Tilburgs Jaargang 4
Hogeschoolblad
maandblad
Redactie: F. Th. M. de Charro P. f. M. L. Tieleman L. M. Moerings B. M. ]. Pauw
nummer 6
ƒ. ƒ. AI. de Bont (Hoofd Bureau Redactie-adres: Hogeschoollaan 225,
Juni 1 9 6 7
Senaat) Tilburg
EERSTE SPADE
Op 8 mei 1967 werd de eerste spade in de grond gestoken voor de bouw van een complex van vijf studentenflats. Prof. f. E. A. Af. van Dijck, voorzitter van de Stichting Studentenhuisvesting, verrichtte deze voor hem niet alledaagse daad.
Kastnr. J BIBLIOTHEEK ( M r. KATHOLIEKE HOGESCHOOL TILBUR»
Architect H. Postel zet voor het bestuur tan de Stichting Studentenhuisvesting en belangstellenden zijn ontwerp van de studentenflats uiteen, die een gedeeltelijke oplossing vormen voor het ook in Tilburg acuut wordende kamerprobleem.
Hoofd faculteitsbureau Verlichting voor bestuur faculteit Het curatorium beeft een voorstel van het senaatsbestuur goedgekeurd om functionarissen aan te stillen, die voorlopig zullen worden aangeduid als hoofd van het faculteitenbureau. Het hoofd van het faculteitenbureau zal het beleid van de faculteit dienen voor te bereiden en zal worden belast met de dagelijkse zorg voor de faculteitszaken onder direct toezicht van het faculteitsbestuur. De concrete Inhoud van de taak van deze functionarissen zal per faculteit enigszins kunnen verschillen, maar in ieder geval zal tot de taak van deze functionarissen ook gaan behoren de taak, die tot nu toe door Drs. W . Nolens werd vervuld. Dit betekent dus dat zij zich op de hoogte zullen stellen van de voortgang van de studie der studenten en eventueel met achterblijvers contact zullen opnemen om na te gaan of hulp geboden kan worden. Voorts mag ook worden verwacht, dat de contacten, welke studenten tot nu toe met de faculteitsvoorzitter hadden, voorzover het routinegevallen betreft, in de
toekomst met het hoofd van het faculteitsbureau zullen plaats vinden. Te denken valt aan de contacten over termij nverlengingen en de goedkeuring van keuzevakken. Voorzover het de contacten met studenten betreft zullen, zodra de betreffende functionarissen zijn aangesteld, wel gedetailleerde mededelingen per faculteit worden verstrekt. Behalve met de beleidsvoorbereidingen zullen de betreffende functionarissen worden belast met het beheer en de administratie van de faculteit. Prof. Dr. R. A. de Moor
De sociale structuur van de Nederlandse universiteiten en hogescholen De redactie van het Hogeschoolblad heeft mij verzocht een informatief artikel te schrijven over de sociale structuur, en meer in het bijzonder over de bestuursstructuur van de Nederlandse universiteiten en hogescholen (voortaan samengevat onder de term universiteiten). Dualisme: curatorium - senaat Grondslag voor de universitaire structuur is de wet van 22 december I960 tot regeling van het wetenschappelijk onderwijs. Bij de regeling van het bestuur van de rijksuniversiteiten en rijkshogescholen gaat deze wet uit van het z.g. dualisme 1 ). Curatoren én senaat oefenen, volgens art. 38, onder medewerking van de faculteiten, het bestuur uit. Enig hiërarchisch verschil is er wel tussen beide organen. Immers in art. 37 wordt de verantwoordelijkheid voor de naleving van bovengenoemde wet bij curatoren gelegd, terwijl aan hen ook de vaststelling van het bestuursreglement is opgedragen, zij het in overeenstemming met de senaat (art. 39).
Universiteit: effectiviteit Bij een universiteit is niet efficiency, maar effectiviteit het centrale doel, i.e. het geven van wetenschappelijk onderwijs Op zo hoog mogelijk niveau en het verrichten van onderzode van zo hoog mogelijke kwaliteit. De norm van efficiency is uiteraard van groot belang, maar secundair aan die van effectiviteit. De centrale deskundigheid, namelijk die welke het bereiken van een zo groot mogelijke effectiviteit moet garanderen, ligt bij de uitvoerders van het onderwijs- en onderzoekproces. De coördinatie op het terrein van onderwijs en onderzoek is ten nauwste verbonden met de deskundigheid op deze terreinen en overigens niet een proces, dat dagelijkse zorg vereist; zij is voorts geen centraal proces. De grote mate van autonomie van senaat en faculteiten wordt door de genoemde organisatiekenmerken verklaard. Het massale karakter van de moderne universiteiten heeft evenwel het organisatorische aspect van onderwijs en wetenschapsbeoefening steeds belangrijker gemaakt, terwijl door de hoge kosten het efficiencyvraagstuk steeds meer aandacht moet krijgen. De organisatorische vraagstukken en de zorg voor de efficiency vragen een eigen deskundigheid en oriëntatie; zij vragen om een tweede gezagslijn, die zeker ten dele, namelijk aan de top, uit andere functionarissen moet bestaan en hiërarchisch van karakter is.
Waarom dit dualisme op het hoogste niveau van het bestuur? Met name buitenstaanders vinden dit dikwijls een merkwaardige structuur en wijzen op de gezagsstructuur in het bedrijf, welke gekenmerkt wordt door de eenheid van leiding in de top. De „publieke opinie" blijkt over het algemeen slechts één type organisatie te kennen, namelijk het hiërarchische type, waarvan bedrijf, leger, departement de geprononceerde voorbeelden zijn. Goede organisatie en hiëarchie zijn voor velen synoniem. Wanneer men verschillende organisaties nauwkeuriger bestudeert en daarbij niet alleen let op statuten en reglementen, maar vooral ook op de feitelijke processen, dan blijkt de universitaire structuur niet 20 uitzonderlijk te zijn. Men vindt haar bijvoorbeeld ook terug in het ziekenhuis, zij het minder uitgesproken. In belangrijke opzichten is de verhouding tussen bestuur en medische staf te vergelijken met die tussen curatoren en senaat c.q. senaatsleden. Bedrijf: efficiency Het bestek van dit artikel laat niet toe in te gaan op de achtergronden van verschillende organisatietypen.Ik volsta met de conclusie uit de organisatiesociologie, dat het verschil in beslissingsstructuren samenhangt met het verschil in activiteiten van de organisatieleden en met het verschil in dominante doelstellingen en processen van de organisatie. In het bedrijf is efficiency, d.w.z. een maximaal positief verschil tussen de inbreng en de opbrengsten van de organisatie de belangrijkste voorwaarde voor realisering van het ondernemingsdoel, en is de permanente coördinatie van activiteiten een centraal proces. De centrale deskundigheid, n.I. die welke het meest beslissend is voor de verwezenlijking van het organisatiedoel, ligt niet bij de onmiddellijke uitvoerders, maar bij de top. Deze drie kenmerken van het bedrijf maken een hiërarchische beslissingsstructuur noodzakelijk.
GEEtf
HiËRBRCHie.. . .
') Op de bijzondere instellingen zijn de artikelen welke de inrichting van het bestuur regelen, niet van toepassing, maar in feite hebben de bijzondere instellingen dezelfde bestuursstructuur.
3
Curatorium • senaat Volgens art. 4} zijn curatoren belast met de zorg voor de huisvesting, met het beheer der financiën en met dat der roerende en onroerende zaken. De senaat, die wordt gevormd door de gewone hoogleraren, behartigt volgens art. 48 de algemene belangen van het onderwijs en van de beoefening van de wetenschap. Hij geeft ter zake aan curatoren de gevraagde inlichtingen. Dat met behoud van het beschreven dualisme curatoren het hoogste gezag vormen, vindt zijn uitdrukking bijvoorbeeld in art, 46, waarin wordt bepaald dat curatoren aan de minister de gevraagde inlichtingen omtrent de universiteit of hogeschool verstrekken en in art. 44, volgens welke de voorzitter van het college van curatoren de universiteit in en buiten rechte vertegenwoordigt. Curatoren Curatoren van onze hogeschool vergaderen ongeveer zes keer per jaar; de dagelijkse uitvoering van de taak van curatoren is opgedragen aan de secretaris van curatoren en zijn bureau. Behalve met de vergaderingen van het curatorium, zijn sommige curatoren belast met de werkzaamheden ia het kader van commissies. Te denken valt, voor onze hogeschool, aan de z.g. structuurcommissie die belast is met de voorbereiding en het toezicht op de bouw van het tweede gebouw van onze hogeschool. Bij de grote instellingen van wetenschappelijk onderwijs treft men wel de figuur aan, dat de presidentcurator of een zogenaamd gedelegeerd curator geheel of ten dele hun normale werkkring vinden bij de universiteit. Overigens worden de curatoren niet gehonoreerd. De senaat van onze hogeschool vergadert ongeveer vier keer per jaar. Het is duidelijk, dat de eigenlijke bestuurstaak niet door de voltallige senaat kan worden uitgeoefend. Daarom is deze taak aan onze hogeschool door de senaat gedelegeerd aan het senaatsbestuur, dat bij ons bestaat uit de rector-magnificus, de pro-rector (de rector van het vorige jaar), de secretaris van de senaat en de voorzitters en secretarissen van de faculteiten. Dit bestuur vergadert maandelijks. De dagelijkse zaken worden afgedaan door de rector en de secretaris van de senaat, administratief bijgestaan door het bureau van de senaat.
Rector-magnificus De rector-magnificus wordt aan onze hogeschool benoemd door het curatorium op voordracht van de senaat; de secretaris wordt door de senaat zelf benoemd. De gewoonte is, dat de gewone hoogleraren in volgorde van anciënniteit secretaris van de senaat en het daarop volgende jaar rector worden. Rector-magnificus is de titel voor de hoogleraar, die het voorzitterschap van de senaat bekleedt. In het verkeer met andere universiteiten en hogescholen treedt hij volgens art. 49, lid 1, op namens de universiteit of hogeschool. Verder is hij volgens art. 53, lid 1, belast met de handhaving van de tucht onder de studenten. Voor de rijksinstellingen geldt, dat de rector-magnificus hoogstens voor een termijn van vier jaren kan worden benoemd en na zijn aftreden weer voor een termijn van ten hoogste vier jaren benoembaar is (art. 49). Aan de Nederlandse universiteiten treft men zowel de meer4
jarige als de éénjarige rector aan. In het laatste geval heeft men soms een meerjarige pro-rector (Leiden) of een meerjarige secretaris (Nijmegen). Verscheidene universiteiten en hogescholen hebben een meerjarige rector. Regelt de senaat, i.e. het senaatsbestuur de meer algemene zaken, de opstelling van het studieprogram, het vaststellen van examen- en tentamenregelingen, de voordrachten voor de benoeming van hoogleraren en lectoren, de voorstellen voor aanstelling van wetenschappelijke medewerkers, student-assistenten en administratief personeel van de faculteit zijn typisch zaken van de faculteiten. Faculteit De faculteit bestaat uit de gewone hoogleraren, die daarin zijn benoemd. Evenals in de senaat, hebben de buitengewone hoogleraren in de faculteit een raadgevende stem. Art. 54 bepaalt tevens, dat lectoren en andere leden van het wetenschappelijk corps tot een vergadering van de faculteit kunnen worden uitgenodigd. In Tilburg is het de gewoonte, dat lectoren steeds worden uitgenodigd, terwijl onlangs is besloten, dat de voorzitter van de faculteit ook wetenschappelijke medewerkers zal uitnodigen, indien hij meent dat de agenda daartoe aanleiding geeft. De faculteiten van onze hogeschool vergaderen ongeveer zes maal per jaar. Het bestuur van de faculteiten wordt in Tilburg gevormd door voorzitter en secretaris, die beiden voor drie jaar worden benoemd en voor eenzelfde periode herbenoembaar zijn (de wet noemt termijnen van ten hoogste vier jaren). Om de taak van de faculteitsbesturen te verlichten is onlangs besloten over te gaan tot de aanstelling van een „hoofd van het faculteitsbureau". In dit nummer van het Hogeschoolblad wordt een taakomschrijving van deze functionaris gegeven. Curatorium - senaat - faculteit Uit het bovenstaande blijkt, dat de universitaire structuur drie organen kent, waaraan een autonoom beslissingsgebied is toegewezen. Het curatorium is het hoogste orgaan, maar dient de autonomie van senaat en faculteiten te respecteren; wel dienen beide organen aan het curatorium de gewenste inlichtingen te verstrekken. Op zijn beurt dient de senaat de autonomie van de faculteiten op het gebied van onderwijs- en wetenschapsbeoefening te eerbiedigen; ook hier bestaat echter een recht op inlichtingen. Aan onze hogeschool hebben senaat en curatorium een iets grotere bevoegdheid dan in de wet omschreven, omdat de reglementen, waarin studieprogram en examen- en tentamenregelingen worden vastgesteld, aan hun goedkeuring zijn onderworpen. De bijzondere positie van hoogleraren en lectoren blijkt hieruit, dat zij bij de rijksinstellingen worden benoemd en ontslagen door de Kroon. Bij de bijzondere instellingen worden zij benoemd door het curatorium. In beide gevallen geschiedt de benoeming op voordracht van de betreffende faculteit en vervolgens van de senaat c.q. het senaatsbestuur. Op de voordracht komen ten minste twee namen voor. Onze hogeschool volgt daarbij de procedure, welke voor de rijksinstellingen verplicB is, n.l. het inwinnen van advies bij de overeenkomstige faculteiten van de Nederlandse universiteiten en hoge-
scholen. Bovengenoemde procedure schept het maximum aan garantie, dat de benoemingen plaatsvinden volgens objectieve criteria. Bij de aanstelling van iedere hoogleraar en lector moeten de vakken worden vermeld, waarin hij met het onderwijs wordt belast. Tegen zijn wil kan hij niet worden belast met het onderwijs in andere vakken dan in zijn aanstelling zijn vermeld (art. 67). Autonomie hoogleraar Hoe staat het nu met de zoveel besproken autonomie van de individuele hoogleraar? Hij is autonoom inzake onderwijs en wetenschapsbeoefening binnen zijn vak, in die zin dat hij niet een bepaalde superieur heeft en zijn benoeming hem garanties geeft voor het vrij uiten van zijn wetenschappelijke inzichten. Hij is echter gebonden aan de beslissingen van de faculteit, die het studieprogram en de examen- en tentamenregelingen vaststelt. Welke stof hij behandelt en hóé wordt echter *an de individuele hoogleraren overgelaten. Het overleg over de stof neemt echter steeds meer toe, terwijl onderzoek naar de beste didactische methoden steeds meer ingang vindt. Lector De lector dient volgens art. 67 zijn onderwijs in te nchten in overeenstemming met een daartoe aangewezen
hoogleraar of hoogleraren. De wet laat evenwel de mogelijkheid open, dat deze aanwijzing niet plaats vindt. De aanstelling van een wetenschappelijk medewerker vindt steeds plaats met aanwijzing van de werkzaamheden, waarmede hij zal worden belast en van de hoogleraar of hoogleraren onder wier toezicht hij werkzaam zal zijn. In dit geval is er dus sprake van een hiërarchische verhouding. Het bovenstaande beschrijft de sociale structuur zoals zij in de wet is vastgelegd. Het is duidelijk, dat de wet deze structuur slechts in zeer algemene zin regelt. Dit kan ook moeilijk anders, omdat een goede organisatiestructuur afhankelijk is van factoren die niet alleen tussen, maar ook binnen de universiteiten kunnen verschillen. De structuur van de universiteit, zoal niet de in de wet vastgelegde, dan toch de in de praktijk geconcretiseerde, is voorwerp van kritiek. Met name het dualisme en de democratische (— de collegiale) structuur van senaat en faculteiten vormen voor een aantal critici de steen des aanstoots. Door hierop in te gaan loop ik echter het gevaar het informatieve karakter aan dit artikel te ontnemen. Ik volsta daarom met erop te wijzen, dat dit vraagstuk momenteel in de Academische Raad aan de orde is. Prof. Dr. R. A. de Moor
De interne organisatie van de universiteit Op 23 mei is te Utrecht een symposium gehouden, georganiseerd door de Vereniging van Academies bij het Wetenschappelijk Onderwijs (V.A.W.O.). Het thema van dit symposium was: „De interne organisatie van de universiteit". De inhoud van een van de lezingen op het symposium, die vaa Dr. E. J. W. Verwey, geven wij hieronder weer. 1. De vaak verdedigde stelling, dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen een bedrijf, waarin de leiding de aard en de omvang van het product bepaalt en de medewerkers de getrokken richtlijnen uitvoeren, en een universiteit, waarin de medewerkers de aard en omvang van het „product" (onderwijs en onderzoek) bepalen en aan de „top" (het Curatorium) de taak toevalt hiervoor de materiële voorwaarden te scheppen, is bezig naar twee zijden door de feitelijke ontwikkeling te worden achterhaald. In bet moderne bedrijf met zijn ingewikkelde problematiek wordt de gang van zaken en de voortschrijdende ontwikkeling in toenemende mate bepaald door initiatieven van „onderop" en bestaat de taak van de leiding meer en meer uit beoordelen van en kiezen uit de vele opkomende mogelijkheden. Eveneens kan geconstateerd worden, dat de beleidsproblematiek van de huidige universiteit (en hogeschool) bewijst, dat de bovenaangeduide „omgekeerde" structuur van de universiteit verouderde is; het onderling afwegen van en kiezen tussen de vele voorstellen tot ontwikkeling van onderwijs en onderzoek, bij de beperkte ter beschikking staande middelen, vereist een voortdurend overleg tussen Curatorium en vertegenwoordigers van Senaat of Faculteiten, en vraagt om nieuwe bestuursvormen, die momenteel op de basis van de bestaande formele structuur aan de verschillende universiteiten en hogescholen ook wel worden nagestreefd. 2. Een vergelijking van de interne organisatie van een bedrijf en van een universiteit is daarom, met inachtneming van de verschillen in doelstelling, nuttig. In het bijzonder geldt dit wanneer we de vergelijking primair maken met een industrieel research-laboratorium, dat zowel in de aard van zijn „product" (kennis en nieuwe ideeën ter uitbreiding en vernieuwing van de techniek, zowel in de lijn van producten van de desbetreffende industrie als in de productiemethoden) als in zijn werkwijze (onderzoek) belangrijke trekken gemeen heeft met de universiteit (niet alleen wat betreft het onderzoek; ook onderwijs en het verspreiden van kennis in de rest van het bedrijf behoort tot de taak van het researchlaboratorium). Beide hebben gemeen: de wens tot een uitbreiding en verdieping van kennis te komen, en dat hun product tot op zekere hoogte imporderabel is; de opbrengst wordt niet uitsluitend bepaald door aantallen afgestudeerden bij de één en aantallen octrooien bij de ander, noch door de aantallen wetenschappelijke publicaties bij beide. Voor beiden geldt, dat maximale efficiency slechts kan worden nagestreefd op grond van moeilijk tegen elander afweegbare alternatieven naar maatstaven als nut en belangrijkheid, waarbij de qualiteit meestal zwaarder telt dan de quantiteit. In het bijzonder geldt ten aanzien van het industrieel research-laboratorium het reeds sub (1) genoemde punt, dat van de medewerkers verwacht wordt, dat zij, binnen een brede doelstelling, de aarde en de omvang van het
6
onderzoek en de daarbij te volgen v. egen grotendeels zelf bepalen. Dit geldt bij uitstek voor de leiding van de in 20'n laboratorium meestal aanwezige, verscheidene academici omvattende, research-groepen, die enigszins vergelijkbaar zijn met de universitaire teams met en rondom een hoogleraar. In een universitair researchinstituut zal men de zogenaamde academische vrijheid ook weer niet zo ver doorvoeren, dat men zich niet zou laten leiden door een verstandig, resultaten belovend programma. Bovendien is het universitaire onderzoek onderworpen aan de beperkingen, bepaald door de opdracht van de hoogleraar en allerlei uitwendige omstandiheden (hulpmiddelen enz.). 3. Aan de universiteit en hogeschool is het wetenschappelijk onderzoek in belangrijke mate opgespitst volgens scheidslijnen tussen disciplines en sub-disciplines; in industriële research-laboratoria wordt een groot deel van het onderzoek verricht door interdisciplinaire teams. Bij de huidige ontwikkeling van de wetenschap, waarbij beoefenaren van verschillende disciplines en sub-disciplines elkander in toenemende mate nodig bedden, heeft de laatste organisatievorm daarom zeer grote voordelen. In het universitaire bestel zal ter bevordering van het niveau van de wetenschapsbeoefening naar vormen moeten worden gezocht, waardoor intensieve interdisciplinaire of zelfs interfacultaire samenwerking wordt gerealiseerd. D e plannen te Utrecht voor een instituut voor moleculaire biologie zijn hiervan reeds een voorbeeld. De bij de universiteit gesignaleerde scheidslijnen zijn natuurlijk in het verleden zo gegroeid op grond van de verschillen in onderwijs-opdracht. Wat voor het onderzoek geldt, heeft ook consequenties voor het onderwijs. Ook daarin zal naar sterkere integratie gestreefd moeten worden. Ook hiervan kan men op verschillende plaatsen reeds de eerste voorbeelden aantreffen. 4. Bij vergelijking met het industrieel research-laboratorium valt het voorts op, dat de universiteit relatief zeer zwak bezet is in de top. Dit geldt zowel ten aanzien van het aantal personen die hun volle tijd (hoogstens enkele curatoren, resp. de secretaris van curatoren, en soms een rector-magnificus en/of secretaris/conrector met langere ambtstermijn) aan hun topfunctie kunnen geven, als ten aanzien van de mate waarin curatoren en senaats- of faculteitsbestuursleden de universitaire activiteiten en alle aan hen voorgelegde vraagstukken van onderwijs en wetenschap kunnen hoordelen. De sub (1) aangeduide beleidsproblematiek vraagt om een versterking van de bestuursvorm van de universiteit. Deze kan alleen worden bereikt door in het bestuut meer personen te betrekken, die bereid zijn hieraan gedurende vele jaren althans een groot deel van hun tijd en energie te geven, en die over voldoende achtergrond op het gebied van onderwijs en wetenschap beschikken om hun besturende functie met gezag te kunnen uitoefenen.
Deze figuren lullen voor een deel betrokken moeten worden uit de rijen van de hoogleraren zelf. Versterking van het wetenschappelijk element in het hoogste bestuurscollege zou ook tegemoet kunnen komen aan een aspect van het personeelsbeleid van de universiteit, dat strijdt met elementaire beginselen daarvan. In een goed geleid bedrijf is het een algemeen geaccepteerd principe van personeelsbeleid, dat iedere medewerker onafhankelijk beoordeeld wordt door minstens twee personen, n.l. door zijn directe chef en door degene, die daarboven is gesteld, zodat de laatste de beoordeling van de eerste kan corrigeren. De ten aanzien van het personeelsbeleid te grote vrijheid van de hoogleraar brengt met zich mee, dat de direct onder hem gestelde medewerkers te sterk van één persoon afhankelijk zijn. Ook in andere opzichten zijn trouwens wel punten in het personeelsbeleid en salarisbeleid van de universiteit aan te wijzen, die tegen de ervaringen en regels van het bedrijfsleven indruisen. 5. Markante verschillen bestaan in beide werelden met betrekking tot de communicatie-techniek. Zelfs in grote industrie-laboratoria wordt meestal gestreefd naar samen-
brenging in één gebouw of gebouwencomplex, en naar samenleving in gemeenschappelijke koffiekamers, gemeenschappelijke colloquia en werkbesprekingen. Dit verklaart voor een deel, dat de mondelinge communicatie daar zeer veel belangrijker is dan de schriftelijke; in het bijzonder de bijna volstrekt afwezige communicatie-per-brief. Deze bijzonder inefficiënte en arbeidsverslindende communicatie-technek bij de universiteit hangt echter ongetwijfeld ook samen met de onduidelijke hiërarchie en de zwakke bestuursvorm, resp. de even onduidelijke verhouding tussen de universiteit en het Departement van Onderwijs en Wetenschappen. 6. Een in belangrijkheid toenemend element ia de beleidsbepaling in het bedrijf en in bedrijfsonderdelen is de medezeggenschap, zoals deze zich kristalliseert in ondernemingsraden en kernen. Bij een krachtiger bestuursvorm zal ook het meedenken en meepraten van vertegenwoordigers van de wetenschappelijke staf, studenden, en het niet-wetenschappelijk personeel een noodzakelijk complement zijn in de vorming van een zo juist mogelijk afgestemd beleid van de universiteit. Dr. E. J. IT. Verwey
Het Instituut voor Ontwikkelingsvraagstukken Het I.V.O. is in 1962 binnen hogeschoolverband opgezet door Prof. Dr. L. H. Janssen S.J., hoogleraar in de leer van de economische en sociale aanpassing van ontwikkelingslanden, die momenteel nog de direktie voert. Het instituut houdt zich bezig met: — onderzoek, — onderwijs, — voorlichting. Het instituut telt één administratief medewerkster (voor halve dagen) en zeven stafmedewerkers (van wie twee als student-assistent, voor halve dagen); drie van hen zijn econoom, twee sociaal-econoom en twee socioloog. Sinds eind 196) is het instituut, ia verband met zijn rechtspersoonlijke positie bij het uitvoeren van onderzoek in opdracht van derden, als een zelfstandige eenheid opgenomen binnen het Economisch Instituut Tilburg (zie Hogeschoolblad van mei 1967, jaargang 4, nummer 5).
(Meer hierover in een vroeger artikel over het I.V.O. in het Hogeschoolblad van februari 1966, jaargang 3, nummer 2.) De eigen research-aktiviteiten van het I.V.O. omvatten: — het in april 1965 afgesloten onderzoek naar de meetbaarheid van sociale en economische ontwikkeling. Onlangs publiceerde Drs. B. Evers hierover eea artikel „Arm en Rijk; een kwantitatief-vergelijkend onderzoek" in het Maanschrift Economie (jaargang 31, nummer 2, november 1966, pag. 81— 104). — een studie over „Het ontwikkelingswerk in sociaal perspectief; een analyse van de schaalvergroting en accentverschuivingen in de .Sociale Kwestie' ", waarop Dr. C. Bertholet in juli 1965 promoveerde. Hiervan verschijnt zeer binnenkort een handelseditie bij de Universitaire Pers Rotterdam.
Onderzoek Het onderzoek, dat door het I.V.O. wordt verricht, valt uiteen in eigen onderzoek en onderzoek in opdracht van derden. Tot deze kategorie behoren:
CHR. G. L. R. DOORAKKERS
— het Indus River Basin Project, een opdracht van de Internationale Bank for Reconstruction and Development (Wereldbank) om de macro-economische aspekten te onderzoeken van een optimale ontwikkeling van landbouw en irrigatie in de Indus Basin, dit in samenwerking met onder meer de Koninklijke Nederlandse Heide Maatschappij. Dit onderzoek is in februari 1965 begonnen en in augustus 1966 beëindigd. — het Lower Tana River Basin Project, een opdracht van de Food and Agriculture Organization der Verenigde Naties (F.A.O.) om de economische zijde van een regionaal ontwikkelingsplan voor de landbouw in het benedenloopse stroomgebied van de Jana-rivier, in Kenya, te onderzoeken, wederom in samenwerking met onder andere de Koninklijke Nederlandse Heide Maatschappij. Dit onderzoek werd uitgevoerd in de periode december 1965 tot december 1966. — het evaluatie-onderzoek, een opdracht van de Nederlandse regering, om de hulpverlenging van de Nederlandse overheid te evalueren. Dit onderzoek wordt door zes Nederlandse instituten verricht, die ieder een deel van het onderzoek uitvoeren. Het onderzoek is daartoe opgesplitst in deelstudies. Het I.V.O. neemt de evaluatie van de beurzenhulp voor zijn rekening, alsmede de sociale aspekten van technische hulpverlening in het algemeen. Daarnaast is Prof. Janssen verzocht het onderzoek te willen coördineren. Het gehele onderzoek, waartoe de opdracht in juli 1965 werd verleend, vergt studie van langere duur. In november 1966 is in een interim-rapport verslag uitgebracht van de gemaakte deelstudies, waarmee de fase van het deelonderzoek werd afgesloten.
8
— een onderzoek naar de vooruitzichten van de economische planning in India. Over „Het vierde vijfjarenplan van India" schreef Drs. F. Jansen kort geleden in het Maandschrift . Economie (jaargang 31, nummer 4, januari 1967, pag. 208—224).
— een studie naar de hulpverlening aan Zuid- en Zuidoost-Azië, als referaat uitgebracht op het achtste Vlaams Wetenschappelijk Economisch Kongres, dat op 19 en 20 mei j.l. in Gent (België) is gehouden. Dit referaat, getiteld „De hulpverlening aan het Verre Oosten ", is samengesteld door Ir. A. Franke (K.N.H.M.) en Drs. F. Jansen en in de Referatenboeken opgenomen (deel II, pag. 753—787). Onderzoek wordt verder nog verricht: — op het gebied van de community development, i.e. de theoretische grondslagen van gemeenschapsontwikkeling, ontwikkelingsstragegieën in Columbia en de implicaties van de ontwikkeling van c d . als een proces van gemeenschapsontwikkeling naar een planmatige aanpak van gemeenschappelijke ontwikkeling. — naar de theoretische beginselen van „resource allo- cation" in het proces van ontwikkeling, waarbij ook zal worden getracht de samenhang tussen de economische ontwikkeling en de produktiestruktuur na te gaan. — naar de aktiviteiten in ontwikkelingslanden van een aantal particuliere organisaties (te weten orden en kongregaties van religieuzen) om vast te stellen welke aktiviteiten worden ondernomen, hoeveel personen erbij betrokken zijn en hoe groot via hen de financiële hulp is. — naar de problemen die samenhangen met de investeringen in ontwikkelingslanden van particuliere ondernemingen uit de geïndustrialiseerde landen. In het kader van de onderzoekaktiviteiten worden regelmatig kontakten onderhouden met verwante instituten en organisaties. Dit kunnen werkkontakten zijn,
zoals die bestaan in het verband van het evaluatieonderzoek, dan wel kontakten met organisaties en/of personen die bij research-werkzaamheden direkt zijn betrokken of hierin, hetzij uit hoofde van hun eigen werkzaamheden, hetzij vanwege het terrein van onderzoek, zijn geïnteresseerd. Dit is bijvoorbeeld het geval met het missie-onderzoek en het evaluatie-onderzoek. Voor dit laatste bestaat grote belangstelling onder andere bij de Deutsche Sdftung für Entwicklungslander in Bonn, die dit onderwerp van methoden en procedures van evaluatie ook in studie heeft genomen. In september 1966 heeft een I.V.O.-medewerker het United Nations Research Institute for Social Development (UNRISD) te Genève bezocht om zich ter plaatse over doel en werkwijze van dit belangrijke V.N.-instituut te oriënteren. Onderwijs
De aktiviteiten op onderwijsgebied bestrijken natuurlijk op de eerste plaats het onderwijs aan de Katholieke Hogeschool. Behalve indidenteel bij hoorcolleges zijn medewerkers van het instituut ook betrokken bij de werkcolleges, die voor doctoraal-studenten gegeven worden in een tweejaarlijkse cyclus gedurende twee aaneensluitende uren. De werkcolleges economie gaan vooral over economische planning; de werkcolleges sociologie behandelen de community development en worden ook gegeven aan studenten van het Gemeenschappelijk Instituut voor Theologie (G.I.T.) te Tilburg, in het laatste studiejaar. Smdt juli 1966 is ten behoeve van studenten en medewerkers zaal C 31 van het Provisorium ingericht als leeszaal, tevens bibliotheekdependance, waar een aantal hoeken en tijdschriften over ontwikkelingslanden en •vraagstukken aanwezig zijn. Inmiddels is ook van de zijde der studenten een grote belangstelling gebleken, die ongetwijfeld bevruchtend zal werken. Geïnteresseerde bezoekers zijn te allen tijde welkom, doch bij voorkeur in de ochtend, dan immers is er ook gelegenheid htn behulpzaam te zijn. Een der medewerkers verzorgt de dokumentatie en voorlichting en onderhoudt de kontakten hierover met bibliotheken en dokumentatiediensten van andere instituten. Tot het onderwijs valt ook te rekenen de begeleiding, die gegeven wordt aan studenten die over een bepaald facet van de ontwikkelingslanden-problematiek een scriptie willen schrijven of die een stage-periode in een ontwikkelingsland doorbrengen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de stages in franssprekende Afrikaanse landen, georganiseerd door de Mission Universitaire Frangaise (M.U.F.), waaraan jaarlijks drie tot vijf Tilburgse studenten kunnen deelnemen. Dit jaar nemen weer drie studenten uit Tilburg deel aan een stage in Senegal, in de periode juli— september. Het valt te verwachten dat in de toekomst de stagemogelijkheden zullen worden uitgebreid. Naar verluidt is dit een van de konkrete taken die het huidige NESBIC-bestuur (Netherlands Students' Bureau for International Cooperation) zich heeft gesteld.
De stage-verslagen resulteren veelal in scripties, waarbij dan wederom vanuit het I.V.O. begeleiding wordt gegeven, voorzover daaraan behoefte bestaat. Aan toekomstige assistent-deskundigen wordt — voorzover er ruimte is — de gelegenheid geboden zich op het instituut voor te bereiden. Het kan zijn dat het tijdstip van uilzending nog niet helemaal in zicht, maar de intentie om uitgezonden te worden wel aanwezig is, wanneer men als net- of als nog-niet-eens-helemaal-afgestudeerde aan het instituut als medewerker wordt verbonden. Dit was het geval met »iet medewerkers, die sinds september 1964 het I.V.O. hebben verlaten en momenteel werkzaam zijn in Chili, Columbia, Peru en Mexico. Het kan ook 20 zijn, dat men met een uitzending in het vooruitzicht enige maanden ter voorbereiding op het instituut gaat werken, zoals drie assistent-deskundigen die thans in Columbia (2) en Kenya verblijven. Daarnaast wordt medewerking verleend aan de 14daagse voorbereidingskursus voor assistent-deskundigen, die kort voor het vertrek gegeven wordt in het Koninklijk Instituut voor de Tropen te Amsterdam. Naast de aktiviteiten ten behoeve van het onderwijs participeert het I.V.O. ook aan een onderwijsprojekt in ontwikkelingslanden. Dit betrttft de samenwerking tussen Tilburg, Nijmegen, NUFFIC en de Direktie Internationale Technische Hulp (D.T.H.) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken enerzijds en de Pontificia Universidad Catolica del Peru in Lima anderzijds. In het Tilburgs Hogeschoolblad en onder andere in „Tijdingen" van het Hoger Onderwijs Fonds (jaargang 6, nummer 6 en nummer 9, februari en mei 1965, pag. 7, nummer 6) werd hierover reeds eerder geschreven. Momenteel werken aan de sektie sociologie twee Tilburgse en twee Nijmeegse afgestudeerden, allen socioloog, en aan de sektie ontwikkelingseconomie zijn twee afgestudeerde economen van Tilburg verbonden. Voor een uitvoeriger berichtgeving en achtergrondinformatie uit de eerste hand zij verwezen naar de eerste nieuwsbrief van Dr. C. Bertholet, gepubliceerd in het Hogeschoolblad van november 1966, jaargang 3, nummer 10. Voorlichting Een strikte scheiding tussen onderwijs en voorlichting is niet te maken. Bovendien zijn zowel onderwijs als voorlichting, die niet door onderzoek worden gevoed, gedoemd op den duur steriel te worden. Dat het I.V.O. ook bij de voorlichting aan een breder publiek dan de hogeschoolbevolking betrokken is, zal niemand verbazen. De aktiviteiten op dit gebied, die uiteraard in de vrije tijd moeten geschieden, zijn menigvuldig en verscheiden. Dit hangt samen met het feit dat de behoefte aan voorlichting zo enorm groot is en tevens met het feit dat de maatschappelijke taak die een instituut als het I.V.O. kan worden toebedacht, door hoogleraar en medewerkers duidelijk wordt erkend, gezien en naar vermogen waar gemaakt.
i9
Omdat de meeste aktiviteiten op bet gebied van de voorlichting zich afspelen buiden de hogeschool en dus niet in de direkte interesse-sfeer van de lezers zullen vallen, en omdat de beschikbare ruimte niet onbeperkt is, wordt met een summiere opsomming volstaan. De voorlichtingen wordt gegeven in de vorm van: — lezingen, konferenties en inleidingen, ^ — publikaties in dag- en weekbladen en andere nietwetenschappelijke periodieken, : — artikelen in wetenschappelijke tijdschriften, — deelname aan kommissies en andere groepsvormingen rondom de ontwikkelingsvraagstukken. De lezingen etc. lopen uiteen van (bij wijze van voorbeeld) een inleiding voor de Society for International Development te Brussel, over „The evolution in the motivation of development assistance" (in het Nederlands gepubliceerd in. 10 jaar NOVIB, 10 jaar ontwikkelingshulp; ui tg. NOVIB, 1966) tot een verhaal over „De problemen der ontwikkelingslanden'' voor R.K.
10
jongeren uit de Middengroepen in Oisterwijk, 1.1, mei. Publikaties gaan over onderwerpen als „Problemen van volkshuisvesting in Columbia" (in: Volkshuisvesting, jaargang 18, nummer 11, november 1966) en de encycliek Populorum Progressio (bespreking in de „Volkskrant" van zaterdag 8 april 1967). Artikelen zijn onder andere verschenen in World Justice („Theories of economie growth: events and trends"; Vol. Ill, number 3, March 1966) en. in een „reading book" over The Church and Social Progress (Duties to developing countries"; uitg. Bruce, 1966). Van de kommissies etc. zij slechts vermeld de Werkgroep voor Ontwikkelingssamenwerking, een hogeschoolorgaan dat tripartiet -' is samengesteld uit hoogleraren, wetenschappelijke medewerkers ennïtudeaten. ^ Deze werkgroep, waaraan ook I.V.O.-medewerkers van harte hun medewerking verlenen, biedt voor de toekomst goede mogelijkheden tot een bredere en diepergaande betrokkenheid van de gehele hogeschool bij het probleem van arm en rijk, eeö' probleem dat ons allen aangaat en tok de belangrijkste bestaansreden vormt voor het Instituut voor Ontwikkelingsvraagstukken.
Mededelingen economische facuiteit In afwijking van hetgeen in de studiegids is vermeld ten aanzien van de uitslag van het propeüeucisch examen economische wetenschappen, zal de uitslag van het in juni 1967 gehouden propedeutisch examen niet vóór eind juli kunnen worden bekend gemaakt. Een en ander houdt verband met de vakantie begin juli van enige docenten die bij het examen betrokken zijn. Prof. Dr. H. W. ]. Botman, voorzitter examencommissie propedeutisch examen EXAMENS JUNI 1967 ECONOMISCHE FACULTEIT
EXAMENDATA
Op vrijdag 16 juni 1967 zal worden afgenomen het tentamen boekhouden v»ot accountancy t n boekhouden onderwijs.
september
Opgeven per tentamenkaart tot en met 2 juni 1967 Van 25 juni 1967 tot en met 3 juli 1967 zal worden afgenomen het candidaatsexamen economische wetenschappen. Opgeven voor het examen tot en met 2 juni 1967 bij dhr. Pijnenborg, administrateur Bureau Senaat. Het doctoraal examen in de economische' wéténlschappen zal worden afgenomen v.w.b. D I op 19 ea'-SO juni 1967 en v.w.b. D II op 27 en 28 juni 1967. Opgeven voor het examen tot en met 27 mei bij de administratie Bureau Senaat.
TENTAMENDATA PREKANDIDATEN ECONOMIE EN ECONOMETRIE 1967—1968 Aardrijkskunde vrijdag 21-7-1967: vrijdag 29-9-1967: vrijdag 19-1-1968:
Propedeutisch examen 11—15 september 1967 Kandidaatsexamens economie ' (ingeschreven vóór september 1966) ilia1314 1520-
9-1967 9-1967 9-1967 9-1967 9-1967 9-1967 9-1967
Sociale wijsbegeerte Financiewezen vande onderneming Geld-, krediet- en bankwezen Burgerlijk- en handelsrecht Organisatie van de onderneming Economische geschiedenis Algemene leer en geschiedenis van de economie.
Kandidaatsexamens econometrie (ingeschreven vóór september 1966) 4567-
Ie jaars 2e jaars 2e jaars
1967
Alléén voor hen die deelnemen aan het propedeutisch examen: 4- 9-1967: Wiskunde A en B 8- 9-1967: Boekhouden en handelstekenen
9-1967: 9-1967: 9'1«S7.: 9-1967:
Statistiek Algebra Analyse Inleiding electronische-rekenmachines
en verder zoals bij de economen
Geld-, krediet- en bankwezen donderdag 14-9-1967
Doctoraal I-examens 19 en 20 september 1967
Financiewezen van de onderneming zaterdag 18-11-1967
Doctoraal Il-examens 25 en 26 september 1967
Burgerlijk handelsrecht maandag 8-1-1968
december
Organisatie van de onderneming zaterdag 24-2-1968
1967
Kandidaatsexamens economie (ingeschreven vóór september 1966) 16-12-1967: Geld-, krediet- en bankwezen 18-12-1967: Sociale wijsbegeerte , 19-12-1967: Financiewezen van de onderneming 20-12-1967: Organisatie van de onderneming 21-12-1967: Economische geschiedenis • 3e jaars 22-12-1967: Burgerlijk- en handelsrecht 3e jaars 23-12-1967: Algemene leer en geschiedenis van de economie , 3e jaars
Algemene leer en geschiedenis van de economie zaterdag 11-5-1968 voor de econometristen: woensdag 19-6-1968: woensdag 3-6-1968: maandag 22-7-1968
Algebra UI Analyse III Statistiek III ;'
11
Kandidaatsexamens econometrie (ingeschreven vóór september 1966)
Propedeutische examens 17—20 juni 1968
12-12-1967: 13-12-1967: 14-12-1967: 15-12-1967:
Kandidaatsexamens economie (ingeschreven vóór september 1966) 17- 6-1968: Wijsbegeerte 18- 6-1968: Geld-, krediet- en bankwezen 19- 6-1968: Financiewezen van de onderneming 20- 6-1968: Organisatievan de onderneming 21- 6-1968: Economische geschiedenis 24- 6-1968: Burgerlijk- en handelsrecht 23- 6-1968: Algemene leer en geschiedenis van de economie
Inleiding electronische rekenmachines Analyse Algebra Statistiek
en verder zoals bij de economen Doctoraal I-examens 11 en 12 december 1967 Doctoraal U-examens 18 en 19 december 1967 j a n u a r i 1968 Pretentamen statistiek 9 1-1968: Ie jaars
Kandidaatsexamens econometrie (ingeschreven vóór september 1966)
Propedeutische examens 15—18 januari 1968
11- 6-1968: Inleiding electronische rekenmachines 12- 6-1968: Analyyse 13- 6-1968: Algebra 14- 6-1968: Statistiek en verder zoals bij de economen
8- 1-1968: 12- 1-1968:
Doctoraal I-examens 17 en 18 juni 1968
Wiskunde A en B Boekhouden en handelsrekenen
P a s e n . 1968 Kandidaatsexamens economie (ingeschreven vóór september 1966) 5689101112-
4-1968: 4-1968: 4-1968: 4-1968: 4-1968: 4-1968: 4-1968:
Sociale wijsbegeerte Geld-, krediet- en bankwezen Financiewezen van de onderneming Organisatie van de onderneming Economische geschiedenis Burgerlijk- en handelsrecht Algemene leer en geschiedenis van de economie
Kandidaatsexamens econometrie (ingeschreven vóór september 1966) 1234-
4-1968: 4-1968: 4-1968: 4-1968:
Inleiding electronische rekenmachines Analyse Algetal Statistiek
en verder zoals bij de economen Doctoraal I-examens 1 en 2 april 1968 Doctoraal U-examens 8 en 9 april 1968 Pretentamen economie 8- 4-1968: Ie jaars
Doctoraal ll-examens 24 en 25 juni 1968 Alléén voor hen die deelnemen aan het propedeutisch examen: september 9- 9-1968: 13- 9-1968:
1968 Wiskunde A en B Boekhouden en handelsrekenen
Propedeutische examens 17—20 september 1968 Kandidaatsexamens economie (ingeschreven vóór september 1966) 23- 9-1968: Sociale wijsbegeerte 24- 9-1968: Geld-, krediet- en bankwezen 2J- 9-1968: Financiewezen van de onderneming 26- 9-1968: Organisatie van de onderneming 27- 9-1968: Economische geschiedenis 30- 9-1968: Burgerlijk- en handelsrecht 1-10-1968: Algemene leer en geschiedenis van de economie Kandidaatsexamens econometrie (ingeschreven vóór september 1966)
Pretentamen geld-, krediet- en bankwezen 22- 4-1968: Ie jaars
17- 9-1968: Inleiding electronische rekenmachines 18- 9-1968: Analyse 19- 9-1968: Algebra 20- 9-1968: Statistiek en verder zoals bij de economen
z o m e r v a k a n t i e 1968 Alléén voor hen die deelnemen aan het propedeutisch examen:
Doctoraal I-examens 23 en 24 september 1968
10- 6-1968: 14- 6-1968:
Doctoraal U-examens 30 september en 1 oktober 1968
12
Wiskunde A en B Boekhouden en handelsrekenen
WIJZIGINGEN KANDIDAATSSTUDIE ECONOMEN EN ECONOMETRISTEN
De economische faculteit heeft besloten de volgende wijzigingen aan te brengen in de kandidaatsstudie voor economen en econometristen, geldend voor degenen die in september 1966 voor de eerste maal zijn ingeschreven. 1 Examenregeling Met ingang van het collegejaar 1967—1968 verloopt de studie voor het kandidaatsexamen nieuwe regeling zowel voor economen als voor econometristen in twee fasen. De eerste fase wordt afgesloten met een viertal tentamens aan het einde van het tweede studiejaar. Deze tentamens kunnen vrijstellend worden afgelegd. De tweede fase wordt besloten met het eigenlijke kandidaatsexamen aan het einde van het derde studiejaar. Het vak aardrijkskunde wordt voor het kandidaatsexamen economie in principe afgelegd in juli van het eerste studiejaar. Het eerste onderdeel van het kandidaatsexamen af te leggen aan het einde van het tweede studiejaar, omvat zowel voor economen als econometristen de vakken: Sociale wijsbegeerte. Economische geschiedenis. Geld-, krediet- en bankwezen. Algemene leer en geschiedenis van de economie. Voor de econometristen wordt tevens geëxamineerd in de vakken wiskunde en statistiek. Voor het onderdeel wiskunde wordt in de Kerst- en Paasvakantie een préexamen afgenomen. Het gemiddelde van de twee préexamens wordt als examencijfer in het kandidaatsexamen opgenomen. De colleges voor het vak statistiek beginnen na de Kerstvakantie. In de Paasvakantie wordt voor het vak statistiek een pré-tentamen afgenomen. De eerste fase van het kandidaatsexamen nieuwe regeling wordt afgesloten in juni 1968 op de volgende data: 1 juni 1968: Algemene leer en geschiedenis van de economie. S juni 1968 Geld,- krediet- en bankwezen. 8 juni 1968 Sociale wijsbegeerte 12 juni 1968 Economische geschiedenis.
Het eigenlijke kandidaatsexamen af te leggen aan het einde van het derde studiejaar omvat de vakken: a. voor de economen: Financiewezen van de onderneming. Organisatie van de onderneming. Burgerlijk- en handelsrecht; b. voor de econometristen: Financiewezen van de onderneming. Organisatie van de onderneming. Burgerlijk- en handelsrecht, ' Inleiding electronische rekenmachines. Wiskunde, Statistiek. 2 Overgangsbepaling Degenen die in januari 1967 het propedeutisch examen met goed gevolg hebben afgelegd, volgen het kandidaatsexamen oude regeling (schriftelijke tentamen). Degenen die in januari 1967 voor het propedeutisch examen zijn afgewezen en in juni 1967 hiervoor slagen, kunnen kiezen tussen de oude of nieuwe regeling voor het kandidaetsexamen. Indien zij de oude regeling kiezen worden de tentamens Economische geschiedenis en Sociale wijsbegeerte in het kandidaatsexamen opgenomen, daar deze tentamens reeds zijn afgenomen voordat de uitslag van het propedeutisch examen bekend is. 3 Regeling kandidaatsexamen Opgave tot deelneming aan het examen dient te geschieden via een op de administratie te verkrijgen formulier, tot uiterlijk drie weken vóór de examendatum. De organisatie voor het afnemen van de schriftelijke examens komt overeen met die van het propedeutisch examen. 4 Scripties en stages Voor de prékandidaten nieuwe regeling geldt, dat zij in één der vakken van het kandidaatsexamen een scriptie (of stageverslag) dienen in te leveren. Verder kan naast deze scriptie worden volstaan met het schrijven van een tweetal korte notities voor één der andere vakken onder leiding van de betrokken hoogleraar of diens assistent. 5 Protocol uitreiking kandidaatsdiplomds Deze komt overeen met de procedure zoals vermeld voor de kandidaatsexamens oude regeling.
EXCURSIE BERLIJN Voor doctoraal studenten in de bedrijfseconomische richting organiseert de T.E.F, van S tot 14 oktober a.s. een excursie naar Berlijn, alwaar de „Deutsche Gesellschaft für Betriebswirtschaft" haar 21e „BetriebswirtschafterTag" zal houden met als thema: „Stabilitat durch betriebliche Elastizitat". De lezingen zullen handelen over: investeren en financieren, concurrentieproblemen, organisatie en planning, fiscale problemen. Daarnaast zullen onder andere enige bedrijven bezocht worden. Prof. Dr. J. A. Geertman heeft zich bereid verklaard de studenten op deze excursie te vergezellen. De aan deze excursie verbonden kosten zullen op een later tijdstip bekend gemaakt worden. Opgave dient te geschieden bij het T.E.F.-bestuur, donderdags tussen 13.00 en 14.00 uur op het „Eigen Huis". Voor het T.E.F.-bestuur, P. ƒ. M. L. Tieleman, h.t. assessor
13
Mededelingen sociale faculteit EXAMENDATA Het propedeutisch examen in de sociale wetenschappen zal worden afgenomen van 19 tot en met 24 juni e.k. 19 juni: 20 juni: 21 juni:
22 juni:
Statistiek. Inleiding Sociale wetenschappen (oude regeling). Algemene sociologie (nieuwe regeling). Wijsbegeerte (Loeff. Breek) (oude regeling). Wijsbegeerte (Plattel) (nieuwe regeling). Inleiding Rechtswetenschappen.
Opgeven voor dit examen per tentamenkaart tot en met 26 mei 1967. U gelieve duidelijk aan te geven of het examen volgens de „oude regeling" of volgens de „nieuwe regeling" zal worden afgelegd. Het kandidaatsexamen I sociale wetenschappen zal worden afgenomen van 19 tot en met 23 juni e.k. 19 20 21 22
juni: juni: juni: juni:
Sociraal recht. Wijsbegeerte. Economie Geschiedenis.
De uitslag van het examen is bepaald op 26 juni e.k.
Opgeven voor dit examen tot en met 26 mei 1967 bij dhr. Pijnenborg, administrateur Bureau Senaat. In de week van 19 tot en met 23 juni 1967 zal het kandidaatsexamen II sociale wetenschappen worden afgenomen (oude regeling). Opgeven voor dit examen tot en met 26 mei 1967 bij de administratie Bureau Senaat. VOORDRACHT Op donderdag 29 juni a.s. om 4 uur des namiddags zal Prof. Dr. Gerhart Saenger, verbonden aan de New York University, een voordracht houden over „Crosscultural research in mental illness; some methodological problems in epidemological research". Prof. Dr. Saenger onderhoudt reeds enkele jaren intensief wetenschappelijk contact met de leiding van bet Nationale Onderzoek Geestelijk Gehandicapten, dat door het I.V.A. wordt uitgevoerd. De docenten, de wetenschappelijke medewerkers en de studenten worden opgewekt deze boeiende voordracht van Prof. Saenger te komen aanhoren. De voordracht zal worden gehouden in lokaal C 4. De discussie zal in het Nederlands kunnen plaatsvinden. De secretaris van de Sociale Faculteit, Prof. Dr. J. Godefroy
Mededelingen Juridische faculteit EXAMENDATA
MEDEDELING J.F.V.T.
In de week van 26 tot en met 30 juni e.k. zullen de kandidaatsexamens I voor juristen worden afgenomen. Persoonlijk opgeven tot en met 2 juni 1967 bij dhr. Pijnenborg, administrateur Bureau Senaat.
De Vereniging van Juridische Studenten in Nederland heeft de organisatie van het Landelijk Juridisch Studentencongres 1968 toegewezen aan Tilburg en heeft hiertoe op voordracht van de Juridische FaculteitsVereniging Tilburg de Congrescommissie benoemd die als volgt is samengesteld:
In de week van 19 tot en met 23 juni e.k. zullen de kandidaatsexamens II voor juristen worden afgenomen Persoonlijk opgeven tot en met 2 juni 1967 bij dhr. Pijnenborg, administrateur Bureau Senaat. In de week van 19 tot en met 23 juni e.k. zullen de tentamens voor het doctoraal examen I rechtswetenschappen worden afgenomen. Opgeven per tentamentkaart tot en met 9 juni 1967. In de week van 3 tot en met 7 juli e.k. zullen de doctoraal examens I voor juristen worden afgenomen. Persoonlijk opgeven tot en met 9 juni 1967 bij de administratie Bureau Senaat.
14
P. A. W. Groot, praeses. D C. M. F. E. Denneman, vice-praeses. J. M. A. M. de Wit, abactis. J. A. M. van Keulen, quaestor. P. J. P. Tak, coördinator.
Voor het bestuur van het J.F.V.T., H. G. Af. Krabbe, h.t. abactis
Mededelingen theologische faculteit Het Curatorium van de Stichting Theologische Faculteit te Tilburg heeft benoemd tot gewoon hoogleraar:
schappelijk Instituut voor Theologie te Tilburg, voor de exegese (Nieuwe Testament).
dr. mag. A. H. Smits, docent aan het Gemeenschappelijk Instituut voor Theologie te Tilburg, voor de theologie (christologie) \
Hiermede zijn de eerste vier docenten benoemd voor de theologische faculteit, die, zoals bekend, in september van dit jaar met haar opleidingen zal beginnen. Over de nog volgende benoemingen hoop ik u in de komende weken in te lichten.
dr. H. J. Lescrauwaet, docent aan het Gemeenschappelijk Instituut voor Theologie te Tilburg, voor de theologie (ecclesiologie); dr. C. H. W. Brekelmans, lector aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen, voor de exegese (Oude Testament) ; dr. G. Bouwman, docent en rector aan het Gemeen-
De benoemingen geschieden op voordracht van een onafhankelijke commissie van deskundigen, die niet verbonden zijn aan een van de participerende instellingen (de bisdommen Den Bosch en Breda en de in het G.l.T. samenwerkende kloosterorden en congregaties) en na ingewonnen advies van de zusterfaculteiten.
Algemene mededelingen GESLAAGDEN Doctoraal examen sociale wetenschappen 2J april 1967: W. P. Admiraal, Breda 3 mei 1967: H. J. M. v. d. Braak, 's-Hertogenbosch Doctoraal examen jiscaal-juridische studierichting 23 mei 1967: G. van Schagen, Wolpaartsdijk 30 mei 1967: Th. J. Korthof, Voorschoten Candidaatsexamen rechtswetenschappen 14 april 1967: P. M. M. van Poppel, Etten 14 april 1967: C. M. P. Manders, Nijmegen Candidaatsexamen economische wetenschappen 11 april 1967: J. M. Kolkman, Utrecht
INSCHRIJVING HOGESCHOOL Met ingang van het collegejaar 1967—1968 is de inschrijvingsprocedure zowel voor de eerstejaars als voor de ouderejaars studenten aanmerkelijk gewijzigd. Rond
9 juni a.s. worden de nieuwe inschrijvingsformulieren naar uw studie-adres verzonden. U wordt verzocht alvorens de inschrijfformulieren in te vullen eerst de aanwijzingen en toelichtingen goed te lezen. Inzending van de inschrijfformulieren zoals in voorafgaande jaren is niet meer mogelijk. De betaling van het college- en/of inschrijfgeld dient vóór 1 september a.s. te geschieden. Op donderdag 21 september of op vrijdag 22 september a.s. al naargelang de voor u aangegeven tijd dient u zich persoonlijk te melden in het hogeschoolgebouw met alle vereiste formulieren en bescheiden. Na doorlichting ter plaatse wordt u ingeschreven en ontvangt u de collegekaart 1967—1968. Zij die in het genot zijn gesteld van een rijksstudietoelage zullen op vertoon van hun collegekaart en betreffende beschikking direkt na inschrijving hun cheque in ontvangst kunnen nemen. Collegebezoek zonder ingeschreven te zijn is niet mogelijk. Direkt na de aanvang van de colleges in oktober zal hierop worden toegezien. Hoofd Bureau van de Senaat, ƒ. ƒ. Af. de Bont
15
Studiereis naar de Sovjet-Unie Temidden van de vele contacten tussen Oost en West nemen die der studenten een zeer speciale plaats in. Waar de politieke contacten zorgvuldig manoeuvreren, de economische gericht zijn op economisch voordeel, de wetenschappelijke op het uitwisselen van kennis, zijn de studentencontacten op een geheel ander niveau te plaatsen. Zij zijn in eerste instantie gericht op het kennisnemen van elkaar, eikaars levensomstandigheden, ideeën en opinies. Vele studenten in West-Europa realiseren zich dat aan beide zijden van het IJzeren Gordijn vele vooroordelen over elkaar bestaan. Een oordeel te hebben over de ander is niet onjuist, mits dit oordeel gefundeerd is. Om te bepalen of het eigen oordeel een vooroordeel is, vraagt intensieve studie of persoonlijke ervaring. Het moet sterk afgeraden worden, dat studenten uit het Westen hun Oostelijke collega's in eerste instantie tegemoet treden als vertegenwoordigers van een ideologie, politiek of levenswijze, daarmee zichzelf a priori opstellend tegenover de ander. Vcor een zinvolle ontmoeting is het noodzakelijk, dat men open staat voor eikaars opinies, elkaar gegevens verstrekt omtrent de werkelijke en de inmiddels achterhaalde feiten en omtrent de sociale, economische en culturele ontwikkelingen in eikaars landen, gegevens dus, die misverstanden kunnen wegnemen en waaraan vooringenomen meningen kunnen worden getoetst. Bij de contacten met studenten in de Sovjet-Unie dienen we ons wel bewust te zijn van de beperkte speelruimte die deze t.a.v. Oost-West-zaken hebben. De student in de Sovjet-Unie mist op politiek-maatschappelijk terrein het compromissieve van zijn Westerse collega. Om in deze zin optimale resultaten te kunnen boeken bij studiereizen is het een vereiste, dat deze een algemeen oriënterend karakter dragen, waarbij de toeristische kant op de achtergrond moet blijven. Voor deelnemers aan deze studiereis is een diepgaande voorbereiding een conditio sine qua non. Via deze studiereizen worden groeperingen samengebracht, waarvan de leden later op posities zullen zijn gekomen, waar het van groot belang is, dat zij een genuanceerd oordeel over de ander hebben. Op langere termijn kan dit een normalisering van de betrekkingen tot gevolg hebben, die niet verwaarloosd dient te worden. Uf$; S.I.B. Gezien de belangstelling, die er onder de Tilburgse studenten bestaat voor de economische, sociale en wetenschappelijke ontwikkelingen in de Sovjet-Unie, hebben de P.S.V. „De Tribune" en de S.I.B. afdeling Tilburg het plan opgevat om in de zomer een studiereis naar dit land te maken. Maximaal 30 doctoraal-studenten (economen, juristen en sociologen) kunnen deelnemen aan deze reis, die van 2} augustus tot en met 8 september is gepland. Deze groep zal onder leiding staan van de professoren Dr. H. W. J. Bosman, Dr. M. B. Plattel, Dr. J. A. Geertman en Jhr. Dr. F. A. M. Alting von Geusau, alsmede de wetenschappelijke medewerker Drs. W. Boerboom. De kosten van deze twee weken durende studiereis naar Rusland bedragen ƒ 400,—. De voorwaarden om deel te nemen zijn: a. doctoraal-student; b. bezoeken van werkcolleges; c. beheersen van de Duitse taal. Het voorlopig programma luidt als volgt: 2} augustus: Vertrek per vliegtuig naar Moskou. Bezoeken aan: planbureau, afdeling investeringen; planologische dienst; Moskouse Studenten Raad; Lomonossov Universiteit en economische faculteit, waar professor Leontjef een lezing zal houden over
16
Informatie-bulletin
de prijsvorming in de Sovjet-Unie; Russische arbeidsorganisatie met lezing over het vakbondswezen; bureau van de Comecon; gedachtenwisseling over de E.E.G.-Comecon ? auto- en textielfabriek (bedrijf op basis van het winst-principe). 3 september: Per vliegtuig van Moskou naar Charkow. Bezoeken aan: Economisch Instituut, waar Prof. Liberman waarschijnlijk een lezing zal houden; machinefabrieken om een inzicht te krijgen in de organisatorische en maatschappelijke positie van de arbeiders. 5 september: Per trein naar Saparosje. Hier is een nieuw staalproject in ontwikkeling. 7 september: Per vliegtuig naar Moskou. 8 september: Per vliegtuig terug naar Amsterdam. Diegenen, die belangstelling hebben, dienen zich zo snel mogelijk op te geven bij J. Heimer, Lovensestraat 78, Tilburg. De inschrijving dient vergezeld te gaan van een eerste storting ad ƒ 2J,—.
SCHEMA VAN DE WERKCOLLEGES IN VERBAND MET DE STUDIEREIS NAAR DE SOVJET-UNIE 7 juni: 12.00—13.15 uur C.5 Prof. Jhr. Dr. F. A. M. Alting von Geusau. Onderwerp: De Sovjet-Unie in de internationale betrekkingen. Literatuur: Raadpleeg de laatste jaargangen van de tijdschriften: „Oost-West", „Internationale Spectator" en „Ausenpolitik". 12 juni: 10.00—12.00 uur C.5 Prof. Dr. H. F. J. M. van den Eerenbeemt. Onderwerp: Ontwikkeling in de maatschappelijke verhoudingen in de Sovjet-Unie, waarbij ook aandacht wordt besteed aan oorzaken en verloop van de oktober-revolutie. Literatuur: Wordt 7 juni uitgereikt. 14.00—16.00 uur C.5 Prof. Dr. M. G. Piattel. Onderwerp: Het dialectisch en historisch materialisme. Literatuur: Het dialectische materialisme, uit: „Korte geschiedenis van de Communistische Partij van Bolsjewieken". 13 juni: 10.00—11.00 uur C.5 Mr. F. H. van der Burg. Onderwerp: Vergelijking van de hoofdtrekken van het Westers staatsrecht t.o.v. het staatsbestel in de Sovjet-Unie. 11.00—12.00 uur Dr. O. Kuschpeta.
Onderwerp: Grondprincipes van het staatsbestel en de politieke en administratieve opbouw van de Sovjet-Unie. 14.00—16.00 uur C.5 Prof. Dr. D. B. J. Schouten. Onderwerp: Kritische beschouwing van het model van Marx. Literatuur: Hoofdstuk hierover in „Exacte Economie" van Prof. Dr. D. B. J. Schouten. 14 juni: 10.00—11.00 uur C.5 Drs. O. Kuschpeta. Onderwerp: De economische theorie in en praktijk van de Sovjet-Unie. 11.00—12.00 uur Prof. Dr. J. A. Geertman. Onderwerp: Planning en buitenlandse handel van ed Sovjet-Unie. Literatuur: Verslag van het Euro-Economie-Congres te Tilburg 1965 (te verkrijgen in het magazijn ad ƒ 3 , 5 0 ) . Speciaal hieruit: artikelen van Karlsson en Leontiev. „De handel met Oost-Europa" van Prof. Dr. J. A. Geertman in maandblad „Economie". 14.00—15.00 uur C.5 Het voorlopig formeren van de groep. Het bespreken van organisatorische en praktische problemen. Gelegenheid tot het inwinnen van uitgebreidere informaties. 15.00—16.30 uur Colloquim, naar aanleiding van de werkcolleges.
17
Studiebeurzen INDIA De regering van India stelt twee studiebeurzen beschikbaar voor Nederlandse studenten of jonge afgestudeerden, die gedurende ten hoogste twee jaar studie of wetenschappelijk onderzoek willen verrichten aan een universiteit of andere wetenschapsinstelling in India. Deze beurzen zijn bedoeld voor de akademische jaren 1967—1968 en 1968—1969. Het akademisch jaar in India begint in juli. De beurzen zijn bestemd voor personen die tenminste het kandidaatsexamen hebben afgelegd en een behoorlijke kennis van de Engelse taal bezitten. Bovendien dient een bewijs van gezondheid te worden overgelegd. De beurzen omvatten: a. een maandelijkse toelage voor levensonderhoud ten bedrage van Rs. 250 of Rs. 450, afhankelijk van de kwalificaties van de beurshouder; b. college- en examengelden; c. kosten van noodzakelijk geachte geneeskundige behandeling; d. een tegemoetkoming in de kosten van studiereizen in India, die noodzakelijk zijn in het kader van het studieprogramma; e. een toelage van tenhoogste Rs. 300 per jaar voor studieboeken, benodigde apparatuur of instrumenten. De reiskosten Nederland—India v.v. komen in beginsel voor rekening van de beurshouder, doch zo nodig kan diegene aan wie een beurs is toegekend, een aanvraag voor een tegemoetkoming in de reiskosten indienen bij dit ministerie. Aanvragen voor deze beurzen kunnen worden ingediend tot uiterlijk 9 juni a.s. bij de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. Men wordt verzocht in de aanvraag de volgende gegevens te verstrekken: naam en voornamen, geboorteplaats en -datum, studie- en vakantie-adres met het telefoonnummer, talenkennis, verrichte studie en afgelegde examens. Tevens moet bij de aanvraag worden overgelegd een zo uitvoerig mogelijke omschrijving, in
18
de Engelse taal, van het beoogde studieprogramma met vermelding van de gewenste universiteit of instelling in India waar men wil studeren en zo mogelijk met vermelding van de hoogleraar onder wiens leiding men de studie wil verrichten. Aanbevelingen, in viervoud, bij voorkeur gesteld in de Engelse taal, van twee bij de studie betrokken hoogleraren in Nederland, dienen eveneens te worden ingediend, alsmede een recente pasfoto. Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Mej. Mr. E. Talsma • TURKIJE Hierdoor deel ik u mede, dat de Turkse regering twee studiebeurzen beschikbaar stelt voor Nederlandse studenten of jonge afgestudeerden die hun studie gedurende het akademische jaar 1967—1968 willen voortzetten aan een universiteit of hogeschool in Turkije. De beurzen gaan in op 1 oktober 1967, hebben een duur van acht maanden en bedragen 800 Turkse ponden per maand. De beurshouders kunnen in beginsel gebruik maken van de voor de Turkse studenten bestaande voorzieningen voor onderdak en maaltijden. Voor deze beurzen kunnen in aanmerking komen gevorderde studenten, die tenminste het kandidaatsexamen hebben afgelegd en afgestudeerden, die niet ouder zijn dan 35 jaar. De Turkse autoriteiten geven de voorkeur aan beurskandidaten met een studie-onderwerp dat betrekking heeft op Turkije (geschiedenis, taal- en letterkunde, aardrijkskunde, archeologie, kunsten, landbouw, economie). Aanvragen voor deze beurzen moeten vóór 22 mei 1967 worden ingediend bij de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van dit ministerie. Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. Aanvraagformulieren zijn bij deze afdeling verkrijgbaar. Bij de aanvraag moeten worden gevoegd: gewaarmerkte afschriften of foto-copieën van behaalde diploma's, een gezondheidsverklaring, drie pasfoto's, aanbevelingen van twee bij de studie in Nederland betrokken hoogleraren, bij voorkeur gesteld in de Engelse of Franse taal. Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Mej. Mr. E. Talsma
CONFERENCE ON THE ATLANTIC COMMUNITY The Student Councils of Georgetown University will sponsor an international student Conference on the Atlantic Community (CONTAC) from November 10 to 15, 1967, at Georgetown University, Washington, D.C. CONTAC is a student effort to fill a void in communication among the students of the Atlantic nations, and will bring together one hundred American, Canadian, and European undergraduate students to discuss the problems and direction of the Atlantic Community. The core of CONTAC '67 will be nine seminars which will meet eight times during the Conference. Each delegate will be asked to prepare a ten to fifteen page paper on a topic relating to the seminar of his choice. These papers will then serve as the basis for seminar discussion. Four major addresses and a panel discussion by prominent academic and government experts will enhance the student's understanding of the subjects discussed. Other activities will include a welcoming banquet, a diplomatic reception, an evening social and a tour of Washington which may include a briefing at the Department of State. Members of government agencies and foreign diplomatic missions will participate as seminar advisors. The purpose of CONTAC '65 was to bring together students from the nations of the Atlantic Community to exchange their views on the complex problems facing their nations. The students of Georgetown University, with the moral support and invaluable assistance of the faculty, the administration, and the student councils, then worked to bring the Conference into realization, raising the considerable sum needed for the Conference, contacting government officials and members of the academic and diplomatic community to serve as speakers and seminar experts, and planning the various facets of the program. The result was CONTAC '65. Each school invited may nominate one or two delegates and one observer. Each delegate will be required to present a paper and participate actively in all seminar discussions. Observers will be allowed to attend all the functions of the Conference but for purposes of orderly discussion, will not have full seminar discussion privi-
leges. A registration fee of forty dollars will be required for each delegate and observer. This fee will include room and board, access to all Conference activities and publications and the use of all necessary University facilities. At the present we have no available funds for travel grants but we are trying to arrange some type of assistance. If there is any change in this situation we will notify you immediately. Even if it is impossible to send a delegate without financial assistance but you ate interested in being represented please notify us in this regard. Also, if any students from your University will be studying in America and might wish to participate in the Conference, please let us know so we can contact them. P.S.: Voor nadere inlichtingen en inschrijfformulieren kontakt opnemen met Bureau Studentenbelangen.
•
Personeel KORTINGSREGELING Aan de adreslij st voor de kortingsregeling voor personeel van de hogeschool kunnen de volgende adressen worden toegevoegd: Spijkers' Huishoudcentrale, Piushaven 31, Tilburg: 15 % korting op wasmachines, naaimachines, huishoudelijke artikelen, radio, televisie en koelkasten; 10 a 12i/> % korting op bepaalde gasartikelen. Smits' Schoenen, Heuvelstraat 54, Tilburg: 5 % korting op dames- en herenschoenen. Voorts kan men via de heer Kuypers in het bezit komen van een introductiekaart, waarmede 15 % korting kan worden verkregen bij een groothandel in vloerbedekking, gordijnstoffen en matrassen.
19