Skip to main content

1971 04 09

Page 1

tilburgs hogeschool blad - jaargang 8 - nr. 15a - 9 april 1971 extra uitgave i.v.m. de verkiezing van de Eerste Hogeschoolraad

Aan de kiesgerechtigde leden van de Hogeschool Redaktioneel U zult begrijpen dat het mij veel genoegen doet te constateren, dat voor de verkiezingen van de Eerste Hogeschoolraad in ledere groep soms evenveel, m a a r in de meeste gevallen meer kandidaten zijn gesteld dan er zetels te verdelen waren. Aan een eerste voorwaarde voor het welslagen van iedere verkiezing, in casu het aanwezig zijn van voldoende kandidaten, is aldus voldaan. De verhouding tussen zetels en aantallen kandidaten is als volgt: Aantal zetels WETENSCHAPPELIJK PERSONEEL economische faculteit sociale faculteit juridische faculteit A.TG STUDENTEN economische faculteit sociale faculteit juridische faculteit

In slechts ĂŠĂŠn faculteitsgeleding, namelijk het wetenschappelijk personeel in de juridische faculteit, is geen verkiezing nodig, omdat het aantal kandidaten niet groter was dan het aantal te bezetten zetels en tevens deze kandidaten werden gesteund door tenminste 35 % der kiesgerechtigden. In de faculteitsgeleding studenten der sociale faculteit is wel aan de eerste voorwaarde voldaan, doch niet aan de tweede. Daar is dus alsnog verkiezing nodig.

Aantal kandidaten voor deze zetels

4 3 2 V

6 4 2 11

4 2 2

8 2 3

24

36

In deze verkiezingskrant zijn alle kandidaten vermeld (volgens de volgorde van het stembiljet, zoals deze door loting werd vastgesteld) met de gegevens, die omtrent hen op het kandidaatsstellingsformulier werden aangetroffen of later werden vermeld. U vindt hier dus alle beschikbare informatie. Ik kan u thans alleen nog maar oproepen op 21 en 22 april a.s. uw stem uit te brengen! De verkiezing slaagt als tenminste 35 % van iedere geleding opkomt en als ieder

De verkiezingsdatum voor de EHR komt dichterbij. In overleg met het Centraal Stembureau en de president-kurator heeft de redaktie besloten een speciale editie te verzorgen van het THB. Voor de inhoud en de sfeer van dit nummer nemen wij derhalve geen enkele verantwoording. Wij wensen de hogeschool slechts toe, dat het haar in de toekomst (wel) goed zal gaan.

door nummering van 1, 2, 3 enz. tenminste zoveel voorkeuren aangeeft als er zetels in zijn groep te verdelen zijn. Maar men mag ook verder gaan in het aangeven van zijn voorkeur en eventueel alle kandidaten een nummer geven. Dat heeft ook alle zin: want in het stelsel van de enkele direct overdraagbare stem speelt bij de verkiezing van die kandidaten, die niet onmiddellijk de kiesdeler hebben behaald, elke getalsmatige aanwijzing van een voorkeur een rol. Een uitvoerige uiteenzetting omtrent de wijze van verkiezing vindt u in het artikel van de heer Weijers. Ik hoop dat na de verkiezing de volledige raad van 24 leden er inderdaad zal zijn. H. W. J. Bosman

verschijnt tweewekelijks extra uitgave - 9 april 1971


Het kiesstelsel van de enkele overdraagbare stem

tilburgs hogeschoolblad OFFICIEEL ORGAAN VAN DE KATHOLIEKE HOGESCHOOL TILBURG Cverschijnt tweewekelijks) Redaktle Drs G A M

van den Heuvel

Medewerkers C Brinkhuizen F Godfrey Adviseur Hoofd Bureau Public Relations Redaktle-adres Hogeschoollaan 225, Tilburg Telefoon 70960, toestel 111, kamer N 71 Fotografie Persbureau Rien Siers, Tilburg Druk Grafische Kunstinrichting J J A van der Wee n v , Tilburg Kopij -Hst eerstvolgende nummer verschijnt op 16 april. De inzendtermijn voor alle kopij voor dit nummer sluit op 9 april. Slechts getypte kopij wordt in behandeling genomen

Vooruitlopend op de nadere regeling met betrekking tot de vaststelling van de verkiezingsuitslag, kan nu reeds gewezen worden op enkele belangrijke punten In artikel 13 van de Regeling der verzieking van de EHR wordt het stelsel van de enkele overdraagbare stem van toepassing verklaard voor de vaststelling van de uitslag. Dit stelsel is door de werkgroep In 't Veld voorgesteld als het kiesstelsel van de openbare universiteiten en hogescholen. Het zal bij algemene maatregel van bestuur voor deze instellingen worden voorgeschreven. Omdat het stelsel - hoewel ingewikkeld wat betreft de verdeling van zetels over die kandidaten die de kiesdeler niet hebben gehaald - grote voordelen heeft wegens de doorwerking van de stem van de kiezer, is ook in Tilburg de voorkeur n a a r dit stelsel uitgegaan. De meest opvallende voordelen zijn de volgende: 1 Het systeem biedt de kiezer een maximale vrijheid van keuze. Niet belemmerd door parti] en of hjstgrenzen kan de kiezer meerdere kandidaten m volgorde van zijn voorkeur aangeven Hl] 18 er hierbi] zeker van dat het aangeven van verdere voorkeuren niet ten nadele kan werken van de met eerdere voorkeuren aangegeven kandidaten De kiezer bepaalt namelijk zelf hoe zijn stem, m geval van een teveel aan stemmen van een reeds gekozen verklaarde kandidaat - dat wil zeggen een kandi daat die de kiesdeler gehaald heeft of bij het afvallen van een kansloze kandidaat, moet worden overgedragen 2 Het gebruik van de enkele overdraag bare stem resulteert m een zo goed mogelijke evenredige vertegenwoordiging.

Kiesdeler

Hoe geschiedt de stemming? De kiezer krijgt een oproepkaart thuis vergezeld van een lijstje waarop de kandidaten vermeld staan. Bij het stembureau waar de oproepkaart ingeleverd dient te worden, ontvangt de kiezer een stembiljet, dat de kleur draagt van de faculteit waartoe de kiezer behoort en waarop de kandidaten vermeld staan, die tot dezelfde (faculteits) geleding behoren als de kiezer. Een kiezer kan slechts stemmen op die kandidaten, die behoren tot dezelfde geleding als de kiezer!

Hierboven werd reeds enkele malen het begrip kiesdeler gehanteerd, terwijl m artikel 13 lid 3 van de Regeling van de verkiezing EHR zelfs gesproken wordt van de minimale kiesdeler van Droop Het lijkt mij dienstig hier een nadere verduidelijking te geven Voorop gesteld dient te worden dat zij die de kiesdeler hebben gehaald - ongeacht de wijze waarop de kiesdeler bepaald wordt - doordat zij voldoende malen de voorkeur 1 verkregen hebben terstond verkozen zijn De kiesdeler die m ons stelsel van toepassing IS, kan als volgt gedefinieerd worden „het kleinste getal waarbij het niet mogelijk is dat er meer kandidaten gekozen worden dan er zetels te verdelen zijn" Deze kiesdeler is lager dan die welke toegepast wordt bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer, Provinciale Staten en de Gemeenteraad Ter verduidelijking het volgende voorbeeld ontleend aan de realiteit van de hogeschool Het wetenschappelijk personeel van de

sociale faculteit heeft recht op 3 zetels Er zijn 51 kiesgerechtigden Stel, 45 kiezers nemen deel aan de stemming Het kleinste getal dat door niet meer kandidaten dan er plaatsen te vervullen zijn, kan worden verkregen is 45/4, verhoogd tot het naast hogere gehele getal, dus 12 Immers, 1125 stemmen kan door 4 kandidaten worden behaald 12 slechts door 3 Men deelt dus het aantal uitgebrachte stemmen door een meer dan er plaatsen vervuld moeten worden en verhoogt de uitkomst tot het naast hogere gehele getal Men zou dit getal ook zeer wel „volstrekte zeker heid of „vereiste meerderheid ' kunnen noemen Men pleegt hier echter te spre ken van de kiesdeler en wel van de kiesdeler van Droop BIJ de gebruikelijke politiek verkiezingen zou de kiesdeler zijn 45/3 = 15, zodat een kandidaat ruim 3 stemmen meer nodig zou hebben om verkozen te worden Een voordeel van onze ook wel geheten „minimale" kiesdeler is (dus) het feit dat een kandidaat eerder ver kozen verklaard kan worden, hetgeen vooral bij verkiezingen m kleine ge meenschappen - bijv hogeschoolraad verkiezingen - een factor van betekenis kan zijn

Overdracht van de stem W a a r het op aan komt is dus dat iemand die m de wetenschappelijke ge ledmg van de sociale faculteit 12 maal de voorkeur 1 verworven heeft, m ieder geval gekozen is Stel dat een kandidaat niet 12 - om bij het voorbeeld te blijven - m a a r 25 maal de voorkeur 1 gekregen heeft Dit teveel van 13 stemmen is voor hem waardeloos en moet op een andere kandidaat worden overgedragen We hebben immers te doen met het stelsel van de enkele „overdraagbare" stem


Hoe geschiedt dit nu? De kiezer heeft op zijn stembiljet meerdere kandidaten naar volgorde van zijn voorkeur genummerd, bijvoorbeeld kandidaat F met voorkeur 1, P met voorkeur 2 enz In ons stelsel heeft de stemmenoverdracht altijd plaats op de kandidaat, die de kiezer zelf voor die overdracht heeft aangewezen Heeft kandidaat F dus 13 teveel eerste-voorkeurstemmen, dan worden de biljetten waarop hij de eerste voorkeur is, opnieuw nagegaan, om te ontdekken wie de tweede-voorkeuren van deze kiezers zijn Het zou dus kunnen zijn dat van de 25 stemmen met eerste-voorkeur F, P 14 maal de tweedevoorkeur heeft gekregen, C 8 maal en N 3 maal, of anders uitgedrukt14 X FP 8 X FC 3 X FN F heeft 25 maal voorkeur 1, dat wil zeggen 13 of 13 = 0,52 C52 %) meer ~25~ verkregen dan de kiesdeler Cl2). F is verkozen. De stembiljetten worden minderde stemwaarde aan de kandidaat, welke als volgende voorkeur is In het voorbeeld:

nu - met verovergedragen door de kiezer aangegeven

Doordat F aan 48 % van de op hem uitgebrachte stemmen voldoende zou hebben gehad, wordt de stem van de kiezers, die F op de eerste plaats gezet hadden, als volgt verdeeld. 0,48 voor F en 0,52 voor de volgende voorkeuze. Dit betekent dat bij overdracht, P 14 x 0,52 = 7,28, C S X 0,52 = 4,16 en N 3 X 0,52 = 1,56 stemmen van F krijgen. Had bijvoorbeeld P zelf reeds 5 eerste voorkeuren gekregen, dan brengt deze overdracht hem op een totaal van 12,28, wat dus betekent dat ook hij nu de kiesdeler (12) gehaald heeft en zodoende verkozen is Zijn na deze eerste overdracht nog niet alle zetels bezet, dan vindt de volgende berekening plaatsDe kandidaat die na de overdracht het kleinste aantal stemmen heeft, wordt afgewezen De stemmen, welke aan deze kandidaat waren toegewezen, worden - met onverminderde stemwaarde overgedragen aan de kandidaten, die op de betreffende stembiljetten met een eerstvolgende voorkeur waren aangegeven. Deze toewijzing geschiedt verder op dezelfde wijze als bij de eerste overdracht. Hierbij dient nog opgemerkt te worden dat bij een overdracht van stemmen die kandidaten worden genegeerd, die hetzij in eerste instantie, hetzij bij een voorgaande overdracht een aantal stemmen hebben gekregen groter dan of gelijk aan de kiesdeler. Deze procedure wordt zolang herhaald totdat zoveel kandidaten verkozen zijn verklaard als er plaatsen te vervullen zijn Is echter het aantal overgebleven kandidaten gelijk aan het aantal nog te verkiezen kandidaten, dan worden deze kandidaten allen verkozen verklaard.

Het zal een ieder wel duidelijk zijn dat, wil een kiezer zijn stem volledig benutten, het zaak is, zoveel voorkeuren kenbaar te maken op het stembiljet als er kandidaten zijn Wanneer men bijvoorbeeld slechts één voorkeur heeft kenbaar gemaakt (kandidaat F) en deze kandidaat zou ruimschoots de kiesdeler halen, dan heeft deze kiezer verder geen invloed meer op hetgeen er met het stemmen-overschot van deze reeds verkozen verklaarde kandidaat gebeurt Dit immers wordt overgedragen n a a r de kandidaat, die door de kiezer als volgende voorkeur is aangegeven Wanneer nu een kiezer deze volgende kandidaat niet heeft aangewezen 18 zijn stembiljet uitgeput en wordt terzijde gelegd Heeft hij daarentegen nog meerdere voorkeuren aangegeven, dan spreekt hij een woordje mee, bij welke kandida(a)t(en) het overschot terecht komt, kortom, bij volledige doornummering kan de kiezer zijn stem (recht) voor 100 % benutten. Voorbeeld:

Kandidaten: F C

3

P

4

N

5

K

6

W

7

B

8

T

9

L

10

S

11

I

Wetenschappelijk personeel economische faculteit Storm, C. M Klok, H. J Bemelmans, T M A. Plattel, M. G. Rijk, M. C van Dijck, J E A M

Wetenschappelijk personeel sociale faculteit van den Eerenbeemt, dr. H F. J. M Vladar, L V Vermeulen, A. W. P M. van Erp, H. H.

Hobert-Brekelmans, mevr N W C M van den Bergh, J G Willemen, mej. C. A. C M. Huijben, N. J. M van Reeken, drs A. J Kuijpers, N P. Geleijns, M J. van Boxmeer, M A. J. Pijnenborg, J J C. Hiemstra, mej M E. Ermen, mej M J C A

STEMBILJET VERKIEZING EERSTE HOGESCHOOLRAAD

1

voor de E.H.R.-verkiezing

Niet-wetenschappelijk personeel

KATHOLIEKE HOGESCHOOL TILBURG

2

Kandidatenlijst

Studenten economische faculteit Knoben, L. G. W Brouwers, A H. M Voeten, M. M. A J. Zijlstra, F. A. Latjes, A. A. J van der Hilst, J. Huijnen, J H M. Luijten, A L J. M.

Stucdenten sociale faculteit 1

2

3 4

5

6

1

8

9

10

11

2

4

8

7

5

11

9

7

6

10

3

4 De nummers van de kandidaten invullen in volgorde van uw voorkeur

De kiezer ontvangt een stembiljet waarop de kandidaten vermeld staan die tot dezelfde geleding behoren als de kiezer. De volgorde der namen is door loting bepaald De kiezer vult vervolgens de nummers van de kandidaten in, in volgorde van

van EIteren, M. C. M. de Reyke, P A M.

Stu(denten juriedische faculteit van der Velden, C. H. C. G. M. Calls, J C. M Huijbregts, A. M. J

Stemming op 21 en 22 april 1971 Stembureau's: 1 hal vóór aula KH 2 studentensporthal

(vervolg op pagina 13)

3

thb 15a - extra uitgave - 9 april 1971


Kandidaten wetenschappelijk personeel ekonomische fakulteit

elke instantie m en buiten de hogeschool m gesprek treden ten aanzien van hogeschoolproblemen Als speciale rol van de eerste Hogeschoolraad zie ik bovendien het be werkstelligen van democratisering m de kleinere werkeenheden, opdat m een latere fase de Hogeschoolraad een haast vanzelfsprekend verlengstuk van deze eenheden worde Op 1 december 1970 zei Veringa m de Eerste Kamer dat ,,met de strekking van de wet is bedoeld, dat het m de eerste plaats om democratisering, m de tweede plaats om de doelmatigheid en m de derde plaats om het hooghouden en het handhaven van het niveau van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek" Ik onderschrijf deze strekking ten volle Bovendien ben ik van mening dat er

- -H.J. Klok wetenschappelijk medewerker voor de algemene leer en geschiedenis van de ekonomie.

Th M. A. Bemelmans Th. M. A. Bemelmans, geb. 24 februari 1943. Wetenschappelijk medewerker in de bedrijfseconometrie.

C. M. Storm hoogleraar In de bedrijfsekonomle. 1

i

>-

M. G. Plattel

M C. Rijk De heer M. C. Rijk, geboren 25 september 1931, studeerde wijsbegeerte aan de universiteiten Leuven (licentiaat), Sorbonne en Nijmegen (doctoraal). Hij Is wetenschappelijk medewerker wijsbegeerte aan de economische faculteit. De Hogeschoolraad heeft mijns inziens als belangrijkste functie het langs de weg van coĂśrdinatie trachten te realiseren van datgene wat door kleinere eenheden - faculteiten, werk-, vak- en andere groepen - wordt nagestreefd Zij moet functioneren als een forum, dat voor iedereen toegankelijk is Men treft er vertegenwoordigers uit alle geledingen aan Via deze raad kan men met

M. G. Platte!: Zelf geen kandidaat gesteld, maar op verzoek kandidaat gesteld.

slechts vanuit een democratisch uit gangspunt een juiste visie ontwikkeld kan worden op de inhoud van de begrippen ,,doelmatigheid' en ,,hoog niveau" Genoemde „strekking" heeft mijns m ziens inderdaad een concrete gestalte gekregen m de WUB Intussen hoop ik wel dat deze WUB nog slechts de voor bode van en het middel tot een veel fundamentele democratisering is

4

J. E. A. M. van Dijck Prof. J. E. A. M. van DIjck, geboren 26 november 1923. Examen Rijksbelastingacademie 1946. Examen candldaatnotaris 1947. Tot 1956 Inspecteur van 's Rijksbelastingen. Daarna lector en hoogleraar In het belastingrecht. Voorzitter Stichting Studentenhuisvesting; voorzitter Subcommissie; voorzitter Fis-


mm Kandidaten Wetenschappelijk personeel sociale fakulteit

W a a r het oude verstard is, zal een nega tief defensieve houding tegenover het nieuwe dienen te verdwijnen Op zoek n a a r de v e n n d e r m g die de moderne tijd verlangt, moet de hogeschool een plaats zijn waar ruimte is voor een permanente discussie over en onderzoek van allerlei ideeĂŤn en levenshoudingen In plaats van een kil service-mstituut van kennisoverdracht zal deze instelling zowel n a a r binnen als n a a r buiten inspirerend moeten gaan werken

caal instituut Tilburg; bestuurslid J. F. Kennedy-lnstituut; lid Hogesclioolbladcommissie; secretaris en pro-rector van de senaat in de jaren 1967/'69.

Voorstander van democratisering van het hoger onderwijs Meent dat de wetVeringa - ondanks de daaraan klevende gebreken - hiervoor goede mogehjkheden biedt

H.F.J.M, van den Eerenbeemt H. F. J. M. van den Eerenbeemt, geboren 1 januari 1930. Sedert 1956 lector en vanaf 1961 hoogleraar politieke, sociale en economische geschiedenis.

uari r in

gege-

grafische kunstinrichting )ren 'lasa atvan en ooring;

j. |. a. van der wee n.v7 i(oestraat 83-85 tilburg

Van 1961/'64 secretaris van de sociale faculteit; 1964/'65 secretaris van de academische senaat; 1965/'66 rectormagnificus; 1986/'67 prorector; vanaf 1 januari 1971 opnieuw secretaris van de sociale faculteit. Naast deze en andere organisatorische functies in hogeschoolverband heeft hij samen met de studenten vanaf 1959 een aantal initiatieven ontwikkeld, gericht op het doorbreken van het besloten hogeschoolwereldje. Niet zozeer praten, maar samen doen is naar zijn mening de juiste basis om de weg naar de toekomst te vinden.

De belangrijkste taak van de Hogeschoolraad is n a a r zijn visie die van het scheppen van een open klimaat, waarin plaats is voor een kritische controle van beleid en handelen van het bestuur Tegelijk moet daar de basis gelegd worden voor meer mogelijkheden tot dynamiek en creativiteit van alle groeperingen

L V . Vladar Drs. L V. Vladar, geboren 8 oktober 1922 in Tsjechoslowakije. Na een verblijf van 14 maanden in Nederland in 1947 geĂŤmigreerd naar Latijns-Amerika. In september 1955 teruggekeerd naar Nederland. Sindsdien hier met zijn gezin definitief gevestigd. Sinds september 1968 als wetenschappelijk hoofdmedewerker verbonden aan de sociale faculteit en sinds september 1970 o n derwijsopdracht in het kader van het

Fist h b 15a

extra uitgave

9 april 1971


Wat betreft de interne organisatie is het bestuur van de hogeschool voornamelijk voorwaardenscheppend. De afdelingen en faculteiten zullen zich zo autonoom mogelijk moeten kunnen ontwikkelen, waarvoor het bestuur de voorwaarden schept en ervoor waakt dat de ontwikkelingen aansluiten bij de in de wet vastgelegde taken van de hogeschool.

studievak „sociologie van de ruimtelijke ordening". In mei 1969 gekozen tot voorzitter van het Stafconvent en in oktober 1970 herkozen voor dezelfde functie. Over de ideeën, welke het beleid van deze beide besturen van het Stafconvent vanaf 1 mei 1969 hebben bezield en dat ook verder doen, en over de opvattingen en de ingenomen standpunten, hoef ik bij deze gelegenheid niet verder in te gaan. Ik zou wel graag vermelden dat ik aan dezelfde ideeën ook als kandidaat en later eventueel als lid van de eerste Hogeschoolraad trouw blijven wil. De taak en de verantwoordelijkheden van een lid van de eerste Hogeschoolraad zijn echter heel anders dan die van voorzitter van een geleding. Ofschoon alleen door eigen geleding gekozen is het lid van de Hogeschoolraad (moreel) verplicht de belangen van de gehele hogeschoolgemeenschap n a a r zijn geweten te behartigen en daarvoor is hij weer (moreel) verantwoordelijk tegenover deze gehele gemeenschap. Behalve de taken van de eerste Hogeschoolraad volgens de WUB 1970, welke zeker voldoende bekend zijn om niet nog eens hier daarover te moeten schrijven, zal onze eerste Hogeschoolraad nog specifieke problemen moeten oplossen. Om slechts enkele te noemen: - een rechtspositieregeling voor alle medewerkers (werknemers) aan de hogeschool, welke een optimaal evenwicht tussen rechten en plichten en een maatschappelijk verantwoorde herwaardering van alle taken en alle functies nastreeft, om tot een grotere nivellering te komen-, geen nivellering echter n a a r beneden, m a a r n a a r boven; - positie, samenstelling en benoemingsprocedure van de leden van de Stichting Katholieke Hogeschool (Stichting te vergelijken met de positie en de invloed van „Onze Minister" volgens de WUB 1970); tegenover de huidige benoemingsprocedure op basis van coöptatie kunnen als alternatieven gesteld worden: ,,na overleg met de EHR", ,,in overleg met de EHR" of „op voordracht van de EHR"; - uitbouw van de KHT in overeenstemming met de behoefte aan regionale spreiding van een meer gedifferentieerd wetenschappelijk onderwijs in NoordBrabant (bijvoorbeeld een faculteit voor letteren); - in samenwerking met de TH Eindhoven te streven n a a r een steeds grotere integratie op basis voor een Rijksuniversiteit in Noord-Brabant; - bevordering van een gunstig klimaat en streven n a a r voldoende middelen voor de uitoefening van wetenschappelijk verantwoord en maatschappelijk relevant onderwijs en onderzoek als de primaire taak van de hogeschool.

Het bestuur heeft de taak zorg te dragen voor een verdergaande democratisering van de hogeschool. De wetVeringa is niet meer dan een kader waarbinnen dit kan geschieden. De doelmatigheid en de verantwoordelijkheid ten aanzien van de taken van de hogeschool zullen in het bestuursbeleid doorslaggevend moeten zijn.

A. W. P. M. Vermeulen Arie W. P. M. Vermeulen, geboren te Tilburg 1942. Eindexamen HBS-B 1959 aan het Pauluslyceum Tilburg; 1959/'60 assistent bij het Economisch Technologisch Instituut Noord-Brabant; 1960/'67 sociologiestudie aan de Katholieke Hogeschool; 1963/'64 secretaris TSS Pendragon; 1964/'65 voorzitter TSS Pendragon; 1965/'67 student-assistent bij het Instituut voor Arbeidsvraagstukken; 1967/'69 medewerker IVA; sinds 1969 secretaris IVA/adjunct-secretaris SI; lid van de Bouw- en inrichtingscommissie van de hogeschool; lid/rapporteur van de ad hoc commissie „Samenwerking Onderzoeksinstituten". Een instelling voor hoger heeft een drievoudige taak:

onderwijs

1 het is een opleidingsinstituut 2 een instituut voor wetenschapsbeoefening 3 een instituut dat mede richting geeft aan de structurering van de maatschappij. Het bestuur van de hogeschool dient ervoor te waken dat deze taken n a a r behoren worden vervuld. Zij zal extra aandacht moeten schenken aan de wetenschapsbeoefening. Het onderzoek dreigt in het gedrang te komen door de eisen die aan het onderwijs worden gesteld. De uitbouw van de Brabantse hogescholen tot een Brabantse universiteit verdient hoge prioriteit. In dit verband zullen ook de steden Breda en 's-Hertogenbosch bij het overleg betrokken moeten worden, zodat op de duur een spreiding van faculteiten over de Brabantse steden ontstaat, die in een soort federatief verband de ,,Brabantse Universiteit" vormen.

6

H. H. van Erp De heer H. H. van Erp, geboren in 1943, studeerde in Nijmegen rechten en wijsbegeerte en behaalde in dit laatste vak in september 1970 zijn doktoraal eksamen. Sindsdien is hij werkzaam als wetenschappelijk medewerker aan de sociale fakulteit, ter assistentie van prof. J. Arntz bij diens leeropdracht inleiding in de wijsbegeerte en sociale wijsbegeerte. Zijn belangstelling gaat met name uit naar een kritische voortzetting van de dialektische filosofie (vanaf Hegel) en de bronnen ervan in


I

het denken van de verlichting (vooral Kant).

Hij is niet van mening dat onze maatschappij zozeer in zijn strukturen is verstard, dat alleen door een toenemende polarisering en plotselinge radikale omwenteling nieuwe idealen kunnen worden gerealiseerd, of meent dat het in ieder geval de moeite loont om te trachten deze hypothese te weerleggen. Het besef dat de mensen zélf de bestaande strukturen in stand houden, en er niet alleen maar door worden beheersd, moet ook leiden tot het besef dat men die strukturen met wat meer fantasie, durf en vooral wat opoffering kan veranderen. Om dit besef te verwerven is het noodzakelijk dat de beleidsbeslissingen openbaar worden gemaakt, gemotiveerd en bediskussieerd. Voor de leden van de Hogeschoolraad is in eerste instantie dan ook niet van

belang dat ze goede bestuurders zijn, m a a r dat zij de gelegenheid nemen om de deskundigheid en de visie van de bestuurders ter diskussie stellen. De laatsten hebben niet a priori recht op het vertrouwen van de bestuurders: zij moeten dit vertrouwen voortdurend waarmaken en zich dus ten opzichte van hen verantwoorden. De eigen verantwoordelijkheid van de bestuurder, hoogleraar of deskundige wordt vaak als een schild tegen kontrole en kritiek gebruikt. Hij is echter niet alleen verantwoordelijk tegenover zijn eigen geweten of beroeps-ethos, m a a r heeft evenals zijn daden óók dat geweten te verantwoorden tegenover zijn medemens.

gehanteerd. Bij de vaststelling van het bestuursreglement en het kiesreglement zal in grote lijnen aansluiting gezocht moeten worden bij hetgeen thans in Tilburg reeds is gegroeid. W a t de faculteitsraden aangaat zal nader moeten worden onderzocht of niet een systeem van vakgroepsgewijze vertegenwoordiging de voorkeur verdient.

In dit scheppen van een gezamenlijk verantwoordelijkheidsbesef ligt volgens H. van Erp de eerste taak van de Hogeschoolraad. In het nemen van konkrete beslissingen moet dit worden gevormd en voortdurend getest.

Wetenschappelijk personeel juridische fakultelt Voor het wetenschappelijk personeel juridische faculteit hoeft geen stemming gehouden te worden. Deze geleding heeft voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 8, lid 3, Regeling van de verkiezing van de eerste Hogeschoolraad. Deze regeling bepaalt dat, wanneer in een geleding het aantal gestelde kandidaten het aantal voor die geleding bestemde zetels niet te boven gaat en alle kandidaten gesteld zijn door tenminste 55 % van de kiesgerechtigden van die geleding, een stemming achterwege blijft.

A. K. Koekkoek Mr. A. K. Koekkoek, 26 jaar. W e t e n schappelijk medewerker voor staatsrecht en vergelijkend staatsrecht.

Wordt de eerste Hogeschoolraad een machteloos praatcollege? Ik hoop van niet. De Hogeschoolraad dient niet alleen het college van bestuur te controleren, maar ook actief het beleid mee te bepalen. Hievoor is nodig dat de raad zo snel mogelijk zijn eerste werk afhandelt: benoeming van de niet-universitaire leden en het maken van een bestuurs- en kiesreglement. De raad kan dan voldoende aandacht schenken aan de hem toevertrouwde taken.

De heren Van der Burg en Koekkoek hebben aan deze voorwaarden voldaan, aangezien hun kandidaatstelling geschiedde door 15 personen op een aantal van 36 kiesgerechtigden.

F. H. van der Burg F. H. van der Burg, geboren 9 augustus 1930, gehuwd, twee kinderen. Hoogleraar staats- en administratief recht; secretaris van de juridische faculteit. Nevenbetrekking: lidmaatschap van de Sociale Verzekeringsraad.

De verantwoordelijkheid voor de coördinatie en de organisatie van onderwijs en onderzoek ligt volgens de Wet Universitaire Bestuurshervorming bij de faculteitsraden. Wat onderwijs en onderzoek aangaat zullen de faculteits-

raden de belangrijkste organen zijn. Het is de taak van de Hogeschoolraad er voor te zorgen dat de in de faculteitsraden levende opvattingen over onderwijs en onderzoek zo goed mogelijk doordringen in het financiële en organisatorische beleid van de hogeschool. De bevoegdheid van de raad het ontwikkelingsplan, het financieel schema op te stellen moeten in die zin worden

Verder vind ik het voor een goede werking van de Hogeschoolraad nodig dat de geledingen zich niet tegenover elkaar opstellen, maar met elkaar het belang van de gehele hogeschool zoeken. De leden van de raad die in een bepaalde faculteit zijn gekozen, moeten zich ook niet als belangenvertegenwoordigers van deze faculteit beschouwen, al kunnen zij uiteraard de wensen van hun faculteit n a a r voren brengen. De leden dienen in de eerste plaats het belang van de hogeschool in h a a r geheel, niet dat van een geleding of van een faculteit. Hiervan uitgaande zal de eerste Hogeschoolraad vruchtbaar kunnen werken.

thb 15a - extra uitgave - 9 april 1971


Kandidaten niet-wetenschappelijk personeel

Naar aanleiding van het verschijnen van een verkiezingslcrant werd aan ieder van de kandidaten voor de eerste Hogeschoolraad verzocht enige persoonsgegevens te verstrekken en zo mogelijk zijn standpunt met betrekking tot de ontwikkeling en het bestuur van de hogeschool weer te geven. De kandidaten van de ATG - het organisatorisch verband van het niet-wetenschappelijke of „overige" personeel hebben ten aanzien van de laatste vraag gezamenlijk overleg gepleegd. Hieruit is gebleken dat men het niet noodzakelijk vond dat ieder afzonderlijk een eigen mening zou weergeven, omdat hierover een grote mate van overeenstemming bestaat. Om dit positief gegeven zoveel mogelijk te benadrukken vindt men een gezamenlijke verklaring, zoals hieronder weergegeven, meer ter zake dienende. Hoewel de invoering van de WUB een hogeschoolstructuur waarin het recht op inspraak en het medebeslissen over hogeschoolaangelegenheden zal worden gerealiseerd en gewaarborgd, niet zonder meer mogelijk maakt - het bezwaar dat de positie en de organisatie van de dienst- en beheerseenheden aan de basis zowel in als buiten de faculteiten geheel wordt opengelaten, en dat alleen de

dienstbaarheid van de diensten aan onderwijs en onderzoek wordt benadrukt, blijft onverkort gehandhaafd acht de ATG de WUB toch een zekere stap in de richting van werkelijke democratisering van de verhoudingen. In dit licht zal de ATG in de Hogeschoolraad proberen een duidelijke inbreng vanuit en met de eigen geleding te realiseren in het algemeen belang van de hogeschoolgemeenschap. Door zitting te nemen in de Hogeschoolraad, om zo de eigen inbreng n a a r voren te kunnen brengen, hoopt de ATG de grondgedachten van de WUB, te distilleren uit de Memorie van ToeHchting, samen met de andere geledingen tot werkelijkheid te brengen. Deze grondgedachten zijn eenheid en duidelijkheid van bestuur, de gedachte dat geen enkele geleding op voorhand het recht van medebeslissen in de bestuursorganen op welk niveau dan ook zou mogen worden onthouden, dat de werksituatie het uitgangspunt zou moeten zijn bij de opbouw van de nieuwe universitaire organisatie en dat alle belanghebbenden zoveel mogelijk bij het bestuur van de universiteit en h a a r organen betrokken zouden moeten worden en tenslotte dat een voldoende inbreng van deskundigheid zou moeten worden gegarandeerd.

Mevr. N. Hobert Mevr. N. M. W. C. Hobert-Brekelmans, geboren 8 december 1938. Medewerkster secretariaat van Curatoren, afdeling public relations, met ingang van april 1988.

J. G. van den Bergh J. G. van den Bergh, geboren 16 mei 1912. Benoemd bij Technische Dienst Katholieke Hogeschool met ingang van september 1966 met als functie directeur „Studentenhuisvesting"; adviseur stichting „Eigen Huis"; lid stichting Onderhoud Tongerlose Hoef; bestuurslid ATG vanaf december 1969; namens ATG lid Bouwcommissie tweede nieuwbouw.

8

Mej. C . A . C . M. Willemen Mej. C. A. C. M. Willemen, geboren 27 mei 1947. Medewerkster Bibliotheek: alfabetisch catalogusbureau met ingang van december 1968; belast met beheer van de alfabetische catalogus en de titelbeschrijving van tijdschriftartikelen en boekbesprekingen; verstrekt inlichtingen omtrent het gebruik van de alfabetische catalogus; volgt de G0-A3cursus te Amsterdam.

N. J. M. Huyben N. J. M. Huyben, geboren 28 november 1944. Medewerker secretariaat van curatoren: personeelszaken met ingang van december 1969; lid ATG-bestuur vanaf juni 1970; namens ATG afgevaardigde in het Landelijk Overlegorgaan.


I

A. J. van Reeken

M. J. Geleijns

A. J. van Reeken, geboren 30 april 1938. Directeur Rekencentrum; met ingang van juni 1963 in dienst Katholieke Hogeschool; afgestudeerd aan de Katholieke Hogeschool economische faculteit in augustus 1970; mede-initiatiefnemer inzake het gestalte geven aan de ATG; namens ATG lid van de technische werkgroep Structuur.

M. J. Geleijns, geboren 12 juli 1946. Met ingang van maart 1971 werkzaam als statistisch medewerker op het Sociologisch Instituut; voordien vanaf april 1969 werkzaam op het Rekencentrum als programmeur.

J. J. C. Pijnenborg, geboren 4 maart 1940. Medewerker bureau Economische Faculteit met ingang van februari 1970; voordien vanaf november 1963 medewerker (pedel) administratie bureau Senaat; lid ATG-bestuur (voorzitter) vanaf juni 1970; namens ATG afgevaardigde In het Landelijk Overlegorgaan; namens ATG lid van de technische werkgroep Structuur.

M. A. J. van Boxmeer

Mej. M. E. Hiemstra

M. A. J. van Boxmeer, geboren 27 juni 1943. Medewerker (pedel) administratie bureau Senaat met ingang van februari 1970.

Mej. M. E. Hiemstra, geboren 16 januari 1948. Dokumentatiste bij de Sociale Faculteit met ingang van september 1969.

N. P. Kuypers N. P. Kuypers, geboren 30 juli 1921. Hoofd Technische en Huishoudelijke Dienst met ingang van juli 1961; medeinitiatiefnemer inzake het gestalte geven aan de ATG.

J. C. Pijnenborg

t h b 15a - extra uitgave

9 april 1971


Mej. M. J. C. A. Ermen M e j . M. J. C. A. Ermen, geboren 2 fe­ bruari 1936. Medewerkster secretariaat van Curatoren: begrotingszaicen, met ingang van september 1963; mede­ini­ tiatiefneemster inzake het gestalte ge­ ven aan de A T G ; lid ATG­bestuur (voor­ zitster) van april 1969 tot juni 1970; namens ATG lid van Structuurcommis­ sie (juni tot december 1969); namens ATG lid van de werkcommissie A f d e ­ lingsoverleg; namens ATG afgevaardig­ de in het Landelijk Overlegorgaan.

Kandidaten studenten ekonomische fakulteit

1 dat besluiten genomen worden in overleg, op basis van gelijkheid; 2 dat gestreefd wordt n a a r een zo breed mogelijke samenwerking. Om dit mogelijk te maken doe ik een beroep op ieders actieve deelname. Nota­Posthumus inzake de studieduurverkorting Tegen de inhoud van deze nota moet ik mij krachtig verzetten: 1 de studie wordt een stoomcursus, 2 het studiepakket wordt te eenzijdig, 3 de activerende en kritischmakende functie van de studie wordt aange­ tast; 4 iedereen die ambities en capaciteiten heeft inzake wetenschappelijk onder­ zoek moet hiertoe in staat gesteld worden en niet een van te voren vast­ gesteld percentage; 5 de financiering uit eigen middelen van een eventuele post­doctorale stu­ die leidt tot een zekere vorm van discriminatie. Betere resultaten kunnen verkregen worden door herprogrammering van de studie binnen het huidige tijdschema. Eerste voorwaarde hierbij zal zijn, dat het doel van de studie aan een kritische beschouwing onderworpen wordt. Bovendien zal het eerste jaar, nog meer als thans het geval is, in plaats van een studie­karakter een informerend en mo­ tiverend karakter moeten krijgen. •■p'^­i.*"­

kelingsproblematiek en maatschappe­ lijke ordening. Bekleedde tot dusver geen functie in hogeschoolverband.

Meningen omtrent de bestuurlijke ont­ wikkeling­ Wet Universitaire Bestuurshervorinmg Deze wet biedt de mogelijkheid om bin­ nen de hogeschool meer inspraak en medebeslissingsrecht voor studenten te verwezrenlijken, dan tot dusver mogelijk was. Deze mogelijkheid tot een zekere mate van democratisering moet ten volle worden benut.

'9

/«y*i?3

L G. W. Knoben L. G. W. Knoben, Joost van den Mortel­ straat 7, Tilburg. Roepnaam: Leon, geboren 27 januari 1950, thans derdejaars econoom met speciale belangstelling voor de ontwik­

Echter is de invloed van studenten op de inhoud van het onderwijs en de rich­ ting van het wetenschappelijk onder­ zoek ook in de nieuwe structuur mini­ maal. V an een echte democratisering kan pas sprake zijn, als ook hier de studenten inspraak krijgen, met andere woorden als de hogeschool inzake on­ derwijs en onderzoek autonomie heeft. Hier moet krachtig n a a a r worden ge­ streefd. De bestuursstructuur zoals die momen­ teel verwezenlijkt gaat worden, is mijns inziens dus een stap in de goede rich­ ting, m a a r het is noodzakelijk, dat wij blijven streven n a a r vervolmaking en uitbouw van deze structuur, om zodoen­ de te komen tot een voor iedereen aan­ vaardbaar stelsel. In de nieuwe struc­ tuur zullen als uitdrukkelijke voorwaar­ den gelden­

10

A. H . M. Brouwers A. H . M. Brouwers, geboren 7 septem­ ber 1952. Vooropleiding Gymnasium­B. Nu eerstejaarsstudent aan de Econo­ mische Faculteit.

Naar mijn mening kan de Hogeschool­ raad een orgaan worden, waarbinnen


voor de studenten een reële mogelijk­ heid bestaat tot overleg en besluit­ vorming. Dit zal de eerste Hogeschoolraad wor­ den. V andaar kan het beeld, dat op het moment bestaat, niet meer zijn dan een verwachting Juist daardoor zal mede van de studenten afhangen hoe de Hogeschoolraad gaat functioneren Of het een hol orgaan is, dat wordt ge­ bruikt om de schijn van medebeslis­ singsrecht op te houden, of dat het een functioneel orgaan is, waarvan de in­ vloed op het hogeschoolgebeuren duide­ lijk is, zal in eerste instantie afhangen van onze opkomst bij de verkiezingen en m tweede instantie van de activiteit en het enthousiasme van de door ons gekozen studenten. Als eerstejaarsstudent vind ik het uiterst belangrijk, dat juist mijn jaar­ genoten vanaf het eerste moment in de Hogeschoolraad vertegenwoordigd zijn en de ontwikkeling helemaal mee­ maken, omdat wij het zijn die heel onze studie met deze bestuursvorm te maken zullen hebben.

om niet aan de verkiezingen mee te doen. Dit lost de zaak niet op en men wordt er niet wijzer van. Er is mijns inziens alleen kans op een verdere de­ mocratisering van het onderwijs in de toekomst, wanneer de nu geboden kan­ sen ten volle worden uitgebuit. Dit doet men niet door de verkiezingen te boy­ cotten, maar juist door het tegenover­ gestelde, namelijk een massale opkomst. Dit zou de invloed van de raad ten goede komen, omdat ze een echte ver­ tegenwoordiging is van onze hoge­ schoolgemeenschap en wiens besluiten zo maar niet terzijde geschoven of ver­ anderd kunnen worden Voor de toekomst van het bestuur van de hogeschool zie ik voor de studenten nog een verdergaande onderverdeling nodig. In elke fakulteit zouden er vijf jaarraden moeten komen, voor elk jaar van de studieduur één. Deze zouden

moeten bestaan uit studenten en vooral bedoeld om vervreemding met de ge­ kozen personen in de hogeschool­ en fakulteitsraad te voorkomen Maar het vereist wel inspanningen en interesse bij de studenten, wil dit doorgevoerd worden. De toekomstmogelijkheden die ik dus wel aanwezig acht en de overvloed aan tijd, zijn de voornaamste redenen ge­ weest om me kandidaat te stellen.

A. A. J. Latjes Ad Latjes heeft zijn verklaring gemaakt in kombinatie met Ad H uijbregts (zie pagina 14). •*' • •"■"­■' ''.•­">­'*­^?P­y"»""'"' ■

^^Ü­'i­r'

M. Voeten Marcel Voeten, geboren 17 november 1949. Tweedejaarsstudent aan de Eco­ nomische Faculteit. Op 21 en 22 april begint een jaar, waar­ in moet blijken of de medezeggenschap voor de studenten, zoals die geregeld is in de wet­V eringa, een werkelijke stap voorwaarts op het terrein van de demo­ cratisering is of dat het slechts een farce wordt. De beperkende voorwaarden in de reeds genoemde wet zouden het laatste doen verwachten. Dit is voor een groep reden

J. van der H ilst

A. L. J. M. Luyten

J. van der H ilst, geboren 18 december 1943. Gehuwd. Componistenlaan 367 te Tilburg. Derdejaarsstudent econometrie. Lid Studieraad.

A. L. J. M. Luyten, geboren 16 septem­ ber 1950. Eisenhouwerstraat 28 te Til­ burg. Derdejaarsstudent econometrie. Lid Studieraad.

Gezien het feit dat in de laatste jaren het overleg in het slop geraakt is en zich nu de mogelijkheid voordoet om in de nieuwe struktuur mee te praten en mee te beslissen, willen wij deze mogelijkheid graag benutten, omdat wij ervan over­ tuigd zijn dat op basis van redelijk overleg er nog veel te bereiken is. De doel­ stellingen die wij op korte termijn voor ogen hebben zijn: ­ herstel van vertrouwen tussen de betrokken groeperingen ­ betere coördinatie tussen de diverse vakgebieden ­ inschakeling bij researchwerkzaamheden reeds in de kandidaatsfase ­ betere organisatie van hoor­ en werkcolleges. Gezien bovenstaande roepen wij iedereen op om te stemmen, omdat anders de studenten weer „buitenspel" staan.

11

t h b 15a ­ extra uitgave ­ 9 april 1971


T'i"

J. H. M. Huijnen Jos Huijnen, geboren 27 januari 1948. Studierichting algemene economie. Op het ogenblil< geen nevenfuncties In studentenverband. In het verleden lid van de Tilburgse Studenten Raad en van het landelijk dagelijks bestuur van de KSSF/NSSF (staatkundige studentenfederatie).

Kandidaten studenten sociale fakulteit

W a t betreft mijn opvatting over de ontwikkeling en het bestuur van de hogeschool zou ik in dit korte bestek enkel willen stellen dat ik een constructieve samenwerking van alle geledingen, ieder vanuit hun eigen gezichtspunt,' prefereer boven een voortdurende contestatie, met andere woorden luisteren n a a r elkaar meningen en besluiten op basis van rationele overwegingen.

P. A. M. de Reijke

F. A. Zijlstra

De oproepkaarten voor de stemming worden in verband met technische moeilijkheden wat betreft het adressenbestand verzonden op 13 april.

M. C. M. van EIteren, geboren 14 april 1947 Breda. Lid van de PSP. Derdejaars socioloog.

P. A. M. de Reijke, geboren 27 februari 1950 Rotterdam. Vierdejaars socioloog. Student-assistent.

Pas na lang aarzelen heb ik me kandidaat gesteld voor de Hogeschoolraad. Er waren (en zijn) namelijk nogal wat twijfels aan het nut van een eventuele participatie van studenten aan de Hogeschoolraad.

Mijn kandidatuur dient in verband gezien te worden met een stellingname jegens sociale en universitaire problemen welke zich zowel van een bij de gratie van gevestigde algemeen-maatschappelijke verhoudingen opgelegde universitaire struktuur, als ook van een extreme linkse dogmatiek distancieert.

Toch ben ik van mening, dat een „totale weigering" geen zin heeft. Alleen al vanwege de informatie, die men vanuit de Hogeschoolraad kan toespelen aan de achterban en vice versa, verdient het aanbeveling deel te nemen. Als links zijn onder meer betekent „openstaan voor alle informatie die men verkrijgt" (open mind) en niet duidt op een one-track mind, die slechts bepaalde dogma's tot in den treure kan herhalen zonder na te gaan wat zich in de concrete sociale realiteit afspeelt, kies ik vóór deelname aan de Hogeschoolraad.

12

Enerzijds lijkt voorlopig een tegenover het instituut Hogeschoolraad als zodanig kritische, twijfelende houding gepast, ofschoon de verwachtingen in dit stadium nog niet volledig negatief mogen zijn. Anderzijds is de ontwikkeling laakbaar die de studenten-oppositie thans kenmerkt. Zij dreigt te verdogmatiseren als ze zich isoleert van iedere niet-revolutionaire, geleidelijkheid betrachtende hervormingspoging, en dit geldt ook wanneer het slechts een gematigde en inkomplete poging betreft. Door h a a r isolement en dogmatische


opstelling komt ze steeds minder toe aan wezenlijke problemen, hetgeen de reële implikaties van h a a r standpunten minder inzichtelijk maakt. Een oppositie die zich bedient van termen als „de grote weigering", ,,het gans andere" en al h a a r tegenstanders een vals bewustzijn aanmeet, mag geen aanspraak maken op praktische relevantie, terwijl ook een diagnose van aktuele vraagstukken vanuit het jargon van voorzitter Mao geen hout snijdt. Een alternatief is gelegen m een progressief pragmatisme, dat een potentieel zinvolle, onvermijdelijk linkse oppositiestroom weer in zakelijke beddingen laat vloeien, met een bescheiden bijdrage tot welke doelstelling deze kandidaat zijn intenties verbindt.

Kandidaten studenten juridische fakuSteit

(vervolg van pag. 3)

C. van den Velden

J. Calis

zijn voorkeur. Hij kan zoveel voorkeuren aangeven als er kandidaten zijn Wil een kiezer bijvoorbeeld C voorkeur 1 toekennen en N voorkeur 2, dan plaatst hij het n u m m e r 2 onder de voorkeur 1 en het nummer 4 onder de voorkeur 2 enzovoort.

Cees van den Velden, geboren 12 maart 1947 Tilburg. Eerste jaar van inschrijving 1966/'67. Tweedejaars jurist.

Joost Calis, geboren 15 juli 1945 Naarden (N.-H.). Vierdejaars jurist,

Het stelsel van de enkele overdraagbare stem lijkt op het eerste gezicht ingewikkeld. Dit is in zoverre het geval dat de uitslagbepaling voor het Centraal Stembureau nogal wat rekenwerk vereist, hetgeen echter niet opweegt tegen de vele voordelen die het stelsel heeft De kiezer zelf heeft niets anders te doen dan de kandidaten in volgorde van zijn voorkeur te nummeren, waarbij hij er van verzekerd is - n a a r ik hoop aangetoond te hebben - dat zijn stem een grotere invloed op de uitslag heeft, dan bij bijvoorbeeld de politieke verkiezingen van onze vertegenwoordigende lichamen.

1 Deze situatie is beter dan vroeger. We kunnen nu zelf gaan meedenken over en meewerken aan een betere en opener beleidsvorming. Deze kans mogen we niet voorbij laten gaan. Daarom werken we mee.

4 We gaan niet vechten. Samen met de overige leden van de EHR zullen we proberen een goed, open en redelijk beleid te voeren, door redelijk en open tegenover elkaar te zitten, m a a r van onze zijde vastbesloten de studenteninspraak nu ook vorm te geven.

T. Weijers, secretaris Centraal Stembureau

5 Waarom twee in één? Onze ideeën komen vrijwel overeen en samen kunnen we de studenteninvloed allicht groter maken dan alleen. Eenheid maakt macht.

Ideeën over de eerste Hogeschoolraad:

2 Kontakt houden met de achterban. De studentleden van de EHR zullen constant voeling moeten houden met de studentleden in studieraden, vakgroepen en de studenten in de onderscheiden jaren om door middel van gezamenlijk optreden een zo groot mogelijke invloed te krijgen. 3 Iedereen zal mee kunnen en moeten denken. De struktuur omvat u allen. Alleen als u meedenkt en meewerkt, kunnen wij de inspraakmogelijkheden, die de studenten nu geboden worden, ten volle benutten.

13

thb 15a - extra uitgave - 9 april 1971


I DATABANK L. Althusser: Freud und Lacan ƒ 2,10 Dien het Volk, nummer 3, 1971 f 1,— Inhoud: Klassestrijd m België; De volkeren van Indo-China zijn onoverwinnelijk; Het kapitalisme gaat zijn definitieve ondergang tegemoet; De opbouw van een socialistiese universiteit in China, De diktatuur van het proletariaat in China.

c*/ A. Huijbregts

A. Latjes

Ad Huijbregts, geboren 5 mei 1945 te Tilburg. Na MULO en 2 jaar Kweekschool 4 jaar werkzaam op accountantskantoor. In 1966 Staatsexamen HBS-A. Daarna vervulling van militaire dienstplicht. Momenteel doktoraal-student fiskaal-juridische studierichting.

Ad Latjes, geboren 8 augustus 1950 te Amsterdam. Ging in 1961 naar internaat St. Louis te Oudenbosch, waar hij in 5 jaar examen HBS-B behaalde. In 1968 begonnen met de bestudering van de „kapitalistiese" economie. Oprichter en bestuurder van Bemiddelingsburo Buitenland. Is kandidaat voor de geleding studenten ekonomische fakulteit. Bovengenoemde personen namen het initiatief tot oprichting van de studentenparti) „Student 2000", om te trachten de hegemonie van de star d o g m S e en weltfremde MLS in het ATSO-bestuur en TSR te doorbreken. ' ' ° ^ " ' ^ " ' ° ^ ^ ^'^ Aangezien de ATS O en TSR door de op handen zijnde invoering van de Wet ^ V P V W " Bestuurshervorming inmiddels gedegenereerd waren tot absoluu overbodige organen besloten zij af te zien van deelname aan de TSR-verkiezingen m a a r zich kandidaat te stellen als lid voor de eerste Hogeschoolraad ^ '

• f o t ' ^ f h e f h o o S ^ ^ """^ "' ''''^T''' ' " ^ " ' ^"^'"^^ ^ ^ " de hogeschool dient tot op het hoogste mveau gerealiseerd te worden. Derhalve moet n a a r het voorbeeld van Rotterdam en Groningen in het top-orgaan, het colfege van bestuur, minimaal één student worden benoemd; ^""«ge van '

u ^ ° " e d i g mogelyke integratie - eventueel in federatief verband - van de Katholieke Hogeschool, de Technische Hogeschool Eindhoven en de Kathoüeke v e r s S u f ' " " """' Uiteindelijke doelstelling een volledige (Brabantse) unT

• de uit financieel en onderwijskundig oogpunt noodzakelijke herstructurering I T a ^ p t , r ' ' " ' * A ^ ^ / " * ' ' °''^''^'^' "^^^ ^''' ''"^^^ tot klaarstoom cursus en a la Posthumus. Onderwijs en examen kan en mag niet gescheiden worden Tevens zal er een duidelijk onderscheid gemaakt moeten worden ^ r s e n de opleiding tot wetenschappelijke beroepsuitoefening en wetenschapTelS onder zoek. Aangezien het voorontwerp-Posthumus wat deze punten betreft nogll wat leem en en manco's vertoont, dient de gehele Hogeschoolraad zich me hand en tand tegen klakkeloze invoering van deze wet te verzetten • intrekking van de subsidies a a n het TAS-blad en de ATSO, aangezien zij beide

ton

o l f e c h r ' ' " r n " " ° ^ ' ^ " ''' liefhebberijen van een derügtelextrem

van de ATSO "^ Z ' '^'Z ^ f f t^^de, dat de service-verlenende activiteiten Z t T i l b X l n . t l ' ' ' ° ° ' ' ' ' ' ' ^ ^^^' Trefcentrum CPosjet), Reduktie Apparaat Tilburg Drukkerij, enz., als ondergebracht zijnde in afzonderlijke zelfstandige stichtingen, eventueel wel voor subsidie in aanmerking moeten kunnen

14

Nu verkrijgbaar op Databank de door Franse censuur beroemd geworden tijdschriften uit Parijs: L'ldiot liberté f 1,70 Cahiers de mal f 1,40 J'accuse f 1,40 (voorheen La cause du peuple) L'ldiot international ƒ 1,70 La cause du peuple, nummer 5: De la revolution anti-autoritaire a la revolution prolétarienne (96 pag.) f 3,50 Surinamebulletin ASF-map nummer 6: Geschiedenis en klassebewustzijn ƒ 1^50 Nieuwe lijnen voor het onderwijs van morgen f 405 Hoger beroepsonderwijs; studiemogelijkheden ƒ 475 Posthumus: Onderwijs: heilsverwachting, spraakverwarring, beleid f 2,65 Verantwoordelijkheid als probleem (Studium Generale Amsterdam) ƒ 2,25 Link (120 pag.) ƒ 3_5o Inhoud februari/maart-nummer; Verzetspoëzie uit Portugal Atjomatof: Het witte stoomschip J. Brands: Over de betekenis van onderwijs-kompensatie-programma's voor arbeidskinderen M. van Nieuwstadt: Stellingen over de verhouding van taal, ideologie en maatschappij J. Gurley: De kapitalistiese en maoistiese ekonomiese ontwikkeling Th. Stibbe: Artikelen, commentaren en reportages f QQQ D. Guérin: Voor een libertair marxisme ƒ 11,90 I. F. Stone: Verhulling en werkelijkheid ƒ10,90 Minutes du proces d'Alain Geismar f 8,40 Jean-Luc Godard (413 pag. articles, essais, entretiens) f 9^90 Jean Laplanche: Marcuse und die Psychoanalyse ƒ 2 10

DATABANK thb 15a - extra uitgave - 9 april 1971

I


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
1971 04 09 by Redactie Univers - Issuu