Skip to main content

1966 04

Page 1

Tilburgs jaargang 3

-

Hogeschoolblad nummer 4

maandblad

-

april 1966

W. A. F. M. van der Kruys L. P. H. Hensgens H. G. M, Dijstelbloem J. J. M, de Bont (Hoofd Bureau Senaat)

Redactie: P. J. G. Aarts P. H. A. de Bekker B.J. M. Giesen Redactie-adres: Hogeschoollaan 225, Tilburg

Ontwikkelingshulp Bank Indonesia in Indonesië. Sinds 1953 is hij verbonden aan d e Directie Internationale Technische Hulp van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, thans als hoofd van de afdeling voor het recruteren en uitzenden van deskundigen.

Ten behoeve van allen die geïnteresseerd zijn in de ontwikkelingshulp en eventueel ambities koesteren om na voltooing van hun studie in een van de ontwikkelingslanden gedurende enkele jaren werk zaam te zijn, verzocht d e redaktie a a n de heer H. W. te Winkel een artikel te schrijven over de uitzendingsmogelijkheden voor economen en sociologen.

Het bureau is gevestigd te -'s-Gravenhage, van Alkemadelaan 500.

De heer H. W. te Winkel studeerde Indologie te Leiden waarna hij vier jaar werkzaam was bij de

De Redaktie.

Uitzendingsmogelijkheden a l s a s s i s t e n t d e s k u n d i g e hulp betekent voor de laatste d a t hij een deel van zijn taak kan overdragen aan een assistent die met hem samenwerkt. Hierdoor kan het werk in het algemeen een grotere omvang en meer effect krijgen. Anderzijds ontvangt de assistent deskundige de gelegenheid een waardevolle praktische ervaring te verkrijgen. Deze ervaring heeft betrekking op de problemen van de ontwikkelingslanden, bepaald door de klimatologische en socio-culturele omstandigheden en tevens op de typisch adviserende aard van de technische bijstand.

In november 1954 werden de eerste Nederlandse assistent deskundigen uitgezonden. Zij traden in dienst van de Voedsel en Landbouw Organisatie van de Verenigde Naties en vertrokken naar verschillende landen. Daar werden ze toegevoegd aan een technische hulp deskundige, van wie ze leiding zouden ontvangen in h u n werk en die zij zouden ontlasten van een deel van zijn taak. Na de vijf assistent deskundigen, die in 1954 de spits afbeten, zijn er vele gevolgd. H e t totale aantal d a t tot eind 1965 uitgezonden werd is 185. Hiervan hebben honderd h u n werkzaamheid als assistent deskundige inmiddels beëindigd, terwijl de overige 85 nog hun taak vervullen. Het merendeel is uitgezonden op het gebied van de landbouw, bosbouw en veeteelt. Veel geringer is het percentage der economen en sociologen, terwijl het aantal assistent deskundigen op andere vakgebieden slechts gering is. Het assistent deskundigen programma is een onderdeel van de Nederlandse bilaterale technische bijstand. H e t is echter eveneens een extra bijdrage aan de hulpprogramma'* der Verenigde Naties, omdat de assistent deskundigen ter beschikking van de internationale organisaties worden gciltld1. Het doo van het programma is tweeërlei ger van jonge academici aan een en|a h(

irS^HÜfh

Het uitzenden van assistent deskundigen is aan enige beperkingen onderhevig. Niet alle ontwikkelingslanden zijn bereid onervaren jonge academici te aanvaarden, omdat naar de mening der autoriteiten de rol van assistent van de deskundige door jongeren uit het eigen land dient te worden vervuld. Een andere beperking is gelegen in het arbeidsterrein van de deskundige. Niet alle adviserende arbeid leent zich tot het afsplitsen van een deeltaak die door een assistent deskundige zou kunnen worden verricht. Dit geldt bijvoorbeeld voor een onderwijsdeskundige die adviezen moet uitbrengen over de organisatie van het onderwijs in -««1 «••'••••l-l-"'.""pl™^ Tf-^^^yp

jj_QJ^_jn^»»» ( ] e s .

J ^ ' ï ^ f €5sïhf¥Ë!ïï"iCd 1ïytj-gevf

k

van efen assistenr ue^Kcfrv ijWBi

KATHOLIEKE HOGESCHOOL

/ó//

de arbeid


In verband hiermee is het te begrijpen, dat de concrete programma's tot ontwikkeling van de landbouw en veeteelt de meeste aanknopingspunten hebben geboden voor het inschakelen van assistent deskundigen. O p andere vakgebieden, zoals het onderwijs, de bevordering van de produktiviteit, de ontwikkeling van gezondheidszorg, verkeer, indiutrie e.d. is het veel moeilijker gebleken jongeren in te schakelen. Dit geldt ook voor economen en sociologen die in de praktijk slechts voor een beperkt aantal specifieke taken konden worden uitgezonden. Wat betreft de economen gaat de voorkeur van de internationale organisaties uit naar hen die zich enigermate hebben gespecialiseerd in de mathematische behandeling van economische problemen. In vele landen zijn deskundigen betrokken bij het samenstellen van ontwikkelingsplannen, het opzetten van een planbureau of dienst voor de statistiek en het opleiden van personeel in de behandeling der economische ontwikkelingsvraagstukken. Een nadere specialisatie is de „manpower planning" en de planning van het onderwijs, beide gezien als onderdeel van een alles omvattend ontwikkelingsplan. Ook voor de landbouw denkt men aan een zelfde benadering, zodat ook deze in het grotere geheel wordt ingepast. Het ligt voor de hand d a t voor deze functies een goede kennis van de statistiek wordt gevraagd. Andere terreinen van de economie waarop assistent deskundigen worden gevraagd zijn de transporteconomie en de organisatie van de afzet van produkten, vooral landbouwprodukten. Ook hier gaat het om de algemene ontwikkeling van het betrokken land of om de ontplooiing van een bepaalde sector. De vraag naar bedrijfseconomen is zeer gering, omdat de technische hulp zich vrijwel geheel in de sfeer van de overheid en de zich daar voordoende probleemen afspeelt. Als arbeidsterrein voor sociologen in het kader van de ontwikkelingshulp kan vooral de „community development" worden genoemd. Zowel bij het organiseren van programma's op dit gebied als voor het opleiden van medewerkers, die in de dorpen de voorlichting moeten geven, wordt graag van assistent deskundigen gebruik gemaakt. Het aantal programma's is evenwel beperkt en derhalve ook de mogelijkheid voor een uitzending op dit gebied. Behalve voor de praktische maatregelen om te komen tot sociale veranderingen in de dorpsgemeenschappen worden jonge sociologen ingeschakeld bij sociaal onderzoek. Het gaat hier meestal om het bestuderen van de sociale aspecten van maatregelen die voor de ontwikkeling van het land nodig zijn. Het bekendste voorbeeld is de landhervorming die in verschillende landen wordt doorgevoerd en die vaak ingrijpende veranderingen in de sociale positie van de landbouwers ten gevolge heeft. Een nadere bestudering van de hier verbonden problemen kan het aanpassingsproces geleidelijker doen verlopen. Het is o.a. de U N E S C O die zich met het

2

sociaal onderzoek bezig houdt en die in beperkte mate assistent deskundigen hierbij inschakelt. Ook buiten het kader van de Internationale organisaties zijn er soms mogelijkheden om een nuttige bijdrage tot de ontwikkelingshulp te geven. Deze liggen vooral in de contacten met universiteiten in de ontwikkelingslanden, die een beroep doen op Nederland om behulpzaam te zijn bij de uitbreiding en verbetering van het onderwijÂť. De behoefte aan goed opgeleide economen is groot in deze landen, terwijl er ook een groeiende belangstelling is voor de sociologie. Hoewel voor deze functies in de eerste plaats docenten met enige onderwijs- en researchervaring benodigd zijn, is het mogelijk ook hier met succes jongeren in een assistenten-positie beschikbaar te stellen. Aan de uit te zenden kandidaten worden verschillende eisen gesteld. Het ligt voor de hand dat een goede vakkennis onontbeerlijk is. I n verschillende gevallen wordt zelfs een zekere specialisatie gevraagd, zoals hierboven reeds bleek voor de economen. Opleiding en soms ook enige praktische ervaring moeten zijn afgestemd op de taak die in het betrokken ontwikkelingsland verricht zal moeten worden. In niet mindere mate is een goede talenkennis vereist, vooral van het Engels en in sommige delen van de wereld van het Frans of het Spaans. Een redelijke spreekvaardigheid is onvoldoende, omdat ook de periodieke raporten in de vreemde taal moeten worden geschreven. Behalve op deze vereisten dient ook gewezen te worden op het aanpassingsvermogen en enthousiasme die beide bepalend zijn voor het succes van de werkzaamheid in het kader van de technische hulp. Het is een onbekende omgeving waarin gewerk moet worden, met in velerlei opzicht andere normer andere behoeften, andere gebruiken. Kennis die wordt gebracht moet worden aangepast, methoden moeten worden afgestemd op de andere situatie, aanknopingspunten voor een met succes verrichten van de taak moeten soms met moeite worden gezocht. Tot deze aanpassing, tot het winnen van vertrouwen zal de assistent deskundige bereid en in staat moeten zijn. Voorwaarde hiertoe is dat hij met enthousiasme deze taak op zich neemt, niet om er zelf beter van te worden maar in de eerste plaats om een bijdrage te geven tot de sociaal-economische ontwikeling van het betrokken land. Assistent deskundigen worden voor een beperkte tijd uitgezonden. I n het algemeen is deze periode drie jaren. Door eigen werkzaamheid maakt de assistent deskundige kennis met het ontwikkelingswerk, kan zijn bruikbaarheid voor deze arbeid blijken en kan hij zich een redelijke ervaring verwerven. Dit kan een basis leggen voor een voortgezette werkzaamheid in het kader van de technische hulp. Soms is een internationale organisatie bereid zijn dienstverband te verlengen, soms ook zijn er andere mogelijkheden voor een nieuwe uitzending.


Een garantie kan hiervoor niet worden gegeven. Het komt ook voor, dat de assistent deskundige na drie jaren naar Nederland terugkeert en hier een werkkring aanvaardt, al of niet betrekking hebbend op de ontwikkelingshulp. De assistent deskundige moet bereid zijn dit risico te aanvaarden in de ver-

wachting gedurende enige jaren een interessante en nuttige werkkring te zullen hebben. Wel wordt van Overheidswege getracht de verkregen ervaring meer en meer dienstbaar te maken voor de taak van Nederland in de ontwikkelingshulp.

H. W. te Winkel.

De bijdrage v a n w e t e n s c h a p e n techniek a a n ontwikkelingslanden I n de derde zitting, in april van dit jaar, van de adviescommissie der Verenigde Naties voor de toepassing van wetenschap en techniek heeft rij aanbevelingen voor de Economische en Sociale Raad voorbereid terzake van de dienstverlening van wetenschap en techniek aan de economische en sociale vooruitgang in de ontwikkelingslanden. Bij die gelegenheid heeft René Maheu, de directeur-generaal van de U.N.E.S.C.O., gesteld dat het de U.N.E.S.C.O. erom gaat, westerse wetenschap werkelijk in te planten in deze nieuwe landen. Zij doet dat enerzijds door basisactiviteiten (zoals het onderwijzen van wetenschap, het organiseren van wetenschappelijke documentatie, het ter plaatse produceren van wetenschappelijke instrumenten en het „plannen" van het onderwijs binnen het kader der economische ontwikkeling), anderzijds door rechtstreekse toepassing van wetenschap op de ontwikkeling zelf. Voor dat laatste moeten behoeften en doeleinden nauwkeurig worden vastgesteld, wetenschapsmensen en technici worden geoefend, onderzoekingen worden georganiseerd. Daarbij blijkt dat de traditionele onderwijsmethoden niet meer aan de behoeften voldoen. De afdeling van de U.N.E.S.C.O. voor de bevordering van de wetenschap heeft daarvoor de adviescommissie der Verenigde Naties de volgende overwegingen voorgelegd. Wil een land economisch onafhankelijk worden, dan heeft het een gezonde wetenschappelijke structuur nodig, een centraal bureau dat het wetenschapsbeleid bepaalt, geoefende onderwy» - en onderzoek deskundigen, mogelijkheden voor voortgezette wetenschappelijke en technische scholing, een brede natuurwetenschappelijke opleiding op de middelbare scholen en een schoolsysteem waarin de leerlingen de beginselen der wetenschap worden bijgebracht. Want de wetenschap heeft niet alleen een gunstige uitwerking op economisch gebied, maar ook op cultureel, intellectueel en moreel terrein. Het natuurwetenschappelijke onderwijs in de ontwikkelingslanden stelt ons voor verschillende vragen. Een gespecialiseerde technicus kan nuttig zijn, maar wil hij veelzi jdigcr bruikbaar zijn, dan zal hij een bredere wetenschappelijke opleiding gevolgd moeten hebben; waar ligt het juiste evenwicht? Hoe moet de verhouding liggen tussen theoretisch onderwijs, eigen studie en practische experimenten? In welk stadium is een student rijp voor specialisatie, selectie? Eigenlijk zou voor het uitwerken van antwoorden op deze vragen onderzoek en overleg op wereldschaal nodig zijn, waarbij wetenschapsmensen, overheidsvertegenwoordigers, onderwijsdes-

kundigen ken.

en

beroepenadviseurs

worden

betrok

Hoewel wij nog volop in een stormachtige ontwikkeling van de wetenschappen verkeren, kunnen de ontwikkelingslanden al profiteren van verschillende onderzoekingen op het gebied van onderwijsmethoden. Bij een nieuwe aanpak van het onderwijs in de natuurwetenschappen zal moeten worden uitgegaan van de volgende beginselen: 1) de wetenschap is niet meer een geheel van onwrikbare feiten, maar een wijze van ontdekking van een universum, dat nog niet geheel bekend is, maar steeds beter gekend kan worden; 2) het onderwijs zal niet meer op examens en specialisering gericht moeten zijn, maar op het bijbrengen van algemene principes, wetenschappelijke begrippen en geestelijk aanpassingsvermogen; , 3) in de plaats van de studie van abstracte vraagstukken komt het stellen van vragen omtrent concrete problemen; 4) proeven moeten niet worden voorgedaan, maar door de studenten zelf ondernomen; 5) de docenten moeten geen afgerond stelsel van feiten geven, maar hun leerlingen tot eigen onderzoek prikkelen. Dit betekent een levendiger, fantasierijker, persoonlijker manier van doceren. Zulke methoden zullen in de hele wereld ontwikkeld moeten worden. Daarom heeft de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties dan ook vorig jaar voorrang gevraagd voor de ontwikkeling van nieuwe onderwijs- en oefenmethodes voor de ontwikkelingslanden. Op grond daarvan is de U.N.E.S.G.O. begonnen met een project voor natuurkunde-onderwijs in Latijns Amerika, dat gevolgd zal worden door een project voor scheikunde-onderwijs in Azië en een project voor biologie-onderwijs in Afrika, en tenslotte een project voor wiskunde-onderwijs. Daarbij zullen alle organisaties die op dit gebied werkzaam zijn, moeten worden betrokken. Begonnen zal worden met programma's en materialen voor natuurwetenschappelijk onderwijs op de middelbare scholen; maar ook op de andere niveaus, van lagere school tot volwassenen-onderwijs, zullen deze nodig zijn. En dat geldt ook voor de westerse landen, die in dit opzicht ook nog onderontwikkeld zijn en waar de afstand tussen wetenschapsmensen en het publiek nodig verkleind moet worden. („Unesco Chronicle", XI.5)

3


Universiteit e n overheid bij d e i n t e r n a t i o n a l e h u l p v e r l e n i n g Naarmate de bijstand aan ontwikkelingslanden intensiever wordt, neemt de behoefte aan duidelijke lijnen voor de taak van universiteit en overheid toe.

en universiteit moet een onderzoek-en-ontwikkelings-factor bevatten, zodat daarmee de eigen mogelijkheden tot hulpverlening worden verrijkt.

Moeilijkheden liggen in het algemeen niet op het principiële, maar op het practische vlak. Er kan binnen een universiteit een moeilijk glad te strijken verschil in beleid zijn tussen de topleiding en de uitvoerende organen. Bij uitzending op regeringscontract naar een post in het buitenland (meest van opvoedende of raadgevende aard — bij uitzondering op het gebied van wetenschappelijk onderzoek) kan men angst hebben voor zijn wetenschappelijke prestige, omdat de verrijkende ervaring buitenslands soms moeilijk is af te wegen in verhouding tot de „waardevermeerdering" van de collega die zijn onderwijs en onderzoek thuis voortzet; deze psychologische weerstanden belemmeren wel eens het vinden van gekwalificeerde docenten voor jarenlange uitzending. Ook universiteiten zijn instellingen waar interne vernieuwingen maar langzaam tot stand komen — te weinig is men geneigd, zijn bestuurs- en personeelsbeleid op de uitzending van wetenschappelijke krachten in te stellen.

Daar waar het regeringsbeleid duidelijk en ferm zou moeten zijn, zoals bij financiële steunverlening, is het te vaak verward en zwak geweest; daar waar flexibiliteit essentieel is, zoals bij de programmauitvoering, is het regeringsbeleid te vaak star geweest.

Voor een goede samenwerking tussen regering en universiteiten moeten de volgende overwegingen in acht genomen worden:

3) binnen de algemene lijnen van het contract moet aan de universiteit een hoge mate van flexibiliteit en volgen van eigen inzicht zijn toegestaan;

Alle consequenties van een hulpprogramma en de daarvoor te maken contracten moeten goed worden overwogen en doorgepraat, zodat de mensen in het veld, bij zich voortdoende moeilijkheden, voldoende gesteund worden en niet, door een zekere weerzin bij de uitzendende autoriteiten, de contracten aan de krappe kant worden uitgelegd. Hulpverlening die volledig vreemd - is aan het eigen onderwijsprogramma moet worden afgeraden; de opdracht moet passen in de eigen strategie. Zowel de uitzending als de wederopvanging zal goed moeten worden voorbereid. De organisatie van dit alles zal aan speciale mensen moeten worden opgedragen. Dezen hebben ook tot taak een goede regeling van de communicatie tussen uitgezonden groep en de uitzendende universiteit.

4) elke belangrijke overeenkomst tussen overheid

„Current Issues in Higher Education" 1964

Dezer dagen vertrekt prof. dr. L. H. Janssen S.J. naar Lima. Prof. Janssen is hoogleraar in de leer van de economische en sociale aanpassing van de ontwikkelingslanden aan de Katholieke Hogeschool in Tilburg. Hij gaat in Lima leiding geven aan de oprichting van de sectie ontwikkelingseconomie van de nieuwe sociologische faculteit van de „Pontificia Universidad Católica del Peru", de katholieke universiteit van Lima.

dragen kunnen leveren aan de oplossing van de problemen van de ontwikkelingslanden.

1) geen universiteit kan zich instellen op internationale bijstand wanneer de geldelijke hulp der regering onderhevig is aan plotselinge, onvoorzienbare, willekeurige wijzigingen; 2) een programma van bijstand moet niet voor een korter tijdvak worden ontworpen dan nodig is voor de volledige uitvoering ervan;

De samenwerking, zoals die nu is ontstaan tussen de Tilburgse hogeschool, de Nijmeegse universiteit en de katholieke universiteit van Lima, is gebaseerd op de idee dat ook de Nederlandse instellingen van wetenschappelijk onderwijs hun eigen bij-

4

Het object en de duur van de hulp moeten duidelijk vaststaan. Daaraan moet dan niet meer worden getornd. Veel universiteiten verkijken zich op de voordelen uit uitzending, met werkelijkheidszin zal daartegenover ook in rekening moeten worden gebracht wat een universiteit die krachten afstaat daarmee mist aan boeken die niet geschreven en onderzoekingen die niet voortgezet worden. Toch kan, bij een vast uitzend hele id, een universiteit die docenten uitzendt daarbij zelf gebaat zijn door verbreding van haar zicht en verbetering van haar onderwijsmethoden.

Nadat in 1963 wijlen prof. Terlingen (Nijmegen) de eerste contacten met de katholieke universiteit in Lima had gelegd, heeft prof. Janssen in 1964 Peru bezocht om de situatie ter plaatse te beoordelen. Op grond van zijn waarnemingen heeft hij toen voorgesteld, aan de katholieke universiteit in Lima een sociologische faculteit op te richten in samenwerking tussen de Tilburgse hogeschool, de Nijmeegse universiteit, de Nederlandse regering en „Nuffic" (Stichting voor Internationale Samen-


werking van de Nederlandse Hogescholen).

Universiteiten

en

Om deze interuniversitaire samenwerking van voldoende wetenschappelijk gehalte te doen i y n (ook met betrekking tot de selectie van deskundigen) en de uitgezonden deskundigen van voldoende steun vanuit Nederland te verzekeren, is een werkgroep geformeerd onder voorzitterschap van prof. Janssen, waarin voort) zitting hebben de Nijmeegse docenten prof. dr. E. M. A. A. J. Allard, prof. mr. L. G. A. Schlichting en dr. G. van den Steenhoven, en de Tilburgse hoogleraar dr. R. A. de Moor. Secretaris van de werkgroep is dr. J. C. M. Bakker, hoofd van de afdeling algemene zaken van Nuffic. De uitzending van deskundigen wordt gefinancierd door en ressorteert onder het Deskundigen Programma van de Directie Internationale Technische Hulp van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Er zyn eveneens kontakten gelegd met de Facultés Catholiques te Lille in Frankrijk en met de Notre Dame University te New York in de Verenigde Staten. Het is de bedoeling, dat Tilburg en Nijmegen de sectie sociologie, Lille de sectie ontwikkelingseconomie en Notre Dame University de sectie politiek onder hun hoede zullen nemen. Inmiddels is op 1 april 1965 de Tilburgse socioloog drs. K. Vermunt in Lima begonnen met het geven

Kort

verslag

georgBnlseerd

van door

van colleges in de geschiedenis en de theorie van de sociologie en met praktica betreffende de methodologie van het sociale onderzoek. In augustus 1965 is als leider en coördinator van het sociologenteam dr. Ch. Bertholet uit Tilburg naar Lima vertrokken, een maand later gevolgd door dr. B. van Heek uit Nijmegen. Uit de voortgangsrapporten van dr. Bertholet spreekt een optimisme dat de voortzetting van het project rechtvaardigt. De meeste moeilijkheden zijn van secondaire aard en een redelijke oplossing daarvan ligt binnen het bereik der mogelijkheden. Rond de economische sectie zyn echter problemen gerezen omdat de Universiteit van Lille door omstandigheden vooralsnog niet in staat is aan het project mee te werken. Omdat niettemin de opleiding van economen op 1 april 1966.moet beginnen, is nu van Nederlandse zijde besloten dat Tilburg eveneens de sectie ontwikkelingseconomie voor zijn rekening zal nemen. O p verzoek van de katholieke universiteit van Lima vertrekt eind maart prof. Janssen met een van zijn assistenten, drs. M. Boenders, naar Lima om leiding te geven aan de oprichtingsactiviteiten in de beginfase van de sectie ontwikkelingseconomie. Prof. Janssen blijft 4 maanden in Lima, drs. Boenders is voorlopig voor 1 jaar benoemd, in afwachting van het verloop der ontwikkeling.

de

lezingencyclus

P a x

Romana/Alma

Inleiding tot de a l g e m e n e problematie k v a n d e ontwikkelingslande n ƒ De motivering van de ontwikkelingshulp, (lezing door Prof. Janssen op 16 november 1965). In de huidige tijd praat iedereen over ontwikkelingshulp, en we zien ook dat deze hulp wordt verstrekt, maar waarom eigenlijk? Een redacteur van Paris Match, Cartier genaamd, is van mening dat ontwikkelingshulp uit den boze is. Hij meent dat er alleen maar ontevredenheid mee wordt gewekt en versterkt, dus alle hulp is verspilling. In de praktijk zien we dat de hulp toch wordt verstrekt. D e meest verspreide gedachte is, dat deze hulp verleend wordt uit overtuigingen van ethisch humanitaire aard. Deze gedachte is echter veel te idealistisch en ook niet volgens de werkelijkheid. In het handvest van de V.N. staat wel aangegeven dat de lid-staten elkaar zullen helpen een zo hoog mogelijk sociaal-economisch welvaartsniveau te bereiken, maar deze stelling op zich heeft niets bijgedragen aan enige hulpverlening. Pas sinds 1949, toen de V.S. in hun „State of the Union" onder punt vier een hulpprogram instelden, waarbij zij zich inzetten voor de vergroting van de welvaart in de wereld, is er effectief gewerkt aan

ontwikkelingshulp. Naast dit „Point Four Program" moet ook de Marshall-hulp genoemd worden. De achtergrond van deze beide projecten was echter de machtsstrijd tussen de V.S. en de U.S.S.R. Een levend bewijs hiervoor is o.a. het hulp-programma van de V.S. aan de landen afzonderlijk. Zo werden de volgende programma's verwezenlijkt: Help to Greece, Help to Turkey, Help to China. Is het niet frapant, dat deze landen de U.S.S.R. precies omsluiten ? Van de kant van de U.S.S.R. en later ook van China werd nu ook aandacht aan dit probleem besteed, maar ook hier niet uit ethischhumanitaire overwegingen. Het machtsmotief is in Europa niet zo sterk als daarbuiten, daar gelden meer andere motieven. Indien we een opsomming geven van de motieven tot het verstrekken van ontwikkelingshulp, kunnen we de volgende onderscheidingen maken: a. Het machtsmotief: behandeld.

wat hierboven reeds werd 5


Het economisch motief: de ontwikkelingslanden worden gezien als grondstoffenleveranciers en als afzetmarkten. Indien het land steun wordt verleend, wordt het rijker en kan het dus meer produkten afnemen. Wegens de schaarste van de grondstoffen in de wereld moeten de ontwikkelingslanden te vriend worden gehouden. De argumenten van het economisch motief zijn niet bijzonder sterk. De hoeveelheid grondstoffen is bepaald niet schaars. H e t bewijs hiervoor is de daling van de prijs van grondstoffen op de wereldmarkt, wegens een overvloedig aanbod.

h. Het historisch motief: vanwege de banden met het land in het koloniale tijdperk, wordt het contact gecontinueerd en geeft het ontwikkelde land nu hulp. Vaak is de verhouding tussen de landen nog hetzelfde, alleen gebeurt een en ander in een andere vorm (neo-kolonialisme). Het zal duidelijk zijn, dat de verschillende motieven niet strikt gescheiden kunnen worden, en ook niet gescheiden optreden. Het is vaak zo, dat aspecten van velerlei motiveringen ertoe leiden, dat hulp geboden werd. Hoe staan de ontwikkelingslanden ontwikkelingshulp ?

nu tegenover

de

1) in ruime zin: dan betreft het de opvattingen over de mens, de maatschappij, de democratie etc. die men in die ontwikkelingslanden wil overbrengen, mede om de eigen opvattingen te kunnen handhaven.

In de ontwikkelingslanden beschouwt men deze hulp als een recht! De hulp die hen verleend wordt is niet zomaar gegeven, maar ze wordt verstrekt, omdat de ontwikkelingslanden recht op hulp hebben. Vaak krijgt men wel met opportunisme te maken: vanwege de bestaande machtsstrijd proberen de landen van twee kanten voordeel te behalen. Het blijkt ook, dat de deskundigen van de V.N. veel meer vertrouwen genieten, dan de specialisten uit de afzonderlijke landen. Dit wijst er dus op, dat multilaterale hulp de voorkeur zou moeten hebben. Tot slot dient nog te worden opgemerkt, dat het efect van onze hulpverlening voor een zeer belangrijk deel afhangt van de manier waarop het het gebracht wordt. Een hooghartige houding met negatieve van de sociale gewoonten van de bevolking, zal geen positief effect sorteren, en misschien zelfs wel negatief werken.

2) in expliciete zin: de overdracht van het eigen cultuurpatroon. Hierbij moeten we vooral denken aan Frankrijk en de V.S. (the American way of live!)

/ / De economische aspecten van de ontwikkelingsproblematiek (lezing door prof. Janssen op 16 november 196S).

Het koopkrachtsargument is ook niet bestand tegen gegronde kritiek: het alternatief van het opvoeren van de koopkracht in d e , ontwikkelingslanden is bet aanwenden van het kapitaal elders, en daar kan beslist een hoger rendement worden behaald. Daarbij komt nog, dat door de hulp de ontwikkelingslanden in de eerste twintig jaar in betalingsbalansmoeilijkheden komen te verkeren, wegens de langlopende verplichtingen. Het culturele motief: hierbij kunnen we nog de volgende onderverdeling maken:

Het concurrentiemotief: als het ene land hulp verleend, dan vindt het andere land dat het ook niet achter kan blijven.

Voor de al of niet ontwikkeldheid van landen kunnen we verschillende kenmerken aangeven:

Het vredesmotief: men is er rationeel (!) van overtuigd, dat op den lange duur in onze wereldsamenleving de vrede niet kan worden gehandhaafd, als er grote tegenstellingen bestaan w.b.t.-rijkdom tussen de volkeren.

2) het percentage van de beroepsbevolking werkzaam is in de agrarische sector,

Het schuldgevoelmotief: vooral de U.S.S.R. beweert dat dit een van de voornaamste motieven tot het verlenen van ontwikkelingshulp is. De koloniale mogendheden gevoelen t.o.v. hun vroegere koloniĂŤn schuld, vanwege hetgeen ze deze landen tekort hebben gedaan. Het ethisch-humanitaire motief: de gedachte, die achter deze motivering schuilt, kwam het eerst op bij de burgerbevolking. Pas in tweede instantie werd deze motivering in de politiek ingebouwd. Door de grote economische ontwikkeling in de twintigste eeuw van de ontwikkelde landen, bestond de mogelijkheid hulp te verlenen zonder gevaar voor eigen welvaart. En toen men bemerkte dat het kon, moest het ook gebeuren. Deze overwegingen zouden, indien de institutionalisering daarvan volledig resultaat heeft afgeworpen, kunnen leiden tot sociale rechtvaardigheid op wereldniveaus.

1) het inkomen per hoofd van de bevolking,

3)

dat

de hoogte van de spaarquote,

4) de gerichtheid van de economie op het eigen land of op het buitenland, 5) de gelijkheid of ongelijkheid van de inkomensverdeling, 6) de toestand op infrastructureel

gebied,

7) de mate waarin de bevolking toeneemt. Bezien we de situatie in de ontwikkelingslanden, dan valt ons op, dat we op velerlei gebied te maken krijgen met vicieuze cirkels. De vicieuze cirkel van de armoede: omdat het land arm is, kan het noch investeren noch sparen, waardoor het arm blijft. De vicieuze cirkel van de ontwikkeling: de economische ontwikkeling van het land wordt belemmerd door het ontbreken van de sociale voorwaarden, terwijl de ontwikkeling van de sociale voorwaarden geremd wordt door het ontbreken van de juiste economische voorwaarden.


De vicieuze cirkel van het onderwijs: doordat het onderwijs slecht is, kunnen er geen goede leerkrachten worden voortgebracht, waardoor het onderwijs slecht blijft. De vicieuze cirkel van de gezondheid: doordat de gezondheid slecht is, kan de produktie niet groot zijn, welke lage productie weer een slechte gezondheidstoestand bevordert. Het is duidelijk, dat zonder hulp van buitenaf, geen ontwikkeling kan plaatsvinden. We zien dan ook dat na de tweede wereldoorlog deze hulp een grote vlucht heeft genomen. III De demografische aspecten van de ontwikkelingslanden, (lezing door Prof, Godefroy op 21 oktober 1965). Indien we de demografische situatie van de ontwikkelingslanden beschouwen, dan zien we een zeer snelle bevolkingstoename in de laatste decennia. Waardoor wordt deze toename veroorzaakt? ledere mutatie in bevolkingsgrootte binnen een bepaald land is het resultaat van enkele aftrekposten: geboorte — sterfte, waarvan weer wordt afgetrokken immigratie — emigratie. In de ontwikkelingslanden kunnen we voor watt betreft de huidige situatie de migratieverschijnselen verwaarlozen. Rest ons dus te concluderen, dat de grote bevolkingsgroei veroorzaakt wordt door een groot geboorteoverschot. Hoe krant het nu, dat het overschot in de laatste decennia zo sterk is toegenomen? Door de confrontatie met de westerse beschaving, en de morele instelling dat de dood van mensen zo mogelijk moet worden vermeden en verhinderd, is het sterftecijfer in de ontwikkelingslanden gaan dalen van 3 % naar 2 % . Deze daling zet zich met het voortschrijden van de medische wetenschap nog steeds voort. Het geboortecijfer is echter constant gebleven, nl. 4l/3%. Wat moet nu gezegd worden over de constante situatie? Algemeen aanvaard wordt, dat de situatie niet wenselijk is, zodat er iets aan gedaan moet worden; in China en Indonesië ziet men het probleem van de bevolkingsexplosie niet, men wenst er althans niets tegen te doen. In de meeste landen wil men wel iets tegen deze, ongewenste, ontwikkeling. Men streeft daar naar een verlaging van het geboortecijfer. Het is bekend, dat demografische omschakelingsprocessen langzaam verlopen. De meest optimistische schattingen variëren van 20 tot 25 jaar. „Hoe moet men dit urgente probleem nu aanpakken? Er is een stelling die zegt dat, indien de economische omstandigheden veranderen, het geboortecijfer vanzelf gaat dalen, terwijl anderen daarentegen van mening zijn, dat begonnen moet worden met het geboortecijfer hoe dan ook te laten dalen, waardoor dan de economische omstandigheden ook beter kunnen worden veranderd. Indien de tweede stelling aangehangen wordt, dan zal de demograaf gaan analyseren: het vruchtbaar-

heidscijfer moet worden beïnvloed. Dit kan langs twee wegen worden benaderd: nl. via het veldexperiraent, d.w.z. voorlichting en hulp ter plaatse, en via de historische analyse, waarbij we bekijken, hoe soortgelijke problemen in het verleden zijn opgelost. Beginnen we met de historische analyse, dan bekijken we de situatie in 't Europa van de vorige eeuw. Na een aldaar opgetreden sterke sterftedaling is na verloop van tijd ook de geboortedaling ingetreden. Welke factoren waren daar nu debet aan? Stellen we de situatie van de vorige eeuw tegenover de situatie nu, dan bemerken we het volgende: — vroeger werd er minder en later gehuwd dan nu, wat veroorzaakt wordt door sociaal-economische factoren, — vroeger was er sprake van een aanzienlijke kindersterfte, nu niet meer, wat ook weer meer levenden geeft, die t.z.t. huwen, — vroeger was er een veel geringere differentiatie in de beroepen, waardoor de mogelijkheid tot maatschatppelijke stijging w.b. aanzien d.m. v. het beroep veel kleiner was dan nu. — vroeger werd er totaal niet aan kinderbeperking gedaan, nu wel. Bezien we deze schets, dan bemerken we dat de invloed op het bevolkingsaantal verschillend is. Het grote gezin wordt tegenwoordig in discussie gesteld en vaak reeds afgewezen, ook al, doordat stijging in de maatschappij ten behoeve van enkele kinderen gemakkelijker gerealiseerd kan worden, dan ten behoeve van zeer veel kinderen. Een groot aantal kinderen kan zelfs een belemmering vormen voor de stijgingsmogelijkheid in de maatschappij, vanwege de hoge kosten verbonden aan een groot huisgezin en tegenwoordig het verlies in aanzien! Opmerkelijk is tevens, dat de geboortedaling het eerst is ingezet in de steden, wat het gevolg is van de rationele levenshouding die men daar heeft. Voor de bevolkingsproblematiek in de westerse landen zijn de volgende factoren van groot belang geweest voor de oplossing: 1) een optredende sterftedaling, 2) een ontwikkelde samenleving, 3) een rationele levenshouding. In de ontwikkelingslanden is de eerste factor zeker aanwezig, maar de tweede landelijk gezien zeker, niet. Indien we het er nu over eens zijn, dat geboortedaling vanzelf optreedt als de economische omstandigheden verbeteren, dan moet de tweede factor sterk benadrukt worden. Een geheel andere methode bestaat uit het beïnvloeden van factor 3 ) , en wel door een directe ingreep op de vruchtbaarheid: voorbehoedmiddelen en sterilisatie. (N.B. Er wordt wel gesteld, dat het gebruik maken van voorbehoedmiddelen

7


.en het toepassen van de sterilisatie de logische consekwentie is van het verschaffen van medische hulp, de oorzaak van de sterftedaling!) Bij het beïnvloeden van deze factor moeten we echter terdege onderkennen, dat dit een sociaal-psychologisch probleem is, dat dus samenhangt met plaatselijke omstandigheden en gebruiken, en met de mentaliteit van de mensen. Het is geen louter technisch probleem, zoals vaak wordt gedacht. Het is ook duidelijk, dat ieder land een eigen benaderings wijze nodig heeft: in ieder land bestaat dus eigenlijk een apart bevolkingsprobleem. Wil men de mensen tot andere gedachte brengen aangaande kindertal, dan vereist dat een motivering binnen hun eigen normenstelsel. In dit verband zijn enige historische gebeurtenissen interessant. I n Puerto Rico is men reeds in de jaren 30 van deze eeuw begonnen met het geven van voorlichting op het gebied van het gebruik van voorbehoedmiddelen. De kennis en de middelen werden verstrekt. De resultaten waren echter nihil. Blijkbaar krijgt men geen gunstig resultaat als slechts gelegenheid geschapen wordt tot verandering. Men dient de mensen er te van overtuigen, dat deze verandering noodzakelijk is. I n India heeft men via enquêtes vastgesteld, dat het aantal wenskinderen 3 a 4 bedraagd. Onder leiding van sociologen zijn nu vele maatschappelijke werkers bezig in gespreksgroepen voorlichting te geven aan de mensen, om hen duidelijk te maken, dat het bevolkingsprobleem urgent is, en hoe het opgelost kan worden d.m.v. voor hen aanvaardbare beginselen. De deelname aan deze gespreksgroepen is bijzonder groot, (80 a 9 0 % ) . Resultaten van dit project zijn nog niet meetbaar, zodat conclusies aangaande de juistheid van deze werkwijze nog moeilijk zijn te trekken. Deze proefneming is in zoverre belangwekkend, dat het de basis kan vormen, van waaruit meerdere van dergelijke projecten kunnen worden ondernomen". De demograaf zal de regeringen van advies moeten dienen aangaande de ontwikkelingen op dit gebied; hij zal de situatie, analyseren en mogelijke oplossingen aanbevelen.

of gouvernementele organisaties en hulp verleend door nationale en internationale non-gouvemementele organisaties. Anderzijds moet men vaststellen, dat de hulp door regeringen gegeven wordt op bilaterale h a m , op regionale basis (zowel wat de gevende als de ontvangende landen betreft) en op multilaterale basis. Welke vorm van hulpverlening de voorkeur verdient, kan in het algemeen niet vastgesteld worden. I.

De Verenigde Naties en de

ontwikkelingslanden

1. D e Verenigde Naties — als opvolgster van de Volkenbond — it oorspronkelijk het meest direct betrokken bij de ontwikkeling van achtergebleven gebieden door de instelling van het z.g. beheerschapsstelsel. Het is te betreuren, dat slechts een zeer beperkt aantal gebieden op deze wijze onder internationaal toezicht geplaatst is kunnen worden. 2. In feite heeft de Algemene Vergadering haar feitelijke controle op de ontwikkeling van niet zelfbesturende gebieden echter aanzienlijk uitgebreid langs de weg van een regelmatige bespreking van de problemen in alle gebieden, die nog geen zelfbestuur genoten. 3. Beide vormen — onder 1. en 2. — van toezicht hebben de VN de gelegenheid gegeven aanzienlijk bij te dragen tot de versnelling van het dekolonisatie proces. Dit is met name het geval geweest, omdat Oost en West het in de koude oorlog als een politiek voordeel zagen het dekolonisatie proces niet tegen te werken. II. De ontwikkelingslanden

in de Verenigde

Naties

1. De dekolonisatie heeft geleid tot een snelle uitbreiding van het ledenaantal van de V.N. Voor de V.N. zelf had dit vooral drie belangrijke gevolgen : (a) De anti communistische meerderheid in de eerste tien jaren van de V.N., heeft plaats gemaakt voor een overwegend anti-kolonialistische meerderheid; (b) de ontwikkelingslanden, als „nietaangeslotenen" in de koude oorlog, hebben er zodoende toe bijgedragen door hun bemiddeling, de V N te maken tot een centrum voor collectief overleg; (c) Zij oefenen tevens een sterke druk uit op de grote mogendheden het eens te worden over maatregelen met betrekking tot de ontwapening.

Zoals de titel reeds suggereert, wordt het vraagstuk van de ontwikkelingshulp in deze inleiding geplaatst tegen de achtergrond van de verhouding tussen de ontwikkelingslanden en de gouvernementele internationale organisaties.

2. Door deze ontwikkeling heeft de V.N. samenwerking op economisch en sociaal gebied aan belang gewonnen; tevens is de aandacht in deze samenwerking van herstel verschoven naar ontwikkeling. Deze verschuiving vertoont zich b.v. in de werkzaamheden van de gespecialiseerde instellingen. Tevens heeft de ontwikkelingshulp de pogingen om te komen tot een gecoördineerde aanpak van de economische en sociale samenwerking aanzienlijk versterkt (b.v. het uitgebreid programma voor technische bijstand).

Alvorens deze achtergronden te belichten, moet echter eerst vastgesteld worden, dat de gebruikelijke onderscheiding tussen bilaterale hulp en multilaterale hulp, onvoldoende rekening houdt met de feitelijke situatie. Enerzijds zal men moeten onderscheiden tussen hulp verleend door regeringen

Hulp op deze wijze verleend heeft zeker het voordeel, dat, door de medezeggenschap van de ontwikkelingslanden, een basis gelegd kan worden voor een werkelijk internationale samenwerking bij de oplossing van vraagstukken van welvaartsbevordering.

IV De ontwikkelingslanden en de internationale organisaties (lezing door prof. Alting von Geusau op 4 november 1965). Inleiding

8


III. De ontwikkelingslanden organisaties

en rtgionale

1. Naast de multilaterale hulpverlening via de V.N., heeft ook de regionale hulpverlening zijn plaats gekregen. De hulp in het kader van het Colomboplan, van de E.E.G. aan de met haar geassocieerde landen, en van de V.S. aan d e Latijns Amerikaanse landen met name in het kader van de Alliance for Progress zyn hiervan de belangrijkste voorbeelden. Vooral in het kader van d e Alliance for Progress is — na een moeizaam begin — reeds veel bereikt. D e E.E.G. hulpverlening heeft het bezwaar, dat zij zich beperkt tot (vooral) de voormalige Franse koloniën in Afrika. 2. De pogingen van de ontwikkelingslanden om door onderlinge samenwerking h u n ontwikkeling te bevorderen, staan nog aan het begin. De Organisatie voor Afrikaanse Eenheid en de Latijns Ame-

rikaanse Vrijhandels associatie kunnen in d i t verband wellicht een belangrijke rol gaan spelen. IV.

Conclusie

De samenwerking bij de ontwikkeling van achtergebleven gebieden wijst eens te meer op de noodzaak van èen nieuwe structuur in de statensamenleving. Met name zal het noodzakelijk zijn de rol van de staten in de hulpverlening te beperken ten gunste van gouvernementele zowel als non-gouvemementele internationale organisaties. Een nieuw economisch en sociaal recht zal tot stand moeten komen, waarin de verschillende vormen van hulpverlening ieder, en wederzijds aanvullend, hun plaats kunnen krijgen. (Samenvatting van de lezing op 4 november 1965)

Aanvaardingsrede

In de eerste plaats hebben naast feitelijke omstandigheden ook veranderde zienswijzen — vooral ook in ethisch opzicht — politieke en sociaal-economische ontwikkelingen, codificatie, legisme en dogmatisme, al dan niet in een bepaald samenspel, ertoe geleid dat bepaalde instituten en regels zijn verdwenen. Opvallend is de rol, die de Franse ReRENAISSANCE VAN OUD RECHT volutie met zijn denkbeelden en het hierop volgend Na de betekenis te hebben aangegeven van het liberalisme hebben gespeeld. Voor het feit dat door de wetgever en de rechtspraktijk, bewust of onbeoud-vaderlands recht voor het moderne recht, ging prof. Coopmans in op het verschijnsel, dat in het wust, is of wordt teruggegrepen op verdwenen rechtsregels en rechtsinstituten, moet men allereerst verleden functionerende rechtsregels en rechtsineen verklaring hierin zoeken, dat ons huidige recht stellingen, die reeds lang zijn verdwenen, in onze zo diep geworteld is in het oude. Door het getijd plotseling herleven, al dan niet aangepast lijkblijvcn van de grondstructuren en de grote conaan de hedendaagse behoeften. tinuïteit in het rechtssysteem blijft de mogelijkheid Achtereenvolgens vroeg hij in dit verband aandacht tot herleving van een tegel of instituut aanwezig. voor de begrippen onrechtmatige daad en misbruik van recht, de ontwikkeling van het eigendomsbeDe her-introductie stuit niet op moeilijkheden, omgrip met name van de gesplitste eigendom, de eigendat de regel past bij d e andere regels. Een ander domsoverdracht tot zekerheid, het bezitloos pandargument van meer algemene aard is te vinden in recht, de bewindsvorm door middel van de trustde omstandigheid, dat gedurende vele eeuwen van constructie, ' t stichtings-fenomeen, de strafbaarheid rechtsontwikkeling het aantal juridisch-dogmatische van de rechtspersoon, de publiekrechtelijke organifiguren uiteindelijk gering blijft en betrekkelijk satie van het bedrijfsleven en ' d e districts-vorweinig verandering ondergaat. ming. Samenvatting van de openbare rede, die prof. mr. J . P. A. Coopmans op donderdag 2 december 1965 heeft uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar in bet oudvaderlands recht aan de Katholieke Hogeschool.

Daar een definitieve verklaring van het verschijnsel „renaissance van oud recht in onze tijd" een meer uitvoerige studie vereist, besloot hij zijn rede met een voorlopige verklaring a a n de hand van de gegeven voorbeelden.

Tenslotte dient te worden bedacht, dat de menselijke relaties, die het recht moet regelen, in essentie niet zo zeer wijzigen. I n het recht evenals in de mens, zo besloot prof. Coopmans, blijft in wezen veel gelijk.

Nagekomen Mededeling

15.00 u u r Lezing door Prof. Dr. H . J. Witteveen (V.V.D.) 16.00 u u r Lezing door Prof. D r . H . W. J . Bosman (K.V.P.) 17.00 u u r Lezing door Mr. G. H . Slotemaker de Bruine (P.S.P.) Dinsdag 5 april: 10.00 u u r Lezing door Drs. J. Boersma (A.R.) 11.00 u u r Lezing door Minister J . M . den Uyl (P. v. d. A.) 12.00 u u r Lezing door Drs. B. J . Udink (C.H.U.) Woensdag 6 april: Excursie naar de Koninklijke Nederlandse Sodaindustrie, Delfzijl; vertrek 9.30 uur van het Universiteitsgebouw, terugkomst ± 16.00 uur.

ECONOMENCONFERENTIE

TE

GRONINGEN

De Economenconferentie 1966 zal plaats vinden op 4, 5 en 6 april a.s. in Groningen en wel in het Academiegebouw, Broerstraat 5. H e t onderwerp is: „Doorlichting van het economisch programma van de grote politieke partijen". H E T PROGRAMMA: Maandag 4 april: 11.30 u u r Opening in de Aula door de Rector Magnificus Prof. Mr. E. H . s'Jacob. Inleiding door Prof. Dr. W. J . van de Woestijne (voorzitter)


Mededelingen CANDIDAATSEXAMEN

ECONOMETRISTEN

De tentamendata voor Algebra I I , Analyse I I en Statistiek I I , zoals vermeld op pag. 94 van de studiegids zijn als volgt gewijzigd:

AgrarlBche

kring

STUDIE-WEEKEND

„GROESBEEK"

Zoals gewoonlijk zal ook dit jaar weer een cultureel-wetenschappelijk weekend gehouden worden, hetwelk zal plaats vinden op 2 en 3 april a.s. ia de Jeugdherberg „Die Hooghe Hoenderbergh" te Groesbeek. Traditiegetrouw zullen worden uitgenodigd: de huishoudleraressen uit Bergen, Posterholt en Oudenbosch en de studenten van de Landbouwhogeschool te Wageningen, de leden van het Vetrinair Dispuut te Utrecht en de leden van de Agrarische Kring. Als thema van het weekend is di t jaar gekozen: ,J3e sociale herstructurering van het platteland".

woensdag, 13 april 1966 Algebra l i b (v. d. Kerkhof) woensdag, 20 april 1966 Analyse l i b (Lips) woensdag, 27 april 1966 Statistiek l i b (Neeleman)

Agrarische Kring Tilburg dit weekend organiseert, verwachten wij een grote opkomst van Tilburgse studenten. U kunt zich schriftelijk inschrijven na het vereiste bedrag voldaan t e hebben op rekening 1292 van de Boerenleenbank te Tilburg t.n.v. de penningmeester van de Agrai.iche Kring. Inschrijving vóór 26 maart a.s. Het sekretariaat v a n d e Agrarische Kring is: Bosscheweg 315 Tilburg. Wij hopen U in Groesbeek te kunnen verwelkomen en wensen U een aangenaam en onderhoudend weekend toe. Th. C. H . M. van Overbeek h.t. sekretaris

Middels dit weekend hopen wij bij te dragen tot het opwekken en activeren van deze belangstelling voor deze problematiek. Het weekend zal aanvangen op 2 april om 11.00 uur. I n de eerste lezing zal ir. A. L. G. M. Bauwens een uiteenzetting geven over de historische ontwikkeling van de sociale verhoudingen op het platteland. De sterke historische gebondenheid van de agrarische samenleving is door vele factoren aan verandering onderhevig. Dit is niet zonder gevolgen gebleven voor de opvattingen, ideeën, idealen etc. van deze groep. Ir. J. P. Groot zal in d e tweede inleiding de sociale gevolgen van de verstedelijking van het platteland belichten. Wij behoeven hierbij maar te denken aan de vestigingen van industrieën en forensen aldaar, waardoor het woon- en leefmilieu van de plattelandsbevolking sterke wijzigingen ondergaat. In de laatste inleiding zal dr. C. D . Saai uiteenzetten, in hoeverre bovenstaande ontwikkelingen leiden . tot h e t openbreken v a n h e t traditionele plattelandsgezin, waarbij zich gemakkelijk sociaal psychologische conflicten kunnen voordoen. Het is het bestuur gelukt, de inschrijvingsprijs voor deelname aan dit weekend op ƒ 18,- te handhaven. Voor leden van de agrarische kring zal de inschrijvingsprijs ƒ 12,- bedragen. Aangezien De

• • • HELP BLINDEN;

SPREEK

EEN BOEK

Op 2 maart is in het Generalaat van de Fraters van O.L.V. Moeder van Barmhartigheid, Gasthuisring 54, Tilburg, een nieuwe studio geopend voor het vervaardigen van gesproken lectuur ten behoeve van de blindenbibliotheek „Le Sage ten Broek". Omdat 7 0 % van de blinden en slechtzienden in Nederland geen braille kunnen lezen, werd in 1955 in Grave begonnen met het opnemen van boeken op de geluidsband. Er zijn nu ook studio's voor het opnemen van boeken in Nijmegen, Eindhoven, Maastricht en Tilburg. Sinds het begin in 1955 werden een half miljoen banden aan slechtzienden en blinden uitgeleend. Als voorlezers fungeren vrijwilligers, waaronder vele studenten. D e Vereniging „Le Sage ten Broek" doet een beroep op de Tilburgse studenten, zich een of meer uren per week beschikbaar te stellen voor het voorlezen van boeken in de studio aan de Gasthuisring. Aanmelding en nadere inlichtingen bij de heer L. Broeckx, Generaal Smutslaan 47, telefoon 31816.

Ons bereikten via het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen de volgende aanbiedingen voor studiebeurzen in het buitenland.

Mr. E. Talsma die dit doet namens de chef van de afdeling Internationale Culturele betrekkingen van dit ministerie.

Bij het ministerie worden deze behandeld door Mej.

Inlichtingen Bureau Studentenbelangen.

10


Sedert 1945 wordt in Alpbach (Tirol) Oostenrijk, iedere zomer een „Europees Forum" gehouden. Ook in 1966 zal 'n dergelijke zomercursus plaatsvinden over het onderwerp „Gesellschaft versus Wissenschaft". Geleerden, kunstenaars, politici en personen uit het bedrijfsleven zullen voordrachten houden en de leiding hebben bij de studie- en discussiegroepen. Ook taallessen worden gegeven. De lezingen zijn in de Duitse, Engelse en Franse taal. Afhankelijk van studierichting en belangstelling kan men kiezen aan welke studiegroep men wil deelnemen. Het „Europees Forum" heeft dit jaar plaats van 19 augustus tot 6 september 1966. De deelnemerskosten zijn 3.000 O.sh. Regeringen van verschillende landen hebben beurzen aangeboden voor deelneming aan dit Forum. Ook de Nederlandse Regering is bereid vier beurzen, ieder van ƒ 500,— ter beschikking te stellen van Nederlandse studenten. Hiervoor komen in aanmerking enigszins gevorderde studenten, bij voorkeur diegenen, die reeds het kandidaatexamen behaald hebben en die belangstelling hebben voor de Europese problemen. Aanvragen voor deze beurzen dienen vóór 75 april 1966 gericht te worden tot de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 2, 'sGravenhage. De aanvragen moeten op een formulier geschieden, dat op bovengenoemde afdeling verkrijgbaar is. Behalve de persoonlijke gegevens moeten dan vermeld worden een overzicht van de verrichtte studie, doel waarom men een Europees Forum wil bijwonen, terwijl een aanbeveling van een hoogleraar en een pasfoto bijgevoegd moeten worden. — Nadere informatie bureau Studentenbelangen.

*

*

•

Hierbij deel ik u mede, dat de Oostenrijkse Regering drie studiebeurzen voor het volgen van een universitaire zomercursus in Oostenrijk in 1966 ter beschikking heeft gesteld van Nederlandse studenten. Eventueel kan een beurs gedeeltelijk ook gebruikt worden voor het raadplegen van wetenschappelijke bibliotheken of het bezoeken van openbare kunstverzamelingen. De beurzen zijn bedoeld voor studenten, die reeds enige jaren aan een universiteit of hogeschool gestudeerd hebben. ledere beurs bedraagt ö.Sch. 3000,— en is bestemd voor een verblijf van circa zes weken in Oostenrijk De volgende universitaire zomercursussen zullen plaatsvinden: Universiteit van Innsbruck: te houden in Mayrhofen. Onderwerp: „Das alte und das neue Osterreich". Perioden: 1. 19 juni — 9 juli 1966; 2. 10 juli — 30 juli 1966; 3. 31 juli — 20 augustus 1966; 4. 21 aug. — 10 september 1966. Kosten: 1 en 4. ö.Sch 2.250,—.

2.100,—; 2 en 3. ö.Sch.

Universiteit sten Wenen: te houden in de universiteit van Wenen. Onderwerp: Duitse taal en literatuur. Voertaal: Duits, Engels, Frans, Italiaans. Perioden: 1. 11 juli — 6 augustus 1966; 2. 8 aug. — 3 september 1966; 3. 5 sept. — 24 september 1966. Kosten voor 4 weken cursus en volledig pension: — éénpersoonskamer ö.Sch. 2900,—; — meerpersoonskamer ö.Sch. 2590,—. Sollicitaties voor deze beurs dienen vóór 31 maart 1966 gericht te worden tot de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ml* nisterie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 2, 's-Gravenhage. Zij dienen te geschieden op een formulier, dat bij genoemde afdeling verkrijgbaar is. Een aanbeveling van een bij de studie betrokken hoogleraar, alsmede een korte levensloop dienen te worden bijgevoegd. 4(

•

*

Hierbij deel ik u mede, dat de Commissie voor Culturele Betrekkingen met het Buitenland in Joegoslavië drie beurzen voor het academisch jaar 19661967 ter beschikking stelt van Nederlandse studenten. De beurzen zijn bedoeld voor studenten, die reeds enige jaren universitaire studie verricht hebben en bij voorkeur het kandidaatsexamen hebben behaald en die ter voortzetting van hun studie of voor specialisatie een academisch jaar aan een van de Joegoslavische universiteiten willen studeren. Ook beeldende kunstenaars, musici en toneelspelers die hun studie hebben beëindigd kunnen naar een beurs mededingen. De maximum leeftijd der kandidaten is op 30 jaar gesteld. Het bedrag van de beurs is 55.000 dinars per maand en 20.000 dinars voor onderdak. Een bedrag van 20.000 dinars wordt voorts voor de aankoop van boeken beschikbaar gesteld. Beurshouders kunnen worden ondergebracht in een studentenhuis, terwijl zij tevens vallen onder de regelingen van de medische verzorging der studenten aldaar. De heenreiskosten komen voor eigen rekening. De terugreis wordt betaald door de Joegoslavische autoriteiten. Sollicitaties dienen vóór 15 april 1966 gericht te worden aan de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 2, Den Haag. Zij dienen te geschieden op een formulier, dat bij bovengenoemde afdeling verkrijgbaar is.

• ' • "• Hierdoor deel ik u mede, dat de commissie voor Culturele Betrekkingen met het Buitenland in Joegoslavië vier beurzen van 1 maand ter beschikking stelt van de Nederlandse studenten in de Slavische talen voor deelneming aan de zomercursus voor Slavisten van de universiteit van Zagreb, die in augustus plaats heeft. Deze cursus wordt deels in Zagreb, deels in Zadar gehouden en heeft als onderwerp Servo-kroatische taal- en letterkunde. De 11


cursisten worden gratis ondergebracht in een studentenhuis en ontvangen 20.000 dinars voor bijkomende kosten. De heenreiskosten komen voor eigen rekening. De terugreis wordt betaald door de Joegoslavische autoriteiten. Sollicitaties dienen vóór 15 april 1966 gericht te worden aan de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 2 te Den Haag. Deze moeten de volgende gegevens bevatten: — naam, voornamen, geboortedatum en -plaats; — verrichte studie, talenkennis; — reden waarom men de desbetreffende zomercursus wil bijwonen; — een aanbeveling van een bij de studie betrokken hoogleraar; — pasfoto.

*

*

*

De Luxemburgse Regering stelt, evenals in voorgaande jaren, voor het jaar 1966, acht beursmaanden ter beschikking van Nederlandse studenten en pas afgestudeerde die in Luxemburg onderzoekingen willen verrichten of aldaar van een bepaald onderwerp een speciale studie willen maken. Gegadigden dienen tenminste het kandidaatsexamen te hebben afgelegd. Het bedrag der maandelijkse vergoeding is vastgesteld op 4500,— Luxemburgse francs. Zij die voor een dergelijke beurs in aanmerking willen komen, dienen hun aanvrage vóór 1 april 1966 in te dienen bij de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 2, 's-GravenhageKandidaten dienen verder 1) naam, voornamen, datum en plaats van geboorte vermelden; 2) een duidelijke omschrijving van het studiedoel in Luxemburg op te geven; 3) de door hen behaalde diploma's en eventueel van hun hand verschenen publikaties te vermelden; 4) een aanbeveling over te legen van twee hoogleraren onder wier leiding zij studeren of gestudeerd hebben; 5) een pasfoto bij te voegen.

*

*

*

Hiermede bericht ik u, dat de Oostenrijkse regering voor het academisch jaar 1966-1967 twee studiebeurzen ter beschikking heeft gesteld van Nederlandse studenten. 12

De beurs is bestemd voor studenten tussen de 20 en 35 jaar, die tenminste twee jaren academische studie verricht hebben en die voldoende geestelijke en wetenschappelijke rijpheid bezitten om van een studieverblijf in het buitenland ten volle profijt te kunnen hebben. De beurs wordt verleend voor 9 maanden, geldt voor het academisch jaar dat loopt van 1 oktober 1966 - 1 juU 1967 en bedraagt in totaal S. 18.000,(voor afgestudeerden is het bedrag voorlopig vastgesteld op S. 2.500, per m a a n d ) . Voorts wordt bij de uitbetaling van de eerste termijn een reistoelage van S. 1.000,- uitgekeerd. Het is niet mogelijk volledig vrijstelling van colleges teld op S. 2.5Ö0,- per m a a n d ) . Voorts wordt deel geschieden. De uitbetaling van de beurs zal geschieden door de universiteit, waar men gaat studeren. In verband met de huisvestingsmoeilijkheden kunnen gehuwde studenten niet voor een beurs in aanmerking komen. Sollicitaties moeten vóór 75 april 1966 gericht worden tot de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 2, 's-Gravenhage. De aanmeldingen dienen op een formulier te geschieden, dat te verkrijgen is bij bovengenoemde afdeling.

De Zweedse regering heeft voor het studiejaar 1966/1967 twee beurzen voor acht maanden ter beschikking gesteld van Nederlandse studenten. De beurzen worden gegeven om de studenten in de gelegenheid te stellen hun studie te verdiepen en tevens hen in staat te stellen Zweden, te weten, het land, het volk, de Zweedse gewoonten en gebruiken, alsmede de geestesgesteldheid van de bewoners en de natuur van het land te leren kennen. De beurzen zijn bedoeld voor studenten en voor afgestudeerden, al dan niet werkzaam in universitair verband. De beurzen bedragen 6000 Zw. Kronen, derhalve 750 Zw. Kronen per maand. Het is mogelijk dat een beurs wordt verdeeld over meer kandidaten voor perioden van 3 tot 8 maanden. Een extra toelage wordt verleend aan studenten die uit hoofde van hun studie in Stockholm moeten verblijven. Het akademisch jaar begint in Zweden in oktober. Het is noodzakelijk dat belangstellenden die colleges in Scandinavische talen wensen te volgen, reeds tevoren enige kennis van deze talen bezitten; voor studenten in andere vakken is enige kennis van het Zweeds gewenst, doch niet vereist. Sollicitaties dienen vóór 15 april 1966 gericht te worden aan de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 2 te 's-Gravenhage. Deze moeten geschieden op een formulier dat verkrijgbaar is bij genoemde afdeling.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
1966 04 by Redactie Univers - Issuu