tilburgs hogeschoolblad - jaargang 7 - nummer 1 5 - 8 mei 1970 speciale uitgave met ontwerp wet universitaire bestuurshervorming
ONTWERP VAN WET
Van de redaktie
Tijdelijke voorzieningen met betrekking tot de bestuurshervorming van de ^Nederlandse universiteiten en hogescholen
In deze aflevering van het THB is, zoals aangekondigd, de tekst van het wetsontwerp Universitaire Bestuurshervorming opgenomen, dat op maandag 27 april 1970 bi] de Tweede Kamer der Staten-Generaal is ingediend Gezien de geringe omvang van de wijzigingen sinds het voorontwerp van wet (integraal afgedrukt m het THB 7, no 9 van 27 februari 1970), lijkt het de redaktie m verband met de kosten verantwoord om m dit geval slechts de wet te reproduceren zonder de memorie van toelichting Een uitzondering wordt hierop gemaakt voor de paragraaf 9 van de toelichting, die handelt over de gemeentelijke universiteit en de bijzondere instelling van wetenschappelijk onderwijs De verschillen met het voorontwerp acht de redaktie goed tot uitdrukking te komen m het persbericht (zie pagina 8 van dit nummer) van het Ministerie, dat met de wettekst aan het Bureau Voorlichting werd verzonden Dit wordt daarom mte graal afgedrukt Voorts treft de lezer m deze aflevering een brief aan van de Rector Magnificus aan de Minister van Onderwijs en Weten schappen, waarin namens de Senaat een aantal overwegingen en desiderata worden geformuleerd (zie pagina 9 e v )
(Wet universitaire bestuurshervorming 1970)
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, e n z , e n z , enz Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut' doen te weten Alzo WIJ m overweging genomen hebben, dat het wenselijk is m afwachting van een definitieve regeling met betrekking tot de hervorming van het bestuur van de Nederlandse universiteiten en hogescholen reeds thans de mogelijkheid te openen om bij die instellingen nieuwe bestuursvormen tot stand te brengen en te beproeven, die afwijken van hetgeen m de Wet op het wetenschappelijk onderwijs met betrekking tot de bestuursorganisatie van met name de rijksinstellingen van wetenschappelijk onderwijs is bepaald, en dat het derhalve gewenst is te dien aanzien tijdelijke voorzieningen te treffen. Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gehjk Wij goedvinden en verstaan bij deze TITEL 1 Algemene bepalingen Artikel 1. In deze wet wordt verstaan onder Onze minister Onze minister van onderwijs en vv^etenschappen en, voorzover het een landbouwhogeschool betreft. Onze minister van landbouw en visserij, universiteit en universiteiten dn titel II) de openbare univerSiteitPn en hogescholen, bestuursreglement het m aitikel 23 bedoelde reglement tot nadere regeling van de organisaties van een openbare universiteit of hogeschool, kiesreglement het m artikel 24 bedoelde reglement tot nadere
1
regeling van de krachtens deze wet aan een openbare universiteit of hogeschool te houden verkiezing, faculteit faculteit of afdeling en interfaculteit of tussen afdeling, subfaculteit subfaculteit of onderafdeling, instituut een tot de universiteit behorend instituut of labora torium, wetenschappelijk personeel het vvfetenschappelijk corps, bedoeld m artikel 63, tweede lid, van de Wet op het wetenschap pelijk onderwijs, en de wetenschappelijke assistenten, met-wetenschappelijk personeel het overige personeel, be doeld m artikel 63, eerste lid, van de Wet op het wetenschap pelijk onderwijs, studenten zij die aan een universiteit zijn ingeschreven voor het deelnemen aan het onderwijs ter voorbereiding op het
t h b 15 8 mei 1970 ) verschijnt tweewekelijks
afleggen van een der m of krachtens het academisch statuut geregelde examens, dan wel van een universitair examen voor een middelbare akte, en zijn toegelaten tot het afleggen van die examens Artikel 2. De bepalingen \ a n de artikelen 3 tot en met 41 regelen de inrichting van het bestuur van de openbare universiteiten en nogescholen Het bepaalde m artikel 42 is voor waarde voor bekostiging van de bijzondere universiteiten en hogescholen TITEL II De openbare universiteiten en hogescholen HOOFDSTUK I De universitaire gemeenschap Artikel 3. 1 De universitaire gemeenschap wordt gevormd door hen die behoren tot de volgende geledingen a het wetenschappelijk personeel, b de studenten, c het niet-wetenschappelijk personeel, 2 De leden van de universitaire gemeenschap bezitten, met inachtneming van het daaromtrent bij of krachtens deze wet bepaalde, het actief kiesrecht voor de krachtens deze wet in te stellen bestuursraden Elk lid brengt daarbij een stem uit ZIJ, die voor de eerste maal als student aan een universiteit zijn ingeschreven, zijn gedurende de eerste zes maanden na de datum van inschrijving uitgesloten van de uitoefening van dit kiesrecht 3 De leden van de universitaire gemeenschap, die ingevolge het bepaalde m het tweede lid het actief kiesrecht bezitten, kunnen door de geleding waartoe zij behoren, worden gekozen tot hd van de daar bedoelde organen met inachtneming van het daaromtrent bij of krachtens deze wet bepaalde 4 Indien bij het vaststellen van de uitslag van een verkie zmg voor een der m het tweede lid bedoelde organen blijkt, dat minder dan vijf en dertig procent van het totale aantal kiesgerechtigden van een geleding een geldige stem heeft uitgebracht, wordt het aantal zetels, dat bij het bestuursreglement aan die geleding is toegewezen, verminderd n a a r evenredigheid van de verhouding van het aantal uitgebrachte geldige stemmen tot met minimaal vereiste aantal stemmen HOOFDSTUK II De bestuursorganisatie van de faculteit ยง 1 De faculteit Artikel 4. 1 De verzorging van onderwijs en wetenschapsbeoefening op de onderscheiden vakgebieden geschiedt m de faculteit 2 De faculteitsgemeenschap wordt gevormd door hen die behoren tot de volgende geledingen _a,_Jiet wetenschappelijk personeel van de faculteit, b de studenten die bij de faculteit zijn ingeschreven, c het niet-wetenschappelijk personeel dat bij de faculteit werkzaam is Artikel 5. Het bestuur van de faculteit wordt uitgeoefend door de faculteitsraad en het faculteitsbestuur, op de voet van het daaromtrent bij of krachtens deze wet bepaalde Artikel 6. 1 De faculteitsraad bestaat voor ten minste de helft uit leden van het wetenschappelijk personeel van de faculteit en voor het overige uit studenten en leden van het niet-wetenschappelijk personeel In het bestuursreglement wordt bepaald ten minste hoeveel van de leden van het wetenschap pelijk personeel in vaste dienst moeten zijn aangesteld 2 De leden van de raad worden voor ten minste een jaar rechtstreeks gekozen of, mdien de faculteit subfaculteiten omvat, door de subfaculteitsraden uit hun midden aangewezen 3 De rechtstreekse verkiezing vindt plaats door en uit de m artikel 4, tweede lid, genoemde geledingen 4 De raad kan personen, die geen deel uitmaken van de faculteitsgemeenschap, uitnodigen tot het bijwonen van vergaderingen ZIJ hebben m dat geval een raadgevende stem 5 De omvang en de samenstelhng van de raad alsmede de zittingstermijn van de leden van de raad worden nader geregeld in het bestuursreglement
Artikel 7. 1 De dekaan van de faculteit, bedoeld m artikel 9, tweede lid, zit de vergaderingen van de faculteitsraad voor 2 De vergaderingen van de raad worden m het openbaar gehouden, behoudens voor zover m het faculteitsreglement an ders IS bepaald of de raad bij gemotiveerd besluit anders beslist 3 De leden van de raad stemmen zonder last of rugger spraak Artikel 8. 1 Tot de taak van de faculteitsraad behoort de organisatie en de coรถrdinatie van het onderwijs en de weten schapsbeoefemng van de tot die faculteit behorende vakgebie den HIJ neemt daarbij de m artikel 27 bedoelde richtlijnen in acht 2 De raad stelt het faculteitsreglement vast, dit reglement behoeft de goedkeuring van de universiteitsraad 3 De raad stelt, de vaste commissie voor het onderwijs, bedoeld m artikel 12, eerste lid, gehoord na overleg met de sectie van de Academische Raad wie zulks aangaat, vast a het onderwijsprogramma voor elke studierichting met voor de fasen ervan de aanduiding van de cursusduur De raad geeft daarbij tevens een nadere regeling van de examens en de tentamens, b de eisen, te stellen bij het onderzoek, bedoeld m artikel 29, eerste lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs 4 De vaststelling van de onderscheiden fasen van de cursus duur van het onderwijsprogramma, bedoeld m het vorige lid onder a, en de vaststelling van de eisen, bedoeld m het vorige hd onder b, behoeven de goedkeuring van de universiteitsraad, het college van dekanen gehoord 5 De raad orengt, na overleg met de zusterfaculteiten wie zulks aangaat, aan het college van bestuur advies uit over de aanbeveling voor de benoeming van hoogleraren en lectoren m de faculteit, met inachtneming van het bepaalde m artikel 12, tweede hd De raad voegt bij zijn advies het voorstel van de commissie, bedoeld in het genoemde artikel, en de daarop betrekking hebbende stukken Artikel 9. 1 De faculteitsraad kiest al dan niet uit zijn midden voor ten minste een jaar een faculteitsbestuur van ten hoogste vijf leden 2 De raad kiest de voorzitter van het bestuur voor ten minste drie jaren uit de gewone hoogleraren en lectoren Deze draagt de titel van dekaan van de faculteit De dekaan kan van een zodanig deel van zijn hoogleraars- of lectorsvak worden ontheven als voor de vervulling van zijn dekanaat noodzake hjk is 3 Indien het ambt van dekaan de volledige werkkracht opeist, kan van het bepaalde m het vorige hd worden afgeweken In dat geval wordt de dekaan op voordracht van de raad en voor een door de raad te bepalen tijdvak benoemd Hij is opnieuw benoembaar De benoeming en het ontslag geschieden door het college van bestuur 4 Aan de dekaan en de overige leden van het bestuur kan volgens door Ons te stellen regelen, een toelage of bezoldiging, onderscheidenlijk een toelage worden toegekend Wij regelen de rechtspositie van de bezoldigde dekaan Artikel 10. 1 Het faculteitsbestuur behartigt de dagelijkse zaken van de faculteit Het bereidt de vergaderingen van de faculteitsraad voor en draagt zorg voor de bekendmaking en uitvoering van de aldaar genomen besluiten 2 Het bestuur verstrekt aan de raad de gevraagde mlichnngen betreffende zijn handelingen Artikel 11. Tot het afnemen van examens stelt de faculteitsraad commissies in van ten minste drie leden, aan te wijzen uit de hoogleraren, lectoren en wetenschappelijke medewerkers m vaste dienst Een van de leden is m elk geval hoogleraar of lector van de faculteit Het academisch statuut regelt, welke andere deskundigen m deze commissie kunnen worden aangewezen Artikel 12. 1 De faculteitsraad stelt vaste commissies m voor het onderwijs en voor de wetenschapsbeoefening Deze commissies worden m meerderheid samengesteld uit leden van het wetenschappelijk corps Zij geven desgevraagd of uit eigen beweging advies aan de raad en aan het bestuur
2 De raad stelt ter voorbereiding van het advies, bedoeld in artikel « vijfde lid, een commissie m van hoogleraren en lectoren, al dan niet uit de faculteit De raad kan andere deskundigen m deze commissie benoemen De commissie brengt, de betreffende vakgroep dan wel vakgroepen gehoord, h a a r voorstel uit aan de raad Artikel 13. 1 De faculteitsraad kan bepaalde bevoegdheden overdragen aan het faculteitsbestuur alsmede aan al dan niet uit zijn midden benoemde commissies 2 De raad geeft aan de universiteitsraad en aan het college van bestuur de gevraagde inlichtingen § 2 De subfaculteit Artikel 14. 1 Het bepaalde m de artikelen 4 tot en met 8, eerste lid, en 9, 10 en 13, eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de subfaculteit De subfaculteitsraad geeft aan de faculteitsraad de gevraagde mhchtmgen 2 In geval de faculteit subfaculteiten omvat, is het bepaalde m de artikelen 8 vijfde lid, 11 en 12 van toepassing op de subfaculteitsraden 3 De faculteitsraad oefent de bevoegdheden, bedoeld m de artikelen 8, tweede en derde lid, 17 en 18 niet uit dan na de desbetreffende subfaculteitsraad te hebben gehoord Artikel 15. De faculteitsraad kan bepaalde bevoegdheden overdragen aan de raden van de tot die faculteit behorende subfaculteiten Een dergelijk besluit behoeft de goedkeuring van de universiteitsraad Artikel 16. 1 Indien de faculteit subfaculteiten omvat, kan de faculteitsraad besluiten tot een andere dan de in het academisch statuut bepaalde indeling m subfaculteiten Dit besluit kan worden genomen op voorstel van de raden van de tot die faculteit behorende subfaculteiten 2 In de gevallen waarin het eerste lid niet voorziet, kan de faculteitsraad besluiten twee of meer subfaculteiten m te stellen 3 Een besluit, als bedoeld m de vorige leden, behoeft de goedkeuring van de universiteitsraad § i De vakgioep, de iceikgwep, het instituut Artikel 17. 1 Ten behoeve van de organisatie, coördinatie en integratie van de werkzaamheden van hen, wier taken liggen op hetzelfde vakgebied, stelt de raad van de faculteit waartoe dat vakgebied behoort, na overleg met de sectie van de Academische Raad wie zulks aangaat, een vakgroep m Indien een vakgebied tot meer dan een faculteit behoort, geschiedt de instelhng door de faculteitsraad, die daarvoor het meest m aanmerking komt 2 BIJ de insLellmg bepaalt de raad tevens welke leden van het wetenschappelijk en met-wetenschappelijk personeel alsmede welke studenten op grond van hun bijdrage aan de werkzaamheden op het desbetreffende vakgebied tot de vakgroep bohoren 3 Het bestuur van de vakgroep bestaat m elk geval uit de hoogleraren, lectoren, houders van onderwijsopdrachten en de wetenschappelijk medewerkers in vaste dienst van de vakgroep De faculteitsraad bepaalt, hoeveel vertegenwoordigers het wetenschappelijk personeel m tijdelijke dienst, het met-wetenschappelijk personeel en de studenten van de vakgroep kunnen aanwijzen om m het bestuur zitting te nemen 4 Het bestuur kiest voor ten minste een jaar zijn voorzitter uit de hoogleraren en lectoren van de vakgroep 5 Het bestuur regelt de taken van de leden van de vakgroep Het bepaalt daarbij m overeenstemming met welke hoogleraar of lector elk van de overige leden van het weten schappelijk personeel m vaste dienst zijn onderwijs en onderzoek inricht en onder wiens toezicht elk van de overige leden van de vakgroep werkzaam is 6 Het bestuur stelt jaarlijks een onderzoekprogramma vast, dat de goedkeuring behoeft van de faculteitsraad, de vaste commissie voor de wetenschapsbeoefening, bedoeld m artikel 12, eerste lid, gehoord Het is voor de uitvoering van dit programma alsmede voor de nadere regeling en de uitvoering van het onderwijsprogramma, voor zover dit het gebied van die vak-
groep betreft, verantwoordelijk tegenover de faculteitsraad Het geeft de raad de gevraagde inlichtingen 7 Indien de voorzitter overwegende bezwaren heeft tegen een besluit van het bestuur, kan hij dit ter vernietiging voor dragen bij de faculteitsraad In afwachting van de beslissing van de raad wordt de uitvoering van het besluit geschorst Artikel 18. 1 Ter bevordering van de wetenschapsbeoefe nmg kunnen twee of meer vakgroepen werkgroepen instellen Een dergelijk besluit behoeft de goedkeuring van de desbetref fende faculteitsraad dan wel faculteitsraden 2 Een werkgroep bestaat uit leden van het wetenschappe hjk en met-wetenschappelijk personeel en studenten, aange wezen door de desbetreffende vakgroepen In de leiding van de werkgroep wordt voorzien door de vakgroepen die h a a r instellen 3 De werkgroep stelt jaarlijks een onderzoekprogramma vast, dat de goedkeuring behoeft van de m het eerste lid bedoelde faculteitsraad, de vaste commissie voor de weten schapsbeoefenmg, bedoeld m artikel 12, eerste hd, gehoord en is verantwoordelijk voor de uitvoering daarvan Zij verstrekt die faculteitsraad de gevraagde mhchtmgen Artikel 19. 1 De instituten staan als eenheden van beheer ten dienste van de vak- en werkgroepen 2 In het beheer van een instituut wordt voorzien door het college van bestuur HOOFDSTUK III Het bestuur van de universiteit Artikel 20. 1 De bestuursorganen van de universiteit zijn de universiteitsraad en het college van bestuur 2 Aan de raad behoort de bevoegdheid tot regeling van bestuur van de zaken van de universiteit m h a a r geheel, voorzover die niet bij of krachtens deze wet aan het college van bestuur is opgedragen § 1 De univeisiteitsraad Artikel 21. 1 De universiteitsraad bestaat uit ten hoogste veertig leden Zij worden voor ten minste twee jaren of, voor zover het studenten betreft, voor ten minste een jaar gekozen onderscheidenlijk benoemd 2 De raad bestaat voor ten hoogste vijf zesde uit leden van de universitaire gemeenschap, van wie ten minste een derde leden van het wetenschappelijk personeel, ten hoogste een derde studenten en ten hoogste een derde leden van het nietwetenschappehjk personeel zijn Van de gekozen leden van het wetenschappelijk personeel moet ten minste een m het bestuursreglement te bepalen aantal m vaste dienst zijn aangesteld De leden van de raad worden gekozen met inachtneming van het beginsel van een gelijkwaardige vertegenwoordiging van de faculteiten 3 Ten minste een zesde van de raad bestaat uit leden, die geen deel uitmaken van de universitaire gemeenschap De raad bepaalt het aantal van deze leden Zij worden, op aanbeveling van de raad, door Ons benoemd 4 De omvang en de samenstelling van de raad alsmede de zittingstermijn van de leden van de raad worden nader geregeld m het bestuursreglement Artikel 22. 1 De universiteitsraad kiest al dan met uit zijn midden een voorzitter Aan hem kan, volgens door Ons te stellen regelen, een toelage worden toegekend 2 De vergaderingen van de r a a d worden m het openbaar gehouden, behoudens voor zover m het bestuursreglement anders is bepaald of de raad bij gemotiveerd besluit anders beslist 3 De leden van de raad stemmen zonder last of rugge spraak 4 De leden van het college van bestuur hebben het recht de vergaderingen van de universiteitsraad bij te wonen Ze hebben m dat geval een raadgevende stem Artikel 23. 1 De universiteitsraad stelt het bestuursregle ment vast, met inachtneming van het daaromtrent m de Wet op het wetenschappelijk onderwijs en bij of krachtens deze wet bepaalde
8 mei 1970 )
2 Hel reglement of een wijziging v a i het reglement behoeft de goedkeuring van Onze minister De goedkeuring wordt verleend of onthouden met betrekking tot het reglement m zijn geheel, dan wel verleend met uitzondering van een of meer onderdelen 3 De universiteitsraad kan van een onthouding van goed keuring, als bedoeld m het vorige lid, bij Ons beroep instellen binnen zestig dagen na mededeling van de beslissing van Onze minister 4 Indien binnen een ]aar na de inwerkingtreding van deze wet voor de betreffende universiteit het reglement niet of onvolledig is vastgesteld, kan Onze minister het reglement of het ontbrekende deel ervan vaststellen Artikel 24. De universiteitsraad stelt het kiesreglement vast, met inachtneming van het daaromtrent bi] of krachtens deze wet bepaalde Artikel 23, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing Artikel 25 1 In afwijking van het bepaalde m artikel 97, eerste lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, stelt de universiteitsraad het ontwikkelingsplan op 2 In afwijking van het bepaalde m artikel 98, eerste lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, stelt de raad het financiële schema op Artikel 26. 1 In afwijking van het bepaalde m artikel 102, tweede en zevende lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, stelt de universiteitsraad de begroting, onderscheidenlijk de aanvullende begroting vast 2 In afwijking van het bepaalde m het vijfde lid van de artikelen 102 en I02bis van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, draagt de raad zorg voor de nodige wijziging van de begroting 3 Indien de begroting niet bij de aanvang van het begrotingsjaar is vastgesteld, stelt Onze minister de begroting vast Artikel 27. De universiteitsraad stelt, m overleg met het college van dekanen, richtlijnen vast voor de organisatie en de coördinatie van het onderwijs en de wetenschapsbeoefening Artikel 28. De universiteitsraad is belast met de zorg voor de voorzieningen ten behoeve van de studenten Artikel 29. De universiteitsraad kan bepaalde bevoegdheden overdragen aan het college van bestuur alsmede aan al dan niet uit zijn midden benoemde commissies
c het benoemen en ontslaan van het personeel en het ver dere personeelsbeheer, voorzover de desbetreffende bevoegd heden niet bij of krachtens de Wet op het wetenschappelijk onderwijs zijn voorbehouden aan Ons of aan Onze minister, d het sluiten van overeenkomsten en het verrichten van andere rechtshandelingen e het voeren van de correspondentie namens de universiteit f het houden van een voortdurend toezicht op al wat de umveisiteit aangaat 3 Het college stelt ter zake van zijn m het vorige lid oedoelde beheerstaak nadere regelen, met inachtneming van het daaromtrent bepaalde m het bestuursreglement 4 Het college maakt voor elke te vervullen plaats van hoog leraar of lector, na ingewonnen advies van de faculteitsraad of van de betrokken faculteitsraden, een gemotiveerde aan beveling op, welke bij vooikeur ten minste twee namen bevat Het doet deze, vergezeld van het bedoelde advies, toekomen aan Onze minister 5 Het college van bestuur verstrekt aan de raad de ge vraagde inlichtingen betreffende zijn handelingen Het zendt de m artikel 105 van de Wet op het wetenschappelijk onder WIJS genoemde jaarrekening aan de raad toe Artikel 32. Het college van bestuur verstrekt aan Onze minister de gevraagde inlichtingen betreffende de universiteit § 3 De lectoi magnificus, het college van dekanen Artikel 33 1 De rector magnificus treedt m het verkeer met andere universiteiten en hogescholen op namens de uiii versiteit 2 Hij wordt, na overleg met de universiteitsraad, voor ten minste twee jaren benoemd uit een door het college van dekanen opgemaakte voordracht van ten minste twee gewone hoogleraren Hij is na zijn aftreden opnieuw benoembaar De benoeming geschiedt door Ons Artikel 34. 1 De dekanen van de faculteiten en subfaculteiten vormen het college van dekanen De rector magnificus is voorzitter, tevens lid, van dit college 2 In geval een universiteit slechts een faculteit en geen subfaculteiten omvat, wordt het college gevormd door de rector magnificus de dekaan van de faculteit, mdien de rector magnificus niet tevens de dekaan van de faculteit is, alsmede zoveel leden, dat het college zeven personen omvat Bedoelde leden worden voor ten minste drie jaren gekozen uit de gewone hoogleraren en lectoren, op de wijze als is bepaald voor de verkiezing van de dekaan 3 Het college geeft desgevraagd of uit eigen beweging advies inzake het onderwijs en de wetenschapsbeoefening aan de universiteitsraad en aan het college van bestuur 4 De toekenning van het doctoraat geschiedt door het college van dekanen Voor elke promotie wijst het college een of meer hoogleraren of lectoren van een universiteit dan wel van een buitenlandse instelling van wetenschappelijk onderwijs aan als promotor De promotie vindt plaats ten overstaan van dit college of van een commissie, door hem aan te wijzen uit hoogleraren en lectoren, met inachtneming van m het acade misch statuut te stellen nadere regelen 5 Het college van dekanen heeft het recht op voordracht van een faculteitsraad, de universiteitsraad gehoord, wegens zeer uitstekende verdiensten aan Nederlanders of vreemdelingen het doctoraat honoris causa te verlenen
§ 2 Het college tan bes tuut Artikel 30. 1 Het college van bestuur bestaat uit drie of vijf leden Zij worden gekozen, onderscheidenlijk benoemd op de m het tweede tot en met het vijfde lid bepaalde wijze Het aantal leden wordt door Ons bepaald 2 De rector magnificus is uit hoofde van zijn functie lid van het college 3 De universiteitsraad kiest, n a a r gelang het college bestaat u i t - d n e of uit vijf leden, al dan niet uit zijn midden een lid, onderscheidenlijk twee leden uit het wetenschappelijk corps m vaste dienst Zij hebben voor ten minste twee jaar zitting 4 Een lid onderscheidenlijk twee leden worden benoemd, na overleg met de universiteitsraad, voor een door Ons te bepalen termijn Zij zijn opnieuw benoembaar Met het einde van het studiejaar, waarin een lid de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend De benoeming en het ontslag geschieden door Ons 5 De voorzitter van het college wordt uit de leden door Ons benoemd 6 De voorzitter van de universiteitsraad heeft het recht de vergaderingen van het college bij te wonen Hij heeft m dat geval een raadgevende stem 7 De toelage dan wel de bezoldiging en de verdere rechtspositie van de leden van het college wordt door Ons geregeld Artikel 31. 1 Het college van bestuur is belast met het dagelijks bestuur van de universiteit 2 Het heeft m elk geval tot taak a het voorbereiden, bekendmaken en uitvoeren van de besluiten van de universiteitsraad, b de zorg voor de huisvesting en het doelmatig beheer van de financiën en de roerende en onroerende zaken.
§ 4 Schorsing en vernietiging van besluiten Artikel 35. 1 Besluiten van de universiteitsraad en van het college van bestuur, die met aan goedkeuring zijn onderworpen en die m strijd zijn met de wet of het algemeen belang, kunnen door Ons bij gemotiveerd besluit worden geschorst of vernietigd Wij bepalen in geval van schorsing de duur hiervan, met dien verstande dat schorsing niet langer kan duren dan een jaar 2 Het college van bestuur is bevoegd een besluit van de raad, dat n a a r zijn oordeel voor vernietiging m aanmerking komt, niet uit te voeren In dat geval zendt het college het
4
besluit onverwijld aan Onze minister Indien binnen dertig dagen na de dagtekening van zijn bericht geen schorsing of vernietiging is uitgesproken, wordt het besluit door het college len uitvoer gebracht Artikel 36. 1 Ons besluit tot schorsing of vernietiging \,rordt m het Staatsblad geplaatst 2 Schorsing stuit onmiddellijk de werking der geschoiste bepalingen 3 Bepalingen die geschorst zijn geweest, kunnen niet opnieuw worden geschorst Artikel 37. Vernietiging brengt mede vernietiging van alle daarvoor vatbare bepalingen, voor zover bij Ons besluit niet anders is bepaald Artikel 33. De universiteitsraad of het college van bestuur zorgt m geval van gehele of gedeeltelijke schorsing of vernietiging van hun besluiten, dat aan artikel 38, tweede hd, of het bepaalde bij of krachtens artikel 37 wordt voldaan en dat opnieuw m hetgeen de geschorste of vernietigde bepahngen regelden, voor zoveel nodig is, wordt voorzien HOOFDSTUK IV Geschillen, rechtsbescherming en de handhaving van gedragsregels Artikel 39. Geschillen tussen leden van de universitaire gemeenschap, welke voor ambtenaren m de zin van de Ambtenarenwet 1929 krachtens die wet met vatbaar zijn voor beroep, kunnen met instemming van partijen worden voorgelegd aan de Academische Raad, die ter behandeling daarvan een college instelt Deze raad regelt de rechtsgang alsmede de samenstelling en bevoegdheden van dit college Artikel 40. Een student die bezwaar heeft tegen de behandehng tijdens het afleggen van een tentamen of examen dan wel tegen de beoordeling van de examenresultaten, kan een schriftelijk en gemotiveerd beroep instellen bij de faculteitsraad, die ter behandeling van dat beroep een commissie instelt Deze commissie is bevoegd te bepalen dat het tentamen of het examen opnieuw wordt afgelegd onder door de commissie te stellen voorwaarden Artikel 41. 1 De universiteitsraad stelt binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze wet voor de betreffende universiteit een regeling vast, strekkende tot handhaving van de gedragsregels binnen de universitaire gemeenschap, behoudens voor zover het plichtsverzuim betreft, ten aanzien waarvan reeds krachtens wettelijk voorschrift betreffende disciplinaire straffen een regeling is getroffen 2 De maatregelen, die op overtreding van deze regeling worden gesteld, zijn a waarschuwing, b berisping, c geldboete van ten hoogste ƒ 250,—, d schorsing of ontzegging van de toegang tot de universiteit, beide voor ten hoogste een jaar, e openbaarmaking van de uitspraak 3 Tegen de uitspraak kan binnen dertig dagen hoger beroep worden ingesteld bij de Academische Raad, die ter behandehng daarvan een college instelt De raad regelt de rechtsgang alsmede de samenstelhng en bevoegdheden van dit college 4 Een uitspraak tot ontzegging wordt, zodra zij onherroepelijk IS, door de rector magnificus medegedeeld aan de rectores magnifici van de andere Nederlandse universiteiten en hogescholen 5 Wordt een mededeling ontvangen van een Nederlandse universiteit of hogeschool, dat de toegang tot die universiteit of hogeschool aan een bepaalde student is ontzegd, dan kan de universiteitsraad besluiten, dat deze ontzegging ook voor de eigen instelling zal gelden TITEL III De bijzondere universiteiten en hogescholen Artikel 42. 1 De m artikel 93 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs bedoelde veremgmgs- en stichtingsbesturen stellen zo spoedig mogelijk, doch m elk geval binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, nieuwe regelen
vast betreffende de inrichting van het bestuur van de van ^ hun vereniging of stichting uitgaande bijzondere universiteit of hogeschool Zij brengen die regelen alsmede de daarmede verband houdende wijzigingen van de statuten van de vereniging of stichting zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze minister 2 BIJ de vaststelhng van de m het eerste lid bedoelde regelen wordt het bij of krachtens deze wet bepaalde m acht genomen voor zover de eigen aard van de bijzondere univer i siteit of hogeschool zich daartegen met verzet i 3 De m het eerste hd bedoelde regelen zijn, ter toetsing of ZIJ beantwoorden aan het m het tweede hd omschreven vereiste, onderworpen aan de goedkeuring van Onze minister , In geval van onthouding van de goedkeuring kan het bestuur j van de vereniging of stichting binnen zestig dagen na mede ^ dehng van de beslissing van Onze minister bij Ons beroep instellen Wij beslissen op dat beroep, de Raad van State j gehoord TITEL IV De Academische Raad Artikel 43. 1. De Academische Raad geeft desgevraagd of uit eigen beweging namens de m die raad vertegenwoordigde , instellingen van wetenschappelijk onderwijs adviezen aan Ons . of aan Onze minister De raad kan eveneens adviezen geven aan die instellingen ' 2 De raad bestaat uit a een door Ons benoemde voorzitter, tevens hd, i b een door Ons benoemde vice-voorzitter, tevens lid, c drie leden voor elke der instellingen, i d ten hoogste tien door Ons benoemde leden 3 De leden, die voor elke instelling zitting hebben, worden telkenjare door de raad van de desbetreffende instelling aangewezen Zij kunnen opnieuw worden aangewezen Een van hen 15 de rector magnificus Voor ieder van deze leden wijst de raad een plaatsvervangend lid aan, dat bij verhindering i van het lid aan de werkzaamheden van de Academische Raad deelneemt Artikel 44. 1 De vergaderingen van de raad worden m het openbaar gehouden, behoudens voor zover m het reglement i van de raad anders is bepaald of de raad bij gemotiveerd, besluit anders beslist ' 2 In geval over een aan Ons of aan Onze minister uit te brengen advies wordt gestemd, brengt elke msteUmg ĂŠen stem i uit In dat geval hebben de door Ons benoemde leden een adviserende stem Afwijkende standpunten worden, mdien zulks wordt verlangd, bij dat advies ter kennis gebracht Artikel 45. 1 De Academische Raad heeft een Dagelijkse Raad, bestaande uit a de voorzitter van de Academische Raad als voorzitter ' tevens hd, b de vice-voorzitter van de Academische Raad als vice voorzitter, tevens hd, c een hd voor elke der instellingen, d drie leden, door de Academische Raad aangewezen uit de door Ons benoemde leden van die raad 2 Ieder van de m het eerste hd onder c bedoelde leden wordt aangewezen door de raad van de desbetreffende mstelhng uit de in artikel 43, tweede hd, onder c, bedoelde leden, die de instelling m de Academische Raad vertegenv/oordigen 3 De in het eerste hd onder c en d bedoelde leden worden^ aangewezen voor twee jaren 4 Het bepaalde m artikel 44, tweede hd, is van overeen komstige toepassing ^ Artikel 46. 1 De r a a d stelt voor elke sectie het aantal leden vast, dat per wetenschapsgebied per instelling door hem wordt benoemd De benoeming geschiedt op de voordracht van de daarvoor m aanmerking komende faculteitsraad of sub-| faculteitsraad, de desbetreffende vakgroep of vakgroepen ge-_ hoord, met dien verstande dat de voordracht ten minste een hoogleraar of lector op het desbetreffende gebied moet bevatten 2 De raad kan, op de voordracht van een sectie, andere dan t h b 15 - 8 mei 1970
de m het eerste lid bedoelde leden benoemen 3 De secties brengen desgevraagd of uit eigen beweging advies uit aan de raad
belast is met de leiding van het bureau van de universiteit en de bibhothecaris door Ons, en de houders van zelfstandige onderwijsopdrachten door Onze minister benoemd en ontslagen De benoeming van de functionaris die belast is met de leiding van het bureau van de universiteit alsmede de benoeming van de bibliothecaris geschieden op voordracht van het college van bestuur 2 Het bepaalde m de artikelen 66, 67, eerste hd, 68, eerste lid en 69, eerste en derde hd, van de Wet op het wetenschap pehjk onderwijs is van toepassing Artikel 55. 1 Op voorstel van de desbetreffende faculteits raad of subtaculteitsraad kan een universiteitsraad Ons verzoe ken machtiging te verlenen om met betrekking tot de bestuursorganisatie van de faculteit of subafaculteit, dan wel enig onderdeel daarvan, bij wijze van proefneming voor een door Ons te bepalen termijn af te wijken van het bij of krachtens de Wet op het wetenschappelijk onderwijs of deze wet bepaalde, voor zover daardoor de strekking van deze wet met wordt aangetast 2 Het verzoek wordt ingediend door tussenkomst van de Academische Raad die het, vergezeld van zijn advies, bmnen negentig dagen aan Onze minister doet toekomen 3 WIJ beslissen binnen negentig dagen na de datum, waarop het verzoek met het advies van de Academische Raad door Onze minister is ontvangen Bij mwilhging van het verzoek kunnen Wij voorwaarden aan de machtiging verbinden In dit geval alsmede m geval het verzoek wordt afgewezen, wordt Ons besluit met redenen omkleed 4 De universiteitsraad kan binnen zestig dagen van Ons besluit tot het onthouden van de gevraagde machtiging, dan wel tot het ontbinden van voorwaarden aan die machtiging, herziening verzoeken Wij beslissen op dit verzoek, de Raad van State gehoord Artikel 56. 1 Er is een commissie voor de bestuurshervormmg van de instellingen van wetenschappelijk onderwijs Wij benoemen en ontslaan de leden Aan de leden kan, volgens door Ons te stellen regelen een bezoldiging of een toelage worden toegekend 2 De commissie geeft desgevraagd of uit eigen beweging advies aan Onze minister en aan de instellingen met betrekking tot de nadere regeling en de uitvoering van het bij of krachtens deze wet bepaalde 3 De commissie brengt ten minste eenmaal per jaar en voorts zo vaak zij dit dienstig acht aan Ons rapport uit over de werking van deze wet bij de verschillende mstelhngen en onderdelen daarvan Afschrift van dit rapport wordt gezonden aan de beide Kamers van de Staten-Generaal 4 De bestuursorganen van de instelling geven aan de com missie de gevraagde inlichtingen Artikel 57. Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur bepalen, dat m geval van verwaarlozing of m strijd met de wet functioneren van het bestuur van een openbare instelling van wetenschappelijk onderwijs of van een deel daarvan, de bevoegdheden van een of meer bestuursorganen geheel of gedeeltelijk worden overgedragen, hetzij aan een ander orgaan, hetzij aan een of meer aan te wijzen personen Artikel 58. Deze wet treedt m werking op een nader door Ons voor elke mstelhng van wetenschappelijk onderwijs afzonderlijk te bepalen tijdstip, zij geldt tot 31 augustus 1976 Artikel 59. Deze wet kan worden aangehaald als Wet universitaire bestuurshervormmg 1970 Lasten en bevelen, dat deze m het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden
TITEL V Overgangs- en slotbepalingen Artikel 47. 1 De bij of krachtens de Wet op het wetenschappelijk onderwijs ingestelde bestuursorganen van elke openbare universiteit of hogeschool blijven de hun bij of krachtens die wet toegekende bevoegdheden uitoefenen tot het tijdstip, waarop bij of krachtens deze wet m te stellen organen zijn totstandgekomen, waaraan die bevoegdheden zijn toegekend 2 Uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wet dienen de universiteitsraad, voor zover het de gekozen leden betreft, te zijn tot stand gekomen, met macht neming van het daaromtrent nader bepaalde m de m artikel 48 bedoelde algemene maatregel van bestuur Artikel 48. Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen vast met betrekking tot de inrichting van het bestuur van de openbare universiteiten en hogescholen Daarbij trekken Wij in elk geval nadere voorzieningen met betrekking tot de eerste verkiezing van de raden van die instellingen Artikel 49. 1 Met inachtneming van het bepaalde m artikel 47 worden de volgende bepalingen van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs buiten werking gesteld 4, de nadere omschrijving van „studenten", 6, derde hd, 7, eerste hd, 8, derde hd, 9, eerste lid, 11, tweede en derde hd, 29, tweede lid, 30, 31, 37 tot en met 40, 41ter tot en met 41sexies, 42 tot en met 43bis, vierde hd, 43ter, 45, eerste hd, 46, eerste hd, 47 tot en met 59, 61, derde hd, 62, 65, tweede lid, 67, tweede tot en met vierde lid, 68, tweede hd, 69, tweede hd, 70, 73, eerste hd 74, 81, 82 en 87 tot en met 90, eerste hd 2 BIJ de m artikel 48 bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt tevens bepaald, m hoeverre bij de toepassing van de artikelen van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs die betrokking hebben op de inrichting van het bestuur van de openbare universiteiten en hogescholen en die niet krachtens het bepaalde m het eerste lid buiten werking zijn gesteld, van het in die artikelen bepaalde wordt afgeweken Artikel 50. 1 Deze wet is van toepassing op de medische faculteit te Rotterdam 2 Met inachtneming van het bepaalde m het voorgaande hd blijft de wet van 15 juni 1966, Staatsblad 267, houdende bijzondere voorzieningen van tijdelijke aard met betrekking tot de vestiging te Rotterdam van een rijksinstelling van wetenschappelijk onderwijs, omvattende de faculteit der geneeskunde, van kracht tot het tijdstip, waarop te Rotterdam een universiteit tot stand is gekomen 3 WIJ stellen nadere regelen vast voor de m het eerste hd genoemde instelling Artikel 51. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaaldr -&f- en m hoeverre de bepalingen van deze wet van overeenkomstige toepassing zijn op de interuniversitaire instituten m de zm van artikel 36 van de Wet op het wetenschap pelijk onderwijs Artikel 52. 1 Deze wet is met toepasselijk op het academisch ziekenhuis bij een openbare of een bijzondere universiteit, noch op het academische ziekenhuis bij de medische faculteit te Rotterdam 2 BIJ algemene maatregel van bestuur wordt bepaald, m hoeverre bij de toepassing van de artikelen van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, die betrekking hebben op de academische ziekenhuizen, van het m die artikelen bepaalde wordt afgeweken Artikel 53. De artikelen 2, 3 en 4 van de Wet van 1 augustus 1964, Staatsblad 324, houdende bijzondere voorzieningen van tijdelijke aard met betrekking tot het bestuur en het onderwijs aan de technische rijkshogeschool te Enschede (Machtigings- Gegeven wet technische rijkshogeschool te Enschede), worden buiten werking gesteld Artikel 54. 1 In afwijking van het bepaalde in artikel 91, De niimsle) van onderwijs en wetenschappen. vijfde en zesde hd, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, worden de hoogleraren en lectoren, de functionaris die De minister van landbouw en visseni.
6
Uit de Memorie van Toelichting
§ 9 Gemeentelijke nmveisiteit, bijzondere instellingen Uit het feit, dat slechts die zaken m dit ontwerp zijn behandeld, die van wezenlijk belang zijn voor een deugdelijke organisatie van de universiteiten en hogescholen m het algemeen, volgt dat de regeling niet alleen moet gelden voor de openbare instellingen van wetenschappelijk onderwijs, m a a r - behoudens de mogelijkheid van afwijking op sommige punten - ook voor de bijzondere Zoals dat ook thans reeds het geval is met een aantal bepalingen van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, zullen de bepalingen van deze wet enerzijds als rechtstreeks verbindende voorschriften gelden voor de openbare universiteiten en hogescholen, terwijl diezelfde bepalingen anderzijds zullen gelden voor de bijzondere instellingen, maar dan indirect, nl als voorwaarden voor erkenning en bekostiging, en dat nog alleen voor zover de eigen aard van die instellingen zich daartegen niet verzet Ter verduidelijking van dit laatste kan bij voorbeeld worden gewezen op het feit dat de bijzondere universiteiten en hogescholen de vrijheid moeten behouden om met betrekking tot de verkiesbaarheid m de universitaire bestuursorganen nadere voorwaarden te stellen, welke de eigen aard van de instelling redelijkerwijs meebrengt Hiermede was m het systeem van het voorontwerp rekening gehouden bij de formulering van het derde hd van artikel 4 Andere afwijkingen, welke voortvloeien uit de eigen aard van de bijzondere instelhngen zijn bij voorbeeld de goedkeuring van het bestuursreglement door het bestuur van de vereniging of stichting, waarvan de bijzondere instelling uitgaat, m plaats van door de Minister en de benoeming van de niet uit de universitaire gemeenschap afkomstige leden van de universiteitsraad en van het college van bestuur alsmede van de vereniging of stichting in plaats van door de Kroon In het voorontwerp van wet was dit aldus geregeld dat de bspalmgen erm op de zo juist omschreven wijze mede voor de bijzondere instelhngen van toepassing waren verklaard (artikel 2), voorzover daarbij met uitdrukkelijk onderscheid was gemaakt tussen deze instelhngen en de openbare Tegen dit systeem is van de zijde van de bijzondere universiteiten en hogescholen bezwaar gemaakt Nadere overweging aan de hand van de aangevoerde argumenten heeft de eerste ondergetekende tot de conclusie geleid dat dit m eerste aanleg gekozen stelsel inderdaad onvoldoende recht zou doen aan de eigen aard van de bijzondere instellingen Het kwam immers hierop neer dat in de wettelijke regeling door de overheid nauwkeurig zou worden aangegeven op welke punten de bijzondere instellingen een afwijkende regeling zouden kunnen treffen en wat die regeling dan zou moeten inhouden Dit was op zichzelf al een te grote beperking van de vrijheid en het recht op eigen initiatief op het gebied van de universitaire bestuursregehng en bij de beoordehng van de vraag, m welke opzichten en m hoeverre de eigen aard afwijking zou kunnen rechtvaardigen Een groter bezwaar was echter dat op deze wijze aan de bijzondere instellingen zelfs met de mogelijkheid zou zijn gelaten om tegen enig onderdeel van de getroffen regeling uit hoofde van de eigen aard van de instelling m beroep te gaan De ondergetekenden hebben daarom, gevolg gevende aan de voorstellen van de zijde van de vaker genoemde instellingen, m een afzonderlijke titel III van het wetsontwerp een nieuw artikel 42 opgenomen, waarin wordt volstaan met een aanvulling van de regeling, welke is vervat m de artikelen 93 en 93 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs Dit betekent dat het aan de bijzondere instellingen wordt overgelaten te bepalen, op welke punten en op welke wijze de te treffen nieuwe bestuursregehng met het oog op de eigen aard van de
instelling n a a r hun oordeel zal kunnen afwijken van die welke voor de openbare instellingen m het wetsontwerp is neer' gelegd Voor het overige - dat wil dus zeggen voor zover dÂŤ eigen aard van de bijzondere instellingen zich daarmede ver draagt - zullen de bepalingen van het eigen reglement, di^ dezelfde zaken regelen als die van de onderhavige wet, me^ de laatstbedoelde bepalingen moeten overeenstemmen He^ nieuwe reglement voor de bijzondere universiteit of hogeschoo zal dan wel aan ministeriele goedkeuring zijn onderworpei' ten aanzien van de vraag of het voldoet aan dit vereiste da' de bepalingen van de Wet universitaire bestuurshervormmg 1970 m acht moeten worden genomen, voor zover de eigen aarc van de instellingen zich daartegen niet verzet Het verenigmgs of stichtingsbestuur heeft echter weer het recht om mgeva van onthouding van die goedkeuring m beroep te gaan bi de Kroon, zodat het oordeel van de afdeling geschillen var' bestuur van de Raad van State m het geding kan wordei' gebracht Het spreekt vanzelf dat deze uitbreiding van de voorwaarderi voor erkenning en bekostiging de grondwettelijk gewaarborgde vrijheid van het onderwijs van de bijzondere universiteiteri niet zal mogen aantasten De voornaamste waarborg dat dit niet zal geschieden is allereerst gelegen m het feit dat he( recht van benoeming en ontslag van de hoogleraren en lectorer als recht van het bestuur van de vereniging of stichting, waarvan de bijzondere instelling uitgaat, onaangetast blijft voorts dat het overige personeel eveneens zonder vorm var inspraak van de zijde van de overheid zal worden benoemq en ontslagen door het orgaan van de instelling, dat op gronc van de bij of krachtens de statuten van de vereniging of stich tmg de bevoegdheid is daartoe toegekend Ook m andere op, zichten zal het verenigmgs of stichtingsbestuur als bestuui van de moederorganisatie ten opzichte van de bijzondere uni, versiteit of hogeschool een positie blijven innemen analoog aar, die van de rijksoverheid ten opzichte van de rijksinstellingen Ten aanzien van de gemeentelijke universiteit van Amsterdan staan de zaken, met name ook wat het laatstbedoelde pun betreft, anders Volgens de huidige wet worden de hooglerarer en lectoren van die universiteit, anders dan bij de andere open bare universiteiten, niet door de Kroon benoemd en ontslager op een door de instelling opgemaakte aanbeveling, doch dooi het college van curatoren van de universiteit, met dien ver stande dat de benoeming bekrachtiging behoeft van de Kroon Dit houdt verband met het feit dat dit college van curatoren waarm de burgemeester en de wethouder van onderwijs var de gemeente Amsterdam ambtshalve als voorzitter, resp als lid zitting hebben, een ander karakter heeft dan de colleges van curatoren van de rijksinstellingen Nu evenwel ook bij dt gemeentelijke universiteit het college van curatoren zal ver dwijnen, is er geen grond meer voor handhaving van de uit zonderingspositie van deze universiteit op dit punt (artikel 54) Ten aanzien van de bijzondere universiteiten en hogescholei^ moet nog het volgende worden opgemerkt In de kringen var het bijzonder wetenschappelijk onderwijs zijn velen begnjpe lijkerwijs ook thans nog geneigd sterk te hechten aan d^ gedachte dat de vrijheid van richting, waarvan hierbovei melding werd gemaakt, de vrijheid van inrichting insluit Dit zou dan met alleen gelden voor de inrichting van hel onderwijs, m a a r ook voor de inrichting van het bestuur Vooi de erkenning van het onderwijs heeft echter van meet af a a r als voorwaarde gegolden en is als zodanig aanvaard, dat de bijzondere universiteit zich bij de inrichting van dat onder WIJS richt n a a r de bepalingen die, ter waarborging van de
t h b 15 - 8 mei 1971
f^m.
leugdelijkheid, m de wet en het acadfcmisch statuut worden gegeven voor de toelating tot en voor de inrichting van het mderwijs alsook voor de wijze van afnemen van de examens lan de openbare universiteiten Men dient daarbij te bedenken lat m die regeling wordt gesproken over senaat, faculteiten etc
hoogleraren, die daarin zijn benoemd, en dat de buitengewone hoogleraren m die faculteit zitting hebben met raadgevende stem De opvatting die in de laatste jaren de heersende is geworden, is daarentegen dat een universiteit, waarvan de faculteiten uitsluitend uit hoogleraren bestaan, op een essentieel punt niet meer beantwoordt aan de eisen, die men m het kader van de huidige ontwikkeling aan de universitaire organisatie moet stellen In deze gedachtengang wordt de faculteit gevormd door het wetenschappelijk personeel van de faculteit, de studenten, die bij de faculteit zijn ingeschreven, en het nietwetenschappelijk personeel dat bij de faculteit werkzaam is Dit brengt vervolgens de noodzaak met zich grenzen te stellen aan de omvang van de vertegenwoordiging van de verschillende categorieĂŤn leden van de faculteitsgemeenschap
iiermee worden bedoeld de organen van het academisch zelfbestuur waarvan de samenstelhng en de taak elders m de vet m hoofdlijnen zijn geregeld Nu zijn de bepalingen over ie inrichting van het bestuur van de senaat, de faculteiten, ie interfaculteiten en de subfaculteiten van een rijksuniversiteit 31J artikel 16 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs lestijds nog niet uitdrukkelijk dn grote lijnen) mede - bij vijze van voorwaarde voor de erkenning en bekostiging 'an toepassing verklaard op de bijzondere universiteiten Dit leemt niet weg, dat de regehng van de hoofdzaken van de )rganisatie van het universitaire bestuur voor de rijksuniver.iteit op het gebied van het onderwijs en de wetenschapsjBoefemng wel altijd is beschouwd als maatgevend voor die Jijzondere instellingen van wetenschappelijk onderwijs, die voor >rkenning als gelijkwaardig aan de eerder bedoelde instellingen n aanmerking wensen te komen
Ook op het gebied van het financieel bestuur en beheer geldt, dat daar enkele belangrijke eisen van deugdelijkheid moeten worden gesteld, die - wat de bijzondere instelhngen betreft - in dit geval het karakter hebben van voorwaarden voor de bekostiging In dit verband wordt verwezen n a a r het op 13 september 1969 ingediende wetsontwerp tot wijziging van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs m verband met een algemene herziening van de bekostigingsregeling voor de openbare en bijzondere instellingen van wetenschappelijk onderwijs (wetsontwerp 10 262) W a a r m dit wetsontwerp en m deze memorie wordt verwezen n a a r de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, is reeds rekening gehouden met de nummering en inhoud van de betrokken wetsbepalingen, zoals die zullen luiden na de verheffing tot wet van wetsontwerp 10 262
Zo IS m het geldende wettelijke stelsel, dat op de Nederlandse miversitaire traditie is gebaseerd, een van die hoofdzaken, dat ie faculteit wordt bestuurd door de gezamenlijke hoogleraren iie m die faculteit zijn benoemd Dit werd tot voor kort als 'en zo vanzelfsprekende zaak beschouwd, dat volgens artikel 54 'an de wet ,de faculteit wordt gevormd door de gewone
Begeleidend persbericht Uitgegeven door de voorlichtingsdienst van het ministerie
In beginsel moeten alle leden van de universitaire gemeenschap ^en aandeel m de beleidsbepaling kunnen leveren Onderlinge unctionele verschillen behoren m dit kader tot uitdrukking te lomen " Dat schrijven de ministers dr G H Vermga van onderwijs en .vetenschappen en ir P J Lardinois van landbouw en visserij n de memorie van toelichting van de Wet universitaire Destuurshervormmg 1970, die op 27 april 1970 aan de Tweede <amer is aangeboden Bij het opstellen van dit wetsontwerp is gebruik gemaakt van meer dan 60 adviezen en opmerkingen lie van vele instanties en personen zijn ontvangen Dit heeft ^rtoe geleid- dat het wetsontwerp op enkele punten sterk verschilt van het voorontwerp van wet, dat op 17 februari j 1 3ekend werd gemaakt
van het wetenschappelijk personeel m de verschillende raden (universiteitsraad, faculteits- en subfaculteitsraad), het machtigmgsartikel (experimenteerartikel), het kiesstelsel en de plaats van de voorzitter van de vakgroep Bijzondere instellingen van wetenschappelijk onderwijs In het ontwerp is het recht van de bijzondere universiteiten en hogescholen vastgelegd zelf het initiatief te nemen voor het ontwerpen van een nieuwe bestuursregeling Daarbij moeten ze wel de lijnen zoals die zijn uitgezet voor de openbare instellingen van wetenschappelijk onderwijs volgen voor zover de eigen aard zich daartegen met verzet De regelen hebben de goedkeuring nodig van de minister Bij onthouding van deze goedkeuring is beroep op de Kroon mogelijk In het voorontwerp daarentegen was bepaald dat de wettelijke regehng ook gold voor de bijzondere instelhngen tenzij uitdrukkelijk anders was aangegeven
-Iet wetsontwerp heeft betrekking op de Nederlandse mstelingen van wetenschappelijk onderwijs en de Academische Raad Voorts IS uitdrukkelijk bepaald dat het niet van toepassing is 3p de academische ziekenhuizen, waarvoor onlangs een aparte vvettelijke regeling tot stand is gekomen Ten aanzien van de nteruniversitaire instituten zal nog worden bekeken of en m loeverre deze wet van toepassing zal zijn Het IS de bedoeling van de bewindslieden de nieuwe wettelijke regeling van de bestuursvorm van universiteiten en hogescholen voor een beperkte periode te laten gelden en wel tot 31 augustus 1976
Universitaire gemeenschap De universitaire gemeenschap bestaat uit drie geledingen het wetenschappelijk personeel, de studenten en het niet-wetenschappelijk personeel Tot het wetenschappelijk personeel behoren naast de leden van het wetenschappelijk corps (de hoogleraren, lectoren en wetenschappelijke medewerkers m vaste en tijdelijke dienst), ook de wetenschappelijke assistenten Alle leden van de universitaire gemeenschap bezitten actief kiesrecht voor de samenstelling van de universiteitsraad, waarvan het maximum aantal leden is teruggebracht van 60 op 40 Hetzelfde geldt voor alle leden van de (sub) faculteitsgemeenschap voor het kiezen van de (sub) faculteitsraad Op deze regel
Ëen eerste verandering ten opzichte van het voorontwerp is, dat de wet op een nader te bepalen tijdstip m werking zal treden Daarbij bestaat de mogelijkheid het moment van m werking tredmg per universiteit of hogeschool vast te stellen Oe belangrijkste wijzigingen betreffende de bijzondere instellingen van wetenschappelijk onderwijs, de vertegenwoordiging
8
Img drie leden zitting hebben Zij worden aangewezen door d(| universiteitsraad Fen van deze leden is in elk geval de rector magnificus De raad bostaat verder uit ten hoogste tien Kroonleden, die eer adviserende stem hebben bij adviezen die aan de minister o Kroon worden uitgebracht
maakt het wetsontwerp slechts een uitzondering de eerstejaarsstudenten zijn de eerste zes maanden na de datum van inschrijving uitgesloten van actiet en passief kiesrecht De positie van de leden van het tijdelijk personeel m de universiteitsraad, m de faculteits- en subfaculteitsraad is versterkt Bepaalde het voorontwerp dat de universiteitsraad voor tenminste een-derde uit hoogleraren, lectoren en wetenschappelijke medewerkers m vaste dienst moest bestaan, en de (sub)faculteitsraad voor tenminste de helft uit deze personeelscategorieĂŤn, het wetsontwerp schrijft voor dat de universiteitsraad voor tenminste een-derde en de (sub) faculteitsraad voor tenminste de helft moet bestaan uit leden van het wetenschappelijk personeel Het bestuursreglement zal nu moeten aangeven hoeveel van deze leden moeten behoren tot het wetenschappelijk personeel m vaste dienst
Wezenlijke stap n a a r democratisering Het wetsontwerp, zoals thans bij de Staten-Generaal ingediend betekent n a a r de mening van de bewindslieden een wezenlijk* stap n a a r democratisering van de bestuursstructuur Zoals ui de ingewonnen adviezen ook blijkt kan men zowel van menmj zijn dat de voorstellen te ver gaan als dat verdergaande oplos smgen de voorkeur zouden hebben verdiend Het is echtei volgens de bewindslieden volstrekt m strijd met de realiteit t( stellen dat m dit ontwerp van wet slechts schijnoplossmger worden voorgesteld die, in samenhang met de ingebouwd* garanties, het besluitvormingsproces niet essentieel zouder wijzigen m vergelijking met de huidige situatie De eenheic van het wetenschappelijk corps is m belangrijke mate gereali seerd Slechts voor enkele bestuurlijke functies op het gebiec van onderwijs en wetenschapsbeoefening wordt een keuze ui de groepering van lectoren en/of hoogleraren dwingend voor geschreven De mede-beslissende invloed op bestuurlijk niveai van wetenschappelijk corps, niet-wetenschappelijk personeel ei studenten krijgt een wettelijke basis Bij een omvang van he college van dagelijks bestuur van vijf personen komen dm voort uit de universitaire gemeenschap Slechts twee personei kunnen, na overleg met de gekozen universiteitsraad, door di Kroon worden benoemd Experimenten op basis- en midden niveau, die reeds hun waarde hebben bewezen, kunnen worder gelegahseerd Hetzelfde is het geval met nog nader uit ti werken nieuwe bestuursvormen De betrokken ministers achten de democratisering van di bestuursvorm een uiterst belangrijke zaak Tegen de achter grond van deze visie willen zij dat het gehele wetsontwerp alsook de daarin vervatte goedkeuringsprocedure wordt herzien Slechts mdien tot stand gekomen besluiten m strijd komen me de wet of het algemeen belang zullen die besluiten geen goed keuring verkrijgen De m het wetsontwerp voorziene beroeps mogelijkheden geven terzake duidelijke waarborgen De betrokken bewindslieden hopen dat eenieder die bij d( universitaire gemeenschap is betrokken de voorgestelde nieuwi regelingen in die geest wil bezien en waarderen Een gezamenlijke krachtsinspanning is n a a r de mening van d( betrokken ministers geboden om de nieuwe regelingen, mdier aanvaard door de Staten-Generaal, optimaal te doen func tioneren
Experimenteerartikel Volgens de memorie van toelichting moet het mogelijk zijn op het basis- en middenniveau experimenten op te zetten en uit te voeren die geen steun m de wet vinden Wat het expenmenteermiddel betreft, is de procedure op twee punten gewijzigd Het verzoek om een bestuursorganisatie toe te passen die van de wet afwijkt, wordt ingediend door tussenkomst van de Academische Raad, die hierover advies uitbrengt De Kroon neemt de beslissing In twee gevallen kan herziening van de beslissing worden gevraagd Ten eerste als het verzoek wordt afgewezen Ten tweede als de machtiging onder bepaalde voorwaarden wordt verleend In die gevallen neemt de Kroon opnieuw een beslissing, maar pas nadat de Raad van State is gehoord Positie voorzitter vakgroep In de positie van de voorzitter van een vakgroep, die gezien moet worden als de nieuwe organisatievorm voor het basisniveau ter vervanging van de leerstoel, is m dit ontwerp verandering aangebracht Volgens het voorontwerp kon de voorzitter van een vakgroep een nadere beslissing nemen die geheel of ten dele afweek van de bestuursbeslissing In dat geval kon het bestuur van de vakgroep m beroep gaan bij de faculteitsraad In plaats van deze regeling wordt thans bepaald dat de voorzitter een besluit van het bestuur waartegen hij overwegende bezwaren heeft, ter vernietiging kan voordragen bij de faculteitsraad In afwachting van een beslissing hierover door de raad wordt de uitvoering opgeschort Academische Raad Zoals reeds m het voorontwerp was bepaald, zal de Academische Raad meer en meer uitgroeien tot de spreekbuis van de instellingen van wetenschappelijk onderwijs Over de samenstelling van de raad staat m het ontwerp dat voor elke mstel-
(Persbericht O en W 27 april 1970
Brief van de voorzitter van de Senaat aan de Minister van Onderwijs en Wetenschappen op prijs de aandacht van Uwe Excellentie te vragen voor d( volgende tijdens deze bespreking n a a r voren gekomen over wegingen en desiderata Genoemde stukken gaven allereerst aanleiding om de relatu tussen bestuursvraagstukken en de problemen van universitai onderwijs en onderzoek als zodanig nog eens m het bijzonde te beklemtonen
Tilburg, 3 april 1970 Betreft Voorontwerp van een Wet Universitaire Bestuurshervormmg 1970 Excellentie, Bij deze heb ik de eer Uwe Excellentie te berichten, dat het voorontwerp van een Wet Universitaire Bestuurshervormmg 1970 en de daarbij behorende toelichting onderwerp van studie en bespreking zijn geweest binnen de Senaat van de Katholieke Hogeschool In aansluiting daaraan, stel ik het namens genoemde Senaat
Hoezeer er een algemeen gevoelen bestond dat het voorgesteld* aan onderwijsvernieuwing goede kansen zou kunnen biedei - mits gelijk hierna betoogd nader geamendeerd - was er tocl een belangrijk pleidooi te beluisteren voor kleinere werkeen heden van wetenschappelijk corps en studenten en voor d(
9
thb 15
8 mei 197
richten voor een zeer belangrijk deel altijd een verantwoorde lijkheid zal blijven van de individuele wetenschapsbeoefenaar, welke niet gedemocratiseerd kan worden Mede gelet op het bepaalde m artikel 19, hd 2, zou m deze een tegenstrijdigheid kunnen ontstaan, die m ieder geval vermeden dient te worden Het hgt voor de hand dat wetenschappelijk bekwame personen, die elders m grote zelfstandigheid weten schappelijk werk hebben verricht, ook m universiteit en hoge school dusdanige garanties voor de uitoefening van hun verant woordelijkheid mogen verwachten
)1 I.
I, 1 3 V
'
grafische
j
kunstinrichting j . j . a. van der wee n.v.
)
l<oestraat 83-85
3
tilburg
3 I
^nogelijkheid om vanuit deze eenheden of werkgroepen de j33stuursorganen van hogere hchamen, zoals een faculteitsraad, ,)p te bouwen \fgezien van de beantwoording van de vraag, of m dit stadium ^lergeli)ke ideeën in het ontwerp van een wet alsnog te realiseren ijn of gereahseerd zullen worden, is deze gedachtegang toch ■en belangrijk symptoom voor de wijze waarop m de Senaat )ver de gestelde problematiek wordt gedacht en mitsdien van selang om hier te worden vooropgesteld Overigens bleek m het ilgemeen een bereidheid te bestaan de voorstollen van het voor )ntwerp tot uitgangspunt te nemen van verdere gedachtewisse Cmgen Dit neemt niet weg dat ten aanzien van het onderhavige voorontwerp de grote meerderheid van de Senaat enige ingrij 3ende voorstellen tot wijziging heeft gedaan, waarvoor ik hier |_)nder nader Uw aandacht moge vragen /ooreerst heeft de meerderheid van de Senaat zich verenigd net de door de Academische Raad voorgestelde redactie van irtikel 4, lid 4 m welk artikel aan een te geringe deelneming lan verkiezingen het gevolg wordt verbonden dat deze verkie ^ mg voor de betreffende geleding geacht wordt niet gehouden ^e zijn Deze redactie luidt aldus „Indien bij het vaststellen van ^le uitslag van de verkiezingen voor een der m het tweede lid jedoelde organen blijkt, dat minder dan de helft van het totale ^lantal kiesgerechtigden van een geleding een geldige stem heeft ntgebracht, wordt het aantal leden van het desbetreffende _^)rgaan, voorzover betreft die geleding, n a a r evenredigheid van ^let aantal uitgebrachte geldige stemmen m verhouding tot het ^nmimaal vereiste aantal stemmen, verminderd " d/oorts gaat de critiek op het voorontwerp, voor wat betreft de 3)pmerkingen binnen de Senaat gemaakt, m drieërlei richting ,n het voöronïwerp bestaat een onduidelijkheid ten aanzien van ede positie van hoogleraren en lectoren, ten aanzien van de ^jositie van de wetenschappelijke medewerkers, terwijl het als 3en gemis werd beschouwd, dat ook m de toehchting geen dui ^ielijk overzicht werd gegeven van de positie van de studenten
V^oorgesteld wordt de m genoemde artikelen neergelegde tegen strijdige gedachtegang uit het ontwerp te verwijderen ofwel een garantie m te bouwen dat de faculteitsraad door middel van budgettaire maatregelen het onderzoek van vakgroepen niet zal doorkruisen Hiervoor is nodig dat afwijzing van onderzoek plannen door de faculteitsraad slechts kan geschieden op grond van een gekwalificeerde meerderheid van stemmen m deze zaak Wat de positie van de wetenschappelijke medewerkers aangaat, moge worden opgemerkt, dat zij krachtens werkverdeling al of met op zelfstandige wijze participeren aan de taak van hoog leraren en lectoren Deze verschillende wijze van participatie brengt andere verantwoordelijkheden met zich en dient conse quent doorgetrokken te worden n a a r het bestuurlijke niveau De vraag rijst of het vaste dienstverband op zichzelf daarvoor voldoende criterium vormt Denkbaar zou zijn als uitgangspunt van de gelijke beslissingsbevoegdheid m besturende colleges te nemen het al dan niet verleend zijn van leer c q onderwijs opdracht Aangaande de positie van de student wil het de Senaat gelijk reeds opgemerkt voorkomen, dat m het voorontwerp en m het bijzonder ook m de toelichting d a a r a a n al te weinig aan dacht IS besteed Enerzijds ontbreekt een samenvattende uiteenzetting omtrent het uitgangspunt van de vertegenwoordiging van de student m de besturende colleges Anderzijds zou de Senaat gaarne hebben gezien dat aandacht zou zijn geschonken aan zijn informele positie, waar zijn recht op inspraak niet is vastgelegd Hier kwam de Senaat vooral terug op zijn m de aanhef gegeven beschouwingen, de positie van de student m kleine werk groepen, zijn recht op nieuwe vormen van onderwijs, zijn positie voor wat betreft het actief mee betrokken kunnen worden m de onderwijsprocessen De meerderheid van de Senaat onderschrijft met betrekking tot de regehng van de samenstelhng van de universiteitsraad (artikel 22. hd 2) de door de Academische Raad voorgestelde verdeling, volgens welke tenminste de helft van het totaal aantal voor de geledingen beschikbare zetels is voor hoog leraren, lectoren en de daarvoor overeenkomstig het boven voorgestelde m aanmerking komende wetenschappelijke mede werkers, en ten hoogste een vierde voor studenten, respectieve lijk ten hoogste een vierde voor leden van het nietwetenschap pelijk personeel Deze formule wordt voorgesteld om te voorkomen dat, zoals volgens het voorontwerp mogelijk is, besluiten over de hoofd zaken van het universitaire beleid, waaronder de vaststelhng van essentiële elementen van het onderwijs en onderzoekbeleid zouden worden genomen door een universiteitsraad, waarin twee derde van het aantal leden behoort tot geledingen, waar van de taak op ander terrein hgt c q (nog) niet deskundig zijn op de gebieden van het verzorgen van onderwijs en van het zelfstandig verrichten van onderzoek Tevens lijkt het wenselijk enige waarborgen op te nemen, dat hoogleraren en lectoren niet in te geringe mate zitting zouden hebben m de universiteitsraad Tenslotte is de meerderheid van de Senaat van oordeel, dat de handhaving van de gedragsregels bij wet geregeld behoort te worden Met de meeste hoogachting. Prof. Dr. C. F. Scheffer, Rector Magnificus cc Senaten instellingen van wetenschappelijk onderwijs
>)e Senaat meent uit artikel 18, hd 5, te mogen concluderen, vdat aan de hoogleraren en lectoren ten aangenomen wordt dat iit de hoogleraren en lectoren zijn met de rechtspositie van niuidige wet en reglement) de uiteindelijke verantwoordelijkheid Fvordt toegekend en gelaten voor de goede gang van onderwijs cTi onderzoek De Senaat constateert voorts dat het voorontwerp i^een enkele garantie bevat, dat een hoogleraar of lector een ueshssende stem bezit m enig orgaan dat beshssende bevoegd ^leid heeft met betrekking tot de zaken, waarbij zijn leer jpdracht is betrokken p e Senaat acht dit met met elkaar in overeenstemming en vjnaanvaardbaar De Senaat onderstreept m dit verband dat de [verantwoordelijkheid die krachtens benoeming aan hoogleraren [■n lectoren wordt gegeven om wetenschappelijk werk te ver
10
TTIBOI VERSLAG VIJFDE VERGADERING FACULTEITSRAAD 16 APRIL 1970 Ontwerp-programma Van 20 tot en met 25 maart 1970 heeft de Programmeringscommissie, bestaande uit 6 docenten en 6 studenten, m opdracht van de Faculteitsraad een nieuw concept ontworpen voor de algemene programmering van het studie jaar 1970/1971 In de vergadering van het wetenschappelijk corps op 9 april 1970 werd dit concept m principe aanvaard Tijdens de bespreking van dit concept m de Studentenraad kwam men niet tot een principeverklaring De Faculteitsraad besloot op 16 april met algemene stemmen het voorgestelde programma te aanvaarden en sprak de wens uit, dat er een goede overgangsregeling zal komen Wat betreft de pre-specialisaties kiest de Faculteitsraad voor een pakket, dat gedeeltelijk verplicht en gedeeltelijk
facultatief is Bovendien stelt zij voor in het begm van het volgend jaar de Programmeringscommissie of enkele leden daarvan te laten functioneren als Begeleidingscommissie, die registreert hoe het programma verloopt Het wetenschappelijk corps zal van 4 tot en met uiterlijk 8 mei de konkrete uitwerking van het programma bespre ken, waarbij 2 studenten als waarnemer aanwezig zullen zijn Voorzitter wetenschappelijk corps Tot voorzitter van de vergadering van het wetenschappelijk corps werd op 9 april gekozen lector A van Rijen, als vice-voorzitter zal fungeren professor A Bornewasser Bibliotheekcommissie Professor Luijpen is door de vergadering van het wetenschappelijk corps aangewezen als nieuw lid van de Bibliotheekcommissie m plaats van professor Berger
TUSSENTIJDSE TENTAMENS CANDIDAATSEXAMEN De candidaat3studenten, die het propedeutisch examen m januari j 1 hebben afgelegd en die willen deelnemen aan de (schriftelijke) tussentijdse tentamens voor het candidaatsexamen, dienen zich voor uiterlijk 12 mei a.s. per tentamenkaart op te geven De data, waarop deze tentamens worden afgenomen, zijn 19 mei n m geschiedenis 21 mei n m sociale psychologie 27 mei n m sociologie Het afsluitend tentamen „methoden en technieken" zal, m tegenstelling tot een eerdere mededeling, worden afgenomen op 28 mei a.s., 's namiddags Ad valvas zal, na 12 mei, worden bekend gemaakt m welke zalen deze ten tamens zullen plaats vinden Het , Examenreglement" van de facul-
uitgaven van wolters-noordhoff & vuga-boekerij mr w hugenholtz hoofdlijnen van nederlands burgerlijk procesrecht bewerkt door mr w h heemskerk de 10e druk is thans verschenen de prijs bedraagt ƒ32,50 dr h m h a van der valk * de geld- en kapitaalmarkt (nationaal en internationaal) van deze belangrijke financieel-economische uitgave is thans de 7e druk verschenen, die geheel aan de gewijzigde omstandigheden op het gebied van de geld- en kapitaalmarkt is aangepast en die daardoor belangrijk verschilt met de vorige drukken prijs ƒ22,90 (inclusief o b ) j m van oorschot inleiding tot het gebruik van administratief-technische hulpmiddelen en systeemanalyse (I) een belangwekkende uitgave op het gebied van de automatische gegevensverwerking deel I van de tweede, herziene druk verschijnt spoedig prijs ƒ36,20 (inclusief o b ) * gemeenschappelijke uitgave van wolters-noordhoff & vuga-boekenj *'" uitgave van de vuga-boekenj
in voorraad bij
boekhandel gianotten
wetenschappelijk filiaal (studentenflat) - telefoon 04250-73181 - tilburg enig filiaal van
heuvel 43 - tilburg
gespecialiseerd op wetenschappelijk gebied
11
thb 15
8 mei 1970
teit, alsmede de aanvullende „Regeling tussentijdse tentamens candidaatsexamen zijn verkrijgbaar bij mej J van der Linden, kamer N 78 Indien toepassing van beide reglementen, bijvoorbeeld t a v de vaststelling van vrijstellingen, tot ongerijmdheden leidt zal de examencommissie beslissen of van het „Examenreglement kan worden afgeweken VERSLAG FACULTEITSVERGADERING 16 APRIL 1970
n
?'
\1 ïe 1)
'e )\ je
il
)r
I" 36
Pf
/
n
Mededelingen Prof Godefroy wordt aangewezen ais promotor van drs F M Sorel De promotie zal plaats vinden op woensdag 24 juni a s Omtrent het ontwerpbesluit tot wijziging van het Academisch Statuut, waarin wordt voorgesteld over te gaan tot de instelling van doctoraalopleidingen planologie m de faculteiten der economische wetenschappen, der sociale wetenschappen en der aardrijkskunde en prehistorie, zal de faculteit de minister via het curatorium mededelen, dat tegen deze regeling geen bezwaar bestaat, mits deze met inhoudt dat de problematiek van de ruimtelijke ordening geen verbijzondering van de studie m de sociologie meer kan zijn Het terrein van de planologie is namelijk dermate ruim en de inzichten zijn nog zo weinig uitgekristalliseerd, dat het te betreuren zou zijn als deze problemen niet meer het object van studie van de sociologie zouden zijn
aan te geven welke cursussen zij maximaal kunnen verzorgen Op basis van de vakgroepbesprekingen zal in de volgende faculteitsvergadermg een definitieve beslissing over het onderwijsplan 1970/1971 worden genomen Candidaatsfase In het 3e semester zal het vak statistiek vervangen worden door methoden en technieken van onderzoek In het 4e semester zal het vak methoden en technieken van onderzoek worden vervangen door wijsbegeerte, 1 h cursus van 4 u u r per week Het examenreglement zal op een later tijdstip worden aangepast aan het definitieve onderwijsplan 1970/1971 Onderwijs Ie jaar De faculteit gaat accoord met de voor stellen neergelegd m de nota van de voorzitter Voor de uitvoering zullen 3 all-round sociologen gezocht worden Voorstellen stuurgroep De activiteiten van de stuurgroep zullen eerst het volgend studiejaar weer worden voortgezet Drs Heunks pleit er voor om naast de medewerkers ook de student-vertegen woordigers m de vakgroepen toe te laten tot de volgende faculteitsvergadering, waarin het studieplan definitief zal worden vastgesteld De faculteit heeft tegen de aanwezigheid van deze student-vertegenwoordigers m principe geen bezwaar Het faculteitsbestuur zal bezien of de aanwezigheid van deze studenten te realiseren is
Organisatie doctoraalstudie Het aantal cursussen voor het D-I-diploIS ma wordt gereduceerd van 12 tot 10 '1 cursussen waarvan er .e 2 moeten behoren tot het gebied van de if algemene sociologie, 3( 2 tot een ander sociologisch vak, lï 2 tot de wijsbegeerte en 'l! 2 m ieder van de 2 bijvakken )1 De D-I-fase zal 4 semesters omvatten 1( en de D-II-fase 2 n Het doctoraal-II-examen zal 2 vakken / omvatten, namelijk het nchtmgbepa31 lend afstudeervak en een keuzevak r Voor deze 2 afstudeervakken dienen de volgende werkzaamheden verricht 31 COMMISSIE STAGES te worden '! - een gecombineerde scriptie of stage De Commissie Stages heeft zowel het ^' voor beide afstudeervakken of NVV als de Vereniging van Neder - een scriptie/stage, incl literatuur- landse Gemeenten bereid gevonden om i studie voor een der beide afstudeer- Tilburgse studenten van de faculteit i vakken, waarbij voor het andere af- der rechtsgeleerdheid een stage te laten studeervak volstaan kan worden met lopen Voor het NVV geldt dat m 1970 n een scriptie de stageplaatsen al vol zijn Men kan Welke van beide mogelijkheden geko- nu echter wel plannen maken voor 1971 S zen wordt is ter keuze van de student D Het voorgestelde onderwijsplan 1970/ De commissie is voorts m contact getre1^ 1971 zal besproken worden m de vak- den met de Orde van Advocaten m ) groep, en student vertegenwoordigers Breda, met de Rechtbank Breda en met gekozen uit en door de collegegroepen, het Ministerie van Binnenlandse Zaken zullen aan deze vakgroepbesprekingen (voor plaatsen op de departementen) Nadere inlichtingen zijn te verkrijgen r deelnemen De vakgroepen zal worden gevraagd bij mej Mr A M Wehberg F II
12
Mededelingen Algemeen TILBURGSE JONGEREN WERKGROEP HOMOFILIE De Tilburgse Jongeren Werkgroep Homofihe deelt mee dat zij op vrijdag 29 mei a s om 20 00 uur in Maranatha een kadervormmgsdiskussie zal houden Deze diskussie zal worden gehouden aan de hand van een nota, die door de TJWH IS samengesteld Onder meer zullen de volgende punten aan de orde komen - doelstellingen van de werkgroep verhouding tot CDC, NVSH en sosjahs tiese oppositie, - funktie en verdere beleidsbepaling van de jongerensoosjeteit Zj anti el, - aksie, voorlichting etc, - financiën - struktuur, - bemanning Het resultaat van het afgelopen jaar geeft aanleiding om door te gaan met het werk en zowel een organisatoriese als tematiese schaalvergroting te overwegen Ten aanzien van Zjantiel is er behoefte om h a a r n a a r de stad te ver plaatsen Er zijn vooral mensen nodig om Zjantiel te runnen en voor een ruimere kulturele vormgeving te zorgen, zonder dat het eerste doel, namelijk opvang van homofiele jongeren door drempelverlaging, verloren gaat Op deze avond is iedereen welkom, vooral degenen, die op enige wijze zouden willen meewerken aan de werkgroep LEZING BELASTINGWETGEVING Op 19 mei a s zal de staatssecretaris van Financien, Dr F Grappenhaus, een lezing houden over nevendoelemden m de belastingwetgeving Plaats C6 Ti]d 20 00 u u r
In de Antoniusstraat, ergens bij de Tumstraat, hebben wij een winkeltje vol met mooie en aparte dingen, alles met de hand gemaakt keramiek, handgeweven stoffen, sieraden, tekeningen en zo Komt u eens kijken? Niet duurder dan machinaal gemaakt i KADOBOETIEK
„Ie hibou" Antoniusstraat 38
Tilburg
Geopend van 10 00 tot 18 00 uur, 's maandags gesloten