Skip to main content

L4 - Ik ben Laika

Page 1

midden van de straat. Zij en ik. Het miezerde. Wolken schoven voor de maan. Ik had me een hoedje kunnen schrikken. Maar ik schrok me geen hoedje. Ik schrok me een aap.’ Zo begint het verhaal van een hond die geen gewone hond is en van een meisje dat geen gewoon meisje is, een verhaal dat loopt van hier tot in Rusland en tot in

Oelewapper van de week | Karla Stoefs Ik ben Laika | Paul de Moor

‘“Ik ben Laika”, zei ze doodleuk. We stonden in het

Oelewapper van de week Karla Stoefs | Mark Borgions

een raket om de aarde. Geen gewoon verhaal, dus.

Paul de Moor | Julie Tavernier

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's

4

30/05/17 11:59


C100 M76 Y39 K33

C68 M17 Y36 K0

3

C70 M20 Y67 K0

4

C16 M30 Y70 K0

Ik ben Laika Paul de Moor | Julie Tavernier


“Ik ben Laika”, zei ze doodleuk. We stonden in het midden van de straat. Zij en ik. Het miezerde. Wolken schoven voor de maan. Ik had me een hoedje kunnen schrikken. Maar ik schrok me geen hoedje. Ik schrok me een aap. Laika was niet het meisje van de buren en Laika was ook geen papegaai. Was Laika maar het meisje van de buren of een papegaai, ik had me geen aap hoeven schrikken. En nee, ze was ook geen sprekende pop met rood haar en ook geen taterende marionet met een trom voor haar buik. Laika was een hond. En wat voor een hond. Heus. Een sprekende hond. “Je mag ook Blaffertje zeggen. Laika is Russisch voor Blaffertje, snap je. Maar mijn echte naam is Kudryavka, Krulletje. Zo kenden alle zwerfhonden me. Als je Krulletje verkiest, mij goed. Krulletje bekt makkelijker, niet?” “Laika is mooi”, zei ik. “Dat weet ik”, zei Laika.

3


Ik geloofde mijn ogen niet, en mijn oren ook niet. Ik kneep zo hard ik kon in mijn arm. Ik schreeuwde het uit. “Doet het pijn?”, vroeg Laika. “Ik droom”, zei ik. “Dat denk ik niet”, zei Laika. “Je bent een hond”, zei ik. “Daar waren we het al over eens”, zei Laika. “Zijn honden hier zeldzamer dan gorilla’s? Je weet toch wel wat een hond is? Zo’n knuffel op vier poten met een staart, een snoet om te aaien en ogen zo trouw als alleen maar de ogen van een hond kunnen zijn.” “Hondstrouwe ogen?”, vroeg ik om iets te vragen. “Wat ik zei”, zei Laika. Toen moest ik mijn ogen en oren wel geloven. Laika sprak. Of ik het geloofde of niet.

4


Ik keek naar de maan en de wolken die voor de maan zeilden. De regen viel zacht op mijn ogen. Ik trok de kraag van mijn jas over mijn oren. Dat doe ik altijd als ik ril. De kraag van mijn jas over mijn oren trekken. En met mijn ogen knipperen. “Ik ben terug”, zei Laika. “Terug?”, vroeg ik. “Zover ik me kan herinneren hadden we thuis geen hond en ik ben toch al negen jaar.” “Tien”, zei Laika. “Ben je tien?”, vroeg ik. “Nee, jij”, antwoordde Laika. Ze had gelijk. Ik was tien en redelijk vergeetachtig. Nou ja, ik ben elf nu maar ik vergeet evenveel als toen ik tien was. Gisteren vergat ik mijn viool mee naar de muziekschool te nemen. Ik stond er mooi te kijk met mijn lege kist. En maar lachen, die juf van me.

5


“Ik ben terug van daarginds”, zei Laika. Ze wees naar de maan. “Natuurlijk,” zei ik, “wat stom van me. Je bent een sprekende hond en je komt van de maan. Eventjes doodleuk dag zeggen tegen een meisje van tien. Dat gebeurt. Niets normaler dan dat. Als de maan schijnt en het regent zachtjes kan er heel wat gebeuren, toch?” “Je hoeft niet boos te worden”, zei Laika. “Ik ben niet boos”, zei ik. Ik zei niet dat ik een tikkeltje bang was. “Heb je iets te eten?”, vroeg Laika. “Ik val omver van de honger.” Ik zocht in mijn zakken. Een eindje touw. Een knoop. Een stuk van een euro, twee stukken van vijftig cent en drie kopertjes van vijf cent. Een elastiekje. Mijn mobieltje waarvan de batterij leeg was. Een krans van paperclips en een gommetje. Spullen die elk meisje van mijn leeftijd in haar zakken heeft.

6


7


“Ik eet netjes, hoor”, zei Laika. Ik viste de lege wikkel van een reep chocola uit de rechterzak van mijn jas. Op een verfomfaaid papiertje stond in potlood een telefoonnummer. Er stond geen naam bij. Het was beslist niet het telefoonnummer van het dierenasiel. “Als het maar geen papje is”, zei Laika. “Ik heb niets bij me om te eten”, zei ik. “Denk niet dat ik slobber met die tong van me. Ik eet heus heel netjes.” “Maar ik heb niets”, zei ik. Laika veinsde me niet te horen. “Albina en Muchka, dat waren pas knoeiers.” “Albina en Muchka?”, vroeg ik. “Je weet werkelijk niets, hè?”, vroeg Laika. “Wat weet je van notenbalken?”, vroeg ik. “Ezels balken”, antwoordde Laika. “Niets dus”, zei ik. “We bleven met drie over”, zei Laika. “Albina, Muchka en ik. Drie teefjes. Ik at het keurigst.” “Jullie bleven met drie teefjes over?”, vroeg ik. Ik wist in de verste verte niet waarover Laika het had. En dat keurig eten vond ik maar iets raars. Nou ja, voor honden dan.

8


Mijn papa maakte altijd grapjes over eten. “Eet jij wild?”, vroeg hij mijn mama. “Als het geen haas is, ja”, antwoordde mijn mama. “Ik eet liever met mes en vork”, zei hij. Dat soort moppen dus. “Luister”, zei Laika. “Op een dag liep ik door de straten van Moskou. Je weet toch dat Moskou een grote stad is, hè?” “De hoofdstad van Rusland”, zei ik. Ik voelde me gekwetst. Dacht Laika dat ik de hersenen van een stekelbaars had? “Juist”, zei Laika. “Maar toen was Moskou ook de hoofdstad van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken, de USSR.” Ik beet op mijn lip. “De USSR was een groot rijk. Het strekte zich uit van Europa tot aan de andere kant van de wereld en het bestond uit tientallen staten. Het was een blok en het stond lijnrecht tegenover het blok van West-Europa met de Verenigde Staten.”

9


Ik had geen zin in een les geschiedenis. We stonden in het midden van de straat. De regen viel schuin uit de lucht. Mijn haar droop. Langs de kraag van mijn jas lekte de regen in mijn nek. En Laika was niet de enige die trek had. “De twee blokken voerden oorlog zonder wapens, zonder te bewegen”, zei Laika. “Het was de tijd van de Koude Oorlog.” Ik wilde naar huis. Ik had het ook koud.

10


“De blokken probeerden elkaar in alles te overtroeven. In het bouwen van grote huizen. In het omploegen van land. In het voetbal. In het zwemmen. In het omleggen van rivieren en het trekken van spoorwegen. Ze startten een wapenwedloop. Om het meest, om het vurigst, om het dodelijkst. Tot de tanden toe. Met daarbij ook nog kernwapens. Op het land, in de zee, in de lucht. Daar kwamen raketten van. En ruimteschepen. De blokken wilden ook tonen hoe ze dromen waar konden maken. Dromen die de mensheid al eeuwenlang koesterde. Zoals een kijkje nemen in het heelal. Door de ruimte zweven. Sterren van nabij bekijken en de aarde van op grote afstand omcirkelen. De achterkant van de maan fotograferen. Zulke dingen. Maar wie zou het eerst zijn? Het ene blok zei: ‘Wij!’ Het andere blok zei: ‘Nee, wij!’ En de blokken startten een nieuwe wedloop, die naar de maan.” Van een sprekende hond had ik andere verhalen verwacht. Avontuurlijke verhalen. Spannende verhalen. Maar als het was om schooltje te spelen kon ik evengoed bij mijn juf aanbellen. Die sprak ook en was geen hond. Al woonde ze een heel eind uit de buurt. Ze kwam met de trein naar school. “Daarom werd ik geroofd”, zei Laika. “Geroofd?”, vroeg ik. “Ontvoerd”, zei Laika.

11


“Ik liep door de straten van Moskou. Dat was zowat mijn beroep, door de straten van Moskou zwerven. Ik blafte naar een kat. Rommelde wat in vuilnisbakken en sleepte er wat eetbaars uit. Ik geef je op een blaadje: ik was vlug tevreden. Een prop grauw papier waar het vet vanaf droop was een godenmaal. Ik vocht erom met de ratten. Mensen maakten mij aan het schrikken en ik bezorgde mensen de schrik van hun leven. Zomaar.” “Zoals nu”, zei ik. “Helemaal niet”, zei Laika. “Het was voor de lol dat ik de mensen schrik aanjoeg.” “Zo zit dat”, zei ik. “Je brengt me aardig van mijn stuk, hoor. Als je dat maar weet.” Heus, ik hoorde mijn tanden klapperen. “Maar nee, het was een spel. Vooral ’s nachts, in stille

12


achterafstraatjes waren de mensen bang voor me. Ook al deed ik niets. Ook al gromde ik niet eens. Ik had niets kwaads in de zin. Misschien dachten ze een spook te zien?” “Natuurlijk wel”, zei ik. “Ik staarde naar mezelf in de plassen rond de riolen en zag een mager en pezig scharminkel dat me strak aankeek. Niets om er het op een lopen voor te zetten. Als het erop aankwam vocht ik weleens een robbertje uit met andere honden. Rashonden waren eitjes. Het ravotten niet waard. Maar de andere zwerfhonden? Daar zaten kwaaie klanten tussen. Er waren ook katten waar ik met een wijde boog omheen liep. Je had handschoenen nodig om de mormels aan te pakken, vreselijk wild waren ze. Maar handschoenen had ik niet. Op een avond liep ik nietsvermoedend door een wat duistere wijk. Ik blafte een liedje. Het miezerde. Een koude wind joeg door de straten. Ik had geluk gehad die avond: ik had mijn buikje halfrond kunnen eten aan een homp klef brood. In een portiek vond ik beschutting. Ik moet in slaap gesukkeld zijn. Verdoofd door het heerlijke eten. Straathonden zoals ik slapen altijd met een oog dicht en een oog open, zoals dolfijnen en haaien. Het gevaar zit in een klein hoekje, weet je. Voor je het weet krijg je als zwerver een stomp tussen je ribben. Of een trap onder je kont. Dat vinden mensen heel leuk.” 13


“Ik weet niet hoe het gegaan is. Misschien hadden mensen me verdoofd met zo’n akelig spuitje van ze? Ik werd wakker in een kooi, in de laadbak van een gammele vrachtwagen. Ik was niet alleen. Ik zag andere straathonden die ik helemaal niet of maar van ver kende. Straathonden uit andere sloppenwijken en uit andere verborgen krochten en verlaten opslagruimtes. Een paar honden had ik ooit zien rondspoken onder bruggen of zien wegduiken in gaten in de grond. Ik vroeg wat er aan de hand was. De honden om me stonden nu eens haarscherp, dan weer wazig in mijn ogen. Is dit een nare droom, vroeg ik me af.

14


Niet dus. We waren allemaal geroofd. Zomaar door mensen van straat geplukt. Dat het niet pluis zat was zonneklaar. Een oude, wijze hond zei dat de mensen ons naar een plek brachten waar ze ons zouden vergassen. In de krant had iets gestaan over een hondenplaag in de stad. Zwerfhonden waren ongedierte dat vakkundig uitgeroeid moest worden. Een andere hond, eentje met een grote wrat op haar kop, zei dat het niet zo’n vaart zou lopen. ‘Ze brengen ons naar een mooi groot hondenhotel waar een stevig bad en rijke maaltijd wachten’, zei ze. ‘Misschien is er ook wel een kapster’, zei ze. En een andere hond zei dat ze ons naar de Noordpool zouden brengen, als voer voor de ijsberen. Ik hoef je niet te zeggen dat er grote onrust heerste in de kooien op de vrachtwagen. We blaften en gromden en klaagden tot we doorhadden dat we er niets mee opschoten. De mensen keken ons na, maakten van hun wijsvinger een mes en trokken het mes over hun keel. We konden onze krachten beter sparen. Ik was maar wat blij toen we de stad uit waren en de mensen een zeldzaam verschijnsel werden. Nou ja, ik was blij en bang, vooral bang om wat komen zou.” “Onze ogen vielen uit onze kop. We waren stadsdieren. We voelden ons goed in ons vel in straten en op pleinen, tussen de huizen, in de drukte van de stad. En nu stonden we in 15


een grote open vlakte. Voor een groot gebouw met daaromheen een verzameling kleinere gebouwen. Er was tot voorbij de horizon geen boom te zien. Er was geen heuvel als richtingaanwijzer en er was geen rivier die je kon volgen. Waar ik ook keek, overal zag ik gras. Het groeide tot tegen de horizon, in alle vier de windrichtingen. Borstelig bruin, grijs en gelig gras en nog eens borstelig bruin, grijs en gelig gras. In de lucht hing geen vogel. Geen levend wezen zorgde voor een rimpeling in het gras. Later ontdekte ik dat er zich knaagdieren in het gras schuilhielden. Hamsters. Muizen. Fluithazen. En nog later zag ik een zeldzame trapgans jacht maken op een fluithaas. De trapgans was echt een reusachtige vogel, ze was zo groot dat het haar de grootste moeite kostte om te vliegen. Daarom vloog ze alleen maar als het hoognodig was, als ze honger als een wolf had. Dan kon de fluithaas maar beter niet fluiten wat hij uitspookte.” “Kunnen we een eindje lopen?”, vroeg ik. Uit de kerktoren klepten trage uren. Ik moest op huis aan. Het werd laat. Maar het verhaal van Laika wilde ik nu ook voor niets meer missen. “Graag”, antwoordde Laika. Zei Laika “graag” omdat ze een warm huis, een flink pak dekens en een berg hondenbrokken vermoedde? Nou, dan had ze het goed mis. Mijn mama en papa waren niet tuk op

16


honden en nog veel minder op straathonden die leken op verdronken ratten. “Ik was in de hel, al had ik dat niet onmiddellijk door. Ik werd gewassen, ik kreeg te eten en een plek om te slapen. ‘Zie je wel,’ zei de hond met de grote wrat op haar kop, ‘ik voorspelde het paradijs en wat krijgen we? Het paradijs!’ Ze

17


keek triomfantelijk, als een haantje-de-voorste dat met alle pluimen is gaan lopen. Maar ik vertrouwde het zaakje niet. Er was iets waar ik mijn poot niet op kon leggen. Alsof de schaduwen niet zwart maar wit waren en onzichtbaar langs de witte wanden schoven. Maar ze waren er wel, de schaduwen. En er waren mannen in witte jas. Het was er te proper, te schoon geschrobd. Het rook er naar luchtjes die ik alleen van apotheken, ziekenhuizen en fabrieken kende. Er waren veel te veel kabels en buizen langs de wanden en veel te veel elektrische toestellen en schermen waarop niets te zien was, op spartelende en kronkelende lijnen na. ‘Ik weet het niet’, zei ik. ‘Jij weet niets’, zei de hond met de grote wrat op haar kop. Ik vloog haar aan en knalde met mijn snuit tegen de tralies van mijn kooi.” “ ‘Is dit het paradijs?’, vroeg ik.” “Waren we in een onderwereld beland? De dagen erna brak de hel los. Een voor een werden we uit onze kooien gehaald. Een voor een werden we gekeurd door een man in witte jas. Hij keek in mijn bek, hij scheen met een lamp in mijn ogen, kneep hard in mijn buik. We werden uitgedund. Kooien bleven leeg. Honden bleven weg. Ik vroeg me af of de honden die niet terugkwamen geluk of pech gehad hadden. Waren ze terug naar de stad gebracht? Of waren ze met een spuitje ...” 18


19


20


“Een hond met pluizig sikje had schoten gehoord, gevolgd door een ijl gekerm dat door merg en been ging. ‘Zwijg jij, stomme geit’, blafte ik haar toe. Ik liep op de tippen van mijn zenuwen, ik geef het grif toe.” “Want wat met ons, de achterblijvers? Wat zou er met ons gebeuren? Ik werd stil. Ik staarde naar de kooi van de hond met de grote wrat op haar kop. Leeg. Waar was ook zij naartoe? Ik voelde wroeging.” “Wroeging?”, vroeg ik. “Omdat ik de hond met de grote wrat op haar kop had willen aanvliegen. Omdat ik de hond met de sik een geit had genoemd. Omdat ... omdat zoveel omdat. We zaten met zijn allen in hetzelfde schuitje en ik had het niet willen zien. We waren vogelvrij verklaard.” “Na een paar dagen werd ik opgehaald. De man in witte jas en met de zware donkere bril zei geen woord. Ik probeerde in zijn ogen te kijken, te raden wat hij met me van plan was. Hij ontweek mijn blik. Hij liet me achter in een kleine kist en draaide het licht uit. Ik weet niet hoelang ik in de kist zat. Er was niets om mee te spelen. Er was ook geen plaats om te spelen. Er was niets om te eten of te drinken en het was er onvoorstelbaar stil. Niet zo stil als in een afgelegen wei omgeven door bomen. Daar hoor je altijd een bromvlieg. Of 21


het gekras van een ekster. Of het getrappel van een koe. Of het springen van een sprinkhaan in het gras. En wat geen mens horen kan, maar een hond wel: de vleugelslag van een vlinder. Nee, in die kleine ruimte was het zo stil dat ik het kloppen van mijn hart hoorde. Het suizen van het bloed in mijn oren. Het trillen van de haartjes in mijn vacht. Ik blafte en schrok van mijn geblaf. Het was zo luid. Zo hard. Ik kermde en mijn gekerm was om gek van te worden, zo zeurend, zo klagend. Geen wolf kon zo zeuren, zo klagen. Ik dacht aan de straten van Moskou. Wat een geweldige tijd was dat. Ik had er niets, maar ik was vrij. Ik liep waar ik graag liep. Ik blafte als ik er zin in had. Ik haalde de gekste streken uit, was dan eens een bullebak en dan weer een lief schoothondje. Ik zocht mijn makkers op als ik alleen was en liep van mijn makkers weg als ik alleen wilde zijn. Ik keek in mijn hoofd als naar een film en vergat de tijd. Ik weet niet wanneer de man met de witte jas me weer kwam ophalen. Ik weet niet hoelang ik opgesloten zat in de kist. Ik knipperde met mijn ogen tegen het licht. ‘Braaf beest. Flink zo’, zei de man met de witte jas. Ik was woest. Ik? Een beest?”

22


“Opeens zag ik het. Alle honden in de kennel waren teefjes. Er was niet één rekel bij. En we waren allemaal straathonden, niet één hond was een rashond, niet één hond was een jager. Waarom? Ik wist dat straathonden sterker waren dan rashonden en dat teefjes heel wat meer aankonden dan rekels. Teefjes zijn rustiger ook. Maar ik had het raden naar de bedoeling van de mannen in de witte jas. Wat gebeurt er toch?, vroeg ik me voortdurend af. Kan dit stoppen? Kan dit nu stoppen, alstublieft?” “Het antwoord bleef niet lang uit. Ik kreeg het van een vlieg. Vliegen weten alles; ze zijn overal snel bij en hebben duizenden ogen. Ze zijn erger dan mussen. Mussen kwetteren nieuwtjes en roddels rond, vliegen zoemen ze rond, tot in de verste uithoeken, tot onder de lampenkappen, tot in de netten van spinnen. De vlieg zei: ‘Laika, een van jullie zal in een raket gestopt worden en de ruimte ingeschoten worden.’ Ik schoot in de lach. ‘Doe je grapjas maar uit, vliegje’, zei ik.

23


‘Ik sta niet bekend om grapjes’, zei de vlieg. ‘Ze schieten al jaren hamsters en ratten en muizen de lucht in.’ ‘Waarom zouden mensen honden naar de maan sturen?’, vroeg ik. ‘We zijn toch hun troetelkinderen? We houden de mensen gezelschap. We waken over ze. We spelen met ze. We jagen voor ze. We likken hun oren en neus en kietelen hun tenen.’ ‘Om te leren’, zei de vlieg. ‘We zijn slim genoeg’, zei ik. ‘Wij straathonden, wij leerden alles wat we moeten weten op straat.’ ‘En jullie werden zo slim dat jullie vergaten te waken, dat jullie je lieten verschalken als wormen’, zei de vlieg. Ik had de vlieg kunnen inslikken. ‘Nee’, zei de vlieg. ‘De mensen hebben jullie nodig om te leren wat er gebeurt als een levend wezen gewichtloos is. Wat gebeurt er als het gaat zweven? Gaat het dood? Kan het nog eten en drinken enzovoort? Wat gebeurt er met zijn plas en kak en kots? En wat doet straling met gewichtloze wezens? De dampkring om de aarde houdt stralingen uit de ruimte tegen en maakt leven op aarde mogelijk. Maar wat gebeurt er precies wanneer stralingen vrij spel krijgen? Verbranden levende wezens? Daarom kogelt de mens insecten de ruimte in. Vlinders, wespen, bijen, muggen en vliegen, ja helaas ook vliegen, zijn het kind van de mensenrekening.’

24


25


‘Vlieg, je moest boeken schrijven, zoveel verbeelding’, zei ik. ‘Verbeelding? Wij, vliegen, hebben geen verbeelding. En we stellen ons ook geen miljoenen vragen, zoals mensen doen. We doen wat we moeten doen: vliegen. Wie vraagt zich nu af of vissen kunnen zwemmen in de ruimte? Of bijen honing kunnen maken in het luchtledige? Of mieren een kolonie kunnen stichten in een wereld waarin niets iets weegt? Nee, aan verbeelding ontbreekt het de mensen niet. En aan vragen ook niet. Daarom vliegen ze. Varen ze. Duiken ze. Zouden ze niet beter doen wat ze moeten doen?’ ‘En dat is?’, vroeg ik. ‘Lopen’, zei de vlieg. ‘De aarde rondtrekken. Leven van wat ze vinden.’ ‘Zoals wij? Zoals zwerfhonden?’ ‘Precies.’ ‘Waar haal je het?’, vroeg ik. ‘Daarvoor hebben ze toch twee benen?’ ‘Ik geloof geen sikkepit van je verhalen’, zei ik.” “ ‘Ik zal je iets vertellen waarvan je van je stoel tuimelt’, zei de vlieg. ‘Ik hou me vast’, zei ik. ‘De Amerikanen bemanden hun raketten met apen’, zei de vlieg.

26


‘En de apen haalden grapjes uit’, zei ik. ‘Want daarvoor zijn het apen, niet?’ De vlieg veinsde me niet te horen. ‘Ze zetten resusaapjes in die klein en potig en sterk genoeg waren om hevige hitte en overweldigende koude te trotseren.’ ‘Wat je zegt’, zei ik. ‘En brachten ze geen resusaapjes in stelling, dan eekhoornaapjes.’ ‘Ook leuke diertjes’, zei ik. ‘En chimpansees.’ ‘Waarom chimpansees?’ ‘Omdat chimpansees slimmer zijn dan alle resusaapjes en eekhoornaapjes samen’, zei de vlieg. ‘Maar niet zo slim als honden’, zei ik. ‘Dat dacht je maar’, zei de vlieg. ‘Denk je heus dat die man in witte jas me in een baan om de aarde zal schieten?’, vroeg ik. ‘Ja’, zei de vlieg kort. ‘Ik lach me een breuk’, zei ik. ‘Doe wat je niet laten kunt’, zei de vlieg. ‘Artsen genoeg hier.  ’ ” “Toen zei de vlieg iets waar ik niet van terug had. ‘Je vroeg je af waarom het hier vol teefjes zit. Waarom er geen enkele rekel is?’ 27


‘Hoe weet jij dat?’ ‘Ons, vliegen,’ sloeg de vlieg zich op de borst, ‘ons ontsnapt niets, ook al vliegt het.’ ‘Zeg nou maar waarom.’ ‘Teefjes zijn makkelijker af te richten en let maar op, het ruimtepak dat ze je zullen aantrekken zal je als gegoten zitten. Ruimtepakken maken voor rekels is veel moeilijker. Rekels heffen hun poot op om te plassen, weet je? Jullie meisjes niet. Jullie uitwerpselen zijn veel makkelijker op te vangen ...’ ‘Ik plas toch waar ik wil’, zei ik. ‘Niet in een ruimtecapsule’, zei de vlieg. ‘Ik hoef geen ruimtepak’, zei ik. ‘Ik zit meer dan goed in mijn vel. Geen mens heeft zo’n mooie vacht. Kijk maar. Die man met zijn grote zwarte bril heeft amper wat pels op zijn hoofd. Het is potsierlijk.’ ‘Het gaat niet om vacht maar om pak’, zei de vlieg. ‘Ik geloof nooit ... en bovendien, ik wil niet in een ruimtecapsule’, zei ik. ‘Je ziet maar’, zei de vlieg en ze vloog met een boog weg. Ik trilde op mijn poten. Ik wist niet of ik moest lachen of huilen, en ik huilde. Ik was nog nooit zo bang geweest. Ik deed het in mijn broek.”

28


Ik keek naar Laika en Laika keek mij aan en ik smolt. Haar ogen stonden triestiger dan de triestigste regenbuien die uit de triestigste wolken dropen. Haar blik smeekte en haar oren hingen slap naast haar kop. Ik bukte me en sloeg mijn natte armen om haar natte oren. Haar neus voelde aan als een blok ijs. “Was je zo bang?”, vroeg ik. “Banger”, zei Laika. “Je dacht niet aan ontsnappen?”

29


“Na de vlieg dacht ik aan niets anders. Maar het was te laat. De cirkel sloot zich steeds nauwer om me heen. Er was geen uitweg meer.” We liepen langs het park. Auto’s ruisten in de regen. Een fietsster lag kromgebogen over haar stuur. Haar mond opengesperd. Hijgend als een hond. Ze had een helm op. In de helm flikkerden vooraan een wit licht en achteraan twee rode lichten. De straatlantaarn ving in een bol neonlicht de wazige regen. “Ik werd almaar langer opgesloten in de zwarte ruimte. De uren duurden dagen en de dagen maanden. Ik had niets omhanden. Ik liep door mijn herinneringen, probeerde me te herinneren hoe het was toen ik een jaar was, acht maanden was, twee maanden was ... Tot ik me de dag herinnerde waarop mijn baasje me op straat schopte, de enige dag die ik me niet meer wilde herinneren. Het erge was dat de ruimte kleiner en kleiner werd. Tot ik me bijna niet meer kon bewegen. Kun je je dat voorstellen? Opgesloten zitten in een piepkleine zwarte kooi met als enig geluid het tikken van je hart, het knipperen van je oogleden, het zoeven van je bloed door je aderen?” “Nee!”, zei ik.

30


31


“En toen kreeg ik mijn ruimtepak aangemeten. Het was vreselijk. Het knelde onder mijn oksels. Het zat vast om mijn buik. Ik kon geen poot meer verzetten. Dagen achtereen zat ik opgesloten in het pak. En dat gebeurde niet één keer en geen twee keren, het gebeurde tientallen keren en de periodes waarin ik erin opgesloten zat werden langer en langer.” Ik dacht aan de sardientjes in het blik. Hoe ze erin geperst zaten. Ik vond het zo erg voor de sardientjes dat ik er nooit at. “Op het eind zat ik met mijn pak geprangd in een doos die niet veel groter was dan een schoenendoos. Ik hapte naar lucht. Ik werd vastgebonden met riemen en toen ... toen ...” Dikke tranen bungelden over Laika’s wangen. “De schoenendoos begon te schommelen, te zwieren, te tollen. Ik wist niet wat me overkwam. Ik braakte mijn slokdarm

32


uit en slikte mijn slokdarm weer in. ‘Ik sterf!’, riep ik. Maar er was niemand die me hoorde want de woorden bleven in mijn mond steken. Ik moet groen gezien hebben op het ogenblik dat ze me uit de schoenendoos haalden.” “Het gezoem van de vlieg bleef in mijn kop hangen. Zouden de mannen in witte jas me werkelijk de ruimte in mikken? Ik oefende in het inhouden van mijn adem, in het scherpen van mijn gehoor. Ik leerde ooglezen en liplezen. Wat fluisterden die mannen in witte jas tegen elkaar? Ging het over mij? Ging het over wat ze met me voorhadden? Ik vroeg het aan de andere honden. ‘Weten jullie waar de mannen in witte jas het over hebben?’ We waren met drie overgebleven: Albina, Muchka en ikzelf. Ik had Albina en Muchka nooit ontmoet in de straten van Moskou. We kenden elkaar van haar noch staart en we wisten niets van elkaar. En toch had iets of iemand ons in dit hok in de steppe samengebracht. Had iemand of iets ons leven in gevangenschap met elkaar verbonden. Ver van de bewoonde wereld. Op een eiland bijna, omgeven door een zee van gras waarin de wind golven opjoeg. We waren er samengebracht met een bepaald doel. Een doel dat wij niet kenden, maar dat beetje bij beetje duidelijk werd. Een doel dat wij niet wilden kennen. Waar we ook niet over wilden praten. We dachten meer

33


achteruit dan vooruit. We dachten aan ons heerlijke zwerversleventje. Aan de straten en lanen waarin we vrij in- en uitliepen. Hoe kleiner onze kooien werden, hoe groter de wereld van toen werd. Hoe meer gesloten onze kooien, hoe opener de vrije wereld.” “En kwam je iets aan de weet?”, vroeg ik. “Ik deed ongelooflijk mijn best, maar ik ving niets op. De proeven die ik onderging matten me helemaal af. Soms was ik zo uitgeput dat ik niet eens meer op mijn poten kon staan.” “Maar op een dag had Muchka groot nieuws. Nieuws dat Albina en mij de stuipen op het lijf joeg. Er was een journalist geweest. Hij had de mannen in witte jas aan de tand gevoeld en duizend-en-een vragen gesteld en de mannen hadden duizend-en-een antwoorden gegeven. Ja, ze hadden raketten gebouwd en ja, ze hadden dieren de lucht in gejaagd. En jawel, er waren tal van dieren verongelukt. De dieren verdienden een standbeeld, zeiden ze. Ze hadden hun leven gegeven voor de wetenschap. Muchka zei dat ze bevroor van schrik toen ze de mannen in witte jas had horen vertellen. Zigeuner was 100 km de lucht in geschoten en veilig teruggekeerd. Maar de parachute van de capsule van Lisa en Vos was in het terugkeren niet opengeklapt en ze

34


waren te pletter gestort. De Amerikanen deden niet onder, zeiden ze. Die schoten aapjes naar omhoog. Ze zeiden dat de aapjes Albert één, twee, drie, vier, vijf en zes verongelukt waren. Dat Albert één op een hoogte van 63 km was gestikt. Dat de capsule van Albert twee op aarde te pletter was gestort. Dat de capsule van Albert drie op een hoogte van bijna 11 km was ontploft. Dat Albert zes levend was teruggekomen, maar zo uitgeput en zo zwaar toegetakeld was door de hitte dat hij een paar uur na de landing de geest had gegeven. De journalist vroeg of de wedloop naar de sterren in een slagveld van dieren was uitgemond. De mannen in witte jas hadden hun schouders opgehaald. De Amerikanen hebben voorsprong, zeiden ze. Albert twee heeft een hoogte van 134 km bereikt en is daardoor de eerste levende ruimtevaarder. ‘Kreeg hij een lintje en een gouden medaille om?’, vroeg de journalist. ‘Nou, nee’, antwoordden de mannen in witte jas. ‘Zijn parachute weigerde dienst.’ ‘Ach zo’, zei de journalist. ‘We kunnen nog geen mensen naar de ruimte sturen’, zeiden de mannen in witte jas. ‘Dat kan mensenlevens kosten. We zullen het nog een tijdje met honden moeten doen.’ ‘Ze trekkebekten van spijt met hun mond’, zei Muchka. ‘Niet omdat ze honden in de strijd opofferden, maar omdat ze nog geen mensen de ruimte in konden sturen.’”

35


“De journalist vroeg of er vluchten gepland waren met honden. Een van de mannen had zich omgedraaid en naar ons gewezen. ‘Een van hen zal de eer hebben om het vaderland een grote dienst te bewijzen’, zei hij.” “Ik vroeg Muchka of ze het wel goed gehoord had. ‘Ik heb het niet gedroomd’, antwoordde ze. Albina sloeg haar voorpoten voor haar hoofd en kermde luid. Ik sloop stilletjes weg naar een hoek van mijn kooi. Ik probeerde me de grote lege ruimte voor te stellen. Er zou alleen maar zwart zijn. Het zou er stil zijn. Ik zou er helemaal alleen zijn. En ik zou waarschijnlijk nooit meer een poot op aarde zetten. En toen kreeg ik het helemaal. Zou ik ooit nog in de straten van Moskou kunnen dolen? Zou ik ooit mijn kameraden terugzien? Zou ik ooit mijn buikje nog eens rond eten aan een homp klef brood? Het kan niet, zei ik tegen mezelf. Het mag niet. Ik schopte wild tegen de spijlen van mijn kooi. ‘Nee nee nee nee!’, schreeuwde ik. ‘Laat me eruit! Eruit!’ ” “En stuurden ze je de ruimte in?”, vroeg ik. “Een ogenblik”, zei Laika. Ze schudde haar vacht. Druppels water spatten in het rond en kwamen twee keer op mij terecht. Ik zette een pas achteruit en stapte met mijn linkervoet in een grote plas. Een auto zoefde langs en kieperde 36


37


nog meer water over me heen. “De douches zijn gratis vanavond”, zei Laika. “Grappig”, kreunde ik. Ik zag eruit alsof ik in een regenton gevallen was. “De proeven gingen maar door. Ik wist niet meer of het dag of nacht was. Of het buiten warm of koud was. Misschien zochten mijn vriendjes in Moskou me? Misschien hadden ze mijn spoor geroken en wachtten ze op het juiste ogenblik om Muchka en Albina en mij te bevrijden? Ja, dat moest wel. Ze zouden ongerust zijn en ... Ik koesterde die hoop als een puppy. Ik hield ze voor ogen toen ze me voor de eerste keer in een piepkleine capsule propten en ook daarna, tot ... De eerste keer in de capsule vergeet ik nooit. Ze trokken me mijn ruimtepak aan en met een schoenlepel wrikten ze me de capsule in.” “Met een schoenlepel?”, vroeg ik. “Nou ja,” zei Laika, “ze bonden me met riemen vast. Ze plakten plaatjes op mijn hoofd en borst en verbonden de plaatjes met draden en slangen. Ze legden een armband om mijn pols om mijn hartslag te meten. Ze bonden me een pak voer voor. Walgelijk voer. Uit een speen. Nadat ze zo uren met me in de weer waren geweest, sloten ze de capsule af en begon het zwieren en schudden en draaien en wentelen en kantelen en vallen en opstijgen van voren af aan. Uren en uren 38


zonder ophouden. Misschien wel dagen zonder ophouden. Hadden ze maar een raampje voorzien, zodat ik naar buiten kon kijken. Maar nee. Waar was dit gedoe nou in hemelsnaam goed voor?” “De bewakers werden strenger. ‘Je kunt maar beter niet het hazenpad kiezen’, zei een van hen. Had hij me zien rondgluren? Had hij gezien dat ik een route zocht om te ontsnappen? Een muizengaatje was groot genoeg geweest. ‘Smelaja is ons ontsnapt. Nooit van haar gehoord? Nou, die was niet jarig, hierbuiten. Ik geef het je op een blaadje. De dag nadat ze ervandoor ging stond ze jankend voor de poort. Haar nagels krasten over het hout. Ze vroeg niet om erin gelaten te worden. Ze smeekte het. Een roede wolven had haar de hele nacht achternagezeten. Met tanden die in het schijnsel van de maan glommen van woede en honger. Zo’n stel kan maar beter geen jacht op je maken, kleintje. Ze verscheuren je met huid en haar. Nee, dan ben je bij ons veel beter af. Het overkwam Bobik. Nooit gehoord van Bobik? Die stoof er als een pijl uit een boog vanonder. Wat zeg ik? Als een raket. Maar geen mens heeft haar ooit teruggezien. Ze zal een lekkere hap geweest zijn. Mals als het binnenste van een aardappelkroketje. ’ ”

39


“Er was geen uitweg”, zei Laika. “Helemaal niet?”, vroeg ik. “Nee”, antwoordde Laika. “En ik deed iets wat me heel slim toescheen, maar wat oliedom was.” “Om te ontsnappen?”, vroeg ik. “Ja”, zei Laika.

40


“We kregen geen voedsel meer voorgeschoteld waar we eens flink onze tanden in konden zetten. Ze gaven ons alleen nog van die vieze papjes. We waren er niet wild van, Albina, Muchka en ik. Papjes waren voer voor baby’s en voor oudjes zonder tanden, niet voor honden. Ik dacht: als ik heel netjes eet laten ze me wel lopen. Als ik maar eet als een schoothondje. Met fijne maniertjes. Niet te gulzig en toch met trek. Met smaak ook, dat zou de mannen in witte jas beslist plezieren. Ik keek naar Albina en Muchka. Ze knoeiden met hun papjes. Het spatte in het rond. Je had hun smoelen moeten zien. Hun gezicht sprak boekdelen: walgelijk, die papjes. Wie netjes eet, krijgt een beloning. Een knuffel. ‘Ga jij maar lekker naar huis toe’, zouden de mannen in witte jas zeggen. ‘Je bent een straathond met klasse.’ Zo hoort het, nee?” “Ja.” “Nee, dus. ‘Jij bent onze hond’, zei de man met de grote zwarte bril. ‘We dachten de hele tijd dat Muchka het zou halen. Ze deed het uitstekend, maar zoals jij eet! Hola! Net wat we zochten. Fantastisch gewoon.’ Stel je voor: ‘fantastisch gewoon’! Fantastisch is ongewoon, zou ik zo denken. Ik trilde op mijn benen. ‘Knap werk van je’, zei Muchka. ‘Heb jij even het geluk aan je zijde’, zei Albina. Het gif droop uit hun 41


stem. Hun poten raakten de grond niet meer. Zo opgelucht als ze waren. En ik? Ik woog duizend kilo. ‘Wat gaan jullie met me doen?’, vroeg ik. ‘We bereiden je de verrassing van je leven’, zeiden de mannen in witte jas.” “Ze opereerden me”, zei Laika. “Terwijl ze me in een diepe slaap hielden, propten ze allerlei spul in mijn lijf. Spul om mijn hartslag te meten, om mijn bloeddruk bij te houden, om mijn ademhaling te volgen. ‘Wat spoken jullie met me uit? Laat me gaan!’, smeekte ik versuft. Toen ik weer kon lopen, rammelde ik als een blikken ton waarin tientallen lege hondenblikken zaten.” “Ze hesen me in mijn ruimtepak en brachten me naar buiten. Ik zocht naar mijn makkers uit Moskou. Het was nu of nooit. De zon scheen fel. Mijn kameraden waren er niet. Hadden ze zich van datum vergist? Ze zouden me nooit in de steek laten. Zwerfhonden zijn eenzame wolven, maar als het erop aankomt dan ... Ja, toch? Nee, dus. Ik blafte als een woestijnvos die door een bergrivier meegesleurd wordt. Geen trapgans tekende een streep in de lucht. Geen fluithaas floot in het gras. Ik jankte. Dat wat ik zag, joeg me meer angst aan dan honderd roedels wolven.” “Wat zag je dan?”, vroeg ik.

42


“Een stalen geraamte dat baadde in een spookachtig licht”, antwoordde Laika. “Het geraamte was heel hoog en tussen het geraamte plakte een raket. ‘Je taxi rijdt voor’, zei een van de mannen in witte jas. Ik had de tijd niet om te vragen of de taxi me naar Moskou zou brengen. ‘In een maand gebouwd! Stel je voor! Als dat geen puik werk is’, zei hij trots. Ik vond het helemaal geen puik werk. Het was knutselwerk van de bovenste plank. Een van de mannen zei: ‘Er zitten wel een paar foutjes aan, mormeltje.’ Waarop een andere inviel: ‘Ach, een paar foutjes! Ze heeft de grote eer om de geschiedenis in te gaan als het eerste zoogdier dat in een baan om de aarde vloog. Wat zeg ik? Als het eerste levende wezen ooit! Ze zal triomferen. Op handen gedragen worden!’ Hij draaide zich naar mij toe en zei: ‘Van harte gefeliciteerd, meid. Er zullen geweldige verhalen over je verteld worden. De kranten zullen vol staan over je heldenmoed. Tal van schrijvers zullen je roemen in boeken en je naam zal over de hele wereld bekend zijn. Laika, zullen de mensen zeggen, dat was nog eens hond!’ En alsof mijn naam in de sterren geschreven stond, las hij hardop: ‘Laika, held van de Sovjetunie.’ ‘Een paar foutjes!’, schreeuwde ik. ‘Een baan om de aarde! Zijn jullie getikt? Jullie gebruiken mij! Ik ga dood en het kan jullie niets schelen! Ik ben niets in jullie ogen! Niet eens een vlo. Niet eens een vingerknip! Het gaat niet om mij! Het gaat 43


om de wetenschap. Om een dolle wedstrijd tussen jullie en de Amerikanen. Jullie weten best wat ik ben: de hond in het kegelspel! Ja, dat ben ik. Geef maar toe! Laat me nu maar los, en vlug wat!’ ” “Ik wilde geen held zijn. Niet van de Sovjetunie. Niet van Amerika. Ik wilde niet dat er over me geschreven werd, ik wilde niet beroemd zijn. Ik wilde Laika zijn. Ik wilde een doodgewone zwerfhond van twee jaar oud zijn, zes kilo licht en altijd in voor een grap. Zo’n hond. Zo’n doodgewone zwerfhond die doodgewoon door de straten doolt, zonder papieren. Zoals zoveel doodgewone straathonden. Zo’n doodgewone straathond die doodgewoon geboren is, doodgewoon leeft en doodgewoon doodgaat. Het liefst op hoge leeftijd. Meer verlangde ik doodgewoon niet.” “Maar weer gespten ze me vast in een piepkleine ruimte en weer zetten ze klemmen op mijn oren en weer staken ze slangetjes in mijn oren. Maar het ging trager deze keer. Ze namen hun tijd en ze werkten heel zorgvuldig hun to-dolijstjes af. Drie dagen waren ze met me in de weer. Ik plaste voor tien honden, om de vijf minuten. ‘Als mevrouw zo doorgaat ...’, zei een van de mannen. Hij maakte zijn zin niet af. De man die me mijn eten had gevoerd, zei: ‘Goede

44


reis, meid. Tot straks.’ Hij gaf me een zoen op mijn snoet en sloot het luik. Spoetnik 2, stond in de binnenkant van de capsule. Spoetnik betekende reisgenoot. Reisgenoot? Ik was moederziel alleen!” “Ik vertrok op 3 november 1957”, zei Laika. Ik telde de jaren. “De raket schoot met een ruk en een knal de hoogte in. Knettergek van angst was ik. Ook mijn hartslag schoot de hoogte in. Van 86 naar 260 slagen per minuut! Ik raakte de tel kwijt ... En de hitte! Het was alsof de capsule ontplofte. Ik had eruit willen springen, maar hoe? Ik kronkelde. Ik blafte. Ik beet. Maar opeens werd ik weer rustig. Ik weet niet waarom. Misschien was het de hitte die me verlamde. Ja, het was de hitte. En het glijden. De capsule gleed door de ruimte. In een zoevende baan om de aarde. De hitte naderde mijn kookpunt. Ik kon niet meer ademen. Schroeven trilden los. De platen om de buitenmantel van de capsule klapperden als gek. Ik werd gekookt, gebraden, geroosterd. Ik draaide drie, misschien vier baantjes om de aarde en toen ... niets meer. Niets voelde ik nog. Ik ademde niet meer, dacht niet meer, wist niets meer. Het schijnt dat ik tot 4 april 1958 in een baan om de aarde wiekte en dat mijn capsule in de dampkring in vlammen opging.”

45


“Hoe kom je hier dan zo ineens terecht?”, vroeg ik. “Dat weet ik niet”, antwoordde Laika. “Hoezo? Je weet het niet?” “Weet jij het?” “Hoe zou ik dat kunnen weten?” “Nou, dan.” Ik pakte Laika op. Knuffelde haar. “Rustig maar”, zei ik. “We zijn thuis”, zei ik. Ik had mijn sleutel vergeten en belde aan. “Wie heb je meegebracht?”, vroeg mijn mama geschrokken. “De eerste hond die in een baan om de aarde vloog”, antwoordde ik. “Het eerste levende wezen”, verbeterde Laika me. “Zit er een schroef los in je hoofd?”, vroeg mijn mama. “Ze heeft het me zelf verteld”, zei ik. “Toen ik van de muziekschool kwam, stond ze plots voor ...” “Hoe heet jij?”, vroeg mijn mama aan Laika. Laika keek haar met smekende blik aan. “En?”, drong mijn mama aan. ”, gromde ik tussen mijn tanden. “

46


C68 M17 Y36 K2

C16 M30 Y70 K0

2

C100 M76 Y39 K33

C68 M17 Y36 K0

3

C70 M20 Y67 K0

4

C16 M30 Y70 K0

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. © Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2019 Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, op welke wijze ook, zonder de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de uitgever.

Eerste druk 2019 ISBN 978-90-306-8270-7 D/2019/0078/1 Art. 569684/01 NUR 191

Auteur: Paul de Moor Tekeningen: Julie Tavernier Cover: B.AD Zetwerk: D. Provo nv, Gierle Begeleiding auteurs: Caroline Vanderhaegen


47


midden van de straat. Zij en ik. Het miezerde. Wolken schoven voor de maan. Ik had me een hoedje kunnen schrikken. Maar ik schrok me geen hoedje. Ik schrok me een aap.’ Zo begint het verhaal van een hond die geen gewone hond is en van een meisje dat geen gewoon meisje is, een verhaal dat loopt van hier tot in Rusland en tot in

Oelewapper van de week | Karla Stoefs Ik ben Laika | Paul de Moor

‘“Ik ben Laika”, zei ze doodleuk. We stonden in het

Oelewapper van de week Karla Stoefs | Mark Borgions

een raket om de aarde. Geen gewoon verhaal, dus.

Paul de Moor | Julie Tavernier

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's

4

30/05/17 11:59


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
L4 - Ik ben Laika by VAN IN - Issuu