‘Je sluit kleine Britta direct in je hart – en als het kon in je armen.’ IRMA JOUBERT, auteur
‘Britta is een van de ontroerendste hoofdpersonen uit de hele Zweedse literatuur.’ SVENSKA DAGBLADET
Vibeke Olsson
Vibeke Olsson is een van de meest gelezen schrijfsters van Zweden.
De dochter van de houtzager Vibeke Olsson
De dochter van de houtzager
Noord-Zweden, 1879. Britta, bijna elf, is trots dat ze als lattengrietje ook wat geld kan verdienen in de houtzagerij. Ze woont met haar ouders in de arbeidersbarak, werkt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, en heeft vaak honger – maar dat geldt voor iedereen, toch? Ze hebben tenminste werk! Britta merkt dat haar ouders steeds meer zorgen hebben. De houtprijs is gekelderd, de lonen gaan omlaag. Britta begrijpt het niet. Waarom geeft de regering zo veel staatssteun aan de houtzagerijen, maar krijgen de arbeiders daar niets van? Vader en moeder praten over staken. Maar waar moeten ze dan ooit geld mee verdienen?
isbn 978 90 239 5079 0 | nur 342
www.uitgeverijmozaiek.nl
MOZAÏEK • ROMAN
Vibeke Olsson
De dochter van de houtzager titelbelettering
Uit het Zweeds vertaald door Lia van Strien
Uitgeverij MozaĂŻek, Utrecht
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 3
29-11-17 15:11
1 q
H
et grijs gestreepte poesje krijst en klauwt met alle vier haar pootjes in de lucht. Ze laat haar nagels zien – ze zijn verschrikkelijk lang. Åkesson heeft haar bij haar nekvel vast. Hij heeft het hakblok uit het houthok gehaald, zoals de mannen doen als ze brandhout gaan klieven. Maar op de grond naast hem ligt geen hout; er is alleen dat poesje dat hij bij haar nekvel houdt en de bijl in zijn andere hand. Het gekrijs van het arme beestje weerklinkt in de lichtblauwe mei-avond tussen de rijen houthokken en de woonbarakken daartegenover. Åkesson houdt het poesje op een armlengte van zich af en grijpt met zijn andere hand de steel van de bijl beter vast. ‘Nee!’ Ik hoor mezelf uit alle macht schreeuwen. Het is eruit voor ik er erg in heb. ‘Nee! Nee! Blijf van haar af!’ ‘Wat gaat jou dat aan dat ik mijn eigen kat om zeep help, stom wicht?’ zegt Åkesson. ‘Hou je kop en bemoei je met je eigen zaken.’ ‘Als oom Åkesson haar niet wil, zal ik wel voor haar zorgen’, zeg ik. Het poesje zit zich altijd schoon te likken op de hoge trap naar de bovenverdieping van de woonbarak, waar wij wonen. Ik wil niet dat ze doodgaat. ‘Dus jij kunt wel voor het beestje zorgen’, zegt Åkesson. ‘Terwijl een ander amper zichzelf kan voeden. Ja ja. Komt
q9
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 9
29-11-17 15:11
zeker door die moeder van je. Altijd maar in die kerk te vinden; zal ’r d’r handje wel ophouden; dat schijnt daar bij die schijnheilige piëtisten schering en inslag te zijn.’ Het poesje komt altijd langs m’n benen strijken en me kopjes geven als ik tegen haar praat. Ik wil niet dat ze doodgaat. ‘Toe, oom Åkesson. Ik kan het poesje wel meenemen als u het niet wilt’, zeg ik. Ik probeer beleefd te zijn. Daar probeer ik altijd aan te denken. ‘Je moet niet alles wat de knullen op de plankenwerf zeggen overnemen’, zei mama onlangs, toen ik zei dat ik ‘even ging schijten’ in plaats van dat ik ‘naar het stilletje’ moest. ‘Niet vergeten dat je een meisje bent.’ Afgelopen winter, toen ik nog niet op de plankenwerf begonnen was en ik als hulpmeidje op de boerderij van Sund was, zei Alma, de oude meid, een keer dat ze kon merken dat ik al in ‘de meisjesjaren’ zat. Ik had niet eens een grote mond gehad; ik moest alleen lachen toen de grote knechts grollen verkochten over de zagerijpatroons die altijd zo dronken worden als ze naar Hotel Knaust in de stad gaan. Hoe ze op handen en knieën, hinnikend als paarden of keffend als hondjes, rondkropen. Knecht Emil kon het weten: hij had als stalknecht bij het hotel gewerkt. Åkesson heeft de bijl laten zakken. ‘Vooruit dan maar, grietje’, zegt hij. ‘Neem dat kreng maar. Dan hoef ik m’n bijl en m’n hakblok ook niet te besmeuren.’ Hij laat het beestje los. Ze glipt snel onder het houthok. Er dromt een kluitje nieuwsgierige kleuters om ons heen. ‘Heeft hij het poesje doodgemaakt?’ vraagt de kleine Alfred van Lindgren. ‘Nee’, zeg ik. ‘Ze zit onder het houthok. Ik neem haar mee naar huis.’ ‘Ik moet nog zien,’ zegt Åkesson, ‘hoe leuk je het straks vindt haar eeuwige jonkies te moeten verzuipen.’ Hij loopt zijn houthok in en komt niet weer naar buiten. Ik weet wel wat hij daar doet. Hout haalt hij niet, dat doet Märta Åkesson meestal. Toen we een keer verstoppertje 10
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 10
29-11-17 15:11
speelden, zag ik tussen het opgestapelde brandhout een zakflesje met brandewijn. Ik ga bij de muur van het hok op m’n hurken zitten om het poesje te lokken. ‘Kss, kss. Poes, poes, poes...’ Ze komt tevoorschijn. Misschien snapt ze dat ze haar leven aan mij te danken heeft, want ze geeft me kopjes. Ik til haar op, streel haar wonderlijk zachte vacht. Daarna moet ik haar met één arm dragen, want ik moet ook mijn blikken koffiekan vasthouden; als ik die vergeet, is mama niet blij. We hebben ieder onze eigen kan, papa en ik, die mama met soep of koffie vult en ons met schafttijd op de zagerij komt brengen. Als de kannen thuis naast elkaar bij de gootsteen staan, word ik daar op een nieuwe, trotse manier blij van. Nu ben ik ook groot, een heuse arbeidster. Over iets meer dan een maand word ik elf. Omdat ik nog niet volwassen ben, haalt papa natuurlijk mijn loon op. Maar als hij het loonkantoor uit komt, geeft hij mijn geld aan mij zodat ik het zelf aan mama kan geven, net zoals hij dat doet. Toen papa haar op de vorige betaaldag zijn loonzakje gaf, keek mama helemaal niet blij, want de maatschappij heeft de lonen dit jaar flink verlaagd. Maar toen ik haar mijn loonzakje gaf, kreeg ik een glimlach en streek ze over mijn wang, hoewel ik natuurlijk veel minder verdien. Als ik met het poesje tegen me aan gedrukt naar onze barak loop, komt papa me achterop. Soms mogen wij, de lattengrietjes en -jochies, iets eerder naar huis, een kwartiertje voordat om acht uur de fabrieksfluit gaat. Onze opzichter is dus best aardig. Hij zegt soms dat iedereen die nog geen dertien is, mag gaan; volgens hem hebben wij meer rust nodig. Papa legt zijn arm om mijn schouder. Dat is iets van de laatste tijd; het hangt in zekere zin samen met het feit dat ik nu groot ben.
q 11
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 11
29-11-17 15:11
‘Is dat niet Åkessons katje?’ vraagt hij. ‘Kijk eens hoe aanhalig ze is.’ ‘Ik heb haar van hem gekregen. Toe, papa, mag ik haar alsjeblieft houden?’ ‘Moeten we een poesje voeden als we zelf amper te eten hebben?’ zegt papa. Maar hij glimlacht; hij zegt vast geen nee. ‘Vraag het maar aan mama. Eigenlijk scharrelt een katje haar eigen eten wel bij elkaar. En zo veel eet ze ook weer niet. Het zou leuk voor je zijn… bij gebrek aan een broertje of zusje. Wilde Åkesson het niet?’ ‘Hij… hij wou haar… Hij stond op het punt om haar met zijn bijl af te maken.’ Ik krijg het er haast niet uit, mijn stem zakt weg in mijn keel. ‘Ik… ik heb hem gesmeekt om het te laten’, zeg ik, fluisterend haast. ‘Verdomme nog an toe’, zegt papa. Ik merk dat hij verstijft. Hij probeert niet te vloeken, mama heeft er een hekel aan sinds ze bij de baptisten is. Maar soms doet hij het per ongeluk toch. Mama staat bij het vuur; ze roert in de pappot. ‘Mama,’ zeg ik, ‘ik heb een poesje van Åkesson gekregen. Mag ik het alsjeblieft houden?’ Mama draait zich om. ‘Het katje van Åkesson?’ zegt ze. Ze zegt het met die wat schelle melkprijs-en-winkelkredietstem die ze sinds de loonsverlagingen weleens opzet. ‘Veel eten zullen we er niet aan kwijt zijn’, zegt papa. ‘Ze vangt wel muizen. En ze zou de haringkoppen kunnen krijgen nadat je er soep van hebt gekookt. Moet je zien hoe dol Britta op haar is.’ ‘Maar goeie genade! Heb je haar van Åkesson gekregen?’ ‘Het poesje is slechter af dan wij’, zegt papa terwijl hij zijn boezeroen uittrekt en met het water in het wasstel op het aanrecht rondspat. ‘Åkesson wou haar om zeep helpen. Met de bijl. Britta heeft haar gered.’ ‘Met de bijl? Is het zo erg met hem gesteld? Waar dat op moet uitdraaien… Je poes doden met een bijl…’ 12
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 12
29-11-17 15:11
‘Volgens mij is hij kierewiet’, zegt papa. ‘Dus dat poesje is slechter af dan wij. Je kunt van patroon Dickson zeggen wat je wilt – dat hij met die laatste loonsverlaging de honger op ons af heeft gestuurd bijvoorbeeld – maar hij heeft in elk geval niet geprobeerd om ons om zeep te helpen.’ ‘Ach, jij’, zegt mama lachend. ‘Nou… ik zag hem anders gisteren langs de werfkade rennen. Hij liep te briesen als een stier en had zijn bijl in de aanslag.’ De woorden floepen er zomaar uit, stromen door het gelach naar buiten. Waar ze vandaan komen, weet ik niet. Daar heb je het weer, dat van die ‘meisjesjaren’ waar Alma het over had. Ik kan het niet helpen. Papa en mama schuddebuiken van het lachen, alle twee, maar ik zie hoe ze elkaar eerst heel, heel even aankijken. Ik weet niet of mijn branie hen verbijstert of verbaast. Als die van de jongens op de plankenwerf. Dan trekt papa plagend aan een van mijn vlechten. ‘Voorzichtig hoor, met grapjes over de hoge heren’, zegt hij. ‘Ze hebben grote oren.’ Mama zet de pappot op tafel. ‘Goed dan’, zegt ze. ‘Je mag het poesje houden.’ ‘Dank je wel, lieve mama!’ Mama zet de kan met stroopwater naast de pappot. Het is een dag zonder melk. Dat weet ik wel, ik weet het al de hele dag. De ene dag wel, de andere dag niet. Melk is zo duur geworden dat we het alleen om de dag kunnen kopen. Ik weet het wel, maar toch steekt vanuit mijn buik de teleurstelling de kop op; ze schiet vanuit de brok honger onder mijn middenrif zo mijn hoofd in. Ik schaam me. Ik schaam me voor mijn teleurstelling als ik zie hoe weinig pap mama voor zichzelf opschept. Het snijdt door m’n ziel. Maar het is zoals het is. Ik moet eten, want ik ben in de groei. Mama eet zelf liever niets dan dat ze mij met honger van tafel laat gaan.
q 13
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 13
29-11-17 15:11
En papa moet ook eten, want hij doet zulk zwaar werk. Anders houdt hij het niet vol. En wat moeten we dan? Daarom kijk ik weg van mama’s kleine beetje pap en staar naar mijn eigen bord. De brok honger blijkt de baas en hakt de knoop door. We eten in stilte. We willen het niet hebben over het verlangen naar melk, dat zich als een spook bij de haard ophoudt. Als de buurvrouwen ach en wee roepen over de hongerloontjes zegt mama daar altijd wat van – dan schaam ik me voor haar, zo snibbig als ze klinkt. ‘Dat we honger hebben, betekent nog niet dat we ook verhongeren.’ Mama en papa weten wat het is om te verhongeren: ze hebben een echte hongersnood meegemaakt. Ik heb dat heel lang niet doorgehad. Ik wist hoe mijn oudere, dode broers en zus geheten hadden – Mårten, Tilda en Johannes. Ik heb ze nooit gekend, ze gingen dood voor ik geboren werd. En ik wist natuurlijk alles van hun hutje, het boerenhutje dat ze pachtten voordat ze door de misoogst verdreven werden. Over hun hutje praten ze vaak, maar nooit over de hongersnood. Door de jaren heen heb ik andere grote mensen natuurlijk over de hongerjaren horen praten, over de jaren van grote honger: het jaar voordat ik geboren werd en het jaar dáárvoor. De kou en de droogte pikten de rogge, de haver, het gerst, de aardappelen en het grasland voor de dieren af. Ik heb wel begrepen dat hongersnood van een andere orde is dan een loonsverlaging. Slap van de honger in bed liggen, soep koken van schoenen en riemen, het behang van de muur rukken voor het zetmeel uit de lijm eronder – dat is van een andere orde, een heel andere orde dan alleen maar stroopwater bij de pap. Nu is het dus zo dat papa en mama alleen mij maar hebben. Er zijn verder geen kinderen meer bij gekomen. Ik weet dat ze het nog steeds proberen, best vaak zelfs. 14
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 14
29-11-17 15:11
Volgens mij denken papa en mama nog steeds dat ik denk dat kindjes uit de zwarte tas van de vroedvrouw komen. Maar Lisa, Jenny’s grote zus, en de jongens van de plankenwerf hebben me verteld hoe de vork in de steel zit. Daarom weet ik dat ze een broertje of zusje voor me proberen te maken als ze zo hard knuffelen dat het bed ervan kraakt en mama ‘mijn hartelief ’ en papa ‘Frida, mijn liefste’ fluistert. Maar het lukt nooit. Bijna alle moeders hier in de woonbarakken lopen om de haverklap met een dikke buik, maar die van mama bolt nooit op. Misschien is er door de hongersnood vanbinnen iets in hen stukgegaan. En wie weet zijn ze ook al wel te oud. Ze zijn allebei veertig. Er zit al best veel grijs in mama’s donkerbruine haar. Papa heeft sowieso maar een klein beetje haar. Verder is hij hartstikke scheef en heeft hij pijn in zijn versleten schouder, zijn plankensjouwersschouder. Daarom is hij nu niet meer dan hulpzager. Hij verdiende beter toen hij plankensjouwer was; daarom zijn de loonsverlagingen voor ons extra merkbaar. Soms hebben ze kiespijn; dan druppelen ze wat brandewijn in het gat en valt de kies na verloop van tijd uit hun mond. Dus ze zijn al best een beetje oud. Doordat ze alleen mij maar hebben, ben ik als het ware een beetje bijzonder. Soms zit me dat dwars. Ik wil niet anders zijn dan anderen, ik wil niet bijzonder zijn, of verwend. Op school jokte ik weleens dat ik ervanlangs had gekregen. Ik durfde niet te zeggen dat ik nog nooit een pak slaag had gekregen. Maar op een keer was het dan toch echt de bedoeling. Toen was ik tegen het einde van de winter met Oscar op de stammen in het balkenwater geklommen. Op de steigers en stammen was het spekglad en levensgevaarlijk. Mama schreeuwde of ik dan niet snapte wat er gebeuren kon en dat er deze keer niets anders op zat dan dat papa me als hij thuiskwam ervanlangs zou geven. Papa kwam thuis en deze keer konden ze er volgens mama
q 15
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 15
29-11-17 15:11
niet onderuit: ‘Edvin, nu móet je echt.’ We zouden om een berkentwijg gaan en dan… Eindelijk zou het ervan komen, ik zou eindelijk weten hoe het was. Maar het kwam er niet van. Papa en ik liepen met het twijgje terug naar huis, mama keek papa vragend aan. ‘Ik kan het niet’, zei hij. ‘Dan moesten we dat twijgje maar in de hoek bij de haard zetten, als een waarschuwing’, zei mama toen. En ik moest bijzonder blijven. Maar toen papa me van de boerderij kwam ophalen, was ik blij toe. Het poesje ligt lekker te spinnen op mijn schoot. Ik aai haar zachte rug, de kleine puntige schouderbladen. ‘Ik noem je Snoetje’, fluister ik in haar roze oortje. Mama doet de afwas. Ik moet Snoetje neerzetten en opstaan om te helpen met afdrogen. Maar ze draait zich om. ‘Blijf maar even zitten’, zegt ze. ‘Het poesje ligt net zo lekker.’ Papa ligt op de bank de Dagens Nyheter te lezen. Die ‘gunt’ hij zichzelf, de krant die hij een paar keer per week met een paar andere kerels samen koopt, en ook zo nu en dan een pijp tabak. Ik hoor papa en mama weleens praten als ze ’s avonds in bed liggen en denken dat ik slaap. Hij zou best zonder de krant en de tabak kunnen, heb ik hem horen zeggen; dat zijn toch weer een paar öres extra. ‘Maar je moet jezelf toch íets gunnen’, antwoordde mama met een zekere felheid in haar stem. Heel wat papa’s en mama’s doen lelijk tegen elkaar als er niet genoeg geld is. De barakken zijn gehorig, je weet hier bijna alles van elkaar. Sinds de lonen zo omlaag zijn gegaan heb ik allerlei vreselijke woorden geleerd. Ik had nooit gedacht dat papa’s en mama’s die tegen elkaar zeiden. Mijn papa en mama doen niet lelijk. Ze gunnen elkaar wat. Ook andersom trouwens. Als mama weleens oppert dat we een losarbeider in huis kunnen nemen of in elk geval een 16
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 16
29-11-17 15:11
paar kostgangers, omdat dat toch weer een paar öres oplevert. ‘Als we nou een keuken en een kamer hadden gehad’, zegt papa dan. ‘Maar niet met enkel maar een keukenkamer, geen deur om dicht te trekken. Je hoeft niet ook nog eens voor vreemd volk te redderen.’ Als we naar bed zijn gegaan en Snoetje als een warm bolletje bij mijn voeten ligt, hoor ik ze praten over iets wat in de krant heeft gestaan. Iets met ‘depressie’, wat dat dan ook is. ‘Je had toch verwacht dat ze de lonen wel weer gelijk zouden trekken met die van vorig jaar, nu ze die staatslening gekregen hebben’, zegt mama. ‘Was het daar niet voor bedoeld, die – hoeveel was het nou? Drie miljoen kronen, toch?’ ‘Ja’, zegt papa. ‘Ze zullen het wel verbrassen. Je hoorde toch zelf hoe ze uitpakten toen de lening was toegekend? Dat banket.Toen de Rijksdag de toekenning steunde, was dat vast niet met het idee dat de lening aan brasserijen besteed zou worden. Het is belastinggeld! Iets ervan had best bij ons terecht kunnen komen. Al was het maar uit angst voor anarchisten en socialisten, zoals ze in Duitsland hebben.’ ‘Als patroon Dickson toch eens wist hóe krap we het hebben!’ zegt mama. ‘De rijken hebben volgens mij geen flauw benul van de prijs van eten, om maar wat te noemen. Als hij toch eens wist. Zo veel als hij gedaan heeft voor de baptistengemeente… Wíst hij maar hoe het is. Zo slecht kan hij het toch niet met ons voorhebben?’ Papa is even stil. ‘Meiske van me’, zegt hij dan. ‘Mijn malle, malle meiske.’
q 17
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 17
29-11-17 15:11
2 q
T
oen papa me eerder deze lente kwam ophalen van de boerderij, was ik blij toe. Niet dat ik het daar slecht had. Ze waren best aardig en ik mocht er eten zoveel ik wilde; er was altijd genoeg. Ik veranderde in een boerenmeid met appelwangetjes en herkende mezelf niet als ik in de spiegel keek. Ik vond het bovendien fijn om te melken, om die warme spenen vast te houden, met mijn wang tegen de koe te leunen en al die fijne geluiden in de stal te horen. Nee, ik had het niet slecht daar op de boerderij. Ik had alleen heimwee. ’s Avonds als ik moest gaan slapen, lag ik vaak te huilen. Ik had nooit geweten dat het licht hier thuis op Svartvik zo bijzonder was. Ik kreeg het pas door toen ik op de boerderij was. Ik lag wakker en miste het licht op de rivier de Ljungan en de wind die van zee kwam. Ik miste mijn kameraadjes, vooral Jenny. Ik miste papa en mama. Na vier maanden op de boerderij – het smeltwater drupte van de daken en ’s avonds klonk vanuit de bossen de roep van de ruigpootuil – kwam papa me ophalen. De admini strateur had hem een paard en een slee geleend. Voor een menner hoefde de maatschappij niet te zorgen, mennen kan papa zelf. Papa kan veel. Hij weet ook veel. Hij leest kranten en leent boeken uit de bibliotheek van de kerk. Hoewel hij nooit meegaat naar de zondagse diensten, komt hij weleens 18
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 18
29-11-17 15:11
in de kerk als er een lezing wordt gehouden. En hij heeft allerlei werk gedaan: is boerenknecht geweest, heeft als houtskoolbrander bij de meilers gewerkt en bruine teer gemaakt. Hij is houtmenner geweest in de winterse bossen – dat is nog eens mennen! Bevroren, spekgladde karrensporen en enorme vrachten achter het paard. Met de slee over de landweg is alsof je loopt te flaneren. Alma kwam naar de stal om me te halen. ‘Je vader is er. Ik geloof dat je met hem mee moet’, zei ze. Meteen klopte mijn hart in m’n keel. Als mama maar niet ziek is… of dood. Papa stapte net bij de boer de kamer in, zijn muts in de hand. ‘Ik wou het meisje ophalen; haar moeder kan haar hulp goed gebruiken’, zei hij. ‘Tja’, zei de huisvader. ‘In dat geval… Ze weet van wanten, moet ik zeggen, voor een kind van de zagerij.’ We stonden nog niet op het erf of mijn ongerustheid kwam eruit. ‘Wat is er met mama?’ vroeg ik. Ik hoorde zelf hoe bang het klonk. Papa tilde me op alsof ik een klein meisje was, al was ik een grote meid van tien. ‘Er is niets, alles gaat z’n gangetje’, zei hij. ‘Maar…’ ‘Het wordt lente, er is werk op de zagerij. Je hoeft niet ergens anders uit werken te gaan. En ach, ik kan net zo goed zeggen hoe de vork in de steel zit. We missen je zo verschrikkelijk. ’s Avonds durven we amper naar de lege bank te kijken. Het kan natuurlijk geen kwaad dat je tijdens de winter boerenkost hebt gekregen. Maar ik heb werk voor je geregeld op de plankenwerf, als lattengrietje. Je krijgt echt werk mét loon. Dat is beter dan als meidje voor anderen te werken, toch?’ Ik klemde papa stevig vast en duwde mijn gezicht in zijn buik; het kon me niks schelen dat ik daar eigenlijk te groot voor was. Want natuurlijk had ik hen ook gemist. Deze winter had ik geleerd wat ‘verlangen’ was; ik wist nu zelfs wat
q 19
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 19
29-11-17 15:11
‘smachten’ was – over ‘smachten’ hadden we geleerd op de zondagsschool: ‘Gelijk de hinde naar ’t water smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God.’ Smachten is als verlangen, maar dan sterker. Als het gemis zo sterk is dat het pijn doet. Toen we bijna thuis waren en ik Svartvik kon ruiken, moest ik huilen. Op de boerderij rook het zo anders.Voor ik als hulpmeidje was gaan werken, had ik niet eens geweten dat ‘thuis’ een bepaalde geur had; het rook gewoon zoals het rook. Maar nu bracht de wind ons die geur van thuis: de geur van zee, van rook en stoom uit het ketelhuis, en van hout. ‘Wat scheelt eraan?’ vroeg papa toen hij in de gaten kreeg dat ik huilde. ‘Het ruikt zo lekker’, zei ik. ‘De geur van de houtzagerij’, zei hij lachend. ‘Welkom thuis!’ Met mijn kameraadjes, die ik zo gemist had, ging het allemaal niet vanzelf. Oskar Åkesson duwde me op de grond. ‘Stomme boerentrien!’ schreeuwde hij. Ik weet zeker dat Lisa en Jenny voor me zouden zijn opgekomen, en Jorma ook, maar die waren op dat moment niet buiten. De kleintjes van Lindgren waren er wel, maar die durfden natuurlijk niet. Tot overmaat van ramp begon ik te grienen. Oskar lachte. Dat was precies wat ze altijd zeiden: dat boerenkindjes kleinzerig waren. M’n kleren waren vuil geworden, want natuurlijk was ik precies in een plas smeltwater gevallen. Ik voelde me zó voor schut gezet – erger kon het niet meer worden. Het kon me niets schelen dat ik huilend naar de barakken stormde als een jankende kleuter die naar mama rende. Dat hij me geduwd had, was het ergste niet. Wel dat hij me ‘boerentrien’ had genoemd, dat ik na zo veel heimwee te horen kreeg dat ik er niet bij hoorde. Ik kon het mama niet 20
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 20
29-11-17 15:11
goed uitleggen, maar ik geloof dat ze het toch begreep. ‘Als je nergens terecht kunt, bid dan tot Jezus’, zei ze. Ze zei dat Oskar waarschijnlijk gewoon jaloers was op al die boerenkost die ik had kunnen eten. Ze vertelde bovendien dat ik pas negen maanden oud was toen we naar Tunadal kwamen. ‘Je was net uit de bakerdoeken en het tochtte daar in de barakken zó dat ik het pas in de zomer aandurfde je te laten kruipen. Je leerde bijna tegelijk kruipen en lopen. Maar wat ik zeg: je was negen maanden toen we daar aankwamen. Dus een boerenkind ben je niet, je bent een kind van de houtzagerij. Maar diep vanbinnen, in je hart, ben je altijd ook iets anders, ben je meer dan dat waar anderen weet van hebben.’ Ik had een paar vrije dagen voordat ik op de plankenwerf zou beginnen. Oskar was op zijn werk, hij werkte ook op de plankenwerf – maar de opzichter zou het zeker niet goedvinden als hij me daar duwde. Jenny was natuurlijk ook op haar werk; ze is overschotmeid en laadt kisthout. Jorma was net op de plankenwerf begonnen als lattenjoch. Ik ga natuurlijk niet met kleintjes spelen, dus ik was op mezelf. Ik liep rond om alles als het ware te begroeten en voelde hoeveel heimwee ik had gehad Die dagen begon ik over Mårten te fantaseren. Mårten was mijn grote, dode broer. Hij stierf toen hij vier was, in het jaar waarin ik geboren werd. Mijn andere dode broer en zus, Johannes en Tilda, stierven zo jong dat ze nooit uit de luiers zijn geweest. Door de hongersnood had mama geen melk meer in haar borsten. Daarom gingen ze dood. Maar Mårten was vier. Papa heeft me weleens verteld dat hij een sneeuwschuivertje voor hem had gemaakt en dat Mårten het heel leuk vond om sneeuw te scheppen. Toen woonden ze in hun boerenhutje, en hoewel ze dat natuurlijk alleen maar pachtten, was Mårten toch half-enhalf een boerenkind.
q 21
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 21
29-11-17 15:11
Ik fantaseerde dat hij mijn kleine broertje was en dat ik een kind van de zagerij van hem zou maken. In het echt was hij natuurlijk mijn grote broer. Als hij nog geleefd had, dan was hij nu bijna vijftien geweest. Dan stond hij bij de cirkelzagen om ribben te zagen, of met een haak op de steiger om stammen te vangen en ze naar het zaaggebouw te leiden. Dan was hij al haast een volle arbeidskracht en had hij zo’n overslaande haast-een-hele-arbeidersstem. Hoe zou hij gepraat hebben? Net als ik, of zoals papa en mama? Ik praat net als de meeste kinderen hier op Svartvik, maar als papa en mama praten, klinkt het anders; je kunt horen dat ze uit Västerbotten komen. Vooral bij mama. Papa praat natuurlijk de hele dag met andere arbeiders. Soms, als mama moe is of enthousiast of boos, dan let ze er niet meer zo op en gebruikt ze allemaal rare woorden. Mårten zou als een kind van de zagerij hebben gepraat, een bijna volle arbeidskracht. Maar hij ging dood en daarom is hij nog maar vier, voor altijd en eeuwig mijn kleine broertje. Ik liep rond en liet hem alles zien. Moet je de zeewind voelen en de meeuwen horen krijsen. Hoor eens hoe de raamzaag giert. Zie je de stammen hutjemutje in het water liggen? Ze geven elkaar porretjes als de kalfjes in het hok op de boerderij. Nog even en ze zitten gevangen in de eeuwigheidsketting en worden zonder pardon het zaaggebouw in geleid. Nog even en het zijn geurende planken. Ooit stonden ze als hoge bomen in het grote, diepe woud; ze hebben een lange reis gemaakt, de vlotroutes gevolgd, alsmaar op weg naar de kust… Ik was pas negen maanden oud toen ik naar Tunadal kwam. De misoogst had papa en mama uit hun boerenhut verdreven; ze waren langs de wegen getrokken op zoek naar werk. Ze konden tijdens de wintermaanden terecht bij een aardig boerengezin – ja, ik was er natuurlijk ook bij, al weet ik er niks meer van. 22
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 22
29-11-17 15:11
Toen de lente aanbrak, zei papa dat het tijd werd om verder te trekken, we hadden lang genoeg op hun eten geteerd. ‘Maar waar kunnen jullie heen?’ jammerde de boerin. ‘Toch niet naar Amerika, zonder geld? En met zo’n kleintje?’ ‘Nee, naar de kust’, zei papa. ‘Ze zeggen dat er werk is bij de houtzagerijen.’ Ik heb mama vaak met Hella, de moeder van Jorma, horen praten – met haar praat ze het meest. Hella is ook bij de baptisten en ze praten samen heel wat af. Soms willen ze dat in alle rust doen en stuurt mama me om hout . Mama en Hella hebben al vaak over het hutje gepraat. Hella had – ooit, lang geleden – ook een boerenhut, in het Finse Munsala. Wanneer Hella over haar boerenhut praat, klinkt haar stem nog zangeriger dan anders. Zij en Salminen praten allebei met een ander accent, want zijn moedertaal is Fins en de hare Zweeds. Jorma en Sirkka, Jorma’s grote zus, kunnen ook een beetje Fins; ze zeggen om te plagen weleens iets wat niemand kan verstaan. Maar meestal praten ze als doodgewone kinderen van de zagerij. Ik weet alles van het hutje van papa en mama, want ze hebben het er ook met elkaar over. Ze hebben het nooit over de hongersnood of over hoe ze langs de wegen trokken op zoek naar werk. Maar over hun hutje vertellen ze in geuren en kleuren, aan elkaar, aan Hella en aan mij. Het lag een eind hiervandaan, in Kalvträsk, in Västerbotten. Er stond een grote seringenstruik, er was een aardekelder waarop ieder jaar de eerste krokusjes bloeiden, je hoorde er op zomeravonden de roep van de parelduiker over het meer en mama had er geiten die als hondjes achter haar aan kwamen. Je had er de lange, eenzame winteravonden wanneer papa voor de houtkap in het bos was en de vreugde als hij op zaterdagavond thuiskwam. Je had er het grote fornuis met de bakoven en de ouderwetse ruitjes van gekleurd glas, die het licht zo mooi kleurden. De ruigpootuil kondigde er in de bijtend koude maartse schemering de lente aan en Mårten, Tilda en Johannes waren er gestorven toen de kou
q 23
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 23
29-11-17 15:11
en de droogte hun twee jaar achter elkaar alles wat eetbaar was had afgenomen. Mama en Hella hebben het er ook over gehad wat een zegen het was toen ze op Tunadal aankwamen. ‘… na die moeilijke jaren, waarin we de eindjes niet meer aan elkaar konden knopen, vast werk te vinden – wát een zegen! Dat er, ook als het regent, loon is, alleen dat al! En dat Edvin iedere avond thuiskomt en niet in een of andere groezelige boshut ligt. Ik heb tenminste tijd om zijn goed te wassen. Dat was een hele toer als hij op zaterdagavond thuiskwam met kleren die stijf stonden van het zweet en het vuil.’ En mama en Hella praten erover dat het hier op Svartvik nog weer zo veel beter is, vergeleken met Tunadal. ‘Stel je voor… Toen kwamen we hier en kregen we deze keukenkamer met dit hoge raam waardoor het licht naar binnen schijnt. En het kan zelfs open, zodat je de boel eens lekker kunt luchten! En een flinke haard en een klerenkast, zodat je niet alles in het zicht hebt liggen. We zeiden nog tegen elkaar dat die Dickson een bijzondere patroon moet zijn, dat hij ons voor mensen houdt…’ Maar het allerbeste hier op Svartvik vond mama de dokter. De dokter staat op de loonlijst van de houtmaatschappij en het kost je niets als hij langskomt. De dokter is twee keer bij ons langs geweest. De eerste keer woonden we hier nog maar net. Ik was vier en had oorpijn en hoge koorts. Ik weet het nog goed, het was of mijn hoofd een bal vol rode bliksemschichten was. ‘Ik vond het hier op Svartvik net het hemelse paradijs’, zei mama tegen Hella. ‘Dat de dokter komt als je een ziek kind hebt. Hij druppelde iets in Britta’s oor en gaf haar een middeltje dat de koorts liet zakken. In een mum van tijd rende ze weer rond en was ze aan het spelen of er niets aan de hand was…’ De tweede keer dat de dokter kwam, was twee jaar geleden, op die vreselijke ochtend dat papa zo veel pijn op zijn borst 24
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 24
29-11-17 15:11
had dat hij zijn bed niet uit kwam. Hij probeerde overeind te komen, maar er ontsnapte hem een schreeuw, een schreeuw die hij probeerde in te slikken, en mama, die net water bij de pap zou schenken, liet pardoes de nap vallen. ‘Edvin,’ riep ze, ‘Edvin, hoor je me?’ ‘Ja’, zei papa met een heel klein, iel stemmetje. Mama zei dat ik op een holletje naar het kantoor moest om te zeggen dat de dokter nodig was. ‘Vlug, vlug! Nee, geen tijd om je kleren aan te doen. Trek je jas maar zo over je hemd aan. Hollen!’ De angst lag als taaie hars in mijn mond; ik holde me de benen uit m’n lijf. Toen ik daar bij het kantoor stond, een plek die helemaal nieuw voor me was, met ongekamde haren en met mijn jas zo over mijn hemd, toen stond ik te hijgen als de stoommachines in het ketelhuis. De loopjongen die opendeed, begreep in elk geval wat er aan de hand was: hij schoot meteen iemand aan die de dokter kon halen. De dokter kwam, hij beluisterde en beklopte papa – papa kon nu tenminste rechtop zitten, maar z’n gezicht was helemaal grauw. ‘Nee, het is niet het hart, Eriksson’, zei de dokter. Het was of ik mama’s opluchting kon ruiken. ‘Nee, het is niet het hart. Het is het bekende verhaal. Ik kan immers aan u zien dat u plankensjouwer bent. De inwendige organen raken bekneld en de botmassa wordt samengedrukt. U mag van geluk spreken dat dit u nu treft… nog voor u helemaal gebrekkig bent. Maar U moet ander werk te doen krijgen. Ik zal een briefje schrijven.’ ‘Gaat het niet over met een dagje rust?’ vroeg papa met die rare, dunne stem. ‘De acute pijn zou mogelijk wegtrekken. Maar u bent versleten. Elke plank is een nagel aan uw doodskist. U moet ander werk krijgen.’ We moesten God danken dat het zijn hart niet was, zei mama toen de dokter weg was. Maar papa was stil en somber.
q 25
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 25
29-11-17 15:11
’s Avonds hoorde ik hoe ze lagen te praten en toen zei mama opnieuw dat we God moesten danken dat het zijn hart niet was. ‘Maar het wordt taai, zo’n terugval in loon’, zei papa. ‘Dat zal zich wel schikken. De hoofdzaak is dat het niet je hart is’, zei mama. ‘Dat dat verdomde lijf me zo in de steek moet laten’, zei papa. ‘Je weet dat het onvermijdelijk is, maar waarom nu al?’ ‘Edvin! Vervloek je lichaam toch niet! Het is een tempel van de heilige Geest…’ ‘’t Is anders wel een krot van een tempel.’ Hij probeerde te lachen. ‘Suja, suja’, zei mama. Het klonk gek; normaal zei ze dat altijd tegen mij als ik me bezeerd had. Toen hoorde ik papa’s stem, hij klonk merkwaardig troebel. Hij had gehoopt dat we een beetje konden opkrabbelen, zei hij. Hij had gedacht wat geld te lenen om ergens van een boer een lapje land te kopen en er van goedkoop resthout een eigen huisje te bouwen. ‘Dat kunnen we nu wel vergeten’, zei hij. ‘Suja, suja’, zei mama weer. ‘We mogen zielsblij zijn dat we geen schulden zijn aangegaan. En wat een geluk dat je in het zaaggebouw gaat werken, dat je binnenshuis aan de slag kunt.’ Ik lag in het donker te piekeren wat ‘opkrabbelen’ en ‘de inwendige organen’ betekende. Zo veel was me in elk geval wel duidelijk: de pop die met haar ogen kon knipperen, de pop die ik in een etalage in Sundsvall had gezien, die zou ik nooit krijgen. Inmiddels ben ik bijna elf. De inwendige organen zijn het hart, de longen, de lever, de nieren en de milt, weet ik nu. Op school hadden we een plaat van het menselijk lichaam. En ‘opkrabbelen’ betekent dat je het beter krijgt. Als je lijf versleten is, zul je het nooit beter krijgen. Maar 26
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 26
29-11-17 15:11
arm zijn we niet, want we hebben mooie voddenkleden, plantjes op de vensterbank en een bed dat je in elkaar kunt schuiven zodat het overdag minder plek inneemt; we hebben gebloemde zondagse koffiekopjes, en kanten vitrage voor het raam, dus arm zijn we niet. Papa, mama en ik hebben zondagse kleren en we hebben een Amerikaanse wandklok. Die Kerst naaide mama een pop voor me, met mooie poppenkleertjes van papa’s versleten werkkloffie en kleine lapjes van mooie stoffen die ze van mejuffrouw Ekstedt, uit de baptistengemeente, gekregen had. Mejuffrouw Ekstedt is een echte naaister, ze heeft ervoor in Stockholm geleerd. Ze heeft mama naaibladen geleend zodat ze een baljurk voor mijn pop kon maken. Jenny is de enige die weet dat ik nog steeds met mijn pop speel. Zij heeft ook een pop; dat we er nog mee spelen, is ons geheimpje. Laat de poppen uit de etalage maar lekker met hun ogen knipperen in hun vertrouwde hoekje bij de haard. Onze poppen gaan in Hotel Knaust aan de zwier met houtpatroons, spoorwegbedienden en fraai geßniformeerde buitenlandse zeekapiteins.
q 27
opmk2-int.11-DeDochtervdHoutzager.indd 27
29-11-17 15:11
‘Je sluit kleine Britta direct in je hart – en als het kon in je armen.’ IRMA JOUBERT, auteur
‘Britta is een van de ontroerendste hoofdpersonen uit de hele Zweedse literatuur.’ SVENSKA DAGBLADET
Vibeke Olsson
Vibeke Olsson is een van de meest gelezen schrijfsters van Zweden.
De dochter van de houtzager Vibeke Olsson
De dochter van de houtzager
Noord-Zweden, 1879. Britta, bijna elf, is trots dat ze als lattengrietje ook wat geld kan verdienen in de houtzagerij. Ze woont met haar ouders in de arbeidersbarak, werkt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, en heeft vaak honger – maar dat geldt voor iedereen, toch? Ze hebben tenminste werk! Britta merkt dat haar ouders steeds meer zorgen hebben. De houtprijs is gekelderd, de lonen gaan omlaag. Britta begrijpt het niet. Waarom geeft de regering zo veel staatssteun aan de houtzagerijen, maar krijgen de arbeiders daar niets van? Vader en moeder praten over staken. Maar waar moeten ze dan ooit geld mee verdienen?
isbn 978 90 239 5079 0 | nur 342
www.uitgeverijmozaiek.nl
MOZAÏEK • ROMAN