Redaktie:
Speciaal nummer ter gelegenheid van het door de Sociolo-
P. J. G. Aarts
gische Kring Tilburg te organiseren forum, over:
P.H.
A. de Bekker
B. ]. M.
dessen
W. A.F. M. van der Kruys L. P. H. Hensgens H. G. M. Dijstelbloem J. J. M. de Bont (Hoofd Bureau
Senaat)
STRUCTURELE PROBLEMEN VAN DE MIJNSTREEK „een blik in de toekomst."
Redactie-adres: Hogeschoollaan 225,
Tüburg
op DINSDAG 25 JANUARI 1966 om 20.00 uur in het gebouw van de KATHOLIEKE HOGESCHOOL.
In dit nummer: 1. Woord van de preases. 2. Het forum voorgesteld. 3. Drs. J. P. Meulmeester: in samenwerking met de SOCIOLOGISCHE KRING
— Steunverlening aan de mijnstreek. — Wetenschappelijk verzuim.
TILBURG
•&r Samenyaft' —samenvat
titiliö KATHOLIEKE HOGESCHOOL TILBURG
voorwoord Het is mij een genoeg alle studenten van de Katholieke Hogeschool, namens het bestuur van de Sociologische Kring Tilburg uit te nodigen tot bijwoning; van het forum, dat zij op 25 januari organiseertt en dat de problemen van de Mijnstreek zal behandelen.
beurtenissen in de studentenwereld. De Sociologische Kring Tilburg is zeer dankbaar voor de mogelijkheid, die haar door de Redaktie van het Hogeschoolblad is geboden, om middels een ekstranummer, een uitgebreide bekendheid te geven aan het forum van 25 jan.
Deze problematiek is van een dermate grote importantie, dat het vanzelf spreekt, dat niet alleen sociologen er in geïnteresseerd zullen zijn. Het zat ons daarom een eer zijn ook de andere fakulteiten te mogen verwelkomen.
Tenslotte zou ik dank willen brengen aan het ratorium, dat door het beschikbaar stellen van ruimte in de Hogeschool en van vele andere liteiten, een belangrijke bijdrage heeft geleverd de totstandkoming van het forum.
Cueen faciaan
Het sukses echter is, alle goede voorbereidingen spijt, altijd weer afhankelijk van de kwantiteit de kwaliteit van het auditorium. Moge de te spreken problematiek en de samenstelling van forum een voldoende trekpleister zijn om een slaagde avond te garanderen.
ten en behet ge-
De samenstelling van het forum garandeert een indringende en deskundige behandeling van alle belangrijke aspekten van de problematiek. Wij zijn verheugd over het feit, dat de bereidwillige medewerking van enkele prominente Nederlanders deze samenstelling heeft mogelijk gemaakt. Het is een goed ding, dat de Tilburgse studenten in hun Hogeschoolblad een orgaan bezitten, dat hent ' ; allen op de hoogte houdt van alle belangrijke ge-
B. Wagemakers, h.t. praeses S.K.T.
verlangt ook niet beter dan nog lang te mogen blijven zitten op zijn gewone leerstoel, alsook op de buitengewone, die hij sedert 1952 in Nijmegen bezet houdt. Professor van der Ven is dus een weinig dynamische figuur. Hij heeft zich slechts aan de periferie van het politieke leven bewogen (S.E.R., College van Rijksbemiddelaars) en leeft, evenals de meeste studenten, pas op tijdens de vacanties. Behalve met buitenlandse reizen en pogingen tot sportbeoefening vult hij die met het schrijven van boeken; het laatste zeer ten ongerieve van de uitgevers, want zijn boeken worden weinig verkocht.
Het zou niet geheel juist zijn te zeggen dat Prof. Dr. F. J. H. M. van der Ven in 1907 geboren is. Professoren worden niet geboren, zij worden gemaakt. De onderhavige professor is gemaakt door de Tilburgse Hogeschool in 1945, nadat de man door de Economische Hogeschool te Rotterdam in de jaren 1925 tot 1931 enige economische en staatsrechtelijke kennis was bijgebracht en de studenten hem volgens goed Tilburgs gebruik reeds enige tijd (i.e. zeven jaar) als buitengewoon lector hadden moeten dulden. De wetenschappelijke arbeid wordt door hem in elementaire zin opgevat: het gaat hoofdzakelijk om lezen en schrijven; rekenen komt er hoegenaamd niet aan te pas. Een eigenlijke loopbaan heeft hij niet gehad, wel een ambtelijke zitbaan met standplaats Tilburg. Hij
2
De merkwaardige liefhebberij, dingen te schrijven die toch niet gelezen worden, dateert uit zijn studententijd, toen hij studentenblad en almanak met literatuur onveilig placht te maken. Op nóg hoger niveau heeft hij ook na zijn promotie (jaja, cum laude natuurlijk, alhoewel niet op een economisch onderwerp) geruime tijd het vrijblijvend poëtisch standpunt gehandhaafd. Geleidelijk is dit echter verwisseld voor de bij voorbaat verloren positie van de man, die verplichte literatuur wenst te creëren. Uit alles blijkt dat Prof. van der Ven liever schrijft dan praat. Hij schuwt dan ook het interview; hoewel toegegeven moet worden dat dit medium tot openbaring van gedachten of veronderstellingen aanleiding kan geven tot niet weinig schrijverij. De genoemde voorkeur doet ook een verklaring aan de hand van het feit, dat deze (zelf samengestelde) levensbeschrijving van de voorzitter van het Forum aanzienlijk langer is geworden dan die van de leden. Het verbroken evenwicht zal worden hersteld door toewijzing van een omgekeerd evenredige spreektijd aan die leden. Zulks met goede reden overigens: zij hébben meer te zeggen.
De Heer Franciscus Stanislaus Dohmen werd geboren op 30 januari 1910. Gedurende achttien jaar was hij houwer in de ondergrondse werken van de Dominiale Mijnmaatschappij en Staatsmijn Maurits; Propagandist Ned. Kath. Mijnwerkersbond op 1 december 1939; Voorzitter Nederlandse Katholieke Mijnwerkersbond op 1 januari 1944; Sedert 3 oktober 1953 Ridder Orde van Oranje Nassau en Ridder in de Orde van St. Sylvester; Voorzitter Internationale van Christelijke Mijnwerkersorganisaties in de E.G.K.S.; Bestuur Internationaal Vakverbond van Christelijke vakorganisaties; Lid van het Raadgevend Comité der Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Lid Bureau Raadgevend Comité; Vice-voorzitter van de Mijnindustrieraad; Sedert 14 september 1963 Officier in de Orde van Oranje Nassau; De heer Dohmen heeft zich tot zijn dertigste jaar zeer intensief beziggehouden met jeugdverenigingen. Hij volgde de Gewestelijke Sociale School en kreeg zijn belangrijke vorming van priesters als dr. Poels, pater Jacobs en pater Colsen.
Drs. F. J. W. Gijzeis werd in 1911 geboren te Sittard. N a zijn H.B.S. opleiding studeerde hij economie aan de Economische Hogeschool te Tilburg. Vóór zijn benoeming tot burgemeester van Heerlen in februari 1964 bekleedde de heer Gijzeis vele ambten en functies. Zo was hij Staatssecretaris van Economische Zaken en lid van de Tweede Kamer Der Staten Generaal. Drs. Gijzeis is voorzitter van het Industrieschap Oostelijk Mijngebied en bovendien voorzitter of lid van tientallen stichtingen en commissies. Voor zijn grote verdiensten werd hij in binnen- en buitenland onderscheiden.
M O L K E N B O E R — Josephus Aloysiu» Marie De Heer Molkenboer is sinds half augustus 1936 werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken, waar hij reeds diverse functies heeft bekleed, o.m. als adviseur, directeur Zware Industrie en sinds half januari 1965 plv. Directeur-Generaal voor de Energievoorziening. Uit hoofd van deze functies was en is de Heer Molkenboer voorzitter, resp. lid van een aantal raden en commissies etc. zowel nationaal als internationaal.
Antoine Cyrille Julien Rottier werd op 13 maart 1910 geboren te St. Jansteen (Zeeuws Vlaanderen). N a de voltooiing van zijn gymnasiale studie (bèta) aan het St. Canisiuscollege te Nijmegen, studeerde hij vanaf 1928 aan de destijds j u k t opgerichte Katholieke Economische Hogeschool te Tilburg. Hij legde doctoraal examen in de economische en sociale wetenschappen af ia 1933 en vertrok naar Leiden waar hij nog gedurende enige tijd studeerde aan de juridische faculteit van de Rijksuniversiteit. In 1934 trad Drs. Rottier in dienst van het toenmalige Ministerie van Handel, Nijverheid en Scheepvaart. Mede naar aanleiding van verschillende kontakten met de mijnindustrie — waaronder een kennismaking met Dr. Poels — trad de Heer Rottier vervolgens in 1936 in dienst van de Staatsmijnen. Naast zijn werkzaamheden op sociaal terrein bij de S taatsmij nen ontwikkelde hij ook aktiviteiten op economisch, financieel en administratief gebied en hij werd al spoedig een der naaste medewerkers van Oud-Directeur Mous. Bij het aftreden van Directeur Mous in 1949 werd Drs. Rottier benoemd tot Directeur der Staatsmijnen, belast met het werkgebied financiën, economie en administratie van dit grote bedrijf. In 1952 werd hij aangewezen tot plaatsvervangend voorzitter van de Hoofddirectie. O p 1 november 1962 volgde Drs. Rottier de Heer H . H . Wemmers op als President-Directeur van de Staatsmijnen. Sinds het aftreden van Hoofddirecteur Mr. F. Jansen heeft de Heer Rottier zich, naast zijn taak als President-Directeur, per 1 januari 1966 in het bijzonder belast met de sociale en personeelsaangelegenheden van de Staatsmijnen.
Buiten het concern van de Staatsmijnen vervulde de Heer Rottier tal van sociale, maatschappelijke en wetenschappelijk-onderwijs-bevorderende funkties. Drs. Rottier is lid van de Raad van Toezicht Katholieke Economische Hogeschool Tilburg, curator van de Technische Hogeschool Eindhoven en hoofdbestuurslid van het Nederlands Katholiek Werkgeversverbond. I n 1957 werd de Heer Rottier benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en in 1962 ontving hij het Ridderkruis in de Orde van de H. Gregorius de Grote.
Ir. W. P. Teeuwisse, ra en Vereeniging te Den Haag (1918). studeerde hij in Delft
directeur van de mijnen LauEygelshoven, werd geboren in N a zijn gymnasiumopleiding voor mijningenieur.
Sinds 1942 is hij werkzaam bij Laura en Vereeniging, achtereenvolgens als mijningenieur, bedrijfsingenieur en directeur. De heer Teeuwisse is eveneens lid van het dagelijks bestuur van de Mijnindustrieraad.
Steunverlening aan de mijnstreek door drs. J . P. Meulmeester (wetenschappelijk medewerker aan de K.H.)
Met de ingebruikname van d e spoorlijn SittardKerkrade-Hetzogenrath in 1896 werd een fors begin gemaakt met de ontsluiting van het gebied dat nu de oude mijnstreek wordt genoemd. In een uithoek van Nederland ging men koortsachtig aan het werk om een tak van economische bedrijvigheid te herbergen, die voor de bloei van bet industriële apparaat van niet t e schatten betekenis is geweest. D e Zuidlimburgse bevolking was vol hoop en verwachting, droomde van een nieuwe toekomst van welvaart en vooruitgang. In de plaatselijke pers verschenen opgetogen artikelen en ingezonden brieven; sommigen werden als in die tijd te doen gebruikelijk, lyrisch en produceerden versjes als het volgende: „Dat gaf den moed om ook vooruit te streven, / en ieder greep weer zijne taak opnieuw, / wijl kolenmijnen uit den grond verrezen (bis), / is het nu reeds een land van industrie."
kan de maskerade zijn van een innerlijk labiele, afwerende groepshouding t.o.v. een als vijandig, op zijn minst onvriendelijk ervaren fysieke en sociale omgeving. Relatief hoge percentages van ziekteverzuim, bedrijfsongevallen, sabotagedaden, absenteïsme, wijzen op een geringe mate van arbeidsmotivatie. Een lage „Traditionzkoëfficiënt" (kiezen v a n h e t beroep van vader door de zoon) is evenzeer een indicatie van een weinig geïntegreerde beroepstrots.
H e t bestaan v a n een „organische mijnwerkersstand" in Nederlands Limburg, waartoe velen nochtans concluderen, moet dan ook begrepen worden als aanduiding van een groep van mijnwerkers, die voornamelijk in hun niet-beroepsmatige bezigheden relatief aktief zijn, welke aktiviteit op haar beurt slechts verklaard kan worden door het ongelooflijk intensief ijveren van vele bekende en ongeI n d e tijd van een mensenleven voltrekt zich dan noemd gebleven personen en instellingen voor de het proces van opkomst, groei, bloei, neergang, en opbouw van een gezond sociaal-cultureel klimaat. (weldra) verdwijning van een industriële bedrijfsDe mijnbedrijven en de vakbonden hebben hierin tak, die meer dan welke andere vorm van economische arbeid zijn stempel heeft gedrukt op het een niet gering aandeel gehad. De vraag is, hoe, inhoeverre, en door wie het opdrogen van de subsipatroon van menselijk samenleven. De aard van het diekanalen aan dit bouwwerk ten gevolge van het werk (afmattende, stofrijke, zeer ongezonde omterugtreden van de mijnindustrie, zal worden opgestandigheden) en de daarmee verbonden specifieke vangen. technische en wettelijke voorzieningen (veiligheid, medezeggenschap), de bizondere financiële- en De overheid zal zich bij het gehele pakket van bemarktvoorwaarden (hoge loonquote i n het kostengeleidingsmaatregelen in het kader van d e induspakket, mobiel arbeidersbestand), de machtsvertriële herstructurering v a n Zuid-Limburg ernstig houdingen (waarbij een meer dan normale modus over haar taak in deze moeten bezinnen. van overheidsbemoeiing het distinctieve element vormt) en de ideologische (c.q, christelijke) supraBovendien: elke overgang naar een andere arbeidsstructuur vormen een samenstel van factoren, dat omgeving, van welke werknemer ook, betekent een een geheel eigensoortig conglomeraat van indusverlies v a n individueel geïnvesteerde kennis en triële betrekkingen heeft gecreëerd, waarvan de kunde en van vertrouwde psychische banden met weerslag op de gezinssituatie, het verenigingsleven, het bedrijf en een bepaalde groep van bedrijfsgehet onderwijs, het politieke en culturele leven, bi- noten. I n het geval van een oude industrietak komt zonder indringend is geweest. daar nog bij, het verlies van een in de loop der In een bepaald opzicht kan men de sluiting van de mijnen alleen maar toejuichen. Waar andere energiebronnen, die met minder sociale kosten kunnen worden geëxploiteerd, voorhanden zijn, kan het onverantwoord worden geacht werknemers te laten arbeiden in bedrijven waarvan de toekomstmogelijkheden in hoge mate onzeker zijn, die een zeer eenzijdige vakbekwaamheid vergen welke in andere bedrijven niet kan worden aangewend en in omstandigheden, die onmeetbaar veel lichamelijke en mentale inspanningen en letsels hebben gebracht. H e t aantal invaliden en lijders aan beroepsziekten in de mijnstreek is groot — al zijn t.a.v. arbeidshygiëne, bedrijfsgeneeskunde, en arbeidsveiligheid aanzienlijke vorderingen gemaakt — , het getal der vroeggestorvenen evenzeer. Denkbare gevolgen van de aard van de werkzaamheden voor het gezins- en gemeenschapsleven zijn: personen die niet in staat of te moe zijn voor bizondere sociale activiteiten, onvolledige gezinnen. Het veel geroemde solidariteitsbesef en de gecultiveerde beroepstrots van ondergrondse mijnwerkers
jaren moeizaam in h e t overleg van vakbonden en werkgevers opgebouwd geheel van sociale verworvenheden : hoge lonen en gunstige secundaire arbeidsvoorwaarden. Vooral de vormen van medezeggenschap in de Limburgse mijnindustrie gelden als toonbeelden van goede bedrijfsverhoudingen: de Mijn Industrie Raad, Ondernemingsraden, Ringen en Eenheidsvertrouwensmannen. Jonge vervangende industrieën zullen niet kunnen bogen op een dusdanig sociaal klimaat. Ook in dit opzicht rijst de vraag in hoeverre ex-mijnwerkers voor het verlies van juist deze, moeilijk te kwantificeren verworvenheden, schadeloos moeten worden gesteld. Nog afgezien van de boven gememoreerde meer dan normale schade, die het beoefenen van het mijnwerkersvak in de persoonlijke en de gezinsomstandigheden van de mijnwerker heeft gebracht — en waarvan veelal zonder meer wordt aangenomen, dat deze materieel is gecompenseerd door inconveniëntiepremies en bizondere uitkeringen, invaliditeitsrentes, pensioenvoorzieningen, etc. — zou aanspraak op een collectieve genereuse gouden 5
handdruk aan de mijnstreek kunnen worden ontleend aan het gederfd inkomen van de mijnindustrie als zodanig ten gevolge van een vooroorlogse nationale en internationale economische politiek, die andere bedrijfssectoren juist bewust heeft bevoordeeld (vooral de landbouw), alsmede op grond van de buitengewone diensten aan het Nederlandse bedrijfsleven en aan de nationale volkshuishouding in het algemeen bewezen. Hoe het geheel van totale centrale overheidsvoor-
zieningen m.b.t. het probleem der herstructurering van Zuid Limburg ook zal uitvallen, het succes van de getroffen maatregelen zal op de allereerste plaats afhangen van de inzet, daadkracht en samenwerkingsbereidheid van de betreffende regionale autoriteiten en bevolkingsgroepen. Aldus krijgt het in de aanvang geciteerde versje hernieuwde aktualiteit. M a ar dan uiteraard, met verandering van de derde regel, omdat van een „bis" wel geen sprake meer zal zijn.
Wetenschappelijk verzuim Het mag opvallend heten, dat de Nederlands-Limburgse mijnindustrie noch tot gespierde romans, noch tot autonome sociaal-wetenschappelijke studies, heeft geïnspireerd. De afhankelijkheidsrelatie industrieel bedrijf-gemeenschapsleven heeft hier immers in nationaal en internationaal opzicht een uniek verloop gekend. De voor vergelijkbare bedrijfstakken en gebieden karakteristiek dissociërende faktoren en ontkersteningsverschijnselen zijn nagenoeg uitgebleven. Er zijn tal van aanwijzingen, die de uitspraak zouden kunnen rechtvaardigen, d a t de Limburgse mijnwerker zich als beroepstype niet alleen van de kompels uit andere landen in gunstige zin onderscheidt, doch in arbeidsethos, sociale, culturele en religieuze instelling tot de hoogst gekwalificeerde categorieën van de arbeidersstand behoort. Waar de verhouding werkgevers-werknemersvertegenwoordigers in andere mijnbekkens meer dan in welke industrie ook gekenmerkt werd door sociale onlusten, heeft deze relatie in het Limburgse vrijwel steeds in het teken gestaan van het streven naar sociale vrede en verantwoordelijkheidsbesef.
door Drs. J. P. Meulmeester
Waar de vraagstukken van de onderlinge beïnvloeding van bedrijf en sociale omgeving als object van wetenschappelijke studie zijn te vinden op de snijlijnen van bedrijfssociologie, gemeentesociologie en sociaal werk, moet een centrale bestudering ervan in de huidige omstandigheden toevallen -aan universitaire instellingen.
De sociologie van arbeid en bedrijfsleven, alsmede de ecologie en sociale agogie zijn in het academisch onderwijs echter nog nauwelijks geëquipeerd; voorzover ze al van de grond zijn gekomen, staat de onderhavige problematiek daarenboven a a n de periferie van de onderscheiden belangsteliingssferen. Het komt mij voor, dat het gebrek aan alomvattende analyses van de sociale structuur van het Nederlands mijngebied zich bij de sociale begeleiding van de processen van de economische contractie (van de mijnindustrie) en expansie (van bestaande en nieuwe industrieën) zich te meer zal doen gevoelen, waar het de herstructurering van een geïntegreerd samenlevingsverband betreft. Veel inventiviteit en volharding zij dan ook toegewenst aan de interdepartementale Commissie voor Gebieden met Voorts kan men in gemoede spreken van een in Bijzondere Structuurveranderingen, wier taak erin hoge mate geïntegreerde sociale structuur, welke bestaat, n a te gaan in hoeverre bizondere aandacht juist mede door intense bemoeiing van de mijnen dient te worden besteed aan de sociale en culturele met allerlei vormen van gemeenschapsaktiviteiten is gevolgen van de voorgenomen economische omkunnen ontstaan en blijven voortbestaan. Klaarschakeling: het mentale klimaat, de houding t.a.v. blijkelijk werkt een dusdanige evenwichtige ontnieuwe vormen van werkgelegenheid en de gevolwikkeling minder op de verbeelding van romanciers gen van omschakeling voor het gezins- en gemeenen wetenschapsbeoefenaren dan spectaculaire anoschapsleven. Blijkens de nota van minister Den Uyl male processen en konfliktssituaties. Een tweede en staatssecretaris Bakker wordt daarbij onder meer verklaring voor de afwezigheid van fundamenteel gedacht a a n sociale voorlichting, opbouwwerk, sociaal-wetenschappelijk onderzoek is waarschijnlijk volksontwikkeling, complementaire arbeidsvoorziegelegen in de institutionalisering van de sociologiening en andere voorzieningen op maatschappelijk, beoefening hier te lande. cultureel, recreatief en sociaal-hygiënisch terrein.
* * *
6
Samenvatting nota Min, Den Uyl 1. Het sinds 1958/59 bestaande ruime aanbod van stookolie en van industriekolen uit derde landen tegen relatief lage prijzen heeft de — met relatief sneller stijgende kosten werkende — mijnindustrie ia West-Europa en ook in Nederland in een moeilijke concurrentiepositie gebracht, in het bijzonder ten aanzien van de industriekolen. 2. Verwacht moet worden, d a t deze ontwikkeling zich in de toekomst zal voortzetten. H e t afzctperspectief wordt voor de Nederlandse kolenmijnbouw nog moeilijker door de komst van het aardgas. Alleen voor de huisbrandkolen is er uitzicht op een redelijk-rendabele afzet. M e t de produktie van huisbrandkolen gaat echter technisch onvermijdelijk de produktie v a n industriekolen gepaard. Als gevolg hiervan verkeren ook de zogenaamde huisbrandmijnen structureel in een delicate positie. 3. Aan het volledig of zoveel mogelijk handhaven van de huidige produktie zijn overwegende bezwaren verbonden. De mijnindustrie zou grote verliezen gaan lijden, die weliswaar door omvangrijke steunmaatregelen zouden kunnen worden verkleind of opgeheven, maar waaraan toch nationaal-economisch grote offers zouden zijn verbonden. Bovendien is Zuid-Limburg niet gebaat bij. het volledig handhaven van een industrie, die niet langer als dynamisch element voor het gewest kan fungeren. 4. Ook aan het technisch zo snel mogelijk sluiten van de mijnzetels zijn overwegende bezwaren verbonden- H e t grootste bezwaar is, d a t alsdan een belangrijke werkloosheid zou ontstaan, waarvoor niet op zeer korte termijn voldoende vervangende werkgelegenheid kan worden gecreëerd. 5. D e Regering heeft, gelet op een en ander, besloten tot een combinatie van maatregelen: — produktiebeperking via sluiting van enkele mijnzetels tot 1970; — steunmaatregelen voor d e resterende mijnproduktie eensdeels via subsidies, anderdeels met name door langere termijnregelingen met grote binnenlandse afnemers van industriekolen; — een samenstel van maatregelen om de industriële herstructurering van Zuid- (en ook Midden-) Limburg krachtig aan te vatten. 6. D e thans voorgestelde beleidslijn ten aanzien van de geleidelijke afbouw van d e kolenproduktie zal naar het zich thans laat aanzien ook n a 1970 moeten worden voortgezet, indien er voldoende uitzicht is op vervangende werkgelegenheid. 7. D e steun die o p grond van d e wet van 1 juli 1948 a a n de mijnindustrie wordt toegekend wordt voortgezet. 8. D e op grond van de wet van 1 augustus 1964 aan de mijnindustrie verleende overheidssteun wordt eveneens voortgezet, terwijl de in de memorie van toelichting bij deze wet opgesomde omstandigheden, op grond waarvan de steunmaatregel kan worden ingetrokken, voorshands buiten beschouwing blijven. 9. Aan de mijnindustrie wordt, te beginnen met 1966, in het kader van artikel 2 van beschikking 3-65 van de Hoge Autoriteit een jaarlijkse subsidie
toegekend ten bedrage van de kosten van het demografisch excedent van deze bedrijfstak, berekend volgens de in hoofdstuk I V neergelegde principes. Bij de bepaling van de omvang van de kosten van het demografisch excedent blijven naast d e chemische bedrijven van de Staatsmijnen ook alle andere buiten het eigenlijke mijnbedrijf geëntameerde activiteiten buiten beschouwing. Het in het kader van artikel 2, tweede lid, van de beschikking van d e Hoge Autoriteit a a n de mijnindustrie te verstrekken subsidie wordt over alle mijnondernemingen verdeeld, naar rato van d e in het betrokken jaar o p de koolwinningsbedrijven drukkende sociale lasten. 10. T e n einde de particuliere mijnen in staat te stellen de produktie voort te zetten zolang de R e gering zulks met het oog op de werkgelegenheid en de voorziening met huisbrandkolen gewenst acht, ontvangen de particuliere mijnen, indien nodig, naast d e in punt 9 bedoelde uitkering Jaarlijks volgens een nog nader vast te stellen formule een bedrag der geproduceerde ton kolen. 11. D e particuliere mijnen ontvangen de onder 3 en 4 voorziene overheidssteun op voorwaarde d a t ieder van hen met de overheid een overeenkomst zal sluiten. I n deze overeenkomsten wordt een zekerheidstermijn van vijf jaar ingebouwd, gedurende welke de ondernemingen op overheidssteun kunnen rekenen. D e expiratiedatum van deze termijn kan telkenjare met één jaar worden verschoven. I n de overeenkomst worden de voorwaarden vastgelegd, die a a n d e subsidiëring zullen worden verbonden. Deze houden in, d a t : a. de uitkering van de steun zal plaatsvinden 18 maanden na het verstrijken van het boekjaar, vermeerderd met een rentevergoeding over 24 maanden^ b. de mijnonderneming niet tot sluiting overgaat, zonder d a t daaromtrent twee jaar tevoren overeenstemming is bereikt met de Minister van Economische Zaken; c. de overheid een optie verkrijgt bij verkoop aan derden van de mijn m e t bovengrondse werken tegen liquidatiewaarden. Bij geschil over de prijsbepaling wordt de uitspraak onderworpen a a n het oordeel van arbiters. Wanneer de onderneming niet aan de voorwaarden voldoet, vervalt elke aanspraak van de onderneming op nog niet uitbetaalde subsidiebedragen. 12. Voor 1965 zal een a d hoe-regeling worden getroffen, waarbij aan de gezamenlijke mijnen een steunbedrag wordt toegekend v a n maximaal ƒ 15 min. 13. Met de elektriciteitsbedrijven is een afzetregeling getroffen op grond waarvan deze bedrijven in de komende tien jaar jaarlijks 1,5 a 1,8 ton N e derlandse industriekolen zullen afnemen; de Hoogovens zullen het jaarlijks te betrekken quantum Nederlandse industriekolen verhogen tot ruim 0,5 min. ton.
7
14. Ten behoeve van de door mijnsluiting getroffen werknemers zegt de Regering toe: a. dat zij in zich voordoende gevallen een beroep zal doen op de Hoge Autoriteit om in het kader van artikel 56 van het E.CK.S.-verdrag een wederaanpassingsregeling te treffen volgens dezelfde modaliteiten als waaromtrent voor de integratie van de Staatsmijnen Emma en Hendrik overeenstemming werd bereikt; b. dat zij daarnaast aan de ondernemingen welke tot sluiting overgaan in het kader van artikel 4 van de beschikking van de Hoge Autoriteit financiële bijdragen zal verlenen voor door hen ten behoeve van de betrokken werknemers te treffen nadere voorzieningen. 15. De reeds in Limburg gevestigde industriële ondernemingen zullen langs de weg van hun normale expansie een belangrijke bijdrage kunnen leveren tot het scheppen van meer werkgelegenheid. Uit door de eerste ondergetekende ter zake gevoerde besprekingen is voorts komen vast te staan dat ook de grote ondernemingen die nevenvestigingen in Limburg hebben, het voornemen hebben deze in de komende jaren nog belangrijk uit te breiden. 16. Bevorderd zal worden dat door Van Doorne's Automobielfabriek N.V. in samenwerking met de Staatsmijnen een personenwagenfabriek in ZuidLimburg wordt gevestigd, waarbij — de Staatsmijnen deelnemen in het aandelenkapitaal van de D.A.F.-holding waarmee een bedrag van ƒ 66 min. is gemoeid, — door de overheid rente en aflossing wordt gegarandeerd op een lening maximaal groot ƒ 100 min., — een lening van ƒ 35 min. zal worden aangevraagd bij de Hoge Autoriteit, — de stimuleringsregeling voor industriële omschakeling in Limburg op dit project van toepassing zal worden verklaard. 17. Ter verbetering van de infrastructuur van Zuid-Limburg, met name wat betreft provinciale en gemeentelijke objecten, zal een bedrag beschikbaar worden gesteld van maximaal ƒ 62,5 min. voor de eerstkomende vijf jaren, hetgeen neerkomt op ƒ 12,5 min. per jaar aan te gane verplichtingen. Bovendien zal worden nagegaan welke mogelijkheden er bestaan om, in samenwerking met en in aansluiting op de door de lagere publiekrechtelijke
lirhamen uit te voeren werken, ook de uitvoering van enige rijkswerken te vervroegen of te versnellen. 18. O p een aantal industrieterreinen in ZuidLimburg zal een afzonderlijke premie- en prijsreductieregeüng van toepassing zijn, welke is afgestemd op de specifieke problematiek van dit gebied. 19. Een garantieregeling voor leningen zal in het leven worden geroepen waarbij zal kunnen worden uitgegaan van de bestaande regeling inzake „Bijzondere Financiering". Aan de toepassing van deze regeling zijn voor de rijksoverheid alleen risico's verbonden voor zover en in de mate waarin van deze faciliteit gebruik wordt gemaakt. 20. Aan de beroepskeuzevoorlichting, de scholing en herscholing zal bijzonder aandacht worden gegeven onder meer door vestiging van een permanente beroepententoonstelling en door vergroting van het bestaande centrum en stichting van drie nieuwe centra van vakopleiding. Met betrekking tot de afbeidsbemiddeling van als gevolg van de sluiting van mijnen afvloeiende werknemers zal via een tijdig en intensief overleg tussen het Directoraat-Generaal van de Arbeidsvoorziening en andere daarbij betrokken instanties een nauwe coördinatie worden nagestreefd. Voorts zal de uitrusting en bemanning van de arbeidsbureaus in het onderhavige gebied aan de situatie worden aangepast. 21. Omtrent de wenselijkheid van begeleidende maatregelen met betrekking tot het sociaal welzijn evenals met betrekking tot eventuele maatregelen op het gebied van het onderwijl wordt een nader onderzoek ingesteld. Opgemerkt zg nog, dat de eerste ondergetekende inmiddels de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zowel bij de Hoge Autoriteit in Luxemburg als bij de Europese Commissie het complex van maatregelen aan te melden. Voorstellen tot wijziging van de Rijksbegroting voor 1966 met betrekking tot het bovenstaande zullen binnenkort aan de Staten-Generaal worden toegezonden. De Minister van Economische Zaken, J. M. DEN UYL. De Staatssecretaris van Economische Zaken, J. A. BAKKER.