Skip to main content

1964 05 06

Page 1

Til burgs Hogeschoolblad jaargang 1

nummep 6

Redactie: H. B. Kramer W. G. Boerboom R. S. F. J. M van der Lugt Redactie-adres: Hogeschoollaan 22^, Tilburg

6 mei 1964

P. J. J. Af. van Overveld J. E. E. de Smit J. H. Weitenberg J. J. M. de Bont (Hoofd Bureau Senaat)

Prof. Dr. P. P. van Berkum 25 jaar hoogleraar

Op 1 mei j.l. vierde Prof. Dr. P. P. van Berkum zijn zilveren jubileum als lioogleraar aan de Katholieke Hogeschool. Het is op verzoek van de jubilaris zelf geweest, dat voorgestelde huldigingen achterwege zijn gebleven; hetgeen uiteraard gerespecteerd diende te worden. Niettemin is de redactie van mening geweest dit heuglijke feit niet helemaal ongemerkt voorbij te kunnen laten gaan. Na overleg werd daarom besloten een drietal artikelen in dit nummer op te nemen, een geschreven door Prof. Dr. P. B. Kreukniet over de wetenschappelijke verdiensten van zijn vriend en collega, een van de hand van Drs. L. J. G. de Mast, die samen met Prof. van Berkum hier studeerde en sindsdien nauw contact met hem is blijven Itouden en

een van J. H. M. Peters, die namens de studenten dank komt brengen aan deze grote leermeester. De redactie hoopt met deze artikelen enerzijds aan het verzoek van Prof. van Berkum tegemoet te zijn gekomen, anderzijds uitdrukking te hebben gegeven aan gevoelens van dankbaarheid binnen de Hogeschoolgemeenschap, hem gedurende 25 jaar in haar midden te hebben gehad. Moge het hem gegeven zijn nog vele jaren de wetenschap te blijven dienen, die hem zo dierbaar is. 1


Van Berkum vijf en twintig jaar hoogleraar! Hoe snelt de tijd! Mijn gedachten gaan vanzelf een kwarteeuw terug en verder nog naar de jaren dat de jubilaris van nu chef was van het Economisch Researchbureau van het Ministerie van Economische Zaken, en Hennipman, Korteweg & Keesing, Kuin, ik en nog enkele anderen de verdere bezetting ervan uitmaakten. Het was een prachtige leerschool die wij allen daar hebben doorlopen. Wij leerden — heel veel — van elkander, in discussies, in openhartige onderlinge critiek, in gezamenlijk werken. Wij leerden van ons werk, dat zeer veelzijdig was en daardoor schoolde in het koelbloedig te lijf gaan, met het instrumentarium van het theoretisch economisch denken, van welk voorgelegd probleem dan ook. Vooral ook, geloof ik, op die tijd terugziend door de laan der vervlogen jaren, leerden wij door de wetenschappelijke sfeer waarin wij in een betrekkelijk klein groepsverband studeerden en bestudeerden. Wij bestudeerden de vakliteratuur; voor de economische tijdschriften hadden wij al spoedig een privilege voor de "inner circle" van het researchbureau, in de vorm van een volkomen inofficiële "voorcirculatie" weten te forceren. Wij bestudeerden echter ook de bewogen economische realiteit van die jaren, waarin de ondergang van de Gouden standaard zich afspeelde, de wereld zich langzamerhand aan "the great depression" ontworstelde, de kreet "Lieber Kanonen als Butter!" weerklonk en — om op een geheel ander terrein over te springen — Keynes' revolutionaire General Theory verscheen, het boek waarover Van Berkum twintig jaar later als Rector Magnificus op de Tilburgse Dies zo boeiend zou spreken. Ik herinner mij nog duidelijk de dag dat hij en ik het op onze gemeenschappelijke kamer voor het eerst in handen hadden. De prijs van het boek was toen vijf shilling, voor ruim 400 pagina's van Mac Millan. Van Berkum was bezig aan het schrijven van zijn proefschrift over de betalingsbalans, een onderwerp dat ons op het researchbureau ook vrijwel dagelijks bezighield in die tijd van devaluaties, deviezenrégimes, clearingverdragen en andere uitwassen op het gebied van het internationale betalingsverkeer. Zijn dissertatie legde beslag op zijn 2

avonden en overdag was er het bureau, waar steeds werk in overvloed was. Maar altijd werkte hij met de vriendelijke en gelijkmoedige kalmte en rust die hem ook nu nog steeds kenmerken. Wat wij in die toch betrekkelijk korte jaren voor ons verdere leven hebben medegekregen — ik weet het uit ervaring, ik weet dat het ook voor Van Berkum geldt — is een vaardigheid en trefzekerheid bij het aanvatten van problemen op het terrein van de toegepaste economie. Dat zijn kwaliteiten die den jubilaris ook nu nog in hoge mate sieren, zoals nog onlangs weer is gebleken uit het rapport van de drie wijze mannen over de steenkolenmijnenindustrie en o.a. ook enige jaren geleden uit het voortreffelijke rapport omtrent de mogelijkheid en wenselijkheid van de stichting van een hoogovenbedrijf op Rozenburg. Men wordt echter geen eersterangs economist door het aanleren van dit soort vakmanschap. Of, beter gezegd: als men de aangeboren eigenschappen van den economist — welke dat dan precies mogen zijn — mist, leert men ook het vakmanschap niet. Van Berkum bezit die eigenschappen in bijzondere mate maar ook op een bijzondere wijze. Wat ik met dit laatste bedoel zal ik trachten duidelijk te maken. De meeste economisten scheppen er behagen in zich bij tijd en wijle te verdiepen in het abstracte denken van de zuivere theorie, die trouwens uiteraard een onmisbaar onderdeel van het economische leergebouw vormt. Dit nu is iets hetgeen Van Berkum's grote belangstelling niet heeft. Hij is veel meer de man enerzijds van het bespiegelend denken, anderzijds van het realistisch hanteren van de economische theorie tot het oplossen van praktische vraagstukken dan van de ijle wereld der theoretische analyse. En toch heb ik telkens weer met verwondering en bewondering kunnen constateren hoe hij door wat ik bij gebrek aan een betere term maar zal omschrijven als een soort intuïtief theoretisch denken — of wellicht beter nog: begrijpen —, voortkomend uit een ruime wijsheid, hetzelfde en meer bereikt dan een ander door gezette theoretische analyse, en dit zowel actief, scheppend, als passief, kennisnemend van de vruchten van andermans wetenschappelijke arbeid.


Ten aanzien van Van Berkum's zoeven gesignaleerde tweezijdige belangstelling spreekt zijn oeuvre duidelijke taal. Eigenlijk mag men niet spreken van een tweezijdigheid, want hoe gevarieerd is de lange reeks artikelen, opstellen, rapporten, prae-adviezen enz. die hem in zijn vijf en twintig hoogleraarsjaren uit de pen zijn gevloeid! Daar is in de eerste plaats de unieke tour de force van het overgaan van de bedrijfseconomie naar de algemene leer der economie, maar voorts de wijde spreiding van de onderwerpen zijner publikatie, op beide terreinen. Telkens weer treft de mengeling van wijsheid, gezond verstand en geestelijke onbevangenheid. Een magnum opus heeft Van Berkum ons niet geschonken. Dat verwondert mij niet. Als men uit een wijd en diep inzicht kan putten om overeenkomstig zijn belangstelling telkens weer nieuwe problemen aan te vatten en men voorts beschikt over het gezonde verstand en het realiteitsbesef om in te zien dat er al veel te veel economieboeken verschijnen komt men tot het wetenschappelijke werk zoals Van Berkum dat heeft gekozen en dan dient iedereen daarvoor dankbaar te zijn, vooral als men de opportunity cost in de beschouwing betrekt.

In Tilburg is van Berkum aangekomen in januari 1929, op Driekoningenavond. Van die dag af heb ik hem gekend en het is op grond daarvan, dat ik de uitnodiging aanvaard heb om dit artikel te schrijven over deze mens, over zijn opkomst en ontplooiing, nu hij op 1 mei 1964 zijn zilveren jubileum viert als hoogleraar aan de Tilburgse hogeschool. Hij was ontdekt door Cobbenhagen, als ik het goed heb op het economie-examen voor de akte M.O. Boekhouden, want van Berkum was aanvankelijk begonnen met middelbare aktenstudie, die hem in het bezit stelde van de akten M.O. Boekhouden en M.O. Staathuishoudkunde en Statistiek. Op grond van deze bevoegdheden was hij benoemd in een leraarsfunctie bij het middelbaar onderwijs in Middelburg, een functie die hij niet aarzelde prijs te geven toen zich voor hem het wijdere perspectief van een hogeschoolstudie op het gebied van de economische wetenschappen opende.

Het is op zichzelf volstrekt niet verdienstelijk een vijf en twintigjarig jubileum als hoogleraar, of in welke andere functie ook, te vieren. Is men eenmaal benoemd, dan behoeft men er verder slechts zorg voor te dragen vijf en twintig jaar in leven te blijven. Reden tot complimenteren van den jubilaris is er dus eigenlijk niet, maar wel is de bereikte mijlpaal een welkome gelegenheid, steeds met graagte aangegrepen, om hem de lof toe te zwaaien die men in de dagelijkse gang van zaken moeilijk kan uiten. Ik heb dit in de bovenstaande regels reeds enigszins gedaan doch wil nog even voortgaan. Naar ik aanneem wordt dit blad hoofdzakelijk door studenten gelezen en tot hen richt ik mij nu. Een hoogleraar moet meer zijn dan alleen docent; hij dient ook te zijn een voorbeeld waaraan zijn leerlingen zich kunnen spiegelen en waarnaar zij kunnen trachten zich te vormen. Geeft hierbij een grote plaats aan Professor Van Berkum, den bescheiden en beminnelijken mens, den toegewijden geleerde met zijn wijsheid, zijn openheid van geest en bovenal zijn intellectuele integriteit. P. B. Kreukniet.

De assimilatie in Tilburg bleek voor hem geen enkel probleem op te leveren. Zijn antecedenten, zijn leeftijd — hij was toen 27 — en ook zijn volumieuse gestalte brachten hem onmiddellijk in de gelederen van de ,,oudste-jaars" van de prille studenten-hiërarchie, zoals die in oktober 1927 met een getal van 28 ingeschrevenen gesticht was, — waaraan er in oktober 1928 nog ruim vijftig waren toegevoegd — aanzienlijke getallen nochtans, indien men in aanmerking neemt, dat men bij de opening van de r.-k. handelshogeschool in oktober 1927 uitging van een prognose van gemiddeld 15 nieuwe inschrijvingen per jaar. Van Berkum wist een plaats in te nemen in Sint Olof. Hij trad toe tot De Tribune, zoals die in het najaar van 1928 was opgericht als studentengroepering met een progressief sociale belangstelling, naar het voorbeeld, dat in Delft in het kader van Virpilius — en ook elders — reeds was gegeven. Dit was de tijd van Vrijmoed, Veraart, Froger en in Tilburg van Cobbenhagen, Kaag en Moller, die toen in de eer3


ste linie hebben gestaan om met klem de aandacht te vragen voor onze sociaal-economische problematiek en voor de noodzaak om die problematiek te onttrekken aan de toch in wezen deterministische en fatalistische gedachtengang van de leer van het automatisch economisch evenwicht Zijn propaedeutisch examen deed hij in juni 1929, hij mocht het vervroegd doen — reeds in het eerste jaar van zijn inschrijving — vanwege de voor-studie, die hij reeds gemaakt had Daarop volgde zijn candidaats-examen in februari 1931 Het werd luisterrijk gevierd, in zijn pension in de Gasthuisstraat, alwaar hij het overwegend gedeelte van zijn studententijd heeft doorgebracht, met als enig inconvenient, dat zijn kamer voor hem nauwelijks hoog genoeg was om rechtop te staan Overigens vormde die kamer geen enkel beletsel om veel gastvrijheid te verlenen, hij had geregeld aanloop en dat het niet overwegend lichtzinnige gesprekken waren, die daar gevoerd werden, zullen degenen, die hem kennen, wel willen begrijpen Van 1930 op 1931 was hij praeses van de senaat van Olof Van deze senaat, waarin ook Ton Rottier zitting had, herinner ik me, dat hij erin slaagde m Olof de harmonie te herstellen, die in gevaar was gekomen nadat — na de oprichting van de Tribune — ook „Black and White" als eerste dispuut was tot stand gebracht en nadat gebleken was, dat deze twee groeperingen er niet zondermeer m slaagden over en weer eikaars bestaansrecht te erkennen en te begrijpen, Van Berkum was bepaald niet de figuur om de verschillen van inzicht en van temperament, die in deze controverse een rol speelden, op de spits te drijven Zijn gevoel voor evenwicht en zijn afkeer van elke vorm van overdrijving hebben ertoe bijgedragen om deze eerste kinderziekte in het bestaan van St Olof op korte termijn te bezweren, bovendien kwam onder zijn leiding een toen reeds noodzakelijk gebleken financiële sanering tot stand Een grote dag voor de Tilburgse hogeschoolgemeenschap was 5 april 1933, toen de eerste doctorale examens werden afgelegd, het waren er dne, die toen de eindstreep passeerden Piet van Berkum, Gustaaf Frohn en Charles Truijen, van Berkum verwierf het predicaat met lof Een jaar later — op 7 april 1934 — werd ten huize van Cobbenhagen de „Tilburgsche Academische Economische Kring" opgericht, het aantal afgestudeerden was intussen tot 6 gestegen en Cobbenhagen was erop bedacht deze afgestudeerden — en die erop zouden volgen

4

— in een organisatorisch verband samen te houden, onderling en in het kader van de hogeschoolgemeenschap Vandaar de T A E K , waarvan van Berkum de eerste voorzitter werd Indien men dit als een zekere afronding en bekroning ziet van de eerste Tilburgse levensperiode van van Berkum, dan kan niemand aan de indruk van het feit ontkomen, dat reeds deze eerste periode van een ongemene vruchtbaarheid IS geweest In vier jaar tijd kon hij zijn academische opleiding als voltooid beschouwen (cum laude), hij was op een overtuigende manier praeses van Olof geweest en in de kring van de afgestudeerden zou hij als eerste het voorzitterschap bekleden De ,,ontdekking" van Cobbenhagen bleek uitermate gelukkig te zijn geweest Na het doctoraal examen pleegt de keuze van een werkkring te volgen Van Berkum opteerde — hij had inderdaad keus — voor het toenmalige ministerie van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, onder leiding van minister Verschuur, later minister Steenberghe Hij werd daar verbonden aan het research-bureau van de Economische Voorlichtingsdienst, waar hij in een voortreffelijk gezelschap kwam, met o a van der Kooij, Hennipman en Kreukniet, onder supervisie van Hirschfeld Dat was de tijd, dat de economische vraagstukken zich met een beklemmende nadruk aan de orde stelden, de tijd van het pijnlijke conflict tussen intern en extern economisch evenwicht Men heeft zich ook m Tilburg in die dagen intensief met dit conflict bezig gehouden In 't algemeen — zo meen ik te mogen stellen — leefde de economische theorie toen nog in de nabloei van klassieke en Oostenrijkse school, impliciet de aanvaarding van de thesis van het automatisch evenwicht als resultaat van de wet van Say aangaande de principiële toereikendheid van de vraag Daarmee was het leerstuk van de gouden standaard inherent, evenwichtsstoringen in de betalingsbalans zouden — op basis van een vaste wisselkoers — automatisch worden gecorngeerd via een reeks van geïnduceerde aanpassingen in de binnenlandse economische grootheden Cobbenhagen heeft in die tijd in woord en geschrift de fundamentele onhoudbaarheid van het leerstuk van het automatisch evenwicht bij herhaling aan de orde gesteld, en Kaag heeft zich op dit terrein evenmin onbetuigd gelaten Cobbenhagen uitte met een zekere voorkeur zijn critische twijfel m gedachten en woorden.


ontleend aan de wijsgerige causaliteitsleer, van Kaag herinner ik mij originele en verhelderende beschouwingen op het gebied van de handelspolitiek en ter zake van de noodzaak van een actieve conjunctuurpolitiek Toen van Berkum dan ook in 1933 naar Den Haag ging was hij alreeds toegerust met een ontwikkeld critisch denkvermogen aangaande de centrale problematiek van de dertiger jaren, die ik als volgt zou willen weergeven hoe kunnen we met handhaving van onze positie in het internationale ruilverkeer, ook in het binnenland een economisch evenwicht op een acceptabel niveau verkrijgen*^ evenwicht, primair met voldoende werkgelegenheid en met stopzetting van de deflatoire prijsafbraak, doch ooic met zoveel mogelijk stabiliteit in de wisselkoersverhoudingen, het vraagstuk van de simultaneiteit in de doelstellingen van de economische politiek lag er reeds toen In deze controversiële maar vooral emotionele sfeer van de jaren dertig is het proefschrift van van Berkum tot stand gekomen Het voerde als titel „De Betalingsbalans, als uitgangspunt eener beschouwing over de recente structuurwijzigingen in het economisch leven " Zijn promotie vond plaats op 3 februari 1938, wederom verwierf hij het predicaat met lof, promotor was Kaag Het promotiediner bij Suisse aan de Spoorlaan was geheel m overeenstemming met de waardigheid en de feestelijkheid van de dag, zowel uit den Haag als uit den Helder waren uitgebreide delegaties aanwezig en ze zijn met voortijdig gegaan Het IS mij bekend, dat van andere zijde uitvoerig aandacht zal worden geschonken aan de wetenschappelijke arbeid van van Berkum, aan zijn geschriften en publicaties Daarom ligt het niet op mijn weg om de inhoud en de betekenis van zijn dissertatie in de opzet van dit artikel te betrekken Toch wil ik niet nalaten ook in dit verband nog eens de aandacht te vragen voor de rijkdom van gedachten, die m van Berkum's proefschrift besloten ligt De koppeling van de problematiek van de betalingsbalans aan de structuur en de (toenmaals) recente structuurwijzigingen van het economisch leven, was een uitstekende en geslaagde poging om het waarheidsgehalte en de actualiteit van de economische theorie een stap vooruit te brengen Een stap vooruit in een belangrijke zaak, want het ging daarbij over fundamentele dingen over de houdbaarheid van het klassieke geloof in de zelfregulerende werking van het betalingsbalans-mechanisme op basis van de vaste wisselpariteiten van de gouden standaard, over de kansen en

mogelijkheden — in minder abstracte termen — van een ,,aanpassingspolitiek", zoals zij ook bij ons in de jaren dertig gepleegd werd, met behulp van een deflatoir beleid, dat steunde op aantasting van koopkracht en uitliep op werkloosheid en faillissement en uiteindelijk op devaluatie (september 1936) Het IS waarachtig geen geringe verdienste van van Berkum geweest deze toentertijd bepaald delicate en complexe materie helder en knap te hebben uiteengezet, op een moment, dat zij nog fel omstreden was, op een moment bovendien, dat hij als departements-ambtenaar zelf nauw bij de discussies betrokken was, in elk geval nauwelijks in staat kon worden geacht om voldoende afstand van de problemen te nemen, zoals voor het schrijven van een proefschrift toch eigenlijk als noodzakelijk zou kunnen worden verondersteld Reeds een jaar later werd hij tot het hoogleraarschap geroepen, als opvolger van van Ketel Zijn leeropdracht luidde Bedrijfshuishoudkunde het financiewezen van de onderneming, de toegepaste bedrijfshuishoudkunde Het onderwerp van zijn inaugurale rede — gehouden op 10 mei 1939 — was „het liquiditeitsvraagstuk en wel met name, zoals het zich voordoet in de productie-ondernemingen en dus met uitzondering van de banken" Men kan werkelijk niet stellen, dat deze benoeming indertijd als een verrassing kwam, ook met nu daaraan een leeropdracht verbonden werd, die buiten het hoofdterrein lag van de wetenschappelijke werkzaamheid, waarmee de nieuwe hoogleraar tot nog toe in het licht was getreden En het kenmerkt van Berkum, dat hij voor de behandeling van het hquiditeitsvraagstuk met het bankwezen koos, doch de productie-onderneming, gegeven het feit, dat ,,de literatuur over het bankbedrijf reeds zeer uitvoerige en diepgaande beschouwingen over de liquiditeit bevat" Na de bevrijding is zijn opdracht uitgebreid met geldtheorie en conjunctuurleer Zo was de stand van zaken toen op 10 februari 1954 Cobbenhagen plotseling kwam te overlijden Velen zullen zich deze gebeurtenis nog weten te herinneren en zij zullen zich dan tevens de verslagenheid herinneren, waarmee in de kring van de hogeschoolgemeenschap — en daarbuiten — van dit overlijden werd kennis genomen Wat er toen in hoofden en harten leefde vond zijn magistrale vertolking in de gedachtemsrede van Weve bij gelegenheid van de uitvaart in de kerk van de St Annaparochie Op de vergadering van de raad van Toezicht op 2 juli 1954 werd Cobbenhagen door de president-curator Steenberghe als volgt getypeerd 5


„HIJ was een van de enthousiaste werkers van het eerste uur, de ziel van de Hogeschoolgemeenschap, het ideaal van onze studenten HIJ was de ook ver buiten Tilburg geëerde en gerespecteerde wetenschapsman" Cobbenhagen leek onvervangbaar en het verlies door zijn heengaan onherstelbaar Enkele maanden later werden de volgende voorzieningen getroffen Van Berkum ontving — met gelijktijdige ontheffing van zijn bestaande leeropdracht — de opdracht „algemene leer en geschiedenis der economie", Schouten — tot nog toe lector — werd benoemd tot gewoon hoogleraar m de „algemene leer en geschiedenis der economie" BIJ al de gereserveerdheid, die een buitenstaander m deze zaken past, meen ik toch te mogen veronderstellen, dat — hoezeer het van Berkum met dankbaarheid zal hebben vervuld, dat hij geroepen werd om het levenswerk voort te zetten van de man, die aan zijn ontplooiing een zo essentiële bijdrage had geleverd — hij anderzijds toch niet onberoerd zal zijn gebleven door het feit, dat de nieuwe opdracht een afscheid inpliceerde van het geld-, krediet- en bankwezen en het financiewezen van de onderneming, waaraan hij zich gedurende vele jaren met al zijn toewijding gegeven had Samen met Schouten doceert hij thans de algemene leer en geschiedenis der economie, beider opdrachten zijn gelijkluidend, doch uiteraard zijn er verschillen m hun wijze van beschouwing en van behandeling van hetzelfde object, die verschillen zijn juist gewild en bedoeld Uiteraard is het voor iemand, die reeds vele jaren geleden het rechtstreekse en regelmatige contact met de hogeschool verloren heeft, niet meer mogelijk nog de fijne distincties en nuanceringen te ontwaren, die hierbij een rol spelen Wellicht mogen die verschillen als volgt worden aangeduid in van Berkum wordt de lijn doorgetrokken van Schumpeter en Keynes, met een duidelijke belangstelling voor de institutionahstische aspecten van het economisch leven en in 't algemeen met een normatieve beschouwingswijze, Schouten grijpt terug op Walras, is neo-klassiek, streeft naar de mathematisch-exacte formulering en naar de opbouw van modellen In elk geval meen ik te mogen stellen, dat beide beschouwingswijzen hun belangrijkheid en vruchtbaarheid hebben bewezen en dat het ook m Tilburg als een zegen wordt ervaren, dat deze verscheidenheid m de opleiding aan zo prominente figuren is kunnen worden toevertrouwd Hoogleraar in de economische wetenschappen van 1939 tot 1964, dat is de „staat van dienst".

waarop van Berkum op 1 mei 1964 kan terugzien, hij zal nog wel verder terugzien — en de oudere vrienden doen dat met hem — namelijk tot 1929 toen hij als student m Tilbuig kwam Dat tijdperk van 1929 tot 1964 — 35 jaar lang — is voor een beoefenaar van de economische wetenschap ongemeen spannend en belangrijk geweest Zowel in de economische theorie als in de organisatie en de gestalte van het economisch leven hebben zich veranderingen voorgedaan als m geen ander tijdperk, dat door de geschiedenis van de economie wordt bestreken Van Berkum heeft daarmee meegeleefd met een indringende, diepgaande belangstelling en met een visie, die ik zou willen vergelijken met Schumperter's visie, neergelegd m zijn „Epochen der Dogmen- und Methodengeschichte" Ook van Berkum heeft een tijdperk overschouwd en daarvan getuigenis afgelegd in een indrukwekkend aantal geschriften en" publicaties Hij heett dat gedaan met een opmerkelijke zuiverheid m „het oordeel des onderscheids", met gevoel voor evenwicht in verhoudingen en bovenal met een grote mate van wijsheid Hij is raadsman geweest voor velen en m velerlei zaken voor studenten en afgestudeerden wellicht op de eerste plaats, doch ook voor vele anderen die behoefte hadden aan een gesprek met iemand, die de moeite wilde nemen om zich te verdiepen m een probleem — hun probleem — en die mogelijkerwijs in staat zou kunnen worden geacht om het perspectief voor een oplossing daarvan te bieden Als raadsman is hij opgetreden voor de minister van Economische Zaken — reeds in 1950 IS hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw —, hij is o a voorzitter geweest van de commissie inzake het Rozenburgproject en evenzo voorzitter van de commissie inzake de toekomst van de staatsmijnen En waar dat nodig bleek, wist hij tijd en gelegenheid vrij te maken om zelf een bestuurstaak te vervullen en bestuursverantwoordelijkheid te nemen, ingewijden weten wat hij gedaan heeft op het gebied van het ziekenhuiswezen en iedereen kan weten, welke activiteiten hij nog onlangs als voorzitter van het stichtingsbestuur aan de dag heeft gelegd bij de opening van het bejaardencentrum „Het Nieuwe St Joseph" Hij IS een werker geweest van het eerste uur — in het bestaan van de Tilburgse hogeschool — en hij heeft volop de hitte en de last van de dag gedragen, doch hij staat nog rechtop, zijn gestalte is nog ongebogen Mogen we hem — met God's Zegen — nog vele jaren zo kunnen zien L J G D E MAST


Men dient een zekere mate van schroom te overwinnen om te kunnen schrijven over een hoogleraar, wanneer men zelf student is. Immers, de passende houding waarin men staat ten opzichte van zijn leermeesters is er een van luisterbereidheid. En ook wanneer men langzamerhand de eerste vruchten van de wetenschap in zich voelt rijpen, lijkt het aangewezen uit te gaan van het standpunt dat, zolang men studeert, de professor altijd gelijk heeft. Natuurlijk is dit laatste niet het geval. Geen echte wetenschapsbeoefenaar is gelukkig met de qualificatie de wijsheid in pacht te hebben en hij acht het een verdacht compliment wanneer zijn vakmatige beschouwingen worden gezegd te staan voor de hele waarheid. De waarheid is te groot voor ons; zij vraagt gediend te worden. Het pleit daarom voor een hoogleraar wanneer zijn doceren zelfs impliciet niet verwijst naar dit eigen gelijk. Toch heeft een student, alvorens zijn eigen koers te kunnen uitzetten, enigermate behoefte aan wetenschappelijk gezag. Het gelijk van een professor heeft daarom iets gradueels: hij heeft meer ,,gelijk" dan de student. Daarom zitten de leerlingen „aan de voeten van de meester", zien zij naar hem op; daarom ook zit hij zelf niet op gelijk niveau, maar zetelt hij — naar goede traditie — op een hoog gestoelte boven hen. Want iemand die zijn wetenschap, in alle mogelijkheden en samenhangen tot aan de grenzen ervan, kan overzien, moet wel een verheven standpunt innemen. Nolens volens is hij, die vijf en twintig jaar een ambt bekleedt, altijd min of meer slachtoffer van de publiciteit. En waar voor professor van Berkum — mij dunkt — het „nolle" sterker is dan het ,,veile", wordt hem van studentenzijde het meest recht gedaan, niet met de gebruikelijke jubileumfrasen rond zijn persoon, maar met een — hopelijk — enigszins consistent begrip van wat hij gedurende die tijd als hoogleraar voor ons studenten heeft trachten waar te maken. Wat is de indruk, die men als student krijgt van professor van Berkum? Hoe doet hij zich aan ons voor in zijn hoedanigheid van hoogleraar?

Niet als iemand die voorgeeft de wijsheid in pacht te hebben. Hij zou zich de woorden van J. H. Williams (geciteerd door Hennipman als motto voor zijn bijdrage aan „Theorie van de Economische Politiek") eigen kunnen maken: „The most dangerous policy-maker is the man who knows the answer, because he feels he can take it literally from his theory". In zijn doceren voelt men nog steeds de oorspronkelijke verwondering, die de grondslag is van alle wetenschap. Men wordt geconfronteerd met een stimulerende belangstelling voor de actuele gebeurtenissen, die zich niet verliest in praemature voorspellingen ten aanzien van de gevolgen van weer een nieuwe loonpolitieke situatie, maar die wordt voorgedragen met een grote mate van bescheidenheid, zich kenmerkend door een benieuwd zijn naar de afloop. Zo ergens dan leert men hier, dat men van de feiten kan leren. Men weet zich als student de leerling van iemand, die op vele terreinen indirect het beleid mede heeft bepaald, en die er prijs op stelt mensen op te leiden voor dat beleid. Maar men wordt tevens behoed voor zelfoverschatting. „There are no 'answers', but some answers are better than others" (F. H. Knight, geciteerd door Hennipman O.C.). Naar het citaat van Williams is professor van Berkum bepaald geen „gevaarlijk" docent. Toch dient een hoogleraar in de maatschappij-wetenschappen meer dan alleen bescheiden te zijn. Zijn bescheidenheid is veeleer een vorm van wetenschappelijke dienstbaarheid, of — in zijn eigen woorden — ,,de raison d'etre van de economische wetenschap ligt nu eenmaal in haar dienstbaarheid aan de economische politiek". In de moderne tijd heeft het klassieke en middeleeuwse ideaal van onbaatzuchtige wetenschapsbeoefening plaats gemaakt voor de opvatting, dat de wetenschap een functie heeft als zelfkritiek van de praktijk. Zo zal hij, die ex professo economie studeert en doceert, de maatschappelijke ontwikkeling kritisch moeten begeleiden. Om deze taak goed te kunnen vervullen moet men de praktijk wel vanaf een overzichtelijke plaats kunnen overzien, moet men wel kunnen spreken met die mate van gezag, die de student terecht van zijn hoogleraar verlangt. 7


Het komt mij voor, dat wij ons als studenten gelukkig kunnen prijzen in professor van Berkum een hoogleraar te kennen, die de economische wetenschap met gezag weet voor te dragen. Wanneer hij ons voorhoudt, dat ,,slechte cijfers altijd nog beter zijn dan geen cijfers", gaat zijn gezagvol hanteren van de "tools" van de economische theorie daarin tevens gepaard met die mate van bescheidenheid, die de ware beoefenaar van de wetenschap kenmerkt.

Wij ontmoeten in hem een hoogleraar, die wetenschappelijk gezag kan paren aan wetenschappelijke bescheidenheid, een andere "rare combination of gifts", maar een die niet minder belangrijk is dan die, welke Keynes noodzakelijk achtte voor een goed econoom. Namens de studenten past hiervoor, naast een woord van hulde bij dit jubileum, ook een woord van dank. J. H. M . Peters.

Academische week

op, dat het aanvankelijk door de klasse-ideologie opgelegde strijdkarakter der wederzijdse verhoudingen later werd gerelativeerd en gemitigeerd in een vorm van onderhandelen, waarbij de partijen weliswaar duidelijk oppositionele belangen behartigden, doch bereid bleken meer inschikkelijkheid aan de dag te leggen. Het te vinden evenwichtspunt is een arbitraire resultante van machtsverhoudingen of onderhandelingsbekwaamheid, waarvan meestal niet gezegd kan worden dat het ekonomisch gezien het meest „rationele" evenwichtspunt is.

N.K.V.

Van 6 t/m 10 april is in Tilburg, in samenwerking met het A. C. de BruynInstituut te Doorn een akademische week gehouden waaraan werd deelgenomen door bestuurders der diverse bonden, aangesloten bij het N.K.V. De bedoeling was een ontmoeting van Hogeschool met vakbond waarbij men zich samen wilde bezinnen op een aantal aktuele problemen. Juist een akademische week is de gelegenheid bij uitstek om elkaar anders dan aan de onderhandelingstafel te ontmoeten. Door de professoren Van der Ven, Janssen, Bosman, de Moor en door pater de Vries werden in de morgenuren diverse aspekten van de vakbeweging belicht. Naast de kolleges was er in de middaguren gelegenheid te diskussiĂŤren aan de hand van drie papers welke waren samengesteld door de heren M. Angenent, L. Stassen en F. Verleisdonk. Prof. dr. F. J. H. M. van der Ven, DE NEDERLANDSE LOONPOLITIEK. Beperkt men zich tot de formele loonpolitiek, dan is het mogelijk de volgende karakteristieken te geven van de hedendaagse procedures, volgens welke de arbeidsvoorwaardenvorming verloopt: 1. min of meer stringente regulering, die weinig overlaat aan het krachtenspel van de vrije markt; 2. tweezijdigheid in de vaststelling van lonen en tarieven treedt in de plaats van eenzijdig vastgestelde bepalingen; 3. een toegroeien naar kollektieve systemen; 4. herniewde deelneming van de overheid aan het proces van arbeidsvoorwaardenvorming. Bij de nadere uitwerking van het onder punt 2 genoemde kenmerk, wees Prof. v .d. Ven er 8

In de sociologische theorie heeft men zich bij de verklaring van het proces van kollektieve loonvorming te veel laten leiden door struktuurgegevens van het individuele model (bv. Dahrendorf). Meer nog dan in de individuele verhouding behoeft de theorie die uitgaat van het streven naar loonmaximalisatie bij de werknemer en loonminimalisatie bij de werkgever, dringende korrekties wanneer het gaat om het verklaren van het proces van kollektieve onderhandelingen: a. bij kollektiviteiten spelen irrationele elementen een aanzienlijke rol: prestigevergroting, machtsvertoon, vreesaanjagen. Vooral in de V.S. hebben sociologen gewezen op de betekenis van het streven naar machtsuitbreiding. b. de termen loonmaximalisatie en -minimalisatie dragen voor kollektiviteiten een ander karakter. Niet alleen de hoogte van het loon is van belang voor hen maar ook het produkt van loon x werknemers. Bij een krappe arbeidsmarkt zijn werkgevers plooibaarder in hun tegemoetkomingen aan verlangens van werknemers dan in andersoortige werkgelegenheidsomstandigheden. Het resultaat van kollektieve onderhandelingen is geen produkt van zo scherp mogelijk afdingen maar van rivaliteit en solidariteit samen. Bij kollektiviteiten is er door deze ambiguĂŻteit temeer een objektiviteit aanwezig.


Aan de hand van deze gegevenheden zette Prof. V. d. Ven zijn betoog af tegen de opvattingen van Dr. Th. Mulder enerzijds en Prof. Pen's speltheorie anderzijds. Dr. Mulder beschrijft de verschuiving van onderhandelen naar overleg als een systeemwijziging, in samenhang met een mentaliteitsverandering. Prof. V. d. Ven ziet de vormgeving van het door pater de Bruyn beschreven objektief gegeven van het kontrakt — te weten de onderlinge verwevenheid van rivaliteit en solidariteit, van eigenbelang en sociale oriëntatie — als een funktie van de feitelijke ontwikkeling. Prof. V. d. Ven ziet de methode van onderhandelen (strijd of overleg) ook als een funktie van de feitelijke konjunkturele ontwikkeling, dit in tegenstelling met Cornelisse bijvoorbeeld. In de speltheorie van Prof. Pen is geen plaats voor irrationele motieven, maar zij gaat uitsluitend uit van een zuiver rationeel gericht handelen vanuit rivaliteitsposities. Er is slechts sprake van oppositionele belangen, met uitsluiting van mogelijke gelijkgerichtheid in wederzijdse doelstellingen. De intrinsieke ambivalentie der kollektieve loononderhandelingen vraagt om een institutionele vormgeving die aan feitelijke veranderingen in de materiële loonsituatie het hoofd kan bieden. Prof. dr. L. H. Janssen S.J. „VAKBEWEGING IN DE ONTWIKKELINGSLANDEN" Een van de algemene kenmerken van de vakbeweging in de ontwikkelingslanden is het geringe aantal leden. Dit wordt echter begrijpelijk als men bedenkt, dat de vakbeweging zich vooral richt op de industrie-arbeiders; en deze zijn er nog maar weinig in de overwegend agrarische ontwikkelingslanden. Prof. Janssen nam vervolgens enkele gebieden nader onder de loep. AFRIKA. Tot 1940 was Afrika politiek praktisch onmondig; na dat tijdstip beginnen de Afrikanen echter mee te spreken, maar daar zij staan tegenover buitenlandse werkgevers, waren de vakbewegingen sterk anti-koloniaal georiënteerd en politiek geëngageerd. Dit stempel dragen zij nog steeds met zich. Gestreden werd vooral voor vrijheid van vereniging, arbeidsloon en met name tegen de vaak enorme discriminatie in beloning tussen blanke en zwarte arbeid (in Rhodesië bijv. een verschil van 90%!)

Ook in Afrika ziet men de strijd tussen de communistische en de vakbeweging. Het beeld wordt daarbij in sterke mate beheerst door pan-afrikaanse vakbewegingen als die van Nkroema van Ghana en Sekoutouré van Guinee, welk 60% van de georganiseerde arbeiders omvat. De christelijke pan-afrikaanse vakbond, vooral sterk in Belgisch Kongo, Roeanda-Oeroendi, Madagascar en ZW-Afrika omvat 20% der georganiseerden, de zg. ,,vrije" vakbeweging 1 5 % . Het politieke engagement van de vakbeweging komt tot uiting in het feit, dat in diverse landen (Ghana, Egypte) de vakbeweging door de staat als uitvoerend orgaan van haar sociale politiek wordt gebruikt; zij wordt daarmee a.h.w. staatsorgaan. Het feit dat in Ghana de contributie van de vakbondsleden via de werkgevers en de staat bij de vakbonden terecht komt, is ook al niet erg bevorderlijk voor de onafhankelijkheid van de vakbeweging. De christelijke vakbeweging echter streeft expliciet een onafhankelijke, niet-verpolitiekte koers na. Ten aanzien van het communisme in de Afrikaanse vakbeweging valt nog op te merken, dat de Islam van nature anti-communistisch is. Daar de vakbonden echter sterk anti-koloniaal waren, werd het vuur door Moskou dapper aangeblazen en kregen de vakbonden bepaaldelijk communistische trekken. Toen de onafhankelijkheid echter eenmaal veroverd was, kwam het Islamitische karakter weer sterker naar voren en werd de communistische invloed teruggedrongen. ZUID-AMERIKA. De sterk feodaal getinte regeringen van deze landen waren vanzelfsprekend sterk anti-vakbewegingen. Toen deze echter tóch ontstonden, deed men pogingen de vakbeweging aan de staat te binden (Peron, Batista). In Zuid-Amerika is 10% der arbeiders georganiseerd, waarvan 20% bij de christelijke vakbeweging is aangesloten. De laatste wil, evenals in Afrika, onafhankelijk zijn van overheid, ondernemers en Kerk (de Kerk is nl. sterk geëngageerd met de heersende klasse). De christelijke vakbeweging voert oppositie tegen de vrije vakbeweging die sterker met de overheid gelieerd is. Een ongunstig punt voor de christelijke vakbeweging is echter, dat de Amerikanen in hun ,,Alliance for Progressprogram alleen de vrije vakbeweging steunen, afkerig als zij zijn van iedere vorm van verzuiling. Maar op deze wijze torpederen zij hun eigen inspanningen: de vooruitgang moet komen vanuit het volk zelf en niet vanuit de door het volk erfelijk als ,,corrupt" beschouwde overheidshoek. Andere problemen voor de (christelijke) vakbeweging zijn gebrek aan leiders (grote zuigkracht van politiek, waar bekwame figuren veel gemakkelijker rijk worden), gebrek aan geld en het hyper-individualisme van de Zuid-Amerikaan. 9


AZIe. In India is o a het probleem, dat de vakbewegmgsleiders vaak uit burgerlijke kringen komen, hoewel ze daarom vaak niet minder communistisch zijn Een van de grootste fouten die daar wordt gemaakt, is de te geringe aandacht voor de landarbeiders, welke in aantal toch verreweg overheersend zijn In Indonesië is de vakbeweging, gebaseerd op de ,,Vijf Zuilen"-beweging, zeer pragmatisch met vermijding van overtrokken leuzen In de discussie merkte prot Janssen nog op, dat de inbreng van de christelijke vakbeweging in de ontwikkehngslanden, het onafhankelijk zijn van Staat, dictatoren, werkgevers en Kerk, vaak stuit op het onvermogen in deze landen om te organiseren en georganiseerd te worden Daardoor wordt een sterk autoritair gekleurd gezag bijna onvermijdelijk en hoe dit te combineren met onafhankelijkheid van de vakbeweging'' Deze dus pas hic et nunc te bekijken als ideaal of nief' Prof Janssen pleitte ook voor hulpverlening via de vakbeweging (evenals via missie en zending) omdat deze instituties werkelijk effectief kunnen werken In het politieke vlak liggen hier echter nog al wat voetangels en klemmen verleent men hulp via de een, dan komt de ander óók Voorlopig moet ik om politieke redenen de vakbeweging nog even ,,afhouden", zo was zijn conclusie Prof. dr. H. W. J. Bosman: DE INKOMENSEISEN DER PRESSIEGROEPEN EN DE FINANCIERING DAARVAN. De verdeling van het Nationale Inkomen wordt sterk bepaald door de activiteiten van pressiegroepen met name van de vakbeweging Men dient echter te bedenken dat druk (pressie) meestal tegendruk oproept en dat daardoor de verdeling van de nationale koek tot een zekere strijd voert De oplossing vooral in rechtse kringen voorgestaan, om er primair naar te streven gezamenlijk (kapitaal en arbeid) de koek te vergroten om daarna elk een groter stuk te kunnen bemachtigen is te simplistisch De koek is doorgaans niet op korte termijn te vergroten Het probleem van de verdeling blijft daarom actueel Prof Bosman wilde dit probleem vooral op zijn monetaire aspecten onderzoeken Wat gebeurt er als de totale inkomenseisen van de pressiegroepen de stijging van het nationaal inkomen overtreffen, als de z g inkomensinflatie optreedt Dat leidt bij een situatie van volledige werkgelegenheid tot prijsinflatie (het nominale inkomen overstijgt het reële inkomen) Hoe moeten die gestegen inkomens gefinancierd worden'' 10

a

Door nieuw geld te creëren,

b

En/of door een intensiever gebruik van het bestaande geld volume (verhoging van de omloopsnelheid Hieraan is echter een maximum gesteld)

Prof Bosman verduidelijkte de geldschepping aan de hand van een eenvoudige balans der geldscheppende instellingen A In de veronderstelling van een gesloten economie (bv de Verenigde Staten) wordt bij stijgende inkomens-eisen het geld door de banken geschapen Als dit niet gebeurt zal de goederen- en dienstenstroom worden ingeperkt, en zal de vraag naar arbeidskrachten afnemen De pressiegroepen zullen daarop veelal reageren door hun mkomens-eisen te matigen B In de veronderstelling van een open economie bij vaste wisselkoersen (bv Nederland) zal een loon- en prijsstijging kunnen leiden tot een tekort op de betalingsbalans (meer invoer dan uitvoer) De deviezen vloeien weg en bij aankoop wordt het geldvolume vanzell geringer Er ontstaat vanzelf een geldkrapte zonder dat de Centrale Bank behoeft in te grijpen Dit kan tot een financiële crisis voeren duur geld, teruglopen der investeringen (bv 1957) In het geval van een betalingsbalans-overschot, zoals Nederland de laatste jaren kende kan het omzetten van buitenlandse valuta m Nederlands geld leiden tot een geldruimte, waaruit de inkomenseisen vanzelf gefinancieerd worden De C B moet remmend optreden bv door kredietrestrictie Thans verkeert de Nederlandse economie in een overgang van overschot naar tekort Wanneer dit door de werkgevers voorzien had kunnen worden, zouden zij wel meer tegendruk hebben uitgeoefend bij de recente looneisen der vakbeweging C Bij variabele wisselkoersen is er in een open economie een regulerende factor aanwezig BIJ grote vraa» naar deviezen stijgen de koersen en zal de import vanzelf worden afgeremd Er kleven echter wel bezwaren, vooral onzekerheden, aan een systeem van variabele wisselkoersen Men kan echter incidentele herwaardering van de gulden toepassen Vorig jaar zou een revaluatie plaats hebben kunnen vinden, waarbij dan matiging van de inkomens-eisen moest optreden In plaats van loonen prijsverandenng krijgt men wisselkoersverandering Psychologisch lijkt dit met minder aantrekkelijk, doch uit een oogpunt van een redelijke inkomstenverdeling zou revaluatie de voorkeur hebben verdiend


Prof. dr. R. A. de Moor: DE VAKBEWEGING IN DE ORGANISATIESOCIOLOGIE. De sociologie kent drie typen organisaties (mteraktiesystemen die expliciet gericht zijn op het bereiken van bepaalde doeleinden, waarbij het proces van het zich voegen naar leiding kenmerkend is) de dwangorganisatie, de utilitaire organisatie en de normatieve organisa tie Ook de twee stelsels van faktoren waarvan ledere interaktie afhangt, nl de macht van de andere partij en zijn eigen oriëntatie t o v de leider kunnen we m drieën onderscheiden, en daarbij samenvattend tot het volgende schema komen organisatie: 1 dwangorganisatie 2 utilitaire org 3 normatieve org oriëntatie: afwijzend berekenend positief

maclit: dwang beloning normatieve macht voorbeeld: gevangenis Amerikaanse vakbeweging W-Europese vakbeweging

Het kernprobleem van de vakbeweging is tegenover de meer-op-nuttigheid gerichte mentaliteit van de leden (en toekomstige leden) staat (m de perceptie van de leden) een niet voldoende-belonende macht van de leiders (ieder type organisatie heeft een ander type leider) Toen de vakbeweging ontstond was ze een vreemd eend m de maatschappelijke bijt, haar ideologische doelstellingen waren minstens zo belangrijk als trekpleister voor de toekomstige leden als de materiele voordelen die men via de vakbeweging zou kunnen bereiken Het zwaartepunt van de aktiviteiten lag op het plaatselijke vlak, de problematiek was voor de leden te overzien, de afstand tussen leiding en leden was kort en kollektief optreden van de arbeidende klasse was nodig daar individuele vertikale mobiliteit vrijwel onmogelijk was Haar organisatie droeg een normatief karakter Tussen de beide wereldoorlogen komt naast de ideologische inslag ook de utilitaire oriëntatie naar voren, doch nog in een kollelitief streven naar lotsverbondenheid Naast het normatieve machtselement treedt het beloningselement Een zekere centralisatie en bureaukratisermg wordt zichtbaar Na de oorlog veranderde zowel de maatschappij als het karakter der vakbeweging Het aantal hoofdarbeiders (minder georganiseerd) nam toe (en dus wordt de groep die de vakbeweging schraagt relatief kleiner), de ,,privatization of the worker" (Lockwood) komt op, de toenemende welvaart doet de ideologische te-

genstellingen verzwakken (en dus verzwakt het bindingsvermogen van de vakbeweging) en de normatieve doordringendheid van de vakbeweging is geringer De moderne vakbeweging onderstreept meer haar nuttigheidskarakter, waarom ze vooral bij de jongere generatie wordt gezocht (v d Vall) ZIJ IS met alleen groepsinstituut meer, maar een maatschappelijke organisatie, met nut voor de maatschappij-als-geheel Zij wordt ook steeds meer geleid door een instrumentele elite (experts), minder door een expressieve elite, die dragers zijn van ideologische waarden De ontwikkeling van de vakbeweging is als volgt aan te geven qua karakter van ideologische naar utilitair qua belang van kollektief naar individueel qua vlak van lokaal naar internationaal qua leider van ideologisch naar instrumenteel Een gevolg hiervan is het ontstaan van informele leiders wilde stakingen) en het feit dat de vakbeweging wel leden kan aantrekken, maar ze niet kan vasthouden Prof de Moor besloot zijn kollege met een korte beschouwing over de kulturele integratie van de vakbeweging Drs H. de Vries s.c.j.: HET HUIDIGE WERELDBEELD EN DE VAKBEWEGING. Volgens Sartre wordt de menselijke vrije leefruimte steeds meer beperkt door de institutionalisering, die door de specialisering van de arbeid wordt opgeroepen en die de mens dwingt tot een activite passive De menselijke persoon en zijn eigen verantwoordelijkheid heeft echter nooit zoveel aandacht gekregen als thans Door de versnelde evolutie van wetenschap en techniek is de spanning tussen verleden en toekomst nooit zo groot geweest als nu Daarin schuilt het gevaar dat de oude waarden (,,van voor de oorlog") geheel verdrongen worden Beschouwing over de techniek. Het menselijk zijn is altijd een ergens-zijn in een wereld De wereld is echter niet zonder meer aangepast aan de mens De natuur biedt naast nieuwe mogelijkheden steeds nieuwe moeilijkheden en elke omvorming van de wereld die een aanpassing aan ons zelf is, roept nieuwe behoeften op Daarom is het mense11


lijk bestaan nooit af, de mens moet zijn eigĂŞn bestaan altijd verder uitbouwen, het wezen van de mens is daarom niet een passiviteit Het ondergedompeld zijn in de eigen wereld, de verbondenheid van mens en stof is een zeer waardevol uitgangspunt voor de ontwikkeling van de stoffelijke natuur en voor de ontwikkeling van de mens De ontwikkeling van de stof komt niet zo maar, doch door de ontwikkeling van de mens tot stand en andersom De mens is definitief in dialoog getreden met de materie Met de groei van de wetenschap en techniek en de verstrengeling van mens en natuur, groeit de verantwoordelijkheid van de mens voor de beheersing en ontwikkeling van de natuur De grootste opdracht van de tegenwoordige mens is niet meer de aanpassing van de wereld aan de mens maar de innerlijke aanpassing van de mens aan de door hem gevormde wereld Pater de Vries licht een en ander toe met voorbeelden uit het atoomonderzoek en het economisch proces Gevolgen van de

Door deze ontwikkeling is echter een zeker solidariteitsmentaliteit op de achtergrond geraakt en komt het accent te liggen op de individuele behoeften om de eigen toekomst te maken Voor de leiding der vakbeweging brengt dit de moeilijke taak mee om beide strevingen recht te doen Ad b. De wereld is kleiner geworden voor de beleving van de mens, omdat we a de afstanden hebben opgeheven, ook door onze zintuigen te verlengen, b door de bevolkingsgroei, waardoor het onderlinge contact is geĂŻntensiveerd, c door het snelle verbruik van grondstoffen dat de mens dwingt tot de opdracht nieuwe energiebronnen e d op te sporen Veldkamp spreekt hier van collectiverende processen De vervlochtenheid van het menselijk wereldbeeld maakt de verantwoordelijkheid voor consequenties ingrijpender Ook van hieruit gezien is deskundigheid een eis die de vakbondsleiders sterk regardeert

technisch omgevormde wereld. a Over het veranderde mensbeeld b Over het veranderde wereldbeeld c Over de veranderde denkstructuur van de mens en de consequenties, die een en ander heeft voor de vakbeweging Ad a. Niet alleen ons fysieke materiele bestaan, maar onze totale existentie is ingrijpend omgevormd De industriĂŤle revolutie heeft echter met alleen destructieve gevolgen gehad zoals lang beweerd is Zij heeft ook geleid tot een grotere behoefte aan intellect, aan objectief denken, aan inventiviteit en de moderne maatschappij-structuur heeft de mens ook zelfstandiger en cntischer gemaakt Aan ons bestaan is niet meer zoals in de 19e eeuw een van buiten opgelegd doel gegeven De mens heeft de opgave zijn eigen toekomst te zoeken Spreker benadert dit ook vanuit de verandering in de menselijke arbeid Veldkamp onderscheidt 3 fasen van arbeid a de gehumaniseerde arbeid,

Ad c. De ontwikkeling van mens en wereld heeft een cultuur tot stand gebracht waarm absolute wetten en normen steeds meer im Frage worden gesteld In vroegere perioden is de vrijheid van keuze aanzienlijk beperkt geweest Doel en middelen waren gefixeerd ook voor de vakbeweging Nu stelt bv het gebruik van de welvaart ons steeds meer voor een eigen keuze Wij leven een zoekend bestaan, er is geen concreet doel meer zichtbaar aan het eind van een duidelijke weg Dit moeten kiezen vraagt zelfbeperking en zelfbeheersing Wat moet de vakbeweging in deze situatie'' Zich aan de oude doelen en gedragsregels vastklampen'' Von Nell-Breunmg becritiseert dit streven Vroeger moesten de vakorganisaties zich wel richten op een rechtvaardiger verdeling van het nationaal inkomen Thans moet ZIJ ook meewerken aan de groei van het nationale inkomen, zij moeten dus een keuze maken en deze keuze binnen eigen kring kunnen verantwoorden Zij moet ook een pressiegroepnaar-beneden-binnen zijn, met alleen naarbuiten-boven

b de gepersonaliseerde arbeid, c de vrijgemaakte, maatschappelijk als volwaardige vorm van persoon-zijn geaccepteerde, arbeid 12

* * *


Paper Drs L Stassen DE ECONOMISCHE MEDEZEGGENSCHAP IN DE ONDERNEMING De Wet op de Ondernemingsraden (1950) kent aan de werknemers zeggenschap van adviserende aard toe, in de vorm van medeweten en medespreken maar geen eigenlijke medebeslissing in ekonomische vraagstukken

D e Prof Teldersstichtmg vindt dat het juridisch gewaad van de onderneming nog steeds doelmatig IS Herzieningen, voorzover zij overdracht van bevoegdheden aan werknemers en overheid beogen, doen hieraan juist afbreuk Het overwicht van geldverschaffers wordt verdedigd vanwege de grotere risiko's die aan deze inbreng zijn verbonden Dit zijn enkele meningen over medezeggenschap in de onderneming zoals die als onderwerp hebben gediend ter diskussie

T a v deze medezeggenschap zijn publikaties van diverse zijden verschenen 1 van theoretische zijde via dissertaties en studies (Romme, van Campen, van Haren e a ) ,

Paper drs F

2 van vakbondszijde (CNV, NVV),

DE VAKBEWEGING

3 van wetenschappelijke bureau s der diverse partijen (Prof Teldersstichtmg, Wiardi Beekman Stichting),

Na de tweede wereldoorlog ging de Overheid, met een aantal konkrete doelstellingen voor ogen en een skala van ekonomisch-politieke instrumenten tot haar beschikking, vergaand ingrijpen m het ekonomisch leven Zij werd daarmede — naast bewaakster van het algemeen belang — partij in het sociaal-ekonomische en politieke handelingenveld

4 van Werkgeverszijde (NKWV) De benadering van het probleem der medezeggenschap geschiedt langs twee wegen de ene richting staat korrekties voor, van sociaal psychologische aard (Steenkamp, Teldersstichtmg, NKV), terwijl de andere richting struktuurhervorming van de ondel neming voorstelt (van Campen, Wiardi Beekman Stichting) N a de oorlog zien we een cluster van voorstellen, waaronder wij noemen van Campen die zich een sterk voorstander toont van een organisatie der onderneming in de vorm van een stichting met een sterk accent voor de leidmg, en Romme die de vennootschap wil vervangen door een ondernemingsvergadering, waarin leiding, kapitaal en door de vakbeweging vertegenwoordigde werknemers, gelijkgerechtigd samenwerken Demokratisenng van het bedrijfsleven wordt vaak als logische aanvulling en vervolmaking van het op staatkundig terrein aanvaarde parlementaire bestel verdedigd Kritici betogen hiertegen, dat het vanzelf spreekt, dat in een demokratische staat het beleid van gezagsdragers, die krachtens mandaat de belangen der staatsburgers behartigen, aan pailementaire kontrole wordt onderworpen De ekonomische bedrijvigheid voltrekt zich in een privaatrechtelijke sfeer zeggenschap van derden is hier overgelaten aan de konsumenten die hun toestemming of afkeuring over het ondernemingsbeleid op de markt kenbaar maken De Wiardi Beekman Stichting heeft in '59 de diskussies rond het probleem van de medezeggenschap doen herleven Zij beveelt een rekonstruktie van de Raad van Kommissanssen aan drieledig samengesteld kollege waarin naast de vertegenwoordigers tot dusver nu ook vertegenwoordigers van de werknemers zitting hebben Enkele andere voorstellingen m b t medezeggenschap zijn afkomstig van bv van Haren, die uitgaat van een „dualistische' ondernemingsopzet naast de onderneming, waarin de aansprakelijkheid der kapitaalverschaffers tot uiting komt, de onderneming die de belangen der personeelsleden behartigt

Verleisdonk IN HET

STAATSBESTEL

Haar ekonomische-pohtieke beleid weerspiegelde tot op zekere hoogte het programma van de verschillende richtingen en partijen Voor de vakbeweging had dit verstrekkende gevolgen De staatsmacht IS een belangrijk instrument voor de verwezenlijking van haar doelstellingen geworden Zij streeft daarom naar politieke invloed, maar dit streven roept nogal eens verzet op bij personen van uiteenlopende politieke en ideologische overtuiging ZIJ zien in het vervagen van de grenzen tussen het sociaal-ekonomische en het politieke een gevaar voor het parlementaire bestel ZIJ vinden het met name een onzuivere verhouding, dat de regering en in het overleg met de volksvertegenwoordiging, en in het overleg met het bedrijfsleven steeds dezelfde mensen ontmoet ZIJ nemen geen genoegen met een situatie hierin bestaande, dat de positie van het parlement in het demokratische besluitvormingsproces voor een belangrijk gedeelte is overgenomen door extraparlementaire instituties als vakverenigingen Op grond van de hier in het kort weergegeven probleemstelling werd er door de aanwezige vakbondsfunktionanssen uitgebreid gediskussieerd waarbij het m wezen ging om de beantwoording van de volgende vragen 1 Zijn politiek en ekonomie m grote lijnen te scheiden'' 2 H o e verhouden zich precies (als ekonomie en politiek N I E T te scheiden zijn) algemeen belang en deelbelang'' Kan in de politiek een evenwicht tot stand komen zonder pressiegroep? 3 Is de politiek voor de vakbeweging een belangrijk, onontbeerlijk middel of slechts een accidenteel m i d d e P 13


Paper drs M Angenent LEIDING EN LEDEN IN DE

VAKBEWEGING

In dit paper worden, op basis van de bestaande literatuur (o a v d Vall, Buiter, Ter Hoeven) een aantal punten genoemd, waarop bezinning gewenst lijkt in verband met de verhouding tussen de leiding van de vakbeweging en de leden of potentiële leden Als in die verhouding een probleem bestaat, is het een bindingsvraagstuk Tussen leiding en leden zijn waarschijnlijk oriëntatieverschillen aanwezig, grofweg aan te duiden als een korte-termijn-denken bij de werknemers tegenover een beleid op de langere termijn m geïnstitutionaliseerde overlegsvorm Een belangrijke vraag is of men verzekerd kan zijn van de apathie der ongeorganiseerden, of zij niet de positie van de erkende organisaties ondergraven Het gevaar van met-aanvaarden der vakbewegingsaktiviteit lijkt in het bijzonder aanwezig op loonpolitiek gebied waar de centralisatie en de externe verplichtingen van de organisatie zeer duidelijk gelden

Een ander aktie-gebied is dat van de individuele service, waarvan een bindende kracht uitgaat maar ook een belangrijke afstotende werking wanneer die dienstverlening naar het oordeel der belanghebbende werknemers tekort schiet Mede in verband hiermee staat de verstopping van de zgn eerste kontaktlaag (Buiter), d i bij het lagere kader in of buiten de bedrijven Centralisatie en verambtelijking doen zich misschien teveel gelden, zowel bij de klachtenbehandeling als anderszins bij de inspraak van de leden in het vakbondsbeleid De ernst van het een en ander is niet in een massale dissidentie, een leegstromen van organisaties, merkbaar Wel zijn er aanwijzingen van mogelijk gevaar, zoals ledenrouleringen, wilde akties, terwijl de kategorie hoofdarbeiders voor de werving een bijzondere moeilijkheid biedt D e vraag blijft, hoe ernstig de situatie werkelijk IS, en of met voorstellen tot het doorblazen van de kommunikatie-kanalen een voldoende bindingversterkende werking zou kunnen worden verkregen

Mededelingen Algemeen VACATURES BIJ ONTWIKKELINGSPROJECTEN

DER

OECD

BIJ enkele projecten in de landen van Zuid en Zuid-Oost Europa bestaat thans de gelegenheid voor een aantal jonge economen om via de OECD voor enige tijd als assistent-deskundigen bij het ontwikkelingswerk te worden ingeschakeld Gevraagd worden recent afgestudeerde algemene economen met belangstelling voor de ontwikkelingsproblematiek Deze zullen als taak krijgen om op voet van gelijkheid met eventueel locaal aangeworven krachten de O E C D experts bij het practische uitvoerende werk ter zijde te staan De tijdsduur van de uitzendingen is variabel en hangt o m af van de aard van het project en de wensen der eventuele gegadigden zelf Nadere informaties en sollicitatie formulieren zijn verkrijgbaar bij Drs C J L Bertholet

* TILBURGSE STUDENTENVERENIGING VAN FEDERALISTEN D e T S F maakt hierbij bekend dat besloten is tot oprichting van de studie groep „E E G ". 14

Door middel van gezamenlijke besprekingen, individuele bestudering, het bijwonen van hiertoe te organiseren voordrachten en het volgen van congressen en studiedagen in binnen- en buitenland, stelt ZIJ zich ten doel het verwerven van een zekel e deskundigheid op het gebied van de Eurojiese eenwording in het algemeen en de Europese gemeenschappen m het bijzonder Opgave hiertoe staat open voor alle belangstellenden en dient te geschieden bij J W J Tabbers

* De regeringen van de navolgende landen hebben beurzen beschikbaar gesteld voor, bij voorkeur, doctoraal studenten —

Zweden

—

Italië

—

Noorwegen

—

Oostenrijk

—

België

—

Spanje

—

Polen

—

Joegoslavië

De beurzen zijn bedoeld voor het volgen van een zomercursus m de betreffende landen Nadere inlichtingen bij het bureau Studentenbelangen


MARANATHA Dit jaar wordt er van 27 ]uh tot 14 augustus in het kadei van de oecumenische studentenparochiereizen een vacantietocht georganiseerd naar Tunis om kennis te maken met de godsdienst van het Mohammedanisme Ad Valvas op de Hogeschool treft U nadeie bi] zonderheden aangaande deze reis aan — Hemelvaartsdag donderdag 7 mei a s woidt om 11 30 een H Mis opgedragen in de Veemarktstraat, evenals op Ie Pinksterdag 17 mei 2de en 3de Pinksterdag resp 18 en 19 mei wordt er om 12 10 geen H Mis op de Hogeschool gelezen

*

Curatorium Tot president-curator van de Katholieke Hogeschool IS benoemd mr P M H van Boven te Breda In deze functie volgt hij dr C N M Kortmann op, die zich door toeneming van zijn werkzaamheden als Commissaris van de Koningin in NoordBrabant genoodzaakt zag, het college van curatoren te verzoeken hem van de — eveneens groeiende — taak van president-curator te ontheffen Op aandringen van het college van curatoren houdt dr Kortmann zitting in dit college Mr van Boven was sinds 1960 curator van de Kathoheke Hogeschool Hij is voorzitter van het Nederlands Katholiek Werkgevers Verbond Tot Curator van de Katholieke Hogeschool zijn benoemd drs W A J Bogers, directeur van de Staatsmijnen in Limburg, te Heerlen, en mr A A M Struycken, lid van de Raad van State, te Den Haag Deze benoemingen voorzien in de vacatures, die zijn ontstaan door het aftreden van drs M Janssen en dr J F G M de Meijer De samenstelling van het College van Curatoren van de Katholieke Hogeschool is thans als volgt mr P M H van Boven, president-curator mr C J G Becht drs W A J Bogers dr F J M A H Houben dr C N M Kortmann drs F I A M van Miert mr dr B J M van Spaendonck mr A A M Struycken Secretaris van het College is drs H Loevendie

Economie FINANCIEWEZEN VAN DE ONDERNEMING — Drs A J M Schooi lemmer zal voortaan spreekuur houden des woensdagsmiddags vanaf 14 00 uur

LITERATUUR KANDIDAATSEXAMEN — In de plaats van N J Polak „Enige Grondslagen voor de financiering der onderneming", deel I en II mogen worden bestudeerd Dr A Prange „Financiering van de onderneming" en Prof Dr A I Diepenhorst „Structuur en politiek", hoofdstukken 1, 4, 5 en 8

* — Kandidaatsstudenten die een stage Financiewezen wensen te volgen op het Economisch Instituut worden er aan herinnerd, dat zij zich daarvoor tijdig dienen aan te melden bij Drs A J M Schoorlemmer Tijdens de stage worden studenten in de gelegenheid gesteld met behulp van financiële data als jaarrekeningen, beurskoersen, prospectussen etc zich een oordeel te vormen resp inzicht te verkrijgen in o a — de aanvaardbaarheid van de financieringsstructuur van enige ondernemingen per ultimo december 1963, — de omvang van de factoren welke de rentabiliteit van het eigen, het totale en het m reële activa geïnvesteerde vermogen bij de desbetreffende ondernemingen bepalen, — de uitwerking van voor te leggen vraagtukken, — de balans, de resultaten en de bednjfsanalyse — de relatieve beleggingsaantrekkelijkheid van ter beurze van Amsterdam en de belangrijkste in het buitenland genoteerde aandelen Voorts zullen de stagiaires, voorzover dat hun inzicht ten goede komt, enige medewerking verlenen aan het door de afdeling financiewezen aan gevangen beleggings- en rentabihteitsonderzoek en aan de daarmede verband houdende mechanische verwerking van de gegevens door het Rekencentrum De stage is bedoeld als een bijdrage tot de verkorting en het weer effectief maken van de studieduur Aan stagiaires welke de resultaten van hun werkzaamheden gedurende de stage-periode schriftelijk vastleggen, wordt door Prof Scheffer vrijstelling verleend van het maken van een kandidaatsscriptie In het verleden werd door een 25tal studenten van deze faciliteit gebruik gemaakt Gezien de beschikbare plaatsruimte kunnen maximaal 3 studenten per periode van 3 weken worden tewerk gesteld De kandidaten moeten gedurende 2 jaar de colleges Financiewezen hebben gevolgd om voor een stage in aanmerking te komen Inschrijving kan voor het lopende kalenderjaar plaatsvinden met betrekking tot de m het volgende overzicht opgenomen onbezette plaatsen 15


De bezetting is als volgt: 27 april - 15 mei

1 B. Gerritsen 2 F. Neelen 3 B. Schermer

19 mei - 5 juni

1 J. van Marrewijk 2 A. Oostveen 3 P. Vorage

8 juni - 26 juni

1 E. Ansems 2 B. Brader 3 J. Palmen

29 juni - 27 juli

1 M. Fox 2 A. Reinders 3 B. Te Lintoio

20 juli - 7 aug.

1 J. van de Weert 2 — 3 —

10 aug. tim 28 aug.

Vakantie

31 aug. tIm 18 sept.

1 C. Augusteyn 2 J. Livain 3 Th. Hagedoorn

21 sept. tIm 9 okt.

1 A. van Breugel 2 Th. Daniels 3 F . Schmitz

12 okt. tIm 30 okt.

1 H. Coppens 2 J. Jacobs 3 J. Hemelaar

2 nov. tIm 20 nov. 2 — 3 —

23 nov. tIm 11 dec.

1 2 — 3 —

14 dec. tIm 6 jan.

1 — 2 — 3 —

Curatoren van de Katholieke Hogeschool hebben o p voordracht van de Academische Senaat met ingang van het studiejaar 1964-65 benoemd tot gewoon hoogleraar in de algemene leer en geschiedenis van de economie, dr. Th. C. M. J. van de Klundert te Tilburg. De heer Van de Klundert werd in 1936 te Herwen geboren. Hij studeerde economie aan de Katholieke Hogeschool, behaalde in 1958 cum laude het doctoraal examen en promoveerde in 1962 — eveneens cum laude — tot doctor in de economische wetenschappen op een proefschrift ,,Groei en inkomensverdeling". 16

De heer Van de Klundert was sinds 1961 aan de Katholieke Hogeschool verbonden als assistent voor de algemene economie.

Tentamen

Wiskunde

II en UI

Ondergetekende neemt op vrijdag 15 mei 1964 's morgens van 9.15 uur-I2.15 uur schriftelijk tentamen af in wiskunde II en in wiskunde III. Men kan zich tot dinsdag 12 mei hiervoor opgeven door middel van een duidelijke volledig ingevulde tentamenkaart. L. Lips.

Sociologie Op 13 en 14 mei wordt een tweedaagse excursie nieuwe droogmakerijen: ringermeer, N.O. Polder

o.l.v. Prof. J. Godefroy gemaakt naar oude en Haarlemmermeer, Wieen Oostelijk Flevoland.

Programma: — Vertrek Tilburg per bus vanaf station te 6.30 uur. Dit vroege tijdstip staat in verband met een bezoek aan de Aalsmeerse export-bloemenveilingen. — Via Velsertunnel, Purmerend, de Beemster, De Rijp naar de plaats Midden-Beemster, waar de lunch wordt gebruikt. Vervolgens gaan we naar Hoorn, door de Wieringermeer naar Wieringen en Oosterland. In Oosterland wordt overnacht in een jeugdherberg (lakens meenemen of ter plaatse huren). — De volgende dag brengt ons een tocht over de Afsluitdijk naar Emmeloord, waar we ontvangen worden door de Rijksdienst voor IJsselmeerpoIders en Nieuwe Droogmakerijen, die voor ons een rondleiding verzorgt door de N.O. Polder en O. Flevoland. In Harderwijk tenslotte wordt „chinees" gedineerd (op eigen kosten). Aankomst Tilburg + 9 uur. De deelname is beperkt. Aantal deelnemers 45, in volgorde van inschrijving. De kosten bedragen ƒ 12,50 per persoon. Hierbij is alles inbegrepen. Wel dient men voor de eerste dag zelf een lunchpakket mee te nemen. Inschrijving is alleen mogelijk tegen contante betaling op Bureau Studentenbelangen (mej. Vermeer) tot uiterlijk 9 mei. In het kader van deze excursie zal Prof. Godefroy op woensdag 6 mei te 2 uur een inleiding met lichtbeelden verzorgen, waarbij iedere deelnemer wordt verwacht. De toenemende belangstelling, waarin de planologie als wetenschap zich mag verheugen, kan een overweldigende interesse in deze excursie alleszins rechtvaardigen.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
1964 05 06 by Redactie Univers - Issuu