Tilburgs Hogeschoolblad jaargang 4
•
maandblad
Redactie: F. Th. M. de Charro P. f. M. L. Tieleman L. M. Moerings B. M. f. Pauw
immer 4
april 1967
ƒ. ƒ. M. de Bont (Hoofd Bureau Senaat) Redactie-adres: Hogeschoollaan 225, Tilburg
Op Paaszaterdag is te Tilburg overleden Mr. Dr. B. J. M. V A N S P A E N D O N C K , oud-secretaris van curatoren, oud-curator en doctor van onze hogeschool.
ere-
In het volgend nummer zal een In Memoriam geplaatst worden.
Functie, taken en organisatie van de Academische Raad Het is de bedoeling dat deze raad een schakel vormt zowel tussen de Nederlandse universiteiten en hogescholen onderling als tussen deze instellingen en de maatschappij. De raad dient een doelmatige samenwerking tussen de instellingen alsmede de aanpassing van het wetenschappelijk onderwijs aan de ontwikkeling van de wetenschap en aan de behoeften van de maatschappij te bevorderen. Hiermede heeft de raad, waaraan in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs de artikelen 5 tot en met 14 zijn gewijd, een opdracht gekregen waarbij hij zelf initiatieven kan en moet nemen. Functie en taken De taken, welke uit deze opdracht kunnen voortvloeien, zijn vele en velerlei. Mede in verband met zijn functie als adviesorgaan van de Regering, heeft de raad zich tot dusverre ervan onthouden, anders dan in de vorm van de publikatie Tan rapporten van zijn jaarverslagen veel ruchtbaarheid te geven aan zijn werkzaamheden. Een ander zeer belangrijk punt dat in de Wet is aangegeven, beeft betrekking op de ontwikkelingsplannen die de instellingen voor wetenschappelijk onderwijs eenmaal per vier jaren moeten maken voor het onderwijs en de beoefening der wetenschap aan de universiteit of hogeschool. De raad beschouwt deze ontwikkelingsplannen in onderling verband en brengt zijn oordeel aan de betrokken ministers ter kennis. Samenstelling Om de aan hem opgedragen taken te kunnen vervullen is de raad samengesteld uit een door de Kroon benoemde voorzitter, tevens lid, twee leden voor elk der Nederlandse universiteiten en hogescholen benevens ten hoogste tien door de Kroon benoemde leden. De leden stemmen zonder last of ruggespraak. De voorbereiding van het werk van de raad en de uitvoering van zijn besluiten ligt in handen van een uit zijn midden gekozen Dagelijkse Raad, bestaande uit ten hoogste negen leden, onder wie de voorzitter en de vice-voorzitter van de raad. De Kroon benoemt de secretaris, die mede belast is met de leiding van het bureau van de raad. Organisatie Om de taken op het gebied van onderwijs en onderzoek goed te kunnen vervullen werden deze naar hun aard verdeeld onder vijf vaste, zg. wetenschapscommissies: technische wetenschappen, geesteswetenschappen, wetenschappen van het leven. Daarnaast werd een aantal vaste commissies gevormd voor het werk op een bepaald afgebakend terrein: internationale zaken, doceren en studeren, statistisch onderzoek, studentenaangelegenheden. Een commissie waarvan de instelling door de Wet is verplicht gesteld, namelijk die voor algemene vraagstukken van wetenschappelijk onderzoek, werd uiteraard ook een ,.vaste" commissie. Voor bijzondere taken werden enige: commissies ad hoc en werkgroepen ingesteld.
2
Een groot d e d van hetgeen de raad doet ligt in handen van secties die niet alleen hun deel in het eigenlijke werk van de raad hebben, maar die tevens het milieu bieden voor het interuniversitair contact tussen vakgenoten, dat van essentieel belang is. Zowel voor commissies en secties geldt, dat hen zo groot mogelijke vrijheid wordt gelaten in het onderhouden van informatieve contacten, het in behandeling nemen van vraagstukken en het regelen van hun werkwijze. Aan hun zelfwerkzaamheid wordt veel waarde gehecht. Het werk van de raad Een belangrijk deel van de aandacht van de raad — d.w.z. van de gehele organisatie — was en is gewijd aan de beoordeling van de ontwikkelingsplannen en aan vraagstukken betreffende de structuur en het functioneren van het wetenschappelijk onderwijs; de herzieningen van het academisch statuut als onderdeel daarbij begrepen. In de jaarverslagen van de raad is over activiteiten op deze gebieden het een en ander gezegd. Behalve met deze zaken die zeer veel aandacht vroegen, heeft in de jaren 1962 tot en met 1966 de Academische Raad zich nog met tal van andere onderwerpen beziggehouden. Ten dele zijn zij nog in het kader van de raad in discussie. Hieronder volgt een opsomming in de volgorde waarin zij bij de raad in behandeling kwamen: In 1963 werd geadviseerd omtrent het in N.A.V.Ol verband uitgewerkte plan voor oprichting van een „international institute of science and technology". Eveneens werd geadviseerd omtrent plannen tot oprichting van een Europese universiteit te Florence. Door de Koninklijke Akademie van Wetenschappen onder de aandacht van de raad gebrachte bezwaren tegen bestaande stelsel van aanwijzing van deelnemers aan wetenschappelijke bijeenkomsten in het buitenland en tegen de bestaande divergentie op het punt van velgoedingen voor reis- en verblijfkosten, leidden tot adviezen aan de instellingen. De raad gaf in 1963 zijn oordeel over de nota „de technische hogeschool Twente als campushogeschool". In november 1964 presenteerde de Commissie voor statistisch onderzoek haar vooruitberekeningen betreffende de aantallen (eerstejaars) studenten tot 1970, nadat dit was herzien op grond van opmerkingen, gemaakt door de terzake geraadpleegde universiteiten en hogescholen. D e raad voorzag het rapport in 1965 van relativerend commentaar. De commissie rapporteerde eveneens over de verwachte behoefte aan artsen en de vooruitzichten met betrekkin! tot het aantal eerstejaars studenten geneeskunde tot 1982. Nadat de raad het rapport spoedshalve dadelijk had doorgezonden aan de minister, heeft hij in 1966 bedenkingen ten aanzien van de uitgevoerde vooruitberekeningen onder de aandacht van de ministei gebracht.
Op verzoek van de toenmalige minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen stelden de Koninklijke Akademie voor Wetenschappen en de Academische Raad tezamen een commissie ia voor de bestudering van het vraagstuk van emigratie van geleerden. Het rapport van de commissie nadert zijn voltooiing. In 1964 bracht de raad advi« uit over de ontwerpregeling voor de uitwerking van artikel i6 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (interuniversitaire instituten). De raad adviseerde in 1964 omtrent de invoering van de universitaire studie in de belastingwetenschap en inzake de status van het Institute of social studies. Voorts kwamen voor het eerst aan de orde: het vraagstuk van het post-academisch onderwijs (waarover binnenkort een aantal beginseluitspraken van de raad de minister zullen bereiken), de toelating van h.t.s.-ers tot de technische hogeschool en bezwaren tegen de afremming van de belangstelling voor de studie in verschillende studierichtingen van de faculteit dei letteren. In 1965 kwamen de volgende verspreide onderwerpen voor het eerst of in een gevorderd stadium van behandeling ter tafel: * instelling van een commissie ad hoc voor het doen van voorstellen inzake de organisatie van de opleiding in de planologie. De commissie heeft gerapporteerd, het oordeel van de betrokken secties is gevraagd, het rapport zal in 1967 door de raad worden behandeld; * instelling van een commissie ad hoc voor een onderzoek naar mogelijkheden van en middelen tot bevordering van de samenwerking op het gebied van het maatschappijwetenschappelijk onderzoek, gericht op niet-westerse gebieden. De commissie heeft gerapporteerd. De raad nam haar aanbevelingen over. Als laatste daad van bemoeiing van de raad zijn de belangstellende instellingen uitgenodigd tot het bijwonen van een eerste bijeenkomst, als uitgangspunt voor verder overleg tussen die instellingen zelf;
Andere — niet eerder genoemde •*rr>*nderwerpen, waaraan de Academische Raad aandacht schonk in 1965 en 1966 zijn: huisvesting van personeel van universiteiten en hogescholen; Invoering van bestuurswetenschappelijke richtingen in drie faculteiten (nog in behandeling); opneming van de rechtssociologie als vak in het studieprogramma van de faculteit der rechtsgeleerdheid (nog in behandeling); het midden- en kleinbedrijf als object van wetenschappelijk onderwijs en -onderzoek (advies uitgebracht); instelling van een afdeling bouwkunde aan de T.H. te Eindhoven (advies uitgebracht); Nederlandse deelneming aan de oprichting van een „Northern Europe university computing centre" (advies uitgebracht); financiering van leeronderzoeken van studenten in de culturele antropologie, de sociologie der niet-westerse volkeren en de sociale geografie (advies uitgebracht); rapport Maréchal intake problemen met betrekking tot het fundamenteel-wetenschappelijk onderzoek (advies uitgebracht); het wetsontwerp „medische faculteit te Rotterdam" (advies uitgebracht); rapport van de Commissie universitaire studie lichamelijke opvoeding (nog in behandeling); rapport van de Commissie Pruyt/Mey over onderwijs en onderzoek inzake de leiding van bedrijven en instellingen (nog in behandeling); wetsontwerp beperking inschrijving studenten in de geneeskunde (advies uitgebracht); verlening van financiële steun aan promovendi (nog in behandeling); ontwerp-wet tot herziening van de auteurswet 1912 (advies uitgebracht);
* de raad adviseerde omtrent het instellen van een advies-instantie voor de minister op het gebied van de voorziening der instellingen met en de aanschaffing van moderne rekenapparatuur;
ontwerp-regeling ter uitvoering van de wet instelling medische faculteit te Rotterdam (advies uitgebracht); herziening van de opbouw van de medische studie (nog in behandeling);
* spoedshalve adviseerde de dagelijkse raad inzake plannen tot samenwerking in Europees verband op het gebied van het fundamenteel biologisch onderzoek en over het oprichten van een Nederlands archeologisch centrum in Athene;
toelating van de abituriënten h.b.s. tot de examens in de faculteit der rechtsgeleerdheid (advies uitgebracht).
* eveneens werden adviezen uitgebracht over het ontwerp voor een wettelijke regeling van de positie der academische ziekenhuizen bij de openbare universiteiten, alsmede over de inpassing van de regeling van het wetenschappelijk landbouwonderwijs in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs.
Uit het bovenstaande blijkt niet alleen hoe uiteenlopend de vraagstukken zijn waarvoor de instellingen van wetenschappelijk onderwijs heden ten dage een oordeel moeten uitspreken, maar ook hoe onmisbaar interuniversitaire samenwerking is. (Genomen uit: „Uitleg", weekblad van het Departement van Onderwijs en Wetenschappen of. 61.)
3
ACADEMISCHE RAAD Schema van c/e organisatie per 31 december 1965
de K r o o n j landbouw
listers, v a n o n d e r w i j s en w e t e n s c h a p p e n / visserij, universiteiten e n hogescholen
A.R. adviseert desgevraagd of eigener b e w e g i n g ; verplicht v.z.v. b e t r e f t o n t w i k k e l i n g s p l a n n e n e n academisch statuut Instellingen
R.U. Leiden
Academische Raad (A.R.)
^ "
R.U. G r o n i n g e n
I
A
Ti
Dagelijkse Raad (D.R.)
voorzitter
R.U. Utrecht
G.U
Amsterdam
V.U
Amsterdam
1 K.U. N i j m e g e n
T.H. Delft
- De raad b e v o r d e r t de aanpassing van het wetenschappelijk o n d e r w i j s aan de o n t w i k k e l i n g van de w e t e n s c h a p e n aan de behoeften van de maatschappij; - b e v o r d e r t een d o e l matige samenwer k i n g tussen de ii s t e l l i n g e n d o o r ir ter universitair ove leg.
T.H. Eindhoven
kan na verkregen m a c h t i g i n g o f i n geval van t i j d n o o d namens de raad adviseren.
vicc-voorzitter, gekozen uit de leden sub C en D
1 c.
1D
per i n s t e l l i ng 2 leden 1 ns. curatoren 1 ns. senaat maximaal 10 leden benoemd door de K r o o n
1 1 |
Gevormd door ten hoogste 9 leden v a n de A.R.
1 1 1
— v o o r z i t t e r A.R. — vice-voorziMef A.R. — 2 leden openbar e universiteiten — 2 l e d e n o p e n b a re hogescholen —% lede n b i j z o n d e r e instellingen — 1 Kroonlid
1
1 E.
per i n s t e l l i ng 2 p l v . leden 1 ns. curatoren .1 ns. senaat
secretaris
1 1
|
secretaris A.R.
T.H. Enschede
J
N.E.H. Rotterdam
K.H. T i l b u r g
- De i n s t e l l i n g e n v a n wetenschappelijk o n d e r w i j s en onderzoek b r e n g e n . ter kennis van de A.R.: examenregelingen, ontwikkelingsplan-
L.H. W a g e n i n g e n
ntn
- w i j z e n aan de leden g e n o e m d onde r C en E.
secretaris A.R. h o o f d v a n het b urea
Het bureau van de Aca d e m sche Raad \ ar taant b i j s t o n d aan de A.R en zi|n orga nen, is tevens belast m e t : — voorbereidir g en u tvoering — documentati e er i n chti i g — v e r z o r g i n g secretariaat van negen vaste commissies
4
Secties (artikel 11 W.w.o.) adviseren de A.R. via de D.R., Zenden afschriften van hun adviezen aan de betrokken commissies
Commissies (artikel 12 W.w.o.) adviseren de A.R. d.t.v. O.R.: kunnen met machtiging van A.R. namens de A.R. adviezen uitbrengen aan derden.
Vaste commissies theologie wijsbegeerte rechtsgeleerdheid geschiedenis kunstgeschiedenis en muziekwetenschap archeologie en prehistorie klassieke oudheid Nederlandse taal- en letterkunde Romaanse talen en hun letterkunde Engelse taal- en letterkunde Germaanse taal' en letterkunde Slavische talen en hun letterkunde talen van het Midden-Oosten en hun letterkunde talen en culturen van Zuid-, Oost- en Zuid-OostAziĂŤ algemene taalwetenschap algemene literatuurwetenschap
C.A.V.W.O. algemene vraagstukken ontwikkeling wetenschappelijk onderzoek
c.o.w. geesteswetenschappen
C.E.W. exacte wetenschappen
CW.L vetenschappen van het lev
•-
CT.W. technische wetenschappen
C.M.W. maatschappijwetenschappen
c.t.z. internationale zaken
{
i
wiskunde natuurkunde sterrenkunde scheikunde aardwetenschappen farmacie geneeskunde biologie tandheelkunde . landbouwwetenschappen werktuigbouwkunde eiectrotechnlek
sociologie en politicologie sociale geografie culturele antropologie psychologie pedagogiek economie
CDS. doceren en studeren
. C.S.A, studenten aangelegen heden
. cs.o. statistisch onderzoek
Commissies ad-hoc commissie studieduur commissie onderzoek methode bepaling personeelsbehoefte commissie onderzoek wettelijke aansprakelijkheid bij ongevallen van en tegenover studenten en derden commissie organisatie opleiding planologie commissie bevordering samenwerking ma at schappij wetenschappelijk onderzoek gericht op niet-westerse gebieden. commissie maatregelen ter bevordering van onderzoek van wetenschappelijk onderwijs commissie onderzoek zelfstandige taakvervulling van de universiteit en hogeschool
5
Promotie De heer Vlak is geboren op 28 september 1933 te Tobelo (Indonesië). Hij studeerde economische wetenschappen aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg, waar hij in 1963 slaagde voor het doctoraal examen in de algemeen-economische richting. Hij werd vervolgens wetenschappelijk medewerker aan de Katholieke Hogeschool als assistent van prof. dr. H. W. J. Bosman, hoogleraar in het geld-, krediet- en bankwezen.
Samenvatting van het proefschrift „Het Nederlandse valuta-egalisatiefonds 1936—1940" van de heer G. J. M. Vlak, die op donderdag 16 maart 1967 aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg hij prof. dr. H. W. f. Bosman promoveerde tot doctor in de economische wetenschappen.
De ingrijpend gewijzigde valutasituatie in de wereld, welke inzette met de val van het pond sterling in 1931 en het ontstaan van een nieuw fenomeen in de vorm van internationale vluchtkapitalen, leidden in een aantal landen tot de oprichting van zogenaamde valutaegalisatiefondsen. De funktie, die aan de egalisatiefondsen werd opgedragen was het tegengaan van veranderingen in de wisselkoersen, die het gevolg waren van bewegingen van vluchtkapitalen en van speculatieve operaties. Naast zijn taak op het terrein van de wisselkoerspolitiek kon aan een fonds echter tevens worden opgedragen, de invloed van de beweging van vluchtkapitalen Op bet binnenlandse kredietstelsel zoveel mogelijk te elimineren. De beheersing van de wisselkoersen was tot het moment van de instelling der fondsen het terrein van de centrale banken geweest. Een der motieven, die bij de afsplitsing hebben voorgezeten, was de geheimhouding. Dit motief zou zelfs tot de grondwet van deze instellingen kunnen worden gerekend. Na het besluit van de Nederlandse regering op 27 september 1936 om de gouden standaard te verlaten en over te gaan op een zwevende wisselkoers, werd bij de wet van 30 september 1936 het Nederlandse egalisatiefonds ingesteld. Zoals in artikel 4 van deze wet was bepaald, werden de regelen omtrent het beheer van het fonds door de minister van Financiën vastgesteld en onder diens toezicht uitgevoerd door de Nederlandsche Bank. Naast de regelen omtrent het beheer werden aan de Bank konkrete richtlijnen gegeven voor het te voeren beleid. De interventies van het fonds zijn in twee duidelijk verschillende perioden te onderscheiden. De eerste periode betreft het tijdvak vanaf zijn oprichting tot en met september 1938, waarin het fonds voornamelijk de opwaartse druk op de gulden heeft trachten tegen te gaan door middel van aankoop van vreemde valuta. 6
De tweede periode vanaf oktober 1938 tot en met april 1940 geeft in vele opzichten juist een tegenovergesteld beeld te zien. D e vraag naar vreemde valuta, welke zich aanvankelijk in bescheiden mate voordeed, maar in een later stadium steeds grotere afmetingen aannam, dwong het fonds tot het afgeven van vreemde valuta. Uiteraard werden de interventies .van bet fonds voor een belangrijk deel beïnvloed door buitenlandse monetaire en politieke ontwikkelingen. Bij zijn valutatransacties ging het egalisatiefonds uit van een bepaald gewenst depreciatiepercentage van de gulden ten opzichte van de wettelijke goudpariteit, hetgeen tot uitdrukking kwam in een bepaalde gulden-dollarkoers, aangezien de dollar een vaste band met het goud onderhield. De sterling-dollarkoers van dat ogenblik werd gebruikt om hieruit de bijbehorende gulden-pondenkoers te berekenen. Gedurende de eerste maanden financierde het fonds zijn interventies uit voorschotten in rekening-courant op onderpand van schatkistpapier bij de Nederlandsche Bank. Reeds spoedig ging het fonds over tot plaatsing van schatkistpapier in de open markt. Begin 1938 stond het gehele bedrag van ƒ 300 miljoen in de open markt uit. De vreemde valuta, voornamelijk dollars en ponden sterling, die het fonds op de valutamarkt aankocht, werden door bemiddeling van de Federal Reserve Bank of New York en de Bank of England omgezet in goud. Dit goud verkocht het fonds, tegen de oude aankoopprijs van ƒ 1647,90 per kg fijn, aan de Nederlandsche Bank. Hierdoor verkreeg het fonds opnieuw de guldens die het nodig had om op de valutamarkt aan te bieden. Bij de goudverkoop aan de Nederlandsche Bank leed het fonds een verlies, aangezien de prijs waarvoor het fonds tevoren zelf het goud had gekocht steeds hoger lag dan de prijs die de Bank voor een kilogram goud betaalde. Om hieraan tegemoet te komen werd overeengekomen, dat het fonds indien het goud van de Nederlandsche Bank zou terugkopen, dezelfde prijs van
ƒ 1647,50 per kilogram zou betalen. Hierdoor werd het verlies door de verkoop van goud aan de Nederlandsche Bank tot een boekverlies gereduceerd. In het voorjaar van 1937 werd besloten om voorlopig de buitenlandse valuta van het fonds niet meer in goud om te zetten. Om te voorkomen dat het fonds zonder voldoende middelen zou komen te verkeren wanneer het geen of niet voldoende goud meer zou bezitten dat tegen guldens aan de Nederlandsche Bank zou kannen worden verkocht, verkreeg het fonds een voorschot van de Bank op onderpand van dollars. Eind 1937 bedroeg het krediet ƒ 108 miljoen op onderpand van $ 60 miljoen. Nadat eind 1937 besloten was om opnieuw alle vreemde valuta in het bezit van het fonds ia goud om te zetten, werd het voorschot op onderpand van dollars omgezet in een voorschot op onderpand van goud. Voor de berekening van de waarde van het onderpand werd het goud aangenomen op ƒ 2000,— per kilokram. De steun die het fonds in de tweede periode aan de gulden heeft gegeven, maakt het wenselijk dat het fonds ook zou kunnen beschikken over bet bij de Nederlandsche Bank in onderpand gegeven goud. In verband hiermee werd besloten het voorschot op onderpand van goud te vervangen door een voorschot op onderpand van schatkistpapier» Bovendien kocht het fonds in deze periode regelmatig goud van de Nederlandsche Bank terug. In de jaren dat kapitaal Nederland binnenvloeide, heeft het egalisatiefonds schatkistpapier in de open markt verkocht en in de tijd dat kapitaal Nederland verliet, schatkistpapier uit de open markt teruggetrokken. Men zou hieruit de konklusie kunnen trekken dat het fonds bewust een open-marktpolitiek heeft gevoerd. Dit is evenwel niet het geval geweest. Artikel 5 VMI de regelen omtrent het beheer van het fonds beperkte het plaatsen van schatkistpapier tot die bedragen, die het fonds nodig had voor de aankoop van goud en buitenlandse valuta.
Het fonds bezat dus niet de bevoegdheid tot het doen van open-marktoperaties uitsluitend met het doel de situatie op de geldmarkt te beïnvloeden. Dit is ook nooit de bedoeling geweest. Bovendien was een bedrag van ƒ 300 miljoen aan schatkistpapier, waarmee het fonds werd voorzien, om werkelijk invloed te kunnen uitoefenen op de geldmarkt, volkomen ontoereikend. In de jaren 1936 tot 1940 heeft Nederland een situatie gekend, die lag tussen een monetair nationalisme en een monetair internationalisme. Het nationalistische karakter van de monetaire politiek volgt zonder meer uit het aanhouden van een zwevende wisselkoers door de Nederlandse monetaire autoriteiten. Het monetaire internationalisme blijkt uit het feit, dat de koersfluctuaties van de gulden tot een zodanig niveau werden teruggebracht, dat praktisch een vrijwel onmiddellijke terugkeer tot de gouden standaard (met een devaluatie van rond 20 % ) steeds mogelijk was. Het aandeel dat het Nederlandse fonds op de valutamarkt had, is percentueel bepaald hoog geweest. Wellicht dank zij deze relatief omvangrijke interventies is het Nederlands egalisatiefonds erin geslaagd de wisselkoers van de gulden ten opzichte van de dollar en pond sterling gedurende de vooroorlogse jaren buitengewoon stabiel te houden. Uit de stellingen, die de heer Vlak aan zijn proefschrift toevoegde, nemen wij over:
vr Da huidige universiteit en hogeschool vergen een „full-time" bestuur, VII Het geven van hoorcolleges voor grote groepen van pre-kandidaatsstudanten dient te worden vervangen door op elkaar afgestemde schriftelijke instructies, gepaard gaande met bespreking hiervan en van literatuur in kleine groepen.
tl 7
Mededelingen Economische Faculteit In afwijking van hetgeen vermeld is op pag. 75 van de studiegids, zal het schriftelijk tentamen economie voor de pre-kandidaten worden afgenomen op woensdag 20 september 1967. GESLAAGDEN SLOTEXAMENS ACCOUNTANCY 17 MAART 1967 J. Clement, Breda; L. Schilder, Tilburg; C. N . J. v. d. Werf, Tilburg. GESLAAGDEN DOCTORAAL EXAMEN ECONOMISCHE WETENSCHAPPEN 20 MAART 1967 B. J. M. Giesen, Middenmeer; C. J. van Herel, Steenbergen; J. E. M. Wijnen, Eindhoven; H. F. G. Geijsers, Vlodorp; C. J. Franssen, Voerendaai (L.); G. M. P. J.
Keulen, Raamsdonkveer; G. M. de Gier, Cothen; H. J. Dijkstra, Leeuwarden; W . A. G. Poell, Tilburg; J. W . A. Vingerhoets, Tilburg (cum laude); H. P. A van Gaasbeek, Delft; A. E. M. van Gassen, Hulst; J. M. G. Messelink, Velp; A. M. E. Rottier, Heerlen (cum laude); J. T. F. van Kaam, Roosendaal; A. C. M. M. Verhulst, Roosendaal. GESLAAGDEN CANDIDAATSEXAMEN ECONOMISCHE WETENSCHAPPEN 20 MAAR 1967 L. P. M. v. d. Berg, Overloon; J. M. C. A. Duysens, Roermond; C. A. G. Oostveen, Vleuten; J. Romijn, 's-Heerenhoek; J. P. A. M. v. d. Schoot, Tilburg; f^. J» van Reeken, Tilburg (cum laude); J. F. A. Rijckmans, Breda; R. A. Somaroo, Tilburg.
Mededelingen Sociale Faculteit GESLAAGDEN DOCTORAAL EXAMEN SOCIALE WETENSCHAPPEN 22 MAART 1967
GESLAAGD CANDIDAATSEXAMEN SOCIALE WETENSCHAPPEN 22 MAART 1967
R. T. S. M. Teeuwen, Venlo; J. H. M. Peters, St. Michiels-Gestel; J. J. A. Rossing, Nijmegen; W. A. Timmermans, Utrecht; B. J. Rosheuvel, Tilburg,
C. Marges, Oosterhout.
Mededelingen Juridische Faculteit ENKELE SAILLANTE PUNTEN . Langs deze weg wil het bestuur van de Juridische Faculteitsvereniging Tilburg U opmerkzaam maken op enkele saillante punten, besproken op de laatst gehouden algemene ledenvergadering. 1. Voor de eerstejaars van de faculteitsvereniging zal een excursie gehouden worden op vrijdag 28 april a.s. onder leiding van de Hooggeleerde Heer Prof. Coopmans naar 's-Hertogenbosch. Voor de post-candidaten zal op 28 april 1967 een excursie gehouden worden naar 's-Gravenhage, teneinde aldaar een zitting bij te wonen van de Hoge Raad der Nederlanden. In dit verband is een bezoek aan het Gerechtelijk Laboratorium wellicht ook mogelijk. De mogelijkheid voor een excursie voor het tweede jaar is in onderzoek. Gedacht wordt aan de strafgevangenis te Breda. Verdere mededelingen betreffende deze excursies zullen te zijner tijd volgen. 2. Om nog altijd bestaande misverstanden uit de weg te ruimen wijst ook bet bestuur van de Juridische Faculteitsvereniging Tilburg de derdejaars er nogmaals 8
op dat het hen aangeraden wordt deel te nemen aan de zgn. derdejaars-proeven aan het einde van het derde of het begin van het vierde jaar, aangezien men verplicht is, in het geval hieraan niet deelgenomen wordt, deze af te leggen veertien dagen vóór het D I. 3. In de toekomst zal de Rota gehouden worden in de voorzaal van de studentenkerk „Maranatha". Gepoogd zal worden toga's te verkrijgen voor de advocaten en rechters; tevens zal de mogelijkheid onderzocht worden casus, vonnissen en eventuele annotaties uit te geven, D* benoeming valt te verwachten van een Deken van de Orde van Advocaten van de Studentenrechtbank Tilburg. Degenen die voor deze functie belangstelling hebben worden verzocht contact op te nemen met een der leden van het bestuur. 4. De ledenvergadering heeft bij principebesluit de volgende wijzigingen in het huishoudelijk reglement aangenomen: Artikel 61 wordt aangevuld met de volgende volzin: Per ter vergadering aanwezig lid is het toegestaan slechts één volmachtsstem uit te brengen; bewijs van volmacht moet schriftelijk en behoorlijk worden aangetoond.
Artikel 66 komt te luiden als volgt: Stemming geschiedt slechts dan, indien tenminste 15 der stemgerechtigde leden ter vergadering aanwezig zijn, behoudens andersluidende bepalingen in de Statuten of H.R. Besluiten kunnen slechts genomen worden met een gewone meerderheid van het aantal aanwezige leden. Aan artikel 85 wordt een slotzin toegevoegd, luidende: (Statuten), en Statuten en H.R. van de A.T.SX). en de N.S.R.
5. Voorts wil het bestuur U nog op het volgende wijzen: De kans is groot dat het aan Tilburg zal zijn om in 1968 het Landelijk Juridisch Congres te organiseren. Niet uitgesloten is het, dat dit een internationaal congres zal zijn. Het is daarom vanzelfsprekend dat onze faculteitsvereniging er alles aan zal moeten doen dit congres te laten slagen. Het bestuur verzoekt dan ook diegenen, die hun talenten en inspanningen hieraan in principe willen wijden, contact op te nemen met hen. Heeft de eer te signeren, ƒ. H. M. Willems, h.t. praeses
Algemene Mededelingen STUDIEBEURZEN VAN DE VERENIGDE ARABISCHE REPUBLIEK 1967—1968
verder studeren, waarbij in de eerste plaats gedacht wordt aan hen, die de taal, letterkunde, geschiedenis of geografie van Tsjecho-Slowakije willen studeren.
De regering van de Verenigde Arabische Republiek stelt drie studiebeurzen beschikbaar ten behoeve van Nederlandse studenten of jonge afgestudeerden die tijdens het academisch jaar 1967—1968, dat tegen het einde van september 1967 aanvangt, hun studie in Kaïro willen voortzetten. Deze beurzen hebben een duur van negen maanden en bedragen 40 Egyptische ponden per maand. De beurshouders ontvangen bovendien eenmaal een boekengeld ad 30 Egyptische ponden. De reiskosten Nederland—Kaïro v.v. komen in beginsel voor eigen rekening.
De beurs bedraagt ± 1200 Tsjechische kronen. De grootte van de studiebeurs is afhankelijk van de genoten opleiding en ervaring. De huisvesting geschiedt in een studentenhuis. In medische verzorging is voorzien. In principe komen de reiskosten voor eigen rekening van de kandidaat.
De autoriteiten van de Verenigde Arabische Republiek zijn bereid bemiddeling te verlenen voor huisvesting in een studentenhuis, voorzover er plaats beschikbaar is. Het studieterrein is in beginsel onbeperkt. De colleges worden in het algemeen in de Arabische taal gegeven. Gevorderde studenten, d.w.z. zij die tenminste het kandidaatsexamen hebben afgelegd, en jonge afgestudeerden kunnen tot 15 april 1967 een aanvraag voor een van deze studiebeurzen indienen bij de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. Aanvraagformulieren zijn bij genoemde afdeling verkrijgbaar.
Eveneens is een beurs beschikbaar voor deelneming aan de zomercursus Slavische taal- en letterkunde aan de Universiteit van Praag van medio juli tot medio agustus. De cursus is in principe bestemd voor universitaire docenten en gevorderde studenten in de Slavische talen. Aanvragen voor deze beurs dienen vóór 15 april 1967 gericht te worden tot de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage, op een formulier dat aldaar te verkrijgen is. Aanbevelingen van twee bij de studie betrokken hoogleraren, gesteld in de Engelse, Duitse of Franse taal, moeten worden bijgevoegd. Mej. mr. E. Talsma (Ministerie van O. en W.)
Mej. mr. E. Talsma (Ministerie van O. en W.) STUDIEBEURZEN VOOR ZOMERCURSUSSEN 1967 IN JOEGOSLAVIË STUDIEBEURS VOOR TSJECHO-SLOWAKIJE 1967—1968 De regering van Tsjecho-Slowakije stelt op basis van reciprociteit voor het academische jaar 1967—1968 een beurs van 12 maanden beschikbaar, eventueel te verdelen in enkele beurzen van kortere studieduur. De beurzen zijn bestemd voor hen, die tenminste het kandidaatsexamen hebben afgelegd of die hun universitaire studie voltooid hebben en voor wie het van belang is, dat zij enige tijd aan een Tsjechische universiteit
De Commissie voor Culturele Betrekkingen met het Buitenland in Joegoslavië heeft vier beurzen van één maand ter beschikking gesteld van Nederlandse studenten in de Slavische talen voor deelneming aan de zomercursus voor Slavisten van de Universiteit van Zagreb, die in augustus plaats heeft. Deze cursus wordt deels in Zagreb, deels in Zadar gehouden en heeft als onderwerp Servo-kroatische taal- en letterkunde. De cursisten worden gratis ondergebracht in een studentenhuis en ontvangen 20.000 dinars voor bijkomende kosten. De heenreiskosten komen voor eigen rekening; de terugreis wordt betaald door de Joegoslavische autoriteiten.
9
Sollicitaties dienen tóór 28 «pril 1967 gericht te worden aan de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. Deze sollicitaties moeten de volgende gegevens bevatten: — naam, voornamen, geboortedatum en -plaats; — verrichte studie, talenkennis; — reden waarom men de desbetreffende zomercursus wil bijwonen; — een aanbeveling van een bij de studie betrokken hoogleraar, gesteld in de Engelse, Franse of Duitse taal; — pasfoto. Me;, mr. E. Talsma (Ministerie van O. en W.)
f STUDIEBEURZEN VOOR JOEGOSLAVIË 1967—1968 De Commissie voor Culturele Betrekkingen met het Buitenland in Joegoslavië heeft drie beurzen voor het academisch jaar 1967—1968 ter beschikking gesteld van Nederlandse studenten. De beurzen zijn bedoeld voor studenten, die reeds enige jaren universitaire studie verricht hebben en bij voorkeur het kandidaatsexamen hebben behaald en die ter voortzetting van hun studie of voor specialisatie een academisch jaar aan een van de Joegoslavische universiteiten willen studeren. Ook beeldende kunstenaars, musici of toneelspelers die hun studie hebben beëindigd kunnen naar een beurs mededingen. De maximum-leeftijd der kandidaten is op 30 jaar gesteld. Het bedrag van de beurs is 55.000 dinars per maand en 20.000 dinars voor onderdak. Een bedrag van 20.000 dinars wordt voorts voor de aankoop van boeken beschikbaar gesteld. Beurshouders kunnen worden ondergebracht in een studentenhuis, terwijl zij tevens vallen onder de regelingen van de medische verzorging der studenten aldaar. De heenreiskosten komen voor eigen rekening; de terugreis wordt betaald door de Joegoslavische autoriteiten. Sollicitaties dienen vóOr 28 april 1967 gericht te worden aan de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. De sollicitaties dienen te geschieden op een formulier, dat bij genoemde afdeling verkrijgbaar is. Mej. mr. E. Talsma (Ministerie van O. en W.)
¥ STUDIEBEURS VOOR FINLAND 1967—1869 De Finse regering heeft voor het akademisch jaar 1967— 1968 een studiebeurs van acht maanden ter beschikking gesteld ten behoeve van een Nederlandse student. Eventueel is het mogelijk deze beurs te verdelen over twee kandidaten. D e beurs kan worden gebruikt voor alle studierichtingen. 10
De beurs is bestemd voor studenten, die tenminste twee jaren universitaire studie hebben verricht en zo mogelijk reeds het kandidaatsexamen hebben afgelegd en voor pas afgestudeerden, die ter voortzetting van hun studie of specialisatie een akademisch jaar aan een Finse universiteit willen studeren. Voldoende kennis van het Fins, Zweeds, Engels, Duits of Frans wordt vereist. Het akademisch jaar begint in Finland op 10 september. Het bedrag van de beurs varieert van Fin.Kr. 550,— per maand tot FinJCf. 700,— per maand. Het hangt af van de kwalificaties van de kandidaat hoeveel hij zal ontvangen. Reiskosten en ziektekostenverzekering (verplicht) komen voor eigen rekening. Sollicitaties dienen vóór li april 1967 gericht te worden tot de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. Deze dienen te geschieden op een formulier dat te verkrijgen is bij bovengenoemde afdeling. Bij het ingevulde formulier moeten als bijlagen gevoegd worden afschriften van de cijferlijst van het eindexamen en van universitaire diploma's, alsmede een aanbeveling van twee bij de studie betrokken hoogleraren, gesteld in de Engelse, Franse of Duitse taal. Mej. mr. E. Talsma (Ministerie van O. en W.)
• STUDIEBEURZEN VOOR ZWEDEN 1967—1968 De Zweedse regering heeft voor het studiejaar 1967— 1968 twee beurzen voor acht maanden ter beschikking gesteld van Nederlandse studenten. De beurzen worden gegeven om de studenten in de gelegenheid te stellen hun studie te verdiepen en hen tevens in staat te stellen Zweden, te weten het land, het volk, de Zweedse gewoonten en gebruiken, alsmede de geestesgesteldheid van de bewoners en de natuur van het land, te leren kennen. De beurzen zijn bedoeld voor studenten en voor afgestudeerden, al dan niet werkzaam in universitair verband. De beurzen bedragen 6.400 Zw. Kronen, derhalve 800 Zw. Kronen per maand. Het is mogelijk dat een beurs wordt verdeeld over meer kandidaten voor perioden van drie tot acht maanden. Een extra toelage van 100 Zw. Kronen per maand wordt verleend aan studenten, die uit hoofde van hun studie in Stockholm moeten verblijven. Het akademisch jaar begint in Zweden in oktober. Het is noodzakelijk dat belangstellenden, die colleges in Scandinavische talen wensen te volgen, reeds tevoren enige kennis van deze talen bezitten; voor studenten in andere vakken is enige kennis van het Zweeds gewenst, doch niet vereist. Sollicitaties dienen vóór 15 april 1967 gericht te worden aan de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. Deze moeten geschieden op een formulier dat verkrijgbaaar is bij bovenvermelde afdeling. Mej. mr. E. Talsma (Ministerie van O. en W.)
STUDIEBEURZEN VOOR OOSTENRIJK 1967—1968 De Oostenrijkse regering heeft voor het academisch jaar 1967—1968 twee studiebeurzen ter beschikking gesteld van Nederlandse studenten. De beurs is bestemd voor studenten tussen de 20 en 35 jaar, die tenminste twee jaren academische studie verricht hebben en die voldoende geestelijke en wetenschappelijke rijpheid bezitten om van een studieverblijf in het buitenland ten volle profijt te kunnen hebben. De beurs wordt verleend voor negen maanden en geldt voor het academisch jaar dat loopt van 1 oktober 1967 tot 1 juli 1968 en bedraagt in totaal S. 20.700,— (voor afgestudeerden is het bedrag voorlopig vastgesteld op S. 2.700,— per maand). Voorts wordt bij de uitbetaling van de eerste termijn een reistoelage van S. 1.000,— uitgekeerd. Het is niet mogelijk volledige vrijstelling van collegegeld te verlenen, doch dit kan slechts voor een deel geschieden. De uitbetaling van de beurs zal geschieden door de universiteit, waar men gaat studeren. In verband met de huisvestingsmoeilijkheden kunnen gehuwde studenten niet voor een beurs in aanmerking komen. Sollicitaties moeten vóór 15 april 1967 gericht worden tot de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. De aanmeldingen dienen op een formulier te geschieden, dat te verkrijgen is bij bovengenoemde afdeling. Mtf. mr. E. Talsma (Ministerie van O. en W.)
STUDIEBEURZEN VOOR ZOMERCUSUS 1967 IN OOSTENRIJK De Oostenrijkse regering heeft vier studiebeurzen voor het volgen van een universitaire zomercursus in Oostenrijk in 1967 ter beschikking gesteld van Nederlandse studenten. Eventueel kan een 'beurs gedeeltelijk ook gebruikt worden voor het raadplegen van wetenschappelijke bibliotheken of het bezoeken van openbare kunstverzamelingen. De beurzen zijn bedoeld voor studenten, die reeds enige jaren aan een universiteit of hogeschool gestudeerd hebben. ledere beurs bedraagt ö.S. 3200,— en is bestemd voor een verblijf van circa vier weken in Oostenrijk. De volgende universitaire zomercursussen zullen plaatsvinden: Universiteit van Innsbruck, te houden in Mayrhofen. Onderwerp: „Das alte und das neue österreidi". Perioden: 1. 25 juni—15 juli 1967 2. 16 juli—5 augustus 1967 3. 6 juli—26 augustus 1967 4. 27 augustus—16 september 1967 Kosten: 1 en 4: ö.S. 2.100,— 2 en 3: ö.S. 2.250,—
Universiteit van Wenen, te houden in de Universiteit van Wenen. Onderwerp: Duitse taal en literatuur. Voertaal: Duits, Engels, Frans en Italiaans. Perioden: 1. 10 juli—5 augustus 1967 2. 7 augustus—2 september 1967 3. 4 september—23 september 1967 Kosten: Kosten voor vier weken cursus en volledig pension: — éénpersoons kamer ö.S. 3.220,— — meerpersoons kamer Ö.S. 2.870,— Sollicitaties voor deze beurs dienen vóór 8 april 1967 gericht te worden tot de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwij» en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. Zij dienen te geschieden op een formulier, dat bij genoemde afdeling verkrijgbaar is. Een aanbeveling van een bij de studie betrokken hoogleraar, alsmede een korte levensloop dienen te worden bijgevoegd. Mtf, Mr, E. Talsma (Ministerie van O. en W.)
• STUDIEBEURZEN VOOR ZOMERCURSUS 1967 IN SPANJE De Spaanse regering heeft voor het jaar 1967 vier beurzen van één maand ter beschikking gesteld van Nederlandse studenten voor het deelnemen aan een zomercursus aan een der Spaanse universiteiten. Het beursbedrag is gesteld op 5.000 pesetas. De in aanmerking gekomen kandidaten worden vrijgesteld van cursusgeld. Het is niet mogelijk wijziging aan te brengen in een eenmaal gekozen cursus. De reiskosten heen en terug komen ten laste van de kandidaat. Verzoeken om een dergelijke beurs dienen vóór 20 mei 1967 te worden gericht tot de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. De aanvrage dient de volgende gegevens te bevatten: naam en voornamen; datum en plaats van geboorte; Studie- en vakantie-adres; opgave van gedane studies en behaalde diploma's; talenkennis; plannen voor de toekomst betreffende studie en beroep; omschrijving van het studiedoel in Spanje met vermelding van de naam der universiteit waar men de zomercursus wil volgen en vergezeld te zijn van: a. pasfoto; b. een aanbeveling van een bij de studie betrokken hoogleraar. Mtj. mr, E. Talsma (Ministerie van O. en W.)
STUDIEBEURZEN IN SPANJE 1967—1968 De Spaanse regering heeft voor het studiejaar 1967— 1968 (1 oktober 1967—1 juni 1968) twee beurzen van acht maanden ter beschikking gesteld van Nederlandse 11
studenten, die het kandidaatsexamen reeds hebben afgelegd of van pas afgestudeerden, die een volledig akademisch jaar aan de Universiteit van Madrid willen 'doorbrengen. Het beursbedrag bedraagt 5.000 pesetas per maand; voor de eerste kosten van het verblijf zal een extra toelage van 3.000 pesetas worden aangeboden. De in aanmerking gekomen kandidaten worden vrijgesteld van collegegeld en kunnen gebruik maken van gratis medische hulp tijdens bun studieverblijf in Spanje. Reiskosten komen voor eigen rekening. Sollicitaties dienen vóór 20 april 1967 gericht te worden tot de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage.
en voornamen; adres, datum en plaats van geboorte; behaalde diploma's; kennis van de Spaanse taal. De aanvrage dient vergezeld te zijn van: a. een duidelijke omschrijving van het studiedoel in Spanje, eventueel met de mededeling aan welke universiteit men zou willen studeren, zo mogelijk met vermelding van de naam van de hoogleraar onder wiens leiding men zou willen werken; b. een aanbeveling (zo mogelijk gesteld in de Franse of Engelse taal) van twee bij de studie betrokken hoogleraren; c. een pasfoto.
Kandidaten dienen bij hun aanvraag te vermelden: naam
BOEKEN VOOR HANOI Te midden van de oorlogsellende blijft het volk van Vietnam denken aan de toekomst en aan de wederopbouw. Aan de universiteit te Hanoi, geïsoleerd van de westelijke wereld, met een minimum aan hulpmiddelen, gaan de hoogleraren en wetenschappelijke werkers dóór met hun arbeid en blijven de jeugd opleiden. De vakverenigingen van de Franse universiteiten hebben het' initiatief genomen voor een internationale actie om geld te verzamelen, bestemd voor de aankoop van standaardwerken, grote handboeken, tabellen van constanten, die in de eerste plaats op research-niveau nodig blijken.
Mej. mr. E. Tals ma (Ministerie van O. en W.)
Wij doen in de eerste plaats een beroep op de universitaire werkers — hoogleraren, staf, studenten — om te helpen bij dit vredeswerk en hun bijdragen te storten. En verder op allen, wie de zaak van Vietnam ter harte gaat. Het is een der weinige mogelijkheden die we hebben om het volk van Vietnam te steunen. Bijdragen te zenden via Amro-Bank Utrecht; postgiro 2900, rekening „Boeken voor Hanoi".
Nederland zal in het bijzonder bijdragen voor waterbouwkunde en voor tropische landbouw. Met dankbaarheid worde vermeld, dat verscheidene collega's hiervoor reeds de bibliografische gegevens hebben verschaft.
Prof. Dr. B. Delfgaauw (Groningen); Prof. Dr. J. de Graaf (Utrecht); Prof. Dr. H. J. Groenewold (Groningen); Prof. Dr. J. H. de Haas (Leiden); Prof. Dr. C. de Jager (Utrecht); Prof. Dr. H. Klomp (Wageningen) Prof. Dr. Ir. W. F. Koiter (Delft); Prof. Dr. M. Min naert (Utrecht); Prof. Dr. J. Presser (Amsterdam) Prof. Dr. A. J. Rasker (Leiden); Prof. Dr. W . F. Wert heim (Amsterdam); Prof. Dr. D. Wiersma (Leiden) Prof. Dr. J. de Wilde (Wageningen).
Alleen al voor deze vakken zal een bedrag van ongeveer ƒ 5000,— nodig zijn.
Utrecht.
12
Correspondentie-adres: M. Minnaert, Zuilenstraat 25 bis.