Skip to main content

1970 02 27

Page 1

itilburgs ogeschoolblad

jaargang 7 - no. 9 - 27 februari 1970

f 25,~

OORONTWERP VAN EEN WET NIVERSITAIRE BESTUURSHERVORMING 1970

ruk Ć’ 26,-

f on-jftBrMdeUifce voorzieningen met betrekking tot de I ^^'^^estuurshervormmg van de Nederlandse universiteiten :n hogescholen 'Wet universitaire bestuurshervormmg 1970) ^

f

^'^^

VOORONTWERP VAN WET

:Jel

en

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut i doen te weten Alzo WIJ m overweging genomen hebben, dat het wenselijk IS m afwachting van een definitieve regehng met betrekking tot de hervorming van het bestuur van de Nederlandse universiteiten en hogescholen reeds thans de mogelijkheid te openen om bij die instellingen nieuwe bestuursvormen tot stand te brengen en te beproeven, die afwijken van hetgeen m de Wet op het wetenschappelijk onderwijs met betrekking tot de bestuursorganisatie van met name de rijksinstellingen van wetenschappelijk onderwijs is bepaald, en dat het derhalve gewenst is te dien aanzien tijdelijke voorzieningen te treffen.

HOOFDSTUK I

h

Algemene bepalingen

Redaktioneel Dit speciale nummer van het Hogeschoolblad bevat een overdruk van het Voorontwerp van een Wet Universitaire Bestuurshervormmg 1970 en de Memorie van Toelichting erop

iflat)

'lijk gebied

Neder-

Zo IS het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk WIJ goedvinden en verstaan bij deze

'iliaal:

>tten

Wi] JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der landen, Prinses van Oranje-Nassau, enz, enz, enz

ĂŻ

In verband met de hoge kosten van de uitgave van de Staatsdrukkerij IS gekozen voor een eigen heruitgave De paginering en verdere indeling is dezelfde als die van de oorspronkelijke tekst Op pagina 28 staat een schema van de organen, genoemd in het Voorontwerp van Wet Universitaire Bestuurshervormmg 1970 Door de uitgave van dit bijzondere nummer van het Hogeschoolblad verschijnt de normale editie van 27 februari nu op 3 maart a s

I

Artikel 1. In deze wet wordt verstaan onder algemene maatregel van bestuur de m artikel 44 bedoelde algemene maatregel van bestuur. Onze minister Onze minister van onderwijs en wetenschappen en, voorzover het een landbouwhogeschool betreft. Onze minister van landbouw en visserij, universiteit de openbare en bijzondere universiteiten en hogescholen, genoemd in artikel 15 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, verenigings- ot stichtingsbestuur het bestuur van de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging of stichting, waarvan een bijzondere universiteit uitgaat, bestuursreglement het in artikel 24 bedoelde reglement tot nadere regeling van de organisatie van de universiteit, kiesreglement het m artikel 25 bedoelde reglement tot nadere regeling van de krachtens deze wet aan de universiteit te houden verkiezingen, faculteit faculteit of afdeling en interfaculteit of tussenaf deling, subfaculteit subfaculteit of onderafdeling, instituut een tot de universiteit behorend instituut, laboratorium en kliniek, wetenschappelijk personeel het wetenschappelijk corps, bedoeld in artikel 63, tweede lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, en de wetenschappelijke assistenten, met-wetenschappelijk personeel het overige personeel, bedoeld m artikel 63, eerste lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, 1

THB 9

27 februari 1970


h/t H1 ? ^'■' "" l""^ ^^" universiteit zijn ingeschreven voor het deelnemen aan het onderwijs ter voorbereiding op het af­ leggen van een der in of krachtens het academisch statuut ge­ regelde examens, dan wel van een universitair examen voor een middelbare akte, en zijn toegelaten tot het afleggen van di"

examens.

ÖS­^^* van

uie

drnkkeli!k^'n.H°°''^r!f ^" ^^ bepalingen van deze wet niet uit­ drukkelijk onderscheid is gemaakt tussen de openbare en de het'°hP,f "^ ""'^ersiteit, regelen die bepalingen de inrichting van het bestuur van de openbare universiteit en zijn zij voor een üg^ng ""^ " " ' ' ' ^ ' ' ' " ^ " voorwaarden voor erkenning en bekos­ Sl^^^ultt ^ t studiejaar loopt van 1 september tot en met ^1 augustus. Het omvat twee semesters. Het eerste semester l T b r u ° a r i ' " """' ' ' ^ ' " " " " ' ^"* ' ^ ^ ^ ^ ^ ^^'"^^^er vangt a"n op H^^J!"*!!'*^ i­ l' S'^ universitaire gemeenschap wordt gevormd door hen die behoren tot de volgende geledingen: a. het wetenschappelijk personeel; b. de studenten; c. het niet­wetenschappelijk personeel. ;„f' u?"^ ^^^™ ^^"^ ^^ universitaire gemeenschap bezitten, met tenaaldrh^ft 7r ^^t daaromtrent bij of krachtens deze we bepaa de, het actief kiesrecht voor de krachtens deze wet in te stellen bestuursraden. E lk lid brengt daarbij een stem uit ZIJ, die voor de eerste maal als student aan een universiteit ziin ingeschreven zijn gedurende het eerste semester uitgesloten van de uitoefening van dit kiesrecht. het'twP^Jf'^rn T ' ' '^^ universitare gemeenschap, bedoeld in het tweede lid, kunnen door de geleding waartoe zij behoren worden gekozen tot lid van de daar bedoelde organen met fn­' n^« H ^ ' " ^ ^ ^ " het daaromtrent bij of krachtens deze wet be­ paalde, onverminderd de bevoegdheid van een bijzondere uni­ w e , ï e ^ l " ^ ^ 5 ^ ^^Selen te stellen omtrent de verkiesbaarheW, toe gt ''^" universiteit redelijkerwijs mee­ 4 Indien bij het vaststellen van de uitslag van een verkie­ zing voor een der in het tweede lid bedoelde organen blijkt dat minder dan een vierde van het totale aantal Mesgerechtig­ den van een geleding een geldige stem heeft uitgebracht, wordt die verkiezing geacht niet te zijn gehouden, voorzover h ^ die g e e d m g betreft. Alsdan wordt binnen drie maanden voor d e geleding een tweede verkiezing gehouden, waarvoor het in de vorige­volzin bepaalde niet van toepassing is.

HOOFDSTUK II De bestuursorganisatie van de faculteit § 1. De faculteit Artikel 5. 1. De verzorging van onderwijs en weten­ en d f f a c u f t e u " ^ °^ ^^ onderscheiden vakgebieden geschiedt 2. De faculteitsgemeenschap wordt gevormd door hen die behoren tot de volgende geledingen: a. het wetenschappelijk personeel van de faculteit; b.

de studenten die bij de faculteit zijn ingeschreven;

werkzatm^iL^*''^^^^""*^''^^"^'' personeel dat bij de faculteit Artikel 6. Het bestuur van de faculteit wordt uitgeoefend tr^rJ' ^^^'^""«tsratd, op de voet van het daaromtrent b f of krachtens deze wet bepaalde. ^."^^"■il^' l'-u^- P^ faculteitsraad bestaat voor ten minste werkers in'vasTe'dTenT' ''''°'''' ^" wetenschappelijke mede­

. » ^ ; , t ? leden van de raad worden voor ten minste een ia» rechtstreeks gekozen of, indien de faculteit subfaculteiten om vat, door de subfaculteitsraden uit hun midden aangewezen in\rUU.^''T^^^^^''^^f.^^''^'''^'''^ Pl^^ts door en uit * in artikel 5, tweede lid, genoemde ^^"^t geledingen.

one de stic kor

f J ; , H ? f J"'''^ ^""1. personen, die geen deel uitmaken van * r­^ faculteitsgemeenschap, uitnodigen tot het bijwonen van ver ^" gaderingen. Zij hebben alsdan een raadgevende stem. I j f^ 5 De omvang en de samenstelling van de raad alsmede *

r^Tef t r u T r s L l e r n l ^ ' ^ ^^" '^ ^^^ ­ ' ^ ^ ­ ^ ­ l o ' z K ^ e r i d ^ n S ^ ^ ^ d ^ ^!JS^L^^:^'

^­gej "

^'^'^^

^ i o „ ? ^ vergaderingen van de raad worden in het openbaar! gehouden tenzij m het faculteitsreglement anders is bepaa of de raad bij gemotiveerd besluit anders beslist. ' spraak^'' ^^^^"^ """"^ '^^ '''''"^ stemmen zonder last of rugge­j

Artikel 9. 1. Tot de taak van de faculteitsraad behoort de^! / organisatie en de coördinatie van het onderwijs en de weten 1 one schapsbeoefening van de tot die faculteit behorende vak^ebie­ co^ fn achT' " ' " " * "^^""^'^ ^ ' ''' """^^^ '^ ^^d°elde richtlynen heï be\ u i ?.^/^^^ ^ï^" ^^t faculteitsreglement vast; dit reglement 2 behoeft de goedkeuring van de universiteitsraad. egiement in lec ^^■i^°® ^'^^^, ^\^^^' ^'^ ^^s*^e commissie voor het onderwijs be­ doeld in artikel 13, eerste lid, gehoord, na overleg met de ^""^ zusterfaculteiten wie zulks aangaat, vast: de

i

a. het onderwijsprogramma voor elke studierichting met dl ^ leen fJ^w^ " ' ^ ^ " ''' aanduiding van de cursusduur De r^a fentamensf" """ " ' ' ^ ' ' " ' ' ^ ^ ^ " ^^ '^'^^"^^"^ ^" ^^ „v' b. de eisen, te stellen bij het onderzoek, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet op het wetenschappelijk ondemfs 4. De vaststelling van de totale cursusduur van het onder­ wijsprogramma, bedoeld in het vorige lid onder a en de vas ­ ven H ! ? " H V ^ ' ' ' ' " " ' ^""^"^^^ ^" h^t vorige lid onder b behoe­ d e ' k a n e ^ S o T d " ' ^ " " ' " ' ^ universiteitsraad, het college van

^"'

^ eer op 2 in ui

5. De raad brengt, na overleg met de zusterfaculteiten wie zulks aangaat, aan het college van bestuur advies uit over d aanbeveling voor de benoeming van hoogleraren en lectoren n de facul eit, met inachtneming van het bepaalde in artikel 13, tweede lid. Indien de raad afwijkt van het voorstel van d commissie, bedoeld in het genoemde artikel, legt hij bij zit advies dit voorstel en de daarop betrekking hebbende stukken

? f ^^^ ,

Artikel 10. 1 De faculteitsraad kiest al dan niet uit ziin

'""^

"ooïs^te ^yfli^r''^^^^ '''' '""'^ ^^" faculteitsbestuur vL^n t^n

^^

2. De raad kiest de voorzitter van het bestuur voor ten S t d emT' "'^ t' ^""'""^ hoogleraren en lectoren Deze een f o d a n ^ ^ i i r ^^''^" Xf"" ^^ faculteit. De dekaan kan van een zodanig deel v a n zijn h o o g l e r a a r s ­ of lectorstaak worden ontheven als voor de vervulling van zijn dekanaat n o o X k e ­

de tuv ge> bel ,

eis^t kan'^lTn^vfitT^* T^" ^^l^"""" ^^ volledige werkkracht op­ Alsdan worrttH ' ' ^ ^ « ' d ^ "^ ^et vorige lid worden afgeweken. Alsdan wordt de dekaan op voordracht van de raad en voor noembaar'^M t ^ ^ " ^ " ' " ' ; ' "^'^""^ b^"°^'"d. Hij is opnieuw'b ­ WfïïiH ^""l ^"^'^'^ ^^'^ ^et Studiejaar, waarin hij de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend. De benoeming en he ontslag gSchTeden door het college van bestuur. gebcnieaen 4 Aan de dekaan en de overige leden van het bestuur kan volgens door Ons te stellen regelen, een toelage of bezoldiging,

ste

OV!

^°"

I

^ on da


iste een jaar onderscheidenlijk een toelage worden toegekend Wij regelen culteiten om!* de rechtspositie van de bezoldigde dekaan Het veremgings- of ngewezen fe" stichtingsbestuur treft ter zake een zoveel mogelijk overeenor en uit de| komstige regeling aken van del" en van vei | em I 1 alsmede dei ider geregeld!

Artikel 11. 1 Het faculteitsbestuur behartigt de dagelijkse zaken van de faculteit Het bereidt de vergaderingen van de faculteitsraad voor en draagt zorg voor de bekendmaking en uitvoering van de aldaar genomen besluiten 2 Het bestuur is aan de raad verantwoording schuldig voor zijn handelingen Het geeft hem te dier zake de gevraagde inlichtingen

"ld m artikel'

Artikel 12. 1 De examens worden afgenomen namens de faculteit iet openbaar! 2 Tot het afnemen van examens stelt de faculteitsraad 3 IS bepaald f commissies in van ten mmste drie personen, van wie m elk geval éen hoogleraar en lector van de faculteit is Het academisch statuut regelt, welke andere docenten en deskundigen t of rugge in deze commissies kunnen worden aangewezen r

j

l behoort de 1 de weten Ie vakgebie ^ richtlijnen it reglement derwijs, be leg met de ichting met lur De raad mens en de i in artikel onderwijs het onder en de vast r b, behoecollege van ilteiten wie uit over de ^n lectoren ' in artikel stel van de tnj bij zijn de stukken =t uit zijn ur van ten voor ten oren Deze in kan van ak worden noodzakekracht op- ( ifgeweken d en voor nieuw bein hij de sm eervol geschieden stuur kan szoldiging

I

Artikel 13. 1 De raad stelt vaste commissies in voor het onderwijs, onderscheidenlijk de wetenschapsbeoefening Deze commissies worden in meerderheid samengesteld uit leden van het wetenschappelijk corps Zij geven desgevraagd of uit eigen beweging advies aan de raad en aan het bestuur 2 De raad stelt ter voorbereiding van het advies, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, een commissie in van hoogleraren en lectoren, al dan met uit de faculteit De raad kan andere deskundigen m deze commissie benoemen De commissie brengt, de betreffende vakgroep dan wel vakgroepen gehoord, haar voorstel uit aan de raad Zij legt daarbij de aan haar gedane adviezen over Artikel 14. De faculteitsraad kan bepaalde bevoegdheden overdragen aan het faculteitsbestuur alsmede aan al dan met uit zijn midden benoemde commissies § 2

De

subfaculteit

Artikel 15. 1 Het bepaalde m de artikelen 5 tot en met 9, eerste lid, en 10, 11 en 14 is van overeenkomstige toepassing op de subfaculteit 2 Indien de faculteit subfaculteiten omvat, is het bepaalde in de artikelen 9, vijfde lid, 12 en 13 van toepassing op de subfaculteitsraden 3 De faculteitsraad oefent de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 9, tweede en derde lid, 18 en 19 met uit dan na de debetreffende subfaculteitsraad te hebben gehoord Artikel 16. De faculteitsraad kan bepaalde bevoegdheden overdragen aan de raden van de tot die faculteit behorende subfaculteiten Een dergelijk besluit behoeft de goedkeuring van de universiteitsraad Artikel 17. Indien de faculteit subfaculteiten omvat, kan de raad besluiten tot een andere dan de m het academisch statuut bepaalde mdelmg in subfaculteiten Dit besluit kan worden genomen op voorstel van de raden van de tot die faculteit behorende subfaculteiten 2 In de gevallen waarin het eerste lid met voorziet, kan de faculteitsraad besluiten twee of meer subfaculteiten m te stellen 3 Een besluit, als bedoeld in de vorige leden, behoeft de goedkeuring van de universiteitsraad § 3

De vakgroep,

de werkgroep,

het

instituut

Artikel 18. 1 Ten behoeve van de organisatie, coördinatie en integratie van de werkzaamheden van hen, wier taken liggen op hetzelfde vakgebied, stelt de raad van de faculteit waartoe dat vakgebied behoort, na overleg met de zusterfaculteiten.

een vakgroep in Indien een vakgebied tot meer dan een faculteit behoort, geschiedt de instelling door de faculteitsraad, die daarvoor het meest m aanmerking komt 2 BIJ de instelling bepaalt de raad tevens welke leden van het wetenschappelijk en met-wetenschappelijk personeel alsmede welke studenten op grond van hun bijdrage aan de werkzaamheden op het desbetreffende vakgebied tot de vakgroep behoren 3 Het bestuur van de vakgroep bestaat m elk geval uit de hoogleraren, lectoren, houders van onderwijsopdrachten en de wetenschappelijk medewerkers m vaste dienst van de vakgroep De faculteitsraad bepaalt, hoeveel vertegenwoordigers het wetenschappelijk personeel m tijdelijke dienst, het met-wetenschappelijk personeel en de studenten van de vakgroep kunnen aanwijzen om in het bestuur zitting te nemen 4 Het bestuur kiest voor ten minste een jaar zijn voorzitter uit de hoogleraren en lectoren van de vakgroep 5 Het bestuur regelt de taken van de leden van de vakgroep Het bepaalt daarbij m overeenstemming met welke hoogleraar of lector elk van de overige leden van het wetenschappelijk personeel m vaste dienst zijn onderwijs en onderzoek mricht en onder wiens toezicht elk van de overige leden van de vakgroep werkzaam is 6 Het bestuur stelt jaarlijks een onderzoekprogramma vast, dat de goedkeuring behoeft van de faculteitsraad, de vaste commissie voor de wetenschapsbeoefening, bedoeld in artikel 13, eerste lid, gehoord Het is voor de uitvoering van dit programma alsmede voor de nadere regeling en de uitvoering van het onderwijsprogramma, voorzover dit het gebied van die vakgroep betreft, verantwoordelijk tegenover de faculteitsraad Het geeft de raad de gevraagde inlichtingen 7 Indien de voorzitter overwegende bezwaren heeft tegen een besluit van het bestuur, kan hij een van dat besluit afwijkend nader besluit nemen Alsdan kan het bestuur in beroep gaan bij de faculteitsraad Artikel 19. 1 Ter bevordering van de wetenschapsbeoefening kunnen twee of meer vakgroepen werkgroepen instellen Een dergelijk besluit behoeft de goedkeuring van de desbetreffende faculteitsraad dan wel faculteitsraden 2 Een werkgroep bestaat uit leden van het wetenschappelijk en met-wetenschappelijk personeel en studenten, aangewezen door de betreffende werkgroepen In de leiding van de werkgroep wordt voorzien door de vakgroepen die haar instellen 3 De werkgroep stelt jaarlijks een onderzoekprogramma vast, dat de goedkeuring behoeft van de in het eerste lid bedoelde faculteitsraad, de vaste commissie voor de wetenschapsbeoefening, bedoeld in artikel 13, eerste lid, gehoord en is verantwoordelijk voor de uitvoering daarvan Zij verstrekt die faculteitsraad de gevraagde inlichtingen Artikel 20. 1 De instituten staan als eenheden van beheer ten dienste van de vak- en werkgroepen 2 In het beheer van een instituut wordt voorzien door het college van bestuur

HOOFDSTUK III Het bestuur van de universiteit Artikel 21. 1 De bestuursorganen van de universiteit zijn de universiteitsraad en het college van bestuur 2 Aan de raad behoort de bevoegdheid tot regeling en bestuur van de zaken van de universiteit in haar geheel, voorzover die met bij of krachtens deze wet aan het college van bestuur IS opgedragen. 3

THB 9

27 februari 1970


§ 1

De

universiteitsraad

onderwijs, draagt de raad zorg voor de nodige wijziging van de begroting

Artikel 22. 1 De universiteitsraad bestaat uit ten hoogste zestig leden Zij worden voor ten minste twee jaar of, voor zover het studenten betreft, voor ten minste een jaar gekozen, onderscheidenhjk benoemd 2 De raad bestaat voor ten hoogste vijf zesde uit leden van de universitaire gemeenschap, van wie ten minste een derde hoogleraren, lectoren en wetenschappelijke medewerkers in vaste dienst, ten hoogste een derde studenten en ten hoogste een derde leden van het met-wetenschappelijk personeel zijn Zij worden, met inachtneming van het beginsel van een gelijkwaardige vertegenwoordiging van de faculteiten, gekozen 3 Ten minste een zesde van de raad bestaat uit leden, die geen deel uitmaken van de universitaire gemeenschap De raad bepaalt het aantal van deze leden Zij worden, op aanbeveling van de raad, benoemd door Ons of door het verenigings- of stichtingsbestuur 4 De omvang en de samenstelling van de raad alsmede de zittingstermijn van de leden van de raad worden nader geregeld in het bestuursreglement Artikel 23. 1 De universiteitsraad kiest al dan met uit zijn midden een voorzitter Aan hem kan, volgens door Ons te stellen regelen, een toelage worden toegekend 2 De vergaderingen van de raad worden in het openbaar gehouden, tenzij in het bestuursreglement anders is bepaald of de raad bij gemotiveerd besluit anders beslist 3 De leden van de raad stemmen zonder last of ruggespraak Artikel 24. 1 De universiteitsraad stelt het bestuursreglement vast, met inachtneming van het daaromtrent m de Wet op het wetenschappelijk onderwijs en bij of krachtens deze wet bepaalde 2 Het reglement of een wijziging van het reglement behoeft de goedkeuring van Onze minister dan wel de goedkeuring van het verenigmgs- of stichtingsbestuur en de bekrachtiging van Onze minister De goedkeuring dan wel de bekrachtiging wordt verleend of onthouden met betrekking tot het reglement m zijn geheel, dan wel verleend met uitzondering van een of meer onderdelen 3 De universiteitsraad, onderscheidenlijk het verenigingsof stichtingsbestuur kan van een onthouding van goedkeuring, onderscheidenlijk van bekrachtiging, als bedoeld in het vorige lid, bij Ons beroep instellen binnen zestig dagen na mededeling van de beslissing van Onze minister 4 Indien binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze wet voor de betreffende universiteit het reglement met of onvolledig is vastgesteld, kan Onze minister of het veremgmgsof stichtingsbestuur, het reglement of het ontbrekende deel ervan vaststellen Artikel 25. De universiteitsraad stelt het kiesreglement vast, met inachtneming van het daaromtrent bij of krachtens deze wet bepaalde Artikel 24, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing Artikel 26. 1 In afwijking van het bepaalde m artikel 97, eerste lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs stelt de universiteitsraad het ontwikkelingsplan op 2 In afwijking van het bepaalde m artikel 98, eerste lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs stelt de raad het financiële schema op Artikel 27. 1 In afwijking van het bepaalde in artikel 102, tweede en zevende lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, stelt de universiteitsraad de begroting, onderscheidenlijk de aanvullende begroting vast 2 In afwijking van het bepaalde m het vijfde lid van de artikelen 102 en 102bis van de Wet op het wetenschappelijk

3 Indien de begroting met bij de aanvang van het begro tmgsjaar is vastgesteld, stelt Onze minister de begroting vast Artikel 28. De universiteitsraad stelt, het college van deka nen gehoord, richtlijnen vast voor de organisatie en de coordi natie van het onderwijs en de wetenschapsbeoefening Artikel 29. De universiteitsraad is belast met de zorg \oor de voorzieningen ten behoeve van de studenten Artikel 30. De universiteitsraad kan bepaalde bevoegd heden overdragen aan het college van bestuur alsmede aan a dan met uit zijn midden benoemde commissies § 2

Het college van

bestuur

Artikel 31. 1 Het college van bestuur bestaat uit drie of vijf leden Zij worden gekozen, onderscheidenlijk benoemd op de in het tweede tot en met het vijfde lid bepaalde wijze Het aantal leden wordt bepaald door Ons of door het verenigingsof stichtingsbestuur 2 De rector magnificus is uit hoofde van zijn functie lid van het college 3 De universiteitsraad kiest, al dan met uit zijn midden een lid onderscheidenlijk twee leden uit het wetenschappelijk corps m vaste dienst Zij hebben voor ten minste twee jaar zitting 4 Een lid, onderscheidenlijk twee leden worden benoemd na overleg met de universiteitsraad voor een door Ons te be palen termijn Zij zijn opnieuw benoembaar Met het einde van het studiejaar, waarin een lid de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend De benoeming en het ontslag geschieden door Ons of door het verenigingsof stichtingsbestuur 5 De voorzitter van het college wordt uit de leden dooi Ons of door het verenigmgs- of stichtingsbestuur benoemd 6 De voorzitter van de universiteitsraad heeft het recht de vergaderingen van het college bij te wonen 7 De toelage dan wel de bezoldiging en de verdere rechtspositie van de leden van het college worden door Ons of, op zoveel mogelijke overeenkomstige wijze, door het verenigmgs of stichtingsbestuur geregeld Artikel 32. 1 Het college van bestuur is belast met het dagelijks bestuur van de universiteit 2 Het heeft in elk geval tot taak a het voorbereiden, bekendmaken en uitvoeren van de besluiten van de universiteitsraad, b de zorg voor de huisvesting en het doelmatige beheer van de financiën en de roerende en onroerende zaken, c het benoemen en ontslaan van het personeel en het verdere personeelsbeheer, voorzover de desbetreffende bevoegdheden met bij of krachtens de Wet op het wetensschappelijk onderwijs zijn voorbehouden aan Ons of aan Onze minister, d het sluiten van overeenkomsten en het verrichten van andere rechtshandelingen, e de leiding van de centrale administratie, ƒ het voeren van de correspondentie namens de universiteit g het houden van een voortdurend toezicht op al wat de universiteit aangaat 3 Het college stelt ter zake van zijn in het vorige lid bedoelde beheerstaak nadere regelen, met inachtneming van het 4


riaaromtrent bepaalde m het bestuursreglement Het college kan onderdelen van deze beheerstaak overdragen aan f aculteits­ en subfaculteitsraden dan wel aan beheerders a het begro 4 Het college maakt voor elke te vervullen plaats van groting vast 1,hnoaleraar of lector, na ingewonnen advies van de faculteits­ raad of van de betrokken faculteitsraden, een gemotiveerde e van deka­J| aanbeveling op, welke bij voorkeur ten minste twee namen be­ n de coordi-B vat Het doet deze, vergezeld van het bedoelde advies, toekomen ling I aan Onze minister of aan het verenigings­ of stichtingsbestuur 5 Het college van bestuur is aan de raad verantwoording le zorg voot qrhuldig voor zijn handelingen Het geeft hem te dier zake de gevraagde inlichtingen Het zendt de m artikel 105 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs genoemde jaarrekening le bevoegd­ i aan de raad toe mede aan al Artikel 33. Het college van bestuur verstrekt aan Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de universiteit. ajziging van

i

uit drie ot benoemd op e wijze Het verenigings functie lid zijn midden nschappelijk e twee jaai n benoemd Ons te be­ ^t einde van /entig jaren = benoeming verenigings­ leden dooi enoemd iet recht de iere rechts­ Ons of, op i^erenigings­ ist met het

van de be­ tige beheer sn, en het ver­ e bevoegd­ sschappehjk minister, "ichten van

universiteit al wat de "ige hd bé­ ng van het

§ 3

De rector magnificus,

het college van d ekanen

Artikel 34. De rector magnificus wordt, na overleg met de universiteitsraad, voor ten minste twee jaar benoemd uit een door het college van dekanen opgemaakte voordracht van ten minste twee gewone hoogleraren Hij is na zijn aftreden opnieuw benoembaar De benoeming geschiedt door Ons of door het verenigings­ of stichtingsbestuur Artikel 35. 1 De dekanen van de faculteiten en sub­ faculteiten vormen het college van dekanen De rector magni­ ficus IS voorzitter, tevens lid, van dit college 2 Het college geeft desgevraagd of uit eigen beweging advies inzake het onderwijs en de wetenschapsbeoefening aan de universiteitsraad en aan het college van bestuur 3 De toekenning van het doctoraat geschiedt door het college van dekanen Voor elke promotie wijst het college een of meer hoogleraren of lectoren van een universiteit dan wei van een buitenlandse instelling van wetenschappelijk onderwijs aan als promotor De promotie vindt plaats ten overstaan van dit college of van een commissie, door hem aan te wijzen uit hoogleraren en lectoren, met inachtneming van in het acade­ misch statuut te stellen nadere regelen 4 Het college van dekanen heeft het recht op voordracht van een faculteitsraad, de universiteitsraad gehoord, v^egens zeer uitstekende verdiensten aan Nederlanders of vreemdelingen het doctoraat honoris causa te verlenen § 4

Schorsing

en vernietiging

van

besluiten

Artikel 36. 1 Besluiten van de universiteitsraad, die niet aan goedkeuring onderworpen zijn en in strijd zijn met de wet of het algemeen belang, kunnen door Ons, op voorstel van het ■ college van bestuur, bij gemotiveerd besluit worden geschorst ' of vernietigd Wij bepalen in geval van schorsing de duur hier­ van, met dien verstande dat schorsing niet langer kan duren dan een jaar 2 Het college van bestuur zendt onverwijld aan Onze mi­ nister het besluit van de raad, dat naar zijn oordeel voor ver­ nietiging m aanmerking komt Het voert een dergelijk besluit met uit Indien binnen dertig dagen na de dagtekening van zijn bericht geen schorsing of vernietiging is uitgesproken, wordt het besluit door het college ten uitvoer gebracht HOOFDSTUK IV Geschillen, rechtsbescherming en de handhaving van gedragsregels Artikel 37. Geschillen tussen leden van de universitaire gemeenschap kunnen worden voorgelegd aan de Academische Raad, die ter behandeling daarvan een college instelt Deze raad regelt de rechtsgang alsmede de samenstelling en bevoegdheden van dit college.

Artikel 38. E en student die bezwaar heeft tegen de behan­ deling tijdens het afleggen van een tentamen of examen dan wel tegen de beoordeling van de examenresultaten, kan een schriftelijk en gemotiveerd beroep instellen bij de faculteitsraad, die ter behandeling van dat beroep een commissie instelt Deze commissie is bevoegd te bepalen dat het tentamen of het exa­ men opnieuw wordt afgelegd onder door de commissie te stellen voorwaarden Artikel 39. 1 De universiteitsraad stelt binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze wet voor de betreffende uni­ versiteit een regeling vast, strekkende tot handhaving van de gedragsregels binnen de universitaire gemeenschap, behoudens voor zover het plichtsverzuimen betreft, ten aanzien waarvan reeds krachtens wettelijk voorschrift betreffende disciplinaire straffen een regeling is getroffen 2 De maatregelen, die op overtreding van deze regeling worden gesteld, zijn a waarschuwing, b berisping, c geldboete van ten hoogste f 250,— , d schorsing of, mdien het een student betreft, ontzegging van de toegang tot de universiteit, beide voor ten hoogste een e openbaarmaking van de uitspraak 3 Tegen de uitspraak kan binnen dertig dagen hoger beroep worden ingesteld bij de Academische Raad, die ter behandeling daarvan een college instelt De raad regelt de rechtsgang als­ mede de samenstelling en bevoegdheden van dit college HOOFDSTUK V Academische Raad Artikel 40. 1 De Academische Raad geeft desgevraagd of uit eigen beweging namens de universitieten adviezen aan Ons of aan Onze minister De raad kan eveneens adviezen geven aan de universiteiten 2 De raad bestaat uit een door Ons benoemde voorzitter tevens lid, drie leden voor elke der universiteiten, benevens ten hoogste tien leden die door Ons worden benoemd 3 De leden, die voor elke universiteit zitting hebben, wor­ den telkenjare door de universiteitsraad aangewezen E en van hen is de rector magnificus Voor elk van deze leden wijst de universiteitsraad een plaatsvervangend lid aan, dat bij ver­ hindering van het lid aan de werkzaamheden van de raad deelneemt 4 De vergaderingen van de raad worden in het openbaar gehouden, tenzij m het reglement van de raad anders is be­ paald of de raad bij gemotiveerd besluit anders beslist 5 In geval over een aan Ons of aan Onze minister uit te brengen advies wordt gestemd, brengt elke universiteit een stem uit Alsdan hebben de door Ons benoemde leden een adviserende stem Afwijkende standpunten worden, indien zulks wordt verlangd, bij dat advies ter kennis gebracht. Artikel 41. De Dagelijkse Raad bestaat uit ten hoogste negen leden, onder wie de voorzitter en de vice­voorzitter van de raad Zij zijn tevens voorzitter, onderscheidenlijk vice­voor­ zitter van de Dagelijkse Raad De overige leden worden telken­ jare gekozen door de raad, met dien verstande dat ten minste twee leden worden aangewezen uit de door Ons benoemde leden De gekozen leden zij n herkiesbaar Artikel 42. 1 De raad stelt voor elke sectie het aantal leden vast, dat per wetenschapsgebied per universiteit door hem wordt benoemd. De benoeming geschiedt op voordracht van de daarvoor m aanmerking komende faculteitsraad of sub­ faculteitsraad, de desbetreffende vakgroep of vakgroepen ge­ hoord met dien verstande, dat de voordracht ten minste een 5

THB 9

27 februari 1970


hoogleraar of lector op het desbetreffende vatten.

gebied moet be-

2. De raad kan, op voordracht van een sectie, andere dan in het eerste lid bedoelde leden benoemen. 3. De secties brengen desgevraagd of uit eigen beweging advies uit aan de raad.

HOOFDSTUK VI Overgangs- en slotbepalingen Artikel 43. 1. De bij of krachtens de Wet op het wetenschappelijk onderwijs ingestelde bestuursorganen van de universiteit blijven de hun bij of krachtens die wet toegekende bevoegdheden uitoefenen tot het tijdstip, waarop bij of krachtens deze wet in te stellen organen zijn totstandgekomen, waaraan die bevoegdheden zijn toegekend. 2. Uiterlijk 1 december 1970 dient de universiteitsraad, voorzover het de gekozen leden betreft, te zijn totstandgekomen, met inachtneming van het daaromtrent nader bepaalde in de algemene maatregel van bestuur. Artikel 44. Wij stellen nadere regelen vast met betrekking tot de inrichting van het bestuur van de openbare universiteit. Die regelen zijn voor een bijzondere universiteit voorwaarden voor erkenning en bekostiging, voorzover de eigen aard van die instellingen zich daartegen niet verzet. Artikel 45. 1. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 43 worden de volgende bepalingen van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs buiten werking gesteld:') 2. Bij de algemene maatregel van bestuur wordt tevens bepaald, in hoeverre bij de toepassing van de artikelen van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs met betrekking tot de inrichting van het bestuur van de openbare universiteit, die niet krachtens het bepaalde in het eerste lid buiten werking zijn gesteld, van het bepaalde in die artikelen wordt afgeweken. Artikel 46. 1. Zolang niet te Rotterdam een universiteit is totstandgekomen, is daar gevestigd een rijksinstelling van wetenschappelijk onderwijs, aangeduid als Medische faculteit te Rotterdam, welke de faculteit der geneeskunde omvat. Zij bezit rechtspersoonlijkheid. 2. De Wet op het wetenschappelijk onderwijs en de op die -wet gebaseerde regelingen, richtlijnen en aanwijzingen, welke in het algemeen betrekking hebben op de universiteiten en in het bijzonder op de rijksuniversiteiten, zijn op de Medische

faculteit te Rotterdam van overeenkomstige toepassing, tenz bij of krachtens deze wet anders is bepaald. Artikel 47. 1. Wij kunnen, de Raad van State gehoorc een universiteit machtigen om bij wijze van proefneming voc een door Ons te bepalen termijn af te wijken van het bepaald omtrent de bestuursorganisatie bij of krachtens de Wet op he wetenschappelijk onderwijs dan wel deze wet, voorzover daar mee de strekking van deze wet niet wordt aangetast. Bij ht verlenen van de machtiging kunnen nadere voorwaarden wo; den gesteld. 2. Van het bepaalde in het vorige lid is uitgezonderd, het geen bij of krachtens deze wet is bepaald met betrekking tt de universiteitsraad en het college van bestuur. 3. De machtiging wordt slechts verstrekt na gemotiveen verzoek van de universiteitsraad. De raad legt daarbij dstukken, waarop zijn verzoek steunt, over. Alvorens Ons beslui te nemen horen Wij de Academische Raad. Artikel 48. 1. Er is een commissie voor de bestuursheivorming van de universiteiten. Wij benoemen en ontslaan df leden. Aan de leden kan, volgens door Ons te stellen regeler, een bezoldiging of een toelage worden toegekend. 2. De commissie geeft desgevraagd of uit eigen bewegin; advies aan Onze minister en aan de universiteiten met betrekking tot de nadere regeling en de uitvoering van het bij o: krachtens deze wet bepaalde. 3. De commissie brengt ten minste eenmaal per jaar er voorts zo vaak zij dit dienstig acht aan Ons rapport uit ove de werking van deze wet bij de verschillende universiteiten et onderdelen daarvan. Afschrift van dit rapport wordt gezonden aan de beide Kamers van de Staten-Generaal. 4. De leden van de commissie hebben toegang tot de vergaderingen van alle bestuursorganen van de universiteiten. De bestuursorganen geven haar de verlangde inlichtingen. Artikel 49. Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur bepalen, dat in geval van verwaarlozing van het bestuur van de universiteit of van het functioneren daarvan of van een deel daarvan in strijd met de wet, de bevoegdheden van een of meer bestuursorganen geheel of gedeeltelijk worden overgedragen, hetzij aan een ander orgaan, hetzij aan een of meer aan te wijzen personen. Artikel 50. Deze wet treedt in werking op 1 september 1970 en geldt tot 31 augustus 1976. Artikel 51. Deze wet kan worden universitaire bestuurshervorming 1970.

aangehaald

als: Wet


passing, tem State gehoon efnemmg voo 1 het bepaald de Wet op he' sorzover daar getast BIJ he waarden woi

rndehike voorzieningen met betrekking tot de \estuurshervorming van de Nederlandse universiteiten 'M hogescholen Wet universitaire bestuurshervorming 1970) VTEMORIE VAN TOELICHTING

ezonderd, het betrekking te a gemotiveeu ?t daarbij d ns Ons beslu ' bestuursher n ontslaan de tellen regeler l. gen bewegms n met betrek an het bij o per jaar er Dport uit ove' iversiteiten en ordt gezonden g tot de ver /ersiteiten De ingen 1 van bestuur oestuur van de van een deel i van een of ATorden over 1 een of meei 1 september lid

als

Wet

Inleiding De democratisering van de bestuurlijke verhoudingen aan onze universiteiten en de hogescholen mag terecht op grote hplanestelling en voortdurende aandacht aanspraak maken Daarin ontmoeten immers verschillende eigentijdse verlangens elkaar zoals de behoefte daadwerkelijk bijdragen te leveren aan eA verantwoordelijkheid te dragen voor de bestuursprocessen en, voorzover die directe participatie met mogelijk is de wens in elk geval zo breed en zo snel mogelijk ingelicht te worden over alles wat zich op bestuurlijk terrein afspeelt, opdat inzicht in en belangstelling voor dit werk kunnen toenemen en controle op dit werk mogelijk wordt Ook in andere sectoren van ons maatschappelijk bestel leven deze verlangens en wordt GD wijziging van de bestaande structuren aangedrongen Deze beweging, die zich aan de universiteiten en daarbuiten voordoet, is geenszins aan nationale grenzen gebonden Integendeel, zij vormt een internationaal verschijnsel In verschillende omringende landen wordt intussen de bestuurshervorming van het wetenschappelijk onderwijs als een urgente aangelegenheid aangemerkt De ondergetekenden hebben dan ook, toen bleek hoe sterk ook in ons land de genoemde verlangens waren, met spoed hun voorlopig oordeel kenbaar gemaakt Op 27 jum 1969 hebben zij de Nota bestuurshervorming van de universiteiten en hogescholen (Zitting 1968-1969 nr 10194)') uitgebracht Hierin hebben zij aan de hand van zeven uitgangspunten hun gedachten uiteengezet over het te voeren beleid inzake de reorganisatie van het universitair bestuur Nadat deze nota m vele kringen kritisch was besproken heeft de vaste commissie uit de Tweede Kamer voor Onderwijs en Wetenschappen op 8, 10 en 23 oktober 1969 openbare hoorzittingen aan de nota gewijd In het kader van de behandehng van de begroting van Onderwijs en Wetenschappen voor 1970 was de nota m de (Tweede) Kamer der Staten-Generaal onderwerp van uitvoerige beschouwingen Zoals de eerste ondergetekende tijdens het debat in de Tweede Kamer reeds m uitzicht heeft gesteld, hebben de verschillende gedachten en verlangens die m en buiten het parlement naar voren zijn gebracht, tot naderl beraad geleid Het hierbij aangeboden wetsontwerp is daarvan het resultaat Het doet een poging aan de verschillende waarden waaraan een modern stelsel van universitair bestuur moet voldoen en die dan ook in de discussies naar voren zijn gekomen, een plaats toe te kennen en tot een verantwoorde afweging van die waarden te komen De eerste waarde die om erkenning vraagt is de al genoemde democratisering Het is duidelijk geworden, dat moet worden afgestapt van het bestaande stelsel waarin de bepaling van het beleid is geconcentreerd bij bepaalde groepen, nl bij colleges van hoogleraren, als de faculteit en de senaat, en bij curatoren Hieruit vloeit voort, dat in beginsel alle leden van de universitaire gemeenschap een aandeel aan de beleidsbepaling kunnen leveren Onderlinge functionele verschillen behoren m dit kader tot uitdrukking te komen Volgens deze gedachtengang is m dit ontwerp de eenheid van het wetenschappelijk corps erkend en 1) Verder te noemen de nota

ziin aan studenten en leden van het met-wetenschappelijk personeel bevoegdheden van medebeslissing toegekend De overtuiging IS gegroeid, dat een zodanige verruimde participatie de werkverhoudingen ten goede zal komen, het gevoel vooi verantwoordelijkheid zal verbreden en zo zal bijdragen tot een beter functioneren van de universiteiten en hogescholen Op deze wijze zal ook beter het hoofd kunnen worden geboden aan andere universitaire problemen Want men dient te beseffen dat de reorganisatie van het bestuur slechts een van de vraagstukken vormt Naast die reorganisatie vraagt een probleem als de vernieuwing van het onderwijs, dringend de aandacht Aan deze verlangens kan echter beter tegemoet worden gekomen als de bestuurlijke democratisering tot stand is gekomen De gedachtenwissehng over andere dringende vraagstukken zal, naar de overtuiging van de ondergetekenden, aanbetekenis en niveau winnen, mdien sprake is van een democratisch bestuurde universiteit Dit onderstreept intussen, hoeveel belang moet worden gehecht aan een spoedige totstandkoming van die bestuurlijke reorganisatie De democratisering - zo IS wel gebleken - betekent met alleen dat, anders dan voorheen meer groepen een aandeel gaan leveren in de bestuursprocessen ZIJ houdt ook m dat aan de individuele leden van de universitaire gemeenschap de mogelijkheden van bescherming en steun worden geboden, waarop zij naar moderne mzichten recht hebben Ook m dat opzicht ontbreekt aan de huidige situatie nog wel het een en ander Zo staan studenten die menen bij het afleggen van examens onredelijk te zijn behandeld m een te zwakke positie In aansluiting op een toezegging' in de nota is daarom een artikel ontworpen, op grond waarvan de student een recht van beroep toekomt Ook de rechtsbescherming van de andere leden van de umversitaire gemeenschap is verbeterd Universiteiten en hogescholen dienen te worden getypeerd als doelgemeenschappen, dat wil zeggen deelgemeenschappen met een specifiek doel die functioneren binnen het verband van en ten behoeve van de gehele gemeenschap Dit doe / s ^ bevordering van onderwijs en wetenschapsbeoeferiing Wil dit naar behoren kunnen worden nagestreefd, dan geldt als tweede waarde een zekere continuĂŻteit en efficiĂŤntie Democratisering van de bestuurlijke verhoudingen zal, naar de overtuiging van de ondergetekenden, het doelmatig functioneren van het universitair bestuur verhogen Deelneming aan en openheid van de bestuursprocessen bieden betere mogelijkheden voor het uitoefenen van controle en het schenken van vertrouwen Op erond hiervan moeten en kunnen bestuurders rekenen op duurzaamheid in de uitoefening van hun functies Voorts moet verzekerd zijn, dat colleges van dagelijkse bestuurders, bijgestaan door een goed geoutilleerd apparaat, werkzaam kunnen zijn met duidelijk afgetekende bevoegdheid ter uitvoering van het vastgestelde beleid Universiteiten en hogescholen kunnen het ter wille van de goede functionering met stellen zonder een sterke mate van autonomie In het kader van de discussie over de bestuurshervorming vormt de vergroting van de zelfstandigheid van de universiteiten en hogescholen als een derde waarde een van de belangrijkste onderwerpen Die versterking dient te worden bekeken in het kader van de verhoging van de bestuurskwaliteit THB 9

27 februari 1970


van de instellingen, waartoe behoort de bereidheid tot interuniversitaire samenwerking Meer nog dan thans zal in de toekomst het besef toenemen, dat de noodzaak van samenwerking en cooordinatie met de andere universiteiten en hogscholen grenzen aan deze autonomie stelt De ondergetekenden slaan deze noodzaak hoog aan In dit verband moet iets worden gezegd over de verhouding van de universiteit tot de verdere maatschappij Tot de doelgemeenschap, welke de universiteit vormt, behoren in de eerste plaats de leden van het wetenschappelijk corps, de studenten en de leden van het metwe tenschappelijk personeel Voor de verwezenlijking van de onderscheiden taken van de universiteit onderzoek, onderwijs en vorming, zijn specifieke bekwaamheden vereist De resultaten hiervan zijn met alleen misschien zelfs tot zekere hoogte met primair, van belang voor de naastbetrokkenen, maar voor de gehele samenleving Dit geldt met alleen voor onze samenleving, maar voor elke huidige en toekomstige gemeenschap Juist op dit punt nemen de ondergetekenden m de vele beschouwingen, die aan dit onderwerp zijn gewijd, een verheugende ontwikkeling van de gedachten waar Van het isolement dat nog niet zo lang geleden kenmerkend was voor onze universiteit en hogescholen, is weinig over Ook bestuurlijk is deze ontwikkeling kenbaar Over en weer bestaan voortdurende en wisselende contacten tussen leden van universitaire gemeenschappen enerzijds en leden van andere gemeenschappen en groeperingen anderzijds In dit licht moet men ook het voorstel van de ondergetekenden zien om in de universiteitsraad personen op te nemen die met tot de eigenlijke universitaire gemeenschap behoren maar toch nauw zijn betrokken bij de taken die de universiteit uitoefent of zal gaan vervullen Men moet beseffen dat hun aanwezigheid in het hoogste bestuurlijke orgaan in aanzienlijke mate het beeld van de universiteit bij de buitenwacht en daardoor tevens bij de centrale overheid kan verstrekken Hoe de geschetste beginselen en waarden nader moeten worden uitgewerkt staat nog allerminst vast Ook over de onderlinge rangorde en afweging valt nog weinig met zekerheid te zeggen Nader onderzoek is dringend gewenst Aan de andere kant kan — als gezegd — met langer worden gewacht Dit dilemma kan met anders worden doorbroken, dan door het nemen van een aanvaardbaar risico als verbonden aan dit wetsontwerp De ondergetekenden menen een verantwoorde procedure terzake te hebben ontwikkeld aan de hand van de volgende uitgangspunten

Voorts kan, door het ontbreken van empirische onderzoekingen naar relevante feiten, slechts m bescheiden mate gebruik worden gemaakt van wetenschappelijke resultaten Naar het oordeel van de ondergetekenden is die inbreng op dit ogenblik voornamelijk beperkt tot bestuursrechtelijke en organisatiesociologische, m beide gevallen theoretische bijdragen 2ii menen, dat hier sprake is van een ernstig tekort Zo is een verklaring te vinden voor het huns inziens opvallende verschijnsel, dat deskundige beoordelaars binnen en buiten de universiteit aan de hand van gelijke gegevens over eenzelfde situatie tot geheel uiteenlopende opvattingen hebben kunnen komen Dit laatste achten zij met onbedenkelijk Juist in de universiteit, waar behoefte bestaat aan grote mate van overeenstemming, hebben zich hier en daar ontwikkelingen voorgedaan, die m dit opzicht als het ware centrifugaal hebben gewerkt Dit kan leiden tot verstarring en frustraties, die de zaak met ten goede kunnen komen Het bovenstaande vormt de grond van het vierde belangrijke voorstel van dit wetsontwerp de instelling van de commissie voor de bestuurshervorming waaraan een veelzijdige adviserende en coördinerende rol K toegedacht Zij zal allereerst tot taak hebben van advies te dienen omtrent de nader te treffen regelingen en de uitvoering van deze wet, als ook aangaande de vraagstukken en verlangem die in dit verband rijzen Het wetsontwerp heeft, zoals hiervoor als is opgemerkt, betrekking op een deelvraagstuk, reorganisatie van het bestuur in het hcht van de gegroeide opvattingen over democratische verhoudingen Ook ten aanzien van het onderwerp van dit wetsvoorstel dient te worden gewezen op een aantal beperkingen Uit het ontwerp blijkt, dat de organisatorische kaders van de universitaire infrastructuur zijn gehandhaafd Zo bestaat er naar hun mening nog onvoldoende uitzicht op de gevolgen die zijn verbonden aan het eventueel opheffen van de indeling in faculteiten als orgamsatie-eenheden van onderzoek en onderwijs Desondanks zijn zij zich bewust van het feit, dat van verschillende kanten erop wordt aangedrongen de indeling in faculteiten te verlaten, terwijl naar het oordeel van anderen onderzoek en onderwijs verschillende organisatiekaders nodig hebben

4 er moet een commissie voor de bestuurshervorming worden ingesteld, waaraan een raadgevende en coördinerende taak wordt toegekend bij de uitwerking en de uitvoering van deze wet

De fundamentele hervorming van het universitaire bestuursstelsel heeft tot gevolg, dat de regels betreffende de interuniversitaire samenwerking m de Academische Raad dienen te worden aangepast aan die hervorming Daar de ondergetekenden overtuigd zijn van de noodzaak van die samenwerking, hebben zij m dit ontwerp aan deze raad een sterkere positie toegekend dan dit college thans bezit In dit wetsontwerp is een aanzet gegeven tot versterking van het representatieve karakter en van de coördinerende taak van de Academische Raad De bereidheid tot interuniversitaire samenwerking is tot voor kort bescheiden gebleken, in de jongste tijd valt er evenwel een groeiende tendentie m de huns inziens juiste richting waar te nemen Hoewel zij het op zichzelf aantrekkelijk achten een verdergaande verruiming van de bevoegdheden van de Academische Raad voor te stellen, menen zij na rijp beraad daarvan op dit ogenblik te moeten afzien en voor de volgende fase te moeten bewaren Als belangrijkste motief heeft hierbij voor hen gegolden, dat de denkbeelden over de hervorming van de Academische Raad m de eerste plaats afkomstig behoren te zijn van de hervormde universitaire besturen

BIJ het ontwerpen van deze regeling is uiteraard rekening gehouden met de resultaten die uit het universitaire beraad tot nu toe naar voren zijn gekomen Het spreekt voor de ondergetekenden vanzelf, dat m een dynamische organisatie als de universiteit de leden van de universitaire gemeenschap als eersten m staat moeten worden geacht oplossingen te vinden voor vraagstukken waar de universiteit zich voor gesteld ziet Dit laatste stellen zij met klem, nu gebleken is, dat het beraad hier en daar ook op meer belangrijke punten tot sterk uiteenlopende conslusies en meningen heeft geleid Zij menen dan ook, dat verdere resultaten van die gedachtenwisselmg in beginsel met krachteloos mogen worden gemaakt door een te nauw wettelijk kader

In deze inleiding hebben de ondergetekenden verschillende vraagstukken genoemd die min of meer rechtstreeks verband houden met de universitaire bestuursstructuur Zij hebben daarbij opgemerkt, dat de hervorming van die structuur slechts een van de vraagstukken is, waarvoor de universiteiten en hogescholen zich thans gesteld zien Doch dit is tevens het vraagstuk, dat bij voorrang oplossing behoeft Met behulp van een nieuw bestuursstelsel zullen andere aspecten van het totale vernieuwingsproces beter kunnen worden aangepakt Op grond van de expansie, waaraan de universiteiten onderhevig zijn en zullen blijven, groeit het besef, dat men zich met betrekking tot de universiteiten zal moeten gewennen te denken in termen van voortdurende veranderingsprocessen

1 er moet een zo soepel mogelijke wettelijke structuur komen, die ten behoeve van de naast betrokkenen allerlei _ mogelijkheden tot vormgeving openhoudt en die er op is gericht m het algemeen onaanvaardbare situaties te voorkomen, 2 de geldigheidsduur van deze wet, moet beperkt zijn, ten einde met de hierm geschetste structuur ervaring op te kunnen doen, 3 de mogelijkheid moet worden geopend om van de geschetste structuur af te wijken mdien deze m bijzondere gevallen als te eng wordt ervaren,

8


onderzoe' het ogenblik gamsatie ZIJ

eet ver dl eenzelfde kunnen in de over voor gezaak de

i

ormmg rol IS -- te itvoering gen";

Uit het bovenstaande blijkt, dat thans met een m alle opzichten uitgebalanceerd stelsel mag worden verwacht De ondergetekenden achten het echter van het grootste belang, de voorwaarden te scheppen voor een bestuursstructuur, die door betrokkenen, dat zijn in de eerste plaats de leden van de universitaire gemeenschap, als legitiem wordt ervaren Zn menen, dat zij met dit wetsontwerp de noodzakelijke voorwaarden hebben aangegeven om de vereiste ondervinding te gaan opdoen met gedemocratiseerde bestuursvormen op alle niveaus van de universiteit Hieruit vloeit voort, dat het wetsvoorstel aan bepahngen van dwingend recht slechts het minimum bevat Het komt hen gewenst voor, globaal de zelfstandigheidsmarges voor de onderscheidene organisatieniveaus aan te geven m het belang van het niveau alsook van andere niveaus Daarnaast bevat het ontwerp vele bepalingen van regelend recht, met behulp waarvan de differentiatiemogelijkheden tot volle'ontplooiing kunnen worden gebracht HOOFDSTUK I Structuur van het wetsontwerp Als doelstellingen van het toekomstig beleid noemt de nota de interne democratisering en de verhoging van de doelmatigheid van het bestuur, waarbij tevens de bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden verduidelijkt Ter concretisering van deze leidende beginselen werden vervolgens een aantal uitgangspunten gesteld en uitgewerkt Daarvan uitgaande zullen de ondergetekenden in de hierna volgende paragrafen de hoofdlijnen van dit ontwerp uiteenzetten Daarbij komen tevens zoals reeds m de inleiding werd gesteld - die voorstellen van dit ontwerp aan de orde, waartoe het nader beraad, dat is gevolgd op de parlementaire behandeling van de nota, hen heeft geleid en welke afwijken van de op die punten in de nota gegeven uitwerking In de volgende hoofdstukken van deze toelichting wordt op de onderdelen van het wetsontwerp nader ingegaan

bebestuur cratische dit beperkaders bestaat gen ndeling onder-

stuursinterdienen onder-

voor de zijn lillende erband hebben slechts en het van totale rond en

i

§ 1 Opbouw van de basis af BIJ de opbouw van de nieuwe universitaire organisatie zal de werksituatie van de leden van de universitaire gemeenschap uitgangspunt dienen te blijven In het organisatiepatroon van de universiteit zijn van ouds drie trappen te onderkennen, die kunnen worden aangeduid met basis-, midden- en topniveau Het uitgangspunt houdt in, dat het zwaartepunt van de directe onderwijs- en onderzoekactiviteiten op het basisniveau ligt De zelfstandigheid van de kleinste werkeenheden vmdt haar begrenzing daar, waar de beleidslijnen van deze eenheden moeten worden bijeengebracht en gecoördineerd Dit vormt de eerste taak van de bestuursorganen op het middenniveau de faculteit, de subfaculteit en de studierichting De faculteit staat derhalve in zoverre boven de basiseenheden, dat zij, m samenwerking met de kleinste eenheden, het beleidskader vaststelt van een samenstel van verwante vakgebieden en de beslissingen van die eenheden in dit verband beziet Een overeenkomstige gedachtengang geldt voor de verhouding tussen het top- en middenniveau van de universiteit In de inleiding hebben de ondergetekenden gedoeld op van verscheidene zijden naar voren gebrachte opvattingen, welke onderling verschillen, maar die er alle op neerkomen, dat het patroon van de universitaire organisatie, mede bezien m het licht van de interuniversitaire samenwerking, verandering behoeft Aan dergelijke veranderingen zijn naar hun oordeel vergaande consequenties verbonden, waarvan de reikwijdte op dit ogenblik niet goed kan worden overzien Er bestaat immers nog geen helder inzicht m de richting, waarin die veranderingen moeten gaan Zo zal de mate van bereidheid tot interuniversitaire samenwerking een factor van gewicht zijn voor de opbouw van de toekomstige organisatie Overigens zal de vraag, of en in welke zm de organisatiestructuur nog verder moet gewijzigd worden, een van de belangrijkste onderwerpen van studie en onderzoek vormen in de eerstkomende jaren Met dit wetsontwerp is ten aanzien van die structuur een grote mate van flexibihteit nagestreefd, met name ten behoeve van

het middenniveau Zo heeft de subfaculteit duidelijker gestalte gekregen doordat m artikel 15 de bepalingen over de bestuursstructuur van de faculteit van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op de subfaculteiten Artikel 16 biedt de faculteitsraad de mogelijkheid bevoegdheden over te dragen aan de subfaculteitsraden, zodat het feitelijk zwaartepunt van de bestuursvoering op het middenniveau daar kan komen te liggen In deze gedachtengang past tevens artikel 17, op grond waarvan de faculteitsraad de bevoegdheid toekomt over te gaan tot een andere indeling in subfaculteiten dan die waarin het academisch statuut voorziet Daarnaast kan de raad van de faculteit welke volgens dat statuut geen subfaculteit(en) omvat, besluiten subfaculteiten m te stellen Met betrekking tot dit laatste wijzen zij tenslotte op de mogelijkheid, dat de faculteitsraad die van oordeel is met aanstonds tot de indehng m subfaculteiten te moeten besluiten, vaste commissies voor onderwijs- en wetenschapsbeoefening per studierichting of groepen daarvan instelt, waaraan zij bevoegdheden overdraagt (artikel 13 eerste lid, juncto 14) Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de landbouwhogeschool te Wageningen, die slechts een faculteit, die der landbouwwetenschappen, omvat In Hoofdstuk II, § 1, gaan de ondergetekenden nader op de hierboven genoemde voorstellen in Het basisniveau omvat een veelheid van activiteiten, die rechtstreeks verband houdt met de universitaire taakuitoefening De wetgever dient vooral op dit vlak terughoudendheid te betrachten In dit wetsontwerp is beoogd aan de ene kant de middelen aan te reiken voor het op soepele wijze vormen van structuren en anderzijds het gevaar van versnippering tegen te gaan Op grond van de doelstellingen, waarop het toekomstig beleid is gebaseerd en die dan ook in dit wetsontwerp zijn uitgewerkt, is in artikel 18 een globale regeling gegeven voor de totstandkoming en de inrichting van de bestuursvorm de vakgroep Artikel 19 wijst vervolgens een weg aan voor de bevordering van het interdisciplinaire onderzoek de vakgroepen kunnen daartoe werkgroepen instellen In hoofdstuk II komen zij hierop nader terug § 2 Recht tot medebeslissen In de nota hebben de ondergetekenden gesteld, dat aan geen universitaire geleding op voorhand het recht tot medebeshssen m bestuursorganen op welk niveau dan ook mag worden onthouden Als geledingen werden genoemd de vijf in de universiteit te onderscheiden groeperingen de hoogleraren en lectoren, de wetenschappelijke staf, de studenten, het technisch en administratief personeel als ook de vertegenwoordigers van de maatschappij De voorstellen in het wetsontwerp wijken op dit punt in belangrijke mate af van de nota Dit blijkt al aanstonds uit artikel 4, eerste lid, waar de universitaire gemeenschap wordt omschreven Tot die gemeenschap behoren de leden van de volgende drie geledingen het wetenschappelijk personeel, de studenten en het met-wetenschappelijk personeel Zoals zij in de Inleiding reeds hebben uiteengezet, is in het ontwerp uitgegaan van de eenheid van het wetenschappelijk corps In § 3 van dit hoofdstuk gaan zij hierop nader in Wel merken ZIJ nu reeds op, dat het hen met het oog op een der hoofdzaken, nl de verkiezing voor en de samenstelling van de verschillende bestuursraden, gewenst voorkomt een ruimere grens ter zake te bepalen Tot het wetenschappelijk personeel behoren buiten de leden van het wetenschappelijk corps, bedoeld m artikel 63, tweede lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, ook de wetenschappelijke assistenten Ten aanzien van de studenten geeft artikel 1 een nauwkeuriger omschrijving, die beter aansluit aan het spraakgebruik dan die welke de huidige wet verschaft De term niet-wetenschappelijk personeel achten zij gelukkiger dan de m de huidige wet gebruikte omschrijving „overig personeel" Tot deze peroneelscategorie valt iedereen te rekenen die geen deel uitmaakt van het wetenschappelijk personeel De vertegenwoordigers van de maatschappij worden thans met gezien als behorend tot een universitaire geleding In het Q

THB 9

27 februari 1970


o n t w e r p k o m t deze t e r m o v e r i g e n s m e t v o o r D e o n d e r g e t e k e n d e n v e r w i j z e n h i e r o m t r e n t n a a r § 4 v a n dit h o o f d s t u k Alle l e d e n v a n de u n i v e r s i t a i r e g e m e e n s c h a p b e z i t t e n actief k i e s r e c h t v o o r de u n i v e r s i t e i t s r a a d , alle l e d e n v a n d e facultei sg e m e e n s c h a p v o o r de f a c u l t e i t s r a a d , enz (artikel 4 t w e e d e h d ) O p deze r e g e l m a a k t h e t w e t s o n t w e r p slechts eek u i t z o n d e r i n g d e e e r s t e j a a r s s t u d e n t e n zijn g e d u r e n d e h e t e e r s t e s e m e s t e r v a n h e t s t u d i e j a a r , d a t is tot 1 f e b r u a r i u i t g e s l o t e n h n ^ H ^ f ^ " ^ " ^ k i e s r e c h t O p deze m a t e r i e w o r d t m § 5 v a n di" hoofdstuk teruggekomen § 3

Eenheid

van

het wetenschappelijk

stilH H,t °''^y^TP m o r d e n i n t u s s e n die m a a t r e g e l e n voorgesteld die v a n b e l a n g k u n n e n w o r d e n g e a c h t in h e t k a d e r van dp v o o r g e n o m e n b e s t u u r s h e r v o r m i n g Deze zijn in de e e r s t e plaat v a n b e l a n g voor de d i r e c t e w e r k v e r h o u d i n g e n op h e t £ n i v e a u bij de o n t w o r p e n s t r u c t u u r v a n de v a k g r o e p e n t o e t h c h t in h o o f d s t u k II, § 1, is h i e r m e e r e k e n i n g g e h o u d i n ^ Uit h e t w e t s o n t w e r p blijkt, d a t de v e r w e z e n l i j k i n g v a n die e e n h e i d vrijwel g e h e e l b e r e i k t w o r d t t e n a a n z i e n v a n d l h o o É l e r a r e n en lectoren Dit h o u d t o n d e r m e e r m , d a t de lector de b e v o e g d h e i d v e r k r i j g t als p r o m o t o r op t e t r e d e n O p de° wijze w o r d t de positie v a n de h u i d i g e lector v e r d u i d e l i j k t e„ b o v e n d i e n r e c h t g e d a a n a a n zijn w e r k e l i j k e b e t e k e m s ■ b

corps

crJu^^t K ' ^ ' ' ^ ^ ' ' de o n d e r g e t e k e n d e n op d a t h e t bij de demo c r a t i s c h e b e s t u u r s o p b o u w v a n de u n i v e r s i t e i t past, d a t zij d°e bij u i t s t e k v e r a n t w o o r d e l i j k zijn voor h e t v o o r t b e s t a a n v a n de

I n h e t stelsel v a n de h u i d i g e w e t b e r u s t e n de b e s t u u r l n k e b e v o e g d h e d e n op h e t t e r r e i n v a n h e t o n d e r w i j s en de w e t e n ! s c h a p s b e o e f e n m g in d e e e r s t e p l a a t s bij de h o o g l e r a r e n ^ e z e n d r a g e n i n d i v i d u e e l en gezamenlijk, d e u i t e i n d e l i j k e v e r a n t S u r " i n de . r 1 ^ " ^ ° " ^ ^ ^'""^ " ^ " h ^ t a c a d e m i s c h zeWn ™ H t ^ ^ afgelopen j a r e n is d a a r e n t e g e n h e t besef t o e g e n o m e n , d a t dit stelsel o n v o l d o e n d e r e c h t doet a a n de feitehik g e g r o e i d e en b e s t a a n d e v e r h o u d i n g e n en m e t m e e r o v e r e e n v e r f r o ü n s ^|,7'=,^l^'^g^"« ^ l e m b r e d e k r i n g l e v e n D e schaa"v e r g r o t i n g die de u n i v e r s i t e i t en de w e t e n s c h a p s b e o e f e n i n g tnt t w H " ""^ ' " " T ^ ^ ' J ^ ^ " o n d e r g a a n , heeft m e t a l l e e n g e l e " ! tot s t e e d s o m v a n g r i j k e r s t a v e n , m a a r ook h i e r tot een s i t u a t i e 7.T^^' ^!f ^^^^^'^ 1" s t e e d s b e l a n g r i j k e r m a t e v e r a n t w o o r d i n g n p ^ p ^ ^ ^ ? %l^T ^°^\^'' v e r v u l l i n g v a n de u n i v e r s i t a i r e t a k e n Deze o n t w i k k e l i n g behoeft ook w e t t e l i j k e e r k e n n i n g D e o n d e r g e t e k e n d e n h e b b e n d a n ook m de n o t a gesteld nelnk°pLr /'^'^'^^''^'^."^^'^ '^^ ^ ^ " ^ e i d v a n h e t w e t e n s c h a p - ' p e h j k corps in deze z m d a t de s c h e i d i n g t u s s e n h o o g l e r a r e n en de a n d e r e l e d e n v a n dit corps m o e t w o r d e n g e m a t i g d Bij b e s p r e k i n g v a n de n o t a in en b u i t e n h e t p a r l e m e n t is v a n vele zijden n a a r v o r e n g e b r a c h t , d a t d e h i e r a a n g e d u i d e u i t w e r k i n g als o n v o l d o e n d e m o e t w o r d e n b e s t e m p e l d Bij de v o o r b e r e i d m i vra^a. o f ^hhe tl r wenselijk " ' " ' ' ? t'"''"''' ''' ^t h^a*n s" ^r^e^e "d^s " gv ebr de rear d et en goavaenr en Sf v r a a g of zou zijn I n z1;nTn hlt^'^''^'^^ K ^ ^ ^ ^ ^ ' ^ '*^P ^ ° " d e n zijn v e r t o n d e n ,n h^t v i n " " " u T ^"""^^^ ^°^ '^^ ^1°^^°"^ g e k o m e n , d a t r e e d s iph^tl^i 1 ' ' ' ' " ^""^ o v e r g a n g s b e s t e l de e e n h e i d v a n h e t w e t e n s c h a p p e l i j k corps p r i n c i p e e l m o e t en k a n w o r d e n e r k e n d Bij h e t n e m e n v a n deze s t a p die de f o r m e l e positie v a n de h o o g l e r a r e n m e t o n a a n g e t a s t laat, is v o o r h e n d o o r s l a g g e v e n d geweest, d a t , h o e d r i n g e n d de oplossing v a n h e t v r a a i s t u k v a n de v e r g r o t i n g v a n de s t u d e n t e n - i n s p r a a k ook m a g zijn, v a n w e z e n l i j k e r b e t e k e n i s is de v e r s t e r k i n g v a n de positie ^ ? i i ^ ^ ƒ ^ " ^ * ^ P P ^ l ^ k e staf Gezien d e zeer b e l a n g r i j k e t a a k die de l e d e n v a n de w e t e n s c h a p p e l i j k e staf in de e e r s t e p l a a t s nl H.t ui '''':? ^^^ w e t e n s c h a p p e l i j k o n d e r z o e k , m a a r ook o p d a t v a n h e t o n d e r w i j s t h a n s v e r v u l l e n , m o e t - p a s s e n d in h e t k a d e r v a n de d e m o c r a t i s e r i n g - a a n de w e t e n s c h a p p e l i j k e m e d e w e r k e r s een b e l a n g r i j k e m e d e v e r a n t w o o r d e l i j k h e i d v o o r h e t o n d e r w i j s en d e w e t e n s c h a p s b e o e f e n i n g w o r d e n g e g e v e n D e o n d e r g e t e k e n d e n h e b b e n v o o r t s in o v e r w e g i n g g e n o m e n d a t m d e l e n ' " ^ ""^"^ h o o g l e r a r e n v e l e n dit u i t g a n g s p u n t blijken te Volledige e e n h e i d v a n h e t w e t e n s c h a p p e l i j k c o p r s zou e e r s t w o r d e n b e r e i k t als alle l e d e n v a n dit corps in beginsel d e z l l f d e z m e n ^ " 'bevoegdheden en dezelfde v e r a n t w o o r d e l i j k h e d e n b e D e o n d e r g e t e k e n d e n a c h t e n een e e n h e i d m deze zin o p g e v a t m e t mogelijk D e hoogst g e k w a l i f i c e e r d e n m h e t w e t e n s c h a p hlijk ? t "stelsel L ? T ' - ^^^^'^ ~ ° ° ^positie "'^^^^ blijven ^^ ^^g^"^ een eigen i n n^^^ e m e n'^en n i e u w w e t t e ^n^li ^^'"ïf" ^""^ o v e r i g e n s m dit v e r b a n d onjuist v o o r u i t t e l o p e n op de m e n i n g s v o r m i n g o m t r e n t de a a n b e v e l i n g e n v a n de C o m m i s s i e s t r u c t u u r w e t e n s c h a p p e l i j k corps v a n de A c a d e m i s c h e R a a d ( C o m m i s s i e - V a n Os), die o n d e r m e e r b e t r e k k i n g h e b b e n op h e t v r a a g s t u k v a n de e e n h e i d v a n dit corps Dit ,3riif~ o v e r i g e n s e v e n m i n een e e n h e i d als v o r e n b e d o e l d de u n i v e r s T t e Z "

°'' ^''

°^'"'''^'' onderwerp van beraad aan

h<

a a n ^ e e T u e * / ^ ' "'^ " ^ ^ ' ^ ^ ^ ^ " S^^^^^^^" k w a l i t e i t e n hie a a n g e s t a l t e geven, m e e r d a n de a n d e r e b e t r o k k e n e n belan? h e b b e n bij h e t b e s t u u r s b e l e i d O m die r e d e n b e h o r e n zi " t^t S^^^^^»^ ,de «­^ganen v a n h e t a c a d e m i s c h z e l f b e s t u u r da zijn in dit o n t w e r p h e t b e s t u u r v a n d e v a k g r o e p en de (sub) f a c u l t e i t s r a a d , s t e r k e r d a n de a n d e r e b e t r o k k e n e n t e z i i v e r t e g e n w o o r d i g d A r t i k e l 18, d e r d e lid, b e p a a l t d e r h a l v e da h e t b e s t u u r v a n de v a k g r o e p in elk g e v a l b e s t a a t uit de tot di v a k g r o e p b e h o r e n d e h o o g l e r a r e n , lectoren, h o u d e r s v a n onde w i j s o p d r a c h t e n en w e t e n s c h a p p e l i j k e m e d e w e r k e r s in v a s e d i e n s t Volgens a r t i k e l 7, e e r s t e lid, b e s t a a t d e faculteitsraad v o o r t e n m i n s t e de helft uit e v e n g e n o e m d e c a t e g o r i e ë n eden v a n h e t w e t e n s c h a p p e l i j k corps § 4

Niet-universitaire

d le en

W a s m de n o t a s p r a k e v a n „ p e r s o n e n v a n b u i t e n als verte­ g e n w o o r d i g e r s d e r m a a t s c h a p p i j " als een v a n de u n i v e r s i t l re ge e d i n g e n , h e t w e t s o n t w e r p doet dit m e t , zoals de onder­ g e t e k e n d e n m § 2 r e e d s h e b b e n u i t e e n g e z e t Zij a c h t e n h e t bi, n a d e r m z i e n m e t g e l u k k i g h i e r v a n een g e l e d i n g te spreken Ook de t e r m „ v e r t e g e n w o o r d i g e r s d e r m a a t s c h a p p i j " heeft tot m i s v e r s t a n d a a n l e i d i n g g e g e v e n O m h e t g e e n h u n voor ogen s t o n d d u i d e l i j k e r tot u i t d r u k k i n g te b r e n g e n , is in he w e t s o n t w e r p op v e r s c h i l l e n d e p l a a t s e n de a a n d u i d i n g van b u i t e n de u n i v e r s i t e i t a f k o m s t i g e p e r s o n e n " g e b r u i k t I n de inleiding h e b b e n zij gesteld, d a t de universitaire a c t i v i t e i t e n niet alleen, en soms m e t p r i m a i r v a n b e l a n g ziin v o o r de l e d e n v a n de u n i v e r s i t a i r e g e m e e n s c h a p Bij de ver­ en h " e f . h l ? o l " ' ' ' ! f ' ' ' ' ^ ' l ' Z ^ ' ^ ^ " ^^J" ° ° k ^"^deren b e t r o k k e n en h e b b e n ook a n d e r e n b e l a n g O m g e k e e r d is h e t v o o r de u n i v e r s i t e i t v a n b e l a n g k e n m s te k u n n e n n e m e n v a n w a t m de m a a t s c h a p p i j leeft I n dit k a d e r v a l t te d e n k e n a a n afge­ studeerden a a n d e s k u n d i g e n uit h e t bedrijfsleven en het o p e n b a a r b e s t u u r alsook uit a n d e r e s e c t o r e n v a n h e t onderwïjs Ir..! vf ^ « « ' ' b e r e i d e n d w e t e n s c h a p p e l i j k o n d e r w i j s en het h o g e r b e r o e p s o n d e r w i j s V e r d e r k u n n e n z o n d e r m o e i t e voor­ b e e l d e n w o r d e n g e v o n d e n v o o r specifieke s i t u a t i e s Zo ligt de b a n d t u s s e n de l a n d b o u w h o g e s c h o o l en d e o n t w i k k e h n g s h u l p v o o r de h a n d , e v e n z e e r die t u s s e n d e t e c h n i s c h e hogescholen en a n d e r e r e s e a r c h ­ i n s t e l l i n g e n Die b e t r o k k e n h e i d v a n a n d e r e n m e t n a m e a f g e s t u d e e r d e n , zal in de n a a s t e t o e k o m s t sterk k o m t "^^n' H ^% " i i i v e r s i t e i t tot een g e s t r u c t u r e e r d e a a n p a k k o m t v a n de p o s t ­ d o c t o r a l e opleidingen, c u r s u s s e n v o o r b i i ­ en n a s c h o l i n g enz ■' I n h e t a l g e m e e n is d u s g e d a c h t a a n p e r s o n e n die u i t sec­ vpn^^Hir^^t. t s a m e n l e v i n g k o m e n , v o o r w e l k e d e universiteit v a n d i r e c t e b e t e k e n i s is Zij d i e n e n d e r h a l v e op d e h o o g t e te zijn v a n d e u n i v e r s i t a i r e o n t w i k k e l i n g e n en d o o r h u n a c h t e r ­ g r o n d en w e r k z a a m h e d e n een b e l a n g r i j k e i n b r e n g m d e u m v e r ­ w / r ­ h t l n T^J ^''''^''^" B e h a l v e d a t de o n d e r g e t e k e n d e n ver­ ven h ^ ' n ^ t f/^ p e r s o n e n k u n n e n b i j d r a g e n tot v e r r u i m i n g v a n h e t b l i k v e l d v a n d e u n i v e r s i t e i t , m e n e n zij t e v e n s d a t het o r S f n " ^ n " H r " t'^^^'^^^'^^^P^'"'""^'' ' " Universitaire bestuurs­ o r g a n e n de e x t e r n e positie v a n de u n i v e r s i t e i t t e n goede zal .r^TZ ^"^ g u n s t i g e e r v a r i n g die is o p g e d a a n m e t h e t i n s t i t u u t v a n de K r o o n l e d e n v a n de A c a d e m i s c h e R a a d v o r m t hiervoor een a a n w i j z i n g 10

te

ei

si d S zi

h d ri

e: si e; d g n V

k t( h n V ■»

d

V

u v

11

o b z

V


ïelen voorge­ kader van de ■ eerste plaats ap het basis roepen totge louden king van die van de hoog dat de lector den Op deze ­duidehjkt en cenis bij de demo t, dat ZIJ die aan van deze hteiten hier cenen belang 'horen zij m fbestuur, dat en de (sub)­ ■nen te zijn derhalve dat ait de tot die > van onder­ ■rs in vaste aculteitsraad oneen leden

n als verte­ universitaire de onder­ hten het bij te spreken iPPij" heeft hun voor 1, IS m het uding „van tt iniversitaire belang zijn BIJ de ver­ 1 betrokken et voor de van wat m 1 aan afge­ en en het t onderwijs IJS en het oeite voor­ Zo hgt de kelingshulp logescholen an anderen omst sterk •de aanpak oor bij­ en ie uit sec­ universiteit • hoogte te un achter­ de univer­ snden ver­ li'erruiming ns dat het bestuurs­ goede zal ■t instituut t hiervoor

Voor de universiteitsraad is volstaan met de bepaling, dat ten minste een zesde van deze raad bestaat uit leden, afkom­ stig van buiten de universiteit (artikel 22, derde lid) Het komt de ondergetekenden voor, dat de universiteitsraad een belangrijke stem toekomt in de keuze van de personen en m de bepaling van hun aantal Daarom is voorgesteld, dat de raad, met inachtneming van de genoemde grens het aantal van de niet­universitaire leden bepaalt en dat deze leden, op aanbeveling van de raad, worden benoemd door Ons of, voor­ zover het een bijzondere universiteit of hogeschool betreft, door het bestuui van de vereniging of stichting, waarvan die bijzondere instelling uitgaat In dit voorstel is rekening ge­ houden met het feit, dat met het instituut van de met­umver­ sitaire leden een zekere ervaring dient te worden opgedaan Voorts verwachten zij, dat ook op het niveau van de faculteit en subfaculteit de waarde van het betrekken van deskundige buitenstaanders in de werkzaamheden steeds meer zal worden onderkend Het wetsontwerp wijst de betrokken raden op de mogelijkheid dergelijke personen bij hun werkzaamheden of bij die van commissies te betrekken (artikelen 7, vierde lid, en 13, tweede lid)

§ 5

Basis van d e participatie:

gekozen

vertegenwoor d igers

De ondergetekenden achten het van groot belang dat alle belanghebbenden zoveel mogelijk actief bij het bestuur van de universiteit worden betrokken Hierbij moet worden bedacht dat, m een complexe en omvangrijke gemeenschap als de universiteit en haar onderdelen, behoefte bestaat aan kanali­ sering van de levende gedachten, wil het bestuur doelmatig kunnen functioneren Tevens zal een voldoende inbreng van deskundigheid moeten zijn verrekend Het kiesstelsel zal een grote mate van actieve participatie moeten bevorderen Dit is des te meer noodzakelijk, omdat een werkelijke democratische vertegenwoordiging slechts goed kan werken, indien de leden der bestuursraden zich gesteund weten door de bewuste keuze van de kiezers Zij achten derhalve de totstandkoming van een goed doordacht kiesstelsel van groot belang Het ontwerp be­ perkt zich intussen tot de regeling van hetgeen als essentiële grondslagen moet worden gezien Alle leden van de universi­ taire gemeenschap bezitten, zoals uit artikel 4 blijkt, het actieve en passieve kiesrecht Op dit beginsel maakt het ontwerp slechts een uitzondering ten aanzien van hen die nog niet op de hoogte kunnen zijn van hetgeen in de universiteit omgaat Studenten die voor de eerste maal als zodanig zijn ingeschreven, zijn derhalve gedurende het eerste semester uitgesloten van het actieve en passieve kiesrecht Voorts wordt de vrijheid van de bijzondere instellingen geëerbiedigd m die zin, dat zij nadere regels kunnen stellen omtrent de verkiesbaarheid, welke de eigen aard van die universiteiten redelijkerwijs meebrengt Ten slotte ZIJ vermeld, dat met betrekking tot de verkiezing door en uit het wetenschappelijk personeel uitdrukkelijk is bepaald, dat van de onderscheiden raden tenminste het daarbij gegeven aantal hoogleraren, lectoren en wetenschappelijke medewerkers m vaste dienst gekozen dienen te worden Inge­ volge artikel 25 zal de universiteitsraad tot taak hebben het kiesreglement vast te stellen Omdat ervaring met betrekking tot verkiezingen aan de universiteit nagenoeg ontbreekt, komt het de ondergetekenden niettemin gewenst voor op korte ter­ mijn een werkgroep ad hoc in te stellen, die tot taak zal hebben voorstellen te doen aangaande de veelzijdige problematiek zo­ wel m het beleidsvlak als van technische aard, die aan het hou­ den van dergelijke verkiezingen zijn verbonden Ten aanzien van de wijze van verkiezingen kan van twee systemen worden uitgegaan van rechtstreekse verkiezingen, hetgeen in het kader van het streven naar democratisering voor de hand lijkt te liggen, en van verkiezing van de leden van het hogere bestuurs­ orgaan door de lagere bestuursraden, welk stelsel wellicht beter zal passen m het universitaire organisatiepatroon Ook zijn mengvormen van beide systemen denkbaar Ten aanzien van de verkiezing van de universiteitsraad doet het ontwerp geen keuze Ingevolge artikel 22, lid 2, is slechts bepaald, dat

bij de verkiezing van deze raad het beginsel van een gelijk­ waardige vertegenwoordiging van de faculteiten moet worden in acht genomen In feite zal elke (sub)faculteit in de raad vertegenwoordigd moeten zijn, terwijl tevens met de omvang van de (sub)faculteiten zo veel mogelijk rekening zal moeten worden gehouden De voorstellen van de hiervoor genoemde werkgroep kunnen een basis vormen voor de regeling hieromtrent m de algemene maatregel van bestuur, welke uiteraard tot het noodzakelijke minimum beperkt dient te blijven Deze nadere regeling zal m elk geval bepalingen moeten bevatten voor de eerste verkiezing van de universiteitsraad De totstandkoming daarvan dient immers zo spoedig mogelijk plaats te vinden, opdat een begin IS verkregen van de overgang naar de nieuwe bestuursorganen (artikel 43, tweede lid) Artikel 7, lid 2, bepaalt, dat de leden van de faculteit subfaculteiten omvat In het laatste geval heeft deze bepaling betrekking op de subfaculteitsraden die de leden van de faculteitsraad uit hun midden aanwijzen Dit sluit aan bij de huidige ontwikkeling, waarbij de subfaculteiten meer en meer de plaats van de faculteiten innemen Uit het bovenstaande volgt dat nauwkeurig moet komen vast te staan aan welke verkiezingen de onderscheiden leden van de universitaire gemeenschap kunnen deelnemen Dit houdt ten aanzien van de meeste leden van het wetenschappelijk personeel, vele leden van het wetenschappelijk personeel, vele leden van het niet­wetenschappelijk personeel en alle studenten de vraag in, tot welke (sub)faculteit zij behoren Het behoeft geen nadere toelichting, dat b v de bibliothecaris en de per­ soneelsleden van de centrale administratie van de universiteit tot geen enkele (sub) faculteitsgemeenschap kunnen worden gerekend en derhalve alleen kiesgerechtigd zijn voor de univer­ siteitsraad Ook zal nauwkeurig moeten worden bepaald tot welke gele­ ding de leden van de universitaire gemeenschap behoren Uit artikel 4 blijkt, dat in het geval van rechtstreekse verkiezingen deze per geleding zullen worden gehouden Zoals de ondergetekenden hiervoor hebben opgemerktj achten zij het van groot belang, dat alle belanghebbenden zoveel mogelijk bij het bestuur van de universiteit en haar organen worden betrokken Van verschillende zijden is dan ook gepleit voor het opnemen in de wet van een opkomstplicht of van een systeem m de geest van de wet­Faure, waarbij een quorum van 60 pet is voorgeschreven met als sanctie voor een lager opkomstpercentage, een proportionele vermindering van het aantal toe te wijzen zetels Ofschoon zij niet zover willen gaan, zijn zij toch van mening, dat enige regeling op dit punt niet geheel gemist kan worden In artikel 4, lid 4, wordt derhalve voorgeschreven dat bij de eerste verkiezing van elke geleding ten minste 25 procent der kiezers zijn stem zal moeten hebben uitgebracht om de verkiezing, voorzover het van die geleding betreft, geldig te doen zijn Mocht dit percentage met worden bereikt, dan zal drie maanden later voor deze geleding opnieuw een verkiezing moeten worden gehouden, waarvoor de eis dan met meer geldt Gehoopt wordt dat m de tussen­ liggende tijd zoveel publiciteit aan de verkiezing zal worden gegeven, dat de opkomst de tweede keer aanmerkelijk hoger zal zijn Bovendien kunnen nieuwe kandidaten worden gesteld en nieuwe kieslijsten ingediend, waarvan een grotere aantrek­ kingskracht zou kunnen uitgaan Het spreekt vanzelf dat een tweede verkiezing als boven bedoeld de geldigheid van deze verkiezing, de geldigheid van de verkiezingen voor de andere geledingen, onverlet laat Hiervoor hebben de ondergetekenden laten bijken, dat de uitwerking van een volledig kiesstelsel m dit wetsontwerp niet mogelijk is Het is gewenst zo spoedig mogelijk over een groot aantal hiermee samenhangende vraagstukken advies te ont­ vangen De hiervoor vermelde werkgroep ad hoc waarin mede enkele deskundigen op het terrein van het kiesrecht zitting zullen hebben, zal ondermeer aandacht schenken aan onder­ werpen als tijdstip van verkiezingen, kiezerslijsten, kandidaat­ stelling, plaatsvervanging, herkiesbaarheid, stembureau, enz 11

THB 9

27 februari 1970


§ 6

Openbaarheid

Een van de grondslagen van een democratische bestuursopbouw van de universiteit is hierm gelegen, dat de bestuursprocessen zich in openheid afspelen In de nota hebben de ondergetekenden dan ook gepleit voor een zo groot mogelijke openbaarheid van vergaderingen en stukken als middel om die openheid na te streven Zij zijn van oordeel, dat openbaarheid voorop behoort te staan en dat inbreuk op die regel gemotiveerd dient te zijn Aan de universiteiten en hogescholen zijn intussen al verschillende proefnemingen op dit punt gedaan, zoals het in het openbaar vergaderen van colleges van algemeen bestuur, het uitnodigen van gasten bij vergaderingen en het inrichten van „tijdingzalen" alwaar universitaire documenten ter inzage zijn gelegd, deze proefnemingen worden doorgaans gunstig gewaardeerd Hieruit volgt, dat de vergaderingen van de onderscheidene raden in beginsel openbaar zullen moeten zijn ZIJ zullen toegankelijk zijn voor belangstellenden uit de diverse geledingen van de faculteit of subfaculteit, en tevens voor de universitaire en studentenbladen In bepaalde gevallen zal ook de landelijke of plaatselijke pers een verslaggever willen sturen Hiertoe zal een publieke tribune bij elke vergadering aanwezig moeten zijn De toehoorders zullen echter geen spreekrecht hebben hierdoor immers zou een zakelijk en ordelijk verloop van de vergadering in gevaar kunnen worden gebracht, bovendien zou de vergadering van de raad dan m feite toch een min of meer algemene vergadering worden, waartegen m de nota reeds bezwaar is gemaakt Opgemerkt zij echter, dat de raden vanzelfsprekend bij bepaalde agendapunten iedereen als deskundige ad-hoc kunnen uitnodigen Ten emde openbaarheid van de vergaderingen van de raden zinvol te laten zijn, is het noodzakelijk, dat de vergadering tijdig en duidelijk is aangekondigd, de agenda bekend is gemaakt en belangrijke stukken ter inzage zijn gelegd Tevens zal het waarschijnlijk nuttig blijken van de vergaderingen verslagen te publiceren oi ter inzage te leggen In het wetsontwerp is volstaan met het opnemen van een bepaling, dat de vergaderingen van de (sub)faculteitsraad en de universiteitsraad openbaar zijn, tenzij in het (sub)faculteitsreglement, onderscheidenlijk bestuursreglement anders is bepaald of de raad bij gemotiveerd besluit anders beslist (artikel 8, tweede hd, en artikel 22, tweede lid) Een soortgelijke bepaling is ook opgenomen voor de Academische Raad (artikel 40 hd 4). De betekenis van de openbaarheid is, dat belanghebbenden en belangstellenden een beter inzicht verkrijgen m hetgeen omgaat in de universiteit en haar onderdelen en dat de leden van dé" universitaire gemeenschap zich meer betrokken zullen voelen bij de gang van zaken in de universiteit, tevens kan een betere controle worden uitgeoefend op de bestuursorganen Met die betekenis houdt echter ook verband, dat in concrete gevallen een afweging nodig blijft tussen het belang van openbaarheid en de daaraan verbonden nadelen voor personen of voor de universiteit Soms heeft die afweging betrekking op het geschikte tijdstip van openbaarmaking Er kunnen zich situaties voordoen, waarbij in redelijkheid moet worden aangenomen, dat openbaarheid met tot verheldering, maar tot misverstand of verwarring leidt of dat openbaarmaking schade aan financiële of andere belangen van de universiteit te gevolge heeft Daarnaast bestaan categorieën van gevallen, waarin het duidelijk zal zijn, dat de regel van openbaarheid uitzondering moet lijden Zo zijn de ondergetekenden van mening, dat de procedure met betrekking tot de benoeming van personeel in beslotenheid moet worden gevolgd Op het ogenblik laten zich algemene regels inzake openbaarheid moeilijk stellen Het vraagstuk van de openbaarheid staat thans allerwege m de belangstelling, nieuwe inzichten daaromtrent breken door Daarom is in het ontwerp volstaan aan de betrokken bestuursorganen de mogelijkheid te bieden de hiervoren bedoelde afweging naar behoren te verrichten De resultaten van de Commissie heroriëntatie overheidsvoorlichting (commissieBiesheuvel) zullen t z t bruikbare aanknopingspunten kunnen vormen Volgens de al genoemde bepalingen m het ontwerp

hebben de onderscheiden raden het recht en, naar de onder * getekenden menen, de plicht voor bepaalde gevallen of categorieën van gevallen uitzonderingen op de regel van openbaarheid te maken Zo zal de raad aan zijn leden geheimhouding moeten kunnen opleggen ten aanzien van stukken en van de beraadslaging daarover Ook zullen de onderscheidene dagelijkse besturen in een aantal gevallen van de raadsleden voorlopige geheimhouding aangaande overgelegde stukken moeten kunnen vragen Zo nodig zullen m de algemene maatregel van bestuur nadere bepalingen worden gesteld Ten aanzien van de dagelijkse besturen is in de nota reeds vastgelegd dat deze in beslotenheid moeten kunnen - en in de regel ook zullen - vergaderen, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden aan een incidentele openbaarheid de voorkeur wordt gegeven De beslotenheid is naar de mening van de ondergetekenden noodzakelijk - en zal in de algemene maatregel van bestuur nader worden vastgesteld - , omdat anders een vrije meningsvorming zou worden belemmerd In dit verband ZIJ overigens nog eens gewezen op het feit, dat „beslotenheid" met betekent, dat door het bestuur over zijn dagelijkse werkzaaheden geen verantwoording zou moeten worden afgelegd aan de desbetreffende raad De ondergetekenden nemen aan, dat het m de praktijk het meest doelmatig zal blijken, dat ook commissies in beslotenheid zullen veragderen Bij het commissoriaal overleg moet het immers mogelijk blijven, dat de leden van de commissie samen denken en onvolgroeide ideeën aan eikaars zienswijze toetsen volstrekte openheid zou hier beslist verstarrend en daardoor schadelijk werken Ook ten aanzien van universitaire stukken zal een zo groot mogelijke openbaarheid moeten worden betracht ten einde de informatie en de communicatie zo goed mogelijk te laten zijn Hier zal eveneens gelden, dat persoonlijke en zakelijke belangen geen schade mag worden gedaan, voor wat betreft correspondentie zullen verzoeken van afzenders om geheimhouding te betrachten geëerbiedigd moeten worden De vorm van de openbaarheid — die kan vaneren van vermenigvuldiging en rondzending van stukken aan belanghebbenden tot op verzoek ter inzage geven - moet binnen de universiteit per categorie nader worden bezien § 7 Eenheid

van

bestuur

In de wet op het wetenschappelijk onderwijs is voor het bestuur van de universiteit als geheel een dualistische structuur vastgelegd Het college van curatoren en de senaat oefenen tezamen het bestuur uit, waarbij de senaat in het bijzonder de algemene belangen van het onderwijs en de wetenschapsbeoefening behartigt, terwijl het college van curatoren belast is met het beheer Daarnaast hebben curatoren tot taak de zorg voor de naleving van de wet en van de krachtens haar uitgevaardigde regelingen, richtlijnen en aanwijzingen De toekenning van deze twee taken te zamen aan curatoren karakteriseert de positie van dit college het is aan de ene kant een bestuursorgaan van de universiteit, maar anderzijds staat het buiten de eigenlijke academische gemeenschap, waarop het krachtens de wet toezicht houdt Dit stelsel, dat in de loop van de tijd is gegroeid en op goede gronden ook is geformaliseerd, kan voor de universiteit van vandaag met meer voldoen „Onderwijs en wetenschapsbeoefening" van „beheer ' te scheiden is een fictie geworden Onderwijs en onderzoek zijn steeds sterker afhankelijk geraakt van de beheersmogehjkheden De financiële middelen vervullen steeds meer met alleen een ondersteunende functie, zij zijn de bepalende factor geworden Zodoende grijpt het beheer in in zaken van onderwijs en wetenschapsbeoefening, hetgeen de zelfstandigheid van deze aangelegenheden m verdrukking kan brengen De ondergetekenden menen, dat deze duahstische bestuursstructuur behoort te worden opgeheven Zij hebben derhalve m de nota gekozen voor eenheid van bestuur aan de top van de universiteit De daarbij voorgestelde uitwerking van deze opvatting heeft een van de centrale thema's in de besprekingen m en buiten het parlement gevormd De verlangens die naar 12


de onder­ i of catego­ jenbaarheid ling moeten de beraad­ jelijkse be­ voorlopige ten kunnen 'an bestuur nota reeds tl — en in . bijzondere e voorkeur ng van de lene maat idat anders In dit ver „besloten­ dagelijkse vorden af­ raktijk het eslotenheid iet het im ssie samen ze toetsen 1 daardoor n zo groot n einde de laten zijn gelijke be­ )etreft cor­ jeheimhou­ vorm van ildigmg en op verzoek r categorie

lor het be­ ' structuur at oefenen jzonder de apsbeoefe­ ^ast IS met zorg voor evaardigde nnmg van ; de positie irgaan van eigenlijke > wet toe­ 1 op goede rsiteit van apsbeoefe­ >n Onder­ ■raakt van vervullen ZIJ zijn de beheer in letgeen de kkmg kan bestuurs­ L derhalve e top van van deze .prekmgen . die naar

vnren zijn gebracht, hebben hen in het nader beraad doen be­ IluTten een zo doorzichtig mogelijke vorm voor het topbestuur e ontwerpen Hoewel de eerste ondergetekende tijdens het par­ ementaire debat heeft gesteld, dat de universiteit geen leef­ gemeenschap IS, zoals provincies en gemeenten, maar een doel­ feSeenschap, achten zij het verantwoord het bestuursmodel van de universiteit tot op zekere hoogte op te bouwen naar Inalogie van dat van de genoemde openbare lichamen Die ana ogie is hierm gelegen, dat de belangen van onderwijs en wetenschapsbeoefemng m begmsel het best zijn gediend, indien Tan de naastbttrokkenen een grote mate van zelfstandigheid fn de behartiging daarvan is gelaten Aan de andere kan gaat het om nationale belangen, hetgeen tot uitdrukking komt in het feit dat die behartiging mogelijk wordt gemaakt door mid­ del van' de financiering uit de algemene middelen In dit ver­ band moet er dan ook met nadruk op worden gewezen, dat als gevolg van deze stap specifieke regehngen dienen te worden getroffen; zowel m het belang van de overheid alsook van de universiteit zelf Deze gedachtengang is in het wetsontwerp uitgewerkt Volgens artikel 21, tweede lid, bezit de universiteitsraad de bevoegdheid tot regeling en bestuur van de zaken van de uni­ versitiTt m haar geheel, voorzover die met bij of krachtens deze wet is toegekend aan het college van bestuur De onder­ getekenden zien de universiteitsraad derhalve als het hoogste bestuursorgaan van de universiteit Hieruit vloeit voort dat de vaststelling van het bestuursreglement en de begroting als­ ook de opstelling van het ontwikkelingsplan en het financiële schema taken van de universiteitsraad dienen te zijn Op deze wiize krijgt de positie van de universiteitsraad duidelijker ge­ S e dan m de nota het geval is De algemene bestuursbe­ voegdheid van de raad is echter aan twee beperkingen gebon­ den De eerste daarvan volgt uit het eerste uitgangspunt Op­ bouw vanaf de basis, zij heeft betrekking op de verhouding van het topbestuur ten opzichte van het middenniveau en is toe­ gelicht m § 1 van dit hoofdstuk De tweede beperking heeft betrekkmg op het topbestuur zelf Om redenen die de onder­ getekenden hierna zullen uiteenzetten, behoort binnen het kader van de algemene bestuursbevoegdheid een aantal taken en be­ voegdheden te worden toegekend aan het college van bestuur Die taken en bevoegdheden dienen m de wet te worden vast­ gelegd Volgens artikel 32 vormt het college van bestuur het dagelijkse bestuur van de universiteit Tot die taak behoort m elk geval het voorbereiden van de raadsvergaderingen en van de daar te nemen besluiten, het uitvoeren van de raadsbesluiten, het beheer van en de zorg voor de huisvesting, het doelmatige beheer van de financiën en de roerende en onroerende zaken het personeelsbeheer en het houden van voortdurend toezicht op alles wat de universiteit aangaat

I

bouw en visserij belast zijn met het uitoefenen van dit toezicht T n deze visie draagt derhalve met alleen de universiteitsraad door tussenkomst van het college van bestuur maar ook het college van bestuur zelf een externe verantwoordingsplicht Ten aanzfen van het college van bestuur houdt dit m, dat het in de vorm van het geven van de gevraagde inlichtingen verant­ woording aflegt enerzijds voor de uitoefening van zijn eigen X n en anderzijds namens de universiteitsraad voor het alge­ r^een beleid van die raad Voor de universiteitsraad heeft dit Cltrekking op de algemene beleidsbepaling Zijn verantwoor­ dmgsplicht IS m dit ontwerp op twee wijzen geconcretiseerd Enerzyds is het stelsel van preventief toezich gehandhaafd, vol­ gens hetwelk een aantal besluiten die van kardinale betekenis fnn aan goedkeuring is onderworpen, wel is hierbij de moge­ lijkheid om van een onthouding van goedkeuring in beroep te gian bij de Kroon veiruimd Aan de andere kant kunnen be­ fluiten van de universiteitsraad door de Kroon worden ge­ schorst of vernietigd, voorzover die in strijd zijn met de wet of het algemeen belang (artikel 36) Het is daarbij voor de universiteitsraad van belang te weten, dat met licht van dit middel gebruik zal worden gemaakt In het wetsontwerp is dan ^ k aan het college van bestuur een trechterfunctie toegedacht Slechts die besluiten kunnen worden aangetast die naar het oordeel van dit college wegens strijd met de wet of het alge­ meen belang voor vernietiging in aanmerking komen

Met betrekking tot de bestuursvorm van de top is dezelfde bestuursconstructie nagestreefd als voor het middenniveau algemeen en dagelijks bestuur Zodoende is het college van bestuur verantwoording schuldig voor zijn handelingen aan de raad, zoals het faculteitsbestuur dat is tegenover de faculteits­ raad Niettemin blijkt, dat in het ontwerp aan het college van bestuur een ruimere kring van eigen bevoegdheden is toegekend dan die welke op het middenniveau wordt voorgesteld met be­ trekking tot het faculteitsbestuur Bij de structuur van het top­ niveau gaat het er immers met alleen om vorm te geven aan de verhoudingen binnen de universiteit, maar komt tevens de externe verantwoordelijkheid van de instelling m het geding BIJ het functioneren van de universiteit is de nationale gemeen­ schap betrokken Zij heeft belang bij de resultaten op het gebied van het onderwijs en de wetenschapsbeoefening Vanouds heett ZIJ de vrijheid van de universiteit erkend om binnen de alge­ meen geldende regels het beleid terzake en de richting daarvan te bepalen Dit neemt met weg, dat zij met recht kan vorderen dat de middelen welke zij voor de uitvoering van dat beleia aan de universiteit ter beschikking stelt, zo doelmatig mogelijk worden aangewend Bij de inrichting van het topbestuur moet er dus rekening mee worden gehouden, dat namens de natio­ nale gemeenschap de minister van onderwijs en wetenschappen en, wat de landbouwhogeschool betreft, de minister van land­

In de nieuwe bestuursstructuur zal onverminderd behoefte blijven bestaan aan de secretaris van de universiteit Hetgeen met betrekking tot hem is bepaald m de Wet op het weten­ ^happelijk onderwijs zal ingevolge het bepaalde in artikel 45 tweede lid, m de algemene maatregel van bestuur worden aangepast In deze paragraaf verdient tenslotte de instelling van het college vermelding, dat wordt gevormd door de voorzitters van de faculteiten en subfaculteiten Dit college van dekanen fun­ geert onder voorzitterschap van de rector magnificus, als een belangrijk adviescollege over onderwijs­ en wetenschapszaken Het is verder belast met de verlening van de doctoraten en de eredoctoraten In hoofdstuk IV van deze toelichting zullen de ondergeteken­ den nader ingaan op de structuur van het topbestuur van de universiteit § 8 Bestuurd ers met volled ige d agtaak In een democratische bestuursstructuur zijn de naastbetrok­ kenen de leden van de universitaire gemeenschap, verant­ woordelijk voor de kwaliteit van het bestuur van de universiteit en haar onderdelen Het is dan ook van belang hen in staat te stellen de bestuursvoering optimaal te laten verlopen In dit verband valt te denken aan deskundige besluitvorming en voorbereiding daarvan, aan continuïteit en soeplheid van beleid en aan doelmatige uitvoering Het besturen van een ingewikkelde en omvangrijke orga­ nisatie als de universiteit is bovendien een tijdrovende zaak geworden Het blijkt daarbij met doenlijk, dat alle leden van de onderscheiden bestuursorganen m gelijke mate aan de bestuursprocessen deelnemen, zoals ook het functioneren van colleges als de faculteit en de senaat laat zien In de praktijk IS aan vrijwel alle instellingen naar een oplossing gezocht om dreigende bestuurszwakte tegen te gaan Doorgaans vervullen een of meer leden van het college van curatoren, onder wie de gedelegeerd curator, een volledige dagtaak De rector magni­ ficus en/of zijn plaatsvervanger worden voor de uitoeterimg van hun functies ten dele of meestal geheel ontheven van hun hoogleraarstaak Ook op het nievau van de faculteit eist de bestuurstaak in een aantal gevallen de volledige werkkracht op van een van de bestuursleden, in de meeste gevallen is de voorzitter of de dekaan hiermee belast Het behoeft geen betoog, dat deze tendens zich zal voort­ zetten Om de nieuwe bestuursorganen in staat te stellen bun bevoegdheden en taken zelf naar behoren te vervullen zullen middelen moeten worden geboden Aan de andere kant is het in het algemeen van belang, dat garanties voor een goede bestuursvoering aanwezig zijn Het wetsontwerp bevat derhalve 13

THB 9

27 februari 1970


zowel mogelijkheden ter versterking van het bestuur, die door de betrokkenen kunnen vi^orden benut, alsook bepahngen die zijn gericht op het verkrijgen van waarborgen De ondergetekenden wijzen hierbij ten eerste op het bepaalde omtrent het vakgroepsbestuur en de voorzitter van de vakgroep (artikel 18) In hoofdstuk II, § 1, gaan zij hierop nader in Met betrekking tot de faculteit en de subfaculteit merken zij op, dat de desbetreffende raden vrij zijn in de keuze van de leden van het (sub)faculteitsbestuur, met dien verstande dat de voorzitter een hoogleraar of lector dient te zijn Deze kan van zijn hoogleraarof lectorstaak gedeeltelijk of geheel worden ontheven (artikel 10, eerste en tweede lid) Voor grote faculteiten en subfaculteiten zal dit soms nog ontoereikend zijn Indien volgens het oordeel van de raad hiervan sprake is, biedt het ontwerp de mogelijkheid iemand als full-time dekaan te benoemen (artikel 10, derde lid) Hoofdstuk III, § 5 licht de dekaan nader toe Ten aanzien van het college van bestuur dient ervan te worden uitgegaan, dat de leden ervan een volledige dagtaak vervullen Met het oog op de interne en externe verhoudingen behoren bekwame bestuurders te worden aangetrokken De leden van dit college zullen deskundig moeten zijn op het terrein van onderwijs- en wetenschapsbeoefening alsook op het gebied van het beheer, zij zullen daarbij over bestuurlijk inzicht moeten beschikken Bij de visie die de ondergetenden in § 7 hebben ontwikkeld over de plaats van de universiteitsraad en over de verhouding tussen deze raad en het college van bestuur past, dat de raad een belangrijker rol toekomt bij het bepalen van de samenstelling van dit orgaan dan zij in de nota hebben beschreven In deze gedachtengang dient dit college zowel uit gekozen als uit benoemde bestuurders te bestaan Artikel 31 van het ontwerp bepaalt, dat het college van bestuur drie of vijf leden telt Buiten de rector magnificus die uit hoofde van zijn functie deel uitmaakt van dit college, worden een of twee leden gekozen door de universiteitsraad uit het wetenschappelijk corps in vaste dienst en wordt een gehjk aantal leden benoemd, na overleg met de universiteitsraad In hoofdstuk IV, § 2 gaan zij hierop nader in

§ 9

Gemeentelijke

universiteit,

bijzondere

instellingen

Uit het streven slechts die zaken m dit onderwerp vast te leggen, die van essentieel belang zijn voor deugdelijke organisatie van de universiteiten en hogescholen m het algemeen, volgt dat de regeling niet alleen zal moeten gelden voor de openbare, maar ook voor de bijzondere instellingen van wetenschappelijk onderwijs De bepalingen van deze wet zullen derhalve, zoals -dat ook thans reeds het geval is met een aantal bepalingen van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, als rechtstreeks verbindende voorschriften gelden voor de openbare universiteiten en hogescholen, terwijl die zelfde bepalingen eveneens, maar dan indirect, als voorwaarden voor erkenning en bekostiging zullen gelden voor de bijzondere instellingen van wetenschappelijk onderwijs Het spreekt vanzelf dat deze voorwaarden voor erkenning en bekostiging de grondwettelijke gewaarborgde vrijheid van het onderwijs van de bijzondere universiteiten niet mogen aantasten De voornaamste waarborg dat dit niet zal geschieden IS gelegen in het feit dat het recht van benoeming en ontslag van de hoogleraren en lectoren (en al het overige personeel) als recht van het bestuur van de vereniging of stichting, waarvan de bijzondere universiteit uitgaat, onaangetast blijft Ook in andere opzichten zal het verenigings- of stichtingsbestuur de positie blijven bekleden analoog aan die van de rijksoverheid ten opizchte van de rijksinstellingen Ten aanzien van de gemeentelijke universiteit van Amsterdam doet zich een andere gang van zaken voor Volgens de huidige wet worden de hoogleraren en lectoren van die universiteit, anders dan bij de andere openbare universiteiten, niet door de Kroon benoemd en ontslagen op een door de instelling zelf opgemaakte aanbevehng, doch door het college van curatoren van de universiteit, met dien verstande dat de be-

noeming bekrachtiging behoeft van de Kroon Dit houdt ver band met het feit dat dit college van curatoren, waarin de burgemeester en de wethouder van onderwijs van de ge meente Amsterdam ambtshalve onderscheidenlijk als voorzitter en als hd zitting hebben, een ander karakter heeft dan de col leges van curatoren van de rijksinsteUingen Nu evenwel ook bij de gemeentelijke universiteit het college van curatoren zal verdwijnen, is er geen grond meer voor handhaving van de hierbedoelde uitzonderingspositie van deze universiteit op dit punt Ten aanzien van de bijzondere universiteiten en hogescholen moet voorts het volgende worden opgemerkt In de kringen van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs leeft hier en daar nog de gedachte dat de vrijheid van richting, waarvan hierboven melding werd gemaakt, de vrijheid van inrichting insluit Dit zou dan met alleen gelden voor de inrichting van het onderwijs, maar ook voor de inrichting van het bestuur Voor de erkenning van het onderwijs heeft echter van meet af aan als voorwaarde gegolden en is als zodanig aanvaard dat de bijzondere universiteit zich bij de inrichting van dat onderwijs richt naar de bepahngen die ter waarborging van de deugdelijkheid in de wet en het academisch statuut worden gegeven voor de toelating tot en voor de inrichting van het onderwijs alsook voor de wijze van afnemen van de examens aan de openbare universiteiten Men dient daarbij te bedenken dat in die regeling wordt gesproken over senaat faculteiten etc Hiermee worden bedoeld de organen van het academisch zelfbestuur waarvan de samenstelling en de taak elders in de wet in hoofdlijnen zijn geregeld Nu zijn de bepalingen over de inrichting van het bestuur van de senaat de faculteiten, de interfaculteiten en de subfaculteiten van een rijksuniversiteit bij artikel 16 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs niet mede - bij wijze van voorwaarde voor de erkenning en bekostiging - van toepassing verklaard op de bijzondere universiteiten Dit neemt met weg dat de regeling van de hoofdzaken van de organisatie van het universitaire bestuur voor de rijksuniversiteit op het gebied van het onderwijs en de wetenschapsbeoefening wel altijd zijn beschouwd als maatgevend voor die bijzondere instellingen van wetenschappelijk onderwijs, die voor erkenning als gelijkwaardig aan de eerder bedoelde instellingen in aanmerking wensen te komen Zo IS m het geldende wettelijk stelsel, dat op de Nederlandse universitaire traditie is gebaseerd, een van die hoofdzaken, dat de faculteit wordt bestuurd door de gezamenlijke hoogleraren die m die faculteit zijn benoemd Dit werd tot voor kort als een zo vanzelfsprekende zaak beschouwd, dat volgens artikel 54 van de wet „de faculteit" wordt gevormd door de gewone hoogleraren, die daarin zijn benoemd, en dat de buitengewone hoogleraren in die faculteit zitting hebben met raadgevende stem De opvatting, die in de laatste jaren de heersende is geworden, is daarentegen dat een universiteit, waarvan de faculteiten uitsluitend uit hoogleraren bestaan, op een essentieel punt niet meer beantwoordt aan de eisen, die men m het kader van de huidige ontwikkeling aan de universitaire organisatie moet stellen In deze gedachtengang wordt de faculteit gevormd door het wetenschappelijk personeel van de faculteit, de studenten, die bij de faculteit zijn ingeschreven, en het nietwetenschappehjke personeel dat bij de faculteit werkzaam is Dit brengt vervolgens de noodzaak met zich grenzen te stellen aan de omvang van de vertegenwoordiging van de verschillende categorieën leden van de faculteitsgemeenschap Ook op het gebied van het financieel bestuur en beheer geldt, dat daar enkele belangrijke eisen van deugdelijkheid moeten worden gesteld, die - wat de bijzondere instellingen betreft - m dit geval het karakter hebben van voorwaarden voor de bekostiging In dit verband wordt verwezen naar het op 13 september 1969 ingediende wetsontwerp tot wijziging van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs in verband met een algemene herziening van de bekostigingsregeling voor de openbare en bijzondere instellingen van wetenschappelijk onderwijs (wetsontwerp 10 262). 14


s 10

Il

Verhouding van dit wetsontwerp tot de Wet o-p het wetenschappeli:jk onderwijs, slotopmerkingen

De opzet, die aan het wetsontwerp is gegeven, is met die van een ontwerp van wet tot wijziging van de Wet op het wetenschappeUik onderwijs en meer in het bijzonder van die onderdelen van de genoemde wet (voornamehjk de bepahngen van titel III afdeling I, hoofdstuk II), die de inrichting van het universitaire bestuur betreffen De voorkeur is gegeven aan het ontwerpen van een afzonderlijke regeling die slechts voor zes naren zal gelden (artikel 50) Deze wet beoogt de overgang te regelen van de bestaande naar nieuwe bestuursvormen en kan m zoverre derhalve als een overgangswet worden beschouwd Voorts is, wat de inhoud en de omvang van het ontwerp betreft, gestreefd naar beperking tot datgene, wat moet worden gezien als het noodzakelijke minimum aan regei ling door de wetgever zelf voor deze periode De bepalingen betreffende de universitaire bestuursorganen, die op de huidige wet en, wat de bijzondere instellingen betreft, voornamelijk op haar statuten en reglementen zijn gebaseerd, zullen met direct op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling vervallen, maar eerst dan, wanneer de tijdelijke regeling wordt vervangen door een meer definitieve Wel worden deze bepalingen buiten werking gesteld, hetgeen betekent dat de hier bedoelde organen in feite worden opgeheven In hun plaats treden de bestuursorganen, welke krachtens de nieuwe wet - wat de bijzondere instellingen betreft, m overeenstemming met die wet - zullen worden ingesteld In dit wetsontwerp wordt de grondstructuur aangegeven van het bestuursmodel De regeling van de samenstelling en de bevoegdheden van de nieuwe bestuursorganen vormt de kern ervan Zij is tot de hoofdzaken beperkt ten emde zo veel mogelijk ruimte te laten voor differentiatie en nadere uitwerking, die de instellingen zelf in hun bestuurs- en kiesreglementen aan' deze grondstructuur zullen moeten geven De ondergetekenden menen, dat de universiteiten een grote speelruimte nodig hebben, in verband met de verschillen m aard en omvang tussen de instellingen en met de daar beoefende gebieden van wetenschap Aan de wijze van totstandkoming van de nieuwe organen zal echter nog een nadere uitwerking moeten worden gegeven Dit zal geschieden bij de in artikel 44 bedoelde algemene maatregel van bestuur Daarin zal in verband met de overgang van het huidige naar het nieuwe bestel ook een en ander nader moeten worden geregeld, dat niet in de wet zelf behoeft te worden vastgesteld, maar anderzijds ook met geheel aan de instellingen kan worden overgelaten Ook de nadere regeling bij algemene maatregel van bestuur zal evenwel beperkt blijven tot enkele punten van met-fundamentele betekenis Tenslotte hebben de ondergetekenden zich de vraag gesteld of thans het wettelijk onderscheid tussen universiteiten en hogescholen ongedaan kan worden gemaakt Een dergelijke opheffing komt hun op zich zelf gewenst voor Zij zijn echter tot de conclusie gekomen dat het beter is deze aangelegenheid op dit ogenblik te laten rusten Aan de beĂŤindiging van het traditionele onderscheid tussen universiteiten en hogescholen zijn een aantal moeilijkheden van voornamelijk wetstechnische aard verbonden, waarvan de oplossing niet goed past m het kader van dit wetsontwerp

I

HOOFDSTUK II De vakgroep, de werkgroep, het Instituut § 1

De

vakgroep

Naar de mening van de ondergetekenden kan worden gesteld dat de verwezenlijking van de doelstellingen van de universiteit vorming tot zelfstandige beoefening der wetenschap en voorbereiding tot het bekleden van maatschappelijke betrekkingen, het duidelijkst tot uitdrukking komt op het basisniveau, hier trachten leden van het wetenschappelijk en nietwetenschappelijk personeel alsmede gevorderde studenten die doelstellingen te verwezenlijken Uitgaande van deze gedachte

IS het gewenst, bij de organisatie van het onderwijs en de wetenschapsbeoefening aan de basis vorm te geven Als benaming van deze orgamsatie-eenheid is de term vakgroep gebruikt Met deze term is een groep personen bedoeld die op een vakgebied werkzaam zijn (artikel 18) De behoefte aan een wijziging m het organisatiepatroon op het basisniveau, m die zm dat er een orgaan wordt geschapen dat er voor zorgt dat onderwijs en wetenschapsbeoefening op een bepaald vakgebied het beste tot hun recht kunnen komen, hangt samen met het verlangen om versnippering tegen te gaan en is verder het directe gevolg van de veranderde inzichten m de positie van de onderscheiden leden van het wetenschappelijk corps en in verband daarmee in de betekenis van de leerstoel De noodzaak van een verandering van de universitaire organisatie op dit punt is ook duidelijk uitgesproken m het rapport van de Commissie structuur wetenschappelijk corps (commissie-Van Os) van de Academische Raad De resultaten van het overleg over dit rapport zullen nog moeten worden afgewacht Nu de verhouding tussen hoogleraren lectoren en wetenschappelijke medewerkers zal verandeien, is het noodzakelijk een andere regeling te treffen voor een toch altijd noodzakelijke verdeling van taken en werkzaamheden Daarbij dient de mogelijkheid te worden geopend, dat bevoegdheden, waarvan de uitoefening krachtens het stelsel van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs aan hoogleraren waren toevertrouwd, thans mede door andere leden van het wetenschappelijk corps in vaste dienst worden uitgeoefend In dit verband kan aansluiting worden gezocht bij de ontwikkelingen die reeds aan de gang zijn Geregeld overleg over onderwijs- en onderzoekproblemen tussen de hoogleraren en hun naaste medewerkers is meer en meer gebruik geworden De dus genoemde stafvergaderingen nemen nog steeds m betekenis toe Deze verheugende verandering kan worden toegeschreven aan een toenemende erkenning van de essentiĂŤle plaats, die de wetenschappelijke staf m het kader van het onderwijs en de wetenschapsbeoefening inneemt en aan een verlangen naar betere werkverhoudingen Zij is ook - en dit geldt m het bijzonder voor de B-wetenschappen - een logisch gevolg van de groei van het individuele onderzoek naar onderzoek in teamverband Van dit gezichtspunt uit bekeken kan de instelling van vakgroepen worden beschouwd als een vormgeving aan deze ontwikkeling BIJ werkzaamheden op het basisniveau dient uiteraard in de eerste plaats te worden gedacht aan het geven van onderwijs en het verrichten van onderzoek op een bepaald vakgebied Met deze meest fundamentele taken van de universiteit zijn m de allereerste plaats de leden van het wetenschappelijk personeel belast Ook studenten in de afstudeerfase kunnen, met name op het gebied van het onderzoek, hun bijdrage aan die werkzaamheden leveren Daarnaast is er op het basisniveau sprake van een aantal zeer gevarieerde werkzaamheden van technische en administratieve aard, waarvan de omvang van faculteit tot faculteit verschilt Ofschoon deze taken doorgaans een ander karakter hebben dan de fundamentele taken, zijn de hieraan verbonden door het met-wetenschappelijk personeel verrichte werkzaamheden in de huidige universitaire situatie met weg te denken Immers, zonder ondersteuning en medewerking op technisch en administratief gebied zouden het onderwijs en onderzoek in sommige gevallen bemoeilijkt worden en in vele andere gevallen, met name in de B-faculteiten, vrijwel onmogelijk zijn De vakgroep zal m de regel niet de allerkleinste werkeenheid vormen, binnen de vakgroep zullen verscheidene onderzoekprojecten door individuele of door kleme groepen onderzoekers worden bewerkt Dit wil zeggen, dat binnen de vakgroep nog een zekere infrastructuur zal bestaan, waarvan de regeling geheel aan de vakgroep wordt overgelaten Dit neemt met weg, dat de ondergetekenden het van groot belang achten dat, juist op het basisniveau, duidelijkheid bestaat over de taken en verantwoordelijkheden Dit houdt m, dat binnen de vakgroep bepaald dient te worden in overeenstemming met welke hoogleraar of lector elk van de overige leden van het 15

THB 9

27 februari 1970


wetenschappelijk personeel in vaste dienst zijn onderwijs of onderzoek inricht en onder wiens toezicht elk van de andere personen die tot de vakgroep behoren, werkzaam is Hiermee is opengelaten of een student onder supervisie van een wetenschappelijk medewerker, lector of hoogleraar werkzaam is en of een lid van het niet-wetenschappelijk personeel onder supervisie staat van een ander lid van dit personeel of van een lid van het wetenschappelijk corps Het bovenstaande geldt m de eerste plaats voor het onderwijsprogramma, dat door de faculteitsraad wordt vastgesteld en waarvan de nadere regeling en de uitvoering tot de verantwoordelijkheid van de \akgroep behoren In dit verband zal de vakgroep moeten uitmaken welke leden van het wetenschappelijk personeel onderwijs zullen geven, en welke leden met het geven van praktika of werkcolleges zullen worden belast De noodzaak van taakverdeling geldt evenzeer op het gebied van het onderzoek Bij het opstellen en uitvoeren van het onderzoekprogramma zal immers rekening moeten worden gehouden met het vaststellen van een werkverdeling, het bepalen van prioriteiten, het verdelen van de apparatuur, enz Daarnaast ligt het voor de hand, dat de onderzoekers ter bevordering van de doelgerichtheid en het niveau van het onderzoek op gezette tijden een voortgangsrapport aan de faculteitsraad overleggen Uit de aangeduide taken van de vakgroep blijkt wel, dat deze in de eerste plaats betrekking hebben op organisatie, coördinatie en integratie, omdat de werkzaamheden van elk lid van die groep hun plaats moeten hebben in de werkzaamheden van de vakgroep als geheel De activiteit van de vakgroep wordt echter gedragen door de werkzaamheden van haar leden, hiermee is impliciet tot uitdrukking gebracht, dat de academische vrijheid van de individuele wetenschapsbeoefenaar gehandhaafd blijft en ook dient te blijven, dat wil zeggen dat de vrijheid onverlet blijft om in het kader van de totstandgekomen programma's en binnen de nader afgesproken grenzen volgens eigen inzicht onderwijs te geven en onderzoek te verrichten BIJ beantwoording van de vraag wat een vakgebied vormt, dient enerzijds grote soepelheid te worden betracht, doch anderzijds versnippering te worden voorkomen Als voorbeelden kunnen worden genoemd strafrecht, anorganische chemie, Franse taal- en letterkunde Ten aanzien van een en ander luidt het wetsvoorstel, dat de faculteitsraad op grond van de hem toekomende coördinerende taak de vakgroepen instelt, doch dat hij terzake overleg pleegt met de daarvoor m aanmerking komende zusterfaculteiten Dit laatste zal naar de ondergetekenden menen, het beste kunnen plaatsvinden in de secties van de Academische Raad Zo is het bijvoorbeeld mogelijk,-dat _een faculteitsraad zich voorstelt voor het burgerlijk en handelsrecht een vakgroep m te stellen, terwijl die raad van een zusterfaculteit terzake de voorkeur geeft aan twee vakgroepen De instelling van vakgroepen kan zowel betrekking hebben op twee of meer paralelle leerstoelen, waarbij de hoogleraren een gelijke onderwijsopdracht hebben, als op verscheidene nauw verwante leerstoelen Tevens is voorzien m het geval, dat een vakgebied tot meer dan een faculteit behoort Als voorbeeld kan hier de biochemie worden genoemd, die als vak tot de subfaculteiten der biologie en der chemie alsook tot de faculteit der geneeskunde kan worden gerekend Het hgt voor de hand, dat in een dergelijk geval de instelling geschiedt door de faculteitsraad die, gezien de plaats die het desbetreffende vak in de onderscheidene faculteiten inneemt, het meest in aanmerking komt BIJ het instellen van een vakgroep zal de faculteitsraad tevens bepalen hoe de vakgroep is samengesteld, dat wil zeggen welke leden van het wetenschappelijk en het met-wetenschappelijk personeel en welke categorie studenten daarvan deel uitmaken Ook hier is het van belang te bedenken, wat het karakter van de vakgroep is De ondergetekenden menen, dat zij m het kader van het overgangsbestel slechts globale aanduidingen kunnen geven In het voorafgaande is er weliswaar de klemtoon op gelegd, dat de vakgroep in de eerste plaats dient te

worden beschouwd als de organisatieeenheid van hen die uit ^ hoofde van hun professie als docent of als onderzoeker op eenzelfde vakgebied werkzaam zijn Doch uit de strekking van dit wetsontwerp volgt, dat de mogelijkheid dient te worden opengehouden dat ook anderen die door hun werkzaamheden bij de wetenschappelijke activiteiten van de vakgroep betrokken zijn van de vakgroep deel uitmaken In deze ruimere opzet betreft dit de daarvoor in aanmerking komende leden van het niet-wetenschappelijk personeel alsmede gevorderde studenten dat wil zeggen zij die een taak vervullen bij het verrichten van onderzoek en bij het geven van onderwijs In de regel betreft het hier studenten die in de laatste fase van hun studie ver keren

i

Beoogd is, dat binnen de vakgroep door alle leden regelmatig overleg over zaken van onderwijs en onderzoek wordt gepleegd Uit het voorgaande kan worden opgemaakt, dat tot de vak groep doorgaans enige tientallen personen zullen behoren Om die reden zijn m het ontwerp tevens bepalingen opgenomen voor een bestuur Dit bestaat in elk geval uit de hoogleraren de lectoren, de houders van onderwijsopdrachten als bedoeld in artikel 75 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs en de wetenschappelijke medewerkers in vaste dienst van de vakgroep Dit houdt in, dat de bestuursactiviteiten van de vak groep worden gedragen door de proffessionele wetenschapsbe oefenaren Zij die een blijvende werkkring op onderwijs- en wetenschapsgebied hebben, zullen ook juridisch de beslissings bevoegdheid moeten bezitten Dit neemt niet weg dat veelal ook enkele vertegenwoordigers van de andere groeperingen van de vakgroep bij het tot stand komen van de bestuursbeslissingen betrokken moeten worden Vandaar dat tevens wordt voorgesteld de faculteitsraad te laten bepalen hoeveel vertegenwoordigers het wetenschappelijk personeel in tijdelijke dienst, het niet-wetenschappelijk personeel en de studenten kunnen aanwijzen om in het bestuur zitting te nemen Deze vertegenwoordigers zullen in aantal de proffesionele kern van het bestuur niet mogen overtreffen De overgang van de opbouw in leerstoelen naar die in vakgroepen vereist naar het oordeel van de ondergetekenden nog een aanvullende voorziening die het best tot uitdrukking kan worden gebracht in de omschrijving van de plaats van de voorzitter van de vakgroep Daarbij past, dat het hele bestuur zijn voorzitter kiest en dat die keuze wordt gedaan uit de hoogleraren en lectoren van de vakgroep De keuze zal zodanig moeten zijn, dat de voorzitter de vertrouwensman van alle betrokkenen IS Op deze wijze kan ook aan het belangrijke element van continuïteit recht worden gedaan De ondergetekenden zijn dan ook van oordeel, dat in dit verband kan worden volstaan met de bepaling, dat het bestuur zijn voorzitter voor ten minste een jaar kiest De deskundigheid van de voorzitter vormt, naast zijn ver trouwenspositie, een tweede motief voor de aanduiding van zijn positie In deze gedachtengang komt de voorzitter de be voegdheid toe, om — naar de ondergetekenden verwachten, m hoge uitzonderingsgevallen - naar zijn overtuiging schadelijke aspecten van besluiten van het vakgroepsbestuur te voorkomen en, zo nodig, tegen te gaan Zij gaan ervan uit, dat in het bestuur een zodanige samenwerking bestaat, dat men in de regel tot overeenstemming zal komen en een stemming niet nodig zal zijn Komt het echter tot een stemming over bepaalde beleidspunten, dan geldt, dat het bestuur bij meerderheid van stemmen besluit Indien de voorzitter echter overwegende bezwaren tegen een besluit heeft, en heeft hij in een eerder stadium het bestuur daarvan niet kunnen overtuigen, dan is hij volgens het ontwerp bevoegd een nader besluit te nemen, dat gedeeltelijk of geheel van de bestuursbeslissmg afwijkt Het zij nogmaals herhaald dat van deze bepaling, naar de verwachting van de ondergetekenden, door de voorzitter slechts als uiterste middel gebruik zal worden gemaakt Anderzijds komt het wenselijk voor, dat de mogelijkheid bestaat de bezwaren die de voorzitter aanvoert, op hun gegrondheid te toetsen Om die reden is in het wetsvoorstel voorzien in een beroepsrecht van het vakgroepsbestuur op de faculteitsraad 16


hen die uit lerzoeker op Tekking van t te worden •kzaamheden ^p betrokken iimere opzet den van het .e studenten rrichten van regel betreft studie vern regelmatig :dt gepleegd tot de vak jehoren Om opgenomen hoogleraren als bedoeld k onderwijs enst van de van de vak ;enschapsbe iderwijs- en beslissings; dat veelal groeperingen bestuursbe dat tevens den hoeveel in tijdelijke identen kun1 Deze ver ern van het die in vakb e n d e n nog rukkmg kan ran de voor bestuur zijn lit de hoogzal zodanig van alle beingrijke eleidergeteken kan worden srzitter voor st zijn ver duiding van itter de be •wachten, m ; schadelijke ir te voor1 uit, dat in dat men m jmming niet rer bepaalde derheid van vegende beeen eerder :gen, dan is e nemen, dat njkt Het zi] verwachting als uiterste n t het wenaren die de en Om die 'psrecht van

I

§ 2 De werkgroep Van groot belang moet worden geacht, dat met behulp van de vakgroepstructuur beter een weg wan worden gewezen voor die onderzoekprojecten, die tot meer dan een vakgebied vallen te rekenen In aansluiting op het bepaalde m artikel 70 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs kunnen vakgroepen tezamen een werkgroep instellen (artikel 19) Hier gaat het bij uitstek om de bevordering van de interdisciplinaire wetenschapsbeoetemng Het ligt in de lijn van de wetenschapsontwikkeling, dat dergelijke onderzoekingen een steeds belangrijker plaats zullen gaan innemen Het voorgaande sluit met uit, dat de werkgroep ook een zekere onderwijskundige functie vervult, mdien gevorderde studenten aan het onderzoek van deze groep deelnemen Om deze redenen dienen de vakgroepen de vrijheid te hebben de leden van een werkgroep aan te wijzen en te voorzien in de leiding daarvan De ondergetekenden spreken de verwachting uit, dat van de hier geboden vorm in toenemende mate gebruik zal worden gemaakt In het stelsel van dit wetsontwerp past, dat het initiatief tot het instellen van werkgroepen aan het basisniveau toevalt Het ligt dan verder voor de hand, dat de faculteitsraad ook hier zijn coördinerende taak vervult Daarom is in artikel 19 bepaald, dat de instelling van werkgroepen en de vaststelling van de onderzoekprogramma's van die groepen de goedkeuring van de desbetreffende faculteitsraad of faculteitsraden behoeven § 3 Het instituut, het laboratorium, de kliniek Zoals hiervoor is uiteengezet, is in het wetsontwerp gekozen voor een democratisering op het basisniveau door de instelling van vak- en werkgroepen In de opzet van het ontwerp vervullen de instituten, khnieken en laboratoria de functie van eenheden van beheer, die ten dienste staan van die organisatorische onderwijs- en wetenschapseenheden, de vakgroepen en de werkgroepen Op deze wijze zijn tevens terminologische verduidelijkingen verkregen Dit beginsel is neergelegd in artikel 20 van het ontwerp De ondergetekenden achten flexibiliteit bij de wettelijke regeling van de instituten, laboratoria en klinieken van groot belang, omdat de aard, positie en omvang van de werkruimten, boekenbezit, apparatuur en personeelsbezetting daarvan sterk uiteenlopen De universitaire organisatie kent (m de praktijk) zuiver dienstverlenende instituten (voornamelijk in de alfafaculteiten) en laboratoria met uitgebreide staven, deze laatste zullen een of meer dan een vakgroep (eventueel werkgroep) kunnen omvatten In verband hiermee is in het ontwerp slechts de bepahng (in het tweede lid van artikel 20) opgenomen, dat het beheer van de instituten (laboratoria en klinieken) IS opgedragen aan een beheerder Deze functionaris zal in kleine instituten waarschijnlijk slechts een gedeelte van zijn dagtaak aan het beheer besteden, m de praktijk komt dit erop neer, dat een der leden van het personeel met het beheer is belast Het is ook denkbaar, dat een afzonderlijke functionaris wordt aangetrokken, die als dagtaak belast zal zijn met het beheer van een of meer dan een instituut Dit laatste zal voor de grotere laboratoria en klinieken wellicht een normale figuur zijn De benoeming van een beheersfunctionaris dient te geschieden door het college van bestuur De beheerder verricht zijn taak ten dienste van de vak- en werkgroepen De voorzitters van deze groepen en de beheerder zullen onderling tot afspraken dienen te komen over het doelmatig gebruik van de voorzieningen die m het instituut aanwezig zijn Het komt de ondergetekenden voor, dat aan een bestuurscollege, waarin alle geledingen zijn vertegenwoordigd, m deze opzet geen behoefte bestaat, omdat alle geledingen reeds vertegenwoordigd zijn in de vakgroepen en in de faculteitsraad HOOFDSTUK III Het middenniveau In de Wet op het wetenschappelijk onderwijs worden de begrippen faculteit of afdeling, interfaculteit of tussenafdeling en subfaculteit of onderafdeling in twee betekenissen gehan-

teerd ten eerste als deelgebied van onderwijs en wetenschapsbeoefening (artikelen 59, 24 en 26) en ten tweede als vergadering van de gewone hoogleraren (artikel 54) en daarmee als bestuurshchaam In dit ontwerp blijft de eerste betekenis onveranderd, in bestuursrechtelijke zin is de faculteit echter met meer de vergadering van de hoogleraren, maar de gemeenschap die wordt gevormd door de leden van het wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk personeel, alsmede de studenten die op het gebied van de faculteit (m de eerste betekenis van het woord) werkzaam zijn, onderscheidenlijk studeren De faculteitsraad enz is het vertegenwoordigende lichaam van algemeen bestuur van deze zelfbesturende gemeenschap Het vorenstaande is eveneens van toepassing op de subfaculteit (of onderafdeling) § 1

Verhouding

jaculteit-subfaculteit

Volgens artikel 59, derde lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs is de faculteit verantwoordelijk voor de inrichting en de goede gang van het onderwijs De faculteit stelt ter zake een regeling vast met voor elk examen de aanduiding van de in de regel meest gewenste cursusduur en houdt toezich op de naleving daarvan Voorzover voor een bepaalde studierichting het onderwijs en de wetenschapsbeoefening worden verzorgd door een subfaculteit wordt deze terzake gehoord Sinds 1960 is de ontwikkeling m de richting van een grotere zelfstandigheid van de subfaculteiten verder voortgeschreden In de praktijk is, voor zover de faculteiten zijn opgebouwd uit subfaculteiten, het zwaartepunt van het bestuur op het middenniveau thans m de meeste gevallen duidelijk komen te liggen bij de subfaculteiten, de faculteitsvergadermg IS dan een orgaan dat veelal slechts de besluiten van de subfaculteitsvergadermgen bekrachtigd De ondergetekenden hebben zich de vraag gesteld of het met de voorkeui verdiende, de faculteit af te schaffen Zij zijn daarbij tot de slotsom gekomen, dat de faculteiten in ieder geval gedurende de periode dat deze nieuwe regeling zal gelden gehandhaafd moeten worden Hetgeen hiervoor is opgemerkt heeft slechts betrekking op die faculteiten die subfaculteiten omvatten In een aantal gevallen, zoals m de faculteit der letteren, wordt die speelruimte niet altijd voldoende geacht Voorts IS van verschillende zijden het verlangen geuit, de mogelijkheid h e t ^ w a a r t e p u n t van het bestuur op het middenniveau te verleggen naar kleinere eenheden, ook te openen voor faculteiten die wel uit studierichtingen doch niet uit subfaculteiten zijn opgebouwd In het wetsontwerp worden voor de vervulling van die wensen mogelijkheden geboden In de eerste plaats kan de faculteitsraad volgens artikel 14 van het ontwerp gebruik maken van zijn bevoegdheid de hem toekomende bevoegdheden gedeeltelijk of nagenoeg geheel over te dragen aan de raden van de subfaculteiten Het besluit behoeft de goedkeuring van de universiteitsraad Ten tweede wordt voorgesteld het mogelijk te maken dat de faculteit, die verscheidene studierichtingen omvat, voor een of meer dan een van deze studierichtingen subfaculteiten instelt Deze indeling m subfaculteiten kan afwijken van die van het academisch statuut Ook dit besluit behoeft de goedkeuring van de universiteitsraad In dit geval kan worden gedacht aan de faculteit der letteren (die uit subfaculteiten bestaat), aan de faculteit der rechtsgeleerdheid (waar dit met het geval is) en aan de landbouwhogeschool (die als een faculteit wordt beschouwd) De mogelijkheid dat de faculteitsraden derhalve de infrastructuur van het middenniveau bepalen, geeft - naar de mening van de ondergetekenden - aan de instellingen een grote mate van souplesse, die m de Wet op het wetenschappelijk onderwijs ontbrak Op deze wijze wordt elke faculteit de mogelijkheid geboden om proefnemingen te doen met een gedeeltelijke of nagenoeg volledige delegatie van facultaire bevoegdheden, waarbij is vermeden dat te abrupt een „centrifugale" kracht in de universiteit wordt aangebracht In een meer definitieve regeling kan vervolgens met de ervaringen van de verschillende faculteiten rekening worden gehouden 17

THB 9

27 februari 1970


Ook als de faculteitsraad niet tot delegatie zou overgaan kent het wetsontwerp in artikel 13, derde lid, nog een aantal belangrijke bevoegdheden en taken aan de subfaculteiten toe ZIJ dienen dan immers de bouwstenen voor het faculteitsbeleid aan te dragen De bestuursstructuur van de subfactulteiten zal in ieder ge­ val gegrond dienen te zijn op de beginselen van deugdelijk be­ stuur, derhalve is in het wetsontwerp neergelegd dat de sub­ faculteiten een overeenkomstige bestuursstructuur als de facul­ teiten moeten hebben Ten aanzien van de verhouding tussen de faculteit en haar subfaculteiten mag in het licht van het voorafgaande nog worden opgemerkt, dat de faculteitsraad zelf kan beslissen of hij een belangrijke coördinerende taak wenst te behouden, of dat hij zijn bevoegdheden nagenoeg geheel wü delegeren aan de subfaculteiten of secties In ieder geval blijkt hieruit, dat de faculteit IS op te vatten als een samenwerkingsverband van onderling verwante subfaculteiten De ondergetekenden heb­ ben deze gedachte tot uitdrukking wülen brengen in de bepa­ ling van artikel 7, tweede lid, dat ­ indien de faculteit sub­ faculteiten omvat ­ de subfaculteiten elk voor zich de leden van de faculteitsraad aanwijzen Omdat het ter bevordering van de cooordinatie wenselijk is dat leden van de faculteits­ raad tevens lid zijn van de raad van hun subfaculteit, verdient het aanbeveling te bepalen, dat de leden van de laatstgenoemde raad hun vertegenwoordigers in de faculteitsraad uit hun mid­ den aanwijzen Dit houdt in, dat alle leden van de faculteits­ raad tevens lid zijn van de raad van hun subfaculteit Aangezien de omvang en het aantal van de subfaculteiten binnen een faculteit aanzienlijk kunnen verschillen, zal in het bestuursreglement tevens moeten worden vastgelegd dat iedere subfaculteit m de faculteitsraad vertegenwoordigd dient te zijn Nader ware te bezien of hier naar een enigermate evenredige vertegenwoordiging ­ naar gelang de omvang van de sub­ faculteit ­ moet worden gestreefd De ondergetekenden zouden dit punt echter in eerste aanleg aan de instellingen zelf willen overlaten In het geval dat de faculteitsraad met overgaat tot een overdracht van zijn bevoegdheden, zal hij de betrokken sub­ faculteiten dienen te horen, alvorens hij het onderwijspro­ gramma vaststelt, een nadere regeling van de examens en tentamens geeft, de eisen voor het colloquium doctum vaststelt vakgroepen instelt, de instelling van werkgroepen goedkeurt en zijn goedkeuring aan de onderzoekprogramma's geeft Op dit punt gelden dan de overeenkomstige voorschriften als die welke thans m artikel 59 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs zijn vastgelegd Tenslotte ZIJ er op gewezen dat, ook mdien de faculteitsraad de uitoefening ^,an zijn bevoegdheden heeft overgedragen aan de subfaculteiten, de raad als zodanig blijft bestaan, hij zal in dat geval stellig een algemeen toezichthoudende functie kun­ nen behouden met het oog op de wenselijke coördinatie, in de regel in de vorm van overleg van onderling verwante en samen­ werkende subfaculteiten Wat in de volgende paragrafen van dit hoofdstuk is geschre­ ven voor de faculteit (en afdeling, interfaculteit en tussen­ afdeling), geldt evenzeer voor de subfaculteit (en onderafde­ ling), tenzij uitdrukkelijk anders wordt aangegeven § 2 De faculteitsraa d Volgens artikel 6 van het ontwerp wordt het algemeen bestuur van de faculteit uitgeoefend door de faculteitsraad Vervolgens wordt m artikel 7 voorgesteld, deze raad voor ten minste de helft uit hoogleraren, lectoren en wetenschappelijk personeel in vaste dienst te laten bestaan Verder is er in het ontwerp van uitgegaan dat aan de studenten en het niet­weten­ schappehjk personeel een duidelijk medebeshssmgsrecht ­ zon­ der beperking ten aanzien van onderwerpen ­ toekomt, zodat ook vertegenwoordigers van deze twee geledingen in de facul­ teitsraad zitting zullen moeten hebben De som van de aan­ tallen van de uit deze twee geledingen afkomstige raadsleden zal ten hoogste vijftig procent van het totaal bedragen E r is

echter van afgezien een nadere bepaling ten aanzien van de In het samenstelling van de raad op te nemen, hierdoor is een belang­ satie var rijke flexibhhteit geschapen, omdat elke universiteit zelf de voorgeste verhouding van de onderscheidene geledingen in de verschil­ druk op lende faculteitsraden in het bestuursreglement kan vaststellen — moet zijr Als belangrijkste overweging voor dit voorstel heeft gegolden ■ delijkheit dat de faculteit althans voor de duur van de experimentenwet 9 van dit \ dient te worden gehandhaafd als de organisatie voor onderwijs­ 1 heid van en wetenschapsaangelegenheden op het middenniveau van de[ j smgen di universiteit Hierbij wordt er dan van uitgegaan, dat geen' I worden i beslissingen genomen kunnen worden over deze aangelegen­' f beleidsin heden, die met worden gedragen door de instemmende mede­ ' komen, ( werking van de proffesionele wetenschapsbeoefenaren die m geheel 1" de raad zitting hebben De leden van het wetenschappelijk halve zo] personeel bezitten ten aanzien van het onderwijs en de weten­ het onde schapsbeoefening immers een hoogste verantwoordelijkheid , kmg geb dit impliceert een gekwalificeerde vertegenwoordiging, die tot J raad tot uitdrukking komt m het minimum zetelpercentage dat aan het ■ m de in wetenschappelijk personeel in de raad is toegewezen In het I het bepa stelsel van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs was de " stuursref verantwoordelijkheid primair m handen gelegd van de hoog­ Drie t leraren In het stelsel van dit ontwerp is deze garantie gelegen zijn uitd in de inbreng van het wetenschappelijk personeel werp IS BIJ de bepaling, de nadere samenstelling van de raad over te a een laten aan het bestuursreglement, moet bovendien bedacht wor­ tmg met den dat de inbreng van het niet­wetenschappelijk personeel bij duur, w de verschillende faculteiten aanzienlijk kan verschillen, zodat examens ook om deze reden beter geen vaste verhoudingen in de wet b de kunnen worden vastgelegd goedkeui Wel achten de ondergetekenden het van belang dat rekening c de wordt gehouden met de inbreng die gevorderde studenten aan gesteld ( het bestuur van de faculteit kunnen leveren In dit verband kan worden overwogen m het bestuursreglement te bepalen dat Nieuw m het hoogste orgaan van de faculteit tenminste de helft van eerst ge het aantal studenten gevorderde studenten dient te zijn In gehoord ieder geval zullen m het bestuursreglement van de instellingen dmatie de omvang van de raden van het middenniveau en de zittings­ spreken termijn van de leden van de raad moeten worden vastgelegd vinden Op de vraagstukken die met het kiesstelsel verbonden zijn van de komen de ondergetekenden in het vervolg nog terug steld, de verlangc Over de werkwijze van de raad is slechts een enkele be­ tussen d paling opgenomen E en nadere regeling zal bij algemene maat­ teiten t( regel van bestuur kunnen worden gesteld Ten aanzien van de worden raadsvergaderingen is in het wetsontwerp in artikel 8, tweede niet wei lid, slechts bepaald dat zij openbaar dienen te zijn, tenzij de schappe raad gemotiveerd anders beslist of bij faculteitsreglement wordt c anders is bepaald (Dit laatste zal het geval moeten zijn bij het ovei personele aangelegenheden, zoals benoemingen ) In ieder geval demisch zal naar de mening van de ondergetekenden in het reglement bepaald moeten worden, dat de raad omtrent het behandelde De tw in besloten vergadering en omtrent de inhoud van de stukken raad is die de leden daarbij worden voorgelegd, geheimhouding kan vak­ er opleggen Over het belang van openbaarheid van stukken en gehoord vergaderingen verwijzen de ondergetekenden naar de beschou­ wing die ZIJ m de inleiding van deze toelichting aan dit onder­ De de werp hebben gewijd eisen vc werp de Er zal van moeten worden uitgegaan, dat elk lid van de gesteld, raad bij stemmingen een stem uitbrengt, er zal dus met per wetensc geleding worden gestemd Ter regehng van zijn werkzaam­ de sena heden zal de raad een vergaderreglement voor zijn vergade­ ligt ook ringen moeten vaststellen, waarin zal moeten worden voorzien coUoqui in nadere regelen ten aanzien van staking der stemmen het studiën convoceren van de leden van de raad, enz kwestie voorkor Verder is bepaald (artikel 8, derde lid), dat de leden van per fac de raad zonder last of ruggespraak stemmen Na hun ver­ is het v kiezing dienen de raadsleden immers de belangen van de ge­ quium hele facultaire gemeenschap te behartigen en houden zij op gekeurc lasthebber van hun achterban te zijn Overigens betekent dit hoord met, dat de leden van de raad zich met regelmatig op de de in hoogte moeten stellen van datgene wat m hun achterban leeft, deerden dit IS zelfs zeer wenselijk

1

I

18


In het volgende wordt meer m detail ingegaan op de organisatie van het onderwijs, het onderzoek en de examens m de voorgestelde nieuwe structuur In het voorgaande is er de nadruk op gelegd, dat de universitaire structuur van de basis af moet zijn opgebouwd Hierbij ligt een belangrijke verantwoordelijkheid bij de kleinste organisatorische eenheden in de zin van dit wetsontwerp de vak- en werkgroepen De zelfstandigheid van deze eenheden is begrensd, doordat de beleidsbeslissingen die op deze niveaus worden genomen, geplaatst moeten worden in de samenhang van het beleid van de faculteit De beleidsinitiatieven zullen zoveel mogelijk van onderop moeten komen, doch deze dienen verenigd te worden m een groter geheel het beleid van de faculteit De faculteitsraad dient derhalve zorg te dragen voor de organisatie en de coördinatie van het onderwijs en de wetenschapsbeoefening Dit is tot uitdrukking gebracht in de bepaling van artikel 9, tweede lid, dat de raad tot taak heeft het faculteitsreglement vast te stellen, waarin de infrastructuur van de faculteit, met inachtneming van het bepaalde m wet, algemene maatregel van bestuur en bestuursreglement, nader wordt omschreven e

I

Drie belangrijke taken met betrekking tot de coördinatie zijn uitdrukkelijk toegekend aan de faculteitsraad In het ontwerp IS ten eerste bepaald, dat de raad o een onderwijsprogramma vaststelt voor elke studierichting met voor elke fase daarvan de aanduiding van de cursusduur, waarbij de raad tevens een nadere regeling van de examens en tentamens geeft (artikel 9, derde lid), b de onderzoekprogramma's van de vak- en werkgroepen goedkeurt (artikelen 16 en 17), en c de eisen vaststelt, die bij het colloquium doctum worden gesteld (artikel 9, derde lid) Nieuw m deze bepalingen is, dat de vaststelling ad o en c eerst geschiedt nadat de zusterfaculteiten, wie zulks aangaat, gehoord zijn Hier schrijft het wetsontwerp dus landelijke coördinatie voor, welke het meest doelmatig m de later te bespreken secties van de Academische Raad zal kunnen plaatsvinden Op dit punt IS aan de autonomie van het middenniveau van de afzonderlijke universiteiten dus een zekere grens gesteld, doordat per vakgebied een landelijke coördinatie wordt verlangd Deze procedure, welke beoogt een goede coördinatie tussen de onderwijsprogramma's van de overeenkomstige faculteiten tot stand te brengen, houdt met m dat gestreefd moet worden naar onderwijsprogramma's van gelijke inhoud, dit zou met wenselijk zijn diversiteit m onderwijskundige en wetenschappelijke onvattmgen moet mogelijk blijven Overigens wordt opgemerkt dat de coördinatie tevens samenhangt met het overleg dat m het algemeen over wijziging van het academisch statuut thans reeds is voorgeschreven De tweede belangrijke coördinerende taak van de faculteitsraad is de goedkeuring van de onderzoekprogramma's van de vak- en werkgroepen nadat de vaste onderzoekcommissie is gehoord In het volgende wordt hierop nader ingegaan De derde taak van de faculteitsraad is de vaststelling van de eisen voor het colloquium doctum Aangezien volgens dit ontwerp de senaat als zodanig zal worden opgeheven, wordt voorgesteld, dat de verklaring die m het stelsel van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs werd afgegeven door of vanwege de senaat thans zal worden afgegeven door de faculteit Dit hgt ook in zoverre voor de hand, omdat de kandidaat voor het colloquium doctum reeds een specifieke voorkeur voor een studierichting te kennen heeft gegeven en de faculteit m kwestie het nauwst bij het onderzoek is betrokken Om te voorkomen, dat de eisen die bij het onderzoek worden gesteld per faculteit te zeer zullen verschillen m niveau en omvang, IS het voeren van landelijk overleg over de eisen van het colloquium doctum voorgeschreven De eisen moeten worden goedgekeurd door de universiteitsraad, het college van dekanen gehoord Hierbij zij aangetekend dat het van belang is dat bij de in de nabije toekomst verruimde toelating van afgestudeerden van het hoger beroepsonderwijs, gelijke toelatmgeisen

I

door de instellingen van wetenschappelijk onderwijs worden gesteld Het wetsontwerp opent in artikel 14 voor de faculteitsraad - en dit geldt ook weer voor de subfaculteitsraad - de mogelijkheid bepaalde bevoegdheden over te dragen aan het faculteitsbestuur alsmede aan al dan met uit zijn midden benoemde commissies Zo een delegatie aan het bestuur zal in de praktijk vaak voorkomen, aangezien de raad zich nu eenmaal met over alle zaken even intensief kan beraden Volgens regelen, gesteld in het faculteitsreglement, zal het bestuur in spoedeisende gevallen besluiten moeten kunnen nemen namens de raad § 3 Faculteitscommissies Over de faculteitscommissies en over de bevoegdheid van de raad taken aan deze commissies te delegeren, merken de ondergetekenden het volgende op Reeds m de huidige faculteitsorgamsatie nemen de commissies, met name de onderwijsen onderzoekcommissies, een belangrijke plaats in Deze zal in de toekomst nog verder toenemen, aangezien de raad m pleno zich niet met alle onderdelen van alle onderwijs- en wetenschapszaken kan bezighouden Daarom bepaalt het ontwerp m artikel 13, eerste hd, dat de faculteitsraad m elk geval vaste commissies voor het onderwijs en de wetenschapsbeoefening instelt Deze verplichting geldt niet indien de faculteit uit subfaculteiten is opgebouwd (artkel 15) Het voorschrift geldt in dat geval voor de subfaculteiten Aangezien het hier gaat vooral om de opstelling van (dat wil zeggen de inhoud van) het onderwijsprogramma en de goedkeuring van de researchprogramma's van de vak- en werkgroepen, waarbij zij de onderlinge verhoudingen en relaties van de programma's m hun beschouwing dienen te betrekken, verdient het aanbeveling dat genoemde commissies - om redenen als eerder uiteengezet bij de toelichting op de samenstelling van de faculteitsraad - in meerderheid worden samengesteld uit leden van het wetenschappelijk corps Opgemerkt zij overigens, dat deskundigen buiten de faculteit, die (eventueel met raadgevende stem) m de commissies zitting hebben, van grote waarde kunnen zijn De feitelijke gang van zaken bij het tot stand komen van het onderwijsprogramma zal in de praktijk naar verwachting vaak aldus verlopen, dat de voorstellen voor onderdelen van het programma door de vakgroepen aan de faculteit zullen worden gedaan De onderwijscommissie zal, vanzelfsprekend in overleg met de betrokken vakgroepen, een voorstel voor een programma als geheel opstellen ten behoeve van de behandeling m de faculteitsraad In dit stadium zal ook het overleg met de zusterfaculteiten worden gevoerd Aan de hand van de voorstellen van de onderwijscommissie stelt de faculteitsraad het onderwijsprogramma (of onderwijsprogramma's bij verscheidene studie- of afstudeerrichtingen) vast met de aanduiding van de cursusduur voor elke fase daarvan (propedeutisch, kandidaats- en doctoraal examen b v ) In wezen coördineert de raad dus de bijdragen van de vakgroepen en stemt deze onderling op elkaar af, opdat zij een integrerend geheel vormen De raad neemt hierbij de eventueel door de universiteitsraad gegeven richtlijnen voor de organisatie en de coördinatie van het onderwijs m acht De totale cursusduur (de cursusduur tot aan het afsluitend examen) behoeft de goedkeuring van de universiteitsraad De vakgroepen werken de onderwijsprogramma's uit en bepalen, welke docenten met het geven van onderwijs zullen worden belast De geschetste gang van zaken ten aanzien van de totstandkoming van het onderwijsprogramma is vergelijkbaar met het geldende voorschrift (artikel 59), dat de faculteit onder leiding van haar voorzitter zorgdraagt voor de inrichting en de goede gang van het onderwijs Een geheel nieuw element wordt m het ontwerp gebracht door de opneming van een bepaling over de goedkeuring door de faculteitsraad van de onderzoekprogramma's van de vak- en werkgroepen Met dit in artikel 18 en 19 vervatte voorschrift is m zekere mate uitwerking gegeven aan de voorstellen van de Commissie interuniversitair onderzoekbeleid (commissie-Reermk) van de Academische 19

THB 9

27 februari 1970


Raad Het houdt in dat — andeis dan thans — elke vak- en werkgroep haar onderzoekprogramma duidehjk zal moeten formuleren Dit geldt zowel voor het onderwerp, als voor de personele en financiële kanten ervan Deze onderzoekprogrammering zal niet alleen de doelmatigheid binnen de universiteit bevorderen, maar ook de kwaliteit van het universitair onderzoek ten goede komen Alleen op deze wijze immers is de opzet van een beleid op lange termijn mogelijk, waarbij inzicht in de besteding van de financiële middelen wordt verkregen Met de hierdoor ontstane mogelijkheid tot evaluatie zal zich een werkelijk moderne structuur van de universiteit kunnen ontwikkelen De faculteitsraad die de programma's moet beoordelen en goedkeuren zal hierover zijn vaste onderzoekcommissie raadplegen, in feite zal deze commissie op de wijze waarop dit hiervoor is geschetst voor het onderwijsprogramma, de behandeling voorbereiden De ondergetekenden verwachten dat deze procedure zal leiden tot een verdeling van de financiële en personele middelen op grond van wetenschappelijke criteria, de faculteitsraad zal, doordat hij de vak- en werkgroepen om inlichtingen kan vragen, beschikken over de mogelijkheid een voortgangscontrole uit te oefenen

Naar de mening van de ondergetekenden zal de voorberei ding van de benoemingsprocedure in beslotenheid moeten plaatsvinden Door het voortijdig in de openbaarheid brengen van persoonlijke gegevens van de kandidaten zou immers het recht op privacy kunnen worden aangetast Bovendien zou door een volledige openbaarheid m de hand worden gewerkt dat de informatie van derden minder volledig of zelfs eenzijdig zal zijn De geschetste procedure verzekert, naar de overtuiging van de ondergetekenden, dat voldoende waarborgen zijn geschapen voor de wetenschappelijke deskundigheid van de kandidaat en aandacht is geschonken aan zijn didactische bekwaamheid Zij menen hiermee een voorstel te hebben gedaan, waarmee de democratisering van de universiteiten en hogescholen en de eisen die gesteld moeten worden ten aanzien van de kwaliteit van hen die met wetenschappelijk onderwijs en onderzoek belast zijn, gebaat zullen zijn De benoeming van hoogleraren en lectoren zal in het nieuwe stelsel blijven geschieden door de Kroon of door het verenigings- of stichtingsbestuur

Naast de onderwijs- en onderzoekcommissies zullen binnen de faculteit - en dit heeft ook weer betrekking op de subfaculteiten - commissies optreden voor het afnemen van de examens De personele samenstelling van deze commissies zal — als een dagelijkse taak — in de regel door het bestuur van de faculteit worden bepaald, - zo de samenstelling van de commissie al niet is gegeven door de regeling van het examenprogramma in het academisch statuut in relatie tot de keuze van vakken door de student De bevoegdheid tot het afnemen van academische examens zal voorbehouden moeten blijven aan hen die een leeropdracht hebben of anderszins bevoegdheid tot het afnemen van examens hebben verkregen Behoudens het bepaalde ten aanzien van het beroepsrecht van de student, dat later aan de orde zal komen, houdt dit in dat geen andere instanties dan zij die bevoegdheid tot het afnemen van examens hebben, een beslissing kunnen nemen over de resultaten en de uitslag van een examen Er wordt hier op gewezen, dat waar de wet of het academisch statuut van examen spreekt de faculteitsraad of het faculteitsbestuur met kunnen besluiten examens af te schaffen of andere dan de thans geldende vormen van beoordeling van kennis en inzicht in te voeren

§ 4. Het faculteitsbestuur De bespreking van het bestuursmodel van de faculteit leidt tot de gevolgtrekking dat de verhouding van de faculteitsraad tot het bestuur die is van het algemeen en dagelijks bestuur, het bestuur is belast met de voorbereding van de raadsvergaderingen en met de bekendmaking en uitvoering van de raadsbesluiten Uit het feit dat het bestuur optreedt als dagelijks bestuur van de faculteit volgt dat het een zware verantwoordingsplicht jegens die raad heeft Dit houdt in, dat de raad als uiterste consequentie van het ontbreken of wegvallen van de vertrouwensrelatie individuele bestuursleden of het bestuur in zijn geheel kan afzetten Als enige beperking hierop wordt in het wetsvoorstel bepaald, dat dit niet kan geschieden binnen bepaalde minimumtermijnen De motieven voor dit voorstel zijn dat naar de mening van de ondergetekenden de voorbereiding m nauwere zin en de uitvoering van het te voeren en vastgestelde beleid dienen te geschieden volgens de eisen, die in het algemeen worden gesteld aangaande het management van elke omvangrijke en ingewikkelde organisatie De ondergetekenden verwachten, dat tussen de raad en het bestuur een zodanige vertrouwensband zal groeien, dat de raad bereid zal zijn zijn bestuur een ruime armslag te geven Dit zal m de democratische bestuursstructuur de kwaliteit van het bestuur ten goede komen In dit verband noemen zij, dat aan de raad de mogelijkheid is gegeven bevoegdheden aan het bestuur te delegeren Verder noemen zij m dit verband het onderhouden van het contact met de andere faculteiten van de eigen instelling, met het bestuur van de universiteit en met de zusterfaculteiten van de andere universiteiten Vervolgens kan het tot de taak van het bestuur worden gerekend de raadscommissies bij de uitoefening van hun werkzaamheden terzijde te staan Op deze wijze heeft de raad de mogelijkheden het bestuur te doen worden tot de spil van het feitelijk bestuursproces van de faculteit Uit het gekozen stelsel vloeit voort dat de raad zijn voorzitter en de overige leden van het bestuur kiest (artikel 10) Bij het bepalen van de omvang van het bestuur kan de raad rekening houden met de specifieke eisen en omstandigheden van de faculteit In kleme faculteiten kan aldus met éen bestuurder — de voorzitter — worden volstaan In het ontwerp is slechts bepaald, dat het maximale aantal bestuursleden vijf is. Gelet op de aard van de werkzaamheden van het bestuur, verdient het aanbeveling dat m ieder geval de meerderheid van het bestuur bestaat uit leden van het wetenschappelijk corps Opgemerkt dient te worden dat het aanbeveling verdient dat m de bezetting van het bestuur naar continuïteit wordt gestreefd, zodat aan een meerjarige zittingsperiode van de leden van het bestuur beslist de voorkeur is te geven Het lijkt de ondergetekenden met verstandig, het passief kiesrecht voor bestuursleden te beperken tot de leden van de raad een dergelijk voorschrift zou de keuzemogelijkheden van de leden van het bestuur spoedig te veel kunnen beperken

Ten aanzien van de benoeming van hoogleraren en lectoren zal de raad ter voorbereiding van een desbetreffend advies een benoemingscommissie moeten instellen De procedure hiertoe is neergelegd in de artikelen 9 (vijfde lid) en 13 (eerste lid) De ondergetekenden menen dat aan een behandeling door de raad in pleno de ook thans gebruikelijke procedure van voorbereiding door een benoemingscommissie vooraf dient te gaan Het betreft hier immers een gewichtige zaak, waarmee het niveau van de wetenschapsbeoefening m het betrokken vakgebied ten nauwste is verbonden en waaraan tevens persoonlijke kanten zitten Zo nodig kunnen bij de benoeming belanghebbenden zich tevoren uitspreken over de eisen die aan de nieuwe hoogleraar of lector moeten worden gesteld In ieder geval zal de benoemingscommissie de vakgroep waarin de vacature is ontstaan, moeten horen Evenals thans gebruikelijk IS, zal de hoogleraar of lector die opgevolgd gaat worden, m de regel geen deel uitmaken van deze commissie De samenstelling van de commissie zal van vacature tot vacature verschillen In het algemeen is echter bepaald dat alleen de leden van het wetenschappelijk corps van hoogste rang - hoogleraren en lectoren - zitting in de commissie kunnen hebben Ook hier zullen hooggekwalificeerde deskundigen buiten de faculteit een waardevolle inbreng kunnen hebben bij het werk van de commissie Indien de faculteitsraad bij het opstellen van zijn advies wenst af te wijken van het voorstel van de benoemingscommissie, voegt hij dit voorstel toe aan zijn beschouwingen Nadat de raad zich hierover heeft uitgesproken, worden de stukken door het faculteitsbestuur doorgezonden naar het college van bestuur, dat de eigenlijke aanbeveling aan de Kroon opmaakt

20

I

I


Als de raad zijn voorzitter of een of meer dan een ander lid van het bestuur uit zyn midden kiest, zullen deze leden hun lidmaatschap van de raad moeten verhezen en zal in de aldus ontstane vacature(s) moeten worden voorzien Teneinde de zuiverheid van de verhoudingen te bewaren, Inkt het derhalve wenselijk dat alle leden van het bestuur slechts met raadgevende stem m de raadsvergadering zitting hebben Er is overigens van afgezien hierover m het ontwerp een bepaling op te nemen Een nadere regeling kan aan de instellingen zelf worden overgelaten In het geval van een eenhoofdig (sub)faculteitsbestuur kan het aanbeveling verdienen dat de dekaan zijn stemrecht m de raad, het enige bestuursorgaan, blijft behouden De bepaling m artikel 10, vierde lid, dat aan leden van het faculteitsbestuur een toelage kan worden toegekend, veronderstelt, dat een of meer dan een lid zich gedeeltelijk of wellicht zelfs' hele dagen aan zijn bestuurstaak kan wijden Op de voorzitter van de faculteit wordt in de volgende paragraaf nader ingegaan

I

§ 5 De dekaan van de faculteit Zoals in § 4 is uiteengezet, kiest de raad al dan met uit zijn midden zijn voorzitter Deze treedt tevens op als het bestuur, of, m het geval de raad een meerhoofdig bestuur wenst, als voorzitter van het bestuur Hij draagt de titel van dekaan van de faculteit Van de dekaan moet worden verwacht, dat hij volledig op de hoogte is van alles wat zich in de faculteit afspeelt, dat hij inzicht heeft in de soms tegenstrijdige belangen en de moeilijkheden die daaraan inherent zijn en dat hij m staat is voorstellen te doen, die ook door de betrokkenen worden ervaren als te zijn m het belang van onderwijs en wetenschapsbeoefening m de faculteit Met name is hierbij van belang dat de activiteiten van de subfaculteiten van de faculteit m kwestie goed worden gecoördineerd Hiertoe dient de dekaan gezag te hebben, ontleend aan zijn wetenschappelijke en bestuurlijke capaciteiten Voor de vervulling van deze functie komen de hoogst gekwalificeerden van het wetenschappelijk corps m aanmerking Daarmee zijn in de zin van dit wetsontwerp naast de hoogleraren thans de lectoren bedoeld j In het overgangsstelsel lijkt het juist, op dit punt aan deze beperking vast te houden Bij algemene maatregel van bestuur zullen nadere regelen worden gesteld omtrent de ontheffing van een zodanig deel van zijn hoogleraars- of lectorstaak als voor de juiste vervulling van zijn bestuursfunctie noodzakelijk is Evenals in het stelsel van de huidige wet zal de voorzitter volgens regelen, bij algemene maatregel van bestuur te stellen, door de minister een toelage kunnen worden toegekend In het ontwerp is echter ook de mogelijkheid geopend dat de faculteitsraad een andere hooggekwalificeerde als dekaan aantrekt Uitgaande van de gedachte dat het ontbreken van bestuurders die als dagtaak en met voldoende continuïteit het bestuur kunnen uitoefenen als een der gebreken van de huidige bestuursstructuur van de universiteit wordt ervaren - iets wat zowel geldt voor het topniveau als voor het middenniveau hebben de ondergetekenden het uitdrukkelijk mogelijk willen maken dat met name voor de grotere, meer heterogene faculteiten full-time dekanen kunnen worden aangetrokken Aangezien onder alle omstandigheden moet worden nagestreefd dat de dekaan het vertrouwen heeft van de faculteitsraad, wordt een regeling voorgesteld waarbij het initiatief voor de benoeming uitgaat van de faculteitsraad, die de voordracht voor de benoeming indient Om rechtspositionele redenen is daarbij bepaald, dat de benoeming als zodanig zal geschieden door het college van bestuur Het spreekt vanzelf dat, gezien het risico dat een dekaan na twee jaar - of een wat langere periode - zijn functie kan verliezen, behoorlijke materiele voorzieningen moeten worden getroffen Een rechtspositieregeling voor de beroepsdekaan, of deze nu afkomstig is uit de universitaire gemeenschap of van buiten is aangetrokken, is onmisbaar Zonder een dergelijke regeling zou het naar alle waarschijnlijkheid zelfs nauwelijks mogelijk zijn, werkelijk bekwame personen

I

bereid te vinden om het dekenaat op zich te nemen Bij het doen van dit voorstel is gedacht aan personen die op het wetenschapsgebied hun sporen hebben verdiend en die bereid zijn omstreeks hun 45ste-50ste jaar een tweede, bestuurlijke carrière te beginnen Doordat de full-time dekaan een belangrijk element van continuïteit m het bestuur kan brengen, zal hij een zeer waardevolle steun kunnen zijn bij het opzetten van een beleid op lange termijn en van de onderzoekprogrammering Zijn aanwezigheid zal de voorzitters van de vak- en werkgroepen m staat stellen, hun tijd zoveel mogelijk aan onderwijs en wetenschap te besteden Uit het voorgaande blijkt, dat aan de dekaan van de faculteit in het wetsontwerp een veel belangrijker plaats wordt toegedacht dan de huidige voorzitter van de faculteit formeel en m feite bezit De ondergetekenden spreken hierbij de verwachting uit, dat de faculteitsraden de verschillende mogelijkheden zullen gebruiken, die naar hun oordeel belangrijke verbeteringen betekenen m vergelijking met de Wet op het wetenschappelijk onderwijs en die het gehalte van het democratisch bestuur zullen begunstigen HOOFDSTUK IV Het bestuur van de universiteit Eerder in deze toelichting (in hoofdstuk I, § 7) hebben de ondergetekenden uiteengezet, waarom naar hun mening het geldende dualistische bestuursstelsel behoort te worden vervangen door eenheid van bestuur aan de top van de universiteit Op die plaats hebben zij tevens aangegeven, om welke redenen ZIJ het wenselijk hebben gevonden een doorzichtiger bestuursvorm voor te stellen dan die welke uit de nota kon worden opgemaakt Volgens het v-etsvoorstel zullen aan de top van de universiteit twee bestuursorganen optreden Hierbij moet een ervan de universiteitsraad - worden gezien als het algemeen bestuur dat de bevoegdheid bezit tot regeling en bestuur van de zaken van de universiteit als geheel, voor zover niet bij of krachtens de wet opgedragen aan het tweede orgaan - het college van bestuur - dat vooral als dagelijks bestuur fungeert en als zodanig een aantal in de wet omschreven eigen bevoegdheden bezit De ondergetekenden menen, dat deze constructie en de voorgestelde uitwerking ervan volledig recht doen aan de idee van de zelfbesturende universitaire gemeenschap § 1 De universiteitsraad Als beginsel is gesteld, dat het hoogste orgaan van deze gemeenschap als algemeen bestuur optreedt Dit houdt m, dat de universiteitsraad — binnen het kader door de wet gesteld — als interne wetgever van de universiteit fungeert, doordat hij het bestuursreglement vaststelt en richtlijnen kan geven ten aanzien van onderwijs en onderzoek ter bevordering van de coördinatie Dit laatste omdat als uitvloeisel van de algemene taak van de raad, nl doen wat m het belang van de gehele universiteit is, de coördinatie van de taken van de eenheden van het middenniveau die m grote mate zelfstandig zijn, van groot belang is De positie van de raad is duidelijk gemarkeerd door het voorstel m dit ontwerp dat de raad de begroting van de universiteit vaststelt en de opstelling van het ontwikkelingsplan en het financieel schema verzorgt Voorts zijn — als consequentie van het voorgaande — in het ontwerp nog een aantal andere taken uitdrukkelijk aan de raad opgedragen, zoals het goedkeuren van de (sub)faculteitsreglementen (artikel 9, tweede lid), het goedkeuren van de door de (sub)factulteiten vastgestelde totale cursusduur en de eisen voor colloquia docta (artikel 9, vierde lid), het goedkeuren van delegatiebesluiten van faculteitsraden als bedoeld m de artikelen 13 en 14, het opmaken van een aanbeveling ten aanzien van de benoeming door de Kroon van de niet uit de universitaire gemeenschap afkomstige leden van de universiteitsraad (artikel 22, derde lid), de zorg voor de studentenvoor21

THB 9

27 februari 1970


z i e n i n g e n (artikel 29), h e t kiezen v a n een lid of t w e e l e d e n v a n h e t college v a n b e s t u u r en h e t o v e r l e g m e t de K r o o n o v e r de b e n o e m i n g v a n d e overige l e d e n v a n h e t b e s t u u r (artikel 31, d e r d e en v i e r d e lid), h e t a d v i s e r e n o v e r d o c t o r a t e n h o n o r i s c a u s a (artikel 35, v i e r d e lid), h e t v a s t s t e l l e n v a n e e n r e g e l i n g tot b e s c h e r m i n g v a n de r e c h t s o r d e in de u n i v e r s i t a i r e g e m e e n ­ s c h a p (artikel 39) en h e t a a n w i j z e n v a n de l e d e n die n a m e n s d e u n i v e r s i t e i t zitting h e b b e n m de A c a d e m i s c h e R a a d (artikel 40, d e r d e lid) I n dit v e r b a n d m o e t a a n s t o n d s m e l d i n g w o r d e n g e m a a k t v a n h e t b e p a a l d e m a r t i k e l 32, t w e e d e lid, d a t h e t college v a n b e ­ s t u u r de v e r g a d e r i n g e n v a n de r a a d v o o r b e r e i d t en a l d u s t e v e n s de v o o r b e r e i d i n g e n v e r z o r g t v a n d e a l d a a r t e n e m e n b e s l u i t e n — zowel op h e t gebied v a n o n d e r w i j s en w e t e n s c h a p als op h e t t e r r e i n v a n h e t f m a n c i e e i ­ e c o n o m i s c h b e s t u u r — en deze b e ­ s l u i t e n d a a r n a u i t v o e r t V e r w a c h t m a g w o r d e n d a t de r a a d zich bij d e uitoefening v a n zijn b e s t u u r s b e v o e g d h e d e n in een a a n t a l g e v a l l e n zal l a t e n b i j s t a a n d o o r ai d a n m e t uit zijn m i d d e n b e n o e m d e commissies D e o n d e r g e t e k e n d e n o n d e r s c h e i d e n in de u n i v e r s i t e i t s r a a d t w e e c a t e g o r i e ë n l e d e n uit de u n i v e r s i t a i r e g e m e e n s c h a p af­ k o m s t i g e p e r s o n e n , en m e t uit deze g e m e e n s c h a p a f k o m s t i g e l e d e n T e n a a n z i e n v a n de v e r h o u d i n g v a n de v e r t e g e n w o o r ­ d i g e r s v a n de u n i v e r s i t a i r e g e l e d i n g e n m e r k e n zij op, d a t een e x a c t e w e g i n g v a n de s t e m v e r h o u d i n g v a n de g e l e d i n g e n b i j ­ z o n d e r moeilijk IS Zoals ook r e e d s blijkt u i t de s t r u c t u u r r a p ­ p o r t e n die door de u n i v e r s i t e i t e n w e r d e n opgesteld, h e e r s t op dit p u n t een g r o t e v e r s c h e i d e n h e i d v a n m e n i n g E r k e n d m o e t w o r ­ den, d a t e e r s t m de p r a k t i j k zal k u n n e n blijken w e l k e z e t e l ­ v e r d e l i n g de b e s t e r e s u l t a t e n v o o r de u n i v e r s i t e i t zal o p l e v e r e n O m deze r e d e n h e b b e n de o n d e r g e t e k e n d e n g e t r a c h t , een zo soepel mogelijke b e p a l i n g in de w e t op te n e m e n Zij m e n e n , d a t dit b e l a n g r i j k e p u n t — e v e n a l s bij de f a c u l t e i t s r a a d — m e t g e h e e l a a n de u n i v e r s i t e i t e n zelf k a n w o r d e n o v e r g e l a t e n , m e d e o m d a t h e t t e n n a u w s t e ­verband h o u d t m e t de d e u g d e l i j k h e i d v a n h e t u n i v e r s i t a i r b e s t u u r D e r h a l v e h e b b e n zij g e k o z e n voor een b e p a l i n g , n e e r g e l e g d in a r t i k e l 22, t w e e d e lid, w a a r i n is gesteld, d a t een p a r i t a i r e s a m e n s t e l l i n g de u i t e r s t e g r e n s v o r m t , d a t w i l z e g g e n , d a t h e t w e t e n s c h a p p e l i j k p e r s o n e e l ten minste een d e r d e en de s t u d e n t e n en h e t n i e t ­ w e t e n s c h a p p e l i j k p e r ­ s o n e e l ten hoogste een derde v a n de zetels k u n n e n hebben, d i e b e s t e m d zijn v o o r de r a a d s l e d e n , die uit d e u n i v e r s i t a i r e g e m e e n s c h a p afkomstig zijn A n d e r s d a n bij de s a m e n s t e l l i n g v a n de f a c u l t e i t s r a a d , z o u d e n de o n d e r g e t e k e n d e n zich er d u s m e e k u n n e n v e r e n i g e n , i n d i e n een instelling bij de s a m e n s t e l l i n g v a n de u n i v e r s i t e i t s r a a d zou kiezen v o o r een p a r i t a i r e s a m e n s t e l l i n g , zodat d e u n i v e r s i t a i r e g e l e d i n g e n gelijkelijk zijn v e r t e g e n w o o r d i g d H u n voorstel h a n g t t e n n a u w s t e s a m e n m e t h u n o p v a t t i n g e n o v e r de v e r ­ h o u d i n g ­ t a s s e n h e t t o p n i v e a u en h e t m i d d e n n i v e a u m h e t a l g e ­ m e e n In de u n i v e r s i t e i t s r a a d zal i m m e r s de m e e r a l g e m e n e p r o ­ b l e m a t i e k w o r d e n b e h a n d e l d , zodat het, m e e r d a n bij de f a c u l ­ t e i t s r a a d voor de h a n d ligt uit te g a a n v a n de g e d a c h t e , d a t een gelijk a a n t a l v e r t e g e n w o o r d i g e r s v a n elke geleding de g e ­ l i j k w a a r d i g h e i d v a n l e d e r e geleding tot u i t d r u k k i n g b r e n g t bij h e t d r a g e n v a n de g e m e e n s c h a p p e l i j k e v e r a n t w o o r d e l i j k h e i d voor d e u n i v e r s i t e i t ais g e h e e l De g e l e d i n g e n v e r k e r e n in die zienswijze t e n a a n z i e n v a n de m e e r a l g e m e n e p r o b l e m e n e e r d e r in een enigszins gelijke positie d a n bij de m e e r specifieke p r o b l e m e n v a n d e f a c u l t e i t s r a a d Dit sluit m e t uit, d a t de o n d e r g e t e k e n d e n e r b e g r i p v o o r h e b b e n , indien a a n een u n i v e r ­ siteit zou w o r d e n gekozen voor een z w a a r d e r e v e r t e g e n w o o r ­ d i g i n g v a n h e t w e t e n s c h a p p e l i j k p e r s o n e e l , op g r o n d v a n de o v e r w e g i n g , d a t e r t o c h nog altijd een b e l a n g r i j k v e r s c h i l m d e s k u n d i g h e i d en e r v a r i n g b e s t a a t t u s s e n de l e d e n v a n h e t w e t e n s c h a p p e l i j k p e r s o n e e l enerzijds en d e s t u d e n t e n en h e t niet­wetenschappelijk personeel anderzijds In beginsel zou de z i t t i n g s d u u r v a n d e l e d e n v a n de r a a d t w e e j a a r d i e n e n t e zijn, een tijd die t e n m i n s t e nodig is om een eigen beleid te k u n n e n o n t w i k k e l e n E e n v e r p l i c h t e l a n g e r e z i t t i n g s ­ d u u r zou p e r s o n e n k u n n e n a f s c h r i k k e n om zich b e s c h i k b a a r t e stellen In h e t m i d d e n is g e l a t e n , of j a a r l i j k s d e helft v a n de r a a d zal w o r d e n g e k o z e n ( w a a r d e v o o r k e u r a a n g e g e v e n m o e t

w o r d e n ) d a n w e l d a t e e n s in de t w e e j a a r d e r a a d in zijn geheel w o r d t gekozen E e n u i t z o n d e r i n g is g e m a a k t v o o r d e studenten v o o r w i e een z i t t i n g s t e r m i j n v a n een j a a r is v o o r g e s c h r e v e n Het k i e s r e g i e m e n t zal t e n a a n z i e n v a n de h e r k i e s b a a r h e i d nadere regelen moeten geven T e n a a n z i e n v a n de o m v a n g v a n d e r a a d k a n w o r d e n opge­ m e r k t , d a t v e r m e d e n d i e n t t e w o r d e n d a t d e r a a d t e k i e i n van o m v a n g zou zijn O m een enigszins r e d e l i j k e s p r e i d i n g over de v e r s c h i l l e n d e f a c u l t e i t e n t e k r i j g e n lijkt een m i n i m u m v a n 20 l e d e n g e r e c h t v a a r d i g d A a n de a n d e r e k a n t lijkt bij over s c h r i j d m g v a n een b o v e n g r e n s v a n 60 l e d e n de werkbaarheid v a n de r a a d o n v o l d o e n d e v e r z e k e r d t e zijn Dit m a x i m u m is m h e t o n t w e r p n e e r g e l e g d in a r t i k e l 22, e e r s t e lid D e regeling v a n de e x a c t e o m v a n g v a n de r a a d is o v e r g e l a t e n a a n de b e s t u u r s r e g l e m e n t e n v a n de u n i v e r s i t e i t e n Zoals e l d e r s is toegelicht, b e s t a a n v o o r de v e r k i e z i n g v a n de v e r t e g e n w o o r d i g e r s v a n de g e l e d i n g e n in beginsel t w e e stelsels (met een a a n t a l m e n g v o r m e n ) d i r e c t e v e r k i e z i n g e n uit en door de g e l e d i n g e n (met als v a r i a n t een z e k e r e c o n t i n g e n t e r i n g van h e t a a n t a l zetels d a t p e r faculteit k a n w o r d e n bezet) of indi r e c t e v e r k i e z i n g d o o r d e f a c u l t e i t s r a d e n B o v e n d i e n k a n men zich een c o m b i n a t i e v a n beide g r o n d s y s t e m e n d e n k e n Aan b e i d e stelsels zijn b e z w a r e n v e r b o n d e n H o e w e l een stelsel van i n d i r e c t e v e r k i e z i n g e n e e r d e r in de u n i v e r s i t a i r e s t r u c t u u r met een o p b o u w v a n de basis af lijkt t e passen, h e b b e n de onder g e t e k e n d e n toch g e m e e n d , a d v i e s te m o e t e n v r a g e n a a n een w e r k g r o e p a d hoc die de v r a a g v a n de definitieve k e u z e van h e t kiesstelsel m o e t b e s t u d e r e n en d e k i e s p r o c e d u r e m o e t uit werken I n een l a t e r s t a d i u m v a n de b e h a n d e l i n g v a n dit o n t w e r p h o p e n zij op dit p u n t t e r u g t e k o m e n

pe voorz een goec bestuur 1 Over bepaling en elder

Aanha de verhc en het ( onderget de univf aan de over tw bevoegd andere c

Wel w o r d t in h e t o n t w e r p r e e d s vooropgesteld, d a t de raad m o e t zijn s a m e n g e s t e l d m e t i n a c h t n e m i n g v a n h e t beginsel van een g e l i j k w a a r d i g e v e r t e g e n w o o r d i g i n g v a n de f a c u l t e i t e n (arti kei 22, t w e e d e lid) V o o r k o m e n d i e n t te w o r d e n , d a t bepaalde s t u d i e r i c h t i n g e n s t e r k de o v e r h a n d z o u d e n h e b b e n en d a t daar d o o r a n d e r e s t u d i e r i c h t i n g e n m e t of n a u w e l i j k s v e r t e g e n w o o r digd z o u d e n zijn E e n p r o c e d u r e , w a a r b i j de universiteitsraad z o n d e r n a d e r e b e p e r k i n g e n r e c h t s t r e e k s uit en d o o r d e gele d i n g e n w o r d t v e r k o z e n , zou tot een dergelijk r e s u l t a a t kunnen lelden Dit zou s t e r k a f b r e u k d o e n a a n de g e d a c h t e , d a t de u n i v e r s i t e i t s r a a d m o e t w o r d e n b e s c h o u w d als de vertegenwoor­ ■ ■ d i g e r v a n de u n i v e r s i t a i r e g e m e e n s c h a p m h a a r geheel Met het begrip „gelijkwaardige vertegenwoordiging wordt ' u i t g e d r u k t , d a t elke faculteit in elk g e v a l vertegenwoordigd d i e n t t e zijn, en w e l m e t i n a c h t n e m i n g v a n de o m v a n g v a n die faculteit H e t b e g r i p „ g e l i j k w a a r d i g " l a a t m e e r r u i m t e dan „ e v e n r e d i g ', d a t t e zeer wijst in de r i c h t i n g v a n mathematische verdeelsleutels In de opzet v a n h e t o n t w e r p (artikel 22, d e r d e lid) is ten m i n s t e een zesde v a n h e t a a n t a l zetels b e s t e m d v o o r personen die m e t u i t de u n i v e r s i t a i r e g e m e e n s c h a p afkomstig zijn Op de r e d e n e n die de o n d e r g e t e k e n d e n t o t dit v o o r s t e l h e b b e n gebracht zijn ZIJ i n g e g a a n m H o o f d s t u k I, § 4 Volgens h e t w e t s o n t w e r p k o m t h e t de r a a d toe, h e t aantal v a n deze l e d e n v a s t t e stellen De m e t ­ u n i v e r s i t a i r e l e d e n worden v o o r t e n m i n s t e t w e e j a a r b e n o e m d d o o r de K r o o n , onder scheidenlijk h e t v e r e m g m g s ­ of s t i c h t i n g s b e s t u u r , n a o v e r l e g met de u n i v e r s i t e i t s r a a d De r a a d k a n d u s zijn gevoelens n a a r voren b r e n g e n o v e r de p e r s o o n v a n de n i e t ­ u n i v e r s i t a i r e l e d e n Omdat d e k e u z e v a n deze l e d e n n a u w s a m e n h a n g t m e t de a a r d v a n de instelling, v e r w a c h t e n d e o n d e r g e t e k e n d e n , d a t in vele gevallen i n i t i a t i e v e n v o o r die k e u s d o o r de r a a d zelf zullen worden ontwikkeld Uit de gekozen b e s t u u r s o p b o u w v a n de t o p vloeit voort, dat de r a a d zijn v o o r z i t t e r k i e s t I n die k e u z e is hij g e h e e l vrij Zo zou de r a a d een lid v a n h e t college v a n b e s t u u r tot voor­ z i t t e r k u n n e n kiezen, a l h o e w e l dit n a a r de m e n i n g v a n de o n d e r g e t e k e n d e n g e m a k k e l i j k tot een o n g e w e n s t e vermenging v a n v e r a n t w o o r d e l i j k h e d e n k a n leiden I n d i e n de r a a d een a n d e r , al d a n m e t u i t zijn m i d d e n , v o o r deze functie kiest ligt h e t in v e r b a n d m e t h e t k a r a k t e r v a n de w e r k z a a m h e d e n v a n de r a a d v o o r de h a n d , d a t h e t v o o r z i t t e r s c h a p a a n een lid v a n h e t w e t e n s c h a p p e l i j k p e r s o n e e l t o e v e r t r o u w d zal worden 22

Dit h( ontwerp nieuwe wel een tot de b De raad derhalve kader v bevoegd de univ meenscl ten lop< college de mini concreti verstrek

Zoals bestuur paling aanduid de uni\

gehele

zorg, d beoefen cratisch voering delen d dig, do( wegingi van be' leggen zekerhe hebben de roer mede c stuursb een vei de gev

In ai ving gi van be

BIJ C

bedach versite kan he binnen Volgi drie of bepaali BIJ de den ge heid z( het gel

I


n geheel identen ven Het nadere n opge­ ein van over de van 20 : over­ jaarheid

ne voorzitter van de raad heeft het recht, ter bevordering van een goede coördinatie, de vergaderingen van het college van bestuur bij te wonen (artikel 31, zesde lid) Ovet de werkwijze van de universiteitsraad is eenzelfde bepaling opgenomen als voor de faculteitsraad is voorgesteld en elders (in Hoofdstuk III, § 2) is toegelicht § 2

Het college van

bestuur

Aanhakend op hetgeen als uitgangspunt is opgemerkt over de verhouding van de beide toporganen ­ de universiteitsraad en het college van bestuur ­ (Hoofdstuk I), onderstrepen de ondergetekenden, dat de eenheid van bestuur aan de top van de universiteit met zich brengt, dat een emde wordt gemaakt van aan de thans bestaande verdeling van bestuursbevoegdheden stelsels over twee organen, waarbij het ene orgaan in het bijzonder en door bevoegd is tot de ene deeltaak en het andere orgaan tot de mg van andere deeltaak of mdi Dit houdt echter niet m, dat in het stelsel van dit wets­ an men ontwerp een verdeling van werkzaamheden tussen de beide n Aan nieuwe toporganen achterwege zou moeten blijven Dit is even­ Lsel van wel een verdeling waarbij beide bestuursorganen bevoegd zijn aur met tot de bestuurstaak als geheel, echter ieder op zijn eigen wijze onder lan een De raad voert als hoogste orgaan het algemeen bestuur en is aze van derhalve belast met de algemene beleidsbepaling, binnen het kader waarvan het college van bestuur zijn eigen bestuurs­ oet uit van dit bevoegdheden moet uitoefenen De verantwoordelijkheid van de universitaire gemeenschap ten opzichte van de staatsge­ meenschap zal naar de memng van de ondergetekenden moe­ de raad ten lopen via het college van bestuur Hieruit volgt, dat het isel van college van bestuur verantwoording veschuldigd zal zijn aan ■n (arti de minister Deze verantwoordelijkheid is m het ontwerp ge­ lepaalde concretiseerd in een plicht om inlichtingen aan de minister te at daar verstrekken ^nwoor Zoals al IS uiteengezet, worden de taken van het college van eitsraad bestuur gezien als taken van het dagelijks bestuur Bij de be­ Ie gele paling van die taken kan met worden voorbijgegaan aan een kunnen dat de j aanduiding van de verantwoordelijkheden m het algemeen die jnwoor­ ■ de universiteit als doelorganisatie heeft ten opzichte van de ■ gehele gemeenschap E en van die verantwoordelijkheden is de ' wordt T zorg, dat het bestuursproces van onderwijs­ en wetenschaps­ 'oordigd . beoefening zich zo doelmatig mogelijk voltrekt In een demo­ van die I cratisch opgebouwde doelgemeenschap betekent dit dat de uit­ ite dan 1 voering van het vastgestelde beleid ­ met behulp van de mid­ latische 1 delen die de rijksgemeenschap ter beschikking stelt ­ deskun­ dig, doelmatig en slagvaardig dient te geschieden Deze over­ » wegingen hebben ertoe geleid, een aantal taken van het college is ten j van bestuur m het wetsontwerp (artikel 32, tweede lid) neer te ersonen leggen Met deze wettelijke attributie zal tevens de rechts­ Op de zekerheid tegenover derden zijn gediend Deze bevoegdheden .ebracht hebben met name betrekking op de zorg voor de financiën, de roerende en onroerende zaken en het personeelsbeleid, als­ aantal mede op het toezicht Ook ten aanzien van deze categorie be­ worden stuursbevoegdheden zal het college van bestuur jegens de raad ondel een verantwoordingsplicht dienen te bezitten, het dient de raad rleg me' de gevraagde mlichtmgen te verstrekken ir voren In artikel 32, tweede lid, van het ontwerp is een omschrij­ Omdat ving gegeven van de taken en bevoegdheden van het college van de van bestuur ;evallen BIJ de beschouwing van deze opsomming moet wel worden worden bedacht, dat het budgetrecht in zijn volle omvang bij de uni­ versiteitsraad berust, die immers de begroting vaststelt Ook ort dat kan het college van bestuur alleen personeelsleden benoemen >el vri] binnen de grenzen die de begroting stelt >t voor Volgens het ontwerp zal het college van bestuur bestaan uit van de dne of vijf leden Het aantal wordt voor elke instelling nader nengmg bepaald door de Kroon of het verenigings­ of stichtingsbestuur lad een BIJ de samenstelling van het college zal rekening moeten wor­ e kiest den gehouden met de noodzaak dat in dit college deskundig­ mheden heid zowel op het terrein van onderwijs en wetenschap als op een lid het gebied van het financieel beheer aanwezig dient te zijn worden i m IS lil

regeling aan

Slechts op deze wijze zal het college van bestuur volledig op zijn taak berekend zijn en zal het de tweezijdige verant­ woordelijkheid in zijn volle omvang kunnen dragen Dit lijkt het best verwezenlijkt te worden, mdien in het college van bestuur zittmg zullen hebben 1, onderscheidenlijk 2 leden, door de universiteitsraad gekozen uit het wetenschappelijk corps in vaste dienst voor tenminste twee jaar en 1, onder­ scheidenlijk 2 leden, door de Kroon na overleg met de raad benoemd voor een door de Kroon te bepalen termijn Tenslotte zal de rector magnificus ambtshalve deel uitmaken van het college Deze zal op de hierna aan te geven wijze worden be­ noemd uit een voordracht van tenminste twee hoogleraren, opgemaakt door het college van dekanen De ondergetekenden menen, dat zowel de gekozen als de benoemde leden van het college van bestuur voor een bepaalde minimumtermijn zitting dienen te hebben Op deze wijze wordt de stabiliteit bereikt, die voor het college van bestuur noodzakelijk is om zijn twee­ zijdige verantwoordelijkheid te kunnen dragen De leden van het college zullen hooggekwalificeerde be­ stuurders dienen te zijn, die naast hun bestuurstaak geen andere gehonoreerde werkzaamheden van enige omvang zullen kun­ nen verrichten Dit geldt evenzeer voor de leden, gekozen door de universiteitsraad Omdat het lidmaatschap van het college van bestuur m de regel een volledige dagtaak betekent en omdat de zuiverheid van de verhoudingen bewaard dient te blijven, zullen de leden van het college van bestuur geen bin­ ding meer kunnen hebben met de faculteit waar zij uit afkom­ stig zijn De raad kan leden uit zijn midden tot lid van het college van bestuur kiezen De ondergetekenden menen, dat deze leden alsdan zullen moeten bedanken voor het lidmaat­ schap van de raad, teneinde een ongewenste vermenging van verantwoordelijkheid te voorkomen en een verschil in positie tussen de gekozen en de benoemde leden te vermijden Overi­ gens kan worden aangenomen, dat de leden van het college van bestuur toegang zullen hebben tot de vergaderingen van de raad, zij zullen dan een raadgevende stem hebben Het overleg met de universiteitsraad over de leden van het bestuur die door de Kroon worden benoemd verzekert, dat de universiteit geen bestuurders knjgt opgedrongen ten aanzien van wie het ontbreken van een goede samenwerking met de raad aanstonds duidelijk zou zijn Deze constructie houdt in, dat in ieder geval de meerderheid in het college van bestuur wordt gevormd door wetenschaps­ mensen De ondergetekenden vmden dit van groot belang, omdat hierdoor een genoegzame inbreng is verzekerd voor de oehartigmg van de onderwijs­ en wetenschapstaken van het bestuur Eerder is reeds­uiteengezet, dat het ter verzekering van de continuïteit noodzakelijk is, de dagelijkse leiding van de uni­ versiteit toe te vertrouwen aan bestuurders die althans voor een bepaalde minimum tijd onafzetbaar zijn en met door de raad naar welgevallen kunnen worden ontslagen In dit verband wordt nog eens onderstreeept, dat bij de contacten binnen en buiten de universiteit een ruime algemene ervaring binnen het centrale bestuur van de universiteit van groot belang is E en gefundeerde positie van de leden van het college van bestuur verzekert ­ anders dan bij steeds wisselende bestuursleden het geval zou zijn ­ ook, dat het administratieve apparaat van de universiteit niet een te grote invloed krijgt Ter verduidelijking wordt nog opgemerkt, dat het college van bestuur als geheel en dus met alleen de door de raad ge­ kozen onderscheidenlijk de door de Kroon benoemde leden de verantwoordelijkheid tegenover de raad, onderscheidenlijk tegenover de minister draagt Een verschil in positie van de gekozen en benoemde leden zal in de praktijk nauwelijks bestaan Zij zullen een gelijke en passende salariëring moeten krijgen De voorzitter van het college van bestuur wordt benoemd door de Kroon uit de leden van dit college Hij vertegenwoor­ digt de universiteit in en buiten rechte Het college van bestuur zal als dagelijks bestuur vanzelf­ sprekend de vergaderingen van de universiteitsraad bijwonen 23

THB 9

27 februari 1970


Ter waarborging van een goede communicatie zal de voorzitter van de raad de vergaderingen van het college van bestuur kunnen bijwonen, hij bezit alsdan een raadgevende stem Het ligt voor de hand dat in het college van bestuur een portefeuilleverdeling tot stand komt Deze verdeling kan van instelling tot mstelling verschillen Zij zal geen afbreuk mogen doen aan het collegiaal karakter van het bestuur § 3

Het college van

dekanen

BIJ de toelichting over het college van dekanen brengen de ondergetekenden nogmaals het eerste uitganspunt van de nota en het wetsontwerp in herinnering opbouw van de basis af Omdat de universiteit een doelgemeenschap is, mag dit met tot de conclusie leiden dat hogere organen slechts bestaan bij de gratie van lagere orgamsatie-eenheden, maar wel dat hogere organen slechts beperkte bevoegdheden tot inmenging in lagere organen hebben Omgekeerd geldt, dat het voor de lagere eenheden van groot belang is te weten, op welke wijze de hogere organen van de hun toekomende bevoegdheden gebruik willen maken Deze gedachtengang is vooral van belang voor het aangeven van het middenniveau, de faculteit enz en het topbestuur van de universiteit De middenniveaus verzorgen de organisatie en coördinatie van de doelgerichte activiteiten, het topniveau heeft de algemene beleidsbepaling tot taak BIJ het voorbereiden van dit laatste kunnen de gecoorneerde werkniveaus met worden gemist Nu de senaat en het college van rector en assessoren zullen verdwijnen, is behoefte aan een nieuw geïnstitutionaliseerd kader van overleg tussen de faculteiten en subfaculteiten, mede ten behoeve van het universiteitsbestuur Om deze redenen hebben de ondergetekenden voorgesteld het college van dekanen in te stellen, dat wordt gevormd door de gekozen voorzitters van de faculteiten en subfaculteiten In de eerste plaats wordt het college gezien als het centrale adviesorgaan ten behoeve van het universiteitsbestuur Het brengt derhalve desgevraagd, maar ook uit eigen beweging adviezen uit met betrekking tot de organisatie en coördinatie van onderwijs en onderzoek De ondergetekenden achten het van belang, dat de universiteitsraad verplicht is bij het vaststellen van richtlijnen voor de organisatie van het wetenschappelijk onderwijs en de wetenschapsbeoefening m de faculteiten het college van dekanen te horen Nu de bevoegdheden van de senaat onder de nieuwe struc~tuur zijn weggevallen, moest worden voorzien m de daardoor ontstane lacune op het gebied van de promotie De ondergetekenden zijn van mening dat het college van dekanen, dat terzake geacht kan worden het wetenschappelijk corps m zijn geheel te vertegenwoordigen, het meest geschikte orgaan is om de bevoegdheid tot het toekennen van doctoraten formeel over te nemen Deze bevoegdheid betreft eveneens het doctoraat honoris causa Aangezien het verlenen van een doctoraat honoris causa niet steeds op grond van uitsluitend wetenschappelijke kwaliteiten geschiedt, ligt het voor de hand dat het hoogste orgaan waarin de universitaire gemeenschap is vertegenwoordigd, de universiteitsraad, voor het verlenen van dit universitair eerbetoon wordt gehoord § 4

Rector

magnificus

De ondergetekenden zijn de mening toegedaan, dat er ook — of misschien wel juist — in de democratisch opgebouwde universiteit vele redenen bestaan de functie van rector magnificus te handhaven Hij is de representant van de onderwij sen wetenschapsorganisatie, die de kern van de universiteit uitmaakt en hij zal dat blijven Onverlet blijft derhalve de regel, dat de rector magnificus de universiteit in het verkeer met andere universiteiten in binnen- en buitenland vertegenwoordigt

Vergeleken met de Wet op het wetenschappelijk onderwijs zal de functie van rector magnificus onder de nieuwe structuur nog meer inhoud krijgen Voor de rector magnificus geldt dat hij zijn functie slechts kan uitoefenen, als hij het vertrouwen heeft van de gehele universitaire gemeenschap In het ontwerp is er naar gestreefd de voorwaarden daarvoor door middel van de benoemingspro cedure te scheppen De ondergetekenden hebben gemeend te moeten vasthouden aan het beginsel, dat de rector magnificus een gewoon hoogleraar is en dat hij door de Kroon benoemd wordt De voordracht voor de benoeming wordt echter opge maakt door het college van (de gekozen) dekanen Het college IS daarbij vrij een hoogleraar al dan met uit zijn midden voor te dragen In geval echter een dekaan als rector magnificus zou worden benoemd, zal hij als dekaan van zijn faculteit moeten aftreden Wat het topniveau betreft is bovendien over leg met de universiteitsraad, als het vertegenwoordigend lichaam van de universitaire gemeenschap noodzakelijk Volgens het ontwerp zal de rector optreden als voorzitter van het college van dekanen Door de voorgestelde bepaling dat de rector magnificus uit hoofde van zijn functie tevens lid IS van het college van bestuur, wordt de gewenste schakel gelegd tussen het college van dekanen, waarin de belangen van de faculteiten aan de orde komen, en het topniveau Het ligt voor de hand dat, indien in het college van bestuur wordt overgegaan tot een verdeling van portefeuilles, aan de rector de portefeuille of een van de portfeuilles op het gebied van onderwijs en onderzoek zal worden toevertrouwd

beslist C AcademiE college n Het zal oplossing schikking suggestie Voor e artikel 3 ambtenai behoeft r slechts bi geen ber In de de positi ming wo van de s zien en < studentei in het a gerechtv examinef Hoewel de veran standen zal beho Dit zal gevondei roep een HOOFDSTUK V De fac Verwach Geschillen, rechtsbescherming en de handhaving van schappel gedragsregels nomen ( gelaten Er moet gelegenheid bestaan om geschillen over onderwijs kan bep en wetenschapsbeoefening, indien zij niet in der mmne kunnen De vrag worden opgelost, voor te leggen aan een hoger orgaan In dit afnemen ontwerp is dan ook voorzien m een beroep op de faculteitsraad zulks m indien het bestuur van de vakgroep meent zich met te kunnen moet pi neerleggen bij de beslissing van de voorzitter (art 18, zevende woorden lid) Ook laat zich denken, dat een besluit van de faculteitsraad ter discussie wordt gesteld m de universiteitsraad Opgen reden k Van dergelijke algemene geschillen die het beleid betreffen Men ma moeten individuele geschillen tussen leden van de universitaire staan va gemeenschap worden onderscheiden Vaak zullen zij in geking zal schillen over onderwijs en wetenschapsbeoefening hun oorverdwiji sprong vinden en zal het niet steeds goed mogelijk zijn uit te maken waar de grens ligt In elk geval achten de ondergeteMen 1 kenden het, gelet ook op de gedachten die zijn ontvouwd in academi de regeringsnota over het ombudsman-vraagstuk (zitting studente 1968-1969 — 9925), wenselijk in het kader van dit wetsontwerp dus doo aandacht te besteden aan het voorkomen en oplossen van strijdt r persoonlijke conflicten binnen de universitaire gemeenschap Dit b< ZIJ gaan er daarbij van uit, dat dergelijke conflicten m eerste mist In aanleg zullen worden voorgelegd aan organen en personen nieuw t binnen de gemeenschap zelf Zo weet nogal eens de rector sitaire { magnificus te voorkomen dat bepaalde geschillen zich verinbreuk scherpen Ook studentendekanen en anderen slagen er vaak in tuchtrec de gemoederen te kalmeren Op die weg moet worden voortlijke ve gegaan Alleen rijst de vraag, of de universiteitsraad er niet zijn Ee verstandig aan doet ter zake een regeling te treffen en een gemeen duidelijke, voor iedereen kenbare, rechtsgang te ontwerpen zijn, al In het systeem van het ontwerp past het de beantwoording voorkeu van een dergelijke vraag aan dit hoogste universitaire orgaan [ met ZIJ over te laten wenste Wel behoort m de wet te worden voorzien m een beroepsworden mogelijkheid buiten de universiteit of hogeschool De ervaring regels 2 leert namelijk, dat behoefte bestaat aan personen of colleges menteei die in geen enkel opzicht bij het geschil betrokken zijn en die zich m de betrokkenen ook niet of nauwelijks kennen Daarom wordt ondersc (in artikel 37) voorgesteld, dat de Academische Raad een die, wil college instelt dat zich met dit soort zaken kan bezighouden erkenni Over de samenstelling van dit college behoeft nu met te worden tot ma 24

I


beslist Ook de procedure en bevoegdheden kunnen door de Academische Raad worden aangegeven In elk geval zal het college met in staat zijn, bepaalde beslissingen teniet te doen Het zal met meer kunnen doen dan medewerken aan de oplossing van geschillen, bijv door het bewerkstelligen van een schikking of het uitbrengen van een rapport waarin bepaalde suggesties worden gedaan Voor een samenloop van de geschillenregeling, bedoeld m artikel 37, met de regeling van het recht van beroep op de ambtenarenrechter, neergelegd m de Ambtenarenwet 1929, behoeft met te worden gevreesd, daar de eerstbedoelde regeling slechts beoogt een voorziening te treffen voor geschillen waarbij geen beroep op de ambtenarenrechter open staat In de nota is in artikel 38 speciaal aandacht gevraagd voor de positie van de studenten, m die zm dat hun rechtsbescherming wordt verhoogd, vooral m het kader van de beoordeling van de studieresultaten Is hetgeen bij het vorige artikel is voorzien en aangetekend vooral van belang voor de positie van de studenten (en andere leden van de universitaire gemeenschap) in het algemeen, artikel 38 ziet op de situatie dat de student gerechtvaardigde klachten heeft over de wijze waarop hij is geëxamineerd of over de beoordehng van de examenresultaten Hoewel juist de laatste tijd de examenprocedures aan ingrijpende veranderingen woiden onderworpen en de kans op misverstanden en onbillijkheden bij het examineren daardoor afneemt, zal behoefte blijven bestaan aan de mogelijkheid van redres Dit zal m het stelsel van het wetsontwerp moeten worden gevonden bij de faculteit die voor de behandeling van het beroep een commissie instelt De faculteit is vrij m de samenstelling van deze commissie Verwacht mag worden, dat er ten minste een lid van het wetenschappelijk personeel en een student in zullen worden opgenomen Ook de regeling van taak en bevoegdheden wordt overgelaten Het wetsontwerp schrijft slechts voor, dat de commissie kan bepalen dat het tentamen of examen wordt overgedaan De vragen of dezelfde examinator dan wel een ander met het afnemen van dit nader examen of tentamen wordt belast en of zulks m het bijzijn van leden van de commissie of anderen moet plaatsvinden, laat zich m het algemeen moeilijk beantwoorden Opgemerkt zijn nog dat onheus optreden van de examinator reden kan zijn om overeenkomstig artikel 39 op te treden Men mag aannemen dat van deze wetenschap en van het bestaan van de procedure ex artikel 38 een sterk preventieve werking zal uitgaan en dat misstanden bij het examineren zullen verdwijnen Men IS het er m het algemeen over eens, dat het bestaande academisch tuchtrecht sterk verouderd is en met voldoet Dat studenten kunnen worden berecht door leden van de senaat, dus door een college waarin zij zelf met zijn vertegenwoordigd strijdt met de moderne inzichten omtrent tuchtrechtspraak Dit betekend overigens met, dat tuchtrecht kan worden gemist Integendeel, er zal met ontkomen kunnen worden aan een nieuw tuchtrecht waaraan in beginsel alle leden van de universitaire gemeenschap onderworpen zijn Er kunnen zich imniers inbreuken op de universitaire orde voordoen die met anders dan tuchtrechtelijk kunnen worden afgedaan Voor een strafrechtelijke vervolging en berechting zal met altijd voldoende reden zijn Een gereglementeerd optreden door een orgaan van de gemeenschap waarin de overtreding is begaan, kan geboden zijn al was het alleen maar omdat daaraan m elk geval de voorkeur moet worden gegeven boven reacties die, omdat zij met zijn gereglementeerd, onbillijk kunnen zijn en tot ongewenste gevolgen kunnen leiden Zelfs kan op goede gronden worden gesteld, dat aan de handhaving van bepaalde gedragsregels zekere positieve voordelen zijn verbonden Nu geëxperimenteerd gaat worden met een universitaire gemeenschap die zich m verschillende opzichten van andere gemeenschappen onderscheidt, zullen zich opvattingen en normen gaan vormen die, willen zij geëerbiedigd worden, zo nodig een uitdrukkelijke erkenning moeten kunnen krijgen en die moeten kunnen leiden tot maatregelen tegen diegenen die zich daaraan met willen

:i

I

houden Aldus kan een bijdrage tot het goed functioneren van de universitaire gemeenschap worden geleverd Intussen is op dit ogenblik nog allerminst duidelijk om welke opvattingen en normen het gaat en welke inhoud daaraan moet worden gegeven Op het punt van de procesgang laten zich verschillende oplossingen denken Mede daarom kan de uitwerking geredelijk aan de universiteitsraad worden overgelaten In het ontwerp is wel (in artikel 39) bepaald, dat de universiteitsraad deze regeling binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze wet dient vast te stellen In een dergelijke regeling zal onder meer moeten worden voorzien m onderwerpen als de rechtsgang van het geding alsmede de samenstelling en bevoegdheden van het universitaire tuchtcollege Alleen de maatregelen die kunnen worden opgelegd en het hoger beroep moeten m de wet worden vastgelegd Wat dit hoger beroep betreft, is afgestapt van de huidige regeling dat beroep mogelijk is op de minister Het lijkt beter voor deze taak een college bij de Academische Raad aan te wijzen Het IS met ondenkbaar, dat een overtreding van gedragsregels als bedoeld in het eerste lid van artikel 39 door personeel van de universiteit tevens kan worden aangemerkt als plichtsverzuim in de zm van het voor hen geldende ambtenarenreglement, arbeidsovereenkomstenbesluit of overeenkomstig personeelsreglement Daar de regelingen die in deze reglementen en besluiten met betrekking tot disciphnaire straffen zijn uitgewerkt dienen te prevaleren boven de regeling van artikel 39, is aan het slot van het eerste lid de werking van het artikel beperkt tot overtredingen, die met door het ambtelijke disciplinaire strafrecht worden bestreken HOOFDSTUK VI Academische Raad De kritiek tegen bepaalde aspecten van het universitaire bestel heeft zich mede gericht op de Academische Raad Ofschoon de ondergetekenden begrip hebben voor deze kritiek en haar ten dele onderschrijven, stellen zij er niettemin prijs op de aandacht te vestigen op het vele en belangrijke werk dat de raad in de negen jaren van zijn bestaan heeft verricht Behalve aan talrijke adviezen, welke de raad in die periode heeft uitgebracht, dient te worden gedacht aan de belangwekkende rapporten, die, zij het met m gelijke mate, een waardevolle bijdrage hebben geleverd tot de meningsvorming op verscheidene gebieden van de ingewikkelde universitaire problematiek Zij zijn van mening, dat de bezwaren, cjie _ ten dele terecht - tegen de Academische Raad worden aangevoerd, mede hun oorzaak vmden in de bepahngen in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs die van meet af a a n e e n belemmering hebben gevormd voor de ontplooiing van de raad tot een gezaghebbend interuniversitair orgaan In dit verband is het nuttig, een korte schets te geven van hetgeen aan de totstandkoming van die bepalingen is vooraf gegaan De Staatscommissie tot reorganisatie van het hoger onderwijs, de commissie-Remink, die in 1949 haar rapport uitbracht, had voorgesteld naast de meer zelfstandig wordende universiteiten een Hoge Academische Raad in het leven te roepen Het zou een interuniversitair orgaan zijn dat een belangrijke adviserende taak zou hebben, maar dat tevens en zelfs in de eerste plaats coördinerend zou moeten optreden bij de behandeling van die onderwerpen waarvoor samenwerking van alle universiteiten nodig is De commissie-Van der Pot gmg in dit opzicht reeds minder ver dan de voorstellen van de commissie-Reimnk , , , De wetgever van 1960, heeft ten slotte volstaan met het in het leven roepen van een Academische Raad die sterk afweek van de Hoge Academische Raad, die de commissie-Reimnk voor ogen stond ,, , , De reden waarom het interuniversitaire orgaan betrekkelijk geringe mogelijkheden tot coördinatie werden geboden, moet, naar de mening van de ondergetekenden vooral worden gezocht m de vrees in de universitaire kringen dat een sterke Academische Raad een beknotting zou betekenen van de autonomie die aan elke universiteit afzonderlijk zou worden toegekend Toen de wetgever m 1960 de Academische Raad m het leven 25

THB 9

27 februari 1970


riep, heeft hij zich dan ook op het standpunt gesteld dat het voldoende was aan het bestaande contact tussen de universiteiten en hogescholen (bedoeld werd het Interuniversitair Contactorgaan) vastere vorm en uitbreiding te geven Het groeiproces, dat een zodanige raad zou moeten doormaken, zou niet van den beginne af in gevaar mogen worden gebracht door hem een taak en een structuur te geven, die in het licht van de toen bestaande verhoudingen en opvattingen als te zwaar zouden moeten worden aangemerkt Dit groeiproces is in de achter ons liggende jaren niet in de juiste richting gegaan Het vele en verdienstelijke werk van de raad heeft niet geleid tot de resultaten, die men er van had verwacht Als belangrijke oorzaken van deze teleurstellende ontwikkeling beschouwen de ondergetekenden ten eerste de omstandigheid dat de leden van de raad er in het algemeen grote moeite mee hadden het belang van het universitaire onderwijs in Nederland, te doen prevaleren boven dat van de eigen instelling, en in de tweede plaats dat de leden zich vrijwel zonder uitzondering op het standpunt stelden dat zij bij hun beschouwingen en meningsuitingen geheel a titre personnel spraken Dat de universiteiten zich niet alleen niet juridisch, maar ook moreel in het geheel niet gebonden achtten aan hetgeen de door hen zelf aangewezen leden m de raad naar voren brachten, ontnam aan de adviezen van de raad een groot deel van hun waarde en maakte de raad tot een college met een te gering gezag Eerst in de laatste tijd wint de overtuiging veld, dat het uitbrengen van — zo mogelijk — gemeenschappelijke adviezen aan de Minister geacht moet worden in het belang te zijn van het gehele wetenschappelijk onderwijs in Nederland en dat dit de enige weg is om te voorkomen dat de overheid zelf in belangrijke vraagstukken beslissingen moet nemen, zonder dat de direct betrokkenen in onderling overleg en beraad daarover hun oordeel hebben gevormd en in onderling overleg hebben kenbaar gemaakt De ondergetekenden zijn er zich van bewust, dat het brengen van verandering in een gegroeide situatie m de eerste plaats verandering vereist m de opvattingen binnen de universiteiten en daardoor tevens bij de leden, die door de instellingen zelf worden aangewezen Zij zijn echter eveneens van oordeel, dat deze noodzakelijke verandering bevorderd kan worden door een wijziging van de wettelijk vastgelegde structuur van de raad De belangrijke wijziging, die terzake m het wetsontwerp wordt voorgesteld, is de bepaling dat de raad zijn adviezen aan de Kroon en aan de Minister uitbrengt namens de universiteiten en hogescholen en — als logische consequentie daarvan — dat elke instelling m de raad slechts een stem uitbrengt (artikel 40, leden 1 en 5) Door een dergelijke wijziging zal, naar htm oordeel, de adviesprocedure van de raad een geheel ander karakter krijgen en zullen afzonderlijke instellingen veel meer dan tot nu toe, direct bij het werk van de raad betrokken worden De bepaling, dat de adviezen worden uitgebracht namens de universiteiten en hogescholen, verplicht de vertegenwoordigers van elke universiteit en hogeschool immers tot vooroverleg in eigen kring teneinde daardoor in staat te zijn een door de eigen instelling aanvaard standpunt m de raad naar voren te kunnen brengen De ondergetekenden ontveinzen zich met, dat naast de grote voordelen die zij van een dergelijke procedure verwachten, het risico bestaat van een vertraging in het uitbrengen van het advies door de raad Ofschoon naar hun mening de door de instellingen aangewezen leden ook onder de nieuwe structuur een ruim mandaat zouden moeten hebben en dus in beginsel vrijheid zouden moeten houden om bij het uitbrengen van hun stem zelf te overwegen of een bepaald voorstel voor hun universiteit aanvaardbaar zou zijn, kunnen zich omstandigheden voordoen, waarin een nader overleg binnen de instelling noodzakelijk wordt geacht Aangezien het hier om adviezen gaat die betrekking hebben op de eerste doelstelling van de raad, nl het vormen van een schakel tussen de universiteiten en hogescholen onderling, dienen in de eerste plaats de standpunten van de universitaire delegaties tot uitdrukking te kunnen komen Aanhakend aan het voorstel, elke universiteit een stem te laten uitbrengen, is daarom bepaald dat de door de Kroon

benoemde leden m die gevallen een adviserende stem uitbren wetenscl gen (artikel 40, lid 5) Als het blijkt onmogelijk te zijn m de schrijver Acadmische Raad op een bepaald punt tot een gemeenschap of lector pelijk advies te komen, spreekt het vanzelf dat de afwijkende de raad standpunten tezamen met het meerderheidsadvies ter kennis sectie, 01 van de Minister of de universiteiten en hogescholen worden Ten si gebracht Het grote voordeel dat bij de voorgestelde adviespro rondom cedure de adviezen van de raad veel meer gezag zullen krijgen Raad re en dat, naar mag worden verwacht, de raad meer en meer zal i hebben \ uitgroeien tot de spreekbuis van de universiteiten en hoge m de De scholen, weegt zwaar genoeg om eventuele nadelen van onder De hie geschikt belang op de koop toe te nemen Bovendien moet er op worden gewezen dat, indien in enkele gevallen het advies IS een \ van de raad zou worden vertraagd, een belangrijke werk- en dering tijdsbesparing zal worden bereikt door het wegvallen van de wetenscl thans bestaande dubbele adviesprocedure De ondergetekenden behoren zijn van oordeel dat indien de raad namens de instellingen adviseur advies uitbrengt het geen zin meer heeft nog eens de instellingen afzonderlijk te raadplegen Wel blijft ook m dit geval de bevoegdheid van elke instelling om zich rechtstreeks tot de Kroon en de Minister te wenden, onverlet Zij verwachten echter dat dit slechts m uitzonderingsgevallen zal geschieden Een andere wijziging waarin het ontwerp voorziet betreft de samenstelling van de raad Deze wijziging hangt ten nauwste samen met de wijziging m de bestuursstructuur van de universiteiten en hogescholen waar nieuwe bestuursorganen de universiteitsraad en het college van bestuur aan de top van de universiteit worden voorgesteld Bovendien spreekt het vanzelf dat de democratisering in de instellingen afzonderlijk eveneens m het overkoepelende interuniversitaire orgaan haar weerslag moet vinden De ondergetekenden achtj het echter met juist dat de Academische Raad precies dezelfde structuur zou hebben als de instellingen afzonderlijk in die zin dat elk van de drie universitaire geledingen het wetenschappelijk corps, het niet-wetenschappelijk personeel en de studenten paritair in de raad zouden moeten zijn vertegenwoordigd Afgezien van de door de Kroon te benoemen leden zou de raad op zodanige wijze moeten worden samengesteld, dat voor elke instelling drie leden zitting hebben die door de universiteitsraad worden aangewezen (artikel 40, tweede en derde lid) Tot deze leden zou m elk geval de rector magnificus moeten behoren Beoogd is daardoor de zekerheid te krijgen, dat m elke delegatie een persoon is opgenomen, die door het feit dat hij lid is van het college van bestuur en tevens voorzitter van het college van dekanen zowel met de bestuurlijke als met de wetenschap pelijke aspecten van het universitaire beleid vertrouwd is Evenals in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs is in het ontwerp het instituut van plaatsvervangende leden gehandhaafd Het IS echter de bedoelling, dat de plaatsvervangende leden alleen dan aan de vergaderingen van de raad zullen deel nemen als degenen voor wie zij als vervanger optreden, zelf verhinderd zijn Hierdoor is het gewenst, dat de plaatsvervangende leden bij de voorbesprekingen binnen de instelling in beginsel steeds deelnemen, zodat zij, indien zij moeten optreden van de gang van zaken en van de aan de orde zijnde onder- A werpen geheel op de hoogte kunnen zijn i De omvang van de raad zal hierdoor in pleno weliswaar met de jure maar wel de facto kleiner zijn, het was immers van meet af aan gebruik dat de plaatsvervangende leden mede aanwezig waren en ook het woord konden voeren Ten aanzien van de secties, die de raad heeft ingesteld voor interuniversitair overleg, is reeds een ontwikkeling door de raad zelf in gang gezet, waarbij de leden van de sectie als vertrouwenspersoon van de faculteit, subfaculteit of studierichting worden beschouwd In het ontwerp wordt voorgesteld, dat de raad het aantal leden voor elke sectie vaststelt en dat de benoeming van de leden eveneens geschiedt door de raad, op voordracht van de daartoe in aanmerking komende faculteitsraad (artikel 42) Bij het opmaken van de voordracht zal de faculteitsraad uiteraard alle betrokken instanties moeten horen Aangezien de secties van de raad de organen zijn waarin m de eerste plaats de specifieke problemen van onderwijs en 26

I


wetenschap aan de orde komen, lijkt het gewenst voor te Trhniven, dat op de voordracht in elk geval één hoogleraar of lector wordt geplaatst. Bovendien lijkt het gewenst, dat aan de raad de bevoegdheid wordt gegeven, op voordracht van een sectie, ook andere personen dan de hierbedoelden te benoemen. Ten' slotte vermelden de ondergetekenden, dat de problemen rondom de werkwijze en de samenstelling van de Academische Raad reeds geruime tijd onderwerp van gedachtenwisselmgen hebben uitgemaakt in het kader van de raad, en in het bijzonder in de Dagelijkse Raad. De hier vermelde verandering in de werkwijze van de sectie is een van de resultaten van dit overleg. Een tweede verandering is dat de universiteiten reeds thans leden van het wetenschappelijk corps, die niet tot de hoogleraren en lectoren behoren, afvaardigen naar de Academische Raad, waar zij als adviseur aan de discussies kunnen deelnemen.

De ondergetekenden spreken de hoop uit, dat de Academische Raad, als gevolg van de voorgestelde wijzigingen en door een mentaliteitsverandering in de universiteiten in veel sterkere mate dan tot nu toe het geval was als gezaghebbend, coördinerend orgaan zal gaan functioneren. Indien niet deze nieuwe Academische Raad gunstige ervaringen worden opgedaan heeft het zin de raad andere, verdergaande bevoegdheden toe te kennen. De Minister van Onderwijs en Wetenschappen, VERINGA. De Minister

van Landbouw

en

Visserij,

P. J. LARDINOIS.

27

THB 9

27 februari 1970


00

r

>

S

< ^

o

TN

z

O m

z

Tl

c

l/l

03 -ri

cm iJ O

> O

3 <

il 3

C

< m > C

in

c

CA O 3(D

2 < m >

m Z

1

XI

< m >

H O

a(t o ai 3

CD

m

m

in -H C

XI

33

(D 3

X)

> >

c

L

SA

1

rn u

(Q (B 3 O

1 rt

«

-v

a

UI

a -^ <

1 0

N

XI

^0

1-h

o m

•• (B 0 0

-

1

Tl

H

fD QJ

n-

71 c m

UI

1

(D 0 H

ï

rt

(H

C

{D

0) r t i-t ro

a

fD - * 3 \ f t U) (D 3

F m

3 n fD

C/) XI

CL ->.

c

v o

C/l X)

\

< 0) 3

D

fD

M 3 Cf 0

t

3 cr fD

1

l

<T<

a

3

(D

2

3 CD

rt

_^

X)

CO H

O O

XI

2

m

in

O m

■o

> >

rt

C

H

H

TC (7> 73

3

-i

H

»

0

O 3 (D

m 1

< o o o

m -

o

0

< m -1

2

m

^ o

«

X3

3 rt H O Hl H

A 3

3-

c tn

8

in

m m

?r

EU

rt Hl

O O i-l -O

l-(

O

rt

3 • lia W fD

tfP

^ ^

N

■"m

1

O

Ln

3

1

1

(D 3 H H

0 0 H I-h

V

c 3 <■

9

B)

■D

1

m

1 c—* c

3)

(D5 U)0

co C m

33-0

> > D

-^—

O m

3 H

rt 0

K O

I

1 i-h p> 0

1

13

U) f *

c c

CD n

01 hh < c ai 0

1

»

5

c

7^

G) ^1

O

3 •-( fii fü

-I

U) 3(D

c >^ 1—' N ft H fD f t

O

<

m ::^

r t fD i-( fD 3 w H r t fD

> Z

3

2

O

3 (O

m

■vl

o 0 co 3 EL 1-. ft) fD

^1 a ï 3 fD 'O H H fD O C rt 3 0 M

m

fD

3

H

ua

H

:D

5

Q ft

o • H W 0 rt 0 3 H — (D

a

1

28

fD 3

>

f)

> m J. (/)

o I

m XI

è

o

i


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
1970 02 27 by Redactie Univers - Issuu