––
Het lange bewind Jaehaerys en Alysanne Beleid, nageslacht en leed Op de zevende dag van het negenenvijftigste jaar na Aegons Verovering voer een aftands schip moeizaam het Fluistersont naar de haven van Oudstee in. De zeilen waren opgelapt en rafelig en met zout besmeurd, de verf was verschoten en bladderde af, de banier die aan de mast wapperde was zo gebleekt door de zon dat hij onleesbaar was geworden. Pas toen het aan de kade lag aangemeerd, werd het herkend in haar haveloze staat. Het was de Vrouwe Meredith, die bijna drie jaar geleden Oudstee had verlaten om de Zee van Zonsondergang over te varen. Toen de bemanning aan wal kwam, keek de menigte van kooplieden, sjouwers, hoeren, zeelui en dieven geschokt toe. Negen van elke tien mannen die de loopplank af kwamen, waren zwart of bruin. Een golf van opwinding ging over de kade. Was de Vrouwe Meredith dan echt de Zee van Zonsondergang overgevaren? Waren de volken van de legendarische landen van het Verre Westen allemaal zo donker van huid als Zomereilanders? Pas toen ser Eustaas Hoogtoren verscheen, hield het gemompel op. Heer Donneels kleinzoon was vel over been en zongebruind, met lijnen in zijn gezicht die er niet waren geweest toen hij uitvoer. Hij werd gevolgd door een handvol mannen uit Oudstee, de enige die waren overgebleven van zijn oorspronkelijke bemanning. Een van de officiers der douane van zijn grootvader begroette hem op de kade, en een snelle dialoog volgde. De bemanning van de Vrouwe Meredith leek niet alleen op Zomereilanders: het wáren Zomereilanders, in dienst genomen in Sothyros (‘voor een rampzalige gage,’ klaagde ser Eustaas) om de mannen die hij had verloren te vervangen. Hij had sjouwers nodig, zei de kapitein. Zijn ruim stond bol van rijke lading... maar niet van landen aan de andere zijde van de Zee van Zonsondergang. ‘Dat was een droom,’ zei hij. Niet lang daarna verschenen heer Donneels ridders, met de opdracht hem naar de Hoogtoren te escorteren. Daar, gezeten in de hoge zaal van zijn grootvader met een beker wijn in zijn hand, begon ser Eustaas Hoogtoren zijn relaas. De klerken van heer Donneel schreven mee terwijl hij sprak, en binnen enkele dagen was het verhaal over heel Westeros bekend, verspreid door koeriers, barden en raven. De reis was zo goed begonnen als was gehoopt, zei ser Eustaas. Eenmaal buiten het Prieel had vrouwe Westheul haar Zonnejager zuidzuidwest gestuurd, op zoek naar warmere stromingen en gunstige wind, en de Vrouwe Meredith en de Herfstmaan volgden haar. Het grote Braavosi-schip was erg snel en de Hoogtorens konden het maar met moeite bijhouden wanneer het eenmaal de wind in de zeilen had. ‘De Zeven keken in het begin glimlachend op ons neer. De zon scheen overdag, de maan ’s avonds, en er stond een wind zo heerlijk als elke man of maagd maar kon hopen. Van tijd tot tijd zagen we wat vissers en eenmaal een groot donker schip dat alleen maar een walvisvaarder uit Ib kan zijn geweest. En vissen, zoveel vissen... dolfijnen zwommen met ons mee, alsof ze nooit eerder een schip hadden gezien. We dachten allemaal gezegend te zijn.’ Twaalf dagen nadat ze Westeros achter zich hadden gelaten, bereikten de Zonnejager en zijn twee metgezellen soepel zeilend volgens hun beste berekeningen een punt even zuidelijk als de Zomereilanden, en westelijker dan enig schip ooit was geweest... althans enig schip dat teruggekeerd was om het te kunnen na vertellen. Op de Vrouwe Meredith en de Herfstmaan werden vaatjes Prieelgoud aangeslagen om op hun prestatie te toosten; op de Zonnejager dronken de zeelui een gekruide mede uit Lannispoort. En als wie dan ook verontrust was omdat ze de afgelopen dagen geen enkele vogel hadden gezien, dan hield diegene zijn mond. De goden hebben een hekel aan menselijke hoogmoed, leren de septons ons. En De zevenpuntige ster zegt dat trots voorafgaat aan de val. Het kan best zo geweest zijn dat Alys Westheul en de Hoogtorens hun voorspoed te luidruchtig en te vroeg vierden, daar boven de diepten van de oceaan, want al snel daarna begon er van alles vreselijk mis te gaan. ‘Eerst verloren we de wind,’ vertelde ser Eustaas het hof van zijn grootvader. ‘Bijna twee weken lang was er nauwelijks een briesje en de schepen kwamen alleen vooruit omdat ze op sleeptouw werden genomen door hun uitgezette sloepen. Toen werd ontdekt dat tien vaten vlees op de Herfstmaan wemelden van de maden. Zo’n ramp is dat niet, maar het was een slecht voorteken. De wind kwam uiteindelijk terug
tegen een zonsondergang die de hemel bloedrood kleurde, en de aanblik daarvan wekte gemompel bij de mannen op. Ik vertelde hun dat het er goed voor ons uitzag, maar ik loog. Voor het ochtend werd, waren de sterren verdwenen en de wind begon te huilen en toen rezen de golven van de oceaan op.’ Dat was de eerste storm, zei ser Eustaas. Een tweede volgde twee dagen later, en toen een derde. En elke storm was heviger dan de vorige. ‘De golven rezen boven onze masten uit, en de donderslagen klonken om ons heen en het bliksemde heviger dan ik ooit had meegemaakt, met lange, knetterende flitsen die pijn deden aan de ogen. Een ervan sloeg in op de Herfstmaan en spleet zijn mast van het kraaiennest tot het dek. En te midden van al die waanzin gilde een van mijn matrozen dat hij armen uit het water had zien reiken – het laatste wat een kapitein wil horen. We waren de Zonnejager uit het oog verloren, mijn Vrouwe en de Maan waren alleen. De zee spoelde over onze dekken elke keer dat we omhoog- en omlaaggingen, en zich te vergeefs vastgrijpend aan de reling tuimelden er mannen overboord. Ik zag de Herfstmaan voor mijn ogen vergaan. Het ene moment was hij er nog, kapot en brandend, maar hij wás er. Toen rees er een grote golf op die hem verzwolg; ik knipperde met mijn ogen en hij was verdwenen, zo snel ging het. Dat was het enige, een golf, een monsterlijke golf, maar al mijn mannen riepen: “Kraken! Kraken!” En niets wat ik zei kon hen daarvan afbrengen. Vraag me niet hoe we die nacht overleefden, maar we redden het. De volgende morgen was de zee weer kalm, de zon scheen en het water was zo blauw en onschuldig dat niemand zou geloven dat mijn broer daaronder dreef, dood, net als zijn bemanning. De Vrouwe Meredith verkeerde in een deplorabele staat: zeilen gescheurd, masten versplinterd, negen man vermist. We zeiden gebeden op en begonnen te repareren wat we konden... en die middag zag onze matroos in het kraaiennest zeilen in de verte. Het was de Zonnejager, die terugkwam om ons te zoeken.’ Vrouwe Westheul had meer gedaan dan de storm overleven. Ze had land gevonden. De storm en de razende zee die haar van de Hoogtorens hadden gescheiden, hadden haar naar het westen gedreven en toen de zon opkwam, had haar matroos in het kraaiennest vogels zien zweven rond een mistige bergtop aan de horizon. Vrouwe Alys voer ernaartoe en kwam al snel bij drie kleine eilanden. ‘Een berg vergezeld door twee heuvels,’ zoals ze het uitdrukte. De Vrouwe Meredith was niet in staat om te zeilen, maar met de hulp van drie sloepen van de Zonnejager werd ze naar de veiligheid van de eilanden gebracht. De twee gehavende schepen bleven ruim twee weken in de luwte van de eilanden liggen, om ze op te kalefateren en nieuwe voorraden in te slaan. Voor vrouwe Alys was het een triomf: dit was land dat verder naar het westen lag dan ooit bekend was geweest, eilanden die op geen enkele kaart voorkwamen. Omdat het er drie waren, noemde ze ze Aegon, Rhaenys en Visenya. De eilanden waren onbewoond, maar bronnen en beken waren er genoeg, dus waren de reizigers in de gelegenheid om hun vaten te vullen met al het verse drinkwater dat ze nodig konden hebben. Er liepen ook wilde zwijnen rond, en enorme slome grijze hagedissen zo groot als een hert, en bomen die doorbogen onder het gewicht van noten en fruit. Nadat ze al die vruchten geproefd hadden, verklaarde Eustaas Hoogtoren dat ze geen reden hadden om verder te varen. ‘Deze ontdekking volstaat,’ zei hij. ‘We hebben hier specerijen die ik nooit heb geproefd, en deze roze vruchten... we hebben een fortuin in handen.’ Alys Westheul vond dat onzin. Drie kleine eilandjes, waarvan zelfs het grootste maar een derde van Drakensteen was, dat was niets. De echte wonderen lagen verder naar het westen. Er kon wel eens een tweede Essos liggen, vlak achter de horizon. ‘Of er zouden wel eens drieduizend mijlen lege oceaan kunnen zijn,’ antwoordde ser Eustaas. En hoe vrouwe Alys ook vleide en smeekte en alles in de mooiste kleuren afschilderde, ze wist hem niet over te halen. ‘Al had ik het gewild, dan nog had mijn bemanning het niet toegestaan,’ vertelde hij heer Donneel in de Hoogtoren. ‘Als één man waren ze ervan overtuigd dat ze een reusachtige Kraken de Herfstmaan onder water hadden zien trekken. Als ik ze bevolen had verder te varen, hadden ze me aan de vissen gevoerd en een andere kapitein aangesteld.’ En zo gingen de ontdekkingsreizigers dus huns weegs toen ze de eilanden verlieten. De Vrouwe Meredith wendde de steven naar het oosten, terug naar huis, terwijl Alys Westheul en haar
Zonnejager verder westwaarts gingen, op jacht naar de zon. Eustaas Hoogtorens tocht naar huis zou bijna net zo hachelijk zijn als zijn reis naar de eilanden. Ze kregen stormen te doorstaan, al was geen daarvan zo verschrikkelijk als die welke het schip van zijn broer had opgeëist. De heersende winden bleken hun tegen te zitten, wat ze dwong almaar te laveren. Ze hadden drie van de grote grijze hagedissen meegenomen aan boord, en een beet de roerganger in zijn been. Dat kleurde al snel groen en moest geamputeerd worden. Een paar dagen later kwamen ze een school leviathans tegen. Een van hen, een enorme witte stier groter dan een schip, ramde bewust de Vrouwe Meredith, en de romp kraakte onheilspellend. Daarna was ser Eustaas veranderd van koers, richting de Zomereilanden, waarvan hij dacht dat dat het dichtstbijzijnde vasteland moest zijn. Ze voeren zuidelijker dan hij had beseft en waren uiteindelijk de eilanden finaal voorbijgevaren en op de kust van Sothyros gestuit. ‘We bleven daar een heel jaar,’ vertelde hij zijn grootvader. ‘Om te zorgen dat de Vrouwe Meredith weer zeewaardig werd, want de averij was zwaarder dan we hadden gedacht. Maar er waren ook daar fortuinen te winnen, en dat ontging ons niet. Smaragden, goud, specerijen, jazeker, dat alles en meer. Vreemde wezens... apen die lopen als mensen, mensen die krijsen als apen, wyverns, basilisken, wel honderd verschillenden slangensoorten. Giftig, allemaal. Sommigen van mijn mannen verdwenen in één nacht. Ook degenen die overbleven, stierven langzamerhand. Een was er gebeten door een vlieg, een kleine steek in zijn nek, niets om je druk over te maken. Drie dagen later begon zijn huid los te laten en bloedde hij uit zijn oren, pik en aars. Zout water drinken maakt een mens gek, elke zeeman weet dat, maar het zoetwater daar was niet veiliger. Er zaten wormpjes in, bijna te klein om te zien; als je ze inslikt, leggen ze eitjes in je ingewanden. En dan de koortsen... er ging bijna geen dag voorbij of de helft van mijn mannen was te ziek om te werken. We zouden allemaal eronderdoor zijn gegaan, denk ik, als er niet een stel Zomereilanders voorbij was gekomen die ons hielpen. Ze kennen dat helse oord veel beter dan ze lieten merken. Met hun hulp kreeg ik Vrouwe Meredith tot Hogebomenstad, en vandaar naar huis.’ Daarmee eindigde zijn relaas en zijn grote avontuur. Wat vrouwe Alys Westheul, geboren Elissa van huis Verman, betreft: hoe haar avontuur eindigde, weet niemand. De Zonnejager verdween naar het westen en bleef zoeken naar het land achter de Zee van Zonsondergang, en werd nimmermeer gezien. Tenzij... Vele jaren later zou Corlys Velaryon, de jongen die in 53 NdV op Driftmark werd geboren, met zijn schip de Zeeslang negen grote reizen maken, en verder varen dan enig man van Westeros ooit gevaren had. Op de eerste van deze reizen voer hij de Poorten van Jade door, naar Yi Ti en het eiland Leng. En hij keerde daarvan terug met zo’n weelde aan specerijen en zijde en jade dat huis Velaryon een tijdlang het rijkste van alle Zeven Koninkrijken was. Op zijn tweede reis voer ser Corlys zelfs nog verder, en zou hij de eerste Westerosi worden die ooit Asshai-bij-de-Schaduw zou bereiken, de naargeestige zwarte stad van de schaduwbinders aan de rand van de wereld. Daar verloor hij zijn geliefde en de helft van zijn bemanning, als de verhalen waar zijn... maar daar, in Asshais haven, zag hij ook een oud en zwaar afgetakeld schip, en hij zou zijn leven lang volhouden dat het alleen de Zonnejager kon zijn geweest.
Dit is een fragment uit:
Vuur en Bloed – De Opkomst van het Huis Targaryen van Westeros van George R.R. Martin Vanaf 29 november 2018 verkrijgbaar in de (online) boekhandel!