Skip to main content

Wereldwijzer 1 - Thema 5 Handleiding

Page 1


Wereldwijzer

Aardrijkskunde

Themafiche – Wat een wereld

Samenhang met Wereldwijzer

Bij het in druk gaan stond de themafiche van dit thema nog niet helemaal op punt. Het uitgeefteam zorgt ervoor dat de themafiche wel tijdig op Bingel voor je klaarstaat, zodat je die kunt printen en op deze pagina's kunt plakken.

Les Taaltoer Link met Wereldwijzer

Wat:

Waar in Wereldwijzer?

Woordenschat:

Wat:

Waar in Wereldwijzer?

Woordenschat:

Wat:

Waar in Wereldwijzer?

Woordenschat:

vet: woordenschat uit Taaltoer – ik lees met hup en aap vet en onderlijnd: gedeelde woordenschat niet vet: woordenschat uit Wereldwijzer

Non-fictie

Fictie

25'

LES 1 Waarom is onze aarde zo bijzonder?

Domein: Aardrijkskunde Subdomein: Leren leren Les 1 van 9

Leercompetenties

De leerlingen:

• kunnen voorkennis ophalen en categoriseren bij het begin van een nieuw thema (MD 9.2.1).

Voorbereiding

• Denk na over hoe je de tijd- en ruimtekaders van jouw klas actief kunt betrekken bij dit thema.

• Houd de actualiteit in de gaten en denk na over hoe je nieuwsberichten aan het thema kunt koppelen.

• Bekijk bij elke les welk materiaal je nodig hebt, zodat je de lessen tijdig kunt voorbereiden.

• Leg stimulerende materialen klaar op de thematafel. Voorzie eventueel het boek De gele ballon van Charlotte Dematons. Daar kun je in verschillende lessen van dit thema mee aan de slag.

Woordenschat

Gekend vanuit de kleuterschool

De ruimte

• de aarde

• de wereldbol

• de Noordpool, de Zuidpool

• de zon, de maan, de sterren

• de as

• draaien

• de beweging

• het licht

• het donker

• boven, onder

Het landschap

• het land

• het water

• de lucht

• de grond

• de rots

• het zand

• de berg

• de heuvel

• de vallei

• de grot

• het strand

• de zee

• de rivier

• de plas

• de weide

• het bos

• de boom

• het gras

De omgeving

• het huis

• het appartement

• de stad

• het dorp

• de weg

• het spoor

• de trein

• de fabriek

• de winkel

• de bakkerij

• de boerderij

• het park

• het zwembad

• de bibliotheek

• de werkplaats

• de markt

• het verkeer

• de straat

• de zee

• de akker

• wonen

• werken

• spelen

• België

Het weer

• de temperatuur

• de neerslag

• de bewolking

• de wind

• de regen

• de sneeuw

• de hagel

• de mist

• warm, koud

• nat, droog

De tijd en de seizoenen

• de bladeren

• de bloemen

• de kledij

• de jas

• de handschoenen

• eerst, daarna

• toen, later

• de dag, de nacht

• het seizoen

• de lente

• de zomer

• de herfst

• de winter

Wat kennen de leerlingen vanuit de kleuterschool?

In dit thema bouwen de leerlingen verder op de kennis die ze in de kleuterschool hebben opgedaan.

Ze kennen vanuit de kleuterschool de begrippen uit de tabel op de vorige pagina.

Ze kennen:

• een plaatselijke rivier en de Nijl;

• de natuurlijke aspecten van landschappen (met betrekking tot reliëf, helling, water, vegetatie en bodem);

• de menselijke aspecten van landschappen (met betrekking tot wonen, transport, landbouw, industrie, handel en diensten, recreatie en toerisme).

Ze kunnen:

• water, polen, land op de wereldbol aanduiden;

• de beweging van de aarde om haar as tonen met behulp van een wereldbol;

• het ritme van de seizoenen in de directe omgeving herkennen;

• neerslagvormen observeren: de regen, de sneeuw, de hagel, de mist;

• de relatie tussen bewolking en neerslag beschrijven.

Wat kennen de leerlingen vanuit Wereldwijzer 1?

Thema 1

De leerlingen:

• kennen de naam van de thuisgemeente, de schoolgemeente en België (MD 4.1.1);

• kunnen de school situeren binnen de gemeente (MD 4.1.3);

• kunnen hun eigen adres formuleren (MD 4.1.3);

• kunnen zich oriënteren in de klas en in de school (MD 4.3.1);

• kunnen natuurlijke landschapselementen herkennen in de naaste omgeving (MD 4.2.4);

• kunnen een ruimtelijke indeling van een kamer beschrijven door observatie en geheugen (MD 4.3.1);

• kunnen een geobserveerde ruimte weergeven met een eenvoudige tekening of schets (MD 4.3.1).

Thema 3

De leerlingen:

• kunnen dieren en planten van elkaar onderscheiden (MD 3.1.2);

• herkennen de kenmerken van grasland, het bos, de kust, de heide, de stad (MD 4.2.4);

• determineren biotopen op basis van veel voorkomende organismen (MD 3.2.1, MD 3.2.6);

• kunnen organismen beschrijven op basis van waarneembare kenmerken (MD 3.1.3);

• kunnen voorbeelden geven van relaties tussen organismen onderling en hun omgeving (MD 3.2.6).

Wat is nieuw?

In dit thema wordt de voorkennis uit de kleuterschool herhaald, verdiept en verder opgebouwd. De leerlingen verkennen de aarde: van de aarde als bol en verschillende landschappen, over het leven en de activiteiten van mensen, tot het weer, de seizoenen en de dag en de nacht. Ze verwerven inzicht in België en de werelddelen en ontdekken hoe natuurlijke en menselijke elementen samen onze aarde vormen.

Voor je start

Gebruik de Encyclopedie van Wereldwijzer kleuters om de voorkennis van de leerlingen op te halen en te activeren. Blader samen door de Encyclopedie en sta stil bij vertrouwde concepten, begrippen, foto’s en weetjes. Wat herkennen de leerlingen nog? Wat kunnen ze vertellen bij de beelden? Welke woorden kunnen ze nog verklaren? Je kunt bepaalde tekstjes ook opnieuw voorlezen om inhouden op te frissen en belangrijke begrippen te herhalen.

Zo wordt de Encyclopedie een laagdrempelige en herkenbare start om verder te bouwen op wat de leerlingen al weten.

Wereldwijzer Kleuterencyclopedie KS

Introductie startvraag

Lees de titel van het thema voor: Wat een wereld. Kijk samen naar de afbeelding op de cover. Kijk ook naar het icoon bij ‘aardrijkskunde’ op de cover. Waaraan denken de leerlingen?

Bespreek:

• Welke vorm heeft de aarde? (bolvormig)

• Welke kleuren zie je op de wereldbol? (blauw, bruin/groen, wit)

• Wat zijn die kleuren in het echt? (blauw = water, bruin/groen = land, bergen, gras …, wit = wolken, wit op een wereldbol kan ook ijs zijn)

• Waarom wordt de wereldbol voorzichtig op handen gedragen? (De aarde is bijzonder, we moeten er zorg voor dragen.)

Toon de startvraag op het bord en lees ze voor: Waarom is onze aarde zo bijzonder?

Onze aarde is heel bijzonder. Mensen leven er samen met dieren en planten. Er zijn prachtige plekken op de aarde, die veranderen met de seizoenen. In de zomer staat alles mooi in bloei, in de winter ligt er soms een laagje sneeuw. Er is zo veel moois te ontdekken: bergen, zeeën, andere werelddelen Ook rond de aarde valt er veel te ontdekken: de zon, de maan, de sterren. In deze les vertel je wat je daar allemaal al over weet.

In het kort

• Introduceer de startvraag en bespreek klassikaal.

Kern

De rubriek ‘Bekend’

Toon het filmpje op het bord. Bespreek aan de hand van het filmpje verschillende onderwerpen die in het thema Wat een wereld aan bod komen.

• De vorm van de aarde: bolvormig, de aarde draait

• De hemellichamen: de maan, de sterren

• De dag en de nacht: licht, donker

• De landschappen: bergen, rotsen, rivieren, zeeën

• Het weer: warm, koud, nat, droog …

• Bespreek de rubriek ‘Bekend’ en vul aan.

• Bespreek de rubriek ‘Benieuwd’ en vul aan.

• De seizoenen: de zomer, de winter, de zon, de sneeuw … Vraag nog verder door.

• Je zag dieren en planten in het filmpje. Wie leeft er nog op de aarde? (mensen)

• Waar wonen veel mensen samen? (gemeente, stad, dorp)

• Wat zie je op plekken waar veel mensen wonen? (huizen, bus, tram, trein, winkel, park …)

Noteer een aantal kernwoorden onder de rubriek ‘Bekend’ van het schema ‘Bekend, benieuwd, bewaard’.

De rubriek ‘Benieuwd’

Je hebt verteld wat je al weet over onze bijzondere aarde. Wat zou je nog meer willen weten?

Stel een aantal richtvragen:

• Wat wil je weten over het land waar wij wonen?

• Wat wil je weten over andere landen?

• Wat wil je weten over het weer op onze aarde?

• Wat wil je weten over de seizoenen op onze aarde?

• Wat wil je weten over de zon, de maan, de sterren?

De leerlingen denken na en overleggen met hun buur. Bespreek klassikaal enkele antwoorden en noteer met kernwoorden onder de rubriek ‘Benieuwd’.

Afronding

De rubriek ‘Bewaard’

Aan het einde van dit thema lezen we de startvraag nog een keer. We bespreken dan samen wat we geleerd hebben over onze bijzondere aarde. Dat schrijven we samen in de derde kolom, bij ‘Bewaard’.

De leerroute

Toon de leerroute op het bord. De leerlingen kijken mee in hun werkschrift Op de leerroute zien we alle lessen waar we in dit thema aan zullen werken. Het is onze reisweg. Lees samen de titels van de lessen. De leerlingen volgen met hun vinger op de route. Vandaag zijn we gestart bij de eerste stap: de startvraag. In de volgende lessen zetten we telkens een stap verder. Zo wandelen we de hele weg af. Op het einde weten we veel meer over wat onze aarde bijzonder maakt.

• Licht de rubriek ‘Bewaard’ toe.

• Bespreek de leerroute.

75'

LES 2 De aarde is een bol

Domein: Aardrijkskunde Subdomein: Topografie Les 2 van 9

Lesdoelen

De leerlingen:

• herkennen dat de aarde een bol is en kunnen het onderscheid tussen land en water aanduiden (MD 4.2.1);

• kunnen de Noord- en de Zuidpool benoemen (MD 4.1.3);

• kunnen de ligging van de werelddelen op een wereldbol herkennen (MD 4.1.1);

• kennen de naam en de ligging van België en de Noordzee op de wereldbol (MD 4.1.1).

Voorbereiding

• Verzamel minstens één wereldbol om tijdens dit thema te gebruiken. Zorg voor kwalitatieve, educatieve wereldbollen. Kijk kritisch naar de schaal, de vorm en de uitwerking.

Materiaal

• werkschrift p. 6 en 7

• samenvatting voor de leerling

Zelf te voorzien

• 7 bladen blauw papier

• 3 bladen groen of bruin papier

Woordenschat

• de aarde

• de zon

• de bol

• de wereldbol

• de blauwe planeet

• draaien

• het land

• het water

• de zee

• de oceaan

• de Noordpool

• de Zuidpool

• het werelddeel

• België

• de Noordzee

• bovenaan

• onderaan

• het noorden

• het oosten

• het zuiden

• het westen

Wat is nieuw?

Ook de namen van de werelddelen hoeven de leerlingen nog niet te kennen. Vermeld ze wel al een keer wanneer jullie de werelddelen op de wereldbol aanduiden. In het derde leerjaar worden de namen van de werelddelen aangebracht. Achtergrondinformatie

In de kleuterschool leerden de leerlingen water, land en de polen op een wereldbol aanduiden. Ze kennen de Noordpool en de Zuidpool.

In deze les benoemen de leerlingen dat de aarde een bol is. Ze maken kennis met het begrip ‘de blauwe planeet’. Ze leren verschillende plaatsen op de wereldbol kennen: de Noordpool en de Zuidpool, de werelddelen, België en de Noordzee. Tijdens deze les ligt de focus op verwondering, observatie en situering.

Wat met de nieuwe begrippen?

De begrippen het noorden, het oosten, het zuiden en het westen hoeven de leerlingen nog niet te kennen. Vermeld ze wel al een keer wanneer je de Noordpool en de Zuidpool op de wereldbol situeert. De begrippen worden in de volgende leerjaren verder vastgezet.

Ter info

Een werelddeel is niet hetzelfde als een continent. Werelddelen zijn uitgestrekte gebieden met bijhorende eilanden (Afrika, Europa, Azië, Oceanië, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Antarctica). Continenten zijn aaneengesloten stukken land zonder eilanden (Eurazië, Afrika, Amerika, Australië, Antarctica).

Transferdoel taal

De leerlingen:

• kunnen positionele begrippen gebruiken (boven, onder, naast, tegenover) (MD KO 1.4.2);

• kunnen nieuwe begrippen begrijpen en gebruiken bij concrete waarnemingen (MD KO 1.4.3).

Thematafel

Zet een wereldbol in het midden van de thematafel. Die blijft tijdens het hele thema staan. Verzamel in de bibliotheek boeken die de nieuwsgierigheid opwekken.

Voorbeelden:

• Farndon, J. (2020) In vogelvlucht de wereld rond. van Goor.

• Kuipers, A. (2021) Atlas van de aarde: reis om de wereld met de kleine astronauten. Witte Leeuw.

• Stewart-Sharpe, L. (2021) Blauwe planeet. Lemniscaat B.V., Uitgeverij.

Voorkennis activeren

Toon de afbeelding van het zonnestelsel op het bord. Wijs de zon, de planeten en de lijnen aan en peil naar de actieve woordenschat van de leerlingen.

Bespreek:

• De zon geeft licht en warmte.

• De planeten hebben de vorm van een bol.

• Sommige planeten staan dicht bij de zon, andere staan verder weg.

• De planeten bewegen in een baan om de zon.

Laat een leerling de aarde aanduiden.

Ter info

De zon geeft geen rechtstreekse warmte af aan de aarde. De lichtstraling bereikt de aarde en de aarde zet die stralen om in warmtestralen.

Surf naar earth.google.com en toon hoe de aarde er vanuit de ruimte uitziet. Gebruik de website ook tijdens de kern van deze les om de verschillende plekken op aarde aan te duiden en erop in te zoomen.

Lesdoel formuleren

Formuleer het lesdoel: In deze les leer je dat de aarde een bol is die draait. Je leert waarom ze de aarde ‘de blauwe planeet’ noemen. Je duidt de Noordpool, de Zuidpool, de werelddelen, België en de Noordzee aan op de wereldbol.

Vorm de lesdoelen op het bord en lees ze voor.

• Ik kan vertellen dat de aarde een bol is die draait.

• Ik kan de volgende plekken aanduiden op de wereldbol: de Noordpool, de Zuidpool, de werelddelen, België en de Noordzee.

In het kort

• Activeer de voorkennis over de zon, de planeten en de aarde.

• Formuleer het lesdoel.

De blauwe planeet

Toon de afbeelding van de aarde op het bord.

Bespreek:

• Welke kleur zie je? (blauw)

• Wat zijn die blauwe delen? (water)

• Welke kleuren zie je nog? (bruin en groen)

• Wat is dat? (land)

Breng ook de aandacht naar de witte kleur: dat zijn wolken. Dat zie je aan de vorm.

Geef zeven leerlingen een blad blauw papier. Geef drie leerlingen een blad groen of bruin papier. Ze gaan op een rij staan. Visualiseer op die manier de verhouding tussen water en land op de aarde.

• Welke kleur zie je het meest? (blauw)

• Wat stelt de blauwe kleur ook weer voor? (water)

Omdat er zo veel water is op de aarde, noem je de aarde ook wel de blauwe planeet

• Introduceer de aarde als de blauwe planeet.

• Duid met de leerlingen de Noordpool en de Zuidpool aan op de wereldbol en bespreek.

• Situeer met de leerlingen de zeven werelddelen op de wereldbol.

• Situeer België en de Noordzee op de wereldbol en bespreek.

• Leg uit hoe de aarde om haar eigen as en rond de zon draait.

• De leerlingen maken oefeningen 1, 2, 3 en 4 in het werkschrift

Ter info

Op een wereldbol (wat een natuurkundige kaart is) stellen de kleuren groen, geel en bruin land voor. De kleuren geven informatie over hoe hoog een plaats is.

Op een satellietfoto duiden de kleuren wel op planten en andere landschapselementen.

Leg de link met wat de leerlingen leerden in thema 3. Ze leerden water benoemen in verschillende vormen: de zee, de rivier, de beek, de vijver, de plas. Raak hier ook het begrip ‘de oceaan’ aan. Een oceaan is nog veel groter en dieper dan een zee. Het water dat je op de wereldbol ziet, zijn oceanen.

De Noordpool en de Zuidpool

Ga met de leerlingen rond de wereldbol staan. Leg uit dat een wereldbol de aarde in het piepklein is. Bespreek dat de aarde de vorm van een bol heeft. Dat hoor je ook in het begrip de wereldbol. Laat een leerling een draai geven aan de wereldbol. Zo gaat het ook in het echt: de aarde is een bol die draait

Breng de aandacht naar de witte delen bovenaan en onderaan op de wereldbol.

• Welke kleur zie je? (wit)

• Water is blauw. Land is groen en bruin. Wat zou wit kunnen zijn? (ijs)

Duid de Noordpool aan op de wereldbol.

• Aan welke kant van de wereldbol ligt de Noordpool? (aan de bovenkant, bovenaan)

• Laat de leerlingen naar boven wijzen. Die richting noem je het noorden.

• Welk bijzonder dier leeft op de Noordpool? Het komt nergens anders voor op de aarde. (de ijsbeer)

Duid de Zuidpool aan op de wereldbol.

• Aan welke kant van de wereldbol ligt de Zuidpool? (aan de onderkant, onderaan)

• Laat de leerlingen naar onderen wijzen. Die richting noem je het zuiden.

• Welk bijzonder dier leeft op de Zuidpool? (de pinguïn)

Duid leerlingen aan die afwisselend de Noord- of de Zuidpool aanduiden. Ze verwoorden telkens:

• De Noordpool ligt bovenaan op de wereldbol.

• De Zuidpool ligt onderaan op de wereldbol.

Tip

Zoom op earth.google.com in op de Noordpool en de Zuidpool. Je kunt ze linksboven als zoekterm ingeven.

Laat de leerlingen ook een keer naar rechts en naar links wijzen en benoem als het oosten en het westen. Om de volgorde te onthouden, kunnen ze een trucje gebruiken: Nooit Opstaan Zonder Wekker.

Oefening 1

Bespreek:

• Waar is het noorden? Waar ligt de Noordpool dus: bovenaan of onderaan?

• Waar is het zuiden? Waar ligt de Zuidpool dus: bovenaan of onderaan?

• Hoe kun je België makkelijk vinden?

• Bij welke zee ligt België?

Oefening 2

Lees de uitspraken voor. Bespreek telkens.

Oefening 3

De leerlingen denken terug aan de oefening met de bladen papier in de klas.

Oefening 4

Welke voorwerpen die de vorm van een bol hebben, kennen de leerlingen nog?

kijk naar de aarde. duid de volgende plekken aan.

• de ijsbeer woont op de noordpool. trek een lijn naar de juiste plek. de pinguïn woont op de zuidpool. trek een lijn naar de juiste plek.

• kruis belgië aan.

wat weet jij nog over de aarde? omcirkel waar of niet waar.

hoeveel water en land is er op de aarde? kleur het juiste aantal vakken.

de zee bij belgië heet de noordzee. waar niet waar belgië ligt in het werelddeel afrika. waar niet waar de aarde draait elke dag vier keer rond. waar niet waar de aarde draait rond de zon. waar niet waar de aarde kun je ook de bruine planeet noemen. waar niet waar een bol een driehoek een vierkant het water het land

welke vorm heeft de aarde? kruis aan.

De werelddelen

De wereldbol is de aarde in het piepklein. De echte aarde is ontzettend groot. Daarom verdelen we de aarde in verschillende stukken of werelddelen. Elk werelddeel heeft zijn eigen landen.

Duid met de leerlingen de zeven werelddelen aan op de wereldbol. Begin bij Europa.

• Wij wonen in België. In welk werelddeel ligt België?

• Welke werelddelen ken je nog?

• Kun je ze aanduiden op de wereldbol?

Benoem zo samen de verschillende werelddelen: Europa, Azië, Afrika, Noord-Amerika, ZuidAmerika, Oceanië en Antarctica.

België en de Noordzee

Keer terug naar Europa op de wereldbol.

• In welk land wonen wij? (België)

• Kun je ons land aanduiden op de wereldbol?

Ter info

De Noordpool is drijvend ijs op zee. Het ligt niet op land en hoort dus bij geen enkel werelddeel.

De Zuidpool is een dikke laag ijs op land. Het hoort bij het werelddeel Antarctica.

Tip

Gebruik ook hier earth.google.com om de werelddelen, België en de Noordzee te situeren.

• Hoe kun je België makkelijk vinden? Gebruik eventueel ‘de laars’ van Italië als oriëntatiepunt.

Duid de Noordzee aan en benoem. Als je in België naar de kust gaat, dan ben je bij de Noordzee. Dat is de zee die tussen een aantal landen ligt, zoals België, Nederland en Groot-Brittannië.

Wijs nog eens kort op het verschil tussen een zee en een oceaan: Het water van de Noordzee gaat naar een oceaan. Een oceaan is veel groter dan een zee. Duid de Atlantische Oceaan aan en vergelijk de grootte met die van de Noordzee.

De aarde draait

Ga met de leerlingen naar een plek met wat bewegingsruimte. Neem de wereldbol mee. Leg uit hoe de aarde om haar eigen as én om de zon draait.

De aarde draait om haar eigen as Laat de wereldbol één keer om zijn as draaien. Laat de leerlingen ook één keer om hun eigen as draaien. De aarde is een bol die ronddraait. Elke dag draait de aarde één keer helemaal rond. Daarvoor heeft de aarde precies 24 uur nodig, evenveel uren als er in een dag zijn.

• Hoeveel dagen zijn er in een week? (zeven)

• De aarde draait elke dag één keer helemaal rond. Hoeveel keer draait ze dan rond in een week? (zeven keer)

Laat de leerlingen dat uitbeelden: ze draaien zeven keer rond. Zeg tegelijk de dagen van de week op.

De aarde draait rond de zon Neem de wereldbol in je handen. Duid een leerling aan die de zon is. Wandel met de wereldbol in een baan rond die leerling, rond de zon. De aarde maakt nog een andere beweging: de aarde draait rond de zon. Elk jaar draait de aarde één keer rond de zon. Daarvoor heeft de aarde dus precies 365 dagen nodig, evenveel dagen als er in een jaar zijn.

Ter info

Een schrikkeljaar wordt gebruikt om de werkelijke rotatietijd van de aarde rond de zon (365 dagen en 6 uur) om de 4 jaar te corrigeren. Dat leren de leerlingen in de derde graad.

Laat twee leerlingen het uitbeelden. Combineer daarna de twee elementen: de leerling die de aarde speelt, draait ook om zijn eigen as terwijl hij in een baan rond de zon beweegt.

Samenvatting voor de leerling

In de voorbije thema’s gingen de leerlingen aan de slag met verschillende graphic organizers: een tabel (in de vorm van de woordkast), een woordweb (in de vorm van het woordwiel) en een boomschema (in de vorm van de woordparaplu). In dit thema leren ze opnieuw begrippen ordenen in een woordparaplu.

Overloop de begrippen die ze in deze les hebben geleerd.

Bij deze samenvatting hoort ook een kennisclip. Zet die in om de lesinhoud verder te verankeren.

Samenvatting voor de leerling: les 2

onthoud

de aarde

Wereldwijzer 1 – Thema 5 – Les 2
© Uitgeverij VAN IN
de noordpool de zuidpool 7 werelddelen europa
de aarde is een bol. de aarde draait.
belgië
de noordzee

Verwerking in het werkschrift

Controleer doorlopend of de leerlingen de lesinhoud goed hebben begrepen. Ze gaan daarna aan de slag met oefeningen 1, 2, 3 en 4 in het werkschrift

Koppel deze les aan het tijdskader dat je met de leerlingen bij de lessen geschiedenis hebt opgebouwd. Leg uit dat we nu (in het heden) heel veel weten over de aarde. We weten dat de aarde een bol is die draait. We weten ook dat er andere planeten zijn in het heelal. Mensen hebben de aarde onderzocht en in kaart gebracht. Daarom weten we waar de werelddelen liggen en waar de Noordpool en de Zuidpool zijn.

Maar vroeger (in het verleden) wisten mensen dat nog niet. In de geschiedenis moesten mensen de aarde stap voor stap verkennen. Door reizen, verkenningstochten en onderzoek hebben mensen langzaam meer geleerd over de aarde.

Afronding

Reflectie

Houd een korte reflectie.

• Wat wist je al over de aarde uit de kleuterschool?

• Wat heb je vandaag bijgeleerd?

• Welke plekken kun jij nog meer aanduiden op de wereldbol?

Terugkoppeling naar de lesdoelen en de leerroute

Koppel terug naar de lesdoelen en bekijk samen de leerroute. Naar welke lessen kijken de leerlingen uit? Koppel ook kort terug naar de startvraag: Waarom is onze aarde zo bijzonder? Kunnen de leerlingen daar na deze les al een voorlopig antwoord op geven?

Tip

Heb je nog tijd over? Kijk met de leerlingen naar dit lied waarin nog eens wordt uitgelegd hoe de aarde rond haar as én rond de zon draait.

https://schooltv.nl/video-item/snapje-hoede-aarde-draait

• Houd een korte reflectie.

• Koppel terug naar het lesdoel en naar de leerroute.

LES 3

75'

Wat zie je in een landschap?

Domein: Aardrijkskunde Subdomein: Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten

Les 3 van 9

Lesdoelen

De leerlingen:

• herkennen natuurlijke kenmerken van de aarde (MD 4.2.4);

• herkennen en benoemen verschillende soorten landschapselementen (MD 4.2.4);

• kunnen de aanwezigheid van water in een landschap illustreren (MD 4.2.1);

• kunnen landschappen schetsen om natuurlijke aspecten schematisch weer te geven (MD 4.3.1).

Voorbereiding

• Kopieerblad 1 heb je nodig per duo.

• Kopieerblad 2 heb je nodig per leerling.

• Laat je de leerlingen zelf een woordparaplu maken? Dan kun je kopieerblad 3 gebruiken. Laat de leerlingen in duo’s of kleine groepjes werken.

Materiaal

• werkschrift p. 8 en 9

• kopieerblad 1, 2 en 3

• samenvatting voor de leerling

Zelf te voorzien

• schijfje of pion per leerling

Woordenschat

• de lucht

• het water

• de grond

• de rots, rotsachtig

• het zand, zanderig

• de oceaan

• de zee

• de rivier

• stroomt, loopt door

• de heuvel

• de berg

• de vallei

• de helling

• de steile helling

• de zachte helling

• steil

• vlak

Achtergrondinformatie

Wat is nieuw?

In de kleuterschool maakten de leerlingen kennis met de natuurlijke aspecten van landschappen. Ze werkten rond reliëf (de berg, de heuvel, de vallei), de helling (omhoog, omlaag, steil, zacht), het water (de oceaan, de zee, het strand, de rivier, de beek, de vijver, de plas), de vegetatie (het bos, de boom, het gras, het grasland, de weide, het riet, het gazon) en de bodem (vruchtbaar, zanderig, rotsachtig).

In thema 3 van Wereldwijzer 1 breidden de leerlingen hun kennis over een aantal omgevingen (biotopen) uit: het grasland, het bos, de heide, de kust en de stad. Daarbij kwamen een aantal landschapselementen aan bod.

In deze les bouw je daarop verder. De leerlingen ontdekken dat er op de aarde verschillende natuurlijke elementen zijn: lucht, water, grond, rotsen, zand. Ze leren dat die elementen samen verschillende landschapselementen vormen: de heuvel, de berg, de vallei, de rivier, de zee, de oceaan, het strand. Ze leren de helling van bergen benoemen als een steile helling of een zachte helling. Ze leren ook het verschil tussen steil en vlak.

Wat met de moeilijke woordenschat?

Het begrip ‘het landschap’ hoeven de leerlingen nog niet actief te kennen. Neem het tijdens deze les wel een aantal keer in de mond, zodat de leerlingen er vertrouwd mee raken. Het begrip wordt in leerjaar 2 vastgezet.

Wil je toch wat meer uitleg geven? Dan kun je het begrip als volgt duiden: Een landschap is alles wat je ziet als je buiten rondkijkt: de grond, de natuur en soms ook huizen, gebouwen en wegen. In een boslandschap bijvoorbeeld zie je veel bomen. In een kustlandschap zie je het strand en de zee. In een berglandschap zie je hoge bergen en rotsen.

Transferdoel taal

De leerlingen:

• kunnen onder begeleiding hun woordenschat uitbreiden (MD KO 1.4.3).

Thematafel

Leg transparante bakjes klaar met water, grond en een stuk rots. Leg de woordkaarten erbij. Leg er foto’s bij van landschappen op verschillende plekken in België en in de wereld.

Voorzie eventueel het boek De gele ballon van Charlotte Dematons. In verschillende lessen van dit thema wordt daarnaar verwezen.

Voorkennis activeren

Activeer de voorkennis over landschappen en landschapselementen. Toon de afbeeldingen van de landschappen op het bord. Doe bij elk landschap een aantal uitspraken aan de hand van de woordenschat die in deze les aan bod komt. De leerlingen geven aan of de uitspraak klopt of niet door een groen of een rood potlood in de lucht te steken. Gebruik regelmatig het woord ‘het landschap’, zodat de leerlingen vertrouwd raken met dat begrip.

Voorbeelden (foto 1):

• In dit landschap zie ik een strand

• In dit landschap zie ik een berg

• In dit landschap zie ik een rivier

• Het strand is rotsachtig.

Voorbeelden (foto 2):

• In dit landschap zie ik een oceaan

• De berg in dit landschap is zanderig

• De heuvel in dit landschap is steil

• De rivier stroomt

Voorbeelden (foto 3):

• In dit landschap zie ik een zee

• Er ligt zand op het strand

• Het strand in dit landschap is rotsachtig

• In dit landschap zie ik een rots.

Voorbeelden (foto 4):

• De lucht is blauw.

• De boom in dit landschap staat op een heuvel

• Er loopt een rivier door het landschap.

• Het landschap is vlak

Kunnen de leerlingen de landschappen ook benoemen aan de hand van de omgevingen (biotopen) die ze leerden kennen in thema 3? (foto 1 en 3 = de kust; foto 2 en 4 = het grasland; op foto 2 is ook een stukje bos te zien)

Je kunt de voorkennis ook activeren aan de hand van prenten uit het boek De gele ballon van Charlotte Dematons. In de bordles vind je enkele prenten uit dat boek. Leg het boek zelf eventueel op de thematafel. Je kunt er in verschillende lessen mee aan de slag om de woordenschat van dit thema te verduidelijken.

Lesdoel formuleren

Formuleer het lesdoel: In deze les leer je een heleboel nieuwe woorden die bij landschappen horen. Je leert wat die woorden betekenen en je leert ze gebruiken. Op het einde van de les toon je dat je de woorden begrijpt door zelf een landschap te tekenen.

Vorm de lesdoelen op het bord en lees ze voor.

• Ik ken heel wat woorden die bij landschappen horen (de lucht, het water, de grond, de rots; de rivier, de zee, de oceaan; de heuvel, de berg, de vallei).

• Ik kan zelf een landschap tekenen en vertellen wat ik heb getekend.

In het kort

• Activeer de voorkennis over landschappen en landschapselementen.

• Formuleer het lesdoel.

De lucht, het water, de grond, de rots

Geef elk duo de afbeelding van kopieerblad 1

Introduceer aan de hand daarvan de natuurlijke elementen de lucht, het water, de grond en de rotsen. Benadruk een aantal keer dat die woorden bij de natuur horen. Het gaat niet om dingen die de mens heeft gemaakt.

Noem de vijf begrippen op. De leerlingen leggen telkens hun schijfje op de juiste plek op de afbeelding.

Toon het overzicht met de begrippen op het bord. Geef bij elk begrip meer uitleg. de lucht

• Introduceer de lucht, het water, de grond en de rots en oefen de begrippen in.

• Bespreek de verschillende vormen waarin water kan voorkomen. Oefen de begrippen de oceaan, de zee en de rivier in.

• Leg uit wat een heuvel, een berg en een vallei is. Ga ook in op de begrippen steile en zachte helling, steil en vlak.

• De leerlingen schetsen zelf landschappen.

• De leerlingen maken oefeningen 1, 2, 3 en 4 in het werkschrift.

De lucht is overal om ons heen. Je kunt de lucht niet zien, ruiken, voelen of proeven. Toch hebben we de lucht nodig om te ademen en te leven. Als de lucht beweegt, is er wind. Dan voel je de lucht op je huid en door je haren waaien. Vogels en sommige insecten vliegen door de lucht.

het water

Het water is doorzichtig. Soms lijkt het blauw, grijs of groen. Er leven vissen en andere dieren in. Het kan de vorm hebben van een oceaan, een zee, een rivier, een beek, een vijver of een plas. In de oceaan en de zee is het water zout. In rivieren, beken, vijvers en plassen is het water zoet.

de grond

De grond bestaat uit korrels. Je kunt er een put in graven. Je kunt er planten in zaaien, zoals bomen of gras. Grond is vaak bruin. Als er planten in groeien, dan zie je in een landschap veel groene kleuren. Grond kan uit fijne lichtgekleurde korrels bestaan. Dan is de grondsoort zand

de rots

De rots is een harde steen. Soms is een rots scherp, soms is een rots glad. Je kunt de vorm niet zomaar veranderen. Grote rotsen kun je ook niet zomaar verplaatsen.

Geef dan een omschrijving van elk begrip. De leerlingen leggen opnieuw hun schijfje op de juiste plek en benoemen het begrip.

• Het is doorzichtig. Het kan heel koud of wat warmer zijn. Je kunt erin zwemmen. (het water)

• Je kunt het niet zien of voelen. Behalve wanneer er wind is, dan voel je het wel. (de lucht)

• Je kunt er een put in graven. Soms kun je er planten in zaaien. (de grond)

• Het is heel hard. Het kan verschillende vormen hebben. Je vindt het vaak in de bergen. (de rots)

Daarna oefenen de leerlingen in duo’s: een leerling zegt een begrip, de andere leerling legt het schijfje op de juiste plek.

De oceaan, de zee, de rivier

Water in een landschap kan verschillende vormen aannemen. In de vorige les werd de oceaan geïntroduceerd. Uit de lessen levende natuur kennen de leerlingen de zee, de rivier, de beek, de vijver en de plas. Herhaal de begrippen aan de hand van de oefening in de bordles.

• De oceaan is groter dan de zee. Het lijkt alsof er geen einde aan komt.

• De zee is het water dat je ziet als je op het strand bent aan de kust. Vaak loopt een zee over in een oceaan.

• De rivier is water dat stroomt. Het gaat van de ene plek naar de andere. Een rivier kan klein of groot zijn. Vertel aan de leerlingen welke rivier er in de buurt van de school stroomt.

• De beek is water dat stroomt. De beek is kleiner dan een rivier. Het water stroomt minder snel.

• De vijver is water dat niet stroomt. Het water staat stil. Je vindt een vijver vaak in een park of een tuin.

• De plas is een klein beetje water op de grond, dat na de regen blijft liggen.

Herhaal nog een keer dat in de zee en de oceaan zout water zit. In rivieren, beken, vijvers en plassen zit zoet water. Vermeld ook nog eens dat die woorden bij de natuur horen. Het gaat niet om dingen die de mens heeft gemaakt.

De heuvel, de berg, de vallei

Kijk opnieuw met de leerlingen naar de afbeelding van kopieerblad 1. Waar leggen ze hun schijfje als het over ‘de rots’ gaat? Benoem het landschapselement als de berg. Leg het verschil uit tussen een berg en een heuvel. Vertel ook wat een vallei is. Vermeld opnieuw dat die woorden bij de natuur horen. Het gaat niet om dingen die de mens heeft gemaakt.

Toon de afbeeldingen op het bord om de begrippen te illustreren. Laat de leerlingen ook weer de andere natuurlijke elementen benoemen die ze herkennen, bv. de lucht, het water (de rivier), de rots, de grond.

de heuvel

De heuvel is een stuk land dat boven de grond uitsteekt. Er groeien vaak planten op, zoals gras, struiken en bomen.

de berg

De berg is veel hoger en groter dan een heuvel. Bovenop ligt er soms sneeuw.

de vallei

De vallei is de lage plek tussen een paar bergen of heuvels.

Tip

Een heuvel heeft een golvende horizonlijn. Ga met de pen over de horizonlijn over het bord om dat aan te tonen.

Teken dan zelf de vorm van een berg en een heuvel op het bord. Teken een pijl omhoog en omlaag bij de helling. Een helling is een stuk grond dat schuin omhoog of omlaag gaat. De zijkant van een berg of een heuvel noem je de helling

• Een berg heeft meestal een steile helling. Dat zie je aan de lijn die ik heb getekend: die gaat heel snel omhoog en omlaag. Het is moeilijker om op een steile helling te stappen of te klimmen.

• Een heuvel heeft meestal een zachte helling. Dat zie je aan de lijn die ik heb getekend: die gaat niet zo snel omhoog en omlaag. Het is makkelijker om op een zachte helling te wandelen.

Teken naast de berg een eenvoudig landschap met een rechte lijn. Leg het verschil uit tussen steil en vlak

• Dit landschap is steil. Dat woord ken je al: de lijn van de berg gaat snel omhoog en omlaag.

• Dit landschap is vlak. Ik heb een rechte lijn getekend. Kennen de leerlingen een landschap dat vaak vlak is? (het grasland)

Oefen de begrippen verder in aan de hand van de oefening in de bordles. Laat de leerlingen ook hier weer de andere natuurlijke elementen benoemen die ze herkennen. Zo worden de begrippen telkens verder vastgezet.

Zelf landschappen schetsen

De leerlingen gaan aan de slag met kopieerblad 2: ze schetsen een berg met een steile helling, een heuvel met een zachte helling en een vlak landschap. Lees de opdrachten voor. De leerlingen werken in duo’s, zodat ze elkaar kunnen bijsturen.

Heb je nog tijd over? Laat de leerlingen een van de landschappen dan verder uitwerken. Ze tekenen/ kleuren ook de lucht en de planten op de grond. Ze verwerken water (bv. in de vorm van een rivier, een beek of een vijver). Aan de hand van die tekening kunnen ze de opdracht van het begin van de les nog een keer herhalen: hun duopartner noemt een landschapselement op en ze leggen hun schijfje op de juiste plek.

Tip

Heb je nog tijd over? Ga dan met de leerlingen naar de zandtafel in de kleuterschool. De leerlingen maken een landschap met bv. een rivier, een berg en een vallei. Ze benoemen de elementen van het landschap.

Laat hen naast de natuurlijke elementen ook menselijke elementen aanbrengen. Zo leg je alvast de link naar de volgende les.

Tip

Je kunt vanuit deze les ook een brug maken naar de kunst. Laat de leerlingen een aantal kunstwerken beschouwen van een paar grootmeesters. Ze gaan daarna zelf aan de slag en experimenteren met verschillende verftechnieken.

https://degrootmeesters.com/collections/ landschap-en-natuur-schilderijen

Oefening 1

Lees de begrippen samen met de leerlingen.

Oefening 2

Laat de leerlingen verwoorden wat het verschil is tussen een oceaan en een zee en tussen een rivier en een beek

In welke vormen kan water nog meer voorkomen in een landschap? (vijver, plas)

Oefening 3

Laat de leerlingen uitleggen wat het verschil is tussen een berg en een heuvel. Raak daarbij opnieuw de begrippen de steile helling en de zachte helling aan. Laat de leerlingen ook uitleggen wat een vallei is.

Leerlingen die sneller klaar zijn, duiden het landschap aan dat vlak is.

waar zie je een berg, een heuvel en een vallei? trek lijnen.

Oefening 4

De leerlingen schetsen zelf landschapselementen. Geef instructies waarin je de lesbegrippen verwerkt, zoals:

• Teken wolken in de lucht.

• Teken een rivier.

• Teken twee steile bergen. Tussen de bergen ligt een vallei.

Laat de leerlingen eventueel zelf nog een element bijtekenen. Ze vertellen aan hun buur wat ze hebben bijgetekend.

luister
rivier

Verwerking in het werkschrift

Controleer doorlopend of de leerlingen de lesinhoud goed hebben begrepen. Ze gaan daarna aan de slag met oefeningen 1, 2, 3 en 4 in het werkschrift

Afronding

Reflectie

Houd een korte reflectie.

• Welke nieuwe woorden heb je geleerd die bij landschappen horen?

• Welke woorden kende je al?

• Welke woorden begrijp je nog niet zo goed?

• Wat ga je thuis over deze les vertellen?

Terugkoppeling naar de lesdoelen en de leerroute

Koppel terug naar het lesdoel en bekijk samen de leerroute. Koppel ook kort terug naar de startvraag: Waarom is onze aarde zo bijzonder? Welk antwoord kunnen de leerlingen na deze les geven?

Samenvatting voor de leerling

Je kunt de leerlingen aan de hand van kopieerblad 3 zelf de woordparaplu laten vullen. Ze plakken de afbeeldingen op de juiste plek. Voor leerlingen die al wat uitdaging kunnen gebruiken op het vlak van schrijven, is er een tweede versie van de woordparaplu met schrijflijnen, zodat ze een aantal begrippen zelf kunnen schrijven.

Bij deze samenvatting hoort ook een kennisclip. Zet die in om de lesinhoud verder te verankeren.

• Houd een korte reflectie.

• Koppel terug naar het lesdoel en naar de leerroute.

het landschap

Wereldwijzer
onthoud
Samenvatting voor de leerling: les 3
de lucht
de grond het water de rots
de rivier
de oceaan de zee
de berg
de vallei de heuvel

LES 4

75'

Wat zie je nog meer in een landschap?

Domein: Aardrijkskunde Subdomein: Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten

Les 4 van 9

Lesdoelen

De leerlingen:

• kunnen menselijke elementen in het landschap herkennen (MD 4.2.5);

• kunnen de functies onderscheiden: wonen, werken, ontspannen (MD 4.2.5).

Voorbereiding

• Maak vooraf foto’s in de buurt van de school van plekken en gebouwen die in deze les worden aangebracht: een winkel, een kantoor, een bank, een park, een boerderij, een appartementsgebouw, een weg, een tramspoor, de oprit van de snelweg …

• Print kopieerblad 1 één keer.

• De kaartjes van kopieerblad 2 heb je nodig voor elke leerling.

Materiaal

• werkschrift p. 10 en 11

• kopieerblad 1 en 2

• samenvatting voor de leerling

Woordenschat

• het verkeer

• de bus

• de tram

• de trein

• de weg

• de snelweg

• het spoor

• de boerderij

• de fabriek

• de werkplaats

• de winkel

• het winkelcentrum

• de markt

• de bank

• het kantoor

• het park

Deze begrippen worden herhaald:

• het appartement

• het huis

• het rijhuis

• de tuin

• de stad

• het dorp

• de thuisgemeente

• de schoolgemeente

Wat is nieuw?

In de kleuterschool maakten de leerlingen kennis met de menselijke aspecten van landschappen. Ze werkten rond wonen (het huis, het appartement, de tuin), transport (de weg, de straat, de bus, de trein, het spoor), landbouw (de boerderij, de akker, het gewas, de stal, de koe, het schaap, het varken), industrie (de fabriek, de werkplaats), handel en diensten (de markt, de winkel, de bakkerij), recreatie en toerisme (de zee, het park, het zwembad, de bibliotheek).

In thema 1 van Wereldwijzer 1 breidden de leerlingen hun kennis uit. Ze leerden de naam van hun thuisen schoolgemeente en ze werkten met de volgende begrippen: het appartement, het huis, het rijhuis, de tuin, de gemeente, de stad en het dorp.

In deze les bouw je daarop verder. De leerlingen leren het verschil tussen een stad en een dorp. Ze leren verschillende voertuigen benoemen (de bus, de tram, de trein) en ze vertellen waar die rijden (op de weg, de snelweg, het spoor). Ze maken kennis met verschillende plekken en gebouwen die je in de stad of het dorp kunt tegenkomen en ze categoriseren die plekken onder wonen, werken en ontspannen.

Transferdoel taal en wiskunde

De leerlingen:

• kunnen basiswoordenschat en eenvoudige betekenisrelaties inzetten met betrekking tot de leefomgeving (MD KO 1.4.1);

• kunnen onder begeleiding hun woordenschat uitbreiden (MD KO 1.4.3);

• kennen de begrippen meer, minder, meeste, minste (MD KO 2.3.4).

Thematafel

Leg de foto’s van de landschappen van de vorige les bij elkaar. Leg in een apart groepje foto’s van stadskernen en dorpskernen. Leg er een kaartje bij waarop ‘de natuur’ en ‘de mens’ staat.

Voorkennis activeren

Koppel terug naar de vorige les. Welke nieuwe woorden heb je geleerd over landschappen? (de lucht, het water, de grond, de oceaan, de heuvel, de vallei …)

Herinner de leerlingen aan wat je in de vorige les een aantal keer hebt herhaald: al die woorden hebben te maken met de natuur in een landschap. Geef aan dat jullie in deze les niet naar de natuur kijken, maar naar wat de mens in een landschap heeft gemaakt.

Toon de prent van de ontdekplaat van thema 1 op het bord. Activeer de begrippen die de leerlingen al kennen, zoals het huis, het rijhuis, het appartement, de winkel, de weg, de school, de speeltuin, het gemeentehuis, het verkeer, de auto, de fietser …

• Horen al die woorden bij de natuur? (Nee.)

• Wie heeft dat allemaal gemaakt? (de mens)

Werk je in dit thema met het boek De gele ballon? Activeer de voorkennis dan aan de hand van de prenten met menselijke elementen in het landschap.

Herinner de leerlingen ook aan thema 1, waarin ze de naam van hun eigen gemeente leerden kennen. Breng die voorkennis terug naar boven.

• In welke gemeente woon jij?

• Staat de school in dezelfde gemeente?

• In welke gemeente staat de school?

Lesdoel formuleren

Formuleer het lesdoel: In de vorige les leerde je over wat bij de natuur hoort in een landschap. In deze les leer je over wat de mens in een landschap heeft gemaakt. Je leert woorden die te maken hebben met het verkeer, plekken en gebouwen.

Vorm de lesdoelen op het bord en lees ze voor.

• Ik ken woorden die bij het verkeer horen (zoals de weg, de snelweg, het spoor, de bus, de tram, de trein …).

• Ik ken verschillende plekken en gebouwen in een dorp of stad (zoals de boerderij, de fabriek, de winkel, de bank, het park …).

In het kort

• Activeer de voorkennis over de gekende woordenschat aan de hand van de ontdekplaat van thema 1.

• Laat de leerlingen de naam van hun eigen gemeente en van de schoolgemeente opzeggen.

• Formuleer het lesdoel.

De stad en het dorp

Toon een filmpje over de stad Brussel. Dit is Brussel, een grote stad in ons land België.

Bespreek:

• Wat zag je?

• Welke gebouwen zag je? (huizen, appartementen, winkels, kerk …)

• Zag je veel of weinig natuur? (weinig)

• Zag je veel of weinig mensen? (veel)

• Zag je veel of weinig verkeer? (veel straten, auto’s …)

• Verduidelijk het verschil tussen een stad en een dorp.

• Breng begrippen aan die te maken hebben met het verkeer in een stad of dorp.

• Breng begrippen aan die te maken hebben met plekken en gebouwen in een stad of dorp.

• Verduidelijk het verschil tussen wonen, werken en ontspannen. Link verschillende plekken en gebouwen aan die categorieën.

• De leerlingen maken oefeningen 1, 2 en 3 in het werkschrift

De stad is een grote plek waar veel mensen samenwonen. Je vindt er huizen, appartementen, winkels, scholen en veel andere gebouwen. Je ziet vaak hoge gebouwen, veel straten en veel verkeer.

Toon de foto van de stad (Brussel) op het bord en de foto van het dorp (Bredene-Dorp). Vergelijk.

• Waar zie je meer gebouwen? (de stad)

• Waar zie je de grootste gebouwen? (de stad)

• Waar zie je meer verkeer/auto’s? (de stad)

• Waar zie je meer groen/natuur? (het dorp)

Het dorp is kleiner dan de stad. Er wonen minder mensen. Je vindt er huizen, appartementen, winkels en andere gebouwen, maar veel minder dan in een stad. Er is meer plaats tussen de gebouwen. Er is meer natuur dan in een stad. Er is minder verkeer dan in de stad.

• Welke geluiden hoor je in een stad, denk je?

• Welke geluiden hoor je in een dorp, denk je?

• Waar is het rustiger/stiller?

Het verkeer in de stad en het dorp

Toon de afbeeldingen van voertuigen in het verkeer op het bord. Geef telkens de naam van een voertuig en de beschrijving. De leerlingen klikken op de juiste afbeelding. Daarna verschijnt een leuke prent.

• De auto: een voertuig waar je met een paar mensen in kunt zitten. Je rijdt ermee op de weg of, zoals hier, op de snelweg

• De bus: een voertuig waar veel mensen in kunnen. Je rijdt ermee op de weg

• De trein: een groot voertuig waar veel mensen in kunnen. Het rijdt op het spoor van een stad of een dorp naar een andere stad of een ander dorp.

• De tram: een voertuig waar veel mensen in kunnen. Het rijdt op het spoor in de stad of het dorp. Het rijdt minder snel dan een trein.

Ga dieper in op het verschil tussen de weg, de snelweg en het spoor

• De weg: een straat in een stad of dorp waar voertuigen rijden, zoals auto’s, bussen en fietsen.

• De snelweg: een grote weg waar auto’s snel mogen rijden. Er zijn (meestal) geen verkeerslichten.

• Het spoor: een metalen baan waar trams en treinen op rijden.

Oefening 1

Lees de zinnen voor. Ga samen na of de uitspraak waar is of niet waar.

Bespreek:

• Wonen de leerlingen in een stad of een dorp?

• Wat is de naam van hun thuisgemeente?

• Wat is de naam van de schoolgemeente?

• Welke grote stad ligt in de omgeving van de school?

Oefening 2

Gebruik het begrip het verkeer hier nog een keer.

• Welke vervoersmiddelen kennen de leerlingen nog meer in het verkeer?

• Hoe heet een weg waar auto’s snel mogen rijden en waar meestal geen verkeerslichten zijn?

• Kunnen trams en treinen daar ook rijden? Waarom niet?

Oefening 3

De leerlingen schikken de afbeeldingen van kopieerblad 2 in de woordparaplu. Bespreek.

• Waar kun je nog wonen in de stad of het dorp?

• Waar kun je nog werken in de stad of het dorp?

• Waar kun je nog ontspannen in de stad of het dorp?

• Welke winkels ken je nog?

lees de zinnen over de stad en het dorp. zijn ze waar of niet waar? 1 waar niet waar de stad is kleiner dan het dorp. in de stad is geen verkeer. in het dorp is er meer plaats tussen de gebouwen. in het dorp is het rustiger dan in de stad.

welk voertuig zie je? kleur elke cirkel juist in.

2 welk voertuig rijdt op de weg? welk voertuig rijdt op het spoor? trek een lijn. b op

welke plekken horen bij wonen, werken en ontspannen? knip en plak. 3 wonen werken ontspannen

Plekken en gebouwen in de stad en het dorp

Toon de afbeeldingen van verschillende gebouwen op het bord. Geef telkens de naam van een plek of een gebouw en de beschrijving. De leerlingen klikken op de juiste afbeelding. Daarna verschijnt een leuke prent.

• De boerderij: een plek waar een boer of een boerin werkt. Ze verzorgen er dieren of laten er groenten, fruit of graan groeien.

• De fabriek: een gebouw waar materialen worden gemaakt, zoals speelgoed, kledij of eten. Er werken mensen aan grote machines.

• De bank: een plek waar mensen hun geld bewaren.

• Het kantoor: een plek waar mensen aan computers werken.

Ga naar de volgende oefening door op het pijltje te klikken. Oefen op dezelfde manier.

• Het winkelcentrum: een grote plek met veel winkels bij elkaar.

• De werkplaats: een plek waar iemand dingen maakt of repareert, zoals een fiets of een tafel.

• De markt: een plek waar mensen aan kraampjes spullen verkopen, zoals groenten, fruit of bloemen. Een markt is vaak buiten.

• Het park: een groene plek in de stad of het dorp met bomen, gras en soms een speeltuin of een vijver. Je kunt er spelen, wandelen en ontspannen.

Oefen de nieuwe begrippen verder in aan de hand van de flitsoefening. Toon telkens een andere afbeelding van een plek of een gebouw. De leerlingen benoemen. Bespreek telkens kort de functie van de plek of het gebouw.

Wonen, werken, ontspannen

Bespreek de iconen van kopieerblad 1 en hang ze op.

Leg uit dat er verschillende plekken zijn waar je kunt wonen. Dat hoeft niet altijd een huis te zijn. Het kan ook een appartement, een caravan, een woonboot of een groot gebouw zijn waar veel gezinnen samenwonen.

Leg uit dat werken niet altijd betekent dat je met de computer werkt. Je kunt ook buiten werken, met je handen werken, andere mensen helpen, met dieren werken, in de fabriek werken en nog veel meer. Mensen die werken, krijgen geld in de plaats.

Leg uit dat ontspannen veel meer is spelen alleen. Je kunt ook wandelen, lezen, slapen, van de natuur genieten en nog veel meer. Alles waar je rustig van wordt of meer energie van krijgt, noem je ontspannen.

Ga naar de volgende flitsoefening. Toon telkens een afbeelding van een plek of een gebouw in de stad of het dorp. De leerlingen geven bij elke plek of gebouw aan of het dient om te wonen, te werken of te ontspannen (spelen).

Koppel tot slot nog een keer terug naar het begin van de les.

• Wie heeft al die plekken, gebouwen, voertuigen gemaakt? (de mens)

Verwerking in het werkschrift

Controleer doorlopend of de leerlingen de lesinhoud goed hebben begrepen. Ze gaan daarna aan de slag met oefeningen 1, 2 en 3 in het werkschrift

Ter info

Sommige plekken of gebouwen kun je bij meerdere categorieën indelen. Op een boerderij bijvoorbeeld kun je wonen en werken. In een park kun je ontspannen, maar er werken ook mensen, zoals een parkwachter. Een huis dient om te wonen, maar je kunt er ook werken en ontspannen (bv. in de tuin).

Geef ruimte aan dat soort inzichten wanneer de leerlingen ze zelf aanbrengen.

Samenvatting voor de leerling De leerlingen oefenen in het werkschrift bij oefening 3 om een aantal begrippen uit de les te ordenen in een woordparaplu.

Samenvatting voor de leerling: les 4

onthoud

het verkeer in de stad en het dorp

Samenvatting voor de leerling: les 4

onthoud

het landschap

Wereldwijzer 1 – Thema 5 – Les 4
Uitgeverij VAN IN
Wereldwijzer 1 – Thema 5 – Les 4
Uitgeverij VAN IN
winkel

Afronding

Wat zie ik in de buurt van de school?

Heb je vanuit een raam van de school een goed zicht op de buurt? Ga daar dan kort naartoe met de leerlingen. Observeer en beschrijf wat jullie zien: een huis, een appartement, een winkel, een park, verkeer, een weg, een bus, een tram, een spoor …

Lukt dat niet? Gebruik dan de foto’s die je vooraf maakte in de buurt van de school. Toon ze en bespreek. Link de plekken en de gebouwen telkens aan de categorieën wonen, werken en ontspannen.

Reflectie

Houd een korte reflectie.

• Welke woorden waren in deze les nieuw voor jou? Welke woorden kende je al?

• Wat ken je nog meer dat de mens heeft gemaakt in de stad of het dorp?

• Waar zou jij het liefst wonen: in de stad of in het dorp?

Terugkoppeling naar de lesdoelen en de leerroute

Koppel terug naar het lesdoel en bekijk samen de leerroute. Koppel ook kort terug naar de startvraag: Waarom is onze aarde zo bijzonder?

Welk antwoord kunnen de leerlingen na deze les geven?

• Houd een korte reflectie.

• Koppel terug naar het lesdoel en naar de leerroute.

100'

LES 5 Het weer vandaag

Domein: Aardrijkskunde Subdomein: Aardrijkskundige kennis – weer en klimaat Les 5 van 9

Lesdoelen

De leerlingen:

• kunnen weersverschijnselen benoemen (MD 4.3.2);

• kunnen neerslagvormen herkennen (MD 4.3.2);

• kunnen de aanwezigheid van water herkennen in het weer: de regen, de sneeuw, de plas (MD 4.2.2);

• kunnen verbanden leggen tussen bewolking en neerslag (MD 4.3.2).

Voorbereiding

• Installeer een eenvoudig weerstation met een thermometer (temperatuur), een pluviometer (neerslag) en een windzak (wind). Een pluviometer en een windzak kun je makkelijk zelf maken. Op het internet vind je verschillende eenvoudige stappenplannen.

• Overleg met de collega’s van de lagere en hogere klassen. Met welke weerkalenders werken zij? Werk je nog niet met een weerkalender in de klas? Dan kun je die in deze les introduceren.

• De weercirkels van kopieerblad 1 heb je nodig voor klassikaal gebruik. Bevestig met een splitpen de pijl op de weercirkels. Maak eventueel een versie op groot formaat.

• De prenten van kopieerblad 2 kun je printen om bij de meettoestellen te hangen.

• Kopieerblad 3, 4 en 5 heb je meerdere keren nodig, afhankelijk van hoe je de opdrachten organiseert.

Materiaal

• werkschrift p. 12 en 13

• kopieerblad 1 t.e.m. 5

• samenvatting voor de leerling

Zelf te voorzien

• eventueel tablets voor het hoekenwerk

Woordenschat

• het weer

• de temperatuur

• de neerslag

• de bewolking

• de wind

• warm, koud

• nat, droog

• de regen

• de hagel

• de sneeuw

• de mist

• de plas

Wat is nieuw?

In de kleuterklas gingen de leerlingen aan de slag met een weerkalender. Ze observeerden het weer en ze leerden zo verschillende weertypes kennen en benoemen. Daarbij kwamen ze in aanraking met begrippen als de temperatuur, de neerslag, de bewolking en de wind. Ze leerden de relatie tussen bewolking en neerslag benoemen.

In deze les bouw je daarop verder. De leerlingen breiden hun kennis over de weerverschijnselen verder uit. Ze observeren het weer op het vlak van temperatuur, neerslag, bewolking en wind. Ze gaan dieper in op de neerslag: ze verkennen de aanwezigheid van water in het weer en ze leggen het verband tussen neerslag en bewolking. De leerlingen begrijpen dat het weer elke dag verandert en dat het invloed heeft op de activiteiten van mensen en op de kledij die ze dragen.

Interessante links

• www.kmi.be

• https://science.nasa.gov/kids/earth/weather-and-climate/

• https://kids.nationalgeographic.com/science/topic/weather

• https://www.meteo.be/nl/info/leren-over-weer-en-klimaat/bij-meteoz-en-nova

• https://www.leermiddelen.be/nl/leermiddelen/aardrijkskunde/weerkunde/?offset=0

De weerkalender in de klas

In deze les wordt gewerkt met een weerkalender in de vorm van vier draaischijven. De leerlingen kunnen op de schijven hun observaties van de dag met betrekking tot de temperatuur, de neerslag, de bewolking en de wind aangeven. In de volgende les (over de seizoenen) komt daar nog een vijfde draaischijf bij, waarmee ze het seizoen kunnen aangeven. Werk je in jouw klas of in jouw school al met een ander systeem? Dan kun je dat gerust behouden.

De leerlingen:

• kunnen gedachten en gebeurtenissen formuleren met een aanzet tot volgorde en tonen hierbij een aanzet tot het gebruik van structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden) (MD 1.3.7);

• kunnen inhoud kwantitatief meten met meetinstrumenten voor natuurlijke maten (MD KO 2.3.6).

Leg een aantal voorwerpen op de thematafel die gelinkt kunnen worden aan verschillende weertypes: een paraplu, een zonnebril, handschoenen … Hang eventueel een paraplu aan het plafond en hang daar voorwerpen of woordkaarten aan vast. Voorzie ook een paar actuele weerberichten uit de krant.

Het boek Het weer. Alle weerelementen en hoe je ze zelf kunt waarnemen van weerman Bram Verbruggen is een aanrader voor de thematafel. De teksten zijn nog moeilijk voor leerjaar 1, maar er staan verschillende inspirerende prenten in. In de volgende leerjaren van Wereldwijzer wordt er verder met dit boek gewerkt.

Transferdoel taal en wiskunde
Thematafel

Voorkennis activeren

Bekijk samen de ontdekplaat bij dit thema. Activeer de woordenschat over verschillende weersverschijnselen en weertypes.

• Wat voor weer is het?

• Waar zie je warm weer? Waar zie je koud weer?

• Waar zie je nat weer? Waar zie je droog weer?

• Waar zie je regen, sneeuw, mist?

• Waar zie je veel wolken?

• Waar zie je veel wind?

Kijk dan samen uit het raam. Wat voor weer is het vandaag? Gebruik de begrippen de temperatuur, de neerslag, de bewolking en de wind al een eerste keer en laat de leerlingen het weer beschrijven. Ze gebruiken daarvoor begrippen als warm, koud, nat, droog, regen, sneeuw, zon, wolken, wind.

Vraag de leerlingen wat voor kledij ze vandaag dragen en leg de link met het weer. Dragen ze een korte broek, een dikke jas, laarzen …?

Vraag de leerlingen wat ze op de speelplaats hebben gedaan en leg de link met het weer. Moesten ze schuilen voor de regen, gooiden ze sneeuwballen, konden ze in de zon spelen …?

Lesdoel formuleren

Formuleer het lesdoel: Het weer verandert elke dag. Je leert in deze les de juiste woorden om over het weer van elke dag te vertellen. Je leert ook dat de neerslag (zoals de regen, de sneeuw, de hagel) uit wolken valt.

Vorm de lesdoelen op het bord en lees ze voor.

• Ik kan vertellen wat voor weer het is.

• Ik kan vertellen dat neerslag uit de wolken valt.

In het kort

• Activeer de voorkennis over verschillende weersverschijnselen en weertypes.

• Leg ook al een eerste keer de link tussen het weer en de kledij van de leerlingen en wat ze spelen op de speelplaats.

• Formuleer het lesdoel.

Het weer vandaag

Ga met de leerlingen naar het weerstation. In deze les ben je een weerman/weervrouw. Een weerman of weervrouw vertelt wat voor weer het is. Om over het weer te vertellen, gebruik je je je zintuigen: je kijkt naar het weer en je voelt wat voor weer het is. En je gaat ook meten. Daarvoor gebruik je het weerstation.

• Observeer bij het weerstation de temperatuur, de neerslag, de wind en de bewolking. Introduceer zo de woordenschat van deze les.

• Veranker de begrippen aan de hand van verschillende oefenvormen. Je kunt klassikaal werken of in hoekenwerk.

• De leerlingen maken oefeningen 1, 2 en 3 in het werkschrift

Overloop de meettoestellen in het weerstation. Gebruik de weercirkels van kopieerblad 1 om uit te leggen wat je met elk toestel kunt meten. Hang de prenten uit het boek Het weer van Bram Verbruggen (kopieerblad 2) bij de meettoestellen.

De temperatuur

Met de buitenthermometer meet je de temperatuur. Temperatuur heeft te maken met hoe het weer vandaag voelt: is het warm weer of koud weer? Wanneer het warm is buiten, dan is de temperatuur hoog. Wanneer het koud is buiten, dan is de temperatuur laag.

Bespreek hoe het weer vandaag voelt: warm of koud. Lees dan samen de temperatuur op de thermometer. Is de temperatuur hoog of laag? Leg de link met het weer. Gebruik de groene weercirkel om de temperatuur van de dag aan te geven.

Schijnt de zon? Gebruik dan het begrip zonnig om het weer te beschrijven.

De neerslag

Met de pluviometer meet je hoeveel neerslag er is gevallen. Neerslag is alles wat uit de wolken valt. De neerslag kan regen zijn, hagel of sneeuw. Wanneer het nat weer is, dan valt er veel neerslag. Wanneer het droog weer is, dan valt er weinig of geen neerslag. Bij nat weer zie je plassen op straat, de grond is dan nat.

De regen: waterdruppels die uit een wolk vallen.

De hagel: harde bolletjes ijs die uit een wolk vallen.

De sneeuw: vlokken gemaakt van ijskristallen die uit een wolk vallen.

Kijk naar het weer vandaag. Is het nat of droog weer? Lees dan samen op de pluviometer af hoeveel neerslag er vandaag is gevallen. Zit er veel of weinig (of geen) neerslag in het toestel? Leg de link met het weer. Gebruik de gele weercirkel om de neerslag van de dag aan te geven.

Gebruik daarbij ook begrippen als regenachtig en sneeuwachtig om het weer te beschrijven.

De wind

Met de windzak meet je hoeveel wind er is. Wind is lucht die beweegt. Is er veel wind? Dan hangt de windzak strak opzij. Is er maar een beetje wind? Dan hangt de windzak minder strak. Is er geen wind? Dan hangt de windzak slap naar beneden.

Bespreek of je vandaag wind voelt. Voel je veel of een beetje wind? Kijk dan samen naar de windzak. Hoe hangt die erbij? Gebruik de rode weercirkel om het weer van de dag aan te geven.

Gebruik daarbij ook de begrippen winderig en windstil om het weer te beschrijven.

Oefening 1

Maak gebruik van deze oefening om de leerlingen de begrippen van deze les nog een keer te laten benoemen. Laat hen het weer van de dag ook beschrijven aan de hand van begrippen als zonnig, bewolkt, regenachtig, sneeuwachtig, winderig of windstil.

Laat de leerlingen vertellen wat ze nog weten over de verschillende soorten neerslag en hoe die gevormd wordt. Zo leggen ze opnieuw de link tussen bewolking en neerslag.

Oefening 2

Bespreek ook welke kledij je bij dit soort weer draagt en welke activiteiten je kunt doen. Gebruik in je vraagstelling de begrippen van de les.

• Waarom is het belangrijk om kledij te dragen die bij het weer past?

• Waarom draag je geen sandalen wanneer het weer regenachtig/sneeuwachtig is?

• Wat zou je dragen als het regenachtig/winderig/ zonnig weer is?

• Welke activiteiten kun je doen bij zonnig/bewolkt weer?

Oefening 3

Laat de leerlingen met hun eigen woorden het verschil uitleggen tussen regen, hagel en sneeuw.

De bewolking

Om de bewolking te beschrijven, hebben we geen meettoestel. Daarvoor gebruiken we onze zintuigen: onze ogen. Kijk hoeveel wolken er aan de hemel hangen en hoe ze eruitzien. Hangen de wolken heel laag? Dan is er mist. Zijn de wolken grijs? Dan kan er neerslag vallen.

Bespreek wat voor wolken er aan de hemel hangen en hoe ze eruitzien. Gebruik de blauwe weercirkel om het weer van de dag aan te geven.

Gebruik daarbij ook de begrippen zonnig en bewolkt om het weer te beschrijven.

Maak de link tussen wolken en neerslag. Wolken ontstaan wanneer heel veel waterdruppels of ijskristallen bij elkaar blijven. Wanneer er zoveel water of ijs in een wolk zit dat de wolk te zwaar wordt, dan valt het water of het ijs omlaag als neerslag. Neerslag kan regen, hagel of sneeuw zijn.

De begrippen over het weer verder inoefenen

De leerlingen oefenen de begrippen over het weer verder in. Dat kan aan de hand van verschillende oefenvormen. Maak een selectie die passend is voor jouw klas en werk klassikaal. Of werk met een roteersysteem tijdens een hoekenwerk.

Weertypes beschrijven

Toon de filmpjes met de verschillende weertypes op het bord. Of zet ze (in het geval van hoekenwerk) klaar op tablets aan de hand van de QR-codes.

Stel vragen waarbij je peilt naar de temperatuur, de neerslag, de bewolking en de wind. De leerlingen beschrijven de weertypes en gebruiken daarbij begrippen als warm, koud, nat, droog, de regen, de sneeuw, de mist, zonnig, bewolkt, regenachtig, sneeuwachtig, winderig en windstil.

Een weerbericht lezen

Toon de weerberichten (weerkaarten) op het bord. Je vindt ze ook op kopieerblad 3 als je in hoekenwerk wilt werken. De leerlingen beschrijven wat voor weer het in België wordt. Ze gebruiken daarbij de begrippen uit de les.

Breng ook even de aandacht naar de windroos waarbij de letters N, O, Z en W staan. Weten de leerlingen waar die letters voor staan? (het noorden, het oosten, het zuiden, het westen)

Memory spelen met weerelementen

De leerlingen spelen Memory met de kaartjes van kopieerblad 4. Ze benoemen telkens de afbeelding wanneer ze een paar gevonden hebben.

Kledij aan het weer koppelen

Tip

Kijk je regelmatig met de leerlingen naar Karrewiet op Ketnet? Bespreek dan het weerbericht op het einde van de uitzending.

• Wat zien de leerlingen in de drie vakjes?

• Wat voor weer wordt het morgen?

De leerlingen gaan aan de slag met kopieerblad 5: ze leggen de kaartjes met kledij bij de verschillende weertypes. Ze beschrijven het weer en denken na welke kledij erbij past. Laat ze ook telkens vertellen welke activiteiten je bij elk weertype kunt doen.

Verwerking in het werkschrift

• Is het weer morgen heel verschillend van het weer vandaag?

Controleer doorlopend of de leerlingen de lesinhoud goed hebben begrepen. Ze gaan daarna aan de slag met oefeningen 1, 2 en 3 in het werkschrift.

Samenvatting voor de leerling

De leerlingen gaan in de bordles aan de slag met de woordparaplu.

Bij deze samenvatting hoort ook een kennisclip. Zet die in om de lesinhoud verder te verankeren.

onthoud

Samenvatting voor de leerling: les 5 koud de hagel zonnig windstil warm de regen bewolkt winderig de sneeuw de neerslag de bewolking de wind de temperatuur

het weer

Wereldwijzer 1 – Thema 5 – Les 5 © Uitgeverij VAN IN

Afronding

De weerkalender structureel inzetten

Hang de weercirkels op een centrale plaats in de klas. Duid per dag of per week een leerling of leerlingen aan die weerman/weervrouw zijn. Ze observeren het weer, zetten de pijlen van de weercirkels juist en doen verslag van hun observaties.

Terugkoppeling naar de lesdoelen en de leerroute

Koppel terug naar het lesdoel. Koppel ook kort terug naar de startvraag: Waarom is onze aarde zo bijzonder? Welk antwoord kunnen de leerlingen na deze les geven? Blik vooruit aan de hand van de leerroute. In de volgende les gaan jullie aan de slag met de seizoenen.

Tip

Je kunt de meetresultaten bijhouden in een weerdagboek. Zo kun je na een tijdje duidelijk aantonen dat het weer elke dag verandert.

• Zet de weerkalender structureel in.

• Koppel terug naar het lesdoel en de leerroute en blik vooruit.

75'

LES 6 De seizoenen

Domein: Aardrijkskunde Subdomein: Aardrijkskundige kennis – weer en klimaat Les 6 van 9

Lesdoelen

De leerlingen:

• kunnen de seizoenen herkennen en benoemen (MD 4.2.14);

• kunnen de seizoenen herkennen aan de veranderingen in de natuur en het dagelijks leven (MD 4.2.14).

Voorbereiding

• Overleg met de collega’s van de lagere en hogere klassen. Met welke seizoenkalender werken zij? Werk je nog niet met een seizoenkalender in de klas? Dan kun je die in deze les introduceren.

• De seizoencirkel van kopieerblad 1 heb je nodig voor klassikaal gebruik. Bevestig met een splitpen een pijl op de seizoencirkel. Maak eventueel een versie op groot formaat.

• De afbeeldingen van kopieerblad 2 heb je nodig voor klassikaal gebruik.

• Voorzie een (was)mand met voorwerpen en kledingstukken die bij de vier seizoenen horen. Denk aan een sjaal, een muts, een zonnebril, een paraplu, een dun jasje, zwemgerief, regenlaarzen …

Materiaal

• werkschrift p. 14 en 15

• kopieerblad 1 en 2

• samenvatting voor de leerling

Woordenschat

• het seizoen

• de winter

• de lente

• de zomer

• de herfst

• de zon

• de sneeuw

• warm, koud

• de bladeren

• de bloemen

• de naaldboom

• de loofboom

• de kledij

• de jas

• de handschoenen

Achtergrondinformatie

Wat is nieuw?

In de kleuterklas leerden de leerlingen de seizoenen in hun directe omgeving herkennen. Daar bouw je in deze les op verder. De leerlingen benoemen de seizoenen en ontdekken wat er verandert. Ze focussen daarbij op de veranderingen in het weer en de natuur. Ze benoemen hoe mensen zich aanpassen aan de seizoenen op het vlak van kledij en activiteiten. Ze leren de seizoenen in de juiste volgorde te zetten.

Transferdoel wiskunde

De leerlingen:

• kennen de volgende begrippen: eerst, dan, daarna, langer, korter, het jaar (MD KO 2.3.17).

Maak een seizoentafel met materialen en foto’s die bij de vier seizoenen horen. Vul aan met boeken: er bestaan ontzettend veel inspirerende kinderboeken over de seizoenen waarmee je de thematafel kunt verrijken. In sommige bibliotheken kun je een themakoffer rond de seizoenen lenen.

de seizoenen

• Westera, B., & Boerendans, H. (2024). Dichter bij de seizoenen. Gottmer.

• Berner R. S. (2017). De vrolijke vier seizoenen: Kijk- en zoekboek. Lannoo.

• Berner R. S. (2025). Vier seizoenen in één nacht: Kijk- en zoekboek. Lannoo.

• Wiehle, K. (2020). De vier jaargetijden. Hoogland & Van Klaveren.

• Wilson, A. (2025). Een verhaal over de seizoenen: Ontdek de natuur door het jaar heen. Veltman Uitgevers. de winter

• Dendooven, G. (2023). Waar is winter? Querido.

• Müller, T. (2018). Sneeuwhoen, ree en hazelmuis: Dieren in de winter. Clavis. de lente

• Berner R. S. (2023). Leve de lente: Kijk- en zoekboek. Lannoo.

• De Pelseneer, R., & T’Hooft, S. (2025). Het grote bloemenboek. De Eenhoorn. de zomer

• Berner R. S. (2023). Zonnige zomer: Kijk- en zoekboek. Lannoo.

• Boonen, S., & Van Lierde, J. (2020). Veer, een dag in de zon. Van Halewyck. de herfst

• Boonen, S., & Van Lierde, J. (2021). Veer, een dag in de wind. Pelckmans.

• Tieman, N., & Van der Veen, I. (2024). Eten eekhoorntjes brood? Een avontuur vol paddenstoelen Samsara.

Thematafel

Voorkennis activeren

De weerman of weervrouw van de dag vertelt aan de hand van de weerkalender wat voor weer het vandaag is.

• Is de temperatuur heel warm, warm, koud of heel koud?

• Wat voor neerslag valt er?

• Is er veel of weinig wind?

• Hoe ziet de bewolking eruit?

Bekijk dan samen de ontdekplaat. In welke zone herken je het weer van vandaag? Welk seizoen is het dus?

• Welke seizoenen herken je nog op de ontdekplaat?

• Welke kledij dragen de mensen in elk seizoen?

• Welke activiteiten doen de mensen in elk seizoen?

• Hoe ziet de natuur eruit?

Zeg telkens een zin over een van de seizoenen. De leerlingen steken een groen potlood in de lucht wanneer de uitspraak waar is. Ze steken een rood potlood in de lucht wanneer de uitspraak niet waar is.

Voorbeelden:

• Het sneeuwt vaak in de zomer.

• In de winter kan de zon schijnen.

• Het is elke dag hetzelfde weer.

• In de herfst speel ik in een zwembad in de tuin.

• In de lente krijgen veel dieren een jong.

• In de winter groeien er appels aan de appelboom.

Lesdoel formuleren

Formuleer het lesdoel: In deze les verken je de seizoenen. Je ontdekt wat er met de seizoenen in de natuur en in het dagelijkse leven van mensen verandert.

Vorm de lesdoelen op het bord en lees ze voor.

• Ik ken de vier seizoenen.

• Ik kan vertellen wat er verandert met de seizoenen: de natuur, de kledij van mensen, de activiteiten van mensen ...

In het kort

• Activeer de voorkennis over de seizoenen. Vertrek vanuit het weer van de dag en verken de seizoenen aan de hand van de ontdekplaat

• Formuleer het lesdoel.

De vier seizoenen

Toon het filmpje van de boom die verandert met de seizoenen. Toon het filmpje een tweede keer en pauzeer bij de verschillende seizoenen. Bespreek telkens.

• Hoe is de boom veranderd?

• Welke andere veranderingen zie je in de natuur?

• Welk seizoen hoort hierbij?

Overloop de vier seizoenen aan de hand van de seizoencirkel van kopieerblad 1 en de foto’s op het bord. Begin bij de winter en overloop de seizoenen in de juiste volgorde.

de winter

• Bekijk in het filmpje hoe een boom verandert in de vier seizoenen. Bespreek.

• Introduceer de seizoencirkel van kopieerblad 1 en overloop de seizoenen aan de hand van de foto’s op het bord.

• Bespreek de veranderingen in de natuur tijdens de verschillende seizoenen.

• Bespreek hoe de mens zich aanpast aan de wisselende seizoenen.

• Veranker de volgorde van de seizoenen.

• De leerlingen maken oefeningen 1, 2 en 3 in het werkschrift

Er zijn vier seizoenen in een jaar De winter is het eerste seizoen van het jaar. In de winter zijn de dagen het kortst. Het is vaak koud. Soms valt er sneeuw of ligt er ijs. De meeste bomen verliezen hun bladeren. Sommige dieren houden een winterslaap. We trekken een dikke jas, een muts, een sjaal en handschoenen aan. In de winter vieren we Kerstmis en oudjaar.

de lente

Dan wordt het lente. In de lente wordt het warmer. De dagen worden langer. Er komen bladeren aan de bomen en heel wat planten krijgen bloemen. Dat noem je bloesem. Veel dieren krijgen een jong. Je kunt al wat langer buitenspelen, maar je hebt vaak nog een jas nodig. In de lente vieren we Pasen.

de zomer

Daarna komt de zomer. In de zomer zijn de dagen het langst. Het is buiten vaak warm of heet. De planten groeien goed en veel bloemen staan in bloei. Er groeien nu ook vruchten aan planten, struiken en bomen. Je draagt luchtige kledij en je beschermt je tegen de zon met een pet, een hoedje of een zonnebril. In de zomer gaan sommige mensen op vakantie. Je kunt veel buitenspelen.

de herfst

In de herfst worden de dagen korter. Het wordt kouder. De bladeren van veel bomen worden geel, rood of oranje en vallen van de bomen. Je kunt noten rapen. Er is vaak wind en regen. In het bos vind je paddenstoelen. Je trekt een regenjas aan en kledij die je beschermt tegen de wind. In de herfst herdenken we met Allerzielen de mensen die gestorven zijn.

De veranderingen in de natuur

De leerlingen koppelen de foto’s aan het juiste seizoen. Benoem de veranderingen in de natuur met de leerlingen.

Focus daarbij op:

• de winter: kale takken, weinig groen, dieren houden een winterslaap.

• de lente: planten groeien, bladeren aan de bomen, bloemen groeien (bloesem), dieren krijgen een jong.

• de zomer: planten groeien, vruchten aan planten, veel insecten, kans op droogte (dor gras).

• de herfst: bladeren veranderen van kleur, bladeren vallen, herfstvruchten, dieren verzamelen voeding voor de winter.

Leg de link met de lessen wetenschap levende natuur. Weten de leerlingen nog welke bomen hun bladeren verliezen in de herfst? (loofbomen) Welke bomen hebben meestal het hele jaar door bladeren? (naaldbomen)

Oefening 1

Overloop en benoem de vier seizoenen. Bespreek wat je op elke foto ziet. Bespreek elementen als het weer, hoe de natuur zich aanpast, welke kledij de mensen dragen en welke activiteiten ze doen.

Oefening 2

De leerlingen nummeren de seizoenen in de juiste volgorde. Bespreek.

• Welk seizoen komt het eerst in een kalenderjaar?

• Welk seizoen komt daarna?

• Welk seizoen is het nu?

Bespreek aan de hand van de foto’s hoe bomen veranderen in de verschillende seizoenen. Bij de afbeelding van de winter kun je nog een keer herhalen dat de meeste naaldbomen hun bladeren niet verliezen in de herfst en de winter. Loofbomen verliezen hun bladeren wel.

Oefening 3

De leerlingen koppelen kledingstukken aan de vier seizoenen en geven aan hoe de natuur met de seizoenen verandert.

weet je nog over de seizoenen? wat voor kledij past bij elk seizoen? omcirkel in de juiste kleur. hoe verandert de natuur? trek lijnen.

de sneeuwlaarzen de dunne rok
zonnebril de paraplu
regenjas de warme trui
de pet de zwembroek
de handschoenen
14 thema 5 – les 6: de seizoenen
de seizoenen
wat hoort bij elk seizoen? geef elke cirkel de juiste kleur.
winter de lente de zomer de herfst
zet
juiste

Hoe de mens zich aanpast

De natuur verandert met de seizoenen. Maar ook de mens past zich aan. Het weer verandert in de seizoenen en daarom passen mensen hun kledij aan.

Hang de afbeeldingen van kopieerblad 2 op verschillende plekken in de klas. Haal telkens een voorwerp of een kledingstuk uit de mand. De leerlingen gaan bij het juiste seizoen staan. Bespreek. Maak daarbij telkens de koppeling naar het weer.

Voorbeelden:

• Waarom heb je een zonnebril nodig in de zomer? (De zon schijnt hard. Het weer is zonnig.)

• Draag je een zonnebril ook in andere seizoenen? (De zon schijnt ook in andere seizoenen.)

• Horen laarzen enkel bij de herfst? Wanneer kun je nog laarzen dragen? (In andere seizoenen kan het ook regenen.)

Bespreek ook telkens welke activiteiten je kunt doen in de verschillende seizoenen. Bijvoorbeeld: sneeuwballen gooien in de winter, in de speeltuin spelen in de lente, buiten zwemmen in de zomer, een lange wandeling maken in de herfst.

De volgorde van de seizoenen

Oefen de volgorde van de seizoenen in. Start met de winter. Dat is het eerste seizoen van een kalenderjaar. Geef vier leerlingen een afbeelding van kopieerblad 2 en vraag ze om in de juiste volgorde te gaan staan. De andere leerlingen controleren.

Leg de link met het tijdskader dat in de klas hangt vanuit de lessen geschiedenis.

• Welk seizoen is het nu (in het heden)?

• Welk seizoen is er net voorbij? Welk seizoen was het dus vroeger (in het verleden)?

• Welk seizoen komt er na dit seizoen? Welk seizoen komt dus later (in de toekomst)?

Hang de afbeeldingen van kopieerblad 2 bij het tijdskader.

Verwerking in het werkschrift

Controleer doorlopend of de leerlingen de lesinhoud goed hebben begrepen. Ze gaan daarna aan de slag met oefeningen 1, 2 en 3 in het werkschrift

Tip

Met de vier seizoenen kun je op verschillende manieren creatief aan de slag. Bekijk bijvoorbeeld kunstwerken die de verschillende seizoenen verbeelden of laat de leerlingen zelf expressief bewegen op muziek en de seizoenen uitbeelden:

• de lente: Comptine d’un autre été, l’après midi, Yann Tiersen

• de zomer: Radetzkymars, Johann Strauss

• de herfst: Falling, Catching, Agnes Obel

• de winter: Fyrsta, Ólafur Arnalds

Ook met de Seasons March van Pina Bausch kun je op een creatieve manier aan de slag.

Tip

Heb je een seizoentafel gemaakt op de thematafel? Dan kun je de leerlingen daarmee aan de slag laten gaan. Ze bekijken de materialen en de foto’s bij een bepaald seizoen en overleggen welk seizoen daarbij hoort. Ze bereiden samen aan de hand van de materialen een korte presentatie voor over hun seizoen, waarbij ze iets vertellen over het weer, de natuur, de kledij van mensen en de activiteiten die je in het seizoen kunt doen.

Samenvatting voor de leerling

De leerlingen gaan in de bordles aan de slag met de woordparaplu.

Bij deze samenvatting hoort ook een kennisclip. Zet die in om de lesinhoud verder te verankeren.

Samenvatting voor de leerling: les 6

onthoud

de seizoenen

Wereldwijzer 1 – Thema 5 – Les 6
© Uitgeverij VAN IN
de lente de zomer de herfst de winter
de handschoenen de dunne rok de zonnebril de regenjas

De seizoenkalender structureel inzetten

Hang de seizoencirkel bij de weercirkels. Laat de weerman/weervrouw op het gepaste tijdstip de pijl naar het juiste seizoen verplaatsen. Bespreek en link telkens aan het weer.

• Welk seizoen is het nu? Wat voor weer is het?

• Welk seizoen komt er na dit seizoen?

• Hoe zal de natuur dan veranderen?

• Welk seizoen kwam er voor dit seizoen?

• Droegen we andere kledij? Welke?

Terugkoppeling naar de lesdoelen en de leerroute

Koppel terug naar het lesdoel. Koppel ook kort terug naar de startvraag: Waarom is onze aarde zo bijzonder? Welk antwoord kunnen de leerlingen na deze les geven? Blik vooruit aan de hand van de leerroute. In de volgende les leren jullie meer over hoe het dag en nacht wordt.

• Zet de seizoenkalender structureel in.

• Koppel terug naar het lesdoel en de leerroute en blik vooruit.

Domein: Actualiteit en omgevingsleren

Lesdoelen

De leerlingen:

• kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen (MD 1.1.7);

• kunnen het weer beschrijven op basis van temperatuur, neerslag, bewolking en wind (MD 4.3.2);

• weten dat het weer beschreven wordt op basis van weersverschijnselen zoals temperatuur, neerslag, bewolking, wind (MD 4.3.2);

• kunnen seizoenen herkennen en benoemen (MD 4.2.14).

Transferdoel taal

De leerlingen:

• kunnen vragen stellen om meer informatie te krijgen en om te controleren of ze de boodschap begrepen hebben (MD KO 1.3.3).

Voorbereiding

• Zoek een duidelijk weerbericht dat het weer van vandaag voorspelt.

• Zoek een actueel nieuwsbericht met een link naar het weer en de seizoenen. Bijvoorbeeld: er was een nieuwjaarsduik, de kersenbloesems in Japan staan in bloei, er was een modderstroom of lawine, er komt een hittegolf aan …

Materiaal

• werkschrift p. 16 en 17

• kopieerblad 1

ACTUA Het weer en de seizoenen in het nieuws

Voorkennis activeren

Neem de leerroute erbij. In les 5 leerden de leerlingen weersverschijnselen benoemen en het weer van de dag beschrijven. In les 6 leerden de leerlingen de seizoenen herkennen en benoemen.

Laat de weerman/weervrouw van de dag aan de hand van de weerkalender vertellen wat voor weer het vandaag is. Hij of zij vertelt over de temperatuur, de neerslag, de bewolking en de wind. Kijk ook samen op de seizoencirkel en benoem welk seizoen het nu is.

Vraag de leerlingen wat voor kledij ze vandaag dragen en leg de link met het weer en het seizoen. Vraag de leerlingen welke activiteiten ze bij dit weer / in dit seizoen kunnen doen.

Bekijk het weerbericht dat je hebt klaargezet. Een weerbericht vertelt hoe het weer de volgende dag/dagen zal zijn. Weermannen en weervrouwen kijken naar de temperatuur, de neerslag, de bewolking en de wind en meten met meettoestellen, net zoals wij deden in les 5. Zo voorspellen ze het weer voor de volgende dag of dagen. Een weerbericht vind je in de krant, op het internet, op de radio of de televisie.

Bespreek het weerbericht dat je hebt klaargezet en dat het weer van vandaag voorspelt.

• Wat voor weer wordt het vandaag volgens het weerbericht?

• Wat voor weer is het vandaag? Klopt de voorspelling dus?

• Hoe komt het dat de voorspelling van het weerbericht soms niet helemaal klopt?

• Welk seizoen is het nu? Hoe merk je dat aan het weer en het weerbericht?

Leg de link met de lessen wetenschap niet-levende natuur waarin de leerlingen met de onderzoekcyclus leerden werken. Overloop de vier stappen: (1) Ik stel een onderzoeksvraag, (2) Ik denk na, ik voorspel; (3) Ik doe een onderzoek; (4) Ik geef een antwoord op de vraag. Weermannen en weervrouwen die het weer voorspellen, volgen diezelfde stappen.

Lesdoel formuleren

Formuleer het lesdoel: In deze les bekijk je een nieuwsbericht dat te maken heeft met het weer en de seizoenen.

Vorm de lesdoelen op het bord en lees ze voor.

• Ik kan vertellen waarover een nieuwsbericht gaat.

• Ik kan vertellen wat een nieuwsbericht vertelt over het weer en de seizoenen.

In het kort

• Activeer de voorkennis over weersverschijnselen en weertypes door de weerman/weervrouw verslag te laten doen over het weer van vandaag. Benoem ook welk seizoen het nu is.

• Zet een weerbericht in om de kennis van de leerlingen te koppelen aan de actualiteit.

• Formuleer het lesdoel.

• Waar gebeurde het? Situeer de plek waar het nieuws zich afspeelt op de wereldbol. Kern

De vragen ‘wie, wat en waar’ beantwoorden

Bekijk een eerste keer het nieuwsbericht dat je hebt klaargezet en bespreek. Focus op de vragen wie, wat en waar

• Over wie gaat het bericht?

• Wat gebeurde er?

• Toon het nieuwsbericht. Beantwoord samen de vragen wie, wat en waar.

• Toon het nieuwsbericht opnieuw. Leg de link met het weer en het seizoen.

• De leerlingen vullen hun vaststellingen in bij oefening 1 en 2 in het werkschrift. Ze maken daarna ook oefening 3

Oefening 1

Laat de leerlingen de weerelementen van de verschillende weercirkels benoemen: de temperatuur, de neerslag, de wind, de bewolking.

Oefening 2

Welk seizoen hoort er bij het weerbericht? Wat kunnen de leerlingen vertellen over dat seizoen vanuit les 6?

Oefening 3

Bij elke nieuwsfoto wordt in de oefening gefocust op één weerelement. Bespreek ook andere weerelementen die van toepassing zijn, bv. bij de sneeuwstorm kun je zeggen dat het heel koud is (temperatuur), maar ook dat er sneeuw uit de wolken valt (neerslag) en dat er heel veel wind is (wind).

Leg ook telkens de link met de seizoenen. In welk seizoen kan dit weertype voorkomen?

actua

De link leggen met het weer en de seizoenen

Bekijk het filmpje een tweede keer. Focus nu op het weer

• Wat voor weer is het?

• Wat kun je vertellen over de temperatuur? De neerslag? De bewolking? De wind?

Kunnen de leerlingen uit het nieuwsbericht afleiden welk seizoen het is?

• Welke kledij dragen de mensen in het nieuwsbericht?

• Wat gebeurt er? Wat heeft dat te maken met het weer en het seizoen?

Verwerking in het werkschrift

De leerlingen duiden hun vaststellingen aan bij oefening 1 en 2 in het werkschrift. Ze maken daarna ook oefening 3

Vond je nog meer nieuwsberichten? Laat de leerlingen dan in duo’s of in groep de weerkalender van kopieerblad 1 invullen. Bespreek daarna klassikaal.

Afronding

Zelf een nieuwsbericht brengen

Heb je nog tijd over? Laat de leerlingen zelf een nieuwsbericht verzinnen dat gelinkt is aan het weer of de seizoenen. Laat ze vertrekken vanuit de weerkalender van kopieerblad 1. Dat is hun houvast als ze het nieuwsbericht brengen.

• De leerlingen verzinnen zelf een nieuwsbericht dat gelinkt is aan het weer of de seizoenen.

75'

LES 7 De dag en de nacht

Domein: Aardrijkskunde Subdomein: Kosmografie Les 7 van 9

Lesdoelen

De leerlingen:

• weten dat de aarde om haar as draait (MD 4.2.13);

• kunnen dag en nacht herkennen door observatie van zonlicht (MD 4.2.15);

• kunnen de zon, de maan en de sterren benoemen als hemellichamen (MD 4.2.11, MD 4.2.12);

• kennen de zon als een ster (MD 4.2.11);

• herkennen de plaats van de zon gedurende de dag (MD L6 4.2.17).

Voorbereiding

• Zet op de toontafel de wereldbol klaar. Leg er een zaklamp, een fluorescerende sticker en een pingpongbal bij.

• Installeer Google Earth Pro op je computer. Experimenteer vooraf met de functies, zoals de schuifregelaar voor dag en nacht en draaien met de wereldbol.

Materiaal

• werkschrift p. 18 en 19

• samenvatting voor de leerling

Zelf te voorzien

• wisbordjes

• verschillende zaklampen

Woordenschat

• de planeet

• de aarde

• draaien

• de beweging

• de as

• de zon

• de maan

• de ster

• de dag

• de nacht

• het licht

• het donker

• de schaduw

• de ochtend

• de middag

• de avond

Achtergrondinformatie

Wat is nieuw?

In de kleuterschool leerden de leerlingen om de beweging van de aarde om haar as te tonen aan de hand van een wereldbol. In les 2 van dit thema leerden ze dat de aarde bolvormig is en maakten ze kennis met verschillende plekken op de wereldbol: de Noordpool en de Zuidpool, de werelddelen, België en de Noordzee.

In deze les bouw je daarop verder. De leerlingen ontdekken dat de aarde om haar as draait. Daardoor volgen de dag en de nacht elkaar op. Als het dag is aan de ene kant van de aarde, is het nacht aan de andere kant. De leerlingen benoemen de zon, de maan en de sterren als hemellichamen. Ze leren dat de maan zelf geen licht geeft en dat de zon een ster is. Ze ontdekken ook waar de zon aan de hemel staat op verschillende momenten van de dag.

Transferdoel taal en wiskunde

De leerlingen:

• kunnen verklarende taal gebruiken bij natuurverschijnselen (MD KO 1.4.2);

• kennen de volgende begrippen: hoog, laag, hoger, lager, verder, dichter, groter, kleiner, hoogste, laagste (MD KO 2.3.4).

Thematafel

Zet de wereldbol op de thematafel en leg er een zaklamp bij. De leerlingen kunnen tussendoor zelf experimenteren met licht en donker, dag en nacht. Leg er foto’s bij van activiteiten overdag en ’s nachts.

Voorkennis activeren

Toon de foto’s op het bord. De leerlingen geven aan op welke foto’s het dag is en op welke foto’s nacht: ze tekenen een zon op hun wisbordje (dag) of een maan (nacht).

Bespreek:

• Op welke foto is het dag?

• Op welke foto is het nacht?

• Waar is het licht?

• Waar is het donker?

• Zie je de zon, de maan, de sterren?

Werk je in dit thema met het boek De gele ballon? Laat de leerlingen dan door het boek bladeren en aangeven op welke prenten het dag is en op welke prenten nacht.

Laat de leerlingen nog een keer de beweging van de aarde in een baan rond de zon uitbeelden, zoals ze deden in les 2. De aarde is een bol die ronddraait. De aarde draait om haar eigen as. Elke dag draait de aarde één keer helemaal rond. De aarde draait ook in een baan rond de zon. Elk jaar draait de aarde één keer rond de zon.

Lesdoel formuleren

Formuleer het lesdoel: In deze les leer je dat de aarde om haar as draait. Je ontdekt dat de dag en de nacht elkaar daardoor opvolgen. Je leert de zon, de maan en de sterren beter kennen. Op het einde van de les weet je ook waar de zon aan de hemel staat op verschillende momenten van de dag.

Vorm de lesdoelen op het bord en lees ze voor.

• Ik kan vertellen dat de aarde om haar as draait.

• Ik kan vertellen waarom het dag en nacht wordt.

• Ik kan vertellen waar de zon aan de hemel staat tijdens de dag.

In het kort

• Activeer de voorkennis over dag en nacht, licht en donker, de zon, de maan en de sterren.

• Formuleer het lesdoel.

De zon zorgt voor dag en nacht op de aarde Ga met de leerlingen rond de toontafel staan. De zaklamp is de zon. De wereldbol is de aarde.

• Waar ligt België?

• Waar is de Noordzee?

Laat een leerling de plekken aanduiden op de wereldbol. Markeer België met een fluosticker.

Verduister de klas. Een leerling speelt de zon en schijnt met de zaklamp op één kant van de aarde.

De zon staat aan de hemel. Het is een hemellichaam. De zon schijnt altijd. Ze schijnt op de aarde

• Valt het licht van de zon op de hele aarde?

(Nee, op één kant.)

• Wat zie je aan de kant waar het licht van de zon niet op valt? (Het is er donker.)

• Hoe komt het dat het daar donker is?

(Die kant ligt in de schaduw.)

• Toon met een zaklamp en de wereldbol hoe de zon voor dag en nacht zorgt op de aarde.

• Toon aan hoe de aarde om haar as draait en hoe de dag en de nacht elkaar zo opvolgen.

• Verduidelijk dat de zon, de maan en de sterren hemellichamen zijn. De zon en de sterren zijn lichtbronnen, de maan niet.

• Verduidelijk dat de zon een ster is.

• Toon aan op welke plaats de zon aan de hemel staat in de ochtend, de middag en de avond.

• De leerlingen maken oefeningen 1, 2, 3 en 4 in het werkschrift

Ter info

De zaklamp is kleiner dan de wereldbol. In werkelijkheid is de zon veel groter dan de aarde. Zorg ervoor dat daar geen verwarring over ontstaat.

De aarde maakt een draaiende beweging. De planeet draait om haar eigen as. Het is dag aan de kant van de aarde waar de zon op schijnt. Daar is het licht. Het is nacht aan de kant van de aarde waar de zon níét op schijnt. Daar is het donker. Die kant ligt in de schaduw

Leg hier de link met wat de leerlingen leerden in het thema wetenschap niet-levende natuur. Benoem de zon als een lichtbron. Weten de leerlingen nog of de zon een natuurlijke of een kunstmatige lichtbron is? Herhaal dat het licht van een lichtbron niet door een voorwerp kan gaan. Zo ontstaat schaduw. Het deel achter het voorwerp blijft dus donker.

De dag en de nacht volgen elkaar op

Draai de wereldbol traag om zijn as. Verwoord wat je doet. De aarde draait om haar eigen as. Zo volgen de dag en de nacht elkaar op. Breng de aandacht naar België en volg hoe het er eerst dag is en daarna nacht.

• Is het dag of nacht in België? Hoe zie je dat?

• En aan de andere kant van de wereld, in Australië?

Laat een aantal leerlingen een plek op de wereldbol aanduiden. Ze laten de aarde om haar as draaien, zodat het op die plek afwisselend dag en nacht wordt.

De zon, de maan en de sterren

Toon de foto’s van de hemel overdag en de hemel ’s nachts op het bord.

• Wat zie je als je overdag naar de hemel kijkt? (de zon)

• Wat zie je als je ’s nachts naar de hemel kijkt? (de maan, de sterren)

De zon, de maan en de sterren staan hoog aan de hemel. Het zijn hemellichamen. De zon en de sterren geven licht. De maan geeft geen licht.

Geef een leerling de pingpongbal. Dat is de maan. De leerling houdt de maan achter de aarde, zodat de zon, de aarde en de maan op één lijn liggen. Verduister de klas opnieuw. Laat de zaklamp (de zon) op de aarde schijnen. Toon aan dat het licht van de zon op de pingpongbal valt.

• Hoe komt het dat wij de maan zien? (Het zonlicht schijnt op de maan.)

Tip

Door de zwaartekracht van de maan ontstaat op de aarde eb en vloed. Wil je daar meer over weten of lezen?

https://www.eoswetenschap.eu/ruimte/ kan-de-aarde-zonder-de-maan

• Wanneer zie je de volle maan? (Als de maan niet verstopt zit achter de aarde.)

• Geeft de maan zélf licht? (Nee. Dat lijkt zo, maar eigenlijk valt het licht van de zon op de maan.)

Laat de pingpongbal telkens op verschillende plekken houden, zodat de leerlingen zien dat de maan soms helemaal zichtbaar is, en soms maar voor een deel. De maan verandert dus niet van vorm, maar wij zien telkens een ander stukje.

Leg opnieuw de link met wat de leerlingen leerden in het thema wetenschap niet-levende natuur. Benoem de zon en de sterren als natuurlijke lichtbronnen. De maan is géén lichtbron. De maan lijkt licht te geven, maar dat is het zonlicht dat op de maan valt.

De zon is een ster

Geef verschillende leerlingen een zaklamp. Eén zaklamp is de zon. De andere zaklampen zijn sterren. Positioneer ‘de zon’ dichter bij de aarde en ‘de sterren’ zo ver mogelijk weg van de aarde.

Laat eerst de zon schijnen. De zon is de ster die het dichtst bij de aarde staat. Daarom is het licht heel fel. Het is dag.

Laat dan de andere sterren schijnen. Ze staan heel ver weg. Daarom zie je hun licht minder fel. Het is nacht.

Leg uit: Alle zaklampen stellen sterren voor. Ja hoor, de zon is óók een ster. Maar de zon staat veel dichter bij de aarde dan de andere sterren. Daarom lijkt ze groot en fel. De andere sterren staan heel ver weg. Daarom lijken ze klein en minder fel.

Stel nog een aantal verdiepende, uitdagende vragen:

• Stel dat het erg bewolkt is. Is de zon dan verdwenen? (Nee, we kunnen ze gewoon niet zien, ze zit achter de wolken.)

• Gaat de zon weg als het nacht is? (Nee, de zon blijft op haar plaats staan. De aarde draait rond, daardoor wordt het dag en nacht.)

• Zijn er overdag ook sterren, denk je? (Ja, maar we zien ze niet door het felle zonlicht.)

• Wat zou er gebeuren als de aarde niet meer draait?

Gebruik de gratis desktopversie Google Earth Pro om met de leerlingen na te gaan waar het op de aarde dag en nacht is. Draai de wereldbol om te zien waar het nu nacht is. Gebruik de schuifregelaar om te kijken waar het dag is wanneer het in België nacht is. Laat de leerlingen inzien dat mensen op de aarde op hetzelfde moment andere dingen doen: ergens op aarde slapen ze, terwijl ze ergens anders net wakker worden, terwijl ze nog ergens anders naar school gaan of gaan werken.

Oefening 1

Laat de leerlingen verwoorden hoe het dag en nacht wordt op de aarde. Herhaal daarbij begrippen als de beweging, de as, draaien, de dag, de nacht, licht, donker, de schaduw.

• Wat kun je nog meer doen tijdens de dag?

• Wat kun je nog meer doen tijdens de nacht?

• Welk hemellichaam zie je tijdens de dag?

• Welke hemellichamen zie je tijdens de nacht?

Oefening 2

Lees de uitspraken voor. Overleg samen of de uitspraken kloppen of niet.

Oefening 3

De leerlingen tekenen eerst de zon. Zorg ervoor dat ze de zon in de juiste verhouding tekenen: benadruk dat de zon veel groter is dan de aarde.

Dan tekenen de leerlingen de bewegingen van de aarde. Herinner hen aan de voorstelling in de klas met de zaklamp en de wereldbol. Laat ze eventueel nog een keer met hun eigen lichaam uitbeelden hoe de aarde rond haar eigen as én om de zon heen draait.

Oefening 4

Laat de leerlingen opnieuw verwoorden:

• In de ochtend staat de zon laag aan de hemel. De zon komt op in het oosten.

• In de middag staat de zon hoog aan de hemel. De zon staat dan in het zuiden.

• In de avond staat de zon laag aan de hemel. De zon gaat onder in het westen.

a b c de avond de ochtend de middag 18 thema 5 – les 7: de dag en de nacht de dag en de nacht

hoort het bij de dag of de nacht? kleur de zon of de maan.

wat weet jij nog over de zon, de maan en de sterren? omcirkel waar of niet waar.

de maan geeft licht. waar niet waar de zon, de maan en de sterren zijn hemellichamen. waar niet waar de zon is een ster. waar niet waar de zon staat verder weg van de aarde dan de sterren. waar niet waar de aarde draait om haar eigen as. waar niet waar

teken de zon en de beweging van de aarde. teken de zon. de aarde draait om haar eigen as. teken met een blauwe pijl. de aarde draait rond de zon. teken met een gele pijl.

waar op de prent is het ochtend, middag en avond? trek een lijn.

De ochtend, de middag, de avond

Activeer de voorkennis rond de begrippen de ochtend, de middag en de avond

• Het begin van de dag noem je de ochtend. Wat doe jij dan? (opstaan, ontbijten, naar school gaan)

• Het midden van de dag noem je de middag. Wat doe jij dan? (leren en spelen op school, middagmaal eten, naar je hobby gaan)

• Het einde van de dag noem je de avond. Wat doe jij dan? (ontspannen, avondmaal eten, naar bed gaan)

Ga nog een laatste keer rond de wereldbol staan. Toon met de zaklamp het verschil tussen de ochtend-, de middag- en de avondzon.

• Schijn met de zaklamp laag vanaf de linkerkant naar België. De zon komt op in het oosten. De zon staat laag aan de hemel. Dat is de ochtendzon.

• Schijn met de zaklamp recht naar België. De zon staat in het zuiden. De zon staat hoog aan de hemel. Dat is de middagzon.

• Schijn met de zaklamp laag vanaf de rechterkant naar België. De zon gaat onder in het westen. De zon staat laag aan de hemel. Dat is de avondzon.

Toon de afbeelding op het bord. Link eerst met de leerlingen de begrippen de ochtend, de middag en de avond aan de afbeelding. Verduidelijk nog een keer dat de zon op de middag hoog aan de hemel staat en in de ochtend en de avond lager. De leerlingen linken vervolgens ook de foto’s aan de afbeelding.

Leg opnieuw de link met wat de leerlingen leerden in het thema wetenschap niet-levende natuur. Daarin experimenteerden de leerlingen met hun schaduw: ze probeerden hun eigen schaduw groter of kleiner te maken. Doe het experiment opnieuw: een leerling gaat op een stoel staan en schijnt loodrecht met een zaklamp van boven op een voorwerp (het is middag). De schaduw is nu kort. Daarna schijnt de leerling met de zaklamp vanuit een schuine hoek (het is ochtend of avond). De schaduw is nu langer.

Verwerking in het werkschrift

Controleer doorlopend of de leerlingen de lesinhoud goed hebben begrepen. Ze gaan daarna aan de slag met oefeningen 1, 2, 3 en 4 in het werkschrift

Samenvatting voor de leerling Overloop de samenvatting met de leerlingen.

Bij deze samenvatting hoort ook een kennisclip. Zet die in om de lesinhoud verder te verankeren.

Samenvatting voor de leerling: les 7 de dag en de nacht onthoud de dag de nacht

onthoud

Samenvatting voor de leerling: les 7 de dag en de nacht

Wereldwijzer 1 – Thema 5 – Les 7 © Uitgeverij VAN IN
licht donker de zon de maan de sterren
Wereldwijzer 1 – Thema 5 – Les 7 © Uitgeverij VAN IN
de ochtend de middag de avond

Reflectie

Houd een korte reflectie.

• Wat heb je vandaag geleerd?

• Wat wist je al?

• Wat was nieuw?

• Wat vond je bijzonder?

• Waar zou je nog meer over willen leren?

Terugkoppeling naar de lesdoelen en de leerroute

Koppel terug naar de lesdoelen. Koppel ook kort terug naar de startvraag: Waarom is onze aarde zo bijzonder? Welk antwoord kunnen de leerlingen na deze les geven? Bekijk de leerroute en blik vooruit naar de volgende les.

• Houd een korte reflectie.

• Koppel terug naar het lesdoel en de leerroute. Blik vooruit.

50'

LES 8 Zorg dragen voor de aarde

Domein: Aardrijkskunde Subdomein: Aardrijkskundig denken – Actiecompetentie Les 8 van 9

Lesdoelen

De leerlingen:

• herkennen dat de aarde geschikt is voor mensen, dieren en planten omdat er lucht, water en land is;*

• kunnen vanuit kennis over specifieke duurzaamheidskwesties duurzame keuzes in de leefomgeving illustreren.*

*Net zoals in de leerplannen wordt er hier geen minimumdoel aan de doelstellingen gekoppeld.

Voorbereiding

• Je hebt voor elke groep één pagina van kopieerblad 1 nodig.

• Je hebt voor elke leerling een reeks foto’s van kopieerblad 2 nodig.

Materiaal

• werkschrift p. 20 en 21

• kopieerblad 1 en 2

• samenvatting voor de leerling

Woordenschat

• de aarde

• het water

• de lucht

• het land

• de landbouw

• de vruchtbare grond

• de akker

• het gewas

• de weide

Achtergrondinformatie

Wat is nieuw?

In deze les keren de leerlingen terug naar de vraag Waarom is onze aarde zo bijzonder? Ze ontdekken dat de planeet aarde bijzonder is omdat er water, lucht en land is. Dat zorgt ervoor dat er leven mogelijk is: mensen, dieren en planten hebben water, lucht en land nodig om te kunnen leven. De leerlingen maken ook kennis met het begrip ‘de landbouw’. Door het land te bewerken en voor dieren te zorgen, zorgt de mens voor voeding.

Daarna denken de leerlingen na over hoe ze goed voor de aarde kunnen zorgen. Zo leren ze wat ze zelf kunnen doen om de aarde gezond te houden.

Transferdoel taal

De leerlingen:

• kunnen aangeboden school-, instructie- en vaktaal hanteren (MD KO 1.4.2).

Leg foto’s op de thematafel die te maken hebben met de landbouw: een boer die een akker bewerkt, gewassen die groeien, vee dat staat te grazen in de weide. Leg de werkschriften van thema 1 en thema 3 open op de pagina’s van de lessen actua, waarin de leerlingen werkten rond zorgdragen voor de natuur.

Thematafel

Voorkennis activeren

Bekijk de ontdekplaat met de leerlingen. Bespreek welke vormen van leven je ziet.

• planten (loofboom, naaldboom, struik, planten met bloemen …)

• dieren (schaap, vos, vogels, insecten …)

• mensen

Denk terug aan de startvraag van het thema: Waarom is onze aarde zo bijzonder?

De aarde is een bijzondere plek. Op de planeet aarde leven planten, dieren en mensen. De aarde is voor hen een perfecte ‘thuis’, omdat er op de aarde water, lucht en land is.

• Waarvoor hebben planten, dieren en mensen water nodig? (om te drinken, om te groeien, vissen leven in het water)

• Waarvoor hebben planten, dieren en mensen lucht nodig? (om te ademen, ook planten hebben lucht nodig om te groeien en gezond te blijven)

• Waarvoor hebben planten, dieren en mensen land nodig? (om te wonen en te leven, in de vruchtbare grond groeien planten en voeding)

Werk je in dit thema met het boek De gele ballon? Gebruik dan de prenten van het boek om daar nog verder op in te gaan. De leerlingen bekijken hoe planten, dieren en mensen groeien en leven. Ze zoeken voorbeelden die tonen waarom planten, dieren en mensen water, lucht en land nodig hebben: kamelen drinken van een vijver, planten groeien rond de vijver en niet in de hete woestijn, de boer werkt op de akker

Lesdoel formuleren

Formuleer het lesdoel: In deze les kijk je nog eens goed naar onze bijzondere aarde. Je leert dat er op de aarde water, lucht en land is. Daardoor kunnen er planten groeien en dieren en mensen leven. Je leert de landbouw kennen: mensen laten planten groeien en verzorgen dieren. Zo zorgt de mens voor voeding.

Tot slot leer je nog iets heel belangrijks: hoe jij zelf zorg kunt dragen voor onze bijzondere aarde.

Vorm de lesdoelen op het bord en lees ze voor.

• Ik kan vertellen dat er op de aarde water, lucht en land is, waardoor planten, dieren en mensen er kunnen leven.

• Ik kan vertellen wat de landbouw is.

• Ik kan vertellen wat ik kan doen om de aarde gezond te houden.

In het kort

• Activeer de voorkennis over het leven op aarde. Planten, dieren en mensen hebben water, lucht en land nodig om te kunnen leven.

• Formuleer het lesdoel.

Leven op onze bijzondere aarde

Toon de leerlingen een aantal bijzondere plekken op de aarde in verschillende landen en werelddelen. Laat ze zo inzien hoe prachtig en divers de aarde wel is. Je kunt ook foto’s tonen van je eigen gemeente. Bespreek.

• Wat zie je allemaal in het landschap? (planten, zand, zee, gebouw, weg …)

• Zie je bergen of heuvels?

• Is hier veel of weinig water?

• Is het hier warm of koud?

• Is de grond hier vruchtbaar?

• Kunnen mensen, dieren en planten hier makkelijk leven, denk je? Waarom wel/niet?

• Toon de leerlingen een paar bijzondere plekken op de aarde en bespreek hoe prachtig en divers de aarde is. Bespreek de landschappen.

• Bespreek hoe de mens aan landbouw doet. Zo zorgt hij voor voeding voor mens en dier.

• De leerlingen maken oefeningen 1 en 2 in het werkschrift

• De leerlingen denken aan de hand van de foto’s van kopieerblad 1 na hoe ze zelf zorg kunnen dragen voor onze bijzondere aarde.

• De leerlingen maken oefening 3 in het werkschrift

De aarde is heel bijzonder. In verschillende landen en werelddelen kom je heel andere landschappen tegen. Sommige plekken op de aarde zijn warm en droog. Andere plekken zijn heel koud. Op andere plekken is er veel water. Soms is de grond vruchtbaar en soms helemaal niet. Al die verschillen maakt de aarde heel bijzonder.

Om te leven op aarde is landbouw nodig

Herhaal nog een keer waarom planten, dieren en mensen op de planeet aarde kunnen leven. Op de planeet aarde is er water, lucht en land. Dat hebben planten, dieren en mensen om te kunnen leven en groeien.

Om genoeg voeding te maken voor alle mensen en dieren op de aarde, doet de mens op de boerderij aan landbouw

• De boer werkt op het land: hij laat planten groeien. Die planten of de vruchten van de planten kunnen mensen en dieren eten.

• De mens zorgt ook voor dieren op het land. Het vlees van die dieren kunnen mensen en sommige dieren eten.

Leg hier de link naar wat de leerlingen leerden in de lessen levende natuur over de voeding van mensen en dieren. Dieren en mensen eten planten en vlees. Herinner de leerlingen aan de begrippen ‘de planteneter, de vleeseter, de alleseter’ en aan de voedselketens die ze leerden maken. Leg ook de link met de les waarin de leerlingen zelf een zaadje hebben geplant.

Toon verschillende foto’s rond landbouw. Bespreek klassikaal. Breng daarbij de volgende begrippen aan:

• de akker: een stuk land waar mensen planten zaaien en laten groeien (bv. maïsplanten, tarwe, aardappelplanten).

• het gewas: de plant die op de akker groeit (bv. maïs, graan, aardappels).

• de vruchtbare grond: om planten te laten groeien, moet de grond vruchtbaar zijn; dat betekent dat er voldoende water en voeding in de grond zit, zodat de planten gezond kunnen blijven.

• de weide: een stuk grasland waar dieren (bv. koeien, schapen) kunnen lopen en eten.

Werk je in dit thema met het boek De gele ballon? Laat de leerlingen in het boek zoeken naar prenten waarop de mens aan landbouw doet en bespreek.

Oefening 1

Lees voor:

De planeet aarde is heel bijzonder. Er leven planten, dieren en mensen. Die hebben drie dingen nodig om te kunnen leven en groeien.

Schrijf het juiste nummer bij de juiste foto.

1 Dit hebben mensen en dieren nodig om te ademen en planten om te groeien.

2 Dit hebben mensen en dieren nodig om van te drinken en planten om te kunnen groeien.

3 Dit hebben mensen en dieren nodig om op te leven en planten om voeding uit te halen om te groeien.

Oefening 2

Lees de begrippen voor. Laat de leerlingen nog een keer verwoorden wat de begrippen betekenen.

Oefening 3

Hoe kun jij zorg dragen voor de aarde? Lees de tips voor. De leerlingen plakken de afbeeldingen van kopieerblad 2 bij de juiste tip.

hoe kun jij zorg dragen voor de aarde? plak de afbeeldingen bij de juiste tip.
ik sorteer afval.
ik doe het licht uit.
ik doe de kraan dicht.
ik zorg voor dieren.
ik ga vaak te voet.
ik probeer geen voeding weg te gooien.
20 thema 5 – les 8: zorg dragen voor de aarde
zorg dragen voor de aarde
waarom is onze aarde zo bijzonder? luister goed. schrijf het juiste nummer op.
wat weet je nog over de landbouw? trek lijnen naar het juiste woord.

Verwerking in het werkschrift

Controleer doorlopend of de leerlingen de lesinhoud goed hebben begrepen. Ze gaan daarna aan de slag met oefeningen 1 en 2 in het werkschrift

Zorg dragen voor onze bijzondere aarde

De aarde is een bijzondere plek. Daar heb je in het thema ‘Wat een wereld’ in elke les ontdekt. Het is belangrijk dat wij, mensen, zorg dragen voor onze bijzondere aarde. Zo houden we de aarde gezond.

Brainstorm met de leerlingen over wat je kunt doen om de aarde gezond te houden. Voorbeelden:

• geen afval in de natuur gooien

• minder met de auto rijden

• geen water verspillen

• geen energie verspillen (bv. het licht uitdoen)

• geen voeding verspillen

• goed voor dieren zorgen

Verdeel de klas in groepen. Geef elke groep een pagina van kopieerblad 1. Ze bekijken de foto’s en bespreken wat goed en wat niet goed is voor de aarde. Ze tekenen een blij gezicht of een sip gezicht bij de foto’s.

Ze denken samen na hoe ze aan de hand van de foto’s kunnen vertellen hoe je zorg kunt dragen voor de aarde. Laat daarna alle groepen een korte presentatie geven.

Verwerking in het werkschrift

Laat de leerlingen daarna aan de slag gaan met oefening 3 in het werkschrift

Samenvatting voor de leerling

De leerlingen gaan in de bordles aan de slag met de woordparaplu.

Samenvatting voor de leerling: les 8

onthoud

het water de lucht het land

het leven op de aarde de landbouw

de akker de weide

het gewas de koeien de schapen

Wereldwijzer 1 – Thema 5 – Les 8
© Uitgeverij VAN IN

Wat een wereld bijna afgerond is. In de volgende les keren jullie terug naar het schema ‘Bekend, benieuwd, bewaard’ en geven jullie samen een antwoord op de startvraag. Afronding

Reflectie

Houd een korte reflectie.

• Wat kun je op school doen om zorg te dragen voor de aarde?

• Wat kun je thuis doen?

• Wat ga je vragen aan je huisgenoten om anders te doen?

Terugkoppeling naar de lesdoelen en de leerroute

Koppel terug naar de lesdoelen en naar de leerroute.

Bekijk met de leerlingen dat het thema

• Houd een korte reflectie.

• Koppel terug naar het lesdoel en de leerroute. Blik vooruit naar de laatste les van het thema.

25'

LES

9 Waarom is onze aarde zo bijzonder?

Domein: Attitudes Subdomein: Leren leren Les 9 van 9

Leercompetenties

De leerlingen:

• kunnen informatie ordenen en onthouden door kernwoorden en begrippen te groeperen en in een boomschema (woordparaplu) te plaatsen (MD 9.2.2);

• kunnen reflecteren op wat ze hebben geleerd en dit verwoorden met kernwoorden (MD 9.2.2).

Transferdoel

De leerlingen:

• kunnen kernwoorden en begrippen structureren in schema’s en groepen, om informatie te onthouden en te ordenen (MD 1.2.9).

Voorbereiding

• Print per vier à vijf leerlingen een set begrippenkaartjes.

• Print voor elke groep één of twee lege woordparaplu’s van kopieerblad 1 (eventueel op groot formaat).

Materiaal

• werkschrift p. 22 en 23

• kopieerblad 1

Woordenschat

De natuur in

het landschap

• het land

• het water

• de lucht

• de grond

• de rots

• het zand

• de rivier

• de zee

• de oceaan

• de berg

• de heuvel

• de vallei

• het strand

• het bos

De mens in het landschap

• de stad

• het dorp

• het huis

• het appartement

• de boerderij

• de fabriek

• de winkel

• de markt

• het park

• de bank

• de bus

• de tram

• de trein

• de weg

• het spoor

Het weer

• de temperatuur

• de neerslag

• de bewolking

• de wind

• de regen

• de hagel

• de sneeuw

• de hagel

• de mist

• warm, koud

• nat, droog

De seizoenen

• de winter

• de lente

• de zomer

• de herfst

• de bladeren

• de bloemen

• de kledij

• de jas

• de handschoenen

Terugblik op de startles

Keer terug naar de bordles van les 1. Toon de startvraag op het bord en lees ze voor: Waarom is onze aarde zo bijzonder? Toon het schema ‘Bekend, benieuwd, bewaard’ waarin je in de startles kernwoorden invulde.

Kijk nog een keer kort naar de rubrieken ‘Bekend’ en ‘Benieuwd’ van het schema.

• Wat hebben we bij ‘Bekend’ geschreven?

• Wat hebben we bij ‘Benieuwd’ geschreven?

Tijdens deze les kijk je terug op het thema ‘Wat een wereld’. Je herhaalt wat je hebt geleerd. We noteren wat we moeten onthouden in de derde kolom ‘Bewaard’.

Lesdoel formuleren

Formuleer het lesdoel: Ik kan woorden schikken in een boomschema (woordparaplu).

Kern

Sorteren en benoemen

Verdeel de klas in groepen van vier tot vijf leerlingen. Elke groep krijgt een set begrippenkaartjes. Geef elke groep een van de twee woordparaplu’s van kopieerblad 1

Ze zoeken begrippenkaartjes die bij de categorieën van de woordparaplu horen:

• woordparaplu het landschap: de natuur in het landschap, de mens in het landschap;

• woordparaplu het weer tijdens het jaar: het weer, de seizoenen.

Groepen die sneller klaar zijn, kunnen ook met een tweede woordparaplu aan de slag.

Stel reflectievragen:

• Waarom horen deze kaartjes samen?

• Hoe weet je dat dit in een bepaalde groep hoort?

In het kort

• Lees de startvraag opnieuw.

• Blik terug op de rubrieken ‘Bekend’ en ‘Benieuwd’.

• Benoem dat jullie in deze les de rubriek ‘Bewaard’ aanvullen.

• Verdeel de klas in groepen van vier tot vijf leerlingen. De leerlingen zoeken gepaste begrippenkaartjes bij de categorieën van de woordparaplu van kopieerblad 1

• Vergelijk klassikaal met de samenvatting in het werkschrift

Tip

Je kunt de woorden van de begrippenkaartjes knippen. Leerlingen die al wat meer uitdaging kunnen gebruiken op het vlak van schrijven, kunnen de woorden zelf noteren.

• Kun je nog een voorbeeld bedenken dat ook in deze groep past?

samenvatting bij les 9

Samenvatting

Toon de woordparaplu’s en vertel: In deze woordparaplu’s komen de belangrijkste woorden van dit thema samen. Zo onthouden we wat we samen geleerd hebben.

Bespreek aan de hand van gerichte vragen:

Het landschap

• Wat zie je in een landschap dat bij de natuur hoort?

• Wat zie je in een landschap dat door de mens is gemaakt?

• Welke landschappen ken je al? Hoe noem je die landschappen?

• Welke elementen ken jij nog meer in landschappen?

Werk je in dit thema met het boek De gele ballon? Dan kun je de leerlingen aan de hand van de prenten nog meer landschapselementen laten benoemen.

Het weer tijdens het jaar

• Hoe weet je wat voor weer het is?

• Kun je uitleggen wat temperatuur/neerslag/ bewolking/wind is?

• Hoe verandert het weer met de seizoenen?

• Hoe verandert de natuur met de seizoenen?

• Wat verandert er in het landschap met de seizoenen?

• Hoe passen mensen zich aan het weer en de seizoenen aan?

thema 5 – samenvatting bij les 9 23
het weer de seizoenen
de temperatuur de winter de regen de bladeren
de neerslag de lente de hagel de bloemen
de bewolking de zomer de sneeuw de jas
de wind de herfst bewolkt de handschoenen het weer tijdens het jaar
22 thema 5 – samenvatting bij les 9
de natuur de mens
het land de boerderij de rivier de bus
het water de fabriek de zee de tram
de lucht de winkel de oceaan de trein
de grond de markt de berg de weg
de rots de bank de heuvel het spoor het landschap

Samenvatting in het werkschrift

Bespreek dan klassikaal de samenvatting in het werkschrift. Vergelijk met de woordparaplu’s van de leerlingen.

Afronding

De rubriek ‘Bewaard’

Keer terug naar het schema ‘Bekend, benieuwd, bewaard’ van les 1. Wat willen we niet vergeten? Wat moet je onthouden? Vul de rubriek ‘Bewaard’ aan met kernwoorden.

Startvraag beantwoorden

Lees tot slot de startvraag nog een keer: Waarom is onze aarde zo bijzonder? Laat de leerlingen in duo’s nadenken over een antwoord. Ze formuleren hun antwoord in een zin: ‘Onze aarde is bijzonder omdat …’

Bespreek klassikaal en noteer enkele zinnen op het bord. Voorbeelden:

• Onze aarde is bijzonder omdat ze ronddraait.

• Onze aarde is bijzonder omdat er verschillende landschappen zijn.

• Onze aarde is bijzonder omdat de zon kan schijnen en het kan regenen.

• Onze aarde is bijzonder omdat de natuur verandert met de seizoenen.

• Onze aarde is bijzonder omdat het dag en nacht wordt.

• Onze aarde is bijzonder omdat er planten, dieren en mensen leven.

Sluit het thema af: We hebben samen heel wat geleerd over onze bijzondere aarde. Laten we samen goed zorg dragen voor onze aarde, dan kunnen we nog veel meer ontdekken. Wauw, op wat een wereld leven wij!

• Bespreek de rubriek ‘Bewaard’ en vul aan.

• Stel de startvraag nog een keer en kom samen tot een antwoord.

1 Op een wereldbol water, land, de Noordpool, de Zuidpool en België kunnen aanduiden

Lees opgave a en b voor en verduidelijk waar nodig. Laat de leerlingen met een lat werken om te verbinden.

2 Verschillende landschappen herkennen en daarbij weten wat te maken heeft met wonen, werken, ontspannen en het verkeer

Lees opgave a, b en c voor en verduidelijk waar nodig.

3 Weersverschijnselen benoemen en neerslagvormen herkennen

Lees opgave a voor en verduidelijk waar nodig. Laat de leerlingen met een lat werken om te verbinden.

4 De seizoenen herkennen en benoemen

Lees opgave a en b voor en verduidelijk waar nodig.

5 Dag en nacht herkennen en de plaats van de zon doorheen de dag

Lees opgave a voor en verduidelijk waar nodig. Laat de leerlingen met een lat werken om te verbinden.

6 Kenmerken van de landbouw herkennen

Lees opgave a voor en verduidelijk waar nodig.

goed antwoord

16/20

1 punt 4/5

1 punt 2/3

1 punt 3/4

1 punt 3/3

1 punt 3/3

1 punt 1/2

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook