05 tekst • Shirley Haasnoot illustratie • Stichting Vrienden van de schilder Martin Monnickendam
‘ IN DE KEUZE VAN DE EREDOCTORES WEERSPIEGELT ZICH DE UVA’ Koningin Wilhelmina, Maria Montessori, Jan Tinbergen, Ratan Tata: de lijst eredoctores van de UvA is lang en divers. Op 9 januari ontvangen drie nieuwe uitverkorenen het eredoctoraat. Aan welke criteria moeten zij voldoen? En wie bepaalt uiteindelijk wie wordt onderscheiden? De stad stond op zijn kop toen de Universiteit van Amsterdam op 1 juli 1932 haar driehonderdjarig bestaan vierde. Sinds 1897 was het eredoctoraat slechts achttien keer verleend maar voor deze bijzondere gelegenheid werden maar liefst 39 eredoctoraten toegekend aan kandidaten uit binnen- en buitenland. Drie van deze eredoctores werden ook publiekelijk gehuldigd. Dat waren geen wetenschappers maar mannen van verschillende politieke richtingen die zich op een bijzondere manier hadden ingezet voor de stad: ondernemer Ernst Heldring, vakbondsman en gemeenteraadslid Henri Polak en burgemeester Willem de Vlugt. De plechtigheid vond plaats in het Concertgebouw, waar hoogleraren uit binnen- en buitenland naartoe schreden in een processie die de hele lengte van het Museumplein besloeg. Niet iedereen was van het spektakel gecharmeerd. In een pamflet protesteerde de journalist Anton Constandse tegen de ‘inflatie’ van het eredoctoraat. Met de toekenning van het grote aantal eredoctoraten liet de UvA zich van haar eigenzinnige kant zien. Dat drie Amsterdammers nog eens extra werden geëerd toont hoe nauw de band was tussen de hoofdstad en de universiteit. Ook de Amsterdamse hoogleraren in de processie, die de eredoctoren hadden voorgedragen, waren daar een voorbeeld van. Anders dan de hoogleraren van andere Nederlandse universiteiten waren zij niet door de minister benoemd, maar door de hoofdstedelijke gemeenteraad. Die situatie leidde ertoe dat aan de UvA benoemingen plaatsvonden die elders in Nederland ondenkbaar waren. Zo was de getrouwde Derkje Hazewinkel-Suringa sinds 1932 gewoon hoogleraar Strafrecht en strafvordering aan de UvA. Gepensioneerd universiteitshistoricus Péjé Knegtmans: ‘Het was een unicum in Nederland, waar vrouwelijke ambtenaren tot ver in de jaren 1950 op de dag na hun huwelijk ontslagen werden.’ Ook in 1925 vond een benoeming plaats die alleen in de hoofdstad mogelijk was. In dat jaar stemde de Amsterdamse gemeenteraad in met de hoogleraarsbenoeming van sterrenkundige Anton Pannekoek, nadat hij sinds 1918 als lector aan de UvA had gewerkt. Pannekoek was eerder in Leiden voorgedragen, maar vanwege zijn socialis tische en communistische sympathieën werd zijn benoeming door de minister lange tijd opgehouden en uiteindelijk afwezen. Pannekoek zou in 1936 een eredoctoraat van de Amerikaanse Harvard University krijgen. Aan de UvA is het Anton Pannekoek Instituut voor Sterrenkunde naar hem genoemd.
Wetenschappers, publieke figuren, schrijvers, politici, zakenlieden, kunstenaars en leden van de koninklijke familie kregen in het verleden een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam. Een willekeurige greep uit de namen: onderwijzer en natuurbeschermer Jacques P. Thijsse (1922), koningin Wilhelmina (1938), arts en antropoloog Maria Montessori (1950), econoom en natuurkundige Jan Tinbergen (1954), Zuid-Afrikaans anti-apartheidsstrijder Govan Mbeki (1978), oud-premier J.M. den Uyl (1985), Duits diplomaat Otto von der Gablentz (1997) en documen tairemaker Claude Lanzmann (2005). Opvallend is dat gedurende de Duitse bezetting geen enkel eredoctoraat werd uitgereikt. Knegtmans: ‘De universiteit wilde zo min mogelijk veranderingen doorvoeren, iedere door de bezetter geïnitieerde verandering werd waar mogelijk gesaboteerd of getraineerd. Telkens verzonnen de betrokkenen weer iets anders om het proces te vertragen. Er werden slechts enkele hoogleraren benoemd en geen eredoctoraten verleend.’ Hazewinkel-Suringa behoorde in de oorlog tot de hoogleraren die de rug recht hielden, vertelt Knegtmans. ‘Als decaan van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid raakte zij in conflict met de pro-Duitse professor L.J. van Apeldoorn, wat op last van de bezetter tot haar ontslag leidde. In Leiden zei men daarom vroeger dat Hazewinkel-Suringa de enige vent aan de UvA was geweest.’ Op 10 mei 1946, precies zes jaar na de Duitse inval, werd aan de toen nog zo geheten Rijksuniversiteit Leiden een eredoctoraat toegekend aan de Britse bevrijder Winston Churchill. Die avond bespraken vijf Amsterdamse hoogleraren aan de Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte welke kandidaat zij voor deze bijzondere eer wilden voordragen. Historicus Jan Romein, omstreden vanwege zijn communistische verleden en zelf niet aanwezig, stelde zijn collega-hoogleraren per brief voor om ook die andere bevrijder, Josef Stalin, eredoctor te maken, als representant van de progressieve politieke gedachte. Het voorstel werd waarschijnlijk wel besproken maar buiten de notulen van de vergadering gehouden. Een jaar later bleek er een veilige keus te zijn gemaakt voor vier literatoren: Pieter Nicolaas van Eyck, Henriëtte Roland Holst, Camille Huysmans en Herman Teirlinck. Hiermee herdacht de UvA tevens de driehonderd-jarige sterfdag van de grote, in Amsterdam geboren schrijver P.C. Hooft. De brief van Romein werd gearchiveerd en werd pas decennia later gevonden door Willem van den Berg, emeritus hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde aan de UvA.
‘In Leiden zei men dat mevrouw HazewinkelSuringa de enige vent aan de UvA was geweest’
Lustrumjaar
Sinds 1961 heeft de Amsterdamse gemeenteraad geen stem meer in hoogleraarsbenoemingen. Vanaf dat jaar nam het rijk 95 procent van de financiering van de universiteit voor haar rekening. In ruil hiervoor moest de gemeenteraad het benoemingsrecht afstaan aan het College van Curatoren. In dit college hadden de burgemeester en de wethouder van Onderwijs ambtshalve zitting en de gemeenteraad benoemde drie van de zes overige curatoren. Indirect hield de gemeente dus wel greep op haar universiteit, ook droeg zij nog vijf procent van de kosten. In 1972 werd het College van Bestuur van de UvA voor de benoemingen verantwoordelijk.