WETENSCHAPSJOURNALISTEN OVER HUN ZEVEN GROOTSTE ZONDEN
Nederlandstalige editie | april 2018 | NewScientist.nl
special wetenschapscommunicatie
DIRK VAN DELFT ‘WETENSCHAP AANTREKKELIJK MAKEN IS MIJN SPORT’
BIOGRAFIEPLEZIER
BLUNDERS EN SUCCESSEN VAN ONDERZOEKERS
UITLEGWALHALLA
WETENSCHAPSMUSEUM MOET TOEGANKELIJK ZIJN
IN SAMENWERKING MET
RIJKSMUSEUM BOERHAAVE
Bruns B.V. Bruns bestaat 55 jaar en op dit moment zijn we met een team van 90 FTE professionals. Wij hebben onszelf ontwikkeld als een allround multidisciplinaire partner gezien het feit dat alle, voor een project, benodigde kennis en disciplines in ons bedrijf aanwezig zijn.
Rijksmonument De Ploeg Bergeijk, Nederland
LEGO© House Billund, Denemarken
Rijksmuseum Boerhaave Leiden, Nederland
Esplora Interactive Science Center Kalkara, Malta
Begonnen als specialist in de maquettebouw is Bruns de laatste decennia uitgegroeid tot een wereldwijd gekend familiebedrijf als ontwikkelaar en producent van innovatieve (elektro)mechanische exhibits en realisatie van complete (interactieve) tentoonstellingen. Na jaren van leegstand heeft Bruns in januari 2017 zijn intrek genomen in Rijksmonument De Ploeg, hét industriële erfgoedicoon van Noord-Brabant. Een uniek ensemble van fabriek en park. Voor dit project hebben in 1958 de toonaangevende Nederlandse kunstenaars, architect en meubelontwerper Gerrit Rietveld en tuinarchitect Mien Ruys de handen ineen geslagen. De Ploeg, een architectonische parel op het gebied van licht, lucht en ruimtelijkheid, werd in 1959 samen met het park opgeleverd als productiefabriek voor de befaamde Ploegstoffen. Evenals voormalig Weverij De Ploeg, combineert Bruns modern vakmanschap met creativiteit. De uitbreiding van het bedrijf betekent meer geavanceerde productiemogelijkheden en een eigen showroom met state-of-the-art technologie. Opdrachtgevers kunnen zich voortaan ter plekke oriënteren op de nieuwste toepassingen aangaande tentoonstellingen en interactieve exhibits. Wij zijn Bruns. Wij doen er alles aan om uw ideeën tot leven te brengen. Om bezoekers een echte ervaring te bieden. En dat kunnen wij als geen ander.
Bruns B.V. • Rijksmonument De Ploeg • Riethovensedijk 20 • 5571 CR Bergeijk • Nederland • T +31 (0)497 57 70 27 • E info@bruns.nl • I www.bruns.nl
vooraf New Scientist Special
Meer over Rijksmuseum Boerhaave vind je op rijksmuseumboerhaave.nl
Met enthousiasme
Douwe Breimer
Annelore Scholten
Hein Meijers
Voorzitter RvT Rijksmuseum Boerhaave en oud-rector magnificus Universi teit Leiden
Hoofd Publiek & Presentatie Rijks museum Boerhaave
Lid RvT Rijksmuseum Boerhaave en oud-directeur communicatie van NWO
Twaalf jaar geleden ruilde Dirk van Delft zijn baan bij NRC Handelsblad in voor een ongewisse toekomst bij Rijksmuseum Boerhaave. Dirk slaagde er als directeur in het aantal bezoekers te verveelvoudigen en werd tevens bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Leiden. Hij bleek een cultureel ondernemer, overleefde daarmee het beleid van Den Haag en gaf leiding aan de renovatie van het museum. Dirk regelde het allemaal en bleef ook nog prachtig schrijven. Een echte vakman.
Negen jaar geleden ging ik bij Rijksmuseum Boerhaave werken. Onder aanvoering van Dirk van Delft ging het roer drastisch om: Rijksmuseum Boerhaave moest relevanter en zichtbaarder worden. We ontwikkelden tentoonstellingen met gedurfde toon en vormgeving, leverden bijdragen aan symposia, gaven lezingen en maakten interactieve doe-ruimtes voor jonge mensen. Deze positieve ervaringen klinken door in het nieuwe museum. Bezoekers zijn enthousiast over de collectie en ons erfgoed. Rijksmuseum Boerhaave doet ertoe!
Wetenschappers weten beter dan wie dan ook waar hun onderzoek over gaat. Maar als superspecialist zijn ze voor de leek niet altijd even begrijpelijke vertellers. Rijksmuseum Boerhaave was in het slop geraakt en had een echte storyteller nodig om te zorgen voor nieuw elan. Dat werd Dirk van Delft. Als voormalig leraar natuurkunde en chef wetenschap van NRC Handelsblad zette hij het Rijksmuseum Boerhaave weer op de kaart. Een prestatie die terecht een special verdient.
Je moet een bijzondere positie in de Nederlandse wetenschap bekleden als New Scientist een special over je maakt. Dirk van Delft, die afscheid neemt als directeur van Rijksmuseum Boerhaave, doet dat. Twaalf jaar lang leidde Dirk het museum en in een leven daarvoor was hij chef wetenschap bij NRC Handelsblad en docent natuurkunde. Als geen ander kan Dirk communiceren over wetenschap, en dat doet hij met zo veel enthousiasme dat hij moeiteloos een groot publiek weet te bereiken. Of dat nou met een tentoonstelling, boek, lezing of tv-optreden is, Dirk is van alle markten thuis. ‘Wat is je geheim?,’ vroeg ik aan Dirk, toen ik hem interviewde in zijn schitterend vernieuwde museum. ‘Blijf bij jezelf en doe dat met enthousiasme,’ was zijn antwoord. Dat devies hebben wij ter harte genomen bij het maken van deze special, die gaat over wetenschap, communicatie, prominente wetenschappers en nog veel meer. Dirk neemt afscheid als directeur, maar u en ik zijn gelukkig nog niet van hem af. Hij heeft verschillende ideeën voor nieuwe boeken en hij blijft stukken schrijven voor kranten en tijdschriften. Daar ben ik blij mee. Jim Jansen
hoofdredacteur jim@newscientist.nl @jimfjansen (Twitter)
Volg ons ook op Twitter twitter.com/ newscientistnl
Facebook facebook.com/ newscientistnl
Instagram instagram.com/ newscientistnl special wetenschapscommunicatie | New Scientist | 3
inhoud
14
28
22
Interviews
Features
08 Dirk van Delft Hij neemt afscheid als directeur van Rijksmuseum Boerhaave. Waar kijkt hij met veel trots op terug? En... wat gaat hij doen met zijn vrije tijd?
14 Leren communiceren Feiten aan de man brengen is lastig. Waaraan moet goede wetenschapscommunicatie voldoen? 18 Do’s en don’ts Wetenschapsjournalisten over de grootste zonden in hun werk
26 Robbert Dijkgraaf Wat is de overeenkomst tussen Robbert Dijkgraaf en Dirk van Delft? Ze weten beiden als geen ander hoe ze wetenschap moeten populariseren.
22 Meer dan een vitrine Wetenschap tentoonstellen is een vak apart. Een goed verhaal, daar draait het om.
26 4 | New Scientist | special wetenschapscommunicatie
28 Leve de biografie Het persoonlijke leven van een wetenschapper levert een hoop inzichten op.
COLOFON KLANTENSERVICE 088 - 700 2777 of vanuit België: 0031 88 700 2777 voor contact over het lidmaatschap, bestellingen, wijzigingen en vragen. Of mail naar klantenservice@newscientist.nl of kijk op newscientist.nl/faq Nederland Postbus 11249, 3004 EE Rotterdam t.n.v. Veen Media, Utrecht België Postbus 102, 2910 Essen t.n.v. Veen Media, Utrecht Tarieven 11 nummers per jaar, incl. porto Lidmaatschap € 92,85; jongeren € 68,50; Europa € 121,42; buiten Europa € 141,22 Losse nummers € 8,50 (excl. verzendkosten) Een lidmaatschap wordt tot wederopzegging aangegaan, tenzij anders vermeld.
COVERBEELD: BRAM BELLONI
08 Interview Dirk van Delft ‘We hebben het museum aantrekkelijk gemaakt voor mensen die niet alle details van de wetenschapsgeschiedenis paraat hebben’
En verder 06 Ingezoomd Einsteins formule op de muur van Rijksmuseum Boerhaave
Hoofdredactie Jim Jansen Redactie Jaap Augustinus (beeldredactie), Emmeke Bos, Ruben Boyd, Yannick Fritschy, George van Hal, Marleen Hoebe, Joris Janssen, Wim de Jong (eindredactie), Kristel Kleijer, Tel +31-(0)88-700 2931 Mail redactie@ newscientist.nl (voor persberichten), info@ newscientist.nl (uitsluitend voor vragen aan redactie), lezersservice@veenmedia.nl (voor vragen en wijzigingen in lidmaatschap) Post Postbus 13288, 3507 LG Utrecht Bezoek Herculesplein 96, 3584 AA Utrecht Aan dit nummer werkten mee Bram Belloni, Anouk Broersma, Bob Bronshoff, Ype Driessen, Monique Kitzen, Ionica Smeets, Sebastiaan van de Water Basisontwerp Sanna Terpstra (Twin Media bv) Vormgeving Miranda de Groot (Twin Media bv) en Pascal Tieman Brandmanager Martine Verheij (martine.verheij@veenmedia.nl) Marketing Milou Snelleman Sales Alex Sieval (alex.sieval@veenmedia.nl) +31-(0)6 113 803 80 Productiemanager Sonja Bon Druk Habo DaCosta bv Distributie Aldipress (NL), AMP (BE) ISSN 2214-7403 De uitgever is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van druk- en zetfouten. COPYRIGHT Deze Nederlandstalige New Scientist is een maandelijkse uitgave van Veen Media onder licentie van Reed Business Information Ltd. De inhoud is deels eerder gepubliceerd in de Engelstalige New Scientist © 2018 Reed Business Information Ltd. Alle andere kopij © 2018 Veen Media. Het logo en overige handelsmerken van New Scientist zijn eigendom van Reed Business Information Ltd. Niets uit deze uitgave mag op enigerlei wijze worden overgenomen of in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgenomen zonder schriftelijke toestemming van de uitgever. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten van de illustraties volgens de wettelijke bepalingen te regelen. Zij die menen nog zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich wenden tot de uitgever. Deze editie is gemaakt in samenwerking met Rijksmuseum Boerhaave.
17 Column Ode aan de wetenschap van de nieuwe directeur, Amito Haarhuis 34 Ype en Ionica Dankzij Dirk van Delft
18 special wetenschapscommunicatie | New Scientist | 5
IVO VAN VULPEN
INGEZOOMD
Muurformules Met alle respect voor E = mc², maar dit is toch echt Einsteins belangrijkste formule. De vergelijking laat zien hoe een grote hoeveelheid materie (rechts van het =teken) zorgt voor kromming van de ruimtetijd (links), met als gevolg dat zelfs lichtstralen kunnen afbuigen. Sinds eind 2015 prijkt de Einsteinvergelijking op de muur van Rijksmuseum Boerhaave. Het was de eerste in een reeks van meer dan tien Leidse ‘muurformules’, waarvan er inmiddels zes voltooid zijn. Met dit project willen natuurkundigen Sense Jan van der Molen en Ivo van Vulpen samen met stichting TEGENBEELD de schoonheid van formules laten zien. De muurformules hebben allemaal een band met Leiden – Einstein was bijvoorbeeld bijzonder hoogleraar in de Sleutelstad. —YF
interview Dirk van Delft
‘Wetenschap op een aantrekkelijke manier overdragen, dat is voor mij echt de sport’ Journalist en museumdirecteur Dirk van Delft neemt afscheid van Rijksmuseum Boerhaave. Wij spraken hem over veertig jaar wetenschapscommunicatie.
interview
Tekst: George van Hal en Jim Jansen Beeld: Bob Bronshoff
A
ls iemand in Nederland de moderne wetenschapscommunicatie belichaamt, is het Dirk van Delft wel. De scheidend directeur van Rijksmuseum Boerhaave in Leiden deed in zijn loopbaan tot nog toe zo’n beetje alles. Begonnen als docent natuurkunde, doorgerold in de schrijvende journalistiek, opgeklommen tot chef wetenschap bij NRC Handelsblad, neemt hij nu afscheid als directeur van een toonaangevend wetenschapsmuseum. Tussen de bedrijven door schreef hij vijftien boeken, verscheen hij regelmatig zelf in de media en gaf (en geeft) hij met grote regelmaat publiekslezingen. Hoe laat u het museum achter?
‘Op de rand van een nieuw tijdperk. Het museum gaat een nieuwe fase in. We hebben net een nieuwe opstelling neergezet voor onze collectie. We hebben het museum aantrekkelijk gemaakt voor gewone mensen, mensen die op voorhand niet direct alle details van de wetenschapsgeschiedenis paraat hebben. Dat vind ik het leukste.’
stond naast een nierdialyse-apparaat en dat stond weer naast het oudste heliocentrische planetarium ter wereld. Dat leverde een enorm lange doorloop op. De collectie liep van een herbarium uit 1483 naar een fluorescentiemicroscoop uit 1987. Maar niemand haalde ooit het eind, want rond 1857 had je het wel zo’n beetje gehad. Het was te veel. ‘Nu hebben we de objecten thematisch verdeeld, in blokken, waarbij je ook de context ziet. Daardoor kun je gemakkelijk een blok overslaan. De objecten versterken elkaar nu ook. Je ziet wie met de instrumenten gewerkt hebben en je hoort bij medische apparatuur ook het patiëntverhaal. Mijn motto tijdens onze verbouwing was: minder messing, meer vlees en bloed.
‘Zo heeft Airbus in Leiden, het oude Fokker Space, een een-op-eenmodel van Tropomi neergezet, het satellietinstrument voor het in kaart brengen van luchtvervuiling dat nu furore maakt. Quantumcomputerlab QuTech heeft hier een qubit neergezet. En Leo Kouwenhoven, die toen nog directeur was, had de koning twee manchetknopen cadeau gedaan waar majoranadeeltjes inzitten – mogelijke onderdelen van de quantumcomputer. Wij hebben de koning een brief geschreven en ze in bruikleen gekregen. Dus die manchetknopen liggen er nu naast. ‘Verder hebben we van ASML een holle spiegel gekregen die ze gebruiken om lithografie te doen voor computerchips. Die spiegel heeft een enorm dun laagje molybdeen
‘Je kunt gerust iets zeggen dat een deel van het publiek niet snapt, zolang je maar een beetje varieert’ ‘Dat werkt. Van het planetarium hoor ik nu vaak: dat hadden jullie toch nog niet? Het stond voorheen op een plaats waar het geen enkele context had, totaal niet opviel. Nu vinden mensen het prachtig, onthouden ze het. Bezoekers ervaren door onze opstelling meer rust in het museum, behouden het overzicht. En ze vinden het ook nog eens hartstikke mooi.’
Op wat voor manier is het museum aan trekkelijker geworden?
Die wetenschap stopt in het museum tegenwoordig ook niet meer in de jaren tachtig, maar loopt door tot de huidige tijd. Waarom?
‘Begrijp me niet verkeerd: het museum was esthetisch al heel mooi. Tijdloos. Maar het was voor mijn soort mensen neergezet. Voor echte liefhebbers. Als argeloze bezoeker was het moeilijk om de samenhang tussen de objecten te ontdekken. Een ijzeren long
‘We willen dingen laten zien die een pars pro toto zijn voor belangrijke ontwikkelingen die op ons afkomen. We zijn naar kennisbedrijven en instituten gestapt met de vraag om bij ons dingen te laten zien die nu en morgen van belang zijn.
10 | New Scientist | special wetenschapscommunicatie
erop, waarmee je ultraviolet licht kunt richten. Het is echt een technisch hoogstandje. Het ding is zo glad dat de bergen en dalen maar een enkele atoom hoog of diep zijn. Dan heb je het echt over glad. Dat staat hier nu ook. Op die manier laten we zien dat wetenschap in Museum Boerhaave niet alleen over het verleden gaat.’ U wilde de uitstraling van het museum — de corporate identity heet dat in jullie beleidsdocumenten — veranderen. Hoe heeft u dat gedaan?
‘Gaan we vloeken, haha? De corporate identity – ik gebruik dat woord overigens bijna nooit – is inderdaad onze identiteit, wat we willen uitstralen. We willen onze bezoekers tonen dat wetenschap ertoe doet, dat het verweven is met het dagelijks leven. Dat het ons geweldige dingen heeft gebracht. Dat het
gedaan, ga zo door. Pas later kwam een norm, in 2010 was dat. Nu ben je verplicht bij elke honderd euro die de rijksoverheid geeft, er zelf 17,50 euro aan eigen inkomsten naast te leggen. Dat is bij ons inmiddels geen issue meer. Dat halen we nu ruim.’ Hoe heeft u die norm gehaald?
CV
‘Dat was wel even heftig. We wisten al dat we de norm in 2012 moesten halen, maar ineens kwam er een gedoogkabinet met de PVV. En die wilden dat we de norm met terugwerkende kracht al in 2010 haalden. We hoorden dat pas halverwege 2011. We wisten toen: we hebben drie maanden om uit het niets zeven ton extra inkomsten te genereren. Lukte dat niet, dan moesten we sluiten. De PVV wilde niet van wijken weten. ‘Wij besloten niet te klagen. We wilden niet op onze rug gaan liggen, moord en brand schreeuwen. We zeiden: Zijlstra wil 17,5 procent? Dan krijgt hij 17,5 procent! We bedachten in die periode een nieuwe digitale tentoonstelling voor ons anatomisch theater, een interactief kindergedeelte, onze nieuwe watertuin. En steeds vroegen we: wie doet er mee? Dat viel enorm goed. ‘Het begon sowieso al lekker met een anonieme donatie van een dame. Ze schonk ons een ton, dat was enorm goed voor de sfeer. Uiteindelijk lukte bijna alles. We sloten af met een benefietavond in de Pieterskerk in Leiden, met een veiling met Alexander Pechtold als veilingmeester en lezingen van onder anderen Robbert Dijkgraaf. Aan het eind gingen we tellen en bleken we het te hebben gehaald. Ik mocht het podium op en juichend het goede nieuws vertellen. Die ervaring is echt een hoogtepunt in mijn carrière. Ik ben er enorm trots op dat we het toen hebben gehaald.’
Dirk van Delft Dirk van Delft (1951) studeerde natuurkunde en verdiende zijn brood als leraar, wetenschapsjournalist, museumdirecteur en hoogleraar. 1974 promoveert in de natuurkunde aan de Universiteit Leiden 1993 – 2006 chef wetenschap NRC Handelsblad 2005 wint NWO-Eurekaprijs voor wetenschapscommunicatie 2005 – heden bijzonder hoogleraar materieel erfgoed van de natuurwetenschappen aan de Universiteit Leiden 2006 – 2018 directeur Rijksmuseum Boerhaave
om nieuwsgierigheid gaat, en dat het zeker niet altijd goed hoeft af te lopen. Die dynamiek, dat naar binnenhalen van de buitenwereld, mensen vertellen over die prachtige wetenschap, dat is onze corporate identity.’ Hoe trof u het museum aan toen u begon?
‘We waren heel erg op onszelf gericht. We waren qua eigen inkomsten de hekkensluiter van heel rijksmuseaal Nederland.
Gechargeerd gezegd verkochten we anderhalve gevulde koek en de toegangskaartjes. Meer inkomsten hadden we niet. Dat werd ook niet gestimuleerd vanuit de overheid. Eigen inkomsten waren niet verplicht. Je had alleen prestatiedoelstellingen: zo veel tentoonstellingen, zo veel bezoekers, wat educatieafspraken. En dan kreeg je daarna een brief van het ministerie − ik heb ze nog gezien, in het archief. Daarin stond dan: goed
Hoe bent u eigenlijk bij Rijksmuseum Boerhaave terechtgekomen?
‘Ik kende het museum al heel lang. Ik kwam hier toen ik leraar was op een school in Noordwijkerhout. Dan fietste ik hierheen met de bovenbouw, bekeken we dingen en deden we practicum. Daarna gingen we bij mij thuis eten, want ik woonde in de stad. ‘Toen ik bij NRC ging werken, kwam ik hier
special wetenschapscommunicatie | New Scientist | 11
weer vaak. Dan schreef ik recensies van tentoonstellingen, of meldde wanneer er hier iets bijzonders gebeurde. Ik werd uiteindelijk chef van het wetenschapskatern. Dat was een heel mooie plek, ik zat er veertien jaar. ‘Maar toen op een gegeven moment voor de derde keer de vraag van de buitenlandredactie kwam of ik na een aardbeving een stukje kon schrijven over de ring van vuur, dacht ik: wat moet ik nu weer opschrijven? Het was tijd om te vertrekken. Toen bij Boerhaave de directeur met pensioen ging, vroegen ze of ik wilde komen solliciteren. Dus dat heb ik gedaan. En ik ben het geworden. ‘Ik ben daarnaast overigens altijd blijven schrijven. Schrijven is voor mij een soort ademen. Het was hier een hectische tijd en toch heb ik tussendoor een compleet boek geschreven. Tussen al het geregelneef door vond ik het heerlijk om ’s avonds laat nog even wat te doen.’ Al die verschillende vormen van weten schapscommunicatie, zitten daar nog veel raakvlakken tussen?
‘Er loopt zeker een rode lijn in mijn beroeps-
‘Ook in een museum kun je verrassende keuzes maken’ leven. Dat ik kennis van wetenschap wil overdragen naar het publiek. Dat op een aantrekkelijke manier doen, is voor mij echt een beetje de sport.’ Verschilt die manier veel, ten opzichte van toen u nog leraar was?
‘Leerlingen moet je op een andere manier bereiken dan krantenlezers of museumbezoekers. Op school had ik op de deur van het tussenlokaal een bordje ‘artiesteningang’ gehangen. Zo vatte ik het ook echt op. Je staat toch een show te geven. Het moet gaan leven, soms zelfs letterlijk. Dan probeerde ik dingen een persoonlijkheid te geven. Had ik het over een nietsvermoedend elektron dat werd getroffen door een foton. Dat is voor de krant ook belangrijk. Die manier vinden om
12 | New Scientist | special wetenschapscommunicatie
het te laten doordringen. Om het zo te presenteren dat mensen het willen lezen. Daarbij draait zo’n bijlage overigens nooit om een enkel stuk. Het geheel is het belangrijkste eindproduct. ‘Daar had ik destijds wel discussies over met collega’s. Ik weet nog goed dat ik in 1997 een stuk over quantumcomputers had geschreven dat sommigen te moeilijk vonden. En inderdaad: niet iedereen zou het snappen, dat was logisch. Maar ik hanteerde de wet van mijn schoonvader, een hoogleraar Oud-Perzisch. Wanneer hij de wetenschapsbijlage voor zijn neus kreeg, zes pagina’s toen nog, moest hij tenminste één stuk tegenkomen dat hij leuk vond om te lezen. Want niemand leest zo’n bijlage van A tot Z. Dan ben je een hele zaterdagmiddag bezig!
interview
‘Wanneer mensen zeggen: ik wil je stuk begrijpen, dan snap ik dat. Maar ga je te ver door de knieën, dan vindt de beter ingelezen lezer er geen bal meer aan. Daarom moet de balans in de bijlage als geheel goed zijn.’ Is het soms juist niet goed om toch iets verder door de knieën te gaan?
‘Je moet goed snappen wie je publiek is. Dat geldt in de krant, maar ook bij het geven van een lezing. Ook dan kun je gerust iets zeggen dat een deel van het publiek niet snapt. Sommige mensen zijn daar echt panisch voor. Ik vind dat zulke onzin! Je hoeft alleen te zeggen: ‘Het wordt nu even iets technischer, maar het is leuk om dit voor de liefhebbers toch even te melden.’ ‘Ik heb na afloop nog nooit klachten gehad. Dat iemand zei: ‘Ik snapte het inderdaad niet en heb me twee minuten lang te pletter verveeld.’ Zolang je een beetje varieert is het goed, zowel qua niveau, maar zeker ook qua onderwerpen. ‘Ik noemde dat variëren zelf trouwens altijd de wet van Sjoukje Dijkstra. Je wordt alleen wereldkampioen kunstrijden op de schaats als je zowel de verplichte oefeningen goed doet als de vrije kür. In een wetenschapsbijlage zijn de verplichte nummers duidelijk. Dringend nieuws over de gekkekoeienziekte, een ingrijpende uitvinding, groot natuurkundenieuws, dat soort dingen. Maar ik schreef bijvoorbeeld ook een verhaal over een mevrouw uit Engeland van in de tachtig, die magische vierkanten van vijf bij vijf had opgelost. Ik hoorde erover, belde haar op, had een enorm leuk gesprek en schreef het op. ‘Jaren later kreeg ik nog af en toe een brief van iemand over dat stuk. Terwijl niemand er ooit om gevraagd had. Je moet die vrije kür dus nooit vergeten. Het verrast mensen en dat vinden ze leuk.’ Geldt dat ook in het museum?
‘Iets minder dan in de krant, maar ook in een museum kun je verrassende keuzes maken. Ik heb bijvoorbeeld de MiniGrail van de Leidse natuurkundige Giorgio Frossati in het museum gezet, een experiment waarmee hij zwaartekrachtsgolven wilde
‘Sowieso ga ik meer schrijven, misschien weer een biografie ‒ de archieven in, heerlijk’ meten. Het is een bol van 1300 kilogram, massief messing/koper, met een beetje aluminium erin. Hij wilde eigenlijk een nog grotere bol maken, maar dat bleek te duur. Daar kreeg hij het geld niet voor rond, dus maakte hij een kleinere. ‘Die bol koelde hij tot vlak boven het absolute nulpunt, om interne trillingen te voorkomen. Op de bol zaten gevoelige sensoren die die trillingen konden versterken. Uiteindelijk kwam zijn experiment een factor tien te kort. ‘Desondanks vond ik het een fantastisch ding voor het museum. Die bol heeft echt een verhaal te vertellen. Iemand heeft er zijn ziel en zaligheid in gestopt, jaren van zijn wetenschappelijke carrière, en het is uiteindelijk nét niet gelukt. Omdat het geld op was. Ik vind het belachelijk dat sommige mensen dan stellen: oh ja, dat is die man met het mislukte experiment. Want onderzoek doen
is je wagen op onbekend terrein. Als je van tevoren weet dat het lukt, is het geen wetenschap meer. Je moet naar dat randje van wat technisch mogelijk is.’ Op 1 april begint uw opvolger, Amito Haarhuis. Wat gaat u doen nu u klaar bent bij Museum Boerhaave?
‘Ik heb nog een heleboel clubjes waar ik in zit. De Paradisolezingen, bijvoorbeeld, de Avond van Wetenschap en Maatschappij. Ik heb nog een paar promovendi bij de Universiteit Leiden. Dat loopt allemaal door en houdt me onder de mensen. ‘Sowieso ga ik meer schrijven, misschien weer een biografie – de archieven in, heerlijk. Maar ik kijk ook echt uit naar meer tijd voor het kortebaanwerk. Mooi boek lezen, stukje over schrijven, voor de krant of ergens anders voor. Ik heb nog steeds genoeg te doen.’
special wetenschapscommunicatie | New Scientist | 13
Leren communiceren Wetenschappelijke kennis aan de man brengen is lastiger dan je zou denken. Daarom wordt er veel onderzoek naar wetenschapscommunicatie gedaan. Wat zijn de belangrijkste lessen? Door George van Hal
W
ie het nieuws volgt, kan zich niet aan het idee onttrekken dat feiten steeds vaker aan slijtage onderhevig zijn. Meer en meer mensen lijken te geloven dat de aarde plat is bijvoorbeeld, of dat vaccinaties autisme veroorzaken. Iedereen kent wel iemand die zich heeft laten meeslepen door onwetenschappelijke voedingshypes, zoals de fabeltjes van The Green Happiness of het klei-eet-evangelie van health-goeroe
Rens Kroes. Tegelijk stelt de man met het hoogste ambt in de Verenigde Staten dat ‘alternatieve feiten’ (lees: leugens) net zo veel waard zijn als dingen die je objectief kunt vaststellen. Het lijkt, met andere woorden, belangrijker dan ooit om feiten te verdedigen, om ze aan de man te brengen. Helemaal wanneer het gaat om wetenschappelijke feiten. Er is alleen een probleem: feiten zijn weliswaar heel, eh, feitelijk en objectief, maar mensen zijn dat niet. Wij zijn stuk voor stuk chaotische wezens vol onredelijke emoties en vooroordelen. Wij geloven zelf wel wat we willen geloven. Dat blijkt uit onderzoek zelfs. Heel onhandig allemaal.
14 | New Scientist | special wetenschapscommunicatie
Onze ingebakken onredelijkheid maakt het dan ook verdraaid lastig wanneer we ratio programmeren tegenover emotie. Een rationele arts lijkt bij voorbaat gedoemd het debat te verliezen van de emotionele ouders die hun kinderen niet willen vaccineren. Een soortgelijk effect maakt het moeilijk om over gepolitiseerde onderwerpen zoals klimaatverandering op puur inhoudelijke gronden van gedachten te wisselen. Het is daarom maar goed dat er ook mensen zijn die bestuderen hoe je over wetenschap zou moeten communiceren. Hoe je zo goed mogelijk zin van onzin kunt scheiden. Zij bestuderen wat werkt en, helaas veel vaker, wat níet werkt. Dergelijk academisch onderzoek naar wetenschapscommunicatie heeft ons de afgelopen jaren een paar belangrijke lessen geleerd. Dit zijn de opmerkelijkste.
LES 1 Communicatieonderzoek is geen exacte wetenschap Hoewel in Nederland de meeste wetenschapscommunicatie-onderzoekers ver-
Jansen wil daarmee vooral zeggen dat je bij communicatie-onderzoek onherroepelijk altijd meer verandert dan één enkele variabele. De reikwijdte van je onderzoek vervolgens zo goed mogelijk bepalen, is daarom de grootste uitdaging. ‘Je moet vrede hebben met de beperkte geldigheid van een onderzoek,’ zegt hij.
SHUTTERSTOCK
LES 2 ‘Gewoon’ uitleggen hoe iets zit, werkt niet
bonden zijn aan bètafaculteiten, is onderzoek naar wetenschapscommunicatie zelf geen bètawetenschap. Het is sociaalwetenschappelijk onderzoek, waarbij je niet zomaar alles hetzelfde kunt houden op een enkele variabele na – een luxe die wetenschappers in de exacte hoek meestal wel hebben. ‘Als je dat zou kunnen doen, zou je prachtige causale verbanden kunnen leggen,’ zegt communicatiewetenschapper Carel Jansen van de Rijksuniversiteit Groningen. Maar de praktijk is weerbarstiger en chaotischer dan bijvoorbeeld een scheikunde-experiment in een laboratorium. ‘Tegelijk wil je die praktijk wel vooruit helpen met handige inzichten, tips en conclusies.’ Jansen doet zelf onder meer onderzoek naar de effectiviteit van hiv-campagnes in Zuid-Afrika. ‘Je kunt je bijvoorbeeld afvragen: wat helpt het beste? Moet je een verhaal vertellen? Moet je mensen bang maken? Of moet je je boodschap enigszins raadselachtig houden, zodat mensen nieuwsgierig worden?’
Scepsis hangt lang niet altijd uitsluitend samen met een informatietekort Stel dat je vervolgens gaat onderzoeken welke manier het beste werkt. Je schrijft drie boodschappen, een van elke soort, en laat die lezen door de doelgroep. Vervolgens bepaal je bij welk van de teksten de boodschap het best bleef hangen en je ontdekt dat dat de raadselachtige boodschap is. Maar wat doe je daarna? Ga je adviseren dat je altijd zo’n raadselachtige boodschap moet gebruiken? Heb je met je onderzoek wel echt bewezen dat zo’n boodschap het beste werkt? Nee, denkt Jansen. ‘Misschien was die specifieke boodschap gewoon het beste geschreven,’ zegt hij. ‘In een andere context kan juist een van de andere boodschappen beter werken.’
‘Toen ik net in dit vakgebied ging werken, had ik nog het naïeve idee dat iets gewoon goed uitleggen voldoende is om mensen te overtuigen,’ zegt hoogleraar wetenschapscommunicatie Ionica Smeets van de Universiteit Leiden. ‘Dat bleek totaal niet te kloppen. We weten al ruim dertig jaar dat dat niet werkt, maar niemand had mij dat verteld. Ik denk dat er nog altijd veel wetenschappers zijn die dit niet weten.’ Overigens is de verwachting dat iets uitleggen het belangrijkst is, helemaal niet zo vreemd. Experts weten heel veel van een onderwerp, terwijl leken kampen met een kennistekort. Nogal wiedes dan, zo lijkt het, dat de beste oplossing voor communicatieproblemen is om dat kennisgat te dichten. Helaas blijkt die aanpak, die wetenschappers ook wel het information deficit model noemen, heel vaak niet te werken. Het is misschien wel het schokkendste inzicht uit het moderne communicatieonderzoek. Jaren aan onderzoeksgegevens tonen namelijk aan dat mensen zich niet zo gemakkelijk laten overtuigen. Geduldig aan een ouder die zijn of haar kind niet wil vaccineren uitleggen hoe de vork echt in de steel zit, heeft weinig zin. Scepsis hangt lang niet altijd uitsluitend samen met een informatietekort. Het blijkt dat mensen beslissingen niet alleen nemen op basis van feiten. We zijn niet zo rationeel als we graag willen denken. Mensen willen bijvoorbeeld gehoord worden, betrokken zijn bij een beslissing. Bovendien wegen zij ethiek, religie, cultuur en persoonlijke ervaringen mee. Een vaccinatieanekdote van een ouder van een autistisch kind weegt veel zwaarder dan zelfs het best mogelijke wetenschappelijke onderzoek. Die irrationele cocktail maakt ons kwetsbaar voor foutieve conclusies. Voor de overtuiging dat zo’n nare prik met chemicaliën nooit goed kan zijn voor je
special wetenschapscommunicatie | New Scientist | 15
communicatie
Tastbaar onderzoek Hoewel een ‘gouden methode’ van wetenschapscommunicatie niet lijkt te bestaan, kun je in individuele gevallen wel degelijk bepalen wanneer en waarom iets goed of fout gaat. 1. Overdrijving van medische onderzoeksresultaten begint al in het persbericht Nieuwsberichten hebben de neiging om de uitkomsten van medisch onderzoek te overdrijven. Onderzoekers van de Universiteit Leiden bekeken 129 persberichten en de 185 nieuwsberichten die daaruit voortkwamen. Zij schreven afgelopen januari in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde dat de overdrijving vaak al in het academische persbericht begon. Wanneer het persbericht de resultaten braaf opschreef, overdreef slechts 6 procent van de nieuwsberichten de resultaten. Wanneer die overdrijving echter al in het persbericht begon, bleek 92 procent van de nieuwsberichten ook overdreven. 2. Sommige Zuid-Afrikaanse studenten hebben verkeerde ideeën over hiv/aids Voordat je weet welke voorlichting je mensen moet geven over het voorkomen van een besmetting met hiv, moet je eerst goed begrijpen welke misvattingen erover bestaan. Communicatieonderzoekers Kees Verheij en Carel Jansen onderzochten daarom de ideeën die leefden onder studenten aan de Zuid-Afrikaanse Universiteit van Limpopo. Zij schreven in 2010 in het African Journal of Rhetoric dat ruim 30 procent
van de ondervraagden geloofden dat er traditionele Afrikaanse genezers zijn die soa’s kunnen genezen, dat 12 procent dacht dat in condooms soms al besmettelijke ziektes zitten en dat 44 procent dacht dat hiv alleen in aids verandert wanneer je seks met veel verschillende mensen hebt. ‘Dat waren echt verrassende uitkomsten,’ zegt Jansen. ‘Alleen als je over dit soort informatie beschikt, kun je de stap zetten naar effectievere voorlichting.’ 3. Jargon in publieksteksten is net zo obscuur als in vakbladen Hoewel iedereen die over wetenschap communiceert weet dat je vakjargon moet vermijden, is dat niet altijd eenvoudig. Bovendien was lange tijd niet goed gedefinieerd wat nu precies wel en niet jargon is. In Measuring mumbo jumbo: A preliminary quantification of the use of jargon in science communication, een artikel in het vakblad Public Understanding of Science, deden communicatiewetenschappers in 2014 voor het eerst een voorstel voor hoe je de jargondichtheid in teksten kunt kwantificeren. Ze bestudeerden daarvoor academische stukken, TEDtalks en het werk van de communicatie-afdeling van Cern rond de ontdekking van het higgsdeeltje. Een van hun conclusies? Ook in publieksstukken komt soms ondoordringbaar jargon voor. En dat jargon is zeker niet minder obscuur dan wat in de vakbladen verschijnt. Blijkbaar zijn we toch niet zo goed in het herkennen en vermijden van onduidelijke vaktermen als we graag zouden willen.
kwetsbare baby, wat die wetenschappers ook roepen. Vergis je overigens niet: iedereen zit er weleens naast in wat hij of zij gelooft, niet alleen de antivaccinatielui of platte-aardegekkies. Op de achtergrond spelen namelijk allerlei onhandige psychologische trekjes een rol, trekjes die ieder van ons heeft. ‘We hebben allemaal last van confirmation bias,’ zegt Smeets – de neiging van mensen
om meer waarde te hechten aan uitkomsten die je eigen ideeën ondersteunen. ‘Uiteindelijk is er deprimerend weinig dat aantoonbaar werkt om dat te bestrijden.’
LES 3 Dingen uitleggen kan soms zelfs tegen je werken Iets uitleggen kan soms zelfs averechts werken. Dat onhandige gegeven noemen psychologen ook wel het backfire effect,
16 | New Scientist | special wetenschapscommunicatie
Kinderen krijgen voorlichting over hiv/aids. Hoe dat het beste werkt, vraagt veel onderzoek. GETTY IMAGES
een soort opgevoerde versie van confirmation bias. Het zorgt ervoor dat bewijs van het tegendeel een foutief idee niet weerlegt, maar tegen alle verwachtingen in juist sterker maakt. Daar zit je dan, met je goede bedoelingen. Het backfire effect is een onhebbelijk ding waar ieder van ons psychologisch gevoelig voor is. Politieke partijen, bedrijven, belangengroepen en complotdenkers maken er soms schaamteloos misbruik van. Bijvoorbeeld wanneer het gaat om onwelgevallige onderzoeksuitkomsten in gepolitiseerde kwesties zoals het vluchtelingendebat, rond klimaatkwesties en zelfs bij uitkomsten van onderzoek naar ufo’s of het bestaan van het monster van Loch Ness. En het treurige? Vrijwel iedereen maakt zich er schuldig aan. Mensen die het niet met je eens zijn, zijn immers per definitie verdacht. Wanneer ze tegen je ingaan, luister je daarom niet echt naar hun argumenten, maar graaf je jezelf als reactie nog verder in. ‘Gelukkig laat recent onderzoek zien dat het backfire effect misschien heel erg meevalt,’ zegt Smeets. Afgelopen december schreven de Amerikaanse onderzoekers Thomas Wood en Ethan Porter in het vakblad Political Behavior een artikel waarin zij hun onderzoek beschreven naar ruim 52
column
publiek van medestanders. En tot slot kun je ook nog kiezen voor de optie uit ‘Les 4’.
LES 4 Pro-actief communiceren is wel zo handig
Iedereen zit er weleens naast in wat hij gelooft, heus niet alleen de platte-aarde-gekkies situaties waarin ze vooraf verwachtten dat mensen zich zouden ingraven. Het ging stuk voor stuk om gevoelige kwesties waarbij politieke kleur en ideologie een rol spelen. Toen zij ruim 10.000 deelnemers naar die kwesties lieten kijken, vonden de onderzoekers echter geen enkele aanwijzing dat het backfire effect veel invloed had. ‘In het overgrote merendeel volgden de burgers de feitelijke informatie,’ schrijven zij. ‘Zelfs wanneer die informatie in strijd was met hun ideologische ideeën.’ Hun conclusie: het backfire effect heeft misschien wel minder invloed dan gevreesd. Het zou ontegenzeggelijk goed nieuws zijn voor wie feiten een warm hart toedraagt. Zelfs in een wereld mét het backfire effect bestaan overigens voldoende tactieken om het effect te neutraliseren. Zo moet je allereerst scherp blijven, zodat dat je zelf geen slachtoffer van het effect wordt. Daartoe moet je open blijven staan voor argumenten die jouw positie zouden kunnen ondergraven. Verder kun je een verhitte discussie eerst wat laten afkoelen, voordat je verder praat. Ook is het beter privé met iemand in discussie te gaan in plaats van voor een
Zodra mensen ingegraven zitten in hun psychologische loopgraven, is het dankzij onze irrationele breinen veel moeilijker om feit nog vakkundig van fictie te scheiden. Strategischer is het daarom om ervoor te zorgen dat je mensen bereikt vóórdat ze aan het graven slaan. Noem het voor het gemak maar ‘pro-actief communiceren’, een strategie waarbij je goed luistert naar de samenleving en mensen direct informeert over onderzoeksuitkomsten, ver voordat iets kan uitgroeien tot een eindeloos potje welles/nietes. ‘Je SHUTTERSTOCK moet niet reageren op nieuws, maar zelf het nieuws maken,’ zegt Smeets. Helaas verschilt de beste aanpak per onderwerp. ‘Een gouden methode bestaat niet.’ Het helpt vaak wel wanneer wetenschappers naar buiten treden en stelling durven nemen, ook zonder gouden strategie. Een goed voorbeeld is de antirooklobby van artsen. ‘Zij kwamen in actie, durfden hun mening te ventileren op basis van hun onderzoek,’ zegt Smeets. ‘Want wanneer je als wetenschapper weet dat iets schadelijk is en je doet vervolgens niets, dan is dat meer dan zonde.’ Je moet als wetenschapper dus sowieso niet opgeven, wil ze maar zeggen. In het geval van de antirooklobby had dat alvast effect. Niemand betwist tegenwoordig nog dat roken schadelijk is voor de gezondheid. Sterker nog: artsen zijn zelfs al bezig met de volgende stap. Begin vorig jaar werd duidelijk dat de vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde meebetaalt aan een strafzaak tegen vier tabaksfabrikanten die ook in Nederland actief zijn. En afgelopen februari sloot ook het ziekenhuis Antoni van Leeuwenhoek zich aan. In de strafzaak vragen de eisers om strafrechtelijke maatregelen tegen de fabrikanten die volgens hen sigaretten willens en wetens extra verslavend maakten. De artsen bewijzen met hun pro-actieve, bijna activistische houding dat wetenschappers die handelen op basis van onderzoeksresultaten nog altijd een grote maatschappelijke impact kunnen hebben. Zelfs in deze ogenschijnlijk feitenvrije tijd.
Antoni’s microscoop
T
ot mijn verrassing eindigde de microscoop van Antoni van Leeuwenhoek bij de verkiezing van Het Pronkstuk van Nederland op de tweede plaats. Wat bijzonder dat ‘de wetenschap’ met dit topstuk van Rijksmuseum Boerhaave zo hoog geëindigd is! Waarschijnlijk is het niet toevallig dat dit samenvalt met de metamorfose die het museum onder leiding van Dirk van Delft heeft ondergaan. De topstukken uit de collectie zijn nu een aanleiding om verhalen te vertellen over de belangrijkste ontdekkingen en uitvindingen uit onze Nederlandse wetenschapsgeschiedenis, de onderzoekers die erachter zitten en de invloed op het leven van vandaag. Zoals het verhaal over de amateur Van Leeuwenhoek, die in de 17e eeuw in Delft een microscoop ontwikkelde waarmee hij een totaal nieuwe wereld ontdekte: de microkosmos. Dankzij de ontdekking van bacteriën toen kunnen we ze nu bestrijden. ‘Dit is gewoon het mooiste cadeau wat Nederland aan de hele mensheid heeft gegeven,’ zei arts en astronaut André Kuipers tijdens de finale van Het Pronkstuk van Nederland. Dit verhaal wordt nu verteld in het museum, maar speelt ook een rol in de samenleving getuige de hoge waardering voor de microscoop als pronkstuk! Wetenschap werkt, en verhalen erover vertellen ook. Daar gaan we mee door.
Amito Haarhuis Vanaf 1 april directeur Rijksmuseum Boerhaave
special wetenschapscommunicatie | New Scientist | 17
18 | New Scientist | special wetenschapscommunicatie
Zeven zonden in de wetenschaps journalistiek Ruwe ontdekkingen omvormen tot hapklare brokken verlichting en verwondering. Het is taak één in de wetenschapsjournalistiek. Taak twee? Alle duistere processen blootleggen die aan de basis liggen van al dat prachtigs. Maar hoe combineer je beide taken? Wetenschapsjournalisten over de valkuilen in hun vakgebied.
Door Sebastiaan van de Water
ZONDE 1 Bondgenoot spelen van de wetenschap
GETTY IMAGES
‘Er waren proefpersonen overleden tijdens een medisch experiment in Nederland,’ vertelt Hester van Santen. ‘Ik was medisch journalist bij NRC Handelsblad. Maar ik wimpelde het onderwerp af. Daar hoeven we niet uitgebreid over te schrijven, ongelukjes gebeuren nou eenmaal, zei ik in eerste instantie. Het duurde even voor ik tot inkeer kwam.’ Als iemand haar sporen heeft verdiend als wetenschapsjournalist, is het Van Santen. Vorig jaar won ze een Europese prijs met een onthullend artikel over het ‘feilloze’ systeem van peer review in de wetenschap. Maar in de lente van haar carrière betrapte ze zichzelf op een verkeerde reflex, één die vaker voorkomt wanneer wetenschapsjournalisten de schijnwerpers moeten richten op de duistere kant van de wetenschap. ‘Wetenschapsjournalisten willen hun vinger liever niet op de zere plek leggen,’ stelt Joost van Kasteren, voormalig voorzit-
ter van de Vereniging voor Wetenschapsjournalistiek Nederland. ‘Het probleem is dat ze te weinig journalist zijn. Ze willen vooral ‘de wetenschap’ vooruit helpen, met enthousiaste stukken.’ Sluwe wetenschappers spelen soms handig in op die sympathieën, ervaart wetenschapsjournalist Krijn Soeteman. ‘Een onderzoeker vroeg mij eens expliciet of ik een positief verhaal over hem wilde schrijven. Ik vond dat er inhoudelijk best wat aan te merken was op zijn onderzoek. Maar hij zei dat positieve media aandacht geld zou opleveren voor beter vervolgonderzoek. Dat vond ik best een moeilijke situatie.’ Om deze dynamiek te doorbreken is meer nodig dan ‘gewoon iets kritischer zijn’, vindt Van Santen. ‘Wetenschapsjournalisten definiëren zelden hun eigen rol. Ze krijgen wel thema’s toebedeeld, maar wat is hun specifieke taak? Het publiek informeren over de laatste ontdekkingen? Wetenschappelijke fraudeurs ontmaskeren? Mooie verhalen vertellen over verleden en toekomst van de menselijke soort? Elke rol vereist zijn eigen benadering.’ Wie geen harde keuze maakt voor hij ergens induikt, loopt het risico dat zijn affectie
special wetenschapscommunicatie | New Scientist | 19
journalistiek
voor de wetenschap hem onbewust verandert in een kritiekloze bondgenoot. ‘En daar is juist de wetenschap niet bij gebaat,’ concludeert Van Kasteren.
ZONDE 2
Persberichten lezen in plaats van papers ‘Graftombe van Sinterklaas gevonden’. ‘Gen voor geluk geïdentificeerd’. ‘Bloedtest voor kanker ontwikkeld’. De inbox van Hendrik Spiering, chef wetenschap van NRC Handelsblad, barst elke dag van de persberichten die Nobelprijswaardige ontdekkingen aankondigen. Spiering neemt ze zelden serieus. Hij weet dat langs het traject van onderzoeksopzet tot persbericht heel wat pompen gereed staan om bevindingen op te blazen. ‘Het slechtste dat je kunt doen als wetenschapsjournalist is dat proces continueren. Lees daarom áltijd de daadwerkelijke papers. Lezend ontdek je dat die ‘graftombe van Sinterklaas’ bestaat uit één steen met een inscriptie daterend uit de tijd dat Sint Nicolaas mogelijk door die regio dwaalde. Of dat een ‘baanbrekend inzicht’ over de menselijke psyche voortkomt uit een experimentje waarbij drie apen twee bananen kregen.’ Wie niet oppast kan zelf medeplichtig worden aan het opblazen van bevindingen, weet Martijn van Calmthout, wetenschapsjournalist bij de Volkskrant. ‘Ik heb meer dan eens te snel en te enthousiast een stuk gepitcht bij de redactie. Pas daarna ontdek je, de paper lezend, dat het bar weinig voorstelt. Dan voel je een neiging zelf ook de conclusies op te blazen. Want terug naar de redactie en je fout toegeven is niet makkelijk. Toch moet je dat altijd doen.’
ZONDE 3
Geen externe expert raadplegen Raad maar: is Decay of a Yukawa Fermion at Finite Temperature and Applications to Leptogenesis daadwerkelijk de titel van een wetenschappelijk paper, of betreft het een persiflage, gegenereerd door een algoritme? Op Snarxiv.org kun je dit raadspelletje net zo lang spelen tot je beseft dat de groeiende onbegrijpelijkheid van papers een probleem vormt. ‘Als je de gemiddelde persoon een wetenschappelijke paper voorschotelt, rent die gillend gek het bos in,’
Slachtoffers van de Tsjernobylramp protesteren. Ze willen meer aandacht voor hun situatie. AP
Factchecking is een nobele manier om de waarheid te beschermen, maar de ironie wil dat juist in de wetenschap veel onzekerheid bestaat erkent Tonie Mudde, chef wetenschap bij de Volkskrant. ‘Ook voor ons is het niet altijd eenvoudig. Daarom is het vaste regel dat je een onafhankelijk expert raadpleegt.’ Duizenden wetenschappers zijn door Van Calmthout opgebeld. ‘Veel daarvan vóór het internettijdperk. Ik kon toen kiezen: mijn achterhaalde editie van de Encyclopedia Britannica raadplegen of de telefoon pakken. Maar ook vandaag levert bellen me nog veel op. Vijftig procent van alle wetenschappers die je spreekt, constateert flinke haken en ogen bij het onderzoek waarover je net op het punt stond een enthousiast verhaal te schrijven.’
ZONDE 4
Een valse balans creëren Hoeveel menselijk leed heeft de Tsjernobylramp uit 1986 teweeggebracht? Twee wetenschappelijke rapporten formuleerden enkele jaren terug een conflicterend antwoord. ‘Eén rapport was afkomstig van de VN, het andere van Greenpeace,’ herin-
20 | New Scientist | special wetenschapscommunicatie
nert Van Kasteren zich. ‘In NRC destijds werden beide rapporten als even waardevol gepresenteerd. Maar was dat terecht?’ Voor wetenschapsjournalisten die veel rondbellen, is niets zo aantrekkelijk en niets zo ingewikkeld als kibbelende experts. ‘De eerste impuls is om beide experts een platform te geven. Een open debat is immers in het belang van de samenleving,’ stelt Mudde. ‘Maar zodra ik iets plaats dat neigt naar een minderheidsstandpunt, krijg ik een stortvloed aan kritiek over me heen. Dan heb ik een valse balans geschapen, wordt gezegd. Ik snap zo’n reactie wanneer paniekzaaiers over vaccinaties of mobiele straling op het podium worden gehesen, maar waar ligt de grens? Verdient alleen het meerderheidsstandpunt aandacht? Ik vind dit elke keer weer een dilemma.’ Van Kasteren beslechtte de Tsjernobyl-impasse door er inhoudelijk in te duiken. ‘Dat is altijd het beste. Wat bleek? Het VN-rapport zat zeer sterk in elkaar en maakte gebruik van veel verschillende bronnen. Het Greenpeace-rapport was
‘Wetenschaps journalisten willen hun vinger liever niet op de zere plek leggen’
bestaat. ‘We leven op een eilandje van kennis omringd door een oceaan van onwetendheid,’ schreef de Amerikaanse natuurkundige John Archibald Wheeler ooit. Wetenschappers staan dagelijks tot hun knieën in die oceaan. Journalisten die al te zeer vanuit een ivoren toren de absolute waarheid verkondigen, doen geen recht aan die realiteit, vindt Spiering. ‘Soms stel je een wetenschapper een vraag en blijft het stil. Dan heb je de grens van kennis bereikt. Dat is toch schitterend? Benoem dat dan ook!’ De rubriek van Veldhuizen onderging uiteindelijk meerdere formatwijzigingen, totdat elke vorm van kwantificeerbare beoordeling werd afgeschaft. Beter zo? ‘Ja, grotendeels waar,’ aldus Veldhuizen.
ZONDE 6
Geen rode loper uitrollen daarentegen flut. Het ging voortdurend uit van de grootst mogelijke beramingen wat betreft het aantal slachtoffers en negeerde tegengesteld bewijs. Wie zich inhoudelijk verdiept in de materie én kritisch kijkt naar mogelijke biases, zoals commerciële belangen en ideologische drijfveren, kan vaak genoeg een goede afweging maken over welke balans fair is en welke vals.’
ZONDE 5
In absolute termen spreken Hebben mensen minder seks dan dertig jaar geleden? Lijden twee miljoen Nederlands dagelijks onder zware pijn? Journalist Ronald Veldhuizen houdt zich bezig met het factchecken van dergelijke beweringen. Zijn rubriek in de Volkskrant kreeg enkele jaren geleden een polariserend format mee van de hoofdredactie: waar of niet waar? ‘Dat zat me niet lekker. Dit gaat faliekant mis, dacht ik.’ Wat hij vreesde gebeurde. ‘Dat van die seks en pijn bleek waar, maar meestal zaten we urenlang te discussiëren over de uitslag. In de meeste gevallen lag het genuanceerder dan de termen ‘waar’ of ‘niet waar’ toelaten.’ Factchecking is in potentie een nobele manier om de waarheid te beschermen tegen de moderne lawine van clickbait, nepnieuws en ophefcontent. Maar de ironie wil dat juist in de wetenschap veel onzekerheid
‘What’s happening in science is the most interesting thing in the world,’ stelde voormalig New Scientist-hoofdredacteur Alun Anderson eens in een interview. ‘And if you don’t agree with me, just fuck off. I don’t want to explain it to you.’ Dit uitgangspunt heeft zijn charme, maar ook een nadeel, denkt Van Calmthout: ‘Als je een gemiddeld persoon vraagt of die zin heeft in een zakelijk artikel over neutronenverval, dan krijg je ‘nee dank je’ als antwoord. Je moet dus een rode loper over de drempel leggen.’ Eén manier, veel online gebruikt, is terugvallen op makkelijke thema’s zoals gezondheid, seks en de menselijke psyche. Maar juist die velden zitten vol dubieus onderzoek. ‘We zijn in NRC daarom gestopt met ‘leuke’ stukjes over psychologie,’ vertelt Spiering. Volgens Van Santen is het thema op zich niet relevant. ‘Een verhaal moet vooral tot de verbeelding spreken. Ik schreef ooit een stuk over vreemde microorganismen op de zeebodem die slechts eens in de tien jaar een celdeling ondergaan. Wat is er mooier dan lezers meenemen naar die andere wereld, naar die koude oceaanbodem? Dat is heus niet alleen interessant voor marien biologen.’ Een andere manier om wetenschap toegankelijker te maken betreft simplificatie. ‘Dat is voor mij al dertig jaar lang een bron van twijfel,’ zegt Van Calmthout. ‘Elke zin kun je drie lagen dieper uitleggen. Kan ik zomaar de term proton gebruiken? Weten mijn lezers inmiddels wat een atoomkern
is?’ Ook Veldhuizen worstelt met dit probleem. ‘Hoe vaker ik ergens over schrijf, hoe meer ik onbewust verwacht dat mijn lezers meegroeien. Maar je moet elke keer een stuk zo schrijven dat leken je kunnen volgen én dat kenners met plezier lezen wat ze al weten.’ En dat is nog maar het begin, aldus Mudde. ‘Hier op de Volkskrant merk ik dat journalisten NRC Handelsblad nog als de voornaamste concurrent zien. Maar de concurrentie is veel groter. Mensen kunnen ook facebooken, whatsappen of netflixen. Je moet ze echt redenen geven om jouw stuk te lezen. Qua beeld moet het goed zijn. Qua headline. Alles. Je komt niet meer weg met een zakelijk bericht.’
ZONDE 7
De regie uit handen geven Voor menig wetenschapsjournalist is niets zo akelig als het openen van de gecorrigeerde versie van zijn of haar artikel. Na uren geploeter om complexe vraagstukken te reduceren tot hapklare brokken, komt er een berg commentaar van de geïnterviewde wetenschappers terug. ‘Ik heb een tijdje een truc uitgeprobeerd,’ onthult Veldhuizen. ‘Als ik een stukje af had, maakte ik er een pdf van, waarin je niet kunt editen. Die versie stuurde ik naar de wetenschappers. Maar wat bleek? Veel wetenschappers converteerden het terug naar een Word-bestand en gingen alsnog driftig herschrijven.’ Ontwijken helpt dus niet. Wat moet je wel doen? Dat ligt eraan, zegt Van Santen. ‘Wil de geïnterviewde iets veranderen omdat er onjuistheden in het stuk staan of wil die graag zelf mooier overkomen? In het laatste geval hoef je niet te luisteren. Ik herinner me een Spinozalaureaat die graag wilde dat ik zou vermelden dat hij zo gul was geweest om voor zijn hele afdeling taart te bestellen. Daar zette ik een streep door. Het is jouw stuk. Jouw naam staat er boven. Houd altijd zelf de regie in handen.’
special wetenschapscommunicatie | New Scientist | 21
Tussen helden en ploeteraars Het moderne wetenschapsmuseum is allang niet meer simpelweg een verzamelplek vol vitrines met wetenschappelijke instrumenten en voorwerpen. De uitdaging is aan de hand van die voorwerpen een goed verhaal te vertellen.
MIKE BINK / RIJKSMUSEUM BOERHAAVE
22 | New Scientist | special wetenschapscommunicatie
Door Anouk Broersma
H
et Britse Nationaal Maritiem Museum in Greenwich deed in 2014 een dappere poging een wetenschappelijke mythe te ontkrachten. In de 18e eeuw zochten wetenschappers naarstig naar een manier om lengtegraden op zee te bepalen. Ineens was daar volgens de geschiedenisverhalen John Harrison. De autodidactische klokkenmaker van eenvoudige komaf gaf, ondanks hevige tegenwerking, alle geleerde heren het nakijken. Zijn chronometer, die op zee altijd de juiste tijd aangaf, loste het probleem in één klap op. Maar volgens wetenschapshistorici was Harrison helemaal niet het eenzame, tegengewerkte genie als de verhalen doen geloven. Hij was een schakel in een proces dat zeker niet begon of eindigde bij zijn chronometer. De conservatoren van het Maritiem Museum vonden het tijd voor een genuanceerder verhaal. Ze haalden Harrison van zijn voetstuk, legden zijn chronometers op een onopvallende plek en richtten de spotlights op onbekendere objecten die net zo belangrijk waren geweest in de zoektocht naar het bepalen van lengtegraden. Maar een goed verhaal laat zich niet gemakkelijk de kop indrukken. Het publiek verdrong zich alsnog rondom die beroemde chronometers. Het laat volgens Ad Maas, conservator bij Rijksmuseum Boerhaave, zien dat de praktijk weerbarstig kan zijn. Communicatoren pleiten ervoor om de alledaagse weten-
schapspraktijk meer te laten zien: ploeterende wetenschappers die stukje bij beetje gezamenlijk resultaat boekten – of soms juist een doodlopend pad insloegen. Ook Rijksmuseum Boerhaave probeert de gewone mens achter de wetenschap te laten zien. Maas: ‘Maar daar zit een spanningsveld. Uiteindelijk willen bezoekers die bekende objecten van beroemde wetenschappers toch zien.’ De microscopen van Antoni van Leeuwenhoek, onlangs nog genomineerd in het tv-programma Het pronkstuk van Nederland, blijven een publiekstrekker, of conservatoren daar nou bewust de aandacht naar trekken of niet. Gelukkig staat het gemiddelde museum zo bomvol objecten waar een interessant verhaal achter zit dat er talloze manieren zijn om over wetenschap te vertellen, met of zonder een held in de hoofdrol. Maar hoe vertel je een verhaal dat aanslaat bij het publiek? Wat voor soort communicatie werkt het best? Een kunstmuseum komt er nog wel mee weg om weinig of vage uitleg te geven bij een tentoonstelling. Het mag iets elitaire en intellectueels uitstralen. Kijk maar gewoon naar het schilderij en beslis zelf wat je erin ziet. Een wetenschapsmuseum moet toegankelijker zijn. Het heeft nou eenmaal een educatief doel. Maar dat doel bereiken is nog geen eenvoudige uitdaging.
Face-to-face Een goed wetenschapsverhaal begint bij helder communiceren, zegt de Britse socioloog Eric Jensen van de University of Warwick. Hij onderzoekt hoe musea, dierentuinen en wetenschapsfestivals bezoe-
kers écht kunnen betrekken bij hun boodschap. ‘Er moeten geen onrealistische verwachtingen zijn dat het publiek bepaalde kennis al heeft of zich wel redt met technische terminologie.’ Dat klinkt logisch genoeg, maar daarmee ben je er nog niet. De communicatie moet ook aansluiten bij wat het publiek interessant vindt, waar ze om geven. De truc is vervolgens om de kennis die je wilt delen niet plompverloren op je publiek uit te storten. Vanuit de leertheorieën is inmiddels redelijk wat bewijs dat mensen informatie beter begrijpen als een expert hen ondersteunt bij het verwerken ervan. Jensen: ‘De beste manier om dit te doen is via face-to-facecommunicatie met getrainde experts.’ Een rondleiding met gids of een demonstratie kan dus wonderen kunnen doen, maar lang niet alle musea hebben de middelen om dat op regelmatige basis aan te bieden. Dan komt het erop aan om creatief om te gaan met alternatieve communicatiemiddelen, zoals tekstbordjes, video’s, touchscreens en spelletjes. Musea kunnen ook inzetten op storytelling. In plaats van slechts historische feiten op te lepelen, wordt een hoofdpersoon of verteller aan een tentoonstelling verbonden. Die verteller kan iedereen zijn – een bekende wetenschapper, zijn medewerker of desnoods de buurman – zolang het maar een goed, spannend verhaal is. Soms speelt de museumruimte zelf een rol in zo’n verhaal. Het Teylers Museum in Haarlem bestaat al sinds 1748, daar valt alleen al over het gebouw zelf een heleboel te vertellen. Zo had Nobelprijswinnaar special wetenschapscommunicatie | New Scientist | 23
wetenschapsmuseum
Kijken naar een operatie in de 17e eeuw. FRED ERNST / RIJKSMUSEUM BOERHAAVE
Hendrik Antoon Lorentz er van 1909 tot 1928 een eigen laboratorium. Einstein schijnt hem er nog ook bezocht te hebben. De ruimte is onlangs gerestaureerd en een theatermaker ontwikkelde er een speciale tour voor. Onder begeleiding van twee acteurs kunnen bezoekers zich nu in de tijd van Lorentz wanen.
Altaar voor het object Een pakkend verhaal is in een museum misschien wel net zo belangrijk als in een boek of artikel over wetenschap. Maar waar het in geschreven communicatie draait om het verhaal, is het in een museum vooral ter ondersteuning van de collectie. Het verhaal biedt de context om voorwerpen als antieke microscopen en medische instrumenten te kunnen begrijpen. Dat was bij Rijksmuseum Boerhaave niet altijd het geval, vertelt Maas. Natuurkundige August Crommelin, die in de jaren dertig de voorloper van het museum oprichtte, zag het als een plek voor gelijkgestemden: academici zoals hijzelf die aan een half woord genoeg hadden om de waarde van zijn collectie te begrijpen. Wat hem betreft hadden minder geschoolden er niets te zoeken, dus uitleg geven was nergens voor nodig. Na de oorlog werden de deuren opengegooid voor het grote publiek en kwam er meer aandacht voor wetenschapscommunicatie. Al bleef de filosofie: het museum is een altaar voor het object.
Vragen staat vrij Objecten verzamelen gebeurt al eeuwenlang in allerlei culturen, maar het museum is een typisch Westerse uitvinding. Het waren Europeanen die in de 17e en 18e eeuw de eerste publieke tentoonstellingen inrichtten. Inmiddels is het concept overal ter wereld gekopieerd, maar de museumbezoeker in het ene land is de andere niet. Zo wees een Brits en Thais onderzoeksteam er in 2016 op dat Thaise studenten leren stil te luisteren en geen discussie met docenten aan te gaan. Zou dat effect hebben op hun interactie met experts in een Thais wetenschapsmuseum? Om daarachter te komen ondervroegen ze zowel bezoekers als experts. Thaise bezoekers bleker vaker een presentatie van een expert te verwachten dan een goed gesprek, maar volgens de experts durfden sommigen wel degelijk vragen te stellen. Zeker in activiteiten waarin bezoekers actief konden deelnemen, zoals zelf experimentjes uitvoeren, zagen de onderzoekers mogelijkheden om de Thaise museumbezoeker uit hun schulp te trekken.
24 | New Scientist | special wetenschapscommunicatie
Daar is afgelopen jaar tijdens een flinke verbouwing verandering in gekomen. Maas: ‘Het museum is nu veel meer dan voorheen een combinatie van objecten en andere media om een boodschap te verspreiden.’ Er hangen nu overal beeldschermen en wordt meer uitgelegd via animaties, spelletjes en interactieve installaties. Er zijn ook musea waar het volledig draait om interactie. In ‘doe-musea’ als NEMO in Amsterdam en Technopolis in Mechelen spelen tentoongestelde voorwerpen een bijrol. Het gaat erom dat bezoekers al experimenterend ontdekken hoe wetenschap werkt. De communicatie gaat veel minder over verhalen achter historische objecten. In Technopolis leer je bijvoorbeeld hoe een elektromotor werkt, in Rijksmuseum Boerhaave zie je een van de eerste in Nederland gebouwde elektrische wagentjes en leer je hoe de elektromotor voor het eerst werd toegepast.
Tekening maken Welk verhaal het museum ook wil vertellen, uiteindelijk is de hoop dat de bezoeker een beetje wijzer weer naar buiten stapt. Maar hoe weet je of dat gelukt is? De Britse socioloog Jensen is niet bepaald onder de indruk van de manier waarop musea dat zelf proberen te evalueren. Te vaak heeft hij gezien dat kinderen simpelweg de vraag krijgen voorgeschoteld: ‘Heb je veel geleerd tijdens je bezoek, ja of nee?’ Dikke
Zonder verhaal zeggen geneeskundige objecten van vroeger weinig. Pas met een verhaal gaan ze leven.
De vulpen van Albert Einstein in Rijksmuseum Boerhaave.
FRED ERNST / RIJKSMUSEUM BOERHAAVE
FRED ERNST / RIJKSMUSEUM BOERHAAVE
kans dat er een sociaal wenselijke ‘ja’ uit komt. Of mensen krijgen de vraag om op een schaal van 1 tot 7 aan te geven of ze ‘iets hebben geleerd’. Ook helemaal verkeerd, stelt Jensen. Want wie kan in cijfers van zichzelf inschatten hoeveel hij weet vóór hij een museum binnenstapt en wat de tentoonstelling daarin heeft veranderd? Ook interessant: een wetenschapsfestival dat volwassenen vraagt wat voor cijfer de kinderen in hun groep aan het festival zouden geven. Niet alleen zegt het niets over wat die kinderen zélf denken, het is met meerdere kinderen ook een lastige vraag. Wat nou als je dochter het geweldig vond, maar je zoon de hele dag jengelend vroeg wanneer jullie naar huis konden? Dat soort vragen leiden uiteindelijk tot compleet nietszeggende conclusies. Jensen gebruikt daarom zelf liever andere methoden om te ontdekken of bezoekers iets hebben opgestoken. In dierentuinen vraagt hij kinderen bijvoorbeeld voor en na hun bezoek een tekening te maken van een omgeving in de wilde natuur, zoals een regenwoud, inclusief de dieren die daarin horen. Maken ze na een rondje dierentuin een gedetailleerdere tekening, met minder fouten erin, dan is het blijkbaar een succesvol dagje uit geweest. Bij volwassenen gebruikt Jensen een vergelijkbare tactiek. In een studie onder 5600 volwassen dierentuinbezoekers in negentien verschillende landen gaf hij voor en na
het bezoek opdrachten als: schrijf op wat er in je opkomt als je denkt aan ‘biodiversiteit’ of ‘noem acties die jij zelf kunt ondernemen om bedreigde diersoorten te helpen’. De dierentuinen bleken in bescheiden mate invloed te hebben op de kennis van respondenten. Of het eenmaal thuis ook effect heeft op hun gedrag is weer een heel andere vraag.
Actueel blijven Of een wetenschappelijke tentoonstelling meningen of gedrag van mensen beïnvloedt, is nóg moeilijker te onderzoeker dan de invloed op kennis. In het algemeen blijkt uit psychologisch onderzoek dat mensen die een sterke mening hebben over een onderwerp daar niet zo eenvoudig vanaf te brengen te zijn. Ze negeren al snel informatie die niet in hun straatje past, of argumenteren het hun straatje in. Maar hoe zit dat in een wetenschapsmuseum, waar redelijk wat ruimte is voor nuance? Bij
Een kunstmuseum komt nog wel weg met weinig uitleg, een wetenschapsmuseum moet toegankelijker zijn
actuele onderwerpen worden vaak zowel voor- als nadelen belicht. Wetenschappers van de Universiteit van München wilden weten of dit effect had op de mening van bezoekers van een Duits museum. Ze legden proefpersonen een tekst voor over de voordelen en risico’s van biomimetica, het imiteren van principes uit de natuur in technische toepassingen. Het bleek zowaar tot lichte verschuivingen in de mening van bezoekers te leiden, meestal in negatievere zin. Al was er ook weinig ruimte voor positievere geluiden; gemiddeld stonden respondenten er vooraf al erg positief tegenover. Bij actuele onderwerpen is een extra uitdaging om ook écht actueel te blijven. Het wetenschapsmuseum in Londen kwam in 2016 in opspraak vanwege een spel waarmee bezoekers konden testen of ze een blauw of roze brein hadden. Zo zouden vrouwen een beter visueel geheugen hebben en meer oog voor details, terwijl mannen bijvoorbeeld beter waren in mentaal roteren van 3D-figuren. Twitter ging los op die genderstereotypes en neurowetenschappers haastten zich te zeggen dat die test niets te maken had met de meest recente wetenschappelijke inzichten. De test bleek inderdaad al zestien jaar eerder ontwikkeld te zijn en werd uiteindelijk uit de tentoonstelling gehaald. Al kunnen geïnteresseerden de kleur van hun brein nog steeds online testen.
special wetenschapscommunicatie | New Scientist | 25
‘Ik probeer kennis te delen zonder water bij de wijn te doen’ Robbert Dijkgraaf weet als geen ander de moeilijkste vraagstukken uit de wetenschap uit te leggen aan een groot publiek. Hij is wetenschapspopularisator bij uitstek. Hoe is hij dat geworden?
chef wetenschap was. Een jaar later werd ik bij NRC gevraagd als columnist. Op dat moment kreeg ik een veel groter publiek. Daarna volgde een optreden in het programma Buitenhof en zo ging het verder.’ Tekst: Jim Jansen Beeld: Bob Bronshoff
R
obbert Dijkgraaf behoort tot de top van het mondiale onderzoek in de theoretische natuurkunde. Bijna dagelijks communiceert hij over zijn vakgebied. In columns voor NRC Handelsblad, in de door miljoenen mensen bekeken DWDD-colleges en ook live op het podium. Waarom bent u wetenschap gaan popula riseren?
‘Dat is iets was langzamerhand gegroeid. Ik schreef stukken voor de Academische Boekengids en die gids kreeg een goede recensie in NRC Handelsblad, waar Dirk van Delft
U geeft ook veel lezingen. Is elke lezing helemaal nieuw?
‘Schrijvers hebben het weleens over hun ‘oerboek’ – een manuscript dat nooit wordt uitgegeven, maar alle grote thema’s bevat. De Dies-lezing die ik in 1999 bij de Universiteit van Amsterdam mocht geven, is voor mij daarmee te vergelijken. Ik vertelde over natuurkunde, wiskunde, kunst, onderwijs, politiek en nog veel meer zaken die mijn interesse hadden. Die lezing was eigenlijk een bouillabaisse. Wanneer ik nu een soortgelijke lezing geef, neem ik nog weleens een schepje uit die soep.’ Wat karakteriseert uw manier van com municeren over wetenschap?
‘Ik probeer zelf kennis te delen zonder water bij de wijn te doen. Ik probeer me niet in allerlei bochten te wringen en vooral dichtbij
26 | New Scientist | special wetenschapscommunicatie
mezelf te blijven. Net zoals in mijn onderzoek, eigenlijk. ‘Populariseren van wetenschap heeft twee kanten. Enerzijds wil je vertellen over je vakgebied en dat borrelt rustig en vrij natuurlijk vanuit jezelf naar boven. Maar er is ook een ander perspectief, hoe de wetenschap van buiten wordt gezien. Daarbij is het vertrekpunt altijd het publiek. Waar komt hun fascinatie vandaan? Daarop bestaat geen standaardantwoord. Elk publiek is anders. In 2005 was u Zomergast. Was dat uw definitieve doorbraak?
‘Ik zat zo met mijn hoofd in het onderzoek, dat ik amper met de uitzending bezig was. De redactie sloot daarbij aan, dus ging het echt alleen over wetenschap. Het was daardoor allemaal heel naturel. Je hoeft me dan alleen maar aan te zetten, en niet vergeten ook weer uit te zetten. Veel mensen hebben die uitzending gezien. Het is een belangrijke stap geweest.’ Twee jaar eerder won u de Spinozapremie. Een deel van het geld investeerde u in de website Proefjes.nl. Waarom?
‘Het doel was om kinderen te laten warmlopen voor experimenten. Ik was er al voor het winnen van de Spinozapremie mee begonnen en had bedacht dat eerstejaars studenten de site konden onderhouden. Maar daar was wel geld voor nodig. Je wint de prijs voor je onderzoek, maar je kunt het geld ook inzetten voor popularisatie om een nieuwe generatie te enthousiasmeren voor wetenschap. Vele andere Spinozisten hebben iets dergelijks gedaan.’ Waarom vindt u het belangrijk om kinde ren en jongeren te enthousiasmeren?
‘Het is belangrijk dat we talenten spotten. Je moet ooit tegen een piano zijn aangelopen
interview
om te ontdekken dat je een muzikaal genie bent. Dat geldt ook voor wetenschap. Je moet het met eigen ogen zien en meemaken. Dat geeft een heel andere ervaring dan erover lezen in een lesboek.’ De laatste tien jaar bent u een vast gezicht bij De Wereld Draait Door. Hoe groot denkt u dat de invloed is van dat televisiepro gramma?
CV
‘DWDD wordt uitgezonden op een ideaal tijdstip en het spreekt een breed publiek aan. Toen ik Nederland verliet om bij het Institute for Advanced Study te gaan werken, was het een grote eer om als ‘cadeau’ een uitzending voor de DWDD University te mogen maken. Ik waardeer het dat de redactie dat risico durfde te nemen. Het is niet niks om iemand primetime een uur lang live over de oerknal te laten praten.’
Robbert Dijkgraaf
Robbert Dijkgraaf (1960) werd geboren in Ridderkerk en studeerde en promoveerde aan de Universiteit Utrecht. Hij deed drie jaar onderzoek aan het Institute for Advanced Study, waarna hij terugkeerde om hoogleraar te worden aan de Universiteit van Amsterdam. In 2012 werd hij voorzitter van de KNAW. Vlak voor zijn terugkeer naar Princeton, waar hij in 2015 voorzitter werd, werd hij benoemd als Ridder in Orde van de Nederlandse Leeuw. Hij is getrouwd met schrijver Pia de Jong. Samen hebben ze drie kinderen.
‘Het is niet niks om iemand primetime een uur lang live over de oerknal te laten praten’
Vindt u het een verplichting van elke wetenschapper om te communiceren over zijn of haar onderzoek?
‘Totaal niet. De wetenschap als geheel moet dat zeker doen, maar als iemand liever diepgravend onderzoek doet of lesgeeft, laat hem of haar dan lekker. Je moet het communiceren overlaten aan de mensen die het kunnen en leuk vinden. Wel is het belangrijk dat er voor onderzoekers met deze gave ruimte is aan de universiteit of elders.’ De afgelopen twintig jaar heeft u alles op dit gebied gedaan. Wat was het hoogte punt?
‘Het eerste DWDD-college. Het was een sprong in het diepe en we hadden geen idee hoe het overkwam op de kijkers. Ik stond na te hijgen met Matthijs van Nieuwkerk en we hadden geen idee wat de respons zou zijn. Het eerste sms’je was van minister-president Mark Rutte: ‘Geweldig gedaan.’ Dan weet je dat het goed zit.’ special wetenschapscommunicatie | New Scientist | 27
Markante figuren Wetenschappers genieten faam om het baanbrekend werk dat ze hebben verricht, in details over hun privéleven is zelden iemand geïnteresseerd. Toch levert het persoonlijke leven van een wetenschapper veel inzichten op. Driewerf hoera voor de biografie.
Door Yannick Fritschy
H
et zijn net mensen, wetenschappers. Ze maken fouten, worden verliefd, hebben mazzel of pech en houden zo nu en dan van een feestje. Die menselijke kant zie je niet terug in wetenschappelijke artikelen, en meestal ook niet in populairwetenschappelijke artikelen. Logisch, want het gaat bij dat soort stukken doorgaans om de ontdekkingen en niet om de persoon erachter. Als je de relativiteitstheorie een beetje wilt doorgronden, helpt het niet als je wordt afgeleid door het liefdesleven van Albert Einstein. Een uitzondering hierop vormen biografieën van wetenschappers. Die hebben vanzelfsprekend uitgebreid aandacht voor de persoon. Zo’n privé-inkijkje is natuurlijk leuk om te lezen. Maar dat is niet het enige voordeel van het biografische genre. Om een theorie echt goed te begrijpen, helpt
het vaak enorm als je ook de weg ernaartoe kent. Biografieën geven die door hun meestal chronologische opbouw uitstekend weer. Daarnaast zijn ze belangrijk voor het imago van wetenschap en wetenschappers. Vaak wordt daar toch tegenaan gekeken als een stoffige wereld met stoffige types. Alleen in een biografie lees je hoe bijzonder het leven van wetenschappers kan zijn, wat hopelijk jongeren stimuleert om in hun voetsporen te treden. New Scientist zocht enkele boeken over wetenschappers bij elkaar die de voordelen van biografieën laten zien. Het zijn boeken die in het Nederlands zijn geschreven of waarvan een vertaling is. Het is een arbitraire selectie. Elke bekende wetenschapper heeft wel een of meerdere biografieën, de lijst had nog veel langer kunnen zijn. Het gaat ons ook niet om de specifieke boeken, maar om de waardevolle kenmerken van een wetenschapsbiografie. We vonden zeven redenen waarom biografieën over wetenschappers zo boeiend zijn.
28 | New Scientist | special wetenschapscommunicatie
Om een theorie echt goed te begrijpen, helpt het vaak enorm als je ook de weg ernaartoe kent
1 Hindernissen Twee Nobelprijzen in verschillende disciplines, de wetenschappelijke verdiensten van Marie Curie zullen niet snel worden vergeten. Maar dat de weg naar die resultaten buitengewoon hobbelig verliep, lees je niet terug in de scheikundeboeken. Van Marie Curie zijn een hoop biografieën geschreven, al dan niet tegelijk over haar man Pierre Curie en haar eveneens briljante nazaten. De meest bijzondere biografie is die van de hand van een van die nazaten: Madame Curie, geschreven door dochter Ève Curie. Daarin krijg je uit eerste hand mee hoezeer het leven van Curie een worsteling was. Ze had bijvoorbeeld meermaals te kampen met het feit dat wetenschap in haar tijd, 150 jaar geleden, gedomineerd werd door mannen. In haar geboorteland Polen mocht ze niet studeren. In Parijs wel, maar ook daar werd ze soms flink tegengewerkt. Toen ze meedong naar een plek in de Acadé-
mie des sciences, werd ze, ondanks haar Nobelprijs, niet verkozen, omdat een stel conservatievelingen met een lastercampagne de publieke opinie tegen haar had gekeerd. Ook privé ging het Curie niet voor de wind. Haar man en tevens onderzoekskompaan Pierre overleed op jonge leeftijd, nadat hij werd overlopen door een paard. Waarschijnlijk was hem dit niet overkomen als hij volledig gezond was geweest, maar Pierre was slecht ter been. En dat kwam door de voortdurende blootstelling aan de radioactieve elementen die het koppel onderzocht. Ook Marie zou haar hele leven een broze gezondheid hebben door die blootstelling, wat uiteindelijk resulteerde in dodelijke leukemie. Haar oudste dochter Irène overleed ook aan leukemie doordat ze het werk van haar moeder voortzette. Dat maakt het feit dat de biografie geschreven is door de andere dochter Ève, die niet de weten-
schap in ging, des te specialer. Curie heeft nooit volledig erkend dat haar slechte gezondheid kwam door de elementen die ze onderzocht. Radioactiviteit was waarvoor ze leefde, zeker na de dood van Pierre, en ze was absoluut niet bereid haar levenswerk op te geven vanwege mogelijke schade. Straling bracht immers ook veel goeds – denk maar aan de draagbare röntgenscanners waarmee Marie en Irène in de Eerste Wereldoorlog gewonde soldaten hielpen. Het feit dat ze ondanks alle hindernissen volledig leefde voor haar onderzoek, maakt Marie Curie een van de beste en bijzonderste wetenschappers aller tijden. Door haar gedrevenheid is ze een voorbeeld voor vele jonge wetenschappers en misschien extra voor vrouwelijke wetenschappers. Het is van groot belang dat niet alleen haar ontdekkingen, maar ook de weg ernaartoe behouden blijft voor nieuwe potentiële Nobelprijswinnaars.
special wetenschapscommunicatie | New Scientist | 29
biografieën
De Boerhaave Biografie Prijs Het genre biografie was lange tijd het ondergeschoven kind in de wetenschapscommunicatie. Maar de laatste jaren zit er weer nieuw leven in. Om dit verder aan te moedigen, besloot Rijksmuseum Boerhaave samen met de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen vanaf 2012 elke drie jaar een prijs uit te reiken voor de beste biografie van een wetenschapper. Ook uitgaven van de wetenschappelijke correspondentie van een wetenschapper dingen mee naar deze Boerhaave Biografie Prijs. De prijs bestaat uit 2500 euro, een oorkonde en de Boerhaave-medaille. Met het uitreiken van deze medaille wordt een oude traditie in ere hersteld. Tussen 1869 en 1889 reikte de Hollandsche Maatschappij ook vijf Boerhaave-medailles uit, destijds aan wetenschappers op het gebied van natuurhistorie. Zowel de vroegere als de huidige medaille heeft op de voorzijde de beeltenis van Herman Boerhaave, naar een portret van Cornelis Troost. De nieuwe achterzijde bevat het beeldmerk van Rijksmuseum Boerhaave. De nieuwe prijs is gericht op biografieën van niet alleen natuurwetenschappers, maar alle geleerden. De eerste medaille werd in 2012 uitgereikt aan Kees Schuyt voor zijn biografie van schrijver-dichter, verzetsman en criminoloog Willem Nagel, beter bekend onder zijn pseudoniem J.B. Charles. In 2015 won Patricia Faasse de prijs voor haar biografie van plantkundige Johanna Westerdijk, de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland.
2 Blunders Als opeens een onbekend natuurkundig artikel van Albert Einstein zou opduiken, zou iedereen er direct van uitgaan dat het een briljante theorie bevat. Einstein staat immers symbool voor ultieme genialiteit. Zijn relativiteitstheorieën zijn ruim honderd jaar na publicatie nog altijd niet op een fout betrapt. Dus wie zijn wij om aan Einstein te twijfelen? Maar gedurende Einsteins leven werd er wel degelijk getwijfeld aan zijn ideeën. Dat komt naar voren in de biografie Einstein, geschreven door Walter Isaacson. Isaacson put veelvuldig uit de brievencorrespondentie tussen Einstein en zijn vakgenoten, wat een mooi inkijkje geeft in de discussies die hij voerde. Zoals met de Nederlander Willem de Sitter bijvoorbeeld. De Sitter toonde aan dat Einsteins heelalbeeld niet kon kloppen. Einstein betichtte De Sitter eerst van een fout in zijn berekeningen, maar toen dat niet zo was, moest hij bakzeil halen. Hij noemde de constante die hij onnodig had toegevoegd aan zijn berekeningen een Schönheitsfehler, waardoor het enkele misvattingen later bekend is komen te staan als ‘Einsteins grootste blunder’. Ook beroemd is Einsteins standpunt over quantummechanica, dat hij te vuur en te zwaard verdedigde. ‘God dobbelt niet!,’ schreef hij aan Max Born. En de
30 | New Scientist | special wetenschapscommunicatie
grondlegger van de quantummechanica Niels Bohr kon niet slapen van de gedachte-experimenten waarmee Einstein hem op conferenties bestookte. Toch had uiteindelijk niet Einstein, maar Bohr het gelijk aan zijn zijde. Einstein maakte dus weleens een foutje, en in zijn biografie zie je prachtig terug hoe de natuurkundige gemeenschap ervoor zorgt dat dit soort missers doorgaans geen lang leven beschoren zijn. Ook in zijn privéleven kun je Einstein moeilijk foutloos noemen. Hij had weinig aandacht voor zijn eerste en tweede vrouw, verstootte zijn geestelijk gehandicapte tweede zoon Eduard en had diverse maîtresses. Aan de andere kant zijn de brieven die hij aan zijn eerste zoon Hans Albert stuurde wanneer hij op reis was bijzonder aandoenlijk, met tekeningetjes van bijvoorbeeld bootjes erop. Ook de brieven aan collega’s zijn vaak heel belangstellend en zelfs amicaal geschreven. Wiskundige Conrad Habicht spreekt hij aan met koosnaampjes als eingefrorener Walfisch (ingevroren walvis). Einstein was een paradoxaal persoon. De ene keer vriendelijk, de andere keer harteloos, de ene keer de spijker op zijn kop, de andere keer de plank helemaal mis. Die meerdere gezichten zie je niet terug in E = mc2, maar wel in een biografie.
3 Rebels Een beetje opstandigheid – de titel zegt het al. Plantkundige Johanna Westerdijk liet zich niet tegenhouden door conventies. Dat kon ook niet, want honderd jaar geleden was de Nederlandse wetenschap nog volledig een mannenbolwerk. Naar verluidt zou de beroemde bioloog Hugo de Vries zelfs expres Westerdijks petrischaaltjes met schimmels hebben besmet om te verhinderen dat er een vrouw in zijn lab zou afstuderen. Ze zou ze hem zelf hebben betrapt. Of dit verhaal waar is, is onzeker, maar het schijnt dat Westerdijk het later aan veel mensen heeft verteld. Uiteindelijk maakte het niet uit, Westerdijk studeerde af, werd nota bene met hulp van De Vries directeur van het laboratorium voor plantenziekten en stond vanaf 1917 bekend als de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland. Haar biografie, geschreven door Patricia Faasse en in 2015 winnaar van de Boerhaave Biografie Prijs, laat zien hoe Westerdijk het perfecte karakter had om alle tegenstand het hoofd te bieden. Ze was een vrouw met tomeloze energie, een optimistische kijk op de wereld, veel humor en een gezonde dosis relativeringsvermogen. Haar levensmotto: ‘Werken en feesten vormt schoone geesten’. Westerdijk hield namelijk wel van een fuifje, een drankje en een dansje – iets wat je niet direct verwacht als je slechts haar wetenschappelijke merites kent. Dat betekent niet dat alles haar gemakkelijk afging. Westerdijk worstelde soms met haar geaardheid en haar vrouwzijn. Als kind wilde ze al Hans genoemd worden, en ook later verzuchtte ze weleens: ‘Was ik maar een man.’ Desondanks heeft Westerdijk zich altijd ingezet voor vrouwelijke studenten. Niet door ze voor te trekken, maar door ze aan te moedigen voor zichzelf op te komen, en net als zijzelf een beetje opstandig te zijn.
4 Spannend Een biografie van een wetenschapper verwacht je niet op het nachtkastje van een kind. Toch zijn er biografieën die voor de betiteling jongensboek in aanmerking komen. De biografie van Sam Goudsmit, geschreven door Martijn van Calmthout, is zo’n jongensboekachtig verhaal. Goudsmit staat als natuurkundige bekend om zijn ontdekking van de elektronspin, maar dat is niet waar de biografie om draait. In de Tweede Wereldoorlog leidde Goudsmit een geheime missie van de Amerikanen, waaruit moest blijken hoe ver Hitler was met zijn ontwikkeling van een atoombom. Door te spreken met Duitse geleerden die hij nog van voor de oorlog kende, achterhaalde Goudsmit, tot opluchting van de geallieerden, dat het atoomprogramma van de nazi’s nog niet zo ver gevorderd was. De combinatie van vooraanstaand natuurkundige en bescheiden oorlogsheld maken Goudsmit de ideale hoofdpersoon voor een wetenschappelijke en tevens jongensboekachtige biografie. Het boek laat zien dat fundamentele natuurkunde soms razendsnel de weg naar de praktijk vindt, en dat een theoretisch natuurkundige daardoor een sleutelrol kan spelen bij het oplossen van een groot maatschappelijk probleem.
Een andere biografie die raakt aan kinderdromen, is die van astronaut André Kuipers. Niet voor niets noemde auteur Sander Koenen het verhaal Droomvlucht. Koenen laat zien dat Kuipers al van jongs af aan droomde van een bestaan als ruimtevaarder. Dat is hij uiteindelijk geworden, maar dat ging niet vanzelf. Hij moest offers brengen, was vaak van huis en zijn lot lag uiteindelijk in handen van het lobbywerk van bobo’s. Ook het vermelden waard in de categorie spannend is Hoop voor de toekomst, de autobiografie van primatoloog Jane Goodall. Van jongs af aan was het haar droom om tussen de wilde dieren in Afrika te leven. Langzaamaan accepteerden de chimpansees die ze onderzocht haar aanwezigheid. Zo ontdekte Goodall hoe deze dieren op verrassend geavanceerde manieren gebruikmaken van werktuigen. Het mooie aan Goodalls verhaal is dat ze zich in de loop der jaren steeds meer ging inzetten voor natuurbehoud. Hierdoor kwam haar wetenschappelijke werk op een lager pitje te staan, maar het vuur in haar binnenste ontbrandde des te meer. Dat maakt het verhaal niet alleen aangrijpend voor wetenschappers in spe, maar voor iedereen die zich bekommert om de natuur.
special wetenschapscommunicatie | New Scientist | 31
biografieën
5 Excentriek Veel wetenschappers zijn op zijn zachtst gezegd een tikje excentriek. Dat zie je meestal niet terug in hun werk. Jammer, want die excentriciteit houdt vaak verband met een andere kijk op de wereld, wat nodig is om iets nieuws te ontdekken. Gelukkig staan biografieën doorgaans vol met sappige anekdotes die de vreemde eigenschappen van markante wetenschappers blootleggen. Neem bijvoorbeeld de Servisch-Amerikaanse uitvinder Nikola Tesla, bekend van de wisselstroomgenerator. Hij is onder andere gebiografeerd door David Kent. Die noemt hoofdstuk 3 niet voor niets De vreemde heer Tesla. Al in zijn jeugd had Tesla visioenen waarbij hij buiten zijn lichaam trad. Verder kreeg Tesla naar eigen zeggen koorts als hij naar een perzik keek en zou hij het haar van een ander alleen onder bedreiging van een revolver misschien aanraken. Ondanks zijn smetvrees was hij gek op duiven. Over duiven gesproken: Charles Darwin was een duivenmelker, lezen we in De aarzelende Darwin van David Quammen. Daarnaast was hij een liefhebbende vader, een kluizenaar, een biljartspeler, een agnost, een keververzamelaar en
32 | New Scientist | special wetenschapscommunicatie
nog veel meer. Maar bovenal, zo blijkt uit zijn eigen geschriften, was Darwin een verlegen man, een twijfelaar. Hij zat helemaal niet te wachten om een revolutie in de wetenschap te veroorzaken. Pas toen hij enorm veel gegevens had verzameld die zijn theorie ondersteunden, voelde hij zich verplicht een boek uit te brengen. Dat werd Het ontstaan van soorten – de rest is geschiedenis. En heb je het over excentriek, dan mag Richard Feynman niet ontbreken. Deze natuurkundige heeft een autobiografie geschreven en is ook door anderen geportretteerd. Maar het bekendst is hij om de memoires die zijn vriend Ralph Leighton bundelde in Heel geestig meneer Feynman. Daarin vertelt Feynman op enorm grappige wijze hoe hij als kind al radio’s in elkaar knutselde en hoe hij zijn fascinatie voor natuurkunde later aan studenten probeerde over te brengen. Ook was Feynman trouwens drummer, schilder van vrouwelijk naakt, fervent bezoeker van nachtclubs en een uitstekend kraker van brandkasten.
Er zijn biografieën die voor de betiteling jongensboek in aanmerking komen
6 Tijdgeest F is m maal a, actie is reactie: de wetten van Newton zijn best eenvoudig. Kinderen leren ze al op de middelbare school. Je zou je bijna afvragen of Newton wel zo briljant was als iedereen zegt. Maar dan vergeet je één belangrijk ding: Newton bedacht zijn theorieën al in de 17e eeuw, toen er volstrekt andere paradigma’s heersten. In Isaac Newton en het ware weten, in 2012 genomineerd voor de Boerhaave Biografie Prijs, beschrijft Floris Cohen de tijdgeest waarin Newton zijn ontdekkingen deed. De kerk drukte een stevig stempel op de maatschappij en de gestructureerde empirische wetenschap stond nog in de kinderschoenen. Door niet alleen Newtons ontdekkingen te beschrijven, maar vooral ook de weg ernaartoe – beginnend uiteraard bij de vallende appel die hij als jongen ziet – plaatst Cohen zijn werk in het juiste perspectief. Ook het werk van voorgangers zoals Da Vinci, Galilei en Kepler en tijdgenoten zoals Huygens en Van Leeuwenhoek kan alleen op waarde worden geschat wanneer je het in de juiste tijdgeest plaatst. En met een biografie gaat dat eigenlijk vanzelf.
7 Geheugen In de 18e eeuw was Herman Boerhaave wereldberoemd. Van heinde en verre kwamen mensen naar Leiden om te leren over zijn nieuwe, empirische manier om geneeskunde te beoefenen. Reden genoeg om aan te nemen dat Boerhaave driehonderd jaar later nog altijd een van de bekendste landgenoten is. Maar niets is minder waar. In het tv-programma De grootste Nederlander in 2004 kwam hij niet verder dan de 77e plaats. Nog net voor Ruud Gullit, Monique van de Ven en Freek de Jonge. Wat is er na zijn dood gebeurd met de reputatie van Boerhaave? Luuc Kooijmans ging voor zijn biografie op zoek naar het antwoord. Die zoektocht kreeg een onverwachte wending. Kooijmans probeerde toegang te verkrijgen tot de handschriften van Boerhaave, maar stuitte op het Russische ministerie van Defensie, dat de handschriften verbergt alsof het kernwapens zijn. In zijn boek De geest van Boerhaave beschrijft Kooijmans hoe deze handschriften daar zijn terechtgekomen. Het blijkt dat Boerhaaves manuscripten jarenlang inzet waren van een politiek spel tussen enerzijds leerlingen die zijn reputatie wilden beschermen en anderzijds concurrenten die juist de nadruk wilden leggen op zijn tekortkomingen.
Het boek is een soort vervolg op Boerhaaves eigenlijke biografie, die Kooijmans in 2011 uitbracht onder de titel Het orakel en in 2012 genomineerd was voor de Boerhaave Biografie Prijs. Ook daarin staat de reputatie van Boerhaave centraal. Overal ter wereld werd zijn geneeskunde onderwezen. Maar uiteindelijk werd zijn roem Boerhaave ook fataal. Iedereen wilde doktersadvies van hem, ook toen zijn eigen gezondheid verslechterde. Een andere wetenschapper die langzaam in de vergetelheid dreigt te geraken, is Heike Kamerlingh Onnes. Hij moest het in 2004 doen met plek 107 op de lijst van grote Nederlanders, net voor Anton Geesink. Dat terwijl zijn droom juist was om Nederlandse fysici internationaal aanzien te geven, lezen we in zijn biografie, die een jaar later uitkwam en geschreven is door Dirk van Delft. Kamerlingh Onnes was niet alleen een getalenteerde wetenschapper, maar vooral ook een geweldige organisator en diplomaat. Met zijn laboratorium zette hij Leiden op de kaart als ‘koudste plek ter wereld’. De reputatie van Leiden als wetenschapsstad is nog altijd intact, maar die van de mannen erachter brokkelt langzaam af. Jammer, want wetenschappers zoals Boerhaave en Kamerlingh Onnes verdienen een prominente plek in het vaderlandse geheugen.
special wetenschapscommunicatie | New Scientist | 33
ype & ionica
34 | New Scientist | special wetenschapscommunicatie
SILO feliciteert Rijksmuseum Boerhaave Als onderzoeksgedreven ontwerpers zijn we trots op het resultaat van onze samenwerking: een nieuwe merkidentiteit die intrigeert en uitnodigt tot ontdekken.
Rijksmuseum Boerhaave is nu echt een museum voor ons allemaal. Dirk, we wensen je een heel mooi pensioen toe: never stop searching!
Innovatie en groei door strategisch ontwerp
www.siloagency.com +31 (0)70 3856 946