Skip to main content

TAS blad

Page 1

i etc* H-i'

AH, tv 3 «f?

IS'

1

T a s redaktie J . Luchtman M.Scheerder W . v . d . Laak H.Poeth J . Verheggen Druk:P. v. Daele Breda, Lay out: H. de Wijs t;.^rff'rf»niir'iii > iViEVrt^t;^ Breda. M i i I J ijl» i «n

^^?&i^iSp


TREFSENTRUM AGENDA. Dinsdag 17 november:

20. 00 uur. Eksperimenteel tejater workshop met Jan Lambrechts.

Woensdag 18 november:

22. 00 voir. Mr. Paul van Bovenzaal. Popkonsert:LIGHTHOUSE. Entree ƒ 0, 99

Donderdag 19 november: Kruitkelder: VPRO-Film. ABC in de kinderschoenen. Dr. Bupp spreekt n. a.v. deze film. Vrijdag 20 november:

Mr. Paul van Bovenzaal 21. 00 uur. RUIL EN VERKOOPAVOND. DAT IEDEREEN Z'N OUWE ROTZOOI MEENEME !!! Wijnkelder 20. 00 uur: Zjantiel. Mr. Paul van Bovenzaal 23.00 uur: VIDEO - KARNAVAL.

Zaterdag 21 november:

Mr. Paul van Bovenzaal 23. 00 uur: VIDEO - KARNAVAL.

Dinsdag 24 november:

?0. 00 uur. Eksperimenteel tejater workshop met Jan Lambrechts. Kruitkelder 20.00 uur: REKLAME-AVOND. Film van Jan Vrijman.

Woensdag 25 november:

Mr. Paul van Bovenzaal 22. 00 uur: Sessie-avond.

Vrijdag 27 november:

20.00 uur. Kruitkelder: Zjantiel met politiek programma.

Zaterdag 28 november:

23. 00 uur. Mr. Paul van Bovenzaal. Filmfestival.

Dinsdag 1 december:

20. 00 uur. Hksperimenteel tejater workshop met Jan Lambrechts.

Dagelijks tussen 11 en 18 uur is onze sekretarie geopend voor degenen die atso-lid wensen te worden. De enige voorwaarden voor het lidmaatschap zijn de.betaling van tien gulden en het meenemen van twee pasfotoos. Bezit van een atso-kaart is een absolute eis aan eenieder die gebruik wil maken van ons service-apparaat. De atso-voorzieningen zijn : 1. werkbemiddelingsburo BWS. 2. reisburo NBBS. 3. reduksieapparaat RAT. 4.Trefcentrum= Mr. Paul van Bovenzaal en de Kruitkelder. 5. atso-drukkerij. 6. abonnement TAS-blad en Student. 7. atso advocaat. 8. Filmliga Tilburg. 9. atso-sekretarie. 10. meerdere vergader- en feestruimten.

VANAF VOLGENDE KEER: TASBLAD alléén voor ATSO leden

VERANDERING VAN KONSUMPSIEPRIJZEN MET INGANG VAN MAANDAG 2 NOVEMBER: PILS EN FRISDRANKEN WORDEN INPLAATS VAN 50 et; 60 et.

TREFCENTRUM med Openings- en sluitingstijden van kruitkelder en de mr. paul van bovenzaal met ingang van 6 september: kruitkelder. maandag t / m vrijdag: 11.30- 02. 00 zaterdag: overdag gesloten. 's avonds open : 20. 00- 02. 00 zondag: 12.00 - 15.00 20.00 - 02.00 mr. paul van bovenzaal. maandag t / m vrijdag: 21.00 - 03. 00 zaterdag: 12. 00 - 15. 00 ( werkgroep popmuziek - koffie) 22.00 - 03.00 zondag: 22.00 - 03.00 Elke zondagmiddag speelt en beweegt de werkgroep_beweglngstejater in de m r . paul van bovenzaal vanaf 2 uur. Dan is e r nog een werkgroep film welke bezig is aan een promootsie filmpje. Met een 8 mm. Isamefa'begint deze werkgroep binnenkort aan aktief filmen. Voorlopige datum: iedere vrijdagavond om 21, 00 uur in de Kruitkelder. Een werlgjroep ppppentejater is in oprichting: daarvoor kontakt op-nemen aan 3 i aiskoDalie. "Hetzelfde geldt voor de werkgroeEjpto^ * %

>•


N. a. v. het bezoek van Minister Veringa heeft de ATSO de volgende brief naar het Kuratorium gestuurd. OPEN BRIEF. Tilburg, 4 november 1970. Sekretaris Curatorium, Dr. Th. H.J.Stoelinga, Hogeschoollaan 225, Tilburg. Geachte heer, In antwoord op uw verzoek van 23 oktober om deel te nemen aan een gesprek tussen minister Veringa en afgevaardigden van de g e ledingen op donderdag 12 november over de punten: 1. bestuurlijke samenwerking KH. Tilburg-TH. Eindhoven. 2. de op te richten subfakultelt psychologie 3. de invoering van de knevelwet Veringa, kunnen wij u het volgende mededelen: Wij vinden het nutteloos deel te nemen aan bovengenoemd gesprek. Het volkomen ontbreken van enig nut blijkt o. 1. uit de volgende punten: -.,,. ad_3Een jaar geleden - toen de wet Veringa nog op essentiĂŤle punten bediskussieeerd kon worden- heeft Veringa het laten afweten. De wijzigingen die hij aan zijn oorspronkelijke w e t s ontwerp heeft aangebracht, zijn niet essentieel en veranderen niets aan het ondemokratiese karakter, zowel van de inhoud als van de wijze van totstandkomen van de wet. Op dit moment, nu de wet Veringa bijna een feit is, komt de minister plotseling wel praten over de praktiese uitvoering van deze ondemokratiese knevelwet. Waarover mogen wij dan nu nog komen meepraten? Over de plaats van de stembussen misschien? Wat de eerste twee punten betreft kunnen we zien dat presies hĂŠtzelfde spelletje gespeeld wordt. Dit blijkt o. a. duidelijk uit de woorden van de Veringa-marionet Bosman In het Hogeschoolblad van 30 oktober 1970, nr. 6:" In Eindhoven zal overigens de voorlopige hoge schoolraad in de benoeming van begaalde leden worden gekend . Het ligt voor de hand, dat dat in Tilburg ook het geval zal zijn, als wij een hoge schoolraad konform de wet universitaire bestuurshervorming zullen hebben". Dit sitaat toont ook nog eens duidelijk de funktle van de toekomstige hoge schoolraad aan, zoals die gezien wordt door Veringa en de andere handlangers van het kapitaal. Bovenstaande is voor ons voldoende reden om niet deel te nemen aan het gesprek met Veringa, noch aan de voorbespreking daarvoor. Waar de heer Veringa ons wel een plezier mee kan doen is te komen opdagen om verantwoording af te leggen aan een algemene Hogeschoolvergaderlng. Dit Is wel het allermlnimaalste minimum wat we van de minister kunnen eisen. Hopende op een positief antwoord, verblijven wij, hoogachtend, namens de ATSO, Wim Franken, voorzitter.


(HM DEMOKRATISCH CENTRALISME VRIJHEID VAN DISKUSSIE EENHEID VAN AKTIE. Binnen de zich ontwikkelende nieuwe revolutionaire beweging b e staat een nogal hardnekkige angst voor het marxistisch- leninistische organisatiebeginsel. Een angst die logisch en verklaarbaar is. De "nieuwe" revolutionairen hebben immers met afschuw waargenomen dat de degeneratie van de traditionele kommunistische p a r tijen tot burgerlijke kiesverenigingen samenviel met veelvuldige, massale uitstotingen van partijleden, Een en ander gepaard met onverklaarbare beschuldigingen en scheldkanonnades en onder het motto van de handhaving van het demokratisch centralisme. Doel van dit artikel is om aan te tonen dat het niet het demokratisch centralisme maar juist de verminking daarvan is, die samenvalt met de politieke afgang van bedoelde partijen. Het is doorgaans gevaarlijk om historische paralellen te trekken. Toch waag ik het erop om de toestand van de revolutionaire beweging in een aantal Westeuropese landen, alsmede in de VS, in een aantal opzichten te vergelijken met die in het Rusland van het begin van deze eeuw. Na de ineenstorting van de oude kommunistische partijen in de "westerse" landen zijn de volgende kenmerken waar te nemen: de zogenaamde demokratisch-socialistische partijen zijn openlijke verdedigers van het kapitalisme en openlijke vijanden van de r e v o lutie. De oude kommunistische partijen propageren de "strijd tegen de ondernemers en de regering" zonder het systeem zélf aan te vallen. Zij zijn in het economisme verstrikt geraakt en spelen geen rol meer in het proces van revolutionaire bewustwording. Vanzelfsprekend brengen de bestaande en zich verscherpende k l a s setegenstellingen "nieuwe" revolutionairen voort. De algene ne b e weging die hiervan het gevolg is draagt alle kenmerken van gebrek aan ervaring, vaak kleinburgerlijke afkomst en ongeorganiseerdheid. Het zijn voor een belangrijk deel jonge intellectuelen die na veel wederwaardigheden tot de (juiste!) ontdekking komen dat de arbeidersklasse de leidende kracht van elke socialistische revolutie is en die daarom besluiten "tot de arbeiders te gaan". Lenin geeft van een vergelijkbare situatie in Rusland de volgende beschrijving van wat hij "handwerkersgedoe" noemt: "Wij hebben reeds gewezen op de algemene geestdrift voor het Marxisme bij de studerende jeugd van dit tijdperk. Deze geestdrift betrof natuurlijk niet alleen en niet zozeer het Marxisme als theorie, als wel het antwoord op de vraag:"Wat te doen? "en de oproep tot een campagne tegen de vijand. En de nieuwe strijders trokken met een verwonderlijk primitieve uitrusting en geoefendheid ten strijde. In een massa gevallen was er zelfs bijna in het geheel geen u i t r u s ting enniet de geringste geoefendheid aanwezig. Men trok in de oorlog als boeren van de ploeg, slechts met een knuppel gewapend. Een studiekring van studenten knoopt betrekkingen met de arbeiders aan en gaat aan het werk, zonder enigerlei verbinding met de oude leiders van de beweging, zonder verbinding met kringen in andere plaatsen, of ook maar in andere delen van de stad( of in andere inrichtingen van onderwijs), zonder enigerlei organisatie van de afzonderlijke takken van de revolutionaire aribei d, zonder enigerlei stelselmatig plan van actie voor een wat langer tijdsgewricht. De kring ontplooit geleidelijk een meer en meer omvangrijke propaganda en agitatie, trekt door het feit van haar optreden de sympathie van tamelijk brede lagen van arbeiders, de sympathie van een zeker gedeelte van de beschaafde kringen, dat geld geeft en aan het "cnmitê" steeds weer nieuwe groepen van jeugdigen ter beschikking

stelt. De aantrekkingskracht van het comité (of van de "strijdbond") groeit, de omvang van zijn actie groeit en het breidt deze werkzaamheden op volkomen elementaire wijze uit: dezelfde mensen, die een jaar of enige maanden geleden in de studentenkringen optraden en de vraag :"Waarheen te gaan? " oplosten, die betrekkingen met de arbeiders aanknoopten en onderhielden, vlugschriften schreven en uitgaven, knopen betrekkingen aan met andere groepen van revolutionairen, verschaffen zich literatuur, beginnen een plaatselijke krant uit te geven, over het houden van een demonstratie te spreken en gaan tenslotte tot openlijke oorlogsdaden over (waarbij zulk een openlijke oorlogsdaad - al naar gelang der omstandigheden - ook reeds het eerste agitatie-vlugschrift of het eerste nummer van de krant of de eerste demonstratie kan zijn). En gewoonlijk leidt reeds het eerste begin dezer acties e r onmiddellijk toe, dat de organisatie volkomen in elkaar stort. Onmiddellijk en volkomen, juist omdat deze oorlogsdaden niet het resultaat waren van een stelselmatig, van te voren overdacht en geleidelijk voorbereid plan voor een lang durige en hardnekkige strijd, maar eenvoudig het op elementaire wijze aangroeien van traditioneel verricht kringwerk; omdat de politie natuurlijk bijna altijd alle hoofdleiders van de plaatselijke beweging kende, die zich al op de studentenbanken hadden "aanbevolen", en slechts het voor haar gunstige ogenblik voor een overval afwachtte, nadat zij opzettelijk aan de kring de mogelijkheid had gegeven om zich uit te breiden en te ontplooien, om een grijpbaar corpus delicti* te hebben en steeds opzettelijk enige haar bekende mensen op vrije voeten liet- "voor de teelt" ( zoals de technische uitdrukking luidt, die voor zover mij bekend is zowel door onze vrienden als ook door de gendarmen wordt gebruikt). Men moet zulk een oorlog wel met een veldtocht met knuppels gewapende boerenbenden tegen een modem uitgerust leger vergelijken. En men moet zich slechts over de levenskracht van de beweging verwonderen, die ondanks dit volledig gebrek aan voorbereiding bij de strijdenden zich uitbreidde, groeide en overwinningen behaalde. Het is waar, van historisch standpunt uit was het primitieve van de uitrusting in de' aanvang niet alleen onvermijdelijk maar zelfs gewettigd als één van de voorwaarden voor het op brede schaal aantrekken van strijders. Maar zodra e r ernstige krijgsverrichtingen begonnen( en zij begonnen eigenlijk reeds met de stakingen in de zomer van 1896 ) - deden de gebreken van onze strijdorganisatie zich steeds sterker en s t e r ker voelen. Nadat de regering in de eerste tijd in verwarring was geraakt en een reeks van fouten had begaan (zoals bv. het beroep op de openbaarheid met de schildering van de schanddaden der socialisten of het verbannen van arbeiders uit de hoofdsteden naar de industriecentra in de provincie), paste zij zich snel aan de nieuwe strijdverhoudingen aan en wist zij haar in alle volmaaktheid uitgeruste afdelingen van provocateurs, spionnen en gendarmen op de juiste plaats te brengen. De overvallen begonnen zich zo veelvuldig te herhalen, zulk een massa mensen te vatten, de plaatselijke kringen zozeer weg te vegen, dat de arbeidersmassa letterlijk alle leiders verloor, de beweging een ongelooflijk sprongsgewijs karakter aannam en e r absoluut geen continuïteit en samenhang van het werk tot stand kon komen. De verbazingwekkende verbrokkeling van de plaatselijke functionarissen, de toevallige samenstelling van de studiekringen, het gebrek aan voorbereiding en de enge gezichtskring op het gebied van de theoretische, politieke en organisatorische vraagstukken waren het onvermijdelijke resultaat van de b e schreven verhoudingen. De zaak ging zó ver, dat op enige plaatsen de arbeiders tengevolge van ons gebrek aan doorzettingsvermogen


en conspiratie, van wantrouwen tegen de intellectuelen werden vervuld en zich van hen afzijdig hielden: de intellectuelen, zeiden zi; veroorzaken door hun al te ondoordacht optreden het ineenstorten van de kringen! Dat dit handwerkers-gedoe tenslotte door alle denkende sociaaldemocraten als een ziekte wordt gevoeld- dat weet eenieder, die met de beweging ook maar enigermate bekend i s . " ,( Lenin: "Wat te doen?" ) * Voorwerp dat bij een misdaad gebruikt is en als bewijs van schuld dlent-red. In hetzelfde werk valt Lenin het economisme aan; de "strijd tegen de ondernemers en de regering" zonder revolutionair perspektief, z o als we dat nu waarnemen bij de CPN. Inmiddels is de diskussie over " wel of geen organisatie" ook onder de "nieuwe" revolutionairen aktueel geworden. De ervaringen van taliaanse en Belgische studenten bijvoorbeeld leerde duidelijk de ladelen van ongeorganiseerd tewerk gaan. Ken splitsing begint zich af te tekenen., ongeveer zoals Lenin het aangaf in "Wat te doen? ": -M-

•4*.

-M-

**-

"De enen zeiden: de arbeidersmassa zeu uoexi nog niet zulke o m vangrijke en militante politieke opgaven opgeworpen, als de revolutionairen haar "opdringen"; zij moet nog voor de minst verstrekkende politieke eisen strijden, de "economische strijd tegen de ondernemers en de regering voeren*( en met deze voor de massale beweging "toegankelijke" strijd komt natuurlijkerwijs ook een, zelfs voor de minst geschoolde jeugd "toegankelijke" , organisatie overeen). Andoren, die elke "geleidelijkheid" afwezen zeiden:" de politieke revolutie" kan en moet ten uitvoer worden gebracht, maar daarvoor is het volstrekt niet noodzakelijk een sterke organisatie van revolutionairen te scheppen, die het proletariaat tot standvastige en taaie strijd opvoedt; daartoe is voldoende, dat wij allen de ons "toegankelijke" en reeds goed bekende knuppel ter hand nemen. Om zonder allegorieën te spreken- dat wij de algemene staking doorvoeren **; of dat wij de "trage" gang van de arbeidersbeweging met behulp van een " exciterende terreur"*** trachten aan te vuren. Deze beide richtingen, de opportunisten zowel als de "revolutionisten" capituleren voor het heersende handwerkers-gedoe; zij geloven niet in de mogelijkheid zich daarvan te bevrijden; zij begrijpen onze e e r ste en dringendste praktische taak niet: een organisatie van revolutionairen te scheppen, die in staat is de energie, taaiheid en g e r e gelde voortzetting van de politieke strijd te verzekeren". ( Lenin: "Wat te doen?" )

-Vt-

• * •

•msr-

-ML.

J*.

JA.

Hoe moet zo'n organisatie in elkaar zitten? Marxisten-leninisten gaan uit van het principe van het demokratisch centralisme. Dat wil zeggen, dat e r een zo breed mogelijke demokratie heerst. ( Zo breed mogelijk: zelfs in onze burgerlijke demokratie zal een deel van ons werk illegaal zijn, wat noodzakelijkerwijs de demokratie in de organisatie aantast. Onder fascistische o m standigheden zal die aantasting zeer veel verder gaan). Over alle vraagstukken wordt op allé niveaus gediskussieerd. Bij die diskussies wordt zoveel mogelijk de massa geraadpleegd. Bij meningsverschillen is echter het meerderheidsstandptnt bepalend voor de b e sluitvorming. Is een besluit genomen, San voert de gehele organisatie, de minderheid inkluis, die besluiten uit. Dat houdt echter niet in dat de minderheid niet het recht zou hebben haar standpunt te blijven verdedigen! Lenin trad zelfs herhaaldelijk op voor het standpunt dat zulke meningsverschillen, door middel van het partijblad bijvoorbeeld, aan de arbeiders zouden worden voorgelegd. Datzelfde geldt voor de leidende organen van de organisatie: demokratisch, van de basis uit, gekozen afdelingskomitees, die onder voortdurende kontrole van de leden staan. Zo ook met het centrale komitoe, dat niet zonder meer mag ingrijpen in de samenstelling van de plaatselijke komitees. "Het wordt werkelijk tijd met de overleveringen van het sektarische kliekjesgedoe af te rekenen en - in een partij die op de massa's steunt - vastberaden als motto te kiezen: Meer licht! De partij moet alles weten; al het, letterlijk al het materiaal ter beoordeling van alle meningsverschiUen, van al het terugvallen tot het revisionisme, van alle vergrijpen tegen de discipline enz., moet ter ^schikking van de partij worden gesteld. Meer vertrouwen in het vermogen tot zelfstandig oordelen van de gehele massa van de partijwerkers: zij en alleen zij zullen de al te grote ijver van de tot scheuring

neigende groepjes kunnen beteugelen, zullen deze groepjes door liun geleidelijke, onmerkbare maar aanhoudende beöivloeding de "goede wil" tot het handhaven van de partijdiscipline kunaen ingeven, zullen het vuur van het anarchistische individualisme kunnen doen bekoelen, zullen alleen al door hun kalmte kunnen aantonen, bewijzen en betuigen, hoe gering de betekenis is van de meningsverschillen, die door de naar scheuring neigende elementen overdreven worden. Op de vraag :"wat men niet mag doen" ( wat men in het algemeen niet mag doen en wat men niet mag doen om geen scheuring te v e r oorzaken), zou ik voor alles willen antwoorden: de partij de ontstaande en zich verscherpende aanleidingen tot scheuring niet v e r helen, niets verhelen van de omstandigheden en de toedracht, die dergelijke aanleidingen vormen. Ja, meer dan dat: ze niet alleen de partij, maar zo mogelijk ook de buitenstaanders niet verhalen. Ik zeg "zo mogelijk" met het oog op dat, wat uit overwegingen van konspiratie geheim moet blijven, maar bij onze scheuringen s p e len omstandigheden van een dergelijke aard de geringste rol. Grote openlijkheid - dat is het zekerste en het enige betrouwbare middel om scheuringen die vermeden kunnen worden te vermijden en om de schadelijke gevolgen van de, scheuringen die reeds onvermijdelijk geworden zijn tot een minimum te beperken". ( Lenin: Werken, deel 7; Brief aan de redaktie van de "Iskra" ). "Het is een dwingende eis, de rechten van elke minderheid in de partij statuten vast te leggen, opdat de voortdurende en niet te mijden bronnen van de meningsverschillen, de ontevredenheid en de geprikkeldheid uit de oude, kleinburgerlijke bedding van het groept schandaal en -gescheld in het nog ongewone kanaal van een gedisciplineerde en waardige strijd om overtuigingen te leiden. " ( Lenin: Werken, deel 7; Aan de partij). En naast deze demokratie het centralisme: de hogere organen l e i den de aktiviteiten van de lagere; de plaatselijke komitees leiden de aktiviteiten van de afdelingen. De organisatie is een eenheid en treedt als zodanig naar buiten. De praktijk van de strijd en de wisselwerking tussen de mening van ons en die van de massa staat e r borg voor dat steeds de juiste besluiten worden genomen of dat onjuiste besluiten worden verbeterd. "In al het praktische werk van onze Partij, gaat alle juiste leiding noodzakelijkerwijs "van de massa's naar de m a s s a ' s " . Dit betekent: neem de ideeën van de massa's ( verspreide en onsystematische ideeën) en concentreer ze ( verander ze in geconcentreerde en systematische ideeën door ze te bestuderen), ga dan naar de massa's en verbreid en verklaar deze ideeën tot dé massa's ze als hun eigen ideeën omhelzen, houd eraan vast en zet ze om in aktie en test de juistheid van deze ideeën in de aktie. Concentreer dan nogmaals ideeën van de massa's en ga weer naar de massa's, z o dat in de ideeën wordt volhard en ze worden doorgevoerd. En zo verder, telkens opnieuw in een eindeloze spiraal, terwijl de ideeën telkens juister, vitaler en rijker worden. Dat is de Marxistische theorie van de kennis". '•( Mao Tsetoeng:" Enkele vraagstukken over de methode van l e i ding geven "). Het is duidelijk dat een demokratisch-centralistische organisatie, dat wil zeggen, een straf gedisciplineerde strijdgroepering, aan haar leden hoge eisen zal stellen. En veel intellectuelen zullen maar met grote moeite hun individualisme willen offeren op het blok van de organisatie. Dat "een stelletje gewone arbeiders" uitmaakt wat, waar en hoe een, laten we zeggen, professor moet handelen als lid van de organisatie, kan alleen aanvaard worden door diegenen die zich onvoorwaardelijk aan de kant van de arbeidersklasse opgesteld hebben. Alleen die kameraden, die hun leven in dienst van het volk en het socialisme willen stellen, zullen zich bij zo'n organisatie aansluiten. Maar dat vormt e r juist de kracht van. Alleen zo'n organisatie kan tegelijk illegaal en openlijk werken, zich beschermen tegen het binnendringen van kleinburgerlijke o p vattingen, in eenheid leiding geven aan stukken klassestrijd. Voorwaarde voor het bestaan van een demokratisch-centralistische organisatie is haar revolutionaire theorie en de toepassing daarvan op de werkelijkheid. * "Rabotsjaja Mysl" en " Rabotsjeje Djelo" - in het bijzonder het "Antwoord" aan Plechanow. **De brochure "Wie zal de politieke revolutie volbrengen?" in de ia Rusland uitgegeven opstellenbundel " Proletarskaja Borba" ( De proletarische strijd-red.) De brochure werd door het Comité te Kiev opnieuw uitgegeven. *** " De wedergeboorte van het revolutionism e" en "Swoboda".

I»

*

*

»

M

«r—4


•fcfffL

kloos

Vanwaar die gelijkgerichte politiek ( ook in '53 al), dat praten over samenwerking en die erg konkrete plannen van de laatste maanden om op te gaan in een federatie? (omdat het C. N. V. met traditionele sentimenten zit, anders zou de organisationele eenheid al vastere vormen hebben aangenomen). VALT NIET UIT DE LUCKT

Oud N.K.V.man Middelhuis is aan de andere kant van de groene tafel terechtgekomen. Bij Hoogovens vervult hij sinds enige jaren de funktte van werknemerskommissarls. Tot groot genoegen van zijn vroegere kollega's. Ban Utopia lijkt vaster vormen aan te nemen:" als we maar zoveel mogelijk Invloed in de bestaande instituties verwerven, dan komt het allemaal wel voor elkaar". Hoe meer van onze e i gen mensen ons gaan uitbuiten des te eerder Is het met die uitbuiting gedaan. Alsof het de arbeiders van Hoogovens iets uitmaakt of nu hun Middelhuis of een andere Piet de Dief hun het rechtmatige loon inhoudt! En dan Kloos, André Kloos, vakbondsleider, die steeds de publiciteit weet te halen. Vóór het fiasco van D'66 en vóórdat de reaktie de zwijgende meerderheid mobiliseerde nog genoemd als toekomstige minister-president, gaat hij zich nu met Cultuur bezighouden. Aan het hoofd van de Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs neemt hij de heilige plicht op zich de arbeiders te akkulturaliseren. Goed werk, André Kloos I Erg konsekwent overigens: na eerst in strukturerf opzicht de arbeidersbelangen binnen de-bestaande verhoudingen optimaal verkocht te hebben, gaat hij nu de arbeiders vergeven van de fcalturele glamour van deze samenleving van STER en sterren. De tranquillizers van Hoos zijn de beste: één avoudvullend t . v . p r o gramma e n . . . . overdag in de fabriek smelt alle opstandigheid als sneeuw voor de zon. Wég baas en chef! Je merkt e r geen barst van dankzij de middeltjes van Kloos. Typerend voor Kloos, heel die kultuurbenadering: heeft kuituur niets fe maken met de baas-arbeider relatie op het beirijf? met de chefbediende relatie op kantoor? Is kuituur niet voor een belangrijk deel Juist door die relaties bepaald? En heeft zij omgekeerd niet de funktie deze verhoudingen te kontinueren? Bulken de radio- en t. v. p r o gramma's niet iedere avond van de juistheid of onvermijdelijkheid van de bestaande maatschappelijke verhoudingen? In plaats van dat hij een beetje inzicht heeft in de verneukeratieve funktie van de Kuituur, doet zestiger Kloos alsof e r niets aan de hand is en wordt voorzitter van een genuanceerde propagandamachine. De inhoud van de Kuituur houdt hij buiten schot; hij identificeert zich ermee; hij wil haar toegankelijk maken voor de arbeiders, zo op de manier van de werkende jongeren die één keer per jaar hun goeie pak aandoen en met "geestverwanten" naar festivals tijgen om daar een brok vaderlandse kuituur op te doen. Als we Gods Voorzienigheid even buiten beschouwing laten is het natuurlijk geen toevalligheid dat deze parels van de vakbeweging zo dienstbaar aan het hele Nederlandse Volk kunnen zijn, en dat de vertegenwoordigers uit de klasse met het laagste I . Q . , de kleinste woordenschat en de grootste aanpassingsmoeilijkheden In ons sociale leven, tot zulke eenzame hoogten kunnen stijgen. Hoe is het m o gelijk dat een Middelhuis In een positie komt te zitten waarin hij zijn arbeiders naar believen ontslaat of loonsverhoging onthoudt omdat Hij Weet dat dit hen uiteindelijk alleen maar ten goede komt o m dat zijn beleid daardoor" ekonomisch rendabel" wordt ( welke ökonomie?). i s e r zoveel veranderd dat een werknemer, de arbeidersarlstokraat Middelhuis, mag meewerken aan een nieuwe vestiging van de Hoogovens op de Maasvlakte ? (tengevolge waarvan niet de villabewoners maar de inwoners van goedkopere buurten die dichter bij de fabriek staan een paar jaar eerder het sanatorium ingestuurd worden). Ja: de bakens zijn verzet: de bonden zijn met hun tijd meegegaan. De afgelopen zeventig j a a r zijn de bonden van illegale stakingsbeweging "gegroeid" tot gewaardeerde partners in het overleg die de medeverantwoordelijkheid aandurven voor de Nederlandse ekonomie. En zoals de bonden een ander aanzien hebben gekregen, zo is ook het kader van eedaante veranderd Diehard Domela Nieuwenhuis Is vervangen door manager Kloos ( baas in eigen bedrijf). Het volk heeft de leiders die het verdient. Maar niet alleen is de houding van het "rooie" N W geworden van opposant tot geacht medewerker van de werkgevers ( als ze zich maar aan de gedragscode houden), ook de tegenstellingen in de vakbeweging zelf tussen de "modemene" en de "konfessionelen" is de laatste jaren afgezwakt. Overeenkomstig de solldaristisehe opvattingen die verweven zijn met de vooral katholieke standenstruktuur, hebben N.K.V. en C.N. V. altijd al onder één hoedje gespeeld met de werkgevers. Ia 1919 maakten de Brabantse en Limburgse arbeiders zich gereed om onder het geel-witte banier op te rukken naar Den Haag. Ze zouden Troelstra en zijn kameraden weleens van hun revolutieplannen genezen, hoe onschuldig die revolutie e r in de romantisch- reformistische geest van Troelstra ook uitzag. En in 1953 nog amendeerde het nederlandse Episkopaat dat voor alle katholieken het lidmaatschap van linkse organisaties taboe was.

Heel globaal genomen heeft de historie van de nederlandse vakbeweging drie typen van arbeidersorganisatie gekend:de anarcho-syndikallstische, reformistische en korporatistische. Een analyse van de ontwikkeling en wederzijdse beinvloeding van deze drie richtingen in het licht van de veranderende samenleving draagt bij tot de v e r klaring van het verschijnsel dat ogenschijnlijk tegenstrijdige vakorganisaties nu wel kunnen samenwerken en dat vooraanstaande f i guren uit de vanouds oppositionele vakbeweging medeverantwoordelijk ( medeplichtig?) geworden zijn voor het zgn." algemeen belang". De slechte ekonomische toestanden in heel West-Europa als gevolg van de overgang van het prijskonkurrentie-kapitalisme naat het m o nopolistische stadium lieten ook Nederland niet ongemoeid. Hoewel de depressie hier als gevolg van de relatief late industrialisatie minder hard aankwam dan elders, waren de verschijnselen merkbaar. De trek van het platteland naar de steden, de mechanisering van de arbeid, de stijgende produktiviteit en de achterblijvende konsumptie, leidden in de tachtiger jaren vooral in de grote steden tot het ontstaan van een proletariaat. En het i s in déze tijden dat de eerste vakorganisaties de kop opsteken: de Sociaal-Demokratische Bond van Domela Nieuwenhuis in 1881 ( i n 1893 overgegaan in het Nationaal Arbeids Sekretariaat); in 1888 de oprichting van de R.K. Werkliedenvereniging in Enschede door pastoor Ariéns, die door een der geschiedschrijvers van.de Nederlandse katholieken, W. G. V e r sluis, beschreven wordt als "de motor, die verborgen in het ruim, het roomse schip met rustige kracht over de hoog opbruisende golven van ons sociale leven droeg". Van meet af aan zien we fundamentele verschillen en geschilpunten niet alléén tussen de konfessionelen en het Nationaal Arbeiderssekretariaat, maar ook binnen het N. A. S.: de tegenstelling tussen de anarcho-syndikalisten en de reformisten. Deze resulteerde in 1906 In een scheuring en de oprichting van het Nederlands Verbond Van Vakverenigingen. Mede aanleiding van deze scheuring waren de suksesvolle pogingen van reformistische voormannen alp Oudegeest (spoorwegman)en Vliegen om de tweede Spoorwegstaking te breken (1903 ). Ogenschijnlijk vlogen de beide richtingen elkaar in de haren als g e volg van verschil in opvattingen over de middelen ( ook toen al een erg modieus gezegde:"ik ben het wel eens met het doel maar niet met de methode"). Of, zoals Oudegeest het verwoordt in 'de Geschiedenis der zelfstandige Vakbeweging in Nederland' ( n.74>: "Het was de strijd tussen het gebruik maken van alle middelen, ooi de parlementaire, of slechts van de economische en gewelddadig revolutionaire; de strijd tussen het socialisme en het anarchisme, tussen de democratie en de dictatuur, de strijd over de methode eener goed georganiseerde, op verstandsargumenten gebaseerde b e weging die door deze eigenschappen niet schroomt gebruik te maken van alle middelen die ten dienste staan, of die eener achterlijke, slecht georganiseerde beweging die in hoofdzaak op gevoelsargumenten berust". • In feite lagen de verschillen in de principes. In het orgaan van de Timmerliedenbond verscheen in 1891 een artikel van Ikking, waarin deze nadrukkelijk de politieke partijen de deur wijst, omdat het w e r ken voor verhoging van loon beter gaat zonder politiek. Het Had in 1970 in het kaderblad van het N. V.V. kunnen staan! Nog vóór de oprichting van het N. V. V. fixeerden zich'grote'groepen arbeiders al op de direkte verbetering van de levensomstandigheden zonder deze doelstelling in verband te brengen met de achtergronden: de toenmalige produktieverhoudlngen ( die tot op heden niet wezenlijk veranderd zijn, ook al Is de welvaart gestegen). Typerend hiervoor is de uitspraak van (alweer) Oudegeest ( op p. 219): ( I n verband met het stakingssysteem) "Het is ook het systeem, dat iedere ontwikkeling van de industrie in den weg staat, omdat iedere belangrijke industrie behoefte heeft aan het afsluiten van contracten, langen tijd tevoren, voor het te leveren werk, terwijl dit aan geen enkele onderneming mogelijk is, wanneer zij steeds met waarschijnlijkheid moet rekenen dat ieder ogenblik een staking kan uitbreken". Terwijl het N. A. S. vooral aanhang kreeg in het westen en hoge noorden van het land, bleven met name. Twente, Brabant en Limburg b e houden voor Kerk en Kapitaal. Het is niet eenvoudig hiervoor een verklaring te vinden; maar vooral voor de scheuring tussen anarchosyndikalisten en reformisten binnen het NAS is eigenlijk nog geen afdoende verklaring gevonden. Opvallend is wel, dat internationaal gezien, eerstgenoemde richting vooral in de romaanse landen Frankrijk, Spanje en Italië van de grond kwam, en laatstgenoemde in de noordelijke landen van West-Europa; Wat ook direkt In het oog springt is dat de reformistische scheurmakers bijna allen afkomstig zijn uit de bonden van de traditionele ambachten, waarvoor doorgaans een hoge scholing nodig was, bv; typografen en diamantbeWerters. De anarcho-syndikalisten trof men onder het proletariaat * van m. n. Amsterdam en Rotterdam.


f

** kloos.... ^ De verschillen tussen het N.A.S. en het N.V. V. aan de ene kant en de konfessionelen aan de andere zijn beter verklaarbaar. De periferie van Nederland was rond 1880 nog overwegend agrarisch van karakter. Op de zandgronden van Twente en Brabant leefden de kleingrondbezitters op de rand van het levensminimum( de opbrengsten van de landbouw in het gemengd bedrijf waren niet alleen voor het vee bestemd!). In tegenstelling tot het westen was tot ver in de 19de eeuw een groot deel van de bevolking niet gescheiden van zijn produktiemiddelen( formeel was zij in veel gevallen ook bezitter_ ervan). Het industrialisatieproces kwam in verschillende bedrijfstakken op gang via de huisindustrie: de boerenfamilie besteedde een deel van de werktijd thuis aan de produktie van bv. textiel en sigaren. In een later stadium vindt de produktie in de fabriek plaats( o. m. als g e volg van de toenemende arbeidsverdeling) maar ook dan bewerken nog veel gezinsleden de eigen grond. Bij deze produktieverhoudingen sloot de grote sociale encycliek Rerum Novarum (il891 )vrij goed aan. Centraal in deze door vele katholieken revolutionair genoemde pauselijke boodschap staat het eigendomsrecht. Bijvoorbeeld op p. 17 van de uitgave van het R. K. Werkliedenverbond ( 1932 ):"Uit dit alles ziet men duidelijk dat het systeem der socialisten, om alle bezit gemeenschappelijk te maken, beslist moet worden verworpen, omdat het juist hen schaadt, die hulp noodig hebben, in strijd is met de natuurrechtelijke rechten der individuen, de taak der staat m i s kent en de rust in de maatschappij verstoort". "De mensch heeft recht op de vrucht van zijn arbeid, maar gij zult de huisvrouw van uwen naaste niet begeeren, noch zijn huis, noch zijn akker, noch zijn dienstmaagd ( geen mens zeker? pj.), noch zijn rund, noch iijn ezel, noch iets van alles wat hem toebehoort" (p.15). In een situatie waarin steeds meer mensen zichzelf moesten verkopen omdat ze anders niet tot leven in staat waren, moet een dergelijke stellingname in het voordeel zijn van de "arbeiders"die de b e zitters zijn van de produktiemiddelen. De katholieke kapitaalbezitters konden met een gerust hart verder exploiteren; de plaatsvervanger"" van Christus stond achter hen, in Limburg, Brabant en Twente g e representeerd door de verkondigers van het Geloof: de klerus (doorgaans gerekruteerd uit de hogere kringen). "Revolutionnair" was de encycliek echter in die zin dat ze met b e hulp van de christelijke naastenliefde gebood dat de onsmakelijke uitwassen van het kapitalisme moesten verdwijnen. De samenwerking van de sociale groepen (solidarisme!) zou leiden tot de totstandkoming van een sociale orde:"Bij het vraagstuk, dat Ons bezig houdt, is dit een hoofdfout, zich in te beelden, dat de eene klas uiteraard vijandig staat tegenover de andere, alsof de rijken en de armen van nature bestemd waren tot een hardnekkigen ouderlingen strijd. Geheel en al druischt dit in tegen rede en waarheid, het staat zelfs ontwijfelbaar vast, dat, gelijk in het lichaam de ledematen, alhoewel onder elkaar verschillend, toch bij elkaar passen, waaruit die juiste verhouding ontstaat, welke men terecht symmetrie noemt, zoo ook de natuur heeft voorgeschreven dat de twee klassen in den staat eendrachtig met elkaar samenleven en aldus het juiste evenwicht bewaren. In elk opzicht heeft de eene klas de andere noodig: geen kapitaal kan bestaan zonder arbeid, noch arbeid zonder-kapitaal. Eendracht kweekt schoonheid en orde; daartegenover ontstaat uit aanhoudende strijd noodzakelijkerwijze wanorde en ruwe v e r wildering". ( p. 19.20) Het korporatisme is een feit. ïn de korporatieve gedachte ( die niet zonder meer fascistisch is) heeft de staat de fumktie voor de "verdelende rechtvaardigheid" zorg te dragen. De staatsbemoeienis mag echter niet te ver gaan. Alleen daar waar het algemeen belang of belangen van afzonderlijke klassen geschaad worden en geen andere oplossing mogelijk is, moet de staat ingrijpen.. Het respekteren van de bezittingen van de kapitalist, de samenwerking van kapitaal en arbeid^kwamen in het vocabulaire van de anarcho-syndikalisten niet voor. In hun ogen is het rechtstreeks doel van de vakbond het ondermijnen en het op revolutionaire wijze omverwerpen van het kapitalistische stelsel. De realisatie hiervan is in hun gedachtengang slechts mogelijk door middel van de direkte strijd in de bedrijven zelf, kulminerend in de algemene werkstaking. De anarcho-syndikalisten zijn anti-étatistisch. Ds 'modernen' van het NVV stonden dichter bij de vrome wensen van paus Leo XHI. Hun doel is het bereiken van direkte verbeteringen in de positie van de arbeider. In de wilde jaren tot de eerste wereldoorlog volgt daarop nog wel steevast de frase dat dit leidt tot de "geleidelijke uitholling van het kapitalisme", maar een d e r gelijke voluntaristische uitspraak is na de 'vergissing' van Troelstra gaandeweg niet meer nodig.. Omstreeks 1920 heeft het e r alle schijn van dat de modernen en konfessionelen meer van elkaar af staan omdat het historisch zo g e groeid is en omdat ze konkurrerende vakverenigingen zijn, dan als gevolg van tegengestelde doeleinden. Oudegeest (p. 15-i);''De vakverenigingen behoeven niet de afschaffing van het privaatbezit, van de burgerlijke eigendom, in hare statuten op te nemen. Haar taak is het, om daar waar thans reeds arbeid en kapitaal met elkaar in

strijd komen, de partij te kiezen van dèn arbeid tegen het kapitaal". Vrijgestelde Oudegeest ziet dat dus niet meer zo, die fundamentele uitbuiting; af en toe wat frikties, maar zij lossen zich vanzelf wel op. De revolutionnaire bewegingen in Rusland en Duitsland en de m i s s e lijkmakende gevolgen van de eerste wereldoorlog deden In 1918 Troelstra en de zijnen voor de laatste maal in de boekenkast naar het Communistisch Manifest grijpen. (Saillant détail: Troelstra ( naar aanleiding van een door de sociaal-demokraten opgesteld manifest) :"Zulk een program is revolutie!" Waarop het antwoord van Oudegeest: "Neen, Troelstra, als ik revolutie wil maken maak ik geen program van sociale hervormingen die het kapitalisme niet afschaffen"). In de jaren tussen de twee wereldoorlogen groeiden de sociaal-demokraten en konfessionelen geleidelijk aan naar elkaar toe, zowel in de politieke als in de ekonomische sektor. Politiek gezien lopen aanvankelijk de opvattingen van de konfessionelen en de S. D. A. P. - e r s nog uiteen. Per slot van rekening vertegenwoordigden mannen als Buys de Beerenbrouck en Colijn naast de arbeidersklasse ook de kleine burgerij en het groot-kapitaal ( ook toen al problemen te over voor 'volks' partijen). Na de tweede wereldoorlog kwam e r meer differentiatie in het partijwezen. Belangrijker is het naar elkaar toegroeien van beide groeperingen aangaande de rol vasTJf'staat. "De macht van het getal" inspireerde de SDAP-ers tot de idee van een overkoepelende parlementaire demokratie. ( Als iedereen gelijk is voor de wet en zo, dan moet ook de rest demokratisch zijn, redeneert men ook nu nog in deze kringen). De konfessionelen kenden aan de Overheid veel minder invloed toe. De ontwikkelingen in het kapitalisme noodzaakten tot een veel krachtiger ingrijpen van de overheid hoewel deze tendens voor de oorlog nog niet zo duidelijk naar voren kwam. "De economische politiek van de regering bleef, ondanks d,e stijgende overheidsbemoeienis met ekonomische aangelegenheden, liberaal georiënteerd. De regering wenste het konjunktuurverloop niet te forceren, maar stelde zich in het algemeen slechts ten doel de voorwaarden te scheppen waaronder eer langs een hernieuwde ontplooiing van het partikuliere initiatief mogelijk zou blijken". ( Keesing, de Konjunkturele ontwikkeling van Nederland en de evolutie van de Nederlandse overheidspolitiek. 1918-1939, p.165) . Er zat nog teveel traditionele bourgeoisie in het parlement. De ontwikkeling na de tweede wereldoorlog toont aan dat de rooms-rode coalitie in staat bleek soepel samen te werken, (alleen de roomse Cals maakte het te bont voor sommige partijgenoten). Op het ogenblik schijnt in het licht van de komende verkiezingen Vondeling de oppositie beu te zijn: hij lonkt weer naar rechts. In de ekonomische sektor vond ook een toenadering plaats. Naarmate de"Jaren vorderen blijkt het N. V. V. steeds meer onder "de socialisatie van de produktiemiddelen" te verstaan dat de a r b e i ders moeten samenwerken met de kapitalisten voor een ordening van het bedrijfsleven. De eerste jaren na de eerste wereldoorlog( de gemoederen waren zeker nog verhit) voer het N. V.V. een radikalere koers die, zoals men het later in deze kringen vergoeilijkte "in strijd was met haar geschiedenis". In 1920 wenste men een doelbewuste vermaatschappelijking van de produktie met als einddoel een socialistische maatschappij. In 1923 al dringen 'de rooien' aan op een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. De voorgestelde organen moeten bestaan uit werkgevers, werknemers en overheid (paritair samengesteld). In 1931 komt het 'algemeen belang' op de proppen. En in 1935 vindt deze 'ontwikkeling zijn bekroning in het S. D. A. P . -N. V. V. rapport "Plan van de Arbeid" Binnen het kader van de bestaande orde moesten werkgevers, werknemers en overheid gezamelijk komen tot een optimale aanpassing der orde. De fundamenten voor het samengaan van konfessionelen en reformisten (?) waren gelegd. Na de oorlog zou de oprichting van de Soo. aal Economische Raad overheid, werkgevers en werknemers, al da. niet konfessioneel, rond één tafel brengen. De 'KonzertierteAktion' was, hoewel niet in naam, dan toch feitelijk geboren. Kloos en Middelhuis mochten zich tot de medeverantwoordelijke élite rekenen, (pj). /WV

^^^^^i


wals

IN LA TUNS AMERIKA.

Wie zich met betrekking tot geweld en geweldadlge acties niet op een formeel-juridies standpunt wil stellen, en elke gebeurtenis afzonderlijk In zijn kontekst bekijken wil alvorens hij een waarderingsoordeel uitspreekt, zal dikwijls blijk geven van een visie op gebeurtenissen die sterk van de gebruikelijke afwijkt. Een veroordeling zonder meer van op zichzelf kriminele handelingen als het ontvoeren van belangrijke politieke figuren of buitenlandse vertegenwoordigers in Latijns-Amerikaanse landen zal hij afwegen tegen de nood van de betrokkenen, de omvang van het tegen hun uitgeoefende strukturele en physleke geweld, de wijze waarop of de mate waarin het land waarvan de betrokkene afkomstig is aan de interne strijd in het land van de verzetsman deelneemt. Aldus komt men eerder tot een sosjaal-politiek dan tot een juridies oordeel, en al heeft dat het nadeel dat men op verschillende gevallen niet blindelings dezelfde regel kan toepassen, daar staat tegenover dat men waarschijnlijk een rechtvaardiger en dus juister oordeel uitspreekt. Of men het 'juister' wil noemen, hangt uiteraard in sterke mate af van de vraag hoe men de opvattingen en doeleinden van de zich for meel juridies-krimineel gedragende groep beoordeelt. Stemt men met hun doelstellingen in, dan zal men eerder geneigd zijn de daad met welwillendheid tegemoet te treden, dan wanneer men zich t e gen hun strevingen afzet. . Maar ook al stelt men zich bij de beoordeling van de revolutionaire bewegingen in Latijns-Amerika op een sosjaal-politiek standpunt, dan nog is het uitermate moeilijk om enige duidelijkheid te krijgen t. a.v. de verschillende strijdorganisaties en de door htm toegepaste strijdmethoden en strijdmiddelen. Een eerste oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat de meest uit- eenlopende organisaties - van extreem links tot extreem rechts zich sieren met het epitheton 'revolutionair'. Men kan zelfs zeggen dat extreem rechtse organisaties vaker in de vorm van aanslagen, samenzweringen en paleisrevoluties hun toevlucht tot het geweld genomen hebben dan linkse organisaties. Maar ook gematigd rechtse of reformistiese bewegingen hebben het beroep op de wapenen als laatste redmiddel bij de realisering van hun doelstellingen nooit geschuwd. Men hoeft in dit verband maar te denken aan de Nationaal Revolutionaire Beweging (MIR) van Bolivia in 1952, de mexicaanse revolutie in 1911, de omverwerping van de dictatuur van Perez Jimenez in 1958 in Venezuela door de coalitie van de sosjaal-demokratiese partij (AC), de kommunistiese partij en liberale militairen. Een tweede oorzaak van de verwarring t. a.v. de revolutionaire o r ganisaties in Latijns-Amerika is het feit dat men aan enkele reformistiese regeringen en bewegingen niet de verdienste kan ontkennen om revolutionaire hervormingsplannen te hebben doorgevoerd. De militaire junta van generaal Alvarado in Peru heeft bijna evenzo ingrijpende veranderingen in de peruaanse maatschappij doorgevoerd als de cubaanse regering, zoals trouwens door Castro zelf erkend is.Reformistiese partijen hebben, altans in de landbouwsector, radikale veranderingen doorgevoerd in Venezuela en Bolivia en soms heeft men zelfs de groncfistoffenindustrie niet met rust gelaten ( natlonalisatie van de olievelden in Mexico onder Cardenas en de natlonalisatie van de tinvelden in Bolivia). Hieruit blijkt dat men dus niet zonder meer revolutionaire organisaties mag identificeren met marxistiese organisaties. Maar ook als men zich beperkt tot de marxistiese organisaties, dan biedt dat nog heel wat moeilijkheden, vanwege de haast ontelbare bloei van allerlei kleine en grote groeperingen, die weliswaar hun marxistiese oorsprong en ideologie gemeen hebben, maar hemelsbreed verschillen in de keuze van hun middelen om tot een sosjalistiese maatschappij te komen, in faun recruteringsveld, in faun standpunt t. a. v. de internationale klassenstrijd etc. Dit verwarde panorama wordt dan nog eens dubbel gekompliceerd door de klandestiniteit waarin vele van deze groeperingen moeten werken, en waardoor bet moeilijk is uit te

maken welke aksies door welke groeperingen ondernomen zijn. E l kaar bekonkurrerende linkse organisaties eisen soms het auteursrecht op voor een suksesvolle operatie en het komt zelfs voor dat de extreemrechtse organisaties geweldadigheden provoceren om de linkse organisaties e r voor verantwoordelijk te stellen ( bv. de moord op generaal Aramburu in ArgentiniĂŤ en de ontvoering van de consul van Paraguay). .

% Ondanks dit verwarde panorama van de revolutionaire organisaties in Latijns-Amerika lijkt het ons dat bij een chronologiese beschouwing van de revolutionaire organisaties over de laatste tien jaar e r toch enkele lijnen duidelijk naar voren komen. De psychologiese shock van de Cubaanse revolutie lijkt daarbij een goed uitgangspunt te zijn. De overwinning van Fidel Castro vernietigt met een slag a l le teorien, die tot dan toe door de marxisten beleden werden t. a. v. het revolutionaire proses in Latijns-Amerika. Voor de eerste maal triomfeerde een guerillabeweging, die voornamelijk bestond uit groepen van het werkeloze landbouwproletariaat en kleine boeren, over een politiek-militair apparaat. Deze overwinning was ongetwijfeld te danken aan bepaalde objektieve faktoren, die niet in de andere latijns-amerikaanse landen bestonden. Maar dit aspect ontsnapte aan de aandacht van dĂŠ meeste 'Latijns-Amerikanen. Zelfs de traditionele kommunistiese partij'liet zich meeslepen in het entoesiasme, en ondanks persoonlijke meningsverschillen waren alle linkse organisaties het erover eens dat de guerilla in de landbouwsector de sleutel vormde tot een sosjalistiese machtsovername ""Bestaande guerillaorganisaties in andere landen kregen opeens een toevloed te verwerken van entoesiaste strijders, die in korte tijd in faun eigen vaderland liet cubaanse sukses wilden herhalen. Het waren a l l e r eerst militante leden van de traditionele kommunistiese partijen, verder studenten en jonge mensen, die zich tot dan toe nooit effektief met politieke aksies hadden beziggehouden, en tenslotte militante leden uit de sosjaal- of christen-demokratiese partijen. Deze twee laatste groepen hadden niet de minste marxistiese v o r ming, terwijl de kommunistiese militanten tot dan toe alleen v e r trouwd waren met syndikale aksies, maar verder geen enkele e r varing hadden met guerilla-aktiviteiten. Deze onervarenheid en ondeskundigheid ligt ten grondslag aan de talloze fouten en vergissingen, die tenslotte hebben geleid tot de ondergang van de plattelandsguerilla, zoals beschreven wordt door Carlos Marighela in zijn " Handboek voor de Stadsguerilla", door Andrade in Les Temps Modernes ( Mei 1969 ) en door Rodriguez eveneens in Les Temps Modemes ( Mei 1970 ). Wanneer dan in 1966 .in Havana de latijnsamerikaanse organisatie tot solidariteit en koordinatie .van de guerilla-fronten wordt opgericht (GLAS) heeft de ramp over de plattelandsguerilla zich al bijna overal voltrokken. In een aantal landen is de plattelandsguerilla e r zelfs niet in geslaagd om zich te vestigen ( Paraquay, ArgentiniĂŤ, Chili);in Venezuela is ze duidelijk op haar retour met nog slechts twee fronten in het Westen en Oosten van het land; in Guatemala en Colombia, de enigste twee landen waar de guerilla een solide basis had, wordt de guerillero naar, een uitdrukking van Rodriguez een rebelse kluizenaar, die in weinig < belangrijke streken zich verteert in zijn eigen eenzaamheid, zonder ook maar enige bedreiging te vormen voor de politieke en militaire macht in zijn land. In Peru is de landbezetting door-de kleine boeren onder leiding van Hugo Blanco mislukt en zijn de twee voornaamste guerilla-leiders, Lobaton en de la Puente Uceda, gedood. Tengevolge van deze mislukkingen laten de traditionele kommunistiese partijen hun simpatie voor de guerilla als middel tot de verovering van de macht varen en keren weer terug, onder druk van Moskou,


landen opgevolgd; aanslagen, ontvoeringen van diplomaten, bankovervallen zijn aan de orde van de dag. Waar men echter niet In is geslaagd tot nu toe, is de mobilisatie van de massa's op basis van de behaalde militaire suksessen. Zowel de beweging van Marighela in Brasilie als de Tupamaros in Uruguay zijn e r niet in geslaagd om uitgebreide en massale steun te verkrijgen van het uitgebuite stads-en landbouwproletariaat. Dit is voornamelijk te wijten aan het klandestiene karakter dat deze vorm van guerilla noodzakelijkerwijs eigen moet zijn, waardoor men het politieke werken onder de massa's heeft moeten beperken tot het vormen van kleine cellen, die niet veel verder kwamen dan het v e r strekken van voedsel en wapens aan de guerilleros, omdat elke verdergaande aktiviteit onmiddellijk de aandacht zou trekken van de militaire en politionele diensten van de regering. Het is in deze kontekst dat de verkiezing van Allende in Chili van enorme betekenis i s . Na het mislukken van de guerilla-aktlviteiten naar Cubaans model en het stagneren van de stadsguerilla, die er evenmin in geslaagd is om massale steun te verwerven bij de bevolking, opent de verkiezingsoverwinning van Allende opeens weer een totaal andere weg voor de revolutionaire groeperingen. Vanaf het moment dat de Chileense kommunistiese partij onder leiding van haar sekretaris generaal, Luis Corvalan, besloot om de steun aan de gUBrilla-aktiviteiten te staken en om zich te verenigen in een Volksfront om de kandidatuur van Salvador Allende te steunen en aldus te kiezen voor de legale parlementaire weg, was het duidelijk dat een verkiezingsoverwinning het (voorlopige) bankroet zou betekenen voor elke organisatie, die via de gewapende strijd de macht wilde veroveren. Een verkiezings nederlaag of een militaire staatsgreep zou daarentegen weer een nieuwe impuls gegeven hebben aan de guerilla. Een laatste faktor, die de guerilla-strijd in latijns-amerika voorlopig op non-aktief schijnt te stellen, is de veranderde houding van Cuba.. Na de strenge distributie van konsumpsiegoederen in de afgelopen jaren op Cuba terwille van het opvoeren van de suikerproduktie tot 10.000. 000 ton ziet Castro zich gedwongen om meer aandacht te besteden aan de verbetering van het bestaansnivo van zijn volk, waarvoor hij in sterke mate afhankelijk zal zijn van de Sovjetunie. Dit betekent dat hij ook in zijn buitenlandse politiek konsessies zal moeten doen aan de buitenlandse politiek van de Sovjet-Unie; daar de Sovjet-Unie met lede ogen heeft geduld dat Castro de r e v o lutionaire guerilla-organisaties in Latijns-Amerika steunde, zal C a s tro nu waarschijnlijk wel gedwongen worden om in het kader vande machtsverdeling tussen de Sovjet-Unie en de U. S. A. af te zien van deze steun en vriendschappelijke betrekkingen te openen met de reformistiese regeringen van Latijns-Amerika ( Caldera in Venezuela, Alvarado in Peru, Torres in Bolivia ). Deze reformistiese r e geringen zouden door het aanknopen van vriendschappelijke betrekkingen met Cuba dan zowel de simpatie van links-georiënteerde o r ganisaties in hun eigen land kunnen winnen als tegelijk verlost zijn van de steun van Castro aan guerilla-groeperingen in hun land. De vraag is dan ook momenteel of Castro de guerilla in LatijnsAmerika zal opgeven. Men begrijpt dat een dergelijke beslissing enorme konsekwensies voor de gewapende strijd In Latijns-Amerika zou hebben. Veel van de militante strijders van guerilla-organisaties in Latijns-Amerika moeten dan ook wel het gevoel hebben dat de beslissing over de toekomst van hun organisaties momenteel e e r der genomen wordt in Chili en Cuba dan in hun eigen land.

tot de legale, parlementaire strijd en tot de taktiek van het vormen van 'volksfronten'. De dood van Che Guevara In oktober 1967 maakt de breuk definitief tussen de guerilla-organisaties en de kommunistiese partijen, die scherpe kritiek leveren op het gevaarlijke aventurisme van de guerilla-organisaties. Tegelijkertijd doen e r zich echter afsplitsingsverschijnselen voor in de traditionele kommunistiese partijen die vooral gericht zijn tegen het doctrinaire en centralistiese karakter van deze partijen. De voornaamste afsplitsing is die van de barsiliaanse kommunistiese leider Carlos Marighela, die het begin vormt van een nieuwe etappe in de guerilla-strijd. Stadsguerilla. Om de reikwijdte van deze afsplitsing van Marighela goed te begrijpen is het belangrijk even stil te staan bij de kommunistiese partijen in Latijns-Amerika, waaruit ook Marighela is voortgekomen. De kommunistiese partijen in Latijns-Amerika zijn zelden een m a s sa-organisatie. De reden hiervan is vrij simpel.-In overwegend agrariese staten heeft de kommunistiese partij haar inspanningen vooral gericht op het relatief geringe stadsproletariaat en daarbij het landbouwproletariaat verwaarloosd. De kommunistiese partij bestaat hier voornamelijk uit kleine groeperingen van intellektuelen, studenten en leden van de middenklasse. In de meer geïndustrialiseerde landen zijn het veel meer nationaal-reformistiese bewegingen die de grote massa-organisatie kontroleren. (APRA in Peru, C.T.C, in Colombia. A. C.in Venezuela). Alleen in Brazilië, Argentinië en in Chili heeft de kommunistiese partij een relatief belangrijke invloed. Het enige land echter waar de kommunistiese partij een massa-organisatie vormt, is Chili, waar ze ongeveer 15% van het stemmentotaal op zich weet te verenigen en samen met de sosjalistiese partij de centrale vakbond kontroleert. Deze sterke positie moet ongetwijfeld toegeschreven worden aan de sterke industrialisatie en urbanisatie van Chili, maar ook aan de lange demokratiese traditie, waardoor de kommunistiese partij nooit verboden is geweest. De kommunistiese leiders van Chili hebben gekozen voor een Volksfront politiek, in het besef dat elk beroep op het geweld en de wapenen juist in Chili tot een mislukking gedoemd zou zijn. Anders lag de situatie In Brasilie, waar de steeds toenemende militaire dictatuur het de kommunistiese partij onmogelijk maakte om met enig sukses nog een legale parlementaire oppositiepartij te zijn. Onder leiding van Marighela scheurt zich dan ook een militant gedeelte uit de kommunistiese partij los om de guerillastrijd te gaan voeren. Marighele verwerpt de fundamentele conceptie van Guevara en Debray, die direkt geïnspireerd was geweest op de Cubaanse e r varing en waarbij men uitging van de vorming van guerilla-kernen in afgelegen bergachtige gebieden, welke kernen door sukselvolle operaties en door faun eigen dinamiek steeds meer mensen tot zich moesten trekken, om dan tenslotte massaal een aanval te doen op de v tale centra van het land. Volgens Marighela daarentegen moest de guerilla in de stad ontstaan. In Brasilie is de A.L.N. ( de door Marighela gestichte organisatie) dan ook voornamelijk werkzaam in de industriële driehoek Rlo de Janeiro- Sao PauloBelo Horlzonte. Daarna moest de guerilla pas naar het platteland gaan en dan wel voornamelijk naar het uitgemergelde Noord-Oosten. Dg bezetting van de landbouwgronden moest daarbij geen doel op zich zijn, omdat dat vooral de mobiliteit van de Guerlllero zou belemmeren. In de steden slaat hij toe en verdwijnt weer. Op het platteland komt hij te voorschijn, overvalt een politiepost e a v e r dwijnt dan weer in de woeste natuur of duikt onder In de boerenbevolking. Deze nieuwe taktiek is in bijna alle latijns-amerikaanse .

*m


All Power to the People. Na het uiteenvallen van de links radikale, overwegend uit blanken bestaande, S.D. S. < Students for a democratie society), is e r in de U$$A een zwarte organisatie opgestaan, de Black Panther Party, die uniek is in de geschiedenis van Amerika. Een met een revolutionaire teorie gepaard gaande revolutionaire praktijk, maakt haar tot de felst bestreden organisatie in het land van de Nixons, Rockefellers en Easy Riders. De Black Panther Party.is de eerste zwarte beweging, die de strijd tegen de racistiese onderdrukking niet slechts ziet als een bevrijdingsstrijd, maar ook als klassenstrijd. Zij heeft het marxisme-leninisme en de leer van Mao-Tsetoeng tot basis g e maakt van haar politieke en organisatoriese praktijk. Daarom vormt zij een gevaar voor de heersende machtsstruktuur; reden om haar trachten te vernietigen, desnoods m . b . v. leger en politie. De bewustwording van grotere delen van de zwarte volksmassa, na eeuwen van onderdrukking, begint rond 1960 met de komst van Elijah Muhammed en zijn Black Muslims. Zijn organisatie was echter een kort leven beschoren. Het was een sterk religieuze, r a c i s tiese sekte (Islamities), die echter aan haar eigen 'geloof' ten onder ging, door de komst van Allah te voorspellen, die ÂŤliteraard niet kwam! Toen e r rond 1963 ook nog een groeiende verwijdering ontstond tussen Muhammed en Malcolm X, ( de laatste werd kort d a a r na vermoord), betekende dit het einde van de Black Muslims. Vooral Malcolm X heeft een grote invloed uitgeoefend op de Black Panther Party. De ideologie van Malcolm X was gebaseerd op het boek van FranzFanon " Verwprpenen der aarde" ( de zwarte bijbel) dat een rechtvaardiging inhoudt van de revolutionaire geweldimpuls * "Zwarte bevrijding tot iedere prijs", was de strijdkreet van Malcolm X en deze drong door tot de oren van Huey P . Newton en Bobby Seale toen zij in oktober 1966 de Black Panther Party oprichtten in Oakland In de staat Californie, waar goevemeur Reagan sinds jaar en dag de eerste viool speelt in het fascisties orkest. Ongeveer tegelijkertijd doet een andere beweging zich gelden, nl. die van Martin Luther King, strijder voor gelijke burgerrechten en voorstander voor de geweldloosheid. Zijn integratie-ideologie, blank en zwart moeten vreedzaam onder elkaar leven met gelijke rechten en vrijheden, speelde het Amerikaanse imperialisme p r e cies in de kaart omdat zo een einde kon worden gemaakt aan de t e genstrijdigheid tussen datgene wat het U$$A-kapitaal in het buitenland predikte en wat het daarvan in eigen land waarmaakte. Integratie betekende in feite in haar ogen het streven naar nationale bevijding van de koloniale onderdanen( negers, indianen, puertoricanen) trachten te torpederen op precies dezelfde wijze als dit door Frankrijk, Portugal en Engeland wordt gedaan, desnoods door middel van een koloniale oorlog. Toen Martin Luther King werd vermoord vielen bij veel mensen de schellen van de ogen en werd de hoop definitief de bodem ingeslagen om in dit Amerika langs vreedzame, geweldloze weg tot verandering van de bestaande maatschappelijke struktuur te komen. Veel mensen traden toe tot de Black Panthers en geĂŻnspireerd door de leuze van Mao: "om de wapens kwijt te raken is het noodzakelijk de wapens op te nemen", bonden zij de strijd aan met de onderdrukker, het kapitaal. De gelederen van de Black Panther Party werden nog versterkt, doordat ook de S. N. C. C. ( Student non-violent coordinating committee) en de Peace and Freedom Party, in beide organisaties zaten ook veel blanke studenten, toetraden tot de revolutionaire beweging. De toenemende terreur, vaak gewoon in het openbaar, door de politie, leidde ertoe dat de panthers zichzelf en hun medebroeders en zusters gingen beschermen, door gewapend ( in Amerika geoorloofd, alles kan!) op straat te gaan patrouilleren en de politie bij haar werk gade te slaan, hetgeen weer tot gevolg had dat de smerissen

deze "uitdagende" houding beantwoordden met het overvallen van lokale centra van de panthers. Verschillende panthers werden eenvoudig neergeschoten en een nog groter aantal werd gearresteerd onder beschuldiging van ondermijning van het staatsgezag; hetgeen voldoende bleek te zijn om hen achter de tralies te doen belanden. Zo zitten zowel Bobby Seale als Huey Newton, de laatste kreeg 15 jaar voor een nooit bewezen moord op een agent, momenteel in de bak en heeft Eldridge Cleaver het land moeten verlaten, omdat ook hem een gevangenisstraf boven het hoofd hing. Echter de strijd duurt voort. Ook op andere gebieden voegen de panthers de daad bij het woord; e r werd een voedselprogramma opgezet, om negerkinderen 's morgens een ontbijt te verschaffen, opdat ze niet met 1 ege magen naar school gingen; Er werden talrijke demonstraties en andere bijeenkomsten belegd om Huey en Bobby vrij te krijgen en het befaamde 10-punten programma ( o.a. Vrijheid, betere woningen, beter onderwijs, land etc.) aan de zwarte massa's te proklameren en hen te solidariseren in de strijd tegen de fascist i e s e machtsstruktuur; Er wordt geld verzameld om de borgsommen te betalen voor gearresteerde panthers; kortom op alle fronten wordt de strijd gevoerd. Het citeren van de woorden van Che Guevara:" Waar de dood ons ook zal overvallen, hij is welkom, vooropgesteld dat deze, onze strijdkreet, een ontvankelijk oor bereikt en dat een nieuwe band zich u i t strekt om onze wapens op te nemen", is tekenend voor de aktiviteiten van de Black Panther Party. Meer wordt niet gevraagd! I! * Het leert de slachtoffers van een koloniaal bewind, dat het heel normaal is als ze de nelging voelen om in opstand te komen en de onderdrukkers te doden. Het is duidelijk, dat e r maar weinig v e r schil bestaat tussen de wijzen waarop onderdrukte mensen hun b e staan ervaren en erop reageren, of dit nu gebeurt in de negergettoos in Amerika, in Angola en Mozambique of in Vietnam. Fanon leert dat het essentieel is om alle haat en geweld te richten op hun werkelijke doel; de onderdrukker.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook