische door te knippen 43, maar in het boek Daniël blijkt het belang van de aardse geschiedenis, en blijkt dat gelovigen op een positieve wijze kunnen functioneren binnen de maatschappij 44, ook in een openbare functie, al zullen er steeds probleempunten opduiken. Juist als minderheid zal men verplicht zijn om, als men z’n identiteit wenst te bewaren, op een creatieve wijze een visie te ontwikkelen die kritisch blijft staan ten opzichte van de overheid 45 .
We vinden hetzelfde principe van solidariteit t.o.v. de gemeenschap in Dan. 2. In vers 24 vinden we zijn pleidooi voor zijn collega’s (toegegeven: ook voor zichzelf): ‘Breng de wijzen van Babel niet om.’ en in vers 37 de erkenning van
37 Daniëls Akkadische naam bevat geen theofoor element: Beltesjassar (רַצאֵ�שְֶׁטְלְ�בִּ) is afkomstig van balāṭ-šar(ri)-uṣur ‘bescherm het leven van de koning (Lipiński, Lacocque (1978), p. 234; prof. A.R. Millard, mondeling, Cambridge, 10 VII 2008).
38 Cf. stelling VIII van de ‘groupe de Pomeyrol’ in 1942 (over de verhouding van Kerk en Staat en de individuele vrijheden): “Tout en acceptant les conséquences matérielles de la défaite, l’Église considère comme une nécessité spirituelle la résistance à toute influence totalitaire et idolâtre.” (boLLe, Protestants français (1979), p. 292).
39 ViSScher, Rechter Vergunst (2021).
40 LucaS, Daniel (2002), p. 55.
41 miLLard, Daniel (1979), p. 901: “His faith was neither ostentatious nor secret, but steadfast, ready to give account when asked, …”
42 Longman, Daniel (2002), p. 66; zie verder Lorein, Daniël (2010), p. 33.
43 bLough, Apocalypse (2004), p. 126.
44 Smith-chriStopher, Prayers and Dreams (2001), pp. 271-272. Steinmann, Daniel (2008), p. 40, wijst nog op Fil. 4:22.
45 Smith-chriStopher, o.c., pp. 266-269.
de rol van de overheid: ‘U, o koning, koning der koningen 46 heeft de God der hemelen koningschap 47, kracht en heerlijkheid 48 gegeven’.
Het algemene beeld van het Daniëlboek is dat er perioden zijn dat de gelovigen zonder al te grote problemen maatschappelijk bezig kunnen zijn (zonder dat er ooit volledige identificatie komt tussen kerk en maatschappij), maar dat ze voorbereid moeten zijn op situaties waarin de loyaliteit ten opzichte van God participatie in de maatschappij zeer zal bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken. Dat leek werkelijkheid te worden in Dan. 3 met de drie vrienden van Daniël.
Esther
Het Estherboek kan het best worden begrepen als beschrijving van gebeurtenissen in de jaren 483 tot 474 v.Chr. 49
Esther is coöperatief, bijvoorbeeld t.o.v. Hegai 50 (dat is nog iets anders dan dat ze collaborerend zou zijn). Net als Daniël blijft zij zich inzetten voor de omgeving waarin zij is geplaatst, tot er een punt komt waarbij zij tot het inzicht komt dat haar Joodse geloof zó belangrijk is, dat hieraan ook gevolgen moeten worden verbonden 51. Esther rebelleert niet, maar er is bij haar evenmin blinde gehoorzaamheid of passiviteit 52 .
46 Calque van het Akkadisch šar šarrāni: S.m. pauL, Mesopotamian Background (2001), p. 64, ‘koning par excellence’. Cf. Tidiman, Ézéchiel II (1987), p. 41 (over Ez. 26:7).
47 Lorein, אֵתוֹכַלְמִ (2005), p. 42.
48 Bemerk de overeenkomst met Matt. 6:13b (��).
Dan. 2:37 (Lxx ο’):
Mt. 6:13b ( ��):
Zie verder
I Esdras 4:40:
I Kron. 29:11 (Lxx):
49 Lorein, Esther (2023), pp. 1161, 1165. Voor enige opmerkingen omtrent de redactie zie o.c., pp. 1168-1169.
50 arnoLd, Ester (2022), p. 123 (en passim).
51 Lorein, Esther (2023), p. 1168.
52 arnoLd, Ester (2022), p. 143
De carrière van Mordechai geeft aan dat het mogelijk is om een hoog ambt in den vreemde te bekleden 53
Het moet ons toch opvallen hoe diep ze zich engageren in de Perzische maatschappij. Bij dit engagement behouden Esther en Mordechai duidelijk hun identiteit: op een gegeven ogenblik weet iedereen dat zij Joden zijn (8:1b b) . Esther en Mordechai waren dus bereid bínnen het – zeg maar ‘wereldse’ –systeem te werken (zelfs als ze waarschijnlijk bepaalde elementen ervan verwierpen), om te werken aan het goede (sjalom) voor mensen.
Het gaat om een kritisch engagement . Als we deze afstand niet houden, lopen we het risico te worden opgeslokt, onze identiteit te verliezen, helemaal op te gaan in de wereld. Als we daarentegen volledig afstand houden, lopen we geen risico om zelf onrechtvaardig te worden, maar werken we ook niet aan sjalom , heelheid en welzijn54. Wat is dan ons nut, onze dienstbaarheid? Op het einde van de rit is de Perzische koning wel beter gediend door Esther en Mordechai dan door Haman 55 .
Ezra-Nehemia
We beëindigen het overzicht van de meest relevante teksten van het Oude Testament met Ezra-Nehemia 56. Dit Bijbelboek omspant een vrij lange periode 57, maar we zullen het alleen hebben over de tijd van het optreden van de personages naar wie het boek is genoemd, en dan gaat het om de periode van 458 tot 457 (optreden van Ezra als Perzisch ambtenaar) en van 446 tot 425 (optreden van Nehemia als Perzisch gevolmachtigd gouverneur en van Ezra als priester) 58
In het geheel van het Bijbelboek werken de Joden samen met de overheid, aanvaarden ze haar ondersteuning en beseffen ze tegelijk dat een eigen
53 whybray, Good Life (2002), p. 131. Men zou kunnen opmerken dat dit daarmee nog niet Bijbels verantwoord is, maar het wordt nergens afgewezen.
54 Lorein, Esther (2008), p. 199. firth, Book of Esther (1997).
55 Van heuSden, “If it Pleases the King” (2024), pp. 134-135.
56 Het gaat hier om één boek: zie Lorein, Ezra and Nehemiah (2024), pp. 29-33.
57 Grafisch weergegeven in bänziger, Esra-Nehemia (2023), p. 1179.
58 Lorein, Ezra and Nehemiah (2024), p. 10. De redactie kan worden gesitueerd rond 390, bijv. door Nehemia (o.c., pp. 29, 239).
inbreng noodzakelijk blijft 59. Zich terugtrekken uit de wereld naar de holen van de woestijn van Juda is duidelijk niet een optie die hier wordt gepromoot. Boeiend in dit Bijbelboek is de omgang met ‘andersgelovigen’.
Net als bij de omgang met de maatschappij in haar geheel wordt er hier een evenwichtsoefening uitgevoerd: zich niet volledig afsluiten, maar wel de eigen identiteit behouden. Alleen op deze manier vermijden we dat het wel lijkt alsof het origineel behouden is, maar we eigenlijk verworden tot een ersatzproduct (het lijkt erop, maar het ís iets anders) of tot een fossiel (met alleen nog de vorm, maar zonder leven) 60 .
Het blijkt dat Ezra iemand is die verstarring vermijdt en juist vernieuwing aanbrengt in nieuwe situaties. Daarbij is het principe: gecontroleerde openheid 61, vernieuwing in continuïteit 62. Zo moeten we altijd nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen tegemoet gaan en zoeken naar hoe hiermee om te gaan, waarbij wat ons geopenbaard is, richtinggevend moet blijven; dat is dus iets anders dan achter de maatschappelijke ontwikkelingen aan te hobbelen.
We moeten de concepten ‘Kerk’, ‘Staat’ en ‘samenleving’ niet verwarren, maar het is mooi om te zien dat voor Nehemia als gelovige en gouverneur het hele leven één is: gebed én actie gaan samen rond Tempel én stad 63 . Priester is Nehemia echter niet 64: dat laat hij over aan Ezra (en uiteraard andere priesters) 65 .
59 Zie Ezra 1:4; 7:16.
60 Lorein, Ezra and Nehemiah (2024), p. 54.
61 De door Nehemia gebouwde muur had poorten: zie Lorein, Nehemia 3 (2021), p. 82.
62 Lorein, Ezra and Nehemiah (2024), pp. 53-54.
63 Lorein, Dealing with Scripture and Circumstances (2011), p. 76.
64 Dat blijkt uit Neh. 6:10-11: zie Lorein, Ezra and Nehemiah (2024), p. 194.
65 Bemerk dat hij wel een soort ἐπίσκοπος τῶν εκτός is in Neh. 13:7-14, 28-31. Het zou zo kunnen zijn dat het de Hasmoneeën wel goed uitkwam dat Nehemia in zijn functioneren een soort koning was, zonder priester of Davidide te zijn, merkt fitzpatricKmcKinLey, Models of Local Political Leadership (2016), p. 194, op (cf. duguid, Nehemiah (2012), pp. 261-271.
conclusie
We vinden in de behandelde Bijbelboeken dat het dienen van God wel degelijk mogelijk is in de Babylonische en Perzische maatschappij (vergelijkbaar met onze maatschappij) zonder dat er opstand of totale afzondering wordt gepredikt, of – in de andere richting – een verlaten van de eigen godsdienst en cultuur 66. We behoren ons dus in te zetten voor de maatschappij waarin we ons bevinden. Dat kan ver gaan, maar telkens moeten we alert blijven en ons afvragen of er geen grens wordt overschreden. Daarvoor is een kritische afstand nodig ten opzichte van de overheid, die ons wel laat functioneren of zelfs steunt, maar evengoed weer van mening kan veranderen 67
66 Zie voor dit laatste Lemaire, Levantine Epigraphy (2015), pp. 42+45.
67 Lorein, Algemene inleiding (2008), p. 18. whybray, Good Life (2002), p. 131, spreekt over “the whim of the emperor”; deze toelichting is in onze dagen overbodig.
intertestamentaire literatuur en geschiedenis
Als protestanten beperken we ons tot de ‘protocanonieke’ boeken en dan kunnen we de afronding van het Oude Testament situeren rond 390 v.Chr., wellicht door toedoen van Nehemia68. Vanaf dat ogenblik kunnen we dus spreken van een intertestamentaire periode en van intertestamentaire literatuur 69. Een einddatum ligt wat moeilijker. Nemen we Pinksteren, in het jaar 33 van de christelijke jaartelling 70, als einddatum, omdat er toen duidelijk een nieuwe periode aanbrak waarin iedere gelovige met de wedergeboorte de Heilige Geest ontving 71? Of eindigen we de intertestamentaire periode met de redactie van de eerste geschriften van het Nieuwe Testament, zo rond 5072, om zeker te zijn dat er geen verwarring kan zijn met christelijke invloed? Vanuit de intertestamentaire literatuur zélf gerekend, al zou dat een cirkelredenering kunnen inhouden, ligt het jaar 100 na Chr. voor de hand, omdat voor de periode tot aan die datum in de praktijk een eenheid kan worden waargenomen, en er dan nog geen reacties op christelijke stellingnames aanwezig is 73. De einddatum van 100 na Chr. biedt het voordeel dat we alle geschriften van Qumran en – weliswaar in een genereuze bui – de klassieke Targums kunnen meenemen 74, al is er natuurlijk het nadeel dat tegen die tijd ook het Nieuwe
68 Zie II Makk. 2:13. Lorein, Ezra and Nehemiah (2024), pp. 47-48. Jesaja en Henoch, Paulus en de Didache zijn dus niet gelijkwaardig, i.t.t. wat werd gesuggereerd tijdens het Enoch Seminar (25 IX 2024); cf. Lorein, Knowing God (2022), p. 28.
69 Als men de deuterocanonieke boeken meetelt, is deze term onbruikbaar (cf. puech, Dieu le Père (2001), pp. 287-288).
70 Voortbouwend op de gegevens van Mahieu, Between Rome and Jerusalem (2012), pp. 474-479, kan hier de datum van 24 V 33 worden genoemd.
71 Cf. Lorein, Holy Spirit, p. 395.
72 J. thieSSen, Einleitung (2024), p. 175 (Gal.); Van bruggen, Paulus (2011), p. 265 (I Thess.).
73 Sacchi, Qumran (2006), p. 379 n. 6.
74 - Targum Onqelos en Jonathan: mcnamara, Some Targum Themes (2001), p. 306; Lipiński, Semitic Linguistics (2014), p. 138; KugeL, Beginnings (2012), p. 13 (althans de roots).
- Bovendien voor Targum Jonathan: gLeSSmer, Die ‘vier Reiche’ (2001), pp. 475, 477.
- Targum Neofiti: LeVine, Aramaic Version (1988), pp. 88-91 (voor 79 AD).
- Psalmentargum: Lorein, David’s Strengths and Weaknesses (2018), p. 84.
In de praktijk zal dit geen verschil maken, aangezien de Targums zich niet uitlaten over ons onderwerp.
Testament zijn voltooiing heeft bereikt 75 .
Deze periode, met de literatuur die toen is ontstaan, is bij uitstek mijn studieterrein geweest. Ze biedt ons de vroegste interpretaties van het Oude Testament en zodoende een belangrijke achtergrond voor het Nieuwe Testament, zowel theologisch als historisch: om het Nieuwe Testament te begrijpen, moeten we weten van welke ervaringen en opvattingen de mensen van die tijd vertrokken, en dan gaat het niet zomaar om die van het Oude Testament. Professor Blocher spreekt hierbij van praeparatio evangelica en dus van Heilsgeschichte . Daarmee zijn de intertestamentaire geschriften niet geïnspireerd, maar vallen ze wel onder de Voorzienigheid. Zoals Jezus Christus in het vlees is gekomen, zo is het Nieuwe Testament in een context terechtgekomen, waardoor de boodschap van het Nieuwe Testament helderder uitkomt 76
We geven een historisch overzicht van de intertestamentaire periode in het territorium van het Joodse volk – we laten Egypte dus buiten beschouwing. Er waren in de hellenistische periode veel oorlogen, gevoerd omwille van de inkomsten en het prestige van de koning. Men vond zichzelf al een goed heerser als er voldoende voedsel was – prijs en kwaliteit waren blijkbaar latere bekommernissen 77. Judea was daarbij niet in het bijzonder betrokken, kon zelfs van tolerantie blijven genieten 78 .
75 J. thieSSen, Einleitung, p. 354 (en bij de afzonderlijke geschriften).
76 bLocher, Utiles ou nocifs?, p. 269.
77 Van der SpeK The Hellenistic Near East (2007), pp. 409, 433; reiterer, Risks and Opportunities (2010), pp. 72-73· ViVenza, Roman Thought (1997), p. 307. Ptolemeüs III (246-221), die terecht Εὐεργέτης (‘weldoener’) werd genoemd, is een uitzondering die de regel bevestigt (OGIS I 56 rr. 18-19, 238 v.Chr.: ἀθάνατον εὐεργεσίαν καὶ
αὐτῶν ἀρετῆς | μέγιστον ὑπόμνημα, ‘een onsterfelijke weldaad en een zeer grote herinnering aan hun [koning Ptolemeüs III en koningin Berenike II] deugd’).
Dit wijkt af van het beeld van de koning in het Oude Nabije Oosten, bijv. “Sanherib, grote koning, machtige koning, koning van het al, koning van Assjur, koning van de vier hoeken [= delen van de wereld], de wijze herder, gunsteling van de grote goden, bewaarder van het recht, die houdt van rechtvaardigheid, die hulp biedt en bondgenoot wordt van de behoeftige, …” (Annalen 1-5; Akkadisch Sînaḫêriba, šarru rabû, šarru dannu, šar kiššati, šar Aššur, šar kibrat erbettim, riéum itpešu, migir ilâni rabuti, nasir kitti, ra’im mišari, epiš úsati alik tappût aki, …).
78 deSiLVa, Introducing the Apocrypha (2018), p. 37. Zie Flavius Josephus, Antiquitates XII 138-144. De Joden mogen zelfs πολιτεύεσθαι (‘hun burgerschap beleven’: baSLez, ‘Vivre en citoyen’ (2014), pp. 85-90), zodat het alweer minder lijkt op ‘(joodse) Kerk’ en ‘(hellenistische) Staat’: er wordt een ongeveer volledige zelfstandigheid als vazalstaat toegestaan.
Perzische periode
Voor de Perzen was een afgeslankte staat het ideaal; een goed functionerende i nfrastructuur, onderwijs en gezondheidszorg voor de onderdanen behoorden niet tot de doelstellingen van de Staat, het ging veeleer om de ophoping van goud en zilver in de Achemenidische paleizen79. En dus moesten er belastingen worden geïnd. Anderzijds weten we dat aan de vooravond van de intertestamentaire periode Nehemia had gezorgd voor een zeer grote vrijheid t.o.v. het centrale Perzische gezag.
Ptolemeïsche periode
Het Perzische Rijk komt ten einde als Alexander de Grote op 1 X 331 bij Gaugamela, tegenwoordig Noord-Irak, de laatste Perzische koning, Darius III, definitief verslaat. Alexander de Grote verovert een zeer groot gebied, geeft een ruime plaats aan de overwonnen gemeenschappen 80 en introduceert de Griekse taal en cultuur in het Oosten. Denk eraan dat hij is opgeleid door Aristoteles, die is opgeleid door Plato, die is opgeleid door Socrates. Alexander de Grote sterft jong, op 11 VI 32381. Er is geen duidelijke opvolger en het rijk wordt verdeeld onder zijn generaals, de diadochen (‘overnemers’).
Dit is een periode van voortdurende oorlogen82. Vanaf 301 hoort Judea bij de Ptolemeeën (Egypte). Het Ptolemeïsche rijk was veel kleiner dan het Seleucidische rijk, maar (dus) veel strakker georganiseerd. Het belang van het Grieks wordt groter 83. Dit komt dus door een politieke ontwikkeling, maar zal inhoudelijk erg belangrijk blijken: alle Griekstalige invloeden kunnen nu gemakkelijk worden opgepikt 84 .
79 Smith-chriStopher, Prayers and Dreams (2001), pp. 278-279.
80 Plutarchus, Moralia 329b-c.
81 depuydt, Time of Death (1997).
Voor het probleem van de Juliaanse datering van feiten die plaatsvonden voor de invoering van de (correcte) Juliaanse kalender, zie Lorein, Ezra and Nehemiah (2024), pp. 5-6.
82 Van der SpeK, ‘Silverization’ (2011), p. 406.
83 athaS, Bridging the Testaments (2023), pp. 215-219.
84 Een overzicht bij deSiLVa, Introducing the Apocrypha (2018), pp. 38-39.
De
Na een reeks ‘Syrische Oorlogen’ gaat het Land weer over naar de Seleuciden onder Antiochus III Megas (de beslissende slag vindt plaats in 20085).
Tot aan Antiochus IV (215-175-164) ging alles relatief goed86. De vervolging op het einde van zijn regeerperiode is zwaar – en emblematisch – geweest, met veel sporen in de ontwikkeling van het denken en in de literatuur 87. Het begint allemaal met een in die dagen gebruikelijke actie, namelijk de plundering van de Tempel in 169 (I Makk. 1:20-28; II Makk. 5:1-23). Zo haalt de koning het geld op dat Menelaüs hem had beloofd, maar wat die niet kon waarmaken 88 . Op de roemruchte dag van Eleusis – als ik rekening houd met alle beschikbare gegevens te situeren op 11 VII 168 89 – maken de Romeinen ook 90 Antiochus IV duidelijk dat zij de krijtlijnen tekenen, en op grond daarvan ontstaat in Jeruzalem het gerucht dat Antiochus niet zomaar een nederlaag heeft geleden, maar gesneuveld is. Dat schept moed bij bepaalde bewoners van Jeruzalem en zij plegen een pro-Ptolemeïsche coup. Antiochus ziet dat uiteraard als een revolte en laat streng optreden tegen Jeruzalem (I Makk. 1:29-31;
85 Sartre, D’Alexandre à Zénobie (2001), pp. 188-201.
86 Sartre, o.c., pp. 172, 315. De inmenging van de koning bleef waarschijnlijk beperkt tot de goedkeuring van de hogepriester, waarbij de joodse regels werden gevolgd, zodat er voor de Joden geen gewetensnood ontstond.
87 Lorein, Some Aspects, pp. 164-165; Id., Maccabees’ Motives, pp. 96-98, 111.
88 Menelaüs had 300 talenten te veel beloofd (II Makk. 4:24). Die kon hij niet betalen (II Makk. 4:27). Als hij dit gedurende drie jaar niet kan betalen, is het redelijk (naar de maatstaven van die tijd) dat Antiochus het komt ophalen met een boete van 100%: 300 tal/jr × 3 jr × 2 = 1800 tal (zie II Makk. 5:21).
89 De Romeinse gezant wacht de overwinning bij Pydna op 22 VI 168 af, verblijft nog vijf dagen op Rhodos (mittag, Antiochos IV. (2006), p. 216) en heeft reistijd nodig. mittmann
– Schmitt, Tübinger Bibelatlas (2001), kaart V 16.1, vermeldt: “1./11. Juli”. Dan acht ik die laatste datum het waarschijnlijkst, aangezien hij pas op 30 juli, de door Rome bepaalde datum (Livius XLV 12.7: “die deinde finita”, ‘vervolgens, op de vastgestelde dag’) uit Egypte vertrekt (Smith, Further Demotic Source (2018), pp. 223, 227).
90 Nadat ze het bij Magnesia in 190 aan zijn vader Antiochus III duidelijk hadden gemaakt voor de noordelijke limiet (wiLL, Histoire politique (1982), p. 322). Hij trekt dan maar naar het oosten (Sartre, D’Alexandre à Zénobie (2001), waar hij overlijdt (Lorein, Some Aspects (2001), pp. 166-171.
De Vrede van Apamea (188) kostte de Seleuciden 15 000 talenten (390 ton zilver; met 1.277,24 €/kg Ag (30 IX 2025) is dat een half miljard euro) (Van der SpeK, ‘Silverization’ (2011), pp. 409, 412), nog afgezien van het verlies aan grondgebied en olifanten en de verplichting om zijn zoon Antiochus (later IV Epifanes) als gijzelaar naar Rome te zenden (Van der woude, Geschiedenis en godsdienst (1983), pp. 35-36).
II Makk. 5:24-26 91) 92. Het is pas in 167 dat de echte vervolging begint, om voor een definitieve oplossing te zorgen 93. Wellicht heeft hij hiervoor inspiratie gehaald bij de godsdienstpolitiek van Rome tijdens zijn verblijf aldaar94, met o.a. het beruchte Senatusconsultum de Bacchanalibus 95 van 7 X 186.
Ten opzichte van Antiochus’ politiek werden door verschillende Joodse groeperingen verschillende posities ingenomen. Sommigen trekken zich terug in de holen van de Woestijn van Judea (Meg. Ant. 37a), anderen zijn bereid het sabbatsgebod on hold te zetten om in een ruimer perspectief de geboden te kunnen houden en zo het geloof te beleven (I Makk. 2:40-41) 96
Het herstel van de Tempel volgt alweer in 164. De strijd wordt daarna nog voortgezet door mensen die volledige afhankelijkheid wilden; wie tevreden was met godsdienstvrijheid, streed niet meer mee (I Makk. 7:13). In oktober 152 v.Chr. 97 wordt de Makkabeeër Jonathan (fl. 161-143 98) door Alexander Balas tot hogepriester benoemd, terwijl die geen Sadokide was 99. Waarschijnlijk was er al vóór dat ogenblik spanning ontstaan tussen strikte Essenen100 en de Hasmoneeën, met o.a. het gebed ‘Sta op, o Heilige, tegen Jonathan,
91 De uitdrukking Μετὰ δύο ἔτη ἡμερῶν in I Makk. 1:29 is problematisch. Het lijkt toch wel om (eind) 168 te gaan (Lorein, Some Apects (2001), pp. 158-159; cf. Schwartz, 1 Maccabees (2022), p. 166). Van ‘twee jaren van dagen’ kan worden gesproken zodra er minimaal één dag meer is verlopen dan een volledig jaar (goLdStein, I Maccabees (1976), p. 212). Waarschijnlijk gaat het wel degelijk om de hoofdbelastinginner (ἄρχοντα φορολογίας), die Apollonius heet en Mysiërs aanvoert (τὸν Μυσάρχην Ἀπολλώνιον, II Makk. 5:24); van een Fehlinterpretation (zo nog tiLLy, 1 Makkabäer (2015), p. 77) hoeft geen sprake te zijn, al kan de auteur wel aan een woordspeling hebben gedacht (ΜørkhoLm, Antiochus IV (1989), p. 285; goLdStein, I Maccabees (1976), pp. 211-212; Schwartz, 2 Maccabees (2008), p. 265).
92 aperghiS, Jewish Subjects (2011), pp. 32-35. Nota bene: dit is een reconstructie, alle bronnen mixen elementen door elkaar (en wij hopen dan dat wij een beter onderscheidingsvermogen hebben …).
93 Lorein, Maccabees’ Motives (2025), pp. 96-97.
94 Zie n. 90.
95 Zo ook mittag, Antiochos IV. (2006), p. 39, die nog verwijst naar de verbranding van een aantal geschriften die de Romeinse godsdienst zouden bedreigen (Livius XL 29.11-14).
96 Lorein, Maccabees’ Motives (2025), p. 101. Cf. Yoma 85b: ‘Ontwijd om zijnentwil een enkele sabbat, zodat hij vele sabbatten in acht kan nemen’.
97 goLdStein, I Maccabees (1976), p. 169.
98 Van der woude, Geschiedenis en godsdienst (1983), p. 88.
99 I Makk. 10:18-20. Alexander Balas was in 152 nog niet definitief koning (pas vanaf 150), maar al wel pretendent (cf. Van der woude, Geschiedenis en godsdienst (1983), p. 49).
100 Op dat ogenblik nog niet ‘de Gemeenschap van Qumran’.
de koning, zodat heel de gemeenschap van uw volk Israël, dat in de vier windstreken (is), in vrede zou zijn, allemaal. En moge over uw koninkrijk uw Naam worden geheiligd, …’ 101 .
Hasmoneïsche periode
Op 20 X 142 102 verwerft men de fiscale vrijheid (I Makk. 13:36-40). Zeker vanaf dat ogenblik hebben de Hasmoneeën (de nieuwe naam voor de Makkabeeën) een sterke positie bereikt, mede door een zwak Seleucidisch gezag 103. Dat maakt de zaken overigens niet gemakkelijker, want nu moet er worden nagedacht over de precieze invulling, terwijl men voorheen gewoon moest zien te overleven. Je zou het als volgt kunnen verwoorden: ‘Vroeger hadden we vreemde overheersers, en moesten we alles maar slikken; nu we zelfstandig zijn, moet alles precies gebeuren zoals ik het zie 104!’ Zo ontstaat de Gemeenschap van Qumran, onder leiding van de Leraar der Gerechtigheid 105 . Er zit dan een haar in de boter tussen Kerk en Staat, waarbij het gaat om de verkettering van de Staat door de Kerk (1QpHab viii 8-13; xii 7-10 106).
Vanaf 104 noemt een Hasmoneeër zich ook ‘koning’: Aristobulus I 107
Dan komt als volgende Hasmoneïsche koning Jonathan (125-103-76 v.Chr.).
101 Lorein, 4Q448 (1999), pp. 265, 268-269. Eenzelfde houding treffen we aan in de Habakukpesjer (1QpHab ix 8-12) volgens de Groninger hypothese (zie hiervoor garcía martínez –Van der woude, A ‘Groningen’ Hypothesis (1990), pp. 536-541; cf. Lorein, 4Q448, pp. 270-273; uitvoerig becommentarieerd in boccaccini, Enoch and Qumran Origins (2005), pp. 247-435.)
102 goLdStein, I Maccabees (1976), p. 171.
103 Schürer – burKiLl, Political Institutions (1979), p. 90. Werkelijke onafhankelijkheid komt er pas t.t.v. Hyrcanus, in 129, na de dood van Antiochus VII (Flavius Josephus, Antiquitates XIII 273; cf. aperghiS, Jewish Subjects (2011), pp. 19, 30, 37).
104 baumgarten, Ancient Jewish Sectarianism (2020), p. 555. Anderzijds is er besef van nuance: Tob. en II Makk. denken na over de toepassing van de Thora in de Diaspora (dimant, Tobit (2022)).
105 Lorein, Entwicklungen (2013), p. 305. De vertaling ‘Ware Leraar’ is zeker mogelijk (gen. qualitatis), maar in het licht van Joël 2:23 en de woordspeling met ‘degene die gerechtigheid regent (uitspreidt)’ is de traditionele vertaling (objectsgenitief) toch het meest aangewezen.
Cf. StucKenbrucK, Legacy (2010), p. 44; Van Leeuwen, Joël (1993), pp. 136-140.
106 Lorein, Antichrist Theme (2003), pp. 199-200, 203-204.
107 Flavius Josephus, Antiquitates XIII 301. Misschien al eerder: Hieronymus (Ad Ezechielem PL XXV 207C) vermeldt Hyrcanus (fl. 135-104; zie verder Van der woude, Die Messianischen Vorstellungen (1957), p. 225).
Hij is vooral bekend onder zijn Griekse naam, Alexander Jannaeus 108, wat zijn hellenistische sympathieën al weergeeft. Zijn politiek creëert een kloof met het volk en bevestigt de identiteit van de Farizeeën. De kruisiging door Alexander Jannaeus van achthonderd Joden betekent de definitieve breuk, al lijkt de koning zelf op het einde van zijn leven zijn fout wel te hebben ingezien 109. Na zijn dood volgt zijn weduwe Alexandra hem op als koningin – niet als hogepriester, en dat kunnen we zien als een scheiding van Kerk en Staat. Zij geeft de Farizeeën invloed in de regering 110. Die stonden er dus voor open om hun verantwoordelijkheid te nemen en deden dat effectief.
Romeinse periode
In 66 v.Chr. komt Pompeius naar de Levant om de restanten van het Seleucidische rijk in te lijven bij het Imperium Romanum. Op een gegeven ogenblik is de Hasmoneïsche koning Aristobulus II (fl. 67-63) onvoldoende inschikkelijk, wat uiteindelijk ertoe leidt dat Pompeius (in 63) naar Jeruzalem trekt 111. Hij is onder de indruk van de Tempel, raakt niets aan in het heilige der heiligen 112 en zorgt dat de Tempeldienst ongestoord voortgang vindt. Wel vielen er veel doden en werden veel Joden als slaven naar Rome afgevoerd (waar ze weer werden vrijgekocht door geloofsgenoten 113).
De Farizese dichter van de Psalmen van Salomo schrijft in 47 v.Chr.114 het volgende (Ps. Sal. 2:2-3).
108 De Hebreeuwse tekst van zijn munten vermeldtךלְמִהַ ןתנְוֹהַי . In het Aramees vinden we de Griekse versie ( סוֹרדנְסכַלְאֵ
) (en uiteraard Αλεξανδρου
); zie Lorein, 4Q448 (1999), p. 266.
109 Flavius Josephus, Antiquitates XIII 401.
110 Misschien op advies van haar man, zeker uit overtuiging (Schürer – Kennedy, Alexandra (1973), pp. 229-230).
111 Details bij Schürer – Kennedy, Aristobulus II (1973), pp. 236-241. Zie Schürer – burKiLL, Political Institutions (1979), pp. 91-92, 94, voor een ruimere context.
112 Cicero, Pro Flacco 67: “Cn. Pompeius captis Hierosolymis victor ex illo fano nihil attigit.”
113 Ondertussen blijkt in Rome zelf Caesar aan de kant van de Joden te staan, omdat ze geen van beiden baat hebben bij het behoud van de bestaande structuren, de ene vanuit zijn revolutionaire houding, de anderen vanuit hun status van migranten die zich wel willen organiseren. Maar dat is in Rome. wardy, Jewish Religion (1979), pp. 610-612.
114 Lorein, Antichrist Theme (2003), pp. 89-90; JooSten, Reflections (2015); Viteau, Les Psaumes de Salomon (1911), pp. 38-39.
Vreemde volkeren zijn op uw altaar gekomen, zij vertraden (de Tempel) met hun schoenen in hoogmoed. ³Ter compensatie van het feit dat de zonen van Jeruzalem de Tempel des Heren hadden besmeurd, de geschenken aan God hadden ontwijd in wetteloosheid.
Hij keurt Pompeius’ actie dus af, maar beseft dat de Joden zelf (mede) verantwoordelijk zijn 115 .
Hyrcanus krijgt vanwege Pompeius een erkenning als hogepriester, maar koning mag hij zich niet meer noemen116. Als Pompeius sterft (28 IX 48 v.Chr.117), krijgt in Rome zijn vijand C. Julius Caesar de overhand. Omdat Hyrcanus en diens vriend Antipater hem hadden gesteund, wordt Hyrcanus door Caesars toedoen etnarch 118 en Antipater procurator. Door deze verstrengeling gaan de Romeinse bezetters ermee akkoord dat Herodes, een Edomiet (!), als schoonzoon van een Hasmoneeër 119, het koningschap overnam.
Herodes de Grote was zijn carrière begonnen als luxe-gijzelaar in Rome, en daar was hij bevriend geraakt met zowel Antonius als Octavianus (de latere Augustus). Zo kreeg hij (in 40) de titel ‘rex Iudaeorum’ (maar hij moest zijn koninkrijk wel zelf veroveren). In 37 had hij Judea en Jeruzalem veroverd en begon hij zijn regering (maar hij telde wel vanaf het theoretische begin 120);
115 werLine, Penitential Prayer (1998), p. 188: “The group responsible for the psalms believes that the Roman conquest … have come … because of God’s just punishment for the people’s sin. However, because the Romans … in arrogance, they must now receive punishment.”
116 Sartre, D’Alexandre à Zénobie (2001), p. 449.
117 Schürer – Ogg, Hyrcanus II (1973), p. 270, bij de Mons Cassius (Cassius Dio XLII 15.5), in de buurt van Pelusium, doorboord met een zwaard, toen hij op weg was om in Egypte een schuilplaats te zoeken (Plutarchus, Vitae. Pompeius LXXVI 4 – LXXIX 5). Het lijk wordt onthoofd (o.c. LXXX 2) en uit de boot gegooid (ibid.; cf. Strabo XVI 2.26), en wordt tenslotte op een geïmproviseerde brandstapel gecremeerd (Plutarchus, o.c. LXXX 3) of begraven (Appianus III 286; later ook het hoofd; zie nageLKerKen, Dood van Pompeius (2016), pp. 67-68). Hiermee komt Pompeius terecht in een lijst van onthoofde mensen bij wie men – ook op grond van andere elementen – aan het thema van de Antichrist zou kunnen denken; zie Lorein, Antichrist Theme, pp. 35-36, 62, 67, 74-75, 81-82, 120, 102, 104, 228; als we alle gegevens uit de bronnen in aanmerking nemen, krijgen we toch een positiever beeld van Pompeius).
118 Zie Sharon, Title Ethnarch (2010).
119 Zie het schema in bimSon – Kane – Lorein ¸ Nieuwe Bijbelatlas (1994), p. 119. De Romeinen hielden uiteraard te weinig rekening met de Joodse opvolgingsregels en met de regel dat religie belangrijker is dan bloedverwantschap.
120 athaS, Bridging the Testaments (2023), p. 573
voor alle zekerheid liet hij eind 35121 de laatste Hasmoneeër (Aristobulus III) lang genoeg onder water houden in het zwembad122. Om nog meer zekerheid te hebben, laat hij bovendien zijn echtgenote, koningin Mariamme executeren 123, terwijl die nota bene zijn link met de hogepriesterlijke familie was. Herodes doet erg z’n best voor de Joden 124, maar wordt toch door hen gehaat, niet alleen als Edomiet, maar vooral om zijn enorme wreedheid (denk aan de kindermoord, Matt. 2:16-18).
Uiteindelijk had men dus hogepriesters die theologisch nogal waren opgeschoven en een koning van een gehaat buurvolk onder Romeinse supervisie, niet meteen een ideale situatie. Natuurlijk zorgt dat voor spanningen, intern en t.o.v. de Romeinen. Flavius Josephus probeert uit de schijnwerpers te houden dat een aantal opstanden tegen het Romeinse gezag religieus gemotiveerd waren en dat de Gemeenschap van Qumran – die hij uiteraard niet zo noemde – toch wel uit was op de uitschakeling van de Romeinen 125
Over de situatie voor de bevolking in de Romeinse periode vinden we tegenstrijdige gegevens: de voedselbevoorrading zou redelijk zijn verlopen en de eenheidsmunt was een vooruitgang126, maar anderzijds was er grondtekort,
121 Schürer – ogg, Herod the Great (1973), pp. 288, 297.
122 Flavius Josephus, Antiquitates XV 55.
123 athaS, Bridging the Testaments (2023), p. 591. Hij vond Mariamme blijkbaar toch wel een mooie naam en huwt later met Mariamme II.
124 Met grootse bouwwerken (bevordering van de werkgelegenheid!): forten, ombouw van Samaria (hem gegeven door Sextus Iulius Caesar, gouverneur van Syrië, in 47/46 v.Chr. (zangenberg, Between Jerusalem and the Galilee (2006), p. 428) tot Sebaste (Grieks voor Augusta, ter ere van de keizer; in 25 v.Chr., in Griekse stijl, met 6000 veteranen, met een tempel voor Roma & Augustus (Flavius Josephus, Antiquitates XV 296-298) (zangenberg, o.c., p. 429), Caesarea Maris en nog andere steden (Schürer – burKiLL, Political Institutions (1979), p. 93), verfraaiing van de Tempel (begonnen in 20, af in 63 A.D., verwoest in 70; cf. Jo. 2:20); bevordering van de vishandel; zorg voor de Joden in de diaspora; verwerving van het statuut van religio licita voor de Joodse godsdienst waarvan het christendom in zijn beginfase nog profiteert (belangrijk als achtergrond voor I Cor. 6:1-7).
De term religio licita komt van Tertullianus (Apologeticum 21.1) – “durch wen er zu einem Schlüsselbegriff der Geschichtsschreibung über das antike Judentum und Christentum wurde, ist mir unbekannt”, schrijft canciK, Die frühesten antiken Texte (2005), p. 100 n. 36.
125 Schwartz, Studies in the Jewish Background (1992), pp. 32-33, 36. We moeten de agenda van de religieuze groepen hiertoe ook niet beperken.
126 Van der SpeK, Hellenistic Near East (2007), pp. 432-433. Cf. edwardS, Socio-Economic and Cultural Ethos (1992), pp. 60-63.
uitbuiting en hongersnood 127. Verder confisqueert Gessius Florus, de laatste procurator 128, nog de tempelschat 129 – een algemeen gebruik van regeringen, maar toch niet gunstig voor de verhoudingen van ‘Kerk en Staat’. Dat leidt (Tacitus, Historiae V 10.1) tot het totale dieptepunt van de verwoesting van de Tempel door de Romeinse legers in 70 na Chr. Je zou nog kunnen denken aan de voordelen van het Romeinse recht, dat door zijn legaliteitsprincipe en strakke procedure in het bijzonder nuttig was voor minderheidsgroepen (en dat zijn we op den duur allemaal) 130, maar Romeins recht gold alleen voor Romeinse burgers en daarvan waren er maar weinig in Joodse kringen – bekende uitzondering is de apostel Paulus, die hiervan dankbaar gebruik maakt door beroep te doen op de keizer als hij de doodstraf dreigt te krijgen (Hand. 25:11-12) 131 .
subsidie en voorbede
Ik wil nu nog twee mechanismen noemen die te maken hebben met Kerk en Staat en die financiële consequenties hebben. Het meest voor de hand liggend is de subsidie van de Staat aan de Kerk; daarna wat de Kerk voor de Staat doet.
In beide Seleucidische periodes132 (voor 300 en na 200) komt het voor dat de Tempeldienst in Jeruzalem wordt gesubsidieerd. Die subsidie wordt aanvaard, zowel in de tijd van de feiten als ten tijde van de redactie van IV Makkabeeën (tweede kwart van de eerste eeuw AD). Daar lezen we (IV Makk. 3:20 133):
127 appLebaum, Economic Life (1976) pp. 637, 656, 664, 691-692.
128 … en slechtste, volgens hadaS-LebeL, Évolution de l’image de Rome (1979), pp. 803, 807-808; bLoch, Antike Vorstellungen (2002), p. 106, spreekt van “Schreckensherrschaft”; cf. Flavius Josephus, Bellum II 310-314.
129 Flavius Josephus, Bellum II 293.
130 Cf. n. 205.
131 Waarschijnlijk gaat het om de provocatio. Goede samenvatting bij marShaLL, Acts (1980), p. 385, die opmerkt dat de provocatio geen beroep is ná een uitspraak.
132 Voor de Ptolemeïsche periode wordt verwezen naar Flavius Josephus, Contra Apionem II 48 (over Ptolemeüs III Euergetes I, 246-221), maar hier kan men m.i. niet over subsidie spreken.
Voor de periode ná Antiochus IV kan Demetrius I nog worden vermeld (Flavius Josephus, Antiquitates XIII 55; I Makk. 10:40-41).
133 Ἐπειδὴ
‘Terwijl onze vaderen een diepe vrede kenden door het zich goed houden aan de wet en het wel stelden zodanig dat zelfs Seleucus Nicanor én geld voor hen opzij zette voor de eredienst én hun politiek aanvaardde’. Seleucus Nicanor is waarschijnlijk Seleucus I Nicator (358-312-281)134. Antiochus III Megas subsidieert de offerdienst en de reparaties aan de Tempel 135. Ook Seleucus IV Philopatôr (218-187-175) heeft gesubsidieerd (II Makk. 3:3) 136. Daaraan moet weliswaar worden toegevoegd dat hij ook heeft geprobeerd de Tempelbank van Jeruzalem te laten confisqueren (II Makk. 3:7-23), maar dat was geen rechtstreekse aanval op de kerkelijke financiën (II Makk. 3:6, 10-11; zie ook Dan. 11:20).
Anderzijds zouden de Hasmoneeën zijn overgeschakeld van een systeem waarbij de overheid de religie bekostigde naar een systeem waarbij alle gelovigen dit deden: de invoering van de permanente halve sjekel137. Een interessante gedachte, maar ik denk dat het verhaal ingewikkelder is, en in ieder geval is altijd ondersteuning vanwege de gelovigen noodzakelijk, ook in geval van subsidie 138 .
Offers en gebeden voor heidense koningen hebben altijd tot de mogelijkheden behoord: niet alleen in de oudtestamentische periode (Ezra 6:10), maar ook onder Seleucidisch (I Makk. 7:33; 12:11; II Makk. 3:32) en Romeins gezag 139 , zoals vermeld door Flavius Josephus, in dat deel van zijn Contra Apionem waarvan alleen een Latijnse vertaling bewaard is gebleven (II 76-77140). In de aanloop naar de verwoesting van de Tempel worden de offers gestaakt; Flavius Josephus ( Bellum II 409) zegt dat hiermee de oorlog met de Romeinen in gang wordt gezet.
134 Flavius Josephus, Antiquitates XII 119.
135 Flavius Josephus, Antiquitates XII 140-141.
136 neLiS, II Makkabeeën (1975), p. 89.
137 gordon, Royal Benefaction (2024), pp 55-58. Daarmee zijn de Bijbelpassages niet onhistorisch: zie girardin, La Bible entre historicité et réécriture (2024).
138 Cf. Lorein, Ezra and Nehemiah (2024), pp. 226-227.
139 Lorein, Maccabees’ Motives (2025), p. 109. Schürer – doubLeS, Priesthood (1979), pp. 310-313.
140 Zie ook Flavius Josephus, Bellum II 197.
stand van zaken
Gezien het belang van de periode tussen Oude en Nieuwe Testament, in het algemeen en voor mijn eigen onderzoek, konden we deze periode niet zomaar overslaan. Tegelijk moeten we op dit ogenblik vaststellen dat er weinig reflectie op het Oude Testament of invloed op latere doctrine aangaande Kerk en Staat is terug te vinden. Wel blijkt dat er steeds ruimte is geweest voor een relatie met een overheid met een andere of zonder levensbeschouwing. Weliswaar wordt in deze periode over de relatie tussen heersers en God gesproken (bijvoorbeeld in de Liederen Davids uit de Gemeenschap van Qumran 141), maar da’s iets anders. We kunnen heel in het algemeen stellen dat de Sadduceeën lange tijd nogal bovenop de macht zaten, dat de Farizeeën hun verantwoordelijkheid namen als ze de gelegenheid kregen en dat de Essenen zich bij voorkeur afzonderden 142 .
141 CšD ii 10-11; zie Lorein – Van StaaLduine, CšD II,4 – IV,9 (2009), pp. 389, 397, 406-407. 142 Cf. Lorein, Entwicklungen (2013), pp. 304-306.
het eigene van het Nieuwe Testament
Meer specifieke informatie over de verhouding tussen Kerk en Staat krijgen we weer in het Nieuwe Testament. We moeten daarbij beseffen dat de mensen die de geschriften van het Nieuwe Testament neerschreven, doordrongen waren van de geschriften van het Oude Testament. Zij lazen het Oude Testament niet alleen om daarin Jezus Christus terug te vinden, maar ook om te weten hoe God Schepper en Onderhouder is en om te weten hoe wij moeten leven, in zoverre de oudtestamentische voorschriften niet vervallen zijn door het volbrachte werk van Jezus Christus (de offerdienst) of expliciet vervallen zijn verklaard (spijswetten). Het Nieuwe Testament laat zien dat bij verschillende achtergronden, met meer of minder kennis van het Oude Testament bij de doelgroep, de principes verschillend worden toegepast143 Deze variaties brengen mij ertoe te veronderstellen dat ons een behoorlijke verantwoordelijkheid is gegeven in onze eigen omstandigheden 144. Onze exegese moet correct zijn en onze hermeneutiek moet binnen dat kader blijven, maar dat is wel een kader dat ruimte biedt voor de kerk van vandaag. Niet losgerukt van de oorspronkelijke historische context zoals in de Gemeenschap van Qumran gebeurde. Het gaat om continuïteit én vernieuwing 145. Dat is de moeilijke weg tussen het blindelings volgen van regels en een leven totaal los van principes – Bijbel én theologie.
143 Lorein, Ezra and Nehemiah (2024), p. 232. Cf. antoine, À la recherche du modèle ministériel (2023), p. 66: “la structure ministérielle de l’époque se réadapte en fonction des circonstances et des besoins”. Cf. pp. 67, 99, 73. Eenzelfde variatie bestaat binnen Joodse gemeenschappen: zie brooten, Women Leaders (1982), p. 26.
144 Dat kan op historici overkomen alsof het vroege christendom één grote oefening in improvisatie was, omdat de Wederkomst op zeer korte termijn werd verwacht (zo e.g. Leppin, Die frühen Christen (2018), p. 122). M.i. mocht er worden geïmproviseerd, pluriformiteit binnen meerlagige kaders was toegestaan (cf. hauben, Hartmut Leppin (2023), p. 696). Dit hield ook in dat binnen de Vroege Kerk foute conclusies konden worden getrokken en ongelukkige richtlijnen uitgevaardigd.
145 Cf. p. 9.
Dan komen nu een paar teksten uit het Nieuwe Testament aan bod, met als doel het overzicht van dé funderende teksten voor een christen (zeker voor een protestants-evangelisch christen) af te ronden.
Men zou in de affaire met de munt wel een vroege vorm van scheiding van Kerk en Staat kunnen zien: ‘Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is 146’. Het gaat echter om slechts één munt: terwijl we de belasting betalen, geven we ons leven aan God; terwijl we voor God leven, doen we tegelijk onze burgerplicht 147 .
Romeinen 13
De bekendste tekst is het dertiende hoofdstuk van de Romeinenbrief, geschreven door Paulus en door Febe naar Rome gebracht om hem daar voor te lezen in de verschillende kerkgemeenten, zodat ze zouden weten waaraan Paulus de nadruk gaf, welke verbanden hij legde, waar hij pauzeerde148. Enerzijds laat de Romeinenbrief geen twijfel bestaan over wie Heer is (dat is Jezus Christus, níet de keizer) 149; anderzijds worden de gelovigen opgeroepen zich te onderwerpen aan de (burgerlijke) gezagsdragers (Rom. 13:1-2, 7) en dat niet zomaar voorzichtigheidshalve, maar principieel, want de overheid, inclusief haar ius gladii , is er van Godswege (Rom. 13:1, 4-6).
Gelukkig is Rom. 13 niet het enige Schriftgedeelte over deze materie. Deze ene tekst volstond immers niet voor de beminde medegelovigen om zich in coronatijden aan de overheid te onderwerpen. We passeren even langs Fil. 1:27.
146 Matt. 22:21; Marc. 12:17; Luc. 20:25.
147 Cf. croy, ‘Show me the Money’ (2020), p. 205.
148 chappLe, Getting Romans (2011), pp. 212-214.
149 J. thieSSen, Römerbrief (2024), pp. 66-67. Hiermee stelde Paulus de christenen al ruim voldoende tegenover de aanspraken van de Romeinse keizer: cf. eVanS, Mark (2001), pp. lxxxvi-lxxxvii (al wijst J. thieSSen, ibid., erop dat Paulus vooral reageert op de heerschappij van de zonde en zeker geen revolutie tegen de keizer wil uitlokken).
Houd in uw burgerschap ( πολιτεύεσθαι 150!) het evangelie van Christus hoog / leef als burgers op een manier die het evangelie van Christus waardig is, zodat … ik zal vernemen omtrent u dat u vaststaat in één geest en met één ziel samen strijdt in het geloof in het evangelie, zonder op enig punt schrik aangejaagd te krijgen door de tegenstanders.
Al lijkt de nadruk te liggen op de eendracht bínnen de christelijke gemeenschap, toch kunnen we dit ook lezen als een oproep om zich als burgers correct te gedragen 151 .
Heel kort worden de puntjes nog eens op de ı gezet in Titus 3:1: ‘Herinner [de gelovigen] eraan de overheden en machten onderdanig te zijn en te gehoorzamen, tot elk goed werk bereid te zijn’. Hier worden we opnieuw opgeroepen om inschikkelijk te zijn t.o.v. de Staat 152, vanuit de bereidheid goede daden te verrichten. Nu kun je weliswaar alleen dat willen doen wat jijzelf als goede daad zou omschrijven, maar dan zet je de Bijbel toch wel erg naar je eigen hand. Er zijn zeker situaties waarin christenen hun stem moeten laten horen of compleet moeten afhaken, maar dat komt niet zozeer ter sprake in het Nieuwe Testament 153
We gaan ten slotte naar de eerste brief van Petrus, het tweede hoofdstuk. I Petr. 2:11-17 roept de lezers op om te leven als migranten154 en gasten, maar wel hier , op aarde 155; dus niet helemaal los van de aarde, evenmin daarin
150 Dit woord komt ook nog voor in Hand. 23:1, een boeiende passage, maar nogal complex en dus hier niet in te passen.
151 Cf. winter, Seek the Welfare (1994), pp. 82-104.
152 Van houweLingen, Timoteüs en Titus (2009), p. 283.
153 Zie hierboven het hoofdstukje over het Oude Testament.
154 Cf. Leppin, Die frühen Christen (2018), p. 356.
155 ouweneeL, Koninkrijk Gods (1995), p. 40.
verzwolgen 156, geen simpele volgers van de samenleving, maar daarin als vrije mensen ( ὡς ἐλεύθεροι , v. 16 157) wél geïntegreerd, met een positieve ingesteldheid 158. Wij zijn geroepen om een goed burger te zijn in ons aardse vaderland – in de wereld ( κόσμος ) die God zó heeft liefgehad 159. Daarom onderwerpen wij ons aan elke menselijke instelling ( κτίσις , v. 13) 160, zoals de keizer 161 en zijn leidinggevende afgevaardigden (v. 14).
Al ga ik ervan uit dat het beeld van het Beest (vooral in Openb. 13, maar ook in Openb. 17) eschatologisch moet worden verstaan, toch heeft het wel belang voor het onderwerp van vandaag. Het gaat om het thema van de Antichrist, het thema van mijn dissertatie (verdedigd op 19 VI 1997): de Antichrist als een mens die op het einde der tijden zal optreden met een combinatie van politiek-militaire macht, moorddadig bedrog, en een pseudo-goddelijk statuut, die zichzelf en anderen afwendt van elke bestaande religie 162. Toch wordt hieruit duidelijk dat er in de Kerk ruimte is om kritiek te leveren op een
156 Cf. Kuyper, Tweeërlei vaderland (1887), p. 20 (nogal nationalistisch, maar ook waarschuwend tegen een moderne vorm van ‘christelijk nationalisme’): “Maar er is voor dit kwaad ook een bedekter vorm, als men de klanken nog bijhoudt, en den schijn zelfs van het vrome niet versmaadt, en vooral den Christennaam nog op zijn schild graveert, maar inmiddels achter dat schild de Staatsmacht als het hoogste en heiligste verheerlijkt en weigert hooger maatstaf te eerbiedigen dan de eisch van het Algemeen Belang. O, waarom niet? dan kan u als privaatpersoon óók nog de illusie van een hemel hiernamaals worden gelaten; u, mits binnenskamers, de liefhebberij der dweepzieken gegund blijven; maar noch met Gods Woord, noch met Zijn eere, noch met uw beter Vaderland wordt dan door den Staat meer gerekend; en slechts als factor in uw volksontwikkeling, of naar Locke’s woord, “ter uitwinning van te dure rijkspolitie” doet uw Godsvrucht vooral in lijdelijken zin dan bij het lagere gemeen nog dienst.”.
157 Schrage, Die ‘Katholischen’ Briefe (1980), pp. 91-92: “Kadavergehorsam und unkritischer Untertanengeist ist damit ausgeschlossen. … Libertinismus und Servilität sind zugleich verbannt.”
158 Omschrijving van Petrus’ zendingsstrategie bij du toit, Negotiating Hostility (2019), pp. 221-243.
159 Zie n. 7.
160 Of: ‘een menselijk schepsel’: Van houweLingen, 1 Petrus (2010), p. 93.
161 baiLLy, Dictionnaire (2000), s.v. βασιλεύς I. Of: koning Polemo II, koning van Pontus (cf. I Petr. 1:1), volgens Van houweLingen, o.c., p. 94.
162 Lorein, Antichrist in the Fathers (2003), pp. 24-34; voor de definitie, zie id., Thema van de Antichrist (1997), pp. 184, 455.
Staat die zich in plaats van God stelt – en er zijn wel degelijk voorlopers van de Antichrist (I Joh. 2:18) 163
samenvatting en vooruitblik
Een uitgewerkte doctrine over Kerk en Staat vinden we dus niet in het Nieuwe Testament. Ik heb al gezegd: het Nieuwe Testament is beperkt en de getalsverhoudingen waren niet van dien aard dat er concreet moest worden nagedacht over de verhouding tussen Kerk en Staat. Het nadenken hierover blijft grotendeels beperkt tot de relatie van de gelovige (individueel of eventueel in groep) t.o.v. de Staat 164 .
Veel hangt natuurlijk af van de omstandigheden op een bepaald ogenblik. Hoe evalueren we de situatie? En welke uitweg zien we? Daarbij kunnen christenen met dezelfde principes toch nog tot verschillende inzichten komen165. Terwijl de Bijbel de basis vormt voor een christelijke visie op deze verhouding en de algemene tendens duidelijk is (gelovigen hebben een positieve grondhouding t.o.v. de overheid), blijft er ruimte om hieraan invulling te geven – noem het een verplichting, noem het een mogelijkheid.
163 Lorein, Antichrist in the Fathers (2003), pp. 18-22, 33. Zie voor de Vroege Kerk Leppin, Die frühen Christen, p. 442: “Herrscherkritik gehörte zu den hervorstechenden Leistungen der alttestamentlichen Propheten, und Christen schlossen gern daran an.”.
164 Schrage, Die ‘Katholischen’ Briefe (1980), p. 90.
165 Zie e.g. SoLoViy, Challenges for Discipleship (2025), pp. 136-147. Helaas lijkt de auteur de verklaring van de Russische Evangelische Alliantie van 12 III 2022 uit het oog te verliezen, waarin deze de inval van Rusland in Oekraïne betreurt.
In het volgende onderdeel blijven we in de geschiedenis van het Romeinse Rijk, maar het gaat nu om de periode ná het Nieuwe Testament. We beginnen met twee heel vaak genoemde teksten en gaan dan naar een historisch overzicht.
Ik citeer van een onbekende Apostolische Vader uit zijn brief aan Diognetus, ergens in de tweede eeuw na Chr., een passage die middels contrastparallellen wijst op de afscheiding tussen christenen en wereld.
Zij wonen in hun eigen vaderlanden, maar als migranten; ze nemen aan alles deel als burgers, maar ondergaan alles als vreemdelingen. Elk vreemd land is hun vaderland, en elk vaderland is (hun) vreemd. 6Zij huwen zoals iedereen en verwekken kinderen, maar zij werpen de geborenen niet weg. 7Zij verschaffen zich een gemeenschappelijke tafel, maar geen (gemeenschappelijk) bed. 8Zij zijn in het vlees, maar leven niet volgens het vlees. 9Zij slijten hun dagen op aarde, maar beleven hun burgerschap in de hemel. 10Zij gehoorzamen de vastgestelde wetten en met hun eigen levens overtreffen zij de wetten. 11Zij hebben allen lief, en worden door allen vervolgd 166 .
De christenen zijn vreemd aan de polis, maar ondergraven die niet, zijn zelfs erin geïntegreerd 167
166 Ad Diognetum 5.5-11:
167 Leppin, Die frühen Christen (2018), p. 357. Zoals de Joden, merkt hauben, Hartmut Leppin (2023), p. 697, terecht op.
Tertullianus
Tertullianus (geboren voor 160 – overleden na 220) was jurist en een van de oudste christelijke schrijvers. Gezien zijn latere theologische ontwikkeling kan hij niet als kerkvader worden beschouwd 168
Enerzijds wijst hij erop dat alle mensen als broeders door de natuur aan elkaar zijn verbonden 169, dat de christenen hun steentje bijdragen aan het maatschappelijk verkeer 170 en dat zij bidden voor koningen en hooggeplaatsten – ook wel gebaseerd op hun eigenbelang daarbij (de Staat zorgt immers voor vrede) 171, maar anderzijds stelt hij dat dit beperkt is: ‘Niets is voor ons van belang in deze wereld, tenzij dat we zo snel mogelijk daaruit heengaan 172’.
Bijzonder is dat hij al in het Apologeticum pleit voor godsdienstvrijheid. Eigenlijk speelt er een dubbel probleem in de vervolging van de christenen: (a) je mag de christelijke godsdienst niet aanhangen – dat was nog wel op te lossen; (b) je moet de keizer vereren – da’s een ander paar mouwen en eigenlijk zit het daarop altijd vast 173. In Apologeticum 24.5-6 vermeldt hij uitgebreid het eerste aspect, en op het einde even het tweede.
Laat de ene God, de andere Jupiter vereren; laat de ene zijn smekende handen naar de hemel uitstrekken, de andere naar het altaar van Fides; laat de ene, als jullie dat zo denken, tijdens zijn gebed de wolken tellen 174, de andere de plafondcassettes; laat de ene zijn eigen ziel aan zijn God toewijden, de andere die van een geit. 6Maar let wel op dat dit niet gelijkloopt met de aanklacht van ongodsdienstigheid:
168 Lorein, Antichrist in the Fathers (2003), p. 36.
169 Apologeticum 39.8: “Fratres enim vestri sumus iure naturae matris unius”: ‘Wij zijn immers jullie broeders door de wetmatigheid van één en dezelfde moeder’.
170 Apologeticum 42.3: “proinde miscemus artes, operas nostras publicamus usui vestro [cj.]”: ‘vandaar verenigen wij onze vaardigheden, brengen wij onze inspanningen in de openbaarheid tot jullie nut’.
171 Apologeticum 30.4, 31.3, 39.2.
172 Apologeticum 41.5: “nihil nostra refert in hoc aevo nisi de eo quam celeriter excedere”.
173 Cf. Kuyper, De Magistratu, p. 371. Er was een deel van de tijd een uitzondering voor de Joodse godsdienst als religio licita (zie n. 124; Leppin, Die frühen Christen (2018), p. 417).
174 Daarmee sluiten de christenen dan bij de Joden aan: “nil praeter nubes et caeli numen adorant” (‘niets tenzij wolken en de goddelijkheid van de hemel aanbidden zij’; Juvenalis XIV 97).
het wegnemen van de vrijheid van godsdienst en het ontzeggen van de keuze van een godheid, zodat het mij niet zou zijn toegestaan te vereren wie ik wil, maar ik zou worden gedwongen te vereren wie ik niet wil. Niemand zal willen dat hij onvrijwillig wordt gediend, zelfs een mens niet 175 .
Het is duidelijk dat hij de vrijheid wil hebben zijn eigen God te vereren; bovendien wil Tertullianus de vrijheid hebben om de keizer niet te vereren, en die zou dat niet erg mogen vinden.
Die gedachte komt terug in zijn traktaat gericht tot Scapula, proconsul van de Romeinse provincie Africa, die rond 200 een vervolging van de christenen was begonnen 176. Ik ga ervan uit dat Tertullianus deze tekst heeft geschreven ná de invoering van de Constitutio Antoniniana – als iedereen Romeins burger kan worden, moet men dat kunnen mét zijn eigen religie –, maar vóór zijn overgang naar het Montanisme. We noemen deze tweede tekst omdat wordt gesteld dat hier voor de eerste keer over ‘een fundamenteel mensenrecht’ zou worden gesproken; dat is echter eerder toe te schrijven aan de vertaling in de Ante-Nicene Fathers (“a fundamental human right”) dan aan de oorspronkelijke tekst van Tertullianus (“humani iuris”).
Het is echter eigen aan het menselijk recht en de natuurlijke bevoegdheid voor elkeen om te vereren wat hij zou menen. En iemands religie schaadt of baat niet iemand (anders). En het is evenmin eigen aan religie om religie te dwingen, die (toch) spontaan zou moeten worden opgenomen, niet door geweld, aangezien ook offers door een vrijwillige geest zouden moeten worden geschonken 177 .
175 “Colat alius Deum, alius Iovem, alius ad caelum manus supplices tendat, alius ad aram Fidei, alius, si hoc putatis, nubes numeret orans, alius lacunaria, alius suam animam deo suo voveat, alius hirci. 6Videte enim ne et hoc ad inreligiositatis elogium concurrat, adimere libertatem religionis et interdicere optionem divinitatis, ut non liceat mihi colere quem velim, sed cogar colere quem nolim. Nemo se ab invito coli volet, ne homo quidem.”
176 SiniScaLco, Tertullian (1992), p. 819.
177 Tertullianus, Ad Scapulam 2.2: “Tamen humani iuris et naturalis potestatis est unicuique quod putaverit colere; nec alii obest aut prodest alterius religio. Sed nec religionis est cogere religionem, quae sponte suscipi debeat, non vi, cum et hostiae ab animo libenti expostulentur.”
Zo is Tertullianus de eerste die hiermee systematisch bezig was (niet alleen ‘libertatem religionis’ en ‘humani iuris’, maar ook ‘religio licita 178’) 179
vervolgingen en groei van het christendom
De grote vervolgingen komen pas ná de tijd van het Nieuwe Testament, met een voorafname t.t.v. Nero, die wel leefde in de periode dat het Nieuwe Testament ontstond 180, maar die daarin niet expliciet wordt besproken 181 . Domitianus (keizer van 81 tot 96 182: ‘vijftien jaren – een lange periode in de tijd van een sterveling! 183’) was voor iedereen vervelend, maar bekleedt een bijzondere positie als christenvervolger 184. Toen Plinius als keizerlijk gevolmachtigde 185 in Bithynia et Pontus ontdekte dat het niet zó evident was om de christenen louter op grond van hun ‘omschrijving’ (nomen ipsum ) te veroordelen 186, was dat dus blijkbaar wél de regel, en die werd niet veranderd door het antwoord van de keizer 187, alhoewel die in het vervolgingsbeleid geen prioriteit wilde geven aan dit probleem. Daarna zijn er periodes van vervolgingen (begonnen onder de stoïcijn Marcus Aurelius), afgewisseld met rustiger periodes188. De grote vervolgingen vinden plaats onder Decius (249-251) en Diocletianus (303-305), vlak voor de officiële erkenning. Voor Diocletianus ging het er niet alleen om christenen te dwingen hun geloof af te zweren, maar ook om de geschriften (m.i. beperkt zich dat niet tot Bijbelhandschriften) en gebouwen te vernietigen (Eusebius, Historia Ecclesiastica VIII 2.1 en 4), zodat heel wat bronnenmateriaal van de Vroege Kerk verloren is gegaan. Tegelijk – en ik zeg
178 Zie n. 124.
179 Er is geen reden om te stellen dat Tertullianus niet meende wat hij schreef (contra Leppin, Die frühen Christen (2018), p. 349).
180 Fl. 54-68; Tacitus, Annales XV 44.4.
181 De stelling dat de getalwaarde van ןנְרנְ
666 is, heeft verschillende zwakke punten: Lorein, Antichrist in the Fathers (2003), pp. 31-32.
182 13 IX 81 – 18 IX 96
183 Tacitus, Agricola 3.2: “quindecim annos, grande mortalis aevi spatium” (het perspectief van het individu i.t.t. het perspectief van de geschiedschrijver!).
184 Tertullianus, Apologeticum V 4.
185 Plinius was “legatus pro praetore provinciae Ponti et Bithyniae consulari potestate” (CIL V 5262), met de bijzondere opdracht om misstanden recht te zetten (nogrady, Römisches Strafrecht (2006), p. 48 n. 162).
186 nogrady, o.c., pp. 49-51.
187 gemeinhardt, Geschichte des Christentums (2022), p. 37.
188 frend, Persecutions (1992), p. 672.
niet ‘Daardoor’ 189 – was er een groei van het christendom van maal 5 elke 50 jaar tot en met de periode van Constantijn en zelfs nog iets langer 190 en een goed uitgebouwde organisatie 191 .
Met Constantijn – en ín Constantijn – ontstaat er een hele ommekeer. In 310 ziet hij in de zon een ringhalo met kruisvormig centrum, in het voorjaar van 311 komt hij tot het inzicht dat de God van de christenen de zonne der gerechtigheid is (zie Mal. 4:2, misschien o.i.v. Lactantius die toen in Trier woonde) en uiteindelijk kiest hij bij zijn mars op Rome (om een usurpator uit te schakelen), voor de slag bij de Pons Milvius, ten noorden van Rome, op 28 X 312 resoluut voor het christendom, en het Christusmonogram (Chiro) komt op de schilden van de militairen te staan. Je kunt twijfelen aan Constantijns oprechtheid, maar het feit dat het christendom aan een kwantitatieve opmars bezig was, maakt een spirituele ontwikkeling bij Constantijn nog niet onmogelijk 192 .
Ondertussen had reeds op 30 IV 311 het tolerantie-edict van de (doodzieke) keizer Galerius het christendom in het oosten (opnieuw) de status van religio licita 193 geboden 194. Vanaf het zogenaamde Tolerantiedecreet van Milaan van 13 VI 313 is er in heel het rijk godsdienstvrijheid, ook voor de christenen 195 .
189 Meestal heeft vervolging negatieve gevolgen voor het christendom: boyd-macmiLLan, Does persecution always bring growth? (2019). Het zoeken van het martelaarschap wordt afgewezen: Matt. 10:23 (φεύγετε); Polycarpus 4 (οὐκ ἐπαινοῦμεν
, ‘Wij prijzen niet degenen die zichzelf overgeven, aangezien het evangelie het zó niet leert.’).
190 guiLLerat – Scheid, Infographie (2020), p. 65; StarK, Rise of Christianity (1996), pp. 6-7, 13 (40% per decade, i.e. 3,42% p.a.). StarK, o.c., pp. 57-59, 67-70, 137-138, wijst mede op grond van algemene sociologische principes (hij is socioloog van oorsprong en is zich pas later met vroege kerkgeschiedenis gaan bezighouden) op het belang van de diaspora en de Godvrezenden (zoals velen); dankzij zSengeLLér, Was He a Bad Samaritan? (2010), p. 84 n. 41, zou je ook aan de Samaritanen kunnen denken.
Zo’n groei was uiteraard niet vol te houden: je kunt niet boven de 100 procent van de bevolking uitkomen.
191 Leppin, Die frühen Christen (2018), pp. 208-212, 411.
192 hauben, Hartmut Leppin (2023), p. 695; Leppin, Die Frühen Christen (2018), pp. 18, 411. Het ging om een ontwikkeling, niet om een eenmalig feit (contra Leppin, o.c., pp. 440-441); zie verder girardet, Der Kaiser (2010), pp. 26-72.
193 Zie voor de term n. 124.
194 Von padberg, Die Christianisierung Europas (1998), p. 20.
195 Van keizer Licinius i.s.m. keizer Constantijn, bewaard gebleven bij Lactantius, De morte persecutorum 48: “ut daremus et christianis et omnibus liberam potestatem sequendi religionem quam quisque voluisset”. Cf. canciK, Die frühesten antiken Texte (2005), pp. 102-103; girardet, Der Kaiser (2010), pp. 129, 190.
De ruimte die keizer Constantijn van 306 tot 324 in toenemende mate in heel het Romeinse Rijk aan de uitoefening van het christelijk geloof toekende 196 , voorzag ook financiële middelen voor het uitbrengen van een standaardtekst van het Nieuwe Testament (Alexandrijnse tekst)197 en voor een professionele Bijbelvertaling, vooral voor het Oude Testament 198 .
Constantijn organiseert in 325, het Concilie van Nicea. Twee interventies zijn daar vermeldenswaard: die van de keizer, die de bisschoppen wijst op het belang van een correcte attitude 199, en die van een confessor (iemand die de martelingen van de christenvervolging had overleefd en het christelijk geloof getrouw was gebleven) die de technici wijst op het belang van eenvoud, geloof en goede werken 200. De Geloofsbelijdenis wordt volgens de traditie uiteindelijk op zaterdag 19 VI 325 201 goedgekeurd door 318 bisschoppen 202 . kantelpunt
We hebben vanaf het begin van de vierde eeuw een heel nieuwe situatie. Niet alleen zijn er de funderende Bijbelteksten, maar na een lange tijd waarin de Kerk te gering was om te moeten en te kunnen nadenken over wat we nu zouden omschrijven als ‘de verhouding van Kerk en Staat’, is er op dit punt van de geschiedenis een Kerk die tegenover (niet in negatieve zin) een Staat kan staan. Het echte denkproces kan beginnen. Kán, maar doet het slechts in beperkte mate, omdat de Kerk tot zo’n numeriek belangrijke positie is gekomen dat we van een corpus Christianum kunnen spreken, althans in eerst het Middellandse Zeegebied en later Europa, West-Europa. Zo schuiven we langzaamaan op naar de situatie hier en nu, België 2026.
196 girardet, Der Kaiser (2010), pp. 27-133.
197 gemeinhardt, Geschichte des Christentums (2022), p. 75. Voor het Oude Testament al ingezet door Origenes (185-253).
198 Lorein, Latin Versions (2014), pp. 125-128.
199 Socrates Scholasticus, Historia Ecclesiastica I 8.18 (πρὸς
); oorspronkelijk in het Latijn uitgesproken en onmiddellijk in het Grieks vertaald (Eusebius, Vita Constantini III 13). Met dank aan Paul Rosseneu.
200 Socrates Scholasticus, Historia Ecclesiastica I 8.13 (γυμνὴν
).
201 Pseudo-Gelasius II 27.1a.
202 Socrates Scholasticus, Historia Ecclesiastica I 8,31 (
). Cf. Gen. 14:14, nog afgezien van de Griekse schrijfwijze van het getal: τιη’ (m.a.w., het kruis van Christus; zie verder gaLadza, Liturgical Reception (2022)).
middeleeuwen
V.w.b. de verhouding tussen Kerk en Staat, waren er vanaf de vierde eeuw voor de hand liggende, maar tegelijk voor de christenen minder gunstige ontwikkelingen. De keizer had de gewoonte de algemene leiding te nemen. Nu de keizer christelijk was, kon hij de leiding nemen over de Kerk, op z’n minst als ἐπίσκοπος τῶν ἐκτός , te vertalen als ‘bisschop voor de externe kant van de zaak’. Daartegenover ontwikkelt zich dan weer de macht van de bisschop van Rome (waar geen keizer meer resideert!) 203
Vanaf keizer Justinianus (fl. 527-565) is het christendom op strenge wijze de staatsgodsdienst 204, met beschamend weinig ruimte voor andersgelovigen.
Het Corpus Iuris Civilis van keizer Justinianus is weliswaar geen wetboek van het christendom (veeleer een logisch gevolg van de codificatie van het Romeins recht). Daarbij mag worden opgemerkt dat het formalisme van het Romeins recht voordelen heeft in een pluralistische samenleving205, een eigenaardige samenloop, gezien Justinianus’ houding t.o.v. niet-christenen.
Dan ontstaat door de islamitische veroveringstochten een nieuwe situatie: Byzantium geraakt verzwakt, de overwinnaar van Poitiers, Karel Martel, achterkleinzoon van Pepijn van Landen, komt in 732 versterkt uit de strijd 206 Zijn kleinzoon Karel de Grote, met zijn genie en spiritualiteit, laat aandacht
203 Küng, Christendom (2009), pp. 366-373; gemeinhardt, Geschichte des Christentums (2022), pp. 493-501; cf. Leppin, Die frühen Christen (2018), pp. 434, 442.
204 Vóór hem is het christendom geen staatsgodsdienst: gemeinhardt, Geschichte des Christentums (2022), pp. 179 (het neutrale “divinitatis”), 182-183, 199-201, 360-361, 374, 475-476.
205 Strakke wetgeving en procedure geven meer garanties aan een pluralistische maatschappij (i.t.t. ‘communities’). Cf. Kuyper, Van de voleinding (1935), p. 282: “… dat het oude Rome van Godswege de roeping, en voor die roeping de gaven, ontving, om het recht klaarder dan eenig ander volk te doorzien. Wat Griekenland in zijn kunstgave ontving, bleef aan Rome onthouden, maar ook omgekeerd ontving Rome wat Griekenland missen moest, en die aan Rome verleende gave schitterde in de zeldzaam diep uitgewerkte rechtsbedeeling”.
206 Küng, Christendom (2009), pp. 402, 408.
besteden aan de Bijbeltekst 207. Helaas is hij ook van mening dat overwonnen volkeren verplicht bij het christendom moeten aansluiten, maar zijn adviseur Alcuinus formuleert bezwaren hiertegen, met dezelfde argumentatie als eertijds Tertullianus, maar nu als machthebber i.p.v. als underdog.
Het geloof is ook (zoals de heilige Augustinus zei) een zaak van de wil, niet van verplichting. Een mens zal naar het geloof kunnen worden getrokken, niet gedwongen. Hij zal kunnen worden gedwongen tot de Doop, maar zal geen vorderingen maken in het geloof, … Een man van volwassen leeftijd behoort voor zichzelf te antwoorden wat hij gelooft of wat hij verlangt. En indien hij het geloof bedrieglijk belijdt, zal hij het heil niet waarachtig bezitten. 208
Als Karel de Grote kerk en paus uit een benarde situatie redt, leidt dat als dankbetuiging tot zijn zalving als keizer, op 25 XII 800. Zo zijn er opeens twee ‘Romeinse’ keizers, of misschien ook niet, want op dat ogenblik regeert in Byzantium een keizerin , Irene 209 .
Met de Magna Carta (15 VI 1215) heeft Stephen Langton 210 (die tegen die tijd de hymne Veni, Sancte Spiritus had gedicht, onze hoofdstukindeling van de Bijbel had ontworpen 211 en moeizaam als aartsbisschop van Kantelberg was aanvaard door koning Jan zonder Land 212), niet alleen de vrijheid van
207 Lorein, Latin Versions (2014), p. 130.
208 Brief aan Megenfridus uit 796 (editie MGH nr. 111, p. 160 rr. 19-24): “Fides quoque, sicut sanctus ait Augustinus, res est voluntaria, non necessaria. Adtrahi poterit homo in fidem, non cogi. Cogi poterit ad baptismum, sed non proficit in fide, [uitweiding over kinderdoop]. Perfectae aetatis vir pro se respondeat, quid credat aut quid cupiat. Et si fallaciter fidem profitetur, veraciter salutem non habebit.”
209 Einhard, Vita Karoli Magni 28: “propter reparandum, qui nimis conturbatus erat, ecclesiae statum”. Küng, Christendom (2009), pp. 410-411.
210 Geboren te Langton By Wragby (Lincolnshire) in 1150; studeert en doceert theologie te Parijs, van 1170-1206; overleden te Slindon (Sussex; bij Arundel) op 9 VII 1228 (Vincent, Langton (2010), pp. 67, 70, 111-112; Lorein, Latin Versions (2014), p. 138).
211 Waarschijnlijk rond 1207, samen met de Paris-bijbels (in één enkel volume (‘pandect’), zodat de volgorde vanzelf ‘vast’ werd), wijd verspreid vanaf 1220. Zie Lorein, Latin Versions (2014), pp. 130-131, 138; a pauL, La Bible et l’Occident (2007), pp. 335-336.
212 Tot bisschop gekozen in 1206, maar pas in Engeland aanvaard in 1213 (Vincent, Langton (2010), p. 64).
de kerk om abten en bisschoppen te kiezen afgedwongen 213, maar ook de mogelijkheid om de uitvoerende macht tot de orde te roepen als die zich niet aan de wetgeving zou houden 214 .
Zo is er vanaf midden vierde eeuw een corpus Christianum , iedereen is christen – al kun je je daarbij inhoudelijk vragen stellen 215 – en dus lijkt er structureel geen probleem te bestaan. Er bestaan twee modellen van verhouding tussen Kerk en Staat: een Byzantijns model met een primaatschap van de keizer en een Rooms model met een primaatschap van de paus.
Een belangrijke stap in het denken over Kerk en Staat is gezet door de Spaanse Dominicaan Francisco de Vitoria (die net als Luther leefde van 1483 tot 1546)216, naar aanleiding van de Spaanse verovering van Amerika. In zijn Relectio de Indis (uit 1538/9) erkent De Vitoria het recht van de Spanjaarden om de indianen de waarheid te onderwijzen (m.a.w.: het evangelie te verkondigen; III 9) en het recht van de indianen om niet tot geloof te komen (II 15) 217. Meer
213 §1, met de eigenaardige inleiding “Sciatis … concessisse Deo” (‘Weet dat wij [de koning] aan God hebben toegestaan’). De relatie tussen Kerk en Staat wordt verderop in dezelfde paragraaf vastgelegd: “… quod Anglicana ecclesia libera sit, et habeat jura sua integra, et libertates suas illesas [< in-laesas] … quod apparet ex eo quod libertatem electionum, que maxima et magis necessaria reputatur ecclesie Anglicane, … concessimus” (‘dat de Engelse kerk vrij zou zijn en haar rechten onaangetast en haar vrijheden ongeschonden zou hebben, wat hieruit blijkt dat wij de vrijheid van verkiezingen, die de Engelse Kerk de belangrijkste en meest noodzakelijke toeschijnt, hebben toegestaan’).
214 Voor het belang van Langton bij de onderbouwing, uitwerking en doorvoering van de Magna Carta, zie ambLer, Magna Carta (2018), pp. 42-46, 48-49.
215 Men heeft wel geprobeerd corpula Christiana te creëren, maar dat haalde het probleem niet helemaal weg: het kwaad zit in de mens, ook als de mens in het klooster of in een christelijke bubbel zit (ouweneeL, Koninkrijk Gods (1995), pp. 38-39). In z’n ideale vorm bevorderde het monnikendom wel de zorg voor armen en zieken en de oproep tot bekering, ook tot nominale christenen (guStafSon, Evangelists (2020-2021), pp. 6-9).
216 Meestal in één adem genoemd met zijn ordebroeder Bartolomé de Las Casas (1484-1566).
217 Cf. hiLpert, Menschenrechte (2005), pp. 148-149.
III 9: “possunt docere veritatem volentes audire, maxime de spectantibus ad salutem”
II 15: “Quantumcumque fides annuntiata sit barbaris probabiliter et sufficienter et noluerint eam recipere, non tamen hac ratione licet eos bello persequi et spoliare bonis suis.
Et probatur, quia credere est voluntatis. Timor autem multum minuit de voluntario et ex timore servili dumtaxat accedere ad mysteria et sacramenta Christi sacrilegum est.”
specifiek voor ons onderwerp zegt hij in II 6: ‘De paus heeft geen tijdelijke macht t.o.v. die barbaren, evenmin als t.o.v. andere ongelovigen 218’.
Op dat ogenblik heeft de Reformatie al plaatsgevonden. In de nasleep hiervan vervalt in zekere zin het corpus Christianum , maar met de godsdienstvrede van Augsburg (1555) wordt met het principe van cuius regio, eius religio 219 voor de individuele betrokkene het regime van het corpus Christianum gecontinueerd op regionaal niveau 220 .
Vanaf het midden van de zestiende eeuw werd de staatsstructuur van het
Bijbelse Israël geschetst als basis van een calvinistische republikeinse politiek 221. Nog op gereformeerd terrein krijgen we op 30 V 1619 de oproep in opdracht van de Synode van de Gereformeerde Kerken tot de Staten-Generaal om het project te ondersteunen van een Bijbelvertaling, voortbouwend op het werk van Filips van Marnix, heer van Sint-Aldegonde 222. En inderdaad, reeds twintig jaar later, op 29 VII 1637, wordt het voorwoord geschreven waarin door de subsidiegever alle dank en eer aan de subsidiegever wordt gegeven 223 .
Deze Statenvertaling probeert om zo dicht mogelijk bij de bestaande DeuxAestekst (van 1562 224) aan te sluiten 225, maar is in tegenstelling hiertoe voor het Oude Testament (net als voor het Nieuwe Testament) gebaseerd op de grondtalen 226 .
218 “Papa nullam potestatem temporalem habet in barbaros istos, neque in alios infideles.”
219 Van Stiphout, Scheiding van Kerk en Staat (2011), pp. 40-43.
220 Van Stiphout, o.c., 17. Er is wel degelijk theoretische aandacht voor de kwestie: zie e.g. Calvijn, Institutiones IV xx, en de geloofsbelijdenis van Schleitheim (1527), met daarin zeer specifieke punten voor de relatie tussen de gelovige en de Staat: - afscheiding van het kwaad, daaronder ook verstaan alle politieke instellingen en alle kerken die niet volledig deugen; - verbod het zwaard te gebruiken, inclusief de rechterlijke macht (niet als rechter, maar ook niet als getuige of als klager); - verbod een eed af te leggen, inclusief om ambtenaar te worden.
221 Lorein, Spätmittelalter (2023), p. 45.
222 nauta, Geschiedenis (1937), pp. 17-18.
223 nauta, o.c., pp. 44-45.
224 Voor de benaming, zie Lorein, Nehemia 3 (2021), p. 72.
225 zwaan, Nederlandsche spraakkunst (1939), pp. 59-61, 195.
226 Lorein, Historisch overzicht (1994), pp. 14-16.
We zijn met zevenmijlslaarzen door deze periode van de vierde tot en met de achttiende eeuw gegaan. Ik blijf de indruk hebben dat deze periode relatief weinig invloed heeft gehad op de huidige relatie tussen Kerk en Staat, mede door de demografische verhoudingen in deze periode.
Oostenrijkse periode
Eind achttiende eeuw komt er beweging in de verhoudingen tussen Kerk en Staat. We zoomen daarbij in op de Belgische kerkgeschiedenis, meer bepaald die van het protestantisme. Ik ben van mening dat we hierbij een aanloop moeten nemen, en wel vanaf keizer Jozef II. Hij kent immers op 12 XI 1781 voor de eerste maal een aantal rechten en vrijheden toe aan de protestanten in de Zuidelijke Nederlanden227 ( Circulaire du 12.9bre.1781 sur la Tolérance ) 228 . Hierop volgt nog een hele reeks bijkomende circulaires, waarin de vrijheden weer worden beperkt of opnieuw uitgebreid. In beperkte historische overzichten krijg je dan de indruk dat foutieve data worden genoemd, maar het gaat dan om een beperkte weergave 229 .
De omzendbrief was alleen bedoeld voor gereformeerden en lutheranen. De kerkgemeente te Oostende presenteerde zich als ‘protestants’ en verklapte niet dat ze anglicaans waren. Werd er zo gesmokkeld om gebruik te maken
227 Dus zonder het prinsbisdom, zoals druez – maquet, Patrimoine protestant (2017), p. 24, terecht opmerkt.
228 Zie wynantS, Autres cultes (1986), p. 38, voor de geadresseerden. Het ging om een omzendbrief (p. 39). Voor de tekst zie o.c., pp. 39-40. Afbeelding bij braeKman, Lettres circulaires (1982), pp. 36-37.
229 Een volledig overzicht van de decreten bij Van iSterdaeL, Richtlijnen (2007), pp. 91-95. We geven hier op basis van braeKman, o.c., pp. 32-33, wynantS, Autres cultes (1986), pp. 38, 40, en Liagre, Anders geloven (2004), pp. 71-78, de volgende samenvatting. Op de eerste versie volgt de praktische beperking van 15 XII 1781: kerken en scholen mogen worden gebouwd als er meer dan honderd families zijn. Volgt op 1 V 1782 nog een reactie op Henegouws protest, waarmee het beperkt karakter van de Tolerantie wordt aangegeven: uiteraard moet er toestemming van de regering en voldoende geld zijn. Blijkt dat de nieuwe teksten niet helemaal aan eerdere standpunten beantwoorden. Er komt een syntheseversie op 8 V 1784: een kerk en een school zijn pas mogelijk vanaf honderd families, wel is er onbeperkte mogelijkheid van samenkomen in privéhuizen, predikant en parochieregister toegestaan (wel graag een kopietje van de registers inleveren bij de overheid).
Zie het essay van maertenS, La promulgation (1982), voor een algemene indruk van de weerstand.
van de nieuw gecreëerde ruimte 230? Of was de anglicaanse kerkgemeente zich ervan bewust dat zij behoorde tot “the Protestant Reformed Religion”?
De vreugde zal niet blijven duren: reeds op 9 II 1792 worden alle ‘gunstmaatregelen’ opgeheven, zodat men terugkeerde naar de situatie van vóór 12 XI 1781 231. Hoe beperkt de reikwijdte van de omzendbrieven ook was, toch maakten ze een einde “à une conception traditionnelle de l’Etat, liée à la pratique exclusive d’une confession religieuse 232”.
Op 1 X 1795 worden de Oostenrijkse Nederlanden, maar ook het prinsbisdom Luik en zo ingelijfd bij Frankrijk 233, zodat vanaf dan het volledige België onder hetzelfde regime valt. De Franse Revolutie kent in het algemeen een periode van secularisering en vervolging, confiscatie en zelfs verwoesting van religieuze gebouwen 234, maar over de situatie van de protestants-evangelische gemeenschap in onze streken is weinig terug te vinden 235. De verlichting (zonder hoofdletter) volgt in 1802 als Napoleon I de protestantse erediensten (bemerk het meervoud) op dezelfde voet behandelt als de Rooms-katholieke eredienst en hun daarmee het recht op kerkvorming geeft, weliswaar met een flinke vinger in de pap 236. De oorspronkelijke voorwaarden worden vervangen door een gunstiger regeling door de Wet van 15 germinal van het jaar XII (= 5 IV 1804) 237
230 Zo boudin, L’Edit de Tolérance (1982), pp. 101-102. Ook de joden deden beroep op het decreet (maertenS, o.c., p. 61).
231 Van iSterdaeL, Richtlijnen (2007), pp. 20, 95.
232 maertenS, La promulgation (1982), p. 62.
233 LuyKx, Politieke geschiedenis (1973), p. 38.
234 druez – maquet, Patrimoine protestant (2017), p. 27.
235 coLLinet, Histoire du Protestantisme (1959), p. 21: “bien des Eglises se vidèrent par le départ des fidèles vers la Hollande surtout, ou vers d’autres pays. Une petite minorité protestante subsistait à l’entrée du 19e siècle.”
236 rochedieu – oppeLt, Code protestant (1880), p. 11. Volgens carLuer, Liberté de dire (2015), p. 41, is de Wet van 18 germinal jaar X (8 IV 1802) de uitwerking van het Concordaat van 26 messidor jaar IX (15 VII 1801), die werd toegepast op protestanten en joden.
237 rochedieu – oppeLt, o.c., p. 27; wynantS, Autres cultes (1986), p. 70.
Deze erkenning blijft verworven tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en daarna in het onafhankelijke België, met betaling van wedden van predikanten en huisvesting. Artikel 18 van het Bijzonder Reglement voor de Protestantsche Kerk in de Zuidelijke Gewesten van het Rijk, echter met de Hervormde Kerk in de Noordelijke Provinciën tot ééne algemeene Synode te verenigen; door Z.M., op voordragt van de Commissaris-Generaal, bij besluit van 16 April 1816 vastgesteld brengt alle protestanten onder het “Provinciaal Kerkbestuur van Limburg enz.” (een misleidende naam als in het gebruik de “enz.” wegvalt). Uitgezonderd wordt Maastricht, waar nog een afzonderlijke Lutherse predikant zal zijn, maar voor de rest gaat het om het volledige protestantisme (waar Napoleon alleen gereformeerden en lutheranen vermeldde) 238
238 De tekst luidt: “Met uitzondering der stad Maastricht, waar zich als nog eene afzonderlijke Luthersche Gemeente en Predikant bevinden, zullen de Predikanten in de Zuidelijke Provinciën, niet alleen de Hervormden, maar alle andere Protestanten, als leden hunner Gemeenten aanmerken, en in derzelver godsdienstige behoeften naar vermogen voorzien.” Moet “alle andere Protestanten” ruim worden geïnterpreteerd, of bleef het in 1816 toch beperkt tot de twee eerder genoemde confessies? Cf. wynantS, o.c., p. 102 n. 4: “On notera l’insistance du gouvernement sur le terme de ‘protestants’: il entend réunir toutes les communautés en un même corps, qu’elles soient néerlandaises ou wallonnes, réformées ou luthériennes.” Aangezien in 1781 de anglicanen in de praktijk al werden meegerekend, ben ik geneigd tot een inclusieve lezing van het KB van 1816 (zo ook Van iSterdaeL, Richtlijnen (2007), pp. 23-24), al blijft de verhouding tot de anglicanen door de tijd heen onduidelijk. In ieder geval erkende, volgens mahiLLon, Protestantisme in de Belgische Rechtspraak (1984), p. 204 n. 17, de Wet van 4 III 1870 het volledige protestantisme, met verwijzing naar de conclusie van de procureur-generaal bij Cass. 29 [en niet 2, zoals verderop in de voetnoot; het gaat om het laatste arrest van dat jaar] XII 1898, met de tekst “la loi du 18 germinal an x reconnaissant deux sortes d’Eglises: 1º réformées; 2º de la confession d’Augsbourg. … ces distinctions n’ont plus de raison d’être dans l’économie de la loi du 4 mars 1870” (Pasicrisie … 1899, p. 71). Het gaat hier om de affaire van de Eglise libérale réformée te Brussel, ontstaan in 1881 en door de overheid in 1888 erkend, na een partijtje armworstelen met de Synode, leidend tot een ontheffing van de bevoegdheid van de Synode over de financiën van deze kerk; door de Synode wordt dit gezien als een inbraak van de Staat op het gebied van de Kerk (a oVerbeeKe, De overheid en de grondrechtspositie (2005), p. 640; andry, Histoire du Synode (1889), pp. 110-111). Hier lijkt inderdaad iets op een ander niveau te zijn geritseld (cf. de groof, Juridische ordening (1984), p. 94). Het probleem blijkt ook uit de stoplichtrelatie met de opvolgers van de Bond van Protestants-Evangelische Kerken.
Dan komt in 1830 de door Frankrijk getriggerde 239 en gesteunde 240 revolte – de uitkomst wordt duidelijk als de koninklijke troepen besluiten het bloedvergieten te beperken 241. Je zou kunnen vermoeden dat bij deze revolte niet aan de verhouding van Kerk en Staat werd gedacht, maar dat is onjuist: belangrijk bindmiddel tussen katholieken en liberalen is de weerzin tegen twee aspecten van de politiek van koning Willem, namelijk zijn strakke hand in kerk en onderwijs en in de persvrijheid242. Reeds op 16 X 1830 volgt het Besluit van het Voorlopig Bewind om de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid te beschermen. Terwijl de Rooms-katholieke Kerk beter af is dan vóór 1830, blijft voor de protestants-evangelische 243 gemeenschap de gunstige regeling 244 van het Verenigd Koninkrijk gelukkig 245 in grote lijnen behouden. De Belgische Grondwet paart het steunregime (huidig art. 181)
239 goedLeVen, Hotel Errera (2003), p. 40.
240 goedLeVen, o.c., p. 50.
241 goedLeVen, o.c., pp. 44-45, 48.
242 Voor een kort overzicht, zie panafit, Quand le droit écrit l’Islam (1999), pp. 35-40.
243 ‘Protestants-evangelisch’ is een typisch Belgische benaming voor het geheel van de familie die historisch en/of confessioneel bepaald is door de Reformatie. De term ‘protestants’ (Latijn pro - testari, ‘getuigen voor’) stamt uit 1529: toen de Rijksdag van Spiers het verder invoeren van de Reformatie verbood, dienden de aanhangers van Luther een ‘protestatie’ in, een getuigenis voor de inzichten van de Reformatie (hiebSch, Lutherse Reformatie (2017), p. 49).
De term ‘evangelisch’ (Grieks εὐαγγελικός, in christelijke middens om te beginnen ‘i.v.m. de Evangeliën’ (tweede eeuw, Aristides, Fragmenta 15.2); later ‘gericht op Gods goede nieuws’; het is het adjectief bij εὐαγγέλλιον, dat in de algemene betekenis ‘goed nieuws’ vreemd genoeg voor het eerst opduikt in een brief van Cicero, Ad Atticum II 3.1; zie voor het Nieuwe Testament Van bruggen, Romeinen (2006), pp. 29-30) is in de kerkgeschiedenis voortdurend gebruikt voor tendensen om terug te keren naar de mainstream van het christendom door de eeuwen heen. Volgelingen van Luther spraken over zichzelf als ‘evangelici’, en dat in onderscheiding van de ‘pontifici’; de opwekkingsbeweging van Wesley en de herleving in de Church of England; de orthodoxie binnen de Église de France (runia, ‘Evangelischen’ (1986); wynantS, Autres cultes (1986), p. 74; ehmann, Study of Evangelicalism (2024), p. 278).
244 De regeling is gunstig; kwantitatief gaat men er behoorlijk op achteruit door het vertrek van de noorderlingen. Zie boudin, Relations (1975-1976), pp. 478-497.
245 De situatie is in diezelfde tijd in Frankrijk veel ongunstiger: carLuer, Liberté de dire (2015), pp. 48-51.
aan organisatievrijheid (huidige artt. 19 en 21 246). Nadat de Grondwet op 7 II 1831 is vastgesteld, arriveert op 21 VII 1831 koning Leopold I te Brussel. Hij is protestant 247, maar dat heeft dus geen invloed gehad op de regeling.
De koning legt de eed af op de Grondwet, België begint als constitutionele monarchie 248 .
Voor de toepassing van het steunregime moet er wel wat structuur worden gecreëerd. De overheid wenst een valabele gesprekspartner te hebben, zeker nadat zich een lastige benoemingskwestie had voorgedaan in de anglicaanse kerkgemeente te Oostende: hoe kan de overheid weten wie van de twee pretendenten gelijk heeft, als er geen kerkelijk orgaan met gezag kan meedelen wíe er benoemd is? Daarop komt immers de vraag neer die ridder
De Theux, minister van Binnenlandse Zaken 249, op 18 XII 1838 stelde aan alle protestantse (incl. anglicaanse) kerkgemeenten 250
Zo wordt tijdens een bijeenkomst van afgevaardigden van kerkenraden op 22 en 23 IV 1839 251 de Bond van Protestants-Evangelische Kerken van het
246 De omschrijving van de organisatievrijheid in dit artikel lijkt een door de historische omstandigheden van 1831 bepaald merisme. Het gaat in de praktijk vooral om het aanstellen en ontslaan van vertegenwoordigers van de eredienst. Voor een overzicht, zie de pooter, Rechtspositie (2003), pp. 73-83.
Deze organisatievrijheid blijkt eveneens uit (huidig) art. 10, waar de bedienaren van de eredienst niet worden genoemd (dat lijkt een argumentum e silentio, maar zie boudin, Relations (1975-1976), p. 469). Het niet toelaten van bedienaren van de eredienst afkomstig van buiten de EER voor geloofsgemeenschappen niet-gefinancierd door FOD Justitie (art. 57,1º jº art. 17 eerste lid, 14º BVR 7 XII 2018) is hierop dus een inbreuk (cf. GwHof 19 XII 2019, 203/2019, §B.33.1-2).
247 braeKman, Histoire du Protestantisme (1988), pp. 101-102.
248 LuyKx, Politieke geschiedenis (1973), pp. 58, 60.
249 Door het KB van 4 VI 1840 werd de minister van Justitie bevoegd voor de erediensten, omdat de minister van Binnenlandse Zaken ook bevoegd was voor de gemeentebesturen en zo gemakkelijk in deze materie met zichzelf in conflict kon komen.
250 Zie voor deze problematiek boudin, Relations (1975-1976), pp. 645-649.
251 Dit is weliswaar ná het Verdrag van Londen van 19 IV 1839, maar toch wel érg kort erna. Het Verdrag hing echter al in de lucht vanaf 1831. Het wordt gestemd op 19 III 1839, ondertekend op 19 IV 1839). Iedereen wacht dat dus af (andry, Histoire du Synode (1889), pp. 10-11), maar braeKman, Histoire du Protestantisme, pp. 108-109, 114-118, vermeldt voorbereidingen voor een Synode vanaf 1832.
Als gevolg van het Verdrag van Londen werd tot België behorend Limburgs territorium aan Nederland overgedragen. Daarom zullen we nooit weten wat de verhouding zou zijn geweest tussen het Provinciaal Kerkbestuur van Limburg en de Bond van Protestants-Evangelische Kerken van het Koninkrijk België (zie boudin, Relations (1975-1976), pp. 597-626; a. oVerbeeKe, De overheid en de grondrechtspositie (2005), pp. 637-638).
Koninkrijk België opgericht als vertegenwoordiger van de gefinancierde kerkgemeenten. Dit is een bont gezelschap, zoals Braekman opmerkt: “verdeeld in aanhangers van het Réveil, zendelingen en piëtisten enerzijds en traditionalisten, deïsten en volgelingen van Schleiermacher anderzijds252”.
Het gaat om de volgende actieve kerkgemeenten: Antwerpen, Brussel, Doornik, Dour, Gent, Luik 253, Maria-Horebeke, Verviers-Hodimont 254. Dat zijn er dus acht 255 .
Terwijl art. 15 voorziet dat “Le Synode s’occupe de tout ce qui peut intéresser les Eglises protestantes évangéliques du Royaume de la Belgique faisant partie de l’Union” (dus met beperking), wordt dit compleet ingehaald door art. 40, waar men het volgende voornemen formuleert.
Le Synode invitera immédiatement le Gouvernement qu’à dater de ce jour, il reconnaisse le Synode comme seule Autorité ecclésiastique des Eglises protestantes évangéliques de la Belgique et que toutes ses décisions soient considérées comme l’expression de la volonté de ces dites Eglises protestantes.
252 braeKman, 150 jaar (1981), p. 4.
253 Vanwaar het grote verschil tussen ‘Luik’ en ‘Liège’? De basis is leod-, ‘(vrije) lieden) (cf. Lat. līber, Gr. ἐ-λεύθ-ερος); met licht suffix Leodium; > door palatalisatie Ledzjium > Fr. Liége > (na Tweede Wereldoorlog) Liège; met zwaar suffix Leodicum > door wegvallen intervocale d Ndl. Luik; > door tweemaal tweede Germaanse klankverschuiving Duits > Lüttich
254 Historisch de kerkgemeente van Hodimont, opvolgster van die van Limbourg (boudin, Synodaal Gedenkboek (1992), p. 167; Collinet 62-67, 107; nota bene: het gaat om het stadje Limbourg, naamgever van de noordelijker gelegen provincies Limburg).
255 andry, Histoire du Synode (1889), p. 138 (acht kerken, tien gemeenschappen, aangezien Antwerpen zowel een Duitse als een Nederlands-Franse afdeling had en Brussel zowel een Franse als een Duitse); dedye, Eeuw evangelisatie (1937), p. 1; moLinghen, L’unité du protestantisme belge (1961), pp. 18-25, spreekt in 1960 over zeven van de tien of elf kerkgemeenten; braeKman, De l’Union des Eglises à l’Eglise Protestante de Belgique (1984), p. 60 n. 29.
Deze lijst komt redelijk overeen met de voor het territorium van het latere Koninkrijk België genoemde kerkgemeenten van het Provinciaal Kerkbestuur van Limburg, m.u.v. Dalhem (dat viel onder Eijsden (ten zuiden van Maastricht)), Luik (dat ontbreekt in de lijst van koning Willem; zie over deze kerkgemeente boudin, Relations (1975-1976), pp. 281-287) en Rongy, dat eertijds belangrijker was dan Doornik.
Deze vertegenwoordiging gaat verder dan alleen de kerkgemeenten met gefinancierde predikantsplaats, want er bestaan in die tijd al meer kerkgemeenten op Belgisch grondgebied. De spanning tussen beperkte vertegenwoordiging van de gefinancierde kerkgemeenten en de algemene vertegenwoordiging van de gehele protestants-evangelische gemeenschap zit er dus vanaf dat ogenblik al in256. Dit voorstel gaat met een vraag om koninklijke goedkeuring naar de bevoegde minister, maar die is van mening dat dit niet compatibel is met de Grondwet. Op 6 V 1839 stuurt De Theux zijn rapport aan de koning. Hierin neemt hij op: “Le synode établi par cet acte d’union est chargé … de demander que le gouvernement le reconnaisse comme seule autorité ecclésiastique des églises protestantes de Belgique257”. De minister stelt voor dat de koning gewoon laat weten dat de Synode erkend is. Het is onder dát rapport dat de koning “approuvé” schrijft en zijn handtekening zet 258. De minister laat dit op 18 V 1839 weten.
il a plu au Roi de décider ... que le synode de l’Union des églises protestantes de Belgique ... sera désormais considéré par son gouvernement comme seule autorité ecclésiastique des églises protestantes de Belgique, et que les décisions dudit synode seront regardées comme l’expression de la volonté de ces églises259
De koning moet dus ergens tussen 6 en 18 V 1839 hebben getekend. Dan komt er een mooi perkament, ondertekend namens zestien kerkgemeenten. Het is moeilijk te achterhalen wat de verhouding was tussen de acht en de zestien kerkgemeenten 260 .
256 Zoals bevestigd door prof. boudin, mondeling, Brussel, 17 X 2014; cf. boudin, o.c., p. 667. Andere lezing bij a oVerbeeKe, Synode de l’Église Protestante Unie de Belgique (1991), pp. 9-10.
257 Recueil des circulaires (1852), p. 250; ook in rochedieu – oppeLt, Code protestant (1880), p. 58, zij het met meer hoofdletters.
258 Recueil des circulaires (1852), p. 252; ook in rochedieu – oppeLt, o.c., p. 59.
259 Recueil des circulaires (1852), p. 252; ook in rochedieu – oppeLt, o.c., p. 58, zij het met meer hoofdletters.
260 Het gaat om de volgende acht niet (vergadertechnisch) actieve kerkgemeenten.
- Bergen: hoorde bij Dour, stierf kort daarop uit (braeKman, 150 jaar (1981), p. 4);
- Pâturages: hoorde bij Dour; cf. boudin, Synodaal Gedenkboek (1992), p. 141; geen vergadertijger?;
Ál te enthousiast zijn deze kerkgemeenten niet over deze eenheidsstructuur, want een systeem met provinciale consistories als rechtspersonen ziet men in 1857 niet zitten, omdat dit de confessionele autonomie zou aantasten; dit leidt uiteindelijk tot het systeem van de rechtspersoonlijkheid op het niveau van de kerkgemeente in 1870 261. Als gevolg daarvan wordt met de oprichting van het Centraal Comité van de Anglicaanse eredienst door het KB van 17 I 1875 de anglicaanse eredienst als afzonderlijke eredienst beschouwd 262 .
Koninkrijk België, twintigste eeuw
Op 2 VIII 1914 laat Duitsland aan België weten dat het zich verplicht ziet België binnen te vallen om het Franse leger tegen te houden dat via België op weg naar Duitsland zou gaan en verzoekt België om welwillend het Duitse leger te laten passeren. Als België zich vijandig zou opstellen, tsja, dan zal het ervan afhangen wie militair het sterkst is 263. Frankrijk laat na de beloofde steun te verlenen en beperkt zich ertoe België op te dragen de Duitsers op te vangen
- Rongy: hoorde bij Doornik; cf. boudin, o.c., p. 151; geen vergadertijger?;
- Olne: hoorde bij Verviers-Hodimont; voor deze kerkgemeente is wel afzonderlijk getekend door de predikant van Verviers-Hodimont; uitgestorven (braeKman, ibid.); cf. wynantS, Autres cultes (1986), p. 116;
- Dalhem: hoorde bij Verviers-Hodimont; voor deze kerkgemeente is wel afzonderlijk getekend door de predikant van Verviers-Hodimont; uitgestorven (braeKman, ibid.); wynantS, o.c., p. 111;
- Spa: hoorde bij Verviers-Hodimont; uitgestorven (braeKman, ibid.); wynantS, o.c., p. 117; - Hoei: hoorde bij Luik; uitgestorven (braeKman, ibid.; cf. Id., Le protestantisme à Huy (1985), pp. 166-167); wynantS, o.c., p. 112; Hoei ontbreekt in boudin, Relations (1975-1976), pp. 667-668 (spreekt p. 668 over “ces quinze églises”), maar is wel opgenomen in id., Synodaal Gedenkboek (1992), p. 212 (met “deze zestien Belgische Protestantse Kerken”);
- Dendermonde: hoorde bij Gent; uitgestorven (braeKman, ibid.).
Het discussiepunt is algemeen bekend. Zo schrijft boudin, 1839 – 150 jaar (1989), p. 1 (cursief oorspronkelijk vet): “In tal van boeken leest men dat er toen slechts acht kerken bestonden. Niets is minder waar: er waren er zestien.” Ik heb hier geprobeerd de verhouding te ontleden tussen de beide versies (de ene vooral van buiten, de andere vooral van binnen de groep ‘met de koninklijke erkenning’, maar ook andry, Histoire du Synode (1889), p. 138, spreekt over acht).
261 wynantS, o.c., p. 105.
262 De Wet van 4 III 1870 vermeldt niet de anglicaanse eredienst; de financiering van de predikantsplaatsen van de anglicaanse kerkgemeenten dateert van 1835 (binnen de ‘cultes protestans’). Zie a oVerbeeKe, De overheid en de grondrechtspositie (2005), pp. 544-546. Zelfs in het Budget du Ministère de la Justice pour l’exercice 1901, pp. 16-17, wordt nog gesproken over de “Culte protestant et anglican / Hervormde en Anglicaansche eeredienst”.
263 gaLet, S.M. le Roi Albert (1931), pp. 40-41; cf. p. 80.
zodat er minder Fransen zouden sneuvelen 264. Het belang van de Eerste Wereldoorlog voor de groei van het Belgisch protestantisme is groot, o.a. door de sympathie die is opgebouwd voor “poor little Belgium 265”. Er verandert echter niets in de verhouding tussen Kerk en Staat 266. De nieuwe spelers op het veld hebben waarschijnlijk weinig belangstelling voor structurele samenwerking 267, zijn in ieder geval niet betrokken bij de oprichting, in 1923, van de Federatie der Protestantsche Kerken van België , die een rol zou moeten spelen bij algemeen-protestantse aangelegenheden, maar niet zozeer t.o.v. de overheid268. Wel ontstaat in 1931 in de schoot van de Federatie de commissie voor de radio-uitzendingen 269. De Belgische Evangelische Zending is hierbij niet betrokken en heeft dus geen zeggenschap gehad in de radio-
264 gaLet, o.c., pp. 103-104.
265 Cf. prinS, From Hope to Hardship (2025), p. 61.
266 Men kan daarbij nog denken aan de contacten van de Nortons met het koninklijk huis en met ministers (zie prinS, o.c., pp. 33-35, 42, 52-53, 55-56), maar dat was niet structureel. De aalmoezeniersdienst verloopt langs de gebruikelijke lijnen: aalmoezeniers vanuit verschillende denominaties, contact met de overheid (id , Protestanten in de loopgraven (2014), p. 146).
267 De BEZ stond niet erg open voor samenwerking: men ging uit van het principe ‘On n’est jamais si bien servi que par soi-même’ en zowel de Bond van Protestants-Evangelische Kerken als de Eglise Chrétienne Missionnaire Belge werden als vrijzinnig gezien. Toegegeven moet worden dat ook V. Hepp (Lorein, Thema van de Antichrist (1997), p. 40) dat zo zag (prinS, From Hope to Hardship (2025), p. 58); hetzelfde geldt voor A. Kuyper (de raaf, Kuyper (1987), p. 5). Zie verder prinS, o.c., pp. 140-141, 171-173, 188.
268 Voor de voorgeschiedenis, zie braeKman, De l’Union des Eglises à l’Eglise Protestante de Belgique (1984), pp. 56-57. Het doel was “d’assurer une coopération fraternelle et harmonieuse des forces protestantes de Belgique dans toutes les questions d’intérêt commun, dans les œuvres inter-ecclésiastiques, dans la solution des problèmes nationaux d’ordre moral et spirituel, dans les relations avec l’étranger et notamment avec l’Amérique” voor de Bond van Kerken en de Zendingskerk (hendricK – moreau, Inventaire des archives de la Fédération des Églises Protestantes de Belgique (2018), p. 9). Andere denominaties traden later toe: de Protestantse Liberale Kerk (1931), de Methodistische Conferentie (1932), de Unie van Baptistische Kerken (1953), de Gereformeerde Kerken (1953) (hendricK – moreau, o.c., pp. 10-11, 14), de Deutschsprachige Evangelische Gemeinde in Belgien (hendricK – moreau, o.c., p. 15) en de Mennonietenzending (als observator; ibid.).
Belangrijk ‘wapenfeit’ is het standpunt rond de Jodenvervolging in Duitsland in 1933 (hendricK – moreau, o.c., pp. 10-11).
Er waren werkgroepen rond: radio-uitzendingen (zie verder), jeugd, zondagsscholen, onderlinge hulp en diaconie, evangelisatie, zending, sociale dienst voor vreemdelingen en migrantenarbeiders, relaties met Jodendom, ontwikkelingssamenwerking, … (hendricK –moreau, o.c., passim).
De Federatie wordt opgeheven de dag na het ontstaan van de VPKB (S. SimonS, mondeling, 30 V 1995). De vzw (opgericht in 1971) blijft wel voortbestaan, onder de naam Uniprobel.
269 De vzw APRT wordt in 1958 gesticht (hendricK – moreau, o.c., pp. 10, 12-13).
uitzendingen 270. In 1950 vraagt de Synode van de Eglise Chrétienne Missionnaire Belge aan de Bond van Protestants-Evangelische Kerken om de organisatie van de aalmoezeniersdiensten en het godsdienstonderwijs over te hevelen naar de Federatie 271. Dat gebeurt niet, maar in 1952 volgt de oprichting van de Generale Adviserende Raad voor de Betrekkingen tussen de Protestantse Kerken en de Staat 272, zelden vermeld in de geschiedschrijving. Deze Raad ( Corps des Conseillers )
… bestond uit de leiders van alle in België gevestigde Protestantse Kerken. Had als opdracht de zaken van gemeenschappelijk belang voor het Belgisch Protestantisme, met name: Onderwijs en opvoeding. Aalmoezenierschappen van leger, strafinrichtingen en aanverwante centra, rijkspsychiatrische instituten, ziekenhuizen, hospitalen, rusthuizen, Kongolese weermacht. Radiouitzendingen. Persmededelingen. Enz… 273 .
Rond de oprichting is er actief verzet van de Belgische Evangelische Zending: samenwerking was alleen mogelijk als men de geloofsbelijdenis van de BEZ als basis zou nemen. Odilon Vansteenberghe, een van de weinige Vlamingen binnen de werking van de BEZ, heeft een aantal gereformeerde broeders nog de pin op de neus gezet om detailverschillen met de BEZ uit te vergroten 274 . John Winston sr. en dr. Miner B. Stearns zagen wel mogelijkheden 275. Blijkbaar haalt Vansteenberghe bakzeil, want in 1954 wordt de samenstelling van de Adviserende Raad als volgt omschreven: “Samengesteld uit de Synodale directie van de Bond van Protestants-Evangelische Kerken276, en de predikanten: B.W. Ganzevoort [Gereformeerd], E. Jéquier [Zendingskerk], W. Thonger [Methodist] en [jawel] O. Vansteenberghe”, met als taak “Het onderzoek van alle zaken welke van gemeenschappelijk belang zijn voor het Belgische protestantisme, met name de volgende instellingen van den
270 D.D.J. Quatannens, mondeling, 3 XII 1996.
271 Rapports annuels, Synode ECMB 1950-1951.
272 prinS, Belgian Gospel Mission (2015), p. 293.
273 Cv van D.D.J. Quatannens, die het secretariaat waarnam van 15 XI 1953 tot 31 XII 1959.
274 prinS, Belgian Gospel Mission (2015), pp. 291-295.
275 J.K. Overbeeke noemde Vansteenberghe een havik, Winston een duif; mondeling, 4 II 1994.
276 In 1954 bestaande uit ds. M. Schyns, ds. P. Fagel, ds. H. De Worm, ds. P. De Haan, ds. F. Crassaerts, ds. E. Pichal, G. Vandezande (J.K. oVerbeeKe, Jaarboek (1954), pp. 89-90).
Staat: Onderwijs, Aalmoezenierschap van het leger, de gevangenissen, de weermacht in Congo, de radio, enz.”277. Dit orgaan is dus gericht op de relaties met de overheid, terwijl de Federatie veeleer gericht was op de relaties met de maatschappij. De Adviserende Raad erkent in 1957 het BijbelinstituutBelgië 278 (voorloper van deze faculteit, maar toen nog onderdeel van de Belgische Evangelische Zending).
Binnen de Bond van Protestants-Evangelische Kerken van België heeft in datzelfde jaar, op 19 VI 1957 een belangrijke aanpassing plaatsgevonden. In plaats van de verzameling van kerken met gefinancierde predikantsplaats werd het een echte denominatie, bevestigd door de nieuwe naam: ProtestantsEvangelische Kerk van België 279. Daardoor verliest deze constructie constitutioneel haar positie als representatief orgaan 280, maar dat maakt in de praktijk niet uit.
De Adviserende Raad beëindigt zijn werkzaamheden eind 1959, misschien doordat de fusiegesprekken met de methodisten tot wrijving met andere denominaties hadden geleid 281, misschien al door de wijziging van opzet. Het verdwijnen van de Adviserende Raad is een stap achteruit voor alle kerken die niet behoren tot de Protestants-Evangelische Kerk van België en zo is er in 1960 de vraag de Fédération nieuw leven in te blazen (die
277 J.K. oVerbeeKe, o.c., p. 92. Bevestigd door D.D.J. Quatannens, mondeling, 3 XII 1996, in de zin dat de BEZ wel degelijk betrokken was bij aanstellingen van godsdienstleerkrachten en aalmoezeniers.
278 prinS, Belgian Gospel Mission (2015), p. 294 n. 81.
Hierop volgt de erkenning door de Protestantse Kerk van België (vanaf 28 V 1971), met een bevestiging vanwege het Ministerie in een brief van 23 III 1973 (van Bestuur Personeel aan dienstchefs), op basis van het KB van 7 VIII 1964 (zoals gewijzigd op 24 III 1967, ter aanvulling van het KB van 15 V 1958), dat bepaalt dat de ministers in overleg met het hoofd van de eredienst bepalen wie die diploma’s mag uitreiken; art. 2 van het KB van 1964 bepaalt dat dit uitwerking heeft vanaf 1 I 1951.
De diploma’s voor het protestants godsdienstonderricht in de lagere graad, gegradueerde in de godsdienstwetenschappen en geaggregeerde voor het protestants godsdienstonderricht in het lager secundair onderwijs van het BIB zijn met terugwerkende kracht vanaf 1 X 1964 erkend door het Participatiedecreet van 19 III 2004.
De licentie en het doctoraat van de ETF zijn meteen van overheidswege erkend door het KB van 3 VI 1983 (ter uitvoering van de Wet van 21 I 1963 tot wijziging van de Wet van 11 IX 1933). Het ETF-programma begon in 1981 en er zijn dus geen studenten afgestudeerd voordat de erkenning er was.
279 braeKman, De l’Union des Eglises à l’Eglise Protestante de Belgique (1984), p. 60.
280 braeKman, 150 jaar (1981), p. 18.
281 D.D.J. Quatannens, mondeling, 3 XII 1996.
een beperkter samenstelling kende, dus geen kerken zonder structuur of zonder besef van toebehoren tot een groter geheel) 282, in 1972 het voorstel om het Corps des conseillers opnieuw te installeren om advies te geven over godsdienstleerkrachten en aalmoezeniers 283 en in januari 1974 de vraag inspecteurs en aalmoezeniers van de Église Réformée de Belgique en de Gereformeerde Kerken mogelijk te maken 284
Ondertussen werd er in scholen van het officieel onderwijs285 protestants godsdienstonderwijs ingericht, al vanaf 1925286. Door het Schoolpact van 20 XI 1958 (uitgewerkt in de Schoolpactwet, gepubliceerd op 19 VI 1959) 287 werd dit uitgebreid tot alle scholen van het officieel onderwijs, zodat daar, naast de toen nog neutraal geachte 288 cursus niet-confessionele zedenleer, onderricht werd gegeven in de op dat ogenblik erkende godsdiensten 289. Zo krijgen die erediensten de gelegenheid om aanwezig te zijn in de maatschappij en kunnen school en maatschappij op een goede wijze omgaan met religie en levensbeschouwing 290
In 1987 wordt de Evangelische Alliantie Vlaanderen (EAV) als vzw georganiseerd om haar leden te vertegenwoordigen bij officiële instanties en de Verenigde
282 moLinghen, À propos de l’unité (1961); herhaald in brief van ECMB, 24 I 1967. braeKman, De l’Union des Eglises à l’Eglise Protestante (1984), p. 62.
283 Synodeverslag Protestantse Kerk van België, 1-3 VI 1972, p. 23.
284 Commission de contact, januari 1974, pp. 4-5.
285 In Nederland bekend als ‘openbaar onderwijs’.
286 Liagre, Voorlopers van de Gaspard de Colignyschool (2009), p. 52, spreekt voor 1900 over gemeentelijk onderwijs in Roeselare en La Bouverie en voor 1930 over “in gemeentescholen en stadsscholen overal”. braeKman, 150 jaar (1981), p. 17, zegt: “Reeds in 1925 organiseerden de protestanten godsdienstlessen in de Rijksscholen. […] Bij de toepassing van het Schoolpact in 1960 werden deze lessen uitgebreid tot alle officiële scholen, ook de provinciale en gemeentescholen.” Dit jaartal wordt bevestigd door hendricK – moreau, Inventaire des archives (2018), p. 9. Over deze beginperiode is weinig bekend. Zie voor de houding van de Belgische Evangelische Zending in dit dossier prinS, From Hope to Hardship (2025), pp. 130-131.
287 Zie verder Lorein, Lang leve het schoolpact! (2023), p. 479.
288 Dat veranderde door het arrest-Sluijs van de Raad van State, nr. 25.326 (14 V 1985); zie VerStegen, Een nieuw vak? (2002-2003), pp. 273-274.
289 Het gaat om de cursussen Joodse godsdienst, Katholieke godsdienst en Protestantse godsdienst. De islam wordt pas erkend met de Wet van 1974, de Orthodoxe Kerk door de Wet van 17 IV 1985. Een afzonderlijke cursus Anglicaanse godsdienst wordt in de Vlaamse Gemeenschap ingericht vanaf de communautarisering van het onderwijs (1988), omdat men alle afzonderlijk erkende erediensten gelijk wil behandelen.
290 Zie verder Lorein, Lang leve het schoolpact! (2023), pp. 480-483, 490-493.
Protestantse Kerk in België (deze naam stond vast sinds 19 VI 1976)291, later samen met de Fédération Évangélique Francophone de Belgique (1989)292. Het is pas dat initiatief dat heeft gezorgd voor een structurele verandering. Het is echter eigenaardig dat de Verenigde Protestantse Kerk in België hierover zo verbaasd was. Regelmatig werden immers bedenkingen geuit bij de functie van de Bond van Protestants-Evangelische Kerken in het Koninkrijk België als vertegenwoordiger van het gehele protestantisme 293. Dit bezwaar werd weliswaar kortstondig opgevangen door de Generale Adviserende Raad, maar werd echt problematisch in 1957 door de omvorming van een orgaan van kerkgemeenten met een overheidsgefinancierde predikantsplaats naar een gewoon kerkgenootschap. Tussen 1959 en 1978 werd deze spanning door enkele groepen opgelost door te fuseren met de Protestants-Evangelische Kerk van België of een van haar opvolgsters294. Het gaat allemaal niet zó snel: de VPKB is ervan overtuigd dat ze het wel goed doet, de andere partij in het Overleg van Protestants-Evangelische Kerken verliest een jaar door de totaal mislukte vergadering van 22 I 1992 (ergens in ditzelfde gebouw), slecht voorbereid door de voorzitter, gepolariseerd door het pas ter vergadering voorleggen van een voorstel en een totaal ongenuanceerde voorstelling van
291 Fusie van de Protestantse Kerk van België (naam van de Protestants-Evangelische Kerk van België na de fusie met de Methodisten), de Église Réformée de Belgique (nieuwe naam van de Église Chrétienne Missionnaire Belge) en de classis België van de Gereformeerde Kerken (Synodaal) (Lorein, Samen op Weg (1996), p. 20).
292 creemerS, All Together in One Synod? (2017), pp. 280-284; Simonet, Quels sont les buts? (1991), p. 16: “La ‘FEFB’ a pour but de représenter légalement les Eglises, mouvements et œuvres évangéliques francophones de Belgique et leurs intérêts en matière de : a) Cours de religion protestante, b) Aumôneries protestantes (prisons, hôpitaux, armée), c) Médias (émissions protestantes de radio-télévision, presse), d) Enseignement théologique reconnu, e) Prises de position d’ordre éthique, f) Enfance et jeunesse, g) Service social. Cette liste n’est pas limitative. ¶ Dans ce but, la ‘FEFB’ demandera à faire partie avec la EAV et l’EPUB d’un organisme regroupant l’ensemble du Protestantisme belge dans lequel chaque partie sera représentée équitablement.” Het voornemen wordt al vermeld in juli 1988: Lambotte, Vers une Fédération Évangélique Francophone (1988). De precieze oprichtingsdatum wordt vermeld in id., Fondation de la Fédération Évangélique Francophone (1989), p. 133: te Brussel op 2 XII 1989.
Het ging daarbij in eerste instantie niet om de financiering van predikantsplaatsen, al bestonden daarover meningsverschillen tussen zendelingen betaald dankzij een fiscaal gesteund Amerikaans of Nederlands thuisfront en mensen die generaties lang belasting in België hadden betaald. Zie verder creemerS, Evangelical Free Churches (2015), pp. 192-198.
293 Volgens art. 40 van de statuten van de Bond van Kerken. Zie a oVerbeeKe, Synode de l’Église Protestante Unie de Belgique (1991), pp. 7-13. Voor de eerdere voorstellen, zie de tekst bij nn. 271 en 282-284.
294 boudin, Synodaal Gedenkboek (1992), pp. 223-225.
het kerkelijk landschap, en bekroond door het plotse vertrek van de voorzitter die z’n trein moest halen.
Door veranderingen in de Vlaamse onderwijsregelgeving wordt in 1994 een commissie bestaande uit vertegenwoordigers van zowel VPKB als EAV en Verbond van Vlaamse Pinkstergemeenten bevoegd voor het Protestants Godsdienstonderwijs 295. Vanaf juli 2000 gaat deze commissie over alle aspecten van het godsdienstonderwijs 296 .
Voor het geheel van de relaties tussen Kerk en Staat is dan vooral geprobeerd te functioneren bínnen de erkende protestants-evangelische eredienst 297 en alleen toen dit door min. Wathelet werd afgewezen, is op advies van min. De Clerck de vraag naar een erkenning als afzonderlijke eredienst gesteld.
Daarna is een poging gedaan om het dossier vooruit te helpen door op 3 I 1998 een nieuw representatief orgaan op te richten dat is bedoeld voor de volledige protestants-evangelische eredienst 298: de Federale Synode van Protestantse en Evangelische Kerken in België. De minister, die ondertussen de getalsverhoudingen te velde kent299, voelt de spanningen oplopen en nodigt
295 creemerS, All Together in One Synod? (2017), pp. 287-289.
296 Van de waLLe – Vergouwe – nuLLenS, Wie tekent de aanstellingsbrieven? (2000), p. 13: “De denominaties, [sic] die eind 1998 het huidige Comité Inspectie/Begeleiding Protestants Godsdienstonderwijs bij overeenkomst in het leven hebben geroepen, zijn weer bij elkaar geweest en hebben een nieuwe overeenkomst getekend. Daarin staat dat het Comité erkend door de Vlaamse Gemeenschap in toepassing van het decreet van 1. 12.1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, ten overstaan van de Vlaamse Minister van Onderwijs zal optreden als de ‘bevoegde instantie van de godsdienst’. Die opdracht duurt voor de tijd van de erkenning, namelijk tot 31.12.2003.” Op die einddatum was het al een (paritaire) ARPEE-commissie geworden.
297 Zie voor overzichten creemerS, All Together in One Synod? (2017), pp. 293-298; id , ‘In de wereld, niet van de wereld’ (2022), pp. 35-38.
298 Fondation du Synode Fédéral (1997). Cf. Liagre, Gelovigen en Staatsburgers (2005), p. 85: “oorspronkelijk werd ook de Verenigde Protestantse Kerk in België uitgenodigd om in de structuur te stappen”; pp. 85-86: [de Federale Synode] “die volgens de oorspronkelijke opzet de rol van de Verenigde Protestantse Kerk in België als vertegenwoordigend | orgaan van het protestantisme naar de Belgische overheid toe zou overnemen.”.
Cf. art. 12 van de ontwerpstatuten: “De volgende denominaties kunnen op hun verzoek zonder meer toetreden tot de Synode: …” (o.a. de VPKB).
Het idee zou van de FEFB zijn gekomen (J.-L. Simonet, mondeling, Brussel, 29 III 2003).
299 Lorein – Simonet, Le protestantisme évangélique non-E.P.U.B. (1994), p. 386.
VPKB en Federale Synode uit voor een bespreking op 2 X 1998 300. Daarop volgen langdurige onderhandelingen, begonnen tijdens de ambtsperiode van justitieminister Van Parijs, waarbij enerzijds de Federale Synode301 de tegenhanger wordt van de VPKB, als verzameling van confessioneel protestants-evangelische denominaties, verenigd rond de geloofsbelijdenis van de World Evangelical Alliance, niet meer, niet minder302, en anderzijds de ARPEE wordt opgericht, maar dan zitten we al in de volgende eeuw.
Koninkrijk België, eenentwintigste eeuw
Op 9 XI 2002 keuren de Synode van de VPKB (te Torhout) en de Federale Synode (te Brussel, Staatsbladstraat) de oprichting van de Administratieve Raad van de Protestants-Evangelische Eredienst goed, die begint te functioneren op 1 I 2003 303. Op 26 V 2003 komt dan de brief van minister van Justitie Mark Verwilghen.
Ik neem akte van de oprichting van de Administratieve Raad van de Protestants-Evangelische Eredienst, welke als afsluiting mag worden beschouwd van lange maar succesvolle onderhandelingen tussen uw verschillende koepelorganisaties. De nodige instructies werden aan de administratie gegeven om in de toekomst dit nieuw orgaan als het representatieve orgaan voor de Protestants-Evangelische eredienst te beschouwen 304
300 fath, Cité de Dieu? (2005), p. 23: “En 1998, le ministère de la justice demanda à l’EPUB d’émettre des propositions de conciliation”. dandoy, Le protestantisme (2005), p. 102: “Il nous apparaît que le ministre de la Justice a poussé les protestants dans le dos pour que, malgré leur diversité, ils mettent en place un seul ‘organe chef de culte’”. Voor de datum: mondeling, St.-Genesius-Rode, 21 XI 1998.
301 Sinds 23 V 2022 ‘Federale Synode van Protestants-Evangelische Kerken in België’.
302 Een congregationalistisch model (maar haast in elke ecclesiologie binnen het protestantisme wordt de plaatselijke kerkgemeente als zelfstandig functionerend geheel gezien, al zal ze zich met andere kerkgemeenten samenvoegen in een ‘meerdere’ vergadering (‘denominatie’, ‘kerkgenootschap’) noemen), of charismatische invloed, of gereformeerde theologie is dus geen noodzakelijke voorwaarde. Het tegen elkaar uitspelen van de termen ‘protestants’ en ‘evangelisch’ is in de Belgische Kerkgeschiedenis in ieder geval zinloos.
303 Belpro, ARPEE-structuur, een feit! (2002).
304 Tekst volgens Nieuws uit de Synodale Raad (2003).
Met deze constructie behoren vandaag de dag (april 2026) 852 kerkgemeenten tot de erkende protestants-evangelische eredienst 305, waarvan er 134 een (gewestelijke 306) erkenning en een (federaal) gefinancierde predikantsplaats hebben.
Het geeft wel wat moeite om dat te managen. Helemaal zuiver en moeiteloos gaat dat nooit 307, maar we kunnen blij zijn met hoe het nu functioneert 308; de apostel Paulus vraagt ons om niet zomaar met onze vuisten in de lucht te slaan 309. Als je alleen maar met je vuisten in de lucht slaat, sla je nooit mis en doet het nooit pijn.
Er is meer werk voor de representatieve organen van de erediensten dan in de tijd dat alles wel vanzelf liep en er een organisatie was met veel ervaring en voldoende betaalde krachten. De overheid staat daartegenover, soms welwillend, soms negatief, dan weer overcompenserend, maar in ieder geval vaak onwetend en daarmee vaak onhandig310. Voor een goed overleg bij eventuele problemen en bij behoefte aan coördinatie is een gesprekspartner nodig. Bij ons is dat dan de Administratieve Raad van de ProtestantsEvangelische Eredienst (de ARPEE), met zijn twee vleugels, de Federale Synode van Protestants-Evangelische Kerken en de Verenigde Protestantse Kerk in België, want al hebben we dan allebei onze verbondenheid met de Reformatie, juist door de persoonlijke verantwoordelijkheid van de gelovige bij het lezen van de Bijbel is de beweging wat uit elkaar gewaaierd,
305 Vallen m.i. om dogmatische reden uit de boot die protestants-evangelische gemeenschappen die de geloofsbelijdenis van Schleitheim (zie n. 220) onverkort handhaven, aangezien de hele constructie van Federale Synode en ARPEE toch – minstens voor een belangrijk deel – gericht is op de relatie met de overheid.
306 Eventueel overgenomen vanuit een oudere erkenning bij KB uit de periode voorafgaand aan de overheveling van de materie van de eredienstbesturen naar de Gewesten per 2002.
307 Cf. Lombaard, Law and Faith (2021), p. 7: de verhouding tussen Kerk en Staat is “legislated differently in every democracy and applied with consistency in none”.
308 Lorein, Le régime des cultes (2021); dit gaat uiteraard in tegen het adagium Fiat iustitia, pereat mundus.
309 Cf. creemerS, Protestanten verenigd (2018), pp. 16-17. Een voordeel van het tweevleugelsysteem is dat niemand afwezig kan blijven van de vergaderingen. Afwezigheid zou een reëel risico zijn geweest bij vierentwintig deelnemers.
310 Zie Lorein, Régime des cultes (2021), p. 3.
waardoor we niet meer in één kerk kunnen zitten: de ene vleugel is immers veeleer confessioneel, de andere veeleer pluralistisch. Wel kunnen we in één representatief orgaan zitten, en ik meen te mogen zeggen dat we daarin met vallen en opstaan toch wel een modus vivendi hebben gevonden.
De Federale Synode is van mening dat men getuige moet zijn ten opzichte van politieke instellingen en geloofsgemeenschappen die niet helemaal (of helemaal niet) deugen, dat men mag opkomen voor zijn rechten en dat men ten dienste van het geheel van de maatschappij mag staan.
De Federale Synode is niet van mening dat we tegenover de overheid of de maatschappij in het algemeen moeten gaan staan. We zijn kritisch t.o.v. punten waar we kritisch moeten zijn, maar in het algemeen willen we ons loyaal ten dienste stellen van de Belgische samenleving. Ja, we geloven in het Koninkrijk Gods, maar daarom stellen we ons nog niet op als concurrenten van het Koninkrijk België.
Door de eeuwen heen zijn gelovigen (christenen), op basis van het Oude en Nieuwe Testament, erop gericht geweest om zich in te zetten voor de maatschappij en om als Kerk zich constructief op te stellen t.o.v. de Staat. De Bijbel reikt hiervoor het fundament aan, maar laat zeker ook ruimte om dit uit te werken. Dit is weliswaar niet in alle periodes even intensief gebeurd, soms door een te grote druk (intertestamentaire periode, Vroege Kerk), soms door een gebrek aan druk ( corpus Christianum ), maar ik meen te mogen zeggen dat we daarin nu redelijk zijn geslaagd. Tegelijk zijn er tendensen in de maatschappij die de overheid ertoe willen bewegen minder ruimte te laten voor levensbeschouwing in de samenleving. Het gevaar lijkt te komen van links en van rechts (maar wat is links en wat is rechts?), ook van populisme311, van mensen die zichzelf tot een meerderheid rekenen, al dan niet terecht 312 . Het zou goed zijn tot de formulering van een nieuw uitgangspunt te komen, waarbij duidelijk ruimte wordt gecreëerd voor het levensbeschouwelijke, zonder maar enigszins de ene of de andere levensbeschouwing aan iemand op te dringen.
De hoofdrepresentanten van de erediensten in België (ook wel de ‘chefs de culte’ genoemd) zijn regelmatig geconfronteerd geweest met de verwachting dat men zou instemmen – zoals het een ‘decente’ eredienst betaamt – met de uitspraak dat ‘godsdienst nooit boven de wet staat’. Aangezien deze mensen zeker bereid zijn om zich in te zetten voor de maatschappij en de eerste minister daarbij dus geen stokken in de wielen willen steken, leek inschikkelijkheid in eerste instantie aangewezen – met Bijbelgedeelten als Romeinen 13 in
311 D.w.z. de poging om met een kunstmatig onderscheid tussen het volk en de elite het morele monopolie op te eisen om als enige de vertegenwoordigers te zijn van ‘het volk’, met uitschakeling van alle andere geluiden (J.W. Muller, geciteerd in RD 13 XI 2018). Zie verder bangura, “For Such a Time as This!” (2025), pp. 23-27.
312 En dan nog geldt dat minderheden moeten worden beschermd op het vlak van grondrechten.
het achterhoofd – maar na een ontmoeting met de eerste minister hadden ze toch door dat ze zich hierop te snel hadden laten pakken. De bereidheid en inschikkelijkheid bleven, maar er was een betere verwoording nodig. Een eerste poging in die richting verscheen in 2020313. Tegelijk bestond het inzicht dat heel vaak de wet niet primeert, bij allerlei mensen. We houden rekening met de praktische, fysieke mogelijkheden (we rijden niet naast de brug), met de algemene regels (jawel, we proberen rechts te rijden) én met concrete, individuele omstandigheden (we rijden niet tegen de afsluiting aan en proberen plots overstekende voetgangers te vermijden). Professor Christians gebruikt hier de term ‘internormativité’ van recht en persoonlijke (ook religieuze) redenen. Dat is geen pleidooi voor totaal individualisme, maar evenmin voor een blind gehoorzamen aan wetgeving of andere al dan niet democratisch voorgestelde (en eventueel steeds wisselende!) regels. Er zit een spanning op heel het gebeuren, recht en samenleving is geen exacte wetenschap. Het Belgisch recht geeft ruimte aan de godsdienst; de Bijbel spreekt over gehoorzaamheid aan de overheid. In geen geval wordt van ons verwacht dat we als een robot gehoorzamen, aan de overheid noch aan God. In elke situatie, met haar eigen feitelijkheid, doet het recht een beroep op onze verantwoordelijkheid 314. We zullen daarbij bereid moeten zijn om voor de kosten op te draaien, zoals Socrates, die enerzijds meent dat men het contract met de staat – en dat contract bestaat, aangezien men niet is geëmigreerd –niet mag verbreken en dat men zich dus aan het gerecht moet onderwerpen – in de wet erkent hij de stem van de godheid –, maar die anderzijds weigert om een opdracht van de overheid uit te voeren, met het gekende gevolg: de gifbeker 315
Na de formulering van 2020 valt te overwegen: ‘Godsdienst staat nooit boven de wet als die wet tot stand is gekomen met respect voor de grondrechten, inzonderheid voor de godsdienstvrijheid316’ / ‘De wet staat nooit boven de godsdienst als die niet tot stand is gekomen met respect voor de grondrechten, inzonderheid voor de godsdienstvrijheid’. De spanning blijft
313 Lorein, ‘Religion never stands above the law’ (2020).
314 chriStianS – dupret, Droit et religion (2010).
315 meiJer, Socratisch schimmenspel (1974), pp. 242-245, 248.
316 Cf. böcKenförde, Staat – Gesellschaft – Kirche (1982), p. 64.
dan echter bestaan. We zullen moeten praten over: tolerantie en neutraliteit; grondrechten; scheiding van Kerk en Staat.
Het begrip ‘tolerantie’ bevat zowel ‘afwijzen’ als ‘aanvaarden’; wat je tolereert, wijs je eigenlijk af, maar in de praktijk aanvaard je dat het bestaat. Tolerantie hoeft dus niet te leiden tot het niet meer durven uiten van het eigen standpunt 317 . Hirsch Ballin voegt daaraan toe: “dat men de onbelemmerde bestaansmogelijkheid van zulk pluralisme wenselijk acht, behoeft uiteraard niet te betekenen dat men verschil van inzicht in fundamentele vragen als waarde op zichzelf beschouwt 318”.
Idealiter is de overheid niet ‘tolerant’ (zij kan immers niet afwijzen of aanvaarden), maar ‘neutraal 319’. Burgers hoeven daarentegen niet neutraal te zijn (kúnnen dat wellicht niet): zij hebben hun mening en mogen die uiten. Kan die neutraliteit dan nog door iets anders worden gedefinieerd? Ja, dat kan, op allerlei foute manieren. Het lijkt erop dat een neutrale overheid een zeker vacuüm inhoudt dat dan weer wordt ingevuld320. De politicus die niet toegeeft dat burgers hun eigen levensbeschouwing hebben die hun leven richting geeft, komt al snel in de verleiding om zijn eigen levensbeschouwing in het staatsbestel te pompen. Vanheeswijck omschrijft het als volgt.
Overheidsneutraliteit verder invullen in de richting van laïciteit, neutralisering en privatisering van religie of levensbeschouwing gaat in tegen de grondbeginselen van de liberale staat. Godsdienstvrijheid die opgesloten wordt in de privésfeer is een contradictie. Religieuze tradities kunnen immers maar bestaan bij gratie van een zeker publiek karakter. Zij nemen deel aan het publieke debat en kunnen, mits
317 Onder het motto ‘Het is fout om te zeggen dat een andere levensbeschouwing fout is.’.
318 hirSch-baLLin, Staat en kerk (1987), p. 13.
319 Evt. ‘onpartijdig’, maar dat woord lijkt toch tot een ander register te behoren.
320 Cf. het eerste deel (pp. 4-22, vooral p. 17) van berthoud, Visions globales (2022), en LiLLeaaSen, Religion In Norway (2022), pp. 96, 108, 110. Negatief voorbeeld: de stad Brussel promoot een educatief project op basis van “la méthode du libre examen” (Omzendbrief ED/ND – 2014-2015 – 01/54) – moeilijk voorstelbaar dat dit wordt gedragen door de volledige bevolking van Brussel (incl. Laken!).
voldoende democratische overtuigingskracht, hun opvattingen ook weerspiegeld zien in wetgeving. Dat is het vrije democratische spel. Het houdt daarom geen steek nog eens expliciet te formuleren dat de wet altijd boven religieuze overtuigingen staat 321
Haarscher, hoogleraar aan de ULB, waarschuwt tegen een invulling door een minderheid.
De manière très générale, il faut éviter que l’État, représentant l’intérêt général, soit monopolisé par une partie de la population. Tel est le cas dans les régimes totalitaires. L’État se doit donc d’être neutre, même si cette notion est complexe. 322
Dat klinkt goed, maar dit beginsel moet ook blijven gelden als dat ‘deel van de bevolking’ een meerderheid vormt.
Je kunt veronderstellen dat als je mensen op school persoonlijk hebt leren kennen, er gemakkelijker een zekere sympathie ontstaat (‘onbekend is onbemind’); maar dan wel ‘leren kennen’ met identiteit, en niet in een cleane neutrale 323 omgeving 324 . grondrechten
Een volgend aandachtspunt wordt gevormd door de grondrechten. Er zijn er tegenwoordig nogal wat. Basis behoort toch te blijven dat zij een afweer vormen tegen de overheid en niet een instrument van de overheid worden om tot eenheid te dwingen, zoals professor Jogchum Vrielink terecht opmerkt 325 . De klassieke grondrechten moeten dus voorrang hebben en mogen niet worden overruled door de nieuwere grondrechten die niet zozeer de burger
321 g. VanheeSwiJcK, in: Inleidend verslag (2018), p. 16.
322 g. haarScher, in: Inleidend verslag (2018), p. 18.
323 Cf. Van Stiphout, Een nieuw ‘neutraal’ vak? (2003-2004), pp. 213-214, 217-218.
324 e.J. thieSSen, In Defence of Religious Schools (2001), p. 233, noemt de parallel met de leraar wiskunde, die graag wil dat zijn leerlingen wiskundige worden. Wie wil vermijden dat de leerkracht levensbeschouwing graag wil dat zijn leerlingen neutrale relativisten worden die alle minderheden vanuit een dominante cultuur beschouwen, zal het vak levensbeschouwing door overtuigde leerkrachten moeten laten geven Zie in het algemeen Lorein, Lang leve het schoolpact! (2023).
325 Mondeling, Leuven, 28 II 2022.
beschermen als de overheid verplichten 326. Dat gebeurt echter niet altijd. Zo heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op 13 II 2024 bij de behandeling van de rituele slacht meer aandacht gehad voor het gevoel van de bevolking dan voor een grondrecht vermeld in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens 327 .
Vanuit ons perspectief is godsdienstvrijheid uiteraard het belangrijkste328 grondrecht. Het mag zeker niet worden beperkt tot een (licht overbodige) combinatie van de vrijheid van meningsuiting329 en de vrijheid van vereniging, want het gaat zowel om het forum internum , als om de mogelijkheid van een waarheidsclaim, de eredienst binnen eredienstgebouwen en de beleving in het openbare leven 330
scheiding Kerk en Staat
Als er dan die neutraliteit en die godsdienstvrijheid is, is dat dan de betekenis van de uitdrukking ‘scheiding van Kerk en Staat’? Een praktische definitie wordt vermeld door Van Stiphout.
De burgerlijke overheden – de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke machten, ongeachte het bestuursniveau – kunnen of willen geen directe of indirecte invloed uitoefenen op de organisatie van de levensbeschouwingen die aanwezig zijn binnen het territorium van de
326 Van wiSSen, Botsing van grondrechten (1987), pp. 84-86.
327 Zie voor de samenvatting https://hudoc.echr.coe.int/?i=002-14290 (laatst geraadpleegd 14 IV 2026) en voor het volledige arrest https://hudoc.echr.coe.int/?i=001-230858 (laatst geraadpleegd 14 IV 2026).
Dit doet toch denken aan “nach gesundem Volksempfinden” (Gesetz zur Änderung des Strafgesetzbuchs, 28 VI 1935, art. 1 §2).
328 Het is niet het oudste (hiLpert, Die Menschenrechte (2005), p. 147, want in het Romeins recht had het geen plaats (wel eigendom (zie bijv. Cicero, De officiis II xxi 73-74) en zelfverdediging (zie bijv. Cicero, Pro Milone 6)).
329 Zie voor mogelijke verschillen tussen godsdienstvrijheid en ‘liberté d’opinion’ robitzer, La France (2015), pp. 99-102.
330 Zie n. 4; Lorein, ‘Religion never stands above the law’ (2020), pp. 14, 17, 20; EHRM 2015/20 (5 IV 2022) §36: “si la liberté de religion … relève d’abord du for intérieur, elle implique de surcroît, notamment, celle de ‘manifester sa religion’ individuellement et en privé, ou de manière collective, en public et dans le cercle de ceux dont on partage la foi”.
betrokken staat. De levensbeschouwingen op hun beurt kunnen geen directe of indirecte invloed uitoefenen op de burgerlijke overheden in een bepaalde seculiere staat, de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke machten 331
Hierbij merkt Van Stiphout op dat deze definitie zeker geen scheiding van levensbeschouwing en samenleving impliceert 332 .
Het is een uitdrukking die uitleg behoeft. Elk land is specifiek, maar België is specifieker. Er is geen scheiding van Kerk en Staat, of om het met Jean-François Husson te zeggen: “on ne sépare pas les cultes et l’État, mais on réaffirme l’un et l’autre 333”. Er zijn dus geregelde verhoudingen 334 tussen overheid en levensbeschouwingen, waarbij de Staat niet probeert tot een staatskerk te komen en de kerk niet probeert tot een kerkstaat te komen 335 (en waarbij het vrijzinnig humanisme evenmin probeert tot een vrijzinnig humanistische staat te komen).
Er zijn echter wel veel contactgebieden. De verwachtingen van de overheid nemen voortdurend toe en daarmee de nood aan een goed uitgerust representatief orgaan 336. Het representatief orgaan moet met kennis van wat het eigen standpunt dient te zijn, van welke vergelijkingspunten er in het verleden te vinden zijn en van wat er juridisch en technisch haalbaar is, een competente verdediger zijn, én van de eredienst als zodanig én van de
331 Van Stiphout, Scheiding van Kerk en Staat (2011), p. 2. Voor de scheiding der machten kan men denken aan Jes. 33:22: volgens woodberry, Missionary Roots of Liberal Democracy (2012), p. 248 n. 9, heeft Montesquieu heel wat van zijn argumenten via zijn calvinistische echtgenote gebaseerd op de Engelse puriteinen. Overigens verwijst imbert, Le droit antique (1966), pp. 45-46, naar Aristoteles – wie weet stond die ook onder invloed van Jesaja …
332 Van Stiphout, o.c., p. 3. Cf. Kuyper, De Magistratu, p. 444: in constitutionele landen kan de prediking gelovigen overtuigen om als burgers een parlementair initiatief te nemen.
333 huSSon, Gouverner les cultes? (2021-2022), p. 39.
334 Cf. de term van minister van Justitie [L.] Merchiers in de Kamer op 29 III 1962: ‘wederzijdse onafhankelijkheid’, een juistere formulering dan ‘scheiding van Kerken en Staat’ volgens mahiLLon, Protestantisme in de Belgische rechtspraak (1984), p. 201 n. 11).
335 Christen-zijn in de Nederlandse samenleving (1955), p. 17. Cf. wiLLaime, L’expression des religions (2014), p. 13 (“renoncement de l’État au pouvoir spirituel et le renoncement des autorités religieuses au pouvoir temporel”). chriStianS, Le financement des cultes (2006), p. 83, spreekt voor België van een “neutralité bienveillante”.
336 Lorein, Régime des cultes en Flandres (2021).
individuele geloofsgemeenschappen. Aangezien deze constructie bij uitstek te maken heeft met de relaties met de overheid, zou het logisch zijn als de financiële middelen daarvandaan komen.
Dat is uiteraard een heel andere taak van de overheid dan in het Byzantijnse model, waarin de overheid overal voor zorgt 337, dus inclusief de Kerk 338?
Dan is er werkelijk geen scheiding! In een ander model zorgt de overheid alleen voor vrede (net als in de Oudheid), eventueel niet alleen politiekmilitair, maar ook sociaal-economisch 339. Elders wordt het bestaan van een groot aantal entiteiten verdedigd, met allemaal hun soevereiniteit in eigen kring 340. In het Rijnlandmodel heeft de overheid heel veel relaties, dus (?) ook tussen Kerk en Staat. En – ten slotte – is er het model dat er haast geen verbanden zouden bestaan tussen Kerk en Staat, het ideaal van de confessie van Schleitheim 341. Als we die modellen overschouwen, stellen we vast dat we anno 2026 in België leven in een Rijnlandmodel met geregelde verhoudingen tussen Kerk en Staat en met een beperkte, maar reële zelfstandigheid in heel wat onderdelen van het leven. Dat is m.i. geen on-Bijbelse situatie.
Tegelijk lijkt er druk te staan op de ruimte voor de Kerk. Die druk wordt erg duidelijk als politici pleiten voor het vastleggen van de lekenstaat in de grondwet, ‘lekenstaat’ i.t.t. een neutrale staat. Er zijn een aantal pogingen hiertoe geweest 342 .
337 De omgekeerde relatie (‘de Kerk zorgt overal voor’) wordt nauwelijks verdedigd; zie hierover evt. Van Stiphout, Scheiding van Kerk en Staat (2011), pp. 24-25.
338 Zie p. 40. Bijv. als de Staat bepaalt welke levensbeschouwingen schadelijk zijn voor de samenleving en stelt dat er vrijheid van religie is, vermits de niet-erkende erediensten crimineel zijn: “You are free to do what we want” (Eileen Barker, mondeling, Leuven, 5 V 2022).
339 douma, Politieke verantwoordelijkheid (1987), pp. 145-147, die (p. 150) nog wijst op het belang van dienend leiderschap.
Cf. wiher, Qu’est-ce que la mission? (2010), p. 136: “La Bible donne deux mandats à l’homme, et à partir d’Abraham au peuple de Dieu: le mandat culturel, qui vise à instaurer le shalom, donc le développement de la personne et de la société, et le mandat missionnaire, qui vise à rétablir l’homme dans une relation intime avec Dieu.”
340 Maar ook dan is de overheid spelverdeler en beschermer van de zwakken, binnen de Constitutie (Kuyper, Het Calvinisme (1899), lezing III, pp. 88-89).
341 Zie n. 220.
342 Voor een overzicht, zie wattier, Inscrire le principe de laïcité? (2020), pp. 78-79.
Ik begin met een aantal voorstellen uit het lijvige verslag van het Parlement aangaande de verhouding tussen Kerk en Staat, het zogenaamde Inleidend verslag .
Daar vinden we het voorstel van ULB-hoogleraar De Coorebyter tot wijziging van art. 21 van de Grondwet: “Behoudens uitzonderingen inzake geweten die door de wetgever zijn bepaald, kan geen enkel levensbeschouwelijk voorschrift worden ingeroepen om zich te onttrekken aan een wettelijke verplichting 343”. Dit zou betekenen dat zolang er geen wetgeving is die specifiek naar deze grondwettekst verwijst, er geen enkele verschoningsgrond overblijft, voor geen enkele materie.
Nóg beperkender is het wetsvoorstel van Vuye en Wouters 344: “Niemand kan zich op grond van religieuze of levensbeschouwelijke motieven onttrekken aan de geldende rechtsregels of de rechten en vrijheden van anderen beperken345”. Dit is de facto de uitschakeling van de godsdienstvrijheid.
Open Vld’er Patrick Dewael gaat minder ver, maar gaat toch uit van een Staatmet-een-overtuiging, namelijk die van de Verlichting. Veel politici schuiven die Verlichting naar voren als evidentie 346, maar leggen niet uit wat ze hiermee bedoelen en introduceren zo gemakkelijk hun eigen levensovertuiging in hun ideaalbeeld van de Staat. Dat is des mensen, iedereen doet dat, maar ik probeer het hier wel te expliciteren. Ik citeer Dewael.
343 Inleidend verslag, p. 80.
344 Onafhankelijke parlementsleden na een ruzietje met N-VA; de eerste tevens hoogleraar staatsrecht aan de Université de Namur.
345 Inleidend verslag, p. 378. Cf. het voorstel van de Mouvement Laïque Québécois: “no one shall be able to grant derogations to democratically established public norms on the grounds of religious beliefs or metaphysical convictions” (macLure – tayLor, Secularism (2011), p. 78).
346 H.G. Gadamer (1900-2002) wijst op de vooronderstelling van de Verlichting: de verwerping van traditie, vooronderstellingen (in de zin van het Latijnse praeiudicium ‘voorlopig vonnis’) en gezag, terwijl uiteindelijk iedereen vooronderstellingen heeft en het dan maar beter is ze duidelijk te maken (dJabaLLah, L’herméneutique (2006), pp. 40-41).
woLterStorff, Religion in the University (2019), pp. 113-114, onderstreept (met verwijzing naar R. Rorty) de equivalentie van religieuze overtuigingen en Verlichtingsfilosofie.
De afgelopen jaren [t.o.v. 2016] zijn we geconfronteerd geweest met talloze incidenten waarbij vanuit een bepaalde overtuiging praktijken of opvattingen werden verdedigd die lijnrecht ingaan tegen de Verlichtingswaarden waarop we prat gaan. Het is daarom absoluut noodzakelijk dat we erkennen dat er niet alleen een scheiding van geloof en staat geldt, maar dat het ook niet aanvaardbaar is dat we toegeven aan religieus of andersoortig obscurantisme door de ogen te sluiten voor deze praktijken, of erger, ze zelfs actief te ondersteunen en toe te laten. 347
Dewael dringt dan aan op een beantwoording van de volgende vragen.
In hoeverre kan in de Grondwet worden bepaald dat de wet altijd boven om het welk religieus of levensbeschouwelijk voorschrift staat?
In hoeverre is de scheiding tussen geloof en staat in de Belgische Grondwet vandaag voldoende duidelijk? 348
Let op: het gaat hier niet meer om de scheiding van Kerk en Staat, maar om de scheiding tussen geloof en staat. Elk niet-rationeel engagement wordt buitenspel gezet.
Wie begint met een seculiere invulling rond de vraag ‘Hoe bevorderen we wederzijds respect en gewetensvrijheid?’, komt dan uit bij een secularistische invulling met de vraag ‘Hoe scheiden we Kerk en Staat zo dat religie volledig achter de voordeur wordt teruggedrongen?’ 349. Dat is de tendens om de neutraliteitseis t.o.v. de Staat uit te breiden tot het volledige openbare leven 350 . Dan is er geen vrijheid meer 351 .
347 p dewaeL, in Inleidend verslag, pp. 5-6.
348 p. dewaeL, in Inleidend verslag, p. 10.
349 wiLLaime, L’expression des religions (2014), p. 7, maakt het onderscheid tussen ‘séculier’ (de overheid is neutraal en onpartijdig) en ‘séculariste’ (de overheid legt eigen waarden op). ‘Séculier’ lijkt dan op de laïcité à la française en de Schotse Verlichting; ‘séculariste’ op de laïcité à la belge en de Franse Verlichting. Zie verder de Saint germain, Liberté de conscience (2015), pp. 75-96 (voor zijn verwijzingen naar Habermas en Rawls, zie n. 391).
350 LefèVre, Libertés de conscience et d’expression (2015), pp. 128, 145-152, weliswaar over Frankrijk. Bekend strijdpunt was daar de affaire Baby Loup; nota bene: Cass. France 25 VI 2014 heeft deze algemene transfer afgewezen.
351 böcKenförde, Der säkularisierte Staat (2006), p. 28.
Ik eindig met het voorstel uit 2020, dus van ná het Inleidend verslag , ingediend door twee parlementsleden van DéFI (het voormalige FDF), De Smet en Rohonyi. Waar zij eerst nog lijken open te staan voor respect voor en kennis van de andere, dus toch van een georganiseerde ontmoeting, bijvoorbeeld in het levensbeschouwelijk onderwijs, en alleen willen voorkomen dat een godsdienst zou inbreken in de voor de overheid voorbehouden ruimte (met niet-godsdienstige levensbeschouwingen bestaat dat risico blijkbaar niet), worden verderop godsdiensten toch volledig geweerd uit de publieke sfeer352 In plaats van neutraliteit (‘Kerk en Staat onafhankelijk’) moet er laïciteit komen (‘godsdienst weg achter de voordeur’353). Die laïciteit moet worden gepropageerd door onderwijs met een welbepaalde levensbeschouwing – meteen het einde van de vrijheid van onderwijs 354. En om helemaal te garanderen dat de democratie niet meer zal evolueren355, moeten kandiderende politici en op te richten vzw’s langs deze lat worden gemeten356. Hierbij wordt voortdurend verwezen naar gidsland Frankrijk – enigszins verbazend als men de evolutie aldaar in ogenschouw neemt 357 .
Nu ja, deze voorstellen zijn voorshands niet aanvaard. Toch zijn er wel wat praktische verschuivingen.
Daarvan vinden we voorbeelden in de gewenste afschaffing van godsdienstonderwijs (reductie tot één uur per week in de Franse Gemeenschap en in de Vlaamse Gemeenschap eventueel 358 de toelaatbaarheid van een verwijzing naar de uithoeken van week- en jaarregeling), afschaffing van radio- en televisie-uitzendingen in de Vlaamse Gemeenschap en de reductie van aalmoezeniersdiensten.
Het blijft daartoe niet beperkt. Bij menige wetswijziging, bijvoorbeeld door de verhuizing van het federale niveau naar Gemeenschappen of Gewesten,
352 de Smet – rohonyi, Proposition de révision (2020), p. 7; cf. p. 14.
353 De zaak ligt anders als een gemeenschap (of een persoon) zélf kiest om zich levensbeschouwelijk niet te onderscheiden (cf. wynantS, Autres cultes (1986), p. 152).
354 de Smet – rohonyi, o.c., pp. 8-9.
355 de Smet – rohonyi, o.c., pp. 15.
356 de Smet – rohonyi, o.c., pp. 11.
357 Cf. portier, ‘Modernités plurielles?’ (2010), §25. Het boek dateert weliswaar van 2010, maar mijn indruk van de periode 2012-2022 is dezelfde.
358 Stand van zaken op datum van de afsluiting van de tekst: 10 IV 2026.
wordt de wetgeving minder gunstig voor de geloofsgemeenschappen359.
Bij de pogingen tot inperking van het beroepsgeheim weren de juristen zich kranig; de bedienaren van de eredienst blijven volledig buiten zicht 360 .
Als gevangenissen worden veranderd in forensische psychiatrische centra, is de aalmoezeniersdienst niet correct geregeld. Verder heeft professor Vrielink de (gedocumenteerde) indruk dat bij botsing van grondrechten 361 de godsdienstvrijheid steeds meer het onderspit delft 362 .
een uitweg uit de impasse: erkenning i.p.v. ontkenning
Ik pleit ervoor om die druk weg te nemen en te erkennen dat iedereen een drijvende overtuiging heeft, en daarmee positief om te gaan 363 .
Elke vorm van kennis heeft een moment van engagement en vertrouwen, een reden waarom we geloof en rede niet kunnen scheiden. Ik citeer Kuyper. Abraham Kuyper, 1837-1920, was theoloog, betrokken bij de Kerk, de Staat, de universiteit en was goed bekend met de situatie in België 364, en is dus bij uitstek geschikt om in mijn verhaal te worden geciteerd.
Alle [!] wetenschap gaat van geloof uit … Alle wetenschap onderstelt geloof aan ons ik, in ons zelfbewustzijn; onderstelt het geloof aan de zuivere werking onzer zintuigen; onderstelt het geloof aan de juistheid der denkwet; … en onderstelt bovenal geloof in de beginselen waarvan men uitgaat 365 .
Niemand leest elke eerste van de maand de Grondwet. De Grondwet is niet de grond van het recht, maar is het resultaat van maatschappelijke ontwikkelingen. In elk rechtsstelsel zit er nog iets achter de hoogste geschreven (c.q. mondelinge) wetgeving. Dat is niet typisch christelijk. Bij iedereen is er
359 Bijv. i.v.m. de toegang tot het grondgebied (‘Single permit’) of de onroerende voorheffing.
360 Lorein, Le secret professionnel (2025).
361 Zie bij n. 326.
362 Mondeling, Antwerpen, 21 V 2024.
363 Cf. adamS – oVerbeeKe, Kerk en Staat (2007), p. 85: “wie het bestaan van religie ontkent of verdrukt, vernedert de andere”.
364 Zie voor dit aspect de raaf, Kuyper (1987).
365 Kuyper, Calvinisme (1899), lezing IV, p. 124.
een redenering, een persoon, bijvoorbeeld in het Oude Nabije Oosten een koning die i.o.v. de goden de gewone mensen weghoudt van egoïsme 366, de natuurwet zoals bij Antigone 367, die aan de basis ligt van hun handelen. En de meeste mensen zullen zich in de meeste gevallen wel houden aan de geldende rechtsregels, maar ze willen toch graag hun eigen beoordelingsvermogen behouden 368. Iedereen moet het recht hebben om voor zichzelf zo’n basis te hebben 369, om vanuit de eigen wortels te leven 370 .
Ik zeg niet dat je op grond van die basis moet kunnen doen wat je maar wilt; ik ben doordrongen van het belang van wat Cicero zegt: “legum denique
366 Cf. Eg. ma‘at, Perz. arta-; otto, Human Rights (1999), pp. 2-3.
367 Antigone begraaft haar broer op grond van de natuurwet, die zij boven ’s konings bevel acht.
SofoKLeS, Antigone 450-457 (Antigone tot de koning, die heeft verboden Polyneikes te begraven):
, Het was toch Zeus niet, die dit proclameert, οὐδʼ
noch ’t Recht, dat huist bij d’onderaardse goden.
Zij gaven nooit zo’n voorschrift aan de mensen,
οὐδὲ
en zoveel macht ken ik aan proclamaties van u niet toe,
dat d’ongeschrevene, onwankelbare godenwetten
gij – een sterveling! – voorbij zoudt kunnen lopen. οὐ
Want niet van nu of gister leeft die wet, maar eeuwig,
en géén weet waarvan zij komt. (ed. Jebb, Sophocles III (1891), pp. 88-89) (vert. de waeLe, Sophocles (1972), p. 83)
368 Cf. advies RvS 69.114/3 (17 V 2021) §9.4: “In tegenstelling tot de bestaande regeling, die concrete handelingen viseert die in strijd zijn met de Grondwet en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, heeft de in de artikelen 7, 6º, en 17, 4º, van het voorontwerp vervatte verbintenis een ruimere draagwijdte. Ze lijkt te impliceren dat de personen die die verbintenis aangaan, het ermee eens moeten zijn “dat niemand zich op grond van religieuze of levensbeschouwelijke motieven kan onttrekken aan de geldende rechtsregels”. Het gaat derhalve niet om de verbintenis om zelf de geldende rechtsregels na te leven, maar de verplichting om een overtuiging aan te hangen …” §9.5: “De decreetgever kan weliswaar iemand de verbintenis opleggen te handelen met naleving van de regels die zijn neergelegd bijvoorbeeld in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens of in de Belgische Grondwet en niet aan te zetten tot schending van die regels, maar kan daarentegen die persoon niet dwingen om innerlijk in te stemmen met de waarden die aan die regels ten grondslag liggen”.
369 Cf. deineS, Acts of God in History (2013), p. 26.
370 böcKenförde, Der säkularisierte Staat (2006), pp. 34-35.
idcirco omnes servi sumus, ut liberi esse possimus371”, ‘van de wetten zijn wij tenslotte daarom allemaal slaven, opdat wij vrij zouden kunnen zijn’. Of met Montesquieu, een paar eeuwen later: “La liberté est le droit de faire tout ce que les loix permettent; et si un citoyen pouvoit faire ce qu’elles défendent, il n’auroit plus de liberté, parce que les autres auroient tout de même ce pouvoir 372”. Met die gedachte houdt Böckenförde ook de mogelijkheid open dat de Staat met een vorm van zelfverdediging 373 bewegingen tegenhoudt die de godsdienstvrijheid actief en concreet afwijzen 374. Het is duidelijk dat er hier een spanning optreedt.
Ik zeg niet dat je die basis anderen mag opleggen375. Natuurlijk moet er worden samengeleefd als mensen met verschillende levensbeschouwingen (inclusief die zónder enige levensbeschouwing). Iedereen, gelovige, ongelovige, andersgelovige, moet kunnen leven zonder hypocrisie 376. Bang dat religieuze mensen totaal afhankelijk zijn van de Kerk? Religie staat inderdaad niet gelijk aan rationele autonomie van individuen 377, maar kan zeker wél gelijk zijn aan authenticiteit en bovendien moeten we erkennen dat niemand helemaal onafhankelijk is van anderen.
Je kunt de religie niet uit de politiek bannen, niet uit de maatschappij. Mensen mogen niet worden verplicht “to leave behind their most cherished beliefs when it comes to public discussions 378”. En positief gesteld: levensbeschouwing is de diepste motivatie van mensen, die niet alleen hun gedachten bepaalt, maar ook hun dienst aan de samenleving, in allerlei vormen, vaak met volledige overgave, ook waar andere mechanismen tekortschieten. Die individuen
371 Cicero, Pro Cluentio liii 146.
372 Montesquieu, L’esprit des loix (1749), 11.3.
373 Zie n. 328.
374 böcKenförde, Der säkularisierte Staat (2006), pp. 39, 41.
375 Cf. Kuyper, Calvinisme (1899), lezing IV, p. 132: “Gij kunt, ik zeg meer, gij moogt er zelfs niet aan denken, om aan wie uit een ander bewustzijn leeft de vrijheid van de gedachte, van het woord en van de drukpers te ontnemen. Dat ze van hun standpunt al het u heilige afbreken is onvermijdelijk, en dit juist moet u den scherpen prikkel in de lendenen drijven om ook uwerzijds niet in moedelooze klacht of in mystiek gevoel of in practische veelbezigheid een ontlasting voor uw wetenschappelijk gemoed te zoeken.”
376 bertrand, L’Église dans l’espace public (2011), p. 321.
377 Maar “de zo geroemde autonomie” hangt vaak af van markt en mode, merkt de diJn, Voorbij (de mislukking van) de moderniteit? (2016), p. 46, op.
378 e.J. thieSSen, In Defence of Religious Schools (2001), p. 235.
voelen zich verbonden met hun levensbeschouwelijke gemeenschap.
Zet die inzet van mensen dan toch ook structureel in ten goede voor de maatschappij. De maatschappij heeft nood aan de steun van de levensbeschouwingen: de vermaarde Böckenförde-paradox, die stelt dat de overheid zichzelf niet kan funderen 379. Als mensen mogen meedenken vanuit hun diepste overtuiging, zullen ze een meer authentieke bijdrage leveren en zal dit leiden tot “more just laws and public policies, a better democracy, better protection of human rights 380” om het met Chaplin te zeggen; of een variant bij Vanheeswijck: “dat de formele waarden en rechten, geformuleerd in de Grondwet idealiter vanuit diverse levensbeschouwingen kunnen gearticuleerd en gerechtvaardigd worden 381”. Daarvoor moet ruimte bestaan bij de Staat – “De liberale staat mag de gegeven institutionele scheiding van religie en politiek niet omzetten in een ondraaglijke mentale en psychologische last voor zijn religieuze burgers” 382. De Kerk zal dit moeten zien als dienst aan de samenleving 383, met een poging om de levensbeschouwelijke overtuiging in algemeen begrijpbare termen te formuleren 384: het belang van godgeleerdheid én van godsdienstwetenschappen.
379 “Der freiheitliche, säkularisierte Staat lebt von Voraussetzungen, die er selbst nicht garantieren kann.” (böcKenförde, Die Entstehung des Staates (1967), p. 93 (cursivering oorspronkelijk)). Id., Staat – Gesellschaft – Kirche (1982), p. 67, voegt hieraan toe: “er ist zu seiner eigenen Fundierung und Erhaltung auf andere Mächte und Kräfte angewiesen”. In de omgekeerde richting geformuleerd door robitzer, La France (2015), p. 115: “Le paradoxe de la démocratie … exige de la nation d’avoir intériorisé les valeurs qui la sous-tendent”.
380 chapLin, Can States Be Christian (2017). Zie verder Lorein, Lang leve het Schoolpact! (2023), p. 493.
381 g. VanheeSwiJcK, in Inleidend verslag, p. 16. Cf. portier, ‘Modernités plurielles?’ (2010), p. 243!): “l’idée d’une citoyenneté appuyée sur les apports des différentes traditions religieuses”.
382 “Der liberale Staat darf die gebotene institutionelle Trennung von Religion und Politik nicht in eine unzumutbare mentale und psychologische Bürde für seine religiösen Bürger verwandeln”, (habermaS, Zwischen Naturalismus und Religion (2005), p. 135).
383 merKS, Kerk en staat (1987), pp. 66-67.
384 Cf. habermaS, Zwischen Naturalismus und Religion (2005), pp. 140, 143. Zelfde gedachte bij iff, Protestant Free Churches (2024), p. 245: “these [Free Churches’] traditions must be formulated and represented in a generally understandable, accessible and comprehensible way”. Ook böcKenförde, Staat – Gesellschaft – Kirche (1982), p. 86.
De verhouding tussen Kerk en
Zo’n basisovertuiging is er voor eigen handelen, maar ook voor het aanvaarden van het handelen van de overheid 385
Ga niet over tot de scheiding “tussen geloof en staat 386”. Bij iedereen speelt een bepaalde overtuiging, en dus net zo goed bij politici en bij kiezers. En dus behoren we zeker wél mensen toe te laten op de kiezerslijsten die een religieuze overtuiging hebben 387. Dan moet je de mensen die het dogma van de ‘laïcité à la Caprasse – Maingain’ aanhangen uiteraard ook aanvaarden, in de veronderstelling dat zij met hun sterke overtuiging zich ook zullen inzetten voor het goed van de maatschappij. Vanheeswijck pleit hierbij voor een ‘politiek liberalisme’.
Het politieke liberalisme is dus een normatief project, omdat het ‘gelijke vrijheid voor iedereen’ vooropstelt als maatschappelijke doelstelling. Deze vrijheid voor iedereen betekent dus ook dat iedereen vrij is de levensbeschouwing van zijn of haar keuze aan te hangen, inclusief levensbeschouwingen die niet alleen uitgaan van zelfbeschikking van het individu, op voorwaarde dat die de formele neutraliteit van de overheid aanvaarden. 388
We kunnen van mening zijn dat een liberale staatsinrichting is aangewezen, zonder dat te funderen op het liberalisme als onze eigen levensbeschouwing, maar, zoals VanDrunen het omschrijft, veeleer op een “biblical and confessional Reformed theology” 389 .
Als we aanvaarden – stelt Vanheeswijck – …
… dat burgers heel verschillende opvattingen mogen hebben over het goede leven, over wat zij belangrijk en zinvol vinden en tegelijk … het recht van andere burgers respecteren om er heel andere opvattingen
385 Lombaard, Law and Faith (2021), p. 6. Cf. hiLpert, Menschenrechte (2005), pp. 160: een religieuze onderbouw kan geen kwaad ter bescherming van grondrechten, want die zijn precair.
386 Anders dan Dewael wil.
387 Anders dan maingain – capraSSe, Proposition de révision (2015), p. 69 willen. Zie verder Lorein, ‘Religion’, p. 14.
388 g. VanheeSwiJcK, in Inleidend verslag, p. 15.
389 Vandrunen, Natural Law (2014), p. 78.
op na te houden [dan zal het zo zijn390 dat] … ook al stoelt dit respect [voor constitutionele grondregels] op heel verschillende gronden, [ze] toch [elkaar] vinden … in de verdediging van deze waarden en grondregels. … de rechtvaardiging van die principes mag voor iedereen verschillend zijn. Dat betekent dat de staat neutraal moet zijn op het niveau van de rechtvaardiging in die zin dat [hij] alle vormen van rechtvaardiging gelijke kansen moet geven, zowel religieuze als seculiere argumenten. 391
Nota bene: het is juist deze rechtvaardiging die ruggengraat geeft aan individuele burgers en die hen leidt tot inzet voor de maatschappij.
Dan komt er positieve input van alle levensbeschouwingen vanuit hun eigen geworteldheid 392 en is er geen insnoering tot “[le] plus grand dénominateur commun de valeurs 393”. En als de sociale ondersteuning van de Kerk dankbaar wordt aanvaard, moet de boodschap op ethisch gebied ook worden beluisterd 394 .
Dit zal niet volledig kunnen worden gerealiseerd zonder steunende overheid 395 .
Wat geldt voor de politiek, geldt ook voor de opvoeding: de staat kan zijn burgers niet opvoeden, kan alleen “voorwaarden scheppen waaronder sommige burgers bereid zijn het denken en de traditie van het denken serieus te nemen 396” en zo richtinggevend door te geven aan de nieuwe generatie.
390 Zonder dat we denken dat het allemaal lood om oud ijzer is!
391 g. VanheeSwiJcK, in Inleidend verslag, p. 195. Vaak wordt hierbij verwezen naar John Rawls. Zie hierover Lorein, ‘Religion never stands above the Law’ (2020), p. 16. Cf. Vandrunen, Natural Law (2014), p. 78 (Rawls is niet onpartijdig).
392 Anders dan maingain – capraSSe, Proposition de révision (2015), p. 64, willen.
393 Zoals maingain – capraSSe, o.c., p. 63, willen.
394 wiLLaime, L’expression des religions (2014), p. 10.
395 Cf. RvS advies 68.161/1 (20 XI 2020) §5; böcKenförde, Der säkularisierte Staat (2006), p. 26. Dit is geen pleidooi voor het misbruik van het systeem van de tekortendekking, zoals thans gebeurt door een beperkt aantal levensbeschouwingen. Elke oplossing zal rekening moeten houden met anonimiteit en met het aandeel in de bevolking (niet in het inkomen en vermogen); voor problemen hierbij, zie chriStianS, Le financement des cultes (2006), pp. 100-105.
396 grunberg, Oorlog en vrede (2024-2025).
Als de staat toch zelf wil opvoeden, is dat “weinig anders dan de totalitaire fantasie van de schijnharmonie 397”, maar dat mag uiteraard niet de bedoeling zijn. Om het met Willaime te zeggen: “L’État, en démocratie, n’est pas et ne doit pas être une Église. Il doit pouvoir autoriser et garantir la diversité des convictions religieuses et philosophiques des uns et des autres, mais aussi, dans certaines limites, les diverses façons de concevoir et de vivre une vie digne et bonne 398”.
Als je mensen op school persoonlijk leert kennen mét hun identiteit, kan er gemakkelijker een zekere sympathie ontstaan (‘onbekend is onbemind’). Een duidelijke kijk op het eigen standpunt en het tot stand komen daarvan zal bijdragen tot het aanvaarden dat iemand anders (of een groep van andere mensen!) een ander standpunt heeft 399. Thiessen beschrijft hoe het evenwicht tussen algemene en particuliere waarden goed kan worden bereikt in een openbare school die openstaat voor alle leerlingen, maar daarbij de religieuze verscheidenheid respecteert door geen staatsopvatting over ‘the good life’ te willen meegeven 400, dus eigenlijk het systeem dat we in België in het officieel 401 onderwijs tot nu toe kennen.
voorstel
Als ik dan graag – om morgen de zaken goed te hebben geregeld –een inleiding op de Grondwet schrijf, dan stel ik de volgende tekst voor 402
België is een constitutionele democratische rechtsstaat met een koning 403 en een federale regering, drie taalgemeenschappen en drie regio’s, en met scheiding van de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht.
In het besef dat mensen zich vanuit verschillende achtergronden willen
397 Ibid.; cf. n. 320 voor het beleid van de stad Brussel.
398 wiLLaime, L’expression des religions (2014), p. 13.
399 e.J. thieSSen, In Defence of Religious Schools (2001), pp. 46-47. Zie verder Lorein, Lang leve het Schoolpact! (2023), p. 492.
400 e.J. thieSSen, o.c., pp. 221, 224.
401 Cf. n. 285.
402 J. van den Brink had onafhankelijk van mij een soortgelijk idee (RD 28 X 2025).
403 Voor het belang van de verschillende aspecten in de huidige tijd, zie garton aSh, Zo maak je de democratie populismeproof (2025).
inzetten 404 voor een optimale samenleving, garandeert België zijn burgers met als vaste – of toch slechts behoedzaam herzienbare405 – normen de artikelen van de Grondwet, op neutrale (d.w.z. onpartijdige) wijze ruimte voor en ondersteuning van levensbeschouwingen
- in elk mensenleven (art. 19);
- in hun eigen gemeenschap (art. 181);
- in de openbare ruimte 406 (art. 19);
- in het onderwijs 407 (art. 24);
Dit sluit godsdienstvrijheid408, vrijheid van meningsuiting, gewetensvrijheid, persvrijheid, vrijheid van vereniging in, zowel in de privésfeer als in de openbare ruimte.
404 Cf. g. VanheeSwiJcK, in Inleidend verslag, p. 16: “dat de formele waarden en rechten, geformuleerd in de Grondwet idealiter vanuit diverse levensbeschouwingen kunnen gearticuleerd en gerechtvaardigd worden”.
405 “Une bonne loi est une vielle loi.”, zoals het adagium van F. Girard de Barros luidt dat J.-f. huSSon graag aanhaalt (bijv. in Gouverner les cultes? (2021-2022), p. 291). Anders moet ik mij immers de ene keer onderwerpen aan A en een maand later aan B; dat kun je niet verwachten van elke burger. Eerst was abortus een misdrijf, daarna haast kenmerk van de ware rechtsstaat. De idee is al te vinden bij Aristoteles 1269a14: ὁ
(‘De wet heeft immers geen enkele kracht om eraan te gehoorzamen tenzij langs de gewoonte; die ontstaat niet tenzij door een veelheid van tijd, zodat het lichtzinnig veranderen vanuit de bestaande wetten naar andere nieuwe wetten het vermogen van de wet zwak maakt.’).
406 Cf. g. VanheeSwiJcK, in Inleidend verslag, p. 16: “Godsdienstvrijheid die opgesloten wordt in de privésfeer is een contradictie. Religieuze tradities kunnen immers maar bestaan bij gratie van een zeker publiek karakter.” “De neutraliteit/onpartijdigheid van de staat, vastgelegd in formele, constitutionele spelregels gaat juist hand in hand met de ondersteuning van levensbeschouwelijke diversiteit in de publieke ruimte (en ook in het parlement).”
Zo ziet woLterStorff, Religion in the University (2019), p. 143, slechts twee mogelijkheden in het universitair onderwijs: instellingen met een leidende levensbeschouwing en instellingen met ruimte voor verschillende levensbeschouwingen; een neutrale instelling is geen optie.
407 Ook om een gedachtenmonopolie / koekoek één zang / Staatskerk te vermijden. Indien het vak ‘interlevensbeschouwelijke dialoog’ door de overheid zou worden ingevuld, zou het om een Staatskerk gaan waarbij de kritische zin van de burger wordt gefnuikt.
408 Waarbij godsdienstvrijheid (zie n. 4) geen overbodige koepelterm is van de verderop gebruikte termen, al worden daarmee wel het forum internum, de eredienst binnen eredienstgebouwen en de beleving in het openbare leven gedekt. Cf. Lorein, ‘Religion never stands above the law’ (2020), pp. 14, 17, 20.
Een dergelijke inleiding zou iedereen aanmoedigen zelf na te denken en bij te dragen, en zo iedereen de indruk geven dat men ernstig wordt genomen en niet gewantrouwd: “La démocratie n’est pas menacée par le religieux (même si la vigilance est de mise), mais par le manque de confiance des citoyens dans l’État. 409”
Is hiermee alles opgelost? Zo naïef ben ik niet. Strafrecht moet blijven bestaan 410 en spanningen zullen blijven bestaan, maar we moeten ze wel correct situeren.
Als iemand zegt dat Sharia het beste is, is dat logisch binnen zijn denksysteem. Er ontstaat pas een probleem als die persoon van mening is dat de Sharia moet worden opgelegd aan iedereen 411 .
Wie op levensbeschouwelijke gronden een norm van de Grondwet niet wenst te aanvaarden, kan een beroep doen op godsdienstvrijheid, zal hopen op grond hiervan gedispenseerd te worden, maar is bereid desnoods een prijs te betalen 412 .
Ten diepste maak ik mij niet ongerust, want het feit dat God Koning is, zal uiteindelijk worden geopenbaard 413. En het is niet omdat ik dát geloof, dat ik mij niet zou willen inzetten voor correcte verhoudingen tussen Kerk en Staat anno 2026, met een goed geborgde ruimte voor levensbeschouwing in onze samenleving.
409 e. deLrueLLe, in Inleidend verslag, p. 64.
410 Cf. LefèVre, Libertés de conscience et d’expression (2015), p. 138.
411 Zie n. 368.
412 Voor voorbeelden, zie LefèVre, o.c., pp. 136-138, 143-145. Cf. Kuyper, De Magistratu, p. 443: “Komt de Overheid met dwang en zet zij met geweld haar wil door, dan blijft voor de kerk niets anders over dan te protesteeren met het woord en geestelijke kracht te openbaren in gedurige lijdzaamheid.”
413 Lorein, אתוכלמ (2005), pp. 20-21, 34-35 (voor de datering van Targum Jonathan, zie n. 74).
mijn traject
Tot hier mijn tocht door de verhouding van Kerk en Staat, vanuit het Oude Testament en op weg naar morgen. Zo zijn we op het punt gekomen van een persoonlijke terugblik: mijn tocht vanaf het ogenblik dat mijn ouders mij in Lier inschreven voor de Latijnse afdeling tot hier in Leuven, voor mijn emeritaat.
De Latijnse afdeling – volgens de directeur een dwaze keuze, aangezien mensen met mijn sociaal-economische achtergrond daarmee toch niets konden aanvangen; edoch, mijn ouders hadden ook een sociaal-culturele achtergrond en hebben zich niet laten ontmoedigen –: ik denk dat Latijn in het middelbaar onderwijs een uitstekend middel is om teksten te leren lezen en om inzicht te krijgen in de band tussen nu en de tijd waar het allemaal begon.
Heb ik mijn gaven ontdekt en dan toegepast, zoals ons tegenwoordig wordt geleerd? Ik heb maar wat gedaan: om me heen gekeken, gezien wat moest worden gedaan, gemerkt dat niemand anders het deed, en erin gesprongen. Ik heb vaak aan de rand gekrabd en mijn beperktheid vastgesteld. Het is gewoon onze taak om te voldoen aan onze dagelijkse verplichtingen en actief te zijn in de wereld, die God zó liefhad dat Hij Zijn enige Zoon heeft gegeven414, en daarbij ontzag te hebben voor God. Er is dan een mengvorm van leiding en last, van zegen en zorgen, en ik heb mogen merken dat bij al onze zorgen, God voor ons wil zorgen, soms door lichtere lasten, soms door sterkere schouders. Ik heb mijn best gedaan. ‘Zonder bijbedoelingen heb ik geleerd, zonder zuinigheid heb ik meegedeeld 415.’
414 Voor het begrip κόσμος, zie bij n. 7.
415 Ἀδόλως τε ἔμαθον, ἀφθόνως τε μεταδίδωμι. (Sap. 7:13; waarschijnlijk Alexandrië tweede helft eerste eeuw aCn). Voor de uitdrukking ἀφθόνως μεταδίδωμι, zie Van unniK, Ἀφθόνωςμεταδίδωμι(1971).
Mij is tijd van leven gegeven – en het is goed te leven. Ik heb het graag gedaan: lesgeven, onderzoek, beleid (al had ik soms graag wat minder gezeur om m’n hoofd gehad – dat geef ik toe), vertegenwoordiging: het was intensief, maar rijk.
dank
In zijn dankwoord tot de Senaat zei Cicero: ‘Het is moeilijk niet iemand te vergeten, maar het is een onvergeeflijke fout iedereen voorbij te gaan416.’ Ik neem het risico dus maar.
Dank aan directie en bestuur van de Evangelische Theologische Faculteit die mij de gelegenheid hebben gegeven om toch wat meer ruimte te hebben voor deze materie.
Ik gedenk met dankbaarheid en eerbied degenen die richtingbepalend zijn geweest voor mijn academische ontwikkeling: dhr. Ramakers, dhr. Niesten, prof. Lipiński, dhr. Winston, dhr. Stringer, dhr. Moechars, dr. Tukker, prof. Lettinga, prof. Van der Woude, prof. Schoors, prof. De Moor, prof. Millard.
Goede herinneringen blijf ik houden aan het Targumproject in Kampen en aan de Tyndale Fellowship.
Dank ook aan degenen die bereid waren om advies te geven bij een gedeelte van mijn tekst: de professoren Christians, Hauben, Kwakkel, Van StaalduineSulman, Van Willigen; de doctores Druez, Knecht, Lalleman, Lalleman-de Winkel, Overbeeke, Prins, Van Staalduine, Van Stiphout. Ik heb nogal wat overhoop gehaald, dus ik besef dat er nog veel meer en meer genuanceerd had kunnen worden gezegd.
Dank aan degenen die tijd hebben gegeven om een zeer rijke inhoud te geven aan deze dag: de professoren Van Staalduine-Sulman, Paul, Clarysse, Van Willigen, de doctores Van Stiphout en Nijhoff.
416 “Difficile est non aliquem, nefas quemquam praeterire.” (Post reditum in Senatu 30).
En dank aan familieleden, vrienden en vriendinnen, collega’s, adviseurs – soms loopt dat door elkaar – hier aanwezig.
De bloemen die daar staan, zijn waarschijnlijk voor Erika bedoeld. Terecht, want zonder haar steun en inzet zou het niet zijn gelukt.
Ik dank u allen voor uw aanwezigheid en uw sympathie.
’k Wil U, o God, mijn dank betalen, U prijzen in mijn avondlied.
Het zonlicht moge nederdalen, maar Gij, mijn Licht, begeeft mij niet.
Gij woudt mij met Uw gunst omringen, meer dan een vader zorgdet Gij.
Gij milde Bron van zegeningen, zulk een ontfermer waart Gij mij!
Uw trouwe zorg wou mij bewaren, Uw hand heeft mij gevoed, geleid.
Gij waart nabij in mijn bezwaren, nabij in elke moeilijkheid.
Dez’ avond roept mij, na mijn zorgen, tot rust voor lichaam en voor geest.
Heb dank, reeds van den vroegen morgen zijt Gij mijn heil en hulp geweest.
Laat Uwe hand mij nu ook dekken, ’k verlaat m’ op U, ook in de nacht.
U word’, als Gij mij weer zult wekken, opnieuw mijn lofzang toegebracht.
En zo ik niet weer mocht ontwaken, aan U beveel ik dan mijn geest, Om voor Uw troon die rust te smaken die hier mijn uitzicht is geweest. 417
417 Uit eVangeLiSche gezangen, nr. 180, van 1806, meest toegeschreven aan h a bruining (Utrecht, 15 XI 1738 – Veere, 7 I 1811), maar blijkbaar ook invloed van a. rutgerS (Aalsmeer, 4 IX 1751 – Haarlem, 21 V 1809) (SmeLiK, 245 (2025)).
Bulletin: Bulletin de la Société d’histoire du protestantisme belge en varianten
EurJTh: European Journal of Theology
LME: Le Messager Évangélique
ThÉv: Théologie Évangélique
TynB: Tyndale Bulletin
m . a dam S – a . o V erbee K e , Kerk en Staat: Hobbes of Locke? Over de nodige ruimte voor levensbeschouwelijke meerstemmigheid , in: p d e h ert – Karen m eer S chaut , Scheiding van Kerk en Staat of actief pluralisme? , Antwerpen (Intersentia) 2007
S. t. a mb L er , The Church and Magna Carta in the thirteenth century, in: L. g o L dman (ed.), Magna Carta. History, context and influence, London (Institute of Historical Research) 2018, pp. 41-50
[J. b . b .L. a ndry ], Histoire du Synode de l’Union des Eglises protestantes évangéliques de Belgique. Jubilé cinquantenaire. 1839-1889, Etterbeek Bruxelles (Verhavert) 1889
a a ntoine , À la recherche du modèle ministériel perdu, in ThÉv XXII (2023), pp. 62-82
g . g . a perghi S , Jewish Subjects and Seleukid Kings. A Case Study of Economic Interaction, in: Zosia h . a rchiba L d – J.K. d aV ie S – V. g abrie LS en (edd.), The Economies of Hellenistic Societies. Third to First Centuries BC, Oxford (UP) 2011, pp. 19-41
S. a pp L ebaum , Economic Life in Palestine, in: S. S afrai – m . S tern (edd.), The Jewish People in the First Century. Historical Geography, Political History, Social, Cultural and Religious Life and Institutions (CRINT I/2), Assen (Van Gorcum) 1976, pp. 631-701
g .L. a rcher , Daniel , in: F.E. g aebe L ein (ed.), The Expositor’s Bible Commentary VII, Grand Rapids (Zondervan) 1985, pp. 3-157
D. a rno L d , Das Buch Ester. Überleben in einer Welt der Intrigen (Edition C), Holzgerlingen (Brockhaus) 2022
G. a tha S , Bridging the Testaments, Grand Rapids (Zondervan) 2023
A. b ai LLy , Dictionnaire Grec Français, Paris (Hachette) 2000 [27]
J. b b angura , “For Such a Time as This!”. Public Missiology in Anxious Times, Leuven (ETF) 2025
T. b änziger , Esra-Nehemia, in: h i L brand S – K oore Vaar , Einleitung (2023), pp. 1175-1192
Marie-Françoise b a SL ez , ‘Vivre en citoyen selon les coutumes ancestrales’. Les enjeux du dossier documentaire conservé dans le deuxième livre des Maccabées, in: e ad . – O. m unnich (edd.), La mémoire des persécutions. Autour des livres des Maccabées, Leuven (Peeters) 2014, pp. 77-90
A.I. b aumgarten , Ancient Jewish Sectarianism, in: J. K L awan S – L. m . w i LLS (edd.), The Jewish Annotated Apocrypha, Oxford (UP) 2020, pp. 551-557
Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers. Inleidend verslag op parlementair initiatief. Het karakter van de Staat en de fundamentele waarden van de samenleving (24 I 2018)
Belpro, ARPEE-structuur, een feit!, in De Kruisbanier LVIII/10 (december 2002), p. 8
S. b énétreau , L’épître de Paul aux Romains II (CEB), Vaux-sur-Seine (Edifac) 1997
G.C. b er K houwer , Karl Barth, Kampen (Kok) 1937²
P. b erthoud , The public message of Amos within a Covenantal context, hand-out Wölmersen (FEET Conference ‘Evangelical Models for Public Theology’), 14 VIII 2004
i d ., The Covenant and the Social Message of Amos, in EurJTh XIV (2005), pp. 99-109
i d ., Visions globales du monde contemporain à l’aune des Écritures, in ThÉv XXI (2022), pp. 4-59
M. b ertrand , L’Église dans l’espace public, Genève (Labor et Fides) – Lyon (Olivétan) 2011
J.J. b im S on – J. p. K ane – g . w. L orein (edd.)¸ Nieuwe Bijbelatlas, Leiden (Groen) 1994
R.S. b L och , Antike Vorstellungen vom Judentum. Der Judenexkurs des Tacitus im Rahmen der griechisch-römischen Ethnographie (Historia Einzelschriften CLX), Stuttgart (Steiner) 2002
H. b L ocher , Utiles ou nocifs ? Les “Apocryphes” et la théologie évangélique, in ThÉv III (2004), pp. 253-270
N. b L ough , L’Apocalypse de Jean, la violence de Dieu et la violence des chrétiens, in ThÉv III (2004), pp. 123-132
G. b occaccini (ed.), Enoch and Qumran Origins. New Light on a Forgotten Connection, Grand Rapids (Eerdmans) 2005
e .- w. b öc K enförde , Die Entstehung des Staates als Vorgang der Säkularisation, in: Säkularisation und Utopie. Ebracher Studien (Fs. E. Forsthoff), Stuttgart (Kohlhammer) 1967, pp. 75-94
i d ., Staat – Gesellschaft – Kirche, in: f. b öc KL e – f.- x . K aufmann – K. r ahner – b . w e Lte (edd.), Christlicher Glaube in moderner Gesellschaft XV, Freiburg im Breisgau (Herder) 1982, pp. 5-120
i d ., Der säkularisierte Staat. Sein Charakter, seine Rechtfertigung und seine Probleme im 21. Jahrhundert (Carl Friedrich von Siemens Stiftung – Themen LXXXVI), München (Carl Friedrich von Siemens Stiftung) 2006
P. b o LL e , Les protestants français et leurs églises pendant la Seconde guerre mondiale, in Revue d’histoire moderne et contemporaine XXVI (1979), pp. 286-297
H.R. b oudin , Les relations entre les Eglises protestantes et l’Etat en Belgique (1814-1839). Une nouvelle aurore de la Liberté, diss. ULB 1975-1976
i d ., L’Edit de Tolérance et ses implications pour la communauté protestante d’Ostende, in: r . c rahay (ed.), La tolérance civile, Bruxelles (Université de Bruxelles) 1982, pp. 99-108
i d ., 1839 – 150 jaar – Synode – 150 ans – 1989. Ondertekenaars van het stichtingsdocument. Les signataires de l’acte de fondation, in Belgische Protestantse Biografieën, Brussel (Prodoc) 1989
i d ., Synodaal Gedenkboek van de Verenigde Protestantse Kerk in België, Brussel (Prodoc) 1992
r . r . b oyd - m ac m i LL an , Does persecution always bring growth? Global persecutions suggest otherwise!, in International Journal for Religious Freedom XII (2019), pp. 181-192
e . m . b rae K man , 150 jaar protestants leven in België, in Bulletin IX/1 (1981), pp. 2-20
i d ., Les lettres circulaires de Joseph II sur la tolérance, in Bulletin IX/2 (1982), pp. 31-43
i d ., De l’Union des Eglises à l’Eglise Protestante de Belgique, in Bulletin X/2 (1984), pp. 53-65
i d ., Le protestantisme à Huy, in Bulletin X/6 (1985), pp. 159-174
i d ., Histoire du Protestantisme en Belgique au XIXme siècle I. 1795-1865 (Histoire du protestantisme en Belgique et au Congo belge III), Flavion (Le Phare) 1988
Bernadette J. b rooten , Women Leaders in the Ancient Synagogue (Brown Judaic Studies XXXVI), Chico (Scholars) 1982
H. c anci K , Die frühesten antiken Texte zu den Begriffen ‘Menschenrecht’, ‘Religionsfreiheit’, Toleranz, in: K. m . g irardet – u . n ortmann (edd.), Menschenrechte und europäische Identität. Die antiken Grundlagen, Stuttgart (Steiner) 2005, pp. 96-104
J.-Y. c ar L uer , Liberté de dire, liberté de croire. Deux siècles de défi évangélique (1815-2015), in: S chweitzer – b uchho L d – c ar L uer – de S aint g ermain –r obitzer – L efè V re , Libre de le dire (2015), pp. 35-73
J. c hap L in , Can States Be Christian?, https://comment.org/can-states-bechristian/ (gedateerd 25 V 2017; laatst geraadpleegd 10 IV 2026)
A. c happ L e , Getting Romans to the Right Romans. Phoebe and the Delivery of Paul’s Letter, in TynB LXII (2011), pp. 195-214
Christen-zijn in de Nederlandse samenleving, ’s-Gravenhage (Boekencentrum) 1955
L.-L. c hri S tian S , Le financement des cultes en droit belge. Bilan et perspecitves [sic], in Quaderni di diritto e politica ecclesiastica XIV (2006), pp. 83-106
i d . – B. d upret , Droit et religion (internormativité), in: Régine a zria – Danielle h erV ieu -L éger (edd.), Dictionnaire des faits religieux, Paris (PUF) 2010, pp. 269-278
R. c o LL inet , Histoire du Protestantisme en Belgique aux XVII me et XVIII me siècles (Histoire du protestantisme en Belgique et au Congo belge II), Bruxelles (Eclaireurs unionistes) 1959
J. c reemer S , Evangelical Free Churches and State Support in Belgium. Praxis and Discourse from 1987 to Today, in Trajecta XXIV/1 (2015), pp. 177-204
i d ., All Together in One Synod? The Genesis of the Federal Synod of Protestant and Evangelical Churches in Belgium (1985-1998), in Trajecta XXVI (2017), pp. 275-302
i d ., Protestanten verenigd voor of door de Staat? Onderhandelingen over de afbakening van een erkende eredienst in België (1999-2002), in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2018, pp. 5-18
i d ., ‘In de wereld, niet van de wereld’. Strategische identiteitsbepalingen in de Vlaamse evangelische vrijkerkelijke beweging (1980-2022), Leuven (ETF) 2022
N.C. c roy , ‘Show me the Money’. Jesus, Visual Aids, and the Tribute Questions, in TynB LXXI (2020), pp. 191-206
M. d andoy (ed.), Le protestantisme. Mémoire et Perspectives, Bruxelles (Racine) 2005
h . d e d i J n , Voorbij (de mislukking van) de moderniteit?, in: P. c ourtoi S –g . V anhee S wi J c K (edd.), Religie onder kritiek. De plaats van religie in de seculiere samenleving, Leuven (Acco) 2016, pp. 41-53
R. d edye , Een eeuw evangelisatie. 1837-1937, Brussel (Evangelische Boekhandel) [1937]
J. d e g roof , Aspecten van de juridische ordening van het protestantisme in België, in Belgia 2000 V (1984), pp 88-95
R. d eine S , Acts of God in History. Studies towards Recovering a Theological Historiography, Tübingen (Mohr Siebeck) 2013
S[ophie] c den d e KK er - Van b i JS terV e L d – e m h h ir S ch b a LL in – K.- w m er KS – g .J. m Van w i SS en , Kerk en staat. Hun onderlinge verhouding binnen de Nederlandse samenleving (Annalen van het Thijmgenootschap LXXV/1), Baarn (Ambo) 1987
P. d e p ooter , De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Gent (Larcier) 2003
L. d epuydt , The Time of Death of Alexander the Great: 11 June 323 BC, ca. 4:00-5:00 PM, in Die Welt des Orients XXVIII (1997), pp. 117-135
A. de r aaf , Kuyper Abraham , in Belgische Protestantse Biografieën (1987)
C.-É. de S aint g ermain , Liberté de conscience et de religion aujourd’hui. Plaidoyer pour une “laïcité ouverte”, in: S chweitzer – b uchho L d – c ar L uer – de S aint g ermain – r obitzer – L efè V re , Libre de le dire (2015), pp. 75-96
D.A. de S i LVa , Introducing the Apocrypha. Message, Context, and Significance, Grand Rapids (Baker) 2018 2
F. d e S met – Sophie r ohonyi , Proposition de révision de l’article 7bis de la Constitution en vue d’y consacrer la laïcité de l’État, Chambre des Représentants de Belgique 9 XI 2020
E. d e w ae L e , Sophocles. Tragediën, Antwerpen (De Nederlandsche Boekhandel) 1972
Devorah d imant , Tobit and the ‘Torah for Exile’ in Light of the Qumran Texts, in Zeitschrift für Theologie und Kirche CXIX (2022), pp. 2-30
A. d J aba LL ah , L’herméneutique selon Hans-Georg Gadamer, in ThÉv V (2006), pp. 31-68
J. d ouma , Politieke verantwoordelijkheid (Ethische bezinning XIII), Kampen (Van den Berg) 1987
Laurence d ruez – J. m aquet , Le patrimoine protestant. La mémoire d’une minorité, Namur (Institut du Patrimoine wallon) 2017
I. d uguid , Nehemiah – The Best King Judah Never Had, in: i . p ro Van – m . J. b oda (edd.), Let us Go up to Zion (Fs. H.G.M. Williamson; VTSup CLIII), Leiden (Brill) 2012, pp. 261-271
S. du t oit , Negotiating Hostility Through Beneficial Deeds, in TynB LXX (2019), pp. 221-243
D. e dward S , The Socio-Economic and Cultural Ethos, in: L. i . L e V ine (ed.), The Galilee in Late Antiquity, New York – Jerusalem (Jew. Theol. Seminary of America) 1992, pp. 54-73
M. e hmann , The Study of Evangelicalism. Limits and Potential of Emic and Etic Perspectives on a Growing Field of Research, in EurJTh XXXIII (2024), pp. 275-292
M.J. e ric KS on , Christian Theology, Grand Rapids (Baker) 1983-1985
C.A. e Van S , Mark 8:27–16:20 (WBC XXXIV b ), Nashville (Nelson) 2001
S. f ath , Cité de Dieu ou Dieu dans la cité?, in ThÉv IV (2005), pp. 23-37
D.G. f irth , The Book of Esther. A Neglected Paradigm for Dealing with the State, in Old Testament Essays X (1997), pp. 18-26.
Anne f itzpatric K - m c K in L ey , Models of Local Political Leadership in the Nehemiah Memoir, in: Diana V. e de L man – e . b en z V i (edd.), Leadership, Social Memory and Judean Discourse in the Fifth-Second Centuries BCE, Sheffield (Equinox) 2016, pp. 165-199
Fondation du Synode Fédéral des Églises Protestantes et Évangéliques de Belgique, in LME 363 (31 XII 1997), p. 166
W.H.C. f rend , Persecutions , in: A. d i b erardino (tr. A. w a L ford ), Encyclopedia of the Early Church II, Cambridge (Clarke) 1992, pp. 671-674
T. g arton a S h , Zo maak je de democratie populismeproof, in De Standaard 25 XI 2025
D. g azada , The Liturgical Reception and Commemoration of the First Council of Nicaea, in Eastern Theological Journal VIII (2022), pp. 181-217
[É.] g a L et , S.M. le Roi Albert. Commandant en chef devant l’invasion allemande, Paris (Plon) 1931
F. g arcía m artínez – A.S. Van der w oude , A ‘Groningen’ Hypothesis of Qumran Origins and Early History, in Revue de Qumran XIV (1990), pp. 521-541
P. g emeinhardt , Geschichte des Christentums in der Spätantike, Tübingen (Mohr Siebeck) 2022
K.M. g irardet , Der Kaiser und sein Gott. Das Christentum im Denken und in der Religionspolitik Konstantins des Großen (Millennium-Studien XXVII), Berlin – New York (De Gruyter) 2010
M. g irardin , La Bible entre historicité et réécriture. Le cas du demi-sicle mosaïque (Exode 30,13), in Ḥokhma 125 (2024), pp. 5-14
U. g L e SS mer , Die ‘vier Reiche’ in der targumischen Literatur, in: J.J. c o LL in S –P.W. f L int (edd.), The Book of Daniel. Composition and Reception II (VTSup LXXXIII/2), Leiden (Brill) 2001, pp. 468-489
E. g oed L e V en , Het hotel Errera. Ambtswoning van de Vlaamse regering te Brussel, Leuven (Davidsfonds) 2003
J. g o L d S tein , I Maccabees (Anchor Bible), Garden City (Doubleday) 1976
B.D. g ordon , Royal Benefaction and Ritual Agency at the Jerusalem Temple in the Late Hellenistic Period, in Biblische Notizen 200 (2024), pp 51-76
S. g reidanu S , The Modern Preacher and the Ancient Text. Interpreting and Preaching Biblical Literature, Leicester (IVP) 1988
A. g runberg , Oorlog en vrede. Wat doen we met de vijand, als uitroeien geen optie meer is?, in De Standaard 31 XII 2024 – 1 I 2025
N. g ui LL erat – J. S cheid , I nfographie de la Rome antique, Paris (Passés composés) 2020
D.M. g u S taf S on , Evangelists of Church History. Wisdom for Evangelism in Western Contexts Today, in Post-Christendom Studies V (2020-2021), pp. 5-32
J. h aberma S , Zwischen Naturalismus und Religion. Philosophische Aufsätze, Frankfurt (Suhrkamp) 2005
Mireille h ada S -L ebe L , L’évolution de l’image de Rome auprès des Juifs en deux siècles de relations judéo-romaines -164 à +70, in W. h aa S e (ed.), Geschichte und Kultur Roms im Spiegel der neueren Forschung II. Principat 20. Religion (hellenistische Judentum römischer Zeit ausgenommen Philo und Josephus) (ANRW II 20.2), Berlin (WdG) 1979, pp. 715-856
R.K. h arri S on , Jeremiah and Lamentations (TOTC), Downers Grove (IVP) 1973
H. h auben , Hartmut Leppin, Die frühen Christen. Von den Anfängen bis Konstantin, München (C.H.Beck) 2018, 512 S., 21 Abb., ISBN 978-3-406-72510-4 (geb.), € 29,95, in Klio CV (2023), pp. 667-702
Annette h endric K – J.-L. m oreau , Inventaire des archives de la Fédération des Églises Protestantes de Belgique 1924-1982 (Archives de l’Église Protestante Unie de Belgique VI), s.l. (ORAM) 2018
Sabine h ieb S ch , De lutherse Reformatie, in: h . L eeuwenberg – h . S L echte – t. Van S taa L duine (edd.), De Reformatie. Breuk in de Europese geschiedenis en cultuur, Zutphen (Walburg) 2017, pp. 39-54
W. h i L brand S – H.J. K oore Vaar (edd.), Einleitung in das Alte Testament. Ein historisch-kanonischer Ansatz, Giessen (Brunnen) 2023
K. h i L pert , Die Menschenrechte – ein christliches Erbe?, in: K.M. g irardet –u . n ortmann edd.), Menschenrechte und europäische Identität. Die antiken Grundlagen, Stuttgart (Steiner) 2005, pp. 147-160
E.M.H. h ir S ch - b a LL in , Staat en kerk, kerk en staat, in d en d e KK er - Van b i JS terV e L d – h ir S ch b a LL in – m er KS – V an w i SS en , Kerk en staat (1987), pp. 9-26
J.-F. h u SS on , Gouverner les cultes par les finances publiques? Une analyse du financement des communautés convictionnelles au départ des instruments budgétaires et fiscaux, diss. ULiège 2021-2022
M. i ff , Protestant Free Churches and Social Responsibility. Developments and Principles for Defining the Relationship Between Church and Society, EurJTh XXXIII (2024), pp. 241-252
J. i mbert , Le droit antique et ses prolongements modernes (Que sais-je? CMXXIV), Paris (PUF) 1966²
Inleidend verslag: zie Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers …
R. J ebb , Sophocles, The Plays and Fragments III. The Antigone, Cambridge (UP) 1891²
J. J oo S ten , Reflections on the Original Language of the Psalms of Solomon, in: E. b on S – p. p ouche LL e (edd.), The Psalms of Solomon. Language, History, Theology (Early Judaism and Its Literature XL), Atlanta (SBL) 2015, pp. 31-45
J.L. K uge L , The Beginnings of Biblical Interpretation, in: M. h enze , A Companion to Biblical Interpretation in Early Judaism, Grand Rapids (Eerdmans) 2012, pp. 3-23
H. K üng (tr. J. a ugu S tu S – K. Van K L aV eren ) , Het christendom. Wezen, geschiedenis en toekomst, Kampen (Ten Have) 2009 (Duits orig. 1999)
A. K uyper , Tweeërlei vaderland, Amsterdam (Wormser) 1887
i d ., Het Calvinisme. Zes Stone-lezingen, Amsterdam – Pretoria (Höverker & Wormser) [1899]
i d ., Locus de Ecclesia, in: Dictaten Dogmatiek IV, Kampen (Kok) s.d.²
i d ., Locus de Magistratu, in: Dictaten dogmatiek V, Kampen (Kok) s.d.²
i d . (†), Van de voleinding IV, Kampen (Kok) 1935 [=1931]
Hetty L a LL eman - de w in K e L , Jeremia (De Brug IX), Heerenveen (Groen) 2004
e ad ., The Old Testament Contribution to Evangelical Models for Public Theology, in EurJTh XIV (2005), pp. 87-97
e ad ., Amos , in: h i L brand S – K oore Vaar , Einleitung (2023), pp. 868-877
e ad ., Jeremia , in: o.c., pp. 769-788
J. L ambotte , Vers une Fédération Évangélique Francophone de Belgique, in LME 307 (1988), pp. 116-117
i d ., Fondation de la Fédération Évangélique Francophone de Belgique, in LME 315 (1989), pp. 133-134
Nancy L efè V re , Libertés de conscience et d’expression. D’une haute reconnaissance juridique à de fragiles équilibres, in: S chweitzer – b uchho L d – c ar L uer – d e S aint g ermain – r obitzer – L efè V re , Libre de le dire (2015), pp. 127-154
A. L emaire , Levantine Epigraphy and History in the Achaemenid Period (539-322 BCE) (Schweich Lectures), Oxford (UP) 2015
H. L eppin , Die frühen Christen. Von den Anfängen bis Konstantin, München (C.H. Beck) 2018
E. L e V ine , The Aramaic Version of the Bible. Contents and Context (BZAW CLXXIV), Berlin (De Gruyter) 1988
G. L iagre , Gelovigen en Staatsburgers, in i d . (ed.), Tussen behouden en vernieuwen, Brussel (Prodoc) 2005, pp. 61-90
i d ., Voorlopers van de Gaspard de Colignyschool in de 19de eeuw, in: Aletta r ambaut – J. t emmerman , Gaspard de Colignyschool 1934-2009. Het 75-jarige bestaan van de School met de Bijbel in Gent, Gent (Rambaut – Temmerman) 2009, pp. 39-53
i d ., Anders geloven. Geschiedenis van het Nederlandstalig protestantisme te Brussel en zijn organisaties, Brussel (Prodoc) 2004
R. L i LL eaa S en , Religion In Norway Between National Legislation and Local Politics, in EurJTh XXXI (2022), pp. 92-113
E. L ipiński , André Lacocque, Le Livre de Daniel, Commentaire de l’Ancien Testament 15b, 192 pp. Delachaux et Niestlé, Neuchâtel/Paris, 1976, in Vetus Testamentum XXVIII (1978), pp. 233-241
i d ., Semitic Linguistics in Historical Perspective (OLA CCXXX), Leuven (Peeters) 2014
C. L ombaard , Law and Faith in Ancient Israel and in Modern Democratic Statehood as Search for Socio-Political Wellbeing, in Scriptura CXX (2021), 19 pp. De
T. L ongman III, Daniel (NIV Application Commentary), Grand Rapids (Zondervan) 2002
G.W. L orein , Een historisch overzicht van de Nederlandse bijbelvertalingen, in: i d . (ed.), Naar een nieuwe bijbelvertaling?, Leiden (Groen) 1994, pp. 13-27
i d ., Samen op Weg in België, in Koers XXVII/11 (1996), pp. 16-20
i d ., Het thema van de Antichrist in de intertestamentaire periode, diss. Rijksuniversiteit Groningen 1997
i d ., 4Q448. Een gebed tegen Jonathan de Makkabeeër, in Nederlands Theologisch Tijdschrift LIII (1999), pp. 265-273.
i d ., Some Aspects of the Life and Death of Antiochus IV Epiphanes. A New Presentation of Old Viewpoints, in Ancient Society XXXI (2001), pp. 161-174
i d ., The Antichrist in the Fathers and their Exegetical Basis, in Sacris erudiri XLII (2003), pp. 5-60
i d ., The Antichrist Theme in the Intertestamental Period (Journal for the Study of the Pseudepigrapha. Sup. XLIV), London (T&T Clark), 2003
i d ., אתוכלמ in the Targum of the Prophets, in Aramaic Studies III (2005), pp. 15-42
i d ., De verhouding tussen aannemer en bewoners tijdens verbouwingswerken. Leiders en gemeenschap in Ezra 7 – Nehemia 13, in: p. b oer S ema – J. h oe K –m .-J. p au L – Maria V erhoeff (edd.), Gezag in beweging. Kerkelijk leiderschap tussen tekst en context, Heerenveen (Protestantse Pers) 2008, pp. 144-157
i d ., Algemene inleiding, in: i d . – r o S e , Geschriften over de Perzische tijd, pp. 11-18
i d ., Daniël , in: o.c. , pp. 19-92
i d ., Esther , in: o.c., pp. 191-230
i d ., Dealing with Scripture and Circumstances in Nehemiah 9–10, in: S. r iec K er –J. S teinberg , Das heilige Herz der Tora (Fs. H. Koorevaar), Aachen (Shaker) 2011, pp. 61-77
i d ., The Holy Spirit at Qumran, in: D.G. f irth – P.D. w egner (edd.), Presence, Power and Promise. The Role of the Spirit of God in the Old Testament, Nottingham (Apollos) 2011, pp. 371-395
i d ., Entwicklungen zwischen dem Alten und dem Neuen Testament, in: H.J. K oore Vaar – M.-J. p au L (edd.), Theologie des Alten Testaments. Die bleibende Botschaft der hebräischen Bibel, Gießen (Brunnen) 2016, pp. 301-323
i d ., The Latin Versions of the Old Testament from Jerome to the Editio Clementina, in: Alberdina h outman – Eveline Van S taa L duine -S u L man – H.-M. K irn (edd.), A Jewish Targum in a Christian World (Jewish and Christian Perspectives XXVII), Leiden (Brill) 2014, pp. 125-145
i d ., David’s Strengths and Weaknesses in the Targum of the Psalms, in: K. S pron K –Eveline Van S taa L duine -S u L man , Hebrew Texts in Jewish, Christian and Muslim Surroundings (Fs. Alberdina Houtman; Studia Semitica Neerlandica LXIX), Leiden (Brill) 2018, pp. 83-103
i d ., The Land in a Time of Exile. Promises and Duties, in: H.J. K oore Vaar – M.J. p au L (edd.), The Earth and the Land. Studies about the Value of the Land of Israel in the Old Testament and Afterwards (Edition Israelogie XI), Berlin (Lang) 2018, pp. 248-273
i d ., ‘Religion never stands above the law’. The relation between the state and faith groups as illustrated in Belgium, in International Journal for Religious Freedom XIII (2020), pp. 11-20
i d ., The Relationship of Believers to Society. Different Approaches in the Earliest Interpretations of the Old Testament, in EurJTh XXX (2021), pp. 248-274
i d ., Le régime des cultes en Flandres: enjeux et débats: L’episkopos en tant que contrôleur ou en tant que protecteur, in Commentaires de la Chaire de droit des religions de l’UCLouvain n° 2021/4, http://belgianlawreligion.unblog. fr/2021/04/27/le-regime-des-cultes-en-flandres-enjeux-et-debats/ (laatst geraadpleegd 10 IV 2026)
i d ., Fidus Interpres. The Translation of Biblical Hebrew Prose, in: J. K o K – M. w ebber (edd.), Off the Beaten Path (Fs. G. Vleugels; Beiträge zum Verstehen der Bibel XLVIII), Zürich (LIT) 2021, 14-29
i d ., Nehemia 3. Individueel engagement ter afscherming van Jeruzalem, in: J. d ubbin K (ed.), Ezra & Nehemia (Amsterdamse Cahiers voor Exegese van de Bijbel en zijn Tradities XXXIV), Amsterdam (Societas Hebraica Amstelodamensis) 2021, pp. 69-82
i d ., Spätmittelalter, Reformation und Aufklärung, in: h i L brand S – K oore Vaar , Einleitung (2023), pp. 42-49
i d ., Das Ineinander von Geschichte, Text und Theologie, in: o.c., pp. 57-71
i d ., Esther , in: o.c., pp. 1161-1174
i d ., Lang leve het schoolpact! Als je op school vér wilt komen, dan moeten er levensbeschouwelijke vakken worden gegeven door leerkrachten van die levensbeschouwingen, in Collationes LIII (2023), pp. 479-495
i d ., Ezra and Nehemiah (TOTC), London (IVP) 2024
i d ., Le secret professionnel des ministres du culte dans l’Arrêt 114/2024 de la Cour constitutionnelle, in Commentaires de la Chaire de droit des religions de l’UCLouvain nº 2025/2, http://belgianlawreligion.unblog.fr/2025/02/02/ le-secret-professionnel-des-ministres-du-culte-dans-larret-1142024-de-lacour-constitutionnelle-de-belgique/ (laatst geraadpleegd 10 IV 2026)
i d ., Ethische vragen bij het Estherboek, in: K. Van b e KK um – h . Van den b e Lt – h . Van den h eri K (edd.), Bevrijding en verwachting. Over de verhouding tussen beide testamenten (Fs. M.-J. Paul), Apeldoorn (Labarum) 2025, pp.87-97
id., The Maccabees’ motives. What caused believers to maintain their identity in a time of crisis, in: r. LiLLeaaSen – c. Sauer (edd.), Religious Persecution. Perspectives from Theology and Missiology (Christians under Pressure. Studies in Discrimination and Persecution III), Bonn (VKW) 2025, pp. 93-114
i d . – W.H. r o S e , Geschriften over de Perzische tijd (De Brug XI), Heerenveen (Groen) 2010
G.W. L orein – J.-L. S imonet , Le protestantisme évangélique non-E.P.U.B. en Belgique, in LME 344 (1994), pp. 337-386
G.W. L orein – Eveline Van S taa L duine -S u L man , CšD II,4 – IV,9. A Song of David for Each Day, in Henoch XXXI (2009), pp. 387-410
E.C. L uca S , Daniel (Apollos Old Testament Commentary), Leicester (Apollos) 2002
T. L uy K x , Politieke geschiedenis van België van 1789 tot heden, Amsterdam –Brussel (Elsevier) 1973³
B. m aar S ingh , Maatschappijcritiek in het Oude Testament. Het jubeljaar (Bijbel en Gemeente XIII), Kampen (Kok) s.d.
J. m ac L ure – C. t ay L or (tr. Jane Marie t odd ), Secularism and Freedom of Conscience, Cambridge (Harvard UP) 2011
P. m aerten S , La promulgation de l’Edit de Tolérance dans les Pays-Bas autrichiens: réactions et conséquences immédiates, in: R. c rahay (ed.), La tolérance civile, Bruxelles (Université de Bruxelles) 1982, pp. 55-62
Bieke m ahieu , Between Rome and Jerusalem. Herod the Great and His Sons in Their Struggle for Recognition. A Chronological Investigation of the Period 40 BC39 AD With a Time Setting of New Testament Events (OLA CCVIII), Leuven (Peeters) 2012
P. m ahi LL on , Het Protestantisme in de Belgische Rechtspraak sedert 1830, in Bulletin IX/9 (1984), pp. 197-204
O. m aingain – Véronique c apra SS e , Proposition de révision de la Constitution en vue d’insérer un nouvel article 7ter relatif à la laïcité de l’Etat, in: Actes du Colloque “Laïcité de l’Etat & Citoyenneté Partagée” (Les Focus du CEG X), Bruxelles (Centre Georgin) 2015, pp. 63-71
I.H. m ar S ha LL , The Acts of the Apostles (TNTC), Leicester (IVP) 1980, p. 385
M. m c n amara , Some Targum Themes, in: D.A. c ar S on – p. t. o ’ b rien – m . a . S eifrid (edd.), Justification and Variegated Nomism I. The Complexities of Second Temple Judaism (WUNT 2 CXL), Tübingen (Mohr Siebeck) 2001, pp. 303-356
P.A. m ei J er , Socratisch schimmenspel. Socrates’ plaats in de griekse wijsbegeerte, Amsterdam (Buijten & Schipperheijn) 1974
A. m einho L d , Serubbabel, der Tempel und die Provinz Jehud, in: C. h ardmeier (ed.), Steine – Bilder – Texte, Leipzig (Evangelische Verlagsanstalt) 2001, pp. 193-217
M.K. m ercer , Daniel 1:1 and Jehoiakim’s Three Years of Servitude, in Andrews University Seminary Studies XXVII (1989), pp. 179-192
K.-W. m er KS , Kerk en staat – sociaal-ethisch gezien, in: d en d e KK er - Van b i JS terV e L d – h ir S ch b a LL in – m er KS – V an w i SS en , Kerk en staat (1987), pp. 40-72
A.R. m i LL ard , Daniel , in: G.C.D. h ow L ey et al., A Bible Commentary for Today, Glasgow (Pickering & Inglis) 1979, pp. 901-925
P.F. m ittag , Antiochos IV. Epiphanes. Eine politische Biographie (Klio NS XI), Berlin (Akademie) 2006
S. m ittmann – G. S chmitt , Tübinger Bibelatlas, Stuttgart (DBG) 2001
E.J. m o L inghen , À propos de l’unité du protestantisme belge, in Veritatem in Caritate (1961/1-2), pp. 18-25
Ο. Μ ørkho L m (†), Antiochus IV, in T he Cambridge History of Judaism II, Cambridge (UP) 1989, pp. 278-291
J. n age LK er K en , De dood van Pompeius Magnus bij Appianus, in Hermeneus LXXXVIII (2016), pp. 65-69
D. n auta , Geschiedenis van het ontstaan der Statenvertaling, in: De Statenvertaling 1637-1937, Haarlem (Bohn) 1937, pp. 1-50
J.T. n e L i S , Daniël uit de grondtekst vertaald en uitgelegd (BOT), Roermond –Maaseik (Romen) 1954
J.T. n e L i S , II Makkabeeën (BOT), Bussum (Romen) 1975Nieuws uit de Synodale Raad, in Info XXV/7-8 (2003), p. 6
A. n ogrady , Römisches Strafrecht nach Ulpian. Buch 7 bis 9 De officio proconsulis (Freiburger Rechtsgeschichtliche Abhandlungen NF LII), Berlin (Duncker & Humblot) 2006
B.J. o o S terhoff , Jeremia II (Commentaar op het Oude Testament), Kampen (Kok) 1994
E. o tto , Human Rights. The Influence of the Hebrew Bible, in Journal of Northwest Semitic Languages XXV (1999), pp. 1-20
W.J. o uwenee L , Het Koninkrijk Gods en de staat (Publicatie XVIII), Nunspeet (Marnix van St. Aldegonde Stichting) 1995
A. o V erbee K e , Le Synode de l’Église Protestante Unie de Belgique. Représentant du culte protestant depuis 1839?, in LME 322 (1991), pp. 7-13
i d ., De overheid en de grondrechtspositie van godsdienstige en levenbeschouwelijke gemeenschappen. De bescherming van corporatieve vrijheid van godsdienst in de Belgische grondwet, getoetst aan de internationale verdragen, diss. UAntwerpen 2005
J.K. o V erbee K e , Jaarboek der Evangelische Kerken in België 1954, Hoboken (Overbeeke) 1954
L. p anafit , Quand le droit écrit l’Islam. L’intégration juridique de l’Islam en Belgique, Bruxelles (Bruylant) 1999
Pasicrisie belge. Recueil général de la jurisprudence des cours et tribunaux de Belgique en matière civile, commerciale, criminelle, de droit public et administratif. Année 1899 I. Arrêts de la Cour de Cassation, Bruxelles (Bruylant) s.d.
A. p au L , La Bible et l’Occident. De la bibliothèque d’Alexandrie à la culture européenne, Paris (Bayard) 2007
S.M. p au L , The Mesopotamian Background of Daniel 1–6, in: J.J. c o LL in S – P.W. f L int (edd.), The Book of Daniel. Composition and Reception, Leiden (Brill) 2001, pp. 55-68
S. p feiffer , Griechische und lateinische Inschriften zum Ptolemäerreich und zur römischen Provinz Aegyptus, Berlin (Lit) 2015
P. p ortier , ‘Modernités plurielles?’. Une approche longitudinale des modèles nationaux de régulation du croire dans les démocraties occidentales, in: Micheline m i L ot – p. p ortier – J.- p. w i LL aime (edd.), Pluralisme religieux et citoyenneté, Rennes (PU) 2010, pp. 241-271
A. p rin S , Protestanten in de loopgraven. De strijd om de ziel van de Belgische soldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog, in Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis (2014), pp. 142-168
i d ., The History of the Belgian Gospel Mission from 1918 to 1962, diss. Evangelische Theologische Faculteit, Leuven 2015
i d ., From Hope to Hardship. The Missionary Dreams and Disappointments of the Belgian Gospel Mission, Leuven (UP) 2025
E. p uech , Dieu le Père dans les écrits péritestamentaires et les manuscrits de la mer Morte, in Revue de Qumran XX/2 (2001), pp. 287-310
Recueil des circulaires, instructions et autres actes émanés du Ministère de la Justice ou relatifs à ce département. Troisième série II. Années 1836-1841, Bruxelles (Weissenbruch) 1852
F.V. r eiterer , Risks and Opportunities of Wealth and Poverty in Ben Sira’s Wisdom, in Biblische Notizen 146 (2010), pp. 55-79
Prisca r obitzer , La France, “libérée pour la liberté”?, in: S chweitzer – b uchho L d – c ar L uer – de S aint g ermain – r obitzer – L efè V re , Libre de le dire (2015), pp. 97-126
[E. r ochedieu – G. o ppe Lt ], Code protestant. Recueil des lois, arrêtés, ordonnances, etc., concernant les églises évangéliques de Belgique, Bruxelles-Etterbeek (Verhavert) 1880
K. r unia , ‘Evangelischen’ – wat zijn dat voor mensen?, in De Waarheidsvriend LXXIV/3 (1986), pp. 7-8
P. S acchi , Qumran and the Dating of the Parables of Enoch, in J.H. c har L e S worth (ed.), The Bible and the Dead Sea Scrolls II. The Dead Sea Scrolls and the Qumran Community, Waco (Baylor UP) 2006, pp. 377-395
M. S artre , D’Alexandre à Zénobie. Histoire du Levant antique. iv e siècle avant J.-C. – iii e siècle après J.-C., Paris (Fayard) 2001
W. Schrage in H. Balz – W. Schrage, Die ‘Katholischen’ Briefe. Die Briefe des Jakobus, Petrus, Johannes und Judas (NTD), Göttingen (Vandenhoeck & Ruprecht) 1980
E. S chürer – m c d oub L e S , Priesthood and Temple Worship, in: g . V erme S – f m i LL ar – m . b L ac K (edd.), The history of the Jewish people in the age of Jesus Christ (175 B.C. – A.D. 135) II, Edinburgh (T&T Clark) 1979, pp. 237-313
E. S chürer – T.A. b ur K i LL , Political Institutions I. The Hellenistic Cities, in o.c., pp. 85-183
e . S chürer – h . a . K ennedy , Alexandra 76-67 b . c . , in: G. V erme S – f. m i LL ar (edd.), The history of the Jewish people in the age of Jesus Christ (175 B.C. – A.D. 135) I, Edinburgh (T&T Clark) 1973, pp. 229-232
Ī d ., Aristobulus II 67-63 b . c . , in o.c., pp. 233-242
E. S chürer – g . o gg , Hyrcanus II, in o.c., pp. 267-280
Ī d ., Herod the Great 37-4 b c ., in o.c., pp. 287-329
D.R. S chwartz , 2 Maccabees, Berlin (De Gruyter) 2008
i d ., 1 Maccabees (Anchor Yale Bible), New Haven (Yale UP) 2022
L. S chweitzer – J. b uchho L d – J.- y. c ar L uer – c .- e . de S aint g ermain – Prisca r obitzer – Nancy L efè V re , Libre de le dire. Fondements et enjeux de la liberté de conscience et d’expression en France, Marpent (BLF) 2015
N. S haron , The Title Ethnarch in Second Temple Period Judea, in Journal for the Study of Judaism XLI (2010)
J.-L. S imonet , Quels sont les buts de la Fédération évangélique francophone de Belgique?, in LME 322 (1991), pp. 15-19
P. S ini S ca L co , Tertullian , in: A. d i b erardino (tr. A. w a L ford ), E ncyclopedia of the Early Church II, Cambridge (Clarke) 1992, pp. 818-820
J. S me L i K , 245 - ’k Wil U, o God, mijn dank betalen, https://www. liedboekcompendium.nl/lied/245--k-wil-u-o-god-mijn-dank-betalen-2_3_6 (laatst geraadpleegd 10 IV 2026)
M. S mith , A Further Demotic Source of Evidence for the Expulsion of Antiochus IV form Egypt. O. Hor 3 verso, lines 7-25, in: K. d on K er Van h ee L – Francisca A.J. h oogendi JK – C.J. m artin (edd.), Hieratic, Demotic and Greek Studies and Text Editions. Of Making Many Books There is No End (Fs. S.P. Vleeming; Papyrologica Lugduno-Batava XXXIV), Leiden (Brill) 2018, pp. 219-227
D.L. S mith - c hri S topher , Prayers and Dreams. Power and Diaspora Identities in the Social Setting of the Daniel Tales, in: J.J. c o LL in S – P.W. f L int (edd.), The Book of Daniel. Composition and Reception (VTSup. LXXXIII), Leiden (Brill) 2001, pp. 266-290
R. S o L o V iy , Challenges for Discipleship in the Context of the War of Attrition. The Ukrainian Case, in EurJTh XXXIV (2025), pp. 124-150.
R. S tar K , The Rise of Christianity. A Sociologist Reconsiders History, Princeton (UP) 1996
G. S temberger , Einleitung in Talmud und Midrasch, München (Beck) 1992 8
L.T. S tuc K enbruc K , The Legacy of the Teacher of Righteousness in the Dead Sea Scrolls, in: Esther G. c hazon – Betsy h a L pern - a maru (edd.), New Perspectives in Old Texts (STDJ LXXXVIII), Leiden (Brill) 2010, pp. 23-49
E.J. t hie SS en , In Defence of Religious Schools and Colleges, Montreal – Kingston (McGill-Queen’s UP) 2001
J. t hie SS en , Der Römerbrief im Kontext der paulinischen Verkündigung des “ganzen Ratschlusses Gottes”. Überlegungen zum Abfassungszweck des Römerbriefs, in EurJTh XXXIII/1 (2024), pp. 47-78
i d ., Einleitung in das Neue Testament, Leipzig (Evangelische Verlagsanstalt) 2024
B. t idiman , Le livre d’Ézéchiel II (CEB), Vaux-sur-Seine (Edifac) 1987
M. t i LLy , 1 Makkabäer (Herders Theologischer Kommentar zum Alten Testament), Freiburg im Breisgau (Herder) 2015
J. Van b ruggen , Romeinen. Christenen tussen stad en synagoge (CNT³), Kampen (Kok) 2006
i d ., Paulus. Pionier voor de Messias van Israël (CNT³), Kampen (Kok) 2011 4
C. V an d am , Interpreting Historical Narrative. Truth Claim, Truth Value, and Historicity, in: M. te V e L de – g . h . V i SS cher , Correctly Handling the Word of Truth. Reformed Hermeneutics Today, Eugene (Wipf & Stock) 2014, pp. 83-115
R.J. Van der S pe K , The Hellenistic Near East, in: w. S cheide L – i . m orri S – r . p. S a LL er (edd.), The Cambridge Economic History of the Greco-Roman World, Cambridge (UP) 2007, pp. 409-433
i d ., The ‘Silverization’ of the Economy of the Achaemenid and Seleukid Empires and Early Modern China, in: Zosia h . a rchiba L d – J.K. d aV ie S – V. g abrie LS en (edd.), The Economies of Hellenistic Societies. Third to First Centuries BC, Oxford (UP) 2011, pp. 402-420
A.S. Van der w oude , Die messianischen Vorstellungen der Gemeinde von Qumrân, diss. Groningen 1957
i d ., Geschiedenis en godsdienst van het palestijnse Jodendom, in: i d . (ed.), Bijbels Handboek IIB. Tussen Oude en Nieuwe Testament, Kampen (Kok) 1983, pp. 5-89
H. V an de w a LL e – J. V ergouwe – w n u LL en S , Wie tekent de aanstellingsbrieven?, in PGO-kwartaal 42 (2000), p. 13
D. V an d runen , The Natural Law and the Liberal Traditions. Heritage (and Hope?) of Western Civilization, in: p. V o S – o . z i JLS tra (edd.), The Law of God. Exploring God and Civilization (Studies in Reformed theology XXVIII), Leiden (Brill) 2014, pp. 64-83
J. Van g enderen – w. h . V e L ema , Beknopte gereformeerde dogmatiek, Kampen (Kok) 1992
A. Van h eu S den , “If it Pleases the King.” The Will of the King, the Law, Transgressions, and Grace in the Book of Esther, MA-proef, ETF Leuven 2024
P.H.R. Van h ouwe L ingen , Timoteüs en Titus. Pastorale instructiebrieven (CNT³), Kampen (Kok) 2009
i d ., 1 Petrus. Rondzendbrief uit Babylon (CNT³), Kampen (Kok) 2010 4
H. V an i S terdae L , Richtlijnen en aanbevelingen voor het beheer van het archief van de bestuursraad en van andere archieven van protestantse gemeenten, Brussel (Algemeen Rijksarchief) 2007²
C. Van L eeuwen , Amos (POT), Nijkerk (Callenbach) 1985
i d ., Joël (POT), Nijkerk (Callenbach) 1993
A. Van S e L m S , Jeremia I (POT), Nijkerk (Callenbach) 1980²
M.A.H.P. Van S tiphout , Een nieuw ‘neutraal’ vak over levensbeschouwing en ethiek?, in TORB 2003-2004, pp. 212-219
i d ., Scheiding van Kerk en Staat en de ontwikkeling van de Kerk tot een zelfstandige geloofsgemeenschap. Studies over de rooms-katholieke kerk vanuit juridisch perspectief (1790-1965), Den Haag (Boom) 2011
Eveline Van S taa L duine -S u L man , Stilistik , in: h i L brand S – K oore Vaar , Einleitung (2023), pp. 239-256
W.C. Van u nni K , Ἀφθόνως μεταδίδωμι (Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. Klasse der Letteren XXXIII/4), Brussel (Paleis der Academiën) 1971
G.J.M. Van w i SS en , Botsing van grondrechten, in: d en d e KK er - Van b i JS terV e L d –h ir S ch b a LL in – m er KS – V an w i SS en , Kerk en staat (1987), pp. 73-91
R. V er S tegen , Een nieuw vak over levensbeschouwing en ethiek in het licht van art. 24 G.W. en de fundamentele rechten en vrijheden?, in Tijdschrift voor Onderwijsrecht & Onderwijsbeleid 2002-2003, pp. 271-290
N. V incent , Stephen Langton, Archbishop of Canterbury, in: L.-J. b atai LL on (†) –Nicole b ériou – G. d ahan – R. q uinto (edd.), Étienne Langton. Prédicateur, bibliste, théologien (Bibliothèque d’Histoire Culturelle du Moyen Âge IX), Turnhout (Brepols) 2010, pp. 51-123
J. V i SS cher , Rechter Vergunst. Ik word droevig van SGP-voorstel over gebedsoproepen, in RD 6 XII 2021
J. V iteau , Les Psaumes de Salomon. Introduction, texte grec et traduction, Paris (Letouzey et Ané) 1911
Gloria V i V enza , Roman Thought on Economics and Justice, in: S.T. L owry – B. g ordon (edd.), Ancient and Medieval Economic Ideas and Concepts of Social Justice, Leiden (Brill) 1997, pp. 269-331
L.E. V on p adberg , Die Christianisierung Europas im Mittelalter (UniversalBibliothek ↂↁ MMXV), Stuttgart (Reclam) 1998
Bilhah w ardy , Jewish Religion in Pagan Literature during the Late Republic and Early Empire, in: W. h aa S e (ed.), Geschichte und Kultur Roms im Spiegel der neueren Forschung II. Principat 19. Religion (Judentum. Allgemeines, palästinisches Judentum) (ANRW II 19.1), Berlin (WdG) 1979, pp. 592-644
M. w ater S , The Far Side of the Long Sixth Century. Mesopotamian Political Influences on Early Achaemenid Persia, in: Pamela b arma S h – M.W. h ami Lton (edd.), In the Shadow of Empire. Israel and Judah in the Long Sixth Century b . c . e . (Archaeology and Biblical Studies XXX), Atlanta (SBL) 2021, pp. 139-160
Stéphanie w attier , Inscrire le principe de laïcité dans la Constitution belge? Quelques pistes pour une réflexion juridique, in X. d e L grange (ed.), Les débats autour de l’inscription de la laïcité politique dans la constitution belge (Les Cahiers du CIRC IV), Bruxelles (Université Saint-Louis) 2020, pp. 77-93
R.A. w er L ine , Penitential Prayer in Second Temple Judaism. The Development of a Religious Institution (SBLEJL XIII), Atlanta (Scholars) 1998
R.N. w hybray , The Good Life in the Old Testament, London (T&T Clark) 2002
H. w iher , Qu’est-ce que la mission?, in: ThÉv IX (2010), pp. 123-140
E. w i LL , Histoire politique du monde hellénistique II. Des avènements d’Antiochos III et de Philippe V à la fin des Lagides, Nancy (PU) 1982²
J.-P. w i LL aime , L’expression des religions, une chance pour la démocratie, in Projet 342 (2014)
B.W. w inter , Seek the Welfare of the City. Christians as Benefactors and Citizens, Grand Rapids (Eerdmans) 1994
D.J. w i S eman , Babylonia 605-539 B.C., in: J. b oardman – i e .S. e dward S – n g .L. h ammond – e . S o LL berger (†) (edd.), The Assyrian and Babylonian Empires and Other States of the Near East, from the Eighth to the Sixth Centuries BC (Cambridge Ancient History III/2) Cambridge (UP) 1992², pp. 229-251
N. w o Lter S torff , Religion in the University, New Haven (Yale UP) 2019
R.D. w oodberry , T he Missionary Roots of Liberal Democracy, in American Political Science Review CVI (2012), pp. 244-274
M.H. w oud S tra , The Book of Joshua (NICOT), Grand Rapids (Eerdmans) 1981
P. w ynant S , Autres cultes (1598-1985) I. France – Belgique – Grand-Duché (Répertoires Meuse-Moselle XIII), Namur (Ceruna) 1986
J. z angenberg , Between Jerusalem and the Galilee. Samaria in the Time of Jesus, in J.H. c har L e S worth , Jesus and Archaeology, Grand Rapids (Eerdmans) 2006, pp. 393-432
J. z S enge LL ér , Was He a Bad Samaritan? Ascensio Isaiae and the Early Jewish and Early Christian Anti-Samaritan Polemic, in: M. m or – f.V. r eiterer (edd.), Samaritans: Past and Present. Current Studies (Studia Judaica LIII; Studia Samaritana V), Berlin (De Gruyter) 2010, pp. 73-87
F.L. z waan , Uit de geschiedenis der Nederlandsche spraakkunst. Grammatische stukken van De Hubert, Ampzing, Statenvertalers en reviseurs, en Hooft, Groningen (Wolters) 1939
