Skip to main content

Traject Nederlands 2 deel 1

Page 1

BOEK

TRAJECT Nederlands 2

ERK EERW

VA N

IN

L

Š

Vicky Aerts Stijn Buysschaert Leen Lammertijn Tom Rambaut Ria Van der Mueren

Ontdek het onlineleerplatform: diddit! Vooraan in dit boek vind je de toegangscode, zodat je volop kunt oefenen op je tablet of computer. Activeer snel je account op www.diddit.be en maak er een geweldig schooljaar van!

ISBN 978-90-306-8745-0

580701

9 789030 687450

vanin.be


BOEK

ERK EERW

©

VA N

IN

L

Vicky Aerts Stijn Buysschaert Leen Lammertijn Tom Rambaut Ria Van der Mueren


deel 1

©

VA N

IN

Snoepen

1 Wat zie je? Beschrijf de situatie.

2 Wat is het kind van plan volgens jou? 3 Waar heb jij al eens stiekem van gesnoept? 4 Wat lust jij helemaal niet? 5 Je hoort weleens: ‘Dat is om van te snoepen!’ Waar kun jij echt van genieten? 6 Vanuit welk perspectief is dit beeld genomen? Waarom zou de fotograaf daarvoor gekozen hebben? 7 Is het volgens jou belangrijk dat je het gezicht van de persoon ziet of dat je de persoon helemaal ziet? Waarom wel/niet?

9


Snoepen Karen Dierickx

1

5

10

25

30

35

©

20

VA N

IN

15

Om de bitterheid van het leven wat zoeter te maken. Daarvoor doen ze het, Manou en haar grootmoe, rondtrekken met het leger om de soldaten van koek en andere zoetigheid te voorzien. ‘Die arme kerels hebben dat nodig’, zegt grootmoe steeds. En ze heeft gelijk. Kijk maar in hun ogen als ze haar lekkernijen in hun mond stoppen. Dat kleine geluk. Alleen al het vooruitzicht daarop doet hen alle ongemakken onderweg verdragen. Dat ze heen en weer schudden en op en neer springen bij elk kuiltje of steentje in de weg. Dat grootmoe al hotsend en botsend deeg en beslag moet maken achterin de kar, terwijl Manou ment. Zodra ze bivak houden, glijdt dat allemaal van hen af en beginnen ze eraan. Tijd verspillen? Niks voor hen! Manou legt het vuur aan; grootmoe installeert zich met haar gietijzeren kookstel en bakplaten. Terwijl zij bakt, loopt Manou langs de mannen, die hun tent aan het opzetten zijn. ‘Stop vanavond de hemel in je mond! Gekonfijte appels en kandijkoek!’ ‘Gemberbiscuits, amandelgebak en anijsbollen zoals alleen grootmoe die maakt!’ ‘Deze avond ligt het paradijs op je tong met onze karamellen, babelutten en nougat!’ Geen dag slaan ze over. ‘Liever regen, wind en kou dan één avond zonder Zoete Jeanne en haar al even zoete kleindochter Manou!’ Maar vandaag moeten ze het misschien toch eens zonder hen stellen. Het is grootmoe. Normaal springt ze de kar uit zodra ze halt houden, maar nu niet. ‘Grootmoe’, roept Manou terwijl ze de ezel uitspant. ‘We zijn er.’ Geen reactie. ‘Grootmoe’, roept ze weer. ‘We zijn er.’ Weer niks. Er zit een hand rond haar hart als Manou zich naar de kar omdraait. ‘Grootmoe?’ Ook rond haar keel zit nu zo’n hand. Er komt haar alleen stilte tegemoet. Ze hoort geen potten rammelen, geen zakken verschuiven, geen ik kom. Haar hand trilt als ze de huif openslaat. Dan ziet ze haar. Grootmoe zit onderuitgezakt – nee, ze hangt op de zakken meel, tussen de bokalen met honing en stroop, kruiden en specerijen. Ook haar mond hangt; haar ogen kijken wezenloos voor zich uit in haar plots grijsgrauwe gezicht. ‘Grootmoe?’ Ze reageert niet. Ze probeert het wel, denkt Manou, maar het zijn enkel spuugbelletjes die over haar lippen komen. En haar ogen lijken haar niet te herkennen. Manou kan er niets aan doen, ze deinst achteruit. Dit beeld van grootmoe is zowat het gruwelijkste wat ze al heeft gezien. Een etterende wonde, een been waar het koudvuur in woekert, de verse stomp van een afgerukte arm, zelfs een oogbol die uit zijn kas hangt, doen haar lang niet zoveel als dit. Ze springt uit de kar en zet het op een lopen. De mannen roepen haar van alles toe als ze tussen de tenten loopt, maar ze negeert hen. Het is Aimée die ze moet hebben. Aimée met haar kruik jenever op haar heup en haar schoonste glimlach op haar lippen. Aimée

woord

het beslag: mengsel van meel, melk … mennen: trek- en rijdieren met de teugels besturen het bivak: plaats waar militairen, bergbeklimmers … onder de blote hemel of in tenten overnachten gekonfijt: ingelegd in suiker of een andere stof die voedingsmiddelen goed bewaart uitspannen: losmaken de huif: linnen doek die als overdekking over hoepels is gespannen de specerij: deel van een plant dat smaak en geur geeft aan eten wezenloos: zonder gevoel, verstand of uitdrukking achteruitdeinzen: van schrik een ontwijkende beweging naar achteren maken het koudvuur: gangreen: het afsterven van weefsel

10

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


55

60

65

70

75

IN

50

VA N

45

die op elke vraag een antwoord weet en voor elk probleem een oplossing. Ze zijn met veel, zoetelaarsters die de troep volgen, maar niemand is zo bijdehand als Aimée. En ze is haar vriendin. Zij zal haar helpen. Aimée aarzelt niet. Ze rennen door het kamp, letten niet op de mannen, denken maar aan één ding. ‘Dat ziet er niet best uit’, zegt Aimée als ze grootmoe ziet. Aan haar toestand is niks veranderd. Maar Aimée maakt het haar wat gerieflijker, zodat ze daar niet meer zo hangt als een uitgewrongen theedoek. Manou staat erop te kijken. Ze weet niet wat te doen, wat te zeggen. ‘Meer kunnen we voorlopig niet doen’, zegt Aimée als ze uit de kar klimmen. Manou ziet dat er al mannen naar hen toekomen. ‘Waar is Zoete Jeanne?’ roepen ze van ver. ‘Waarom is ze nog niet aan het bakken?’ Het is Aimée die het uitlegt; Manou kan dat niet. Ze kan hen ook amper aankijken als doordringt wat er is gebeurd. Eén van hen snelt weg om de chirurgijn te halen, de lieverd, maar de anderen staan daar met hun armen langs hun zij en hun ogen op de grond. Deze avond zal het leven net zo bitter smaken als het is. ‘Tenzij gij bakt.’ Manou verslikt zich bijna in haar eigen speeksel. ‘Ik?’ ‘Gij weet hoe het moet.’ ‘Dat weet ik niet! Het is grootmoe die …’ Er stijgt gemor op. Manou voelt hoe ze boos wordt, maar ze voelt ook een arm rond haar schouder. Aimée. ‘We vinden er wel iets op.’ En ze vinden inderdaad wat. Het rode boekje van grootmoe. Haar Zoete Bijbel. Al haar recepten in een kriebelig handschrift. Manou is niet zo sterk in lezen, maar met Aimée win je elke veldslag. Zij is het ook die beslist om madeliefkoekjes te maken. ‘Simpel beginnen.’ Manou zoekt de bloemen – daar hoeft ze niet veel moeite voor te doen, de wei rond hen staat er vol mee. Aimée verzamelt de overige ingrediënten. Al die tijd zit grootmoe daar, met vijverogen en een komma als mond. Manou kan moeilijk verlangen dat Aimée de hele avond bij haar blijft. ‘De mannen krijgen al geen zoets, wie ben ik om hen ook nog eens hun slok jenever te ontzeggen?’ Ze doet het dus alleen. Het is een opgewonden spanning waarmee ze de plakjes deeg met de madelieven erop op de hete bakplaat legt en er een handvol as over strooit, zoals ze het grootmoe weleens heeft zien doen. Dan is het wachten. Ze wacht net lang genoeg. Dan wrijft ze de as weg. Tussen het grijs en het zwart liggen goudbruine schijfjes die eruit zien zoals het moet. Zouden ze ook smaken zoals het hoort? Bij de eerste beet weet ze het al. Ook haar koekjes zijn lekker. Anders, maar even goed. Licht, knapperig, stevig en toch zacht. Heerlijk zoet. Dit is de hemel in haar mond. Het paradijs op haar tong. Troost in deze wereld. Ze denkt aan de soldaten. En aan grootmoe. Ze verkruimelt een koek en steekt de kruimels tussen de lippen van grootmoe. Haar lippen sluiten zich, ook haar ogen gaan toe. Maar op haar gezicht spreidt zich een uitdrukking van verrukking uit. ‘Om de bitterheid van het leven wat zoeter te maken’, zegt Manou en ze legt de hand van grootmoe tegen haar wang. Dan gebeurt het. Manou voelt hoe grootmoe in haar hand knijpt. Als om te zeggen: ik ben er. En Beluister het verhaal en maak kennis op dat moment weet ze dat alles goed komt. met de auteur Karen Dierickx.

©

40

woord

bijdehand: slim gerieflijk: comfortabel de chirurgijn: chirurg of dokter in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd het gemor: gemompel van ontevredenheid de verrukking: opgetogenheid, enthousiasme

11


les

Om van te snoepen …

1

interview beluisteren

communicatiemodel toepassen jezelf voorstellen

OVUR-strategie inzetten

1

reportage ter plaatse brengen

Snoeper of niet? Luister naar het interview met auteur Karen Dierickx.

IN

OPDRACHT 1

1 Welke gekke vragen moest de auteur beantwoorden? Kruis aan. Ben je eerder een zoetekauw of een gezondheidsfreak? Wat is je favoriete snoepgoed? Lust je ook drop? Snoep je ook weleens gezond? Waar heb je al eens stiekem van gesnoept? Waar ga je dit schooljaar echt van snoepen? Welk snoepgoed lust je niet? Welk snoepmoment wens je ons toe?

(vraag 1) (vraag 2) (vraag 3) (vraag 4) (vraag 5) (vraag 6) (vraag 7) (vraag 8)

VA N

{ { { { { { { {

©

2 Onderstreep bij 1 alle vraagwoordvragen.

3 Welke andere vraagsoort herken je bij 1? Waaraan herken je die?

4 Welke spreekdoelen had de auteur voor ogen bij dit interview? Leg uit. Kies uit: informeren – overtuigen – ontspannen – ontroeren – een mening geven – een instructie geven 5 Geef nu op drie vragen van het interview een persoonlijk antwoord. Vraag …: Vraag …: Vraag …:

12

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


Iets om van te snoepen … OPDRACHT 2

Laat je klasgenoten smullen van enkele weetjes over jezelf.

Stel jezelf op een creatieve manier voor in één minuut. Je werkt voor deze opdracht in groepen van vier. Maak deze (deel)opdrachten in groep: 1, 2a, 2b, 2d, 2f. Maak deze (deel)opdrachten individueel: 2c, 2e, 3, 4.

Oriënteren

o

v

u

r

1 Wat wordt er van jou verwacht? Vul voor deze situatie de vragen van het communicatiemodel in. Denk na over spreekdoel/doelgroep/ … zender

boodschap

ontvanger

bedoeling

kanaal

VA N

je klasgenoten

IN

monoloog: stem – taal

zodat ze je beter leren kennen.

Voorbereiden

o

v

2 Aan de slag!

u

effect Je klasgenoten kennen je een beetje beter.

r

a Welke antwoorden zouden jij en je klasgenoten geven op de vragen die aan de auteur gesteld werden? Kruip om de beurt in de huid van de reporter en stel een van die vragen aan een klasgenoot.

©

2

b Beantwoord deze vragen mondeling. • Welke overeenkomsten met een andere klasgenoot ontdekte je? • Door welk antwoord werd je verrast? • Over welke klasgenoot leerde je iets nieuws? c Maak van jouw antwoorden op de vragen uit het interview een vlotte tekst. Volg de stappen. Stap 1 Herlees je antwoorden op drie vragen van het interview (opdracht 1, 5). Bepaal wat je eerst wilt vertellen en wat daarna. Nummer de antwoorden. Stap 2 Werk in het schrijfkader aan het midden van je tekst. Bouw de antwoorden aan elkaar. Voeg zinnen toe waar nodig. Zorg voor logische overgangen. Maak gebruik van voegwoorden (en, omdat, daarom …). Stap 3 Schrijf een inleiding. Daarin vertel je waarover je het zult hebben. Probeer creatief uit de hoek te komen. Stap 4 Schrijf een slot. Daarmee rond je de tekst mooi af.

woord

individueel: afzonderlijk, persoonlijk in de huid kruipen van: zich inleven in, zich verplaatsen in

LES 1 Om van te snoepen …

13


Inleiding Mijn naam is Ik wil jullie iets meer vertellen over Midden: Noteer hier je persoonlijk antwoord op de drie vragen. De vraag zelf hoef je niet te noteren.

IN

VA N

Slot Ziezo, ik hoop dat

©

d Geef je tekst door aan een klasgenoot binnen je groepje. Vraag zijn mening: wat is goed, wat kan beter? Geef zelf ook je mening over een tekst van een klasgenoot. Je kunt daarvoor het reflectiekader bij OVUR gebruiken. Pas daarna je eigen tekst aan waar nodig. Noteer de aanpassingen in een andere kleur. Noteer de definitieve versie in het sjabloon dat je van de leraar krijgt. e Maak een spiekbriefje of een kleine, eenvoudige mindmap. Noteer enkele sleutelwoorden waarop je kunt terugvallen als je de draad kwijt bent. f Mini-voorstelling: stel jezelf voor aan je groepsgenoten. Luister naar hun feedback.

Uitvoeren

o

v

u

r

3 Stel jezelf voor aan de klas. Je mag je spiekbriefje of mindmapje als geheugensteun gebruiken.

Reflecteren

o

v

u

r

4 Vul het reflectiekader in voor jezelf en voor een klasgenoot. Kruis aan wat in orde is. De score gaat van 1 tot 4. • 1 staat voor onvoldoende of helemaal niet. • 2 betekent voldoende: je houdt voldoende rekening met het criterium. • Als je 3 aanduidt, betekent dat goed. • Een 4 staat voor zeer goed tot uitstekend.

14

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je tekst bevat een inleiding, midden en slot.

1234

1234

Je vertelt weetjes over jezelf in een logische volgorde.

1234

1234

Je hebt een goed spreektempo: niet te snel of te traag.

1234

1234

Je spreekt voldoende luid (goed volume).

1234

1234

Je spreekt Standaardnederlands.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf:

hoe Een spreekopdracht voorbereiden met de OVUR-strategie

VA N

IN

Om een opdracht tot een goed einde te brengen volg je de OVUR-strategie. g Wat moet je doen? Oriënteren Voorbereiden g Hoe pak je dat aan? Uitvoeren g Je voert de opdracht uit. Reflecteren g Je denkt na over je resultaat.

©

Bij het voorbereiden van een spreekopdracht houd je rekening met de vragen van het communicatieschema. • Wie is de zender? • Welke boodschap zul je brengen? Hoe pas jij je boodschap aan je publiek aan? (Wat is de boodschap? Waarover gaat de boodschap?) • Wie is de ontvanger? Voor welk publiek zul je iets brengen? • Wat is je bedoeling? Wat wil je bereiken? • Hoe wordt er gecommuniceerd? • In welke context (of situatie) wordt er gecommuniceerd? • Welk kanaal zul je gebruiken? • Welk effect wil je bereiken?

waarheen Je kunt: • • • •

een persoonlijk antwoord formuleren op een vraag; de OVUR-strategie toepassen bij een spreekopdracht; bij een spreekopdracht rekening houden met de vragen van het communicatiemodel; jezelf kort voorstellen.

LES 1 Om van te snoepen …

15


Reporter ter plaatse Kruip in de huid van een reporter ter plaatse en breng verslag uit over een nieuwtje. Vul waar nodig ook de stappen van de strategie in.

O

o

v

u

r

1 Wat is de taak van een reporter? 2 Welke omstandigheden kunnen de taak van een reporter ter plaatse moeilijker maken?

VA N

IN

3 Als reporter ter plaatse zul jij verslag uitbrengen over een gebeurtenis. Je krijgt van de leraar een kaartje met meer informatie over de gebeurtenis. Gebruik als voorbereiding vragen van het communicatiemodel: denk na over de zender, de ontvanger, de bedoeling en het effect, de boodschap en het kanaal. Noteer op een apart blad.

V

o

v

u

r

4 Zet de informatie over jouw gebeurtenis om in een vlotte, korte tekst. Stap 1 Herlees de informatie op het kaartje dat je van je leraar kreeg. Stap 2 Werk in het schrijfkader. Beschrijf de gebeurtenis in ongeveer vijf zinnen. Denk daarbij aan de w-vragen (wie, wat, waar, wanneer, waarom) en aan hoe.

©

Stap 3 Schrijf een inleiding. Vertel daarin kort waar je bent en waarom je daar bent. Stap 4 Schrijf een slot. Daarmee rondt de reporter zijn tekst af. Dikwijls vertelt hij dan ook zijn naam en daarna geeft hij het woord weer door aan iemand in de studio.

Inleiding

Dag beste              . Ik ben

,

jullie Ik bevind mij Midden Beschrijf de gebeurtenis in ongeveer vijf zinnen: wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe? Misschien heb je een van de vragen in de inleiding al vermeld. Dan hoef je dat hier niet meer te doen.

16

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


Slot Beste kijkers, dit was Ik wens jullie

IN

5 Er loopt wat mis in de studio. Bij het uitzenden van je reportage verschijnt de verkeerde achtergrond. Je zoekt uit welke achtergrond er getoond wordt. Je mag vijf ja-neevragen op je klasgenoten afvuren. Welke vragen zijn geschikt om snel een plaats te achterhalen? Formuleer drie goede ja-neevragen. Uiteraard mag je op het moment zelf beslissen welke vragen je zult stellen.

U

VA N

o

v

u

r

©

6 Tijd voor actie! Breng je klasgenoten op de hoogte van je nieuwtje en probeer daarna te raden welke foute achtergrond er bij jouw reportage getoond wordt.

R

o

v

u

r

7 Vul het reflectiekader in voor jezelf en voor één klasgenoot. Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je reportage bevat een inleiding, een midden en slot.

1234

1234

Je geeft in je reportage een antwoord op de w-vragen.

1234

1234

Je spreekt voldoende luid (volume).

1234

1234

Je spreekt Standaardnederlands.

1234

1234

Je hebt een goed spreektempo.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf:

LES 1 Om van te snoepen …

17


les

Hoe gezond snoep jij?

2

communicatiemodel gebruiken

leesstrategieën inzetten steekkaart invullen

hoofddoel en nevendoel bepalen

1

Frisdrank of water? OPDRACHT 1

Lees het artikel ‘Geen frisdrank meer op school’.

Geen frisdrank meer op school

IN

Scholen zullen geen snoep of frisdrank meer verkopen. Dat spraken de Vlaamse overheid en de scholen af met bedrijven van voeding. Die afspraak moet van scholen gezonde plaatsen maken. Nu staan in 65 % van de scholen automaten met frisdrank en snoep. Frisdrank en snoep bevatten te veel suiker en dat zet jongeren aan tot ongezond leven. Geleidelijk zullen de automaten in de scholen verdwijnen. In de plaats komen er automaten met fruit en rijstwafels.

VA N

Naar: Wablieft

1 Vul het communicatiemodel in. Werk per twee. zender

©

boodschap: wat

ontvanger

boodschap: waarover

bedoeling

hoe

context/situatie

kanaal

effect

2 Wat vind jij? Ben je voor of tegen frisdrank op school? Waarom? Noteer je eigen mening. Geef minstens twee argumenten. Gebruik volledige zinnen. Ik ben voorstander/tegenstander van frisdrank op school omdat Bovendien

18

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


3 Werk samen met een klasgenoot. Overtuig elkaar met goede argumenten. Vul voor deze situatie het communicatiemodel aan. zender

boodschap

ontvanger

bedoeling

kanaal

effect

hoofddoel:

nevendoel:

Was er ruis op de boodschap?    ja    nee Zo ja: wanneer was er ruis? Hoe kwam dat? Gaf je klasgenoot feedback?    ja    nee

Is de communicatie geslaagd?    ja    nee Wat kan een volgende keer beter?

Bekijk de teksten samen met een klasgenoot. Vul telkens het communicatiemodel aan.

VA N

OPDRACHT 2

IN

Zo ja: welke feedback kreeg je?

©

A

© Margreet de Heer

Wie is de zender van al die beeldplaatjes? Wat is de boodschap? Wat is de hoofdbedoeling van de zender (tekstdoel)? informeren – overtuigen – ontspannen – ontroeren – mening geven – instructie geven Wie is de ontvanger? Welk kanaal herken je? Wat is het effect?

LES 2 Hoe gezond snoep jij?

19


B

Wie is de zender? Wat is de boodschap? Wat is de hoofdbedoeling (tekstdoel)? • hoofddoel: informeren – overtuigen – ontspannen – ontroeren – mening geven – instructie geven • nevendoel: informeren – overtuigen – ontspannen – ontroeren – mening geven – instructie geven Wie is de ontvanger? Welk kanaal herken je? Wat is het effect?

C

Wie is de zender? Wat is de boodschap?

IN

Wat is de hoofdbedoeling (tekstdoel)?

VA N

• hoofddoel: informeren – overtuigen – ontspannen – ontroeren – mening geven – instructie geven • nevendoel: informeren – overtuigen – ontspannen – ontroeren – mening geven – instructie geven Wie is de ontvanger?

Welk kanaal herken je? Wat is het effect?

D

Wie is de zender?

ELKE WEEK

©

Wat is de boodschap?

ELKE DAG

ELKE ST TELT AP

ELKE 30 MIN. EVEN RECHTSTAAN

• hoofddoel: informeren – overtuigen – ontspannen – ontroeren – mening geven – instructie geven • nevendoel: informeren – overtuigen – ontspannen – ontroeren – mening geven – instructie geven Wie is de ontvanger?

BEWEGINGSDRIEHOEK

E

Wat is de bedoeling (tekstdoel)?

Welk kanaal wordt gebruikt? Wat is het effect?

Welke boodschap wordt hier gegeven? Wat is de bedoeling (tekstdoel)? •  hoofddoel: informeren – overtuigen – ontspannen – ontroeren – mening geven – instructie geven •  nevendoel: informeren – overtuigen – ontspannen – ontroeren – mening geven – instructie geven Welk kanaal wordt gebruikt? Wat is het effect?

20

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


Hoe pak je het aan? OPDRACHT 3

Ga aan de slag met de zakelijke teksten op diddit.

Kruis aan welke tekst je kiest.  Eet meer noten en minder salami   Wat zit er in de brooddoos? 1 Werk samen met een klasgenoot om de vragen op te lossen. Kruis na het oplossen van de vragen de gebruikte leesstrategie aan.  oriënterend

 globaal

 zoekend

 intensief

 genietend

 kritisch lezen

• Som enkele kenmerken van de teksten op. • Wat is de bron? • Wat is het hoofdtekstdoel?

IN

• Lees de titels van de teksten. Waarover denk je dat de teksten gaan?

• Welke tekst zou jij het liefst willen lezen? Waarom?

VA N

2 Werk vanaf hier voort met de tekst van jouw keuze.  oriënterend

 globaal

 zoekend

 intensief

 genietend

 kritisch lezen

 genietend

 kritisch lezen

• Lees de tussentitels, de inleiding en het slot. Klopte jouw voorspelling?

• Wat is het centrale thema van de tekst?

©

2

• Waar in de tekst heb je dat thema gevonden? • Welk neventekstdoel heeft de tekst?

3 Lees de tekst nu volledig. Vul daarna de tabel in.  oriënterend

 globaal

 zoekend

 intensief

Je vindt in de linkerkolom de tussentitels. Noteer in de rechterkolom de hoofdvraag (de vraag waarop het hele tekstblok een antwoord geeft) en de hoofdgedachte van dat tekstblok (een samengevat antwoord op de hoofdvraag). tekst – tussentitel Eet meer noten en minder salami Oude voedingsdriehoek

hoofdgedachte hoofdvraag hoofdgedachte

LES 2 Hoe gezond snoep jij?

21


tekst – tussentitel Tijd voor iets nieuws

hoofdgedachte hoofdvraag hoofdgedachte

Boze reacties

hoofdvraag hoofdgedachte

hoofdvraag

VA N

Wat zit er in de brooddoos? Choco of kaas

IN

hoofdgedachte

hoofdvraag

©

Gezondheid en kleur

hoofdgedachte Over de grenzen

hoofdvraag hoofdgedachte

22

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


tekst – tussentitel Bacteriën

hoofdgedachte hoofdvraag hoofdgedachte

4 Beantwoord ook nog deze vragen over de teksten.  oriënterend

 globaal

 zoekend

 intensief

 genietend

 kritisch lezen

Tekst: ‘Eet meer noten en minder salami’ • Welke kritiek kwam er op de oude voedingsdriehoek?

IN

• Wie heeft er NIET meegewerkt aan de nieuwe voedingsdriehoek?

VA N

• Waarom kan de voedingsindustrie de nieuwe voedingsdriehoek niet appreciëren?

©

Tekst: ‘Wat zit er in de brooddoos?’

• Welke oplossing bedachten twee Vlaamse bedrijven voor de ‘saaie’ brooddozen?

• Waarom kies je beter voor bruin brood dan voor wit brood? • Wat vind je in een Turkse brooddoos?

LES 2 Hoe gezond snoep jij?

23


5 Vergelijk beide figuren over drinkwater. Noteer twee verschillen.  oriënterend

 globaal

 zoekend

 intensief

 genietend

 kritisch lezen

A

KRAANTJESWATER

FLESSENWATER

Kost gemiddeld €0,005/liter

Kost gemiddeld €1,00/liter

Dagelijks op meer dan 60 parameters getest

Getest op 40 tot 60 parameters Je moet ervoor naar de winkel

24/7 Overal beschikbaar

Komt uit de kraan = geen transport

VA N

B

127 LITER Zoveel flessenwater verbruikt de gemiddelde Belg per jaar.

€ 761 MILJOEN EURO

©

Dit bedrag kunnen we besparen als alle Belgen hun flessenwater vervangen door kraantjeswater.

O CALORIEËN Caloriearm, zonder toevoegingen.

verschil 1: in figuur A verschil 2: in figuur B

24

Vergroot de afvalberg

IN

Geen verpakking = milieuvriendelijk

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen

Vrachtwagen met flessenwater

884 MILJOEN MENSEN Wereldwijd hebben zoveel mensen geen toegang tot zuiver water. 60 KWALITEITSEISEN Product van topkwaliteit. CO² 500 KEER MEER CO Kraantjeswater is milieuvriendelijker want geen transport of verpakking nodig.

Bron: drinkraantjeswater.be


wat Communicatie Wanneer je communiceert, breng je informatie over van een zender naar een ontvanger. Soms doe je dat met woorden, soms met gebaren, gezichtsuitdrukkingen enz.

IN

In een communicatieve context of situatie kun je deze delen onderscheiden: • de zender: wie de boodschap zendt: de spreker, de schrijver, de tekenaar … • de bedoeling: het doel dat de zender of ontvanger voor ogen heeft (informeren, ont­ roeren …) Dikwijls zijn er meer bedoelingen. Het belangrijkste doel is het hoofddoel. De andere doelen zijn nevendoelen. • de boodschap: wat: de informatie die van de ene naar de andere partij wordt gestuurd; wat je zegt. waarover: de boodschap achter de boodschap; wat je bedoelt. • het kanaal: hoe/waarmee de informatie wordt doorgegeven. Daarbij spelen de omstandigheden waarin en de manier waarop de boodschap wordt doorgegeven een belangrijke rol. • de ontvanger: wie de informatie ontvangt. • het effect: de uitwerking die de boodschap heeft op de ontvanger.

hoe

VA N

Leesstrategieën

Als je een zakelijke tekst behandelt, zet je verschillende leesstrategieën in. Oriënterend lezen: je bekijkt de tekst vlug omdat je wilt nagaan welke tekst je in handen hebt en wat je ermee kunt doen. Je leest de titel en tussentitels of kopjes en je bekijkt de illustraties. Je wilt het lees- en tekstdoel van de tekst kennen. Globaal lezen: je leest het begin en einde van de tekst. Wat is het hoofdonderwerp (thema)? Intensief lezen: je wilt de tekst helemaal begrijpen. Daarom lees je die grondig, alinea na alinea.

©

Afhankelijk van wat je verder met de tekst wilt doen, kunnen ook deze leesstrategieën handig zijn. Zoekend lezen: je wilt gerichte informatie vinden, bv. een antwoord voor een bepaald probleem, de vertaling van een woord … Genietend lezen: je wilt je enkel ontspannen, je wilt genieten van de tekst. Studerend lezen: je wilt de inhoud van de tekst in je geheugen opslaan om er later mee te werken. Kritisch lezen: je vraagt je af of alles wat in de tekst staat wel klopt; daarom ga je kijken of het correct is wat de auteur schrijft. Je vergelijkt met een andere bron of met wat je zelf al weet. Je vormt je een oordeel over de tekst.

waarheen Je kunt: • voor een bepaalde context/situatie de vragen van het communicatiemodel beantwoorden en die info gebruiken bij het voorbereiden van een spreek-, schrijf-, lees- of luisteropdracht; • het onderscheid maken tussen het hoofddoel en een nevendoel; • de verschillende leesstrategieën op een efficiënte manier inzetten bij het behandelen van een zakelijke tekst.

LES 2 Hoe gezond snoep jij?

25


Op zoek naar info over gezonde voeding Oriënteren

o

v

u

r

1 Zoek per twee een tekst over gezonde voeding en vul voor die tekst een steekkaart in. Helpt die tekst je bij je zoektocht naar informatie over gezonde voeding? Of net niet?

Voorbereiden

o

v

u

r

2 Ben je al eerder op zoek gegaan naar informatie over gezonde voeding? Vertel. 3 Waar zou je een dergelijke tekst kunnen vinden? 4 Hoe weet je of een bepaalde tekst in aanmerking komt?

IN

Uitvoeren

VA N

o

v

u

r

5 Vul voor jouw tekst de steekkaart op diddit in.

Reflecteren

o

v

u

r

©

6 Vul het reflectiekader in. Je traject naar succes

Je hebt een tekst over gezonde voeding gevonden.

1234

De steekkaart is volledig ingevuld.

1234

Je kunt alle leesstrategieën vlot toepassen.

1234

Je begrijpt de tekst beter door hem eerst oriënterend en globaal te lezen.

1234

Werkpuntje voor jezelf:

26

jij

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


les

Werkwoorden spellen

3

gepaste tijd gebruiken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid of onvoltooid

imperatief vormen en gebruiken werkwoordkampioen worden

voltooid deelwoord vormen en gebruiken

Diagnostische test werkwoordspelling OPDRACHT 1

Hoe ervaar jij werkwoordspelling? Vul de enquête eerlijk in. helemaal mee eens

meestal mee eens

helemaal niet mee eens

VA N

Ik verander mijn zin om spelproblemen te ontlopen. Ik ken de regels goed, maar doe het dikwijls fout.

meestal niet mee eens

IN

Ik ben onzeker over de werkwoordspelling.

geen mening

Ik ken de regels niet goed, maar doe het meestal correct. Ik zie snel fouten bij anderen. OPDRACHT 2

Bekijk de reportage van Over eten.

Maar voor je kijkt: wat denk jij? Is dit mythe of waarheid?

©

1

Een ingeslikte kauwgom blijft zeven jaar in je lichaam.   mythe   waarheid In de tabel zie je uitspraken over en uit de reportage. • Noteer het vervoegde werkwoord in de tweede kolom. • Kruis aan of de uitspraak waar is of niet. • Als de uitspraak niet waar is, noteer dan in de eerste kolom waarom. uitspraken

werkwoord(en)

W

NW

1 Danira (blazen, ovt) een enorme bel van haar blauwe kauwgom. 2 De kauwgom die je per ongeluk (inslikken, ovt), neem je nog dagelijks overal mee naartoe. 3 Gom (worden, ott) door je maagzuur verteerd.

woord

de mythe: hier: een onzinverhaal dat als waar aangenomen wordt

LES 3 Werkwoorden spellen

27


uitspraken

werkwoord(en)

W

NW

4 In het filmpje (praten, ovt) professor Grauwet met kennis van zaken. Zo wist ze dat de natuur wel drie keer zeven jaar nodig heeft om kauwgom af te breken! 5 De kauwgom in je maag zal verder (stuwen) worden door de beweging van maag en darmen. Na 24 uur zul je een onveranderde substantie terugvinden in je ontlasting. 6 Een kauwgom inslikken is niet erg, maar zorg dat dat niet systematisch (gebeuren). OPDRACHT 3

Bekijk ook deze reportage van Over eten.

IN

Voor je kijkt: choco, appelstroop, honing of speculoospasta, van al die producten heb je al weleens gesnoept. Waarin zit volgens jou de meeste suiker?  choco   appelstroop   honing   speculoospasta Hieronder vind je weer uitspraken over en uit de reportage.

VA N

• Noteer het vervoegde werkwoord in de tweede kolom. • Kruis aan of de uitspraak waar is of niet. • Als de uitspraak niet waar is, noteer dan in de eerste kolom waarom. uitspraken

werkwoord(en)

W

NW

1 Danira vraagt aan een geschminkte papa wat er met hem (gebeuren) is.

©

2 Twee jongens hebben een spelletje (spelen) om tot het antwoord van Kobe en Danira te komen.

3 Het (verbazen, ott) de deelnemers dat honing bijna 80 gram suiker per 100 gram bevat.

4 Hoewel de voedselindustrie aan choco en speculoospasta suiker (toevoegen), bevat appelsiroop toch de meeste suiker. 5 Wie als kind veel natuurlijke suikers (eten, ovt), is daarom niet gezonder. Suiker is suiker. 6 Het ‘mooiste jongetje van de aflevering’ heeft (leren) dat je meer choco moet eten.

woord

de substantie: grondstof, stof waaruit iets bestaat systematisch: hier: stelselmatig; ook: geordend, volgens een vast of logisch patroon

28

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


OPDRACHT 4

Onderzoek waar je fouten maakte. Oefen wat je nog niet zo goed kunt.

Fouten?

leerstof

oefeningen

ja/nee

ROOD

ott

pakket 1

ja/nee

PAARS

ovt

pakket 2

ja/nee

GROEN

vd

pakket 3

wat Het werkwoord in de tegenwoordige tijd De onvervoegde vorm van het werkwoord heet de infinitief. De infinitief eindigt meestal op -en. De ik-vorm (of de infinitief – en) van het werkwoord wordt de stam genoemd.

IN

De vervoegde vorm van het werkwoord heet de persoonsvorm (pv). Hij komt in persoon en getal overeen met het onderwerp: • als één persoon een handeling uitvoert of een toestand meemaakt, dan schrijf je het onderwerp en de persoonsvorm in het enkelvoud; • als meer dan één persoon een handeling uitvoert of een toestand meemaakt, dan schrijf je het onderwerp en de persoonsvorm in het meervoud. Enkelvoud en meervoud worden het getal genoemd.

VA N

Je vervoegt het werkwoord door te vertrekken van wat je hoort. Daarvoor kun je dit ­schema gebruiken. Is het een pv?

ja

nee

Zoek het onderwerp en de pv.

©

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) 1e persoon enkelvoud

2e persoon enkelvoud

3e persoon enkelvoud

1e/2e/3e persoon meervoud

ik

jij/je/u

hij/zij/ het …

wij/jullie/ zij …

STAM

STAM + t

STAM + t

STAM + en

MAAR … jij/je na pv: STAM

onvoltooid verleden tijd (ovt) geen klankverandering

klankverandering

STAM + de(n)

Schrijf wat je hoort.

STAM + te(n)

Let op! Hoor je d/t achteraan? Luister naar de wij-vorm.

Schrijf wat je hoort. Bv. de vergrote foto, de verbrande vinger, gelopen, de uitgeputte jongen … Hoor je d/t achteraan? Verleng. OF Luister naar de laatste klank voor de -en van de infinitief (kijkletter).

Twijfel je? Denk aan het werkwoord spelen of werken. Daar hoor je wat je moet schrijven. ik speel

jij speelt speel jij

hij speelt

wij spelen

ik speelde

ik werk

jij werkt werk jij

zij werkt

jullie werken

zij werkten

LES 3 Werkwoorden spellen

kijkletter = letter van 't kofschip  t andere letter  d Bv. gewerkt, gespeeld

29


Of je redeneert op deze manier: ENKELVOUD ik = stam

ik fluister

je/jij = stam + t Als het onderwerp achter de persoonsvorm staat, dan schrijf je de stam.

je/jij fluistert MAAR fluister jij

hij, zij (enk), het = stam + t

hij fluistert / zij fluistert / het kind fluistert

MEERVOUD jullie = stam + en (infinitief)

jullie fluisteren

zij (mv) = stam + en (infinitief)

zij fluisteren

Oefeningenpakket 1: ott OPDRACHT 5

IN

wij fluisteren

Schrijf de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Markeer eerst het onderwerp.

VA N

2

wij = stam + en (infinitief)

2 Het (gebeuren) weleens dat mijn zusje haar tanden niet wil poetsen.

3 Suiker (beschadigen) het tandglazuur.

4 Mijn broer (geloven) de tandarts niet, maar flossen helpt echt!

5 (Worden) je tandarts niet boos als je niet halfjaarlijks op controle gaat?

©

1 Oma (verwennen) haar kleinkinderen graag met snoep.

Meer oefeningen vind je op diddit of krijg je van je leraar.

3

Oefeningenpakket 2: ovt OPDRACHT 6

Schrijf de persoonsvorm in de onvoltooid verleden tijd. Markeer de werkwoorden met klankverandering.

1 Oma (verwennen) haar kleinkinderen graag met snoep.

2 Toen opa te gulzig was, (bijten) hij zijn gevulde kies stuk.

3 (Vergeten) jij vroeger weleens je tanden te poetsen?

4 Omdat ze niet beseften hoe belangrijk tandhygiëne was, (besteden) ze er geen aandacht aan.

5 Hoeveel mijn tandartsbezoeken toen (kosten), weet ik niet meer.

Meer oefeningen vind je op diddit of krijg je van je leraar.

30

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


4

Oefeningenpakket 3: vd OPDRACHT 7

Schrijf het voltooid deelwoord. Markeer de persoonsvorm die bij het vd hoort.

1 Wie kinderen te veel met snoep (verwennen) heeft, zal zijn tandarts niet blij maken.

2 Heb jij als kind veel (snoepen)?

3 Ben je weleens (vergeten) je tanden te poetsen?

4 Omdat ze niet beseften hoe belangrijk tandhygiëne was, hebben ze er geen aandacht aan (besteden).

5 Hoeveel mijn tandartsbezoeken ons toen (kosten) hebben, weet ik niet meer.

Geen persoonsvorm?

Bekijk het recept ‘Scones met aardbeienconfituur’.

DE SCONES

VA N

OPDRACHT 8

1 100 g boter Zorg dat de boter op kamertemperatuur is. 2 Verwarm de oven voor tot 150 °C.

3 500 g bloem, 25 g bakpoeder, 100 g kristalsuiker, een snuifje zout

Meng de bloem met het bakpoeder, de kristalsuiker en een snuifje zout. Vorm een bergje op je werkblad.

4 250 ml melk Maak een putje in het midden. Giet er de melk in en voeg er de zachte boter aan toe. Kneed alles goed door elkaar. Blijf lang kneden en voeg eventueel wat extra bloem toe als het deeg te vochtig is. Het deeg moet mooi elastisch zijn.

©

5

IN

Meer oefeningen vind je op diddit of krijg je van je leraar.

5 Bestuif een werkblad met bloem. Rol het deeg uit tot een dikte van 1 cm. 6 Bekleed een ovenplaat met een siliconen bakmat of bakpapier. 7 (steken) rondjes uit het deeg en leg ze op de bakplaat.

8 (splitsen) 1 ei het ei. Klop de eierdooier los met een scheutje melk.

Bestrijk de scones met het mengsel. Dat mag je twee keer doen.

9 (zetten) de scones in de voorverwarmde oven. Verhoog de temperatuur meteen naar 200 °C en laat de scones ongeveer 20 minuten bakken.

AFWERKEN EN SERVEREN 10 (opkloppen) 2 dl room, 1 eetlepel bloemsuiker de room half met de bloemsuiker.

11 (opensnijden) aardbeienconfituur de scones overlangs en schep er room en confituur op.

12 (serveren) warm met a cup of  tea.

1 Lees de eerste stap. Welk soort zin is dat? Welke vorm van het werkwoord herken je? 2 Staat er een onderwerp in de zin? 3 Markeer de imperatieven in de eerste zes instructies. 4 Onderzoek de spelling. Hoe wordt de imperatief gespeld? 5 Schrijf nu zelf de imperatieven bij stappen zeven tot en met twaalf. Vergeet de hoofdletters niet. LES 3 Werkwoorden spellen

31


wat De imperatief In een bevelende zin staat geen onderwerp. Het werkwoord is dan geen persoonsvorm, maar een imperatief. De imperatief schrijf je zoals de stam. Bv. Spreek met twee woorden! Antwoord als ik iets vraag! De imperatief van het werkwoord ‘zijn’ is ‘wees’. Bv. Wees maar niet bang. Soms staat er wel een onderwerp in een bevelende zin. Het werkwoord is dan een persoonsvorm. Je schrijft die zoals in de tegenwoordige tijd. Bv. Komt u maar binnen, mevrouw. Rijdt u maar naar binnen, meneer. Opgepast bij wederkerende werkwoorden! Bv. Brand u niet, mevrouw. (u is geen onderwerp) Brandt u zich niet, mevrouw. (u is wel onderwerp)

Noteer de imperatief van de werkwoorden tussen haakjes.

1 (Vermijden) de autosnelweg! 2 (Staan) stil!

IN

OPDRACHT 9

VA N

3 (Zijn) toch niet zo gierig en koop een steunkaart.

4 (Zich wenden) tot het secretariaat, Mette.

5 (Worden) nu toch eens volwassen!

+

©

OPDRACHT 10 Herschrijf of formuleer een passende zin. Gebruik een imperatief.

1 Je moet nu onmiddellijk vertrekken!

2 Het is verboden om tijdens de les te sms’en. 3 Het is niet beleefd om anderen zo te onderbreken.

waarheen Je kunt: • • • •

32

een werkwoordsvorm in de tegenwoordige en verleden tijd herkennen; een imperatief herkennen en schrijven; een werkwoord vervoegen in de tegenwoordige en verleden tijd; een voltooid deelwoord herkennen en schrijven.

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


Word kampioen werkwoordspelling Bewijs je inzicht in de werkwoordspelling en word kampioen van de klas!

OriĂŤnteren

o

v

u

r

1 Lees de wat-kaders opnieuw. 2 De leraar geeft je een opgaveblad. Maak de opgave rustig in de klas.

Voorbereiden

o

v

u

r

3 Luister aandachtig naar de voorgelezen zinnen.

Uitvoeren

o

v

u

r

5 Schrijf je antwoord op.

IN

4 Denk na en redeneer. Bepaal de tijd, zoek het onderwerp, de stam en de uitgang.

VA N

6 Wat is je score?

7 Wie is spellingkampioen van de klas?

Reflecteren

o

v

u

r

8 Vul het reflectiekader in.

jij

Š

Je traject naar succes

Je hebt vooraf de wat-kaders doorgenomen.

1234

Je hebt niet gegokt, maar geredeneerd.

1234

Je kunt werkwoorden correct spellen.

1234

Je weet welke vormen en/of tijden van het werkwoord voor jou moeilijk (kunnen) zijn.

1234

Werkpuntje voor jezelf:

LES 3 Werkwoorden spellen

33


les

Woordbetekenissen en 4 woordrelaties woordfamilie onderzoeken

synoniemen en antoniemen geven en homoniemen begrijpen tekst herwerken: synoniemen en antoniemen

woordleerstrategieën inzetten

1

Mee met de les OPDRACHT 1

Verken de moeilijke woorden.

1 Duid aan hoe goed je deze woorden kent. Noteer een cijfer in de tabel.

synchroon

garandeert (garanderen)

isolement

laagdrempelig

helpdesk

introductie

woord

het isolement: afzondering

VA N

consulent

IN

1 = Dit woord is nieuw voor jou. Je begrijpt het helemaal niet. 2 = Dit woord heb je al gehoord of gelezen, maar je kent de betekenis niet. 3 = Je weet ongeveer wat dit woord betekent. 4 = Je kent de betekenis van dit woord en kunt het gebruiken in een zin.

chronisch

2 Bekijk de folder. Vind zo snel mogelijk wie de zender is en wat de boodschap is.

“Zo kan ik de les volgen samen met mijn klasgenoten”

Giften zijn welkom op IBAN: BE56 0015 9950 0088 BIC: GEBABEBB met vermelding “naam+gift Bednet” (Fiscaal aftrekbaar vanaf € 40)

©

Hoe aanvragen ?

Nadat een aanvraag bij Bednet is binnengekomen, wordt nagegaan of aan alle voorwaarden is voldaan om Bednet-ondersteuning te kunnen genieten.

Beantwoordt jouw kind aan onze ontvankelijkheidscriteria • Het kind zit in het Nederlandstalig lager of secundair onderwijs • Het kind is langdurig of chronisch ziek • De school van het kind is erkend door de Vlaamse Gemeenschap • Het kind is administratief in orde ( inschrijving, attest van wettelijke afwezigheid … ) • Er wordt meer dan zes weken effectief gebruik voorzien

info@bednet.be www.bednet.be

Na 5 werkdagen neemt een consulent in jouw regio telefonisch contact met je op. Wat zijn na de aanvraag de volgende stappen ? 1. 2. 3. 4.

Een introductie bij je thuis en op school door een consulent Speedtest en netwerkafspraken Levering en installatie van het computermateriaal Opstart bij je thuis en op de school

V.U.: Bednet vzw - Bondgenotenlaan 134 bus 4 - 3000 Leuven

De aanvraag kan: • door eender wie (de ouders, de school, het CLB, het ziekenhuis of de arts) • op eender welk moment • via het aanvraagformulier op onze website www.bednet.be

GDF SUEZ GDF_SUEZ_foundation_GB_signature_PANTONE 10/12/2013 24, rue Salomon de Rothschild - 92288 Suresnes - FRANCE Tél. : +33 (0)1 57 32 87 00 / Fax : +33 (0)1 57 32 87 87 Web : www.carrenoir.com

RÉFÉRENCES COULEUR

PANTONE 485 C

PANTONE 425 C

34

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen

(*) De leerling is een regelmatige leerling in het gefinancierd of gesubsidieerd lager of secundair onderwijs.

Bednet vzw Bondgenotenlaan 134 bus 4 3000 Leuven 016/20 40 45

Dan komt jouw kind in aanmerking voor een aanvraag.

Met synchroon internetonderwijs garandeert Bednet het recht op onderwijs voor langdurig zieke kinderen in Nederlandstalige scholen in Vlaanderen en Brussel*

Onze diensten zijn gratis en in overleg met de school, de ouders, en met de zieke leerling.


Bednet biedt Synchroon Internetonderwijs Jouw kind volgt van thuis uit, live mee de lessen. Op hetzelfde moment en samen met zijn/haar eigen klasgenoten.

Lore is veertien en zal overgaan naar het vierde secundair in het Spectrum College in Beringen

In het ziekenhuis zelf kon ik naar de ziekenhuisschool en in september kon ik dan ‘naar school’ dankzij Bednet. Thuis stond een computer met een camera en een scanner/printer en op school ook.

Is jouw kind langdurig of chronisch ziek? Volgt het les in het Nederlandstalig lager of secundair onderwijs ? Bednet biedt een oplossing Bednet streeft twee doelen na: ✔ Het ondersteunen van het leerproces • lessenpakket op maat • kan in combinatie met Tijdelijk Onderwijs Aan Huis, ziekenhuisschool, vrijwilligers aan huis via School & Ziek zijn, … ✔ Het bevorderen van sociaal contact • regelmatig contact met leeftijdsgenoten • het ziek zijn verschuift naar de achtergrond • klasgenoten nemen taken op zich

“ Het isolement wordt doorbroken en 4 op 5 Bednetters gaan dankzij Bednet over naar de volgende klas ”

Wat betekent Bednet voor jouw kind? • Eenvoudig en laagdrempelig • Gratis voor gezin en school • Alle materiaal wordt gratis uitgeleend en geleverd • Proximus voorziet gratis de internetlijn indien de bestaande verbinding niet volstaat of afwezig is • De klassenraad blijft verantwoordelijk voor het leertraject van de zieke leerling • Een consulent van Bednet ondersteunt het hele traject • Een technische helpdesk ondersteunt je tijdens het traject • Les volgen via Bednet kan zolang het nodig is voor jouw kind

Ik heb mijn vriendinnetjes kunnen behouden want tijdens de speeltijd kwamen ze dan naar achter in de klas met me praten. Ik hoorde er gewoon bij.

IN

De juf kwam ook aan huis om bijles te geven voor die vakken die in de klas wat te snel gingen of om even te herhalen. Ik stuurde ‘s morgens een sms om te laten weten of Lore die dag kon meevolgen en de juf zorgde ervoor dat van de eerste dag het opstarten van de computer en het begroeten van Lore een vast ritueel werden.

a Wie is de zender?

VA N

Lore maakte echt deel uit van de klas en het was als ouder geruststellend dat er een deel van het leven van Lore ‘normaal’ bleef. Toen Lore terug naar school kon in de lente ging dat heel vlot.

b Wat is de boodschap?

c Ken je Bednet? Wat vind je ervan?

©

d Zoek in de folder alle woorden uit de tabel bij 1 en markeer ze. e Er zijn verschillende manieren om betekenissen van woorden te achterhalen. Bekijk het filmpje over woordleerstrategieën. Zoek daarna de betekenis van de woorden. f Lees de woorden in de tabel hieronder. Noteer de informatie die je in de tekst over de betekenis van die woorden vindt. g Noteer bij elk woord wat het volgens jou betekent. woord

informatie

betekenis

synchroon

isolement

LES 4 Woordbetekenissen en woordrelaties

35


hoe Context helpt woorden verklaren Wat doe je als je een woord in een tekst niet begrijpt? Je kunt proberen om het woord vanuit de context te verklaren. Je bekijkt de illustraties. Of je zoekt in de zinnen voor en achter het onbekende woord een synoniem, een antoniem, een uitleg of een voorbeeld. Soms wordt het woord ook in de tekst verklaard. Bv. In een artikel over sociale media lees je: ‘Na een dagenlange zoektocht werd het vermiste meisje gezond teruggevonden. Hoewel de politie nog druk bezig is met het onderzoek, gaan er op social media verhalen rond dat het meisje slachtoffer is geworden van een catfish …’ De context legt uit wat een catfish is. ‘Het is zeker dat een jongen die in haar vriendenlijst op Facebook stond, niet dezelfde persoon was als de jongen op zijn profielfoto. Sterker nog: de jongen op de foto woonde helemaal niet in Nederland, zoals dat op zijn profiel te lezen was, maar in Amerika.’ g Een catfish is dus iemand die zich online voordoet als iemand anders.

tip isolement isoleren isolatie isolator

IN

h De context geeft weinig informatie over de betekenis van ‘garandeert’, ‘introductie’ en ‘chronisch’. Hoe kun je toch de betekenis ervan achterhalen als je geen woordenboek ter beschikking hebt?

woord garandeert

informatie

betekenis

©

introductie

VA N

i Pas die strategie toe. Noteer je antwoord in de tabel. Schrijf op wat het woord volgens jou betekent.

chronisch

hoe Woordfamilies en taalverwantschap helpen woorden verklaren Soms geeft de context weinig of geen informatie over de betekenis van woorden. Geen nood, je kunt de betekenis ook achterhalen door te zoeken naar bekende delen in het woord of naar woorden die erop lijken. Je gebruikt dan de woordfamilie. Bv. In een artikel over succes op school lees je: ‘Rekenen, taalbeschouwing en begrijpend lezen doen een beroep op het analytisch vermogen van de leerlingen.’ g analyse, analist, analyseren (woordfamilie) g ‘analytisch’ betekent: onderzoekend, ontledend Soms begrijp je een woord omdat het lijkt op een woord in een andere taal. Je spreekt dan over taalverwantschap. Bv. Je kent het Engels of het Frans introduction en weet dat het ‘inleiding’ betekent. g introductie betekent: inleiding

36

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


tip

j Op welke manier kun je de betekenis van woorden als ‘laagdrempelig’ en ‘helpdesk’ te weten komen?

laag + drempel

k Pas die strategie toe. Noteer je antwoord in de tabel. woord

informatie

betekenis

laagdrempelig

helpdesk

IN

Woordbouw helpt woorden verklaren

hoe

VA N

Om de betekenis van een samenstelling of een afleiding te achterhalen kijk je naar de woordbouw. Je zoekt dan eerst de betekenis van de afzonderlijke delen. Bv. In Vermoord het verleden, een jeugdboek van Jonas Boets, lees je: ‘Een halfjaar eerder was ik naar een filmmarathon geweest bij iemand van mijn klas.’ g film en marathon g verscheidene films direct na elkaar bekijken

©

l Wat als geen enkele woordleerstrategie helpt?

m Pas die strategie toe. Noteer je antwoord in de tabel. woord

informatie

betekenis

consulent

wat Met bestaande woorden kun je nieuwe woorden maken. Een grondwoord is het allerkleinste puzzelstukje. Je kunt het niet in afzonderlijke woorden opsplitsen, zonder dat de betekenis zou veranderen. Bv. rust, plaats, bloem, bak, put, water Als je grondwoorden samenvoegt, krijg je een samenstelling. Het laatste woord bepaalt de betekenis van de samenstelling! Bv. rustplaats, bloembak, bakbloem, waterput, putwater Je kunt een woord een nieuwe betekenis geven door aan het grondwoord een voorvoegsel of een achtervoegsel toe te voegen. Dan ontstaat een afleiding. Bv. voorvoegsel: onrust (on-), gebak (ge-) Bv. achtervoegsel: rustig (-ig), plaatselijk (-lijk), bloempje (-pje), putje (-je), waterachtig (-achtig)

LES 4 Woordbetekenissen en woordrelaties

37


hoe Woordleerstrategieën Wat doe je als je een woord in een tekst niet begrijpt? Dan pas je woordleerstrategieën toe. Dit zijn belangrijke woordleerstrategieën. 1 Je bestudeert de woordbouw. Daarvoor ga je bij samenstellingen en afleidingen op zoek naar de betekenis van de afzonderlijke woorddelen. 2 Je probeert het woord vanuit de context te verklaren. Je bekijkt de illustraties. Of je zoekt een synoniem, antoniem, uitleg of voorbeeld in de zinnen voor of na het onbekende woord. 3 Je kijkt naar de woordfamilie. Je vergelijkt met woorden die je al kent. Je gaat op zoek naar bekende delen in het woord of woorden die erop lijken, zowel in je eigen als in een vreemde taal. 4 Lijkt het onbekende woord op een woord in een andere taal? Je zoekt naar taalverwantschap. 5 Als je de betekenis niet kunt afleiden, dan gebruik je een informatiebron. Je zoekt het woord op in een woordenboek of op het internet.

IN

6 Als je de betekenis zelf niet kunt vinden, dan vraag je de betekenis aan iemand die het woord wel begrijpt.

Heel wat Griekse kunstenaars leven en werken in Italië. Ze kopiëren massaal Griekse beelden. De Romeinen baseren zich op de Etruskische beeld­houwkunst. In Etruskische graven hebben archeologen mooie beelden teruggevonden. Ondanks al die invloeden ontwikkelen de Romeinen een eigen Romeinse kunst. De borstbeelden van politici vertonen een enorme zin voor realiteit. Terwijl de Grieken hun helden en goden geïdealiseerd voorstelden, wordt de geportretteerde nu uitgebeeld zoals hij is, met zijn gebreken en minder mooie kanten. Toch slaat het realisme soms over naar idealisme in de Romeinse beeldhouwkunst. Keizer Augustus bijvoorbeeld wordt mooier afgebeeld dan in werkelijkheid, om zijn grootheid en macht te beklemtonen.

Realistische portretkunst in Rome

©

A

Lees de teksten en voer de opdrachten uit.

VA N

OPDRACHT 2

B

Publius Cornelius Scipio

Cicero

Naar: Storia 2

Zo ontstaat runner’s high Niet endorfine, maar een stofje genaamd anandamide is de hoofdrolspeler bij het fenomeen runner’s high. Uit onderzoek blijkt dat endorfines niet de oorzaak zijn van runner’s high. Dat is het verschijnsel waarbij sporters een aangenaam gevoel ervaren na een zware fysieke inspanning. Proeven tonen aan dat de stof anandamide een grotere impact heeft op de roes die we ervaren na een zware inspanning. Naar: Eos

1 De woorden in de tabel staan in dezelfde volgorde als in de teksten. Onderstreep ze. 2 Noteer in je eigen woorden wat elk woord betekent.

38

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen

woord

fysiek: wat met het lichaam te maken heeft


3 Waar heb je de betekenis in de context gevonden: in de tekst of in de afbeelding? Zet een kruisje. woord

betekenis

tekst afbeelding

geïdealiseerd realisme fenomeen impact

OPDRACHT 3

Vul de ontbrekende woorden in. Maak gebruik van de woordfamilies.

1 emotie Na de theatervoorstelling was ik erg           . Ik zag dat ook de andere toeschouwers hun

IN

de vrije loop lieten. Ja, de acteurs wisten hun publiek te   2 evolutie

!

Een            bioloog houdt zich bezig met de leer van de evolutiebiologie. Dat vakgebied

VA N

binnen de biologie onderzoekt de            van soorten. Ze stelt zich de vraag: wat zorgt ervoor dat soorten            tot de soorten die ze zijn? 3 drama

De spelers vinden de uitschakeling           , maar de trainer roept op om naar de toekomst te kijken en de nederlaag niet te           .

Gebruik een woordleerstrategie om de betekenis van de gemarkeerde woorden in de tekst te achterhalen. Schrijf het cijfer in de tabel.

©

OPDRACHT 4

De nieuwe voedingsdriehoek Hij is er: de vernieuwde voedingsdriehoek. Op zijn kop gezet, door elkaar geschud en verduurzaamd. Het jongste model gewikt en gewogen. Hoera, de voedingsdriehoek is jarig! Weg met de voedingsdriehoek! Al sinds 1997 biedt de figuur een visuele samenvatting van hoe een gezond voedingspatroon eruitziet. Het Vlaams Instituut Gezond Leven heeft de driehoek nu volledig omgegooid.

LES 4 Woordbetekenissen en woordrelaties

39


Wat is er nieuw? Duurzaam Voor het eerst houdt de driehoek niet alleen rekening met wat gezond is, maar ook met de impact van ons voedingspatroon op het milieu. Hij kijkt vooral naar de uitstoot van broeikasgassen en in mindere mate naar de watervoetafdruk. Gezonde voedingsmiddelen die het milieu het minst belasten, krijgen de voorkeur. Onafhankelijk Bij de opstelling werd een expertenpanel geraadpleegd, met naast voedingsdeskundigen ook bewegings­ wetenschappers, psychologen, vertegenwoordigers van de overheid en organisaties als Kind en Gezin. Voor het eerst zaten er geen belangengroepen mee aan tafel. Bruikbaar De oude driehoek diende als educatief hulpmiddel voor diëtisten, leraren en artsen. Het nieuwe model moet bruikbaar zijn voor al wie in een oogopslag wil weten hoe gezond te eten. Wat is er veranderd? De belangrijkste aanpassingen op een rijtje.

IN

Omgekeerd De nieuwe driehoek staat op zijn kop. Om te vermijden dat wat in de top staat positief lijkt, terwijl het in werkelijkheid te mijden is.

VA N

Weg met beweging De bewegingslaag vormt niet langer de basis van de driehoek. Niet omdat de experts vinden dat je gerust in de zetel mag blijven hangen, maar omdat ze een afzonderlijke bewegingsdriehoek hebben ontwikkeld.

Kleurencode De kleur van de verschillende etages in de driehoek weerspiegelt de gezondheidseffecten van wat erin staat. Donkergroen staat voor een bewezen positief effect op de gezondheid. Lichtgroen voor een positief, neutraal of onvoldoende bewezen effect. Producten in de oranje top zijn nefast als we er te veel van eten. Ze bevatten wel nog nuttige voedingstoffen, in tegenstelling tot de rode, overbodige voedingsmiddelen.

©

Meer of minder, maar geen porties De nieuwe voedingsdriehoek vermeldt geen porties. Hoeveelheden zijn sterk individueel bepaald. Wie geen topsporter of dokwerker is, hoeft geen half brood te eten. Daarom zegt de nieuwe voedingsdriehoek enkel wat we beter meer en minder eten. Bonen zijn geen biefstuk In de oude voedingsdriehoek stonden alle bronnen van eiwitten in één groep. Nochtans hebben ze verschillende effecten op onze gezondheid én op het milieu. Peulvruchten en vegetarische producten als tofu krijgen de voorkeur. Vis en wit vlees zijn te verkiezen boven rood vlees. Olijfolie is geen boter Niet alle vetten zijn gelijk. Verzadigde vetzuren, zoals in boter en kokosvet, vervang je het best zo veel mogelijk door onverzadigde vetzuren. Plantaardige oliën staan daarom niet langer samen met boter in één groep. Nadruk op noten Noten, bronnen van onder meer eiwitten en gezonde vetten, krijgen een prominente plek in de basis. Rode rommel Veruit de ingrijpendste verandering: de nieuwe driehoek is duidelijker. Ultrabewerkte producten als frisdrank, snoep, gebak, snacks, fastfood en alcohol zijn uit de figuur geknikkerd. In het oude model hoorden ze thuis bij de blanco ‘restgroep’ bovenaan de piramide. Dan zijn de rode cirkel, de expliciete afbeeldingen en de boodschap ‘zo weinig mogelijk’ een pak duidelijker. Naar: Eos

woord

expliciet: heel duidelijk, uitdrukkelijk

40

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


1 = woordbouw | 2 = context | 3 = woordfamilie | 4 = taalverwantschap | 5 = informatiebron

2

watervoetafdruk

3

expertenpanel

4

belangengroepen

5

educatief

6

etage

7

nefast

8

individueel

9

tofu

10

prominent

11

ultrabewerkt

12

expliciet

Woordrelaties OPDRACHT 5

IN

visueel

betekenis

Zoek het woord met dezelfde betekenis.

Vul daarna de zinnen aan met de woorden die je hebt genoteerd. Kies uit: gynaecoloog – cryptisch – educatief – exporteren – astronaut leerrijk

©

2

1

strategie

VA N

woord

ruimtevaarder

vrouwenarts

uitvoeren

raadselachtig

1 Frank De Winne is na Dirk Frimout de tweede Belgische          die aan boord van het internationaal ruimtestation ISS verbleef. 2 Een          vraag: ‘Welk zeedier helpt tegen jeuk?’ (krab) 3 België          elk jaar voor meer dan 1 miljard euro chocolade en is daarmee de grootste exporteur ter wereld. 4 Wenst u een consultatie bij een van onze           ? Maak dan een afspraak via het centraal afsprakennummer. 5 Mijn leraar heeft me een superinteressante          app aangeprezen. Hoe noem je woorden met ongeveer dezelfde betekenis? LES 4 Woordbetekenissen en woordrelaties

41


OPDRACHT 6

Zoek het woord met de tegengestelde betekenis.

Vul daarna de zinnen aan met de woorden die je hebt genoteerd. Kies uit: vergeten – giftig – chronisch – amateuristisch – praktijk eetbaar

theorie

professioneel

acuut

memoriseren

1 De filmproducent is een professional, maar zijn laatste productie kwam             over. 2 Acute pijn is de pijn die direct na een ongeval zoals een verzwikte enkel ontstaat. We spreken van          pijn als de patiënt maanden nadien nog altijd pijn heeft. 3 De Franse champignon is eetbaar, maar de vliegenzwam is         . 4 Ik hoop dat ik de definities die ik moet memoriseren voor de test niet zal         ! 5 Ik houd van techniek. Wat verkies jij: theorie of         ?

OPDRACHT 7

IN

Hoe noem je woorden met een tegengestelde betekenis?

Van welk woord lees je het synoniem? Laat je leiden door het anagram. GNAB

doortrapt, geslepen, gewiekst, slinks

WULS

mistroostig, treurig, triest, verdrietig

GIERVOD

intelligent, pienter, schrander, snugger

MILS

fris, guur, kil, koel

DOKU

VA N

angstig, bevreesd, schuw, timide

©

wat

Woordrelaties

Synoniemen zijn woorden met ongeveer dezelfde betekenis. Bv. Mag ik jou mijn felicitaties overbrengen? Zeker, je gelukwensen doen me veel plezier! uitzicht = panorama / meteorologie = weerkunde / grafsteen = tombe Antoniemen zijn woorden met een tegengestelde betekenis. Bv. Mijn ouders houden van een klassiek interieur, maar ik verkies een modern interieur. spontaan n berekend / meedogenloos n hartelijk / symmetrisch n asymmetrisch

waarheen Je kunt: • • • • • •

42

woordfamilies onderzoeken om de betekenis van woorden te achterhalen; de juiste woordleerstrategieën inzetten bij het zoeken naar de betekenis van moeilijke woorden; synoniemen en antoniemen zoeken; in een tekst woorden door antoniemen of synoniemen vervangen; voor- en achtervoegsel in woorden herkennen; van grondwoorden nieuwe woorden maken door voor- en achtervoegsels toe te voegen.

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


Strooi met synoniemen en antoniemen Herwerk een tekst. Zoek vijf synoniemen en vijf antoniemen.

Oriënteren – Voorbereiden

o

v

u

r

1 Kies een tekst of werk met de tekst die je van je leraar krijgt. 2 Zorg dat je weet wat synoniemen en antoniemen zijn.

Uitvoeren

o

v

u

r

3 Onderstreep in de tekst vijf woorden waarvan je een synoniem kunt bedenken. 4 Vervang de onderstreepte woorden door goedgekozen synoniemen. 5 Onderstreep in de tekst vijf woorden waarvan je een antoniem kunt bedenken.

7 Beluister of lees het werkje van je buur.

VA N

Reflecteren

IN

6 Vervang de onderstreepte woorden door correcte antoniemen.

o

v

u

r

8 Hoe lukte dat?

Je traject naar succes

jij 1234

Je hebt vijf antoniemen gevonden.

1234

Je synoniemen zijn origineel.

1234

Je antoniemen zijn correct/gepast.

1234

©

Je hebt vijf synoniemen gevonden.

Werkpuntje voor jezelf:

woord

origineel: oorspronkelijk, onvervalst, niet van iemand afgekeken

LES 4 Woordbetekenissen en woordrelaties

43


les

Als ik een snoepje ben …

5

schrijfplan volgen: verzamelen, structureren, reviseren

spellingattitude inzetten affiche opmaken

inleiding/midden/slot gebruiken

1

Gesprek van lolly tot dropveter OPDRACHT 1

Welk snoepgoed zou jij willen zijn? Maak een schets in de linkerkolom en beschrijf met sleutelwoorden in de rechterkolom.

sleutelwoorden

©

VA N

IN

schets

OPDRACHT 2

Kruip in de huid van het snoepgoed uit opdracht 1. Beantwoord de vragen.

Je krijgt van je leraar een kaartje met daarop een vraag. Alle leerlingen van de klas vormen samen een binnen- en buitencirkel. Vorm een duo met de leerling die tegenover jou staat. Stel elkaar om de beurt de vraag die op het kaartje staat. Probeer de vraag zo goed mogelijk te beantwoorden. Schuif daarna één plaats op en je hebt een nieuwe gesprekspartner.

44

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


Als ik een snoepje ben … OPDRACHT 3

Stel jezelf voor als snoepje. Vertel iets over je uitzicht, smaak, ingrediënten, populariteit …

Volg de stappen van het schrijfplan om deze opdracht tot een goed einde te brengen. Stap 1 Beantwoord voor deze opdracht de vragen van het communicatieschema. Doe dat mondeling of op een kladblad. Stap 2 Verzamel al je ideeën op een kladblad. Selecteer alle items die je wilt gebruiken en orden die informatie in de woordspin. Je mag poten bijmaken zoveel je wilt.

kleur uitzicht

IN

verpakking

snoepgoed

populariteit

VA N

smaak

reclame

ingrediënten

Stap 3 Schrijf een eerste versie van je tekst op een apart blad. Houd rekening met deze criteria. • Houd het communicatiemodel (ontvanger, boodschap, bedoeling, effect …) voor ogen. • Kondig het onderwerp aan in een inleiding en rond af of trek een besluit in een slot. • Het midden telt minstens twee alinea’s die elk een deelonderwerp behandelen. • Schrijf in ik-zinnen. • Zorg voor correcte/duidelijke/volledige informatie.

©

2

Stap 4 Wissel je tekst met die van een klasgenoot. Vul voor je klasgenoot het reflectiekader bij stap 5 in. Stap 5 Herschrijf de tekst. Zorg dat hij aantrekkelijk is, zodat de ontvanger jouw tekst gemakkelijk kan lezen. In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je hebt rekening gehouden met het communicatiemodel.

1234

1234

Je tekst is gestructureerd: hij bevat een inleiding, een midden en een slot.

1234

1234

Het midden van je tekst bevat minstens twee alinea’s.

1234

1234

Je tekst is volledig en bevat duidelijke informatie.

1234

1234

Je hebt rekening gehouden met de spelling. Je tekst bevat hoofdletters en leestekens.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf: LES 5

Als ik een snoepje ben …

45


wat Delen van een tekst Inleiding Je kondigt het onderwerp aan: waarover zul je het hebben? Midden Je werkt het thema uit. Het midden kan bestaan uit verscheidene alinea’s die elk een ander deelonderwerp behandelen. Slot Je sluit de tekst af: je herhaalt de belangrijkste info of je trekt een besluit.

hoe Schrijfplan

IN

Voor het schrijven Stap 1 Denk na over de communicatieve situatie of context en het taalgebruik. Wat wil je schrijven? Voor wie schrijf je? Welke gevolgen heeft dat voor je taalgebruik?

VA N

Stap 2 Bereid de schrijfopdracht voor. • Verzamel informatie: wat weet je al? Wat wil je nog weten? Denk aan de w-vragen. Zoek informatie op in boeken, op het internet … • Selecteer en orden de informatie: welke informatie kun je gebruiken? Houd rekening met je bedoeling en je publiek. In welke volgorde zul je die info brengen? Wat vertel je in de inleiding? Welke informatie komt in het midden? Wat vertel je in het slot? • Maak een kladversie: lees vooraf de criteria aandachtig: aan welke criteria moet je tekst beantwoorden? Waarop word je beoordeeld?

©

Tijdens het schrijven Stap 3 Denk na over je woordkeuze: probeer enkele goedgekozen tekenende werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken. Zorg voor een correcte spelling. Na het schrijven Stap 4 Reviseren: lees je tekst goed na of laat hem nalezen. Verbeter waar nodig en herschrijf de tekst dan. Stap 5 Verzorgen en publiceren: je tekst is klaar om te laten lezen, om ‘ergens’ op te nemen.

waarheen Je kunt: • bij het schrijven van een tekst een schrijfplan volgen; • een tekst opbouwen met inleiding, midden en slot; • het midden van een tekst opbouwen met verschillende alinea’s die elk een deelonderwerp behandelen; • rekening houden met de spellingsregels bij het schrijven van een tekst.

46

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


Promoot jezelf! Oriënteren

o

v

u

r

Maak een tekst voor een affiche over het snoepgoed dat je in je tekst beschreef. Zorg dat iedereen dat nieuwe snoepgoed wil proeven! 1 Welke affiches springen bij jou het meest in het oog? Heb je een favoriete affiche? 2 Wat maakt die affiche zo aantrekkelijk?

Voorbereiden

o

v

u

r

3 Voor je de affiche maakt: beantwoord voor jezelf de vragen van het communicatiemodel. boodschap

bedoeling

effect

VA N

kanaal

ontvanger

IN

zender

4 Verzamel je ideeën op een kladblad. Selecteer de items die je wilt gebruiken en orden ze in een woordspin. Denk aan: naam product, slogan, troeven, prijs …

©

slogan

prijs

foto

smaak

troeven

5 Maak een eerste versie van je tekst voor de affiche op de volgende pagina. Houd rekening met deze criteria: • communicatiemodel (doel, ontvanger …); • duidelijke, verzorgde lay-out; • correcte/duidelijke/volledige informatie: naam product, slogan, troeven, prijs …; Schrijf minstens vijf goede zinnen. 6 Wissel je eerste versie met die van een klasgenoot. Vul voor je klasgenoot het reflectiekader in. 7 Denk na over het uitzicht van de affiche. Maak eventueel een schets.

LES 5

Als ik een snoepje ben …

47


Uitvoeren

o

v

u

r

8 Maak een definitieve versie van de affiche. Zorg dat je met die affiche het beoogde doel bereikt. Wie wil, kan een digitale tool gebruiken. Je leraar helpt je verder.

Reflecteren

o

v

u

r

9 Vul het reflectiekader in. jij

je klasgenoot

Je houdt rekening met de vragen van het communicatiemodel.

1234

1234

Je affiche heeft een aantrekkelijke lay-out.

1234

1234

De tekst op je affiche bevat minstens vijf zinnen, is volledig en bevat duidelijke informatie.

1234

1234

Je houdt rekening met de spelling. Je tekst bevat hoofdletters en leestekens waar nodig en de woorden zijn juist gespeld.

1234

1234

IN

In orde Je traject naar succes

VA N

Werkpuntje voor jezelf:

©

Noteer hier je eerste versie.

48

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


les

Snoeppoëzie

6

eigen mening verwoorden

van poëzie genieten

gatengedicht maken

gedichten beoordelen

Smullen maar … OPDRACHT 1

Beluister de gedichten en vul het ontbrekende woord in.

Ik vind dit gedicht …

humoristisch ontroerend mysterieus spannend vreemd brutaal

B

C

D

E

F

G

H

…

…

VA N

A

IN

1 Vul voor elk gedicht het schema in. Zet een kruisje bij de criteria waaraan het gedicht volgens jou voldoet. Vind je dat er nog andere criteria in het lijstje moeten? Schrijf ze er maar bij. De laatste twee kolommen kun je gebruiken om een gedicht te beoordelen dat je zelf meebracht en het gedicht dat een klasgenoot meebracht.

©

1

vrolijk warm ernstig pittig

woord

mysterieus: geheimzinnig, raadselachtig

LES 6 Snoeppoëzie

49


2 In elk gedicht ontbreekt minstens één woord. Noteer dat woord tijdens het luisteren.

A

B

16 jaar

Assepoester aan het strand

Wij fietsen op een zinkend schip naar feesten voor piraten waar drinken een vermomming is als je niet goed kan praten

Haar geheven hand een bedelend kommetje boordvol honger.

Wij fietsen tot onder ons bed begraven ons in anders worden Verkleden ons als elkaar achter een mistgordijn Tot we ontdekken dat we later           nog zullen zijn

Het huis uitgeslagen. Haar schoenen moesten thuisblijven. De man die uit haar mama’s hand eet, draagt ze naar het pandjeshuis. Dulcia is haar bed zo moe. Een matras van karton, dekens van papier, lakens van wind.

IN

Ik leerde moppen uit mijn hoofd: twee gekken yoghurt kuikentjes en nonnen in de stad als ik ze durf vertellen dan zeg ik ook eens wat

Bij maanlicht aan het strand schept ze glanzende muiltjes van          . D. Billiet. Moenie Worry Nie.

C

D

In een woestijn kun je heel eenzaam zijn.

©

Dat was wat ik dacht toen ik in de verte keek.

VA N

S. Lambert. Waar de monsters nu naartoe zijn.

Tenzij je, zo dacht ik ook nog,

een           bent. G. De Kockere. Vreemdgaan.

Bekentenis Ik mag je. Nee. Ik mag je niet. Ik moet je. Dat bedoel ik. Ik heb je lief. Nee. Heb ik niet. Ik word je lief. Dat voel ik. Ik ga met jou. Nee. Ga ik niet. Ik sta je bij. Beloof ik. Ben stapel op je. Hou je vast. Ik. Hou. Van. Jou.           ik. B. Moeyaert. Verzamel de liefde.

50

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


F Bedtijd Onder mij mijn bed daaronder de vloer daaronder plafond daaronder bezoek daaronder de vloer daaronder de grond met wortels en wormen met botten en potten die nooit zijn gevonden met stenen en ijzer met ijzer en vuur daaronder daarboven de grond en de rotsen daarboven de bomen de mensen de zon

Kreeg in de trein jouw sms om eventjes te melden dat je zulk fijn kippenvel gekregen had van te koud zwemmen. Bye! schreef je eronder en terwijl ik opkeek was je alweer plonzend weggespat. Ik reisde door per smile. Zo lezen we al tijden onze gsm’s: met honderdzestig tekens maar en één verzendgebaar blijft wat mobiel is stilstaan, knielen wij en tikken we voorover in elkaar. Ik sms’te terug: hier is het droog en warm toch al wel. Wou nog even melden: heb hier ook

VA N

hun           is net mooi de bocht om gekomen.

sms

IN

E

J. van Leeuwen. ‘Bedtijd’, in: Ozo heppie en andere versjes.

jouw          .

E. van de Vendel. Aanhalingstekens.

G

H

©

Omdat ik niet kan groeien een huis is me te klein Vlucht mijn grote verbeelding

naar daar waar           zijn In buizen gangen kieren ik krimp zoveel ik kan beleef mijn grootste angsten en word daar sterker van

Shy effects Ben ik verlegen wordt elke gedachte een bang konijntje op mijn hoofd. Ik kan daar verder niets aan doen: de een gaat zweten, de ander wordt rood

Ze kunnen me niets doen geen onrecht en geen pijn

En ik zit al gauw

Ik hou zoveel van           omdat ze er niet zijn

met een           konijntjes op schoot.

S. Lambert. Waar de monsters nu naartoe zijn.

I. Heytze. Sta op en wankel.

OPDRACHT 2

Deel je mening met je klasgenoten.

Waar gaat je voorkeur naar uit? Wat zeggen en kiezen je klasgenoten? Welk gedicht vind je het grappigst, pittigst, meest ontroerend …?

LES 6 Snoeppoëzie

51


2

Ik smul het meest van … OPDRACHT 3

Bekijk opnieuw het schema dat je invulde bij de gedichten.

1 Markeer twee criteria die voor jou erg belangrijk zijn bij het kiezen van een gedicht. 2 Welk gedicht roep je uit tot jouw favoriete gedicht? Beantwoord voor dat gedicht de vragen. Mijn favoriete gedicht: a Waarover gaat het gedicht? Noteer sleutelwoorden. Maak daarna met de sleutelwoorden één of twee goede zinnen. sleutelwoorden: zin(nen): b Schuilt er een boodschap achter de woorden van het gedicht? Wat wil de schrijver ons duidelijk maken/ vertellen?

IN

c Welke gevoelens heb je bij het lezen van dit gedicht?

VA N

d Wie is de auteur van je gedicht? Heb je eerder al iets van hem gelezen?

3 Zoek op het internet informatie over de auteur van je favoriete gedicht. Wie is hij? Schrijft hij enkel gedichten of ook verhalen? Welke andere werken heeft hij gepubliceerd?

©

+

wat

Genieten van gedichten

Iedereen beleeft poëzie op een persoonlijke manier. Wat voor de één een mooi gedicht is, is dat daarom niet voor de ander. Iedereen hanteert eigen criteria om te bepalen of een gedicht in de smaak valt, hem aanspreekt of raakt. In een gedicht schept de auteur een bepaalde wereld en sfeer waarmee hij de lezers iets wil vertellen. Die boodschap kan heel duidelijk zijn of net niet. Soms is ze verpakt in symbolisch taalgebruik, in allerlei beelden, in figuurlijke taal.

waarheen Je kunt: • • • •

52

gericht luisteren naar gedichten; je mening of gevoel verwoorden bij een bepaald gedicht; verwoorden welke criteria voor jou belangrijk zijn bij de keuze van een gedicht; genieten van gedichten die beantwoorden aan je vooropgestelde criteria.

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


maak een gatengedicht! Oriënteren

o

v

u

r

Zoek een gedicht dat bij jou in de smaak valt. Maak er een gatengedicht van voor een klasgenoot en vervolledig zelf het gatengedicht van een klasgenoot. Hang het dichtwerk op in de klas en maak zo je eigen poëziebeurs! Bewaar je eigen werk in je leesportfolio.

Voorbereiden

o

v

u

r

1 Bekijk opnieuw het schema bij het begin van deze les. Welke criteria zijn voor jou belangrijk bij het kiezen van een gedicht? 2 Waar kun je op zoek gaan naar een goed gedicht? Waar zeker niet?

IN

3 Waarover gaat het gedicht? Noteer enkele sleutelwoorden. Maak daarna met minstens twee sleutelwoorden een goede zin. sleutelwoorden:

Uitvoeren

VA N

zin:

o

v

u

r

4 Schrap op een kopie van je gedicht de sleutelwoorden (minstens vijf ) met een stift, zodat je ze niet meer kunt lezen. 5 Geef je gatengedicht aan een klasgenoot. Zelf krijg je er uiteraard ook een.

©

6 Zoek nieuwe woorden die passen in de gaten en maak zo je eigen gedicht. Zorg voor een liefdevol, droevig, grappig of knotsgek geheel! 7 Lees elkaars werk en beoordeel het resultaat. Houd rekening met de criteria in het reflectiekader.

Reflecteren

o

v

u

r

8 Vul het reflectiekader in. In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Alle gaten zijn gevuld met een woord of woorden.

1234

1234

De ingevulde woorden passen grammaticaal in de verzen.

1234

1234

De ingevulde woorden zijn goedgekozen. De woordkeuze is creatief of origineel.

1234

1234

De ingevulde woorden zorgen voor een geheel. Er ontstaat een nieuw gedicht.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf:

LES 6 Snoeppoëzie

53


Uitdaging: In de snoepkrant Oriënteren

o

v

u

r

Wat wordt er op jouw school allemaal gesnoept? Wie is een stiekeme snoeper? Interview iemand van het schoolteam en schrijf een artikel voor de snoepkrant. Je werkt in groepjes. 1 Beantwoord voor jezelf de vragen van het communicatiemodel. Doe dat voor het interview én voor het artikel.

Het interview

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

2 Zoek leuke vragen voor het interview. • Kies twee vragen die een tegenwoordige tijd bevatten, twee vragen die een verleden tijd bevatten en twee vragen die een toekomende tijd bevatten. • Bedenk ook extra vragen die je kunt stellen om een uitgebreider antwoord te krijgen op een ja-neevraag. 3 Het interview begint met een gepaste inleiding en eindigt met een gepast slot. Bereid dit voor op een apart blad.

Uitvoeren

VA N

a Verdeel het werk! Wie doet de inleiding, wie stelt welke vraag, wie neemt het slot voor zijn rekening?

o

v

u

r

©

b Tijd voor actie! Neem het interview af.

Reflecteren

o

v

u

r

c Vul het reflectiekader in.

In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je interview bevat een inleiding en een slot.

1234

1234

Je zelfbedachte vragen bevatten elk een andere tijd van het werkwoord.

1234

1234

Je spreekt Standaardnederlands.

1234

1234

Je hebt een goed spreektempo.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf:

54

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


Het artikel voor de snoepkrant

Voorbereiden

o

v

u

r

2 Herlees de informatie die je kreeg bij het interview en orden ze in een woordspin.

Uitvoeren

o

v

u

r

3 Schrijf een eerste versie van je tekst. Houd rekening met de criteria. 4 Wissel dan je tekst met die van een ander groepje. 5 Herschrijf je tekst en houd rekening met de tips die je kreeg.

Reflecteren

o

v

u

r

In orde Je traject naar succes

IN

6 Vul het reflectiekader in. jij

je klasgenoot je leraar

1234

1234

1234

Je tekst is gestructureerd: hij bevat een inleiding, een midden en een slot.

1234

1234

1234

Het midden van je tekst bevat minstens drie alinea’s en elke alinea bevat een andere tijd van het werkwoord.

1234

1234

1234

Je tekst is volledig en bevat duidelijke informatie.

1234

1234

1234

Je houdt rekening met de spelling: je tekst bevat hoofdletters en leestekens waar nodig en de werkwoorden zijn juist gespeld.

1234

1234

1234

©

VA N

Je houdt rekening met de vragen van het communicatiemodel.

Werkpuntje voor jezelf:

Dit deel is nu afgerond. Bekijk ook de werkpuntjes en de criteria bij elke pitstop of leesstop van dit deel. Vul aan voor jezelf: • dit gaat vlot: • dit vraagt training:

LES 6 Snoeppoëzie

55


De laatste ronde OPDRACHT 1

Wat is jouw favoriete snoepgoed?

Bedenk voor elke letter van jouw snoepwoord een eigenschap van jezelf of iets dat met jou te maken heeft. Vertel erover aan je buur of voor de hele klas. Bv. DONUT g dierenvriend – onzeker – nieuwsgierig – uil (lievelingsdier) – Thuis (favoriete serie) OPDRACHT 2

Zoek andere woorden die ook in de zin passen.

1 Het kind neemt een snoepje uit de snoeppot. Zoek minstens drie andere werkwoorden die passen in de zin. Kies uit: stelen – likkebaarden – graaien – hutselen – grissen – sjokken – pakken – morrelen 2 Het kind neemt ongevraagd een snoepje uit de snoeppot. Bedenk minstens drie andere woorden die zeggen hoe het kind een snoepje neemt.

Welke vijf smaken zijn er? Vul ze in de cirkels in. Vul elke smaak aan met een voorbeeld.

VA N

OPDRACHT 3

IN

Z

Z

Z

citroen, azijn,

oester, haring,

honing, stevia,

©

B

U      parmezaan, zolderspek,

pompelmoes, koffie,

OPDRACHT 4

Vul aan.

1 Horen staat tot luisteren als zien staat tot k       . 2 Proeven staat tot smaken als tasten staat tot v       . OPDRACHT 5

56

Welk woord gebruikt Karen Dierickx in het verhaal?

het enthousiasme

de v

slim, listig

b

het kampement

het b

van schrik achteruitgaan

a

kruidnagel, peper …

de s

ingelegd, ingemaakt

g

comfortabel g

het gefoeter, het gemok

het g

de geneesheer

apathisch, gedachteloos

w

de c

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


De laatste ronde OPDRACHT 6

Zoek in de woordenlijst drie woorden die je in verband kunt brengen met deze tekening.

Schrijf de woorden bij de juiste pijl en geef een woordje uitleg.

Ken je het verschil tussen beslag en deeg? Zoek het op en geef van elk een duidelijk voorbeeld. Formuleer dat voorbeeld in een zin.

IN

OPDRACHT 7

• beslag:

zin: • deeg: voorbeeld: zin: OPDRACHT 8

VA N

voorbeeld:

De schrijfster gebruikt beeldende taal. Wat bedoelt ze hiermee? Vul aan.

©

1 Stop vanavond de hemel in je mond! g Stop iets            in je mond. 2 Er zit een hand rond haar hart als Manou zich naar de kar omdraait. Ook rond haar keel zit nu zo’n hand. g Manou voelt           . Dat voel je dikwijls ter hoogte van je hart of je keel. Het lijkt alsof er een hand rond zit. 3 Manou is niet zo sterk in lezen, maar met Aimée win je elke veldslag. g Aimée weet

.

Zoek nu zelf in het verhaal nog een voorbeeld van figuurlijk taalgebruik.

DE LAATSTE RONDE

57


De laatste ronde OPDRACHT 9

Geef een woord uit de woordfamilie.

Kies voor een werkwoord (ww), een zelfstandig naamwoord (zn) of een bijvoeglijk naamwoord (bn). Gebruik het woord daarna in een zin. • de mythe

(bn)

(ww)

zin: • gekonfijt zin: • systematisch het

(zn)

zin: • de huif

de

(zn)

(bn)

zin: • de verrukking

OPDRACHT 10 Ontcijfer de anagrammen.

IN

zin:

Gebruik het gevonden woord in een goede zin. De beginletter is onderstreept.

zin:

VA N

• rijpe scene:

• gelijke rif:            zin:

zin:

©

• bassen tuit:

• zienden:            zin:

(synoniem: kruiden)

(synoniem: comfortabel)

(synoniem: grondstof )

(synoniem: uit schrik reageren)

• cas mythe sist:            (synoniem: stelselmatig) zin: • kruk lekvrije:

(synoniem: heerlijk)

zin: • gym hit school:            (tip: mythe) zin: • ezels woon:

(synoniem: gedachteloos)

zin: OPDRACHT 11 Maak zelf anagrammen.

Kies een woord uit de woordenlijst. Probeer met alle letters van dat woord één of meer andere (onbestaande) woorden te maken. Gelukt? Laat een klasgenoot jouw anagram ontcijferen.

58

TRAJECT Nederlands 2   deel 1 Snoepen


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Traject Nederlands 2 deel 1 by VAN IN - Issuu