De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Lay-outconcept: Shtick en PPMP Opmaak: Crius Group
HERHALING
LES 1 50' Het komt door de mieren!
Lestype: Taalvaardigheid
Lesdoelen
De leerlingen kunnen:
Focus: Interactie met literatuur, tekstbegrip, luisterbegrip, mondelinge interactievaardigheden
• het begrip ‘personage’ gebruiken en de personages van een verhaal benoemen (MD L4 1.5.1);
• de verhaallijn navertellen met aandacht voor de personages en gebeurtenissen (MD L4 1.5.8);
• met elkaar in gesprek gaan om gedachten uit te wisselen (MD L4 1.3.14).
Materiaal
• taalschrift p. xx
• bronnenblad 1
• woordkaarten
• Bingel: herhalingsthema, les 1
Zelf te voorzien
• (digitale) timer / zandloper
Voorbereiding
Algemeen
Woordenschat
• afleiden
• eenzaam
• gluren
• keurig
• de auteur
• de illustrator
• het personage
• Plaats het boek Het komt door de mieren! (Tineke Honingh) op een zichtbare plek in de klas.
• Wil je al starten met de woordmuur? Hang de woordkaarten met de themawoorden ‘afleiden, eenzaam, gluren en keurig’ al op.
Link met andere leergebieden
Wetenschap – levende natuur
In het verhaal spelen mieren een belangrijke rol. Besteed aandacht aan insecten, hun kenmerken en hun gedrag. Stimuleer de leerlingen om nieuwsgierig naar kleine dieren in hun omgeving te kijken.
Mens en maatschappij
De hoofdpersoon uit het verhaal Het komt door de mieren! (Tineke Honingh) kan moeilijk stilzitten en is snel afgeleid. Gebruik dat eventueel als opstapje om te praten over verschillen tussen leerlingen, concentratie, gevoelens en manieren waarop mensen leren, denken en reageren. Je kunt daarbij ook aandacht besteden aan AD(H)D op een laagdrempelige en herkenbare manier.
Terugkoppelen naar de lesdoelen
Koppel terug naar de lesdoelen en bespreek in welke mate de leerlingen die doelen hebben bereikt:
• Lukte het om informatie uit de tekst halen?
• Kon je de opdrachten uitvoeren?
Koppel ook terug naar het leesdoel:
• Koppel terug naar de lesdoelen.
• Koppel terug naar het leesdoel.
• Wat wilde Pam? (Pam wilde de verdwenen mieren vinden en redden.)
• Wat wilde de meester? (De meester wilde dat iedereen aandachtig de rekenles volgde.)
• Wat hebben Pam en de meester gemeenschappelijk? (Ze zijn allebei bezig met groepjes.)
Het belang van regels bepalen
Projecteer de vakjes van het te raden woord. Vertel dat jullie Galgje spelen. De leerlingen proberen het geheime woord (kanariepietenkooitje) te raden door letters te noemen.
• Komt de letter in het woord voor? Klik op het juiste vakje.
• Speel Galgje, maar houd je niet aan de regels.
• Laat de leerlingen in duo’s nadenken over het belang van regels en afspraken.
• Komt de letter niet voor? Klik naast het vakje, zodat er een stukje van de galg verschijnt.
Vertel dat de leerlingen een ijsje krijgen als ze het woord binnen het aantal beurten raden. Volg daarna bewust de regels niet. Bijvoorbeeld:
• Een leerling noemt een juiste letter, maar je doet alsof je een andere letter hoorde.
• Je klikt zogezegd per ongeluk twee keer op de galg en zegt dat dat niet erg is. Lok reacties uit.
Verdeel de klas daarna in heterogene duo’s. Laat de duo’s nadenken over deze vragen:
• Waarom zijn regels belangrijk?
• Wat gebeurt er als er geen spelregels zijn?
• Wat gebeurt er als er geen verkeersregels zijn?
• Wat gebeurt er als mensen zich niet aan regels houden?
Bespreek. Vertel dat jullie in een volgende les verder zullen werken rond regels en afspraken.
HERHALING
LES 4 25'
Lestype: Vlot en vloeiend lezen Ik lees woorden zoals kraai, kooi en loeit
Stap: Inoefening
Lesdoelen
De leerlingen kunnen:
• eenlettergrepige woorden met aai, ooi en oei juist en vlot lezen (MD L4 1.1.2);
• woorden met eenvoudige samenstellingen en medeklinkerclusters voor- en/of achteraan juist en vlot lezen (MD L4 1.1.2);
• alle letters (korte klinkers, lange klinkers, tweetekenklinkers, medeklinkers) en lettercombinaties geautomatiseerd lezen (MD L4 1.1.2).
Materiaal
• leesboek p. 1-2
• kopieerbladen 1 en 2
• kopieerblad 1 van les 2
• Bingel: herhalingsthema, les 4
Zelf te voorzien
• handtrom of instrument om het leesritme aan te geven
Voorbereiding
Algemeen
• Vraag een collega om een les vlot en vloeiend lezen te observeren. Laat de collega drie willekeurige leerlingen volgen en laat timen hoeveel minuten die leerlingen effectief aan het lezen zijn (meelezen, koorlezen, duolezen en individueel lezen samengeteld). Bespreek samen hoe je nog meer leerlingen kunt laten lezen. Het doel van deze les is automatiseren en leeskilometers maken.
• ‘Reserveer’ de co-teacher voor het laatste kwartier van de les. Op die manier kun je de leesvaardigheden tijdens de leeszoektocht (oefening 3) met tweeën observeren en ondersteunen.
• Kopieer de woordkaarten voor de leeszoektocht (kopieerblad 1) op stevig papier. Knip ze uit en lamineer ze voor hergebruik. Hang ze verspreid op in de klas, in de gang, op de speelplaats
• Kopieer de zoekkaart (kopieerblad 2) één keer per duo.
Preteaching
• Oefen de letters en tweetekenklanken aan de hand van de flitsoefening uit de bordles. Na een lange zomer zijn heel wat leerlingen de tweetekenklanken vergeten en verwarren ze b en d. Merk je dat bepaalde letters en klanken niet geautomatiseerd zijn? Plan dan korte automatisatiemomenten routinematig in (de eerste twee minuten van een lesdag, onmiddellijk na de speeltijd …):
– Flits de letters.
– Laat tweetekenklanken en b en d vormen met plasticine of tekenen op een wisbord.
– Maak een woordspin rond een bepaalde klank (bv. tien woorden zoeken met eu).
– Zeg een woord (type mkm-mmkm-mkmm) en laat de tweetekenklank noteren (bv. beuk, schuin, roep, wijs).
– Herhaal het spel uit de bordles waarbij de leerlingen in teams om ter snelst de gevraagde letter omcirkelen.
Preateaching (vervolg)
• Kopieer kopieerblad 1 van les 2 voor elke leerling met een taal- en leesachterstand. Knip de kaartjes uit en bewaar ze in een doosje. Laat tussendoor individueel hardop oefenen en bouw controlemomenten in. Vlot gelezen kaartjes mogen eruit. Voeg in de volgende les nieuwe kaartjes toe.
• Oefen de woordrijen uit de bordles extra in tijdens wachtmomenten. Varieer tussen voor- en koorlezen. Laat de leerlingen de woorden in duo’s oefenen.
Differentiatie
Start
Oefening 1
Ik merk in deze les dat de leerling … het moeilijk heeft mee is meer aankan
Groepeer de leerlingen vooraan, zodat je hen kunt observeren en snel kunt bijsturen tijdens het koorlezen.
Maak de oefening in een miniklas. Laat de woorden van opgaven 1a en 1b herhaald lezen.
Verbeter zelf het fout gelezen woord: laat niet raden naar de juiste letter of de juiste uitspraak. Laat de leerling het woord herhalen. Laat vervolgens in duo’s verder oefenen.
Oefening 2
Oefening 3
Maak de oefening in een miniklas.
Laat de woorden van opgaven 1a en 1b herhaald oefenen.
Sterke duo’s kunnen ook de woorden bij opgave 1c lezen. Lees ze eerst samen door.
Extra
Maak homogene duo’s. Speel het spel in een miniklas of stel de duo’s op in jouw buurt, zodat je snel kunt ingrijpen wanneer de leerlingen veel fouten lezen.
Herhaal oefeningen 1 en 2 in de loop van de week of laat ter afwisseling de slides uit de bordles lezen.
Laat het spel spelen in heterogene duo’s.
Laat het spel spelen in heterogene duo’s.
Herhaal oefeningen 1 en 2 in de loop van de week of laat ter afwisseling de slides uit de bordles lezen.
Zet sterke lezers in als tutor. Bekijk samen hoe ze andere leerlingen kunnen helpen.
Ruikt een haai echt bloed in de zee? Er bloeit een mooie bloem naast het hooi. In onze klas is het nooit saai. Een reus heeft toch geen neusje? Lust jij graag snoep?
3 Zoek en lees.
Ga op woordenjacht! Je leerkracht geeft je meer uitleg.
Wat heb ik geleerd?
Ik kan woorden zoals kraai, kooi en loeit juist en vlot lezen.
2 Herhalingsthema – Les 4
Herhalingsthema – Les 4 1
Het lesdoel formuleren
Projecteer het lesdoel en bespreek:
Ik kan woorden zoals kraai, kooi en loeit juist en vlot lezen.
Schrijf dat lesdoel op het bord, zodat het tijdens de les zichtbaar blijft voor de leerlingen.
Herhaal dat de leerlingen oefenen op het lezen van woorden waarbij er achteraan een i staat, die je als j laat klinken.
Vertel dat jullie ook zullen oefenen op alle andere klanken die misschien wat verder weg zitten na de vakantie.
Je oefent de woorden verder in, zodat je ze steeds vlotter leest. In deze les zul je vooral veel hardop lezen. Ga verder naar de taalweter en bespreek samen.
Samen woorden lezen
Projecteer de woorden.
In het kort
• Projecteer en formuleer het lesdoel.
• Bespreek de taalweter ‘Hoe kun je vlot lezen?’.
• Projecteer de woorden.
• Lees ze samen en laat op een ludieke manier in duo’s inoefenen.
• Ga analoog te werk voor de volgende woordreeksen.
• Verdeel de klas in twee ploegen. Projecteer de letters en speel het spel.
• Flits de woorden en laat ze hardop lezen.
Lees ze in koor. Geef het leesritme aan met een handtrom of door in je handen te klappen. Lees zelf hardop meetrekkend mee. Vertel dat je bij elk woord een hapje van een overheerlijk luchtig gebakje neemt. De leerlingen lezen de woorden alsof ze iets heerlijks proeven.
Herneem de woordrijen, maar laat ze van links naar rechts lezen. Klik en ga analoog te werk voor de twee volgende woordreeksen.
Lees de woorden in koor. Geef het ritme aan en lees zelf mee.
Laat de leerlingen daarna per twee hardop lezen: leerling 1 leest, leerling 2 luistert en verbetert. Wissel daarna van rol. Wijs een willekeurig woord aan. Laat de leerlingen starten bij dat woord en de rijtjes lezen tot ze opnieuw bij het startwoord zijn.
Projecteer de letters.
Verdeel de klas in twee ploegen en laat de leerlingen zich in twee rijen voor het bord opstellen. Vertel dat de rechterkolom het speelveld van de rechtse ploeg is en de linkerkolom het speelveld van de linkse ploeg. Jij noemt een letter. De spelers van beide ploegen proberen om ter snelst de gevraagde letter in hun speelveld te omcirkelen.
Spelregels:
• De winnaar krijgt een punt.
• De ploegleden mogen supporteren, maar niks aanwijzen op het bord.
• Iedereen duidt de letter aan, ook als de andere ploeg sneller was.
Speel een oefenrondje en start het spel. Wis na elke beurt de cirkels (of leer de leerlingen hoe dat moet). Zo kan elke leerling telkens uit alle beschikbare letters kiezen.
Tips!
• Observeer en noteer welke leerlingen een bepaalde letter of klank niet konden aanduiden. Geef directe feedback en begeleid een leerling die de letter niet vindt om ze alsnog aan te duiden.
• Je kunt dit spel ook spelen om rekenoefeningen te automatiseren, woordenschat in te oefenen, taalbeschouwing te herhalen
Flits de woorden en laat ze lezen.
Samen zinnen lezen
Toon oefening 2. Model hoe je de zinnen leest.
Lees de eerste zin hardop voor met de juiste intonatie. Laat de leerlingen, zonder geluid, aanwijzend meelezen in hun leesboek. Lees vervolgens de zin in koor.
Ga analoog te werk voor de overige zinnen.
Tip! Laat de zinnen met intonatie lezen. Bespreek bij een juiste intonatie welke aanwijzingen de leerling volgde: leesteken, context, voorbeeld van de leerkracht …
In duo’s oefenen
Verdeel de klas in homogene duo’s.
• Toon oefening 2
• Lees zin per zin voor en laat de leerlingen meelezen in hun leesboek.
• Laat de zinnen in koor nalezen.
• Laat oefeningen 1 en 2 maken in homogene duo’s.
• De leerlingen lezen afwisselend een kolom, rij of zin.
De duo’s lezen de woorden bij oefening 1 en vervolgens de zinnen bij oefening 2
Laat hen om de beurt een kolom, rij of zin lezen: de ene leerling leest, terwijl de partner aanwijzend meeleest en waar nodig verbetert.
Daarna lezen ze de tweede kolom, rij of zin, maar nu mag de andere partner starten.
Zo wisselen ze van rol, tot elke partner alle kolommen, rijen of zinnen heeft gelezen.
Afronding
Zoek-en-lees organiseren
Hang de woordkaarten (kopieerblad 1) verspreid over de ruimte.
Verdeel de klas in heterogene duo’s en bezorg elk duo een zoekkaart (kopieerblad 2).
Leg het verloop van de zoektocht bij oefening 3 uit.
De duo’s zoeken een woordkaart en lezen de woorden twee keer.
Ze verbeteren en ondersteunen elkaar.
Als ze de woorden vlot kunnen lezen, strepen ze de overeenkomstige prent door op het zoekblad.
• Hang de woordkaarten (kopieerblad 1) verspreid over de ruimte.
• Groepeer de klas in heterogene duo’s.
• Bezorg elk duo een zoekkaart (kopieerblad 2).
• Leg oefening 3 uit.
• Model het samen lezen.
• Koppel terug naar het lesdoel.
Maak duidelijke afspraken en verwoord het doel van de zoektocht: zo veel mogelijk woorden lezen en oefenen. Model hoe je samen een reeks woorden leest:
• om de beurt alle woorden (leerling 1 luistert, terwijl leerling 2 leest; daarna wisselen ze van rol);
• samen alle woorden (de snellere lezer moet het leestempo een beetje aanpassen);
• om de beurt een woord (de kaart wordt twee keer gelezen; bij de eerste leesbeurt start leerling 1, bij de tweede beurt leerling 2).
Tips!
• Hergebruik de woordkaarten (kopieerblad 1) en herhaal de activiteit als mix-en-ruil of als speeddate.
• Laat de zoektocht opnieuw uitvoeren, maar met een andere duopartner.
Terugkoppelen naar het lesdoel
Lees samen het lesdoel in het leesboek en bespreek in welke mate de leerlingen het doel hebben bereikt.
Lestype: Vlot en vloeiend lezen
Lesdoelen
De leerlingen kunnen:
• zinnen juist, vlot en vloeiend lezen (MD L4 1.1.2);
Stap: Vervolgverhaal
• een tekst hardop lezen in een passend tempo en rekening houden met de leestekens (MD L4 1.1.3);
• een of meerdere tekstfragmenten inoefenen door ze aandachtig stil en hardop te lezen (MD L4 1.1.4).
Materiaal
• leesboek p. 3-5
• Bingel: herhalingsthema, les 5
Voorbereiding
Algemeen
• Groepeer de leerlingen volgens leesniveau:
– een A-groep: leerlingen met een lager leesniveau; – een B-groep: leerlingen met het gewenste leesniveau; – een C-groep: leerlingen met een hoger leesniveau.
• Vraag indien mogelijk ondersteuning van de co-teacher en spreek af wie de A-groep en wie de B/C-groep begeleidt.
• Voorzie een aparte ruimte om met de A-lezers te lezen.
Start
Ik merk in deze les dat de leerling … het moeilijk heeft mee is meer aankan
Groepeer de leerlingen met een lager leesniveau in de A-groep.
Als je een co-teacher kunt inzetten, trek dan naar een ander lokaal, zodat je intensief kunt begeleiden en beluisteren.
Laat deel 1 inoefenen onder begeleiding.
Kern
Groepeer de leerlingen met het gewenste leesniveau in de B-groep.
Groepeer de leerlingen met een hoger leesniveau in de C-groep.
Laat delen 1 en 2 eerst individueel lezen en vervolgens in duo’s.
Laat indien mogelijk deel 2 in koor lezen met de co-teacher.
Duo’s die klaar zijn, lezen ook deel 3.
Laat delen 1, 2 en 3 individueel lezen. Laat delen 2 en 3 vervolgens in duo’s oefenen.
Laat indien mogelijk deel 3 in koor lezen met de co-teacher.
Afronding / / /
Extra
Merk je dat een leerling de tekst vlot leest? Wacht niet op de volgende AVI-afname en laat de leerling aansluiten bij de volgende groep. Observeer: spellend, radend of veel fouten lezen wijzen er vaak op dat de tekst te moeilijk is.
Deel 1
het is weer tijd voor school. loe eet een bol met kaas. ik wil niet naar school, zegt hij. saar pakt haar tas. ik wel, zegt ze. trrrrringgg. mam neemt op. dag, zegt mam, wat is er? ooo nee! saar kijkt op. wat is er? mam hangt op. er is geen school. fijn! roept loe. wat is er dan? vraagt saar. er zit een monster op het dak. een monster! ja, zegt mam. dat wil ik zien! zegt loe. hij pakt zijn jas. kom!
het is druk bij school. loe kijkt naar het dak. op het dak zit een monster. hij is groot. hij is bruin en groen.
Deel 2
Dan stapt juf Suus naar voren. We doen je geen kwaad.
Wat wil je?
Ik wil niet echt vechten, zegt het monster. Ik vond een boek in het bos. Een boek met letters en prenten. Maar ik snap het niet.
Ik wil leren lezen.
Ik wil naar school! Ben je gek? roept Loe.
Wie wil er nu naar school?
Spelen is veel leuker!
Juf Suus kijkt hem streng aan.
Loe duikt weg.
Je mag in mijn klas, zegt juf Suus.
Dan leer ik je lezen. Echt waar? vraagt het monster. Juf Suus knikt. Wanneer?
Kom maar mee, zegt juf Suus.
Het monster gaat mee naar de klas. Hij loopt naar de deur.
Oh nee!
Hij past niet door de deur. Het monster is te groot.
Hij duwt … KRAK!
De deur valt op de grond. Oeps! Sorry! zegt het monster. Geeft niet, zegt juf Suus. Zoek maar een plekje.
Het monster loopt door de klas. Zijn staart zwiept in het rond.
4 Herhalingsthema – Les 5
Deel 3
– Geeft niet! zegt juf Suus. Ze klopt op zijn arm.
Ga maar lekker zitten. Het monster gaat op een stoel zitten. Krak! doet de stoel. Het monster valt op zijn billen. En de stoel valt uit elkaar.
– Oeps! Sorry! zegt het monster.
– Geeft niet! zegt juf Suus. Je kon er niets aan doen. Ga maar op de grond zitten, zegt juf Suus. Het monster zit naast Loe op de grond. – Meneer monster, je bent nieuw in de klas. Vertel wat over jezelf, zegt juf Suus.
– Ik heet Tuur, zegt het monster. Net als na-tuur en avon-tuur. Ik brul en spuw vuur.
Wat een mooie naam, antwoordt juf Suus. Ik ben dol op avontuur.
En ik wandel graag in de natuur. Heeft iemand nog een vraag?
– Eet je wel eens mensen? vraagt een meisje. Tuur griezelt. Echt niet! zegt hij. Mensen zijn vies! Bah! Ik eet nog liever spruitjes! Alle jongens en meisjes lachen. – Heb je wel eens iets verbrand?
– Ja, zegt Tuur zacht. Maar daar kon ik niets aan doen.
– Dank je wel, zegt juf Suus. Fijn dat je bij ons in de klas bent. We starten met lezen. Deel jij de boeken uit, Saar?
hij heeft een staart. ga weg! roept een man. wij zijn bang voor jou! roept een vrouw. het monster kijkt boos. er komt rook uit zijn neus.
BOEM! Een tafel valt om. WOESJ!
Een stoel vliegt door de lucht. Oeps! Sorry! zegt het monster. Ik kan er niets aan doen. Echt niet.
Meer lezen? Een monster op school, Alice van de Geest, Taaltoerbib 2 Een monster
Herhalingsthema
Het leesdoel formuleren
Verdeel de klas in drie groepen volgens het leesniveau van de leerlingen:
• een A-groep: de leerlingen met een lager leesniveau;
• een B-groep: de leerlingen met het gewenste leesniveau;
• een C-groep: de leerlingen met een hoger leesniveau.
De leerlingen nemen het leesboek op p. 3.
In het kort
• Groepeer de leerlingen volgens hun leesniveau.
• Formuleer het leesdoel en bespreek.
Geef hun kort de tijd om de tekst te scannen. Laat de inhoud voorspellen.
Verwoord het leesdoel:
Je leest een fragment uit een boek. Eerst oefen je stil of fluisterend, daarna per twee hardop. Je oefent om het fragment juist en vlot te lezen. Zinnen die je niet vlot kunt lezen, herlees je. Nadat je het fragment hebt gelezen, begrijp je wat er in het verhaal gebeurt en kun je dat aan anderen vertellen.
Kern
De vervolgverhalen lezen
Verdeel elke groep in duo’s en bespreek de leesopdracht:
Lees eerst de tekst in stilte.
Is je partner nog niet klaar, dan lees je opnieuw of start je al met het tweede deel.
Lees daarna de tekst samen met je partner: wissel de leesbeurten af.
Wie niet leest, volgt mee, luistert en verbetert.
Laat de B- en C-lezers zelfstandig starten.
• Bespreek de leesopdracht.
• Laat de B- en C-lezers zelfstandig starten.
• Begeleid de A-groep bij het lezen.
• Observeer de B- en C-lezers.
Lees bij de A-groep eerst het verhaal hardop voor, terwijl de leerlingen aanwijzend fluisterend meelezen. Bespreek kort waar de tekst over gaat.
Lees de tekst in koor: je leest het verhaal hardop samen met de leerlingen. Geef veel positieve feedback. Geef het leestempo aan.
Herhaal het koorlezen van kortere delen van de tekst en houd een vlot leestempo aan.
Laat de A-lezers duolezen: om de drie regels wisselt de lezer.
Tip! Laat sterke lezers om de beurt grotere delen lezen. Tragere lezers wisselen om de een of twee zinnen. Geef aan dat de leerlingen niet van leesbeurt mogen wisselen in het midden van een zin.
Loop rond en beluister het duolezen van de B- en C-lezers.
Tip! Je kunt niet alle duo’s observeren. Bepaal per les welke duo’s je zeker aan het werk wilt zien, zodat je zicht krijgt op alle lezers uit je klasgroep. Ook B- en C-lezers hebben nood aan tips of bevestiging.
Afronding
Reflecteren op het leesproces
Laat de partners elkaar een tip en een top geven.
Bespreek:
• Waarop moet je nog oefenen?
• Wat deed je partner heel goed?
• Wat deed je als je een moeilijk woord moest lezen?
Reflecteren op het verhaal en het boek promoten
• Reflecteer op het leesproces.
• Laat de inhoud van de tekst samenvatten.
• Reflecteer samen op de tekstinhoud.
• Promoot het boek uit de Taaltoerbib.
Laat een leerling uit de A-groep deel 1 kort samenvatten. Laat een B-lezer hetzelfde doen voor deel 2. Een C-lezer bespreekt deel 3.
• Wat komt het monster doen? (leren lezen)
• Hoe komt het dat de deur stukgaat? (Het monster is te groot en duwt iets te hard.)
• Wat gaat er nog mis?
(Het monster zwiept een tafel om, er zakt een stoel in elkaar en er vliegt een stoel door de lucht.)
• Wat heeft het monster met ‘natuur’ te maken?
(Het monster heet Tuur, zoals in ‘na-tuur’. Hij houdt ook van de natuur.)
• Waarom is de juf niet boos op Tuur wanneer die alles stukmaakt?
(Tuur kan er niets aan doen. Hij is te groot en misschien een beetje te wild.)
Promoot het boek uit de Taaltoerbib: Als je graag wil weten hoe het verhaal afloopt, lees dan het boek ‘Een monster op school’ van Alice van de Geest. Het boek staat in de klasbib en is ook te lezen op Bingel.
Lestype: Taalvaardigheid
Lesdoelen
De leerlingen kunnen:
Focus: Interactie met literatuur, tekstbegrip, schrijven om te leren, mondelinge interactievaardigheden
• tonen dat ze leestekens zoals een punt, vraagteken en uitroepteken begrijpen (MD L4 1.1.12);
• expliciete informatie uit de tekst halen en verwoorden (MD L4 1.3.1);
• de kernboodschap van de tekst verwoorden en met kernwoorden noteren (MD L4 1.2.10 en 1.3.4);
• na het beluisteren van het boek eigen ervaringen koppelen aan de tekst (MD L4 1.1.7).
Materiaal
• bronnenblad 1 van les 1
• kopieerblad 1 van les 3
• Bingel: herhalingsthema, les 6
Voorbereiding
Algemeen
• Hergebruik de illustraties (kopieerblad 1 van les 3): voorzie één set per vier leerlingen.
• Voorzie de leestekst (bronnenblad 1 van les 1) voor elke leerling.
Link met andere leergebieden
Burgerschap
In deze les denken de leerlingen na over regels in de klas en waarom je je aan de regels houdt. Je kunt dat uitbreiden naar een les over burgerschap rond regels, afspraken, rechten, plichten, macht en verkiezingen. Laat de leerlingen bijvoorbeeld stemmen over een nieuwe klasregel en bespreek waarom het belangrijk is om naar elkaar te luisteren en de keuze van de groep te respecteren.
Voorkennis activeren
Projecteer de eerste illustratie van het boek Het komt door de mieren!. Vertel dat je het verhaal zult samenvatten met kernwoorden en zinnen aan de hand van de illustraties.
Model hoe je de belangrijke informatie kiest:
• Wat zie ik op de prent?
• Wat is belangrijk om het verhaal te begrijpen?
Noteer de kernwoorden ‘rekenles’ en ‘mieren’. Maak daarna met elk kernwoord een zin.
In het kort
• Herhaal samen de inhoud van het boek aan de hand van de illustraties.
• Laat de leerlingen bij elke illustratie kernwoorden kiezen en daarmee zinnen maken om het verhaal samen te vatten.
• Projecteer en formuleer de lesdoelen.
Bijvoorbeeld: ‘De meester geeft rekenles. Er loopt een rij mieren in de klas.’ Klik en toon de vier illustraties. Noteer de zinnen bij de eerste illustratie.
Coöperatief leren: om de beurt Verdeel de klas in heterogene viertallen. Geef elke groep de drie overige tekstloze illustraties (kopieerblad 1 van les 3). Nummer de leerlingen van 1 tot en met 4.
Bespreek hoe de leerlingen zullen samenwerken.
De leerlingen vertellen om de beurt wat er op de prent (en dus in het verhaal) gebeurt:
• Leerlingen 1 en 2 kiezen elk een kernwoord.
• Leerlingen 3 en 4 maken met die woorden een zin.
Bij de volgende illustratie wisselen de rollen.
Bespreek de kernwoorden en noteer de zinnen. Lees de zinnen daarna in koor.
Bespreek: vertellen de zinnen het verhaal goed?
De lesdoelen formuleren
We duiken nog dieper in het verhaal en bespreken vragen over de tekst. Zo begrijpen we de personages en de boodschap van het verhaal steeds beter.
Projecteer de lesdoelen en bespreek:
• Ik kan uitleggen wat de schrijver wil vertellen en hoe hij of zij dat doet.
• Ik kan informatie in de tekst terugvinden.
Schrijf die lesdoelen op het bord, zodat ze tijdens de les zichtbaar blijven voor de leerlingen.
HERHALINGSTHEMA LES 6
Moet ik wel luisteren?
1 Lees de tekst en denk na: wat wil de schrijver ons vertellen?
‘Ga zitten, Pam,’ zei de meester.
De meester vertelde over de groepjes.
Over getallen die ERBIJ kwamen en getallen die ERAF gingen.
Ik wilde echt gaan zitten, maar de mieren liepen nu onder mijn tafel.
Vlug telde ik ze. Het waren er achttien.
Twee mieren ERAF! Waren ze kwijt?
Ik dook op de vloer en keek onder de tafel van Mo. ‘Pam! Ga op je stoel zitten!’ zei de meester.
Dat kon natuurlijk niet.
Stel je voor dat ik mijn stoel of mijn voet op een mier zou zetten?
Dan waren er nog maar zeventien.
Voorzichtig kroop ik naar de tafel van Mo. ‘Ik moet twee mieren redden,’ fluisterde ik.
Meer lezen?
Het komt door de mieren!,
Tineke Honingh, Taaltoer 2 themabib Tip!
Je kunt sterkere of snellere duo’s als aanvullende opdracht op hun wisbord woorden laten noteren die de schrijver had kunnen gebruiken om te vertellen dat Pam de les wel wil storen.
2 Lees de tekst opnieuw. Zoek in de tekst wat je leerkracht vraagt.
Wat heb ik geleerd?
• Ik kan uitleggen wat de schrijver wil vertellen en hoe hij of zij dat doet. Ik kan informatie in de tekst terugvinden.
4 Herhalingsthema – Les 6 – Taalvaardigheid
Het fragment expressief voorlezen
Lees het fragment in koor (oefening 1). Bespreek vraag per vraag:
• Waarom staan ‘ERBIJ’ en ‘ERAF’ in drukletters?
(Die woorden krijgen nadruk.)
Lees de zin opnieuw met nadruk op die woorden.
• Waar zie je dat nog? (‘twee mieren ERAF!’)
Lees de zin samen expressief.
• Lees het fragment in koor (oefening 1).
• Werk toe naar expressief voorlezen.
• Hoe zegt de meester dat Pam moet gaan zitten? (licht geërgerd, een beetje boos)
• Hoe weet je dat? (door de uitroeptekens)
Lees de zin samen expressief.
• Aan het einde van de zin ‘Waren ze kwijt!?’ staan twee leestekens. Is dat een vergissing? (nee)
• Hoe lees je die zin? (als een verbaasde uitroep of vraag)
Lees de zin samen expressief.
• Hoe vertelt Pam aan Mo? (fluisterend)
Lees de zin fluisterend opnieuw.
Tip! Laat de leerlingen niet alleen expressief voorlezen, maar wijs hen erop dat ze voor verschillende personen eventueel ook andere stemmen kunnen gebruiken.
Laat het fragment daarna opnieuw voorlezen zoals geoefend. Bespreek:
• Wat ontdek je door de tekst expressief te lezen?
(Bv. je begrijpt beter wat er gebeurt en hoe personages zich voelen.)
• Hoe kon je de tekst expressief lezen?
(Door hoe de schrijver de tekst opschrijft en door de leestekens te gebruiken.)
De bedoeling van de schrijver benoemen
Coöperatief leren: denken-delen-uitwisselen
Verdeel de klas in heterogene duo’s.
Bezorg elk duo een blauw, groen, geel en rood kleurpotlood (oefening 2). Stel telkens een vraag en laat de leerlingen in duo’s het antwoord in de tekst aanduiden bij oefening 1. Bespreek klassikaal en doe hardop denkend voor hoe de leerlingen het antwoord konden vinden.
• Stel diepere inhoudsvragen om de boodschap van het boek te achterhalen (oefening 2).
• Laat de leerlingen de antwoorden mee aanduiden in de tekst (oefening 1).
• Markeer de antwoorden in de bordles.
• Bespreek waarom Pam moeite heeft met de regels en wat de leerlingen zelf zouden doen.
• Wil Pam de les storen? (nee) Omcirkel in het blauw twee woorden die dat tonen. (‘fluisterde’, ‘voorzichtig’)
• Waarom kan Pam niet gaan zitten? Kleur de zin groen.
(‘Ik wilde echt gaan zitten, maar de mieren liepen nu onder mijn tafel.’)
• Welke woorden tonen dat Pam ook aan rekenen is?
Kleur ze geel. (‘Twee mieren ERAF!’)
• Wat bedoelt de auteur met ‘dat’ in de zin ‘Dat kon natuurlijk niet.’? (gaan zitten)
• Zijn er nog maar 17 mieren? (Nee. Er staat: ‘Dan waren er nog maar 17.’)
• Welke zin legt uit wat met ‘dan’ bedoeld wordt?
(‘Stel je voor dat ik mijn stoel of mijn voet op een mier zou zetten?’)
• Markeer die zin in het rood en trek een blauwe pijl naar ‘dan’.
Tip! Gaat deze oefening voor sommige leerlingen nog moeilijk? Neem hen dan vooraan samen en begeleid de opdracht, terwijl je aanwijzend de tekst voorleest op het bord. Laat de leerlingen die de oefening zelfstandig kunnen uitvoeren in duo’s werken.
Bespreek verder klassikaal:
• Waarom vindt Pam de mieren belangrijker dan de les? (Ze vindt dat ze eerst de mieren moet redden.)
• Heeft Pam al mieren gered?
(Bv. als ze was gaan zitten, was er misschien een mier minder.)
• Houdt Pam zich aan de regels? (nee)
• Wat zou jij doen als jij Pam was?
• Wie heeft volgens jou gelijk: Pam of de meester? Waarom?
Bespreek daarna de boodschap van het verhaal:
Waarom heeft de schrijver dit boek geschreven, denk je? (Bv. Soms zijn regels belangrijk, maar wil je ook iemand of iets helpen. De schrijver toont dat er niet altijd één juist antwoord is.)
Laat de leerlingen eerst nadenken en het daarna met hun partner bespreken.
Bespreek enkele antwoorden klassikaal.
Afronding
Terugkoppelen naar de lesdoelen
Neem de lesdoelen er weer bij en ga samen na of die doelen zijn bereikt.
Coöperatief leren: speeddate
Vraag:
• Moet Pam naar de meester luisteren?
Waarom wel of niet?
• Moet je altijd naar volwassenen luisteren?
• Koppel terug naar de lesdoelen.
• Organiseer een speeddate.
• Laat van diverse situaties bepalen of je moet luisteren / je aan de regels moet houden.
Vertel dat je verschillende situaties zult voorlezen. De leerlingen bespreken telkens of de kinderen in die situatie wel of niet moeten luisteren naar de volwassene.
Zet de leerlingen in twee rijen tegenover elkaar en geef elke rij een nummer:
• Leerling 1 geeft eerst zijn mening. Daarna reageert leerling 2.
• De leerlingen vertellen wat zij zouden doen en waarom.
• Daarna bespreken ze wat hetzelfde is en waarin ze verschillen van mening. Koppel na elke situatie kort klassikaal terug. Laat daarna één rij doorschuiven.
Projecteer de eerste situatie en lees die aanwijzend voor. Laat eerst per twee bespreken en koppel daarna klassikaal terug. Klik en toon de volgende situatie.
Tip! Laat bij de terugkoppeling leerling A ook eens de mening van leerling B samenvatten en uitleggen.
Sluit af door te vertellen dat jullie in een volgende les beter zullen kijken naar hoe mieren leven. Naar wie luisteren mieren eigenlijk?
HERHALING LES 7 25'
Lestype: Vlot en vloeiend lezen Ik oefen woorden zoals kring, bank en saus
Stap: Aanbreng
Lesdoelen
De leerlingen kunnen:
• woorden met de aangeleerde leesmoeilijkheid juist en vlot lezen (MD L4 1.1.2);
• woorden die eindigen op ng of nk en woorden met au of ou juist en vlot lezen (MD L4 1.1.2);
• zinnen hardop lezen met geautomatiseerde woordherkenning (MD L4 1.1.2).
Materiaal
• kopieerbladen 1 en 2
• Bingel: herhalingsthema, les 7
Zelf te voorzien
• handtrom of instrument om het leesritme aan te geven
Voorbereiding
Algemeen
• Kopieer de woordkaarten (kopieerblad 1) op stevig papier. Voorzie één woordkaart per leerling. Knip de kaarten uit en lamineer ze.
• Kopieer en gebruik de leeskaarten (kopieerblad 2) als extra inoefening, huiswerk of zorgmateriaal.
Ik merk in deze les dat de leerling … het moeilijk heeft mee is meer aankan
Start / / /
Kern
Afronding
Groepeer de leerlingen op de eerste rij, zodat je hun uitspraak kunt beluisteren en kunt observeren in welke mate ze meelezen met de groep. / /
Vraag de co-teacher om de mix-en-ruil mee te begeleiden.
De leerlingen lezen de eerste vier woorden.
Geef leeskaart 2A (kopieerblad 2) mee als huistaak om herhaald te lezen, of zet ze in als oefenmateriaal.
Extra
De leerlingen lezen de eerste vier woorden en kunnen de extra onderlijnde woorden lezen als er nog tijd is.
Laat leeskaart 2A of 2B (kopieerblad 2) herhaald oefenen als huistaak of zet ze in als extra oefenmateriaal tijdens bv. contractwerk.
De leerlingen lezen alle woorden.
Laat leeskaart 2B (kopieerblad 2) herhaald oefenen als huistaak of zet ze in als extra oefenmateriaal tijdens bv. contractwerk.
Gebruik ‘wachtmomenten’ om zorginterventies voor leerlingen met een leesachterstand uit te voeren: bij de start van de lesdag, terwijl de leerlingen hun schooltas leegmaken; voor de pauze, wanneer de leerlingen een rij moeten maken; na de pauze, wanneer de leerlingen in de rij staan; of vlak na de les lichamelijke opvoeding. Zoek hoe je daar een routine in kunt brengen om zo vaak mogelijk begeleid te lezen, zonder dat het lestijd in beslag neemt.
Start
Het lesdoel formuleren
Projecteer de afbeeldingen.
Wat zie je? (een ring, een slang en iemand die zingt)
Klik en laat de woorden verschijnen.
Wat hebben deze woorden met elkaar gemeen? (Ze eindigen op ng.)
Lees de woorden samen.
Oefen de ng-klank. Duw op een denkbeeldige bel.
In het kort
• Projecteer de afbeeldingen.
• Laat de woorden verschijnen en bespreek de leesmoeilijkheid.
• Projecteer het lesdoel en bespreek.
De leerlingen zeggen ‘ding-dong’ en laten de ng-klang lang klinken.
Klik en toon de volgende reeks afbeeldingen.
Wat zie je? (een plank, iets dat een vieze stank verspreidt en iemand die drinkt)
Klik en laat de woorden verschijnen.
• Wat hebben deze woorden met elkaar gemeen? (Ze eindigen op nk.)
• Wat is het verschil met de vorige ng-klank? (De ng kun je lang laten naklinken. De nk is kort en eindigt op de k.)
Lees de woorden samen.
Klik en toon de derde reeks afbeeldingen.
Wat zie je? (een pauw, een saus en een auto)
Klik en laat de woorden verschijnen.
• Wat hebben deze woorden met elkaar gemeen? (Ze hebben een au.)
• Welke au ken je nog? (ou)
• Welk verschil hoor je tussen au en ou? (Geen: beide klanken lees je hetzelfde. Ze horen bij bepaalde woorden en bepalen hoe je het woord schrijft.)
Projecteer het lesdoel en lees het samen.
Vertel dat er ook woorden met ou aan bod komen.
Kern
Woorden oefenen
Projecteer de woorden met ng en nk. Lees de eerste kolom hardop.
Laat de leerlingen eerst met jou meelezen zonder geluid te maken.
Lees vervolgens de eerste kolom samen hardop.
Ga analoog te werk voor de twee volgende kolommen.
Zeg dat jullie de woorden samen gaan inoefenen.
Geef het leesritme aan met een handtrom of door te klappen.
• Laat de woorden in koor lezen van onder naar boven.
• Projecteer de woorden met ng en nk.
• Lees ze voor en laat ze in koor oefenen.
• Toon de volgende reeks woorden met au en ou.
• Lees voor en laat per twee oefenen.
• Toon de foto en laat een persoon imiteren.
• Projecteer de zinnen. Lees ze samen en laat de opdracht uitvoeren.
• Wijs willekeurige woorden aan en laat die klassikaal lezen.
• Lees de woorden per rij: eerst heel droevig en daarna alsof iemand je boos maakte.
Klik op de pijltjes en toon de volgende reeks woorden met au en ou.
Lees de kolom hardop en aanwijzend voor. De leerlingen lezen mee zonder geluid.
Doe hetzelfde voor de tweede en derde kolom.
Laat de woorden per twee oefenen. Observeer en verbeter wanneer je een fout hoort.
Klik op de pijltjes en toon de foto.
De leerlingen kiezen één persoon uit de foto en imiteren nauwgezet diens houding.
Projecteer de eerste zin en lees samen hardop. Vertel dat de zin een opdracht is die de leerlingen moeten uitvoeren. Lees de opdracht opnieuw en laat ze uitvoeren.
Klik en ga analoog te werk voor de volgende zinnen.
Woorden en zinnen oefenen
Projecteer de woorden en lees ze in een rustig tempo samen in koor.
Oefen ze opnieuw in koor, maar lees nu van onder naar boven. Laat daarna per twee oefenen, observeer en stuur bij.
Snelle duo’s herhalen de woorden van achter naar voor.
• Projecteer de woorden.
• Lees de woorden in koor en in duo’s.
• Projecteer de volgende reeks woorden. Laat ze hardop lezen en vervolgens uitbeelden.
• deze twee van plaats wisselen
Tip! Zijn er nog veel leerlingen die eerst het woord hakken en plakken in hun hoofd?
Geef meteen feedback: Ik merk dat je twijfelt en dat je het woord eerst stil leest. Lees ineens mee hardop.
Model nog eens hoe je het woord leest: verleng de klankwaarde van de begincluster en neem telkens twee of meer letters samen.
Klik en ga analoog te werk voor de volgende reeks woorden.
Klik op de pijltjes en toon de foto.
De leerlingen kiezen één persoon op de foto uit en imiteren nauwgezet diens houding.
Tip! Gaat dit nog niet vlot? Herneem deze slide als dagstarter of tijdens een wachtmoment. Bedenk routines om dagelijks met zo veel mogelijk leerlingen hardop te lezen en leeskilometers te maken. Benoem aan het einde van de week dat je merkt dat ze de woorden echt vlotter lezen.
Projecteer het eerste woord of de eerste zin.
Vertel dat de leerlingen het woord of de zin eerst hardop moeten lezen, om hem vervolgens uit te beelden.
Ga analoog te werk voor de volgende woorden en zinnen.
Flits de woorden. Laat tussendoor de foto uitbeelden. Corrigeer eventuele fouten meteen.
Afronding
Lezen met mix-en-ruil
Coöperatief leren: mix-en-ruil
Bezorg elke leerling een woordkaartje (kopieerblad 1) en laat hen de woorden hardop oefenen. Trek naar de speelplaats of een ruimte waar de leerlingen iets meer bewegingsvrijheid hebben.
• Bezorg elke leerling een woordkaartje (kopieerblad 1).
• Lees via mix-en-ruil.
• Koppel terug naar het lesdoel.
Laat hen door elkaar lopen. Op jouw teken stoppen ze en staan ze per twee naast elkaar. Leerling 1 toont het woordkaartje. Leerling 2 leest de woorden, terwijl leerling 1 meeleest, controleert en verbetert. Daarna toont leerling 2 het kaartje. Leerling 1 leest en leerling 2 controleert. De leerlingen wisselen van kaartje en lopen weer door elkaar.
Tip! Ga vijf minuten vroeger naar de speelplaats en herneem de activiteit later. Varieer:
• De leerlingen mogen enkel fluisteren.
• Voer de activiteit in de gang uit en laat de leerlingen tegenover elkaar zitten. Benoem welke rij na elke leesbeurt een plek doorschuift zonder recht te staan.
• Voer de activiteit uit als dagstarter. De leerlingen begroeten elkaar eerst en lezen dan elkaars woorden.
Je kunt de kaartjes ook gebruiken voor een speeddate of een leeskring.
Terugkoppelen naar het lesdoel
Koppel terug naar het lesdoel.
Laat de leerlingen vertellen wat al vlot ging en wat ze nog moeilijk vinden.
Bespreek dat je steeds beter leest door veel te oefenen.
• expliciete informatie uit een gelezen tekst selecteren in functie van het leesdoel en hun leesaanpak daaraan aanpassen: informeren (MD L4 1.1.5);
• weten waar ze informatie in de tekst kunnen vinden door gebruik te maken van de tussentitels en de lay-out van de tekst (MD L4 1.1.5 en 1.1.12);
• inhoudelijke en logische verbanden leggen in de tekst en de gevonden informatie gebruiken om opdrachten uit te voeren (MD L4 1.1.6).
Materiaal
• bronnenblad 1
• kopieerblad 1
• woordkaarten
• Bingel: herhalingsthema, les 8
Zelf te voorzien
• kleurpotloden of pennen
• timer en/of zandloper
• zak met kleine spulletjes (minimaal 3 keer het leerlingaantal)
Voorbereiding
Algemeen
Woordenschat
• de geur
• de kolonie
• de lading
• de larve
• de taak
• het volk
• de werkster
• de woestijn
• Vul een bak met ‘kruimels’ (propjes papier, blokjes …). De leerlingen spelen mieren die voedsel verzamelen. Ze brengen de kruimels in een lange rij van de bak naar een afgesproken verzamelplek en leggen daarbij minstens twee keer hetzelfde traject af.
• Laat indien mogelijk een ondersteuner de miniklas of de klasgroep begeleiden bij het lezen.
• Kopieer de woordkaarten (kopieerblad 1) op stevig papier en knip ze uit. Stop de woorden in een ‘woordpot’.
Preteaching
Lees de tekst ‘Wist je dit al over mieren?’ vooraf samen door en bespreek de moeilijke woorden.
Link met andere leergebieden
Wetenschap – levende natuur
In deze les staan mieren centraal. De leerlingen lezen ook over verschillende biotopen waarin mieren leven.
Gebruik de tekst als aanleiding om mieren in en rond de school te observeren en te onderzoeken.
Voorkennis activeren
Projecteer de lange rij mieren.
• Van waar herken je deze prent? (uit het boek Het komt door de mieren!)
• Wat komt er door de mieren? (dat Pam niet kan stilzitten)
• Wat weten we door dat boek over mieren? (Ze lopen soms in een lange rij achter elkaar.)
In het kort
• Activeer de voorkennis over mieren aan de hand van Het komt door de mieren!
• Laat de leerlingen via ‘Om de beurt’ zo veel mogelijk kenmerken van mieren noemen.
• Projecteer en formuleer de lesdoelen.
Klik en projecteer de uitvergrote mier uit de rij: Hoe weet je dat dit een mier is? (Het staat in de titel. We lezen het in het verhaal.)
Coöperatief leren: om de beurt
Verdeel de klas in heterogene duo’s. Klik en projecteer de foto van een mier. Als je dit dier ziet, weet je dat het een mier is. Waarom? Noem om de beurt een kenmerk.
Bedenk binnen één minuut samen zo veel mogelijk kenmerken.
Klik en toon de woordspin. Vul die aan met de kenmerken. Laat de leerlingen een kenmerk in een goede zin gebruiken en controleer of het klopt aan de hand van de afbeelding.
De lesdoelen formuleren
Vertel dat het in deze les opnieuw over mieren gaat. Deze keer lezen de leerlingen geen fragment uit Het komt door de mieren!, maar een informatieve tekst.
Projecteer de lesdoelen en bespreek:
• Ik kan informatie in de tekst terugvinden.
• Ik kan informatie uit de tekst gebruiken om opdrachten uit te voeren. Schrijf die lesdoelen op het bord, zodat ze tijdens de les zichtbaar blijven voor de leerlingen.
Vraag: Wat willen we na deze les weten over mieren?
Besluit samen: We lezen de tekst om meer te weten te komen over hoe mieren leven.
Kern
De inhoud van de tekst voorspellen
Projecteer de titel ‘Wist je dit al over mieren?’. De leerlingen nemen de tekst in hun taalschrift erbij. Laat een oranje, geel, groen, rood en blauw kleurpotlood klaarleggen.
• Projecteer de titel en de tussentitels.
• Bespreek de inhoud van de tekst aan de hand van de titel en de tussentitels.
Vertel dat je heel wat informatie uit een tekst kunt halen zonder hem al te lezen:
• Wat valt je op als je naar deze tekst kijkt? (een titel, tussentitels, witruimte, illustraties …)
Laat de leerlingen de titel onderlijnen en bespreek:
• Wat is de titel van de tekst? (‘Wist je dit al over mieren?’)
• Vergelijk die titel met ‘Het komt door de mieren!’. Wat is het verschil?
Lees vervolgens samen in koor de tussentitels.
Laat de leerlingen de tussentitels oranje markeren. Bespreek:
• Waarvoor dienen tussentitels?
• Wat denk je dat we in deze tekst zullen leren?
• Wat voor soort tekst is dit? (een informatieve tekst)
• Waarom zijn sommige woorden schuingedrukt? (Dat zijn belangrijke woorden.)
Vertel dat je de tekst in delen zult lezen.
Terloopswoorden
• de Noordpool
• de Zuidpool
HERHALINGSTHEMA LES 8
Wist je dit al over mieren?
Wist je dit al over mieren?
Een lange rij mieren
In de zomer zie je soms heel veel mieren die in een lange rij druk heen en weer lopen. De rij begint bijvoorbeeld bij een stuk koek op de grond en eindigt in een gaatje in de grond. Elke mier sleept een kruimeltje van de koek naar het nest onder de grond. Daarna komt de mier terug voor een volgende lading.
Mieren werken heel hard. Na een tijdje is de koek helemaal opgeruimd. De mieren zijn dan ook weer weg. Mieren zijn dol op zoetigheid. Dat zoeken ze soms ook in huizen. Dat vinden mensen niet leuk.
Bijna overal op aarde leven mieren. Ze wonen net zo makkelijk in een woestijn als in een stad, hoog op een berg of in het bos. Er zijn maar een paar plekken waar je mieren niet kunt vinden. Op de Noordpool en de Zuidpool is het bijvoorbeeld te koud. Mieren leven altijd in een kolonie, in een groep bij elkaar.
Samenwonen in één nest
Een kolonie mieren die samen in één nest woont, heet een mierenvolk. Een kolonie kan uit tientallen, honderden of zelfs duizenden mieren bestaan. In een mierennest leven een koningin, vrouwtjes en mannetjes. De meeste mieren zijn vrouwtjes. Die noemen we werksters
Het werk van vrouwtjesmieren
Al het werk in een mierenkolonie wordt door werksters gedaan. Ze hebben veel taken: het nest bouwen en schoonhouden, voedsel zoeken en eitjes en larven verzorgen. Larven zijn piepkleine wormpjes die uit de eitjes komen. Werksters likken de koningin schoon. Zo krijgen ze speciale geurstoffen binnen. In één nest hebben alle mieren, eitjes en larven dezelfde geur.
Naar: Mieren, Junior informatie, Noordhoff.
Herhalingsthema – Les 8 – Taalvaardigheid 5
Fragment 1 lezen
Projecteer fragment 1. Verdeel de klas in heterogene duo’s en bezorg elk duo een wisbord.
Formuleer het leesdoel:
• Waarom lopen mieren in een rij?
• Wat eten mieren graag?
Vertel dat je het fragment twee keer zult lezen. Na de eerste leesbeurt noteren of tekenen de duo’s hun antwoorden op het wisbord. Tijdens de tweede leesbeurt vullen ze ontbrekende informatie aan.
• Projecteer fragment 1.
• Formuleer het leesdoel.
• Lees voor terwijl de leerlingen meelezen.
• Laat de duo’s de antwoorden op de leesvragen noteren op hun wisbord.
• Lees het fragment een tweede keer en laat ontbrekende informatie aanvullen.
• Bespreek de antwoorden klassikaal.
Lees het fragment rustig en aanwijzend voor en laat de leerlingen meelezen. Bespreek indien nodig kort de begrippen ‘woestijn, Noordpool en Zuidpool’.
Coöperatief leren: om de beurt
De duo’s bespreken de leesopdracht en noteren of tekenen hun antwoorden op het wisbord. Lees het fragment een tweede keer voor. De leerlingen vullen ontbrekende informatie aan. Bekijk de antwoorden van de duo’s en bespreek:
• Wat eten mieren graag? (Ze zijn dol op zoete dingen.)
• Waarom lopen mieren in een lange rij?
(Ze brengen voedsel in kleine stukjes naar hun nest en keren telkens terug voor meer.)
Besluit: Mieren werken samen om voedsel naar hun nest te brengen.
Vul aan met eigen informatie:
Naast suikers eten ze ook eiwitten. Die halen ze bijvoorbeeld uit dode dieren of kleine insecten.
Fragmenten 2 en 3 lezen
Klik en projecteer fragment 2.
Formuleer het leesdoel:
• Wie leeft er in een mierennest?
• Welke mieren zijn er het meest?
Verklaar het woord ‘kolonie’ aan de hand van de context. Wijs aan waar je leest.
Wat is een kolonie? Ik kijk of de tekst mij helpt. Ik lees dat mieren samen in één nest wonen. Ik lees ook dat zo’n groep een mierenvolk heet. Nu weet ik dat een kolonie een groep mieren is die samenleeft.
• Projecteer fragment 2.
• Formuleer het leesdoel.
• Lees voor terwijl de leerlingen meelezen.
• Verklaar het woord ‘kolonie’.
• Laat de duo’s de antwoorden op de leesvragen noteren op hun wisbord.
• Lees het fragment een tweede keer en laat ontbrekende informatie aanvullen.
• Ga analoog te werk voor fragment 3.
Laat de leerlingen, terwijl je modelt, ‘samen in één nest’ en ‘mierenvolk’ in de tekst onderlijnen.
De duo’s bespreken de leesopdracht en noteren of tekenen hun antwoorden op het wisbord. Lees het fragment een tweede keer voor. De duo’s vullen ontbrekende informatie aan.
Bekijk de antwoorden van de duo’s en bespreek:
• Wie leeft er in een mierennest? (een koningin, mannetjes en vrouwtjes)
• Van welke zijn er het meest? (de werksters)
Klik en projecteer fragment 3. Formuleer het leesdoel:
• Welke taken hebben de werksters?
• Waarom zijn de werksters belangrijk voor het mierenvolk?
Lees het derde fragment opnieuw rustig voor, terwijl de leerlingen stil meelezen. De duo’s bespreken de leesopdracht en noteren of tekenen hun antwoorden op het wisbord.
Laat de leerlingen de taken van de werksters benoemen en vul de woordspin aan in de bordles (bv. nest bouwen, nest schoonhouden, voedsel zoeken, eitjes en larven verzorgen).
Bespreek: Past de tussentitel bij dit fragment? Waarom wel?
(Ja. Het fragment vertelt welke taken de werksters hebben.)
1 Waar vind je het antwoord op deze vragen?
a Bij welke titel zoek je het antwoord? Noteer het nummer bij de juiste titel.
1 Leven mieren alleen?
2 Houden mieren van sneeuw?
3 Hebben mieren regels en afspraken?
b Kleur: GEEL het woord voor een groep mieren die samenleeft.
c Luister goed. Zoek in de tekst wat je leerkracht vraagt.
2 Waar of niet waar? waar niet waar
Mieren kunnen in de woestijn leven.
Mieren hebben een koning en koningin.
Larven verzorgen de werksters.
Er zijn meer vrouwtjes dan mannetjes in een nest.
Alle kolonies zijn heel groot.
3 Mieren, eitjes en larven in één nest hebben dezelfde geur.
a Teken een mier bij de zin waar je dat leest.
b Vul aan:
Wat heb ik geleerd? koningin schoonlikken
Het is de geur van de . De werksters krijgen die geur omdat ze de koningin
• Ik kan informatie in de tekst terugvinden.
• Ik kan informatie uit de tekst gebruiken om opdrachten uit te voeren.
6 Herhalingsthema – Les 8 – Taalvaardigheid
De oefeningen bij de tekst maken
Vertel dat de leerlingen nu zelf in duo’s op zoek gaan naar antwoorden in de tekst.
Overloop vooraf oefeningen 2 en 3 met taalsterke duo’s. Bespreek wanneer de duo’s eraan kunnen werken (bv. als ze klaar zijn met de klassikale oefening). Ze kunnen doorwerken tot jij het stiltesignaal geeft.
• Maak oefening 1 klassikaal.
• Laat de leerlingen verwoorden bij welke tussentitel ze het antwoord vonden.
• Laat de taalsterke duo’s oefeningen 2 en 3 zelfstandig maken.
• Bespreek de antwoorden klassikaal.
Klik en toon oefening 1. Lees samen de instructie bij opgave 1a:
Bij welke titel zoek je het antwoord? Noteer het nummer bij de juiste titel.
Lees de eerste vraag samen: Leven mieren alleen? (nee)
Kleur de woorden die dat vertellen groen.
Vertel: Je hoeft niet de hele tekst opnieuw te lezen.
Vraag:
• Hoe weet je in welk deel van de tekst je het antwoord kunt vinden? (Lees de tussentitels.)
• En wat doe je als het antwoord in meerdere delen kan staan? (Zoek dan deel per deel.)
Kom samen tot: We zoeken het antwoord in het deel `Samenwonen in één nest’.
Laat de duo’s nummer 1 in de tekst invullen.
Nu weten de leerlingen waar ze moeten zoeken. Vraag:
Welke woorden of zin vertellen dat veel mieren samenleven? (kolonie, samen in één nest, mierenvolk, uit tientallen, honderden of zelfs duizenden mieren)
Laat de leerlingen die woorden groen markeren in hun taalschrift.
Tip! Laat de taalsterke duo’s de overige vragen zelfstandig oplossen. Loop rond, observeer en ondersteun waar nodig. Stimuleer de leerlingen om eerst naar de titels te kijken voordat ze opnieuw gaan lezen. Bespreek de antwoorden klassikaal.
Ga met de overige duo’s op dezelfde manier te werk bij de volgende vragen.
Vraag: Houden mieren van sneeuw? (nee)
Bespreek: We zoeken het antwoord in het deel `Een lange rij mieren’.
Vraag: Welke woorden of zin geven het antwoord?
Markeer in het blauw: ‘Op de Noordpool en de Zuidpool is het bijvoorbeeld te koud.’
Vraag: Hebben mieren regels en afspraken? (ja)
Bespreek: We zoeken het antwoord in het deel `Het werk van vrouwtjesmieren’.
Vraag: Welke woorden of zin geven het antwoord?
Markeer in het rood: `Ze hebben veel taken’.
Projecteer oefening 2 en lees de opdracht samen.
Laat enkele taalsterke duo’s een ‘waar/niet waar’-vraag voorlezen. De klasgroep bepaalt of de stelling waar of niet waar is. Laat de duo’s hun antwoord toelichten aan de hand van de tekst.
Projecteer oefening 3 en lees de opdracht samen.
Laat een taalsterk duo de antwoorden toelichten. Vraag: Welke zin in de tekst hielp je om het antwoord te vinden?
Bespreek de antwoorden klassikaal.
De woorden van de woordmuur inoefenen
Hang de woordkaarten aan de woordmuur. Verdeel de klas in duo’s. Neem de miniwoordkaarten van kopieerblad 1 en geef elk duo een kaart.
Omschrijf een situatie. Het duo met de juiste kaart steekt die omhoog, springt recht en lees het woord voor.
Tip! Weinig tijd? Gebruik dit als dagstarter.
Afronding
Terugblik op de les
Wat hebben we vandaag geleerd over mieren?
Mogelijke antwoorden:
• Mieren leven samen in een kolonie.
• Mieren werken samen.
• Werksters hebben verschillende taken.
• Mieren herkennen elkaar aan hun geur.
Bespreek vervolgens: Hoe hebben de tussentitels ons geholpen?
(Tussentitels helpen om snel te bepalen waar je het antwoord kunt vinden.)
• Hang de woordkaarten aan de woordmuur.
• Verdeel de klas in duo’s en geef elk duo een miniwoordkaart (kopieerblad 1).
• Omschrijf de woorden. Wie de kaart heeft, springt recht.
• Blik terug op de les.
• De leerlingen spelen ter afsluiting dat ze werksters zijn in een mierenkolonie.
• Koppel terug naar de lesdoelen.
Bespreek: Wat is het verschil tussen de twee teksten die we hebben gelezen?
Kom tot: De tekst ‘Wist je dit al over mieren?’ lees je om informatie te krijgen over mieren. Het verhaal Het komt door de mieren! lees je om een verhaal te beleven en de personages te leren kennen.
Bespreek verder:
• Weten we nu waarom mieren in een lange rij lopen? (Ja, ze brengen voedsel naar hun nest.)
• Waarom zouden mieren soms door een klas lopen?
(Misschien ligt er ergens voedsel of is er iets gemorst.)
Spel Wij zijn mieren
Trek naar de gang of de speelplaats. Bepaal een startplaats en leg de bak met ‘kruimels’ op het eindpunt. Vertel dat je opnieuw het eerste fragment zult voorlezen (tot ‘Dan zijn de mieren ook weer weg.’).
De leerlingen beelden uit wat de mieren doen:
• Ze vertrekken in een lange rij.
• Ze nemen telkens één kruimel mee.
• Ze brengen de kruimel naar de afgesproken plek.
• Ze zorgen ervoor dat de rij niet wordt onderbroken.
• Ze verdwijnen wanneer alle kruimels zijn opgeruimd.
Tip! Speel het spel later opnieuw als tussendoortje. Verdeel de klas in twee kolonies en vergelijk welke kolonie het efficiëntst samenwerkt.
Terugkoppelen naar de lesdoelen
Lees de lesdoelen in het taalschrift en bespreek in welke mate de leerlingen elk doel hebben bereikt.
moest weg maar dan start Les 9 hier, of moeten alleen de lijnen en witte kader weg?
Lestype: Spelling
Voorkennis
Focus: Correct schrijven
Stap: Aanbreng
De leerlingen maken vlot de klanktekenkoppeling voor korte en lange klinkers, tweetekenklanken en medeklinkers.
Je kunt het beeldwoordenboek gebruiken als preteaching en ter ondersteuning van de oefeningen.
Start
Voorkennis activeren
Geef aan dat je enkele woorden zult dicteren die de leerlingen vorig jaar hebben leren schrijven. Laat de woorden spellen of noteren op een wisbord. Geef onmiddellijk feedback.
• bal – Gooi de bal naar mij!
• kip – Onze kip legt een ei.
• bus – De band van de bus is lek.
• hok – De vos verstopt zich achter het hok.
In het kort
• Dicteer enkele woorden die de leerlingen vorig schooljaar leerden schrijven en verbeter klassikaal.
• Projecteer de toppuzzel en laat de spellingweter ontdekken.
• Projecteer het lesdoel en bespreek.
Projecteer de oplossingen en laat de leerlingen hun dictee nakijken.
• Hoeveel woorden had je juist?
• Wist je nog goed hoe je alle letters moest schrijven?
Nieuwe spellingweter ontdekken
Projecteer de toppuzzel. Laat woorden vormen met de letters. De leerlingen vormen mk-, km- en mkmwoorden. Schrijf enkele vondsten op het bord.
Laat de leerlingen achterhalen waarover de les zal gaan. Kom tot: woorden met een korte klank, woorden met een lange klank, woorden met een doffe e, woorden met eu, oe of ie
Lesdoel formuleren
Nieuwe spellingweter ontdekken
Ik kan woorden die je schrijft zoals je ze hoort juist schrijven.
Bespreek: We oefenen vandaag woorden die we vorig jaar leerden opnieuw in. Dat zijn woorden die je schrijft zoals je ze hoort.
Oefening 1
Laat de leerlingen het woord lezen, afdekken, onthouden en schrijven. Ze controleren of ze het juist hebben geschreven. Lees achteraf de zinnen hardop voor. Zo krijgen de leerlingen zicht op de inhoud.
Laat de leerlingen die fouten maakten, de woorden onderaan herschrijven.
Terloopswoorden
• de aarde
• een boon hebben voor iemand
• de kuil
• het net
Herhalingsthema LES xx Herhaling LES 9, 11 EN 14 a n l e g o v ui r i k aa t eu s u h ee z ie oe oo uu d f
1 Woorden die je schrijft zoals je ze hoort
1 Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin.
Spellingweter dus net zee kuil vuur af deur een tien vis boos soep
dus ➜ Ik ben moe, ik ga slapen. het net ➜ De vis zwom in het de zee ➜ Ik ging op vakantie naar de de kuil ➜ Een diepe graven in het zand is gevaarlijk. het vuur ➜ Ken jij het spel ‘aarde, water, lucht en ’? af ➜ “Kom van dat dak ”, zei Peter. de deur ➜ Vake liep met zijn neus tegen de glazen een ➜ Lieze heeft boon voor Lars. tien ➜ Negen is één minder dan de vis ➜ Wie weet of een kan zweten? boos ➜ Als ik ben, ga ik even weg. de soep ➜ Bij oma en opa eet ik graag
Herhalingsthema – Les 9 – Spelling 1
Directe instructie
Overloop deze strategieën:
• Woorden met een korte klank? Luister goed. Hoor je een korte klank, schrijf dan a, e, i, o of u.
• Woorden met een lange klank? Luister goed. Hoor je een lange klank, schrijf dan aa, ee, oo of uu.
• Hoor je een doffe klank, dan schrijf je meestal e.
• Bij de ie schrijf je eerst de i en dan de e.
• Bij de eu schrijf je eerst de e en dan de u.
• Bij de oe schrijf je eerst de o en dan de e.
• En bij de ui schrijf je eerst de u en dan de i.
Begrip controleren
• Overloop de meest voorkomende strategieën voor eenlettergrepige woorden.
• Controleer of de leerlingen de strategieën begrijpen en kunnen toepassen.
• Laat de toppuzzel herbekijken en oefening 1 invullen.
Bezorg de leerlingen een kladblad of een wisbord. Geef deze opdrachten:
• Schrijf de woorden ‘tuin, reus een doek’.
• Schrijf de woorden ‘haas, keer en doos’.
Stel deze vragen:
• Welke speciale klank hoor je in de woorden ‘de, je en me’? (een doffe e)
• Met hoeveel verschillende letters schrijf je het woord ‘reus’? (met vier verschillende letters) Controleer de antwoorden.
Schriftelijk oefenen
De leerlingen nemen hun spellingschrift op p. xx. Laat de toppuzzel herbekijken en wijs op de spellingweter.
Zet de leerlingen aan het werk met oefening 1
Ga controlerend rond en heb daarbij aandacht voor het handschrift van je leerlingen.
Afronding
Lesafsluiting
Geef de leerlingen de volgende opdrachten.
Laat hen verwoorden wat ze hebben geleerd.
• Schrijf met je vinger een ui in de lucht.
• Schrijf met je vinger een oe of ie op je bank.
• Welke korte klanken hebben we gebruikt? (a, e, i, o en u)
• Controleer nogmaals of de leerlingen de leerinhouden begrijpen en sluit de les af.
• Welke lange klanken hebben we geleerd? (aa, ee, oo en uu)
Lestype: Vlot en vloeiend lezen
Lesdoelen
De leerlingen kunnen:
Stap: Inoefening
• woorden met de aangeleerde leesmoeilijkheid juist en vlot lezen (MD L4 1.1.2);
• woorden die eindigen op ng of nk en woorden met au of ou juist en vlot lezen (MD L4 1.1.2);
• zinnen hardop lezen met geautomatiseerde woordherkenning (MD L4 1.1.2).
Materiaal
• leesboek p. 6-7
• kopieerblad 1
• kopieerblad 1 van les 7
• Bingel: herhalingsthema, les 10
Zelf te voorzien
• handtrom of instrument om het leesritme aan te geven
• per duo: twee pionnen
Voorbereiding
Algemeen
• Vraag een collega om een les vlot en vloeiend lezen te observeren. Laat de collega drie willekeurige leerlingen volgen en laat timen hoeveel minuten die leerlingen effectief aan het lezen zijn (meelezen, koorlezen, duolezen en individueel lezen samengeteld). Bespreek samen hoe je nog meer leerlingen kunt laten lezen. Het doel van deze les is automatiseren en leeskilometers maken.
• ‘Reserveer’ de co-teacher voor het laatste kwartier van de les. Op die manier kun je de leesvaardigheden tijdens het spel (oefening 3) met tweeën observeren en ondersteunen.
• Voorzie per duo het spelbord van bomlezen op A3 (kopieerblad 1) en lamineer het voor hergebruik. Tip! Vergroot het spelbord op A3-formaat. Voor sommige leerlingen met een leesachterstand helpt het als de woorden iets groter worden weergegeven. Zo kunnen ze zich beter focussen op het woord dat ze lezen.
Preteaching
• Kopieer kopieerblad 1 van les 7 voor elke leerling met een taal- en leesachterstand. Knip de kaartjes uit en bewaar ze in een doosje. Laat tussendoor individueel hardop oefenen en bouw controlemomenten in. Vlot gelezen kaartjes mogen eruit. Voeg in de volgende les nieuwe kaartjes toe.
• Oefen de woordrijen uit de bordles extra in tijdens wachtmomenten. Varieer tussen voor- en koorlezen. Laat de leerlingen de woorden in duo’s oefenen.
Start
Oefening 1
Ik merk in deze les dat de leerling … het moeilijk heeft mee is meer aankan
Groepeer de leerlingen vooraan, zodat je hen kunt observeren en snel kunt bijsturen tijdens het koorlezen.
Maak de oefening in een miniklas. Laat de woorden van opgaven 1a en 1b herhaald lezen.
Verbeter zelf het fout gelezen woord: laat niet raden naar de juiste letter of de juiste uitspraak. Laat de leerling het woord herhalen. Laat vervolgens in duo’s verder oefenen.
Oefening 2
Oefening 3
Maak de oefening in een miniklas.
Laat de woorden bij opgaven 1a en 1b herhaald oefenen.
Sterke duo’s kunnen ook de woorden van opgave 1c oefenen. Lees ze eerst samen door.
Extra
Maak homogene duo’s. Speel het spel in een miniklas of stel de duo’s op in jouw buurt, zodat je snel kunt ingrijpen wanneer de leerlingen veel fouten lezen.
Herhaal oefeningen 1 en 2 in de loop van de week of laat ter afwisseling de slides uit de bordles lezen.
Laat het spel spelen in heterogene duo’s.
Laat het spel spelen in heterogene duo’s.
Herhaal oefeningen 1 en 2 in de loop van de week of laat ter afwisseling de slides uit de bordles lezen.
Zet sterke lezers in als tutor. Bekijk samen hoe ze andere leerlingen kunnen helpen. Laat hen het vervolgverhaal van de vorige week inoefenen om voor te lezen aan de klasgroep.
HERHALINGSTHEMA LES 10
Ik lees woorden zoals kring, bank en saus
1 Lees de woorden.
a b c
kring flauw denk streng lang auto stank blauw meng klauw bank drink hang saus wenk long breng grauw hink plank
Ken jij een blauwe saus? Ik meng blauw met wit. Breng dat plankje naar Henk. Hang niet zo lang op de bank, Anke! Drink jij je drankje met een rietje?
6 Herhalingsthema – Les 10
Het lesdoel formuleren
Projecteer het lesdoel en bespreek: Ik kan woorden zoals kring, bank en saus juist en vlot lezen.
Schrijf dat lesdoel op het bord, zodat het tijdens de les zichtbaar blijft voor de leerlingen.
Je oefent de woorden verder in, zodat je ze steeds vlotter leest. In deze zul je vooral veel hardop lezen.
Samen woorden lezen
Projecteer de woorden.
Lees ze in koor. Geef het leesritme aan met een handtrom of door in je handen te klappen. Lees zelf hardop meetrekkend mee.
In het kort
• Projecteer en bespreek het lesdoel.
• Projecteer de woordreeksen.
• Lees ze samen en laat ze individueel inoefenen op een ludieke manier.
• Projecteer de volgende woordreeksen. Laat ze individueel en daarna in duo’s oefenen.
• Laat tussendoor een persoon op de foto uitbeelden.
• Flits de woorden. Boots tussendoor de foto na.
Laat de leerlingen de woorden lezen alsof ze iets afschuwelijks ruiken. Herneem de woordrijen, maar laat ze van links naar rechts lezen.
Klik en ga analoog te werk voor de volgende woordreeks. Lees de woorden in koor. Geef het ritme aan en lees zelf mee.
Laat de leerlingen daarna per twee hardop lezen: leerling 1 leest, leerling 2 luistert en verbetert. Wissel daarna van rol. Wijs een willekeurig woord aan. Laat de leerlingen starten bij dat woord en de rijtjes lezen tot ze opnieuw bij het startwoord zijn.
Ga verder naar de foto en laat een persoon op de foto uitbeelden.
Projecteer de woorden. Laat ze eerst stil individueel oefenen en vervolgens per twee hardop. Klik en ga analoog te werk voor de volgende reeks woorden.
Toon de foto en laat hem uitbeelden.
Flits de woorden en laat ze lezen. Laat tussendoor de mensen op de foto reeks woorden.
Kern
Samen zinnen lezen
Toon oefening 2. Model hoe je de zinnen leest. Lees de eerste zin hardop voor met de juiste intonatie. Laat de leerlingen, zonder geluid, aanwijzend meelezen in hun leesboek. Lees vervolgens de zin in koor. Ga analoog te werk voor de overige zinnen.
Tip! Laat de zinnen met intonatie lezen. Bespreek bij een juiste intonatie welke aanwijzingen de leerling volgde: leesteken, context, voorbeeld van de leerkracht …
• Toon oefening 2
• Lees zin per zin voor en laat de leerlingen meelezen in hun leesboek.
• Laat de zinnen in koor nalezen.
• Laat oefeningen 1 en 2 maken in homogene duo’s.
• De leerlingen lezen afwisselend een kolom, rij of zin.
kring lang meng hang breng flauw auto klauw saus grauw blauw gauw paus denk stank bank wenk hink klank vink plank drank links tong slang streng zwenk ring pink snauw fout oud goud mouw jouw klinkt schenk drink long gang gong spring zong sprong frank winkel touw schouw trouw mank flink vonk
Wat heb ik geleerd?
Ik kan woorden zoals kring, bank en saus juist en vlot lezen.
In duo’s oefenen
Verdeel de klas in homogene duo’s. De duo’s Tekst schuift door naar p. 55; hier komt verkleinde weergave oef. 3 de woorden bij oefening 1 en vervolgens de zinnen bij oefening 2
Laat hen om de beurt een kolom, rij of zin lezen: de ene leerling leest, terwijl de partner aanwijzend meeleest en waar nodig verbetert.
Daarna lezen ze de tweede kolom, rij of zin, maar nu mag de andere partner starten. Zo wisselen ze van rol, tot elke partner alle kolommen, rijen of zinnen heeft gelezen.
Afronding
Bomlezen
Verdeel de klas in duo’s voor oefening 3 (of kopieerblad 1). Bezorg elk duo een wisbord en twee pionnen.
Overloop de spelregels:
• Verdeel de klas in homogene duo’s.
• Bezorg elk duo twee pionnen.
• Laat de leerlingen bomlezen (oefening 3 of kopieerblad 1).
• Koppel terug naar het lesdoel.
• Beide partners bepalen op voorhand welk woord de bom is en noteren dat woord op hun wisbord of kladblad, zonder dat hun partner het woord kan lezen.
• Beide spelers zetten hun pion op het startvak en proberen zo snel mogelijk hun eindvak aan de overzijde te bereiken:
– Als je aan de beurt bent, mag je de pion één vak verplaatsen. Het nieuwe vak moet het vorige vak raken (diagonaal en achteruit verplaatsen zijn toegelaten).
– Elke speler mag één zet doen. Daarna is de andere speler aan de beurt.
– Vóór je de pion op het vak zet, moet je het woord van dat vak hardop lezen. Lees je het woord fout of te traag, dan plaats je je pion terug op het vorige vak.
– Plaats je je pion op het bomvak, dan roept je partner ‘bom’ en toont die het genoteerde bomwoord. Je pion gaat dan terug naar de startplek en je partner noteert een nieuw bomwoord.
Tips!
• Verhoog het leestempo en gebruik een timer. Wie kan binnen de tijd de overkant bereiken zonder de bom te laten ontploffen?
• Duurt het te lang vooraleer de leerlingen een vak kiezen? Laat hun partner dan tot drie tellen. Als een speler dan nog geen keuze heeft gemaakt, moet de pion terug naar het vorige vak.
Terugkoppelen naar het lesdoel
Lees samen het lesdoel in het leesboek en bespreek in welke mate de leerlingen het doel hebben bereikt.
Ik merk in deze les dat de leerling … het moeilijk heeft mee is meer aankan
Laat de leerlingen met een puntje aanduiden welke woorden ze al hebben gebruikt.
Oefening 3
Oefening 4
Laat de woorden hardop uitspreken.
Geef aan welk woord waar komt. Laat enkel het eerste keuzekader maken.
Oefening 5
Extra
Laat het eerste en tweede keuzekader maken. Laat alle keuzekaders maken.
• Voorzie een verlengde instructie:
– Herhaal de schrijfwijze van korte en lange klinkers en zoom in op de schrijfwijze van de ie, oe, eu en ui.
– Modelleer hoe je de spellingstrategieën toepast: hoe je een woord hardop leest, naar elke klank luistert, die klanken omzet in letters en die letters ook noteert.
– Stel gerichte vragen. Welke klank hoor je? Hoe schrijf je die dan? Zet op die manier in op de klanktekenkoppeling.
• Laat leerlingen die extra uitdaging nodig hebben, voldoende snel zelfstandig werken en daag hen uit om zelf hoorwoorden te bedenken. Daag hen meteen ook uit om met die woorden zinnen te bouwen.
Oefening 2
Laat de woorden rubriceren volgens het aantal letters.
Oefening 3
Wijs op de startzin, die drie keer hetzelfde is: ‘Nee, ze is weg!’ Laat de woorden rubriceren bij ‘nee’, bij ‘ze’ en bij ‘weg’: een lange klank, een doffe e en een korte klank.
Terloopswoorden
• de mep
• de vaas
Oefening 4
Laat de juiste woorden invullen in de zinnen. Wijs op de ‘ik twijfel’-kolom.
2 Sorteer de woorden. Kies uit: de – de zee – de deur – het luik – het net – toe – het vuur – boos – af – er de map – de vis – de vaas twee letters drie letters vier letters
Oefening 5
Laat de leerlingen de woorden in het grotere lettertype juist kleuren. Daarna schrijven ze de woorden in de juiste kaders.
Terloopswoorden
• gillen
• het laken
3 Schrijf de woorden op de juiste plek. de zee – een – de pen – de – de mep – de bel – het – de pet – mee – er – de fee Nee, ze is weg! Nee, ze is weg! Nee, ze is weg!
4 Vul aan. Kies uit: leuk – het dier – het boek – de buik – de uil – de luis Ik twijfel
Er zit een baby in mama’s
Een robot die stofzuigt, vind ik
Op de kaft van het staat een
Het in mijn haar is een deur luik vuur boos vaas zee net toe map vis de af er zee mee fee een de het er pen mep bel pet buik leuk boek uil dier luis
2 Herhalingsthema – Les 11 – Spelling
de fee – de zee – mee – hij gaat Ik twijfel.
De lust geen fruit.
Het water van de is koud. Wie er met me ?
me – een – de mep – de pet Ik twijfel.
Joris vertelt een goeie mop.
Ik lach me kriek.
Ik geef een op de bal.
De van Loes is stuk.
fee zee gaat mee me een mep pet
5 Kijk naar de grote woorden. Kleur. Schrijf de woorden. een woord met een eu
BLAUW een woord met een oe een woord met een ui GROEN een woord met een ie
Fleur zit in de tuin. Een mier loopt over het laken.
Boem! Fleur gilt en valt op haar neus
“Wat doe jij nu?” vraagt Vic.
“Heb je jeuk aan jouw voet? Of kriebelt jouw hand of duim?”
Oef! Het dier is naar huis
oe eu ui ie mier dier tuin duim huis
Fleur neus jeuk boem doe voet oef
Herhalingsthema – Les 11 – Spelling 3
Voorkennis activeren
Projecteer de spellingweter.
Stel de onderstaande vragen. De leerlingen noteren op hun wisbord of kladblad. Duid een willekeurige leerling aan om te antwoorden.
• Welke korte klanken bespraken we? (a, e, i, o en u)
• Hoe heet de speciale letter die in de woorden ‘te, je en de’ voorkomt? (een doffe e)
In het kort
• Herhaal de spellingweter.
• Rubriceer woorden met een korte en met een lange klank.
• Projecteer het lesdoel en bespreek.
Projecteer woorden en laat ze rubriceren bij de woorden met een bespraken we.
Model hoe je het woord ‘deur’ schrijft: Ik schrijf het woord ‘deur’. Ik schrijf de d, dan de eu – eerst e en dan u – en daarna de r. Ik controleer: deur.
Model hoe je het woord ‘vuur’ schrijft: Omdat ‘vuur’ met een uu wordt geschreven, let ik extra op. De uu heeft vier beentjes. De v, dan de uu en daarna de r. Ik controleer of ik ‘vuur’ juist heb geschreven.
Lesdoel formuleren
Projecteer het lesdoel: Ik kan woorden die je schrijft zoals je ze hoort juist schrijven.
Bespreek: We herhalen vandaag hoe je woorden met eu, ui, oe en ie, woorden met korte en lange klanken, en woorden met een doffe e schrijft.
Kern
Begrip controleren
Stel de onderstaande vragen. Laat de leerlingen het antwoord noteren en duid een willekeurige leerling aan om te antwoorden.
• Hoe schrijf je het woord ‘ze’?
• Welke woorden hebben lange klanken? (vuur, hoor, daar, geef …)
• Controleer of de leerlingen de leerinhouden begrijpen.
• Laat de leerlingen oefeningen 2 tot en met 5 maken.
• En welke woorden hebben korte klanken? (zit, zus, zak, zes, zot …)
Tip! Laat niet aan het schriftelijk oefenen beginnen als je niet zeker bent dat de leerlingen de leerstof onder de knie hebben.
Schriftelijk oefenen
De leerlingen nemen hun spellingschrift op p. xx. Besteed niet alleen aandacht aan hun handschrift, maar ook aan hun zithouding. Laat de leerlingen oefeningen 2 tot en met 5 maken.
Tip! Werk aan het spellingbewustzijn van de leerlingen en laat hen gericht nalezen. Ondersteun hen daarbij.
Afronding
Lesafsluiting
Sluit de les af en geef aan dat je de volgende les een dictee zult doen.
• Denk je dat het dictee de volgende les zal lukken?
• Welke woorden zou je moeilijk vinden?
• Heb je gelet op je handschrift?
• Sluit de les af met enkele vragen en geef aan dat je volgende les een dictee zult doen.
Leeshoeken
Lestype: Vlot en vloeiend lezen
Lesdoelen
De leerlingen kunnen:
Stap: Inoefening
• woorden met de aangeleerde leesmoeilijkheid juist en vlot lezen (MD L4 1.1.2);
• woorden die eindigen op ng of nk en woorden met au of ou juist en vlot lezen (MD L4 1.1.2);
• eenlettergrepige woorden met aai, ooi en oei juist en vlot lezen (MD L4 1.1.2);
• woorden met eenvoudige samenstellingen en medeklinkerclusters voor- en/of achteraan juist en vlot lezen (MD L4 1.1.2);
• alle letters (korte klinkers, lange klinkers, tweetekenklinkers, medeklinkers) en lettercombinaties geautomatiseerd lezen (MD L4 1.1.2);
• een of meerdere tekstfragmenten inoefenen door ze aandachtig stil en hardop te lezen (MD L4 1.1.4).
Materiaal
• kopieerbladen 1 en 2 (zoekrooster en stinksokkaartjes)
• kopieerblad 1 van les 2 (woordkaarten mix-en-ruil)
• kopieerblad 1 van les 7 (woordkaarten mix-en-ruil)
• kopieerblad 1 van les 10 (spelblad bomlezen)
• leesboek, les 5, p. 3-5 (vervolgverhalen)
• Bingel: herhalingsthema, les 12
Zelf te voorzien
• hoek 1: per duo een dobbelsteen en het zoekrooster (kopieerblad 1)
• hoek 2: per duo het spelblad bomlezen (kopieerblad 1 van les 10), twee pionnen en twee wisborden
• hoek 3: de drie delen van het vervolgverhaal ((leesboek, les 5))
• hoek 4: per duo een stapel mix-en-ruilkaartjes (kopieerblad 1 van les 2 en kopieerblad 1 van les 7) en stinksokkaartjes (kopieerblad 2)
Voorbereiding
Algemeen
• Verdeel de klas in vier homogene groepen. Zorg voor een even aantal groepsleden, zodat de leerlingen in elke hoek gemakkelijk in duo’s kunnen werken.
• Voorzie een co-teacher om de groep leerlingen met een leesachterstand te begeleiden en zo optimale leeskansen te bieden. Begeleid zelf hoek 3.
• Kopieer de stinksokkaartjes (kopieerblad 2). Knip de kaartjes uit en lamineer ze voor hergebruik. Meng de mix-en-ruilkaartjes van lessen 2 en 7 (kopieerblad 1 van lessen 2 en 7) met de stinksokkaartjes.
• Bied als vijfde hoek een vrije leeshoek aan. Voorzie een aanbod boeken op verschillende leesniveaus of bied stripverhalen aan. Ook die zijn beschikbaar op verschillende leesniveaus.
De opdrachten van de hoeken overlopen
Verdeel de klas in vier homogene groepen.
Vertel dat de groepen in elke hoek vooral per twee aan de slag zullen gaan.
Spreek een start- en stopsignaal af.
Overloop samen de materialen en opdrachten van de vier leeshoeken.
In het kort
• Verdeel de klas in vier homogene groepen.
• Overloop de materialen en opdrachten van de vier hoeken.
• Formuleer en bespreek het lesdoel.
Voorzie een vijftiental minuten per hoek. Laat dan opruimen en op jouw teken doorschuiven naar de volgende hoek. Spreek een doorschuifvolgorde af.
Het lesdoel formuleren
In deze les herhalen we de woorden en teksten die je in dit thema al oefende. Door veel hardop te lezen, ga je steeds beter en vlotter lezen.
Je oefent in deze les op het juist en vlot lezen van woorden, maar ook teksten.
Kern
Hoek 1: dobbelen en zoeken
Verduidelijk de werkwijze en spelregels bij hoek 1.
Bezorg elk duo het zoekrooster (kopieerblad 1).
Leerling 1 dobbelt met de dobbelsteen en leest de corresponderende kolom hardop.
Leerling 2 controleert, leest stil mee en geeft onmiddellijk feedback bij fouten.
• Laat de duo’s om de beurt dobbelen, lezen en elkaar feedback geven.
• Laat het woord doorstrepen in het zoekrooster en in de leeskolom (kopieerblad 1).
De leerlingen lezen het eerste woord van de gelezen kolom opnieuw.
Dat woord moeten ze zoeken in het zoekrooster.
Als ze het woord hebben gevonden, strepen ze het door in het zoekrooster en in de leeskolom.
Leerling 2 dobbelt nu en leest de corresponderende kolom hardop.
Is het eerste woord van een gedobbelde kolom al doorgestreept?
➜ De leerling hoeft dat woord niet meer te lezen.
➜ De leerling zoekt en streept het eerstvolgende woord uit die kolom door in het zoekrooster.
Zijn alle woorden van de gedobbelde kolom doorgestreept?
➜ De leerling gooit opnieuw.
Gooit de leerling zes?
➜ Dan mag die een willekeurig woord uitkiezen om in het rooster te zoeken.
Tip! Model hoe de duo’s om de beurt kunnen werken. Toon het verschil tussen samenwerken en leerling 1 die alles overschrijft van leerling 2.
Hoek 2: bomlezen
Bezorg elk duo een wisbord, twee pionnen en het spelbord bomlezen (kopieerblad 1 van les 10).
Overloop de spelregels:
• Beide partners bepalen op voorhand welk woord de bom is en noteren dat woord op hun wisbord of kladblad, zonder dat hun partner het woord kan lezen.
• De duo’s kiezen elk een geheim bomwoord (kopieerblad 1 van les 10) en proberen zo snel mogelijk het eindvak te bereiken.
• Landt een leerling op het bomwoord, dan moet die opnieuw starten.
• Beide spelers zetten hun pion op het startvak en proberen zo snel mogelijk hun eindvak aan de overzijde te bereiken:
– Als je aan de beurt bent, mag je de pion één vak verplaatsen. Het nieuwe vak moet het vorige vak raken (diagonaal en achteruit verplaatsen zijn toegelaten). –
Elke speler mag één zet doen. Daarna is de andere speler aan de beurt.
– Vóór je de pion op het vak zet, moet je het woord van dat vak hardop lezen. Lees je het woord fout of te traag, dan plaats je je pion terug op het vorige vak.
– Plaats je je pion op het bomvak, dan roept je partner ‘bom’ en toont die het genoteerde bomwoord. Je pion gaat dan terug naar de startplek en je partner noteert een nieuw bomwoord.
Tips!
• Verhoog het leestempo en gebruik een timer. Wie kan binnen de tijd de overkant bereiken zonder de bom te laten ontploffen?
• Duurt het te lang vooraleer de leerlingen een vak kiezen? Laat hun partner dan tot drie tellen. Als een speler dan nog geen keuze heeft gemaakt, moet de pion terug naar het vorige vak.
Hoek 3: partnerlezen
Begeleid indien mogelijk deze hoek zelf.
Lees het eerste deel van het vervolgverhaal (leesboek, les 5) in koor.
Model hoe je leestekens gebruikt en hoe je langere of moeilijkere woorden leest.
Laat vervolgens het eerste deel individueel fluisterend lezen.
Beluister elke leerling kort.
Ga analoog te werk voor deel 2.
Laat dat inoefenen met een partner (om de beurt een zin).
Observeer en geef onmiddellijk feedback.
Lees het derde deel in koor.
Lees wat stiller mee bij sterkere lezers.
• Lees elk deel van het vervolgverhaal (leesboek, les 5) eerst samen in koor en model hoe je juist en vlot leest.
• Laat de leerlingen daarna fluisterend individueel en per twee oefenen.
• Observeer kort en geef meteen feedback.
• Ondersteun de leerlingen met een leesachterstand.
Focus bij leerlingen met een leesachterstand op delen 1 en 2 van het vervolgverhaal:
• Lees het fragment in kleinere stukjes.
• Lees meetrekkend mee: gebruik je stem om de leerlingen als het ware mee te trekken in een vlotter leestempo.
• Lees een zin voor en laat de leerlingen die aanwijzend nalezen.
Hoek 4: stinksoklezen
Voorzie per duo een stapel kaartjes (kopieerblad 1 van lessen 2 en 7, kopieerblad 2).
Leg de stapel kaartjes met de achterkant naar boven.
Overloop de spelregels:
• Leerling 1 draait een kaartje om en leest de woorden.
– Als dat vlot en correct gaat, mag de leerling het kaartje houden.
• De leerlingen lezen om de beurt een kaartje van de stapel (kopieerblad 1 van lessen 2 en 7, kopieerblad 2).
• Leest de leerling juist, dan houdt die het kaartje. Leest de leerling fout, dan moet het kaartje onder in de stapel.
• Trekt de leerling een stinksok, dan verliest die al zijn kaartjes.
– Gaat het aarzelend, traag en met fouten, dan gaat het kaartje weer onderaan de stapel.
• Leerling 2 draait een kaartje om en gaat analoog te werk.
• Draait de leerling een stinksok om?
Dan moeten alle verdiende kaartjes weer onder in de stapel.
• Het spel is afgelopen als alle kaartjes op zijn.
Tip! Model ook hier hoe je samenwerkt en feedback kunt geven en ontvangen. Vertel dat de oefenkans om te lezen hier belangrijker is dan het spel winnen.
De leerlingen met een leesachterstand hoeven de onderstreepte woorden niet te lezen. De leerlingen met een leesvoorsprong doen dat zeker wel.
Afronding
Terugkoppelen naar het lesdoel
Vraag wie er in deze les veel hardop heeft gelezen.
Hoeveel woorden zou je in deze les hebben gelezen?
Bespreek wat nog moeilijk liep en waar het lezen vlot ging.
Kom samen tot: hoe meer je oefent, hoe beter je leest.
• Koppel terug naar het lesdoel.
Lesdoelen
Lestype: Taalvaardigheid
De leerlingen kunnen:
Focus: Schrijven om te delen, creatieve expressie in taal
• ideeën verzamelen op basis van gelezen teksten en eigen ervaringen (MD L4 1.2.13);
• doelgericht vragen stellen om meer informatie te krijgen over een onderwerp (MD L4 1.3.14);
• een stripverhaal afwerken met behulp van informatie uit een tekst en vertellen wat hen aanspreekt in het werk van hun medeleerlingen (MD L4 1.5.9).
Materiaal
• kopieerblad 1
• Bingel: herhalingsthema, les 13
Voorbereiding
Algemeen
• Kopieer de strip (kopieerblad 1) op leerlingenaantal.
• Hergebruik de woordspin over de werkster (bordles van les 8).
• Groepeer de klas in heterogene duo’s die elkaars vaardigheden versterken.
Tip! Voorzie indien mogelijk een co-teacher voor de tweede leshelft. Laat de co-teacher het schrijfplan hardop denkend invullen met de leerlingen in de miniklas. Begeleid zelf de overige duo’s en observeer hoe de leerlingen samenwerken.
Preteaching
• Bespreek de belangrijkste kenmerken van een stripverhaal: een verhaal in opeenvolgende plaatjes met tekst in tekstballonnen.
• Laat de leerlingen voorspellen waarom de mieren in de klas zijn. Stimuleer hen om daarbij informatie uit de tekst ‘Wist je dit al over mieren?’ te gebruiken.
Ik merk in deze les dat de leerling … het moeilijk heeft mee is meer aankan
Start De start van de les verloopt klassikaal.
Kern Groepeer de leerlingen in een miniklas. Kies samen een idee. Laat de leerlingen hun verhaal over de mieren vertellen. Denk samen hardop na en laat vervolgens de stap van het schrijfplan aanvullen. Bedenk samen goede zinnen en schrijf de zinnen voor op het bord.
Laat de leerlingen in heterogene duo’s met de strip aan de slag gaan via het stappenplan (oefeningen 1, 2 en 3). /
Afronding De afronding van de les verloopt klassikaal.
Start
Voorkennis activeren
Projecteer de kaft van het boek Het komt door de mieren! en de taalweter.
Lees samen de taalweter.
Bespreek de link tussen de mieren, de titel en de verhaallijn. Laat de leerlingen vragen bedenken over de mieren in het verhaal.
Zoek samen naar antwoorden.
Koppel terug naar de informatieve tekst over mieren en toon de woordspin uit les 8.
Bespreek: Wat is een werkster? (een vrouwtjesmier)
Breid de woordspin samen uit.
In het kort
• Projecteer de kaft van het boek en de taalweter.
• Bespreek de titel en de verhaallijn aan de hand van vragen die de leerlingen bedenken.
• Vul de woordspin uit de vorige les met behulp van ‘Waar?, Wat? en Wie?’ aan.
• Projecteer en formuleer het lesdoel.
Gebruik de vraagwoorden ‘Waar?, Wat? en Wie?’ om informatie over de werksters te verzamelen.
Start bij ‘nest bouwen’ en noteer er het vraagwoord ‘Waar?’ bij. Bespreek:
Waar bouwen mieren hun nest? (in het bos, op een berg, in een stad, in een woestijn …)
Noteer enkele antwoorden bij het vraagwoord.
Waar bouwen mieren geen nest? (op heel koude plekken)
Noteer ‘koud’ en zet er een kruis door.
Ga verder met ‘voedsel zoeken’ en noteer er het vraagwoord ‘Wat?’ bij. Bespreek:
• Wat eten mieren graag? (zoete dingen)
• Wat doen ze met het voedsel dat ze vinden? (Ze brengen het samen naar hun nest.)
Ga verder met ‘eitjes en larven verzorgen’ en noteer er het vraagwoord ‘Wie?’ bij. Bespreek: Wie leeft er in een mierennest? (een koningin, werksters en mannetjes)
Laat de leerlingen nog enkele vragen bedenken met andere vraagwoorden. Bv.
• Hoe leven mieren samen? (in een groep of kolonie)
• Hoe heet een kolonie die samen in één nest woont? (een mierenvolk)
• Waarom hebben mieren dezelfde geur? (Zo herkennen ze elkaar.)
• Wanneer zie je veel mieren? (in de zomer)
Het lesdoel formuleren
Projecteer het lesdoel en bespreek: Ik gebruik wat ik las over de mieren om een strip af te werken. Schrijf dat lesdoel op het bord, zodat het tijdens de les zichtbaar blijft voor de leerlingen.
Het stripverhaal voorbereiden
Vertel dat de leerlingen intussen veel weten over mieren. Toch blijft er nog één vraag over: Waarom liepen de mieren door de klas van Pam? Wat denken jullie?
Verdeel de klas in heterogene duo’s. Laat de duo’s kort overleggen.
• Laat de leerlingen bedenken waarom de mieren in de klas van Pam zijn.
• Laat de leerlingen de kenmerken van een stripverhaal bepalen.
• Model het gebruik van het schrijfplan: van stap 1 (oefening 1) tot stap 3 (oefening 3).
Stimuleer hen om informatie uit de woordspin te gebruiken.
Kern
Projecteer enkele stripverhalen.
Bespreek de kenmerken:
• Hoe zie je dat dit verhaal een stripverhaal is?
• Waar staat de tekst?
Kom samen tot:
• Een stripverhaal wordt verteld in opeenvolgende tekeningen.
• De tekeningen staan in kaders.
• De tekst staat in tekstballonnen.
Bezorg elke leerling het stripverhaal (kopieerblad 1).
Overloop het schrijfplan in het taalschrift van de leerlingen. Kies een idee uit de voorbeelden en model hoe je het schrijfplan gebruikt als voorbereiding op het aanvullen van de strip.
Tip! Gebruik geen originele vondsten. Laat de leerlingen die zelf uitwerken.
Stap 1 (oefening 1): ideeën verzamelen
• Ik zoek een oplossing voor het probleem.
• Waarom komen de mieren de klas binnen? (Ze vinden een spoor van kruimels.)
• Waar leidt het spoor naartoe? (naar een koekje in de zak van de meester)
• Ik noteer de kernwoorden: spoor – koekje.
Stap 2 (oefening 2): schetsen
• Ik maak een snelle tekening.
• Hier teken ik een rij mieren.
• Hier teken ik de broek van de meester met enkele mieren erop.
• Mijn tekening hoeft nog niet mooi te zijn.
Stap 3 (oefening 3): tekst bedenken
• Ik weet al hoe mijn verhaal eindigt.
• Nu bedenk ik wat de mieren zeggen.
• Ik gebruik mijn kernwoorden.
– Prent 1: Ik volg het spoor!
– Prent 2: Mier 1 zegt: Kijk, het is een koekje.
Mier 2 zegt: Ja, en met room!
Vraag tot slot: Welke informatie uit de woordspin gebruikte ik? (Bv. mieren volgen een spoor, mieren zoeken voedsel, mieren zijn dol op zoetigheid …)
HERHALINGSTHEMA LES xx De mieren gaan op pad
1 Waarom lopen de mieren de klas binnen? Noteer twee kernwoorden. 1 2
2 Wat teken je bij prent 3? Maak hier snel een schets.
Oefening 2
Bespreek kort wat een schets is.
• Je gebruikt enkel een schrijfpotlood.
• Je tekent snel.
• Het hoeft nog niet mooi te zijn.
• Je mag ook kernwoorden gebruiken.
Wijs de leerlingen erop dat alles wat ze schetsen, later ook op hun eindprent te zien moet zijn.
3 Gebruik de kernwoorden. Schrijf je tekst eerst in het klad.
Vul daarna de tekstballonnen van de strip in.
4 Heb je …?
• de kernwoorden gebruikt in je tekening? ja nee
• de kernwoorden gebruikt in je zinnen? ja nee
Wat heb ik geleerd?
Ik gebruik wat ik las over de mieren om een strip af te werken.
Herhalingsthema – Les 13 – Taalvaardigheid 7
De strip tekenen en aanvullen
Vertel dat de duo’s stappen 1, 2 en 3 (oefeningen 1, 2 en 3) uitvoeren als voorbereiding op het tekenen.
Stap 4 (oefening 4) voeren ze pas uit nadat ze hun strip hebben afgewerkt.
Dan controleren ze hun werk.
Laat de duo’s het schrijfplan aanvullen.
• Projecteer De mieren gaan op pad (kopieerblad 1) en deel uit.
• Laat de leerlingen hun stripverhaal voorbereiden met kernwoorden en een schets (oefeningen 1, 2 en 3).
• Laat de leerlingen hun werk controleren aan de hand van het stappenplan (oefening 4).
Tip! Stop de les nadat de duo’s hun schrijfplan hebben afgewerkt. Voorzie een moment om elk duo feedback te geven en eventuele verbeteringen te laten aanbrengen. Laat de leerlingen hun strip tijdens een volgende les, een les schrift of contractwerk verder aanvullen en afwerken.
Observeer tijdens het werken:
• Kunnen de leerlingen kernwoorden noteren?
• Kunnen ze de kernwoorden gebruiken in een zin?
• Gebruiken ze informatie uit de tekst over mieren?
• Hoe verloopt de samenwerking?
• Luisteren de leerlingen naar elkaar en bouwen ze voort op elkaars ideeën?
Slot
Terugkoppelen naar het lesdoel
Lees het lesdoel in het taalschrift en bespreek in welke mate de leerlingen het doel hebben bereikt.
Rondgang langs de stripverhalen
• Koppel terug naar het lesdoel.
• Bespreek de stripverhalen.
Wanneer de duo’s klaar zijn, leggen ze hun stripverhaal op de bank. Laat de leerlingen rondgaan in de klas en elkaars werk bekijken.
Bespreek samen:
• Welke ideeën van andere duo’s vond je origineel?
• Wat vond je sterk aan een stripverhaal van een ander duo?
• Welke vraag zou je nog willen stellen aan een ander duo?
Kopieer kopieerblad 1: voor de helft van de klas dictee 1, voor de andere helft dictee 2.
Voorkennis activeren
• Welke woorden kwamen in de vorige les aan bod? (woorden met a, e, i, o en u; woorden met aa, ee, oo en uu; woorden met een doffe e; woorden met eu, oe en ui)
• Waar let je op als je het woord ‘boer’ schrijft? (Als je oe schrijft, schrijf je eerst de o en dan de e.)
• Ken je een woord met een doffe e? (je, me, te, de, het …)
Lesdoel formuleren
Projecteer het lesdoel:
In het kort
• Activeer de voorkennis van de leerlingen, zodat ze snel opnieuw kunnen aanhaken.
• Projecteer het lesdoel en bespreek.
Ik kan woorden die je schrijft zoals je ze hoort juist schrijven.
Bespreek: Jullie gaan vandaag controleren of jullie woorden met met a, e, o en u; woorden met aa, ee, oo en uu; woorden met een doffe e; en woorden met oe, eu en ui correct kunnen schrijven.
Oefening 6
Dit is een partnerdictee. Laat de leerlingen om de beurt dicteren en schrijven. Ze verbeteren elkaars werk en gaan samen op zoek naar de juiste schrijfwijze.
Oefening 7
Stimuleer de leerlingen om creatieve zinnen te vormen. Wijs hen erop dat zinnen beginnen met een hoofdletter en eindigen met een leesteken.
Terloopswoorden
• de fee
• de kuil
• tikken
• iemand iets wijsmaken
4 Herhalingsthema – Les 14 – Spelling Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
7 Maak zinnen met deze twee woorden. reus – bier:
Partnerdictee
Laat oefening 7 maken. Bespreek de oefening klassikaal. Kern
De leerlingen dicteren en schrijven om de beurt bij oefening 6 Het dictee bestaat uit vier woorden en één zin. Na het dictee wisselen de leerlingen de dicteekaarten uit. Elke leerling verbetert het eigen dictee met een gekleurde balpen. De leerlingen bespreken samen hun fouten en zoeken naar de juiste schrijfwijze. Ze geven elkaar uitleg en roepen bij twijfel hulp in. Het correcte woord schrijven ze tussen de correctielijnen.
• Laat bij oefening 6 duo’s elkaar dicteren. Ze verbeteren elkaars werk en gaan indien nodig samen op zoek naar de juiste schrijfwijze.
Tip! Laat leerlingen met een spelachterstand de dicteekaart als kopieerkaart gebruiken.
Tip! Vestig de aandacht op de ‘ik twijfel’-kolom. Nadat de leerling het woord geschreven heeft, leest hij het woord na. Bij twijfel zet hij een kruisje.
Leerling 1
1 de deur
2 ik kies
3 een buis
4 ik geef
5 De fee zet het vuur af
Overzicht van de gedicteerde woorden:
Uit spellingles Transfer
Losse woorden de, deur, een kies, buis, geef
Woorden in zin fee, het, vuur, af
/10 7 3
Leerling 2
1 de soep
2 een reus
3 de kuil
4 gaat hij
5 Nee, mijn haar is te kort.
Overzicht van de gedicteerde woorden:
Uit spellingles Transfer
Losse woorden de, soep, een, reus, kuil, gaat, hij
Woorden in zin Nee, haar, te Totaal /10 7 3
Integratieoefening
• Laat oefening 7 maken.
Lesafsluiting
Herbekijk de toppuzzel en ga na of die goede klinkers en medeklinkers bevatte om woorden te vormen.
• Herbekijk de toppuzzel.
• Evalueer en sluit de les af.
Koppel terug naar het lesdoel. Sluit de les daarna af met deze vraag: Denk je dat je alle woorden nu kunt schrijven? Welke woorden nog niet?